summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:34:26 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:34:26 -0700
commitc3100fe252b0821c8e75a75b118190a7ff667c7e (patch)
tree59f4d5c896453a5db4344e439d5a058c5226de25
initial commit of ebook 10400HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--10400-0.txt7913
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/10400-8.txt8334
-rw-r--r--old/10400-8.zipbin0 -> 163860 bytes
-rw-r--r--old/10400.txt8333
-rw-r--r--old/10400.zipbin0 -> 163189 bytes
8 files changed, 24596 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/10400-0.txt b/10400-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..cd12d55
--- /dev/null
+++ b/10400-0.txt
@@ -0,0 +1,7913 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10400 ***
+
+HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART
+
+door
+
+BETJE WOLFF en AAGJE DEKEN
+
+
+MET INLEIDING VAN EN VERKORT DOOR J.B. MEERKERK
+
+
+[Illustratie: Betje Wolff en Aagje Deken.
+
+
+ Natuur plaatst onzen geest als 't waare in 't aangezicht;
+Zy doet der menschen ziel meest door zyne oogen spreken;
+ Wie onze werken leest herkent dra ook zeer ligt
+Uyt beider Beeltenis, wie BEKKER zy, wie DEKEN.
+
+
+Prent van A. Cardon naar teekening van W. Neering.]
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+Vóór ELISABETH WOLFF-BEKKER (1738—-1804) is in het buitenland zoo-nu-en-dan
+wel notitie genomen van onze litteraire kunst--gezwegen natuurlijk
+van de latinisten uit den renaissancetijd;--en LAROUSSE kent naast
+REMBRANDT tegenwoordig ook VONDEL--doch eigenlijk tellen we pas
+eenigszins mee in den vreemde na SARA BURGERHART, dat in het Fransch
+werd vertaald--waar de Schrijfster niets mee ingenomen was. Ze meende
+dat haar boek eigenlijk niet te vertalen was en alleen verstaanbaar voor
+Hollanders. En ze had daarin volkomen gelijk, ook naar het oordeel van
+BUSKEN HUET, die o.a. schreef:--"om die kunst te waardeeren moet men van
+de natie zijn."
+
+Gaat er bij elke vertaling van een goed boek iets moois verloren, zeer
+stellig, meen ik, moet dit het geval zijn met de uitstekende werken
+van BETJE WOLFF. Ze zijn zoo door-en-door Hollandsch, als de _Camera
+Obscura_ b.v., als héélvéél van _Multatuli_, dat vreemdelingen er
+gewoonlijk onverschillig voor blijven, inzonderheid als niet de
+intrigue van den roman op zichzelf belangstelling wekt, als wederom
+bij BETJE.
+
+Ik spreek hier alleen van BETJE WOLFF, echter zonder haar vriendin AAGJE
+DEKEN (1741-1804) tot bloot belangstellende te willen verkleinen. Er is
+over het al of niet samenwerken heelveel getwist; ikevenwel meen dat
+AAGJE veel meer is geweest dan toeschouwster, al laat ik die kwestie
+hier rusten en noem ik alleen BETJE'S naam.
+
+Wie zich nu tot het lezen zet van _Sara Burgerhart_, moet zich
+tenminste eenigermate een voorstelling maken van den tijd waarin het
+boek werd geschreven (1782). Wij zijn te allen tijde een volk van
+theologen geweest, is er terecht gezegd, en dat zijn we gebleven; dat
+waren we vooral nog in BETJE'S dagen. Doch toen inzonderheid was het
+geloof verstelseld en verdogmatiseerd, het leven was verdord in den
+godsdienst, veruiterlijkt, en de nieuwe denkbeelden waren nog verward:
+'t was vóór 't réveil, waarvan DA COSTA de dichter werd, en de
+_Aufklärung_, wier profeet KINKER worden zou, schemerde nauwelijks.
+BILDERDIJK vervroegrijpte pas.
+
+LOCKE (1632-1704) en de oudere DESCARTES vooral (1596-1650) hadden
+invloed gehad; BOILEAU (1630-1711) en VOLTAIRE (1694—1778) waren veel
+gelezen; ROUSSEAU (1712—-1778) was aan 't woord: _Nouvelle Héloise_,
+_Julie_, _Emile_, _Contrat Social_ behoorden tot de in zekere kringen
+populaire lectuur--en tot die kringen behoorde ELISABETH WOLFF. Er
+bestaat een portret van haar als jong meisje met POPE'S beroemd boek:
+_Essay on Man_ in haar hand. Dat lierdicht verscheen in 1733.
+
+FIELDING (1707—-1754) beroemd door zijn _Tom Jones_ en _Richardson_
+(1689—-1761) waren vertaald... Ja, véél werd er vertaald; het was zelfs
+een bijzonderheid dat er een roman verscheen die niet was vertaald.
+_Niet vertaalt_ liet BETJE dan ook op het titelblad drukken. De VAN
+KWASTAMA'S en dergelijken--en hun aantal was talrijk--lazen nooit
+Hollandsch; dat achtten ze als wijlen BARLAEUS een boerentaal,
+ongeschikt voor fijnere geesten.
+
+Ik noemde zooeven RICHARDSON den schepper van den modernen Engelschen
+roman, algemeen vermaard om zijn _Clarisse Harlowe_, _Pamela_ en
+_Grandisson_, lektuur tot in POTGIETER'S jeugd.
+
+RICHARDSON is BETJE'S voorbeeld; van eigenlijk gezegde navolging mag
+misschien sprake zijn in BETJE'S laatste werk: _Cornelia Wildschut_;
+doch merkbaar is zijn voorbeeld overal. ROUSSEAU en RICHARDSON, die
+twee bewondert en vereert BETJE; maar toch weer niet zóó, of ze durft
+met den eerste in 't godsdienstige verschillen en door den laatste
+verliest ze haar in-hollandsch karakter niet: _zij wil Hollandsche
+karakters_ uitbeelden, _menschen zooals er bij ons leven_.
+
+En ze slaagt uitstekend: _Blankaart_, _Edeling_, _Suzanna_, _Stijntje_
+--enzoovoort zeg ik maar, om niet te reppen thans van tante _Martha de
+Harde_ en haar man, in _Willem Leevend_. En zooveel anderen,
+meesterlijke scheppingen.
+
+Als we in ons letterkundig leven terugblikken, vinden we BREDERO
+(1585—-1618), COSTER (1579-1658), HOOFT (1581—-1647), men denke aan
+diens _Warenar_, ASSELIJN (1620—-1701), BERNAGIE (1656—-1699), VAN EFFEN
+(1684—-1735) en LANGENDIJK (1683—-1756), tot BETJE'S geestverwanten, en
+die lijn loopt door tot BEETS (1814—-1903), wiens realisme echter
+gepolitoerd is, tenminste overal een grondverfje heeft: het ruige is
+er af, tot zelfs in _Barend_, den tuinmansknecht,--en tot _Multatuli_,
+die heel hoog liep met _Blankaart_.
+
+Zooals reeds vermeld is werd BETJE in 1738 geboren, te _Vlissingen_;
+zij was de dochter van JAN BEKKER en JOHANNA BONDRIE, een Vlaamsche.
+BETJE was van haar geboorte af teer en prikkelbaar--ze werd begaafd en
+hartstochtelijk; leergierig was ze en las vroeg boeken, die anderen
+pas veel later of nooit lezen.--Niet vrij te pleiten van zekere
+koketterie liet ze het zoover komen, dat een zekere GARGON haar kon
+ontvoeren; ze was toen pas zeventien jaar. Zij is er met den schrik
+afgekomen, _ongedeert_, zooals we van _Sara_ lezen, wie iets dergelijks
+overkomt. Opzettelijk historie heeft ze niet geschreven in _Sara_,
+maar ongetwijfeld is die _meneer_ R. wel een heugenis aan GARGON en
+SARA is niet vreemd aan BETJE.
+
+Ze schrijft haar boek ook _ter waarschuwing_ voor jonge meisjes als
+Saartje; van _l'art pour l'art_ had ze geen idee; ze onderwijst
+altijd, 't zij ze romans schrijft, of in spectatoriale geschriften,
+als _De Grijsaard_, _De Denker_ of _De Borger_. Die weekblaadjes
+bleven na _van Effen_ geregeld, en telkens weer onder andere titels
+verschijnen.
+
+Na dit voorval met GARGON had BETJE in Vlissingen en in het ouderlijk
+huis geen leven. Haar broer LAURENS--die iets had van broeder BENJAMIN
+--maakt haar 't leven zuur. Tijdelijk vindt ze een onderkomen bij den
+Amsterdamschen advocaat NOORDKERK, die haar wist te kalmeeren. Maar ze
+moest weer terug naar Vlissingen.
+
+Het was een uitkomst voor haar, toen ze door dominee ADRIAAN WOLFF,
+met wien ze door haar geschriften kennis had gemaakt, altijd
+_schriftelijk_ alleen, ten huwelijk werd gevraagd. Dat ging vlug in
+zijn werk: den 9den October kwam WOLFF in Vlissingen, den 23sten
+ondertrouwden ze, (1759).
+
+WOLFF was in 1707 geboren, dus 31 jaar ouder dan de vroolijke
+levenslustige BETJE. Hij was sinds 1730 dominee in de _Beemster_
+en weduwnaar van WILHELMINE KAYZER; hij was een geleerd, zelfs
+dichterlijk, en een hoogstachtenswaardig man, met een ruime
+wereldbeschouwing.
+
+De eerste huwelijksjaren waren echter niet gelukkig: Betje koketteerde
+wat met dominee AMIJS. Wolff leed, als altijd ouwe mannen van jonge
+vrouwtjes, aan jaloezie--en Betje maakte 't wel wat bont. Na 1770
+echter wordt het beter: Betje wordt wat stemmiger, heeft haar
+verkeerdheid leeren inzien en leert haar man waardeeren. In 1772
+treedt WOLFF zelfs openlijk op om zijn vrouw te verdedigen. En dat
+was noodig, want Betje had door haar vinnige en zeer vrijzinnige
+geschriften vrijwat vijanden en belasteraars.
+
+Tot haar bestrijdsters behoorde ook AAGJE DEKEN, die zich zeer
+ongunstig over Betje had uitgelaten. Ze leerden elkaar kennen bij
+den Amsterdamschen fabrikant GRAVE, in 1776--en die persoonlijke
+kennismaking leidde tot ideale vriendschap--waar Betje zoo mee
+dweepte--vriendschap tot aan hun dood: 1804. Kort na elkaar
+overleden ze.
+
+AAGJE was een boerenmeisje, opgevoed in het Weeshuis "De Oranje-appel"
+te Amsterdam. In 1767 was ze gezelschapsjuffrouw geworden bij de
+weduwe BOSCH, wier dochter MARIA dichteres was--en ziekelijk. Maria
+overleed echter al in 1773 en in 1775 gaf AAGJE hun werk uit onder
+den titel van _Stichtelijke Gedichten_. Aagje was zeer ernstig en
+deftig. Men zal haar in _Sara Burgerhart_ gemakkelijk herkennen in
+ANNA WILLIS.
+
+In 1777 overleed dominee WOLFF, die in de Beemster zijn
+_aspergebedden had aangelegd_. De man was, als Dominee SMIT in _Sara
+Burgerhart_, veel te verdraagzaam en te ruim van blik om opgang te
+maken. En toen gingen BETJE en AAGJE samenwonen en samenwerken.
+
+Eerst vestigden ze zich in _De Rijp_, waar ze woonden tot 1781; toen
+verhuisden ze naar _Beverwijk_, waar Aagje het buitentje _Lommerlust_
+geërfd had. Tegenwoordig is dat de pastorie der R.C. kerk.
+
+Daar hebben ze gewoond--_Sara Burgerhart_ is er geschreven in het
+beroemde Koepeltje--tot 1788. Toen kwamen de Pruisen in het land,
+bij welke gelegenheid BILDERDIJK zich verdienstelijk hoopte te maken,
+en de dames weken met tal van patriotten naar het buitenland, want ze
+waren patriotisch gezind.
+
+Ze trokken naar Trévoux in Bourgondië en hebben daar gewoond tot
+(1795), toen het den patriotten beter ging. Intusschen waren ze wel
+wat genezen van hun vrijheidsroes: 't had maar weinig gescheeld, of
+BETJE zelf was op de guillotine terechtgesteld.--Ze vestigden zich in
+Den Haag en daar zijn ze blijven wonen. Ze hadden het maar armpjes:
+hun kapitaaltje hadden ze toevertrouwd aan een Haarlemsch notaris en
+die had het zoek gemaakt.--Ze moesten nu weer vertalen, dat "ze
+kikhalsden" schreef BETJE. Wel hielpen de oude vrienden haar: LOOSJES
+en VOLLENHOVEN; ze kregen nieuwe in VAN HALL en VAN DER PALM; ze
+raakten heel intiem met mevrouw OVERDORP—POST, ELISABETH-MARIA, maar
+ze waren erg "eergierig" en men moest het, als VAN HALL, heel kiesch
+aanleggen om hen te ondersteunen.
+
+Ze werden ziekelijk: AAGJE leed aan jicht, BETJE aan kramp. De goeie
+tijden waren voorbij--voor _Willem Leevend_ hadden ze _6000 gld_.
+honorarium ontvangen; _Cornelia Wildschut_ bracht minder op.
+
+De beteekenis dier vrouwen voor onze algemeene volksontwikkeling en
+ook voor onze letterkunde overschat men niet licht. Het is gemakkelijk
+aanmerkingen op de samenstelling van _Sara Burgerhart_ te maken; men
+moge den snoodaard _R_. wat al te tooneelsnood vinden; men brenge
+bedenkingen in tegen den _briefvorm_, toen in de mode, door RICHARDSON
+--en nog door mevrouw BOSBOOM—TOUSSAINT gebezigd in _Majoor Frans_
+--maar onsterfelijk blijven _Saartje_, _Blankaart_ en de andere reeds
+aangeduiden--en nooit kan verdwijnen de geest van gezond menschenleven
+dien haar werken ademen.
+
+Zij rusten in vrede op het kerkhof "Ter Navolging", bij Scheveningen.
+
+ * * * * *
+
+SARA BURGERHART is niet alleen als roman bedoeld, 't is een _tendenz-
+werk_--theologisch, paedagogisch, politiek zelfs en _apologisch_.
+Daardoor is 't voor leerlingen inzonderheid te lang en te langdradig.
+Eerst wanneer men er toe komt de 18de eeuw te bestudeeren, _ons_ leven
+onder den invloed van den vreemde, dan wordt het _heele_ boek hoogst
+belangwekkend. Misschien komen er velen toe het dan in zijn geheel te
+herlezen. In deze uitgave wilden we behouden, behalve wat vanzelf bleef,
+den _roman_ en _het karakteristiek Hollandsche_. Het zou ons bijzonder
+aangenaam zijn als we daarin waren geslaagd.
+
+
+ Voornaamste Werken.
+
+Van BETJE alleen:
+
+ Bespiegelingen over den staat der Rechtheid,
+ den val en den gevallen mensch, (1765).
+ Walcheren in 4 zangen, (1769).
+ Onveranderlijke Santhortsche Geloofsbelijdenis,
+ en De Menuet en de Domineespruik, (1774).
+ _Die Menuet werd zelfs door hel volk gezongen als
+ een kermisliedje_.
+ Mengelpoëzie. (1785).
+
+Van AAGJE en BETJE samen:
+
+ Historie van juffr. Sara Burgerhart, (1782).
+ Historie van den heer Willem Leevend, (1784).
+ Brieven van Abrah. Blankaart, (1788).
+ Dichterlijke wandelingen door Bourgondië, (1789).
+ Historie van Cornelia Wildschut, (1796).
+
+ J. B. MEERKERK.
+_Zwolle_, April '19.
+
+
+
+
+EERSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+ PARYS.
+
+
+_Lieve jonge juffrouw!_
+
+Nu ja, ik heb beide uwe Brieven ontfangen, maar, wat hamer, meent gy,
+dat ik tyd heb om u zo _cito_, per post, (zoo 't u blieft,) te
+antwoorden; en dat wel zo dikwyls, als myne Pupil goedvindt om my met
+een hoope wisjewasjes aan 't hoofd te lellen? Zie, ik ben maar een
+Vryer, (een _Oude_ Vryer, zo je wilt;) ik weet echter, hoe die Nufjes
+van halfwassen Vrouwen bestaan. Van daag willen zy zus, morgen willen
+zy zó. Wel nu, wat zal ik u antwoorden? Weet ik, in hoe ver gy
+gelyk hebt? Niet, Saar lief, dat ik u in staat ken om my te pieren, zo
+wat op myn mouw te spelden, gelyk men zegt: Neen, gy waart altoos een
+oprecht kind; maar gy zyt jong, gy hebt het maar gansch niet naar uw
+zin: reden genoeg, om zulke droevige dingen aan my te schryven.
+
+Indien ik niet in dit verbruide Land, daar niemand my en ik niemand,
+dan zeer gebrekkig, verstaan kan, buiten de Familie, waar mede ik myne
+zaken heb aftedoen, en daar ik wel zakken vol complimenten, doch geen
+geld krygen kan, nog vooreerst diende te blijven, en te Amsteldam kon
+komen, of ik die Russische winkel by Tante eens zoude komen opschudden!
+Wêe, zo gy my gefopt hadt! maar wêe ook het oud Wyf, indien zy myne
+Pupil, de dochter myns waardsten Vriends, kwalyk behandelde! Maak van
+myn vertrouwen geen misbruik, maar uwe Tante verdient niet de Zuster
+uwer brave Moeder te zijn; op myn eer, dat verdient zij niet! Zy is
+een geveinsde inhalige Feeks; en ik kan het nog niet in den kop
+krygen, door wat middel zy uwe zalige Moeder heeft weten te bewegen,
+om u, haar eenig, haar tedergelieft kind, by haar te betrouwen. Voor
+honderd halve ryertjes[1] moest gy het beter hebben; (uwe kleding
+betaal ik immers nog byzonder[2]). En krabt zy die echter niet zo
+vrekkig naar zich, als of zy arm en gy haar wild vreemt waart. Zo gy
+kunt, hou het uit; ik zal er u te liever om hebben, kind; en ik zal my
+tegen u niet laten innemen. Nu, zy schryft my ook nooit. Mooglyk acht
+zy my die eer onwaardig. Alles heeft zyn reden, meisje; zie, ik heb
+Tante, als zy het al te erg maakte, zo wel eens doen zien, dat haar
+manier van doen zeer dikwyls verbaast verre afweek van hare wyze van
+zeggen, en breden ophef, als of zy, ten minsten, eene heilige van den
+eersten rang ware. Gy hebt zulke brave ouders in 't graf; draag u toch
+wèl, kind. Ik beken, zo eene behandeling is haast niet om te verdragen;
+zo zy het al te erg maakt, en gy beter kunt te recht komen, ik guarandeer
+uw kostgeld; mids dat de Lieden onbesproken en hupsche menschen zyn.
+--Doe deezen stap echter niet, dan in den dringentsten nood, of wy zullen
+geen Vrienden blyven; ik kan niet toestaan, dat gy u zelf zoudt benadeelen;
+daar heb ik u veels te lief toe. Ja, wat ik zeggen wou? Ik heb hier eene
+menigte muziek voor u gekogt, en die zal ik u met een los adres[3], als
+ik goederen afzend, toeschikken. Zy geven hier voor dat de Compositie
+heerlyk is: ik vergeet al myn kunst met die druktens; maar ik heb zo
+graag, dat zoete meisjes zich wel diverteeren; en gy zyt toch een
+muziekgekje. Ik denk wel om u, en kan dikwyls wenschen, dat ik u hier
+had. Hier, Saartje, zoude uwe geestige hekelzucht stoffe vinden, al
+hoorde en zaagt gy niets dan dien nimmer stillen zwerm van Gouwe torren,
+en Zomerkapelletjes; want zo noem ik dat lastig beslissent wel opgepronkt
+Jan hagel, dat men _Petits maîtres_ hiet: Ik ben zoo bang voor zó een
+rekeltje, als gy voor een Aap; zy noemen my hier: _le gros Hollandais_;
+wat beduidt dit Kind? mooglyk nietmetal.
+
+Binnen zes maanden denk ik thuis te zyn. Wat lange brief is dit? nu gy
+yder een niet; maar toch, ik schryf niet graag Brieven.--Vaarwel, leef
+vrolyk, wees gegroet van
+
+ _Uwen toegenegen Voogd_,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+Noten:
+
+[1] Rijer = 14 gulden.
+[2] Afzonderlijk.
+[3] Apart pakje.
+
+
+
+
+TWEEDE BRIEF.--Aletta de Brunier heeft Saartje gezien als een
+"kwakerinnetje", in den winkel van Mad(elle) G. Dat is te gek,
+schrijft ze aan Saartje, met wie ze vroeger heeft school gegaan, en
+ze stelt haar voor bij háár te komen wonen, en pension bij de wed(e)
+Spilgoed-Buigzaam--daar hebben ze 't best. Er wonen nog twee dames.
+
+
+
+
+DERDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Ge-eerde Heer, zeer ge-achte Voogd!_
+
+Dat was een blyde Postdag voor my. Een Brief van myn geëerden Voogd.
+Waarlyk, ik heb geschreit, ziende hoe veel belang gy in my naamt: doch
+dat zes maanden uit blyven! daar lag al myn vreugd in 't voetzant.
+Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer
+uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet
+half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan.
+Och, zo waar, ik heb u geen één jokkentje, hoe klein ook, op den mouw
+gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? dan was ik een zeer slegt
+meisje, en verdiende dat gy my bekeeft. Ik ben niet alleen de slavin
+van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude
+lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt.
+
+De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw
+van een fatsoenlyk man, die niet dan ordentelyke Dames logeert. Een
+myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en
+pryst de Juffrouw heel zeer. Daar zyn nog twee andere Dames ook.
+
+Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat
+berispelijk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary
+wil verlagen, eene ondeugd, die allerafschuwlykst voor my is; en waar
+aan ik my zeker nooit zal te buitengaan.
+
+Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen
+te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven:
+Laat my toe, dit nogmaal te zeggen.
+
+Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek! ik zing al in voorraad[1].
+ô! Wat zal die fraai zyn: mooglyk is er wel van Rousseau's[2] Compositie
+by? duizendmaal dank. Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken
+van een Pypje, voor te spelen. Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart,
+daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryën
+[3]; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag en ik heb zulke mooije
+Cantata's. Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het pakje aan Tantes huis
+niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur; ik zal hier een adresje
+insluiten. Ik bidde den goeden Hemel alle daag voor u, en dat ik u
+gezond en vrolyk moge weder zien, my zelf gelukkig rekenende van te zyn,
+
+_Uwe liefhebbende Pupil en Dienares_,
+
+SARA BURGERHART.
+
+Adres: _Chez Mademoiselle G----, Marchande sur le_ ----.
+
+
+Noten:
+
+[1] Bij voorbaat.
+[2] Wolffje dweept met Jean Jacques.
+[3] Zeurige deunen.
+
+
+
+
+VIERDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLES.
+
+
+_Ge-eerde vriendin!_
+
+Hield ik my niet verzekert, dat uw hart veel beter gestelt was, dan
+dat van wylen den Heer Achitofel[1], (trotscher gedagtenis), die zich,
+om dat men zynen raad verwierp, maar zo eens, met een gaauwigheid,
+handigies ging opknopen, ik zou zeker by u niet om raad komen, want ik
+zeg u in voorraad, dat ik niet van mening ben dien te volgen; ten ware
+hy, onverhoopt, met myn reeds genomen besluit overeenstemde.
+
+En nu, myne zeer statige, zeer hoogwaardige Vriendin, zult gy my
+vragen: "waarom, indien dit zo is, of ik dan uwen raad verzoek"? Dat
+zal ik u zeggen, Naatje. Ik schryf aan u, om myn hart te ontlasten; om
+u in staat te stellen van te kunnen oordelen over myn lastig lot, op
+dat gy, den stap dien ik ga doen, al niet goedkeurende, dien echter
+zoudt kunnen inschikken. Een stap mooglyk, onvoorzichtig; doch voor my
+nodig. Gy hebt al myn vertrouwen, om dat gy alle myne achting hebt, en
+elk die u acht is zeker niet verachtelyk, om dat gy zulk een fraai
+karakter hebt, enz. Ik moet kort zyn. Maar by Tante heb ik het zo
+slegt, dat ik er niet langer blyven kan of wil. Raad my dit niet af.
+'t Is wel waar, Naatje, dat gy zo wel veel wyzer als veel ouder zyt
+dan ik; maar gy zyt echter niet wyzer dan Salomon, de wyze Koning
+Salomon zou ik denken, ende wat zegt zyne Philosophische Majesteit
+ergens? "Het is beter te wonen aan de zyde des Daks, dan by eene
+kyvende "Huisvrouw". Hoe kan ik nu langer wonen by eene Tante, die,
+schynt het, eene belofte gedaan heeft, om my zo veel bitterheid aan te
+doen, als Vrekheid en Dweepery maar immer kunnen opbaggeren.... Daar
+schreeuwt zy alweer haar keel uit het lid. "Ja Tante, ik kom." Eerst
+echter deezen agter 't slot. Zo dra ik kan zal ik een tweeden Brief
+beginnen, ik moet u eindelyk voldoen omtrent zaken, my, vóór ik u
+kende, ontmoet. Vaarwel, myne waarde.
+
+ S.B.
+
+
+Noot:
+
+[1] 2 Sam. XV, 12 vv. 2 Sam. XVI, 23. — Vert. Kuenen c.s.
+
+
+
+
+VYFDE BRIEF.
+
+DE ZELFDE. Ten vervolge.
+
+
+Ik moest mynen vorigen brief, die hier nevens gaat, zo schielyk
+afbreken, om dat Tante my riep, schoon zy my niets te zeggen hadt, en
+slegts beval, by haar te zitten: Onze gromparty sla ik maar over, om
+dat ik u nu eens ernstig moet schryven.
+
+Myn waarde Vader, weet gy, was Jan Burgerhart; hy negotieerde in de
+Thee; zyn handel was voordeelig. Myne lieve Moeder was, zo als men dat
+noemt, een bestorven meisje[1]. Zy hadt een stuiver goeds, en trouwde
+zeer jong. My, het eenig kind, voedde men op als een meisje, dat van
+eene goede familie is, en geld te wagten heeft, door brave Ouders
+opgevoed wordt. Gy kent myn aandoenlyk hart; gy weet hoe vatbaar het
+is voor de minste blyken van genegenheid; oordeel dan hoe ik deeze
+myne dierbare Ouders eerde en beminde. Ouders! dat is toch een
+zielroerent woord, Naatje, en kost my meermaal eene stille traan. Myne
+Ouders waren gelukkig met elkander. Hun karakter was voor elkander
+berekent. Meer zeg ik niet. Wie spreekt ooit dan met achting van myne
+zalige Ouders? och, yder een!... Gy weet het. Hoe aangenaam was ons
+zeer geregelt huishouden! Myne Ouders lazen veel, en zagen deeze zucht
+in my met goedkeuring. Nog zie ik hen in onzen tuin, op de bank
+zitten, als Vader zyn pypje van rust, zo als hy het noemde, rookte, en
+Moeder hem iets voorlas, terwyl ik op des goedaartigen mans knie zat
+te luisteren, of te spelen. Nog zie ik, hoe hy my, gevolgt door myne
+glimlachende Moeder, in huis draagt. ô! Dat waren gouden dagen; waren
+het niet?
+
+Myne Moeder hadt eene Zuster, die veel ouder was, en waar by ik nu
+inwoon. Die Zuster vondt maar gansch niet billyk, dat Saartje vóór
+haar ten huwelyk verzogt wierd, en kyk, de Juffrouw was magtig gestelt
+op het _Decorum_[2]; dat was het maar: zy meende ook zeer wel te
+weten, dat zy zo wel veel meer verdiensten, als jaren telde, dan myne
+Moeder. Doch, of het spel sprak, daar kwamen geene Liefhebbers. Indien
+onze Vriendin hadt kunnen bewogen worden, om eene _aanpryzende_
+VOORREDE voor Tante te schryven, mooglyk zou men haar gezogt hebben.
+Hoe 't zy--(verschoon dien inval!) zy begreep, (Tante heeft ook haare
+invallen, Naatje), dat er geen beter party voor haar opzat, dan zich
+te voegen by die Lieden, die wy _fynen_, en die zich zelf _vroomen_
+noemen. Veele deezer menschen, ik spreek van de besten uit de zôô,
+meenden dat haar grimmige uitkyk, haar grommig voorkomen, haar
+nutteloze berisping, de zoete vrugtjes waren van eene naauw-gezette
+godsvrugt. Die goede Slooven dagten, dat Tante los was van de Waereld,
+om dat de wyze schikkingen der Voorzienigheid nooit de eer hadden van
+haar Wel Edele te voldoen. Hoe zeer zy ook de Fyne uithing, zy beviel
+evenwel méér aan de Zusjes, dan aan de Broedertjes: men moet bekennen,
+dat Juffrouw Hofland juist niet heel oogelyk is.
+
+Met myn zesde jaar hield ik al meê Oeffening by Tante. De Vriendjes
+hadden veel met my op. Men zag wat goeds in my. Ik hield ook veel van
+Tantes Oeffening; want, met myn zak en peperhuizen vol Lekkers, kwam
+ik altoos thuis, zie daar de genoegzame rede. Hoe zeit Wolff[3], de
+_ratio sufficiens der dingen?_
+
+Zoo veele middelen bleven niet ongezegent. Ik verlangde altoos naar
+Tantes oeffendag. Wat zal ik meer zeggen? Gy kent my: medelydent,
+meêgaande, en zoo voords. Toen kon ik al geene droefheid zien zonder
+ook te kryten; en er werdt ook meest altyd eens geweent, (waarom weet
+Joost; want me dunkt, dat zy het nog al zoo taamlyk wél hadden). Deze
+weekheid behaagde. Myne Tante zelf, of schoon ik hare gehate Zusters
+dochtertje was, kreeg my, op hare wys, recht lief. Zy mydde ons huis
+niet meer, om dat ik meê oeffening hield, en meê huilde.
+
+Twaalf jaren leefde ik zo gelukkig, als een gehoorzaam en gelieft kind
+leven kan. Toen keerde myn lot. Myn waarde Vader, zich op eenen heten
+dag, door het inpakken en afzenden van Thee, zeer verhit hebbende,
+kreeg een pleuris, en stierf binnen drie dagen, nog geen veertig jaren
+oud zynde.
+
+Geene VAN MERKEN[4] zou u kunnen afbeelden, hoe groot myner Moeders en
+myne droefheid was. Wy verloren alles, en myne teder-lievende Moeder
+voelde alles wat zy verloor; meer zeg ik niet. Oordeel nu. Myne Moeder
+deedt den handel aan iemand onzer Kantoorbedienden over, vertrok naar
+de ----gragt, en hielt maar eene onzer meiden; daar leefden wy stil en
+proper. Maar haar verlangen naar stilte was te gunstig voor haar, om
+toch onafgebroken aan haar Overledenen te denken! Myne Ouders hadden
+elkander hartlyk bemint: de dood myn's Vaders stortte haar in de
+allerdiepste zwaarmoedigheid. Zy sneedt alle uitspanningen af, zag
+niemand, sprak weinig, zuchtte veel, en stortte veele droeve tranen.
+Zy werdt ook wel dra zo ziek van lichaam als van ziel. De lieve Vrouw
+hadt nu reeds de geschiktheid, om het zaad der dweepery, 't welk myne
+Tante met eene voorbeeldige mildheid uitstrooide, te ontvangen; zy
+ontfing het ook, helaas!
+
+Ik was bitter bedroeft over myne Moeder! myne zucht tot vermaak
+verzwakte. Geen wonder! ik zag myne kwynende Moeder in eene sleepende
+ziekte vervallen, die, zo als Docter E---- duchte, ongeneeslyk was. Ik
+leed niet minder dan myne dierbare toegeeflyke Moeder. De Teering is
+eene elendige kwaal, Naatje. Wat heeft de brave Vrouw geleden, en dat
+zo lang; zo heel lang! Nooit verliet ik haar in het laatste jaar haars
+levens. Ik sliep voor haar bed, gaf haar alle de medicynen; en zag,
+buiten myne Tante en den Docter, niemand dan onze goede Pieternel; die
+brave meid, welke myne Ouders reeds diende, toen ik geboren wierd, en
+waar voor ik zo veel liefde heb. Nu en dan las ik voor myne zwakke
+stervende Moeder; doch de Boeken, waar uit ik las, waren niet voor my,
+ook niet voor haar geschikt, en werden door Tante bezorgt, akelige,
+zotte geschriftjes, die myne Moeder, vóór de droefheid haren geest
+geheel hadt benevelt, met versmading zoude beschouwt hebben: Ik ben nu
+te ernstig, anders zoude ik u eens een paar douzynen Titels opgeven,
+die my by u zouden verdedigen.
+
+Dodelyk ongerust over myne geliefde Moeder; onpasselyk door het gestadig
+zitten in eene ziekenkamer, verstoken van lucht, dien balsem des levens,
+van licht, dat den geest opheft: zonder de minste afleiding; het zwarte
+beeld des doods gedurig voor my warende; verdrietig over de smarten myner
+Moeder, verloor ik eerst myne eetlust, toen myne gezonde kleur, en wel
+dra myne werkzaamheid. Ik keek zo bang en zo zuur als Tante; zuchte,
+zat leeg en lui met de hand onder myn hoofd, dat dof en zwaar werdt en
+ongekapt bleef. Met één woord ik vervreemde zodanig van de jonkheid en de
+natuur, dat Tante my voor een geheel _omgekeert meisje_[5] begon aan te
+zien. Zy liefkoosde my, om dat zy haar eigen portret in my waande te
+vinden: en ik, och! ik had vrede met Tante, om dat zy met my in haar
+schik was.
+
+In dien staat was ik, toen gy ons uit naam uwer Moeder bezogt, die de
+beleeftheid hadt, om, uit oude vriendschap met myn Vader, en uit nieuwe
+Buurschap, zo als gy zeide, (want gy kwaamt eerst onlangs op de zelfde
+gragt), te laten vragen, hoe of myne Moeder nu was, zynde zy begeerig om
+de zieke eens te bezoeken.
+
+Hy, die ons in treurige omstandigheden toespreekt, met heusheid toespreekt,
+is ons welkom: dit beurt ons op; het vleit ons; het verwydert ons eenige
+oogenblikken van ons verdriet: Oordeel des of gy my aangenaam waart! ik
+voelde nu, dat ik nog vatbaar was voor blydschap. O dierbare aandoening!
+Hoe, (gy wordt immers niet knorrig, Naatje lief?) hoe staatig, hoe weinig
+toeschietent, hoe geheel anders gy ook waart, dan ik, in houding, in
+kleding, in gelaat, toen echter scheent gy my de voorkomenheid, de
+minzaamheid zelve.
+
+Myne grootste, zoo niet eenigste behoefte, gy weet het nu zelf, is
+lief te hebben, en gelieft te worden: myne liefde voor myne Moeder was
+zo oprecht, zo teder, als die van eene dochter ooit zyn kan, maar die
+liefde vervulde echter myn geheel hart niet.
+
+Hare onbegrypelyke zwakheid, en myn gegronde eerbied waren de oorzaken
+van dit verschynsel. Die bron stroomde niet hoog genoeg voor my, en
+yder uur dreigde de dood die voor altoos te verstoppen. Gy werdt voor
+my noodzaaklyk. Ik zag wel, dat Naatje Willis een geheel ander
+voorkomen hadt dan Saartje Burgerhart, of alle die Juffertjes, daar
+ik mede om plagt te gaan, vóór deze toenemende krankheid myner lieve
+Moeder: maar toen stak uwe statigheid niet héél sterk af by myne
+dofheid; wel verre van de oorzaak optesporen, dacht ik er niet eens
+aan: ik kende u; dat was genoeg.
+
+Uwe achtingswaardige Moeder bezogt de myne: het afscheid was teder en
+bedaart. Zy zag my schreijen, nam myne hand, sprak vriendelyk,
+troostelyk, kuste my; ja, noemde my, _lief Meisje_.
+
+Gedurende deze ziekte hadt myne Moeder Tante tot medevoogdes, nevens
+den Heer Blankaart, aangestelt; haar des jaars zevenhonderd Guldens
+toeleggende, tot ik kwam te trouwen, of, tot myne meerderjarigheid
+indien Tante my by haar wilde innemen. Deeze schikking zal u niet
+verwonderen, als gy bedenkt, hoe verzwakt myne Moeder was; als gy
+bedenkt, dat Tante en ik toen zéér wél te recht konden: Tante hadt
+Nicht lief, om dat die ziek en zwaarmoedig was, en Nicht, wel, die kon
+niet denken, dat 'er zulke Tantes in de geheele waereld waren!
+
+Weinige dagen na het bezoek uwer Moeder, storf de dierbare Lyderes,
+des nagts, in 't byzyn van onze Pieternel en den Heer Blankaart, die
+toen juist in de stad was, en ik bleef, nog geen zeventien jaar oud
+zynde, ouderloos. Myn Voogd berustte in de dispositie myner Moeder,
+doch heeft met Tante niet veel op. Zy noemt bykans nooit zyn naam, of
+zy voegt er by, dat hy geen godsdienst heeft. Denk eens aan; en dat
+van zo een allerbest man! Is 't geen schande?
+
+Aanhoudent, stil aan myn hart bytent huisselyk verdriet, heeft maar te
+veel van die goede lessen, die ik ontfing, uitgewischt. O vrede! ô
+kalmte der ziel, waar zyt gy zedert deeze drie laatste jaren geweest?
+ô myne Naatje, kan ik met nimmer wankelende treden den weg der pligten
+altoos bewandelen; daar men mynen weg zoo hart, zo doornig, zo ruw
+maakt? Nu 't is ook uit: myn gerekt geduld is ten einde; ik zal my dus
+niet langer laten plagen. Neen! vast niet.
+
+Ik kan u al myn verdriet niet vertellen; daar is in vele opzichten
+zulk een _zweem_ van beuzelagtigheid by, dat gy, die zo gelukkig
+leeft, niet kunt geloven, dat het my zó treft. Ik heb geen de minste
+vryheid; komen myne Meesters, dan tiert zy als een zottin; ik mag niet
+op myn Clavier spelen; ik mag my niet kleden, zo als ik gewoon ben; ik
+mag niemand zien dan in haar byzyn. Gy weet dat ik altoos proper, en
+eenigzins modieus gekleed wierd, maar hoe takelt zy my toe! Nu, zedert
+de rouw uit is, moet ik in een grove lelyke Stoffen Japon lopen; myn
+Pelise[6] is van eene ouden zyden faly myner Grootmoeder, (en is vol
+vouwen en kerven,) gemaakt; zonder kap of lintje, met een tinnen haak
+en oog maar vast gekonkelt. Myn linnen muts is zo groot, dat even het
+puntje van myn neus er uitkykt. Ik heb dikke drommels van schoenen, en
+dieren van groene kousen aan. Alle Kerkdagen moet ik gaan, en by dien
+Leeraar[7] dien zy uitkiest. Maandag en Saturdag moet ik Tante, en die
+Hottentot van een Bregt, na klungelen, om voor de Oeffenings-vrienden
+alles gereed te zetten. Ik moet thee schenken, presenteeren, zotteklap
+en lastertaal hooren ... maar genoeg. Dit evenwel nog: alle avonden
+moet ik in malle Boeken lezen, die wel door verliefden in een Dolhuis
+gemaakt schynen, doch die noemt myne Tante innige zielsdierbare
+Schriftjes, kostelyke Pandjes, enz. By ydere zinscheiding zucht Tante,
+en snurkt Bregt. Ik mag voor my zelf niets lezen, dan 't geen zy goed
+keurt; uwe _Julia Mandeville_ heeft die vinnige kwezel op 't vuur
+gebruit; och ja, voor myn' oogen deedt zy het. Ik beken, dat ik toen
+niet heel zoetzinnig was, maar het geen kleentje roerde. Waarlyk,
+Naatje, als ik hier bleef, wierd ik de grootste haneveer die er ooit
+leefde, en 't is toch geheel tegen myn inborst; doch nood breekt wet.
+
+Ik lyde juist geen honger, maar 't scheelt niet véél. Altoos is 'er
+iets voor my alleen, nu onder dit, dan weder dat voorgeven. Is dat
+voor my uittestaan? Weet gy wel, dat ik hier zevenhonderd Guldentjes
+verteer, kind? Meermaal gaf zy my, in heilige woede, een brave klap om
+de ooren, en ik ben echter bykans twintig jaar, kind, en zou Tante,
+schaamde ik my dit niet, er even goed een weerom kunnen geven. Hoor,
+ik heb aan myn Voogd geschreven, en wagt een gunstig antwoord.
+
+Ik zal wel ergens belanden. Ik heb myne Kinderkennis vernieuwt met myn
+Schoolmakkertje, Letje de Brunier. Die zegt, dat zy by eene zeer
+fatsoenlyke Vrouw gelogeert is; eene Weduw, die op de Keizersgragt
+woont. Juffrouw de Brunier schynt wel wat lugtig; maar dat's háár
+zaak. De Weduwe zal my wel innemen; althans, Letje zal het haar
+voorslaan. Ik laat my niet langer plagen: ik verteer te veel geld. Ik
+ben immers niet kwaad, Naatje? maar zo te leven is my onmooglyk. Wat!
+zou ik geen braaf mensch kunnen zyn, om dat ik de slavin myner Tante
+niet zyn wil; om dat ik my naar myn zin wil kleden, 't geen myn Voogd
+my gaarn inwilligt? Zou ik myn hair niet mogen opkappen, zonder dat
+myn hart er by leedt? Vrees niet voor my, ik zal wel op de wagt staan.
+Ik ken de liefde niet; denk er nooit om, breek myn hoofd nooit met
+zulke snuisteryen. Ik begeer niets dan een leven, dat vry vrolyk en
+schoon afloopt; goed gezelschap, aangename Boeken, en het vry gebruik
+van het Clavier.
+
+Dit voornemen heb ik; nu weet gy alles. Bekyf my, preek, vermaan,
+bestraf, vlei my, ik zal alles lezen, u liefhebben, en--myn eigen zin
+doen. Antwoord my toch ten eersten[8]: wat verlang ik naar een brief
+van u! geadresseert in _la Reine de France_, chez Mademoiselle G----.
+Niemand acht u hooger dan
+
+ _Uwe Vriendin_,
+
+ SAARTJE BURGERHART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Wees.
+[2] Hier: betamelijkheid.
+[3] K.F. Wolff 1733—94; rat. suff. genoegz. rede.
+[4] Luc. Wilh., Nut der Tegenspoeden, 1721—84.
+[5] Bekeerd.
+[6] 't Zelfde als faly: mantel.
+[7] Dominee.
+[8] Gauw.
+
+
+
+
+
+ZESDE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp schrijft aan Zuzanna Hofland
+--Saartjes Tante, bij wie ze inwoont--hoe Saartje als jong kind al
+niet deugde. Ze leest verkeerde boeken! Ze noodigt Zuzanna bij zich.
+
+
+
+
+ZEVENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+_Dierbare Vriendinne!_
+
+Wel, wat heb ik een dag gehad, een dag gehad: och! ik vrees dat de
+Boze maar te veel vat op my gehadt heeft; ik was zo toornigjes, zo
+toornigjes. Och ja, zo van myn hert afgedwaalt. Dogt ik dat, toen ik
+dat meisje by me nam? Ik dogt, dat er wat goeds in was; want toen haar
+Moeder ziek was, was zy zo stil en zo ingetogen, en kreeg ook onze
+kleur[1] al; maar 't was ook maar onze kleur, en meer niet. Zy was my
+nog te waereldsgezint; zo bedroeft was zy over hare Moeder; en moest
+het Hellewicht niet gedagt hebben, dat ik haar beter was dan zeven
+Moeders? Wat zeg jy, Zusje? Ik, die alles doe om hare lusten te doden
+en te kruizigen. Och ja!
+
+Ja, het stond my ook nooit wel aan, dat zy, als zy in het oude
+Testament las, altyd met er neus in de Spreuken en den Prediker zat.
+En ik vond het nog erger, toen Broeder Benjamin zei: "dat Salomon al
+dat pligtmatige, waar van hy zo veel schreef, geschreven hadt, in den
+tyds zyn's afvals; eenigjes en alleentjes om zyne Heidensche Wyven en
+Bywyven te behagen, die wel zin daar aan hadden, in die blinkende
+zonden, zei hy; en dat, toen Salomon zich bekeert hadt, hy ook van dat
+betrachten, dat doen, zoude gezegt hebben: Ydelheid der ydelheden, dit
+alles is ook ydelheid". Al dat doen, Zusje, laat de ziel maar leeg;
+die draf van goeije werken zyn ook al todden en vodden van eigen
+gerechtigheid, zo als de Zuster Alida met yver altoos zegt.
+
+Zusje, wat is die Broeder Benjamin toch een groot mannetje! Nou, ik zal
+zien te komen, en dan zullen wy spreken van herte tot herte. Ik heb u
+en de broeders lief.
+
+ Z. HOFLAND.
+
+
+ PS. Het Theologiesch Verrekykertje van Zuster
+ Welgeleert gebruik ik met stichting: als je
+ weer eens een zoet Boekje hebt, hoor.
+
+
+Noot:
+
+[1] Geestesrichting.
+
+
+
+
+ACHTSTE BRIEF.--Sara schrijft Aletta de Brunier, dat ze komt, als de
+weduwe Sp. haar wil hebben.
+
+
+NEGENDE BRIEF.--Deze verklaart zich bereid Sara te ontvangen, tegen
+billijke vergoeding. Het zal haar wel bevallen.
+
+
+
+
+TIENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA DE BRUNIER.
+
+
+_Douce et tendre amie!_
+
+_Je suis enragé_, op het oud Wyf--op myne Tante; ik wil geen week
+langer blyven; 't is of ik in de hel woon. Myne Tante heeft zeer veel
+van zyn Satansche Majesteits karakter; en Bregt verdient wel een
+schonen dienst in zyn onderaardsch ryk ... Ja! bons wat aan; ik zal
+niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. Sus! daar hompelt zy, al
+grommende, den trap weêr af. Goeije reis naar beneden. Ik moet,
+_chere_, u eens een _Scene_ tekenen, die u niet zal uit de hand
+vallen.
+
+Woensdag voormiddag raasde zy als eene bezeetene, om dat ik eenige
+nieuwe Aria's speelde. (Dat's een Wyf, ook?) Zy werd geholpen door
+haar Hottentot van een meid, die my dorst zeggen, dat zy ook danig
+ontsticht was. Met wordt er gebelt. Bregt, die volmaakt een zog van
+een Bollebuisjeswyf[1] gelykt, waggelde naar voor; en Tante gaf my een
+verbruide oorvyg, om dat ik bleef spelen.... "Juffrouw, daar is
+Sinjeur Benjamin."--"Wel hede, laat Broeder maar agter komen." Daar
+kwam Broeder, een luije zuipzak van een Kerel, in een paarschen Japon;
+(men zou wel zeggen, wie of zo een verlopen Slagers Knegt toch een
+Japon heeft leren dragen.) "Welkom Broêrtje, wel hoe is het nu nog al
+met je?"--"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"--"Wel, dat is
+droevig, maar je vergt je ook wat véél."--"Ja 't is myn Ambtsbezigheid;
+en hoe vaart Zuster? Je schynt wel wat onthutst."--"Ja, dat ben ik ook,
+'t is niet altyd het effen wegje, Broertje." (Tegen Bregt.) "Ei meid,
+is er niet wat? dan zou Broeder hier maar familiair blyven." (Tegen my.)
+"Toe, lieve Saartje, was dat uittestaan, lieve Saartje, en myn wang
+gloeide nog van den slag, bak jy nou ereis schielykjes wat dunne
+Pannekoekjes, Broeder lust die zo graag." Ik sloot myn Clavier, en zei:
+'t is wel, Tante. Ik ging naar de Keuken, en bakte helder door: maar-ik
+-at-die-al-bakkende-zelf-op. Dit is de eerste trek, die ik haar speelde,
+hoe zelden ik myn genoegen kryg.
+
+Ik moet hier alles doen; want Bregt is een lomp schepsel, en snuift
+sterk. Toen ging ik, terwyl Bregt in huis klungelde, de tafel dekken.
+Bregt eet met ons, want het is Zuster Bregtje, moet je weten, Letje.
+Tartuff[2] zou een goed woord spreken, maar de Vent badt, (zo noemen
+zy dat gehuilebalk,) wel een kwartier lang. Het geen hy jankte, geleek
+veel meer naar het morrent gegnor van ondankbaar Vee, dan naar de
+zuchten van een bewogen hart, 't geen zynen God looft.
+
+Ik kreeg, _à l'ordinaire_[3], eeten op myn bord, twee schepjes
+groente; met een slenter kout vleesch van 's daags te voren. Ik spelde
+myn Servet voor: "als ik gelyk een kind eeten kryg, moet ik ook zien,
+dat ik my niet bemors." "Och of gy een kind waart," zei de Smulpaap,
+die onderwyl met zyn duim en vinger de boter van de _robe de
+chambre_[4] eener Cottelette aflikte. "Dat zou heuchelyk zyn," zei
+Tante; "ja wel heuchelyk," zei Zuster Bregitta. Toen kreeg ik nog wat
+byeengeschraapte Spenage, en een stuk Cottelet. Zuster Zantje, en
+Broeder namen onderwyl eens. Ik kryg nooit wyn. Tante zegt, dat het
+niet goed is voor my, en dat kan wel zyn; want ik ben jong en gezont.
+"Kom, Saartje, neem nou maar af; Bregtje is wat vermoeit; de sloof
+wordt oud." Ik deed zo; zette het Dessertje op. "Waar bennen de
+Flensjes, Saartje?" "Die bennen in myn maag, Tante." Snap myn servet
+neêr gegooit, (by ongeluk tegen Broeders palmhoute[5] pruik,) en het
+onweer op myne Kamer ontweken. Gy weet, ik ben tamelyk vlug, dat my
+toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de Hottentot
+met een stuk brood en een glas zuur bier, er by voegende, "dat ik het
+nooit kon verantwoorden, zo als ik een vroom mensch evel plaagde."
+"Scheer je van myn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. Het
+brood (het was goed op de Flensjes,) at ik op. Het bier gaoide ik weg,
+en dronk eens helder uit myn Caraffe: ging vroeg te bed, en sliep als
+een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom Thee, die
+wel omspoelzel lykt. Tante gaat uit, en wil my voor haar oogen niet
+zien. Zo zitten nu de zaken. Mooglyk geef ik u deezen wel in eigen
+handen, mooglyk niet: Ik weet niet hoe 't zal uitkomen.
+
+Vast kom ik, de brief der goede Weduwe heeft my in dit voornemen
+gesterkt. Ik zou al by u geweest zyn, maar ik wagt op een Brief; die
+brief komt niet. Ik zal, voor ik dit huis verlaat, aan haar die ik
+bedoel nog eens schryven ... doch dat kan ik by u evengoed doen.
+
+Ja, lieve meid, gy hebt wel kostelyk gelyk! Men moet maar wel doen en
+vrolyk leven. He, wat? op die Fynen is toch geen staat te maken;
+echter zyn er (of jy 't niet geloofde,) zulke vrome zielen onder, die,
+waren de hoofden dezer brave menschen zo goed georganiseert als hunne
+harten, wel zuiver en godsdienstig zyn ... enfin, kort gezeit, Letje,
+Salomon, de wyze Koning Salomon, is myn man: _men moet het goede
+genieten van zyn leven, ende van zyn arbeid_;--daar mee is dat maar
+uit, en afgedaan.
+
+'t Wordt donker, en ik kryg geen licht in myn kamer; ik kan des niet
+langer schryven. Hoe zal dat gaan als ik beneden kom? Ik zal eerst
+Tante goeden avond zeggen, en als zy draaglyk is, by haar gaan zitten
+breijen; zoo niet, dan ga ik in de zydkamer, de lantaarn brandt toch
+in het voorhuis, open myn Clavier, en speel op 't gevoel maar weg.
+Maak myn Compliment aan Mejuffrouw de Weduwe Spilgoed; en zeg haar zo
+veel gy nodig oordeelt, zo gy deezen nog, vóór ik u omhels, in handen
+krygt. Nagt, lieve ziel.
+
+ Tout à Toi, S. BURGERHART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Poffertjeswijf.
+[2] Benjamin = huichelaar (Molière).
+[3] Als gewoonlijk.
+[4] 't Vleezige.
+[5] P.-H.-kleurige.
+
+
+
+[Illustratie: Snap mijn servet neêr gegooit, (bij ongeluk tegen Broeders
+palmhoute pruik,) en het onweer op mijne kamer ontweeken.
+Illustratie van C. Bogerts, naar teekening van J. Buys, in de 1e uitgave
+van 1782.]
+
+
+
+
+ELFDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Ge-eerde Heer, zeer waarde Voogd!_
+
+De steen is geworpen: ik ben 't ontvlugt, en acht het pligtmatig u
+alles te melden. Gister namiddag ben ik hier in myn nieuw Logement
+gearriveert: Ik zal alles vertellen.
+
+Ik twyffel dikwyls, of Tante my deeze laatste weken niet zó geplaagt
+heeft, om my deezen stap te eerder te doen doen. Het volgende deedt
+my nog te eerder tot een besluit komen. Ik ontmoette in een Fransche
+winkel, daar ik een paar handschoenen kogt, eene myner School-
+vriendinnetjes, zekere Letje de Brunier. Het lieve meisjes Vader was
+de Heer Phillips de Brunier, geen ongeacht Commissionaris[1] op
+Duitschland en Italien: Ik leg haren brief aan my, ook die der Weduwe,
+daar zy by logeert, hier in; op dat gy zoudt weten al wat er my van
+bekent is. Nu de Vertelling.
+
+Gister middag ging Tante uit eeten. Ik kleedde my aan, stak wat linnen
+by my, ook myne juweelen, die ik van u gekregen heb, voor gy naar
+Frankryk ging, doch die ik nooit heb aangehad, met een weinig gelds,
+(want zy geeft my niets,--geen duit.) Bregt hadt de stoutheid om my te
+vragen: "waar ga jy heen?"--"Dat raakt jou niet."--"Dan zel je ook in
+huis blyven."--"Heb jy 't hart, en belet my dat eens." Ik kan wel boos
+worden, maar niet kyven; en ziende dat Bregt haar talent te werk
+stelde, bedagt ik my: "Bregt, zei ik, heeft Tante je die ordres
+gegeven, dan moet ik haar de reden vragen, als zy t'huis komt; wat
+zullen wy eeten?"--"Kliekjes", zei zy. "Goed, ik heb honger; maar wy
+zullen Tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een fles
+wyn, jy hebt zeker den sleutel."--"Ik doe niet, juffrouw Saartje: (nu
+ik van putten[2] sprak, kreeg ik aanstonds deezen tytel!) "Jy jokt,
+Bregt; als Tante er van spreekt, zal ik haar den wyn betalen."--"Je
+Tante heeft altoos zelf den sleutel; maar als Juffrouw my niet
+beklappen zou, ik kan er toch wel by."--"Ik je beklappen! wel, dan
+moest ik wel gek zyn; kryg maar, toe, schielyk." Zy ging. Ik had al
+lang gemerkt, dat Zuster Bregtje aan de fep was; ik tastte haar des
+van de zwakke zyde aan. Doch, pasjes was zy in den Kelder, of ik,
+flink de deur in slot, en de grendels er op. Toen ging ik het huis
+uit, en haalde de huisdeur agter my toe. Hoe het verder met de Zuster
+gegaan is, weet ik niet.
+
+Ik heb, op Tantes tafeltje, een kaartje laten leggen, om dat zy niet
+ongerust zyn zoude. Zy heeft my schrikkelyk geplaagt: mooglyk zal zy
+zich dit herinneren; en wat hoef ik haar te kwellen, nu ik uit haar
+magt ben: Is 't niet waar, myn Heer?
+
+Wat verlang ik naar een Brief van u! De Muziek heb ik ontfangen. ô Wat
+zyt gy een goed man! Kon ik u mondeling zeggen, hoe zeer ik u acht, en
+hoe gelukkig ik my reken van te zyn,
+
+ MYN HEER!
+
+ _Uwe Ootmoedige Dienaresse en Pupil_,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+PS. Myn adres zal ik hier ook by leggen.
+
+
+Noten:
+
+[1] Handelsagent.
+[2] Zuipen, pimpelen.
+
+
+
+
+
+TWAALFDE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Saartje: ze is zoo jong;
+ze moet zich nogeens bedenken; misschien trouwt ze gauw; gaat 't
+verkeerd, dan krijgt Sara de schuld. Bij die wed. Sp. leven ze
+luchtigjes, ook Aletta is maar luchtig. Hoe denkt Blankaart erover?
+Zij zal 't haar moeder vertellen: _misschien wil die Saar wel
+hebben_.--Deze brief blijft wat lang uit.
+
+
+DERTIENDE BRIEF.--Sara beklaagt er zich over en wordt boos om Anna's
+koelheid. _Haat_ me desnoods, zegt ze, maar _veracht_ me niet.
+Eindelijk komt Anna's brief en Sara schrijft haar.
+
+
+
+
+VEERTIENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Dierbare Willis!_
+
+Zoo ontfang ik den uwen. Kunt gy my nog liefhebben? Hemel, wat ben ik
+ongelukkig! Zedert de dood my myne Moeder ontnam, liep my alles tegen.
+Waarom ontfing ik uwen Brief niet eerder? dien voor my zo
+allernodigsten Brief, ô Myne voortvarentheid!... Wat meer geduld, en
+wie weet hoe gelukkig ik nu zyn zoude. Maar durfde ik daar op hopen?
+By u te zyn;--onder het zorgende oog uwer Moeder. Dat is nu te laat!
+En ik moest nog de Zedemeestres spelen! Ik moest, zo onkundig van myn
+hart, het uwe beproeven! Ik moest--och, lieve Naatje, vergeef het my;
+zoek toch naar eenige verschoning voor my, ik kan niets vinden. Ik
+heb, voor een jong mensch, al veel verdriets gehad, en al veel
+ongelyks geleden; maar nu, nu ondervind ik voor 't eerst, dat
+zelfverwyting eene zeer grievende smart veroorzaakt; alles is daar
+beuzeling by. Als ons hart zegt, men doet u ongelyk, gy verdient dit
+niet, dan is de belediging zelf, vreugd, by de bewustheid dat wy haar,
+die ons lief heeft, kwalyk behandelen; óók terwyl zy zich bevlytigt om
+ons te helpen. Dit gevoel, hoe pynlyk, troost my echter; het maakt my
+uwer vergeving waardig.
+
+Verscheur myn laatsten Brief. Laat hy zyn als niet geschreven: ik was
+moedeloos. Wat zal het my nu helpen, uwe bedenkingen te wikken?
+Helaas, Naatje, de stap is gedaan! Ik ontken niet, dat ik hier zeer
+vergenoegt ben; maar uw Brief, uw Brief! Ik had dan mogen hopen altoos
+by u te zyn? Gy weet hoe gaarn ik by u, by uwe lieve Moeder ben! En is
+Willem t'huisgekomen? (van hem eens nader.) Waarlyk, ik heb het hier
+zeer wel, hoewel het is nog vroeg, eerst de vierde dag; indien ik het
+vergelyk by de laatste jaren: doch by u te zyn ... 't is vrugteloos.
+Dit maakt my droefgeestig, en verbetert myn lot niet; ik schrei er
+van.
+
+Mejuffrouw de Weduwe schynt een zeer goedaartig mensch, zy ziet er
+allervriendelykst uit; ik denk, dat zy byna veertig jaar oud is. Zy
+heeft fraaije manieren; zy is eene Vrouw van fatsoen en opvoeding, dat
+ziet men. Zy spreekt niet veel, doch 't geen zy zegt is goed gezegt.
+
+Zy leest veel, en in verscheidene talen; heeft de Waereld gezien;
+speelt keurlyk op 't Clavier; is zindelyk over haar huishouden,
+naarstig; modieus, doch niet opzichtig gekleedt; een weinig gekapt,
+wel te vreden met ons, zo als wy met haar. Gezelschappen heb ik hier
+nog niet gezien. Juffrouw Letje is een lief vriendelyk meisje, niet
+zoo levendig als ik: zy zucht meermaal; waarom weet ik nog niet. Zy
+leest gaarn, zingt fraai, en is, alles in eens gezeit, als de meeste
+meisjes, die niet veel goed of kwaad bedryven. De twee andere Dames
+heb ik nog maar eens aan 't middagmaal gezien: beiden hebben goede
+manieren; en, schoon ik de jongste ben, behandelen ze my met veel
+beleeftheid. Zy gaan veel uit, schynt het. Letje is meer t'huis nu
+zy my heeft, dan van te voren, zegt de heusche Weduwe Spilgoed.
+
+'t Is raar! alles is zo wel naar myn zin, en echter ik ben niet
+gerust. U heb ik kwalyk behandelt, en weet niet hoe of gy my
+beschouwt. Acht ik u dan hoog? heb ik uwe achting voor myn geluk
+nodig?
+
+Letje kwam daar by my; ziende dat ik geschreit had, was zy zeer met my
+bewogen. "Wat scheelt er aan, Liefje," zei zy. "Och niets," zei ik,
+"maar ik ben my zelf moede, ô die Brief, die Brief!" Zy zag dien
+leggen, maar weet te wel wat de betaamlykheid eischt, om onbescheiden
+te zyn. Zy zag my aan, vatte myne hand, en 't was of zy my iets wilde
+zeggen, doch, zich bedenkende: "Kom, Burgerhart," hervatte zy, "gy zyt
+niet vrolyk: ik ben 't ook niet altoos, en dien wel by u te zyn om het
+te wezen. Wil ik die solo eens zingen, die gy zo graag hoort? dat zal
+u wat van u zelf verwyderen." Droevige toevlucht! dit toont wel dat
+het hier, hier onder de borst, niet richtig is. Ik verlang en beef
+teffens voor een Brief van u. Och! schryf alles wat gy maar wilt, zo
+gy my maar in waarheid kunt schryven dat gy nog bemint
+
+ _Uwe Vriendin_,
+
+ S. BURGERHART.
+
+
+
+
+VIJFTIENDE BRIEF.--Sophia Willis-Van Zon--Anna's Moeder--schrijft
+Blankaart over Sara. Saartje heeft haar tante verlaten en woont nu
+bij de wed. Spilgoed--wat ze _niet_ goedkeurt. Zij zelf kan Sara niet
+nemen, want behalve voor achterklap vreest ze voor haar zoon Willem.
+Willem is verliefd op Saar, en hij heeft geen geld, zij wel;
+bovendien: _die twee passen niet voor elkaar_. Sara moet een man
+hebben die haar áán kan; Willem is een lobbes.
+
+ZESTIENDE BRIEF.--Anna Willis schrijft een allerdeugdzaamst en
+vriendelijk antwoord aan Sara: ze gevoelt zich na dien boozen brief
+nog meer aangetrokken tot haar. Geeft haar den raad: "_leen nooit
+geld van anderen, kom dan bij mij_."
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Myn Heer!_
+
+De Apostel zegt: "dat wy allen ommegang met Zondaren niet kunnen
+vermyden, want dan zouwen wy buiten de Waereld gaan moeten." En schoon
+ik my zo kan vinden in de woorden van dien Heiligen sukkelaar, zo als
+Broeder Benjamin Koning David wel eens noemt; zo kan vinden, zeg ik,
+in de woorden daar hy zegt: "ik kome niet op den weg der Zondaren:" zo
+vind ik het nu in mynen weg noodzaaklyk, myne oogen naar het Afgodisch
+Vrankryk te slaan, ende my als te begeven onder hen, die het teken des
+Beestes aan hun voorhoofd dragen.
+
+Je weet, myn Zusters man vondt het zo, om u tot eersten Voogd voor
+zyne Dochter te verkiezen, en hare Moeder maakte my mede-Voogdesse,
+bevelende, wil ik spreken, haar aan myne liefde en bescherming. Daar
+voor kreeg ik 's Jaars een matig stuivertje van honderd halve
+ryërtjes; och ja! Dit was weinig genoeg; want het Meisje was
+weelderigjes opgevoet: ik moest, om haar, nog al meer omslag maken,
+dan ik zo in myn eigen gedoente gewoon ben; och ja! Maar, wat is 't?
+men doet veel uit liefde ende tot liefde. Had ik maar vruchten mogen
+zien, dan zou ik my alles nog kunnen troosten. Doch al myne moeite, al
+myne zorg was te vergeefsch. De Meid heeft een Keistenen hart, geheel
+voor de Waereld; en zo lang ik zoo met dat lastig Zeeschip getobt en
+gewroet hebbe, ben ik zo van myn hart afgeweest. 't Is of de Zegen uit
+myn huis is. Ja, ik heb van haar kwaad humeur veel verdragen; maar ze
+is weg gevlugt.
+
+Voorleden vrydag was ik by eene hele vrome Mevrouw ten eeten, met
+Broeder Benjamin en nog ettelyke vromen, om een goed woord te spreken.
+Ik beval aan myne meid, onze Bregt, op Saartje te passen. Wat gebeurt
+er? Ik kom 's avonds met den Broeder welletjes en vriendelykjes thuis,
+ga naar 't zaaltje, roep; kryg geen antwoord. Eindelyk door myn gang
+gaande, hoor ik iemand die roept: "Juffrouw, och Juffrouw! ik zit in
+de kelder." Ik doe de deur open, daar zat myn meid in den donker
+opgesloten, en was zo ontstelt, dat zy my pasjes kon zeggen, dat die
+ondeugende Sara haar in de kelder gesloten hadt, en zelf de deur was
+uitgegaan. De meid was zo bezet van den drank, dat ik wel denken kan,
+dat zy haar die heeft ingeperst, en toen in de kelder gebragt, op dat
+Bregtje haar niet in hare snode vlugt zoude beletten.
+
+Nu is zy in een godloos huis, daar gedanst en gespeelt wordt, daar de
+Juffrouwen een el hoog gekapt gaan, en met alle vromen den spot
+dryven. Ik zou haar wel laten weêr halen; maar ik dank den Here, dat
+zy maar weg is. Nu zal ik weer rust en stilte in myn hutje hebben, en
+myn eigen wegje gaan. Maar jy moet haar straffen, dat is jou pligt. Ik
+eisch het volle geld tot zy trouwt, of vyfentwintig jaar is; zy is uit
+'er zelf weggegaan: nou, dat spreekt van zelf. Ik geef u aan u zelf,
+en haar den Duivel over, wiens lievrei zy al aan heeft. Ik sny haar
+af. Zy zal geen duit van myn goedje hebben. Nou, 't geld wagt ik op
+den vervaldag. Hoe heuchelyk zou het zyn, indien gy ook in onzen
+Wyngaart arbeidde; maar uwe vervreemding van het goede laat my niet
+toe u anders te noemen dan
+
+ MIJN HEER,
+
+ Ik ben, uwe beterschap en bekering wenschende,
+
+ ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+
+
+ACHTTIENDE BRIEF.--Blankaart antwoordt wed. Willis: hij is zeer
+vereerd. _Zelf heeft hij vroeger een oogje op Sophia gehad_; wie weet
+wat er nog gebeurt!--Hij is het met haar ééns: Willem is op Saar
+verliefd, dat heeft hij gemerkt. Geld was 't ergste niet, maar als ze
+niet bij elkaar passen--'t zij zoo! Dan niet aanmoedigen. Laat Sophia
+een oogje op Saar houden; hij wil Willem wel voorthelpen.
+
+
+
+
+NEGENTIENDE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+_Mejuffrouw!_
+
+Wel zeit het Hollandsch spreekwoord: "Hoe later op den dag hoe
+schoonder Volk." Maar wat heb ik met uw gelol en uw heilige sukkelaar
+te doen? Wat geef ik om uw Broêr Benjamin? Weet gy wat, Juffrouw
+Hofland, uwe hele ouwe voddenwinkel van kweeslary raakt my niets, geen
+oogvol. Hou uwe brieven maar t'huis, ik weet alles in 't lang en in 't
+breed. Het Kind heeft deugdelyk gedaan. Zy moet meer gedulds hebben
+dan ik, anders hadt zy zo lang niet eens by u gebleven; dat 's maar
+uit. Waar ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klaauwen
+gehaalt hebben, en in myn huis gebragt; al hadt gy en uw volk my braaf
+gelastert, dat scheelt my weinig. Hoe, wat hamer! denkt gy, dat ik
+niet weet hoe jy haar gedaan hebt, en dat jy haar als een zottin door
+de godgantsche stad hebt laten lopen in ouwe konkelige kleêren, en dat
+voor een meisje die geld heeft, en altoos proper gekleet pleeg te zyn;
+iets dat ik ook byster graag zien mag: wat wilje nu daar van hebben,
+he? Jy meugt waaragtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saartje
+by u gehad? overgeschoten klieken, en niet half haar bekomst. Weet je
+wat? Jy hebt het geld van een Wees met uw Smulbroêrs, en Fekel-kousen[1]
+verteert, en het meisje nog gebruikt, om dat Gespuis optepassen; dat heb
+je. Je meid is een dronken Tobbe, hoor! Zy komt er genadig af. Laat zy
+nooit onder myne oogen komen, want ik ben wat poestig[2]; ik mag geen
+onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels zwaaijen[3].
+
+Wat leg jy ook te wauwelen over afgodisch Vrankryk; en van menschen,
+die het teken des Beestes aan hare Voorhoofden dragen? Ik weet niet
+veel van al die nieuwe snofjes en modes; noch hoe die duivelderage
+hiet, die de Dames nu alweer opzetten; doch jy weet er ook niet veel
+van. Maar zo zyt gy allemaal: dat gonst, en dat bromt over zottigheden,
+en wezentlyke zaken laat men zo als zy zyn. Je slagt[4] de Dominees,
+die, als zy haar studeertyd verkwanselt hebben, zulk tuig op den
+Preekstoel brengen, daar het te pas komt als een Olykoek in een
+Treurspel. En wat brust[5] het my, al droegen de Fransjes het
+Zevengesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet
+kom om zulke grillen, maar om myne affaire te doen, en bemoei my niet
+met het teken des Beestes, of waar zy dat opplakken; doe ook zo, en je
+zult wel doen.
+
+Wel, ik denk dat ik zo wel in den Bybel lees als jy, maar wie duivel
+heeft dáár ooit van heilige Sukkelaar gelezen? Broêr Benjamin is een
+zotte Vent, hoor! En ik zou my dood schamen, dat zou ik op myn eer,
+indien ik zo met Gods woord omsprong, en het zo Satans gek toepaste,
+zo als jy Fynen doet. Weetje wat? David was een held, die de Oorlogen
+des Heren voerde, en een Kaerel als een boom aan dorst: den Reus
+Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hy, en David ook niet lui, als
+de blis er op, flink maar, zyn dikken kop afgeslagen: dat was zeker
+geen sukkelaars werk, meen ik. Hy was een Groot Generaal; dat klinkt
+je wat anders voor den snoet.
+
+Paulus? van Paulus moet je afblyven. Paulus was de beste, de
+raisonnabelste man van de waereld; want hy zegt met ronde Zeeuwsche
+woorden: "Gierigheid is afgodery". ô He! kwam die vrome Apostel eens
+hier, ik verzeker je, (voor een kwart per Cent,) dat hy uw huis een
+afgodisch zou noemen. Wat praat jy van een goddeloos huis? mogen de
+jonge Dames dan niet zingen, niet spelen, als zy maar wel oppassen en
+braaf zyn? En ik hou veel van de Muziek, en Saartje speelt capitaal,
+en ik heb haar eene hele scheepslading Muziek gezonden; doch gy zult
+geen occasie hebben om ze op 't vuur te smyten. Wat zeg je; wat blief
+je: weet ik van de zaak?
+
+Ik heb zo veel achting voor brave vrome menschen als iemand in de
+Waereld, maar al je gekwaek, en al je geteem is geen snuifje waart; op
+myn eer, dat is het niet. Ik weet meer van joului werk der Duisternis
+dan je denkt; ik ken dat lieflyk Oeffening houden; de goeijen niet te
+na gesproken; want ik wil allen niet met één kwast overstryken. Maar
+gy en uwe Soci, daar heb ik de nyd op.
+
+Wat weet zo een luije Zuipzak van Gods Woord? Hadt hy liever voor 't
+lieve Vaderland, (en alle zoete meisjes) Ossen en Schapen geslagt, hy
+zou een veel nutter werk gedaan hebben. Hoe! hebben wy in Amsterdam
+dan geen wyze Dominéés, die werk van hunne studie maken, en kunnen wy
+daar niet Kokseaansche, Voetsiaansche, en Lampiaansche Waarheden
+horen[6]? maar neen: die goeije menschen klagen over yverloosheid, en
+velen preken, God betert, ook voor stoelen en banken; en in je lui
+kamers zitten de Vroompjes gepakt als haring in de ton: zo dat ik wil
+maar zeggen, dat ik een vyand van zulke Oeffeningen ben.
+
+Hoor, als ik Burgemeester T., of een ander braaf Regent van onze Stad
+was, ik zou Amsterdam eens terdeeg zuiveren van die onnutte
+Broodeeters. Ik zou, door de stads Omroepers, met het wapen der stad
+op hunne bekkens geschildert, de les van Paulus laten opklinken:
+Hoort, gy brave Burgers en ingezetenen: hoort: "Die niet werkt zal
+niet eeten". En zulke kwanten, als Broer Benjamin, kregen logement in
+'t grote Werkhuis, dat er zal gebouwt worden op 't Wezeper Veld: wyl
+hy een van die Borsten is, die by de huizen omgaande, de Vrouwtjes
+gevangen nemen, die met zonden beladen zyn. Ik zou niet half zo boos
+op jelui zyn, indien de stille zielen, die het zo wel met het goede
+voor hebben, om zulk volkje niet bespot of veracht wierden.
+
+Ik heb veel gereist en getrokken, en heb veel in Roomsche Landen
+verkeert, maar de Papen zyn nog beter dan jy lui; en er valt evel ook
+niet veel op te roemen. Jy Saartje aan den Duivel overgeven! Weet gy
+wel, dat hy een kwaaje Gek is, en dat, als gy haar niet kunt leveren,
+het er wel eens heel benaauwt voor u zou kunnen uitzien? mooglyk neemt
+hy Tante, om dat hy Nichtje toch niet bekomen kan. Ken jy de Weduwe,
+daar zy by inwoont? Je mogt wat, een struif. Puis! Tante! is het zo
+goddeloos, een menuetje te dansen; Wel dat mogt jy, en broeder, en je
+dikke Bregt ook wel eens ondernemen, om de kwade humeuren, door
+luiheid, en lekker smullen opgegaêrt, uit te dampen. Zie, wy kennen
+malkander van voor dertig jaar; je plagt zo vies niet van een Dansje
+te zyn. Hoor, ik ben eens door zo een Fynbaar schrikkelyk bedrogen, en
+zedert gaat er een kou over myn lyf, als ik aan je lui denk. Ik spreek
+niet van vrome naauw-gezette lieden; dat weet jy héél wél. Wel, wie
+hoort er van, gy Vrienden gebruikt ons, zo als de Smausen de
+Christenen gebruiken, om de Sabbatslampen optesteken. Ik kan 't niet
+knopen[7], dat uw' lieve Zuster besloot, u haar eenig Kind toe te
+betrouwen. Mooglyk hebt gy zo lang aan haar zwak hoofd liggen gonzen
+en huilebalken, dat zy het moest opgeven. Alles is jelui gaaijing. En
+'t was nog eene zoetigheid, honderd halve ryers voor haar kostgeld. En
+durf jy nog van geld kikken! Hoe, wat hamer! denk je dat ik een schurk
+of denk je dat ik razende dol ben? Ik ben haar Voogd; zy is met myne
+goedkeuring heen gegaan. Jy hebt het haar moede gemaakt.--Trekken zul
+je,--ja! aan een askar. Wel, je bent eene overheerlyke Tante! Je bent
+immers nu veels te oud en te lelyk om nog eens te trouwen: wat zul je
+met jou geld doen? Meênemen? Loop voor Joost, ontmaak het kind uw
+goed, zy heeft genoeg. Procedeeren? Ei spreek eerst den Advocaat naast
+den gouden ketting eens[8]. Zo die het u aanraadt; hier is je man.
+
+Spreek niet van haar kwaad humeur. Zy is maar al te zoet van aart, en
+te toegeeffelyk. Zoo zeit de brave Weduwe Willis, en elk die het lief
+kind kent. Doch wie Satan kan met zo een paar ouwe Meerkatten omgaan,
+als jy en Bregt?
+
+Zie daar Zusje, nu heb ik óók eens gewerkt in uwen zondigen Wyngaert;
+ja, ja! ik heb de ranken zo verbruit besnoeit, dat, zo er nog iets
+goeds van zal komen, het volgende jaar goede vruchten zal leveren. Ik
+twyffel, of Broer de Uitlegger u, voor alle uwe Smulpartytjes, wel zo
+vele heilzame Waarheden gelevert heeft, dan gy hier ontvangt voor ééne
+Fransche Briefport.
+
+Om u aan den Drommel overtegeven, (in plaats van myne Pupil,) denk ik
+dat nu te laat is; en ook, hoe boos ik op u ben, ik wensch uit grond
+van myn hart, dat gy u verbeterde: gy zyt wel oud; doch men is nooit
+te oud om iets goeds te leren: gy waart toch in uw jeugd nog al een
+rare schommel; hoe kom je zo verandert?
+
+Ik wil geen katteschrift meer van u ontfangen, zo gy u niet bekeert;
+daarom wordt alles in eens afgedaan door
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Kletskous.
+[2] Kort aangebonden.
+[3] Klappen vallen.
+[4] Lijkt op.
+[5] Kan 't me schelen.
+[6] J. Coccejus, 1603—1669, G. Voetsius, 1588—1676, F.A. Lampe,
+ 1683—1729, godgeleerden van zeer uiteenloopende richting.
+[7] Begrijpen.
+[8] Bedenk dat 't geld kost.
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Lieve Kind!_
+
+Myn Boekhouder, de oude goede Peterszen, zal u het geld brengen, dat
+ik u toeschik: de Wissel bedraagt duizend Guldens. Koop er al van wat
+gy nodig hebt, om in ordentelyke gezelschappen te gaan. Maak drie
+Sacken, of hoe hieten die Samaartjes[1], zo als uwe Moeder en
+Grootmoeder droegen. Koop alles wat er by hoort, maar niet opzichtig,
+of wilt; nu ik vertrouw alles goeds van u. En doet nu niets aan je
+lyf, dat je niet kunt blyven dragen: dit zou u al zo gek staan, als
+die klungels die Tante u aan deedt. Gy moet het eerste half jaar in
+voorraad betalen; ik wil geen verplichting op dit stuk. Leg het wel
+aan, en als ik u zie, toon my dan eens hoe gy 't besteet hebt. Hoor
+meid, zo je 't wel aanlegt, heb jy gelds genoeg; zoo niet, dan is 't
+gaauw op.
+
+Ik heb zakken met klagten over u, in eenen zotten Brief van je Tante.
+Doe jy maar wél, en ik zal u altoos voorstaan. Ik had gemeent t'huis
+te komen, maar 't zal nog vooreerst niet lukken. Luistert toch altyd
+naar de brave en wyze Juffrouw Willis, als of het uwe moeder waar;
+meer eisch ik niet van u. Ga je wel in de Kerk, Kind? Dat moet je voor
+al en voor al doen. Daar zit ik nou weer in een Paaps land, daar hoor
+je van God, noch zyn gebod, wil ik spreken; en zo ik myn tyd niet wel
+had waargenomen, hoe zou 't nu gaan met my? Als ik t'huis kom, zal ik
+je alle Zondag afhalen om ter kerk te gaan, want ik ben nog zo een oud
+Hollands man; en je zou niet geloven, Kind, hoe fraai de meisjes zyn,
+als zy daar, gelyk zo een rei wassepoppetjes, wel gekapt en gekleet,
+aandagtig zitten toe te luisteren wat de Leeraar zegt. Ik versta
+weinig Fransch, maar als je evel toch altemet eens naar de Fransche
+Kerk wilt, dan zal ik, uit pure inschikkelykheid, met je gaan, en
+denken: zy onderhoudt er haar Fransch door; en voor my is de
+penitentie kort, want die Coquette Abbeetjes maken het in een uur
+knaphandig af.
+
+Zeg eens, Saar lief, staat er ergens in den Bybel van een _teken des
+Beestes_? zy past dat toe op de menschen daar ik nu by ben. Ik heb de
+vier Evangelien al eens doorgelopen, doch vind er niks van[2]. Doch
+dat Fyne volk vindt zo veel in Gods woord, dat er geen Christen mensch
+anders in kan vinden. Jy hebt niet veel anders te doen, lees zo lang
+tot je het vindt; maar 't zal weer op niets uitkomen. Evenwel staat
+het in den Bybel, dan spyt het my, Kind, dat ik het niet wist: want ik
+ben een dood vyand van spotten. Och Heer! ik dagt dat zy choqueerde[3]
+op de Kapsels. Zo ik iets op u vermag, bederf uw schoon bruin hair
+niet ten plaisiere van eene ongevallige mode: anders moei ik my er
+niet mee. Nu, zoek er eens ter deeg naar, hoor? En schryf my of gy 't
+wel hebt. Vrees God, leef betaamlyk, en denk dat je daar twee Ouders
+in den Hemel hebt, die u ter zyner tyd hopen weer te zien.
+
+Nagt beste Kind, ik ben
+
+ _Uw toegenegene Voogd_,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+Noten:
+
+[1] Ruime japon met overkleed.
+[2] Openbaringen.
+[3] Hier: afgaf op.
+
+
+
+
+EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara stelt Blankaart gerust; ze is niet
+verkwistend, dankt voor 't geld, vraagt een paar japonnetjes; Jacob
+Brunier--Aletta's broer--vindt ze een _meisjesgek_; Willem Willis
+beschouwt ze als haar _broer_, diens moeder acht ze hoog; ze verlangt
+naar Blankaart.
+
+
+TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Aan Anna Willis vertelt Sara, hoe ze zich
+in de bullen steekt, nogal weidsch! Ze ombert om 'n stuiver 't fiche!
+wat ze niet véél vindt. Ze heeft 't best naar haar zin: Jacob Brunier
+bevalt haar niet: te fatterig.
+
+
+DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna antwoordt: ik maak me ongerust! Die
+Brunier vrijt naar je, en dat zou niets zijn, als hij maar wat
+beteekende. Spelen? Ook Anna speelt, maar Saar _maakt het te bont_!
+Ze zal ziek worden, vermaak-ziek. Pas op, Saar!
+
+
+
+
+VIER EN TWINGTIGSTE BRIEF.
+
+DE BROEDER BENJAMIN AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Men Heer!_
+
+Jy hebt ons, ons volk, ende onzen weg beroert, en schoon de Zusters
+zich alles zouwen getroosten in stille zuchten, zo voel ik my
+gedrongen om het voor haar, de goede zaak, en my zelf optenemen, om
+dat ik haren stichter en huisbezorger ben; al ben jy een groot Heer,
+ik zal jou tonen, dat ik op de muren van ons huisselyk Sion geen
+stommen hond ben; myn geblaf zal je doen zien, dat ik geen Indringer,
+geen Bemoeiäl ben, maar dat ik eene wettelyke Roeping heb. Nou ja; men
+Vader liet me de slagery leern; 't was een waerelds man, een
+schoenlapper; maar men Moeder was evel in Kerkelyke bediening; want zy
+was eene der Kerke-schoonmaaksters; en hadt men Vader het niet belet,
+zy zou my op de Studie gedaan hebben; doch hy vroeg altoos, "of zy dan
+razende dol was;" de middelen ontbraken, en ik had eene grote mate van
+ziels en lichaams vermogens, en veel meer trek tot geestelyken dan tot
+slagerlyken arbeid. In mynen onoverwinbaren afkeer van allen lichaams
+arbeid, hoorde ik myne roeping tot een ander amt; ik was gehoorzaam,
+ik kategiseerde de kinderen en de vrouwtjes uit myn Buurt, voor een
+mondvol eeten, want de arbeider is zyns loons waardig. De reuk myner
+gaven verspreidde zich ook spoedig; de Groten der aarde verruilden
+ook gaarn myne toelichtingen voor hunne tydelyke goederen; edoch, dit
+getal is echter niet groot. Dus raakte ik ook bekent met de vrome
+Juffrouw Hofland, die gy als een andre Saulus vervolgt. Ik slyt vele
+opgewekte uurtjes met haar. Nu weet gy wie ik ben; maar jy bent een
+Atheïst, een Armiaan, een Sociniaan; ja je bent, mag ik met ruimte
+zeggen, een Deïst[1]. Jy bent een voorstander van alle godloosheid, jy
+staat een dartel Hellewigt voor; dat doe jy; ja, dat doe jy. Jy weet
+ook wel, dat Juffrouw Hofland, als eene echte dochter van Gaaijus[2],
+de noden der Heiligen vervult; en jy onthouwt haar heur geld; zoo dat
+jy een Kerkrover bent; ja, dat ben jy. Zo, heeft Saartje geen drie
+honderd guldens verteert? Wel nou toon je alweer jou werelds hart.
+'t Is waar, wy hielden het meisje in eene Christelyke soberheid, wy
+kleedden haar stemmig; ik weet ook beter dan jy, hoe veel zy 's jaars
+aan voedsel en deksel nodig hadt; honderd Ryksdaalders!--maar hoe veel
+heeft de goede Juffrouw wel gezucht over dat baldadig kind der Zonde,
+hoe vele tranen heeft zy geschreit, hoe veel gebeden heeft zy voor
+haar arme ziel gedaan, hoe dikwyls is zy ziek geweest door al dat
+tobben! kost dat alles geen tyd en zorg? of denk jy dat alles voor
+niets te hebben? Neen, jy zult, jy moet er voor betalen. Maar zo ben
+je lui: in 't aardsche kunt jy lui rekenen en cyferen; maar, in 't
+geestelyke ben je lui blint; maar Juffrouw Hofland zal haar geld
+hebben, ik zal u dwingen; ik--vrees voor my.... Wy hebben in deeze
+godvergeten stad nog onze duizenden. Wee, wee, die den vinger tegen
+ons opheft...! Wy yveren voor de vromen, en onze haat is heilig; dit
+wee betekent veel, als het wordt uitgeboezemt door een man als is
+
+ _Uw ware Vriend_
+
+ BENJAMIN.
+
+
+Noten:
+
+[1] Gelooven aan God als Schepper--meer niet.
+[2] Der Gerechtigheid?
+
+
+
+
+
+VYF EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN BROEDER BENJAMIN.
+
+
+_Verachtelyke Kaerel!_
+
+Ik reken myn knegt te goed om u te schryven; daar aan zyt gy de eer,
+die ik u thans doe, schuldig. Zeg, fraaije kwant, dit aan uwe
+Principale: "dat zy zich stil houde, of dat ik haar alles, wat zy 's
+jaars, boven de honderd Ryksdaalders, ontfangen heeft, zal afkorten."
+Ik wagt haar voor den Rechter. Laat zy daar hare Leverantie van
+zuchten, tranen en gebeden inleveren, om te zien, hoe veel haar voor
+elke twintig ditoos zal worden toegewezen.
+
+Houd u stil, of 't zal niet met u gaan. Ik meen u, en nog eenigen uws
+gelyken, zo dra ik in Holland kom, voor myne rekening, aan vast werk
+te helpen; en dit dreigement zegt veel in de pen van eenen man als
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+
+ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara vertelt Anna van haar leven; Aletta is
+goed en lief; Cornelia Hartog, ook huisgenoote, bevalt haar niet: te
+geleerd, ondichterlijk; Charlotte Rien du Tout, eveneens huisgenoote,
+mist karakter, is grillig, nukkig. Ze heeft kennis gemaakt met Hendrik
+Edeling: staat haar wel aan!
+
+
+ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bericht Blankaart over Sara:
+ze is lief, vroolijk, eerlijk, past goed op.
+
+
+ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna Willis is bedroefd; haar tante te
+Rotterdam is ernstig ziek; ze moet er heen met Moeder, kan vooreerst
+niet schrijven.
+
+
+
+
+NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW MARIA BUIGZAAM, WEDUWE
+
+P. SPILGOED.
+
+
+_Mevrouw!_
+
+Ik geloof waarlyk, dat het inkomen van alle myne uitstaande gelden my
+niet half zo veel zou verblyden, dan ik verblyd ben door den inhoud
+uws Briefs, dien gy my de eere aandeedt van te schryven. Hoe, wat! is
+de lieve meid dan myn lieveling niet? Is zy de dochter niet van eenen
+man, die myn eenigste hart-vriend was? Dat zou ik geloven, waaragtig!
+Hoor, myne goede dame, alles is strikt waarheid, wat of de kleuter u
+verhaalt heeft. Maar, haal my de Boze, indien ik aan zo eene Vrouw een
+knappen Brief kan schryven: doe al wat u behaagt; och Heer, het geld
+is goed, wil ik spreken; maar ik zal eene fatsoenlyke vrouw nooit
+kwellen. Wat denkt gy, Mevrouw, kan ik met u kibbelen om een honderd
+guldens drie vier, nu myn kind in zulke goede handen is? Ja, zie, ik
+heb wat ongerustheid voor haar uitgestaan, toen zy nog by hare Tante
+was; en voor ik wist, waar of zy toch belant mogt zyn. Want, hier
+gezeit, en hier gebleven, het kon immers gebeurt zyn, dat het stout
+Dingetje in slegte handen was gevallen, en zo al wyders, gelyk de
+waarheid is.
+
+Wilt gy wel geloven, Mevrouw, dat uw brief my een traan of vier gekost
+heeft? 't Is echter zo. Wel lieve God, zei ik, zyn de beste vrouwen
+dan meest altoos in de onwaardigste handen? Dat is toch ellendig! En
+daar zit Abraham Blankaart nog in zyn vyftigste jaar, als een niets
+beduident oud Vryer; en ik had zo hemels vast besloten, om met myn
+vyf-en-twintig jaar man en vader te zyn. Wat zal men zeggen? die eerst
+komt die eerst maalt; en een weinig te laat is veel te laat. Ja,
+Mevrouw, ik heb den Heer Pieter Spilgoed wel gekent, maar nooit met
+hem verkeert. Hy hadt my te veel wilt hair op 't hoofd; en als de
+jonge lui getrouwt zyn, moeten zy dat laten afscheeren, of de Boel zit
+op zy. Ik wist wel, dat hy eene fatsoenlyke Geldersche dame getrouwt
+hadt, doch meer niet; en ik bemoei my bykans nooit met de zaken van
+een ander: Ik zeg altoos: "Abraham Blankaart, vrees God, en doe wel;
+dat is jou zaak, myn vriend."
+
+Alles wat gy van Saartje zegt, is, zo veel ik daar over kan oordeelen,
+wáár. Wees toch zo goed en hou een wakent oog over haar; wy mans
+hebben daar zo den slag niet van. Indien er iets mogt voorvallen, 't
+geen u nodig schynt my te doen weten, zo verzoek ik ernstig om my met
+uwe Brieven te verëeren. Ik weet heel wel, dat er geene beloning zyn
+kan, die geëvenredigt is aan uwe zorg en raadgevingen voor en aan een
+Meisje als myn Sarotje; evenwel zal het myn pligt zyn, om uwe
+edelmoedige deelneming in haar op eene waardige wys te gedenken. Kan
+ik u van dienst zyn, 't zy door myn persoon, of myn beurs? Ik ken geen
+groter geluk dan waardige Vrouwen myne achting te kunnen bewyzen. Ik
+ben met eerbied,
+
+ MEVROUW!
+ _Uw Ootmoedige Dienaar_,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+
+DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt zijn broer Cornelis, hoe hij
+Sara heeft leeren kennen; _hij is dol verliefd_. Zoo terloops sprak
+hij er met z'n vader over en die had gehoord, dat Saar een dolle meid
+was, die losjes leefde, wat hem speet, want haar vader was
+achtenswaardig. Wil er niet van hooren en Hendrik is zeer braaf.
+
+
+EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier schrijft een fatterig verliefd
+briefje aan Sara, waarop zij onmiddellijk antwoordt.
+
+
+
+
+TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER.
+
+
+_Myn Heer!_
+
+Terwyl gy deezen ontfangt, zyt gy zeker nog druk bezig om uwe
+Tonco-Boontjes[1] uit te zoeken. Nu, neem er uw tyd toe, want wy
+blyven t'huis, en zien van daag niemand; dit _a governo_[2]; en terwyl
+ik toch een verlegen uur heb, zal ik eenige regels krabbelen. Wel man,
+gy hebt het vreeslyk volhandig! zo vele en zo vele gewichtige zaken;
+'t is te hard. Gy zyt nog jong, gy zult u dood werken. Zoudt gy niet
+een substituut in uw ampt kunnen stellen, dan waart gy ten minste van
+dien kant veilig, al moest het u wat kosten. 't Zou immers jammer zyn,
+dat zulk een nyver en veelbelovent jong Heer vóór zyn tyd stierf. En
+daar is voor u immers niet aan te denken, Brunier? Letje heeft my in
+confidence, gezegt, dat gy, buiten haar zelf te rekenen, aan nog zes
+Dames beursjes belooft hebt. De waarde Juffrouw Buigzaam heeft ook
+reden van ongenoegen; nog hebt gy het Lint op haar Demicoëffé niet
+verspelt, en gy zelf zegt, dat het zo niet meer gedragen wordt.
+Juffrouw Hartog is knorrig, om dat gy haar de snuif niet bezorgt.
+Juffrouw Lotje gromt alle morgen aan het ontbyt, om dat gy de
+Tandpoeijer vergeet. Zie, dat zyn evenwel geen mooije dingen; en wat
+zal uwe Zuster daar op toch zeggen, dan dat gy het zo volhandig hebt?
+Het meisje haalt dikwyls een paar beschaamde kaken, als Juffrouw
+Hartog u, in haren trant, hekelt. En hoe zeer ik ook uwe Vriendin ben,
+ik zie geen redden aan die zaken: de menschen hebben gelyk. Indien gy
+zo veel onderneemt, moet gy met meer orde handelen. Gy vindt immers,
+als gy in den namiddag ons wat komt voorsnappen, allen bezig. De Weduw
+naait. Letje breidt. Ik knoop aan myn manchetten. Juffrouw Hartog
+speelt met haar hond. Juffrouw Lotje snuift, en frommelt haar zakdoek,
+en gy zit er maar lui en leeg by. Waarom neemt gy uw werk niet mede,
+dan kost gy als een werkent Lid onzer Societeit worden aangezien. Gy
+voldeedt uwe zeven Dames; gy kost om snuif en tandpoeijers denken: gy
+kost het Lint spelden _comme il faut_; en ons teffens in uwe nieuwe
+denkbeelden doen delen. Dan, dunkt my, waart gy in zes maanden op een
+effen bodem. Ik heb gemerkt, dat gy dikwyls in den spiegel kykt: wat
+dunkt u, (zie ik wil ook voor uw vermaak zo wel, als voor uw nut
+zorgen,) wat dunkt u, dat gy van Logement veranderde, en in een
+Spiegelwinkel gingt wonen? Dat zou ook al tyd uitwinnen; dan zaagt gy
+u ten vollen, in eens; en kon spoedig uw jabot verschikken, uw das
+optrekken, de stofjes en pluisjes van uw kamizool[3] knippen. Ik zie
+gaarn dat men zich wel kleedt, maar my voor een kenster in de
+kledingskunst uittegeven,--daar zal ik wel afblyven. Myn geest is niet
+geschikt tot het uitoeffenen van zulke verhevene zaken. Nu, zo als ik
+zeg, neem het niet te zwaar op, en werk met orde. Gy weet wie ik ben?
+
+ _Uw Zusters Vriendin_,
+
+ ----
+
+
+Noten:
+
+[1] Zaadjes van den Toncaboom: geneesmiddel. Men maakte er o.a.
+ beursjes van.
+[2] Tot naricht.
+[3] Vest.
+
+
+
+
+DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+_Zuster lief!_
+
+Nu kom ik eindelyk op de zaak, waar over ik u wilde schryven. Daar het
+onze Bregtje Sara gezien, met een jong wilt Heer; zy geloofde, dat het
+een uit de Kommedie was; en zy was nog veel ligtvaerdiger opgeschikt
+dan de Pop van Pieternel, daar je men eens van schreef. Zy was een el
+hoog gekapt. Haar Sack, (ja, zo een duivelsch kleed heb ik ook nog in
+myn natuurstaat[1] gedragen!) was opgestrikt, je leven zo niet. Ze
+hadt witte zyde koussen aan; denk, Zusje, witte zyde koussen, en
+kerjeusde schoenen. En ander Orlosie bungelde een hope nesten en
+vodden. En ze liep net als de Hoer van Babel met dien Monsieur gearmt.
+Zy luisterde, Bregt zag het duidelyk, hem wat in, en toen keek hy de
+meid aan, en lachte dat het een schande was. Hoor, Kee, ik ben somtyds
+nog al bezwaart over haar; maar Broertje weet my zo tot rust te
+brengen. Moet jy niet ietwat hebben, Zannetje, zeit hy, om je klein te
+houwen? Is het niet beter, dat je jou bezwaart voelt om je zonden, dan
+dat je een Armiaansch slik-grondje hebt? of dat je ziel door eigen
+gerechtigheid den Duivel als een roofgoed wierdt overgelevert? En dan
+wordt het my alles zo licht, zo licht; och ja, zo licht.
+
+Maar Zusje, je hebt my zo dikwyls in gemoedsgevalletjes geraden, en
+Salomon zeit: "twee zyn beter dan een." Ei lieve, wat moet ik doen?
+Broeder Benjamin wil dat ik met Blankaart procedeer, zo hy my niet tot
+een duit toe betaalt, volgens de Conditie met haar Moeder gemaakt. Al
+haar goed is hier ook nog, al de kleeren, en zo voorts, van hare
+Moeder, die eene pragtige Vrouw was; en al het gemaakt Zilver; maar
+dat evenwel te verdonkeren, hoe zal dat gaan? Blankaart is een droevig
+schepsel om mee te handelen; hy zou my, och ja! schandaal aan doen: En
+evenwel het Hellewicht verdient zo veel goed niet; zy zou het ook tot
+haar bederf gebruiken. Het alles over te geven is ook hart voor 't
+vleesch: 't was evenwel myn Zusters goedje, wil ik spreken. Ei lieve,
+zendt my nog eens het _Heilig Onrecht_ van Petrus Kwezelius. Ja, je
+hebt toch dierbare schotse Boekjes. Wees gegroet, en antwoord my eens,
+zul je?
+
+ ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+Noot:
+
+[1] Vóór haar bekeering n.l.
+
+
+
+
+VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Sara deelt Anna Willis mee, dat ze Jacob
+Brunier voor den mal houdt, zich van hem bedient om zich te vermaken
+en fatsoenshalve te doen vergezellen.
+
+VYF EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling antwoordt zijn broer
+Hendrik: Kerel, er op los! Informeer of ze vrij is en dan, vooruit!
+
+ZES EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Sara. Laat ze toch
+geen geschenken aannemen van Jacob Brunier: hij heeft geen geld. Je
+raakt op de tong, Saar!--De tante wordt beter. _Ze zendt haar de
+sleutels van de linnenkast_, om wat goed op te sturen naar Rotterdam.
+
+
+
+
+ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Willis!_
+
+Of ik nog lees? Wel, dat zou ik gelooven! Ik ben zelf de Lezeres voor
+de Familie; en onze lieve Weduw heeft een allerkeurigst Bibliotheekje.
+Maar ik heb zo veel over my zelf te schryven, dat het niet aan het
+schryven over Boeken komen kan. Zeg wat gy wilt, _myn_ Cootje[1] is
+nogthans een goed kind; het schikt zich zo kostelyk op, om zyn Saartje
+te behagen, en schommelt uit alle hoekjes en reetjes van zyn armoedig
+hoofdje al het verstand, dat hy bezit, by een, om er my op te
+regaleeren.
+
+En komt gy in geen zes weken t'huis! ô dat's goed; nu kan ik met myn
+Held braaf plaizier nemen, zonder van u op de vingeren te krygen; ik
+vrees maar dat ik, want zo zyn de kinderen! myn eigen kwaad niet zal
+kunnen zwygen. Eéne conditie! zo gy ophoudt met grommen, hou ik op met
+schryven. Waarom zou ik u beletten uw talent uit den doek te nemen? Gy
+hebt de gaaf van bedillen, en ik die van er my mede te vermaken, en er
+myn voordeel mede te doen. Nu ik er deeze flinken weer uitgegooit heb,
+ga ik er my eens terdeeg toe zetten, om uwen Brief te beantwoorden.
+
+Brunier kan zeker nooit myn Vriend zyn, in de sublime betekenis des
+woords; maar hy kan, als de Broeder van Letje, als een ordentlyk
+Jongman, met my op alle plaatzen komen. "Of hy met die vriendschap te
+vreden is?" dat weet ik niet, en meen er myn hoofd ook niet meê te
+breken. Is het niet beter, dat ik altoos met den zelfden Jongen
+wandel, dan, zo als men zegt, met elk een uitloop? Tut, tut, die
+onkosten bedragen niet veel, en bewaren hem mooglyk voor duizend
+kostbaarder zotternyen: nu moet hy wel zuinig zyn, of hy kan niet met
+ons uitgaan. Hoe ik het goed zal maken? och, zeer gemakkelyk! als hy
+trouwt, zal ik zyne Vrouw een stuk huisraad kopen, tienmaal meer waart
+dan die kleine uitgaven belopen: Is 't nu wel, myne deftige Willis?
+Ja, ja, ik railleer met zyne gebrekkelyke zyde; hadt hy eene slegte
+zyde, dan leverde ik den Patient aan u over. Och Heer! ik heb zo maar
+wat _zedelyke_ mouches, Engelsche pleister, goudvlies, balsem van
+Peru, lippenpommade en soortgelyke prulletjes; doch die zyn van geene
+kragt altoos tegen de gebreken van een ziekelyk hart. Maar gy, myne
+Vriendin, hebt wel andre kruiden, wil ik spreken, zegt Broêr Benjamin.
+
+Het zou een zot stukje zyn, met zo een Borstje Briefwisseling te
+houden; maar, wie zegt u, dat ik dit van zins ben? 't Komt niet in my
+op. Ja, ik gelyk omtrent zo veel naar de Godlyke Clarissa Harlowe[2],
+als myn schaapshoofd naar den vervloekten Lovelace: Heden, Naatje, hoe
+viel u dit in gedagten?
+
+Myn Brief laten zien? daar is hy niet mal genoeg toe; hy begrypt wel,
+merk ik, dat ik hem voor een Zotje hou. In het volgende hebt gy
+deugdzaam gelyk, ja het loopt drok genoeg: maar 't zal haast over zyn.
+De kring is haast afgevlogen, en dan zal ik by myn eigen hart en by
+myne dierbare Mama Buigzaam huisselyk t'huis zitten, en lezen, en
+naaijen, en spelen, en zingen, en met één woord geschikt leven; met
+Salomon uitgeeuwende: "ook-dit-alles-was-ydelheid!" Waan met dit alles
+niet, dat ik in 't geheel niet meer denk. Ik denk dikwyls, en dat wel
+zeer ernstig; maar, 't is of het kwaadje, zou Tantes Bregtje zeggen,
+'t is of het kwaadje er altoos met zyn neus by is; want de minste
+beuzeling verstrooit my. Gy weet, lieve Willis, dat ik geen grote
+zoekster van vygebladen ben, doch nu moet ik my echter vrypleiten. Ik
+voel, dat ik eene sterke overhelling heb tot het zwaarmoedige; om die
+reden verstrooi ik my wel eens met overleg; zo bang ben ik, om toch
+nooit dat gebrek voor eene Deugd aan te zien. Nog een woord over het
+lezen. Onze brave Huisvrouw heeft eene fraaije collectie van
+Leerredenen: Die van Solicoffer en Doddridge bevallen my ongemeen. Wy
+lezen zelf in den Bybel, kind; namentlyk de lieve Buigzaam, Letje en
+ik; want Juffrouw Hartog is veel te geleert, en Lotje veel te gek, om
+van die party te kunnen zyn. Ik verzeker u, dat ik nooit met zo veel
+smaak het Evangelie las als nu, nu ik by eene Vrouw ben, die
+godsdienstig is zonder veel uitwendigheid, en ons inprent, dat die wel
+doet, wel vindt. En daar meê is dat maar uit.
+
+_Ten slotte_, zegt onze geleerde Hartog. De stroom van zinnelyke
+vermaken, (of wilt gy, van beuzelagtige uitspanningen? 't is my ook
+wel,) moet eens met een springvloed over myn hart heen vloeijen, en al
+dat drabbige zwaarmoedige mede spoelen, dat er in myn verdrietig leven
+is op- en om- en ondergezakt; dan zal myn ernst redelyk, myne vrolykheid
+helder, en myn geheel gedrag eenparig goed, nuttig en pligtmatig zyn.
+Vaarwel! ik twyvel niet, of gy zult voldaan zyn over de uitvoering uwer
+Commissie. De Meiden zyn wèl, en de dienstpresentatie aan de Juffrouwen.
+Heden, Naatje, hoe raar was het my, zo als vrouw en voogd in uw huis te
+dribbelen; wat had ik een wysheid in het terdeeg schikken uwer klederen,
+enz. Willem, myn beste Willem, was gevallig t'huis. Toen ik hem zeide,
+dat zyne Tante wat beter was, kon hy zyne blydschap niet verbergen; maar
+toen ik er byvoegde, dat zyne Moeder nog wel zes weken uitbleef, keek hy
+heel droevig. Die moedergek! ik zou den Jongen een kus hebben kunnen
+geven, zo wèl stondt hem dat droevige; maar Willem is geen Coo Brunier.
+Ik vrees, Naatje, dat uwe vermoedens wáár zyn. 't Smart my, want schoon
+ik niemand liever voor myn Broeder had dan Willem, ik zou hem in geen
+nader betrekking gelukkig kunnen maken. Arme Willem! dit maakt my
+ongemaklyk. Omhels uwe Moeder voor
+
+ _Uwe Vriendin_,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Jacob Brunier.
+[2] Van Richardson: modeboek dier dagen--_sentimenteel_.
+
+
+
+
+ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp ontraadt Zuzanna Hofland
+te procedeeren, en schrijft haar over broeder Kwast te Rotterdam.
+
+
+NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis, zeer verliefd, schrijft aan
+Sara heel teerhartig; zij antwoordt onmiddellijk.
+
+
+
+
+VEERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER WILLEM WILLIS.
+
+
+_Myn lieve Willem!_
+
+Is de man een kind geworden?--Zou ik misnoegt zyn? En om wat reden? Om
+dat een braaf fatsoenlyk jong Heer, met wien ik zo veel ommegang heb,
+wiens Moeder en Zuster myne hoogstgeachte Vriendinnen zyn, my, eindelyk,
+op de betamelykste wys, zegt: dat ik hem niet onverschillig ben? Waarlyk,
+dit zyn gruwelyke ondernemingen; vreest gy niet, dat ik u, met eene
+theatrale houding, zal toevoegen:
+
+ "_Moi, je suis femme, je ne pardonne jamais_."
+
+In ernst, Willem, ik dagt niet, dat gy zo dwaas, of dat ik zo eene
+_Prude_ was; een van beiden moet echter zeker zyn. Ik zal u dan ééns
+voor altóós tonen, dat _gy_ schuld hebt, en ik niet. Verstaat gy dat,
+Vriend? Ik zal aan u schryven, als aan een' Jongeling dien ik hoogacht,
+om dat hy de achting waardig is van veel beter menschen, dan meisjes
+van negentien jaar zyn kunnen; vertrouwende echter, dat gy deeze myne
+heuschheid niet zult misbruiken.
+
+Geloof my dat ik, tot gistren toe, nooit er aan gedagt heb, of gy my
+met andre dan de oogen eens Vriends zaagt. Myne verkeering met u was
+weinig minder dan zusterlyk, en het heeft my duizendmaal gespeten, dat
+gy myn Broêr niet waart, ook ten koste myner halve bezitting. Ik nam
+alle uwe beleeftheden aan voor beleeftheden; en, om te zeggen zo als
+'t maar is, ik verwonderde my geen zier, dat gy, als ik by uwe Moeder
+was, ons gezelschap hield: zie, me dunkt, dat kwam my toe; en welk
+Meisje, zo vrolyk en zo achteloos, zou dit niet denken? Maar nu gy my
+gezegd hebt, het geen gy my zeide, my zonder liflaffen, en met zulk
+een ontroert gelaat, zeide, nu moet ik eenen anderen weg inslaan; om
+dat ik het my zelf nooit zoude kunnen vergeven, een eerlyk man, die my
+beminde, met ydele hoop den kap te vullen; en my te verlagen tot het
+verachtelyk peil der Coquettes. 't Smert my, dat uwe genegenheid juist
+gevallen is op de eenigste stoute meid, die u mooglyk eene
+teleurstelling als deeze zou doen ondervinden. Wat kan ik het helpen?
+Ik ken de liefde niet, en heb geen den minsten trek om zulk eene
+grillige zaak te leeren kennen, om dat ik volkomen gelukkig ben in de
+omstandigheden, waar in ik my bevinde. Hier uit kunt gy opmaken, dat
+gy alle bedenkelyke reden hebt, om zo vriendlyk als nog ooit iemand te
+groeten, dien ik nu en dan zie, en daar ik overal mee kom; ja dat gy
+onreedlyk zyn zoudt, zo gy hem niet zo lief hadt als uw hart eischt.
+
+Wel Willem, wel Willem, moet gy u óók in het Satirique omtrent de
+Vrouwen vergrypen? Wie heeft u toch gezegt, dat wy altoos Beuzelaars
+vóór hupsche Jongens verkiezen? De een of ander vergiftig knorrig ouwe
+Vryer, denk ik, die de zonden zyner jeugd wel gaarn op eene Sex zoude
+schuiven, die altoos door de beste mannen met achting behandelt wordt.
+Wil ik u eens zeggen, hoe het eigenlyk zit? Wy Meisjes worden, meest
+allen, op eene zeer kinderagtige wyze opgevoet. Men schynt omtrent het
+bestaan onzer zielen als rechtzinnige Muzelmannen te denken. Ons
+postuur, onze kleur, onze houding, trekken al de zorgvuldigheid: men
+leert ons de kunst van behagen, en hierom krygen wy dans-, en
+zingmeesters, en hierom moeten wy 't Fransch, 't Ombre leren, enz. Ik
+beken, dat een Meisje ten minsten niet gekker zyn moet dan ik nu ben,
+om, voor dat zy oud en lelyk wordt, te begrypen, dat alle deze
+fraaiheden niets zyn dan bywerk, dat zy zo wel denken kan als haar
+Broêr Piet, haar Neef Jan, haar Oom Gerrit. Het getal dier Meisjes
+is grooter, dan men gelooft dat het is; doch wat zullen wy, arme
+Zieltjes, evenwel doen, als wy zien, dat onze aanstaande Heeren en
+Meesters zo verheven van verstand zyn, dat zy ons _idoliseeren_[1]
+om die Beuzelingen; en mooglyk, (om hun eigen zelfs wil) geredelyk
+ontslaan van alles, dat in 't oog der reden verdienstlyk is. Het is
+ook wáár, dat velen uwer schikkelyke Borstjes al vry onaartige
+Heertjes zyn; en waarom zouden wy, voor wy dat moeten doen, lastige
+Druilöoren tot ons gezelschap kiezen? Onthoudt dit lesje, en doe er
+altoos naar; dan zyt gy myn beste Willem, hoor.
+
+Myne achting voor u is op uw goed en eerlyk karakter gegront; en myne
+vriendschap hebt gy, om duizend goede hoedanigheden, die ik in u, als
+Zoon en Broeder, heb opgemerkt. Hou u daar mede te vreden; want ik
+verzeker u, dat er niets anders voor u te halen is. Vergeet my, en
+poog u de liefde waardig te maken van eene veel betere Vrouw voor u,
+dan ik ooit zyn kan. Zoo gy haar by my, om getuigenis van u te vragen,
+zendt, dan zal ik haar reden geven, om over u voldaan te zyn. Gy zult
+my zeer verpligten, indien gy u de smarte uitwint die gy mooglyk zoudt
+gevoelen, als gy afscheid van my naamt. Ik ben
+
+ Uwe ware Vriendin,
+
+ S.B.
+
+Noot:
+
+[1] Verafgoden.
+
+
+
+
+EEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed is erg ziek!
+Zij waakt en verzorgt haar, is zeer onder den indruk, hoogst ernstig
+gestemd.
+
+
+TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft Sara: hij berust,
+maar hoopt! Saartje's vroegere dienstbode uit het ouderlijk huis,
+Pieternella Degelijk, heeft hij gesproken en die had de schrikkelijkste
+dingen van haar gehoord! Hij heeft haar gerustgesteld. Nu gaat hij naar
+Duitschland; haar portret neemt hij mee. Vaarwel!
+
+
+DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis stuurt goeie berichten en dank
+voor Sara's zorgen. Willem zal een legaat krijgen van tante!--Zij is
+op bezoek geweest bij tante's buurman en dat beschrijft ze: alles is
+daar oudhollandsch degelijk en gul. Ze heeft daar kennis gemaakt met
+Wijsneus, een pedant, en er ontmoet proponent Smit, een vroegeren
+kennis: die bevalt haar!
+
+
+VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed wordt beter.
+Deze vertelt haar droevig leven--een roman op zichzelf. Sara is hoogst
+ernstig gestemd en leert inzien, dat met liefde en huwelijk niet valt
+te spotten!
+
+
+
+
+VIJF EN VEERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Vriendin!_
+
+Voor 't eerst ben ik na het toeval myner geëerde Juffrouw Buigzaam
+uitgeweest: Niet op eene Klossen-party, niet met een Wysneus en een
+aanstaanden Dominé, maar met myn kostelyken Vriend, (zei Jan van Gyzen
+tegen zyn Bok,) den Heer Jacob Brunier, verzelt van deszelfs Zuster
+Aletta Brunier; en dat wel in de Fransche Comedie. Daar hebt gy immers
+niets tegen? Ik kon u wel wys maken, dat ik er ging om myn Fransch te
+onderhouên, doch dan jokte ik u wat voor. Neen, ik ging er met geen
+ander oogmerk, dan om eens een Fransche Comedie te zien spelen. Wel
+Naatje, ik raad u sterk aan om, voor gy van staat verandert, er ook
+eens te gaan. En zo dit, gelyk myne Tante zegt, de Tente des Satans
+is, dan moet ik u maar zeggen, dat hy als _un homme de Goût_, en
+_comme il faut_ gelogeert is! Ik zag _les Femmes Sçavantes_ spelen,
+een stuk van den groten Molière: myn genoegen was groot: alles dagt my
+was natuur. Het karakter van Crisale smaakt my; maar dat _Excusez moi,
+Monsieur, je n'entend pas du Grec_; hoe bekent ik daarmede ben, had al
+het aantreklyke der nieuwigheid, toen het wierdt uitgesproken door
+eene schone jonge Actrice, wier talenten men toejuichte. Ik was niet
+weinig misnoegt over het gedrag van ettelyke Heren en Dames in drie of
+vier Loges. Het spel zelf trok hun aandagt niet; dat is hunne zaak;
+maar, andere fatsoenlyke Lieden te beletten om te voldoen aan het
+oogmerk, waarom die naar zo eene plaats gaan, vind ik ten uitersten
+onbeleeft. Zo ziet gy, kind, dat alles onvolmaakt is, of, zo als de
+Heer Blankaart zegt: _alle regtertjes hebben er slinkertjes_. Zulke
+onfatsoenlykheden, denk ik, kunnen niet belet worden. Wie doet den
+Paus in den Ban? Cootje zegt my,--(ik noem myn auteur, om des te meer
+klem aan zyne woorden en aanhalingen te geven,) dat lachen, praten,
+badineeren, onder het spelen van de zielroerendste Treurspelen, thans
+_du Ton_ is; en dat menig Champignon en Champignone de Fortune[1] daar
+mede ontegenzeggelyk bewyzen, dat zy lieden van Rang zyn, en ten
+minsten reeds deeze zes laatste jaren geweest zyn. Zeg je zo! was myn
+antwoord; evenwel, al wierd ik altoos maar voor een Koopmans dochter
+gehouden, ik meen deeze Certificatie van myn fatsoen niet mede te
+nemen, om dat ik myne lieve Ouders niet in verdenking wil brengen, of
+zy my ook wel hebben opgevoed.
+
+Niettegenstaande deze en nog een half douzyn ongevalligheden, moet ik
+u maar zeggen, kind, dat ik verzot ben op den Schouwburg; dat ik niet
+kan begrypen, wat of men toch kan inbrengen tegen eene uitspanning,
+die, wel ingericht, zo veel goeds kan uitwerken. Nu, dat mogen de
+Geleerden afhaspelen, ik ga er heen, en dat wel zonder dat myn hart my
+iets verwyt. Juffrouw Rien du Tout was zeer uit haar humeur, om dat wy
+haar niet hadden meê genomen. 't Is myn schuld; ik vreesde, dat die
+Beuzelagtige Woelgeest ons maar zou gehindert hebben: als wy weer gaan
+zal ik haar zien in een Loge te plakken; daar zal zy zich beter
+diverteeren dan by ons, die eenvoudig komen om te horen, te zien, te
+wenen, of te lachen. Apropos, weet gy wel, dat het thans voor zeer
+ongemaniert gehouden wordt, te schreijen by eene _Alsire_, en te
+lachen by den _Français à Londres_? Zie, dit alles à Gouverno, het kon
+u te pas komen. Ik moet u nog al meer fraais verhalen.
+
+Onlangs was ik met myn trouwen schildknaap op een Publiek Concert: Coo
+hadt gehoort, dat er eene der eerste Zangeressen voor 't eerst zingen,
+en dat Cavalini[2] het Clavier zoude tracteeren. Maar moest men geen
+geduld hebben zo taai als een leren lap, (wil ik spreken,) om niet
+toornigjes te worden, op de manier van doen van eenigen der Grote
+Lieden? Dáâr snapten drie vier Dames zo luit, dat ik duidelyk hoorde,
+hoe het discours ging over het Puce-Lint van een Coëffure. Ginds
+stonden een paar Heertjes als een paar malle Jongens,--(zoude ik
+zeggen, zo ik niet verstaan had, dat zy aanstaande Vaderen des
+Vaderlands waren,) arm in arm, de heerlykste Muziek na te lollen, ons
+en passant, eenige Cabriolen op de koop toe verëerende: en dat, terwyl
+myn gehele ziel wegsmolt door het heerlykste Vocaal en Instrumentaal
+Muziek, dat ik immer hoorde. Hoe is 't mooglyk zo ongevoelig te zyn!
+ik spreek niet eens van het onvoegsame: men doet veel om du Ton te
+zyn! En die zelfde Babbelaarstertjes affecteerden zich, toen de een
+en ander vroeg, of zy zich den avond beklaagden, dat zy geënchanteert
+waren. Ende nu nog een kort woord tot u, myne Aandagtige! 't Is waar
+de overgang is wat grillig; zoo spreek ik van Comedien en Concerten,
+en zo koom ik tot myne deftige Vriendinne. Nu, gy weet hoe ik ben;
+los, bedroeft los.
+
+"Wel, zou Tante zeggen, wel kyk eens aan Nicht, daar moest de Tante
+van je Vriendin juist te Rotterdam wonen, daar moest zy ziek worden;
+daar moest Juffrouw Willis met haar Dochter by haar komen; daar moest
+een Buurman wezen, die een klein soupeetje gaf, en daar moest juist de
+Proponent Smit in de Stad zyn, om er dien avond by te wezen; Wat is
+dat groot!" dus verre Tante.
+
+En wat zegt Nicht? Wel Nicht is zeer in haar schik met die tyding, en
+Nicht hoopt nog binnen 't jaar hare Vriendin in het eerwaardig
+karakter van Dominees Vrouw gelukkig te zien. Heden, Naatje, dat moest
+je doen: me dunkt, dat gy met niemand een juk kunt aantrekken dat u zo
+wel voegen zal, dan met eenen Eerwaardigen. ô My! wat zal ik dan
+dikwyls by u komen, al woonde gy aan 't einde van de Waereld of zelf
+op Marken Buiten! want ik ben overtuigt, dat de man, dien gy verkiest,
+waardig is dat men om hem de hele Toverlantaarn der Waereld goejen dag
+zegt.
+
+Ziet gy niet, dat ik thans eene hele schryvige natuur over my heb? Ja
+kind, Saartje gaat nu weinig op den tril, en onze dierbare Patiente is
+nog te zwak, om haar met myn gerammel te vermoeijen. Doch lang vasten
+is geen brood sparen. Ik moet noodzakelyk eens met Letje uit. Juffrouw
+Rien du Tout heeft onlangs zulk keurlyk gaas gekogt, en dat zeer
+goedkoop; ik moet, eer het stuk op raakt, er ook van hebben. Zoo
+Cootje maar meê kan; want hy heeft, wurm daar hy is, ook zyne
+druktens; en het schynt, dat hy voor een Heertje van de mode zyne
+zaken voorbeeldig waarneemt. Wat zoudt gy een goed werk verrichten,
+Naatje, als gy hem wist te beduiden, dat hy waarlyk zeer wel zou doen,
+indien hy zo attent was in het verbeteren en in orde brengen zyner
+denkbeelden, die nu in zyn harsenvat als een hoop stoute Jongens in
+den donker herom tuimelen: Zeg wat gy wilt; maar de Borst is heel
+gezeggelyk, en de geest des tegensprekens heb ik met wortel en tak
+uitgeroeit. Nu uw beurt, hoor je kind.
+
+ _Ik ben uwe Vriendin_,
+
+ S. BURGERHART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Oweeërs.
+[2] Componist dier dagen.
+
+
+
+
+ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna waarschuwt opnieuw tegen Jacob Brunier
+en ze ijvert voor Willem. Het verhaal van de wed. Spilgoed heeft ook
+haar getroffen, en ook haar Moeder.
+
+
+ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna zet haar pleidooi voor Willem voort.
+Moeder heeft Willem de zaak uit 't hoofd willen praten, maar _zy_,
+Anna, vindt Willem wel geschikt voor Sara. Moeder zegt: _Sara is te
+wereldsch voor Willem_.
+
+
+
+
+ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SOPHIA WILLIS.
+
+
+_Mejuffrouw, Hoogst-Geeerde Vriendin!_
+
+Het zou my smarten, indien ik deezen moest schryven, om u myne
+eerbiedige gevoelens en oprechte liefde bekent te maken: ik hoop, dat
+gy, in alle myne woorden en daden, die gevoelens zult ontdekt hebben;
+en dewyl ik my altoos door de oprechtheid laat bestieren, kan er by u,
+op dit stuk, geen twyffeling overblyven.
+
+Dat ik des de vryheid neem om u te schryven, vloeit uit een geheel
+anderen oorsprong. Het is om u uit grond myner ziel te bedanken voor
+het belang, dat gy in my neemt; en om dat gy my de gelegenheid geeft
+om te weten, in welk een licht gy my beschouwt. ô Dierbare Juffrouw
+Willis, myn hart zegt my, dat gy myne zwakke zyde kent. Daar in ontdek
+ik óók de redenen, die u aanzetten om myn handelwys met uwen Zoon goed
+te keuren. Ik beken, dat ik zeer gezet ben op het bywonen van
+uitspanningen en dat ik er my meermaal in toegeef, om dat ik volstrekt
+geen ander oogmerk heb dan my te diverteeren; maar ik vlei my toch nog
+al, dat ik, voor myne jeugd verdwenen is, wyzer zal worden; nu ben ik
+zo ver niet, en ik zou my tot veinzery moeten verlagen, indien ik
+zeide: dat ik reeds werkelyk bezig was om die neiging in te krimpen.
+
+Het smart my, my te moeten voorstellen, dat uw waarde Zoon, myn lieve
+goeje Willem, niet zo gelukkig is als hy verdient te zyn! en niets
+troost my zo zeer, dan de bewustheid dat ik verheven ben boven de
+vuige listen eener gerafineerde Coquetterie, dan gehandelt te hebben,
+na hy my zyne liefde ontdekte, gelyk als de pligt eischt van yder
+meisje, dat een braaf ordentelyk Jongeling niet beminnende, hem dat
+met heuschheid zegt, om geene hoop aantemoedigen, die geheel ongegront
+is.
+
+Ik hoop, in alle gevallen van myn leven het onuitsprekelyk genoegen te
+hebben, dat er gelegen is in door u met liefde beschouwt te worden:
+niemand is met meer eerbied
+
+ _Uwe Dienares, dan_
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier verklaart Sara zijn liefde
+en vráágt haar. Zij zouden samen een model-paar zijn en konden
+beginnen met een reisje naar Brabant.
+
+
+VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis verantwoordt zich bij Sara, waarvoor
+zij op alle mogelijke wijze Willems plannen te keer gaat. En ze
+waarschuwt Sara: leef niet te zeer voor vermaak alleen en ga niet uit
+met een jonkman, dien ge niet liefhebt! Pas toch op, Saar!--Anna doet
+een uitstapje ook met Smit.
+
+
+
+[Illustratie: 't kwam mij voor dat zij in zich zelf zeide; "Ei kom, om
+thee te schenken is hij echter nog al vrij gebruikbaar".
+Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave
+van 1782.]
+
+
+
+
+EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING.
+
+
+_Waarde Broeder!_
+
+Hemel! kunt gy met my nog railleeren? Maar geduld! Ik weet dat de
+vrolykheid van uw aart een vrucht is van uw goed hart, en dat gy
+opregtelyk deelt in alles wat my betreft. Ik zal dan, wat gy my ook
+moogt antwoorden, voortgaan om u over myne omstandigheden te schryven.
+
+Weinig dagen na dat ik my zelf het genoegen gegeven had, om een
+billyke daad omtrent eene verlegene Vrouw te doen, hoorde ik van den
+Heer Brunier, (die met my de kennis onderhoudt,) dat de brave Weduwe
+ziek, gevaarlyk ziek, was. Dit smartte my, en wel te meer, om dat ik
+daar door berooft was van 't genoegen, om myn bezoek te herhalen.
+Brunier ging er echter verscheiden maal daags, om te vernemen hoe het
+was. Zyne Zuster kwam dan by hem in de zydkamer, en berichte hem 't
+geen hy kwam horen. Doch de beminde van myn hart zag hy niet. Juffrouw
+Brunier zeide, dat hare Vriendin de kamer der Lyderes niet verliet, en
+dat zy beide allerbitterst bedroeft waren. Broêr lief, wat zyn brave
+meisjes toch juwelen! zy zyn de uitdeelsters van onze keurigste
+vermaken, en de zoete troosteressen in de ongevallen des levens.
+Oordeel, of deeze blyken van vrouwelyke meêlydenheid myn hart troffen!
+Binnen weinige dagen ontfingen wy bericht, dat de Doctor haar buiten
+gevaar oordeelde; en deeze gunstige tyding werdt vermeerdert door de
+aannaderende herstelling der waardige Vrouw.
+
+De eerste reis, dat Brunier vryheid kreeg om haar te komen zien, nam
+ik die gelegenheid waar, om hem derwaards te verzellen. Aangedient
+zynde, leidde Juffrouw Letje ons by de Weduwe in: Ik zag, tot myn
+hartlyk leedwezen, dat zy zéér vervallen was, en feliciteerde haar met
+hare gelukkige herstelling, vergeving vragende voor de vryheid die ik
+gebruikte. Zy beantwoordde my met de grootste vriendelykheid; en dewyl
+de knegt het theegoed binnen bragt, verzogt zy ons om thee te drinken.
+Verbeelt u een ruim zindelyk vertrek, proper gemeubileert, dat, met
+twee schuiframen, op een aartig Tuintje uitziet, en door twee zware
+lindenbomen voor de zon beschaduwt wordt: aan 't hoger eind zat de
+Zieke, in een keurlyk net negligé, met een neteldoeks kapertje op.
+Naast haar zat de beminnelyke Burgerhart, met een boek by haar de hand
+der Weduwe in de hare houdende, ô Keesje lief, zy is schoon!--meer dan
+schoon. Het tekenagtige van haar gelaat treft; haar oogen schitteren
+van gezontheid en gerustheid. Zy is niet meer dan middelbaar van
+lengte; voor eene Gratie zou zy kunnen geschildert worden, niet voor
+eene Juno of Minerva, dat beken ik. Brunier maakte zich meester van de
+theeketel, en zy zelf schonk thee. De jongen wagtte, mag ik zeggen, op
+hare oogen, maar 't kwam my voor, dat zy in zich zelf zeide: "Ei kom,
+om thee te schenken is hy echter nog al vry gebruikbaar." Ja, niet
+tegenstaande hare minzame trekken, heeft zy iets zo spottig, zo
+schalkagtig, zo, hoe noem ik het? 't is nog al iets anders--in haar
+gelaat, als zy tot hem spreekt, dat men niet nalaten kan te zeggen,
+arme Cootje. Hy legt echter met haar aan; doch komt altoos met verlies
+te rug.
+
+Juffrouw Brunier is een zeer bevallig meisje; maar men ziet haar niet,
+als zy by hare Vriendin is. Deeze twee jonge Dames beminnen elkander,
+en behandelen elkander ook als welopgevoede Zusters.
+
+Myne Beminde was ongemeen vrolyk; en ik geloof, dat Brunier er te
+erger om vaart. Toen wy in gesprek waren over de Patiente, zei zy, met
+eene betoverende levendigheid: "Ik moet vrolyk zyn over de herstelling
+myner Moederlyke Vriendin; ik weet, hoe veel ik zoude verloren hebben:
+yder heeft zyn eige wys van doen: deeze doet de vreugd wenen, en een
+ander lachen." Haar lach, Keesje, is echter de lach des vernufts, en
+heeft niets van dat luidruchtige, 't welke het verstand afkeurt. Wy
+spraken over verscheiden onderwerpen, en ik had gelegenheid om te
+zien, dat myne Beminde dien zeldzamen schat, gezont Oordeel, bezit. Zy
+heeft, merk ik, veel verkregen kundigheden, doch beroept zich nooit op
+haar Auteur. Kort gezeit, ik geloof dat zy, in allen opzichte, dien
+man gelukkig zal maken, dien zy zich zelf zal uitkiezen; indien zy met
+aandagt eene keuze doet.
+
+Me dunkt, Mevrouw, zeide ik, dat deeze beide jonge Dames u met allen
+eerbied en genegenheid behandelen; dit moet my gunstig over haar hart
+en verstand beide doen oordeelen.... "ô Myn Heer, viel zy my in, het
+zyn de beste kinderen, die ik immer kende. Maar myne Gunsteling
+verdient, dat ik haar met die onderscheiding behandel, die myn hart
+voor haar gevoelt. Juffrouw Brunier is een meisje, dat al de
+geschiktheid heeft, om eene Vrouw van verdienste te worden; en hare
+liefde voor Juffrouw Burgerhart maakt haar geneigt, om, in duizend
+opzichten, beter te worden. Een verwaarloost karakter, myn Heer! vroeg
+ouderloos, en geheel aan haar zelf overgelaten.... Doch Saartje is de
+vreugd van myn leven; en ik bemin haar, of zy myn eigen dochter was.
+Zoudt gy wel geloven, dat dit luchtige bolletje, dat zo vol potzen is,
+en de zonderlingste invallen heeft, somtyds zeer bedaart met my kan
+spreken? dat zy de ernstige schriften met aandagt leest; ja, dat ik
+haar aanmerkingen over den Godsdienst hoor maken, die geheel nieuw, en
+tevens geheel waarheid zyn? God geve, dat zy altoos haren eigen weg
+ga, en door haar goed hart, 't welk niet vry is van wat achteloosheid,
+niet verstikt worde door eene wel overlegde loosheid." Ik was geheel
+aandagt. Zy ging voort: "Dat zelfde Meisje, dat zelf in uw byzyn haar
+levendigheid niet kan bedwingen, heb ik, geduurende myne ziekte, niet
+dan zwygent en schrijent gezien. Zy was niet te bewegen om my, zelfs
+des nagts, aan de zorg myner bedienden toe te betrouwen. Ik heb, in al
+die dagen, niets dan uit hare handen gebruikt. Uuren lang lag zy op
+hare knieën voor Myn Ledikant, God met opgeheven handen biddende, doch
+in zich zelf, om myne herstelling. Nu, mag ik zeggen, bestiert zy de
+gehele huishouding. Oordeel uit dit weinige over haar karakter. Hadt
+zy wat minder zucht om de Waereld te zien; doch dit, beken ik, is vry
+sterk. Zo dat, myn Heer, ik zegen het uur, waar in deeze lieve
+juffrouw by my gekomen is: de vermindering van mynen staat heeft
+moeten dienen, om my dat geluk te bezorgen: moet ik des niet
+vergenoegt zyn in die minderheid."
+
+Mevrouw, zeide ik, ik geloof, dat Juffrouw Burgerhart immers zo veel
+reden heeft om het uur te zegenen, waar in zy u leerde kennen. Ik
+begryp levendig, dat zy aan u verpligtingen heeft, die zich alleen
+door dankbare gevoelens van het geroerde hart laten betalen.... Ik
+luisterde.... Is dat, vroeg ik, Juffrouw Burgerhart, die daar speelt?
+"ô Neen, myn Heer, zeide zy, zo slegt kan zy het Clavier niet
+behandelen. 't Zyn stoute meisjes. Ik merk dat zy den goejen lobbes
+weêr aan het touwtje hebben. Dien armen Jongen doen zy alles doen, wat
+in hare hoofden komt. Burgerhart zal hem, alléén om hem uittelachen,
+gedwongen hebben te spelen; schoon zy zelf bekent, dat zy de Kat, in
+weinige lessen, zoo ver ziet te brengen, dat die hem lessen kan geven.
+'t Zyn jonge lui, myn Heer; en ik denk, dat het myn pligt is haar het
+leven in myn huis zo aangenaam te maken, als ik immer kan. De Heer
+Brunier is een goed slag van een Jongen, die, zo hy wat minder van het
+petit-maitres air hadt, nog al passeeren zou."
+
+Onderwyl hoorden wy, dat zy recht vrolyk waren, en iets schenen te
+verzetten: wat het was, weet ik niet.
+
+Mevrouw, zeide ik, niets kan my aangenamer zyn, dan te horen, dat zulk
+een beminlyk jong mensch uwe achting verdient. Hoe gelukkig zal die
+man zyn, die zy uit liefde trouwt! "Dat is zo, myn Heer, maar zy zal
+nooit trouwen, zonder haren man zo wel hare hoogste achting als liefde
+waardig te keuren, immers dat zegt zy dikwyls."
+
+En heeft zy dien man reeds gevonden, Mevrouw? (Ik vroeg dit met zulk
+eene merkbare ontroering, dat de schrandere Vrouw het moet gemerkt
+hebben.) "Neen, myn Heer, Juffrouw Burgerhart denkt zeker, zo weinig
+aan trouwen, als aan het kloosterleven." Ik voelde, dat myne wangen
+gloeiden. Ik nam de vryheid om haar hand te nemen, en die zagtelyk
+drukkende, zeide ik: mooglyk ben ik onbescheiden geweest, maar het
+belang dat ik heb in dit te weten.... Vergeef het my, Mevrouw.... Ik
+Bemin deeze Dame: Zo als ik haar zag, beminde ik haar; en nu myne rede
+myne keuze billykt, reken ik my niet ongelukkig. Het is dan mooglyk....
+Ik meende verder te gaan; doch de Vrienden kwamen binnen; ik zweeg des.
+De Weduwe boog, zoetelyk glimlachende.
+
+"Mamaatje lief, zeide Juffrouw Burgerhart, wy hebben uwe bevelen
+voldaan, en ... maar, (het drankflesje opnemende,) moet ik dan kyven?
+Foei, myn Heer, gy moet op een ander tyd beter oppassen! weet gy wel,
+dat deeze Dame, om duizend en tienduizend redenen, diende gezont te
+worden, en zo oud ook, dat zy met een krukje in de eene hand, en my
+onder den arm vasthoudende, door haar Tuintje zal moeten wandelen?"
+Daar op nam zy een kopje, deedt het medicament er in, gaf het de
+Patiente, en wist Brunier te bewegen, om ook eens te proeven, die al
+grynzende zei, dat het lekker was. "Zo, zei Saartje, een Veinsaart ook
+nog, en dat onder myne oogen."
+
+De beleeftheid deedt my vertrekken; na dat de weduwe my verzekert
+hadt, dat het haar niet ongevallig zyn zoude, my eens weder te zien.
+Afscheid genomen hebbende, vertrok ik met Brunier, hem bedankende voor
+de gelegenheid, die hy my gegeven hadt, om deeze waarde Dame te leeren
+kennen.
+
+Zie daar, Broêr lief, zo is het thans gestelt. Zal ik hopen? zal ik
+vrezen? Hemel, maar zou zy immer behagen kunnen hebben in my? Schryf
+my spoedig. Alles is hier wel. Vader zal u per naaste post schryven;
+hy weet niets van deezen.
+
+ T.T.
+
+ HENDRIK EDELING.
+
+
+
+
+
+TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER.
+
+
+_Vriend Jacob!_
+
+Gy durfde my dan nog met een half woord vragen: "of gy u niet mogt
+vleijen met eenig antwoord op uwe _Missive_?" Want zo noemt gy dat
+fraaije Billet, dat gy my deedt ter hand komen. Om uw eigen fatsoens
+wille wenschte ik wel, dat gy er geen woord van gekikt hadt; dan kon
+ik ook dit zot stukje op de grote lyst uwer overige Beuslaryen hebben
+aangetekent, en, om dat ik niet geemlyk van aart ben, het u gunstig
+gepardonneert hebben. Doch nu gy zo dwaas zyt, van my zulk eene
+rapsodie, als 't ware, te herinneren; en gy mooglyk wel, (want het
+schynt waarlyk niet al te richtig in uw harsengestel,) u zoudt kunnen
+gaan inbeelden, dat ik uwe Missive niet al te wel zo spoedig dagt te
+kunnen beantwoorden, zo zal ik de moeite nemen, om u, over die
+Missive, eens een paar woordjes te zeggen.
+
+Ik zeg niet gaarn onaangename waarheden, en vooral niet aan zulken,
+die ik, 't zy dan ook om wat reden, in zekeren zin wel lyden mag. Zo
+lang ik u slegts voor een vry geschikt, en goed soort van een jongen
+hield, hadt uwe Zuster weinig werks om my te beduiden, dat ik u als
+haar Broeder behandelde, en occasie gaf om ons eenige uitspanningen te
+bezorgen: Maar, nu ik merk, dat gy eenige oogmerken omtrent my hebt,
+waar van ik u nooit verdagt hield, zo moet ik u openhartig zeggen, dat
+gy my meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te
+kunnen krygen.
+
+Hoe, myn Heer, heb ik u de minste aanleiding gegeven, om zulke
+gedagten in u te doen opryzen? Hoe weinig kent gy my! Hoe dood vreemt
+zyt gy omtrent u zelf! Ik moet of boos op u worden, en dat bevalt my
+niet; of ik moet u hartelyk uitlachen. Nooit zeker las men zo eene
+ongevallige mengeling van zotteklap, en dwaze inbeelding, op zeer
+twyffelachtige verdiensten, dan dat schriftje bevat. Dit van stukje
+tot beetje aan te tonen, is beneden myne aandagt. Ditmaal vergeef ik
+u alles, op deeze voorwaarden: "dat gy my hier over nooit meer
+spreekt;--zelf verbied ik u, my voor deeze gekheden om excuus te
+vragen; en dat gy; is 't mooglyk, door dit geval poogt wyzer te
+worden, en wat beter uwe eigen waarde te berekenen."
+
+Zo gy hier toe geen geneigtheid hebt, dan zult gy u moeten laten
+welgevallen, dat ik u zó, en op dien afstand behandel, als een
+fatsoenlyk Meisje een verwaanden, of wilt gy lastigen, knaap altoos
+moet behandelen. Uwe Zuster is myne lieve vriendin, maar zy zo wel als
+ik begrypt, dat dit geen reden zyn kan, waarom ik zoude moeten
+geplaagt worden door een Borstje, dat geen geest genoeg heeft, om my
+met zyne Missives ook slegts te diverteeren. Spreek des nergens van;
+en ik zal alles vergeten: want zo gy in dit opzicht maar wyzer wordt;
+zyt gy een vry draaglyk Heertje; en ik geef de hoop nog niet op, om my
+eens met meer reden te kunnen noemen
+
+ _Uwe genegene Vriendin_:
+
+ S. B.
+
+
+
+
+DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed schrijft aan Blankaart:
+Saartje is allerliefst! En nu is er een meneer, zekere Hendrik
+Edeling,--die de wed. zelf uit den brand geholpen heeft--een braaf
+man--die naar Saartje vrijt. Hij is knap, 27 à 28 jaar, goed
+gemanierd. Staat Blankaart nadere kennismaking toe? Sara spot
+er wat mee en wil nog niet trouwen, maar de wed. wil zekerheid.
+
+
+VIER EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling wenscht zijn broer succes:
+geduld maar en volhouden. Gemakkelijk zal 't niet gaan, maar toch
+gaan. Hij is haast jaloersch en als hijzelf zijn Jaantje niet had,
+wie weet.
+
+
+VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis vertelt van haar uitstapje met
+Smit. Ze zijn o.a. in Schiedam geweest en hebben _jenever geproefd_.
+Smit werd opgewonden. Schiedam is een gat. Smit heeft intusschen een
+erfenis gekregen en nu zal Anna met haar besten vriend gaan trouwen.
+Hun liefde berust op _achting_ en _vriendschap_. Zij raadt Sara aan
+den advokaat _Fine Mouche_ te nemen, maar dan moet ze er gauw bij
+zijn. Hij is zeer gewild en _ijvert voor de rechten der vrouw_. Smit
+ijvert voor de _nieuwe psalmberijming_.
+
+
+
+
+ZES EN VIJFTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Lieve Willis!_
+
+Allemaal menschen!--dit zeide ik, toen ik uwen vrolyken en my zo regt
+smakelyken Brief gelezen had. De liefde is al een grappig ding, geloof
+ik. 't Schynt dat zy de peinzende vrolyk, en de ydeltuiten statig kan
+maken. Mooglyk, om dat zy het levensvonkje in de dikbloedige gestellen
+helder doet opflikkeren, en de zorgeloze onverschilligheid der volmaakt
+gezonde meisjes iets aan de hand geeft, dat haar van belang genoeg
+schynt, om er over te willen denken. Hoe het zy, 't is zeker dat
+Juffrouw Willis my nu veel meer bevalt, om dat zy my wat nader komt,
+dan wanneer zy met zekere ernsthaftigheid, niet altoos geheel vry van
+styfheid en bedilzucht, my myne les voorzegt. Uw Vriend Smit heb ik
+regt lief, zo wel om het geen gy van zyne conversatie, als om 't geen
+gy my nopens zyne manier van denken omtrent u mededeelt. Ik hoop hem
+spoedig wel geplaatst, wel gehuist, en wel getrouwt te zien. Ik beken
+dat gy, buiten uw nadeel, een ruim hart hebt, als gy ons, eenzamen in
+den lande, zulk een zegen toewenscht. Maak u vrienden, Naatje, door zo
+veel gy kunt dien wensch ten uitvoer te brengen. Wat my aangaat: _Pour
+moi keen warme Bier_, zei de Franschman; _Pour moi geen man_. Een
+flinke bol, om my, zo als ik zeg, te brengen waar ik zyn wil; dat is
+wel, doch meer niet. Uw Advocaat is des aan u; geef hem aan haar, die
+zo een meubeltje nodig heeft, en laat myn devies zyn: _Vryheid, blyheid_.
+Maar om u eens wat zakelykers te schryven, ik heb met Letje uit geweest,
+om dat nieuwmodiesch Gaas. Het stuk was byna weg, doch men wagtte alle
+daag nog fraaijer, als ook heerlyke Taffen, enz. Men heeft my verzogt
+dat te komen zien: en ik heb aanstaanden maandag daar toe bepaalt.
+'t Is een besloten winkel; men ziet er niets dan een modieus huis,
+moderne meubelen, drie zeer wel gemanierde, taamlyk lelyke, reeds wat
+bejaarde Demoiselles, die niets dan Fransch spreken: 't kwam wel, dat
+ik die taal kende.
+
+In 't naar huis gaan, gingen wy Coos logement voorby, en spraken
+Mademoiselle G---- eens toe; die zeer verblyt scheen ons te zien, en
+vriendelyk innodigde. Wy voldeden ook aan haar verzoek. Letje vroeg
+schielyk of haar Broêr niet t'huis was; neen, zei zy, maar hy zal
+weldra t'huis zyn. Kom, zei Letje, dan gaan wy zo lang op zyn kamer:
+ik volgde, zeer benieuwt zynde, hoe of het toch op de kamer van een
+Petitmaître er mogt uitzien. Naatje! nooit hebt gy zo een huishouden
+gezien! myn oog viel eerst op zyn toilet, dat in de volmaakste
+desordre lag. Poeijer en Snuif bedekten alles. Hairkammen,
+Wenkbrauwkammetjes, verscheiden Verfjes, Tandenschuijertjes,
+Tand-poeijer, een glas half vol water, zo smerig als een eend, een
+stuk uitgedoofde Waskaers, eenige Fransche boekjes, die niet van de
+strengste zedekunde schenen te handelen, een morsige Inktkoker, een
+vuile Slaapmuts en een pot Pommade, maakten de misselykste vertoning,
+die ik ooit zag. Al zyn kleêren hingen over stoelen. Eenige paren
+zyden kousen slingerden er tusschen. Schoenen, muilen, laerzen, een
+hartsvanger, lagen door malkander: alle zyne Boeken konden wel in een
+brood-mand, en zagen er vuil en smerig uit. Letje zag dit lieve
+boeltje, met beschaamtheid, eens over, en ik was geheel
+nieuwsgierigheid. "Kyk me zo een floddervink eens; zo een slons van
+een jongen, en die altoos er uit ziet, of hy uit een doosje komt."
+Kom! zei ik, hy zal er voor hebben. Daar op deden wy zo veel
+kattekwaad, en naaiden zo veel mouwen en zakken en koussen toe, en
+verstopten zo veel goed, als de tyd ons toeliet. Toen gingen wy naar
+beneden, en zie daar, daar kwam de Vorst van Tour en Taxis, wip wip
+wip den stoep op; gevolgt door nog een vlasbaard, of drie, die hier
+alle logeeren. Myn Chevalier weet te wel te leven, (zoo hy meent, och
+arm!) om ons vryheid te laten zo terstond te vertrekken; en dewyl
+Mademoiselle G--- hier sterk op aandrong, traden wy in de eetkamer.
+Terstond presenteerde men 't een en ander. De gure dag gaf Coo den
+inval om een Bowl Punch te maken. Fiat Punch! Toen had hy 't op zyn
+lyf! de Arak, de Citroenen, enz., alles kwam uit den hoek. De drank
+was smakelyk, het gezelschap vrolyk, Mademoiselle G--- kluchtig, en
+Saartje haar zelf. Enfin, Naatje, wy diverteerden ons als Vorsten; wy
+raakten aan 't musiceeren, en 't was wel negen uuren, voor onze Vriend
+ons t'huis bragt.
+
+De lieve Buigzaam wagtte reeds met eeten. De Hartog keek, als of zy
+zeide: "Wat die Kleuters! moet ik daar naar wagten?" Lotje zat met een
+Almenak van 't voorleden Jaar, en hield zich of zy las; doch ik weet
+niet, of zy wel eens spelden kan. Wy waren zo dartel, dat de lieve
+Vrouw niet wist, wat zy van ons denken moest; en Letje was ongemeen
+woordenryk. Ik was niet heel gemaklyk, want Juffrouw Hartog my iets,
+'t geen ik haar verzogt, wat onbeleeft aanreikende, en er by voegende:
+"ei, altyd dat gelach, 't zal wat te beduiden hebben, als wy 't
+wisten!" gaf ik haar een antwoord, 't welk aantoonde, dat ik haar,
+schoon veel ouder, niet voor myne Voogdes begeerde.
+
+Ik heb u nog niet gezegt, dat de Heer Edeling hier alweêr geweest is.
+Juffrouw Buigzaam spreekt met de uiterste achting van hem, en met zo
+veel onderscheiding, dat, zo zy tien jaar jonger was, ik zou denken,
+dat hy de man zyn zoude, dien zy haar hart wilde geven: nu denk ik dat
+niet. Mooglyk heeft hy zin aan Letje. Hy is door haar Broêr hier
+althans gebragt. 't Is een zeer fraai man: hy heeft mooije manieren,
+en ik hoor, dat hy veel verstand heeft. Als hy weêrkomt, zal ik hem
+eens _Philosophiesch betrachten_; zeide uw Pedant Gekje zo niet?
+
+Omhels uwe dierbare Moeder; groet uw Vriend Smit; saluëer uw Tante
+voor haar, die gy weet dat is,
+
+ Uwe hoogachtende Vriendin,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+ZEVEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
+
+
+_Mevrouw!_
+
+Voor ik iets, Saartje betreffende, aanroer, moet ik u zeggen, dat ik
+God hartelyk gedankt heb voor uwe herstelling, 't Zoude al te droevig
+zyn, dat zulke weêrgaloze Vrouwen zo klakkeloos uit de waereld gingen,
+terwyl wy met hele risten van Beuzelaars en Beuzelaarsters blyven
+opgescheept. Het doet my aan myn hart goed, dat ons meisje zo haar
+pligt gedaan heeft; zy zal er een present extra uit myn eigen zak voor
+hebben. Zie, men moet de jonge lui, als zy wel doen, ook wel doen; en
+ik ben, God dank, geen vrekkige Jakhals van een Kaerl. Ik zeg altyd:
+"Abraham Blankaart, God heeft u zo gezegent, je hebt kind noch kraai;
+hoewel ik weet niet, of dat zo blyven zal; een mensch heeft graag een
+eigen weêrspraak. Kind noch kraai! wel deel meê, myn Vriend; maak dat
+niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe, dat niemand wel eens
+wou zien, of jy ook een mooije doode zyn zoudt. 't Moet hier toch
+altemaal blyven, en als jy brave lui op de proppen helpt, dan doe je
+als een hupsch Christen mensch betaamt." Nu, dat overgeslagen.
+
+Neen, Mevrouw, ik heb geen byzonder oogmerk omtrent Saartje. Ik zal
+haar volkomen haar eigen keuze laten doen; en, zo de jongen haar
+verdient te hebben, zal hy haar hebben, al had hy geen zesthalf in de
+waereld; maar zo zy dwaas genoeg was, om een knaap te willen hebben,
+dat een vlegel, of een bobbekop is, of die haar dood zou kniezen, of
+tot gekheden brengen: Verduivelt! dan zal myn naam geen Abraham
+Blankaart zyn, zo ik het ooit toesta. Hoe, wat hamer, en wat
+spykerdoos, heeft haar brave Vader my niet met de dood op zyn lippen
+gezeit: "Brammetje Blankaart, ik sterf; zorg gy voor dit dierbaar
+Kind. Wees het geen ik voor haar zyn zoude, mogt ik leven." En heeft
+hare lieve Moeder ook zo niet gesproken? En heb ik het niet heilig
+belooft? En ben ik niet een eerlyk man? Hoor, Mevrouw, het meisje is
+veel ryker dan zy weet. Zy kan, ik herhaal het, krygen die zy hebben
+wil, mits dat zy wél kiest.
+
+Ja, 't is een weêrgaâs meisje! zo als gy daar schryft, is zy: en ik
+ben maar bly, dat zy by zulk eene allerbraafste Dame is, dat is goed
+voor haar. Spreek toch niet van my lastig te zyn; ik wou dat uwe
+brieven zo lang waren als de Engelsche Courant. Zie, ik ben geen man
+van de hedendaagsche Waereld, maar een brief van zulke vrouwen, wel,
+dat is een tractement voor my.
+
+Den ouden Heer Edeling ken ik van voor vele jaren. 't Is een eerlyke
+knorrepot, een braaf man, een man, daar men op af kan, maar de
+lastigste mensch, dien ik ook al ken. Pitten heeft hy, en crediet als
+de Bank: maar ik heb my altoos afgehouden van twee soorten van menschen,
+van allemansvrienden en van Grimbekken. De laatsten veracht ik, en de
+eersten beduiden niet genoeg, om er aan te kunnen denken. Zyn Zoons ken
+ik niet; maar ik heb altyd gehoort, dat het beste jongens waren, doch
+die 't hart niet hadden, om hunnen Vader ooit dan met schroom toe te
+spreken. Dat is toch een ellendige zaak! 't Spreekwoord zeit, de beste
+Stuurlui staan aan land; maar als ik kinderen gehad had, by myn Vrouw,
+ik zou eerst hunne liefde hebben zien te winnen; en dan zou ik my van
+hun vertrouwen en achting gemaklyk hebben meester gemaakt. Wat zegt
+gy, Mevrouw?
+
+Indien de jonge Heer des zyn hof aan myn Kleuter wil maken, en zy het
+goedvindt, my is 't wel; als 't kind maar gelukkig is, ben ik te
+vreden, en ik zal haar, met al wat zy in de waereld heeft, zelf aan
+hem, met myn eigen hand, geven. Doch de Oude moest my evenwel geen
+Kattesprongen maken, of denken, dat zyn Zoon haar veel eer aandeedt.
+Ja, ja, 't is een misselyke knevel, die eigenste Jan Edeling; want dan
+zou my 't bloed ook wat heel spoedig in de ooren kruipen. Saartje is
+van zulk eene brave oude familie, als er maar weinigen in Amsterdam
+zyn; haar overgrootvader was al een styl van de beurs, en een pylaar
+van de kerk: en, schoon zy geen geld heeft, dat by Hendriks te pas
+komt, zy is echter een schone party; en zy is een heel mooi meisje
+ook; en zy heeft, mag ik zeggen, alles geleert; en zy speelt immers
+kapitaal? Wees verzekert, dat ik uw verpligtent bericht voor my
+onschendbaar zal houden. Zo ik u, waardige Dame, ergens in van dienst
+zyn kan, beveel! gy zult my verrukken, door my in staat te stellen van
+u te kunnen tonen, hoezeer ik met de grootste achting ben,
+
+ Uw welmenende Vriend en gehoorzame Dienaar,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+
+ACHT EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis beknort Sara om haar houding
+tegenover Coos-Jacob Brunier. Foei! Is vermaak dan alles? En wèlk
+vermaak! Tante Hofland zal nog gelijk krijgen! Ze mag Anna uitmaken
+voor wat ze wil: _bijnamen geven is geen redeneeren_.--Willem maakt
+'t goed; Smit gaat uit preeken. Hendrik Edeling is een beste jongen;
+Smit kent zijn broer.
+
+
+NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft zijn Moeder: hij
+maakt het goed, doet zijn best, maar _Sara kan hij niet vergeten_.
+Doet Moeder wel goed?
+
+
+ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling richt zich tot Blankaart, over Sara.
+Of er iets tegen is? _Zijn_ vader zal bezwaar maken: _Sara is niet
+Luthersch_--doch dat is misschien nog te ondervangen.
+
+
+
+
+EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING.
+
+
+_Myn Heer!_
+
+Ik ken genoeg van uwe omstandigheden en zedelyk karakter, om niet
+weinig in myn humeur te zyn, met het voornemen, dat gy hebt omtrent
+myne lieve Pupil.
+
+Zie, myn Heer Edeling, ik ben geen knorrepot, die altyd legt te
+gnokken, en te gnutteren[1] op Jongelui; ô ho! het zat over een
+zestig, zeventig jaar, ook al zo breet niet: maar dit is evenwel
+hemelsch vast, dat onze jonge Heren het drok genoeg maken, en dat
+Ouders of Voogden van geluk mogen spreken, als zy een aartige lieve
+meid, die hun aangaat, in goede handen zien. Wel, 't is een bedroeft
+ding, dat de jonge Heren zich de vryheid geven om stukjes uittevoeren,
+die hen de achting van hunne meisjes onwaardig maken. Dat rydt, dat
+rost, dat speelt, lichtmist voor een voor negentien, alsof men een
+paardje schytgeld op stal, en nog een lyf in de kist hadt: en als men
+dan eindelyk het wilde leventje wat moede is, ja! dan klungelt men
+naar de Vryster, die men eene hope leugens en liflafferytjes vertelt.
+Het arme schaap neemt alles voor goede munt aan; en zy krygt een man
+met een verzwakt en verslonst lichaam, zonder zedelyke, 'k laat staan
+Godsdienstige beginsels; zonder kunde in zyne zaken; en haar geld moet
+meermaal springen om smousen en ligtekooijen te vreden te stellen.
+
+Zo dat ik maar zeggen wil, myn Heer Edeling, dat ik regt te spreken
+ben, met uwe liefde voor het kind. Dat gy haar daar van nog geen kik
+gezegt hebt, smaakt my bestig. Hoor, gy zyt een hupsch jongman, en ik
+hoop, dat onze lieve Heer haar maar genoeg wysheid zal verlenen, om
+u haar hart, zo wel als haar mooi zagt regtehandje te geven: mits
+echter, dat myn Heer uw Vader haar die eer aandoet, waar op ydere
+brave jonge Juffrouw, in zo een geval, recht heeft.
+
+Indien men ons, om dat wy misselyke Potentaten zyn, alles moet laaten
+doen dat men wil, wel, dan zyn de redelyke menschen waaragtig te
+beklagen. Hoor, myn Heer Edeling, ik zou geen Kind veröngelyken, en
+myn Paard, zo min als Snap, myn Patryshond, (die al weer met my naar
+Vrankryk gesjouwt is,) hadden nog ooit reden, om my voor een bullebak
+van een meester te houden. Daar is nu Jan, die reeds al zes en twintig
+jaar by my diende; maar ik heb nog nooit gemerkt, dat de kerel een
+beter heer verlangde; want ik zeg altyd: "Abraham Blankaart! maak
+toch, myn Vriend, dat je geen mensch of beest zo behandelt, als jy
+niet zoudt willen behandelt worden, dan zal je wel doen, en dat is
+hier de zaak." Doch myn Heer, uw Vader, voor wien ik zeer veel achting
+heb, moet niet denken, dat myne Pupil ooit in zyne Familie zal komen,
+indien hy my, als haren Voogd, dit niet met bescheidenheid en yver
+verzoekt, 't Zou my om u schrikkelyk moeijen; maar ik heb ook op
+sommige punten myne wonderlykheden; en, schoon ik niet aan de Jicht,
+of het Podagra zucht, kan ik om de hagel niet veelen, dat men zich
+airs zoude geven, omtrent zulk een braaf fatsoenlyk meisje. Myne
+gehechtheid aan de Leerstukken der Publique Kerk is, ja al zo sterk
+als de zyne aan het Luthersche geloof zyn kan, en daar hoop ik by te
+leven en te sterven: amen! Maar watte malle dingen zyn dat! "dat ik
+besluit om myn kind nooit buiten myne Kerk te zullen uittrouwen?" Wel,
+'t is goed, dat onze lieve Heer wyzer is dan wy allemaal; 't zou hier
+anders een bedroefde Winkel worden, dat zou het. Laat elk gelooven dat
+hy wil, dat hy kan, en laten wy allemaal deugdzaam leven; dat zal wat
+beter voor ons uitkomen, dan dit en dats hargueeren, en kieskaauwen,
+over dingen, daar de wyste lui zo weinig van begrypen als ik, of een
+ander eenvoudig Christenmensch. Hoor, myn Heer Edeling, ik kan zo
+Satans nydig worden, als ik daar in plaats van eene stichtelyke
+opwekkende Predikatie te horen;--want ik ben een stipte Kerkganger,
+moet gy weten; ik ga, als ik t'huis ben, alle Zondag in de ouwe
+Kerk,--niets voor myn neus kryg, dan wat scholastiek[2] Vulnis, dat,
+mag ik zeggen, diept noch droogt. 't Is goed, dat zulks maar zelden
+gebeurt, of Abraham Blankaart zou zo stipt niet ter Kerke gaan. Nu,
+myn Heer, gy moet weten, hoe gy met uw Vader dat Boeltje reddert. Doch
+hy moet niet vergen, dat myn Saartje van haar Gereformeerde Kerk
+afwykt. Hoor, ik moet daar niet over gemoeit worden. 't Is onredelyk;
+en is de man driftig, ik ben ook juist de grootste jaabroêr niet. Hy
+moest ook niet leggen te choqueeren op myn Kerk, of hy zou zyn man aan
+my vinden. Ik versta my wel niet op alle de fynheden der redeneerkunst;
+maar ik denk, dat ik echter met hem geen gevaar loop om uit het veld
+geslagen te worden: wy kunnen malkander op de Beurs ook wel zo eens een
+aartigheidje zeggen.
+
+In hoop dat ik zal voldaan hebben aan uwe verwagting, hebbe ik de eer
+my te noemen,
+
+ MYN HEER!
+ Uw dienstwillige Dienaar en Vriend,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Vitter en bediller.
+[2] Spitsvondig.
+
+
+
+
+TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Willem: Sara is geen vrouw
+voor hem. Een huwelijk kan even ongelukkig zijn door te veel
+overeenkomst tusschen man en vrouw als door te weinig. Smit gaat
+trouwen met Anna. Willem moet zich maar goedhouden en volharden in
+braafheid.
+
+
+DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna. Ze is boos. Anna beknort haar
+over haar oprechtheid. Anna mag wel _genever proeven_ en zij geen gaas
+koopen? Mooie grap! Anna is zoo op zich zelf verliefd, dat ze geen oog
+heeft voor andersdenkenden. _En ze duldt geen aanmerkingen op Spilgoed_.
+Anna draait! Jacob Brunier mag zijn wie hij wil, maar _slecht_ is hij
+niet. Bemoei je met je zelf. Groet Moeder, 't beste voor Willem. Vaarwel.
+
+
+
+
+VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Juffrouw Saartje!_
+
+Nou komt myn dat beetje schryven wel te pas, dat je men nog hebt
+ingestampt. Ik moet aan u schryven. Ik heb rust noch duur; van nagt
+droomde ik, dat ik u op men schoot had, met je neteldoekse jurk, die
+ik zelf in het Blaauwe Hoofd nog kogt, an; en dat ik met je zong dat
+mooi Liedje: "Een kindje in 't water een kindje in 't water." Ja, dat
+was een huur[1]! Dat was eerst een Heer en Juffrouw! Ja, Juffrouw, ik
+zou nooit myn Belydenis geleert hebben, had ik niet in joului huis
+gedient. Ik woon nou ook wel by brave mensen, maar het is altoos drok;
+wy zyn met ons zeven Booijen, en ik heb dikwyls geen tyd om 't _Vader
+Ons_ te bidden; en ik mag dat evel zo niet rabbelen; want Kaatje, onze
+Kindermeid, zeit, dat het van onzen lieven Heer zelf gemaakt is.
+Laatst nam ik het mee in de Kerk, en las het driemaal heel aandagtig,
+om dat ik den Dominé niet zien, noch horen kon, zo vol was de Kerk, en
+dat is tog mooi; en nu sla ik een reisje over, om aan u te kunnen
+schryven; want wie weet, of deuze Brief in veertien dagen nog vol is.
+Ik wil maar zeggen, Juffrouw, dat ik gehoort heb, dat de Juffrouw gaat
+trouwen, met een Heer die een Franschen naam het, die ik niet
+onthouwen kan; 't is een Broêr, zeggen zy, van een Juffrouw, die met u
+in 't zelfde huis woont. Hy het een amt op 't Staten of Prinsen hof,
+zie dat is al het zelfde; nou, Juffrouw zal hem wel kennen. Ik sloeg
+een gat in de lucht; 't was of ik het te Keulen hoorde donderen, daar
+onze Koetsier van daan is. Maar die Heer zal wel braaf zyn; anders zou
+Juffrouw hem niet nemen, wil ik spreken; maar de mensen praten zo
+raar; en Bregt heeft my zo veel vertelt; maar nou ze eens zo vreeslyk
+van je gelogen het, geloof ik haar niet meer. Nou, God vergeef het
+haar, maar ouwe Bregt zal haar loontje wel krygen, gelyk ik hoop! En
+nouw was myn verzoek, of Juffrouw my weer wou inhuren; en dat Juffrouw
+met men Heer Willem hadt getrouwt, dat is een Heer! en zo gemeenzaam;
+wel zie, ik heb buiten u niemand zo lief, als men Heer. Toen ik daar
+zo by myn Heer zat thee te drinken, dagt ik nog om je Grootvader,
+Pieter Burgerhart. Die is nog by gelyks men Doop-peet: want ik hiette
+maar Pieternelletje Pauwls, en ik had zo een dinsigheid[2], om ook een
+_van_ te hebben; en toe zei je Grootvader; kom meid, we zullen je
+_Pieternelletje Deegelyk_ noemen: 't heugt my nog klaar; ik lei het
+Pampier in de eetenskast in men keuken, en Grootvader deedt zyn
+schoenen nog aan, en hy lachte dat hy schudde; om dat ik zo bly was
+met men _van_. Ik had het zo kostelyk by je Ouwers: en ik heb het nu
+ook goed; en als ik oud word, dan denk ik, onze lieve Heer zal ouwe
+Pieternel niet verlaten: daar vertrouw ik op. Zo dat ik maar wou
+zeggen, dat ik altoos dagt, dat men Heer Willem je was opgeleit. Hoor,
+het is my hier te drok, en daar zyn meer huizen dan kerken. Ik wou een
+stil dienstje by twee eenige luidjes, daar ik men werkje zo zelf kon
+betreuzelen; en wy kennen mekaer, want Juffrouw het wel duizendmaal op
+men schoot gezeten, en dan kon ik ook nog eens horen van dien goejen
+Heer Blankaart, die ik in velden noch op wegen ontmoet; nou ik kom
+haast nooit uit. Ja, Juffrouw, zo jy en men Heer Blankaart niet in den
+hemel kommen, dan versta ik my dat werk niet. Wat was hy altyd
+grappig, en wat het hy my dikwyls een gulden gegeven; en ik wou
+Juffrouw graag wat in haar huishouwing kopen, al was het maar een
+Glazen-kasje, of een Turfbakje; maar voorlede week kwam je Tante
+Hofland my tegen. Wel nou Pietje, zei zy, weetje nou wel, dat jou
+Juffrouw nou in zo een slegt huis woont, en zoo waerelds gekleet gaat?
+Ja Juffrouw, zei ik, die Weduw is een heel braaf mensch, dat weet ik
+heel wel, en Juffrouw Saartje gaat gekleet, zo als alle ryke jonge
+Juffrouwen; en, zei ik, onze lieve Heer ziet op het hart, niet op de
+kleren, zei ik; nou zei zy, "Kind, je hebt geen Licht[3]". Nou
+Juffrouw, als je trouwt, wat zul je dan kerjeust[4] wezen! en dat's
+evel geen zonde; want je Moeder, die zo vroom was, als er een mensch
+over een paar benen gaan kon, en ouwe Hille, onze Schoonmaakster, wel
+zo veel goeds gedaan het, die oud en katyvig[5] wierdt; sting styf van
+'t stof, toen zy trouwde; ik wou, Juffrouw Saartje, dat je dat eens
+gezien hadt. Laat my tog eens weten, of je haast Bruidstranen zal
+drinken. Alle menschen zeggen, dat je op je trouwen staat. Ik ben al
+tweemaal aan uw huis geweest; doch Juffrouw was uit, en ik kom weinig
+uit, en 't is by ons vreeslyk drok. 't Is nu net drie weken, dat ik
+aan deuzen schryf; neem men stoutigheid ten besten. Was ik maar weêr
+zo in men eigen gedoentetje by Juffrouw, wat zou ik bly zyn! Ja, ik
+wensch nog uit Juffrouws huis gedragen te worden; wist ik dat, ik zou
+zo in myn knopjes zyn, want dat was een grote gerustheid.
+
+Nagt lieve Juffrouw Saartje, van je ouwe Pieternel, zo pleeg je te
+zeggen.
+
+ PIETERNELLETJE DEEGELYK.
+
+
+Noten:
+
+[1] Goeie dienst!
+[2] Zin in.
+[3] Geestelijk inzicht.
+[4] Trotsch.
+[5] Hier: gebrekkig.
+
+
+
+
+VYF EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK.
+
+
+_Myne goeje beste Pieternel!_
+
+Ik heb uw Brief gelezen: wel heden, ik wist niet, dat je zoo veel by
+mekaêr kon stichten. Ik ben met uw Brief magtig in myn schik. Als het
+eens jou uitgaans dag is, zendt my dan een kruijer[1], dan zal ik
+t'huis blyven, als ik uit de Kerk kom, en wy willen weêr eens heel
+veel praten; je weet, Nelle, daar hou ik wel van. Meid, wat hou ik van
+je, om dat je my zo wel opgepast hebt, en zo dankbaar aan myn lieven
+Vader en Moeder zyt. De Heer Blankaart is naar Frankryk; zo dat gy hem
+niet ligtelyk zult tegenkomen. Ja, dat is een man, niet waar? Och, ik
+heb hem zo lief! maar ik ga niet trouwen, daar is geen woord waar aan.
+Wees jy gerust: al wierd jy tagtig jaar, dan zal je toch by my wonen,
+als ik getrouwt, of op my zelf ben. Sterf des, als je tog sterven
+moet, maar gerust voort, 't zal zo zyn. Zeker, Pieternel, als gy oud
+en zwak wordt, zal ik voor u zorgen, en je zult dan zien, dat het heel
+goed is, op onzen lieven Heer te vertrouwen. En zei Tante "dat je geen
+licht hadt?" Heden meid, gy moest eens aan Tante gevraagt hebben, of
+'t waar is, dat zy zal trouwen, en met welk een Heer; maar daar hebje
+niet omgedagt. Ik zal heel graag, als ik trouw, wat in myn Huishouden
+van u hebben! Maar 't hoeft juist zo veel niet te zyn, als je
+voornemen was. In dit papiertje liggen twee ducaten[2], die doe ik u
+present, om dat gy zo een beste meid zyt, en myn Ouwers zoo lief hebt.
+Spreekt er maar niet van tegen my; koop er wat voor: zulje, Pieternel?
+De Juffrouw, daar ik by in huis woon, is net zo een brave vrouw als
+myne Moeder was, dan kun je eens denken. Nu ik ga niet trouwen, hoor.
+Gy weet wel, wie u deezen schryft.
+
+ S. B.
+
+PS. Dat joului Koetsier van Keulen is, kan ik wel denken. Nagt,
+goeje meid.
+
+
+Noten:
+
+[1] Met een boodschap.
+[2] Plm. 6 gulden.
+
+
+
+
+ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Blankaart: ze leest in den bijbel,
+gaat naar de komedie en naar concerten, onderhoudt Fransch en Engelsch.
+Edeling bezoekt haar dikwijls; ze heeft ook Pieternel gesproken.
+
+
+
+
+ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Myn beste Meisje!_
+
+Uw Brief is my zo welkom, dat ik hem ten eersten ga beantwoorden. Dank
+God, myn kind, dat gy by zo eene verstandige en godvrezende vrouw
+gekomen zyt: Het hadt ook heel scheef kunnen uitkomen; als gy nu eens
+by slegt volk belant waart, en gy hadt eens meê moeten doen: Gy weet,
+die met pek omgaat, wordt er door besmet. Ja, dat zou droevig voor u
+geweest zyn, zo deeze vrouw gestorven hadt, dat begrypt gy wel. Dat
+gy uw pligt omtrent haar deedt, doet my zó goed, en geeft my zó veel
+vreugd, dat ik u een wisseltje zend, van honderd ducaten, van my, tot
+een teken hoe content ik daar over ben. Koop er wat moois voor, en
+draag het my tot gedagtenis; en doe altoôs uw pligt, zult gy? Gy moogt
+héél wel met ordentelyke lieden uitgaan, als het maar niet te drok
+loopt: nu, gy zyt in goede handen; daar vertrouw ik op: Want gy zyt
+jong, kind; en ik weet, hoe de jonge lieden toch zyn.
+
+De Heer Hendrik Edeling is my zeer wel bekent: 't is een allerbest
+jong Heer, en een knap kaerel ook. Ik heb somtyds, weet gy, rare
+invallen; en ik mag de jonge meisjes gaarn wat kwellen: wat zegt gy,
+Saar, als die Heer eens zin aan u hadt, zoudt gy daar wel veel tegen
+hebben? Nu, zin of niet, als gy myn eigen Dochter waart, en die Heer
+dan zin in u hadt, en my dat zeide, ik zou u aan hem geven, ten
+minsten zo gy er niet tegen waart. Zie, kind, ik hoop u nog gelukkig
+getrouwt te zien. Doch meisje, meisje, pas op! Gy zult een hele rist
+vryers krygen; zy zullen om u dwarlen, als muggen om de kaars. Gy zyt
+nu in de vrytyd; is 't zo niet? Ik eisch niet van u, dat gy my kennis
+zult geven van alle beuzelpraat, die zy u komen aan 't oor piepen;
+maar ik verwagt van u, indien gy aangezogt wordt door iemand, die gy
+genoeg in aanmerking neemt, om hem nader te willen leren kennen, dat
+gy my dit zult melden.
+
+Begryp, myn kind, dat van uwe keuze uw gelukkig of ongelukkig leven
+zal afhangen; en dat ik, immers zo lang als gy myne Pupil zyt, u zal
+beletten uwe keuze te volgen, "indien brave en verstandige lieden, die
+u liefhebben, my zeggen, dat gy eene dwaze keuze doet." Ik zie niet op
+geld: zo gy maar een fatzoenlyk man, die u verdient, neemt. Maar ik
+denk niet, dat zo een braaf meisje zich zal vergooijen aan een jongen,
+die al zyn verdiensten aan zyn Snyer en Kapper verpligt is; die, als
+een regt vrouwenaapje, daar zo heen kwispelt, en twee orloges draagt,
+daar ik zo satans nydig over kan worden, dat ik hen wel eens een losse
+maling wou geven.
+
+Ik heb wel gehoort, dat vele Dames, by de Twaalf geloofsartikelen;
+--die gy immers wel pront kent, hoop ik?--dit tot het dertiende maken:
+"Ik geloof dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." Geloof het
+niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip waar aan, geen kriezel.
+
+Hoe zou het my bedroeven, als ik merkte, dat gy deeze kettery toestemde!
+Gy meisjes praat, (de wyste niet te na gesproken,) somwyl, als of gy in
+uw harsens gepikt waart. Wat weet gy toch van lichtmissen? Een losse
+malle jongen, die zyn goed verbruit, en om peper moet[1], om dat hy zyn
+koorntje groen at, is geen lichtmis; hy is een gek, die men te Delft
+moest gaan opsluiten.
+
+Een Lichtmis is een gerafineerde Deugeniet, die zyn roem en vermaak
+stelt in eerlyke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven; die Gods
+geboden veracht; de wetten der vriendschap schendt; met zyne eeden
+speelt; met één woord, een allerverfoeilykst man, die te gevaarlyker
+is, naar mate hy een minlyk figuur, en een aartig vernuft heeft; die
+de welvoeglykheid zo lang in acht neemt, tot hy de onnoosle in slaap
+heeft gewiegt, en die in staat is om schatten aan zyne huurlingen
+uittedeelen. Gelooft gy, myn kind, dat zo een schepsel ooit de beste
+Echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overyling en in gestorm der
+driften begaan, maken geen Deugeniet uit, indien hy die fouten, zo
+rasch hy die ziet, verfoeit en schuwt; maar een Lichtmis is zo
+bedorven van smaak; zyne neigingen zyn tot heblykheden dermate
+opgegroeit, dat hy nimmer een beter vrouw verdient, dan de
+allerslegste uit die bende, die hy bedorven heeft.
+
+Een braaf, verstandig, kundig, goedaartig man, is de beste Echtgenoot.
+Een man van dit karakter verdient al de liefde, al de achting van eene
+vrouw, die hy zo gelukkig poogt te maken als zy ooit op deeze waereld
+zyn kan.
+
+Ik zal hier niet meer over schryven; zo als ik zeg, gy hebt de beste
+Raadsvrouw by u. Gy kunt Juffrouw Willis ook altoos om raad en
+onderrigtingen vragen. Maar ik hou zo veel van u, dat ik u dit toch zo
+eens schryven moest. Groet, uit mynen naam, de brave vrouw, aan wie gy
+zo gehecht zyt; verzeker haar van myne byzonderste achting. Groet ook
+myn Vriend Edeling. En als gy Pieternel spreekt, insgelyks: Wel, ouwe
+Pieternel, denkt die nog aan my? Nu, als ik sterf, krygt zy een
+Legaatje. Zeg het haar niet; zy zou huilen van blydschap, en van
+droefheid ook. De oude Peterzen zal u, op uw order, het Geld bezorgen.
+Die ouwe stam heeft ook wat aan my verdient, zo eerlyk en zo hupsch is
+de man.
+
+Nagt, myn lieve kind.
+
+ Uw liefhebbende Voogd,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+PS. Laat uw Clavier, en alles wat tot uw lyf behoort, op myn order,
+van uwe Tante halen.
+
+
+Noot:
+
+[1] Naar Indië.
+
+
+
+
+ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog, de blauwkous, schrijft aan
+Wilhelmina van Kwastama, dat zij vermoedt: Edeling _komt om háár_! Dat
+het om Saartje zijn zou, komt niet in haar op. Ze noemt haar wel: Saar
+_heeft Hollandsch gezongen_; Cornelia leest nooit Hollandsch. Foei!
+
+
+NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Charlotte Rien du Tout schrijft aan Dirk
+Welgezint, haar oom: ze wil verhuizen, want het tòcht zoo bij de Wed.
+Sp. Vraagt ook wat zakgeld.
+
+
+ZEVENTIGSTE BRIEF.--Oom Welgezint geeft haar den wind van voren. Ze is
+precies zoo'n uil als haar vader: Fransche wind! Hij haalt haar door
+en noemt haar lui.
+
+
+
+
+EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Juffrouw!_
+
+Ik heb onlangs eene Vriendin verloren; ze hiet, by gelyk, (zeit onze
+Pieternel,) Anna Willis; kent gy haar? Ik vrees neen. Nu, dat zy zo,
+weet gy ook, waar ik haar weêr kan vinden? Ei lieve, wys my den weg,
+want ik verlang de kennis te hernieuwen; 't was toch, waarde Juffrouw,
+een in velen opzichte braaf mensch: wy hebben een klein verschilletje
+gehad, en, zo al pratent en weêr pratent, heb ik haar onder weg
+verloren. Ik wil zeggen, dat ik niet twyffel, of ik zal haar wel weêr
+vinden. Het Orloge onzer vriendschap staat maar wat stil, doch de eene
+of andere heusche vriend zal het wel weêr opwinden, en dan zal het
+weêr zo fix wyzen, en zo krek lopen als immer. Ik schryf u des maar in
+voorraad. Ik zou zelf besluiten kunnen om u deezen te zenden, zo gy my
+alleen beledigt hadt. Maar, dewyl de waarde vrouw, die men niet kan
+kennen zonder haar hoog te achten, door u zo verkeert behandelt is, en
+gy daar voor geen vergoeding aan my doet, zal ik alles opzamelen wat
+ik schryf, even of ik u per post schreef. Zo dra gy my zegt: "Ik heb
+Juffrouw Buigzaam beledigt; 't is my leed; ik heb slegt gedaan:" is al
+myn geschryf, nevens myn vriendschap, weêr tot uwen dienst.
+
+Dewyl ik aan myne eenvoudige oprechtheid wil vast houden, zal ik u
+weêr alles wat er omgaat schryven; en daar uit zult gy kunnen zien,
+dat ik zeer gaarn met uwe meerderheid van verstand myn voordeel doen
+wil, indien gy u in den styl uwer lieve Moeder, en met wat minder
+airs, my die gunst aanbieden wilt.
+
+Volgens afspraak gingen Letje en ik, op den bepaalden dag, de taffen
+zien. De drie Desmoiselles dronken thee, en wy gevolglyk ook. Onder
+het thee-drinken kwamen er twee Heren in, om zyden kousen en een
+hairzak. Alle welgekleedde mannen spreken één taal, als zy de _eer
+hebben_ tegen jonge Dames te spreken: zo als gy weet, Naatje.
+
+Zy zogten koussen uit, en wy taffen stalen. Gy begrypt wél, dat zy
+onzen smaak _admireerden_? Nu dan, zy gingen beide zitten. De oudste
+Juffrouw vroeg naar de _Historie der Beide Indiën door Raynal_; (in
+'t Fransch begrypt gy,) de Heer R. noemde het _un Chef d'Oeuvre_. Zy
+spraken vervolgens over eenige _Pieces volantes _, die daaglyks
+uitkomen: en zyn vriend gaf haar _le Bibliotheque des Arts_ over; naar
+gewoonte, zeide hy. De heer R. sprak, dagt my, zeer wel, ofschoon hy
+véél sprak; en dan is dit al een heel kunstje; niet waar? Hy sprak met
+_extase_ van de dichters Pope, Thomson en Akenside; en met geene
+onbevallige houding zeide hy: _Oui, ma chere Marianne_:
+
+ _Virtue alone is Happines below_.
+
+Ons discours duurde wel een uur, denk ik; want ik had ook nu en dan
+een woordje ingebragt, dat met attentie gehoort, en met lof
+toegejuicht wierdt; zoo als dat van zelf spreekt, Naatje. De
+Desmoiselles zeiden my: "Dat deeze Heren zeer ryke, zeer fatsoenlyke
+lieden waren, en dat de Heer R. geparenteert was aan onze eerste
+familiën. Hy hadt _une superbe Bibliotheque_, en zou ons graag dezelve
+heel en al ten gebruike geven; ook dat hy aan eene der Juffrouwen
+gevraagt hadt, waar ik woonde; en gezegt, dat hy de vryheid zoude
+nemen, om de _Essay on men_[1], in vierderleie talen by een gedrukt,
+te brengen, wyl hy gemerkt hadt, dat ik die wel eens zoude willen
+zien."
+
+t'Huis komende, verhaalde ik ons avontuurtje aan Juffrouw Buigzaam, en
+liet haar de stalen zien, die ik by my had. Juffrouw Hartog zette een
+vieze tronie, en vondt de taffen zeer _commun_. "Zo, zei ik, en de
+Heer R. heeft die zeer fraai gevonden." "Kent gy den Heer R., Juffrouw
+Burgerhart?" "Zo als gy hoort, Juffrouw Hartog." Zy wierdt vriendelyker.
+"Kent gy dien Heer? vroeg de Weduwe. "Ja, Mejuffrouw, by reputatie.
+"Hy is een man van geboorte, _un homme du Ton peutêtre; mais un homme
+d'Esprit_.
+
+Rien du Tout was uit; Hartog ging uit, en wy hadden het huis vry. Nu,
+zeide ik, zullen wy eens een recht lief stil stichtelyk avondje
+hebben; en dribbelde, met een half menuët pasje, de tafel om. Wy
+verzogten de waarde vrouw, om voor ons wat te lezen, en kregen ons
+naaijen. ô Naatje, nooit heb ik zulk lezen gehoort, en zulk een lieve
+stem is er niet! zy voldeedt aan ons verzoek, en las een Boekje: "de
+vrolykheid van een Godsdienstig leven;" dat gy zeker kent? De avond
+vloog om. Hoe gelukkig waren wy! Halfnegen kwam onze Lotje thuis, ging
+zich deshabillieeren, en in de kamer gezeten zynde, vermaakte zy zich
+met Jillis, onze kat. De tafel hadt reeds drie kwartier gedekt
+gestaan, toen de Sçavante binnen tradt; zy haastte zich, was minzaam,
+spraakzaam zelf. Wy zagen wel, dat zy wat verlegen was; zy wist wel,
+dat zy nog wat te goed hadt; maar ik beschuldig nooit iemand die zich
+zelf beschuldigt; en de lieve goedaartige vrouw maakte geene remarques.
+
+Toen wy reeds yder in ons pavillioentje lagen, hadden Letje en ik het
+nog zeer druk over het geen er gelezen was: ik zie duidelyk, dat Letje
+verstand en smaak heeft; maar 't is een verwaarloost verstand, en een
+nog ongeoeffende smaak: zo vergenoegt als Engelen sliepen wy in.
+
+Morgen zal ik deezen vervolgen, zo er iets, my betreffende, voorvalt.
+Gy weet, ik leg alles by elkander, tot dat ik mijne Vriendin Willis
+vinde.
+
+ * * * * *
+
+Dees dag is stil en eenzelvig voor uwe Pupil afgelopen; en ik ben maar
+wat aan 't haspelen geweest, om dat Letje in 't naauw was. 't Geval is
+zeer verre uitziende:--zy heeft, deezen middag, het Bierglas van
+Juffrouw Hartog gebroken. Hare _veel Waereld_[2] bewaarde Letje niet
+voor haar misnoegen; en, dat nog erger is! ons niet voor het aanhoren
+eener (geloof ik althans,) geleerde Oratie over de fraaiheid en
+byzonderheid van dit glas: "'t welk zy van Lord Muffle, toen die hier
+in 't land was, gekregen had; 't was naar de regels der Geometrie
+gemaakt, enz. enz., en zy hadt liever, dat Juffrouw Letje haar
+grootsten Spiegel gebroken hadt, dan dat Glas." "En ik niet, zeide
+Lotje, want dat beduidt een dooije." Dit deedt my lachen. Letje
+verzogt excuus; Juffrouw Buigzaam gaf aan Frits last, om even zo een
+Bierglas te kopen; en Juffrouw Hartog hieldt hare opgelapte
+meerderheid.
+
+ * * * * *
+
+Al Weêr een dagje! wel Naatje, en nog al geen Brief van u. 't Zal by
+my altemaal verwilderen, 't Hek is van den dam; de Schapen lopen in 't
+koorn. Wat nieuws. De Heer R. heeft hier aan huis geweest, en bragt my
+het Boek, waarvan ik u gemelt hebbe. Hy zat een uur by ons. Hy sprak
+meest met de waarde Vrouw. Waarlyk, 't is een schoon welgemaakt man.
+Ik geloof, dat hy veel geest heeft. Het gesprek ging over de _Algemene
+Liefdadigheid_, by gelegenheid dat men eenen drenkeling voorby bragt,
+die gelukkig geret was. Hy merkte aan: "dat, ofschoon onze deugd niets
+kan verdienen, zy echter altoos iets voortreflyks blyft; en dat hy het
+met de oude Romeinen hier in eens was: _het is veel schoner één Burger
+te behouden, dan honderd Vyanden te doden_."
+
+Juffrouw Buigzaam was wel voldaan over zyne redenen. Ik plaag Letje
+gruwlyk met hem, want hy schynt voor haar zéér véél attentie te
+hebben; schoon hy my zyne Bibliotheek heeft aangeboden, nevens eene
+keurlyk geschreven Catalogus, om te zien, wat my zoude aanstaan. Nu,
+dat vind ik wél héél lief, en zal er ook myn gebruik van maken: "Zo
+dra ik meer lichts omtrent dit Luchtverschynzel, 't welk nu aan onzen
+Huisselyken horisont opdaagt, hebbe, zal ik u daar meer van zeggen."
+Zie daar, zo zoude Juffrouw Hartog spreken.
+
+ * * * * *
+
+Nog geen Brief van Rotterdam! Geduld--Maar ik moet evenwel nu zeggen,
+dat gy uwe Voogdyschap slorzig laat leggen. En ik, arme ziel! kryg
+onderwyl vryers als zand. 't Is of heel Amsterdam weet, dat gy my
+mondig verklaart hebt. Hebt gy dan met myne Tante overleit, om my, zo
+maar kort en goed, aan den Satan overtegeven? Niet dat die hier ook al
+geweest is; was dit zo, Rien du Tout zou my dat wel gezegt hebben; zy
+is, zegt zy, "met een Helm geboren, en kan kwaad "zien". Nu, dat
+kunnen er wel meer, en ook al daar het niet is; ook Naatje? Foei, dat
+gy my zo in den pekel laat zitten! Daar heb je dan voor eerst myn
+kostelyke vriend Cobus; ja, die eerst komt die eerst maalt: daar heb
+je dan myn allerliefste Willem, uw Broeder; daar heb je dan de Heer
+R., die my een Boek brengt; ende ten vierden, daar heb je dan de zeer
+ernstige, zeer stemmige, zeer verstandige Heer Edeling. Ik heb wel
+geen haast om te trouwen; doch als ik nu maar wist, welk man ik moest
+kiezen, als my die haast eens overviel: dat is het maar.
+
+ * * * * *
+
+Nog geen _Peccavi_![3] en de dag is om. Lees ten slotte dit volgende.
+Letje kwam by my. De arme Lot, zei ze, is bedroeft; en ik geloof ook,
+ergens om verlegen.
+
+_Ik_. Dat spyt my, waar is zy? Laten wy zien, wat er scheelt. Wat
+scheelt u, Juffrouw Lotje?
+
+_Zy_. Wel dat geloof ik ook; myn Oom Dirk is zo boos op my, om dat ik
+hem iets verzogt heb; en, dat nu nog erger is, ik moet myn Kapper
+betalen, en ik heb geen gulden aan geld. [_Zy schreidde als een
+meisje_.]
+
+_Ik_. Is 't anders niet? kan ik u helpen met twee ducaten, ze zyn wel
+zeer tot je dienst; kom, wees maar vrolyk: uw Oom zal 't zo niet
+gemeent hebben. [_Ik gaf haar de ducaten: maar zo dankbaar als dat
+mensch was_!]
+
+_Zy_. Ik beloof u, uw geld in de volgende week vast te betalen.
+
+_Ik_. Nu ja, dat's wel.
+
+De sloof zat te breijen zonder opkyken, aan een witte garen
+kinderkousje: "dat's een veeg teken," zei Letje, tegen my. Arme meid!
+'t Is waaragtig een groot kind. Ik hoop, dat ik haar toch nog zal
+leren spelden[4], en wat schryven, want het eerste is elendig, immers
+als zy een opschrift leest, en haar Waschbrief is een Lyst van
+Toverkarakters.
+
+ S B.
+
+
+Noten:
+
+[1] Pope 1688—1744.
+[2] Kennis van de "Groote Wereld".
+[3] Schuldbekenning--van Anne n.l.
+[4] Spellen.
+
+
+
+
+TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verhaalt Anna van een bezoek van
+Edeling, die in gesprek is geraakt met Corn. Hartog over: _De
+Genoegzaamheid der Deugd_; de opinies loopen uiteen en Sara
+critiseert; zij is 't eens met Edeling.
+
+
+DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verzoekt tante Hofland haar mee te
+deelen, wanneer ze haar _klavier, guitaar_ en _muziek_ kan laten halen.
+
+
+
+
+VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Ge-eerde Heer en Voogd!_
+
+Al leefde ik honderd jaar, en al deed ik niets in al dien tyd, dan u
+myne erkentenis te bewyzen; dan nog zou ik geen tyds genoeg hebben, om
+u zo veel daar van te tonen, als myn hart en myn pligt van my vorderen.
+Uw edelmoedig geschenk streelt my te meer, om dat my dit verzekert van
+de vriendelyke goedkeuring myns gedrags. Ik hoop er zo een gebruik van
+te maken, dat ik u ook daar van, zo wel als van de duizend guldens,
+behoorlyk rekening zal kunnen doen.
+
+Ik heb Tante een Briefje gezonden, waar van de Copy hier nevens gaat,
+en zy heeft my laten zeggen: "dat zy order van u zelf moet hebben;
+doch dat zy nog zo iets met u te verrekenen heeft." Ik had echter zo
+heel graag myne Muziek, myn Clavier en Guitar.
+
+En nu zal ik eens eene nieuwe pen snyden; ik heb er my reeds in myn
+deshabillié toe gezet, om uwen dierbaren Brief ordentelyk te
+beantwoorden. Kan ook een verstandig tederlievent Vader wel meer
+belang nemen in zyn gehoorzaam Kind, dan gy, myn Heer, in my neemt!
+maar geen Kind zal ook my in dankbaarheid en leerzaamheid, hoop ik,
+overtreffen.
+
+De Heer Edeling is een uitmuntent Jongman! Nooit verlaat hy ons, of wy
+achten hem nog meer, dan de laatste keer dat wy hem zagen. De lieve
+Vrouw spreekt van hem, zo als zy zelden spreekt. Maar, myn lieve Heer
+Blankaart, zou zo een man, en die zo veel goederen bezit, immer aan my
+denken! Neen, zo verwaant ben ik niet. Zo een man moet een Vrouw
+hebben, die hem nader komt: nu, dat is zyn zaak. Ik heb geen den
+minsten trek om van staat te veranderen. Ik heb nog nooit een man
+gezien dan die ik, op zyn allermeest, alleen my ten vriend wenschte.
+Wil ik u eens wat zeggen? Daar is de jonge Heer Willis; die heeft my
+gezegt, dat hy my bemint. ô 't Is zulk een braaf, eerlyk, bevallig
+Jongman! ik heb hem ook zó lief, als of hy myn eigen Broêr waar; doch
+heb hem voor zyne liefde bedankt. ô! ô! Hy zal wel eene brave vrouw
+krygen; want het is een recht lieve goedaartige Jongen: waarom zou ik
+hem ophouden, daar ik toch geen zin in hem heb, en niet wil trouwen?
+
+De Heer R., een zeer fatsoenlyk ryk Heer, van ruim dertig jaar, denk
+ik, heeft kennis met my gemaakt, en zyne heerlyke Bibliotheek my ten
+gebruike aangeboden, 't Is toch goed, dat alle Heeren geen laffe
+Jonkertjes zyn; "maar 't is heel iets zeldzaams, zeit de Weduwe, veel
+oordeel en belezenheid by veel beschaaftheid en waereldkennis te
+vinden." Zo dat wy mogen van geluk spreken.
+
+Ik verzeker u, myn waarde Heer, dat ik nooit tegen uwen altoos
+redelyken wil trouwen zal; en dat ik, omtrent het XIIIde Geloofsartikel
+van vele Dames, eene Ongelovige ben. Niets dunkt my, (en zo dunkt ook
+de brave Vrouw,) geeft uw Sexe zo veel stof in de hand, om de onze met
+bespotting te beschouwen, dan het beleven deezes XIIIden Artikels. Een
+gek kan ik dulden, een Pedant verdragen, een Petitmaitre lyden; maar,
+op een Lichtmis zie ik met schrik en versmading! Hy is de Natuurlyke
+Vyand myner Sexe: Niet meer van zo een lelyk afbeeldzel des Duivels.
+Wie is boven alle zwakheden? Ik ben 't niet! Maar dat ik my ooit zoude
+straffen, met een Lichtmis voor myn man te nemen; verächt my, zo ik er
+toe in staat ben!
+
+Neen, myn Heer! ik zal uw vroom gemoed nooit bedroeven! Kan ik
+ondankbaar zyn? Om u, wat er ooit gebeure, te kunnen bedriegen, zoude
+ik zelf eerst moeten bedrogen worden; en wie zou toch, in de wyde
+waereld, dáár belang in stellen! Ik sta niemand in 't licht; ik kwel
+niemand; ik wil zo graag allen zo wel doen, als in myn vermogen is.
+Ik begeer niets dan uwe Vaderlyke gunst te behouden, by deze dierbare
+Vrouw myn dagen te slyten, en zo al de eene zotheid voor, en de andere
+malligheid na wat af te wennen. De waarde Dame groet u met de hoogste
+achting, en ik ben
+
+ Uwe liefhebbende Pupil,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+PS. Ik hoor, dat Tante zal trouwen met een Heer die er veel in zyn Japon
+komt; die Heer ken ik; ô my! ô my! 't Is toch grappig ook.
+
+
+
+
+VIJF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt Cornelis wat hij
+zooal gedaan heeft; Sara is een engel! Hij zendt hem Blankaarts
+antwoord. Maar vader Edeling blijft koppig--geen "_Noach's ark van
+gelooven in zijn huis_! Nooit!
+
+
+ZES EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling schrijft aan Blankaart; van
+dat huwelijk kan niets komen. Hendrik is _Luthersch_, zij niet.
+Afgeloopen.
+
+
+
+
+ZEVEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+_Mejuffrouw!_
+
+Wel, hoe hebben wy het toch met elkâer? ryd je de witkwast, of maalt
+je de geest? Denk jy, dat ik zo maar op een dag heen en weêr zo eens
+over kan komen, om u te zeggen, dat gy Juffrouw Saartje haar Linnen en
+Muziek zendt? Was het Briefje niet zo beleeft, als er een in heel
+Amsterdam te vinden is? Wie hagel hoort er van? 't Is immers het kind
+zyn eigen goed. De Guitar heb ik haar zelf uit Londen meêgebragt, toen
+zy, tien jaar was; hy kost my verscheide Guinees; maar hy is ook al
+wat je horen kunt, zeg ik je. Wat doe je toch met haar Clavier; speelt
+Bregt met haar styve dikke stompen er somtyds eens een deuntje op, als
+zy dronken is; en dans jy dan met Broêr smulpaap, als er zo een klein
+verheugingje is? Wat praat gy toch van nog wat te rekenen of te
+verrekenen: zwyg er maar dood stil van, of ik zal u anders spreken.
+Weet je wat je krygen zult? Net twee nieten in een bodemloos mantje;
+en Bregt om een oortje raakwat, voor een vervalletje: Broêr kan zo
+veel knokkel oly krygen als hy t'huis kan brengen: Dan zult gy wel
+_voldaan_ willen tekenen? Wat zegt gy nu van Abraham Blankaart?
+
+Maar wat hoor ik, Zanneke, ga je trouwen met een Heer, die alle daag
+in zyn Japon by u komt? Ik kan wel denken, wie of er op u smoel
+heeft[1]; wie anders dan de Broeder? Nu geluk, er is maar een paar
+bedorven. Evenwel, als ik zo alle ouwe dingen overdenk, dan beklaag ik
+u toch. Wy hebben immers menigmaal eens een pretje gehad, en je hoorde
+my toen zo graag zingen van: "Toen onze Pau in 't Leger kwam."
+Waaragtig, Zanne, de Fynen lopen op uw zak, meid! ze zullen je zo arm
+maken als een Mier. De duivelsche gierigheid heeft u gefopt, en de
+kweeslary zand in de oogen gestrooit. Neem dan dien Drasboek niet; ik
+zal wel een ander opschommelen, als ik in de stad kom. Nu hebt gy
+order van my, om Saartjes goed te zenden. Ik blyve
+
+ _UWEd. Dienaar _,
+
+ ABRAHAM BLANKAART,
+
+
+
+Noot:
+
+[1] Zin in je heeft.
+
+
+
+
+ACHT EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Blankaart: Sara en
+Hendrik houden haar beiden op de hoogte. Ze deelt hem nu uitvoerig een
+gesprek mee over het _Buitenleven_. Sara vindt zich daar te jong voor,
+Hendrik verlangt er naar. Saartje knoopt manchetten voor Blankaart;
+deze moet zich van den domme houden!
+
+
+
+
+NEGEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER JAN EDELING.
+
+
+_Heer en Vriend!_
+
+In antwoord op uwen, Amst. den ... passato, dient: Ik ben nu maar, die
+ik maar ben, een niets beduident oud Vryer, en dat's het al; doch ik
+wil je zweren, dat wy niet meer in Geloof dan in humeur verschillen.
+Zie daar, ik heb het altoos zo druk en volhandig gehad, dat het
+trouwen er is ingetrokken[1], maar selderdemostert, was ik Vader over
+een half douzyn jongens en meisjes, wel dan zou ik myn geluk niet
+kunnen overzien, als ik daar zo al die kabouters hoorde snappen, en
+rabbelen; of Abraham Blankaart ook meê zou doen! En als zy dan zo
+verre heen waren, dat zy op 't geen ik zeide aanmerkingen konden
+maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te brengen;
+wel, dan zou ik God harlyk danken, om dat ik zulke snelle[2] kinderen
+had; zo als billyk is. Begrepen zy in 't vervolg eens iet beter dan
+ik; bestig, zou ik zeggen, en doen het zo.
+
+Daar heb je nu myn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet veel
+meer van de Waereld en van de Schrift als ik, en ik ben dertig jaar
+ouder. Voor ik naar Vrankryk ging, zei ik: Kind, lees je jou Gebed
+'s avonds wel stipt uit Mell? "Myn Heer, zei ze, ik bid uit myn eigen
+hart; ik weet immers beter, wat ik nu nodig heb, dan Mell voor vyftig
+jaar dat raden kon?" Wat denkt gy, dat ik toen zei? je zult, by dit en
+dat, jou Gebed uit Mell lezen, om dat ik het doe? Mis mantje! ik zei,
+dat's waar meisje, je heb groot gelyk; en anders zou zy denken, dat ik
+haar vyand en niet haar welmenentste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gy
+hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op
+myn woord, je hebt mis.
+
+God de Heer geeft ons, zyne kinderen, wel reden van zyne bevelen: "doe
+dat, op dat het u welga," staat er dat niet in den Bybel? En zullen wy
+nu zo misselyk[3] en zo boos zyn, dat wy onze kinderen, in plaats van
+brood, slangen en schorpioenen in den mond proppen? Hadt, by gelykenis,
+Luters Vader eens gaan zeggen: "Luter, ik versta niet, dat je Luters
+wordt, jy zult Paaps blyven, want wy zyn van 't begin van de waereld af
+allemaal Paaps geweest; en zo jy 't in den kop krygt, om van ons oud
+geloof aftegaan, zullen wy eens wat anders by de hand vatten." En was
+Luters Vader evenwel zo wel de Vader van Luter niet, als Jan Edeling
+Vader is van zynen Zoon Hendrik; en waar was dan je hele Geloof gebleven?
+
+Dat je op je Kerk gestelt bent, eer heeft uw hart; dat's braaf! maar
+hier, ik, zei de gek, ben ook op myn Kerk gestelt, en myn hart het ook
+eer, zou ik denken. Wel zie, wy verschillen zo weinig in geloofsgronden,
+wil ik spreken, dat het niet de pyne waart is, om er zo over aantegaan.
+En waarom zouden onze jonge lui niet met malkander te Kerk kunnen gaan?
+Hebben wy niet één Heer, één doop? Maar wat hagel hebben wy Leken met
+hunne disputen en tandtrekken te doen? Zo dat tegen het Huwelyk heb ik
+niet, indien er geen andre dan deeze geloofsverschillen mede gemoeit zyn.
+Dat gy van 't Luters geloof zyt, is goed voor u; dat ik op zyn
+Gereformeerts geloof, is ook goed voor my. Maar elk zyn vryheid: Gy zyt
+immers geen Paus, al ben je Vader? Je kunt immers mis hebben? Of zyt gy
+onfeilbaar? Hoe zit het?
+
+Kom aan, daar heb je nu Paulus, de Apostel Paulus, daar gy zo wel aan
+gelooft als ik. Wel, die dagt mede al, dat hy 't byster wel hadt; en
+dat onze lieve Heer magtig met zynen yver gedient was, dagt hy het
+niet? Hoe! de man zeit het zelf; hoe kun je 't nader hebben? dat hy
+daar zo liep razen en tieren door Damascus; en wat wil het geval?
+Hy hadt het wel net mis! en de brave man heeft er altoos berouw van
+gehad, toen hy beter wist. Ik heb voor dertig jaar myn Belydenis
+gedaan, by onzen vromen _van der Vorm_, en ik hoop in dat geloof te
+sterven; doch als ik eens mogt zien, dat andere Kristenen nader by
+Gods woord blyven, fiat! dan moet ik dit licht volgen, en dat zou ik
+ook gerust doen; want ik ben een eerlyk man.
+
+Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik het Huwlyk om die reden niet kan
+afkeuren. Je moest nu evenwel je niet gaan zitten inbeelden, dat ik
+met het kind zo goedkoop ben: alheel niet! maar uw Zoon is zulk een
+braaf man, daar wil ik maar op komen. Neen, daar heeft zy Goddank te
+veel gelds toe, en is zy van te braven familie, en 't is een mooije
+Brunet ook, en ze speelt maar capitaal. Sara Burgerhart moet een zo
+braaf man hebben als uw Hendrik, en zyne Ouders moeten haar met
+achting en liefde in hunne familie nodigen.
+
+Nu, nu, 't zou geen onaartig klugtje wezen, met een Papa die zei: "zo
+zal 't wezen, Dochter, want ik versta het zo." Neen man! myn Pupil is
+een redelyk schepzel, en zo wil ik, dat zy zal behandelt worden. Daar
+hadt men dan 't gooijen in de glazen met Papa Edeling, en myn arme
+kind was aan de Joden overgelevert. Ik bedank je hartelyk, hoor. Zie
+daar is myn antwoord. Ik blyve
+
+
+ Uw Dienstwillige Dienaar,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Bij ingeschoten.
+[2] Vlugge.
+[3] Onhebbelijk.
+
+
+
+
+TACHTIGSTE BRIEF.--Sara blijft aan Anna schrijven, al zwijgt deze.
+Sara blijft Sara; Jacob Brunier blijft vrijen zonder hoop; hij is
+jaloersch op Edeling. Máár ... Sara _zelf voelt alleen voor zekeren
+R_. Met hem gaat ze veel uit: hij is zoo knap, voornaam, ontwikkeld.
+Wat zoekt die R? Háár? Maar zij wil nog geen man. Ze wil Anna dwingen
+tot antwoorden en toont zich plaagziek grootmoedig.
+
+
+EEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Hij heeft met Sara
+gewandeld! Zij heeft hem niet af-, zelfs niet teruggewezen, maar _ook
+niet beslist hoop gegeven_. Zij zegt niemand lief te hebben, maar wil
+nog niet trouwen! Hij heeft moed.
+
+
+TWEE EN TACHTIGSTE BRIEF.--Zuzanna aan Cornelia Slimpslamp. Zuzanna
+zit in de war, want de vrome Stijntje Doorzicht heeft haar de les
+gelezen, óók broeder Benjamin gelaakt. Wat moet ze nu? En Sara vraagt
+haar goedje. Ach!
+
+
+DRIE EN TACHTIGSTE BRIEF. Sara aan Anna: ze heeft een prettig avondje
+gehad. Er is mooi gezongen. Hendrik _was er ook_; hij speelt mooi bas.
+Cornelia Hartog _was opgewonden_! Alette Brunier was allerliefst; _net
+een vrouw voor_ Willem! En Hendrik?... _net een man voor_ Spilgoed.
+Zij is wat ouder, nu ja!
+
+
+VIER EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier logeert op _Bosch en
+Veldzicht_ en mist Sara. Ze heeft met genoegen Sara hooren spreken
+over Edeling; ze verdienen elkaar! Sara wordt ook eens op 't buiten
+verwacht.
+
+
+VIJF EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta schrijft ook aan Spilgoed, zendt
+haar vruchten. Ook zij wordt eens verwacht, met Sara.
+
+
+ZES EN TACHTIGSTE BRIEF.--Eindelijk antwoordt Anna Willis: _zij bekent
+schuld_; de Wed. Spilgoed verdient achting!--Ze wil weer vriendin zijn
+met Sara! Een Geldersche dame heeft haar beter ingelicht: die dame
+zal ook Sara bezoeken.
+
+
+ZEVEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bedankt Aletta en haar
+gastvrouw voor de vruchten. Sara verlangt naar Aletta, dus ze moet
+maar gauw komen.
+
+
+
+
+ACHT EN TACHTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
+
+
+_Chere Letje!_
+
+Wel kind, wat heb je me daar evenwel een lief en verstandig Briefje
+geschreven! Kan ik het niet nog meer pryzen? want, al den lof, dien
+ik u geef als eene puntige schryfster, kryg ik _immers_ met intrest
+te rug? Van my hebt gy _immers_ alles geleert; zeide gy zo niet,
+Hartje lief?
+
+Belieft myne Letje nu wel eens geheel aandagt, ja maar ook geheel
+onderworpen te zyn? Och, ik heb myn woord gegeven! Zulk een aandrang
+kon myn arm zwak hart niet weêrstaan! Gy weet, wat ik u geconfideert
+heb? Gy kent myne achting voor den Heer Edeling. Gy weet, (of mooglyk
+weet gy 't niet; _want weet ik juist zo de geheime historie van uw
+hart_!) dat achting natuurlyker wyze in vriendschap, en vriendschap
+heel gemaklyk in liefde kan overgaan? Hier uit zult gy kunnen opmaken,
+dat het my onmooglyk was, onze Lotje een verzoekje te weigeren. "Daar
+heb ik u schoon beet," zeit myn Voogd; en dan lacht de goede man, dat
+hy schatert: Nu iets ernstigers!
+
+Gister voormiddag ging myne aangenomen Dochter[1] met de kousjes, die
+ik onze Klaartje had laten wasschen en opstryken, naar Oom Dirk.
+'s Middags niet te huis; dat's een goed teken, zei ik. Ten zeven uuren
+werdt de sloof met een sleedje t'huis gebragt: zy kwam blymoedig de
+zaal op. Naauwelyks hadt zy ons gegroet, of aan 't uithalen van haar
+zakken. Oud en nieuw kwam te voorschyn: Chocolaadjes, Ulefeltjes,
+Banket, twee grote kluwens fyne wol, om voor Oom koussen te breyen,
+een pakje wol, dikke breinaalden, een doosje met wissewasjes. Zy
+presenteerde ons van de snoepery: wy namen elk een Chocolaadje, maar
+de Scavante bedankte met een hele viese tronie: "Ik proef nooit zulk
+goed." Lotje was zo raar, en hadt zulke klugtige zetten, dat Hartog
+zelf lachen moest.
+
+Waarlyk, Lief, ik geloof dat zy meer is uitgebluscht, of overdrommelt,
+dan wel dat zy van de Natuur zo geheel misdeelt is. Ziet gy wel, dat
+ik veel edelmoediger ben, dan de meeste Doctoren, die de ziektens
+hunner Lyders vergroten, om des te meer wonderen in het herstellen aan
+den dag te brengen? Och, zo dra zy myne Patiente geworden is, heb ik
+gezien, dat zy minder ver verzeilt was, dan ik gevreest had. Zy
+verhaalde ons, dat zy uitnement vriendlyk was ontfangen; en dat zy de
+vryheid had, om een taffen Sak te kopen, doch dat zy eene der
+Juffrouwen zou verzoeken, om met haar te gaan. Zy hadt ook haar
+speldegeld, en nog twee ducaten extra gekregen; nu vroeg zy my, of ik
+de taf wilde kopen? dat ik met een, gaarn lieve Lotje, beantwoordde.
+Toen zy met my, (want zy slaapt nu in myn Pavillioen, en ik slaap in
+het uwe, tot gy weer t'huis zyt,) boven was, gaf zy my de twee
+ducaten, die zy geleent hadt; ik nam die ook, doch alleen om haar eens
+weer te helpen, want ik vrees, dat de duiten spoedig zullen wandelen.
+Kon ik haar dat óók beduiden! Nu, alles met den tyd; ik moet niet te
+veel gelyk doen. Myn Compliment aan Mevrouw uwe Tante. Hou uw Neef
+maar; ik weet met al myn Vryers haast geen weg meer; voor al kom
+spoedig by
+
+ _Uwe tederliefhebbende_
+
+ BURGERHART.
+
+
+Noot:
+
+[1] Lotje Rien du Tout, (spottend).
+
+
+
+
+NEGEN EN TACHTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Willis!_
+
+Victorie! Victorie! myne Vriendin is te regt. Ik heb haar weergevonden!
+Frits, loop, draaf, vlieg met dit Paket ten eersten naar den Post:
+--zo zal ik binnen weinig oogenblikken zeggen; Want ik sta zo met myn
+handschoenen al aan, om met Lotje uittelopen. Kortjes dan. Lees de
+nevensgaande een, twee, drie, vier Brieven, en oordeel, of ik misnoegt
+op u ben; dit alleen nog: de waarde Dame weet niets, haar betreffende.
+Ergo, zwygen is 't woord. Met ons zal 't wel schikken: hoe zeit Vader
+Kats?
+
+ _Alschoon goê Vrienden kyven_,
+ _Zy zullen Vrienden blyven_.
+
+Adieu, lieve Willis! Omhels uwe dierbare Moeder voor my, groet myn
+Wimpje, en weet, dat gy geacht en bemint wordt door
+
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+
+NEGENTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
+
+
+_Chere Letje!_
+
+Hoe vaart gy, myne Liefde? Hoe diverteert gy u? Denkt gy wel eens aan
+uwe Vriendin? Terwyl gy my deeze drie, diepen-aandagt eischende vragen,
+op uw gemak oplost, of beantwoordt, zal ik, _pour passer le temps_, u
+dit volgende schryven. "Dit volgende, zegt gy, wat "volgende?"--Bemoei
+u met de oplossing uwer eige vragen (of myner vragen aan u, zo ge wilt,)
+ik blief van u, Mejuffrouw, zo niet _ge-Harlogt_ te worden; en, in alle
+geval, gy zult het, dit volgende, immers aanstonds lezen?
+
+Wel, 't is of Heintje Pik, niet Heintje Edeling, dat is nog zo ver
+niet--Heintje, neen, deftig, zo als de hele man zelf is, myn Heer
+Edeling--of Heintje er meê speelt; want geen half quartier uurs was
+ik, met myne Dochter Lotje, by de Desmoisselles geweest, om een Sak
+voor haar te kopen, of de Heer R. kwam in. _Mon homme_ was opgetogen
+over deeze _heureuse rencontre_! Hy praat, weet gy, aangenaam genoeg;
+en hy vroeg spoedig naar _mon Amie_, die hy noemde, _une charmante
+Dame_. Dat's voor uw rekening, Letje.
+
+Vriendelyke verzoeken, om, zo ik niets verzuimde, nog wat te vertoeven,
+aanhouding van myne Dochter, om nog wat te blyven, wyl zy zich niet
+kon verzadigen in het kyken en gluren naar kistjes en doosjes, en
+kassen, vol heerlyke Beuzelingen: alles werdt bekeken, geadmireert; met
+één woord, verbeeldt u een klein meisje, dat met Moeder voor 't eerst
+eens voor een poppenkraam, of daar men speelgoed verkoopt, gebragt wordt;
+dat zyn oogjes wyd open doet, beide de vuistjes uitsteekt, en roept en
+kraait, en hippelt, en alles wil hebben; dan hebt gy een natuurlyk
+afbeeldzel van Lotje. De Heer R. deedt haar een fraaije snuifdoos
+present: ik excuseerde my, met te zeggen: "dat ik niet snoof, en nimmer
+presenten aannam." Lotje is somwylen nog slim óók; zy hieldt zich, als
+of zy dit laatste niet hoorde; en nu is zy zo wys met die doos, dat het
+zo niet te zeggen is. Alle oogenblikken wordt hy uit het papier genomen,
+bekeken, met een slip van een zakdoek gevreven, en, met de beminlykste
+vergenoeging op haar goedaartig grof gelaat, beschouwt! Het spyt my, dat
+Oom Dirks koussen nog niet verder zyn dan het boortje: nu, 't zal wel wat
+bedaren, en anders moet ik er my meê moeijen.
+
+Wy dronken Thee: de Heer R. en de Desmoiselles spraken van zeker Boek
+van _Bitanbé_, genaamt _Jozef_, als van een der fraaiste werken, die
+onlangs in 't licht gekomen waren. Hy haalde er eenige treffende
+passages van aan. Dit wekte myne nieuwsgierigheid op, om het te zien:
+Ik schreef de titel, om het, zo rasch ik t'huis kwam, te laten halen.
+Hy merkte dit, en haalde een, in marrokein gebonden, Exemplaar, uit
+zyn zak, dat hy my presenteerde: hy hadt het zo van den Binder in
+passant meêgenomen. Ik vond dit wel beleeft, en oordeelde, dat het
+zeer gemaakt in my zyn zoude, iets aftewyzen, waar naar ik verlangde,
+en dat my zo heusch gepresenteert werdt. Ik boog en zei, dat ik het
+met veel vermaak zoude lezen. Hierop stak hy het in zyn zak, zeggende:
+"ik zal de eer hebben om de Dames t'huis te brengen, en dan het Boek
+overgeven." Liefst had ik dit niet; maar, dewyl ik geen reden daar van
+kon geven, moest ik dit zo laten doorgaan.
+
+Hy bragt ons t'huis, niet langs den kortsten weg: wy ontmoetten den
+deftigen Edeling, die ons beleeft groette, en, horende, dat wy naar
+huis gingen, ons derwaards verzelde. Zo kwamen wy dan daar aan, en
+traden in de zydkamer, alwaar onze waarde Vriendin met Juffrouw Hartog
+alleen zat. De laatste las, de eerste naaide, en ik geloof, dat er
+niet veel woorden gewisselt waren. Hartog scheen zeer bekent met den
+Heer R.; er was eene drukte nog eens zo! allemaal over onze eerste
+lui, onze _Patricii_; (verstaat gy dit woord, Letje? anders zal ik het
+wel eens uitleggen;) over de laatste Assemblée; over een gevalletje
+aan de speeltafel met de Gravin X.; over les Belles Lettres; over
+Voltaire, d'Alembert, des Clairauts, en nog wie weet waar al meer van.
+
+De Heer Edeling sprak nu en dan ook een woord, doch de Sçavante hadt
+er geen attentie voor; en de Heer R. was te beschaaft, om haar
+voorbeeld niet te volgen: hy hadt het des met haar heel druk. Onderwyl
+verhaalde ik stilletjes aan onze lieve Mama, dat R. zo een fraai Boek
+voor ons meêgebragt hadt; haar hetzelve noemende. "Ik wou, zei ik, dat
+die babbelparty ophieldt, en dat ik het Boek maar had: 't is zo fraai!
+Kom, zei Lotje, ik zal je wel helpen: ik heb dat Boek ook van Josep;
+'t is heel mooi, en ik lees er veel in, als ik naar bed ga." (Hier
+volgt de dialoge; ik agter de stoel van de waarde vrouw, wat over haar
+heen ziende, Lotje tegen de Commode staande. Edeling zei, dat wy een
+fraai groupje maakten; en kon zyn oogen, schynt het, nergens anders
+werk geven.)
+
+_Ik_. Wat zegt gy, Lotje, hebt gy dat boek? en hebt gy er ons niets
+van gezegt? foei, dat's geniepig.
+
+_Lotje_. Ik dagt, dat het oud vuil was by de Juffrouwen; want ik heb
+het al wat[1] gehad; och Heer, anders was 't wel tot uw dienst.
+
+[_Juffrouw Buigzaam en ik keeken elkander aan, of wy zeggen wilden:
+hoe! heeft Lotje dat Boek van Bitaubé_?"]
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En wie is de Auteur, Juffrouw Lotje?
+
+_Lotje_. Ja, dat weet ik niet; maar het is wel het zelfde Boek van
+Josep, en het is heel mooi; maar ik word nooit gelooft, en daarom zwyg
+ik dikwyls.
+
+_Ik_. Lieve Lotje, ik bid u, haal het Boek, op dat Juffrouw Buigzaam
+het aanstonds zie. En nu geef ik u, myn lieve Letje, eens in ernstig
+en gemoedelyk overwegen, met welk een Boek het goeje schaap afkwam!
+Doch, al hadt gy al de wysheid der Egiptische Tovenaren, die van de
+Endorsche[2] Kol, die van Lodippe[3], [ons door Vader Kats zoo aartig
+beschreven;] ja al hadt gy de kaart leren leggen by den Drommel op
+Marken; al waart gy eene Hartog, in het oplossen van Meet- en
+Stelkundige Voorstellen, gy zoudt het nog niet raden; hoor dan den
+titel: "_Josephs_ Drouv, end Bli eindend Spel, niet min stichtelick,
+als droev en vermakelick, om te lezen: in dry bisondere spelen vervat,
+door _A.C. Crous_. Gedrukt te Groningen, 1721." NB. Op den regel:
+
+ _All schoon de Nijd met Pylen schiet_,
+ _God 't all ten best te schikken wiet_.
+
+Het eerste _Diel_ heeft zesentwintig Personen en vyf Choren: met dit
+à gouverno: [_men kan het Toneel plaatsen waar men wil, vermits men
+doorgaans geen vaste plaats heeft_.] Het Boek zelf is gedrukt met
+eenen zwarten, stichtelyken, regtzinnigen Predikatie-Letter.
+
+Wy zagen elkander aan, doch zwegen om het ander gezelschap. Onderwyl
+viel myn oog op een passage, daar Josep Fransch spreekt, zeggende:
+_Bonjour, Mevrouw Potifars_; en op nog een, daar Potifar tegen zynen
+Hansworst zegt: _halt mi den smaul_. Toen barste ik in lachen uit, en
+de goede Vrouw, die ik dit influisterde, lachte zo hartlyk, als ik nog
+nooit hoorde.
+
+Dit trok den aandagt der overigen; Juffrouw Hartog moest lyden, dat
+beide de Heren, schoon zy nog niet wisten waarom, mede lachten.
+
+_De Heer R_. Een nieuw amusant Werkje, Mevrouw Buigzaam?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Niet heel nieuw, maar echter ongemeen genoeg;
+de _Historie van Josep, door eenen Crous_, dat stout meisje, _op my
+wyzende_, heeft altoos wat potzigs. Dit deedt de lieve Vrouw, om Lotje
+te sparen; maar het ging Lotjes kroon te na, schynt het; want zy zei
+heel deftig: "Pardonneer my! 't Is myn Boek, en Juffrouw Burgerhart
+heeft het nooit gezien." Ik gaf het aan Edeling, die wel dra ook
+passages vondt, welke hem deden lachen; zo ook de Heer R., die het een
+meesterstuk in zyn soort noemde, en een rol heel eigenaartig van _Mus_
+[de Gek van Joseps historie,] oplas. Enfin, Letje, wy bleven zo al
+praten van 't een op 't ander; en Saartje gaf het hare in de algemene
+Conversatie-uitgift, _comme il faut_. Uw Broêr kwam in; bragt een
+Brief voor u, en bleef ook zitten. Eindlyk hoorden de Heren, dat Frits
+de tafel dekte; zy stonden op, en marsch gingen de Leijonkers[4].
+
+Is die Heer R., vroeg ik aan onze Vriendin, niet een beschaaft geestig
+man?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Dat erken ik; maar, myn lieve Saartje hoe komt
+het doch, dat hy my niet gevalt? ik begryp dat niet!
+
+_Ik_. En ik begryp het wel. De Heer Edeling is zo zeer uw gunsteling,
+dat er voor geen ander bytekomen is.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zou dat wel zo zyn? Waarom vind ik dan Brunier
+niet alleen niet minder, maar beter dan voorheen?
+
+_Ik_. Juist, om dat uw gunsteling hem tot een beter mensch maakt;
+'t is zyn werk: ergo! maar zeker, hebt gy iets tegen den Heer R.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ja, Saartje lief, ik heb iets tegen dien man;
+wat, weet ik zelf niet.
+
+_Ik_. Zyt gy nu wel rechtvaardig en menschlievent?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt recht om my dit te vragen; want, waarlyk,
+myne gewaarwording is zo duister! Ik beken, dat het een opvatting zyn
+kan. Hy heeft ook al vry veel met u, aan 't vengster staande,
+gesproken, en ook zeer zagt.
+
+_Ik_. Och, 't gewone praatje: _que vous etes belle! que je vous
+adore_! en zo, wat er meer volgt.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Engel van een Meisje! zie wel toe. Hy is een man
+van hoge geboorte, en heeft schatten: Laat hy u niet wat wys maken
+[_Ik werd root_.] Gy wordt root, myne Liefde!
+
+_Ik_. Dat is ook zo; wat kan ik het helpen, dat er zulke knapen zyn,
+die ons meisjes wat wysmaken? ô, Ik zie dat gy my niet kent! Denkt gy,
+dat ik zulke snappers de eer aandoe, om immer in 't geheugen te
+houden, wat zy my voorgonzen?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. De Heer Edeling is een geheel ander man, en die
+bemint u waarlyk.
+
+_Ik_. Beide stem ik toe; maar hoe veel achting ik ook heb voor dien
+braven man, ik bemin hem niet; ik bemin geen man op de hele Waereld
+dan myn Voogd: Nu, hy zal ook fraaije manchetten hebben.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Wilt gy niet eens ernstig zyn?
+
+_Ik_. Geheel ernst, geheel aandagt, geheel--al wat gy maar wilt.
+(_Ik kuschte hare hand_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy den Heer Edeling afgewezen?
+
+_Ik_. Wel, niet anders dan ik u gezegt heb: maar, als de man nu op
+hoop tegen hoop aan wil boegzeeren, kan ik dat beletten?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy iets tegen den waardigen man? ei lieve,
+zeg het my eens!
+
+_Ik_. Wel, zo veel zelf niet als er op de punt van een pennemes zou
+kunnen liggen; maar beminnen? ô _point! point_. Ik leef hier al te
+gelukkig; ik blyf by u, zo lang ik leef.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zal de Heer Edeling u dan ongelukkig maken?
+
+_Ik_. Niet, ten zy ik het er naar maakte. Hoor, de Heer Edeling is in
+myn oogen zulk een agtingwaardig man, dat ik hem eigentlyk niet zou
+kunnen of durven beminnen: op myn woord (ik schaam het my ook haast
+aan u te zeggen,) ik heb meer eerbied voor hem, dan voor myn
+goedaartigen Voogd.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Hoe is dat mooglyk? Wel, me dunkt, de Heer
+Edeling is een recht beminlyk man; zyn ernstig gelaat heldert gedurig
+op door een zagten glimlach; en wie, denkt gy, vindt zo veel smaak in
+uw vernuft?
+
+_Ik_. Vlei my niet! Ik ben geen vrouw voor zo een man. Zie, als ik nu
+eens getrouwt was, zou ik myn man zo liefhebben, geloof ik, dat ik,
+buiten hem te kwellen, en te liefkozen, niet zou kunnen leven; en op
+beide zou zo een deftig man weinig gestelt zyn. Hy zou my voor een
+dartel wyfje, en ik hem voor een regten Joris steiloor aanzien. ô Dat
+zou een pret zyn om dol te worden! Neen: Laat hy u nemen, dan zult gy
+beide even gelukkig zyn, en laat my, zonder met Cupido in eenig
+verschil te raken, myn _Wegje_ (zeit Tante) zoetzappigjes af kuiëren.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Weet gy wat, Liefde? zo ik de jaren van u had, en
+de Heer Hendrik beminde my, zo als hy u bemint, geloof my, dat ik hem
+nemen zou.
+
+_Ik_. Gy zoudt niet, dan op ééne voorwaarde.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En welke voorwaarde?
+
+_Ik_. Dat gy, by myne jaren en zyne liefde, die wysheid bezat, die gy
+nu hebt; anders zoudt gy 't niet een zier beter maken, dan ik nu.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Vindt gy ook meer behagen in den Heer R., genomen
+dat hy u insgelyks beminde?
+
+_Ik_. Dat kan ik ook nog al zo niet zeggen: maar ik heb geen reden,
+dunkt my, om met een van beide iets optehebben, om dat ik geen oogmerk
+heb om van hunne overtollige beleeftheid immer gebruik te maken. De
+Heer R. handelt my met eene achting, en tevens op zulk eene verpligtende
+wys, dat ik, ten zy gy er iets wettigs tegen hebt, my ook geëngageert
+heb, om morgen een nieuw stuk te zien spelen: hy heeft u insgelyks
+verzogt, maar ik heb gezegt, dat ik niet geloofde, dat gy meê gaan zoudt.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Wel, ik weet het niet, zou ik eens van de Party
+zyn? ik heb opinie, dat dit stuk schoon is: als ik redelyk wel ben,
+zal ik meê gaan.
+
+_Ik_. O, wat zyt gy eene verpligtende Vriendin!
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Myne liefde voor u doet my veel doen.
+
+Zeg vry myne _zorg_, viel ik haar in, haar met eerbied omhelzende, en
+een kusch gevende.
+
+Zie daar, Letje lief, dit moest ik u schryven. Nu heb ik geen
+oogenblik tyd meer. Ik moet my nog opdrillen; Blondel staat reeds naar
+my te wagten, om my te kappen. Duizend groeten van
+
+ Uwe eigene
+
+ SAARTJE.
+
+
+Noten:
+
+[1] Een poos.
+[2] I Sam. XXVIII, 7.
+[3] Aspasia en elders.
+[4] Begeleiders.
+
+
+
+
+EEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER R. AAN DEN HEER G.
+
+
+_Vriend Jan!_
+
+Hoe dikwyls, dou lompen Kaerel, zal ik u dan moeten zeggen, dat my
+alles verveelt, en gy met uwe weêrgaze aapenkuren, kwakzalvers
+loopjes, en zotte uitnodiging, met een paar onzer Lievertjes, nog wel
+het allermeest? Wat kan ik, arme duivel, doen; waarom denken, dan aan
+de bevalligste meid, die ooit met een paar schone oogen de halve
+waereld in oproer stelde?--Gek, ja, stapel zot ben ik na haar; en ik
+moet myn rol van Huichelaar spelen, om haar ooit zo naby te komen, dat
+ik haar kan inluisteren: _ik bemin u_. Vrouwen, Vrouwen! Wat staat er
+niet voor uwe rekening! Nu, wy zullen afrekenen, myn trotsch Meisje!
+dat: "ik snuif niet; ik neem nooit geen presenten aan:" zult gy my
+betalen. Dit is de eerste oorvyg, welke myne eigenliefde, die waarlyk
+tegen de uwe wel opmag, nog ooit van eene schone hand ontfing. En ben
+ik niet een schone vent? Kan ik niet beuzelen met de zottinnetjes?
+redeneeren met de wysneusjes? Erger ik ooit een Vrouw, die achting
+verdient, door het allerminste dubbelzinnig woord? Sloeg ik ooit taal
+uit, die _blozen doet_; (ook maar uit welstaans halve?) Er moet een
+eind aan komen: zó leef ik eigenlyk niet. Maar welk een einde? Vraagt
+gy dat, Ligtmis? Ik een man van geboorte, van middelen; zy een
+Burgermeisje, met een stuiver goed? Gy zyt een driedubbelde Uilskop;
+of gy wilt my aan 't praten krygen. Trouwen? Zyt gy dan razent dol? Ik
+zal, denk ik, tot zulk een disperaat uiterste nooit komen. _Vryheid is
+de prikkel der liefde_: dit weet gy is myne spreuk. Als myne Maitres
+zal zy _Sultane Favorite_ zyn; maar myn Wyf! Wel foei! Zie daar, dat
+was al reden genoeg, by _un homme de mon goût_, om haar ondraaglyk te
+vinden. Trouw gy haar over een maand of vier. Zo lang, dunkt my, zal
+ik haar beminnen kunnen, en gy zult myne genietingen nieuw leven
+byzetten, door my die dan wat moeilyk te maken. Gy weet wèl, "dat een
+Ligtmis geen recht heeft op eene eerlyke Vrouw?"
+
+Nu, gy hebt haar eens gezien; maar ik verdelg u van den aardbodem, zo
+gy haar in 't eerste half jaar weêr ziet. ô Liefde, liefde! maar welk
+een deugeniet ik ook omtrent de Vrouwen ben, ik zal myne drift, die
+alleen op myn eigen vermaak uitloopt, met uw gewyden naam niet
+opkwikken! Zotte vooroordelen! Krassen in de Lei door een bigotten
+Praeceptor daar in gekraaut, anders niet. Hoe zeit myne Hartog: _geluk
+is deugd_. Wel zie, Jan, was zy zó lelyk niet, ik gaf haar nog de een
+of andere keer een kusch voor dit Zedekundig regeltje. Laten wy toch
+ons Ongeloof als helden beleven, en den Duivel niet voor niets dienen.
+
+Nu, myne koets staat gereet; ik ga haar halen: de Dame, daar zy by
+logeert, heb ik ook door haar verzogt. ô Ik weet wél, dat die niet
+uitgaat op zulke partytjes! En de malle meid, die er by was, ook! nu
+dat bruit nog wat heen. Ik weet al, hoe ik met haar moet omgaan. Zy
+zal bukken voor my, dien zy niet vreest. Mooglyk vorder ik in deeze
+laatste vyf uuren reeds merkelyk.
+
+ _Tien uuren, des avonds_.
+
+Ik ben woedent, ik zoek met de hele waereld rusie; ik raas op Philips,
+of ik dronken ben; en zou u zeer graag by my hebben, om u helder
+afterossen. ô Gy verachtelyke slaaf myner vermaken! die, om een fraai
+kleed, en een goeden maaltyd voor my kruipt. Wat is er nu weêr te
+doen? vraagt gy, met het air van een berooiden verkwister: zwyg, en
+luister.
+
+Geheel opgetogen reed ik na haar toe; werd zeer beleeft door de Weduwe
+in de zydkamer begroet; zy zeide my: "dat zy van myne beleeftheid
+gebruik zoude maken, dewyl zy meende, dat het Treurspel voortreffelyk
+zyn zoude; de Lectuur daar van hadt haar zeer voldaan." Hier jy,
+Rembrant, grote afbeelder van ons door driften bezielt gelaat!
+Schilder my op dat tempo. Myn bloed steeg my naar 't hoofd; ik had
+trekkingen op myne harssens. Zulk een schok ... zulk eene teleurstelling
+... Zy merkte het niet; 't was alles als een blixemstraal. Ik herstelde
+my zo voort: en, myne hand even aan myne lippen brengende, boog ik
+eerbiedig, haar bedankende voor de eere my aangedaan. En zie daar! daar
+kwam de eige Zuster der drie Gratiën, geheel vrolyk, geheel leven, geheel
+ziel, keurlyk gekapt, en op eene edele wys eenvoudig gekleet, aanzweven.
+Ik hielp de Dames in de koets; en, toen ik er by was, sprong haar knegt
+by den mynen agteröp. Myne Loge alleen was nog ledig; alle oogen waren
+op ons. De Weduwe is niet jong meer, maar waarlyk nog eene zeer schone
+Vrouw. Myn Wicht? Nu, gy hebt haar gezien? En de malle meid is ook niet
+lelyk.
+
+De drommel, Jan, wat moest ik op myn hoede zyn! De Weduwe ... ik weet
+het niet, maar my dogt, dat zy, ongemerkt kwasie, alle myne bewegingen
+gadesloeg. Ik durfde waaragtig geen eene dier kunstjes gebruiken, die
+wy altoos eerst te werk stellen, om eens hoogte te nemen. Er was niet
+op, als met deeze slegte kaart zo goed te spelen als ik kon; en hou my
+voor een domkop, zo ik de Weduwe, indien die al een galg in 't oog
+mogt hebben, niet bedrogen heb. Ik sprak meest met haar, en zo gelyk
+ik altoos tegen fatsoenlyke Vrouwen spreek. Wy reden met myn koets
+terug, en de Bevalligheid uit de koets helpende, drukte ik hare hand,
+doch ik kreeg geen antwoord. Is dat te verdragen? Ik nam beleeft, en
+in de zydkamer, afscheid, ootmoedig biddende, om de eer te mogen
+hebben, van de Dames myn compliment te komen maken. Kent gy Hein
+Edeling? Maar waar zou zulk een Jakhals, als gy, zo een styven Jorden
+als hy (die echter een eerlyk man is, hoor ik,) toch ooit gezien
+hebben? Hy schynt een vriend der Weduwe te zyn.... Zwyg, zeg ik u;
+ik wil er niet van horen! Laat hy 't hart hebben! Maar geen nood, al
+stondt Belzebub zelf naar haar Huwlyk, die duizend-kunstenaar zou my
+haar niet ontnemen. Ik heb moed, Jan. En wat nu? Ik moet haar alleen
+zien te krygen! Kan ik echter voor nog eene teleurstelling my
+beveiligen? _Fortuin helpt den stouten_. Daar zyn weer tien ducaten,
+Rekel. Kom morgen ogtend hier, zo rasch als gy deezen gelezen hebt,
+en breng hem met u, of ik laat u aan u zelf over.
+
+ R.
+
+
+
+
+
+TWEE EN NEGENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Myne Waardste!_
+
+Ik ben tweemaal vergeefsch aan uw huis geweest. Eens waart gy met den
+Heer R. naar de Comedie, en nu zeide Frits, hadt hy u en de waardige
+Vrouw naar de Fransche Kerk gebragt. Hoe smart my deeze te leurstelling.
+Ik moet, voor ettelyke dagen, om zaken van veel aangelegenheid van huis;
+en hoe vurig verlangde ik, om in persoon afscheid te nemen van u, die
+ik teder en met de grootste achting bemin; van u, die my eene my dus
+lange onbekende neiging hebt ingeboezemt! Ik moet vertrekken, de paarden
+worden reeds gezadelt. ô Mogt ik durven hopen op de gunst van haar, die
+my dierbaarder is dan myn leven! Indien ik niet voorzag, dat wy beide
+gelukkig zouden zyn, ik zou u niet lastig vallen met myne bezoeken.
+Maar, helaas! ik vrees, dat ik de man uwer verkiezing niet ben!--niet
+worden kan: evenwel gy verëert my met uwe achting; gy noemt my uw
+vriend. Hemel!
+
+Wie u ook van zyne liefde moge verzekeren, en welk een brillant lot
+men u moge aanbieden, uw Edeling bemint u meer, dan iemand u kan
+beminnen. Ik ken uwe waarde, uw bevallig beeld zweeft my altoos voor
+den geest. Wat zal myn leven, wat zullen myne goederen zyn, zonder u,
+ô myne zielsbeminde? Ik zal hopen! Uw hart is immers nog vry? Zult gy
+my niet verachten, als ik u zeg, dat ik den Heer R. niet meer dulden
+kan? Maar eene liefde, als de myne, is zo teder als oprecht; en hoe
+kan ik het denkbeeld dragen, dat hy uwe hand vat! Maar gy kent de
+liefde niet.... Ik zal des niet langer _non sense_ schryven. Groet
+de uitmuntende Vrouw, en geloof, dat ik met de grootste achting en
+hartroerentste genegenheid ben
+
+
+ _Uwen_
+
+ HENDRIK EDELING.
+
+
+
+
+DRIE EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier komt door H. Edeling op den
+goeden weg en bericht dat aan zijn zuster Aletta.
+
+
+VIER EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog aan Wilhelmina van
+Kwastama: zij is tot de ontdekking gekomen dat Edeling niet om háár
+maar om Sara komt. _O, ze haat_ Sara! _ze verfoeit_ Edeling.
+
+
+VIJF EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp aan Zuzanna Hofland:
+die Stijntje deugt niet; _dat mensch is zelfs goed voor roomschen_!
+Foei! En wat Saartje betreft: _doe een valschen eed_, dat haar moeder
+je het geld beloofd heeft tot aan Sara's huwelijk. Wil je dat niet,
+loop dan rond!
+
+
+ZES EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling: zij
+wantrouwt R., maar heeft geen bewijzen; hij deed fatsoenlijk.
+--Onverschillig is Edeling Sara niet, _want zij herleest zijn
+brieven_! Vindt zich zelf voor zoo'n waardig man ongeschikt; dat is
+de zaak.
+
+
+ZEVEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Smit is heel ernstig verliefd op Anna
+Willis; hij vlast op een beroep naar een dorp bij Amsterdam, en droomt
+zich veel zaligheid.
+
+
+ACHT EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Anna Willis aan Sara: zij verheft haar.
+Haar _Smit_ prijst Saar ook, eveneens wed. Spilgoed, die als Sara's
+moeder is. _Edeling_ is een beste jongen. Zij wenscht hem Sara toe.
+Anna bemint haar Smit zeer en hoopt Sara's trouwe vriendin te blijven.
+
+
+
+
+NEGEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Naatje!_
+
+Hebt gy waarlyk uw woord gegeven? Dan patientie! Anders, binnen een
+jaar aanvaarde _ik_ de waardigheid van _Zuster Collega_. Uw Smit! wel,
+ik ben maar weinig minder verlieft op hem, dan op mynen Voogd zelf; en
+zo is ook myne Minerva. Wel, Willis, 't is waarlyk al te véél voor u.
+"Hou er u maar nederigjes onder;" zou tante zeggen. Nu in ernst:
+geluk, duizend maal geluk met deezen lieven, deezen achtingwaardigen
+man. Zo gy nu ooit weêr donker kykt, zal ik u waarlyk moeten kloppen.
+Myn Cootje is nu in staat, om tamelyk gezont te redeneren over
+dagelyksche voorvallen; en ik merk, dat, als hy met een ander praat
+dan met my, hy zeker nog al verdient, dat men hem antwoordt. Juffrouw
+Buigzaam heeft veel met den aanstaanden Eerwaardigen gesproken. Ik was
+geheel gehoor, en myne Dochter insgelyks.
+
+'t Spyt my, dat Letje nog niet t'huis is: dat zou net haar smaak
+geweest zyn. Luister eens, Naatje; hoewel ik het niet uit dankbaarheid
+doe aan de Godin der Liefde, (verstaat gy dat, kind?) zo heb ik een
+groot vermaak in Huwlyks-Alliantiën uit te vinden. Wat dunkt u, dat
+Willem om Letje kwam, dan hadt hy zeker een Engel van een Vrouw, en zo
+een verdient hy.--Letje was ook in veiligheid. Eéne bedenking is er
+maar! Ik weet niet, of myne Letjes hartje wel zó vry is, als dat van
+Juffrouw _Albedil Burgerhart_.
+
+"En was ik niet zeer opgeruimt? en zei de Eerwaardige dit?" Verbaast
+nog toe! Ik weet echter niet, dat ik my ergens over benaauwt voel: zo
+dat, weest gerust; maar ik heb ook zo myne denkende buitjes; en om dat
+die my zo eigen niet zyn, als zy mooglyk u zyn, valt dat zo aanstonds
+in 't oog.
+
+Edeling is uit de stad. Myn Voogd, merk ik, zou my graag met hem
+getrouwt zien; en myne Mama Buigzaam meent, dat zyn voorstel myne
+ernstige overweging verdient, en hoopt, dat ik, ten zynen opzichte,
+een gunstig besluit nemen zal. Myn hart slaapt nog in rozen; meer kan
+ik u niet zeggen.
+
+Of ik my ooit het Huislyk leven in zulk een zagt licht heb voorgestelt,
+als Smit het u afmaalt? Nooit anders! Ik was, schoon een kind, getuige
+van Huisselyk geluk, in myne altoos dierbare Ouders. Dáár zit het my
+niet, Naatje. Ik heb, tot nog, geen bepaalde uitsluitende genegenheid
+voor iemand; en niets zal my dezen gewigtigen staat doen aanvaarden,
+dan een man, die myne liefde en achting beide waardig is. Zo dra ik den
+Heer Edeling, (niemand komt buiten hem in eenige aanmerking,) zo veel
+liefde als achting kan toedragen, zullen alle mindere zwarigheden my
+niet beletten, om den raad myner Vrienden te volgen.
+
+De Heeren R. en Brunier zyn reeds in de zyd-kamer, om met Lotje en my
+eens eene schone wandeling te nemen. Ik moet my eens vertreden, dunkt
+my; ik ben echter zeer wel. Heb ik u al gezegt, dat Edeling uit de
+stad is? Tot weêrziens! Groet uwen lieven aanstaanden Dominé, kusch
+uwe Moeder, (hem ook maar,) voor
+
+ SAARTJE BURGERHART.
+
+
+
+
+HONDERDSTE BRIEF.--Papa Edeling aan zijn zoon Cornelis: hij wou
+eigenlijk diens raad als advokaat eens inroepen--Cornelis is n.l.
+gepromoveerd!--_Wat tegen_ Hendrik _te doen_? Hemelsche goedheid: die
+jongen houdt maar vol!--Hij heeft Sara gezien met R; "neen, meisje,
+jij lijkt me niet! ik bedank je hartelijk!" _Nooit_!
+
+
+
+
+HONDERD-EERSTE BRIEF.
+
+DE HEER CORNELIS EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.
+
+
+_Myn Heer, hooggeachte Vader!_
+
+Hartlyk dank ik u voor den Wissel; waarop my reeds betaling geschiet
+is. Ik hoop, dat ik u reden tot vergenoeging geven zal: ook omtrent de
+sommen, my van tyd tot tyd verstrekt. Gy hebt my in staat gestelt, om
+als een fatsoenlyk Student en Candidaat te leven. Ik heb zeker geld
+verteert, doch my aan geenerlei lichtmisseryen, of aan grof spel te
+buiten gegaan: maar ik weet, waarde Vader, dat gy op dit point de
+edelmoedigheid zelf zyt.
+
+Hoe leet is 't my te horen, dat gy op myn Broeder zo te onvreden zyt!
+Ik weet wel, dat gy, en vooral van uwe Zoons, geen tegenspreken dulden
+kunt; vergeef my deeze uitdrukking; maar, dewyl gy u wel wilt
+vernederen, om myne gedagten te vragen, zal ik u die rondborstig en
+in gemoede zeggen. Neen, gy kunt uw Zoon, die meerderjarig is, niet
+beletten een meisje te trouwen, waar tegen gy niets, met eenige
+zekerheid, hebt intebrengen, dan dat zy van de publycque Kerk is.
+Onderneemt gy zulks, dan kan Hendrik u voor den Rechter roepen, en
+zyt verzekert, dat hy daar de vryheid zal krygen, om haar te trouwen.
+
+Ken ik echter myn weldenkenden Broeder, ken ik den eerbied en de
+liefde, die hy voor zynen braven Vader heeft; dan zal hy tot dit
+heftig middel zyn toevlugt niet, dan daar toe gedrongen, nemen.
+
+Laat het my eenmaal vrystaan, myn geëerde Vader! u te vragen, of uw
+mishagen in deeze jonge Dame gegront is. Hebt gy iets tegen hare
+Familie, of tegen haar zedelyk karakter? Ik vertrouw, neen; myn
+Broeder heeft die jaren en die bedagtzaamheid, die hem in staat
+stellen, om eene goede keuze te doen. Nimmer heeft hy, in het
+onërvarenste zyner jeugd, reden gegeven, om hem van de minste
+losbandigheid te verdenken; en zou hy nu, nu hy dien tyd agter zich
+heeft, zich zo verre vergeten, dat hy een meisje beminde, en wel met
+het zuiver oogmerk, om haar te trouwen, die zyn verstand en hart beide
+tot onëer strekte? Nimmer geloof ik dit. Mag ik u des bidden, maak
+hem niet ongelukkig; spaar u zelf nodeloos en u zo nadelig verdriet:
+Besluit er toe! Laat uw ouderdom in ruste en vrede ongestoort
+voortglyden. Mag ik u ook herinneren, dat Hendrik van een eens wél
+en dóórdagt besluit niet ligt is aftebrengen; voornamelyk als zyn
+hart zo gezet is op de uitvoering van zyn besluit? Ik ken myn Vader,
+ik waardeer hem, gelyk een dankbaren Zoon betaamt; maar hoop, dat ik
+de vryheid zal hebben, om u eene Dochter aantebieden, waar tegen gy met
+reden niets meerder dan tegen Juffrouw Burgerhart zult kunnen hebben.
+Binnen eene maand hoop ik het genoegen te hebben, om u gezont te
+omhelzen, en mondeling te betuigen, hoe zeer ik ben,
+
+ _Uw gehoorzame Dienaar en dankbare Zoon_,
+
+ CORNELIS EDELING.
+
+
+
+
+HONDERD-TWEEDE BRIEF.--Aletta Brunier vertelt haar historie aan Sara:
+_zij heeft eens lief gehad_, zekeren v. S. Die had geen geld; vader
+vond dat hij eerst voor geld moest zorgen. v. S. ging naar de Oost;
+'t ging hem goed, maar _hij stierf er_. Onder dien druk leeft ze nog.
+Zekere Heer Helmers steunde haar na vaders dood.
+
+
+
+
+HONDERD-DERDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
+
+
+_Myne tederbeminde Letje!_
+
+Ik weet niet, wat andere menschen _intressant_ noemen; maar voor my is
+_de geheime Historie van uw hart_ zeer intressant; om dat er voor my
+zeer veel stof tot overdenken, en veel leerzaams in ligt opgesloten.
+Ik heb, zonder eens uwe toestemming te vragen, uw Brief aan de beste
+der vrouwen voorgelezen; en zie hier, het geen zy zeide: "Het verstand
+van Juffrouw Letje is my zeer toegevallen: hare liefde omtrent zulk
+een Vader was alleen in staat, om haar dus te doen handelen. Indien
+Letjes Vader meer vrees dan liefde in zyne Kinderen verwekt, indien hy
+min redelyk omtrent een onbedagten jongeling gehandelt hadt, dan zeker
+zou Letje in dat ongeluk gejaagt zyn, waar voor hy haar echter poogde
+te bewaren. Ziet gy wel, myn Burgerhartje, dat men zich niet waarlyk
+nuttig voor anderen kan maken, dan door reden met minzaamheid te
+verëenigen? De hemel belone hare kinderlyke onderwerping aan zulk een
+Vader."
+
+_Ik_. Wel, dat wensch ik zo sterk, dat ik hier aan graag de hand wil
+lenen. Een braaf hupsch man, die ik zo lief heb of hy myn Broêr is,
+en dien ik ook maar aan niemand geef dan aan myn Letje, hoop ik te
+beduiden, dat hy met Letje veel beter te regt zal komen, dan met zo
+eene stoute meid, als uwe dienares.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. ô! Gy zyt zeer gul! een ander te geven, dat men
+zelf niet verkiest!
+
+_Ik_. Ja! ik kan immers onmooglyk al de Borsten[1] nemen, die my nemen
+willen? en doe ik dan niet recht _Economisch_, als ik het overschot zo
+goed gebruik als ik kan?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En wie is die, zo als gy zegt, kostelyke Vriend?
+Edeling?
+
+_Ik_. Edeling! neen: dien wou ik immers voor u schikken, maar myn
+lieven goejen Willem Willis. Een jongen, zo braaf, en zo degelyk, dat
+niemand dan Letje hem ooit, met myne toestemming, hebben zal.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Gy doet my lachen.
+
+_Ik_. Doen schreijen zou ik om geen duizend Waerelden; al waren er al
+de Huizen Concertzalen, en al de Paleizen Schouwburgen; en dat is veel
+gezeit.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ik beken, dat dit in u inderdaad al eene ongemene
+grote opöffering zyn moet.
+
+_Ik_. En dat ben ik met u volmaakt eens.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Het is mooglyk wat heel onderzoekent in my, als
+ik u durf vragen, of gy aan den braven Heer Edeling niets het minste
+schryven zult?
+
+_Ik_. Wel, gestelt zynde, dat de schaal, of liever de evenaar, krek in
+'t huisje stondt?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zo ik er iets aan doen konde, dan zou ik zeker er
+zo veel gewigts opleggen, dat gy tot al[2] _schryven_ oversloegt.
+
+_Ik_. Maar wat zal ik zulk een deftig verstandig man schryven?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Wat? Ja, dat moet gy zelf beöordeelen: dit, myne
+liefde, kan of mag ik u niet dicteeren. In ernst, kunt gy aan dien
+deftigen verstandigen man niets melden, dat hem, in weerwil dier
+hoedanigheden, aangenaam zyn zoude? Pleeg met u zelf raad.
+
+_Ik_. Maar ik ben het met my zelf niet eens. Somtyds wilde ik, _dat ik
+niet schryven wilde_; en somtyds wilde ik, _dat ik wilde_. Gy lacht!
+Heb ik u dan niet gezegt, dat ik een misselyk figuur ben? geen vrouw
+voor zo een man.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt vooröordeelen, myn hartje!
+
+_Ik_. ô Duizenden; dat sta ik u ook toe.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Maar kan zulk eene verstandige jonge Dame zich
+verbeelden, dat dit toe te staan alles is, wat zy te doen heeft.
+
+_Ik_. Ik geloof neen: zy moet die afleggen, en zo hoop ik van tyd tot
+tyd ook te doen; en zo dra ik vast weet, dat ik dien eernaam, zonder
+verwaantheid, niet geheel onwaardig ben, zal dat gaan of 't gesmeert
+is: maak er staat op.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Nu ik u dit herinnert hebbe, zal ik er
+afscheiden. Ik bid u alleen te bedenken; dat, indien gy my eens in
+vertrouwen kunt zeggen, dat de Heer Edeling uwe liefde, zo wel als uwe
+achting gewonnen heeft, ik u een der beste oogenblikken van myn leven
+zal verschuldigt zyn. Gaat gy uit, hartje, om dat gy zo in order
+gekleet zyt?
+
+_Ik_. Dit was myn oogmerk: de Heer R. zal my op 't Concert brengen.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zo!
+
+_Ik_. Gy zyt heel _laconicq_, maar dat _zó_ spreekt gy _zó_ deftig
+uit; hadt gy 't liefst niet?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Hoeft gy my dat te vragen, daar gy weet, hoe zeer
+ik uw byzyn bemin? Evenwel, ik heb geen recht om u uwe vermaken te
+ontroven: indien gy liever met den Heer R. uitgaat, dan met my t'huis
+blyft. Wat is er aan te doen? Ik ben uwe Vriendin, niet uwe
+Gouvernante.
+
+_Ik_. Laat ik u omhelzen, schoon, of liever omdat gy my zeer doet! ô
+Myne moederlyke Vriendin, welk een verkeert meisje zou ik zyn, indien
+ik uw gezelschap niet boven alle vermaken stelde? Wil ik het laten
+afzeggen?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Gy bedenkt dit wat laat: en wat zou de Heer R.
+van uwe wispelturigheid zeggen?
+
+_Ik_. ô! Daar bekommer ik my niets het minste over. Ik hoop niet, dat
+ik aan hem rekenschap moet geven van 't geen ik doe; en zo hy 't
+kwalyk neemt, is hy een gek, dat is 't al.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Rekenschap geven? dat is weer wat sterk! maar ik
+zie niet, dat hy geen reden zoude hebben, om misnoegt te zyn; dat
+scheelt u weinig, zegt gy; goed! Ik weet, dat gy een trotsch meisje
+zyt. Was het echter vroeger, ik zou u door uw t'huis blyven verpligt
+zyn. Zo waar, daar is hy reeds om u.
+
+Uit was ons gesprek. Maar ik betuig u, dat ik, met al myn musikale
+drift, naauwlyks in staat was, om my op 't Concert niet te vervelen.
+
+t'Huis komende was ik niet vrolyk. Zy sprak echter nergens over, want
+Hartog en Lotje waren in de eetkamer. Ik zag haar nu en dan eens aan;
+zy was beleeft, zy was vriendlyk,--maar ik was _Juffrouw Burgerhart_.
+
+Myne lieve Letje, wat was dat voor my te zeggen! ik moest of
+schreijen, of met Lotje aan 't malen; tot het laatste kreeg ik rasch
+gelegenheid. Zy vroeg my, of ik op het groot Concert geweest, en of
+het daar niet heel plaisierig was?
+
+_Ik_. Al naar dat men zich zelf gestelt voelt: somtyds ja, somtyds
+neen.
+
+_Juffrouw Hartog_. Als men uitgaat met gezelschap, dat ons behaagt,
+vermaakt men zich overal.
+
+_Ik_. Dat is zeker, de ondervinding leert dit wel....
+
+_Juffrouw Hartog_. En Juffrouw Burgerhart heeft zeker het aangenaamste
+gezelschap aan den Heer R....
+
+_Ik_. En Juffrouw Hartog is, niettegenstaande alle hare Geleertheid,
+mooglyk niet in staat, om myn smaak juist zo wiskundig te weten.
+
+_Juffrouw Hartog_. Ik oordeel uit de verschynzels.
+
+_Ik_. En uw oordeel is mooglyk niet vry genoeg, om, wél waar te nemen.
+
+_Juffrouw Hartog_. En het uwe mooglyk niet eenparig genoeg, om zo veel
+te observeren, als iemand, die zonder belang toekykt: of gy moest u
+inbeelden, dat ik u eene eer benyde, die ik niet eens verlang.
+
+_Ik_. Als ik eens niets beter te doen heb, kon het gebeuren dat ik uwe
+stelling wat nader zal beschouwen.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Het is dunkt my, wel een zeer armoedig vermaak,
+elkander te tonen, dat men meer vernuft dan goedhartigheid heeft.
+
+Ik verstond dit, en zweeg; een schampere lach van Hartog zelf kon my
+niet aan 't praten krygen. Lotje, zei ik, wanneer gaat gy eens by uw
+Oom en Tante?--ô Als gy maar wilt, al was 't morgen.--Bestig, zei ik,
+als 't goed weêr is, zullen wy er eens heen kuijeren. Zy was zeer
+blyde met deeze presentatie. 't Was redelyk laat. Juffrouw Buigzaam
+schelde, om 't licht op de slaapkamers optesteken, stondt op; ik neeg
+zeer beleeft, en kreeg een--_nagt, lieve Juffrouw_. Lotje rammelde my
+nog een hope voor; en ik hield my of ik sliep, om haar te doen zwygen.
+Ei! dagt ik, die verwenschte Jongens! zie daar, zy zyn het, die ons 't
+leven onaangenaam maken; Edeling zo wel als de rest. Vaarwel, myne
+Beste.
+
+ Ik ben uwe Vriendin,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+P.S. Ik ben deezen namiddag by Oom Dirk geweest. Tante is eene lieve
+Vrouw; Oom? Ja, ik kan 't u niet beduijen: Een dot garen, die allemaal
+in de war zit. ô Welke mannen, Letje! en moeten wy ook trouwen? dat
+ziet er gek voor ons uit.
+
+Noten:
+
+[1] Jongens.
+[2] wel.
+
+
+
+
+HONDERD-VIERDE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling; houd maar
+moed; ze heeft uw vader gezien, _bevalt haar niet_, maar ze zal u zelf
+schrijven.
+
+
+
+
+HONDERD-VIJFDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING.
+
+
+_Wel-edel Heer!_
+
+Myne achting voor u moet wel zeer ongegront zyn, indien ik ooit reden
+heb my te beklagen over het schryven deezes Briefs. Dit stel ik onder
+het onmooglyke; ik zal des, in dit opzicht, aan uw verzoek voldoen.
+
+Zie my voor zo eene Beuzelaarster niet aan, dat ik my niet zoude
+verëert achten met de gevoelens, die gy voor my betuigt. Waarlyk, myn
+Heer Edeling, ik zie zéér wél, dat gy verdient met onderscheiding
+behandelt te worden. Indien gy niets meerder begeerde dan myne
+vriendschap, zeer weinig zoudt gy meer te wenschen hebben! Doch ik
+zoude u onëdelmoedig behandelen, indien ik u reden gaf om te denken,
+dat ik in u iets anders dan eenen Vriend beminde. Het zal my, in dat
+karakter, hoogst aangenaam zyn u weêrom te zien; want ik ben met
+byzondere hoogachting,
+
+ Uwe Dienares,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+
+HONDERD-ZESDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Myn Heer, zeer geachte en beminde Voogd!_
+
+Myn pligt eischt, dat ik u het volgende melde. De Heer Hendrik Edeling
+heeft by my aanzoek gedaan. Indien ik immer van staat verander, verdient
+hy my daar toe te doen overgaan, of ik verdien hem niet; maar ik heb
+geen zin in voor eerst hier toe te besluiten: Nog geen twintig jaar, en
+zo volmaakt gelukkig als ik nu ben! Ik heb echter billyk geöordeelt u,
+die my als een Vader bemint, dit te zeggen; want van uwe goedkeuring ben
+ik reeds verzekert. Myn verlangen naar uwe komst is zo groot, dat ik die
+niet kan uitdrukken. De waardige Vrouw groet u met achting, en ik ben,
+met een dankbaar hart,
+
+ Uwe gehoorzame Pupil,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVENDE BRIEF.
+
+NAAMLOZE BRIEF AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Myn Heer!_
+
+Myne achting voor u, en de droevige gevolgen, die ik voorzie, doen my
+u het volgende schryven. Uwe Pupil gedraagt zich op eene wyze, die
+haar bespot, ja veracht, en u veel verdriet moet maken. Men ziet haar
+overal, en nu meest altoos met eenen Heer R.; een man van rang en
+grote goederen, maar ook een onzer eerste Ligtmissen. De Dame, daar
+zy, nevens nog drie Juffrouwen, logeert, ziet dit alles, en vindt
+echter (schynt het,) goed, om dit onvoorzigtig ligtvaardig meisje
+haren gang te laten gaan. Zy is niet ryk; en grootschheid beeft voor
+niets zo zeer dan voor armoede. Meer zeg ik niet. Hoef ik meer te
+zeggen? Uwe Pupil is ook zeer verkwistent in hare uitgaven; indien zy
+geene presenten aanneemt; dat ik niet weet. Zeker Heer loopt haar na;
+en ik geloof, dat zy dien man aanhoudt, om, ten behoorlyke tyde, hem
+(mooglyk) te trouwen; indien zyne oogen nog niet bytyds open
+gaan:--Doch zy heeft hem betovert;--zo doet zy elkëen.
+
+Dit alles smart my! Ik beöog haar welzyn, en stelle u daarom in staat,
+om haar hier over, zo 't u goeddunkt, te onderhouden. Ik hoef u niet
+te zeggen, wie ik ben, en van welke Sex;--dit doet er niets toe:--zo
+gy wys zyt, doe uw voordeel met myn bericht; en zo gy er een goed
+gebruik van maakt, kan ik u meer melden. Intusschen ben ik met achting,
+
+ MIJN HEER!
+
+ _Iemand, die 't wel met u meent_.
+
+
+
+
+
+HONDERD-AGTSTE BRIEF.
+
+DE HEER JAN EDELING AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK.
+
+
+_Waarde Broeder!_
+
+Wat zegt gy nu, _mon bon Pasteur_, van uw lieven Neef Hendrik? dien je
+immers, met je eigen handen, zelf, in myn huis, gedoopt hebt; die, had
+ik hem in myne zaken kunnen missen, volgens uw raad en zyn begeerte,
+tot Predikant zoude gestudeert hebben; die wil nu met drommels geweld
+trouwen met een _wilde_ meid _buiten onze Kerk_; met een _Gereformeert_
+Nufje. Nu, daar moest hy maar eens om komen! Verbruit, Pastoor, ik heb
+het zo Satans op hairen en snaren gezet; want, nu myn lieve vrouw dood
+en weg is, regeer ik als Koning. Uw Zuster was de beste vrouw van de
+waereld: doch te mal met de Jongens. Luter zelf zou niet meer uitgevaren
+zyn in zo een geval als ik. Ja! fluiten! Daar hebje nu de boel over de
+reê, en hy geeft voor, dat ik hem ongelukkig zal maken, indien hy haar
+niet krygt; met nog eene hele turfmand vol zulk geziegezaag, daar de
+jongens zo veel meê ophebben.
+
+Ziet gy, Pastoor, ik zou myn hoofd daar niet meê breken, maar Hein ziet
+er gansch ongedaan uit: hy kan niet tegen moeite; (ja, ik heb al rare
+jongens ook!) Neen: nooit laat ik dat toe. Maar den jongen evenwel zo
+maar te laten sterven, dat wil ook niet. Hy is zó bedreven in onze
+affaire, dat ik gerust myn flesje kan drinken, myn pyp roken, myn
+kolfje slaan, zonder dat er iets verzuimt wordt. Zo dat, dit kan ik
+ook nog al niet voor God verantwoorden. Ik heb ook een Brief geschreven
+aan haren Voogd; niet twyfelende of hy die zo styf _Grotekerks_ is, als
+ik oud rechtzinnig Luters ben, zou even eens denken als ik op dit stuk.
+Maar zie daar! daar kryg ik zo een antwoord. De drommel mogt met hem
+redeneren, en ook ik versta zyn Brief niet genoeg. Het komt my vóór, dat
+hy al vry grappig over 't Geloof denkt, en het zou veranderen, even als
+hy zyn rok veranderde, indien hy meende, dat eens anders geloof beter
+was. Hy spreekt net als uw lieve Neef van Broederschap. 'k Zeg
+_Broederschap_! Het zit er op met dat Broederschap, als verguldzel op
+een duits[1] balletje. Men hoeft maar eens op hoogtyden, en zo, in de
+Kerken te gaan; daar zeg jelui Eerwaardens malkander hele Broederlyke
+dingetjes. Nu, dat mag ik wel horen: de Kerk is er voor, om het Geloof
+vast te houden. Elk moet zyn winkel voorstaan; dat is niet anders.
+
+Hoor, Pastoor, ik ben Luters, en dat, wil ik, zullen myn jongens ook
+zyn, of 't zal er vreeslyk houden. En die Bram is nog al heel wys met
+zyn Meisje! Ik zou nog, met myn beste pruik op, en den nieuwen zwarten
+rok aan, heel beleeft moeten vragen, of ik de eer mogt hebben ... weg
+... weg!
+
+Ik heb haar ook in een Herberg gezien, met nog twee wilde Knapen, en
+een andere Juffrouw. Hoor, ik zal 't nooit toestaan: ik wil geen
+vreemt goed in Luters erfdeel; dat's maar uit. Geef me nu raad: wat
+moet ik doen? Schryf my eens, Broêrtje, hoe u dit klugtje van Heintje
+bevalt? Groet de Pastoorse, die my ook altyd ligt te katechiseren: ja,
+ik ben maar te goed.
+
+ Blyve met grote achting,
+
+ Uw Eerwaardes
+
+ _Dienaar, Vriend, en Broeder_,
+
+ JAN EDELING.
+
+
+
+Noot:
+
+[1] Van een duit waarde.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGENDE BRIEF.--Everart Redelijk antwoordt: hij is het heelemaal
+met Blankaart eens en vindt de handelwijze van zijn zwager dwaas.
+
+
+HONDERD-TIENDE BRIEF.--Broeder Benjamin aan Cornelia Slimpslamp: Suzanna
+weifelt; ach Heere, help! Wij moeten ze voor ons houden. Laat Cornelia
+haar vergeving vragen.
+
+
+
+
+HONDERD-ELFDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN DEN BROEDER BENJAMIN.
+
+
+Wie heeft ooit groter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fopje my
+wat, of hoe weêrgâ zit het? Voor my veinzen? Voor my de fijne Filebout
+uithangen! Laat naar je zien, zotte jongen. Wy moeten haar bedriegen;
+dat's 't al. En daarom moeten wy de handen in éen slaan. Zouden wy zo
+een zot dier ooit gezogt hebben was 't niet om den smul? en gy houdt
+u van de mallen? Ja, Blankaart, kent ons zeer wel.
+
+Hoor, Ben, de frettery is uit: wy moeten haar nu nog plukken, en
+dan--de hele Waereld is voor ons open. Zy moet het gelag betalen: de
+jonge Juffrouw B. moet er niet by lyden. Blankaart is een Duivel van
+een vent, hy liet u publiek geesselen, en ik moest in 't Spinhuis, zo
+wy aan haar goed ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en
+dat zy intrest moet ontfangen; alles mondeling. Toon nu, dat gy my
+lief hebt: ik zal 't Briefje schryven, en morgen er gaan. Kom ook.
+'t Geweten? ô dat is een bullebak voor u en my.
+
+ _Die gy kent_.
+
+
+
+
+HONDERD-TWAALFDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+_Lieve Vriendinne!_
+
+Daar heb ik, als ik alles nareeken, zo een twee dagen en drie uuren in
+de magt des Satans geweest: hy gaf my die godloosheid in. Hy heeft my
+verleit.
+
+Och Zusje, Zusje! ik ben gevallen: ik ben wanhopig, ik ben elendig.
+Die duizend-konstenaar was het, die my dien gruwelyken brief deedt
+schryven. Zo heb ik te veel op eigen kragtjes vertrouwt, och ja! mogt
+ik er maar door geraakt zyn, en nooit weêr op my zelf vertrouwen. ô!
+Het ging my, zo als de Eerwaarde van der Kwast plagt te zeggen: _de
+Conscientie is de Klapperman uit de hartestraat, die de menschjes
+waarschuwt voor den brand van de Hel_. Gelukkig, dat myn oude mensch
+niet te diep was ingeslapen; och! dat was regt dierbaar.
+
+Verberg toch alles, om der Vromen wille. Gy kent de diepten des Satans.
+Mag ik morgen by je komen, en dan blyven op 't geen je maar hebt?
+Schryf my dit, of ik verval tot wanhoop.
+
+ Uwe zwakke Zuster,
+
+ CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+
+
+HONDERD-DERTIENDE BRIEF.
+
+DE BROEDER BENJAMIN AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+_Zusje Lief!_
+
+Ik begryp je! Wees gerust: om u sta ik den Duivel. Ik heb het zeer
+druk in myn werk, doch kom morgen; ik ben al verzogt. Alles is om het
+hare, en om u.
+
+ _Gy kent my_.
+
+
+
+
+HONDERD-VEERTIENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+_Keetje Zusje!_
+
+Wat is er een pakje van myn hart! Neen, dat kon ik niet doen, myn
+geweten wilde niet. Nu is 't weêr licht by my; ik heb alles verbrant.
+Kom tog vroegjes: och! ik ben zo ontstelt geweest. Nu, Bregtje zal
+_het Gemeste Kalf_ slagten, omdat ik myne Zuster heb weêr gevonden,
+die in 's Duivels hol gezeten heeft. Broertje komt ook, hy is zo
+gemoedelyk in zulke dingetjes. Zo komt het goed uit het kwaad; en nu
+is myne ziel weêr gebonden aan uwe ziel: niet waar?
+
+ Uwe Zuster in den Here,
+
+ Z. HOFLAND.
+
+
+
+
+HONDERD-VIJFTIENDE BRIEF.--Smit aan Willem Willis; spoedig zijn ze
+zwager. Hij heeft Aletta Brunier gezien en gesproken: _net een meisje
+voor Willem!_--Willem's patroon spreekt heel gunstig over hem.
+
+
+
+
+HONDERD-ZESTIENDE BRIEF.
+
+DE HEER R. AAN DEN HEER G.
+
+
+_Jan lief!_
+
+Haal my de Satan! ik ben nog even wys! ja, ik zie het hexje nu en dan;
+ik heb ook met haar op het Concert geweest; maar ik ben nog even na,
+als toen ik begon. Hoe moet ik het aanleggen? _Liflaffen_?[1] dan
+lachte zy my van myn stuk; haar met een stemmig bakkes zeggen, _dat ik
+haar bemin_? Och! dat gaat haar niet eens aan haar koude kleêren, (zo
+als de meisjes zeggen.) Had ik haar maar ergens, daar myn haan koning
+kraait, dan zou 't procès spoedig aflopen: en zy zal niet zot genoeg
+zyn, om zich te durven inbeelden, dat ik een Burgers Dochter zal
+trouwen. _Sultane Favorite_, Jan: is dat niet dubbelt wel? als _ik_,
+Frederik de eerste, haren Soliman ben. Ben ik evenwel niet een
+_Opgewarmt Bier_ en _Broodskind_, gelyk myn Oom, de Kapitein, zyne
+Matrozen noemt, dat ik zo een charmante meid niet tot myn vrouw maak?
+Lief heb ik haar, waaragtig; dat is 't maar! Anders zou ik dus lang
+niet het masker voorhouden. Zy stondt al lang op de grote lyst. Maar,
+wat praat ik van liefde tegen zulk een liederlyken knaap als gy zyt?
+Een vrouw is by u een vrouw--loop, gy zyt myn gebabbel niet waardig.
+Ik heb echter nu een ander plan: dat zal niet missen; en, zo de Weduw
+het in 't hooft krygt, om hare jonge Vriendin te geleiden, (zy ziet er
+óók wel uit,) dat zal den koop niet breken. Zoudt gy niet zeggen, dat
+ik al een gansch karel ben, als gy my zo hoort snoeven en pochen?
+
+Waarlyk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat ik
+het Wicht, of ik ben razent zot naar haar; en wat denkt gy? Ik heb nog
+nooit haar hand gekuscht; 't is waaragtig, Jan. Zy is onnozel[2], dit
+is het, dat my zo ingetogen maakt: want, hoe vele vrouwen ik ook
+bedorf, ik heb nog al reguart voor brave meisjes. Een ligtvaardige is
+myn Pop niet, al was zy zo schoon als deeze meid.--Doch dit is _to
+Bliktri_ voor u.
+
+ Vaar dan wel.
+
+ R.
+
+Noten:
+
+[1] Vleien, hofmakerijen.
+[2] Onschuldig.
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVENTIENDE BRIEF.--Cornelis schrijft heel hartelijk en aardig
+aan H. Edeling, maar ... raad weet hij niet: _vader blijft onvermuwbaar_.
+Raadt hem aan eens aan oom Redelijk te schrijven.
+
+
+
+
+HONDERD-ACHTTIENDE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.
+
+
+_Myn Heer, hoogst ge-eerde vader!_
+
+De zaak, die my, volgens uwe altoos geëerde orders, hier zo vele dagen
+gehouden heeft, is naar uwen wensch volkomen afgedaan. Ik vleije my,
+dat gy genoegen zult nemen in den yver, dien ik heb aangewent, om het
+dermate te dirigeren, dat ik u rekenschap van alles doen kan.
+
+Mag ik nogmaals de vryheid nemen, om te zeggen dat myne liefde voor
+Juffrouw Burgerhart gegront is op de braafheid van haar hart, en dat
+ik _volmaakt ongelukkig_ zyn zal, indien zy de myne niet wordt? Wat
+men ook moge uitstrooijen, zy is, en verdient te zyn, het voorwerp
+myner hoogste achting; en zy deelt nimmer in andere vermaken, dan die
+betaamlyk zyn, noch verkeert met menschen, die, om een slegt karakter,
+behoorden vermyt te worden.
+
+Gy weet, myn altoos geëerde Vader, met welk eene blymoedige onderwerping
+ik alle uwe bevelen heb gevolgt. Dit was een pligt, die de Natuur en de
+Godsdienst van my vorderden: Maar gy zyt Vader! gy zult my immers niet
+ongelukkig maken? zo deeze wensch myner ziel my geweigert wordt, kan ik
+my geen lang leven voorstellen. Ik gevoel my niet wel. De onëenigheden
+met myn Vader treffen myn, door liefde vertedert, hart zeer diep! Myne
+jaren en myn werkzame aart hebben my gestelt boven die dwaze drift, die
+men doorgaans _liefde_ noemt. Myne liefde is wel niet _Platonisch_[1],
+maar zy is echter myne reden onderschikt; zy is bedaart, sterk; zy rust op
+de innerlyke waarde van haar, die myne oogen streelt; zy groeit dagelyks
+in zagte aandoeningen. Moet ik het opgeven, dan zal men zien, dat myne
+geliefde Burgerhart tot myn _leven_ zo nodig was, als tot myn _gelukkig
+leven_. Laat ik u verbidden! Leg uwe vooröordelen af! Gy kent haar niet,
+geloof my! Heb ik u, myn geëerde Vader! ooit ergens in misleit? zoude ik
+het nu doen, daar de zaak niets minder is dan eene verbintenis voor myn
+geheel leven? Geef my de vryheid, om voor my zelf te kiezen. ô Laat ik u,
+ook voor deeze gunstige toegeventheid, mogen bedanken. Ik kies immers
+eene Vrouw voor my; ik zal met haar moeten leven.--Ben ik, in myn zes-en-
+twintigste jaar, nog niet in staat, om uit myn eigen oogen te zien? Kunt
+gy my van eenige wuftheid in zaken van belang beschuldigen? Heb ik ooit
+my tegen uwen wil gekant? Moet ik nu my zelf dat verdriet aandoen? Laat
+ik u myn gansche leven mogen zegenen! Zo myne tederbeminde, als myne
+Vrouw, u met my niet zegent: zo zy uwen ouderdom niet ten troost, tot
+hulp, tot blydschap strekke; zo gy haar niet zult beminnen als eene lieve
+Dochter, vergeet dan, dat gy ooit een Zoon hadt, die zich tekent,
+
+ _Uw ootmoedige Dienaar, en liefhebbende Zoon_,
+
+ HENDRIK EDELING.
+
+
+Noot:
+
+[1] Zuiver geestelijk.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGENTIENDE BRIEF. Hendrik schrijft aan Redelijk, vertelt alles
+uitvoerig en verzoekt zijn voorspraak bij vader.
+
+
+HONDERD-TWINTIGSTE BRIEF.--Redelijk weet evenmin raad: vertrouw op God!
+--als zoon mag Hendrik niet opstaan tegen zijn vader.
+
+
+
+
+HONDERD-EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Juffrouw Burgerhart!_
+
+Ik hoor lieve historietjes van u, al hele lieve ook! Hagel en Slypsteen,
+hoe kan 't zyn? daar je zó veel verstand hebt, en daar je beter je
+Geloof verstaat dan ik, God betert; en daar ik altoos zo geraden heb,
+dat je toch den goejen weg op zoudt. Meisje, meisje! maak my niet boos;
+'t zal er anders op en over gaan; 't zal er ellements te doen zyn. Heb
+je dáárom zulke kostelyke Ouwers gehad, en moest ik dáárom zó wys met
+je zyn? Ik kom er blaauw af. Schaamt gy u niet zo te lopen rinkelrooijen
+[1] met een overgegeven Ligtmis; en u te kleden, of je in een Fransche
+Winkel stondt? En Mevrouw Buigzaam? och ja; die laat Gods watertje over
+Gods akkertje lopen; zie, dat vind ik verdord gemeen van zo een' Vrouw.
+
+Men hadt, kwanswys, geen trek tot het huwlyk; men was nog zo jong: men
+was nu zo gelukkig: zie zo; dat laat ik, ouwe gek, my maar zo op den
+mou spelden. En onderwyl speelt Madame haar rol, vliegt uit, en loopt
+met allerlei ploerten en ligte kwanten de godgantsche Stad door, komt
+by avond en onty t'huis; ja wel, zie; ik ben zo kwaad als een spin.
+Dáárom hadt gy geen zin in 't Huwlyk, met zulk een braaf man, denk ik;
+dat was de zaak: dan zou dat gedraaf en geloop uit zyn, en daar bedankte
+gy voor; niet waar? Myn naam zal evenwel geen Abraham Blankaart zyn, zo
+ik u, zo lang gy onder myne Voogdy zyt, geef aan den een of ander
+Parlevinker[2], al was hy zo ryk als de _grote Mogol_, en al was hy een
+Burgemeester van zyn hals. Ik denk, dat de brave Heer Edeling u nu wel
+zeer bedankt voor de eer van uw gezelschap: hy heeft gelyk; ik zou ook
+zo doen. Antwoordt my maar niet, want ik kom in 't kort t'huis, en zal
+dan nader met u spreken. Ik ben
+
+ Uw Voogd,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Pierewaaien.
+[2] Hier: zwendelaar.
+
+
+
+
+HONDERD-TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
+
+
+_Chere Letje!_
+
+Ik verlang, dat gy t'huis komt. Ik heb verdriet; en ik kan het niemand
+dan u toebetrouwen. Myne Willis is te statig, te deftig; onze Moederlyke
+Vriendin kan ik het nog minder zeggen, want het raakt haar ook. Lees den
+brief van den Heer Blankaart: elke regel is een dolksteek. Myn ziel is
+beroert; myn boezem klopt van spyt, verontwaardiging, en droefheid. ô!
+Ik heb vyanden, myne Letje; maar wie is de snode, die my dus mishandelt?
+die my in het duister en onbekent grieft? Hemel! verdagt te zyn van
+misdaden, die nooit in myn gedagten oprezen! gehoont te worden om
+bedoelingen, die ik nooit had; dit is zeer hart, myne Letje. Maar wie
+is die Ligtmis? de man in de maan, geloof ik; uw Broêr is een brave
+Jongen; de Heer R. staat bekent voor een zeer ordentelyk man; en met wie
+anders heb ik ooit (want Edeling is buiten alle bedenking,) den minsten
+ommegang gehad? Och, met niemand! Nyd, die my bekladt, gooit ook zeker
+dit lak op den Heer R., die my nimmer reden gaf om hem te schuwen: maar
+de smart, die dat monster my aandoet, is te groot, om daar ook eenen man,
+die my altoos met de grootste achting behandelde, in te doen delen. Onze
+dierbare Vriendin zelf vindt hem onberispelyk; en, zo zy niet geheel in
+het belang van den waardigen Edeling was, dan zou zy mooglyk zyn gedrag
+een nog beter naam geven. Ik heb vermoedens.... maar neen!... dat zou
+al te slegt, al te verfoeilyk zyn.--Hoe 't zy, ik heb een gerust geweten;
+ik heb my van vele dwaasheden te beschuldigen; doch ondeugden zyn my
+vreemt.--Ik moet geduld hebben.
+
+Ik ga wat spelen, om te zien of ik my zelf kan opheffen uit deeze
+verslagenheid.
+
+ * * * * *
+
+Daar ben ik al weêr; 't lukt niet! Ik beef, zo aangedaan ben ik.
+Hemel! verdagt te worden van zulk een man....
+
+ * * * * *
+
+_'s Nagts, half twaalf._
+
+Nu, myne liefde, heb ik u veel te schryven. Ik heb de goedaartige
+Lotje verzogt naar bed te gaan, om dat ik noodwendig schryven moest.
+De zoete ziel stonden de tranen in de oogen, "om dat zy merkte, dat ik
+droevig was; en dat onze Vriendin en ik niet zo waren, (zei zy) als
+altoos; och dat deedt haar zo leet." Heeft zy niet een recht lief
+hart, Letje? Nu, ik zal haar ook altoos voorstaan, en te regt helpen.
+
+Van middag viel er niets voor, dan dat Hartog vroeg, of de Heer
+Edeling hier niet meer aan huis kwam; waar op Juffrouw Buigzaam
+antwoordde: dat hy, om zaken van grote aangelegenheid, uit de stad
+was; er byvoegende, dat zy hem waarlyk altoos met genoegen zag.
+
+_Juffrouw Hartog_. Ja, 't is een zoete prater; hy weet nog zo wat
+oppervlakkig meê te doen; schoon ik in 't eerst groter denkbeelden van
+zyn verstand had, dan nu.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ik geef my niet uit voor een vrouw van veel
+kundigheden, om dat ik te wel weet, hoe ik er mede sta: maar my dunkt,
+dat de Heer Edeling een verstandig belezen man is, en zyn gezelschap
+overwaardig.
+
+_Ik_. Ja, ik heb misschien geen kennis van verstand, maar zo hy een
+Uilskuiken is, dan moet een man van verstand een schepzel zyn, daar ik
+niets van begryp; en ik zou een ducaat geven, om zo een man van
+verstand eens te zien.
+
+_Juffrouw Lotje_. Heden, Juffrouw Hartog, je waart evenwel de laatste
+reis zo in de weer, om hem tegen te spreken; was dat sop dan de kool
+wel waart? Zie, ik ben nou maar een eenvoudige sloof, maar daar zou ik
+my nog te wys toe rekenen.
+
+_Juffrouw Hartog_. Ja, Edeling weet zeker genoeg, om met onze Sex zo
+wat voort te komen; doch dat hy geen vogel van de verhevenste vlugt
+is, heb ik al gezien.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Mooglyk is Uwé van gedagten, dat elk, die zich
+niet met het air van Ongeloof voordoet, een lagen geest is; en dan is
+voor my niets raadzelagtigs in deeze uwe zeer vreemde gedagten over
+deezen waardigen jongen Heer.
+
+_Juffrouw Hartog_, (_schamper lachende_). "Aan de vruchten zal men u
+kennen," zegt de Bybel, en dat is immers waar?
+
+_Juffrouw Lotje_. Heer, Juffrouw, gelooft Uwé dan in den Bybel? Gy zei
+laatst, weet gy? op dien Zondag, toen ik zo zat te lezen in myn nieuwe
+Psalmen, dat de Bybel een mooi sprookje was; (_zy werdt root_;) ja, of
+gy root wordt, 't is evenwel zo, Juffrouw.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ei lieve, Juffrouw Lotje, moei u daar nu niet
+mede, om my plaisier te doen, Liefde! Is dit zó, Mejuffrouw Hartog,
+dat smart my; en ik danke Gode, dat ik nooit myne bekwaamheden heb
+willen tonen, in voor te wenden, dat ik niets geloofde; daar ik my
+niet in staat gestelt had, om wel te kunnen oordelen.
+
+_Juffrouw Hartog_. Elk zyne verkiezing, en ik verzoek die vryheid, die
+ik u laat. Gy schynt zeer gecoëffert met uw Vriend; en vriendschap
+vermag veel; doch dewyl ik de vriendschap van zo een eigenwys Heertje
+niet begeer, is myn oordeel te vryer.
+
+_Ik_. Eigenwys Heertje! die uitdrukking is niet verpligtent[1].
+
+_Juffrouw Hartog_. Hoe! is de Heer Edeling dan uw vriend ook? (_my
+spottig aanziende_.)
+
+_Ik_. Mooglyk verdient gy geen antwoord, doch ik zal beleeft zyn; ja,
+hy is myn vriend; en ik vind my met zyne vriendschap zeer verëert.
+
+_Juffrouw Hartog_. Dat kan ik wel begrypen; en die vriendschap doet
+_u_ ook veel eer.
+
+_Ik_. Zy zou zeker u niet tot schande, en nog veel minder tot verdriet
+strekken, indien _gy_ ten minsten genoeg hadt aan zyne vriendschap,
+(_zij werdt bleek_.) Kent gy den Heer Blankaart, Mejuffrouw Hartog?
+(_haar sterk aanziende_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Heden; Liefde! wat vraag is dit nu ook?
+
+_Ik_. Juffrouw Hartog zal my, vrees ik, verstaan.
+
+_Juffrouw Hartog_. Nooit hoorde ik, dat men vreesde verstaan te zullen
+worden: ha! ha!
+
+_Juffrouw Lotje_. Nu, dat's my te geleert.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En my ook, Juffrouw Lotje.
+
+_Ik_. Ja! wist gy wel, dat _ik_ zo eene Sçavante was? of liever, dat
+ik zo t'onpas iets kon vragen? Wel nu, 't zal u geen oneer zyn myn
+Voogd te kennen. Hy is wel geen geleert, maar hy is een eerlyk man;
+eene hoedanigheid, die ook al zyn prys heeft.
+
+_Juffrouw Hartog_. Och, myn lieve kind, ik zou nooit geraden hebben,
+dat er zo een man in de waereld was, zo ik u zyn naam niet wel eens
+had horen noemen: neen, ik ken hem niet.
+
+_Ik_. Men zou u occasie kunnen geven, om hem te leren kennen; doch hy
+heeft niets recommandabels dan zyn vroom eerlyk karakter.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zullen de Dames ook nog ergens van gedient zyn?
+anders zou ik verzoeken om te danken en laten afnemen: 't is my wat
+heel warm in de kamer. Wy allen bogen, dankten, en gingen de een hier,
+de andere daar. Hartog peinsde. Juffrouw Buigzaam ging in haar Tuin,
+zag hare bloemen met blyde vergenoeging. Ik stond voor 't raam, diep
+aangedaan over den ontfangen Brief. Frits had een mand spenage
+gesneden, die hy haar liet zien. "Ja, zei ze, Frits, die spenage staat
+my niet aan.--"Zy is evenwel, in uw Tuin gegroeit, Mejuffrouw."--"Al
+was zy in myn Zydkamer gegroeit, Frits, nog staat zy my niet aan."--Ik
+wou, Letje, dat ik haar toen had kunnen uitschilderen; maar nog liever
+dat gy haar toen gezien hadt! Ik ging zitten spelen, en wou myn
+verdriet weg zingen: 't was of myn vingers de kramp hadden; evenwel,
+ik dreunde lustig door. En Lotje vondt, dat ik mooi speelde: dat zeit
+al zo iets, niet waar?
+
+Wy kwamen allen in de zydkamer byëen, om thee te drinken: Myn hoofd
+was vol, en ik kneep nu en dan een traan weg: wel naarstig aan de
+zakdoeken naaijende, terwyl Lotje breide, of zy er geld meê verdiende.
+--Daar kwam zo waar de Heer R. Het denkbeeld, dat hy beschuldigt was,
+om dat men my benydde, maakte my veel vriendelyker dan ordinair; me
+dagt, dat ik hem vergoeding doen moest; en dat denk ik nog. Hy hadt
+een zeer fraaije bloem op zyn borst; hy zag, dat ik er naar keek; durf
+ik u deeze aanbieden? zei hy, en ik nam die vriendlyk aan; hy was zeer
+fraai.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Is myn Heer R. ook een Liefhebber van bloemen?
+
+_De Heer R_. Ja, Mevrouw, en ik vind, dat in deezen, zo als in alle
+zaken, de Natuur de Kunst onëindig overtreft. Ik heb ook eene kleine
+verzameling van vreemde gewassen, die men maar zelden vindt.
+
+_Ik_. De Heer Blankaart heeft my wel tienmaal belooft, my eens in den
+_Hortus Medicus_ te brengen, maar 't is er nooit toegekomen; en ik
+hoor, dat daar zulke fraaije Planten en Heesters zyn.
+
+_De Heer R_. Laat ik de eer mogen hebben, u daar eens heen te leiden:
+gy zult met verrukking zulk een rykdom der Natuur beschouwen; 't is er
+waarlyk fraai.
+
+_Ik_. 't Zou onbeleeft zyn, dit verzoek af te wyzen.
+
+_De Heer R_. Ik zou om die eer deezen dag zelf nog verzoeken, maar ik
+ben geëngageert: mag ik morgen, als het zulk heerlyk weêr is, en zo
+zonnig als nu, zo gelukkig zyn, om de Dames daar heen te brengen?
+
+_Juffrouw Hartog_. Ik bedank u; ik ben niet plantagtig; een bloem is
+by my een bloem, meer niet.
+
+_De Heer R_. En wat zegt Mevrouw?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Excuseer my, myn Heer; huisselyke bezigheden,
+en myne zwakheid laten my dit niet wel toe.
+
+_De Heer R_. Deze vriendelyke Juffrouw zal dan wel gelieven mede te
+gaan?
+
+_Juffrouw Lotje_. Ik zou 't gaarn doen, maar ik moet morgen ogtend
+tydig by myn Oom en Tante zyn, om naar den Hout te ryden.
+
+_De Heer R_. Zo dat, Mejuffrouw, gy zult u dan met myn gezelschap
+alleen zien te vermaken?
+
+_Ik_. ô, Myn Heer, maak geen complimenten.
+
+Hy boog. Nog een kwartier gezeten hebbende, zeide hy, dat hy morgen
+ten vier uuren zou maken aan huis te zyn, en vertrok. Onze Juffrouw
+Sçavante las; wy spraken weinig. Elk scheen in gedachten; myn kind
+zeker over haar vrolyk reisje naar den Hout; ik over den Brief; en
+Juffrouw Buigzaam?--dat wist ik toen nog niet!
+
+Na het thee drinken stondt de lieve Vrouw op, nam een boek mede, en
+ging in het Tuinhuis zitten; (zo als ik naderhand zag.) Ik zag
+mistroostig, ongemaklyk[2], en stond ook op, my naar den Tuin
+begevende, om ruimer adem te scheppen. Doe ik u ook belet, Juffrouw
+Buigzaam? anders ga ik weêr heen.
+
+_Zy_. Integendeel, _uw_ gezelschap is _my_ altoos aangenaam.
+
+_Ik_. Dan zal ik my by u zetten. (_Zy zag onderwyl al in haar Boek_.)
+Ik moet u iets vragen. Zyt gy misnoegt op my? als dat waar was, dan
+zou ik zeer ongelukkig zyn.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. (_Haar boek toedoende_.) Misnoegt? Hier uit moet
+ik opmaken, of, dat gy my voor zeer grillig houdt, en dat hoop ik
+nooit te verdienen; of, dat gy meent, my eenige reden daar toe gegeven
+te hebben.
+
+_Ik_. Zo ik u van grilligheid verdagt hield, dan zou uw misnoegen my
+niet ter harte gaan; dewyl ik begryp, dat de capritieuse vrouwen geen
+meer achting verdienen dan capritieuse mannen.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En doet het u waarlyk leet, dat ik niet zo
+gemeenzaam met u ben als van te voren?
+
+_Ik_. Ja, zeker; maar dat gy my dit vraagt, treft my niet minder. Gy
+weet dan nog niet, hoe hoog ik u acht; of hoe hartlyk ik u bemin; en
+hoe zal ik u daar ooit van kunnen overtuigen? (_Ik had tranen in myne
+oogen_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. _Als_ gy my in dat licht beschouwt, dat ik
+waarlyk uwe achting niet onwaardig ben, waarom maakt gy dan zo weinig
+gebruik van myne oprechte vermaningen?
+
+_Ik_. _Als_, zegt gy met nadruk!
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Is het zo niet? Kom aan, wy zitten hier nu onder
+vier oogen. Laat ik eens met u praten: wilt gy?
+
+_Ik_. Niets zal my aangenamer zyn. Maar zeker, zyt gy t' onvreden?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ja! en nog meer verdrietig: ik heb u te lief, om
+niet beide te zyn.
+
+_Ik_. Wees nu alles wat gy maar wilt, indien gy my maar lief hebt: Mag
+ik u echter vragen, wat u hier toe beweegt?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Uwe eigene onvoorzichtigheid.
+
+_Ik_. (_Ik werd ongemakkelyk, en zy zag het óók_.) Myne eigene
+onvoorzichtigheid!
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Niets anders.... Maar my dunkt, dat gy niet zeer
+geschikt zyt, om thans onaangename waarheden te horen; en ik beken,
+dat ik geen recht heb om u die te zeggen, ten zy de vriendschap my dat
+recht geeft. Willen wy de zaak daar laten?
+
+_Ik_. Zo als gy verkiest: niemand hoort gaarne onaangename waarheden;
+'t is des geen mirakel, dat ik er niet veel smaak in heb. (_Zy zag my
+zeer bedaart, doch niet minzaam, aan_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. O myn kind, speel niet met uw eigen geluk! (_Dit
+woord brak myn trotschheid; ik rees op, omhelsde haar, schreide aan
+haar hals; zy kuschte myne gloeijende wang, trok een stoel naast den
+haren, en zei_:) Zit, myne Liefde; waarlyk, ik meen het wel met u.
+--(_Ik kon niet spreken, ik snikte_.) Zy ging voort: De Voorzienigheid,
+die alles in de zedelyke en natuurlyke waereld bestuurt, die altoos voor
+alle hare schepzelen het beste beöogt, heeft u, tegen uw uitzicht aan,
+by my gebragt. Dat ik u lief kreeg, was zeer natuurlyk; dat gy my met
+achting behandelde, ingelyks. Ik leerde u kennen, ik zag, dat gy een
+voortreffelyk jong mensch waart; en dat, zo gy altoos uw schrander
+oordeel volgde, zo gy altoos[3] in goede handen vielt, vooral, zo gy de
+vrouw wierdt van een achtingwaardig, u beminnent man, gy een voorbeeld
+in het huisselyk leven zoudt kunnen worden, om dat gy u dan zoudt
+verheffen boven uwe sterke neigingen tot zulke vermaken, die nooit onze
+pligten moeten uit den weg stoten, of zy worden hoogst afkeurelyk. Geen
+meisje van zulk een edelen geest doet ook iets uit dwang: en mogelyk zou
+ik, indien dit het eenige goede middel voor u ware, uit alle vrouwen
+minst geschikt zyn, om u nuttig te zyn.
+
+Gy krygt gelegenheid om eene party te doen, die zelf uwe zalige Ouders,
+(zyn zy nu nog vatbaar voor aandoeningen, die uit deeze beneden waereld
+ontstaan; iets, dat my zo voorkomt,) moet verheugen. Elk, die belang in
+u neemt, wenscht, dat gy toch moogt besluiten, om u van dat geluk te
+verzekeren. De man, zo beminlyk, zo edel denkent, en zo volmaakt geschikt
+voor u, als gy voor hem zyt. Wat doet gy? Dat gy hem nog niet genoeg
+bemint, om hem u zelf te geven, daar op is niets te zeggen: maar gy geeft
+u dermate toe in uitspanningen, die in 't oog vallen, dat de Waereld niet
+nalaat, om u zó aftebeelden, als gy nooit worden kunt: men houdt u voor
+_Coquet_, voor _une Dame du Ton_; voor een Meisje, dat zich, in alle hare
+daden, geen ander oogmerk voorstelt dan Divertissement. Kan ik, die u als
+myne eigen Dochter bemin, dit zien, zonder op u misnoegt, en over uw
+gedrag zelf bedroeft te zyn? Gy weet, Liefde, dat ik geen behagen heb in
+den Heer R.; ook niet, (dit volgt er uit,) dat gy met hem uitgaat. Ik kan,
+dat is waar, u wel geen reden geven van deeze ongunstige aandoening; doch
+gy weet echter, dat gy my veel genoegen zoudt aandoen, indien gy deeze, u
+onschadelyke, opvatting in acht geliefde te nemen: dat doet gy niet; en
+nog deezen namiddag geeft gy weêr uw woord.
+
+_Ik._ Hadt gy my maar één woord gezegt!
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Wanneer moest ik u dit ééne woord gezegt hebben?
+Vóór de zaak gebeurde? gy waart niet zo gehumeurt als voortyds; gy
+hadt iets, dat u trof; en ik was de Confidente niet. ô Liefde! niets
+ontglipt my van u; ik moet voor u zorgen, myne genegenheid gebiedt het
+my, al zo zeer als myn pligt.
+
+_Ik._ Ik heb vyanden: ik word gelastert.
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Dat kan niet anders: en zo gy voortgaat, met hen
+stof te verschaffen, zullen zy u nog anders kwellen. Maar, (om ons
+discours te vervolgen,) toen het voorstel geschiedde? Ei lieve, wat
+recht heb ik, om u in gezelschap te behandelen of gy myne mindere
+waart, aan wie ik alles mag zeggen? om, met één woord, als uwe
+Gouvernante te handelen? Ik denk, dat dit u óók maar matigjes zou
+hebben aangestaan.
+
+_Ik._ Wel, wat kwaad is er dan in, dat ik met een fatsoenlyk man den
+_Hortus Medicus_ ga zien?
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Net zo veel kwaad, als of gy u door Frits naar de
+kerk liet brengen. Van het kwade spreken wy ook niet: al, wat dien naam
+verdient, is beneden u; dat weet ik zeer zeker: maar zo gy waarlyk myne
+Dochter waart, dan zou ik u, al wat u geen goed gerucht door uwe vyanden
+kon geven, u volstrekt verbieden: _Het heeft immers zulk een haast niet,
+zoude ik zeggen myn Heer; myne Dochter zal, met haar Voogd Blankaart,
+die haar dit belooft heeft, den een of andren dag dat vermaakje wel eens
+nemen._ Gy waart ook buitengemeen vriendelyk tegen hem.
+
+_Ik._ Hy wordt, buiten zyn weten, om mynent wil beledigt; en dat valt
+my te zwaar, om hem, ook buiten zyn weten, daar geene vergoeding voor
+te doen: doch, zo uw mishagen gegront is, wel, gy zyt meestresse van
+uw huis; wagt hem nooit meer af.
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Ik wagt hem nooit af. Hy is een fatsoenlyk man,
+ik kan my, op zo eene directe wys, van myn recht als Meestresse ook
+nog al zo niet bedienen: maar indien gy, ten zynen opzichte, minder
+gemeenzaam waart; indien gy, als hy inkwam, opstondt, onder het een
+of ander voorwendzel, en voornam, altoos te bedanken voor alle zyne
+aanbiedingen, dan zou de Heer R. wel dra verdwynen, en ons geen
+verschilstoffe aan de hand geven.
+
+_Ik._ Daar toe heb ik geen reden; en dewyl ik hem niet anders ken dan
+voor een fatsoenlyk, aangenaam man, die zich een eere maakt in my
+plaisier te doen, kan ik daar niet toe besluiten: indien ik den Heer
+Edeling beminde, indien ik hem eenige hoop gaf op myne bezitting, dan
+was het eene andere zaak; en ik zou dan juist doen, zo als gy nu van
+my eischt, dat ik doe.
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Ik eisch het niet van u; uw eigen geluk, uwe
+achting voor u zelf, uwe achting voor den Heer Edeling, eischen dit.
+_Ik_ heb niets te eischen: al wat ik doen kan, is u ten besten raden,
+en dat doe ik waarlyk: gave de Hemel, dat myne zorg voor u geheel
+nodeloos was! want, hoe het ook ware, uw ongeluk zou myn hart doen
+bloeden. Ik bemin u, myn kind: ik zie zo veel goeds in u; uwe
+dwaasheden zelf groeijen op den besten grond. (_Ik weende._)
+
+_Ik._ Dierbare Vrouw! vergeef my deeze eene reis myne verkeerde losse
+toegeventheid! Nooit, nooit zal ik weêr bedroeven, gy zult alle myne
+daaden en gedagten regelen; ik zal den Heer Edeling recht doen. Ik heb
+dit alles zo niet beschouwt, ô! Wat zou ik ongelukkig zyn, zo ik u
+verloor! Dat zie ik meer en meer; maar ik zal alles vergoeden; ik zal
+met u, en met Letje huisselyk leven; wy zullen niet dan met Edeling,
+of haar Broêr, nu en dan eens een uitvlugtje nemen; als gy 't zelf
+goed vindt, anders niet. Zie daar, ik geef my, ter myner verbetering,
+geheel aan u over! (_Zy drukte my aan haaren boezem_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Myn eigen lief kind! alles is nu wel, alles is
+afgedaan; ik weet, dat gy het oprechtste meisje van de waereld zyt;
+en dat gy ook doen zult, méér nog dan gy my belooft.
+
+Na nog wat zittens en minzaam samenpratens, vroeg zy my, of wy wat
+wilden gaan musiceeren? ô Zeer gaarn, zei ik. Zy droogde, met haar
+eigen zakdoek, een traantje of vier af, kuschte my; haalde myn Voile
+wat neêr, op dat niemand myn beschreit gelaat zien zou, (denk ik,) en
+wy gingen elk voor 't Clavier. Nooit speelde zy zo verrukkelyk; al
+hare tonen stemden met myn ziel, en zy zong haar favorite Air:
+
+ _Ah! que l'amour est chose jolie_!
+
+zo heerlyk, dat myne vingers stil stonden. Vervolgens spraken wy van
+den Heer Edeling, en over zyne t'huiskomst. Hebt gy hem, vroeg zy,
+eenig gunstig onthaal toegeschikt?
+
+_Ik_. Wel, ik verlang waarlyk, dat hy hier is; ik weet het niet, maar
+er [is] iets zo ledigs, nu hy hier niet is: dunkt u dat ook niet? me
+dunkt, dat Letje en hy zo recht by ons behoren. Ik wist niet, dat ik
+zó over hem denken zou, nu hy hier niet is; doch 't is echter niet
+anders. (_Zy glimlachte, en noemde my Engel_.) En vraagt gy nu,
+"waarom vertrouwde gy haar den Brief van uwen Voogd niet toe?" Om dat
+ik, zelf voor deeze dierbare Vrouw, niet wil weten, dat zy in dit
+opzicht het zo wel hadt. Dit is mooglyk verkeert; maar neen: die
+vernedering is my te smartelyk.
+
+Ik was byzonder stil onder ons soupéetje; Juffrouw Buigzaam insgelyks;
+beide mooglyk uit verdriet, dat wy verschil gehad hadden. Lotje durfde
+niet spreken, dan met de Kat, en Hartog hieldt een deftig, styf,
+peinsagtig air. Wy gingen vroeg naar bed, en nu schryf ik u deezen,
+om hem by de eerste occasie te verzenden. Nagt Liefde. Kom spoedig by
+
+ Uw teder liefhebbende Vriendin
+
+ SARA BURGERHART.
+
+P.S. De Brief van myn Voogd sluit ik hier in.
+
+
+Noten:
+
+[1] Vleiend.
+[2] Ontstemd.
+[3] Tenminste.
+
+
+
+
+HONDERD-DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER R. AAN DEN HEER G.
+
+
+_Vriend Jan!_
+
+Uit is de klugt! de myne--de myne is zy, moet, zal zy zyn. ô! Dat lief
+Bekje! En hadt gy waarlyk zin om den _Hortus Medicus_ te zien? Nu,
+Schat, gy zult veel méér zien; of ik verdien voor schelm uit het
+Regiment Ligtmissen gejaagt te worden. En kon Mevrouw Buigzaam niet om
+huisselyke zaken? ô Ik heb achting voor _huishoudende Vrouwen_; gy doet
+wel, schone Weduw!
+
+Bezorg, dat morgen voor den middag myn Fargon en de harddravers, _Kwast_
+en _Bles_, gereet zyn, om naar buiten, doch langs een omweg te ryden.
+Hou u daar van daan: ik heb u niet noodig; zeg alleen aan den Tuinbaas,
+_dat ik met een meisje kom_, dan weet hy genoeg. Hy moet my niet kennen
+voor 't nodig is; en dan zal ik hem dat wel beduiden. Hy is een gaauwe
+Kerel; hy moet maar niet weten, dat deeze Dame geen maitres van my is;
+want hy babbelt dan maar weêr van zyn conscientie; en, schoon ik op geen
+hand vol ducaten zie, als ik wellust kopen wil, zo hoef ik hem echter
+niet te vroeg ryk te maken. Ik zal Buiten zyn tegen vyf uuren, of half
+zes: de Fargon[1] moet in 't koetshuis, en de Paarden moeten, zo als zy
+van voor 't rytuig komen, op stal gezet worden. Ik zal de rest wel
+schikken. Philips moet maar te rug gaan.
+
+Onthou myn orders wel. Daar! daar hebt gy vyftig ducaten, om uw schulden
+van eer te betalen. Ik ben flaauw van vreugd. Zo een meisje; zo een engel;
+zo rein als een Kind; zo onkundig van haar gevaar; die niet eens vermoedt,
+dat ik de Belsebub ben, die het op haar bederf toelegt! want trouwen,
+Liefstetje, daar kan ik niet aan doen. Zie; zo praat ik al in en met my
+zelf.
+
+ R.
+
+
+Noot:
+
+[1] Fourgon? Hier: gesloten wagen.
+
+
+
+
+HONDERD-VIER EN TWINTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland aan Sara: Benjamin
+en Slimpslamp _zijn er met bijna al haar geld van door_! Ze vraagt
+vergiffenis aan Sara en voorspraak bij Blankaart.
+
+
+HONDERD-VIJF EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara _vergeeft alles en belooft
+voorspraak_. Zal zelf komen.
+
+
+HONDERD-ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Saartje is
+zoek! _Ze is met_ R. _uitgegaan en niet teruggekeerd_. Ze wachtten op
+haar den dag, den nacht, in doodelijke spanning; eindelijk, _om vijf
+uur, daar is_ Sara. O, o!--die vreeselijke R! Gelukkig Saartje _is
+ongedeerd gebleven maar heelemaal overstuur_. Hendrik is er zelf ziek
+van!
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT.
+
+
+_Lieve Vriendinne!_
+
+Ik ben te beschaamt, om je onder de oogen te komen, daarom schryf ik u
+deezen Brief. Och! ik ben een verloren menschje! Had ik toch naar je
+gehoort; maar, wat zal ik zeggen? Ik geloof, dat myne zonden my alle
+deeze elenden hebben op myn hoofd gehaald, och ja! Ik was recht
+toornigjes op u, toen gy laatst by my waart: want ik meende, dat je zo
+niet tot het diepste van ons wegje waart doorgekropen; dat het allegaar
+zoo maar stukwerk was, om dat je zo weinig zin hadt aan Broeder Benjamin.
+Wat heb ik my voor den Here vernedert, om dat ik eenigen agterdogt omtrent
+dien Huichelaar plaats gaf! 't is een Belials-kind, een uitgepleisterd
+graf, van binnen vol stank en doodsbeenderen. En zy is eene Jezabel. Zy
+heeft my strikken gespannen; zy heeft my op myn droggrond neêrgezet. Zy
+heeft my wys gemaakt, dat al myne ongerustheid ingevingen des Duivels
+waren. Zy is eene Architofellinne, die my nog voor agt dagen zo een
+goddelozen raad gaf, met opzicht tot myn Nichtje Burgerhart. Maar de
+Here liet zyn schepzeltje niet los: en toen schreef zy my een Briefje
+van berouw, in zulk een gezalfden styl, Styntje! zy kermde daar in,
+dat zy nu twee dagen en drie uuren in 's Duivels magt geweest was. O,
+'t was zo een dierbaar Briefje! En toen was het, dat zy tegen den
+Hypocryt zei, _kom, laten wij een graf graven, ende Zanneke daar in
+werpen_; want zy liet my belet vragen; zy hadt zalving voor haar
+verbryzelt herte nodig, en Broeder zou dan, nu des Heren yver hem
+vervulde, eens regt zielnadereade en gemoedelyk oeffenen. Wat stelde
+ik my een gezegent dagje voor! ja, Styntje, ik liet het gemeste kalfje
+slagten, en de zegeningen der linkerhand werden niet gespaart. Och, ik
+ben toch altoos zo een Kruipertje op het genadenwegje, en was zeer
+gesticht. Benjamin was eerst een regte Boanerges, en toen een Zone der
+vertroosting; en Slimslamp was geheel in een afgezakten staat; doch
+daarna geheel heilige vreugde, zo zei dat Ezeltje. Ik merk, zei de
+goddeloze man, dat hier van avond een byzondere zegen over het werk
+van myn dienst is. Uw huis is een Bethel, Zuster, een Nieuwkerk, laten
+wy dan blyde zyn: drink, Vriendinnetje, je bent al te bedroeft geweest
+en je leven is den Sionieten dierbaar. Nu moet je weten, Styntje, dat
+ik niets verdragen kan; myn hoofdje is zo zwakjes, zo zwakjes: och ja!
+en toen raadden zy my wat te gaan liggen, en dat deed ik. ô Wat
+bezorgden zy my! maar ik was danig bedwelmt.--'s Ogtends ontwaakte ik
+vry wel, maar ik was toch bezwaart, om dat ik onder zo vele stichting
+my door het schepzeltje had laten vangen. Bregt was ook ziek, zei ze.
+'t Was laat, toen wy opstonden; zy was stom dronken geweest. Daar ga
+ik in myn binnenkamer, en zie myn Geldkoffertje niet, daar het plagt
+te staan: "Bregtje, riep ik, heb jy 't Kistje verzet?" "Och neen, zei
+ze, is 't weg? en ook 't zou my wat zwaar zyn alleen." Want Styntje,
+ik had veel contant geld van afgeloste Obligatiën, en een Huis, dat ik
+verkogt had, en myne Juwelen lagen er ook allegaar in; en daar hing zo
+een groen kleedje over; och ja, Styntje, Bregt vertelde my toen, dat
+Keetje haar wyn hadt ingedrongen, (maar dat zei ze ook eens van myn
+Nichtje,) en dat zy haar toen in de keuken op kussens hadden neêrgelegt;
+meer wist zy niet te zeggen. Nog dogt ik geen kwaat van die Hellewigten.
+Och, dagt ik, Bregt zal de deur hebben open gelaten, en 't Kistje zal
+gestolen zyn! Ik zond een kruijer naar Benjamins kamer, en naar die van
+Kee; maar de Buren zeiden, dat de Kamers leeg waren, dat zy voor een dag
+of agt wel meubeltjes hadden zien wegbrengen, maar wisten niet waarhenen.
+Ik ging voort naar Domine P., die my raadde het in de Courant te zetten,
+en zo te zien, dat zy in handen der Justitie kwamen, dat zal ik doen. Nu
+ben ik wel twee derde deel van myn goedje kwyt. En al myn Nichtjes goed
+hebben zy laten staan. Bregt, nu zy weet, dat ik arm ben, bejegent my
+vreselyk en vreselyk. Nu zal dat jonge dartele Saartje lachen, en my
+bespotten; en de Heer Blankaart, haar Voogd, komt ook t'huis. 't Water
+is aan de lippen. Ja, dien man heb ik ook zo belastert; och ja!
+
+Hy heeft het wel gezeit! Zanneke, zei hy, dat volk loopt op je zak, ze
+bedriegen je. Jy bent een regte Saulus, zei ik dan. En wat gaf Benjamin
+niet voor, dat hy zo eene innerlyke dingsigheid voor my hadt: hy was jong,
+moet je weten; hy hoopte, dat wy nog eens tot éénen vleesche zouden worden,
+wy die twee waren van natuur. Wel heden, Styntje, het er niet een heel
+praatje gegaan, dat ik één jok met den Broeder zou aantrekken; en heeft
+de Heer Blankaart, heel in dat Paapsche Vrankryk, er zich niet mede
+bemoeit? Als ik zo alles nadenk, zou ik myn gryze hair wel uit men hoofd
+scheuren. Myn geld, myn kostelyke geldje is weg, ik ben bedrogen. Och! wat
+ben ik een droevig sukkeltje! En hoe zal myn Nicht nu tot opspringens toe
+blyde zyn! Nu zal zy zeggen, straft onze lieve Heer myn Tante, die my zo
+kwalyk bejegent heeft. Zie, ik moest je dat zo allegaar eens schryven.
+Schryf een lettertje aan
+
+ Uwe elendige Zusje,
+
+ ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+[Illustratie: ha! da's een kereltje! zei hij!
+Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave
+van 1782.]
+
+
+
+
+HONDERD-ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+_Vriendinne Hofland!_
+
+Ik weet nog niet, of ik my over uw geval bedroeven of verblyden moet:
+maar ik ben zeer neêrslagtig, als ik zie, dat er zulke goddeloze
+menschen in de Waereld zyn, die, _onder den dekmantel der Godzaligheid_,
+erger doen dan zy, die niet leven onder de indrukken van Dood en
+Eeuwigheid. Gy zyt dan het slagtoffer hunner geveinstheid en godloosheid!
+Wat zal ik zeggen! De wegen des Heren zyn onnaarspeurbaar, en de middelen,
+die hy aanwendt, om verdoolde schapen tot de regte Kooi weêr te brengen,
+aanbiddelyk. Ik verheug my, dat de Here u zo lief heeft, dat hy u juist
+ontneemt, daar gy uw hart op gestelt hebt, en waardoor gy altoos in 't
+goede te rug gehouden wierdt. Ik heb u lang met meêlyden beschouwt, om
+dat ik zulk schuim van Oefningsvolkje kende.--Ik weet, dat men daar, met
+oogen vol overspel, en een hart vol boosheid, een vrybrief naar den Hemel
+krygt; en ik ben in lang voor een openbaar zondig mensch zo bang niet, als
+voor zulk soort. Wel, zo de Apostel Petrus eens in uwe Oeffening gekomen
+was, dan zou hy tegen Benjamin ook gezeit hebben: _ô! gy kind der Helle,
+vol van alle bedrog en godloosheid_, zo als hy tegen Simon den Tovenaar
+zei.
+
+Ik heb u, daar ik God nog voor dank, gewaarschuwt. Wat zou ik my anders
+nu bezwaart gevoelen! Maar gy zaagt my aan voor hunne Vyandinne, en ik
+vond geen ingang tot uw verbystert hart. De Here zelf moest u uwe zonden
+voor oogen stellen. Gy waart gierig, onrechtvaardig, boosaartig, nydig;
+gy deedt uw eige Zusters Dochtertje te kort. De gierigheid zou u voor
+altoos bedorven hebben; want gy waart gerust in uwe ongerechtigheden;
+men maakte u wys, dat dit uwe Koningszonde was; dat gy zo iets moest
+hebben, om u laagjes te houden; zo een _Engel Satanas_, die u sloeg. Hoe
+meer gy afweekt van het kenmerk eens waren discipels des Heren, hoe meer
+men u wys maakte, dat _gy by Jezus waart_.
+
+Om u tot bekering te brengen, ontneemt de Here u dat goed, en wel door
+uwe geveinsde Vrienden. Gy hadt met Gods oude Volk twee ongerechtigheden
+begaan. _Hem, den Springader des levendigen Waters, hadt gy verlaten, en
+u zelf gebroken Bakken uitgehouwen, die geen water en houden_. Is u de
+Bekeering ernst, wel zie daar, ik geef u een zeer goed Toetssteentje.
+Kunt gy Gode hartelyk danken, om dat hy u dat aangebeden geld ontnomen
+heeft? Kunt gy u in Gode verblyden, om dat gy uit zulk een _geestlyk
+Sodom_ geret zyt? Kunt gy besluiten, om aan uwe Nicht schuld te bekennen,
+haar al het hare te geven? Kunt gy den Heer Blankaart om vergeving bidden;
+om dat gy zyn Voogd-Kind als gedwongen hebt, om, in hare jonge jaren, de
+ruime Waereld in te gaan? Ik vraag u niet, of gy uit waar berouw u voor
+den Here kunt vernederen; als gy het eerste doet, zal dat wel volgen; en
+kunt gy tot het eerste niet komen, het laatste zal u weinig helpen. Ja,
+Vriendinne, het zal danig op den ouden mensch der zonde aankomen. Maar
+dit is de ware zelfsverlochening. Dit is de Evangelische Leer. Dit is het
+_Innig Christendom_. Buiten dit is alles ydelheid; _dan hebt gy geen
+Godsdienst_. Doet gy dit al? dan zult gy vreugde en rust hebben, en gy
+zult den Here danken, om dat hy u uwen afgod ontnomen heeft. Gy zult
+zien, dat uw verlies tot winst wordt.
+
+Laat Bregt gaan, zo gy kunt; zy voegt beter by de Benjamins en
+Slimpslamps, dan by u. Ik zal u een goed mensch bezorgen, om uw werk
+te doen, tot dat wy weten wat en hoe. Vervolg de boze Huichelaars
+niet; 't is geld vergeefsch uitgeven, en u zelf tot bespotting
+maken.--Als ik weet, of gy mynen raad goedkeurt en opvolgt, zal ik
+verder met u spreken. Beproef u aan het Heilig woord, en laat my eens
+weten, hoe gy gezint zyt; want daar van zal myn gemoedshandel met u
+afhangen. Beproef ook, of myn raad uit God is. Altyd gedenk ik u in
+myne gebeden, want ik ben in waarheid
+
+ Uwe Vriendinne,
+
+ STYNTJE DOORZICHT.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Arnold Helmers, Aletta's vroegere
+weldoener, schrijft haar: neem neef Pieter, _is zeer geschikt voor
+je_.
+
+
+HONDERD-DERTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland komt tot de lektuur van
+_Thomas à Kempis_: Imitatio Christi. Brecht _is in een bierkroeg
+verzeild_.
+
+
+HONDERD-EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik heeft Sara gesproken; _zeer
+zwak, maar beterend_.
+
+
+HONDERD-TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.--Aletta aan Helmers; ze kent Pieter
+heelemaal niet! maar haar hart is vrij, misschien....
+
+
+HONDERD-DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.--Stijntje Doorzicht héél wijs en
+vroom aan Zuzanna Hofland: ze haat volk als Benjamin c.s.; van Sara
+heeft ze een lieven indruk.
+
+
+HONDERD-VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis bericht Sara de
+thuiskomst van Moeder en haar; ze zullen veel te praten hebben. _Zij
+weet van de historie met R. niets_. Zij zelf gaat binnenkort trouwen.
+Is Smit eenmaal ergens beroepen, dan _blijft_ hij er; _hij is
+gematigd, houdt niet van godsdiensttwist_.
+
+
+HONDERD-VIJF EN DERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan H. Edeling; zij
+houdt den zieken Hendrik op de hoogte; Sara _gevoelt zich_ H. _nu
+vooral niet meer waardig_, toch verlangt ze naar Hendrik, evenals naar
+Blankaart, _die al op reis is_ huiswaarts.
+
+
+
+
+HONDERD-ZES EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
+
+
+_Ge-eerde vrouw!_
+
+Gy zyt immers niet moeilyk, om dat ik uwen laatsten Brief niet
+beäntwoort heb? Hoor, Mevrouw, ik ben niet al te wel te vreden op u,
+en knorren op eene vrouw, dat is my onmooglyk; (op een stout meisje
+bruit er nog zo wat meê heen.) Maar, zie, ik kan ongelyk hebben: nu,
+wy zullen dat appeltje wel schillen; want ik kom t'huis, en 't zal er
+onder en overgaan, zo Saartje maar zie zo veel op de kerfstok heeft;
+en als het op de eene regent, zal het op de andere druppelen; want men
+heeft my zo wat gezegt, dat my verdort en verdort weinig aanstaat. Jan
+struksje! als ik evenwel eens bedrogen was? wel, dan wierd ik averegts;
+en ik mogt u wel, met een strop om myn hals, en een brandende kaars in
+myn hand, om vergeving bidden; zo als ik hier wel gezien heb, dat de
+Papen voor de Heilige Maagd deden.
+
+Nu, dat zal zich wel redden! Ik zal u onderwyl maar eens verhalen, dat
+ik met twee goeje, grote, lange Hollandsche Jongens t'huis kom. Ja, ik
+heb al rare klugten! Daar kom ik, 's daags voor ik uit Parys gaan zal,
+in een Hollandsen Logement, het eenige, dat er in de hele godgantsche
+Stad te vinden is; en daar ik meermaal naar toe ga om eens Hollandsche
+knap te eeten, en een schoon servet te hebben. Ik zit vredig en wel aan
+myn tafeltje; met Snap, myn Patryshond, zo aan myn zy, braaf te schransen,
+toen er een fraai jong Heer inkomt, die er uitzag als een bloeijende roos,
+en dat neemt my aanstonds ten voordeel van zulke jonge maats in. Hy sprak
+zeer goed Hollandsen: jy bent geen Fransch fatsoen, dogt ik, maar wie ben
+je? Nu, ik kon dat zo niet vragen: _hei, hoor eens hier! jy, met die
+groene rok daar, wie ben je_? Nog geen half kwartier daar aan, of daar
+komt myn oude kennis, myn beste Willis. Ik stond op, en gaf hem, op zyn
+vaderlands, de hand. Welkom, myn jongen, zei ik: kom, zit aan, en eet wat
+met my; en ik vroeg hem duizend vragen te gelyk. "ô, Zei de goeje jongen,
+myn Heer Blankaart, wat heb ik naar u gezogt! men zeide, dat gy vroeg
+waart uitgegaan, meer niet; ik heb wel in vyftig Coffyhuizen en Logementen
+geweest, gy waart er niet; eindlyk zei een Heer, die u scheen te kennen,
+dat de goede Heer Blankaart zeker aan zyne Hollandsche maaltyd zat; en hier
+uit besloot ik, die uwe gewoonte ken, dat gy in dit Logement waart:" Hy
+vroeg my aanstonds naar het stout Dingetje; en ik zei, dat alles wel was;
+wat zou ik gezeit hebben?
+
+Myn mooije jongen hoorde naauwlyks, dat ik Abraham Blankaart was, of hy
+kwam by my, en zei, dat hy ook verzogt om de eer van met my te eeten;
+"ik kan my niet beter by u recommandeeren," zei hy, "dan door u te zeggen,
+dat Hendrik Edeling myn eigen Broeder is."
+
+Zie, Mevrouw, dat was my zo aangenaam, zo aangenaam, dat ik het niet
+zeggen kan. Komt, kinderen, zei ik, zit aan, en weest myne Gasten. Zy
+aten als rovers; en de wyn, die 't hart verheugt, smaakte zo goed, dat
+ik myn flesje kraakte. Toen aan 't praten over Oost en West, over
+negotie, over ik weet niet al waar van. Zie, onze jonge lui weten toch
+veel meer dan wy; dat is niet anders; en daar ben ik blyd om. Edeling
+zei, dat hy op zyn vertrek naar Holland stondt. Willem zei ook zo;
+doch dat hy nog drie dagen moest vertoeven, om aan zyn Patroons order
+te voldoen. Wel, zei Edeling, dan zal ik naar u wagten. Ja, zei ik zo,
+jonge lui, ik meen ook te gaan. Daar hadt men 't leven gaande! "dat ik
+hun toch mede nemen wilde; dat zy toch zo gaarn met my wilden reizen."
+Wat zou ik doen? Ik ben een ouwe Gek; om die twee jonge vlasbaarden
+werdt myn reis nu nog drie dagen uitgestelt. Nu, wie weet, hoe wel ik
+er aan doe? Als 't immers myne kinderen waren, zou ik blyde zyn, dat
+zy met een ordentlyk man t'huis kwamen; en ook, 't zyn lieve jongens!
+Edeling is niets dan vreugd en vernuft; en Willem, wel, dat is de
+beste jongen in heel Amsterdam, zeg ik u.
+
+Toen wy van tafel opstonden, zei ik: "Kom, jongens, nu zullen wy eens
+hier en daar gaan, en het een en ander gaan zien. Die te Romen is,
+moet den Paus spreken;" en ik sleepte hen ook braaf door den mostert:
+Maar wat ben ik nu in myn kragt! Nu hoef ik myn schrale voorraat van
+Fransch niet benaauwt uit te stallen. Dat koetert, dat koetert; 't is
+of die Edeling zyn tong voor 't Fransch gemaakt is. Tegen den avond
+ging ik met hun naar mynent, en zei: "komt, haal je lui je Valiezen
+maar; ik moet je lui by my houden." Wel, myn hart springt op, als ik
+een Hollander zie; en geen wonder, myn Snap is net al eens: en dat is
+nu maar een hond, wil ik spreken; zo dat ik hield hen beide, en dogt;
+"'t Is een verleidelyke plaats; en als zy by myn zyn, valt er niet op
+marode[1] te gaan." De beide jongens hebben veel met elkander op; dat
+is braaf: men weet niet, waar het te pas komt, een mensch zonder
+vriend is een droevig schepzel. Daar was nu Saartjes Vader, wel die
+was my zo een waart vriend, dat zyn plaats in myn hart maar niet kan
+gevult worden. Mooglyk, als wy zo wat oudägtig worden, Mevrouw, wil
+dat zo goed niet meer. _Alles_, zeit de wyze man, _heeft zyn tyd_.
+En 't is ook zo; ik ondervind het zelf wel.
+
+Ik meen myn reis op Brussel te nemen, en het heerlyk Brabandsch
+Quartier nog eens door te trekken; dan gaan wy op Antwerpen, daar ik
+ook nog iets te doen heb, en denk over Rotterdam naar Amsterdam te
+komen, om het overschot myner dagen buiten beslommering door te leven,
+tot dat de Here God Abraham Blankaart in zyn zalig ryk zal opnemen;
+want dat is toch het voornaamste, en daar by is al ons gedraaf en
+gewin maar fut. Ik ben nu ruim vyftig jaar, en schoon ik, God dank! zo
+gezont als een visch ben, en noch van ziekte of podagra weet, zo denk
+ik, dat het best is om voor de grote reis zo onder de hand wat
+klarigheid te maken; want men kan toch nooit weten, wanneer het de
+Dood gelegen komt ons te bezoeken, zo dat het best is om altoos gereet
+te zyn. Wat zegt gy, Mevrouw? Als ik de stoute Meid maar gelukkig in
+het fuikje zie, dan is alles wel. Nu, Mevrouw, zo als ik zeg, ik ben
+knorrig op u. _Men hoort verre, dat de Winter kout is: maar, als de
+maan vol is, schynt zy overal_. Groet myn meisje, en geloof dat ik van
+harte ben
+
+ Uw misnoegde Vriend,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noot:
+
+[1] Maraudage, hier "avontuurtjes".
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER WILLEM WILLIS AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
+
+
+_Tederbeminde Hoogstge-eerde Moeder_!
+
+Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, dat er voor my gelegen is,
+in u myne gedagten medetedelen, en om u, het geen my, is het van eenig
+belang, ontmoet, te schryven. Uwen dierbaren Brief heb ik met de
+oprechtste dankbaarheid en eerbied gelezen. Ik hoop, dat ik u niet ten
+eenenmale zal hebben te leur gestelt, omtrent uw verlangen nopens de
+beminnelyke Juffrouw Burgerhart. Het geen my hier is voorgekomen,
+geeft my, ter bereiking van uw oogmerk, nieuwe vermogens; om dat ik
+waarlyk zó wensch te doen, als uwe Moederlyke liefde van my vordert.
+
+Toen ik te Parys kwam, was myn eerste werk, om den Heer Blankaart op
+te zoeken: dit gelukte my, na veel lopens en dravens. Ik vond hem den
+zelfden man, als ik hem altoos vond. Hy was zeer verheugt my te zien,
+en heeft, om met my, en nog een Amsterdams Heer, Cornelis Edeling, te
+kunnen reizen, zyn reis nog drie dagen uitgestelt. Wy logeeren by hem.
+Hy moet zeer ryk zyn, want hy leeft hier net als in zyn eigen huis. Gy
+kunt wel denken, lieve Moeder, dat ik voort naar myne Beminde vroeg?
+'t Was alles wel; zei hy. Des avonds by elkander zittende na dat wy
+den maaltyd gedaan hebben, zat hy in zyn praatstoel, en vroeg ons, of
+wy nog geen meisje hadden? Ik zuchtte. Edeling lachte. "Dat zou, zei
+de jonge Heer, schande zyn voor ons, geen meisje, en drie vier en
+twintig jaar!"--"Eer heeft uw hart," riep de goede man, en vreef in
+zyne handen van genoegen. "Nu, Willem, (tegen my,) hoe zit het by
+u?"--"Hopeloze liefde, myn Heer Blankaart; ik bemin Juffrouw
+Burgerhart; en ben overtuigt, dat zy myne Vrouw niet worden kan."
+--"Wel, voor haar dan een ander, die u beter lykt:" hervatte hy.
+
+_Ik_. Daar kan ik niet aan denken.
+
+_Hy_. Nu, 't is nog vroeg in 't Gasthuis; doch op Saartje moet gy geen
+staat maken. Ik zal voor u ook wel een goeje Vrouw opschommelen, en
+die voor u veel beter zyn zal; want zie, Willem, al had ik eene eige
+Dochter, en gy kost er gelukkig meê zyn, ik gaf ze u, met de helft van
+myn goed er by: ik hou veel van u: en ook, hier, onzen Vriends Broêr
+verkeert naar haar, en zo zyn Vader my maar niet te veel malens aan
+den kling maakt, zal ik haar geven: hy is de man, dien zy hebben moet;
+dat zeggen alle menschen, die hem en haar kennen. Kom, je moet niet
+bleek worden, Willem; ik zal u óók helpen; jy zult een Vrouw als een
+geschilderde paerel hebben: laat ik zelf maar te Amsterdam zyn: ik
+weet zo iets voor u, dunkt my.
+
+_Edeling_. Lieve, goedaartige Heer! mag ik my ook wel in uwe gunst
+bevelen!
+
+_Hy_. Hoe, moet ik voor u ook zoeken? Neen, neen, dat niet: met Willem
+is 't wat anders! ik moet hem schadeloos stellen.
+
+_Edeling_. Kom, ik zal alles maar opbiegten, op hoop van eene goede
+absolutie te krygen: maar laten wy eerst uw gezontheid eens oud
+vaderlands drinken. (_Wy deden zo, en de Heer Blankaart gloeide van
+genoegen_.)
+
+Ik heb juist, uit vrees voor myn Vader, die de beste, de eerlykste,
+maar ook in eenigen opzichte de wonderlykste man is, iets gedaan, dat
+my, vrees ik, droevig zal opbreken!--Ik ben daar zo maar op myn eigen
+houtje verlieft gaan worden, toen ik te Leiden studeerde. Het meisje
+is al, wat men van de Goden zou kunnen wenschen, doch zy, en hare hele
+familie, schynen niet zeer in de gunst van een zeker mal, blint,
+capritieus, oud Wyf te staan; en zyn daarom niet meer dan burgerlyk
+gegoet.
+
+_Blankaart_. En wie is die lelyke Torntoffel? de een of andere kwezel
+van een Tante, denk ik! (_Hy lachte tegen my, of hy zeggen wou, ik
+denk aan Tante Hofland_.)
+
+_Edeling_. Och, 't is een elendig wyf; en ze leeft met de menschen,
+als de Duivel met de takkebossen.
+
+_Hy_. Is 't een Leidsch maakzel?
+
+_Edeling_. Neen; men zegt, dat zy van Amsterdam herkomstig is, en nu
+durf ik, om dat hagelsche Wyf, er nog minder van kikken! want myn
+Vader is niet gierig, doch hy zegt altyd, men kan van een mooije tafel
+niet eeten; en, dewyl hy my op _het advocaten_ bestelt heeft, zal ik
+voor eerst myn geld wel alleen tellen kunnen.
+
+_Hy_. Maar hoe hiet dat lelyk Vrouwmensch?
+
+_Edeling_. Mejuffrouw _de Fortuin_.
+
+_Hy_. ô Gy Platvisch! daar heb je een ouwe rot in de val; (_en hy
+schaterde van lachen_.)
+
+_Edeling_. Wou je nu voor my ook een goed woordje spreken by Papa;
+want het zal vreeslyk op myn land waaijen: en zeker, ik heb alles zo
+niet bedagt.
+
+_Hy_. Wel, zo 't buiten dat wel is, daar is myn hand, Jongen. Ik zal
+wel zien, dat je er genadiger afkomt, dan je verdient; zie, 't is uw
+Vader: en jy hebt niet bon gedaan. (_Hy trok zo een potzig bakkes, dat
+ik hem niet aan kon zien zonder lachen_.)
+
+_Edeling_. Daar is wat aan, maar hoe zal ik het nu redden? Want myn
+meisje is al wat ik in de waereld begeer, zo als men zegt: dit is
+waar, dat ik haar oprecht bemin, en dat zy my lief heeft: zy is wel
+opgevoet, en van een oud eerlyk geslagt. Zo als ik zei, spreek een
+woordje voor my, myn lieve Heer Blankaart!
+
+O! hoe beminnen en achten wy deezen dierbaren man! Lieve Moeder, is
+'t niet jammer, dat de Heer Blankaart geen Vader is van een talrijk
+huisgezin? Dat zeiden wy ook eens. "Ja, Jongens, zei hy, dat spyt my
+genoeg, maar alle brave nyvere goede jonge meisjes en jongens zie ik
+aan voor myne kinderen, daar ik ook wel wat goed voor moet zorgen. Ik
+zeg altijd, Abraham Blankaart, een eerlyk man heeft altoos erfgenamen,
+myn Vriend; en terwyl ik leef, doe ik zo veel goed, als ik maar grypen
+en vangen kan. Kom aan, wat had ik nu aan al myn geld, als ik een Nero,
+een Niemands-vriend was? En nu, wel ik ben overal welkom. Meisjes,
+jongens, jonge Vrouwen, kleine springertjes, al dat goed is om my, als
+of er goud uit my te halen is; en ik ken geen groter waerelds-genoegen,
+dan bemint en gedacht te zyn van goede menschen: al 't overige is maar
+waweling."
+
+Groet myne lieve Tante, waarde Zuster, en Vriend Smit, dien ik mondeling
+hoop te feliciteren, en te bedanken voor zynen Broederlyken Brief.
+
+Ik ben met de tederste hoogachting,
+
+ Uw gehoorzame Zoon,
+
+ WILLEM WILLIS.
+
+
+
+
+HONDERD-ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling aan Hendrik: hij heeft
+Blankaart ontmoet; voortreffelijk!--Parijs is heerlijk, _de Franschen
+zijn sympathiek_.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING.
+
+
+_Lieve Broeder_!
+
+Ik ben eenige dagen zeer ongestelt geweest, en heb zelf drie dagen het
+huis moeten houden. Uw laatsten, uit Parys geschreven, heb ik ook daar
+op 't oogenblik ontfangen. Ik verheug my over uw kennis met dien
+waarden man, als ook over de gunstige gedagten, die hy te mywaards
+voedt: Den heer Willis hoop ik eens met myne byzonderste vriendschap
+te beschenken, gelijk ik naar de zyne vurig verlang: ik ben voorbereit,
+om hem hoog te achten, en te beminnen.
+
+Ik zal myn verhaal vervolgen: Zo dra ik het wagen durfde om uittegaan,
+ging ik naar het Huis van Mevrouw Buigzaam, en werdt van myne Beminde
+met alle tekenen van heuschheid en vriendschap ontfangen. Zy is wat
+afgenomen, doch de koortzen houden op; en nu, nu heeft zy eene zagtheid
+in haar gelaat, die my nog veel meer bekoort.
+
+Zy was alleen t'huis: Mevrouw Buigzaam was met de jonge Juffrouwen
+naar de Kerk, en Juffrouw Hertog op haar gezelschap. Ik zat by haar,
+en nam de vryheid van hare hand te nemen, terwyl ik my informeerde
+nopens haren welstand, en zei, dat ik my veel beter gevoelde, 't geen
+zy met een zeer merkbaar genoegen hoorde. Deeze gelegenheid, ging ik
+voort, is te gunstig, dan dat ik die niet zoude gebruiken, om u
+nogmaal van mijne liefde de sterkste verzekering te doen, ik weet wel,
+dat de liefde geen vrucht van dwang is; maar ik hoop echter, dat gy my
+eens met meer onderscheiding zien zult. Mijne liefde is niet romanesq[1]:
+de hoop alleen is in staat, om my te doen volharden. ô! Dat gy my nog
+eens beminde; nooit zoudt gy u beklagen, dat gy my den voorrang in uw
+genegenheid gegeven hadt!
+
+_Zy_. Ben ik wel geschikt, om u zo gelukkig te maken, als gy verdient
+te zyn? ô Myn Heer Edeling, laat ik, vóór ik een besluit neem, nog
+eerst myn karakter beter vormen naar dat der Dame, die ik als myne
+Moeder eerbiedig! Ik ben zo bedagtzaam, zo bedaart, zo bestendig niet,
+als zy, die uwe liefde verdient, behoort te zyn. Ik vorm my zulke
+ernstige denkbeelden van het Huwlyk! Ik vrees, dat ik nog niet geschikt
+ben, om myne bespiegelingen altoos tot betrachtingen te verhogen. Ik
+wagt den Heer Blankaart binnen weinige dagen; laat ik met hem alles
+eens overwegen. En gy hebt immers een Vader, myn heer Edeling?
+(_Ik voelde die zet_!)
+
+_Ik_. Dat is zo: maar kunt gy een oogenblik twyffelen, of myn Vader
+zich niet vereert zoude achten met zo eene Dochter? Hy zal mooglyk
+eenige bedenkingen hebben, over het geen de goede man _onderscheid van
+Religie_ noemt; gy weet, ik behoor tot Lutersche Gemeente, maar de
+Heer Blankaart en myn Vader zullen dat wel vinden.
+
+_Zy_. Indien dat nodig wordt, twijffel ik daar ook niet aan: wat my
+betreft, ik zal dit omtrent u zo weinig in aanmerking nemen, als gy
+omtrent my deedt. Doch het is nog zo ver niet.
+
+_Ik_. Uw Voogd komt (zo schryft myn Broeder my,) met den Heer Willis
+en met hem t'huis, zij hebben elkander te Parys ontmoet. Hoe aangenaam
+zullen deeze drie reizigers zyn!
+
+_Zy_. Dan krygen wy elk een Broeder t'huis? want Willis is myn Broeder;
+als gy hem kent, zult gy myne keuze billyken.
+
+_Ik_. Dat doe ik nu reeds: ik ken Willis.
+
+De Kerk ging uit, en wy veranderden van discours. Mevrouw Buigzaam en
+de beide Dames waren verheugt, my zo veel beter te zien. Ik bleef er
+dien gehelen avond tot tien uuren, want Mevrouw deedt ons de eere aan
+om te spelen. Nooit hoorde ik zulk een zielen-muziek. 't Is meer dan
+kunst! Ik hoop, dat gy 't eens zult horen.
+
+Zy nam occasie, om my alleen te spreken, en zei: "daar, myn Heer
+Edeling, lees dit geschrift; dan zult gy eerst uwe beminde Burgerhart
+recht kennen: zy weet niet, dat er u iets van bekent is. Hou dit in 't
+oog." Ik lei het Papier in myn brieventas; en afscheid genomen hebbende,
+spoedde ik naar huis om te lezen. Ik at niet, maar ging, Vader gegroet
+hebbende, naar myne kamer. Lees, en dan zult gy kunnen bezeffen, wat in
+myn hart, onder het lezen, is omgegaan! Ik heb het voor u gecopiëert,
+doch moet het te rug hebben, zonder dat gy er iets uittrekt.--Hier op
+vertrouwende, geef ik u het
+
+
+VERHAAL.
+
+
+_Dierbaarste Vriendinnen_!
+
+Ik begin dan aan een Verhaal, dat my onmooglyk is mondeling te doen;
+ik schryf dus. Geloof heilig, dat ik het onder het zegel der waarheid
+schryve: ô, hoe ben ik in myne eigen oogen gedaalt! Waarom heb ik niet
+meer acht gegeven op my zelf; op hen, met wie ik omging; op den raad
+myner Willis, en op den uwen, ô beste der Vrouwen! Ik zal boete doen:
+ik zal myne dwaasheid afwisselen, tegen de volkomenste geleidelykheid
+aan uwe vermaningen; ik zal my zelf zo ver zien opteheffen, dat uwe
+vermaningen in goedkeuringen zullen veranderen. En, zo dikwyls als ik
+eene te grote zucht voor uitspanningen voel, zal ik in myn Kabinetje
+gaan, en dit geschrift, ter myner beschaming, lezen. Laat ik beginnen:
+
+Ik ging met den Deugniet, gelyk gy weet, in den _Hortus Medicus_, vast
+voornemende, om nooit weêr met hem uittegaan; en echter hy was dezelfde
+beschaafde, aangename, fatsoenlyke man omtrent my. Hy liet my in den
+_Hortus_ alles zien; leidde my veel uit van 't geen ik zag; en ziende,
+dat ik zulk een groot vermaak vond in dit alles te zien, stelde hy my
+voor, of ik ook plaizier had, om eene zeer fraaije Plaats te zien, van
+een zyner Vrienden; de Heer en Dame, zei hy, zyn wel niet Buiten, maar
+dat zegt niets, men weigert nooit een fatsoenlyk man om die te zien; er
+is zeer veel uitheemsch gebloemt. Ik, die in dit voorstel niets ontwaarde,
+dan genenenheid om my te verpligten, stond dit geredelyk toe. Wy gingen
+des vry spoedig uit den _Hortus_, de Plantage door, de Muider-Poort uit.
+Nooit had ik zo veel geest, zo veel vrolykheid, zo veel levendigs in hem
+bespeurt, 't Sloeg vyf uuren, zo als wy buiten waren. "Is 't ver?" vroeg
+ik. "ô! Wy zullen er binnen 't half uur zyn, als wy wat aantreden." Ik
+deed zo, en 't was bykans zes, toen wy voor een laan stil hielden, die
+op een zeer fraai huis liep. Het Hek stondt aan. Hy ging de Plaats met
+my op, en den Tuinbaas ontmoetende, vroeg hy, is myn Heer of Mevrouw
+t'huis, "neen, was 't antwoord, maar dat is het zelfde." "Wilt gy het
+huis niet eens zien?" (tegen my.) "Ja, maar ik zie liever bloemhoven,
+dan lambrissementen[2]." Wy traden in 't huis.
+
+_Hy_. (_tegen den Tuinman_.) Deeze Dame heeft geen thee gedronken;
+hebt gy ook kokent Water? Toe, jongen, brengt het schielyk, met het
+geen er by hoort; gy weet uw Heer en ik zyn Vrienden. (_De Kerel ging
+heen; ik had geen zin aan hem, hy hadt een lelyken uitkyk_.)
+
+_Ik_. Gy doet te veel moeite, myn Heer, als ik maar een glas bier
+mogt!
+
+_Hy_. Ik geef nooit bier, als de meisjes warm gegaan zyn, en dan stil
+zitten.
+
+_Ik_. Wel, laten wy wandelen.
+
+_Hy_. Eerst wat uitrusten. (_De Tuinman bragt theegoed, wij dronken
+spoedig een kopje_.)
+
+_Ik_. Kom, nu de bloemen gaan zien; het wordt al tyd.
+
+(_Hy stondt op, en met eene houding, die my verbaasde, zeide hy, dat
+hy my beminde, dat hy smoorlyk op my verlieft was; en dat hy niet
+twyffelde, of dit had ik wel gezien; hier aan schreef hy ook de
+goedheid toe, die ik had gehad, om met hem te gaan, dewyl men daar in
+huis zo gegeneert was. Yder woord ontstelde en vertoornde my: ik zei_:
+Gy beledigt my ten hoogsten. Nooit heb ik iets, zelf schaduwachtig,
+gedagt van 't geen gy zegt; en zo ik het gedagt had, geloof my, dat ik
+niet met u zou gegaan zyn. (_Hy lachte, en wilde my kusschen_.) Hou
+af, zei ik; gy railleert te sterk.
+
+_Hy_. Hoe, neemt gy het dus op? dan bedriegt gy u; want (_en hy zwoer
+een duren eed_,) het is my ernst; ik bemin u: gy zult de myne zyn;
+(_al weder naar my toe dringende_.)
+
+_Ik_. Hou u gerust! Gy bedriegt u, zie ik, omtrent my: zo gy my
+beminde, zoudt gy my dus niet kunnen vernederen: Laat my gaan, ik wil
+hier niet langer blyven.
+
+_Hy_. Laat my gaan; ik wil hier niet langer blyven! ô, Zo spreekt men
+niet tegen een man, als ik ben; en dat op zyn eigen Plaats. (_Ik
+bestorf als myn linnen_.) Zie, meisje, al die grote gevoelens zyn by
+my niets dan meisjes beuzelaryen. Evenwel, gy zyt nog te bekoorlyker,
+nu gy zo een fraai rolletje speelt. Kom, myne Saartje, laten wy
+gelukkig zyn; de tyd is kostlyk, zo gy ten minsten dwaas genoeg zyt,
+om naar huis te willen keeren. Myn Fagon is anders al Buiten, de
+Paarden staan, met de leisels opgeknoopt, op den stal, en in weinige
+uuren zyn wy ver van hier; want ik waag er myn beste hartdraver aan.
+(_Hy wilde my weder kusschen_.)
+
+_Ik_. Schelm! Deugniet! Judas!
+
+_Hy_. Al wat gy maar wilt, myn Engeltje, mits dat gy my gelukkig maakt.
+(_Hoe ik te moede was, kunt gy eenigzins opmaken, maar ik hield my
+moedig_.)
+
+_Ik_. Ik ben, zie ik, in uwe magt; maar veel eerder dan uwe verfoeilyke
+oogmerken te beantwoorden, zal ik het uiterste wagen; ik zal gerugt
+maken, zo gy de deur niet open doet.
+
+_Hy_. Ik doe geen deur open, en of gy gerugt maakt of niet, het zal
+niets helpen; niemand hoort u. Kom, gy hebt u genoeg verweert. Zelden
+had ik zo veel werk met myne Lievertjes. Gy hebt gestreden voor uw
+harssenschim; dien lof geef ik u; maar nu eisch ik uwe overgave.
+(_Ik werd woedent en was door de sterke aandoeningen op 't punt van
+te bezwymen; de vrees zelf gaf my kragten. Ik wilde een raam open
+schuiven_.)
+
+_Hy_. Neen, Kindje, daar is voor gezorgt; ik hou om de dood niet van
+buren-gerugt. (_Hy werdt, dagt my, kwaadaartig over zyne te leurstelling!
+ô Myne Vriendinnen, heb ik my zelf dan iets te wyten, gaf ik aanleiding;
+immers niet met myn weten_?)
+
+_Hy_. Zie zo, 't wordt mooi laat; nu, ik heb zeer goed Logement voor
+u; en ik hoop, dat ik u den tyd aangenaam zal verdryven.
+
+_Ik_. Laat my gaan; 't is nog niet te laat, om in de stad te komen.
+(_Hy lachte_.)
+
+_Hy_. Ziet gy my voor zo een verd... gek aan, dat ik, een prooi onder
+myn bereik hebbende, die zal laten weg vliegen?
+
+_Ik_. Zo ik iets op u vermag, zo gy eenige menschelyke gevoelens hebt
+voor een meisje, dat u nooit beledigde; dat nooit het minste oogmerk
+omtrent u hadt; dat u voor een vriend, voor een eerlyk man hieldt,
+laat my gaan, en ik zal u alles vergeven. (_Ik schreide bitterlyk_.)
+
+_Hy_. Speel vry denzelfden zang, uit eenen andren sleutel[3]; ik hoor
+gaarne _Variantes_, en gy zyt uw onderwerp magtig.
+
+_Ik_. ô Myn Heer, bespot my niet! God weet, in welk een dodelyken
+angst ik ben; ô myne waarde moederlyke Vriendin! ô myn Voogd, wat heb
+ik gedaan?
+
+_Hy_. Wat? wel, gy zyt vry willig medegegaan met een man, die smoorlyk
+op u verlieft is, en die u tot zyne _Sultane Favorite_ hoopt te maken.
+Want zie, mooi Meisje, ik wend niet voor u te trouwen, ik wil u niet
+bedriegen, elk moet zyn rang bewaren. (_Ik zeeg op een stoel neder, en
+ik geloof, dat ik op dat oogenblik in staat zou geweest zyn, om hem
+een mes in zyn schurkagtig hart te drukken: zulk tergen maakte my
+zinneloos. Hy liet my eenige minuten aan my zelf over; maar wat er
+toen in myn geest omging, weet ik niet! Hy naderde my weder_.)
+
+_Ik_. Deugeniet, lieve goede menschen ... ô God! hoort my niemand!
+(_Hy nam my op, maar zweeg; doch al myne kragten zich, machinaal,
+verzamelende, stootte ik hem van my af; hy beet op zyne lippen en
+vloekte_). Toen smeekte ik hem weder, dat hy my gaan liet.
+
+_Hy_. Ja, op de Fargon. (_Ik bedagt my_.)
+
+_Ik_. Kom aan, als het toch zyn moet.
+
+_Hy_. Neen, Meisje, ik versta u. Hier moet gy blyven, geen kuren by
+den weg. Ik had gemeent, dat gij goedwillig met my zoudt gegaan zyn,
+doch nu is die voorzorg onnodig.
+
+_Ik_. Vrees voor de gevolgen; gy zyt niet boven de wetten.
+(_Hy lachte hartlyk_.)
+
+_Hy_. Zou ik niet, Liefde? Weet gy wel, dat de Rechter geen notitie
+neemt van zo een galanterietje? Kan het my schelen, waar ik ben, denkt
+gy? Hadt ik kunnen vermoeden, dat gy my zo veel moeite zoudt gemaakt
+hebben, ik had het wel anders overleit. (_En toen drukte hy my zo
+sterk aan de hand, dat hy my zeer deed. Ik beefde zodanig, dat hy zelf
+deinsde. 't Werdt schemer-avond, en myn dodelyke angst nam alle
+oogenblikken toe_.)
+
+_Ik_. Tyger en geen mensch! Kunt gy my in zulk eene benauwtheid zien;
+wat recht hebt gy op my?
+
+_Hy_. Dat recht, dat yder Ligtmis van myn rang op zo veel meisjes
+heeft, als hy goedvindt in zyn Serail te plaatsen. Of wilt gy, (_en hy
+tradt naar my toe_), dat recht, dat de sterkere heeft over de zwakke.
+(_Ik viel voor hem neder, ik smeekte, ik weende, ik geloof zelf, dat
+ik hem myn waarde R. noemde_).
+
+Ik had al reeds een groot geweld in den stal gehoort, maar 't scheen,
+dat hy er geen acht op gaf. Eindlyk kwam de Tuinbaas in den gang
+lopen, en riep: Myn Heer, de Paarden zyn met hunne poten in de
+leiseelen geraakt; en ik kan het niet meester worden: wat moet ik
+doen: Hy riep, (met een vloek,) _u gaan ophangen, voor ik u den hals
+breek_. De Kerel ging weêr heen, en zei, dat, zo myn Heer de hand niet
+wilde lenen, hy zyn Paarden kwyt was. Razent en scheldent ging hy
+heen, en stiet my van de deur weg, die hy toesloot. Naauwlyks was hy
+weg, of er ging een deur in het vertrek zagtjes open, en daar kwam een
+Boerenmeisje, die my, zonder iets te zeggen, wenkte om optestaan. Ik
+deed het aanstonds. Zy sloop met my uit het huis, en verstak my in
+haar bed op een zoldertje, dat zy wel ter deeg sloot. Ik wist niet, of
+ik droomde, dan of ik wakker was; ik wist niet, of 't bedrog of hulp
+was: alles was even onbekent. Het werdt duister; en niemand kwam by
+my.
+
+Eindelyk hoorde ik beneden lieden spreken; myn bloed stolde in myne
+aderen, en ik weet niet, of ik lang in onmagt was. Doch 's middernagts
+ging de deur open, en het meisje bragt my een groot glas melk met
+water, my wyzende niet te spreken. Zy sloot de deur weêr toe, en,
+dewyl de maan opkwam, zag ik haar zeer onderscheiden[4]. "Nu slaapt
+myn Vader, zei zy, hoor hem eens ronken!" Wie zyt gy, myn goed meisje?
+zei ik.
+
+_Zy_. Ik ben des Tuinmans Dochter, lieve Juffrouw, weest niet ongerust!
+ik zal u helpen.
+
+_Ik_. Laat ik u omhelzen, gy zyt myn Redster. O, gy zult wel beloond
+worden! en als gy wilt, kunt gy altoos by my blyven; maar door welk
+geluk hebt gy my dus verre geret?
+
+_Zy_. Dat zal ik u zeggen: myn Vader was druk in den tuin bezig, den
+helen dag, met de arbeiders, toen de knecht met de Fargon kwam, en hem
+belastte zyn Heer optewagten, doch niet te laten blyken, dat hy zyn
+Heer was. Lieve God, dagt ik, daar zal weêr wat agter zitten! want myn
+Heer is een heel slegt Heer omtrent de meisjes; maar my heeft hy nooit
+gemoeit, dat moet ik zeggen, en zo zeggen al de meiden ook. Nu althans,
+ik was in de kamer, toen hy met u in huis kwam, en dewyl ik voor grote
+lui wat schaamagtig ben, verstak ik my in de naaste kamer in een
+kleêrkast, daar wel twintig rokken in hangen, de eene nog mooijer als
+de aâre. Ik dagt, zy zullen wel gaan wandelen, en dan ik gaauw heen
+lopen, en dan zien zy my niet: zo dat ik alles hoorde. Zie, Juffrouw,
+ik ben Rooms-Kattelyks, en ik bad onze heilige Moeder Gods om hare
+bescherming, en ik bad een vyf of zes _Aves_ en _Paters_, zo al in de
+kast. Wat kon ik doen? zo als gy weet. En toen viel dat met de Paarden
+voor, en toen ging hy heen, en zo haalde ik u, en verstak u in myn
+bed. Ik ging voort in den moestuin zo wat wieden, maar ik hield mij
+maar zo; om dat ik dan bokken kon, en alles afgluren. Het duurde wel
+een half uur, eer alles in 't stal gedaan was, want de Paarden waren
+als wilt, en allemaal door de strengen; dat was het maar. Myn Heer
+ging in zyn huis, en Vader in 't Boerenhuis. Ik geloof, dat hy
+elderments op zyn neus gekeken heeft, toen hy u niet vondt. Hy kwam in
+'t Boerenhuis, en vroeg met hele lelyke woorden, waar dit en dat gy
+heen waart? Myn Vader zei, dat hy dat niet kon weten, om dat hy het zo
+met de Paarden te doen gehad hadt. Toen vloog hy naar 't Hek, en vondt
+het open. 't Is gedaan, zei hy: daar is niet op; nu 't is myn verdiende
+loon, waarom d-r-de ik het Hek niet toe. Hy liep, als een razent mensch,
+al heen en weêr, en toen hy dat ook moê was, belastte hy myn Vader licht
+te geven, en hem wat brood en kaas te bezorgen; die deedt dat. Ik was in
+huis gegaan: Vader vroeg, waar ik geweest was; ik zei, aan 't wieden, en
+dat ik toen om een praatje geweest was; dat was daar meê wel, hy zei my
+niets. Wy aten schielyk onze Bry, en hy ging naar bed. Toen kwam ik boven,
+en hield my stil, tot dat ik hoorde, dat hij wel vast in slaap was. Zie
+daar, zo is de hele zaak, myn lieve Juffrouw.
+
+Myne blydschap was onbeschryflyk; maar zy verdween schielyk door de
+gedagten: hoe zal ik nu door de waarde Vrouw voor een bedriegster, een
+valsch meisje, een ligt jong schepzel gehouden, veracht en verfoeit
+worden! Wat zal ik doen? Hoe durf ik er weêr heen gaan? Hoe zal men my
+ontvangen? Wat zal de brave Edeling van my denken? 't Is mooglyk, dat
+hy reeds by ons geweest is. Zal de deugdzaamste der Vrouwen hem
+omtrent my misleiden? Wat zal zy kunnen zeggen? En ik had haar zo
+plegtig belooft, voortaan my geheel door haar te laten leiden. Hoe zal
+Hartog zich verheugen, indien dit geval ruchtbaar wordt. Kan het
+verborgen blijven? Heeft my niemand gezien? Maar, 't geen my 't hart
+doorboort, hoe zal het teder hart myner moederlyke Vriendin lyden!
+door my lyden!...
+
+Ik was besluiteloos wat te doen. Evenwel, alles al weer overpeinzende,
+dagt ik, 't is echter de eenige nu openstaande weg. Ik moet dit
+getuigenis geven van myne onschuld! "Ach," zal ik met eene bevende
+stem zeggen, "indien ik een slegt Meisje waar, indien ik het oogmerk
+had om u te misleiden, zou ik dan te rug komen, ook vóór ik weet hoe
+gy my ontfangen zult?" Terwyl ik in deeze gedagten als verzonken was,
+zei myn trouwhartig Klaartje, (zo hiet het Boerinnetje,) "Kom,
+Juffrouw, nou moest je op je kousjes my volgen, en zo stil als 't
+mooglyk is; ik heb onze deur efkes aan laten staan." Ik deed zo, en zy
+droeg myn schoenen in haar hand. 't Begon te regenen: de lucht werd
+onweerig en donker. ô, Dat was niets! Zie daar wy buiten de deur! Het
+bed van den Tuinman voorby gaande, hoorden wy hem diep en gerust
+slapen. Ik deed myn schoenen weer aan, en ging met het meisje, agter
+de Boerdery om, al zwygende, en aan haar hand. Ik werd doornat, en
+moest wel een half kwartier door 't gras; ik vroeg niets, zelf niet,
+waar brengt gy my? Toen wy digt by een Warmoezier kwamen, zei zy:
+"God dank, dat 's zo ver! Hoor, Juffrouw, ik breng je hier by brave
+menschen: maar ik moet, zo dra ik je daar in huis zie, naar myn
+Zoldertje: ik moet er op passen, dat ik niet in de kyker raak; 't is
+een boos kaerel, als hy begint."
+
+Zy tikte aan een glas. "Wie daar?" riep een mans stem.--"Ik, zei 't
+meisje, doch met een zachte stem, toe laat my in huis; ik ben zo
+benaauwt."--"Ik kom je by, kind, zei een vrouwe stem;" en zo ging de
+deur open. "Aaltje Buur, zei 't Boerinnetje, ik breng je hier een
+jonge Juffrouw, die verdwaalt is, maar zy zal je alles wel zeggen, ik
+moet voort." Ik kuste haar, en zei haar, waar zy my vinden kon, haar
+een ducaat in de hand stekende, en biddende, zo dra zy durfde, by my
+te komen.
+
+De goede Vrouw ging met my in een agtervertrekje, stak licht op, en
+zag met verbaastheid, dat ik zo wel en kostelyk gekleet was, en
+Juweelen aan hadt. Ik viel op een stoel neder, en schreide bitterlyk.
+Zy maakte vuur aan, lei braaf hout op, want ik trilde van koude, en
+myne kleêren dropen. "Kom, lief jong mensch, zei ze, kom, schik aan 't
+vuur, en warm en droogje wat, ik zal Koffy koken; maar je bent, of je
+de koorts op 't lyf hebt." Zy ging met de kaars in 't voorste vertrek,
+en hadt een glaasje in haar hand, "daar, zei ze, Juffrouw, drink dat
+uit, ik mag niet zien, zo als je beeft." Ik deed het. Zy kreeg een
+tafel met kopjes, en, zo dra 't water kookte, dronken wy Koffy. Myn
+Sak, Rok en Pelise droogde zy, en ik begon door de warmte dermate te
+verkwikken, dat ik haar eenvoudig, zo kort doenlyk; alles verhaalde.
+Maar, zei ik, wat moest gy denken, myn goede Vrouw, toen Klaartje aan
+'t vengster tikte? "Wel, lieve Juffrouw, zei zy, dat beurt wel meer.
+Als Krynbaas dronken is, (en zins zyn Wyfs dood gebeurt dat maar te
+dikwyls,) dan raast hy als een bezetene, en jaagt al wat onder zyn
+bereik is de deur uit. Nu is onze Klaartje de Vryster van myn Zoon
+Pieter; en zo wy onzen jongen wat by konden zetten, 't zou al een paar
+zyn, maar 't is een slechte tyd. 't Is een deugd van een meid, en heur
+Moeder was net allëens. Doch, al boodt myn Heer R. myn man duizend
+gulden 's jaars, wy zouwen by zo een Dier niet weunen willen. Hy is
+zo ondeugent, en daar gaat zo veel om op die Plaats! Maar wy moeten
+zwygen; wy zyn maar gemene lui."
+
+_Ik_. Wat zal je man toch denken van my?
+
+_Zy_. Ik heb hem daar, met een woord, gezeit, dat ik hem morgen ogtend
+alles zal vertellen, en zei, zie maar weêr in slaap te komen, want by
+dag moet de man hard werken, voor my en myn vyf kinderen. En onze
+Pieter past ook zo op; maar daar zyn nog zulke kleintjes onder: zy
+slapen allemaal hier boven ons hoofd.
+
+_Ik_. Maar zou uw Zoon voor my, met het open gaan van de Poort, niet
+een Koets kunnen bestellen, die my tegen kwam buiten de stad? want,
+hoe wel ik het by u heb, myn goede Vrouw, ik verlang zo naar huis.
+
+_Zy_. Heel wel, Juffrouw, als ik denk, dat het tyd is, zal ik hem gaan
+wekken, zoo als ik altoos doe: jonge lui slapen vast. Goed, zei ik, en
+wy bleven by 't vuur zitten, en zy praatte zonder ophouden; zo dat de
+tyd viel my nog korter, dan ik gevreest had. Om drie uuren ging zy
+Pieter wekken, die, toen hy my zag, vreemt opkeek. "Kind, zei de goede
+Vrouw, deeze Juffrouw is verdwaalt geraakt: en ik nam haar in huis,
+toen gy al te bed waart. Ga naar de stad, en haal een Koets, die ten
+eersten dit heen moet komen; ik zal met haar u tegen wandelen."
+Bestig, zei Pieter, en ging de deur uit. Die Jongman staat my wel aan,
+Vrouw, zeide ik. "Ja, God dank, zei ze, 't is een braaf Kind, die wel
+zo veel "voor zyn moeder doet, als iemand doen kan; en zwygen Juffrouw,
+daar is geen schrift van." Nu, 't zal hem geen schade zyn, zei ik. Ik
+deed myn gedroogde kleêren en pelise weêr aan, en zei, daar goede Vrouw,
+heb je een kleinigheid, tot een bewys van myn erkentenis. (_Ik gaf haar
+vier Ducaten_.) "Zoo véél geld! zei ze, dat durf ik niet aannemen."
+O, zei ik, spreek er niet van: ik zal, hoop ik, eens meer voor u doen.
+Wy gingen toen de deur uit, en kwamen wel dra op den gemenen weg; de
+Koets kwam, ik bedankte Moeder en Zoon, zei, waar de koetsier my brengen
+moest, en haalde de gordyntjes voor de glazen.
+
+Nooit kan ik u beschryven, wat er in myn geest, onder het ryden,
+omging. Nu vreesde ik, nu schrikte ik voor dat zelfde, dat my deeze
+laatste uuren als myn grootste geluk had toegeschenen;--om thuis te
+komen! En toen wy nog maar één gragt te ryden hadden, wenschte ik
+byna, dat wy eenig beletzel kregen, dat den tyd rekte. ô Hoe beefde,
+hoe trilde ik, toen hy stil hieldt! De klank der schel ging my door de
+ziel, en, met de handen voor myne oogen, vloog ik onzen goeden knegt
+voorby, naar myne kamer, zo verwart, en bedroeft, gelyk gy, myne
+dierbare Vriendinnen, my hebt zien aankomen.
+
+Zie daar een Verhaal, dat ik met de grootste naauwkeurigheid hebbe
+opgestelt. Hoe gy, na het doorlezen te hebben, over my zult oordelen,
+moet ik afwagten; en, indien de Heer Edeling by aanhoudenheid my blyft
+beminnen, moet hy, alëer ik hem voor my kies, dit lezen. Hy moet
+kunnen zien, wie ik ben, een onvoorzichtig meisje, dat geen kwaad
+vermoedde, daar zy 't niet zag; en die door haren trek tot vermaken
+en uitspanningen, zich in een gevaar gebragt heeft, dat op haar bederf
+konde zyn uitgelopen: een meisje, dat God met tranen dankt voor deeze
+Ontkoming; en dat voortaan nog meer zich zelf dan anderen zal mistrouwen.
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+Wel nu, broeder, wat zegt gy van zo een Meisje? Moet ik haar nu nog
+niet meerder achten, en tederder beminnen? Die immers zyne dwaasheden,
+zo rasch hy die ziet, afkeurt, en zich zelf daar over bestraft, doet
+alles, wat men eischen kan? Ik heb onder de hand laten vernemen, of de
+schelm in de stad was; maar 't schynt, dat hy eerst eens wil zien, hoe
+of 't afloopt. Wy bedekken alles onder een diep stilzwygen. Ik zal
+voor de brave menschen zorgen, die myn Engel zo getrouw geholpen
+hebben; maar dit alles mondeling. Ik verlang onuitspreeklyk naar uwe
+t'huis komst: en hoop, binnen agt dagen, dat geluk te hebben. Vader is
+zeer vriendlyk, en heeft zelf deernis met my. Hou den braven Blankaart
+te vriend, Keesje; ik vrees anders, dat gy al zoo veel met Vader zult
+te doen hebben als ik! Vaarwel, myn Broeder,
+
+ T. T.
+
+ HENDRIK EDELING.
+
+
+Noten:
+
+[1] Hier: kunstmatig romantisch.
+[2] Lambrizeeringen.
+[3] Toonaard.
+[4] Duidelijk.
+
+
+
+
+HONDERD-VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed heeft uit Indië _een erfenis
+gekregen van_ 80.000 gulden van zekeren Jan Bern, zooals blijkt uit
+de Honderd-een en veertigste brief.
+
+
+In HONDERD-TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF dankt de Wed. Spilgoed.
+
+
+HONDERD-DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling _geeft zijn koppigen
+tegenstand op_; hij is overtuigd door Blankaart.
+
+
+HONDERD-VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis feliciteert Wed. Spilgoed
+en in Honderd-vijf en veertigste brief schrijft ze heel lief aan Aletta
+Brunier, ook over Sara.
+
+
+
+
+HONDERD-ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
+
+
+_Ge-eerde Vriendin_!
+
+Nog spyt het my, dat ik zo weinig tyds te Rotterdam gehad heb. Nu, ik
+heb uw Zoon dan veilig in uwe handen gestelt. Myne oogen liepen over,
+toen ik zag, welk een Moedergek die Willem is. Wat zyn dat lompe
+Heiblokken van kerels, die een man uitlachen, als hem eens een losse
+traan ontvalt! Ik ben nu een man, mag ik spreken, die van een kind af
+door 't kreupelbosch gejaagt is. Ik heb door menigen zuren appel
+gebeten, eer ik zulk een man wierd, door den zegen van God, den Heer;
+zo dat ik maar zeggen wil, dat ik harden[1] geleert heb: En als ik
+echter daar zo een Goliath van een Luitenant, als een eikenboom, voor
+my zie staan, en zyn Zoontje, dat hy in geen ront jaar gezien heeft,
+hem in de armen zie vliegen; zonder dat het hem het minste aandoet;
+dan denk ik, hoor jy grote Sinjeur, al bulkt gy als een stier, en al
+blaast gy als een walvisch, jy bent by my, met al dat gesnoeshaan,
+maar een bange bloodaart. Je zult wel dra in je hangmat kruipen. Wel,
+wat hagel, moet je dan, om je kop voor 't Land te laten, geen liefde
+voor je Land hebben? Zal zo een Bulderbast zyn benen onder zyn lyf
+laten weg schieten, als of het zo maar bywerkje was, en dat voor
+vreemden? Zal hy dat doen, zeg ik, dien alle de vaderlyke driften in
+zyn ziel bevroren liggen? Hoor, dat is by my maar uit, _die geen
+gevoelig hart heeft, kan niet dapper zyn_.
+
+Hoor, Vriendin, als ik u zie, dan denk ik altyd aan Naömi, de Moeder
+van Ruth, uit den Bybel. _Willems land is uw land, en Willems God is
+uw God_; zo als er in den Bybel staat. En hy moet maar voortaan in
+Amsterdam blyven, en eene brave vrouw voor hem zien te krygen.
+Tusschen ons; ik weet net zyn slag, eene mooije lieve jonge juffrouw;
+en ik zal hem wel aan 't werkje helpen: 't is een aartig schoon kind.
+En Tante moet ook haar milde hand maar open doen. Abraham Blankaart
+zal geen troef verzaken: Och Heer! ik heb gelds genoeg; en alle brave
+jonge lieden zyn myne kinderen; zo dat, zorg daar niet voor. Hy moet
+zelf Koopman worden; ik zal zyn Patroon eens, buiten zyn kennis, gaan
+spreken.
+
+Maar nu moet ik u eens een klugtje verhalen: Daar is Brôer Benjamin
+met Zuster Slimpslamp met de Noorderzon verhuist, en zy hebben Tantes
+Geldkistje meegenomen; (wel nu lach ik my tot een Doctor.) Die malle
+Zanne! Nu, zy heeft maar verdiende loon: zy zou naar my geluisterd
+hebben; ik zei dikwyls: _Tante, Tante, al dat Bruine goed loopt op je
+zak; je zult nog eens van den huig geligt worden: laat ik de kit ereis
+voor u schoonmaken, en al dat Jan Rap wegjagen_; maar dan was ik, (dat
+Varken!) een godloos mensch, een Saulus, die de Heiligen vervolgde;
+plaisierige Heiligen! zie je ze daar niet met Heintje pik, in 't huis
+daar naast?
+
+En dat het hemelsch waar is, dat zal ik u eens gaan uitcyferen. Myn
+kleine Meid is ziek, zo als gy weet; nu althans, Tante hadt haar een
+Briefje geschreven, waar in zy schreef, dat zy zodanig bestolen was,
+en verzogt, of zy haar niet eens zou kunnen spreken, of zy haar alles
+vergeven wilde, wat zy aan haar misdaan hadt, en of zy by my een goed
+woord zoude willen doen, met nog meer vyven en zessen. Wat doet myn
+Sarotje? Wel! dat braaf kind schreef haar aanstonds, dat zy haar alles
+vergaf; dat zy by my ten besten zou spreken, en Tante komen bezoeken;
+maar zy krygt daar op zulke koortzen, dat zy niet uit kon gaan. En zo
+dra ik in de stad kom, en met haar spreek, verzoekt dat lief schepzel
+my, om toch eens by Tante te willen gaan, en te zien, hoe het toch
+was. Wat zou ik doen? Abraham Blankaart hadt er wel niet veel trek in,
+doch het Meisje kreeg er my echter naar toe, en ik begreep, dat ik de
+ouwe Babbe niet in nood mogt laten. Ik ging er dan heen, met Snap, zo
+by me. Tante deed zelf open, en ontstelde. Nu, zei ik, wees maar niet
+ontstelt; uw Nicht heeft my by u gezonden, om dat zy zelf ziek is, en
+ik kom zien, of ik u helpen kan; en zo ging ik met haar, die huilde en
+balkte, den gang door, daar ik nog iemand vond, daar ik u dadelyk van
+zal schryven, zo 't my niet ontschiet, want ik ben zo wat met myn
+memorie gebruit. Daar hoorde ik toen van A. tot Z. Tante had
+getracteert; zy hadden Tante, die niets verdragen kan, de hoogte
+gegeven; en Bregt als een zwyn zo vol gegoten. Toen het ouwe Fatsoen,
+die zy te bed bragten, en Bregt, die zy op kussens in de keuken gelegt
+hadden, sliepen, hadden zy den aap geligt; en daar was, zeit Zanne,
+wel twee derde van haar Capitaal, en al hare Juwelen in. Die malle
+weêrgaê! zy hadt haar huis op den Nieuwen Dyk verkogt, en wel voor
+twintig duizend Guldens aan afgeloste Obligatien in Contanten; al dat
+geld was in Gouden Ryders opgewisselt, en lag in een klein kistje. Dit
+wisten die Hagels-kinderen, want Zanne hadt met hen overlegt, hoe zy
+dat geld best zou uitzetten. Hoe vindt gy die, Juffrouw Willis? Met
+zulk bogt, zulk schuim van volk; die weten veel van geld beleggen! ja,
+zie, zo zot is dat oud wyf. Had ik t'huis geweest, zie, ik ben nu een
+man, die myn hond geen bedroefde snoet kan zien zetten; maar of ik dat
+Paar Vromen ook reis eventjes op het Schavot zou geholpen hebben! Ik
+zou die bedriegers zo veel _smeert hem Keesje_ hebben laten geven; ik
+zou er eensjes zo balsemiek hebben laten rossen, dat zy zouden geweten
+hebben, wat het is _den ouden mensch te kruissigen_; zie ik word zo
+satans nydig, om dat zulk varkenvolk de bybelsche woorden zo
+misbruikt.
+
+Maar nu moet ik u eens wat vragen: want zie, Juffrouw Willis, gy zyt
+toch maar een _Moeder in Israël_. Wat denkt gy? fop ik my zelf, als ik
+geloof, dat een vrouw van Tantes jaren, die zo een Briefje aan Saartje
+kan schryven, om vergeving; die aan zo een kleuter verzoekt, om by my
+een goed woord te doen, by my, die, zo als ik daar ga en sta, ook maar
+een armen zondaar ben; dat zo een vrouw, laat zy zo fijn zyn als zy
+wil, geen boos hart kan hebben? 't Is een malle kwezel, en zo gierig
+als het Graf; maar zy kan zich nog bekêren; en ik zal haar ook al maar
+helpen; zy zal in haar ouden dag geen gebrek hebben, nog in fatsoen
+verminderen. Haar lekkere tant zal nog niet eens uitmoeten; want
+Abraham Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. Zo dat ik maar
+zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen, hoe of 't Christelyk of mooglyk
+is, dat myn kleuter zo pront haar geloof verstaat. Zy vergeeft haar
+Tante alles van harten, wil haar helpen, haar bezoeken. Och! toen ik
+dat hoorde, scheurde ik myn kamisool los; zo was ik aangedaan: ik kon
+haast geen adem scheppen, en ik dankte God, om dat ik de Voogd van zo
+een meisje mogt zyn.
+
+Maar ik zou my zelf wel uitschelden voor al wat lelyk is, om dat ik
+vrees, dat Saartje ziek is geworden van droefheid, over een
+verduivelden Brief, dien ik haar geschreven heb. Zy ziet er zo naar
+uit: de rozenwangetjes zyn geheel weg! Hoor, zy ziet er regt droevig
+uit, maar wil het nog zo niet weten, dat goede Meisje. Ja! daar kryg
+ik heel in Parys een Brief, vol met leugen en laster van Saartje, en
+van Mevrouw Buigzaam; en dat Saartje zo aansprong, en dat Mevrouw
+alles toeliet, en nog eene menigte lelyke dingen; zonder naam, moet gy
+weten. Daar ga ik je, als zo een dolle Hartog, aan 't schryven, dat
+het nergens naar leek: en nu hoor ik overal, dat Mevrouw Buigzaam de
+deugd zelf, en myn Sarotje niets onbehoorlyks gedaan heeft. Zie, ik
+ben zo satans nydig, en zo ik uitvind wie my zo by myn neus gehad
+heeft, dan zult gy er van horen: konkels zullen er zwaaijen.
+
+Hoe ouwer ik word, hoe meer ik zie, dat men de deugd by de vrouwen
+moet zoeken. Ja, van die Juffrouw moest ik u nu nog vertellen, die by
+Tante zat. Zy hiet, zo als ik hoorde, Styntje Doorzicht; zy was heel
+stemmigjes gekleet; een Samaartje, met spelden-kopjes, op een wit
+grondje aan; een zedig Kuifmutsje op, daar het bakkesje van een
+Heiligje uitkeek: net _Moeder Maria_, zo als ik haar in de Paapsche
+Kerken heb geschildert gezien. Dat lieve mensch sprak zo waaragtig
+vroom, zy betoonde zo veel eerbied voor God, zo veel liefde tot den
+Naasten, zy gaf Zanne zulk een goeden raad, zy was zo minzaam, dat ik,
+met myn armen over elkander geslagen, haar aanhoorde, en dagt: zie
+daar eenen van die vromen, zo als God maar een om de honderd jaren
+zendt, om ons te leren, hoe verre wy het evel brengen kunnen, als het
+ons maar recht ernst is. Zie daar, Juffrouw Willis, nu ben ik een man,
+die met een Dominé wel eens over een Kapitteltje harwar, maar ik was
+stom; zo sprak dat brave Styntje Doorzicht. Eindlyk sprak ik eens
+recht myn hart uit, en ik drukte haar de hand. _Myn Heer, gy zyt een
+Zoon van den vromen Aartsvader Abraham; gy wandelt voor Gods
+aangezichte, en zyt oprecht; een vroom Israëliet, in wien geen bedrog
+is_. Och Juffrouw! zei ik, dat ik het wel meen, dat is waar, maar ik
+ben van jongs af in veel slommer[2] geweest, ik heb veel gereist en
+getrokken, en vele Voogdyschappen gehad. Ik zeg dikwyls, Abraham
+Blankaart, Vriend, jy zult veel vergeving nodig hebben, heb toch veel
+lief, man! En zo ging ik daar van daan, zo gesticht, of ik in de Kerk
+geweest was. En zou een mensch geen struiken uit den grond vloeken,
+als hy bedenkt, dat, om een deel Huichelaars, Benjamins en Slimpslampen,
+zulke vrome Godvreezende menschen beschimt en versmaat worden. Ik
+geloof waaragtig, dat als de Apostel Paulus (Paulus is _myn_ man,
+weetje, en Salomon die van Saartje), als Paulus nu leefde en Styntje
+Doorzicht gekent hadt, hy haar als zyn wyf zoude omleiden. 't Is nu zo
+moeilyk niet, moet je weten, om een goed Christen te zyn, als toen de
+man zei, _dat niet te trouwen beter was_; en ik verzoek Juffrouw Willis,
+dat gy daar eens op let. Ja, zo eene Styntje zou eene Martelares
+geworden zyn. Lieve God! wat zullen toch zulke misselyke stoethaspels
+van mannen, zo als ik er een ben, in den Hemel bedroeft afsteken bij zo
+een Styntje, by u, by Mevrouw Buigzaam en by Saartjes Moeder! Nu, ik
+meen myn ziel eens braaf onderhanden te nemen, haar eens terdeeg _mores
+te leren_: ô, mogt het onder uw oog geschieden; gy verstaat my immers
+wel! ik wensch nog eens uw man te worden.--Nu--_is het er uit_. Zeg nu
+wat gy wilt: _'t is er uit_.
+
+Duizend groetenissen van Saartje aan u, en aan uwe Dochter. Willem eet
+alle middag by my. Ik ben
+
+ Uw nederige Dienaar,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+Noten:
+
+[1] Hij is "gehard".
+[2] Beslommeringen.
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: hij is in
+de wolken: _vader heeft_ Sara _aan_ Blankaart gevraagd voor 'm--èn: _de
+lasterbrief was van_ Cornelia Hartog!--dat komt uit door Rien du Tout.
+
+
+HONDERD-ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis _is heusch verliefd
+op Aletta_; Sara behandelt hem als broer.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
+
+
+_Mevrouw, zeer waarde Vriendin!_
+
+Al waart gy nu, menschlyker wys gesproken, zoo heilig als een Engel;
+(en dat, geloof ik voor my, zyt gy ook maar;) en al wierdt gy ook van
+zeven duizend legioenen van Duivelen gelastert, dan zoudt gy evenwel
+nog wel zekerlyk zo veel van den mensch hebben, als Moeder Eva, vóór
+zy zo lelyk bedrogen wierdt, hadt: kort gezeit, gy zoudt nog wel wat
+nieuwsgierig vallen? want vrouwtjes zyn toch niet anders. Ik loop, en
+draaf, en klungel daar zo alle daag aan uw huis, puur als of ik naar
+u uit vryën kwam; maar dat is zo niet; zulk een fraaije Dame kan in
+Abraham Blankaarts pot niet. En 't is of ik nu maar te Amsterdam ben,
+om myn tyd met manden uit te dragen: om fiolen te laten zorgen. Zo dat
+ik maar zeggen wil, dat ik alle daag aan uw huis kom, om met u eens
+alleen te spreken: maar ik heb zo veel te horen, te kyken en te gapen,
+en zo myn spikkelatie met die drie Nufjes van meisjes, die, de een
+voor, de andre na, in en uit kwispelen en kissebissen; en dan moet ik
+er de vreugd in maken, en er zo eens wat meê dollen; en dan zit gy
+daar als _de Roze van Saron_ in 't midden, sprekende, onderrichtende,
+goedkeurende, minzaam ziende. ô Mevrouw, ik wou, dat onze Schilder
+Troost nog leefde; ik liet die groupe schilderen, om er myn
+Familiestuk van te maken, mits dat ik er ook in mogt, met Snap zo by
+me. En zie daar! dan is de tyd om; en ik heb zelf vergeten, dat ik om
+u te spreken gekomen ben.
+
+'t Is een regenachtige dag. Ik zei, wel heeft Abraham Blankaart er
+niet den hooi[1] van, om al weer daar heen te laveren, en myn tyd te
+vermallen met die Meisjes? Ik zal t'huis blyven, en schryven 't geen
+ik toch aan Mevrouw niet kan vertellen, en Sarot mag er niets van
+weten; 't is zulk een olyk platje!
+
+Dat die zuurkyk[2] weg is, is goed: 't is een verdort gemeen stukje,
+voor een fatsoenlyke Juffrouw; maar ik schrijf niet graag over slegte
+menschen; ik word dan maar nydig en bedroeft.
+
+Om dan myn vertelling te beginnen; want nu weet gy nog zo veel als
+gisteren: zo dat ik maar alleen dit zeggen wou! Daar heb ik een bezoek
+gehad van den Agter-agter-klein-agter-Zoon van Marten Luters ouden
+vriend, Casper Edeling, van Jan Edeling! en wy hebben te saam over het
+Geloof, en de zoete Meisjes, eens heldertjes gebakkeleit. Hij wagtte
+my in myn zydkamer. "Zo, Marten-Broêr, zei ik, welkom."--Uw Dienaar,
+myn "Heer Blankaart;" en hy keek, of schoppenboêr ook nog van zyn
+Familie was; zo, dagt ik, dat zyn de oude grillen. Ik zei des, wel
+fraai buigende, dat ik toch beter ken dan zo een oude podagrist: "Uw
+dienaar, myn Heer Edeling;" en ik gaf hem een fauteuil. Dus begon hy,
+terwyl hy de glazen uitkeek. (_Ik, niet lui, ging over 't horretje
+gluren; ja, zo moet men met die wonderlyke menschen, omgaan, of zy
+denken, dat de Drommel hun niet wys genoeg is_.)
+
+_Edeling_. Nu, daar is myn Zoon Hendrik dan verlieft op uwe Pupil. Hy
+ziet er uit, of hy uit een belegerde stad komt, en mymert, en zwygt,
+en ik heb gister het eens op hairen en snaren gezet, maar 't is of ik
+met myn kop door dien muur wil: en hy wist my nog een hope te zeggen:
+die eigenwyze jongens! Ik ben ook moeilyk[3] op hem.--Gy zegt niets?
+
+_Ik_. Wat heb ik met uw en uw Zoons gemor te doen? Ik zie niet, waarom
+ik iets zeggen zou. 't Raakt my niet; en ik _wil_ my er niet meê
+bemoeijen.
+
+_Hy_. Wat! raakt het u niet? En dat de jongen knapen zo met het Geloof
+omspringen? Ei zeker, zou ik myn huis tot een Noachs-Ark, of een
+Remonstrantsche Kerk maken?
+
+_Ik_. Wel, hoe satan heb ik het? Heb je niet uitgeslapen? of maalt je
+de geest? Nog eens, wat bruit my uw gekibbel met uw Zoon?
+
+_Hy_. Wel, hy wil Juffrouw Burgerhart hebben, al is zy gereformeert.
+
+_Ik_. Wel, ik wil haar niet geven in eene Familie, die haar niet met
+liefde en achting ontfangt.
+
+_Hy_. Wat moet ik dan doen?
+
+_Ik_. Dat's _uw_ zaak. Gy zyt Vader. Uw gezag zal zeker met verstand
+gepaart gaan.
+
+_Hy_. En daar is nu myn Zwager, de Pastoor Redelyk, die praat even
+eens als gy, en zyn Vrouw ook.
+
+_Ik_. Nu, als je my niets anders te vertellen hebt, kon je de moeite
+wel gespaart hebben, om by my te komen. Hoe ik over den Godsdienst
+denk, weet gy. Wilt gy geene Gereformeerde vrouw aan Hendrik geven;
+wat geef _ik_ daaröm?
+
+_Hy_. Wel, waaröm laten wy onze kinderen dan yder in onze Kerk
+opbrengen, en hun geloof leren, by Kategizeermeesters van onze eigen
+Leer?
+
+_Ik_. Om dat wy--laat ik zwygen! Hoor, Paulus is myn man. Wat zeit
+die? _Onderzoek de schriften_. Dat klinkt u wat anders voor den snoet,
+dan _zyn Geloof te laten leren_. Weetje wat, Jan Edeling? daar is nog
+maar te veel _Papery_ onder de Protestantsche Christenen. Wy razen en
+duiveljagen tegen den _Antichrist_, tegen _den Gog_ en _den Magog_,
+tegen den _Paus_; en ydere Dominé wil Paus zyn in zyn Kerk, en ydere
+Vader Heilige Vader in zyn huis zyn. Kom aan! daar is uw Zwager (ei,
+ik wist dat niet, is hy uw Zwager?) Redelyk; wel, die vrome wyze man,
+zegt gy zelf, dat net denkt als ik; zo dat, ik hoef my dat niet te
+schamen. Hoor, jou geloof is een enkel _toeval_; want je hebt er
+magtig veel toe gedaan, hebje niet? om van Lutersche Ouders geboren te
+willen worden. Wel, Jan Edeling, Jan Edeling, 't lykt nergens na: maar
+dat gy uw braven Zoon, als zo een regte Nero, niemands-Vriend, van
+liefde kunt zien sterven, om een deugdzaam meisje--op myn ziel, (_en
+ik sloeg op de tafel_,) uw geloof is 't regte geloof niet!
+
+_Hy_. Hoor, Abraham Blankaart, ik zou met al myn hart u om het Meisje
+voor myn Heintje verzoeken, was zy van zyn Geloof.
+
+_Ik_. Wel, ik wed om een Visje, dat zy van zyn Geloof is.
+
+_Hy_. Hoe? wat? heeft zy dan haar Kerk verzaakt, en dat om een man?
+
+_Ik_. Noch 't een noch 't ander; en evenwel ik wed met u. Zie, zy zyn
+het immers daar in eens, en dat's wel een fondamenteel stuk van
+eenigheid, dat zy met elkander gelukkig kunnen zyn, en dat gy het hen
+maken kunt. (_Hy gaf my zo een knorrige meesmuil; en toen begon hy
+weêr op nieuw te zagen, en van 't Geloof, en van elk in zyn Kerk, dat
+my 't bloed zo al wat begon te krieuwelen_.)
+
+_Ik_. Nu wil ik in myn huis niet langer dat gegons verdragen. Gy zoudt
+beter doen, als gy eens een Kapitteltje in Sint Jan las: die brave
+Apostel zal het u zoo ouwerwets zeggen, dat gy wel voelen zult, waar
+de wind van daan komt. Maar ja, de Bybel daar leest men niet in, dat
+klungelt en sjouwt met Huispostillen, en Uitleggingen, die geen pyp
+tabak waart zyn: en Gods heilig dierbaar woord, dat ligt, met zilveren
+sloten, in het beste vertrek daar braspenningen te zweten. (_Hy
+lachte_.)
+
+_Hy_. Daar is myn hand, Brammetje; jy bent toch een man, die my lykt.
+Ik moet nu myn hele les leren. Hoe moet ik dan met myn jongens leven?
+want ik heb nog ergens zo een suppliant in de wyde waereld.
+
+_Ik_. Wel, als ik zulke jongens had, en zy hadden liefde voor brave
+meisjes van de Protestantsche Kerk, en zy verzogten my, om haar te
+mogen hebben, wel, dan zou ik zeggen: ziet; Kinderen, dat staat my
+bestig aan. Ik zal zien, dat ik elk zyn Vryster bezorg, en je allebei
+in goeden doen stellen, om wat te beginnen; en dan zou ik met myn
+jongens eens op 't goed succes drinken, en door myn gang lopen
+tierelieren, als of ik zelf nog maar twintig jaar waar. Hoor, Jan
+Edeling, dan zult gy vreugd en genoegen hebben, en je kunt voor je
+dood nog Grootvader van een kleine kabauter of agt wezen.
+
+_Hy_. Gy hebt gelyk! Ik verzoek u dan om het Huwlyk; en als ik het
+zeg, meen ik het waaragtig. 't Zal my tot eer zyn, Juffrouw Burgerhart
+myne Dochter te mogen noemen. Zal hy ze hebben?
+
+_Ik_. Met al myn hart; en ik hoop, dat zo uw andre Zoon ook maar een
+braaf deugdzaam meisje kiest, dat gy dan ook even redelyk zult zyn.
+
+_Hy_. Zie, Bram, zo ben ik nu ook weêr, als ik iets doe, doe ik het
+terdeeg; ik hou niet van dat krummelwerkje. Hoor, _als ik over den
+hond kan, kan ik ook over den staart_. Als Cornelis het wel maakt,
+en hy een ordentelyk meisje wil, gierigheid daar aan heb ik my nooit
+bezondigt; ik wil maar baas zyn, en gelyk hebben.
+
+_Ik_. En juist daarom hebt gy geen oogvol recht op iemands hart;
+alles, wat men, als men van u afhangt, doen kan, is bang voor u te
+zyn.
+
+_Hy_. Gy hebt waarlyk gelyk: maar ik zal zien, dat ik dien _ouden
+Adam_ er uitramei.
+
+_Ik_. Dan zult gy de beste man van de Waereld zyn; en myn Meisje zal
+geen der minsten zyn, die u 't leven aangenaam zal maken. Nu zult gy
+eerst gaan ondervinden, hoe gelukkig men is, als men de _beminde_
+Vader is van brave kinderen.
+
+_Hy_. Ik heb meer voor myne kinderen gedaan dan duizend Vaders doen;
+ik heb nagt en dag gewerkt voor hen, ik gaf altyd in de ruimte....
+
+_Ik_. (_hem in de rede vallende_.) En met dit al, gy zyt wel
+gehoorzaamt, wel geëerbiedigt, maar ik vrees, dat uw eigen kinderen
+u niet beminnen, zo als zy u zouden bemint hebben, als gy wat min van
+het meesteragtige, en wat meer van het Vaderlyke getoont hadt.
+
+Na nog wat pratens ging Marten Neef heen, zo wel gehumeurt, en zo
+zagt, als hy zeker nog nooit, zedert hy alleen gaan kon, geweest is!
+Waarlyk, 't is een goed eerlyk allerbest man; maar omtrent zyn vrouw
+en kinderen was hy, en dat alleen uit grilligheid, een regte
+_Bullebak_.
+
+Dat zit daar heel gek, en wel dubbel gek met Tante. Dat Janrap heeft
+haar tot op 't gebeente uitgemergelt. Maar myne kleuter spreekt zo ten
+goeden, en verzoekt zelf, om uit haar geld Tante wat te ondersteunen,
+dat het een lust is om te zien. Ik ben daar eens by die beste vrome
+Styntje geweest, (ja, ik leef onder en boven den grond!) en ben met
+haar overeen gekomen, dat zy Tante in huis zal nemen, en onder haar
+bestuur, vatje het? en dat ik het met haar wel maken zou. Maar ik wil
+dat voor het ouwe wyf niet weten; wel, wat hoeft dat? Die allerliefste
+vrome ziel zal myn Saartje eens bezoeken, zo een zin heeft zy in 't
+meisje.
+
+En nu moet ik u eens aanspreken, want gy zyt _het Vrouwtje van
+Thecoa_,[4] uit den Bybel. Ik wou u eens vragen, of Juffrouw Letje
+t'avond of morgen niet een goede vrouw voor Willis zyn zoude? of zyn
+er al Kapers op de Kust? Het meisje komt my zo wél voor, en ik zie
+heel wel, dat zy ook by u twee witte voetjes heeft; en dat zou zy niet
+hebben, zo zy geen goed jong kind was; en myn Saar houdt zo kragtig
+veel van haar. Nu, denk er eens aan: ik zou dat graag zien. Haar Broêr
+heb ik gekent als het olykste Salet-rekeltje, dat er op Gods aardbodem
+was, maar hy wordt een heel ander mensch: ik ben ook zyn vriend; doch
+Edeling, die my zegt, dat hy het beste hart van de waereld heeft, en
+zo goedaartig is als een kind, heeft vóór, hem een beter bestaan te
+bezorgen.--Ja, ik wou wel wat zeggen, maar het wil er niet uit;
+evenwel het deedt my zo goed, toen ik het hoorde, dat myne oogen
+overliepen! Ik kan 't niet zwygen. Hy is het, die aan Edeling uwe
+verlegenheid, door een ryken schacheraar u veroorzaakt, vertrouwde[5],
+er by voegende: "Myn Heer, ik heb geen geld, anders zou ik of Letje
+het al afgemaakt hebben; maar zeg het de brave vrouw nooit, dat ik het
+ben, die u dit zeide:" en hy sprak van u, als of gy zyne Moeder waart.
+Moet zo een jongen geen goede gronden hebben? Moet hy niet beloont
+worden? Wat zegt gy? Nu schei ik uit, en ben
+
+ Uwe oprechtste Vriend,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Meer dan genoeg.
+[2] Cornelia Hartog.
+[3] Boos.
+[4] Stad bij Bethlehem. Joz. XV.
+[5] Vertelde.
+
+
+
+
+HONDERD-VYFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER R. AAN DEN HEER G.
+
+
+_Broeder Lichtmis!_
+
+Razent, woedent, helsch kwaadaartig over myne mislukte onderneming! In
+myne eigen strikken gevangen! Maar wie kon denken, dat er een Burger-
+meisje in de waereld was, die een man, zo als ik ben, tegenstand zou
+bieden? Wat moet ik denken; zou er waaragtig zo iets zyn, dat deugd
+genaamt wordt? Ei, wisjewasjes! Kinderlyke vooroordelen; dat is 't al,
+en anders is 't niets. Nooit heb ik my zo misrekent! En niets dan schrik
+kan my haar bezorgt hebben. Zie daar! daar raken de Harddravers met een
+poot of drie in een der leizels, die ik bevolen had optestrikken, om
+toch gereet te zyn, zo dra zy besloot my te volgen. Er was niemand op de
+plaats dan de Tuinvent. Ik moest helpen of myn beste Paarden verliezen.
+Ik sluit de schone meid in de kamer, verzekert, dat zy myne gevangene
+moest blyven. En in dien tyd, dat ik in den stal ben, is zy 't ontsnapt.
+'t Is my volstrekt onbegrypelyk, want er was niemand op de Plaats dan
+de kerel en ik. Ik kom weêr, doe de deur open, vind haar niet, sta als
+een driedubbele gek, loop het huis uit, raas, stampvoet, vlieg by Kryn
+in huis; alles vergeefsch; loop naar 't Hek; ja, 't Hek was open, en ik
+begreep, dat het niet voor my geraden was, haar na te zetten. Waar zy
+belant is, weet de Drommel; doch het scheen my hoognodig, om, vroeg in
+den morgen, weg te ryden; ik ging naar Utrecht, en van daar op Arnhem;
+thans ben ik op Pruisischen bodem, en laat my ligt Hofraad maken; 't
+kan te pas komen. Hoort gy niets? Alles zou ik nog vergeten kunnen,
+maar ik bemin haar tot myn straf. Dit maakt my dol op my zelf, en met
+dit al, het is niet anders.
+
+Als gy niets beters te doen hebt, kom dan by my, en breng Philips
+mede, op dat ik ten minsten een paar guiten heb, op wie ik al het
+onweêr myner gehoonde en van liefde gemartelde ziel vryelyk mag
+uitgieten.
+
+ T. T.
+
+ R.
+
+
+
+
+HONDERD-EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis laat Blankaart _een
+blauwtje loopen_.
+
+
+HONDERD-TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Hendrik schrijft Sara een solide
+liefdesbrief.
+
+
+HONDERD-DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Sara antwoordt hem niet minder
+degelijk; _er ligt haar nog iets op 't hart; ze denkt dat_ Hendrik
+_nog niets weet van 't geval met_ R., maar uit de Honderd-vier en
+vijftigste brief blijkt dat hij alles wist.
+
+
+HONDERD-VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis noemt haar verloofde
+Smit "waarde vriend"--deelt hem de _officiëele verloving mee_ van Sara
+en Hendrik. Blankaart was zeer ontroerd, doch lachtte zijn tranen weg.
+
+
+
+
+HONDERD-ZES EN VYFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Myne Tederbeminde!_
+
+Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, om te schryven, in die
+droefgeestige uuren, dat ik uw gezelschap moet missen. Ik weet, myne
+Liefde, dat de Betaamlykheid my de wet stellen moet; dat ik myne
+affaire moet benyveren, en voldoen aan die onderscheiden pligten, die
+ik voor my te doen vinde: ik kan u des maar weinige uuren 's daags
+zien. Al den tyd, dien ik kan uitsparen, gebruik ik echter om aan u
+te schryven.
+
+Gy hebt u dan met welberadenheid aan my verbonden, en, schoon de
+gelukkige dag nog niet bepaalt is, zo hoop ik, dat hy nu haast zal
+aanbreken; iets, waarom ik vurig bid.
+
+Myn waarde Vader, die myn geen woord gezegt heeft van zyn voornemen,
+om u te komen zien, verhaalde my onder het avondeeten, dat hy by u
+geweest waar, om u veel zegen te wenschen met uwe Verjaring. "Zie,
+Hendrik, zei hy, 't is een aartig meisje, maar 't is of zy bang van my
+is. Zy was wel beleeft en vriendlyk, maar toch zo niet, als zy tegen
+haren Voogd (die er ook inkwam,) zich gedraagt: en dat spyt my; want
+ik meen het kind wel te doen; jammer, duizend jammer! dat zy niet van
+ons Geloof is."
+
+_Ik_. Juffrouw Burgerhart zal, zo dra zy weet, dat gy vriendelyke
+gemeenzaamheid niet voor kleinachting in jonge menschen aanziet, u
+zeker zo behandelen, als gy wenschen kunt.
+
+_Hy_. Wel, dat's al een raar Compliment, Hendrik. Ben ik dan zo een
+Niemands vriend, dat de jonge lieden voor my vrezen? dat zou my
+spyten!
+
+_Ik_. Myn waarde Vader, trek er toch dit gevolg niet uit! Gy weet, hoe
+pligtmatig ik altoos omtrent u gehandelt heb, en den Hemel dank voor
+den braven Vader, dien hy my gaf.
+
+_Hy_. Ja, ik zie zelf wel, dat ik zo niet ben als uw Oom Redelyk, of
+als Blankaart, maar dat is zo myn humeur. Nu, zal 't haast lukken?
+Wanneer gaat het Huwlyk aan?
+
+_Ik_. Zo dra wy een huis hebben, denk ik.
+
+_Hy_. Wel, is dat de zwarigheid? wagt, met je Vrouw, de occasie hier
+by my af: of wil zy niet by zo een knorrig man zo lang komen inwonen?
+
+_Ik_. Daar is geen woord over gesproken; maar ik ben wel verzekert,
+dat myn aanstaande Vrouw over haar Mans Vader dus onheusch niet zal
+oordelen; en ik bedank u by voorraad allerhartlykst voor deeze
+aanbieding.
+
+_Hy_. Waar is uw Broeder Cornelis?
+
+_Ik_. Die eet by den Heer Blankaart.
+
+_Hy_. Wel is 't waar! alle jonge lui zyn even gaarn by hem; maar 't is
+ook de beste, de braafste man van de waereld. Hy heeft my ook al zo
+eens aan 't oor geweest over uw Broêr.
+
+_Ik_. Ja, myn lieve Vader! Keesje heeft, toen hy te Leiden studeerde,
+eene Juffrouw leren kennen, die hem boven alle behaagde; en dewyl de
+Heer Blankaart die familie kent, en roemt, zoo is 't niet vreemt, dat
+hy een woord voor myn Broêr gesproken heeft: zy is niet ryk....
+
+_Hy-. (_my in de reden vallende_.) Ben ik dan een gierige schrok? Heb
+ik ooit op geld gezien? Als 't anders wel is, zal dat wel gaan; maar
+al weer niet van myn Geloof, denk ik?
+
+_Ik_. Dit weet ik met geen zekerheid: de Heer Blankaart zal u alles
+wel berichten.
+
+_Hy_. Nu, 't is nog zo verre niet. Hy moet eerst wat praktyk hebben.
+Ik hoop, dat hy die zaak op het Oostïndische Huis, voor Mevrouw
+Buigzaam, maar wel en spoedig zal afdoen: zo hy zich ooit met slegte
+zaken bemoeit, ontërf ik hem; geen schelmen in myne Familie, zou ik
+hopen: dan nog liever Gereformeerde meisjes tot Schoondochters!
+
+Zie daar de kaart van 't land, myne Liefde, indien gy den braven man
+weder mogt ontmoeten. Hy zal u zeer lief hebben, maar het u nooit
+zeggen; hy zal u overhopen met presenten, en zien of hy op u keef:
+Beter hart dan het zyne is er niet.
+
+Myn Broêr praat bykans zo veel van u als van zyn meisje, en houdt niet
+op van te zeggen, dat gy, uit alle meisjes, juist die geene zyt, die
+my gelukkig kan maken.
+
+Nu zal ik u verslag doen van myn Bezoek by den Warmoezier. Ik ging er
+deezen namiddag heen. De vrouw was bezig met groenten te wassen,
+geholpen door een jongen knaap; de man was in den Tuin.
+
+_Ik_. Goejen dag Aaltje-buur, hoe gaat het al?
+
+_Zy_. (_Zeer verwonderd opkykende_.) Heel wel, myn Heer, maar ik ken u
+niet!
+
+_Ik_. Gy kent evenwel, denk ik, eene jonge Juffrouw, die gy een dienst
+gedaan hebt, welke ik moet trachten te belonen? Is dat uw Zoon,
+Pieter?
+
+_Zy_. Ja myn Heer, dat's Pieter; en dat is myn man, die daar zo druk
+bezig is.
+
+_Ik_. Myne goede vrouw, zo 't u gelegen komt, wilde ik u wel eens
+spreken.
+
+_Zy_. Als 't je belieft, myn Heer. (_Zy ging met my onder een zwaren
+Olmenboom op een Bank zitten, die wat van 't huis afstondt_.)
+
+_Ik_. Vrouw, gy hebt, door die jonge Juffrouw in huis te nemen, en
+veilig in de stad te bezorgen, my een dienst gedaan, dien ik u niet
+kan belonen; doch ik zal u echter myne erkentenis bewyzen.
+
+_Zy-. Wel, myn Heer! wel, myn Heer! dat is al dubbelt en dubbelt wel:
+die zoete Juffrouw heeft my vier gouwen Dukaten, en myn Zoon nog een
+gegeven; dat waarlyk veels te veel was. En wie, al was hy een Heiden
+of een Turk, zou zo een aller liefst jong mensch niet in huis genomen
+hebben, in zo een droevige omstandigheid? Wil ik u wat zeggen, myn
+Heer? al had ik geen rooije duit gekregen, ik zou 't even lief gedaan
+hebben; ik heb ook kinderen; en hoe bly zou ik zyn, als myne kinderen
+ook in nood en verlegenheid brave menschen vonden! maar die ondeugende
+R. zal zyn loon wel krygen.
+
+_Ik_. Gy spreekt wél; gy verdient achting. Maar zou ik dat lieve
+Klaartje ook niet eens kunnen zien? gy ziet, ik weet van de geheimen.
+
+_Zy_. (_Zy lachte_.) Pieter toe, ga eens even by Kryn-Baas, en vraag,
+of Klaartje hier niet eens kan komen; maar je moet niets van dezen
+Heer zeggen. (_Pieter ging op een draf, en in een kwartier kwam hy met
+Klaartje te rug_.)
+
+_Ik_. Wel, dag schoon kind, ik moet u de groetenis doen van zekere
+jonge Juffrouw, die zeer verlangt om u eens by haar te zien.
+
+_Klaartje_. Zo, myn Heer; wel, ik zou gaarn eens gekomen zyn, maar ik
+durfde niet om myn Vader; die moet er niet agterkomen, of 't zou er
+bedroefd uitzien. 't Heerschap jaagde hem heen', en wat zouden wy dan?
+
+_Ik_. Gy hebt gelyk. (_Onderwyl was Moeder haar Man gaan roepen, die
+ook nu by ons kwam; een ordentelyk man, dunkt my_).
+
+_Zy_. Zie, myn Heer, ik heb Vader zo eens een woord gezeit, maar hem
+dunkt ook, dat wy wel zes-dubbelt beloont zyn.
+
+_Hy_. Ja, dat denk ik, en zo ik de zonde niet ontzag, ik zou zo een
+deugeniet, zo een verleider van jonge meisjes kunnen kloppen, dat hy
+'t opstaan vergat; dat zou ik! (_en hy zette zyn hoed in de oogen_.)
+
+_Ik_. Hy en zyn soort verdienen niet beter, maar laten wy van wat
+anders praten: deeze jonge vrienden zyn Vryster en Vryer?
+
+_Pieter_. Ja, myn Heer, met God en met eeren, en ik heb haar ook
+miserabel lief, ook Klaartje? (_Klaartje kreeg een kleurtje en
+zweeg_).
+
+_Ik_. En waarom gaat het Huwlyk niet voort?
+
+_Klaartje_. Dat geloof ik, myn Heer, ik heb maar twee-honderd guldens
+voor Moeders erf, en Albert-Baas kan niet meê geven; de menschen
+hebben zeven kinders, en men kan zonder geld niets beginnen.
+
+_Ik_. Wel, Albert-Baas, als de jonge lui nu in staat waren om zich te
+redden, zou het dan wel zyn.
+
+_Hy_. Dubbelt wel, want wy houwen maar elendig veul van Klaartje; ook
+Wyf?
+
+_Ik_. Wel, kom aan. Zie naar gelegenheid uit, en als je op je slag
+bent, laat het my dan weten: zie, hier is een beurs, daar genoeg in
+zal zyn om te beginnen: daar, Moeder doe jy uitdeling, en geef er zo
+veel van als gy goed vindt: gy zyt allen hupsche menschen.
+
+De vrouw was verstomt, de man keek of hy zei: "droom ik, of waak ik?"
+en Pieter omhelsde zyn meisje, uitschreeuwende; "nou ben je evel de
+myne, nou word ik jou man;" en hy kuschte haar, of hy haar wou
+opeeten. Nou, zei hy, ik ben op dien Heer "niet jaloersch, geef hem
+een zoen voor zyn goedheid." Zy deedt zo, met een ware eenvoudigheid,
+die my aandeedt. Na nog wat pratens, ging ik te rug, en kwam maar
+juist van pas binnen.
+
+Ik twyfel niet, myne Liefde, of gy zult te vreden zyn met myne wyze
+van doen. ô Wat vindt men schone karakters onder zulke gemene lieden!
+Laten wy, zo veel wy kunnen, die toch wel doen.
+
+Nu zal myn eerste bezoek by uwe Tante zyn. En dat lieve mensch, 't
+welk gisteren by u was, moet ik nader leren kennen. Dit is al
+Christelyke deugd! en hoewel 't gezont oordeel wel eens voor een
+weinigje te vergetrokken yver schynt te wyken, dit is niets, daar een
+mening zo oprecht, en het voordeel zo uitgebreit is.
+
+En nu, myne Liefde, bid ik u, dat gy uwen Edeling niet langer laat
+reikhalzen naar een geluk, dat hy zo vurig wenscht, en dat hy met zo
+weinig geduld kan afwagten. Myne Zielsbeminde! gy hebt myn koel, al
+te onverschillig karakter opgevyzelt tot dien graad, die my alle myne
+zedelyke en machinale verrichtingen met vuur, met deelneming, met
+vaardigheid en gemaklyk doet uitoeffenen. Liefde voor een waardig
+Voorwerp, veradelt den Mensch; zy leidt ons daar, daar wy, in al wat
+goed, wat groot, wat nuttig, wat heilzaam is, voor ons en anderen,
+komen moeten. 't Wordt middernagt. Ik moet eindigen, om u niet
+ongehoorzaam te zyn. Wel dan, ik ga slapen. Rust zagt, myne Beste,
+en ontwaak onder de bescherming des Algoeden. Eeuwig ben ik
+
+ Uwen
+
+ EDELING.
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN VYFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
+
+
+_Ge-eerde Vriendin!_
+
+Al heb ik nul op het request gekregen, daarom blyf ik evenwel dezelfde.
+Hoe, wat? zoudt gy my tegen uw zin nemen? Wel nog mooijer! Neen,
+Vriendin, ik heb u van harten gevraagt, doch het stond u vry, om my
+af te wyzen: Nu zal ik al vast als een _niets beduidend oud Vryer_
+sterven. Want trouwen zal nu wel agter blyven.
+
+Ik zal echter nog zó veel goeds in de Waereld doen, als ik maar grypen
+en vangen kan; want zo maar het leven, dat God de Heer my geeft, met
+geld winnen en boekhouden te verpierewaaijen, dat was nooit te
+verantwoorden: Me dunkt, dat het er schraaltjes moet uitzien, als een
+Christen mensch in den Oordeelsdag evel niets kan opnemen, dat zo iets
+de pyne waart is, zo als onze meeste ryke luidjes toch doen. Neen, ik
+hoop te kunnen zeggen: "Here! ik ben, en dat is maar niet te ontkennen,
+een zondig mensch; ik ben maar een oud Vryer; maar ik heb zo veel goeje
+menschen wel gedaan, als ik maar belopen kon; ik heb kwaaje zoeken wyzer
+te maken; ik ben niemand ooit hart gevallen, en ik deed dit zo alles, om
+dat ik uwe geboden lief had, en uit dankbaarheid, om dat ik zo gezegent
+op de waereld was, alles tot lof Uwer genade, amen;" zo dat, ik wil maar
+alleen zeggen, dat gy waarde Vriendin, my niet tegen uw zin moet nemen.
+
+Ik ben dan eergisteren by den Heer Helmers geweest; zo als ik tegen u
+zei, dat ik doen zou. Hy woont daar als een klein Prinsje, hoor! Ik
+dagt: kom! myn Blesje moet ook eens met baas uit; zie, 't beest is my
+zo lief als myn Snap, zo als het ook wel merken kan. Daar kwam ik als
+een hele Sinjeur de Plaats opryen, maakte myn paard aan een boom vast,
+en ging met Snap naar het huis.
+
+_Ik_. Uw dienaar, myn Heer Helmers! doet Abraham Blankaart u ook
+belet? maar mooglyk ben ik niet by u bekent, en _onbekent maakt
+onbemint_.
+
+_Hy_. In persoon ken ik u niet, myn Heer, maar in karakter wel; gy zyt
+hartlyk welkom; waaraan ben ik dit aangenaam bezoek verpligt?
+
+_Ik_. Dat kan ik u voor de vuist, en met weinige woorden, zeggen. Ik
+kom uit vryen om uw Vriends Dochter Letje:--maar, kyk zoo niet op,
+niet voor my.
+
+_Hy_. Ik zal u met genoegen horen.
+
+_Ik_. Hebt gy den Heer Willis gekent? Hy was niet gelukkig in zyne
+affaire.
+
+_Hy_. Neen, maar ik heb een Vriend gehad; die dit met hem, en even
+onverdient, was; Letjes Vader.
+
+_Ik_. Nu althans, die man heeft een Vrouw en twee kinderen nagelaten;
+(_en, toen zei ik zo veel goeds van u, dat ik het niet zeggen mag_.)
+Zyn zoon is myn gunsteling, een braaf ijvrig Jongeling, by den Heer
+---- op 't Kantoor; die hem als een Vader bemint. En nu kwam ik by u,
+om eens te horen, of gy iets tegen een Huwlyk tusschen deeze Kinderen
+zoudt hebben? Zyne moeder zal u, zo gy het bewilligt, nader verzoek
+doen: want zy bemint Letje, en zou graag zien, dat haar Willem het
+meisje kreeg.
+
+_Hy_. Heeft Letje u niets gezegt van zekeren Brief?
+
+_Ik_. Geen woord. Zy weet ook niet, dat ik naar u toe ben. Zie, ik wou
+eerst weten, hoe gy er over denkt. Gy zyt haar weldoener, zegt zy.
+
+_Hy_. Myn Heer Blankaart, Letje (dat ondervind ik op nieuw,) heeft een
+zeer goed eerlyk karakter. Hare vriendschap met Juffrouw Burgerhart,
+haar inwonen by de brave Weduwe, hebben haar in weinige maanden
+ongelooflyk veel nuts gedaan. Ja, ik had een ander oogmerk met haar;
+doch ik zal haar myne weldaden niet ten koste van haar vryheid en
+geluk toedelen. Indien zy myn voorslag hadt kunnen aannemen, 't zou my
+lief geweest zyn; maar, zo zy liever den Heer Willis heeft, my is 't
+wel; ik moet u evenwel ook voor de vuist zeggen, dat Letje niet meer
+dan twintigduizend Guldens bezit: zo veel als haar Broeder, daar ik
+ook zeer wel over voldaan ben: en indien Willis nu niets heeft, dan
+zie ik er niet door.
+
+_Ik_. En ik heel wel! God heeft my gezegent, en ik ben maar een oud
+Vryer, die kind noch kraai in de waereld heeft. Kom, Helmers! Letje
+heeft my zo veel van u verhaalt, dat ik mag veronderstellen, dat gy
+nog wel iets doen zult voor haar. Ik zal voor Willis ook wat doen. Ik
+had altyd gemeent, als ik niet trouwde, myne Pupil myn goed te maken,
+met zo wat Legaten aan myn oude Bedienden; maar zy doet een ryk
+Huwelyk, en ik zeg: zie, Abraham Blankaart, gy moet geen water in de
+zee dragen, myn Vriend. Nu moeten er andren wel van varen. Och God!
+het moet hier immers alles blyven; en wel doen is de boodschap. Is dat
+zo niet, myn goeje Vriend?
+
+_Hy_. Gy doet my aan, Blankaart. Geef my uwe vriendschap: ik denk even
+als gy.
+
+_Ik_. Met al myn hart: nu, wat zegt gy?
+
+_Hy_. Ik sta de verkering toe; ik bedank u voor de eer, die gy my in
+deezen aandoet; ik zal tonen, dat ik uwe achting niet onwaardig ben;
+en laat voorts alles aan uwe bestiering over.
+
+Vervolgens vertelde hy my met aandoening, dat Letje, nog zeer jong
+zynde, (nu, zy is nog maar drie en twintig jaar,) eene jeugdige liefde
+had opgeöffert aan haar's Vaders redelyk bevel; en dat zy ook hier
+voor moest beloont worden. Hy zei my, dat haar Broêr een goede jongen
+was, daar wel wat van zou te maken zyn, zo hy in goede handen viel.
+Goed, zei ik, ik zal dat knaapje ook al in 't oog houden, en helpen
+waar ik kan en mag.
+
+Na de plaats doorgewandelt en op zyn oud Vaderlands afscheid genomen
+te hebben, sprong ik te paard, en kwam, zo in my zelf tierelierende,
+en zoo vrolyk als een Koning, met Snap de Stad in, at spoedig, en ging
+deezen zitten schryven. Ik ben met eerbied,
+
+ Uwe Hartvriend,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+
+HONDERD-AGT EN VYFTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Lieve Vriendinne!_
+
+Ik had dan het genoegen om u, en nog eenige jonge harten aan het huis
+van de Vriendinne Buigzaam te zien! Ik was byna niet in staat, om myne
+inwendige vreugd te verbergen.--'t Was of ik in een zedelyk School
+was, daar men jonge menschen de eerste treden leerde zetten op den
+waren weg. Toen ik t'huis kwam, moest ik zo betuigen voor den Here:
+_Nu weet ik, dat by u geen aanneming des persoons is, maar dat yder,
+in wat staat of rang, in wat kleding_, (_zo die der betaamlykheid maar
+niet kwetst_,) _die de gerechtigheid lief heeft, u aangenaam is_? Ja,
+ik voel zo eene zielenliefde voor de Vriendinne Buigzaam. In haar zie
+ik zo _Maria_ en _Martha_ vereenigt. In Letje is een getrouw zaad
+gevallen: de Here geve, dat het door de waereldsche beslommeringen
+maar niet verstikken moge! Niet, hartje, dat men den kinderen van
+Jezus alle speelgoedje moet onthouden; maar 't moet binnen de palen
+van uitspanningjes zo blyven. Och, zy laten het van zelf wel varen,
+als zy Maagden, Vrouwen en Moeders in den Here worden. En daar is dat
+zoetaardig Lotje, die moet niet verstoten worden; zy is een kind in 't
+verstand, maar ook in allerleije boosheid. Ja, Styntje, zei ik zo in
+my zelf, als ik haar zo eenvoudig zag zitten breijen, gy moet in
+onschuld dit Kind gelyk worden, of gy kunt in 't Ryke Gods niet
+ingaan.
+
+Maar gy, myne jonge Vriendinne, hebt vyf talenten ontvangen, en de
+Here gaf u ook de gewilligheid, om die tot winst uit te zetten. ô Myn
+hartje, gy kunt nog zo veel goeds doen. En uw Bruidegom is een
+_Timotheus_, die de begeerlykheden der jonkheid vliedt, in wien het
+oprecht geloof woont. ô! Zo de lieve _Johannes_ eens aan hem schreef,
+hy zou zeggen: _Ik schryve u, Jongeling, want gy hebt de waereld
+overwonnen_. Ik spreke uit ondervinding. De Godsdienstige Edeling is
+by my geweest, maar zo als hy zich omtrent uwe Tante gedroeg; ô
+Vriendinne, dat was het _werkent_ Christendom! Uwe Tante weende
+bitterlyk. Nu ziet zy wél, dat de Here _niet woont in 't water noch in
+'t vuur_: gelyk er in het oude Verbond staat: dat is, niet in al dat
+getier en gebaar van dat zo genaamde Bekérings-werk: maar dat God
+woont in een ootmoedig, gezuivert, en hem geheel geheiligt hart; zoo
+is het ook met uwe Bruidegom!
+
+Ik ben niet onder de ryken deezer Stad; maar ik heb overvloed voor my,
+en kan nog wat mededelen; en zo uwe Tante niets hadt, en by my toevlugt
+nam, ik zou haar gaarne van 't myne geven. Maar nu gy, en uw Vriend,
+ryk zyt in goederen, ryk in de genade, en dus ook ryk in goede werken,
+zou het in my eene dwaze trotschheid zyn, geen gebruik te willen maken
+van 't geen uw beider liefderyke harten my aanbieden: En nu kan ik myne
+stille liefdadigheid blyven beoeffenen.
+
+Terwyl ik deezen zo zat te schryven, kwam de Heer Blankaart in myn
+huisje. Uw Tante was danig ontstelt. Hy bestrafte haar als _Joannes de
+Doper_, en troostte haar, als _Joannes de lieveling des Heren_. Zy
+viel in den schuld, bekende, dat zy u zeer onrechtvaardig behandelt
+hadt, en u in gevaar gebragt, om op den doolweg te raken. "Nu, zei hy,
+Zantje, leer nu beter toezien; er zyn, zo als ik u duizend maal zeide,
+hele ondeugende sielen onder dat Fyne goedje. Jou Duivel was gierigheid,
+kind, die moest uitgedreven worden; zo als de Schrift zegt, _gierigheid
+is een wortel van alle kwaad_. Zie, hadt gy nu van uw geld arme sukkels
+meêgedeelt; maar neen, er mogt geen duit af, zo 't niet voor dat Volk
+was. Nu, 't schaadt je niet; zo je jou nu nog maar bekeert, zal 't alles
+wel lukken: hoor, ouwe kennis, ik begryp niet, hoe of je zo in dien hoop
+verwart geraakt zyt. Gy pleegt te wezen als alle andere deftige Burgers;
+maar zedert dat je bekeert ben, zit je te zuchten en te steunen, dat de
+Duivel in zyn vuist lacht, om dat je het by onzen lieven Heer zo wel niet
+hebt als by hem. Denk jy, dat onze Hemelsche Vader, die uit liefde en met
+blymoedigheid wil gedient zyn, het scheelt, of gy u als een _graauwe
+Munnik_ toetakelt; en er uitziet, of je uit het zothuis kwaamt? dat je
+dat kostlyk aangezicht weg moffelt in een malle muts? Niet dat ik wil,
+dat gy u optooit als een kleuter; maar kleedt u zo als Styntje: zo een
+Samaartje staat immers net en ordentelyk, en het Kuifje zindelyk en
+zedig? Zy ziet er ook zo blymoedig uit, dat men niet hoeft te vragen,
+of zy zich in den dienst haars Gods wel bevindt, en vrolyk leeft in
+den Here. Nu, _zalig zyn zy, die zich beteren_. Wat uw bestaan aangaat,
+zorg daar niet voor. Uwe lieve brave Nicht heeft my gebeden, om u uit het
+hare te mogen onderhouden; en ik zou haar niet half zo liefhebben, zoo zy
+niet zo wel kon goed doen als vergeven. Zie, dat is ook een Christelyke
+plicht. En wy hebben allen nog zo veel te doen, eer wy waarlyk Christenen
+zyn, ik voor al, dat het ons niet voegt onvergeeflyk te zyn. En jy en ik,
+Zantje, mogen by Styntje nog wel een lesje halen."
+
+Vriend Blankaart, zeide ik, ik vinde gedurig zo stoffe, om my te
+vernederen voor den Here; laten wy liever elkander leren, en opbouwen
+in het goede werk. De Here zelf moet ons leren; en zo doet hy ook in
+het woord der waarheid. "Dat is recht, zeide hy: maar wy doen heel
+anders, wy verlaten den Sprinkader des levendigen Waters, en houwen
+ons zelf gebroken bakken uit; zie, ik lees alle daag in Gods Woord, en
+hou my niet op met uitleggingen, die ik niet noodig heb om het te
+verstaan, voor zo verre het my raakt als een Christen mensch, wil ik
+spreken. Wat kan 't my schelen, of in zo een text van den _Gog_ en den
+_Magog_, of van _Constantyn den Groten_ gesproken wordt? Ik wil
+_Bybels_, ik wil _practicaal_ horen preken. Daar liep ik verleden
+Zondag zo eens in de Meniste Kerk by den Toren; er werdt over de
+Bekéring gepredikt; 't was zo fraai, dat ik ging zitten, en luisterde
+als een vink. Wel, Styntje, ik ben nu zuiver rechtzinnig, maar
+waarlyk, ik kon _amen_ op alles zeggen; en ik zei het ook in my zelf.
+Sticht dat niet beter, dan dat ik hoor zagen, en kaauwen en klungelen
+over _Aarons baard_? en er dan nog toepassingen by te krygen, die
+Spotvogels stof leveren, maar die verstandige en vrome menschen met
+versmading overdenken? Toepassingen, die onze jonge Nazireërs wel
+agter weeg mogen laten, zo zy zielen willen winnen; en die my danig
+ergeren, om dat zy my doen lachen."
+
+Toen ging de Vriend Blankaart heen, en ik zei in my zelf: _dit is een
+Israëliet, in wien geen bedrog is_. En nu, hartje, moet ik u nog
+zegenende zegenen: _God geve u een Jozua's besluit: wat ook anderen
+doen, wy en ons huis zullen den Here dienen_.--Groet uwen Bruidegom,
+groet de Vriendinne Buigzaam, en de jonge Vriendinnen; en neem my in
+liefde aan. Ik ben
+
+ Uwe ware Vriendinne,
+
+ STYNTJE DOORZICHT.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vraagt aan Mevr.
+Willis, of ze de verkeering van Willem en Aletta goedvindt.--Met Sara
+heeft ze ernstig gesproken: die ziet wel tegen het huwelijk op, maar
+'t zal wel marcheeren.
+
+
+HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelis schrijft aan zijn Jaantje--Adriana
+Nijverhart--dat papa hun verloving ook goedkeurt. Jammer dat _hij
+alléén_--naar Hendrik's bruiloft moet: Jaantje's moeder is ziek....
+
+
+
+
+HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER CORNELIS EDELING AAN MEJUFFROUW ADRIANA NYVERHART.
+
+
+_Myn allerkostelykste kostelykheid!_
+
+De knoop is gelukkig gelegt: ik ben eens even t'huis gekomen, om te
+zien, of er ook een Brief van uwe Majesteit, Adriana de Eerste, was.
+Neen, geen Brief. Nu, dat's weêr een schreefje op den kerfstok! Ik ga
+zo vliegent weer naar 't huis van Mevrouw Buigzaam.
+
+ô Waarom, myne Jaantje, hebt gy gisteren niet by ons geweest? Niets
+ontbrak er aan myn geluk dan uw byzyn! Ik geloof niet, dat men met
+meerder betaamlykheid, met meerder blydschap, een Party als die van
+gisteren zoude kunnen uitdenken en uitvoeren. Alles was naar de
+onmerkbare Ordonnantie van Mevrouw Buigzaam; kon het dan anders zyn?
+Myn Broeder, weet gy, is een regt schoon man, en zyne Bruid, (of nu
+jonge Vrouw,) eene Bevalligheid, die nog meer bekoort dan het schone
+zelf. Niemand van ons was eigenlyk opgeschikt: alles was _négligé_.
+Wy geleken net één Huisgezin. Hendrik was geheel liefde, geheel vreugd:
+De Bruid minder levent dan anders, en men zag, dat zy alleen uit
+beleeftheid mede sprak. De voor-avond werdt musicerent gesleten. De
+Eerwaarde Smit was geen der minste spelers: maar Mevrouw Buigzaam
+wordt niet geëvenaart, ook niet van de jonge Vrouw, en die speelt, zo
+als de Heer Blankaart zegt, evenwel "Kapitaal." De eetzaal was gereet
+gemaakt, om ons Soupée te houden: het overtrof nog het Verjarings
+Collation. De Heer Blankaart's knegt, die van Vader, en die der Weduwe
+dienden. Men had voor hun wel degelyk gezorgt, en Blankaart hadt de
+oude kindermeid van de Bruid ook verzogt, om meê in de vreugd te
+delen. (Van die nog een woord.)
+
+De twee Weduwen werden door de twee oude Heren op hare plaatzen
+geleidt; en zo dra de Getrouwden gezeten waren, voegden wy ons er by.
+Op het dessert heb ik my ook gewroken; doch zy hebben my, door hun
+verdriet te verbergen onder een vriendelyken lach, deerlyk te leur
+gestelt. Ik zal het Vod[1] zelf hier in sluiten. 't Zal u mooglyk tot
+een zoet rustmiddeltje dienen; en gevolglyk nog ergens goed voor zyn.
+
+Toen men vervolgens zat te praten over die kostelyke niet met allen,
+die onder goede vrienden zo aangenaam zyn, zei myn Vader: "Kom een
+glaasje van gelukwensching. Welkom, vervolgde hy, met een zeer ernstig
+vriendlyk gelaat, daar zyn eerlyk hart in uitscheen: Welkom, lieve
+Dochter, in myne Familie. Nooit moet gy u den dag beklagen, die u in
+dezelve brengt; ik althans zal een goed Vader omtrent u zyn: gy zyt
+het waardig. Geluk, myn Zoon, met uwe Vrouw; wees een zo goed Man,
+als gy een Zoon, een Broeder, een Meester waart, en gy zult uwe Vrouw
+dierbaar blyven. En gy, Cornelis, (tegen my,) geluk, jongen, met uwe
+Zuster; als gy trouwt, zal ik even zeer in myn schik zyn als nu: gy
+zyt beide myne Kinderen. Myn Heer Blankaart, geluk met deeze
+verbintenis! dat wy beide nog lang getuigen zyn van dat heil, dat myn
+Vaderlyk hart van den Almagtigen God afsmeekt." Hy kon niets meer
+zeggen, maar boog tegen het gehele gezelschap, en er vielen tranen
+langs zyne wangen. De Bruid stondt op, omhelsde hem; hy kuste haar;
+niemand sprak: allen droogden wy onze oogen af. Hendrik, (om wat
+afwendig te maken,) vroeg aan 't gezelschap, of men hem, toestondt,
+om de gewezen kindermeid der Bruid binnen te verzoeken? Niets liever!
+Daar op kreeg ik myn hoed en handschoenen, en marcheerde naar de
+Keuken, om het ouwe schaap, dat in haar beste Zondaagsche plunje was,
+en styf stond van de gouden ringen, in te leiden. "Aanstaande Zuster,
+zei ik, met myn hoed onder den arm, en Pieternelletje zeer eerbiedig
+aan de hand, daar heb ik myn Vryster, die gaarn de eer hadt, om by u
+haar compliment van felicitatie af te leggen." De Bruid trok haar
+stoel wat uit, en gaf de vrome eenvoudige Pieternel gelegenheid, om
+zich te laten bekyken. "Wel, God dank! zei ze, dat ouwe Pieternel haar
+jonge Juffrouws trouwdag nog beleven mogt. Heden, Juffrouw, je bent
+krek alleens als je lieve Moeder, toen die trouwde. Niet waar, myn
+Heer Blankaart? En toen myn Heer Blankaart even zo klugtig als deeze
+myn Heer. Nu, myn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten
+zegen; och, myn Heer Edeling, je krygt zulk een lief meisje; ze het
+ouwe Pieternel nooit een onvertogen woord gegeven, 't was een lief
+hartje van een kind, en ik was ook zo mal met haar, dat, als zy
+tandjes kreeg, of zo, ik my tot water huilde; niet waar, myn Heer
+Blankaart?" En toen gaf zy de Bruid en Bruigom een kusch, die klonk
+als een klok. De overige Bedienden werden binnen geschelt; de Heer
+Blankaart overend ryzende, nam een schoon tafelbord, waar op zes
+verzegelde kleine Pakjes lagen. "Hier, Kinderen, zei hy tegen de
+Bedienden, daar is voor u elk een gedagtenis van dit Huwlyk. Gelyke
+munniken, gelyke kappen: Abraham Blankaart kan, en wil ook wel,
+Goddank! wat missen." Hy gaf elk een pakje, en zy gingen in de keuken
+zich vrolyk maken. "Vrienden, zei de brave man: zie, ik ben, wil ik
+spreken, maar een oude Vryer, ik heb kind noch kraai; en God de Heer
+heeft my boven alle myne begeerte gezegent: Ik weet, 't is waar, niet
+wat het Vaderlyke hart is; maar dit lieve Bruidje is de waardige
+Dochter van een man, dien ik my ten vriend had uitgekozen; zy is onder
+myne oogen opgegroeit; duizendmaal zat zy op myn schoot met my te
+snappen, of haar Poppen te kleden; (want ik ben een regte kinder-gek!)
+zo dat ik maar zeggen wil, dat dit de gelukkigste dag van myn leven
+is; en dat ik nu niets meer van God te wenschen hebbe, dan dat ik en
+alle brave menschen gelukkig zyn." Onze Dominé besloot, op 't verzoek
+der oude Heren, dit Vrienden-maal met eene dankzegging, die ons de
+hoogste denkbeelden gaf van zyn Godvruchtig hart, en zyn
+menschlievenden aart. Den Eerwaardigen Jongeling rolden de tranen op
+de t'samen geslagen handen. Zyn stem was zielroerent, alles was diepe
+aandagt.
+
+De Heer Blankaart luisterde my in 't oor, dat wy moesten dansen.
+Willem en ik haalden twee Fiolen: Een gaf ik aan myn Vader: "Jongen,
+zei hy, ik doe er niet meer aan! Ik vrees, dat het gebrekkig zyn zal."
+Evenwel, de vreugd, die zyn hart overstroomde, deedt hem die aannemen;
+ik presenteerde den Heer Smit ook een: die, zonder eenige kwalyk
+geplaatste excusen, zei: "ik zou dit fatsoenlyk gezelschap onëer
+aandoen, indien ik my onttrok, om het myne tot eene zo billyke vreugd
+te doen. Wy zyn onder de Roos." De Heer Blankaart haalde de Bruid op.
+Zy danste niet wel; niet zó wel, meen ik, als zy 't anders kan; en zy
+verzogt hem om geëxuseert te zyn. Toen moest Letje en Willem op de
+baan; beiden toonden, dagt my, dat zy elkander wilden behagen.
+Bruinier was onvermoeit, en gy weet, ik val ook niet heel vies van een
+cabriooltje. Eens haalde ik Mevrouw Buigzaam, en danste met haar een
+zeer statige Menuët; trouwens allen waren in den goeden smaak: Na een
+uur dus doorgebragt te hebben, verdwenen Mevrouw Buigzaam en het
+Bruidje. Hendrik bleef nog in de kamer, doch ik geloof, dat wy alleen
+zyne uitwendige tegenwoordigheid hadden: De beide oude Heren gaven hem
+de hand. De Weduwe kwam niet te rug, voor myn Broeder insgelyks weg
+was: de vreugd ging haren gang: ten drie uuren waren de Koetzen
+gereet: elk nam even vrolyk, minzaam en even vriendlyk afscheid en
+ging naar zyn eigen huis.
+
+Vóór ik ga zien, of de Jonge Lieden al by de hand zyn, sluit ik
+deezen. Indien ik eenigszins kan, kom ik in 't laatst van deeze week;
+ik heb u wel honderd millioenen van zaken te zeggen; (nu, dat kun je
+wel denken;) 't is, of ik u in geen eeuw of twintig gezien heb. Myn
+vader is nu zo minzaam als altoos welmenent eerlyk: en nu durven wy
+hem beminnen. Blankaart doet u hartlyk groeten, en doen alle de
+Vrienden en Vriendinnen, en goede bekenden, en ik omhels u, met een
+hart stikkent vol liefde. Maak myn compliment aan uwe waarde Ouders,
+en aan de kleine Familie. Altoos ben ik
+
+ Uwe
+
+ C. EDELING.
+
+
+Noot:
+
+[1] Zijn "gedicht", niet veel zaaks.
+
+
+[Illustratie: Nu, mijn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten
+zegen; och, min Heer Edeling, je krijgt zulk een lief meisje;
+illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave
+van 1782.]
+
+
+
+
+HONDERD-EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar en Hendrik zijn gelukkig!
+
+
+
+
+HONDERD-TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Willis!_
+
+Weet gy wel, dat, zo ik maar iets den slag had van te kunnen grommen,
+dat ik dan braaf grommen zou op u? wat was er op te zeggen? elk zyn
+beurt, dat's niet te veel; en ook, kind, gy moogt ouder en wyzer zyn,
+zo veel als het u zelf maar blieft, doch ik ben zeker nu iets meer
+betekenent dan gy: ik ben eene _getrouwde Vrouw_. Foei! Naatje, niet
+op de Party geweest! Foei! Naatje, nog al uit blyven; en dat om dat
+de Eerwaarde Smit u, en uwe Moeder verzogt, om met hem naar zyne
+standplaats te gaan, ter verrigting van duizend dingen die geen
+uitstel lyden. Gy hebt er 't meest by verloren. Nu hebt gy myn Oom en
+Tante Redelyk niet gezien, noch Kapitein Herberts; nu weet gy niet,
+hoe Vader Edeling getracteert, hoe wy jonge Lieden allen gedanst
+hebben, en hoe of de oude Vrienden 't werkje aanzagen.
+
+Toen ik nog zeer jong, en zeer bedroeft los was, kon ik Brunier (uw
+ouden Vriend,) verzoeken, om alle deze bagatelles voor my zeer keurigies
+uit te schryven, en denken, hy kan nu zo goed netjes breijen als 't
+behoeft; met schryven zal hy een vaste hand krygen; en kinderen moeten
+niet leeg zitten. Maar nu zyn al die flinken[1] over. Ik heb zo veel
+achting voor myn lieven man, dat ik iemand, dien hy zyn vriend noemt,
+met geen spotterny kan behandelen. Ik heb nu ook door Edeling een trek
+uit zyn karakter gehoort, waar aan ik het te danken heb, dat ik deezen
+waarden man leerde kennen.
+
+Onze samenleving met den ouden Heer is recht aangenaam; Keesje is de
+vreugd van 't huis: ik wensch, dat hy ook maar, zo als myn Voogd zeit,
+_een eigen weêrspraak_ hadt. Myn nieuwe Vader is de degelykste man uit
+Amsterdam; en nu dat zyne wonderlyke eenigzins grillige manieren, door
+de weltevredenheid, over de zagte Noten rollen, vind ik er iets veel
+meer Comiecqs dan lastigs in. Ik kan u zeggen, dat _Dochter Edeling_
+in de kas is by _Vader Edeling_: ja, dat hy my overlaadt met
+gunsten.--Een staaltje van zyne denkwyze:
+
+Gisteren aan tafel zittende, zei hy: Ik ben boos op Blankaart.
+
+_Ik_. Boos op myn Voogd; dat kan niet zyn: want gy, Vaderlief, zyt
+hier te redelyk, en hy veel te goedaartig toe: gy beeldt u dit maar
+in.
+
+_Hy_. Hoe, denk je, dat ik door inbeeldingen geregeert worde? dat is
+al eene aartige zet!
+
+_Ik_. Wy hebben allen onze luimen. Zoudt gy wel geloven, dat ik die
+ook heb? ô Ik kan zo luimig zyn, dat ik met my zelf wel kyven zou, als
+ik niemand by my heb.
+
+_Hy_. Wel zo, dat ziet er voor u, Hendrik, niet al te voordelig uit!
+(_Myn man lachte_.)
+
+_Ik_. Wel neen! tegen zulke lieve redelyke menschen draag ik my nooit
+als eene malloot, om dat ik te veel prys stel op hunne achting, met
+andren, daar ik méér meê gelyk sta, mik ik het zo naauw niet.
+
+_Hy_. (_Half knorrig, half goedschik_.) Nu, ik ben evenwel boos op
+Blankaart.
+
+_Ik_. (_Hem potzig in de oogen kykende_.) En om wat reden? of is Papa
+ook een beetje met luimen bezet, want myn Voogd is de beste man van de
+gehele waereld, myn man uitgezondert?
+
+_Hy_. Wel! hy heeft u zo veel kostbaarheden gekogt, en op uw verjaring
+zulk een boel Juwelen gegeven, dat ik, nu het aan my toekomt, niet
+eens weet, wat of ik u zo eens geven zal; en ik ben evenwel uw Vader,
+je hebt alles dubbelt en dwars, en daar is nog zo een menigte goed van
+myn Vrouw ook. Hy maakt my recht verlegen: want ik zie niets, of je
+hebt het.
+
+_Ik_. Ik ben niet heel hebzugtig: en met dit al, daar is iets dat gy
+my geven kunt; had ik dat!...
+
+_Hy_. (_My in de rede vallende_.) Wat is dat toch? je zult het hebben,
+kind.
+
+_Ik_. Een kinderlyk deel in uw Vaderlyk hart! zo ik dat hebben mag,
+dan vraag ik, of Amsterdam te koop is? (_Ik stond op en kuschte hem_.)
+
+_Hy_. Loop, stout dingetje; is 't anders niet, och heden! ik meende,
+dat het heel wat byzonders was.
+
+_Ik_. Dat is het ook, lieve Vader!
+
+_Hy_. Nu, gy zyt een raar meisje, hoor; maar, (_in zyne Brieventas
+schommelende_,) zie daar is een Wissel op myn Cassier. Neem dit dan
+tot een bewys, dat gy my lief en waart zyt, en steek hem maar in uw
+Almanakje.
+
+Hem inziende, zag ik, dat hy _fl_ 6000 beliep. Ik bedankte met
+aandoening, en zei tegen myn man: daar, Edeling, neem dit van my aan.
+Ik heb niets nodig, en, als ik iets van doen heb, weet ik, dat gy my
+meer zult geven dan ik verzoek.
+
+Vader schudde zyn hoofd. Ja, zei ik, myn man en ik hebben maar één
+belang, en dewyl hy veel meer verstand van geld heeft dan ik, dewyl
+ik nooit speel, en alles kan krygen, wat ik begeer, is het immers
+niet meer dan billyk, dat ik aan myn besten Vriend alles in bewaring
+geef?--Kom, zei hy, ik verpraat, met dat drommelsche Wyfje, weêr al
+myn tyd: kom, Hendrik, naar 't Kantoor.--Zy gingen weg, en ik had zo
+wat te schikken en te bergen, zo als eene Huishoudende Vrouw altoos
+wat heeft, Naatje. 't Was Postdag, ik was blyde, dat myn Voogd by my
+kwam Thee drinken. De Heren lieten zich in kommetjes de Thee brengen.
+Wy zaten als ouwe lui te snappen, en over byzondere zaken te keuvelen,
+toen myn beste Willem inkwam. Hy deedt ons eene openhartige biegt:
+"dat hy Letje beminde, en dat hy niets zo zeer wenschte, als eens in
+staat te zyn, om voor haar te zorgen, in dien rang, waar in zy gewoon
+was te leven: dat zyne Moeder zyne keuze goedkeurde, en dat hy hoopte
+eens weder bemint te zullen worden." Blankaart zei: "dat hy hem in
+alles raden en ook helpen zou, en met plaisier zag, dat zyn oogmerk
+dus verre gelukte." Beide bleven by ons eeten. Edeling hadt Brunier op
+de Beurs verzogt. Wy hadden een lieven avond. Beide de jongens waren
+vrolyk en vergenoegt. Myn man! och! die is al wat een vrouw zoude
+kunnen wenschen: ik vrees maar, dat hy al te goed op my zyn zal; ook
+dan, als ik 't eens minder verdien dan nu; en dan zal hy my ongelukkig
+maken; want hoe zou ik dit ooit aan my zelf vergeven kunnen?
+
+Morgen gaan wy ons nieuwe huis in order brengen; het is digt by
+Mevrouw Buigzaam; dit maakt het voor my verkiesselyk; evenwel, het is
+een schoon huis: ik hoop er u wel haast in te zien. Oordeel eens, hoe
+druk ik het nu heb! hoe veel airs ik my geef, tegen alle die goede
+menschen, die my 't hunne brengen om alles te maken, _comme il faut_.
+Ik moet Letje volstrekt tot hulp hebben, of ik kom er niet door. Ik
+ben met achting,
+
+ Uwe liefhebbende Vriendin,
+
+ SARA EDELING,
+
+ geb. BURGERHART.
+
+
+Noot:
+
+[1] Hier: grappen, streken.
+
+
+
+
+HONDERD-DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar verhaalt zelf van haar geluk.
+
+
+HONDERD-VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.--Anna Smit-Willis is eveneens heel
+tevreden. Willem kan Sara vergeten en Aletta vragen. "_Alweer een
+gelukkig huwelijk_!"
+
+
+HONDERD-VIJF EN ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik vertelt van zijn geluk en
+betuigt andermaal zijn dank aan de Wed. Spilgoed.
+
+
+HONDERD-ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Wed. Spilgoed: Anna
+is gelukkig getrouwd; Willem krijgt een som geld van Blankaart en gaat
+met Letta trouwen; _de beide weduwen hopen samen gelukkig oud te
+worden_.
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara bericht, dat Hendrik doodziek
+is!--Gelukkig komt in den brief nog de crisis; maar ze heeft wat
+uitgestaan; _ze hoopt nl. spoedig moeder te zijn_.
+
+
+HONDERD-ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vermaant Sara: denk
+aan je kind! wees bedaard, beheersch je, vorm je geen schrikbeelden,
+leef voorzichtig en verstandig!
+
+
+HONDERD-NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier en Willem logeeren
+bij Helmers. Willem moet op reis voor zaken. Jammer.
+
+
+HONDERD-ZEVENTIGSTE BRIEF.--Willem aan Aletta: hij heeft haar innig
+lief! Hij heeft Jacob gesproken bij Blankaart: _deze neemt Jacob bij
+zich_. Hij is ook bij Hendrik en Saar geweest. Hendrik is weer beter.
+
+
+
+
+HONDERD-EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+MEVROUW DE WEDUWE SPILGOED AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
+
+
+_Waarde Vriendin!_
+
+Geluk met een jongen Edeling!--Gister avond elf uuren, verloste onze
+jonge Vriendin van een schoon gezont Kind; zy heeft het niet héél
+gemaklyk gehad; maar zich zo verstandig en bedaart gedragen, dat men
+dit naauwlyks dus zoude hebben kunnen verwagten. De lieve Juffrouw
+Redelyk en ik waren, behalven de Baker, al de Vrouwen, die zy verkoos
+by zich te hebben. Het Vrouwtje was deeze laatste agt dagen verbaast
+ongemaklyk, en pynelyk; ik geloof, dat de goede Edeling immer zo veel
+als zy zelf heeft uitgestaan! In den namiddag liet hy den Heer
+Blankaart halen, en Vader Edeling was zo onrustig en zo bezorgt, dat
+ik, hem alleen sprekende, hem verzogt, zich wat agter de schermen te
+houden. De beide Heren zaten by elkander in de naaste kamer; men
+hoorde hen geen woord spreken. Blankaart wandelde al heen en weêr: de
+oude Edeling zat in een Vensterbank, zeer onrustig; zo als ik, eens
+even in de kamer komende, zag.
+
+De Heer Hendrik was by ons, en verborg zynen dodelyken angst onder een
+diep stilzwygen. Saartje sprak hem dikwyls moed in; (ook als zy hare
+handen wrong.)--Eindelyk, zie daar, daar horen wy het Kind! 't Is een
+sterken Jongen: zyn stem klonk door de kamer. De Kraamvrouw hieldt
+zich stil en bedaart. In de naaste kamer hoorden wy: "God dank, God
+dank! wat is er?" "Een schone Jongen," riep de Baker; nog wat geduld.
+Beide hoorden wy hen elkander al snikkent zegen wenschen. De jonge Man
+was, genoegzaam buiten zich zelf, op een stoel neêr gevallen. Ik
+wenkte hem, en hy lei met den Vroedmeester zyne vrouw in 't Ledikant.
+Juffrouw Redelyk bewaarde het Kind, dat zich braaf liet horen, en
+wakker met handen en voeten schopte. Zo dra het was opgebakert, tikten
+wy de Heren. Edeling gaf het aan zyn Vader. ô, Kon ik u dat toneel
+schilderen! De oude Heer trilde van blydschap; maar hy noch zyn Zoon
+zeiden niets: zy drukten elkanderen de hand; hunne oogen stroomden. Hy
+gaf het den goeden Blankaart, en ging naar zyn Dochter; hy kuschte
+haar, hy zegende haar; hy kuschte zyn Zoon, hy zegende hem: "beleef zo
+veel vreugd aan dit kind, als ik aan u beleef, Hendrik, en gy zult een
+zeer gelukkig Vader zyn."
+
+Blankaart, met het Kind in zyne armen, was geen minder schildery! De
+Natuur is toch niet te overtreffen; men moet zulke dingen zien!
+"Welkom, myn zoete kleine Boy:" "zei de goedaartige man:" "welkom, myn
+lief kind! jongetje, je komt al in een aartig Waereldje. Nu, dat zul
+je, als je tyd van leven hebt, wel ondervinden. Pas maar braaf op, en
+je zult gelukkig zyn:" "(en by my komende met het kind:)" "ha! dat's
+een kereltje! zei hy; zie je wel, watte heldere kykers dat hy heeft?
+'t is een mooi kind, zeg ik je: precies zyn Vaders tronie; en watte
+vuistjes heeft hy! nu mantje, ga jy by Moeder, die zal je beter
+traktéren." Hy ging, met het kind in bei zyn armen voor zyn hart
+gefommelt, naar de Kraamvrouw, gaf haar 't kind, kuschte haar; noemde
+haar met alle zoete namen, die hy bedenken kon, en wy verzogten de
+Heren, zich weêr naar hunne kamer te begeven. Saartje was zeer zwak,
+en verlangde, dagt my, naar rust. Wy gingen vervolgens in 't naaste
+vertrek eeten. Kort daar op kwam de jonge Heer t'huis, die nog niets
+wist. Blankaart sloop in de Kraamkamer, haalde het Kind uit de wieg,
+en liet het Cornelis zien: "He! Maatje, wat zeg je me van zo een
+knaap?" Hy zag het kind, viel zyn Broeder om den hals, omhelsde zyn
+Vader, nam het kind, bezag het met dat goedig gelaat, dat hem zo eigen
+is, bragt het in de Kraamkamer, ging by 't Ledikant en toonde zyn
+broederlyk hart in stille zegenwenschen.
+
+Morgen word het Kind, hier aan huis, door den Heer Redelyk gedoopt:
+zyn naam is _Jan_. Beide de Grootvaders hieten zo. Evenwel het is _Jan
+Edeling_; en ik geloof, dat de oude Heer, om geen waerelds goed, het
+anders zou dulden.
+
+Alles gaat naar wensch: den gehelen nagt geslapen als een roos; het
+Kind ook. Zy is reeds in allen opzichte Moeder: 't is een bekoorlyk
+Kraamvrouwtje! Willis en Brunier zullen van daag den kleinen Jongen in
+het naaste vertrek zien, en Grootvader trakteert al wat in zyn dienst
+leven ontvangen heeft. Tot de Kruijers en Pakhuisknegts toe, krygen
+Rynschen Wyn met Kaneel-Koekjes, en yder is _mantje, jongetje_; elk
+maakt het _bestig_. Hemel, hoe is die man verandert! De Brief moet
+weg: Ik moet ook nog aan myn Letje schryven. Schryf my haast ook zulke
+goede tyding:--met haast, de Brief moet weg.
+
+ Uwe Vriendin,
+
+ M. BUIGZAAM
+
+ Wed. P. SPILGOED.
+
+
+
+
+HONDERD-TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA SMIT.
+
+
+_Zeer lieve Vriendin!_
+
+Niet voor van daag kreeg ik de vryheid om te schryven; en myn kleine
+knol is evenwel al drie weken in de Waereld geweest: Nu, 't is goed,
+dat ik met een zoet praatje te leiden ben, anders, wel heden, me
+dunkt, ik had, voor den _Negenden dag_, wel kunnen schryven. Maar de
+slenter moet gevolgt! Tante Redelyk houdt, zeg ik haar, niet van oude
+palen te verzetten: maar de Vrouw spreekt, zo zegt zy, by ondervinding;
+en dewyl zy reeds tien kindertjes gehaalt heeft, dien ik nog al op
+haar zo wat te betrouwen.
+
+Kom meisje, gy moet den moed niet opgeven: gy plagt altyd _ouder_ en
+_wyzer_ te zyn dan ik ben, en ik heb my wel gehouden, hoor ik; want
+ik, arme sloof, weet niet, hoe andere Vrouwen zich gedragen. Gy kent
+myn humeur! "Kom aan, Saartje, zei ik, schik u naar 't geen zo zyn
+moet; gy zult er u zelf best by vinden." Zo gezeit, zo gedaan: en zie
+daar! my Moeder van het liefste kind, dat gy u verbeelden kunt.
+Gelooft gy my niet? vraag het dan aan het schaap zyn Grootvader; vraag
+het aan den Heer Blankaart;--aan elk, die het ziet.
+
+En wat heb ik nu een drukte met myn kleine Prul! Ik zou hem wel altyd
+op myn schoot willen hebben; maar Baker zeit: "dat hy dan wel haast
+niet meer in zyn wieg zal willen, en dat dit toch best is voor hem."
+Hoe, best? vroeg ik; kan _myn_ jongje ergens _zo best_ zyn, als op zyn
+eige Moeders schoot? Zo ziet gy, dat elk den baas over my speelt, tot
+de Baker inkluis. Wat ben ik hongerig, Naatje! Ik kan altyd wel eeten,
+en neem 's avonds een trommeltje met beschuit naar bed: (nu, kind, gy
+zult wat ondervinden,) ik moet myn Jantje immers voorraat bezorgen?
+Myn stoute Broêr klungelt gedurig aan de Wieg, en maakt zyn Neef
+wakker, die dan een brave keel open zet, en dwingt om by Mama te zyn;
+dan loopt Cees de Kamer uit, en zingt zyn moffenliedje, daar gy eens
+zo om moest lachen. Onze Pieternel is hier geweest; dat was een
+vertoning! zy zei, "dat het kind er zo verstandig uitzag, en zo leek
+op Grootvader Burgerhart, (dat is, op myn Grootvader, moet je weten;)
+en zy kon niet bedenken, dat ik al zo een knappe Zeun hadt; wel heden,
+het heugde haar nog, als den dag van gisteren, dat ik geboren wierd;
+'t was op een Dingsdag;--neen, op een Woensdag;--toch op een Dingsdag;
+want dit was haar stof- en raag-dag; en zy was net bezig met
+Grootvaders slaapkamer te stoffen, toen myn Heer Blankaart, die altyd
+by uw Vader was, wil ik spreken, aan den trap riep: Pieternel, kom
+eens af, meid, daar hebben wy een aartig piskousje gekregen; en
+Mevrouw, ik had er zulk een innerlyke dingstigheid van, dat ik over
+myn handstoffer viel, al het stof op het tapyt; zo dat, ik weet het
+nog heel wel. Zy beriep zich ook op den Heer Blankaart; die zou 't
+niet ontkennen." Grootvader Edeling tracteerde Pieternel ook, en de
+welkomst van den jongen Jan Edeling werdt gedronken: ô zulke
+toneeltjes smaken my zo! Ik wou, dat ik die maar beschryven kon, zo
+als het behoort. Uwe aanstaande Zuster, die nog by haren weldadigen
+Vriend is, heeft my een engelagtigen Brief geschreven: Wat zal Willem
+met zo een meisje gelukkig zyn!
+
+Een trek uit den Heer Helmers karakter, Gy weet, dat hy, voor ruim
+veertig jaar, zyn Vrouw, die hy teder beminde, in 't kraambed verloor?
+Nu! die indrukken zyner droefheid zyn onuitwischbaar; en hy neemt zo
+veel belang in jonge kraamvrouwen, dat hy ook alle morgen een knegt te
+paard zendt, om te horen hoe of het met my is, schoon zyn plaats drie
+uuren rydens van Amsterdam legt; en zo, zeit Letje, doet hy omtrent
+alle Vrouwen, die hy eenigzins kent. Indien gy, Naatje, niet in eene
+andre Provintie waart, gy zoudt ook alle morgen een knegt te paard de
+Pastorielaan zien opryden: Nu nog een woord meer in uw trant van
+schryven: het geschrevene moest er eerst maar uit.
+
+De ondervinding alléén is in staat om u te leren, wat het is, _Moeder
+te zyn_. Gy weet, ik was altoos een _kindergek_; maar, myn Hemel! wat
+onderscheid! Hoe is 't mooglyk, dat er Vrouwen zyn kunnen, die
+onverschillig zyn omtrent deezen Huwlyks-zegen! Nu, dunkt my, ben ik
+eerst regt getrouwt. Nu is myn Edeling my nog oneindig dierbaarder.
+Nu is hy door alle de zagte banden der Natuur, door alle de mogelyke
+betrekkingen, aan my gehecht; en wat kan eene brave Vrouw zo verrukken,
+dan de tederbeminde Vrouw te zyn van dien man, door wien zy Moeder
+wierdt? De wys, waar op myn man zich gedraagt, is in zyn karakter; en
+dat kent gy. Al de smarten zyn voorlang vergeten, maar de beloning
+duurt, groeit aan, en maakt my tot eene der gelukkigste Vrouwen, die
+er zyn kunnen.
+
+Nu is het nog der pyne waart om te leven. Ik heb nu werk, ik heb
+pligten te voldoen, die myne ernstigste overdenkingen waardig zyn;
+en nu zie ik, dat ik, alléén by gebrek van bezigheden, die voor my
+berekent waren, eene losse, uithuzige, stoute meid was. Zie, Naatje,
+dat hadt gy ook behoren te bedenken; wil ik spreken, zeit Pieternel.
+Ik begryp wel, dat het nu maar spelen gaan is, en dat de jonge Jan
+Edeling my wel eens andre druktens zal maken! Goed! ik wagt die ook,
+en hoop, dat myn verstandige Man, zo ik te véél malle Moeder ben,
+Moeder en Zoon beide te recht zal helpen. Ik kan wel niet zeggen, met
+Pieternel, dat de Jongen er heel verstandig uitziet; maar 't is immers
+een goed kind, dat naar zyn Moeder aart? en gy weet, dat Moeder stikkent
+vol potzen en flinken stak, toen zy nog zeer jong en zeer los was? Myn
+Brôer heeft er wel moed op, want hy zegt my in vertrouwen: "dat Jan al
+naar de Meisjes begint uittekyken." "Oom en Neef hebben een goeden
+smaak," zei ik. "Ja, zei hy, de Natuur gaat boven de leer." Hy hoort
+ook graag muziek, want als Baker van de Moordenaartjes zingt, schreeuwt
+hy als een tyger; maar als ik eenige noten aansla, kykt hy uit zyn
+luijers als iemand die zegt: _Nog meer laatste woorden van bisschop T_.
+
+Vaarwel, myne Vriendin. Omhels voor ons uwe waarde Moeder en Dominé,
+voor Edeling en my. Ik ben altoos
+
+ Uwe Vriendin,
+
+ SARA EDELING,
+
+ geb. BURGERHART.
+
+
+
+
+HONDERD-DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Aletta Willis-Brunier aan haar man
+Willem: Sara voedt kleinen Jan verstandig-aardig op.--_Hun eigen
+kinderen_ groeten papa!
+
+
+HONDERD-VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Vader Willem aan zijn vrouw: dol
+gelukkig!
+
+
+
+
+HONDERD-VYF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK.
+
+
+_Eerwaardige Heer!_
+
+Ei, wissewasjes, ik weet niet, myn lieve Dominé, waar je van spreekt.
+Dat ik uw' Hendrik by een braaf Kaptein gebragt, en ten sterksten heb
+aanbevolen, is dat zo veel zaaks? Wel, myn goede man, ik wou, dat ik
+veel meer voor je doen kon; want ik heb zulk een achting voor u, en ik
+ben zo dikwyls door uwe Predikatiën gesticht, en uw Vrouw is zulk een
+best Wyf, en gy hebt daar tien kinderen, het eene nog schoonder als
+'t andere; zo dat ik zeggen wil, spreek daar niet van. Wel ja, die
+uitrusting wil wat zeggen; ik heb by gelyks kind noch kraai in de
+waereld: Nu, de jongen ziet er uit als een Vorst, in zyn Zeemontuur.
+Kyk, mantje, zei ik, toen ik hem naar boord bragt, (want ik heb den
+jongen lief, en wilde hem zelf aan den Kaptein leveren.) Kyk, mantje,
+nu heb ik Vader en Moeder bepraat, om u te laten varen. Je bent nu
+_Monsieur Kadet_; en draagt een degen, zo wel als een Admiraal. Maar
+zo je nu reis in een ploertig leven meer zin kreeg, dan in een
+ordentelyk gedrag, en dagt, nu ben ik myn eigen meester, en vele
+viezevazen meer, dan zou Abraham Blankaart daar staan, of hy een
+schepenkennis[1] op zyn neus hadt, en dan zou Oom Jan zeggen, dat het
+myn schuld was, dat ik my er niet meê gemoeit moest hebben, en dat zou
+niet mooi voor my zyn. En wat denk je, Dominé, dat Heintje daar op
+zei? "Myn Heer, zei hy, ik verzeker u _op myn woord van eer_; (en hy
+is veertien jaar, dat stondt my wel aan,) _op myn woord van eer_, dat
+ik in allen opzichte braaf zal oppassen; zou ik zoo ondankbaar zyn
+omtrent u? en zou ik myn lieve Vader en Moeder ooit verdriet aan
+kunnen doen? dan wou ik liever maar dood zyn, want dat was dan maar
+best."--Dat was het ook, zei ik, want dan waart gy een ondeugende
+Jongen: maar ik zie nu wel, dat gy een braaf kind zyt. En ik troostte
+hem weêr zo wat: en zoo kwamen wy aan boord, met de sloep. Daar kwam
+Janmaat en Ceesneef op de proppen: "hier, Hein, wat dit en dat! de
+valreep! daar is onze Kadet Redelyk; met zyn Vader." Ja, dagt ik,
+lieve God! was dat waar, dan tracteerde ik het hele Rommelzootje. Daar
+kwam een Schieman [2], en noemde my Dominé, en toen luisterden al de
+Pekbroeken elkander in: "Jongens, dat is een Dominé, de Kadets Vader."
+Daar stond ik toen met beschaamde kaken: want ik wist wel, dat ik geen
+Dominé en Heintje myn Zoon niet was. Neen; Maats, dat heb je effentjes
+zo wat mis, ik ben geen Dominé, en joului Kadet is myn Zoon niet; maar
+ik ben een Koopman, en een oud Vryër: nu, dat is 't zelfde. De Kadets
+Vader is een Dominé, en wel een zo braaf Dominé, als er ooit voor jou
+lui zielen gezorgt heeft; zo dat ik maar zeggen wil, dat gy den jongen
+Heer wel moet doen; hy zal u ook wel doen, en ik hoop, dat hy zulk een
+braaf man zal worden, dat jou lui nog eens met hem, als jou lui
+Kaptein, aan den dans zult raken. Dat hoopten zy ook, en er werd braaf
+gehouseet, want Abraham Blankaart gaf aan Janmaat een footje. Nu, het
+overige zal Hendrik u wel schryven.
+
+Eer heeft uw hart, myn goeje Dominé; wel dat zou er bekreten uitzien,
+als juist alle brave jongens zouden moeten studeren en Dominees
+worden. Maar zo Satans nydig als ik worden kan op die malle fatsoenen,
+die nu denken, dat het onzen lieven Heer magtig veel schelen kan, hoe
+een eerlyk man door de waereld komt! Kunnen wy dan allemaal _Preken en
+Bidden_? Ei lieve! En wie zou dan Negotie doen? Wie zou 't Land
+Regeren? Wie zou, ja wat weet ik het. Althans uw Hein is maar regt
+voor de zee geschikt. 't Is een gezonde sterke Beuker van een jongen;
+en als hy niet deugen wil, kan hy al zo ondeugent op de Studie als op
+de Zee worden.
+
+Zie zo, dat Karweitje is ook weêr besjouwt. En uw vrouw verdient, dat
+zy haar Zoon nog eens Vice-Admiraal ziet; hoe lief zy hem heeft, weten
+wy wel: maar de Vrouw sprak verstandig.
+
+Ja, Dominé, jy bent een man naar myn hart. Zie, ik hou om de dood niet
+van dat falievouwen, en ik kan my zo satans nydig maken, als ik daar
+zo hoor klagen en stenen, en van _Tranendal_, en van een _elendig
+leven_ enz. praten. Hoor, God de Heer is maar veel te goed tegen zulke
+ondankbare kniezers en zuurkykers. 't Is goed, dat zy met Abraham
+Blankaart niet te doen hebben, ik zou dat bangziende Volkje wat anders
+leren. Zie daar, daar ben ik nu zes en vyftig jaar oud, en als ik zo
+by my zelf zit, zeg ik: wel lieve God, wat al weldaden heb ik, zondig
+mensch, evenwel van u ontfangen! Ik ben met weinig begonnen, ik moest
+voor een oude Moeder en een zieke Zuster het brood winnen, en zie
+daar, ik ben ryk, ryker dan ik elk aan den neus hang; ik ben gezont
+als een visch. Ik sta daar, als Govert in den dans, omringt van al myn
+jonge lui; daar is Edeling en zyn Vrouw, daar is myn Willem met zyn
+Vrouw; daar is Cobus, daar zyn ze zo allemaal om my; elk houdt meer
+van my als de ander. De kleinen klimmen tegen my op, en halen de
+suikerde duiten uit myn zakken; en als Abraham Blankaart maar eens
+kugt, of wat stil is, dan is de drommel op stelten: 't is of elk
+vreest, met my gelyk te zullen aftrekken, zo is het er te doen. Daar
+zyn die brave Weduwen; wel, ik ben er als broer in huis; daar is
+Dominé Smit en zyn Vrouw, op de handen zouden zy my dragen; en wat doe
+ik toch, dan 't geen myn pligt is, en dat ik altoos wel te vreên ben?
+want vrees God en doe wel, zo veel gy maar kunt, dat is het allemaal.
+Wat zegt gy, Dominé?--Maar hoe doen nu de klagers? Altyd kyken zy
+bang; altyd vrezen zy, dat zy te kort zullen komen; zy houên van
+niemand, en niemand van hun. _Op zulke Watertjes vangt men zulke
+Vischjes_. Maar onze lieve Heer (die maar veel te goed is,) krygt den
+schuld. Dan is het te heet, dan is het te koud; dan is alles zo duur,
+dan komt er geen staartje Visch aan de markt. Summa summarum, die
+Lelykeis zyn nooit te voldoen: en 't zal my benieuwen, of het in Gods
+hemel ook wel van passen voor hun zyn zal; maar ik denk niet, dat wy
+daar met hen zullen opgescheept zyn. Wat denkt gy er van, Dominé? Kyk,
+denk ik, die God niet in blijdschap dient, kan niet in den Hemel
+komen, want hy doet niets uit liefde tot God. Hy loopt daar over deeze
+kostelyke aarde, die zo keurlyk is opgesiert, net als zo een onguur
+gnorrent Varken, dat alles maar al gromment en morrent en gnorkent
+doorslokt, en nog een lelyk bakkes zet tegen een ander, die het een
+stroo in den weg legt. Zyn dat geen lieve Peuzels, om op zulk een
+plaats te komen, daar alles vreugd, en lof pryst den Heer is? Paulus
+is myn man: _Weest altoos blijmoedig, en verblydt u in de hope_. En
+dat zei hy zelf in dien bedroefden tyd, toen er wat meer halen, aan
+den kling was dan nu, om een goed Christen te zyn.
+
+Myn Vriendinne Styntje denkt net als ik, en dat doet my zo een deugd!
+Vriend Blankaart, zeit zy: als ik zo des ogstends opsta, en die lieve
+Zon zo in 't Oosten zie, en hoe alles zo als herleeft, en Gode dank,
+dan denk ik: Here, is het hier op deeze stoffelyke Waereld zo schoon,
+hoe moet het niet in uwen zaligen Hemel zyn! en dan zing ik uit Jan
+Luikens vaersjes het Liedjen op den Morgenstond. (Je moet weten,
+Dominé, dat zy toen op Buitenrust, by de twee Dames gelogeert geweest
+was, en dat ik de vrome ziel daar met myn rytuig van daan haalde.)
+
+Nu, myn Vriend, groet ik u! en wensch u met uw Vrouw en kinderen nog
+lang een hemel op aarde; en als gy bid, ei lieve, bid ook voor my,
+want het gebed des goeden mans vermag veel, wil ik spreken. Ik blyf
+altoos,
+
+WAARDE DOMINÉ!
+
+Uw hoogachtende Vriend,
+
+ABRAHAM BLANKAART.
+
+P.S. Ik zie daar, dat ik tweemaal onzen Sinjeur weer genoemt heb! Nu,
+verschoon dat, ik mag zo niet fratsen in myne brieven, anders schrapte
+ik er zyn naam nog uit!
+
+
+Noten:
+
+[1] Hypotheek.
+[2] Onderofficier.
+
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart
+by Wolff en Deken
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10400 ***
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..efe389c
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #10400 (https://www.gutenberg.org/ebooks/10400)
diff --git a/old/10400-8.txt b/old/10400-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..92b6edd
--- /dev/null
+++ b/old/10400-8.txt
@@ -0,0 +1,8334 @@
+The Project Gutenberg EBook of Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart
+by Wolff en Deken
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart
+
+Author: Wolff en Deken
+
+Release Date: December 8, 2003 [EBook #10400]
+Last Updated: February 14, 2015
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA ***
+
+
+
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe.
+
+
+
+
+
+HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART
+
+door
+
+BETJE WOLFF en AAGJE DEKEN
+
+
+MET INLEIDING VAN EN VERKORT DOOR J.B. MEERKERK
+
+
+[Illustratie: Betje Wolff en Aagje Deken.
+
+
+ Natuur plaatst onzen geest als 't waare in 't aangezicht;
+Zy doet der menschen ziel meest door zyne oogen spreken;
+ Wie onze werken leest herkent dra ook zeer ligt
+Uyt beider Beeltenis, wie BEKKER zy, wie DEKEN.
+
+
+Prent van A. Cardon naar teekening van W. Neering.]
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+Vóór ELISABETH WOLFF-BEKKER (1738—-1804) is in het buitenland zoo-nu-en-dan
+wel notitie genomen van onze litteraire kunst--gezwegen natuurlijk
+van de latinisten uit den renaissancetijd;--en LAROUSSE kent naast
+REMBRANDT tegenwoordig ook VONDEL--doch eigenlijk tellen we pas
+eenigszins mee in den vreemde na SARA BURGERHART, dat in het Fransch
+werd vertaald--waar de Schrijfster niets mee ingenomen was. Ze meende
+dat haar boek eigenlijk niet te vertalen was en alleen verstaanbaar voor
+Hollanders. En ze had daarin volkomen gelijk, ook naar het oordeel van
+BUSKEN HUET, die o.a. schreef:--"om die kunst te waardeeren moet men van
+de natie zijn."
+
+Gaat er bij elke vertaling van een goed boek iets moois verloren, zeer
+stellig, meen ik, moet dit het geval zijn met de uitstekende werken
+van BETJE WOLFF. Ze zijn zoo door-en-door Hollandsch, als de _Camera
+Obscura_ b.v., als héélvéél van _Multatuli_, dat vreemdelingen er
+gewoonlijk onverschillig voor blijven, inzonderheid als niet de
+intrigue van den roman op zichzelf belangstelling wekt, als wederom
+bij BETJE.
+
+Ik spreek hier alleen van BETJE WOLFF, echter zonder haar vriendin AAGJE
+DEKEN (1741-1804) tot bloot belangstellende te willen verkleinen. Er is
+over het al of niet samenwerken heelveel getwist; ikevenwel meen dat
+AAGJE veel meer is geweest dan toeschouwster, al laat ik die kwestie
+hier rusten en noem ik alleen BETJE'S naam.
+
+Wie zich nu tot het lezen zet van _Sara Burgerhart_, moet zich
+tenminste eenigermate een voorstelling maken van den tijd waarin het
+boek werd geschreven (1782). Wij zijn te allen tijde een volk van
+theologen geweest, is er terecht gezegd, en dat zijn we gebleven; dat
+waren we vooral nog in BETJE'S dagen. Doch toen inzonderheid was het
+geloof verstelseld en verdogmatiseerd, het leven was verdord in den
+godsdienst, veruiterlijkt, en de nieuwe denkbeelden waren nog verward:
+'t was vóór 't réveil, waarvan DA COSTA de dichter werd, en de
+_Aufklärung_, wier profeet KINKER worden zou, schemerde nauwelijks.
+BILDERDIJK vervroegrijpte pas.
+
+LOCKE (1632-1704) en de oudere DESCARTES vooral (1596-1650) hadden
+invloed gehad; BOILEAU (1630-1711) en VOLTAIRE (1694—1778) waren veel
+gelezen; ROUSSEAU (1712—-1778) was aan 't woord: _Nouvelle Héloise_,
+_Julie_, _Emile_, _Contrat Social_ behoorden tot de in zekere kringen
+populaire lectuur--en tot die kringen behoorde ELISABETH WOLFF. Er
+bestaat een portret van haar als jong meisje met POPE'S beroemd boek:
+_Essay on Man_ in haar hand. Dat lierdicht verscheen in 1733.
+
+FIELDING (1707—-1754) beroemd door zijn _Tom Jones_ en _Richardson_
+(1689—-1761) waren vertaald... Ja, véél werd er vertaald; het was zelfs
+een bijzonderheid dat er een roman verscheen die niet was vertaald.
+_Niet vertaalt_ liet BETJE dan ook op het titelblad drukken. De VAN
+KWASTAMA'S en dergelijken--en hun aantal was talrijk--lazen nooit
+Hollandsch; dat achtten ze als wijlen BARLAEUS een boerentaal,
+ongeschikt voor fijnere geesten.
+
+Ik noemde zooeven RICHARDSON den schepper van den modernen Engelschen
+roman, algemeen vermaard om zijn _Clarisse Harlowe_, _Pamela_ en
+_Grandisson_, lektuur tot in POTGIETER'S jeugd.
+
+RICHARDSON is BETJE'S voorbeeld; van eigenlijk gezegde navolging mag
+misschien sprake zijn in BETJE'S laatste werk: _Cornelia Wildschut_;
+doch merkbaar is zijn voorbeeld overal. ROUSSEAU en RICHARDSON, die
+twee bewondert en vereert BETJE; maar toch weer niet zóó, of ze durft
+met den eerste in 't godsdienstige verschillen en door den laatste
+verliest ze haar in-hollandsch karakter niet: _zij wil Hollandsche
+karakters_ uitbeelden, _menschen zooals er bij ons leven_.
+
+En ze slaagt uitstekend: _Blankaart_, _Edeling_, _Suzanna_, _Stijntje_
+--enzoovoort zeg ik maar, om niet te reppen thans van tante _Martha de
+Harde_ en haar man, in _Willem Leevend_. En zooveel anderen,
+meesterlijke scheppingen.
+
+Als we in ons letterkundig leven terugblikken, vinden we BREDERO
+(1585—-1618), COSTER (1579-1658), HOOFT (1581—-1647), men denke aan
+diens _Warenar_, ASSELIJN (1620—-1701), BERNAGIE (1656—-1699), VAN EFFEN
+(1684—-1735) en LANGENDIJK (1683—-1756), tot BETJE'S geestverwanten, en
+die lijn loopt door tot BEETS (1814—-1903), wiens realisme echter
+gepolitoerd is, tenminste overal een grondverfje heeft: het ruige is
+er af, tot zelfs in _Barend_, den tuinmansknecht,--en tot _Multatuli_,
+die heel hoog liep met _Blankaart_.
+
+Zooals reeds vermeld is werd BETJE in 1738 geboren, te _Vlissingen_;
+zij was de dochter van JAN BEKKER en JOHANNA BONDRIE, een Vlaamsche.
+BETJE was van haar geboorte af teer en prikkelbaar--ze werd begaafd en
+hartstochtelijk; leergierig was ze en las vroeg boeken, die anderen
+pas veel later of nooit lezen.--Niet vrij te pleiten van zekere
+koketterie liet ze het zoover komen, dat een zekere GARGON haar kon
+ontvoeren; ze was toen pas zeventien jaar. Zij is er met den schrik
+afgekomen, _ongedeert_, zooals we van _Sara_ lezen, wie iets dergelijks
+overkomt. Opzettelijk historie heeft ze niet geschreven in _Sara_,
+maar ongetwijfeld is die _meneer_ R. wel een heugenis aan GARGON en
+SARA is niet vreemd aan BETJE.
+
+Ze schrijft haar boek ook _ter waarschuwing_ voor jonge meisjes als
+Saartje; van _l'art pour l'art_ had ze geen idee; ze onderwijst
+altijd, 't zij ze romans schrijft, of in spectatoriale geschriften,
+als _De Grijsaard_, _De Denker_ of _De Borger_. Die weekblaadjes
+bleven na _van Effen_ geregeld, en telkens weer onder andere titels
+verschijnen.
+
+Na dit voorval met GARGON had BETJE in Vlissingen en in het ouderlijk
+huis geen leven. Haar broer LAURENS--die iets had van broeder BENJAMIN
+--maakt haar 't leven zuur. Tijdelijk vindt ze een onderkomen bij den
+Amsterdamschen advocaat NOORDKERK, die haar wist te kalmeeren. Maar ze
+moest weer terug naar Vlissingen.
+
+Het was een uitkomst voor haar, toen ze door dominee ADRIAAN WOLFF,
+met wien ze door haar geschriften kennis had gemaakt, altijd
+_schriftelijk_ alleen, ten huwelijk werd gevraagd. Dat ging vlug in
+zijn werk: den 9den October kwam WOLFF in Vlissingen, den 23sten
+ondertrouwden ze, (1759).
+
+WOLFF was in 1707 geboren, dus 31 jaar ouder dan de vroolijke
+levenslustige BETJE. Hij was sinds 1730 dominee in de _Beemster_
+en weduwnaar van WILHELMINE KAYZER; hij was een geleerd, zelfs
+dichterlijk, en een hoogstachtenswaardig man, met een ruime
+wereldbeschouwing.
+
+De eerste huwelijksjaren waren echter niet gelukkig: Betje koketteerde
+wat met dominee AMIJS. Wolff leed, als altijd ouwe mannen van jonge
+vrouwtjes, aan jaloezie--en Betje maakte 't wel wat bont. Na 1770
+echter wordt het beter: Betje wordt wat stemmiger, heeft haar
+verkeerdheid leeren inzien en leert haar man waardeeren. In 1772
+treedt WOLFF zelfs openlijk op om zijn vrouw te verdedigen. En dat
+was noodig, want Betje had door haar vinnige en zeer vrijzinnige
+geschriften vrijwat vijanden en belasteraars.
+
+Tot haar bestrijdsters behoorde ook AAGJE DEKEN, die zich zeer
+ongunstig over Betje had uitgelaten. Ze leerden elkaar kennen bij
+den Amsterdamschen fabrikant GRAVE, in 1776--en die persoonlijke
+kennismaking leidde tot ideale vriendschap--waar Betje zoo mee
+dweepte--vriendschap tot aan hun dood: 1804. Kort na elkaar
+overleden ze.
+
+AAGJE was een boerenmeisje, opgevoed in het Weeshuis "De Oranje-appel"
+te Amsterdam. In 1767 was ze gezelschapsjuffrouw geworden bij de
+weduwe BOSCH, wier dochter MARIA dichteres was--en ziekelijk. Maria
+overleed echter al in 1773 en in 1775 gaf AAGJE hun werk uit onder
+den titel van _Stichtelijke Gedichten_. Aagje was zeer ernstig en
+deftig. Men zal haar in _Sara Burgerhart_ gemakkelijk herkennen in
+ANNA WILLIS.
+
+In 1777 overleed dominee WOLFF, die in de Beemster zijn
+_aspergebedden had aangelegd_. De man was, als Dominee SMIT in _Sara
+Burgerhart_, veel te verdraagzaam en te ruim van blik om opgang te
+maken. En toen gingen BETJE en AAGJE samenwonen en samenwerken.
+
+Eerst vestigden ze zich in _De Rijp_, waar ze woonden tot 1781; toen
+verhuisden ze naar _Beverwijk_, waar Aagje het buitentje _Lommerlust_
+geërfd had. Tegenwoordig is dat de pastorie der R.C. kerk.
+
+Daar hebben ze gewoond--_Sara Burgerhart_ is er geschreven in het
+beroemde Koepeltje--tot 1788. Toen kwamen de Pruisen in het land,
+bij welke gelegenheid BILDERDIJK zich verdienstelijk hoopte te maken,
+en de dames weken met tal van patriotten naar het buitenland, want ze
+waren patriotisch gezind.
+
+Ze trokken naar Trévoux in Bourgondië en hebben daar gewoond tot
+(1795), toen het den patriotten beter ging. Intusschen waren ze wel
+wat genezen van hun vrijheidsroes: 't had maar weinig gescheeld, of
+BETJE zelf was op de guillotine terechtgesteld.--Ze vestigden zich in
+Den Haag en daar zijn ze blijven wonen. Ze hadden het maar armpjes:
+hun kapitaaltje hadden ze toevertrouwd aan een Haarlemsch notaris en
+die had het zoek gemaakt.--Ze moesten nu weer vertalen, dat "ze
+kikhalsden" schreef BETJE. Wel hielpen de oude vrienden haar: LOOSJES
+en VOLLENHOVEN; ze kregen nieuwe in VAN HALL en VAN DER PALM; ze
+raakten heel intiem met mevrouw OVERDORP—POST, ELISABETH-MARIA, maar
+ze waren erg "eergierig" en men moest het, als VAN HALL, heel kiesch
+aanleggen om hen te ondersteunen.
+
+Ze werden ziekelijk: AAGJE leed aan jicht, BETJE aan kramp. De goeie
+tijden waren voorbij--voor _Willem Leevend_ hadden ze _6000 gld_.
+honorarium ontvangen; _Cornelia Wildschut_ bracht minder op.
+
+De beteekenis dier vrouwen voor onze algemeene volksontwikkeling en
+ook voor onze letterkunde overschat men niet licht. Het is gemakkelijk
+aanmerkingen op de samenstelling van _Sara Burgerhart_ te maken; men
+moge den snoodaard _R_. wat al te tooneelsnood vinden; men brenge
+bedenkingen in tegen den _briefvorm_, toen in de mode, door RICHARDSON
+--en nog door mevrouw BOSBOOM—TOUSSAINT gebezigd in _Majoor Frans_
+--maar onsterfelijk blijven _Saartje_, _Blankaart_ en de andere reeds
+aangeduiden--en nooit kan verdwijnen de geest van gezond menschenleven
+dien haar werken ademen.
+
+Zij rusten in vrede op het kerkhof "Ter Navolging", bij Scheveningen.
+
+ * * * * *
+
+SARA BURGERHART is niet alleen als roman bedoeld, 't is een _tendenz-
+werk_--theologisch, paedagogisch, politiek zelfs en _apologisch_.
+Daardoor is 't voor leerlingen inzonderheid te lang en te langdradig.
+Eerst wanneer men er toe komt de 18de eeuw te bestudeeren, _ons_ leven
+onder den invloed van den vreemde, dan wordt het _heele_ boek hoogst
+belangwekkend. Misschien komen er velen toe het dan in zijn geheel te
+herlezen. In deze uitgave wilden we behouden, behalve wat vanzelf bleef,
+den _roman_ en _het karakteristiek Hollandsche_. Het zou ons bijzonder
+aangenaam zijn als we daarin waren geslaagd.
+
+
+ Voornaamste Werken.
+
+Van BETJE alleen:
+
+ Bespiegelingen over den staat der Rechtheid,
+ den val en den gevallen mensch, (1765).
+ Walcheren in 4 zangen, (1769).
+ Onveranderlijke Santhortsche Geloofsbelijdenis,
+ en De Menuet en de Domineespruik, (1774).
+ _Die Menuet werd zelfs door hel volk gezongen als
+ een kermisliedje_.
+ Mengelpoëzie. (1785).
+
+Van AAGJE en BETJE samen:
+
+ Historie van juffr. Sara Burgerhart, (1782).
+ Historie van den heer Willem Leevend, (1784).
+ Brieven van Abrah. Blankaart, (1788).
+ Dichterlijke wandelingen door Bourgondië, (1789).
+ Historie van Cornelia Wildschut, (1796).
+
+ J. B. MEERKERK.
+_Zwolle_, April '19.
+
+
+
+
+EERSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+ PARYS.
+
+
+_Lieve jonge juffrouw!_
+
+Nu ja, ik heb beide uwe Brieven ontfangen, maar, wat hamer, meent gy,
+dat ik tyd heb om u zo _cito_, per post, (zoo 't u blieft,) te
+antwoorden; en dat wel zo dikwyls, als myne Pupil goedvindt om my met
+een hoope wisjewasjes aan 't hoofd te lellen? Zie, ik ben maar een
+Vryer, (een _Oude_ Vryer, zo je wilt;) ik weet echter, hoe die Nufjes
+van halfwassen Vrouwen bestaan. Van daag willen zy zus, morgen willen
+zy zó. Wel nu, wat zal ik u antwoorden? Weet ik, in hoe ver gy
+gelyk hebt? Niet, Saar lief, dat ik u in staat ken om my te pieren, zo
+wat op myn mouw te spelden, gelyk men zegt: Neen, gy waart altoos een
+oprecht kind; maar gy zyt jong, gy hebt het maar gansch niet naar uw
+zin: reden genoeg, om zulke droevige dingen aan my te schryven.
+
+Indien ik niet in dit verbruide Land, daar niemand my en ik niemand,
+dan zeer gebrekkig, verstaan kan, buiten de Familie, waar mede ik myne
+zaken heb aftedoen, en daar ik wel zakken vol complimenten, doch geen
+geld krygen kan, nog vooreerst diende te blijven, en te Amsteldam kon
+komen, of ik die Russische winkel by Tante eens zoude komen opschudden!
+Wêe, zo gy my gefopt hadt! maar wêe ook het oud Wyf, indien zy myne
+Pupil, de dochter myns waardsten Vriends, kwalyk behandelde! Maak van
+myn vertrouwen geen misbruik, maar uwe Tante verdient niet de Zuster
+uwer brave Moeder te zijn; op myn eer, dat verdient zij niet! Zy is
+een geveinsde inhalige Feeks; en ik kan het nog niet in den kop
+krygen, door wat middel zy uwe zalige Moeder heeft weten te bewegen,
+om u, haar eenig, haar tedergelieft kind, by haar te betrouwen. Voor
+honderd halve ryertjes[1] moest gy het beter hebben; (uwe kleding
+betaal ik immers nog byzonder[2]). En krabt zy die echter niet zo
+vrekkig naar zich, als of zy arm en gy haar wild vreemt waart. Zo gy
+kunt, hou het uit; ik zal er u te liever om hebben, kind; en ik zal my
+tegen u niet laten innemen. Nu, zy schryft my ook nooit. Mooglyk acht
+zy my die eer onwaardig. Alles heeft zyn reden, meisje; zie, ik heb
+Tante, als zy het al te erg maakte, zo wel eens doen zien, dat haar
+manier van doen zeer dikwyls verbaast verre afweek van hare wyze van
+zeggen, en breden ophef, als of zy, ten minsten, eene heilige van den
+eersten rang ware. Gy hebt zulke brave ouders in 't graf; draag u toch
+wèl, kind. Ik beken, zo eene behandeling is haast niet om te verdragen;
+zo zy het al te erg maakt, en gy beter kunt te recht komen, ik guarandeer
+uw kostgeld; mids dat de Lieden onbesproken en hupsche menschen zyn.
+--Doe deezen stap echter niet, dan in den dringentsten nood, of wy zullen
+geen Vrienden blyven; ik kan niet toestaan, dat gy u zelf zoudt benadeelen;
+daar heb ik u veels te lief toe. Ja, wat ik zeggen wou? Ik heb hier eene
+menigte muziek voor u gekogt, en die zal ik u met een los adres[3], als
+ik goederen afzend, toeschikken. Zy geven hier voor dat de Compositie
+heerlyk is: ik vergeet al myn kunst met die druktens; maar ik heb zo
+graag, dat zoete meisjes zich wel diverteeren; en gy zyt toch een
+muziekgekje. Ik denk wel om u, en kan dikwyls wenschen, dat ik u hier
+had. Hier, Saartje, zoude uwe geestige hekelzucht stoffe vinden, al
+hoorde en zaagt gy niets dan dien nimmer stillen zwerm van Gouwe torren,
+en Zomerkapelletjes; want zo noem ik dat lastig beslissent wel opgepronkt
+Jan hagel, dat men _Petits maîtres_ hiet: Ik ben zoo bang voor zó een
+rekeltje, als gy voor een Aap; zy noemen my hier: _le gros Hollandais_;
+wat beduidt dit Kind? mooglyk nietmetal.
+
+Binnen zes maanden denk ik thuis te zyn. Wat lange brief is dit? nu gy
+yder een niet; maar toch, ik schryf niet graag Brieven.--Vaarwel, leef
+vrolyk, wees gegroet van
+
+ _Uwen toegenegen Voogd_,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+Noten:
+
+[1] Rijer = 14 gulden.
+[2] Afzonderlijk.
+[3] Apart pakje.
+
+
+
+
+TWEEDE BRIEF.--Aletta de Brunier heeft Saartje gezien als een
+"kwakerinnetje", in den winkel van Mad(elle) G. Dat is te gek,
+schrijft ze aan Saartje, met wie ze vroeger heeft school gegaan, en
+ze stelt haar voor bij háár te komen wonen, en pension bij de wed(e)
+Spilgoed-Buigzaam--daar hebben ze 't best. Er wonen nog twee dames.
+
+
+
+
+DERDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Ge-eerde Heer, zeer ge-achte Voogd!_
+
+Dat was een blyde Postdag voor my. Een Brief van myn geëerden Voogd.
+Waarlyk, ik heb geschreit, ziende hoe veel belang gy in my naamt: doch
+dat zes maanden uit blyven! daar lag al myn vreugd in 't voetzant.
+Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer
+uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet
+half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan.
+Och, zo waar, ik heb u geen één jokkentje, hoe klein ook, op den mouw
+gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? dan was ik een zeer slegt
+meisje, en verdiende dat gy my bekeeft. Ik ben niet alleen de slavin
+van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude
+lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt.
+
+De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw
+van een fatsoenlyk man, die niet dan ordentelyke Dames logeert. Een
+myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en
+pryst de Juffrouw heel zeer. Daar zyn nog twee andere Dames ook.
+
+Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat
+berispelijk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary
+wil verlagen, eene ondeugd, die allerafschuwlykst voor my is; en waar
+aan ik my zeker nooit zal te buitengaan.
+
+Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen
+te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven:
+Laat my toe, dit nogmaal te zeggen.
+
+Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek! ik zing al in voorraad[1].
+ô! Wat zal die fraai zyn: mooglyk is er wel van Rousseau's[2] Compositie
+by? duizendmaal dank. Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken
+van een Pypje, voor te spelen. Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart,
+daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryën
+[3]; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag en ik heb zulke mooije
+Cantata's. Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het pakje aan Tantes huis
+niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur; ik zal hier een adresje
+insluiten. Ik bidde den goeden Hemel alle daag voor u, en dat ik u
+gezond en vrolyk moge weder zien, my zelf gelukkig rekenende van te zyn,
+
+_Uwe liefhebbende Pupil en Dienares_,
+
+SARA BURGERHART.
+
+Adres: _Chez Mademoiselle G----, Marchande sur le_ ----.
+
+
+Noten:
+
+[1] Bij voorbaat.
+[2] Wolffje dweept met Jean Jacques.
+[3] Zeurige deunen.
+
+
+
+
+VIERDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLES.
+
+
+_Ge-eerde vriendin!_
+
+Hield ik my niet verzekert, dat uw hart veel beter gestelt was, dan
+dat van wylen den Heer Achitofel[1], (trotscher gedagtenis), die zich,
+om dat men zynen raad verwierp, maar zo eens, met een gaauwigheid,
+handigies ging opknopen, ik zou zeker by u niet om raad komen, want ik
+zeg u in voorraad, dat ik niet van mening ben dien te volgen; ten ware
+hy, onverhoopt, met myn reeds genomen besluit overeenstemde.
+
+En nu, myne zeer statige, zeer hoogwaardige Vriendin, zult gy my
+vragen: "waarom, indien dit zo is, of ik dan uwen raad verzoek"? Dat
+zal ik u zeggen, Naatje. Ik schryf aan u, om myn hart te ontlasten; om
+u in staat te stellen van te kunnen oordelen over myn lastig lot, op
+dat gy, den stap dien ik ga doen, al niet goedkeurende, dien echter
+zoudt kunnen inschikken. Een stap mooglyk, onvoorzichtig; doch voor my
+nodig. Gy hebt al myn vertrouwen, om dat gy alle myne achting hebt, en
+elk die u acht is zeker niet verachtelyk, om dat gy zulk een fraai
+karakter hebt, enz. Ik moet kort zyn. Maar by Tante heb ik het zo
+slegt, dat ik er niet langer blyven kan of wil. Raad my dit niet af.
+'t Is wel waar, Naatje, dat gy zo wel veel wyzer als veel ouder zyt
+dan ik; maar gy zyt echter niet wyzer dan Salomon, de wyze Koning
+Salomon zou ik denken, ende wat zegt zyne Philosophische Majesteit
+ergens? "Het is beter te wonen aan de zyde des Daks, dan by eene
+kyvende "Huisvrouw". Hoe kan ik nu langer wonen by eene Tante, die,
+schynt het, eene belofte gedaan heeft, om my zo veel bitterheid aan te
+doen, als Vrekheid en Dweepery maar immer kunnen opbaggeren.... Daar
+schreeuwt zy alweer haar keel uit het lid. "Ja Tante, ik kom." Eerst
+echter deezen agter 't slot. Zo dra ik kan zal ik een tweeden Brief
+beginnen, ik moet u eindelyk voldoen omtrent zaken, my, vóór ik u
+kende, ontmoet. Vaarwel, myne waarde.
+
+ S.B.
+
+
+Noot:
+
+[1] 2 Sam. XV, 12 vv. 2 Sam. XVI, 23. — Vert. Kuenen c.s.
+
+
+
+
+VYFDE BRIEF.
+
+DE ZELFDE. Ten vervolge.
+
+
+Ik moest mynen vorigen brief, die hier nevens gaat, zo schielyk
+afbreken, om dat Tante my riep, schoon zy my niets te zeggen hadt, en
+slegts beval, by haar te zitten: Onze gromparty sla ik maar over, om
+dat ik u nu eens ernstig moet schryven.
+
+Myn waarde Vader, weet gy, was Jan Burgerhart; hy negotieerde in de
+Thee; zyn handel was voordeelig. Myne lieve Moeder was, zo als men dat
+noemt, een bestorven meisje[1]. Zy hadt een stuiver goeds, en trouwde
+zeer jong. My, het eenig kind, voedde men op als een meisje, dat van
+eene goede familie is, en geld te wagten heeft, door brave Ouders
+opgevoed wordt. Gy kent myn aandoenlyk hart; gy weet hoe vatbaar het
+is voor de minste blyken van genegenheid; oordeel dan hoe ik deeze
+myne dierbare Ouders eerde en beminde. Ouders! dat is toch een
+zielroerent woord, Naatje, en kost my meermaal eene stille traan. Myne
+Ouders waren gelukkig met elkander. Hun karakter was voor elkander
+berekent. Meer zeg ik niet. Wie spreekt ooit dan met achting van myne
+zalige Ouders? och, yder een!... Gy weet het. Hoe aangenaam was ons
+zeer geregelt huishouden! Myne Ouders lazen veel, en zagen deeze zucht
+in my met goedkeuring. Nog zie ik hen in onzen tuin, op de bank
+zitten, als Vader zyn pypje van rust, zo als hy het noemde, rookte, en
+Moeder hem iets voorlas, terwyl ik op des goedaartigen mans knie zat
+te luisteren, of te spelen. Nog zie ik, hoe hy my, gevolgt door myne
+glimlachende Moeder, in huis draagt. ô! Dat waren gouden dagen; waren
+het niet?
+
+Myne Moeder hadt eene Zuster, die veel ouder was, en waar by ik nu
+inwoon. Die Zuster vondt maar gansch niet billyk, dat Saartje vóór
+haar ten huwelyk verzogt wierd, en kyk, de Juffrouw was magtig gestelt
+op het _Decorum_[2]; dat was het maar: zy meende ook zeer wel te
+weten, dat zy zo wel veel meer verdiensten, als jaren telde, dan myne
+Moeder. Doch, of het spel sprak, daar kwamen geene Liefhebbers. Indien
+onze Vriendin hadt kunnen bewogen worden, om eene _aanpryzende_
+VOORREDE voor Tante te schryven, mooglyk zou men haar gezogt hebben.
+Hoe 't zy--(verschoon dien inval!) zy begreep, (Tante heeft ook haare
+invallen, Naatje), dat er geen beter party voor haar opzat, dan zich
+te voegen by die Lieden, die wy _fynen_, en die zich zelf _vroomen_
+noemen. Veele deezer menschen, ik spreek van de besten uit de zôô,
+meenden dat haar grimmige uitkyk, haar grommig voorkomen, haar
+nutteloze berisping, de zoete vrugtjes waren van eene naauw-gezette
+godsvrugt. Die goede Slooven dagten, dat Tante los was van de Waereld,
+om dat de wyze schikkingen der Voorzienigheid nooit de eer hadden van
+haar Wel Edele te voldoen. Hoe zeer zy ook de Fyne uithing, zy beviel
+evenwel méér aan de Zusjes, dan aan de Broedertjes: men moet bekennen,
+dat Juffrouw Hofland juist niet heel oogelyk is.
+
+Met myn zesde jaar hield ik al meê Oeffening by Tante. De Vriendjes
+hadden veel met my op. Men zag wat goeds in my. Ik hield ook veel van
+Tantes Oeffening; want, met myn zak en peperhuizen vol Lekkers, kwam
+ik altoos thuis, zie daar de genoegzame rede. Hoe zeit Wolff[3], de
+_ratio sufficiens der dingen?_
+
+Zoo veele middelen bleven niet ongezegent. Ik verlangde altoos naar
+Tantes oeffendag. Wat zal ik meer zeggen? Gy kent my: medelydent,
+meêgaande, en zoo voords. Toen kon ik al geene droefheid zien zonder
+ook te kryten; en er werdt ook meest altyd eens geweent, (waarom weet
+Joost; want me dunkt, dat zy het nog al zoo taamlyk wél hadden). Deze
+weekheid behaagde. Myne Tante zelf, of schoon ik hare gehate Zusters
+dochtertje was, kreeg my, op hare wys, recht lief. Zy mydde ons huis
+niet meer, om dat ik meê oeffening hield, en meê huilde.
+
+Twaalf jaren leefde ik zo gelukkig, als een gehoorzaam en gelieft kind
+leven kan. Toen keerde myn lot. Myn waarde Vader, zich op eenen heten
+dag, door het inpakken en afzenden van Thee, zeer verhit hebbende,
+kreeg een pleuris, en stierf binnen drie dagen, nog geen veertig jaren
+oud zynde.
+
+Geene VAN MERKEN[4] zou u kunnen afbeelden, hoe groot myner Moeders en
+myne droefheid was. Wy verloren alles, en myne teder-lievende Moeder
+voelde alles wat zy verloor; meer zeg ik niet. Oordeel nu. Myne Moeder
+deedt den handel aan iemand onzer Kantoorbedienden over, vertrok naar
+de ----gragt, en hielt maar eene onzer meiden; daar leefden wy stil en
+proper. Maar haar verlangen naar stilte was te gunstig voor haar, om
+toch onafgebroken aan haar Overledenen te denken! Myne Ouders hadden
+elkander hartlyk bemint: de dood myn's Vaders stortte haar in de
+allerdiepste zwaarmoedigheid. Zy sneedt alle uitspanningen af, zag
+niemand, sprak weinig, zuchtte veel, en stortte veele droeve tranen.
+Zy werdt ook wel dra zo ziek van lichaam als van ziel. De lieve Vrouw
+hadt nu reeds de geschiktheid, om het zaad der dweepery, 't welk myne
+Tante met eene voorbeeldige mildheid uitstrooide, te ontvangen; zy
+ontfing het ook, helaas!
+
+Ik was bitter bedroeft over myne Moeder! myne zucht tot vermaak
+verzwakte. Geen wonder! ik zag myne kwynende Moeder in eene sleepende
+ziekte vervallen, die, zo als Docter E---- duchte, ongeneeslyk was. Ik
+leed niet minder dan myne dierbare toegeeflyke Moeder. De Teering is
+eene elendige kwaal, Naatje. Wat heeft de brave Vrouw geleden, en dat
+zo lang; zo heel lang! Nooit verliet ik haar in het laatste jaar haars
+levens. Ik sliep voor haar bed, gaf haar alle de medicynen; en zag,
+buiten myne Tante en den Docter, niemand dan onze goede Pieternel; die
+brave meid, welke myne Ouders reeds diende, toen ik geboren wierd, en
+waar voor ik zo veel liefde heb. Nu en dan las ik voor myne zwakke
+stervende Moeder; doch de Boeken, waar uit ik las, waren niet voor my,
+ook niet voor haar geschikt, en werden door Tante bezorgt, akelige,
+zotte geschriftjes, die myne Moeder, vóór de droefheid haren geest
+geheel hadt benevelt, met versmading zoude beschouwt hebben: Ik ben nu
+te ernstig, anders zoude ik u eens een paar douzynen Titels opgeven,
+die my by u zouden verdedigen.
+
+Dodelyk ongerust over myne geliefde Moeder; onpasselyk door het gestadig
+zitten in eene ziekenkamer, verstoken van lucht, dien balsem des levens,
+van licht, dat den geest opheft: zonder de minste afleiding; het zwarte
+beeld des doods gedurig voor my warende; verdrietig over de smarten myner
+Moeder, verloor ik eerst myne eetlust, toen myne gezonde kleur, en wel
+dra myne werkzaamheid. Ik keek zo bang en zo zuur als Tante; zuchte,
+zat leeg en lui met de hand onder myn hoofd, dat dof en zwaar werdt en
+ongekapt bleef. Met één woord ik vervreemde zodanig van de jonkheid en de
+natuur, dat Tante my voor een geheel _omgekeert meisje_[5] begon aan te
+zien. Zy liefkoosde my, om dat zy haar eigen portret in my waande te
+vinden: en ik, och! ik had vrede met Tante, om dat zy met my in haar
+schik was.
+
+In dien staat was ik, toen gy ons uit naam uwer Moeder bezogt, die de
+beleeftheid hadt, om, uit oude vriendschap met myn Vader, en uit nieuwe
+Buurschap, zo als gy zeide, (want gy kwaamt eerst onlangs op de zelfde
+gragt), te laten vragen, hoe of myne Moeder nu was, zynde zy begeerig om
+de zieke eens te bezoeken.
+
+Hy, die ons in treurige omstandigheden toespreekt, met heusheid toespreekt,
+is ons welkom: dit beurt ons op; het vleit ons; het verwydert ons eenige
+oogenblikken van ons verdriet: Oordeel des of gy my aangenaam waart! ik
+voelde nu, dat ik nog vatbaar was voor blydschap. O dierbare aandoening!
+Hoe, (gy wordt immers niet knorrig, Naatje lief?) hoe staatig, hoe weinig
+toeschietent, hoe geheel anders gy ook waart, dan ik, in houding, in
+kleding, in gelaat, toen echter scheent gy my de voorkomenheid, de
+minzaamheid zelve.
+
+Myne grootste, zoo niet eenigste behoefte, gy weet het nu zelf, is
+lief te hebben, en gelieft te worden: myne liefde voor myne Moeder was
+zo oprecht, zo teder, als die van eene dochter ooit zyn kan, maar die
+liefde vervulde echter myn geheel hart niet.
+
+Hare onbegrypelyke zwakheid, en myn gegronde eerbied waren de oorzaken
+van dit verschynsel. Die bron stroomde niet hoog genoeg voor my, en
+yder uur dreigde de dood die voor altoos te verstoppen. Gy werdt voor
+my noodzaaklyk. Ik zag wel, dat Naatje Willis een geheel ander
+voorkomen hadt dan Saartje Burgerhart, of alle die Juffertjes, daar
+ik mede om plagt te gaan, vóór deze toenemende krankheid myner lieve
+Moeder: maar toen stak uwe statigheid niet héél sterk af by myne
+dofheid; wel verre van de oorzaak optesporen, dacht ik er niet eens
+aan: ik kende u; dat was genoeg.
+
+Uwe achtingswaardige Moeder bezogt de myne: het afscheid was teder en
+bedaart. Zy zag my schreijen, nam myne hand, sprak vriendelyk,
+troostelyk, kuste my; ja, noemde my, _lief Meisje_.
+
+Gedurende deze ziekte hadt myne Moeder Tante tot medevoogdes, nevens
+den Heer Blankaart, aangestelt; haar des jaars zevenhonderd Guldens
+toeleggende, tot ik kwam te trouwen, of, tot myne meerderjarigheid
+indien Tante my by haar wilde innemen. Deeze schikking zal u niet
+verwonderen, als gy bedenkt, hoe verzwakt myne Moeder was; als gy
+bedenkt, dat Tante en ik toen zéér wél te recht konden: Tante hadt
+Nicht lief, om dat die ziek en zwaarmoedig was, en Nicht, wel, die kon
+niet denken, dat 'er zulke Tantes in de geheele waereld waren!
+
+Weinige dagen na het bezoek uwer Moeder, storf de dierbare Lyderes,
+des nagts, in 't byzyn van onze Pieternel en den Heer Blankaart, die
+toen juist in de stad was, en ik bleef, nog geen zeventien jaar oud
+zynde, ouderloos. Myn Voogd berustte in de dispositie myner Moeder,
+doch heeft met Tante niet veel op. Zy noemt bykans nooit zyn naam, of
+zy voegt er by, dat hy geen godsdienst heeft. Denk eens aan; en dat
+van zo een allerbest man! Is 't geen schande?
+
+Aanhoudent, stil aan myn hart bytent huisselyk verdriet, heeft maar te
+veel van die goede lessen, die ik ontfing, uitgewischt. O vrede! ô
+kalmte der ziel, waar zyt gy zedert deeze drie laatste jaren geweest?
+ô myne Naatje, kan ik met nimmer wankelende treden den weg der pligten
+altoos bewandelen; daar men mynen weg zoo hart, zo doornig, zo ruw
+maakt? Nu 't is ook uit: myn gerekt geduld is ten einde; ik zal my dus
+niet langer laten plagen. Neen! vast niet.
+
+Ik kan u al myn verdriet niet vertellen; daar is in vele opzichten
+zulk een _zweem_ van beuzelagtigheid by, dat gy, die zo gelukkig
+leeft, niet kunt geloven, dat het my zó treft. Ik heb geen de minste
+vryheid; komen myne Meesters, dan tiert zy als een zottin; ik mag niet
+op myn Clavier spelen; ik mag my niet kleden, zo als ik gewoon ben; ik
+mag niemand zien dan in haar byzyn. Gy weet dat ik altoos proper, en
+eenigzins modieus gekleed wierd, maar hoe takelt zy my toe! Nu, zedert
+de rouw uit is, moet ik in een grove lelyke Stoffen Japon lopen; myn
+Pelise[6] is van eene ouden zyden faly myner Grootmoeder, (en is vol
+vouwen en kerven,) gemaakt; zonder kap of lintje, met een tinnen haak
+en oog maar vast gekonkelt. Myn linnen muts is zo groot, dat even het
+puntje van myn neus er uitkykt. Ik heb dikke drommels van schoenen, en
+dieren van groene kousen aan. Alle Kerkdagen moet ik gaan, en by dien
+Leeraar[7] dien zy uitkiest. Maandag en Saturdag moet ik Tante, en die
+Hottentot van een Bregt, na klungelen, om voor de Oeffenings-vrienden
+alles gereed te zetten. Ik moet thee schenken, presenteeren, zotteklap
+en lastertaal hooren ... maar genoeg. Dit evenwel nog: alle avonden
+moet ik in malle Boeken lezen, die wel door verliefden in een Dolhuis
+gemaakt schynen, doch die noemt myne Tante innige zielsdierbare
+Schriftjes, kostelyke Pandjes, enz. By ydere zinscheiding zucht Tante,
+en snurkt Bregt. Ik mag voor my zelf niets lezen, dan 't geen zy goed
+keurt; uwe _Julia Mandeville_ heeft die vinnige kwezel op 't vuur
+gebruit; och ja, voor myn' oogen deedt zy het. Ik beken, dat ik toen
+niet heel zoetzinnig was, maar het geen kleentje roerde. Waarlyk,
+Naatje, als ik hier bleef, wierd ik de grootste haneveer die er ooit
+leefde, en 't is toch geheel tegen myn inborst; doch nood breekt wet.
+
+Ik lyde juist geen honger, maar 't scheelt niet véél. Altoos is 'er
+iets voor my alleen, nu onder dit, dan weder dat voorgeven. Is dat
+voor my uittestaan? Weet gy wel, dat ik hier zevenhonderd Guldentjes
+verteer, kind? Meermaal gaf zy my, in heilige woede, een brave klap om
+de ooren, en ik ben echter bykans twintig jaar, kind, en zou Tante,
+schaamde ik my dit niet, er even goed een weerom kunnen geven. Hoor,
+ik heb aan myn Voogd geschreven, en wagt een gunstig antwoord.
+
+Ik zal wel ergens belanden. Ik heb myne Kinderkennis vernieuwt met myn
+Schoolmakkertje, Letje de Brunier. Die zegt, dat zy by eene zeer
+fatsoenlyke Vrouw gelogeert is; eene Weduw, die op de Keizersgragt
+woont. Juffrouw de Brunier schynt wel wat lugtig; maar dat's háár
+zaak. De Weduwe zal my wel innemen; althans, Letje zal het haar
+voorslaan. Ik laat my niet langer plagen: ik verteer te veel geld. Ik
+ben immers niet kwaad, Naatje? maar zo te leven is my onmooglyk. Wat!
+zou ik geen braaf mensch kunnen zyn, om dat ik de slavin myner Tante
+niet zyn wil; om dat ik my naar myn zin wil kleden, 't geen myn Voogd
+my gaarn inwilligt? Zou ik myn hair niet mogen opkappen, zonder dat
+myn hart er by leedt? Vrees niet voor my, ik zal wel op de wagt staan.
+Ik ken de liefde niet; denk er nooit om, breek myn hoofd nooit met
+zulke snuisteryen. Ik begeer niets dan een leven, dat vry vrolyk en
+schoon afloopt; goed gezelschap, aangename Boeken, en het vry gebruik
+van het Clavier.
+
+Dit voornemen heb ik; nu weet gy alles. Bekyf my, preek, vermaan,
+bestraf, vlei my, ik zal alles lezen, u liefhebben, en--myn eigen zin
+doen. Antwoord my toch ten eersten[8]: wat verlang ik naar een brief
+van u! geadresseert in _la Reine de France_, chez Mademoiselle G----.
+Niemand acht u hooger dan
+
+ _Uwe Vriendin_,
+
+ SAARTJE BURGERHART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Wees.
+[2] Hier: betamelijkheid.
+[3] K.F. Wolff 1733—94; rat. suff. genoegz. rede.
+[4] Luc. Wilh., Nut der Tegenspoeden, 1721—84.
+[5] Bekeerd.
+[6] 't Zelfde als faly: mantel.
+[7] Dominee.
+[8] Gauw.
+
+
+
+
+
+ZESDE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp schrijft aan Zuzanna Hofland
+--Saartjes Tante, bij wie ze inwoont--hoe Saartje als jong kind al
+niet deugde. Ze leest verkeerde boeken! Ze noodigt Zuzanna bij zich.
+
+
+
+
+ZEVENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+_Dierbare Vriendinne!_
+
+Wel, wat heb ik een dag gehad, een dag gehad: och! ik vrees dat de
+Boze maar te veel vat op my gehadt heeft; ik was zo toornigjes, zo
+toornigjes. Och ja, zo van myn hert afgedwaalt. Dogt ik dat, toen ik
+dat meisje by me nam? Ik dogt, dat er wat goeds in was; want toen haar
+Moeder ziek was, was zy zo stil en zo ingetogen, en kreeg ook onze
+kleur[1] al; maar 't was ook maar onze kleur, en meer niet. Zy was my
+nog te waereldsgezint; zo bedroeft was zy over hare Moeder; en moest
+het Hellewicht niet gedagt hebben, dat ik haar beter was dan zeven
+Moeders? Wat zeg jy, Zusje? Ik, die alles doe om hare lusten te doden
+en te kruizigen. Och ja!
+
+Ja, het stond my ook nooit wel aan, dat zy, als zy in het oude
+Testament las, altyd met er neus in de Spreuken en den Prediker zat.
+En ik vond het nog erger, toen Broeder Benjamin zei: "dat Salomon al
+dat pligtmatige, waar van hy zo veel schreef, geschreven hadt, in den
+tyds zyn's afvals; eenigjes en alleentjes om zyne Heidensche Wyven en
+Bywyven te behagen, die wel zin daar aan hadden, in die blinkende
+zonden, zei hy; en dat, toen Salomon zich bekeert hadt, hy ook van dat
+betrachten, dat doen, zoude gezegt hebben: Ydelheid der ydelheden, dit
+alles is ook ydelheid". Al dat doen, Zusje, laat de ziel maar leeg;
+die draf van goeije werken zyn ook al todden en vodden van eigen
+gerechtigheid, zo als de Zuster Alida met yver altoos zegt.
+
+Zusje, wat is die Broeder Benjamin toch een groot mannetje! Nou, ik zal
+zien te komen, en dan zullen wy spreken van herte tot herte. Ik heb u
+en de broeders lief.
+
+ Z. HOFLAND.
+
+
+ PS. Het Theologiesch Verrekykertje van Zuster
+ Welgeleert gebruik ik met stichting: als je
+ weer eens een zoet Boekje hebt, hoor.
+
+
+Noot:
+
+[1] Geestesrichting.
+
+
+
+
+ACHTSTE BRIEF.--Sara schrijft Aletta de Brunier, dat ze komt, als de
+weduwe Sp. haar wil hebben.
+
+
+NEGENDE BRIEF.--Deze verklaart zich bereid Sara te ontvangen, tegen
+billijke vergoeding. Het zal haar wel bevallen.
+
+
+
+
+TIENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA DE BRUNIER.
+
+
+_Douce et tendre amie!_
+
+_Je suis enragé_, op het oud Wyf--op myne Tante; ik wil geen week
+langer blyven; 't is of ik in de hel woon. Myne Tante heeft zeer veel
+van zyn Satansche Majesteits karakter; en Bregt verdient wel een
+schonen dienst in zyn onderaardsch ryk ... Ja! bons wat aan; ik zal
+niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. Sus! daar hompelt zy, al
+grommende, den trap weêr af. Goeije reis naar beneden. Ik moet,
+_chere_, u eens een _Scene_ tekenen, die u niet zal uit de hand
+vallen.
+
+Woensdag voormiddag raasde zy als eene bezeetene, om dat ik eenige
+nieuwe Aria's speelde. (Dat's een Wyf, ook?) Zy werd geholpen door
+haar Hottentot van een meid, die my dorst zeggen, dat zy ook danig
+ontsticht was. Met wordt er gebelt. Bregt, die volmaakt een zog van
+een Bollebuisjeswyf[1] gelykt, waggelde naar voor; en Tante gaf my een
+verbruide oorvyg, om dat ik bleef spelen.... "Juffrouw, daar is
+Sinjeur Benjamin."--"Wel hede, laat Broeder maar agter komen." Daar
+kwam Broeder, een luije zuipzak van een Kerel, in een paarschen Japon;
+(men zou wel zeggen, wie of zo een verlopen Slagers Knegt toch een
+Japon heeft leren dragen.) "Welkom Broêrtje, wel hoe is het nu nog al
+met je?"--"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"--"Wel, dat is
+droevig, maar je vergt je ook wat véél."--"Ja 't is myn Ambtsbezigheid;
+en hoe vaart Zuster? Je schynt wel wat onthutst."--"Ja, dat ben ik ook,
+'t is niet altyd het effen wegje, Broertje." (Tegen Bregt.) "Ei meid,
+is er niet wat? dan zou Broeder hier maar familiair blyven." (Tegen my.)
+"Toe, lieve Saartje, was dat uittestaan, lieve Saartje, en myn wang
+gloeide nog van den slag, bak jy nou ereis schielykjes wat dunne
+Pannekoekjes, Broeder lust die zo graag." Ik sloot myn Clavier, en zei:
+'t is wel, Tante. Ik ging naar de Keuken, en bakte helder door: maar-ik
+-at-die-al-bakkende-zelf-op. Dit is de eerste trek, die ik haar speelde,
+hoe zelden ik myn genoegen kryg.
+
+Ik moet hier alles doen; want Bregt is een lomp schepsel, en snuift
+sterk. Toen ging ik, terwyl Bregt in huis klungelde, de tafel dekken.
+Bregt eet met ons, want het is Zuster Bregtje, moet je weten, Letje.
+Tartuff[2] zou een goed woord spreken, maar de Vent badt, (zo noemen
+zy dat gehuilebalk,) wel een kwartier lang. Het geen hy jankte, geleek
+veel meer naar het morrent gegnor van ondankbaar Vee, dan naar de
+zuchten van een bewogen hart, 't geen zynen God looft.
+
+Ik kreeg, _à l'ordinaire_[3], eeten op myn bord, twee schepjes
+groente; met een slenter kout vleesch van 's daags te voren. Ik spelde
+myn Servet voor: "als ik gelyk een kind eeten kryg, moet ik ook zien,
+dat ik my niet bemors." "Och of gy een kind waart," zei de Smulpaap,
+die onderwyl met zyn duim en vinger de boter van de _robe de
+chambre_[4] eener Cottelette aflikte. "Dat zou heuchelyk zyn," zei
+Tante; "ja wel heuchelyk," zei Zuster Bregitta. Toen kreeg ik nog wat
+byeengeschraapte Spenage, en een stuk Cottelet. Zuster Zantje, en
+Broeder namen onderwyl eens. Ik kryg nooit wyn. Tante zegt, dat het
+niet goed is voor my, en dat kan wel zyn; want ik ben jong en gezont.
+"Kom, Saartje, neem nou maar af; Bregtje is wat vermoeit; de sloof
+wordt oud." Ik deed zo; zette het Dessertje op. "Waar bennen de
+Flensjes, Saartje?" "Die bennen in myn maag, Tante." Snap myn servet
+neêr gegooit, (by ongeluk tegen Broeders palmhoute[5] pruik,) en het
+onweer op myne Kamer ontweken. Gy weet, ik ben tamelyk vlug, dat my
+toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de Hottentot
+met een stuk brood en een glas zuur bier, er by voegende, "dat ik het
+nooit kon verantwoorden, zo als ik een vroom mensch evel plaagde."
+"Scheer je van myn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. Het
+brood (het was goed op de Flensjes,) at ik op. Het bier gaoide ik weg,
+en dronk eens helder uit myn Caraffe: ging vroeg te bed, en sliep als
+een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom Thee, die
+wel omspoelzel lykt. Tante gaat uit, en wil my voor haar oogen niet
+zien. Zo zitten nu de zaken. Mooglyk geef ik u deezen wel in eigen
+handen, mooglyk niet: Ik weet niet hoe 't zal uitkomen.
+
+Vast kom ik, de brief der goede Weduwe heeft my in dit voornemen
+gesterkt. Ik zou al by u geweest zyn, maar ik wagt op een Brief; die
+brief komt niet. Ik zal, voor ik dit huis verlaat, aan haar die ik
+bedoel nog eens schryven ... doch dat kan ik by u evengoed doen.
+
+Ja, lieve meid, gy hebt wel kostelyk gelyk! Men moet maar wel doen en
+vrolyk leven. He, wat? op die Fynen is toch geen staat te maken;
+echter zyn er (of jy 't niet geloofde,) zulke vrome zielen onder, die,
+waren de hoofden dezer brave menschen zo goed georganiseert als hunne
+harten, wel zuiver en godsdienstig zyn ... enfin, kort gezeit, Letje,
+Salomon, de wyze Koning Salomon, is myn man: _men moet het goede
+genieten van zyn leven, ende van zyn arbeid_;--daar mee is dat maar
+uit, en afgedaan.
+
+'t Wordt donker, en ik kryg geen licht in myn kamer; ik kan des niet
+langer schryven. Hoe zal dat gaan als ik beneden kom? Ik zal eerst
+Tante goeden avond zeggen, en als zy draaglyk is, by haar gaan zitten
+breijen; zoo niet, dan ga ik in de zydkamer, de lantaarn brandt toch
+in het voorhuis, open myn Clavier, en speel op 't gevoel maar weg.
+Maak myn Compliment aan Mejuffrouw de Weduwe Spilgoed; en zeg haar zo
+veel gy nodig oordeelt, zo gy deezen nog, vóór ik u omhels, in handen
+krygt. Nagt, lieve ziel.
+
+ Tout à Toi, S. BURGERHART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Poffertjeswijf.
+[2] Benjamin = huichelaar (Molière).
+[3] Als gewoonlijk.
+[4] 't Vleezige.
+[5] P.-H.-kleurige.
+
+
+
+[Illustratie: Snap mijn servet neêr gegooit, (bij ongeluk tegen Broeders
+palmhoute pruik,) en het onweer op mijne kamer ontweeken.
+Illustratie van C. Bogerts, naar teekening van J. Buys, in de 1e uitgave
+van 1782.]
+
+
+
+
+ELFDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Ge-eerde Heer, zeer waarde Voogd!_
+
+De steen is geworpen: ik ben 't ontvlugt, en acht het pligtmatig u
+alles te melden. Gister namiddag ben ik hier in myn nieuw Logement
+gearriveert: Ik zal alles vertellen.
+
+Ik twyffel dikwyls, of Tante my deeze laatste weken niet zó geplaagt
+heeft, om my deezen stap te eerder te doen doen. Het volgende deedt
+my nog te eerder tot een besluit komen. Ik ontmoette in een Fransche
+winkel, daar ik een paar handschoenen kogt, eene myner School-
+vriendinnetjes, zekere Letje de Brunier. Het lieve meisjes Vader was
+de Heer Phillips de Brunier, geen ongeacht Commissionaris[1] op
+Duitschland en Italien: Ik leg haren brief aan my, ook die der Weduwe,
+daar zy by logeert, hier in; op dat gy zoudt weten al wat er my van
+bekent is. Nu de Vertelling.
+
+Gister middag ging Tante uit eeten. Ik kleedde my aan, stak wat linnen
+by my, ook myne juweelen, die ik van u gekregen heb, voor gy naar
+Frankryk ging, doch die ik nooit heb aangehad, met een weinig gelds,
+(want zy geeft my niets,--geen duit.) Bregt hadt de stoutheid om my te
+vragen: "waar ga jy heen?"--"Dat raakt jou niet."--"Dan zel je ook in
+huis blyven."--"Heb jy 't hart, en belet my dat eens." Ik kan wel boos
+worden, maar niet kyven; en ziende dat Bregt haar talent te werk
+stelde, bedagt ik my: "Bregt, zei ik, heeft Tante je die ordres
+gegeven, dan moet ik haar de reden vragen, als zy t'huis komt; wat
+zullen wy eeten?"--"Kliekjes", zei zy. "Goed, ik heb honger; maar wy
+zullen Tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een fles
+wyn, jy hebt zeker den sleutel."--"Ik doe niet, juffrouw Saartje: (nu
+ik van putten[2] sprak, kreeg ik aanstonds deezen tytel!) "Jy jokt,
+Bregt; als Tante er van spreekt, zal ik haar den wyn betalen."--"Je
+Tante heeft altoos zelf den sleutel; maar als Juffrouw my niet
+beklappen zou, ik kan er toch wel by."--"Ik je beklappen! wel, dan
+moest ik wel gek zyn; kryg maar, toe, schielyk." Zy ging. Ik had al
+lang gemerkt, dat Zuster Bregtje aan de fep was; ik tastte haar des
+van de zwakke zyde aan. Doch, pasjes was zy in den Kelder, of ik,
+flink de deur in slot, en de grendels er op. Toen ging ik het huis
+uit, en haalde de huisdeur agter my toe. Hoe het verder met de Zuster
+gegaan is, weet ik niet.
+
+Ik heb, op Tantes tafeltje, een kaartje laten leggen, om dat zy niet
+ongerust zyn zoude. Zy heeft my schrikkelyk geplaagt: mooglyk zal zy
+zich dit herinneren; en wat hoef ik haar te kwellen, nu ik uit haar
+magt ben: Is 't niet waar, myn Heer?
+
+Wat verlang ik naar een Brief van u! De Muziek heb ik ontfangen. ô Wat
+zyt gy een goed man! Kon ik u mondeling zeggen, hoe zeer ik u acht, en
+hoe gelukkig ik my reken van te zyn,
+
+ MYN HEER!
+
+ _Uwe Ootmoedige Dienaresse en Pupil_,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+PS. Myn adres zal ik hier ook by leggen.
+
+
+Noten:
+
+[1] Handelsagent.
+[2] Zuipen, pimpelen.
+
+
+
+
+
+TWAALFDE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Saartje: ze is zoo jong;
+ze moet zich nogeens bedenken; misschien trouwt ze gauw; gaat 't
+verkeerd, dan krijgt Sara de schuld. Bij die wed. Sp. leven ze
+luchtigjes, ook Aletta is maar luchtig. Hoe denkt Blankaart erover?
+Zij zal 't haar moeder vertellen: _misschien wil die Saar wel
+hebben_.--Deze brief blijft wat lang uit.
+
+
+DERTIENDE BRIEF.--Sara beklaagt er zich over en wordt boos om Anna's
+koelheid. _Haat_ me desnoods, zegt ze, maar _veracht_ me niet.
+Eindelijk komt Anna's brief en Sara schrijft haar.
+
+
+
+
+VEERTIENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Dierbare Willis!_
+
+Zoo ontfang ik den uwen. Kunt gy my nog liefhebben? Hemel, wat ben ik
+ongelukkig! Zedert de dood my myne Moeder ontnam, liep my alles tegen.
+Waarom ontfing ik uwen Brief niet eerder? dien voor my zo
+allernodigsten Brief, ô Myne voortvarentheid!... Wat meer geduld, en
+wie weet hoe gelukkig ik nu zyn zoude. Maar durfde ik daar op hopen?
+By u te zyn;--onder het zorgende oog uwer Moeder. Dat is nu te laat!
+En ik moest nog de Zedemeestres spelen! Ik moest, zo onkundig van myn
+hart, het uwe beproeven! Ik moest--och, lieve Naatje, vergeef het my;
+zoek toch naar eenige verschoning voor my, ik kan niets vinden. Ik
+heb, voor een jong mensch, al veel verdriets gehad, en al veel
+ongelyks geleden; maar nu, nu ondervind ik voor 't eerst, dat
+zelfverwyting eene zeer grievende smart veroorzaakt; alles is daar
+beuzeling by. Als ons hart zegt, men doet u ongelyk, gy verdient dit
+niet, dan is de belediging zelf, vreugd, by de bewustheid dat wy haar,
+die ons lief heeft, kwalyk behandelen; óók terwyl zy zich bevlytigt om
+ons te helpen. Dit gevoel, hoe pynlyk, troost my echter; het maakt my
+uwer vergeving waardig.
+
+Verscheur myn laatsten Brief. Laat hy zyn als niet geschreven: ik was
+moedeloos. Wat zal het my nu helpen, uwe bedenkingen te wikken?
+Helaas, Naatje, de stap is gedaan! Ik ontken niet, dat ik hier zeer
+vergenoegt ben; maar uw Brief, uw Brief! Ik had dan mogen hopen altoos
+by u te zyn? Gy weet hoe gaarn ik by u, by uwe lieve Moeder ben! En is
+Willem t'huisgekomen? (van hem eens nader.) Waarlyk, ik heb het hier
+zeer wel, hoewel het is nog vroeg, eerst de vierde dag; indien ik het
+vergelyk by de laatste jaren: doch by u te zyn ... 't is vrugteloos.
+Dit maakt my droefgeestig, en verbetert myn lot niet; ik schrei er
+van.
+
+Mejuffrouw de Weduwe schynt een zeer goedaartig mensch, zy ziet er
+allervriendelykst uit; ik denk, dat zy byna veertig jaar oud is. Zy
+heeft fraaije manieren; zy is eene Vrouw van fatsoen en opvoeding, dat
+ziet men. Zy spreekt niet veel, doch 't geen zy zegt is goed gezegt.
+
+Zy leest veel, en in verscheidene talen; heeft de Waereld gezien;
+speelt keurlyk op 't Clavier; is zindelyk over haar huishouden,
+naarstig; modieus, doch niet opzichtig gekleedt; een weinig gekapt,
+wel te vreden met ons, zo als wy met haar. Gezelschappen heb ik hier
+nog niet gezien. Juffrouw Letje is een lief vriendelyk meisje, niet
+zoo levendig als ik: zy zucht meermaal; waarom weet ik nog niet. Zy
+leest gaarn, zingt fraai, en is, alles in eens gezeit, als de meeste
+meisjes, die niet veel goed of kwaad bedryven. De twee andere Dames
+heb ik nog maar eens aan 't middagmaal gezien: beiden hebben goede
+manieren; en, schoon ik de jongste ben, behandelen ze my met veel
+beleeftheid. Zy gaan veel uit, schynt het. Letje is meer t'huis nu
+zy my heeft, dan van te voren, zegt de heusche Weduwe Spilgoed.
+
+'t Is raar! alles is zo wel naar myn zin, en echter ik ben niet
+gerust. U heb ik kwalyk behandelt, en weet niet hoe of gy my
+beschouwt. Acht ik u dan hoog? heb ik uwe achting voor myn geluk
+nodig?
+
+Letje kwam daar by my; ziende dat ik geschreit had, was zy zeer met my
+bewogen. "Wat scheelt er aan, Liefje," zei zy. "Och niets," zei ik,
+"maar ik ben my zelf moede, ô die Brief, die Brief!" Zy zag dien
+leggen, maar weet te wel wat de betaamlykheid eischt, om onbescheiden
+te zyn. Zy zag my aan, vatte myne hand, en 't was of zy my iets wilde
+zeggen, doch, zich bedenkende: "Kom, Burgerhart," hervatte zy, "gy zyt
+niet vrolyk: ik ben 't ook niet altoos, en dien wel by u te zyn om het
+te wezen. Wil ik die solo eens zingen, die gy zo graag hoort? dat zal
+u wat van u zelf verwyderen." Droevige toevlucht! dit toont wel dat
+het hier, hier onder de borst, niet richtig is. Ik verlang en beef
+teffens voor een Brief van u. Och! schryf alles wat gy maar wilt, zo
+gy my maar in waarheid kunt schryven dat gy nog bemint
+
+ _Uwe Vriendin_,
+
+ S. BURGERHART.
+
+
+
+
+VIJFTIENDE BRIEF.--Sophia Willis-Van Zon--Anna's Moeder--schrijft
+Blankaart over Sara. Saartje heeft haar tante verlaten en woont nu
+bij de wed. Spilgoed--wat ze _niet_ goedkeurt. Zij zelf kan Sara niet
+nemen, want behalve voor achterklap vreest ze voor haar zoon Willem.
+Willem is verliefd op Saar, en hij heeft geen geld, zij wel;
+bovendien: _die twee passen niet voor elkaar_. Sara moet een man
+hebben die haar áán kan; Willem is een lobbes.
+
+ZESTIENDE BRIEF.--Anna Willis schrijft een allerdeugdzaamst en
+vriendelijk antwoord aan Sara: ze gevoelt zich na dien boozen brief
+nog meer aangetrokken tot haar. Geeft haar den raad: "_leen nooit
+geld van anderen, kom dan bij mij_."
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Myn Heer!_
+
+De Apostel zegt: "dat wy allen ommegang met Zondaren niet kunnen
+vermyden, want dan zouwen wy buiten de Waereld gaan moeten." En schoon
+ik my zo kan vinden in de woorden van dien Heiligen sukkelaar, zo als
+Broeder Benjamin Koning David wel eens noemt; zo kan vinden, zeg ik,
+in de woorden daar hy zegt: "ik kome niet op den weg der Zondaren:" zo
+vind ik het nu in mynen weg noodzaaklyk, myne oogen naar het Afgodisch
+Vrankryk te slaan, ende my als te begeven onder hen, die het teken des
+Beestes aan hun voorhoofd dragen.
+
+Je weet, myn Zusters man vondt het zo, om u tot eersten Voogd voor
+zyne Dochter te verkiezen, en hare Moeder maakte my mede-Voogdesse,
+bevelende, wil ik spreken, haar aan myne liefde en bescherming. Daar
+voor kreeg ik 's Jaars een matig stuivertje van honderd halve
+ryërtjes; och ja! Dit was weinig genoeg; want het Meisje was
+weelderigjes opgevoet: ik moest, om haar, nog al meer omslag maken,
+dan ik zo in myn eigen gedoente gewoon ben; och ja! Maar, wat is 't?
+men doet veel uit liefde ende tot liefde. Had ik maar vruchten mogen
+zien, dan zou ik my alles nog kunnen troosten. Doch al myne moeite, al
+myne zorg was te vergeefsch. De Meid heeft een Keistenen hart, geheel
+voor de Waereld; en zo lang ik zoo met dat lastig Zeeschip getobt en
+gewroet hebbe, ben ik zo van myn hart afgeweest. 't Is of de Zegen uit
+myn huis is. Ja, ik heb van haar kwaad humeur veel verdragen; maar ze
+is weg gevlugt.
+
+Voorleden vrydag was ik by eene hele vrome Mevrouw ten eeten, met
+Broeder Benjamin en nog ettelyke vromen, om een goed woord te spreken.
+Ik beval aan myne meid, onze Bregt, op Saartje te passen. Wat gebeurt
+er? Ik kom 's avonds met den Broeder welletjes en vriendelykjes thuis,
+ga naar 't zaaltje, roep; kryg geen antwoord. Eindelyk door myn gang
+gaande, hoor ik iemand die roept: "Juffrouw, och Juffrouw! ik zit in
+de kelder." Ik doe de deur open, daar zat myn meid in den donker
+opgesloten, en was zo ontstelt, dat zy my pasjes kon zeggen, dat die
+ondeugende Sara haar in de kelder gesloten hadt, en zelf de deur was
+uitgegaan. De meid was zo bezet van den drank, dat ik wel denken kan,
+dat zy haar die heeft ingeperst, en toen in de kelder gebragt, op dat
+Bregtje haar niet in hare snode vlugt zoude beletten.
+
+Nu is zy in een godloos huis, daar gedanst en gespeelt wordt, daar de
+Juffrouwen een el hoog gekapt gaan, en met alle vromen den spot
+dryven. Ik zou haar wel laten weêr halen; maar ik dank den Here, dat
+zy maar weg is. Nu zal ik weer rust en stilte in myn hutje hebben, en
+myn eigen wegje gaan. Maar jy moet haar straffen, dat is jou pligt. Ik
+eisch het volle geld tot zy trouwt, of vyfentwintig jaar is; zy is uit
+'er zelf weggegaan: nou, dat spreekt van zelf. Ik geef u aan u zelf,
+en haar den Duivel over, wiens lievrei zy al aan heeft. Ik sny haar
+af. Zy zal geen duit van myn goedje hebben. Nou, 't geld wagt ik op
+den vervaldag. Hoe heuchelyk zou het zyn, indien gy ook in onzen
+Wyngaart arbeidde; maar uwe vervreemding van het goede laat my niet
+toe u anders te noemen dan
+
+ MIJN HEER,
+
+ Ik ben, uwe beterschap en bekering wenschende,
+
+ ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+
+
+ACHTTIENDE BRIEF.--Blankaart antwoordt wed. Willis: hij is zeer
+vereerd. _Zelf heeft hij vroeger een oogje op Sophia gehad_; wie weet
+wat er nog gebeurt!--Hij is het met haar ééns: Willem is op Saar
+verliefd, dat heeft hij gemerkt. Geld was 't ergste niet, maar als ze
+niet bij elkaar passen--'t zij zoo! Dan niet aanmoedigen. Laat Sophia
+een oogje op Saar houden; hij wil Willem wel voorthelpen.
+
+
+
+
+NEGENTIENDE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+_Mejuffrouw!_
+
+Wel zeit het Hollandsch spreekwoord: "Hoe later op den dag hoe
+schoonder Volk." Maar wat heb ik met uw gelol en uw heilige sukkelaar
+te doen? Wat geef ik om uw Broêr Benjamin? Weet gy wat, Juffrouw
+Hofland, uwe hele ouwe voddenwinkel van kweeslary raakt my niets, geen
+oogvol. Hou uwe brieven maar t'huis, ik weet alles in 't lang en in 't
+breed. Het Kind heeft deugdelyk gedaan. Zy moet meer gedulds hebben
+dan ik, anders hadt zy zo lang niet eens by u gebleven; dat 's maar
+uit. Waar ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klaauwen
+gehaalt hebben, en in myn huis gebragt; al hadt gy en uw volk my braaf
+gelastert, dat scheelt my weinig. Hoe, wat hamer! denkt gy, dat ik
+niet weet hoe jy haar gedaan hebt, en dat jy haar als een zottin door
+de godgantsche stad hebt laten lopen in ouwe konkelige kleêren, en dat
+voor een meisje die geld heeft, en altoos proper gekleet pleeg te zyn;
+iets dat ik ook byster graag zien mag: wat wilje nu daar van hebben,
+he? Jy meugt waaragtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saartje
+by u gehad? overgeschoten klieken, en niet half haar bekomst. Weet je
+wat? Jy hebt het geld van een Wees met uw Smulbroêrs, en Fekel-kousen[1]
+verteert, en het meisje nog gebruikt, om dat Gespuis optepassen; dat heb
+je. Je meid is een dronken Tobbe, hoor! Zy komt er genadig af. Laat zy
+nooit onder myne oogen komen, want ik ben wat poestig[2]; ik mag geen
+onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels zwaaijen[3].
+
+Wat leg jy ook te wauwelen over afgodisch Vrankryk; en van menschen,
+die het teken des Beestes aan hare Voorhoofden dragen? Ik weet niet
+veel van al die nieuwe snofjes en modes; noch hoe die duivelderage
+hiet, die de Dames nu alweer opzetten; doch jy weet er ook niet veel
+van. Maar zo zyt gy allemaal: dat gonst, en dat bromt over zottigheden,
+en wezentlyke zaken laat men zo als zy zyn. Je slagt[4] de Dominees,
+die, als zy haar studeertyd verkwanselt hebben, zulk tuig op den
+Preekstoel brengen, daar het te pas komt als een Olykoek in een
+Treurspel. En wat brust[5] het my, al droegen de Fransjes het
+Zevengesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet
+kom om zulke grillen, maar om myne affaire te doen, en bemoei my niet
+met het teken des Beestes, of waar zy dat opplakken; doe ook zo, en je
+zult wel doen.
+
+Wel, ik denk dat ik zo wel in den Bybel lees als jy, maar wie duivel
+heeft dáár ooit van heilige Sukkelaar gelezen? Broêr Benjamin is een
+zotte Vent, hoor! En ik zou my dood schamen, dat zou ik op myn eer,
+indien ik zo met Gods woord omsprong, en het zo Satans gek toepaste,
+zo als jy Fynen doet. Weetje wat? David was een held, die de Oorlogen
+des Heren voerde, en een Kaerel als een boom aan dorst: den Reus
+Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hy, en David ook niet lui, als
+de blis er op, flink maar, zyn dikken kop afgeslagen: dat was zeker
+geen sukkelaars werk, meen ik. Hy was een Groot Generaal; dat klinkt
+je wat anders voor den snoet.
+
+Paulus? van Paulus moet je afblyven. Paulus was de beste, de
+raisonnabelste man van de waereld; want hy zegt met ronde Zeeuwsche
+woorden: "Gierigheid is afgodery". ô He! kwam die vrome Apostel eens
+hier, ik verzeker je, (voor een kwart per Cent,) dat hy uw huis een
+afgodisch zou noemen. Wat praat jy van een goddeloos huis? mogen de
+jonge Dames dan niet zingen, niet spelen, als zy maar wel oppassen en
+braaf zyn? En ik hou veel van de Muziek, en Saartje speelt capitaal,
+en ik heb haar eene hele scheepslading Muziek gezonden; doch gy zult
+geen occasie hebben om ze op 't vuur te smyten. Wat zeg je; wat blief
+je: weet ik van de zaak?
+
+Ik heb zo veel achting voor brave vrome menschen als iemand in de
+Waereld, maar al je gekwaek, en al je geteem is geen snuifje waart; op
+myn eer, dat is het niet. Ik weet meer van joului werk der Duisternis
+dan je denkt; ik ken dat lieflyk Oeffening houden; de goeijen niet te
+na gesproken; want ik wil allen niet met één kwast overstryken. Maar
+gy en uwe Soci, daar heb ik de nyd op.
+
+Wat weet zo een luije Zuipzak van Gods Woord? Hadt hy liever voor 't
+lieve Vaderland, (en alle zoete meisjes) Ossen en Schapen geslagt, hy
+zou een veel nutter werk gedaan hebben. Hoe! hebben wy in Amsterdam
+dan geen wyze Dominéés, die werk van hunne studie maken, en kunnen wy
+daar niet Kokseaansche, Voetsiaansche, en Lampiaansche Waarheden
+horen[6]? maar neen: die goeije menschen klagen over yverloosheid, en
+velen preken, God betert, ook voor stoelen en banken; en in je lui
+kamers zitten de Vroompjes gepakt als haring in de ton: zo dat ik wil
+maar zeggen, dat ik een vyand van zulke Oeffeningen ben.
+
+Hoor, als ik Burgemeester T., of een ander braaf Regent van onze Stad
+was, ik zou Amsterdam eens terdeeg zuiveren van die onnutte
+Broodeeters. Ik zou, door de stads Omroepers, met het wapen der stad
+op hunne bekkens geschildert, de les van Paulus laten opklinken:
+Hoort, gy brave Burgers en ingezetenen: hoort: "Die niet werkt zal
+niet eeten". En zulke kwanten, als Broer Benjamin, kregen logement in
+'t grote Werkhuis, dat er zal gebouwt worden op 't Wezeper Veld: wyl
+hy een van die Borsten is, die by de huizen omgaande, de Vrouwtjes
+gevangen nemen, die met zonden beladen zyn. Ik zou niet half zo boos
+op jelui zyn, indien de stille zielen, die het zo wel met het goede
+voor hebben, om zulk volkje niet bespot of veracht wierden.
+
+Ik heb veel gereist en getrokken, en heb veel in Roomsche Landen
+verkeert, maar de Papen zyn nog beter dan jy lui; en er valt evel ook
+niet veel op te roemen. Jy Saartje aan den Duivel overgeven! Weet gy
+wel, dat hy een kwaaje Gek is, en dat, als gy haar niet kunt leveren,
+het er wel eens heel benaauwt voor u zou kunnen uitzien? mooglyk neemt
+hy Tante, om dat hy Nichtje toch niet bekomen kan. Ken jy de Weduwe,
+daar zy by inwoont? Je mogt wat, een struif. Puis! Tante! is het zo
+goddeloos, een menuetje te dansen; Wel dat mogt jy, en broeder, en je
+dikke Bregt ook wel eens ondernemen, om de kwade humeuren, door
+luiheid, en lekker smullen opgegaêrt, uit te dampen. Zie, wy kennen
+malkander van voor dertig jaar; je plagt zo vies niet van een Dansje
+te zyn. Hoor, ik ben eens door zo een Fynbaar schrikkelyk bedrogen, en
+zedert gaat er een kou over myn lyf, als ik aan je lui denk. Ik spreek
+niet van vrome naauw-gezette lieden; dat weet jy héél wél. Wel, wie
+hoort er van, gy Vrienden gebruikt ons, zo als de Smausen de
+Christenen gebruiken, om de Sabbatslampen optesteken. Ik kan 't niet
+knopen[7], dat uw' lieve Zuster besloot, u haar eenig Kind toe te
+betrouwen. Mooglyk hebt gy zo lang aan haar zwak hoofd liggen gonzen
+en huilebalken, dat zy het moest opgeven. Alles is jelui gaaijing. En
+'t was nog eene zoetigheid, honderd halve ryers voor haar kostgeld. En
+durf jy nog van geld kikken! Hoe, wat hamer! denk je dat ik een schurk
+of denk je dat ik razende dol ben? Ik ben haar Voogd; zy is met myne
+goedkeuring heen gegaan. Jy hebt het haar moede gemaakt.--Trekken zul
+je,--ja! aan een askar. Wel, je bent eene overheerlyke Tante! Je bent
+immers nu veels te oud en te lelyk om nog eens te trouwen: wat zul je
+met jou geld doen? Meênemen? Loop voor Joost, ontmaak het kind uw
+goed, zy heeft genoeg. Procedeeren? Ei spreek eerst den Advocaat naast
+den gouden ketting eens[8]. Zo die het u aanraadt; hier is je man.
+
+Spreek niet van haar kwaad humeur. Zy is maar al te zoet van aart, en
+te toegeeffelyk. Zoo zeit de brave Weduwe Willis, en elk die het lief
+kind kent. Doch wie Satan kan met zo een paar ouwe Meerkatten omgaan,
+als jy en Bregt?
+
+Zie daar Zusje, nu heb ik óók eens gewerkt in uwen zondigen Wyngaert;
+ja, ja! ik heb de ranken zo verbruit besnoeit, dat, zo er nog iets
+goeds van zal komen, het volgende jaar goede vruchten zal leveren. Ik
+twyffel, of Broer de Uitlegger u, voor alle uwe Smulpartytjes, wel zo
+vele heilzame Waarheden gelevert heeft, dan gy hier ontvangt voor ééne
+Fransche Briefport.
+
+Om u aan den Drommel overtegeven, (in plaats van myne Pupil,) denk ik
+dat nu te laat is; en ook, hoe boos ik op u ben, ik wensch uit grond
+van myn hart, dat gy u verbeterde: gy zyt wel oud; doch men is nooit
+te oud om iets goeds te leren: gy waart toch in uw jeugd nog al een
+rare schommel; hoe kom je zo verandert?
+
+Ik wil geen katteschrift meer van u ontfangen, zo gy u niet bekeert;
+daarom wordt alles in eens afgedaan door
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Kletskous.
+[2] Kort aangebonden.
+[3] Klappen vallen.
+[4] Lijkt op.
+[5] Kan 't me schelen.
+[6] J. Coccejus, 1603—1669, G. Voetsius, 1588—1676, F.A. Lampe,
+ 1683—1729, godgeleerden van zeer uiteenloopende richting.
+[7] Begrijpen.
+[8] Bedenk dat 't geld kost.
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Lieve Kind!_
+
+Myn Boekhouder, de oude goede Peterszen, zal u het geld brengen, dat
+ik u toeschik: de Wissel bedraagt duizend Guldens. Koop er al van wat
+gy nodig hebt, om in ordentelyke gezelschappen te gaan. Maak drie
+Sacken, of hoe hieten die Samaartjes[1], zo als uwe Moeder en
+Grootmoeder droegen. Koop alles wat er by hoort, maar niet opzichtig,
+of wilt; nu ik vertrouw alles goeds van u. En doet nu niets aan je
+lyf, dat je niet kunt blyven dragen: dit zou u al zo gek staan, als
+die klungels die Tante u aan deedt. Gy moet het eerste half jaar in
+voorraad betalen; ik wil geen verplichting op dit stuk. Leg het wel
+aan, en als ik u zie, toon my dan eens hoe gy 't besteet hebt. Hoor
+meid, zo je 't wel aanlegt, heb jy gelds genoeg; zoo niet, dan is 't
+gaauw op.
+
+Ik heb zakken met klagten over u, in eenen zotten Brief van je Tante.
+Doe jy maar wél, en ik zal u altoos voorstaan. Ik had gemeent t'huis
+te komen, maar 't zal nog vooreerst niet lukken. Luistert toch altyd
+naar de brave en wyze Juffrouw Willis, als of het uwe moeder waar;
+meer eisch ik niet van u. Ga je wel in de Kerk, Kind? Dat moet je voor
+al en voor al doen. Daar zit ik nou weer in een Paaps land, daar hoor
+je van God, noch zyn gebod, wil ik spreken; en zo ik myn tyd niet wel
+had waargenomen, hoe zou 't nu gaan met my? Als ik t'huis kom, zal ik
+je alle Zondag afhalen om ter kerk te gaan, want ik ben nog zo een oud
+Hollands man; en je zou niet geloven, Kind, hoe fraai de meisjes zyn,
+als zy daar, gelyk zo een rei wassepoppetjes, wel gekapt en gekleet,
+aandagtig zitten toe te luisteren wat de Leeraar zegt. Ik versta
+weinig Fransch, maar als je evel toch altemet eens naar de Fransche
+Kerk wilt, dan zal ik, uit pure inschikkelykheid, met je gaan, en
+denken: zy onderhoudt er haar Fransch door; en voor my is de
+penitentie kort, want die Coquette Abbeetjes maken het in een uur
+knaphandig af.
+
+Zeg eens, Saar lief, staat er ergens in den Bybel van een _teken des
+Beestes_? zy past dat toe op de menschen daar ik nu by ben. Ik heb de
+vier Evangelien al eens doorgelopen, doch vind er niks van[2]. Doch
+dat Fyne volk vindt zo veel in Gods woord, dat er geen Christen mensch
+anders in kan vinden. Jy hebt niet veel anders te doen, lees zo lang
+tot je het vindt; maar 't zal weer op niets uitkomen. Evenwel staat
+het in den Bybel, dan spyt het my, Kind, dat ik het niet wist: want ik
+ben een dood vyand van spotten. Och Heer! ik dagt dat zy choqueerde[3]
+op de Kapsels. Zo ik iets op u vermag, bederf uw schoon bruin hair
+niet ten plaisiere van eene ongevallige mode: anders moei ik my er
+niet mee. Nu, zoek er eens ter deeg naar, hoor? En schryf my of gy 't
+wel hebt. Vrees God, leef betaamlyk, en denk dat je daar twee Ouders
+in den Hemel hebt, die u ter zyner tyd hopen weer te zien.
+
+Nagt beste Kind, ik ben
+
+ _Uw toegenegene Voogd_,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+Noten:
+
+[1] Ruime japon met overkleed.
+[2] Openbaringen.
+[3] Hier: afgaf op.
+
+
+
+
+EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara stelt Blankaart gerust; ze is niet
+verkwistend, dankt voor 't geld, vraagt een paar japonnetjes; Jacob
+Brunier--Aletta's broer--vindt ze een _meisjesgek_; Willem Willis
+beschouwt ze als haar _broer_, diens moeder acht ze hoog; ze verlangt
+naar Blankaart.
+
+
+TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Aan Anna Willis vertelt Sara, hoe ze zich
+in de bullen steekt, nogal weidsch! Ze ombert om 'n stuiver 't fiche!
+wat ze niet véél vindt. Ze heeft 't best naar haar zin: Jacob Brunier
+bevalt haar niet: te fatterig.
+
+
+DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna antwoordt: ik maak me ongerust! Die
+Brunier vrijt naar je, en dat zou niets zijn, als hij maar wat
+beteekende. Spelen? Ook Anna speelt, maar Saar _maakt het te bont_!
+Ze zal ziek worden, vermaak-ziek. Pas op, Saar!
+
+
+
+
+VIER EN TWINGTIGSTE BRIEF.
+
+DE BROEDER BENJAMIN AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Men Heer!_
+
+Jy hebt ons, ons volk, ende onzen weg beroert, en schoon de Zusters
+zich alles zouwen getroosten in stille zuchten, zo voel ik my
+gedrongen om het voor haar, de goede zaak, en my zelf optenemen, om
+dat ik haren stichter en huisbezorger ben; al ben jy een groot Heer,
+ik zal jou tonen, dat ik op de muren van ons huisselyk Sion geen
+stommen hond ben; myn geblaf zal je doen zien, dat ik geen Indringer,
+geen Bemoeiäl ben, maar dat ik eene wettelyke Roeping heb. Nou ja; men
+Vader liet me de slagery leern; 't was een waerelds man, een
+schoenlapper; maar men Moeder was evel in Kerkelyke bediening; want zy
+was eene der Kerke-schoonmaaksters; en hadt men Vader het niet belet,
+zy zou my op de Studie gedaan hebben; doch hy vroeg altoos, "of zy dan
+razende dol was;" de middelen ontbraken, en ik had eene grote mate van
+ziels en lichaams vermogens, en veel meer trek tot geestelyken dan tot
+slagerlyken arbeid. In mynen onoverwinbaren afkeer van allen lichaams
+arbeid, hoorde ik myne roeping tot een ander amt; ik was gehoorzaam,
+ik kategiseerde de kinderen en de vrouwtjes uit myn Buurt, voor een
+mondvol eeten, want de arbeider is zyns loons waardig. De reuk myner
+gaven verspreidde zich ook spoedig; de Groten der aarde verruilden
+ook gaarn myne toelichtingen voor hunne tydelyke goederen; edoch, dit
+getal is echter niet groot. Dus raakte ik ook bekent met de vrome
+Juffrouw Hofland, die gy als een andre Saulus vervolgt. Ik slyt vele
+opgewekte uurtjes met haar. Nu weet gy wie ik ben; maar jy bent een
+Atheïst, een Armiaan, een Sociniaan; ja je bent, mag ik met ruimte
+zeggen, een Deïst[1]. Jy bent een voorstander van alle godloosheid, jy
+staat een dartel Hellewigt voor; dat doe jy; ja, dat doe jy. Jy weet
+ook wel, dat Juffrouw Hofland, als eene echte dochter van Gaaijus[2],
+de noden der Heiligen vervult; en jy onthouwt haar heur geld; zoo dat
+jy een Kerkrover bent; ja, dat ben jy. Zo, heeft Saartje geen drie
+honderd guldens verteert? Wel nou toon je alweer jou werelds hart.
+'t Is waar, wy hielden het meisje in eene Christelyke soberheid, wy
+kleedden haar stemmig; ik weet ook beter dan jy, hoe veel zy 's jaars
+aan voedsel en deksel nodig hadt; honderd Ryksdaalders!--maar hoe veel
+heeft de goede Juffrouw wel gezucht over dat baldadig kind der Zonde,
+hoe vele tranen heeft zy geschreit, hoe veel gebeden heeft zy voor
+haar arme ziel gedaan, hoe dikwyls is zy ziek geweest door al dat
+tobben! kost dat alles geen tyd en zorg? of denk jy dat alles voor
+niets te hebben? Neen, jy zult, jy moet er voor betalen. Maar zo ben
+je lui: in 't aardsche kunt jy lui rekenen en cyferen; maar, in 't
+geestelyke ben je lui blint; maar Juffrouw Hofland zal haar geld
+hebben, ik zal u dwingen; ik--vrees voor my.... Wy hebben in deeze
+godvergeten stad nog onze duizenden. Wee, wee, die den vinger tegen
+ons opheft...! Wy yveren voor de vromen, en onze haat is heilig; dit
+wee betekent veel, als het wordt uitgeboezemt door een man als is
+
+ _Uw ware Vriend_
+
+ BENJAMIN.
+
+
+Noten:
+
+[1] Gelooven aan God als Schepper--meer niet.
+[2] Der Gerechtigheid?
+
+
+
+
+
+VYF EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN BROEDER BENJAMIN.
+
+
+_Verachtelyke Kaerel!_
+
+Ik reken myn knegt te goed om u te schryven; daar aan zyt gy de eer,
+die ik u thans doe, schuldig. Zeg, fraaije kwant, dit aan uwe
+Principale: "dat zy zich stil houde, of dat ik haar alles, wat zy 's
+jaars, boven de honderd Ryksdaalders, ontfangen heeft, zal afkorten."
+Ik wagt haar voor den Rechter. Laat zy daar hare Leverantie van
+zuchten, tranen en gebeden inleveren, om te zien, hoe veel haar voor
+elke twintig ditoos zal worden toegewezen.
+
+Houd u stil, of 't zal niet met u gaan. Ik meen u, en nog eenigen uws
+gelyken, zo dra ik in Holland kom, voor myne rekening, aan vast werk
+te helpen; en dit dreigement zegt veel in de pen van eenen man als
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+
+ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara vertelt Anna van haar leven; Aletta is
+goed en lief; Cornelia Hartog, ook huisgenoote, bevalt haar niet: te
+geleerd, ondichterlijk; Charlotte Rien du Tout, eveneens huisgenoote,
+mist karakter, is grillig, nukkig. Ze heeft kennis gemaakt met Hendrik
+Edeling: staat haar wel aan!
+
+
+ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bericht Blankaart over Sara:
+ze is lief, vroolijk, eerlijk, past goed op.
+
+
+ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna Willis is bedroefd; haar tante te
+Rotterdam is ernstig ziek; ze moet er heen met Moeder, kan vooreerst
+niet schrijven.
+
+
+
+
+NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW MARIA BUIGZAAM, WEDUWE
+
+P. SPILGOED.
+
+
+_Mevrouw!_
+
+Ik geloof waarlyk, dat het inkomen van alle myne uitstaande gelden my
+niet half zo veel zou verblyden, dan ik verblyd ben door den inhoud
+uws Briefs, dien gy my de eere aandeedt van te schryven. Hoe, wat! is
+de lieve meid dan myn lieveling niet? Is zy de dochter niet van eenen
+man, die myn eenigste hart-vriend was? Dat zou ik geloven, waaragtig!
+Hoor, myne goede dame, alles is strikt waarheid, wat of de kleuter u
+verhaalt heeft. Maar, haal my de Boze, indien ik aan zo eene Vrouw een
+knappen Brief kan schryven: doe al wat u behaagt; och Heer, het geld
+is goed, wil ik spreken; maar ik zal eene fatsoenlyke vrouw nooit
+kwellen. Wat denkt gy, Mevrouw, kan ik met u kibbelen om een honderd
+guldens drie vier, nu myn kind in zulke goede handen is? Ja, zie, ik
+heb wat ongerustheid voor haar uitgestaan, toen zy nog by hare Tante
+was; en voor ik wist, waar of zy toch belant mogt zyn. Want, hier
+gezeit, en hier gebleven, het kon immers gebeurt zyn, dat het stout
+Dingetje in slegte handen was gevallen, en zo al wyders, gelyk de
+waarheid is.
+
+Wilt gy wel geloven, Mevrouw, dat uw brief my een traan of vier gekost
+heeft? 't Is echter zo. Wel lieve God, zei ik, zyn de beste vrouwen
+dan meest altoos in de onwaardigste handen? Dat is toch ellendig! En
+daar zit Abraham Blankaart nog in zyn vyftigste jaar, als een niets
+beduident oud Vryer; en ik had zo hemels vast besloten, om met myn
+vyf-en-twintig jaar man en vader te zyn. Wat zal men zeggen? die eerst
+komt die eerst maalt; en een weinig te laat is veel te laat. Ja,
+Mevrouw, ik heb den Heer Pieter Spilgoed wel gekent, maar nooit met
+hem verkeert. Hy hadt my te veel wilt hair op 't hoofd; en als de
+jonge lui getrouwt zyn, moeten zy dat laten afscheeren, of de Boel zit
+op zy. Ik wist wel, dat hy eene fatsoenlyke Geldersche dame getrouwt
+hadt, doch meer niet; en ik bemoei my bykans nooit met de zaken van
+een ander: Ik zeg altoos: "Abraham Blankaart, vrees God, en doe wel;
+dat is jou zaak, myn vriend."
+
+Alles wat gy van Saartje zegt, is, zo veel ik daar over kan oordeelen,
+wáár. Wees toch zo goed en hou een wakent oog over haar; wy mans
+hebben daar zo den slag niet van. Indien er iets mogt voorvallen, 't
+geen u nodig schynt my te doen weten, zo verzoek ik ernstig om my met
+uwe Brieven te verëeren. Ik weet heel wel, dat er geene beloning zyn
+kan, die geëvenredigt is aan uwe zorg en raadgevingen voor en aan een
+Meisje als myn Sarotje; evenwel zal het myn pligt zyn, om uwe
+edelmoedige deelneming in haar op eene waardige wys te gedenken. Kan
+ik u van dienst zyn, 't zy door myn persoon, of myn beurs? Ik ken geen
+groter geluk dan waardige Vrouwen myne achting te kunnen bewyzen. Ik
+ben met eerbied,
+
+ MEVROUW!
+ _Uw Ootmoedige Dienaar_,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+
+DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt zijn broer Cornelis, hoe hij
+Sara heeft leeren kennen; _hij is dol verliefd_. Zoo terloops sprak
+hij er met z'n vader over en die had gehoord, dat Saar een dolle meid
+was, die losjes leefde, wat hem speet, want haar vader was
+achtenswaardig. Wil er niet van hooren en Hendrik is zeer braaf.
+
+
+EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier schrijft een fatterig verliefd
+briefje aan Sara, waarop zij onmiddellijk antwoordt.
+
+
+
+
+TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER.
+
+
+_Myn Heer!_
+
+Terwyl gy deezen ontfangt, zyt gy zeker nog druk bezig om uwe
+Tonco-Boontjes[1] uit te zoeken. Nu, neem er uw tyd toe, want wy
+blyven t'huis, en zien van daag niemand; dit _a governo_[2]; en terwyl
+ik toch een verlegen uur heb, zal ik eenige regels krabbelen. Wel man,
+gy hebt het vreeslyk volhandig! zo vele en zo vele gewichtige zaken;
+'t is te hard. Gy zyt nog jong, gy zult u dood werken. Zoudt gy niet
+een substituut in uw ampt kunnen stellen, dan waart gy ten minste van
+dien kant veilig, al moest het u wat kosten. 't Zou immers jammer zyn,
+dat zulk een nyver en veelbelovent jong Heer vóór zyn tyd stierf. En
+daar is voor u immers niet aan te denken, Brunier? Letje heeft my in
+confidence, gezegt, dat gy, buiten haar zelf te rekenen, aan nog zes
+Dames beursjes belooft hebt. De waarde Juffrouw Buigzaam heeft ook
+reden van ongenoegen; nog hebt gy het Lint op haar Demicoëffé niet
+verspelt, en gy zelf zegt, dat het zo niet meer gedragen wordt.
+Juffrouw Hartog is knorrig, om dat gy haar de snuif niet bezorgt.
+Juffrouw Lotje gromt alle morgen aan het ontbyt, om dat gy de
+Tandpoeijer vergeet. Zie, dat zyn evenwel geen mooije dingen; en wat
+zal uwe Zuster daar op toch zeggen, dan dat gy het zo volhandig hebt?
+Het meisje haalt dikwyls een paar beschaamde kaken, als Juffrouw
+Hartog u, in haren trant, hekelt. En hoe zeer ik ook uwe Vriendin ben,
+ik zie geen redden aan die zaken: de menschen hebben gelyk. Indien gy
+zo veel onderneemt, moet gy met meer orde handelen. Gy vindt immers,
+als gy in den namiddag ons wat komt voorsnappen, allen bezig. De Weduw
+naait. Letje breidt. Ik knoop aan myn manchetten. Juffrouw Hartog
+speelt met haar hond. Juffrouw Lotje snuift, en frommelt haar zakdoek,
+en gy zit er maar lui en leeg by. Waarom neemt gy uw werk niet mede,
+dan kost gy als een werkent Lid onzer Societeit worden aangezien. Gy
+voldeedt uwe zeven Dames; gy kost om snuif en tandpoeijers denken: gy
+kost het Lint spelden _comme il faut_; en ons teffens in uwe nieuwe
+denkbeelden doen delen. Dan, dunkt my, waart gy in zes maanden op een
+effen bodem. Ik heb gemerkt, dat gy dikwyls in den spiegel kykt: wat
+dunkt u, (zie ik wil ook voor uw vermaak zo wel, als voor uw nut
+zorgen,) wat dunkt u, dat gy van Logement veranderde, en in een
+Spiegelwinkel gingt wonen? Dat zou ook al tyd uitwinnen; dan zaagt gy
+u ten vollen, in eens; en kon spoedig uw jabot verschikken, uw das
+optrekken, de stofjes en pluisjes van uw kamizool[3] knippen. Ik zie
+gaarn dat men zich wel kleedt, maar my voor een kenster in de
+kledingskunst uittegeven,--daar zal ik wel afblyven. Myn geest is niet
+geschikt tot het uitoeffenen van zulke verhevene zaken. Nu, zo als ik
+zeg, neem het niet te zwaar op, en werk met orde. Gy weet wie ik ben?
+
+ _Uw Zusters Vriendin_,
+
+ ----
+
+
+Noten:
+
+[1] Zaadjes van den Toncaboom: geneesmiddel. Men maakte er o.a.
+ beursjes van.
+[2] Tot naricht.
+[3] Vest.
+
+
+
+
+DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+_Zuster lief!_
+
+Nu kom ik eindelyk op de zaak, waar over ik u wilde schryven. Daar het
+onze Bregtje Sara gezien, met een jong wilt Heer; zy geloofde, dat het
+een uit de Kommedie was; en zy was nog veel ligtvaerdiger opgeschikt
+dan de Pop van Pieternel, daar je men eens van schreef. Zy was een el
+hoog gekapt. Haar Sack, (ja, zo een duivelsch kleed heb ik ook nog in
+myn natuurstaat[1] gedragen!) was opgestrikt, je leven zo niet. Ze
+hadt witte zyde koussen aan; denk, Zusje, witte zyde koussen, en
+kerjeusde schoenen. En ander Orlosie bungelde een hope nesten en
+vodden. En ze liep net als de Hoer van Babel met dien Monsieur gearmt.
+Zy luisterde, Bregt zag het duidelyk, hem wat in, en toen keek hy de
+meid aan, en lachte dat het een schande was. Hoor, Kee, ik ben somtyds
+nog al bezwaart over haar; maar Broertje weet my zo tot rust te
+brengen. Moet jy niet ietwat hebben, Zannetje, zeit hy, om je klein te
+houwen? Is het niet beter, dat je jou bezwaart voelt om je zonden, dan
+dat je een Armiaansch slik-grondje hebt? of dat je ziel door eigen
+gerechtigheid den Duivel als een roofgoed wierdt overgelevert? En dan
+wordt het my alles zo licht, zo licht; och ja, zo licht.
+
+Maar Zusje, je hebt my zo dikwyls in gemoedsgevalletjes geraden, en
+Salomon zeit: "twee zyn beter dan een." Ei lieve, wat moet ik doen?
+Broeder Benjamin wil dat ik met Blankaart procedeer, zo hy my niet tot
+een duit toe betaalt, volgens de Conditie met haar Moeder gemaakt. Al
+haar goed is hier ook nog, al de kleeren, en zo voorts, van hare
+Moeder, die eene pragtige Vrouw was; en al het gemaakt Zilver; maar
+dat evenwel te verdonkeren, hoe zal dat gaan? Blankaart is een droevig
+schepsel om mee te handelen; hy zou my, och ja! schandaal aan doen: En
+evenwel het Hellewicht verdient zo veel goed niet; zy zou het ook tot
+haar bederf gebruiken. Het alles over te geven is ook hart voor 't
+vleesch: 't was evenwel myn Zusters goedje, wil ik spreken. Ei lieve,
+zendt my nog eens het _Heilig Onrecht_ van Petrus Kwezelius. Ja, je
+hebt toch dierbare schotse Boekjes. Wees gegroet, en antwoord my eens,
+zul je?
+
+ ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+Noot:
+
+[1] Vóór haar bekeering n.l.
+
+
+
+
+VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Sara deelt Anna Willis mee, dat ze Jacob
+Brunier voor den mal houdt, zich van hem bedient om zich te vermaken
+en fatsoenshalve te doen vergezellen.
+
+VYF EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling antwoordt zijn broer
+Hendrik: Kerel, er op los! Informeer of ze vrij is en dan, vooruit!
+
+ZES EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Sara. Laat ze toch
+geen geschenken aannemen van Jacob Brunier: hij heeft geen geld. Je
+raakt op de tong, Saar!--De tante wordt beter. _Ze zendt haar de
+sleutels van de linnenkast_, om wat goed op te sturen naar Rotterdam.
+
+
+
+
+ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Willis!_
+
+Of ik nog lees? Wel, dat zou ik gelooven! Ik ben zelf de Lezeres voor
+de Familie; en onze lieve Weduw heeft een allerkeurigst Bibliotheekje.
+Maar ik heb zo veel over my zelf te schryven, dat het niet aan het
+schryven over Boeken komen kan. Zeg wat gy wilt, _myn_ Cootje[1] is
+nogthans een goed kind; het schikt zich zo kostelyk op, om zyn Saartje
+te behagen, en schommelt uit alle hoekjes en reetjes van zyn armoedig
+hoofdje al het verstand, dat hy bezit, by een, om er my op te
+regaleeren.
+
+En komt gy in geen zes weken t'huis! ô dat's goed; nu kan ik met myn
+Held braaf plaizier nemen, zonder van u op de vingeren te krygen; ik
+vrees maar dat ik, want zo zyn de kinderen! myn eigen kwaad niet zal
+kunnen zwygen. Eéne conditie! zo gy ophoudt met grommen, hou ik op met
+schryven. Waarom zou ik u beletten uw talent uit den doek te nemen? Gy
+hebt de gaaf van bedillen, en ik die van er my mede te vermaken, en er
+myn voordeel mede te doen. Nu ik er deeze flinken weer uitgegooit heb,
+ga ik er my eens terdeeg toe zetten, om uwen Brief te beantwoorden.
+
+Brunier kan zeker nooit myn Vriend zyn, in de sublime betekenis des
+woords; maar hy kan, als de Broeder van Letje, als een ordentlyk
+Jongman, met my op alle plaatzen komen. "Of hy met die vriendschap te
+vreden is?" dat weet ik niet, en meen er myn hoofd ook niet meê te
+breken. Is het niet beter, dat ik altoos met den zelfden Jongen
+wandel, dan, zo als men zegt, met elk een uitloop? Tut, tut, die
+onkosten bedragen niet veel, en bewaren hem mooglyk voor duizend
+kostbaarder zotternyen: nu moet hy wel zuinig zyn, of hy kan niet met
+ons uitgaan. Hoe ik het goed zal maken? och, zeer gemakkelyk! als hy
+trouwt, zal ik zyne Vrouw een stuk huisraad kopen, tienmaal meer waart
+dan die kleine uitgaven belopen: Is 't nu wel, myne deftige Willis?
+Ja, ja, ik railleer met zyne gebrekkelyke zyde; hadt hy eene slegte
+zyde, dan leverde ik den Patient aan u over. Och Heer! ik heb zo maar
+wat _zedelyke_ mouches, Engelsche pleister, goudvlies, balsem van
+Peru, lippenpommade en soortgelyke prulletjes; doch die zyn van geene
+kragt altoos tegen de gebreken van een ziekelyk hart. Maar gy, myne
+Vriendin, hebt wel andre kruiden, wil ik spreken, zegt Broêr Benjamin.
+
+Het zou een zot stukje zyn, met zo een Borstje Briefwisseling te
+houden; maar, wie zegt u, dat ik dit van zins ben? 't Komt niet in my
+op. Ja, ik gelyk omtrent zo veel naar de Godlyke Clarissa Harlowe[2],
+als myn schaapshoofd naar den vervloekten Lovelace: Heden, Naatje, hoe
+viel u dit in gedagten?
+
+Myn Brief laten zien? daar is hy niet mal genoeg toe; hy begrypt wel,
+merk ik, dat ik hem voor een Zotje hou. In het volgende hebt gy
+deugdzaam gelyk, ja het loopt drok genoeg: maar 't zal haast over zyn.
+De kring is haast afgevlogen, en dan zal ik by myn eigen hart en by
+myne dierbare Mama Buigzaam huisselyk t'huis zitten, en lezen, en
+naaijen, en spelen, en zingen, en met één woord geschikt leven; met
+Salomon uitgeeuwende: "ook-dit-alles-was-ydelheid!" Waan met dit alles
+niet, dat ik in 't geheel niet meer denk. Ik denk dikwyls, en dat wel
+zeer ernstig; maar, 't is of het kwaadje, zou Tantes Bregtje zeggen,
+'t is of het kwaadje er altoos met zyn neus by is; want de minste
+beuzeling verstrooit my. Gy weet, lieve Willis, dat ik geen grote
+zoekster van vygebladen ben, doch nu moet ik my echter vrypleiten. Ik
+voel, dat ik eene sterke overhelling heb tot het zwaarmoedige; om die
+reden verstrooi ik my wel eens met overleg; zo bang ben ik, om toch
+nooit dat gebrek voor eene Deugd aan te zien. Nog een woord over het
+lezen. Onze brave Huisvrouw heeft eene fraaije collectie van
+Leerredenen: Die van Solicoffer en Doddridge bevallen my ongemeen. Wy
+lezen zelf in den Bybel, kind; namentlyk de lieve Buigzaam, Letje en
+ik; want Juffrouw Hartog is veel te geleert, en Lotje veel te gek, om
+van die party te kunnen zyn. Ik verzeker u, dat ik nooit met zo veel
+smaak het Evangelie las als nu, nu ik by eene Vrouw ben, die
+godsdienstig is zonder veel uitwendigheid, en ons inprent, dat die wel
+doet, wel vindt. En daar meê is dat maar uit.
+
+_Ten slotte_, zegt onze geleerde Hartog. De stroom van zinnelyke
+vermaken, (of wilt gy, van beuzelagtige uitspanningen? 't is my ook
+wel,) moet eens met een springvloed over myn hart heen vloeijen, en al
+dat drabbige zwaarmoedige mede spoelen, dat er in myn verdrietig leven
+is op- en om- en ondergezakt; dan zal myn ernst redelyk, myne vrolykheid
+helder, en myn geheel gedrag eenparig goed, nuttig en pligtmatig zyn.
+Vaarwel! ik twyvel niet, of gy zult voldaan zyn over de uitvoering uwer
+Commissie. De Meiden zyn wèl, en de dienstpresentatie aan de Juffrouwen.
+Heden, Naatje, hoe raar was het my, zo als vrouw en voogd in uw huis te
+dribbelen; wat had ik een wysheid in het terdeeg schikken uwer klederen,
+enz. Willem, myn beste Willem, was gevallig t'huis. Toen ik hem zeide,
+dat zyne Tante wat beter was, kon hy zyne blydschap niet verbergen; maar
+toen ik er byvoegde, dat zyne Moeder nog wel zes weken uitbleef, keek hy
+heel droevig. Die moedergek! ik zou den Jongen een kus hebben kunnen
+geven, zo wèl stondt hem dat droevige; maar Willem is geen Coo Brunier.
+Ik vrees, Naatje, dat uwe vermoedens wáár zyn. 't Smart my, want schoon
+ik niemand liever voor myn Broeder had dan Willem, ik zou hem in geen
+nader betrekking gelukkig kunnen maken. Arme Willem! dit maakt my
+ongemaklyk. Omhels uwe Moeder voor
+
+ _Uwe Vriendin_,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Jacob Brunier.
+[2] Van Richardson: modeboek dier dagen--_sentimenteel_.
+
+
+
+
+ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp ontraadt Zuzanna Hofland
+te procedeeren, en schrijft haar over broeder Kwast te Rotterdam.
+
+
+NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis, zeer verliefd, schrijft aan
+Sara heel teerhartig; zij antwoordt onmiddellijk.
+
+
+
+
+VEERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER WILLEM WILLIS.
+
+
+_Myn lieve Willem!_
+
+Is de man een kind geworden?--Zou ik misnoegt zyn? En om wat reden? Om
+dat een braaf fatsoenlyk jong Heer, met wien ik zo veel ommegang heb,
+wiens Moeder en Zuster myne hoogstgeachte Vriendinnen zyn, my, eindelyk,
+op de betamelykste wys, zegt: dat ik hem niet onverschillig ben? Waarlyk,
+dit zyn gruwelyke ondernemingen; vreest gy niet, dat ik u, met eene
+theatrale houding, zal toevoegen:
+
+ "_Moi, je suis femme, je ne pardonne jamais_."
+
+In ernst, Willem, ik dagt niet, dat gy zo dwaas, of dat ik zo eene
+_Prude_ was; een van beiden moet echter zeker zyn. Ik zal u dan ééns
+voor altóós tonen, dat _gy_ schuld hebt, en ik niet. Verstaat gy dat,
+Vriend? Ik zal aan u schryven, als aan een' Jongeling dien ik hoogacht,
+om dat hy de achting waardig is van veel beter menschen, dan meisjes
+van negentien jaar zyn kunnen; vertrouwende echter, dat gy deeze myne
+heuschheid niet zult misbruiken.
+
+Geloof my dat ik, tot gistren toe, nooit er aan gedagt heb, of gy my
+met andre dan de oogen eens Vriends zaagt. Myne verkeering met u was
+weinig minder dan zusterlyk, en het heeft my duizendmaal gespeten, dat
+gy myn Broêr niet waart, ook ten koste myner halve bezitting. Ik nam
+alle uwe beleeftheden aan voor beleeftheden; en, om te zeggen zo als
+'t maar is, ik verwonderde my geen zier, dat gy, als ik by uwe Moeder
+was, ons gezelschap hield: zie, me dunkt, dat kwam my toe; en welk
+Meisje, zo vrolyk en zo achteloos, zou dit niet denken? Maar nu gy my
+gezegd hebt, het geen gy my zeide, my zonder liflaffen, en met zulk
+een ontroert gelaat, zeide, nu moet ik eenen anderen weg inslaan; om
+dat ik het my zelf nooit zoude kunnen vergeven, een eerlyk man, die my
+beminde, met ydele hoop den kap te vullen; en my te verlagen tot het
+verachtelyk peil der Coquettes. 't Smert my, dat uwe genegenheid juist
+gevallen is op de eenigste stoute meid, die u mooglyk eene
+teleurstelling als deeze zou doen ondervinden. Wat kan ik het helpen?
+Ik ken de liefde niet, en heb geen den minsten trek om zulk eene
+grillige zaak te leeren kennen, om dat ik volkomen gelukkig ben in de
+omstandigheden, waar in ik my bevinde. Hier uit kunt gy opmaken, dat
+gy alle bedenkelyke reden hebt, om zo vriendlyk als nog ooit iemand te
+groeten, dien ik nu en dan zie, en daar ik overal mee kom; ja dat gy
+onreedlyk zyn zoudt, zo gy hem niet zo lief hadt als uw hart eischt.
+
+Wel Willem, wel Willem, moet gy u óók in het Satirique omtrent de
+Vrouwen vergrypen? Wie heeft u toch gezegt, dat wy altoos Beuzelaars
+vóór hupsche Jongens verkiezen? De een of ander vergiftig knorrig ouwe
+Vryer, denk ik, die de zonden zyner jeugd wel gaarn op eene Sex zoude
+schuiven, die altoos door de beste mannen met achting behandelt wordt.
+Wil ik u eens zeggen, hoe het eigenlyk zit? Wy Meisjes worden, meest
+allen, op eene zeer kinderagtige wyze opgevoet. Men schynt omtrent het
+bestaan onzer zielen als rechtzinnige Muzelmannen te denken. Ons
+postuur, onze kleur, onze houding, trekken al de zorgvuldigheid: men
+leert ons de kunst van behagen, en hierom krygen wy dans-, en
+zingmeesters, en hierom moeten wy 't Fransch, 't Ombre leren, enz. Ik
+beken, dat een Meisje ten minsten niet gekker zyn moet dan ik nu ben,
+om, voor dat zy oud en lelyk wordt, te begrypen, dat alle deze
+fraaiheden niets zyn dan bywerk, dat zy zo wel denken kan als haar
+Broêr Piet, haar Neef Jan, haar Oom Gerrit. Het getal dier Meisjes
+is grooter, dan men gelooft dat het is; doch wat zullen wy, arme
+Zieltjes, evenwel doen, als wy zien, dat onze aanstaande Heeren en
+Meesters zo verheven van verstand zyn, dat zy ons _idoliseeren_[1]
+om die Beuzelingen; en mooglyk, (om hun eigen zelfs wil) geredelyk
+ontslaan van alles, dat in 't oog der reden verdienstlyk is. Het is
+ook wáár, dat velen uwer schikkelyke Borstjes al vry onaartige
+Heertjes zyn; en waarom zouden wy, voor wy dat moeten doen, lastige
+Druilöoren tot ons gezelschap kiezen? Onthoudt dit lesje, en doe er
+altoos naar; dan zyt gy myn beste Willem, hoor.
+
+Myne achting voor u is op uw goed en eerlyk karakter gegront; en myne
+vriendschap hebt gy, om duizend goede hoedanigheden, die ik in u, als
+Zoon en Broeder, heb opgemerkt. Hou u daar mede te vreden; want ik
+verzeker u, dat er niets anders voor u te halen is. Vergeet my, en
+poog u de liefde waardig te maken van eene veel betere Vrouw voor u,
+dan ik ooit zyn kan. Zoo gy haar by my, om getuigenis van u te vragen,
+zendt, dan zal ik haar reden geven, om over u voldaan te zyn. Gy zult
+my zeer verpligten, indien gy u de smarte uitwint die gy mooglyk zoudt
+gevoelen, als gy afscheid van my naamt. Ik ben
+
+ Uwe ware Vriendin,
+
+ S.B.
+
+Noot:
+
+[1] Verafgoden.
+
+
+
+
+EEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed is erg ziek!
+Zij waakt en verzorgt haar, is zeer onder den indruk, hoogst ernstig
+gestemd.
+
+
+TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft Sara: hij berust,
+maar hoopt! Saartje's vroegere dienstbode uit het ouderlijk huis,
+Pieternella Degelijk, heeft hij gesproken en die had de schrikkelijkste
+dingen van haar gehoord! Hij heeft haar gerustgesteld. Nu gaat hij naar
+Duitschland; haar portret neemt hij mee. Vaarwel!
+
+
+DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis stuurt goeie berichten en dank
+voor Sara's zorgen. Willem zal een legaat krijgen van tante!--Zij is
+op bezoek geweest bij tante's buurman en dat beschrijft ze: alles is
+daar oudhollandsch degelijk en gul. Ze heeft daar kennis gemaakt met
+Wijsneus, een pedant, en er ontmoet proponent Smit, een vroegeren
+kennis: die bevalt haar!
+
+
+VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed wordt beter.
+Deze vertelt haar droevig leven--een roman op zichzelf. Sara is hoogst
+ernstig gestemd en leert inzien, dat met liefde en huwelijk niet valt
+te spotten!
+
+
+
+
+VIJF EN VEERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Vriendin!_
+
+Voor 't eerst ben ik na het toeval myner geëerde Juffrouw Buigzaam
+uitgeweest: Niet op eene Klossen-party, niet met een Wysneus en een
+aanstaanden Dominé, maar met myn kostelyken Vriend, (zei Jan van Gyzen
+tegen zyn Bok,) den Heer Jacob Brunier, verzelt van deszelfs Zuster
+Aletta Brunier; en dat wel in de Fransche Comedie. Daar hebt gy immers
+niets tegen? Ik kon u wel wys maken, dat ik er ging om myn Fransch te
+onderhouên, doch dan jokte ik u wat voor. Neen, ik ging er met geen
+ander oogmerk, dan om eens een Fransche Comedie te zien spelen. Wel
+Naatje, ik raad u sterk aan om, voor gy van staat verandert, er ook
+eens te gaan. En zo dit, gelyk myne Tante zegt, de Tente des Satans
+is, dan moet ik u maar zeggen, dat hy als _un homme de Goût_, en
+_comme il faut_ gelogeert is! Ik zag _les Femmes Sçavantes_ spelen,
+een stuk van den groten Molière: myn genoegen was groot: alles dagt my
+was natuur. Het karakter van Crisale smaakt my; maar dat _Excusez moi,
+Monsieur, je n'entend pas du Grec_; hoe bekent ik daarmede ben, had al
+het aantreklyke der nieuwigheid, toen het wierdt uitgesproken door
+eene schone jonge Actrice, wier talenten men toejuichte. Ik was niet
+weinig misnoegt over het gedrag van ettelyke Heren en Dames in drie of
+vier Loges. Het spel zelf trok hun aandagt niet; dat is hunne zaak;
+maar, andere fatsoenlyke Lieden te beletten om te voldoen aan het
+oogmerk, waarom die naar zo eene plaats gaan, vind ik ten uitersten
+onbeleeft. Zo ziet gy, kind, dat alles onvolmaakt is, of, zo als de
+Heer Blankaart zegt: _alle regtertjes hebben er slinkertjes_. Zulke
+onfatsoenlykheden, denk ik, kunnen niet belet worden. Wie doet den
+Paus in den Ban? Cootje zegt my,--(ik noem myn auteur, om des te meer
+klem aan zyne woorden en aanhalingen te geven,) dat lachen, praten,
+badineeren, onder het spelen van de zielroerendste Treurspelen, thans
+_du Ton_ is; en dat menig Champignon en Champignone de Fortune[1] daar
+mede ontegenzeggelyk bewyzen, dat zy lieden van Rang zyn, en ten
+minsten reeds deeze zes laatste jaren geweest zyn. Zeg je zo! was myn
+antwoord; evenwel, al wierd ik altoos maar voor een Koopmans dochter
+gehouden, ik meen deeze Certificatie van myn fatsoen niet mede te
+nemen, om dat ik myne lieve Ouders niet in verdenking wil brengen, of
+zy my ook wel hebben opgevoed.
+
+Niettegenstaande deze en nog een half douzyn ongevalligheden, moet ik
+u maar zeggen, kind, dat ik verzot ben op den Schouwburg; dat ik niet
+kan begrypen, wat of men toch kan inbrengen tegen eene uitspanning,
+die, wel ingericht, zo veel goeds kan uitwerken. Nu, dat mogen de
+Geleerden afhaspelen, ik ga er heen, en dat wel zonder dat myn hart my
+iets verwyt. Juffrouw Rien du Tout was zeer uit haar humeur, om dat wy
+haar niet hadden meê genomen. 't Is myn schuld; ik vreesde, dat die
+Beuzelagtige Woelgeest ons maar zou gehindert hebben: als wy weer gaan
+zal ik haar zien in een Loge te plakken; daar zal zy zich beter
+diverteeren dan by ons, die eenvoudig komen om te horen, te zien, te
+wenen, of te lachen. Apropos, weet gy wel, dat het thans voor zeer
+ongemaniert gehouden wordt, te schreijen by eene _Alsire_, en te
+lachen by den _Français à Londres_? Zie, dit alles à Gouverno, het kon
+u te pas komen. Ik moet u nog al meer fraais verhalen.
+
+Onlangs was ik met myn trouwen schildknaap op een Publiek Concert: Coo
+hadt gehoort, dat er eene der eerste Zangeressen voor 't eerst zingen,
+en dat Cavalini[2] het Clavier zoude tracteeren. Maar moest men geen
+geduld hebben zo taai als een leren lap, (wil ik spreken,) om niet
+toornigjes te worden, op de manier van doen van eenigen der Grote
+Lieden? Dáâr snapten drie vier Dames zo luit, dat ik duidelyk hoorde,
+hoe het discours ging over het Puce-Lint van een Coëffure. Ginds
+stonden een paar Heertjes als een paar malle Jongens,--(zoude ik
+zeggen, zo ik niet verstaan had, dat zy aanstaande Vaderen des
+Vaderlands waren,) arm in arm, de heerlykste Muziek na te lollen, ons
+en passant, eenige Cabriolen op de koop toe verëerende: en dat, terwyl
+myn gehele ziel wegsmolt door het heerlykste Vocaal en Instrumentaal
+Muziek, dat ik immer hoorde. Hoe is 't mooglyk zo ongevoelig te zyn!
+ik spreek niet eens van het onvoegsame: men doet veel om du Ton te
+zyn! En die zelfde Babbelaarstertjes affecteerden zich, toen de een
+en ander vroeg, of zy zich den avond beklaagden, dat zy geënchanteert
+waren. Ende nu nog een kort woord tot u, myne Aandagtige! 't Is waar
+de overgang is wat grillig; zoo spreek ik van Comedien en Concerten,
+en zo koom ik tot myne deftige Vriendinne. Nu, gy weet hoe ik ben;
+los, bedroeft los.
+
+"Wel, zou Tante zeggen, wel kyk eens aan Nicht, daar moest de Tante
+van je Vriendin juist te Rotterdam wonen, daar moest zy ziek worden;
+daar moest Juffrouw Willis met haar Dochter by haar komen; daar moest
+een Buurman wezen, die een klein soupeetje gaf, en daar moest juist de
+Proponent Smit in de Stad zyn, om er dien avond by te wezen; Wat is
+dat groot!" dus verre Tante.
+
+En wat zegt Nicht? Wel Nicht is zeer in haar schik met die tyding, en
+Nicht hoopt nog binnen 't jaar hare Vriendin in het eerwaardig
+karakter van Dominees Vrouw gelukkig te zien. Heden, Naatje, dat moest
+je doen: me dunkt, dat gy met niemand een juk kunt aantrekken dat u zo
+wel voegen zal, dan met eenen Eerwaardigen. ô My! wat zal ik dan
+dikwyls by u komen, al woonde gy aan 't einde van de Waereld of zelf
+op Marken Buiten! want ik ben overtuigt, dat de man, dien gy verkiest,
+waardig is dat men om hem de hele Toverlantaarn der Waereld goejen dag
+zegt.
+
+Ziet gy niet, dat ik thans eene hele schryvige natuur over my heb? Ja
+kind, Saartje gaat nu weinig op den tril, en onze dierbare Patiente is
+nog te zwak, om haar met myn gerammel te vermoeijen. Doch lang vasten
+is geen brood sparen. Ik moet noodzakelyk eens met Letje uit. Juffrouw
+Rien du Tout heeft onlangs zulk keurlyk gaas gekogt, en dat zeer
+goedkoop; ik moet, eer het stuk op raakt, er ook van hebben. Zoo
+Cootje maar meê kan; want hy heeft, wurm daar hy is, ook zyne
+druktens; en het schynt, dat hy voor een Heertje van de mode zyne
+zaken voorbeeldig waarneemt. Wat zoudt gy een goed werk verrichten,
+Naatje, als gy hem wist te beduiden, dat hy waarlyk zeer wel zou doen,
+indien hy zo attent was in het verbeteren en in orde brengen zyner
+denkbeelden, die nu in zyn harsenvat als een hoop stoute Jongens in
+den donker herom tuimelen: Zeg wat gy wilt; maar de Borst is heel
+gezeggelyk, en de geest des tegensprekens heb ik met wortel en tak
+uitgeroeit. Nu uw beurt, hoor je kind.
+
+ _Ik ben uwe Vriendin_,
+
+ S. BURGERHART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Oweeërs.
+[2] Componist dier dagen.
+
+
+
+
+ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna waarschuwt opnieuw tegen Jacob Brunier
+en ze ijvert voor Willem. Het verhaal van de wed. Spilgoed heeft ook
+haar getroffen, en ook haar Moeder.
+
+
+ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna zet haar pleidooi voor Willem voort.
+Moeder heeft Willem de zaak uit 't hoofd willen praten, maar _zy_,
+Anna, vindt Willem wel geschikt voor Sara. Moeder zegt: _Sara is te
+wereldsch voor Willem_.
+
+
+
+
+ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SOPHIA WILLIS.
+
+
+_Mejuffrouw, Hoogst-Geeerde Vriendin!_
+
+Het zou my smarten, indien ik deezen moest schryven, om u myne
+eerbiedige gevoelens en oprechte liefde bekent te maken: ik hoop, dat
+gy, in alle myne woorden en daden, die gevoelens zult ontdekt hebben;
+en dewyl ik my altoos door de oprechtheid laat bestieren, kan er by u,
+op dit stuk, geen twyffeling overblyven.
+
+Dat ik des de vryheid neem om u te schryven, vloeit uit een geheel
+anderen oorsprong. Het is om u uit grond myner ziel te bedanken voor
+het belang, dat gy in my neemt; en om dat gy my de gelegenheid geeft
+om te weten, in welk een licht gy my beschouwt. ô Dierbare Juffrouw
+Willis, myn hart zegt my, dat gy myne zwakke zyde kent. Daar in ontdek
+ik óók de redenen, die u aanzetten om myn handelwys met uwen Zoon goed
+te keuren. Ik beken, dat ik zeer gezet ben op het bywonen van
+uitspanningen en dat ik er my meermaal in toegeef, om dat ik volstrekt
+geen ander oogmerk heb dan my te diverteeren; maar ik vlei my toch nog
+al, dat ik, voor myne jeugd verdwenen is, wyzer zal worden; nu ben ik
+zo ver niet, en ik zou my tot veinzery moeten verlagen, indien ik
+zeide: dat ik reeds werkelyk bezig was om die neiging in te krimpen.
+
+Het smart my, my te moeten voorstellen, dat uw waarde Zoon, myn lieve
+goeje Willem, niet zo gelukkig is als hy verdient te zyn! en niets
+troost my zo zeer, dan de bewustheid dat ik verheven ben boven de
+vuige listen eener gerafineerde Coquetterie, dan gehandelt te hebben,
+na hy my zyne liefde ontdekte, gelyk als de pligt eischt van yder
+meisje, dat een braaf ordentelyk Jongeling niet beminnende, hem dat
+met heuschheid zegt, om geene hoop aantemoedigen, die geheel ongegront
+is.
+
+Ik hoop, in alle gevallen van myn leven het onuitsprekelyk genoegen te
+hebben, dat er gelegen is in door u met liefde beschouwt te worden:
+niemand is met meer eerbied
+
+ _Uwe Dienares, dan_
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier verklaart Sara zijn liefde
+en vráágt haar. Zij zouden samen een model-paar zijn en konden
+beginnen met een reisje naar Brabant.
+
+
+VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis verantwoordt zich bij Sara, waarvoor
+zij op alle mogelijke wijze Willems plannen te keer gaat. En ze
+waarschuwt Sara: leef niet te zeer voor vermaak alleen en ga niet uit
+met een jonkman, dien ge niet liefhebt! Pas toch op, Saar!--Anna doet
+een uitstapje ook met Smit.
+
+
+
+[Illustratie: 't kwam mij voor dat zij in zich zelf zeide; "Ei kom, om
+thee te schenken is hij echter nog al vrij gebruikbaar".
+Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave
+van 1782.]
+
+
+
+
+EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING.
+
+
+_Waarde Broeder!_
+
+Hemel! kunt gy met my nog railleeren? Maar geduld! Ik weet dat de
+vrolykheid van uw aart een vrucht is van uw goed hart, en dat gy
+opregtelyk deelt in alles wat my betreft. Ik zal dan, wat gy my ook
+moogt antwoorden, voortgaan om u over myne omstandigheden te schryven.
+
+Weinig dagen na dat ik my zelf het genoegen gegeven had, om een
+billyke daad omtrent eene verlegene Vrouw te doen, hoorde ik van den
+Heer Brunier, (die met my de kennis onderhoudt,) dat de brave Weduwe
+ziek, gevaarlyk ziek, was. Dit smartte my, en wel te meer, om dat ik
+daar door berooft was van 't genoegen, om myn bezoek te herhalen.
+Brunier ging er echter verscheiden maal daags, om te vernemen hoe het
+was. Zyne Zuster kwam dan by hem in de zydkamer, en berichte hem 't
+geen hy kwam horen. Doch de beminde van myn hart zag hy niet. Juffrouw
+Brunier zeide, dat hare Vriendin de kamer der Lyderes niet verliet, en
+dat zy beide allerbitterst bedroeft waren. Broêr lief, wat zyn brave
+meisjes toch juwelen! zy zyn de uitdeelsters van onze keurigste
+vermaken, en de zoete troosteressen in de ongevallen des levens.
+Oordeel, of deeze blyken van vrouwelyke meêlydenheid myn hart troffen!
+Binnen weinige dagen ontfingen wy bericht, dat de Doctor haar buiten
+gevaar oordeelde; en deeze gunstige tyding werdt vermeerdert door de
+aannaderende herstelling der waardige Vrouw.
+
+De eerste reis, dat Brunier vryheid kreeg om haar te komen zien, nam
+ik die gelegenheid waar, om hem derwaards te verzellen. Aangedient
+zynde, leidde Juffrouw Letje ons by de Weduwe in: Ik zag, tot myn
+hartlyk leedwezen, dat zy zéér vervallen was, en feliciteerde haar met
+hare gelukkige herstelling, vergeving vragende voor de vryheid die ik
+gebruikte. Zy beantwoordde my met de grootste vriendelykheid; en dewyl
+de knegt het theegoed binnen bragt, verzogt zy ons om thee te drinken.
+Verbeelt u een ruim zindelyk vertrek, proper gemeubileert, dat, met
+twee schuiframen, op een aartig Tuintje uitziet, en door twee zware
+lindenbomen voor de zon beschaduwt wordt: aan 't hoger eind zat de
+Zieke, in een keurlyk net negligé, met een neteldoeks kapertje op.
+Naast haar zat de beminnelyke Burgerhart, met een boek by haar de hand
+der Weduwe in de hare houdende, ô Keesje lief, zy is schoon!--meer dan
+schoon. Het tekenagtige van haar gelaat treft; haar oogen schitteren
+van gezontheid en gerustheid. Zy is niet meer dan middelbaar van
+lengte; voor eene Gratie zou zy kunnen geschildert worden, niet voor
+eene Juno of Minerva, dat beken ik. Brunier maakte zich meester van de
+theeketel, en zy zelf schonk thee. De jongen wagtte, mag ik zeggen, op
+hare oogen, maar 't kwam my voor, dat zy in zich zelf zeide: "Ei kom,
+om thee te schenken is hy echter nog al vry gebruikbaar." Ja, niet
+tegenstaande hare minzame trekken, heeft zy iets zo spottig, zo
+schalkagtig, zo, hoe noem ik het? 't is nog al iets anders--in haar
+gelaat, als zy tot hem spreekt, dat men niet nalaten kan te zeggen,
+arme Cootje. Hy legt echter met haar aan; doch komt altoos met verlies
+te rug.
+
+Juffrouw Brunier is een zeer bevallig meisje; maar men ziet haar niet,
+als zy by hare Vriendin is. Deeze twee jonge Dames beminnen elkander,
+en behandelen elkander ook als welopgevoede Zusters.
+
+Myne Beminde was ongemeen vrolyk; en ik geloof, dat Brunier er te
+erger om vaart. Toen wy in gesprek waren over de Patiente, zei zy, met
+eene betoverende levendigheid: "Ik moet vrolyk zyn over de herstelling
+myner Moederlyke Vriendin; ik weet, hoe veel ik zoude verloren hebben:
+yder heeft zyn eige wys van doen: deeze doet de vreugd wenen, en een
+ander lachen." Haar lach, Keesje, is echter de lach des vernufts, en
+heeft niets van dat luidruchtige, 't welke het verstand afkeurt. Wy
+spraken over verscheiden onderwerpen, en ik had gelegenheid om te
+zien, dat myne Beminde dien zeldzamen schat, gezont Oordeel, bezit. Zy
+heeft, merk ik, veel verkregen kundigheden, doch beroept zich nooit op
+haar Auteur. Kort gezeit, ik geloof dat zy, in allen opzichte, dien
+man gelukkig zal maken, dien zy zich zelf zal uitkiezen; indien zy met
+aandagt eene keuze doet.
+
+Me dunkt, Mevrouw, zeide ik, dat deeze beide jonge Dames u met allen
+eerbied en genegenheid behandelen; dit moet my gunstig over haar hart
+en verstand beide doen oordeelen.... "ô Myn Heer, viel zy my in, het
+zyn de beste kinderen, die ik immer kende. Maar myne Gunsteling
+verdient, dat ik haar met die onderscheiding behandel, die myn hart
+voor haar gevoelt. Juffrouw Brunier is een meisje, dat al de
+geschiktheid heeft, om eene Vrouw van verdienste te worden; en hare
+liefde voor Juffrouw Burgerhart maakt haar geneigt, om, in duizend
+opzichten, beter te worden. Een verwaarloost karakter, myn Heer! vroeg
+ouderloos, en geheel aan haar zelf overgelaten.... Doch Saartje is de
+vreugd van myn leven; en ik bemin haar, of zy myn eigen dochter was.
+Zoudt gy wel geloven, dat dit luchtige bolletje, dat zo vol potzen is,
+en de zonderlingste invallen heeft, somtyds zeer bedaart met my kan
+spreken? dat zy de ernstige schriften met aandagt leest; ja, dat ik
+haar aanmerkingen over den Godsdienst hoor maken, die geheel nieuw, en
+tevens geheel waarheid zyn? God geve, dat zy altoos haren eigen weg
+ga, en door haar goed hart, 't welk niet vry is van wat achteloosheid,
+niet verstikt worde door eene wel overlegde loosheid." Ik was geheel
+aandagt. Zy ging voort: "Dat zelfde Meisje, dat zelf in uw byzyn haar
+levendigheid niet kan bedwingen, heb ik, geduurende myne ziekte, niet
+dan zwygent en schrijent gezien. Zy was niet te bewegen om my, zelfs
+des nagts, aan de zorg myner bedienden toe te betrouwen. Ik heb, in al
+die dagen, niets dan uit hare handen gebruikt. Uuren lang lag zy op
+hare knieën voor Myn Ledikant, God met opgeheven handen biddende, doch
+in zich zelf, om myne herstelling. Nu, mag ik zeggen, bestiert zy de
+gehele huishouding. Oordeel uit dit weinige over haar karakter. Hadt
+zy wat minder zucht om de Waereld te zien; doch dit, beken ik, is vry
+sterk. Zo dat, myn Heer, ik zegen het uur, waar in deeze lieve
+juffrouw by my gekomen is: de vermindering van mynen staat heeft
+moeten dienen, om my dat geluk te bezorgen: moet ik des niet
+vergenoegt zyn in die minderheid."
+
+Mevrouw, zeide ik, ik geloof, dat Juffrouw Burgerhart immers zo veel
+reden heeft om het uur te zegenen, waar in zy u leerde kennen. Ik
+begryp levendig, dat zy aan u verpligtingen heeft, die zich alleen
+door dankbare gevoelens van het geroerde hart laten betalen.... Ik
+luisterde.... Is dat, vroeg ik, Juffrouw Burgerhart, die daar speelt?
+"ô Neen, myn Heer, zeide zy, zo slegt kan zy het Clavier niet
+behandelen. 't Zyn stoute meisjes. Ik merk dat zy den goejen lobbes
+weêr aan het touwtje hebben. Dien armen Jongen doen zy alles doen, wat
+in hare hoofden komt. Burgerhart zal hem, alléén om hem uittelachen,
+gedwongen hebben te spelen; schoon zy zelf bekent, dat zy de Kat, in
+weinige lessen, zoo ver ziet te brengen, dat die hem lessen kan geven.
+'t Zyn jonge lui, myn Heer; en ik denk, dat het myn pligt is haar het
+leven in myn huis zo aangenaam te maken, als ik immer kan. De Heer
+Brunier is een goed slag van een Jongen, die, zo hy wat minder van het
+petit-maitres air hadt, nog al passeeren zou."
+
+Onderwyl hoorden wy, dat zy recht vrolyk waren, en iets schenen te
+verzetten: wat het was, weet ik niet.
+
+Mevrouw, zeide ik, niets kan my aangenamer zyn, dan te horen, dat zulk
+een beminlyk jong mensch uwe achting verdient. Hoe gelukkig zal die
+man zyn, die zy uit liefde trouwt! "Dat is zo, myn Heer, maar zy zal
+nooit trouwen, zonder haren man zo wel hare hoogste achting als liefde
+waardig te keuren, immers dat zegt zy dikwyls."
+
+En heeft zy dien man reeds gevonden, Mevrouw? (Ik vroeg dit met zulk
+eene merkbare ontroering, dat de schrandere Vrouw het moet gemerkt
+hebben.) "Neen, myn Heer, Juffrouw Burgerhart denkt zeker, zo weinig
+aan trouwen, als aan het kloosterleven." Ik voelde, dat myne wangen
+gloeiden. Ik nam de vryheid om haar hand te nemen, en die zagtelyk
+drukkende, zeide ik: mooglyk ben ik onbescheiden geweest, maar het
+belang dat ik heb in dit te weten.... Vergeef het my, Mevrouw.... Ik
+Bemin deeze Dame: Zo als ik haar zag, beminde ik haar; en nu myne rede
+myne keuze billykt, reken ik my niet ongelukkig. Het is dan mooglyk....
+Ik meende verder te gaan; doch de Vrienden kwamen binnen; ik zweeg des.
+De Weduwe boog, zoetelyk glimlachende.
+
+"Mamaatje lief, zeide Juffrouw Burgerhart, wy hebben uwe bevelen
+voldaan, en ... maar, (het drankflesje opnemende,) moet ik dan kyven?
+Foei, myn Heer, gy moet op een ander tyd beter oppassen! weet gy wel,
+dat deeze Dame, om duizend en tienduizend redenen, diende gezont te
+worden, en zo oud ook, dat zy met een krukje in de eene hand, en my
+onder den arm vasthoudende, door haar Tuintje zal moeten wandelen?"
+Daar op nam zy een kopje, deedt het medicament er in, gaf het de
+Patiente, en wist Brunier te bewegen, om ook eens te proeven, die al
+grynzende zei, dat het lekker was. "Zo, zei Saartje, een Veinsaart ook
+nog, en dat onder myne oogen."
+
+De beleeftheid deedt my vertrekken; na dat de weduwe my verzekert
+hadt, dat het haar niet ongevallig zyn zoude, my eens weder te zien.
+Afscheid genomen hebbende, vertrok ik met Brunier, hem bedankende voor
+de gelegenheid, die hy my gegeven hadt, om deeze waarde Dame te leeren
+kennen.
+
+Zie daar, Broêr lief, zo is het thans gestelt. Zal ik hopen? zal ik
+vrezen? Hemel, maar zou zy immer behagen kunnen hebben in my? Schryf
+my spoedig. Alles is hier wel. Vader zal u per naaste post schryven;
+hy weet niets van deezen.
+
+ T.T.
+
+ HENDRIK EDELING.
+
+
+
+
+
+TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER.
+
+
+_Vriend Jacob!_
+
+Gy durfde my dan nog met een half woord vragen: "of gy u niet mogt
+vleijen met eenig antwoord op uwe _Missive_?" Want zo noemt gy dat
+fraaije Billet, dat gy my deedt ter hand komen. Om uw eigen fatsoens
+wille wenschte ik wel, dat gy er geen woord van gekikt hadt; dan kon
+ik ook dit zot stukje op de grote lyst uwer overige Beuslaryen hebben
+aangetekent, en, om dat ik niet geemlyk van aart ben, het u gunstig
+gepardonneert hebben. Doch nu gy zo dwaas zyt, van my zulk eene
+rapsodie, als 't ware, te herinneren; en gy mooglyk wel, (want het
+schynt waarlyk niet al te richtig in uw harsengestel,) u zoudt kunnen
+gaan inbeelden, dat ik uwe Missive niet al te wel zo spoedig dagt te
+kunnen beantwoorden, zo zal ik de moeite nemen, om u, over die
+Missive, eens een paar woordjes te zeggen.
+
+Ik zeg niet gaarn onaangename waarheden, en vooral niet aan zulken,
+die ik, 't zy dan ook om wat reden, in zekeren zin wel lyden mag. Zo
+lang ik u slegts voor een vry geschikt, en goed soort van een jongen
+hield, hadt uwe Zuster weinig werks om my te beduiden, dat ik u als
+haar Broeder behandelde, en occasie gaf om ons eenige uitspanningen te
+bezorgen: Maar, nu ik merk, dat gy eenige oogmerken omtrent my hebt,
+waar van ik u nooit verdagt hield, zo moet ik u openhartig zeggen, dat
+gy my meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te
+kunnen krygen.
+
+Hoe, myn Heer, heb ik u de minste aanleiding gegeven, om zulke
+gedagten in u te doen opryzen? Hoe weinig kent gy my! Hoe dood vreemt
+zyt gy omtrent u zelf! Ik moet of boos op u worden, en dat bevalt my
+niet; of ik moet u hartelyk uitlachen. Nooit zeker las men zo eene
+ongevallige mengeling van zotteklap, en dwaze inbeelding, op zeer
+twyffelachtige verdiensten, dan dat schriftje bevat. Dit van stukje
+tot beetje aan te tonen, is beneden myne aandagt. Ditmaal vergeef ik
+u alles, op deeze voorwaarden: "dat gy my hier over nooit meer
+spreekt;--zelf verbied ik u, my voor deeze gekheden om excuus te
+vragen; en dat gy; is 't mooglyk, door dit geval poogt wyzer te
+worden, en wat beter uwe eigen waarde te berekenen."
+
+Zo gy hier toe geen geneigtheid hebt, dan zult gy u moeten laten
+welgevallen, dat ik u zó, en op dien afstand behandel, als een
+fatsoenlyk Meisje een verwaanden, of wilt gy lastigen, knaap altoos
+moet behandelen. Uwe Zuster is myne lieve vriendin, maar zy zo wel als
+ik begrypt, dat dit geen reden zyn kan, waarom ik zoude moeten
+geplaagt worden door een Borstje, dat geen geest genoeg heeft, om my
+met zyne Missives ook slegts te diverteeren. Spreek des nergens van;
+en ik zal alles vergeten: want zo gy in dit opzicht maar wyzer wordt;
+zyt gy een vry draaglyk Heertje; en ik geef de hoop nog niet op, om my
+eens met meer reden te kunnen noemen
+
+ _Uwe genegene Vriendin_:
+
+ S. B.
+
+
+
+
+DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed schrijft aan Blankaart:
+Saartje is allerliefst! En nu is er een meneer, zekere Hendrik
+Edeling,--die de wed. zelf uit den brand geholpen heeft--een braaf
+man--die naar Saartje vrijt. Hij is knap, 27 à 28 jaar, goed
+gemanierd. Staat Blankaart nadere kennismaking toe? Sara spot
+er wat mee en wil nog niet trouwen, maar de wed. wil zekerheid.
+
+
+VIER EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling wenscht zijn broer succes:
+geduld maar en volhouden. Gemakkelijk zal 't niet gaan, maar toch
+gaan. Hij is haast jaloersch en als hijzelf zijn Jaantje niet had,
+wie weet.
+
+
+VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis vertelt van haar uitstapje met
+Smit. Ze zijn o.a. in Schiedam geweest en hebben _jenever geproefd_.
+Smit werd opgewonden. Schiedam is een gat. Smit heeft intusschen een
+erfenis gekregen en nu zal Anna met haar besten vriend gaan trouwen.
+Hun liefde berust op _achting_ en _vriendschap_. Zij raadt Sara aan
+den advokaat _Fine Mouche_ te nemen, maar dan moet ze er gauw bij
+zijn. Hij is zeer gewild en _ijvert voor de rechten der vrouw_. Smit
+ijvert voor de _nieuwe psalmberijming_.
+
+
+
+
+ZES EN VIJFTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Lieve Willis!_
+
+Allemaal menschen!--dit zeide ik, toen ik uwen vrolyken en my zo regt
+smakelyken Brief gelezen had. De liefde is al een grappig ding, geloof
+ik. 't Schynt dat zy de peinzende vrolyk, en de ydeltuiten statig kan
+maken. Mooglyk, om dat zy het levensvonkje in de dikbloedige gestellen
+helder doet opflikkeren, en de zorgeloze onverschilligheid der volmaakt
+gezonde meisjes iets aan de hand geeft, dat haar van belang genoeg
+schynt, om er over te willen denken. Hoe het zy, 't is zeker dat
+Juffrouw Willis my nu veel meer bevalt, om dat zy my wat nader komt,
+dan wanneer zy met zekere ernsthaftigheid, niet altoos geheel vry van
+styfheid en bedilzucht, my myne les voorzegt. Uw Vriend Smit heb ik
+regt lief, zo wel om het geen gy van zyne conversatie, als om 't geen
+gy my nopens zyne manier van denken omtrent u mededeelt. Ik hoop hem
+spoedig wel geplaatst, wel gehuist, en wel getrouwt te zien. Ik beken
+dat gy, buiten uw nadeel, een ruim hart hebt, als gy ons, eenzamen in
+den lande, zulk een zegen toewenscht. Maak u vrienden, Naatje, door zo
+veel gy kunt dien wensch ten uitvoer te brengen. Wat my aangaat: _Pour
+moi keen warme Bier_, zei de Franschman; _Pour moi geen man_. Een
+flinke bol, om my, zo als ik zeg, te brengen waar ik zyn wil; dat is
+wel, doch meer niet. Uw Advocaat is des aan u; geef hem aan haar, die
+zo een meubeltje nodig heeft, en laat myn devies zyn: _Vryheid, blyheid_.
+Maar om u eens wat zakelykers te schryven, ik heb met Letje uit geweest,
+om dat nieuwmodiesch Gaas. Het stuk was byna weg, doch men wagtte alle
+daag nog fraaijer, als ook heerlyke Taffen, enz. Men heeft my verzogt
+dat te komen zien: en ik heb aanstaanden maandag daar toe bepaalt.
+'t Is een besloten winkel; men ziet er niets dan een modieus huis,
+moderne meubelen, drie zeer wel gemanierde, taamlyk lelyke, reeds wat
+bejaarde Demoiselles, die niets dan Fransch spreken: 't kwam wel, dat
+ik die taal kende.
+
+In 't naar huis gaan, gingen wy Coos logement voorby, en spraken
+Mademoiselle G---- eens toe; die zeer verblyt scheen ons te zien, en
+vriendelyk innodigde. Wy voldeden ook aan haar verzoek. Letje vroeg
+schielyk of haar Broêr niet t'huis was; neen, zei zy, maar hy zal
+weldra t'huis zyn. Kom, zei Letje, dan gaan wy zo lang op zyn kamer:
+ik volgde, zeer benieuwt zynde, hoe of het toch op de kamer van een
+Petitmaître er mogt uitzien. Naatje! nooit hebt gy zo een huishouden
+gezien! myn oog viel eerst op zyn toilet, dat in de volmaakste
+desordre lag. Poeijer en Snuif bedekten alles. Hairkammen,
+Wenkbrauwkammetjes, verscheiden Verfjes, Tandenschuijertjes,
+Tand-poeijer, een glas half vol water, zo smerig als een eend, een
+stuk uitgedoofde Waskaers, eenige Fransche boekjes, die niet van de
+strengste zedekunde schenen te handelen, een morsige Inktkoker, een
+vuile Slaapmuts en een pot Pommade, maakten de misselykste vertoning,
+die ik ooit zag. Al zyn kleêren hingen over stoelen. Eenige paren
+zyden kousen slingerden er tusschen. Schoenen, muilen, laerzen, een
+hartsvanger, lagen door malkander: alle zyne Boeken konden wel in een
+brood-mand, en zagen er vuil en smerig uit. Letje zag dit lieve
+boeltje, met beschaamtheid, eens over, en ik was geheel
+nieuwsgierigheid. "Kyk me zo een floddervink eens; zo een slons van
+een jongen, en die altoos er uit ziet, of hy uit een doosje komt."
+Kom! zei ik, hy zal er voor hebben. Daar op deden wy zo veel
+kattekwaad, en naaiden zo veel mouwen en zakken en koussen toe, en
+verstopten zo veel goed, als de tyd ons toeliet. Toen gingen wy naar
+beneden, en zie daar, daar kwam de Vorst van Tour en Taxis, wip wip
+wip den stoep op; gevolgt door nog een vlasbaard, of drie, die hier
+alle logeeren. Myn Chevalier weet te wel te leven, (zoo hy meent, och
+arm!) om ons vryheid te laten zo terstond te vertrekken; en dewyl
+Mademoiselle G--- hier sterk op aandrong, traden wy in de eetkamer.
+Terstond presenteerde men 't een en ander. De gure dag gaf Coo den
+inval om een Bowl Punch te maken. Fiat Punch! Toen had hy 't op zyn
+lyf! de Arak, de Citroenen, enz., alles kwam uit den hoek. De drank
+was smakelyk, het gezelschap vrolyk, Mademoiselle G--- kluchtig, en
+Saartje haar zelf. Enfin, Naatje, wy diverteerden ons als Vorsten; wy
+raakten aan 't musiceeren, en 't was wel negen uuren, voor onze Vriend
+ons t'huis bragt.
+
+De lieve Buigzaam wagtte reeds met eeten. De Hartog keek, als of zy
+zeide: "Wat die Kleuters! moet ik daar naar wagten?" Lotje zat met een
+Almenak van 't voorleden Jaar, en hield zich of zy las; doch ik weet
+niet, of zy wel eens spelden kan. Wy waren zo dartel, dat de lieve
+Vrouw niet wist, wat zy van ons denken moest; en Letje was ongemeen
+woordenryk. Ik was niet heel gemaklyk, want Juffrouw Hartog my iets,
+'t geen ik haar verzogt, wat onbeleeft aanreikende, en er by voegende:
+"ei, altyd dat gelach, 't zal wat te beduiden hebben, als wy 't
+wisten!" gaf ik haar een antwoord, 't welk aantoonde, dat ik haar,
+schoon veel ouder, niet voor myne Voogdes begeerde.
+
+Ik heb u nog niet gezegt, dat de Heer Edeling hier alweêr geweest is.
+Juffrouw Buigzaam spreekt met de uiterste achting van hem, en met zo
+veel onderscheiding, dat, zo zy tien jaar jonger was, ik zou denken,
+dat hy de man zyn zoude, dien zy haar hart wilde geven: nu denk ik dat
+niet. Mooglyk heeft hy zin aan Letje. Hy is door haar Broêr hier
+althans gebragt. 't Is een zeer fraai man: hy heeft mooije manieren,
+en ik hoor, dat hy veel verstand heeft. Als hy weêrkomt, zal ik hem
+eens _Philosophiesch betrachten_; zeide uw Pedant Gekje zo niet?
+
+Omhels uwe dierbare Moeder; groet uw Vriend Smit; saluëer uw Tante
+voor haar, die gy weet dat is,
+
+ Uwe hoogachtende Vriendin,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+ZEVEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
+
+
+_Mevrouw!_
+
+Voor ik iets, Saartje betreffende, aanroer, moet ik u zeggen, dat ik
+God hartelyk gedankt heb voor uwe herstelling, 't Zoude al te droevig
+zyn, dat zulke weêrgaloze Vrouwen zo klakkeloos uit de waereld gingen,
+terwyl wy met hele risten van Beuzelaars en Beuzelaarsters blyven
+opgescheept. Het doet my aan myn hart goed, dat ons meisje zo haar
+pligt gedaan heeft; zy zal er een present extra uit myn eigen zak voor
+hebben. Zie, men moet de jonge lui, als zy wel doen, ook wel doen; en
+ik ben, God dank, geen vrekkige Jakhals van een Kaerl. Ik zeg altyd:
+"Abraham Blankaart, God heeft u zo gezegent, je hebt kind noch kraai;
+hoewel ik weet niet, of dat zo blyven zal; een mensch heeft graag een
+eigen weêrspraak. Kind noch kraai! wel deel meê, myn Vriend; maak dat
+niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe, dat niemand wel eens
+wou zien, of jy ook een mooije doode zyn zoudt. 't Moet hier toch
+altemaal blyven, en als jy brave lui op de proppen helpt, dan doe je
+als een hupsch Christen mensch betaamt." Nu, dat overgeslagen.
+
+Neen, Mevrouw, ik heb geen byzonder oogmerk omtrent Saartje. Ik zal
+haar volkomen haar eigen keuze laten doen; en, zo de jongen haar
+verdient te hebben, zal hy haar hebben, al had hy geen zesthalf in de
+waereld; maar zo zy dwaas genoeg was, om een knaap te willen hebben,
+dat een vlegel, of een bobbekop is, of die haar dood zou kniezen, of
+tot gekheden brengen: Verduivelt! dan zal myn naam geen Abraham
+Blankaart zyn, zo ik het ooit toesta. Hoe, wat hamer, en wat
+spykerdoos, heeft haar brave Vader my niet met de dood op zyn lippen
+gezeit: "Brammetje Blankaart, ik sterf; zorg gy voor dit dierbaar
+Kind. Wees het geen ik voor haar zyn zoude, mogt ik leven." En heeft
+hare lieve Moeder ook zo niet gesproken? En heb ik het niet heilig
+belooft? En ben ik niet een eerlyk man? Hoor, Mevrouw, het meisje is
+veel ryker dan zy weet. Zy kan, ik herhaal het, krygen die zy hebben
+wil, mits dat zy wél kiest.
+
+Ja, 't is een weêrgaâs meisje! zo als gy daar schryft, is zy: en ik
+ben maar bly, dat zy by zulk eene allerbraafste Dame is, dat is goed
+voor haar. Spreek toch niet van my lastig te zyn; ik wou dat uwe
+brieven zo lang waren als de Engelsche Courant. Zie, ik ben geen man
+van de hedendaagsche Waereld, maar een brief van zulke vrouwen, wel,
+dat is een tractement voor my.
+
+Den ouden Heer Edeling ken ik van voor vele jaren. 't Is een eerlyke
+knorrepot, een braaf man, een man, daar men op af kan, maar de
+lastigste mensch, dien ik ook al ken. Pitten heeft hy, en crediet als
+de Bank: maar ik heb my altoos afgehouden van twee soorten van menschen,
+van allemansvrienden en van Grimbekken. De laatsten veracht ik, en de
+eersten beduiden niet genoeg, om er aan te kunnen denken. Zyn Zoons ken
+ik niet; maar ik heb altyd gehoort, dat het beste jongens waren, doch
+die 't hart niet hadden, om hunnen Vader ooit dan met schroom toe te
+spreken. Dat is toch een ellendige zaak! 't Spreekwoord zeit, de beste
+Stuurlui staan aan land; maar als ik kinderen gehad had, by myn Vrouw,
+ik zou eerst hunne liefde hebben zien te winnen; en dan zou ik my van
+hun vertrouwen en achting gemaklyk hebben meester gemaakt. Wat zegt
+gy, Mevrouw?
+
+Indien de jonge Heer des zyn hof aan myn Kleuter wil maken, en zy het
+goedvindt, my is 't wel; als 't kind maar gelukkig is, ben ik te
+vreden, en ik zal haar, met al wat zy in de waereld heeft, zelf aan
+hem, met myn eigen hand, geven. Doch de Oude moest my evenwel geen
+Kattesprongen maken, of denken, dat zyn Zoon haar veel eer aandeedt.
+Ja, ja, 't is een misselyke knevel, die eigenste Jan Edeling; want dan
+zou my 't bloed ook wat heel spoedig in de ooren kruipen. Saartje is
+van zulk eene brave oude familie, als er maar weinigen in Amsterdam
+zyn; haar overgrootvader was al een styl van de beurs, en een pylaar
+van de kerk: en, schoon zy geen geld heeft, dat by Hendriks te pas
+komt, zy is echter een schone party; en zy is een heel mooi meisje
+ook; en zy heeft, mag ik zeggen, alles geleert; en zy speelt immers
+kapitaal? Wees verzekert, dat ik uw verpligtent bericht voor my
+onschendbaar zal houden. Zo ik u, waardige Dame, ergens in van dienst
+zyn kan, beveel! gy zult my verrukken, door my in staat te stellen van
+u te kunnen tonen, hoezeer ik met de grootste achting ben,
+
+ Uw welmenende Vriend en gehoorzame Dienaar,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+
+ACHT EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis beknort Sara om haar houding
+tegenover Coos-Jacob Brunier. Foei! Is vermaak dan alles? En wèlk
+vermaak! Tante Hofland zal nog gelijk krijgen! Ze mag Anna uitmaken
+voor wat ze wil: _bijnamen geven is geen redeneeren_.--Willem maakt
+'t goed; Smit gaat uit preeken. Hendrik Edeling is een beste jongen;
+Smit kent zijn broer.
+
+
+NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft zijn Moeder: hij
+maakt het goed, doet zijn best, maar _Sara kan hij niet vergeten_.
+Doet Moeder wel goed?
+
+
+ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling richt zich tot Blankaart, over Sara.
+Of er iets tegen is? _Zijn_ vader zal bezwaar maken: _Sara is niet
+Luthersch_--doch dat is misschien nog te ondervangen.
+
+
+
+
+EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING.
+
+
+_Myn Heer!_
+
+Ik ken genoeg van uwe omstandigheden en zedelyk karakter, om niet
+weinig in myn humeur te zyn, met het voornemen, dat gy hebt omtrent
+myne lieve Pupil.
+
+Zie, myn Heer Edeling, ik ben geen knorrepot, die altyd legt te
+gnokken, en te gnutteren[1] op Jongelui; ô ho! het zat over een
+zestig, zeventig jaar, ook al zo breet niet: maar dit is evenwel
+hemelsch vast, dat onze jonge Heren het drok genoeg maken, en dat
+Ouders of Voogden van geluk mogen spreken, als zy een aartige lieve
+meid, die hun aangaat, in goede handen zien. Wel, 't is een bedroeft
+ding, dat de jonge Heren zich de vryheid geven om stukjes uittevoeren,
+die hen de achting van hunne meisjes onwaardig maken. Dat rydt, dat
+rost, dat speelt, lichtmist voor een voor negentien, alsof men een
+paardje schytgeld op stal, en nog een lyf in de kist hadt: en als men
+dan eindelyk het wilde leventje wat moede is, ja! dan klungelt men
+naar de Vryster, die men eene hope leugens en liflafferytjes vertelt.
+Het arme schaap neemt alles voor goede munt aan; en zy krygt een man
+met een verzwakt en verslonst lichaam, zonder zedelyke, 'k laat staan
+Godsdienstige beginsels; zonder kunde in zyne zaken; en haar geld moet
+meermaal springen om smousen en ligtekooijen te vreden te stellen.
+
+Zo dat ik maar zeggen wil, myn Heer Edeling, dat ik regt te spreken
+ben, met uwe liefde voor het kind. Dat gy haar daar van nog geen kik
+gezegt hebt, smaakt my bestig. Hoor, gy zyt een hupsch jongman, en ik
+hoop, dat onze lieve Heer haar maar genoeg wysheid zal verlenen, om
+u haar hart, zo wel als haar mooi zagt regtehandje te geven: mits
+echter, dat myn Heer uw Vader haar die eer aandoet, waar op ydere
+brave jonge Juffrouw, in zo een geval, recht heeft.
+
+Indien men ons, om dat wy misselyke Potentaten zyn, alles moet laaten
+doen dat men wil, wel, dan zyn de redelyke menschen waaragtig te
+beklagen. Hoor, myn Heer Edeling, ik zou geen Kind veröngelyken, en
+myn Paard, zo min als Snap, myn Patryshond, (die al weer met my naar
+Vrankryk gesjouwt is,) hadden nog ooit reden, om my voor een bullebak
+van een meester te houden. Daar is nu Jan, die reeds al zes en twintig
+jaar by my diende; maar ik heb nog nooit gemerkt, dat de kerel een
+beter heer verlangde; want ik zeg altyd: "Abraham Blankaart! maak
+toch, myn Vriend, dat je geen mensch of beest zo behandelt, als jy
+niet zoudt willen behandelt worden, dan zal je wel doen, en dat is
+hier de zaak." Doch myn Heer, uw Vader, voor wien ik zeer veel achting
+heb, moet niet denken, dat myne Pupil ooit in zyne Familie zal komen,
+indien hy my, als haren Voogd, dit niet met bescheidenheid en yver
+verzoekt, 't Zou my om u schrikkelyk moeijen; maar ik heb ook op
+sommige punten myne wonderlykheden; en, schoon ik niet aan de Jicht,
+of het Podagra zucht, kan ik om de hagel niet veelen, dat men zich
+airs zoude geven, omtrent zulk een braaf fatsoenlyk meisje. Myne
+gehechtheid aan de Leerstukken der Publique Kerk is, ja al zo sterk
+als de zyne aan het Luthersche geloof zyn kan, en daar hoop ik by te
+leven en te sterven: amen! Maar watte malle dingen zyn dat! "dat ik
+besluit om myn kind nooit buiten myne Kerk te zullen uittrouwen?" Wel,
+'t is goed, dat onze lieve Heer wyzer is dan wy allemaal; 't zou hier
+anders een bedroefde Winkel worden, dat zou het. Laat elk gelooven dat
+hy wil, dat hy kan, en laten wy allemaal deugdzaam leven; dat zal wat
+beter voor ons uitkomen, dan dit en dats hargueeren, en kieskaauwen,
+over dingen, daar de wyste lui zo weinig van begrypen als ik, of een
+ander eenvoudig Christenmensch. Hoor, myn Heer Edeling, ik kan zo
+Satans nydig worden, als ik daar in plaats van eene stichtelyke
+opwekkende Predikatie te horen;--want ik ben een stipte Kerkganger,
+moet gy weten; ik ga, als ik t'huis ben, alle Zondag in de ouwe
+Kerk,--niets voor myn neus kryg, dan wat scholastiek[2] Vulnis, dat,
+mag ik zeggen, diept noch droogt. 't Is goed, dat zulks maar zelden
+gebeurt, of Abraham Blankaart zou zo stipt niet ter Kerke gaan. Nu,
+myn Heer, gy moet weten, hoe gy met uw Vader dat Boeltje reddert. Doch
+hy moet niet vergen, dat myn Saartje van haar Gereformeerde Kerk
+afwykt. Hoor, ik moet daar niet over gemoeit worden. 't Is onredelyk;
+en is de man driftig, ik ben ook juist de grootste jaabroêr niet. Hy
+moest ook niet leggen te choqueeren op myn Kerk, of hy zou zyn man aan
+my vinden. Ik versta my wel niet op alle de fynheden der redeneerkunst;
+maar ik denk, dat ik echter met hem geen gevaar loop om uit het veld
+geslagen te worden: wy kunnen malkander op de Beurs ook wel zo eens een
+aartigheidje zeggen.
+
+In hoop dat ik zal voldaan hebben aan uwe verwagting, hebbe ik de eer
+my te noemen,
+
+ MYN HEER!
+ Uw dienstwillige Dienaar en Vriend,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Vitter en bediller.
+[2] Spitsvondig.
+
+
+
+
+TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Willem: Sara is geen vrouw
+voor hem. Een huwelijk kan even ongelukkig zijn door te veel
+overeenkomst tusschen man en vrouw als door te weinig. Smit gaat
+trouwen met Anna. Willem moet zich maar goedhouden en volharden in
+braafheid.
+
+
+DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna. Ze is boos. Anna beknort haar
+over haar oprechtheid. Anna mag wel _genever proeven_ en zij geen gaas
+koopen? Mooie grap! Anna is zoo op zich zelf verliefd, dat ze geen oog
+heeft voor andersdenkenden. _En ze duldt geen aanmerkingen op Spilgoed_.
+Anna draait! Jacob Brunier mag zijn wie hij wil, maar _slecht_ is hij
+niet. Bemoei je met je zelf. Groet Moeder, 't beste voor Willem. Vaarwel.
+
+
+
+
+VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Juffrouw Saartje!_
+
+Nou komt myn dat beetje schryven wel te pas, dat je men nog hebt
+ingestampt. Ik moet aan u schryven. Ik heb rust noch duur; van nagt
+droomde ik, dat ik u op men schoot had, met je neteldoekse jurk, die
+ik zelf in het Blaauwe Hoofd nog kogt, an; en dat ik met je zong dat
+mooi Liedje: "Een kindje in 't water een kindje in 't water." Ja, dat
+was een huur[1]! Dat was eerst een Heer en Juffrouw! Ja, Juffrouw, ik
+zou nooit myn Belydenis geleert hebben, had ik niet in joului huis
+gedient. Ik woon nou ook wel by brave mensen, maar het is altoos drok;
+wy zyn met ons zeven Booijen, en ik heb dikwyls geen tyd om 't _Vader
+Ons_ te bidden; en ik mag dat evel zo niet rabbelen; want Kaatje, onze
+Kindermeid, zeit, dat het van onzen lieven Heer zelf gemaakt is.
+Laatst nam ik het mee in de Kerk, en las het driemaal heel aandagtig,
+om dat ik den Dominé niet zien, noch horen kon, zo vol was de Kerk, en
+dat is tog mooi; en nu sla ik een reisje over, om aan u te kunnen
+schryven; want wie weet, of deuze Brief in veertien dagen nog vol is.
+Ik wil maar zeggen, Juffrouw, dat ik gehoort heb, dat de Juffrouw gaat
+trouwen, met een Heer die een Franschen naam het, die ik niet
+onthouwen kan; 't is een Broêr, zeggen zy, van een Juffrouw, die met u
+in 't zelfde huis woont. Hy het een amt op 't Staten of Prinsen hof,
+zie dat is al het zelfde; nou, Juffrouw zal hem wel kennen. Ik sloeg
+een gat in de lucht; 't was of ik het te Keulen hoorde donderen, daar
+onze Koetsier van daan is. Maar die Heer zal wel braaf zyn; anders zou
+Juffrouw hem niet nemen, wil ik spreken; maar de mensen praten zo
+raar; en Bregt heeft my zo veel vertelt; maar nou ze eens zo vreeslyk
+van je gelogen het, geloof ik haar niet meer. Nou, God vergeef het
+haar, maar ouwe Bregt zal haar loontje wel krygen, gelyk ik hoop! En
+nouw was myn verzoek, of Juffrouw my weer wou inhuren; en dat Juffrouw
+met men Heer Willem hadt getrouwt, dat is een Heer! en zo gemeenzaam;
+wel zie, ik heb buiten u niemand zo lief, als men Heer. Toen ik daar
+zo by myn Heer zat thee te drinken, dagt ik nog om je Grootvader,
+Pieter Burgerhart. Die is nog by gelyks men Doop-peet: want ik hiette
+maar Pieternelletje Pauwls, en ik had zo een dinsigheid[2], om ook een
+_van_ te hebben; en toe zei je Grootvader; kom meid, we zullen je
+_Pieternelletje Deegelyk_ noemen: 't heugt my nog klaar; ik lei het
+Pampier in de eetenskast in men keuken, en Grootvader deedt zyn
+schoenen nog aan, en hy lachte dat hy schudde; om dat ik zo bly was
+met men _van_. Ik had het zo kostelyk by je Ouwers: en ik heb het nu
+ook goed; en als ik oud word, dan denk ik, onze lieve Heer zal ouwe
+Pieternel niet verlaten: daar vertrouw ik op. Zo dat ik maar wou
+zeggen, dat ik altoos dagt, dat men Heer Willem je was opgeleit. Hoor,
+het is my hier te drok, en daar zyn meer huizen dan kerken. Ik wou een
+stil dienstje by twee eenige luidjes, daar ik men werkje zo zelf kon
+betreuzelen; en wy kennen mekaer, want Juffrouw het wel duizendmaal op
+men schoot gezeten, en dan kon ik ook nog eens horen van dien goejen
+Heer Blankaart, die ik in velden noch op wegen ontmoet; nou ik kom
+haast nooit uit. Ja, Juffrouw, zo jy en men Heer Blankaart niet in den
+hemel kommen, dan versta ik my dat werk niet. Wat was hy altyd
+grappig, en wat het hy my dikwyls een gulden gegeven; en ik wou
+Juffrouw graag wat in haar huishouwing kopen, al was het maar een
+Glazen-kasje, of een Turfbakje; maar voorlede week kwam je Tante
+Hofland my tegen. Wel nou Pietje, zei zy, weetje nou wel, dat jou
+Juffrouw nou in zo een slegt huis woont, en zoo waerelds gekleet gaat?
+Ja Juffrouw, zei ik, die Weduw is een heel braaf mensch, dat weet ik
+heel wel, en Juffrouw Saartje gaat gekleet, zo als alle ryke jonge
+Juffrouwen; en, zei ik, onze lieve Heer ziet op het hart, niet op de
+kleren, zei ik; nou zei zy, "Kind, je hebt geen Licht[3]". Nou
+Juffrouw, als je trouwt, wat zul je dan kerjeust[4] wezen! en dat's
+evel geen zonde; want je Moeder, die zo vroom was, als er een mensch
+over een paar benen gaan kon, en ouwe Hille, onze Schoonmaakster, wel
+zo veel goeds gedaan het, die oud en katyvig[5] wierdt; sting styf van
+'t stof, toen zy trouwde; ik wou, Juffrouw Saartje, dat je dat eens
+gezien hadt. Laat my tog eens weten, of je haast Bruidstranen zal
+drinken. Alle menschen zeggen, dat je op je trouwen staat. Ik ben al
+tweemaal aan uw huis geweest; doch Juffrouw was uit, en ik kom weinig
+uit, en 't is by ons vreeslyk drok. 't Is nu net drie weken, dat ik
+aan deuzen schryf; neem men stoutigheid ten besten. Was ik maar weêr
+zo in men eigen gedoentetje by Juffrouw, wat zou ik bly zyn! Ja, ik
+wensch nog uit Juffrouws huis gedragen te worden; wist ik dat, ik zou
+zo in myn knopjes zyn, want dat was een grote gerustheid.
+
+Nagt lieve Juffrouw Saartje, van je ouwe Pieternel, zo pleeg je te
+zeggen.
+
+ PIETERNELLETJE DEEGELYK.
+
+
+Noten:
+
+[1] Goeie dienst!
+[2] Zin in.
+[3] Geestelijk inzicht.
+[4] Trotsch.
+[5] Hier: gebrekkig.
+
+
+
+
+VYF EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK.
+
+
+_Myne goeje beste Pieternel!_
+
+Ik heb uw Brief gelezen: wel heden, ik wist niet, dat je zoo veel by
+mekaêr kon stichten. Ik ben met uw Brief magtig in myn schik. Als het
+eens jou uitgaans dag is, zendt my dan een kruijer[1], dan zal ik
+t'huis blyven, als ik uit de Kerk kom, en wy willen weêr eens heel
+veel praten; je weet, Nelle, daar hou ik wel van. Meid, wat hou ik van
+je, om dat je my zo wel opgepast hebt, en zo dankbaar aan myn lieven
+Vader en Moeder zyt. De Heer Blankaart is naar Frankryk; zo dat gy hem
+niet ligtelyk zult tegenkomen. Ja, dat is een man, niet waar? Och, ik
+heb hem zo lief! maar ik ga niet trouwen, daar is geen woord waar aan.
+Wees jy gerust: al wierd jy tagtig jaar, dan zal je toch by my wonen,
+als ik getrouwt, of op my zelf ben. Sterf des, als je tog sterven
+moet, maar gerust voort, 't zal zo zyn. Zeker, Pieternel, als gy oud
+en zwak wordt, zal ik voor u zorgen, en je zult dan zien, dat het heel
+goed is, op onzen lieven Heer te vertrouwen. En zei Tante "dat je geen
+licht hadt?" Heden meid, gy moest eens aan Tante gevraagt hebben, of
+'t waar is, dat zy zal trouwen, en met welk een Heer; maar daar hebje
+niet omgedagt. Ik zal heel graag, als ik trouw, wat in myn Huishouden
+van u hebben! Maar 't hoeft juist zo veel niet te zyn, als je
+voornemen was. In dit papiertje liggen twee ducaten[2], die doe ik u
+present, om dat gy zo een beste meid zyt, en myn Ouwers zoo lief hebt.
+Spreekt er maar niet van tegen my; koop er wat voor: zulje, Pieternel?
+De Juffrouw, daar ik by in huis woon, is net zo een brave vrouw als
+myne Moeder was, dan kun je eens denken. Nu ik ga niet trouwen, hoor.
+Gy weet wel, wie u deezen schryft.
+
+ S. B.
+
+PS. Dat joului Koetsier van Keulen is, kan ik wel denken. Nagt,
+goeje meid.
+
+
+Noten:
+
+[1] Met een boodschap.
+[2] Plm. 6 gulden.
+
+
+
+
+ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Blankaart: ze leest in den bijbel,
+gaat naar de komedie en naar concerten, onderhoudt Fransch en Engelsch.
+Edeling bezoekt haar dikwijls; ze heeft ook Pieternel gesproken.
+
+
+
+
+ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Myn beste Meisje!_
+
+Uw Brief is my zo welkom, dat ik hem ten eersten ga beantwoorden. Dank
+God, myn kind, dat gy by zo eene verstandige en godvrezende vrouw
+gekomen zyt: Het hadt ook heel scheef kunnen uitkomen; als gy nu eens
+by slegt volk belant waart, en gy hadt eens meê moeten doen: Gy weet,
+die met pek omgaat, wordt er door besmet. Ja, dat zou droevig voor u
+geweest zyn, zo deeze vrouw gestorven hadt, dat begrypt gy wel. Dat
+gy uw pligt omtrent haar deedt, doet my zó goed, en geeft my zó veel
+vreugd, dat ik u een wisseltje zend, van honderd ducaten, van my, tot
+een teken hoe content ik daar over ben. Koop er wat moois voor, en
+draag het my tot gedagtenis; en doe altoôs uw pligt, zult gy? Gy moogt
+héél wel met ordentelyke lieden uitgaan, als het maar niet te drok
+loopt: nu, gy zyt in goede handen; daar vertrouw ik op: Want gy zyt
+jong, kind; en ik weet, hoe de jonge lieden toch zyn.
+
+De Heer Hendrik Edeling is my zeer wel bekent: 't is een allerbest
+jong Heer, en een knap kaerel ook. Ik heb somtyds, weet gy, rare
+invallen; en ik mag de jonge meisjes gaarn wat kwellen: wat zegt gy,
+Saar, als die Heer eens zin aan u hadt, zoudt gy daar wel veel tegen
+hebben? Nu, zin of niet, als gy myn eigen Dochter waart, en die Heer
+dan zin in u hadt, en my dat zeide, ik zou u aan hem geven, ten
+minsten zo gy er niet tegen waart. Zie, kind, ik hoop u nog gelukkig
+getrouwt te zien. Doch meisje, meisje, pas op! Gy zult een hele rist
+vryers krygen; zy zullen om u dwarlen, als muggen om de kaars. Gy zyt
+nu in de vrytyd; is 't zo niet? Ik eisch niet van u, dat gy my kennis
+zult geven van alle beuzelpraat, die zy u komen aan 't oor piepen;
+maar ik verwagt van u, indien gy aangezogt wordt door iemand, die gy
+genoeg in aanmerking neemt, om hem nader te willen leren kennen, dat
+gy my dit zult melden.
+
+Begryp, myn kind, dat van uwe keuze uw gelukkig of ongelukkig leven
+zal afhangen; en dat ik, immers zo lang als gy myne Pupil zyt, u zal
+beletten uwe keuze te volgen, "indien brave en verstandige lieden, die
+u liefhebben, my zeggen, dat gy eene dwaze keuze doet." Ik zie niet op
+geld: zo gy maar een fatzoenlyk man, die u verdient, neemt. Maar ik
+denk niet, dat zo een braaf meisje zich zal vergooijen aan een jongen,
+die al zyn verdiensten aan zyn Snyer en Kapper verpligt is; die, als
+een regt vrouwenaapje, daar zo heen kwispelt, en twee orloges draagt,
+daar ik zo satans nydig over kan worden, dat ik hen wel eens een losse
+maling wou geven.
+
+Ik heb wel gehoort, dat vele Dames, by de Twaalf geloofsartikelen;
+--die gy immers wel pront kent, hoop ik?--dit tot het dertiende maken:
+"Ik geloof dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." Geloof het
+niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip waar aan, geen kriezel.
+
+Hoe zou het my bedroeven, als ik merkte, dat gy deeze kettery toestemde!
+Gy meisjes praat, (de wyste niet te na gesproken,) somwyl, als of gy in
+uw harsens gepikt waart. Wat weet gy toch van lichtmissen? Een losse
+malle jongen, die zyn goed verbruit, en om peper moet[1], om dat hy zyn
+koorntje groen at, is geen lichtmis; hy is een gek, die men te Delft
+moest gaan opsluiten.
+
+Een Lichtmis is een gerafineerde Deugeniet, die zyn roem en vermaak
+stelt in eerlyke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven; die Gods
+geboden veracht; de wetten der vriendschap schendt; met zyne eeden
+speelt; met één woord, een allerverfoeilykst man, die te gevaarlyker
+is, naar mate hy een minlyk figuur, en een aartig vernuft heeft; die
+de welvoeglykheid zo lang in acht neemt, tot hy de onnoosle in slaap
+heeft gewiegt, en die in staat is om schatten aan zyne huurlingen
+uittedeelen. Gelooft gy, myn kind, dat zo een schepsel ooit de beste
+Echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overyling en in gestorm der
+driften begaan, maken geen Deugeniet uit, indien hy die fouten, zo
+rasch hy die ziet, verfoeit en schuwt; maar een Lichtmis is zo
+bedorven van smaak; zyne neigingen zyn tot heblykheden dermate
+opgegroeit, dat hy nimmer een beter vrouw verdient, dan de
+allerslegste uit die bende, die hy bedorven heeft.
+
+Een braaf, verstandig, kundig, goedaartig man, is de beste Echtgenoot.
+Een man van dit karakter verdient al de liefde, al de achting van eene
+vrouw, die hy zo gelukkig poogt te maken als zy ooit op deeze waereld
+zyn kan.
+
+Ik zal hier niet meer over schryven; zo als ik zeg, gy hebt de beste
+Raadsvrouw by u. Gy kunt Juffrouw Willis ook altoos om raad en
+onderrigtingen vragen. Maar ik hou zo veel van u, dat ik u dit toch zo
+eens schryven moest. Groet, uit mynen naam, de brave vrouw, aan wie gy
+zo gehecht zyt; verzeker haar van myne byzonderste achting. Groet ook
+myn Vriend Edeling. En als gy Pieternel spreekt, insgelyks: Wel, ouwe
+Pieternel, denkt die nog aan my? Nu, als ik sterf, krygt zy een
+Legaatje. Zeg het haar niet; zy zou huilen van blydschap, en van
+droefheid ook. De oude Peterzen zal u, op uw order, het Geld bezorgen.
+Die ouwe stam heeft ook wat aan my verdient, zo eerlyk en zo hupsch is
+de man.
+
+Nagt, myn lieve kind.
+
+ Uw liefhebbende Voogd,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+PS. Laat uw Clavier, en alles wat tot uw lyf behoort, op myn order,
+van uwe Tante halen.
+
+
+Noot:
+
+[1] Naar Indië.
+
+
+
+
+ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog, de blauwkous, schrijft aan
+Wilhelmina van Kwastama, dat zij vermoedt: Edeling _komt om háár_! Dat
+het om Saartje zijn zou, komt niet in haar op. Ze noemt haar wel: Saar
+_heeft Hollandsch gezongen_; Cornelia leest nooit Hollandsch. Foei!
+
+
+NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Charlotte Rien du Tout schrijft aan Dirk
+Welgezint, haar oom: ze wil verhuizen, want het tòcht zoo bij de Wed.
+Sp. Vraagt ook wat zakgeld.
+
+
+ZEVENTIGSTE BRIEF.--Oom Welgezint geeft haar den wind van voren. Ze is
+precies zoo'n uil als haar vader: Fransche wind! Hij haalt haar door
+en noemt haar lui.
+
+
+
+
+EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Juffrouw!_
+
+Ik heb onlangs eene Vriendin verloren; ze hiet, by gelyk, (zeit onze
+Pieternel,) Anna Willis; kent gy haar? Ik vrees neen. Nu, dat zy zo,
+weet gy ook, waar ik haar weêr kan vinden? Ei lieve, wys my den weg,
+want ik verlang de kennis te hernieuwen; 't was toch, waarde Juffrouw,
+een in velen opzichte braaf mensch: wy hebben een klein verschilletje
+gehad, en, zo al pratent en weêr pratent, heb ik haar onder weg
+verloren. Ik wil zeggen, dat ik niet twyffel, of ik zal haar wel weêr
+vinden. Het Orloge onzer vriendschap staat maar wat stil, doch de eene
+of andere heusche vriend zal het wel weêr opwinden, en dan zal het
+weêr zo fix wyzen, en zo krek lopen als immer. Ik schryf u des maar in
+voorraad. Ik zou zelf besluiten kunnen om u deezen te zenden, zo gy my
+alleen beledigt hadt. Maar, dewyl de waarde vrouw, die men niet kan
+kennen zonder haar hoog te achten, door u zo verkeert behandelt is, en
+gy daar voor geen vergoeding aan my doet, zal ik alles opzamelen wat
+ik schryf, even of ik u per post schreef. Zo dra gy my zegt: "Ik heb
+Juffrouw Buigzaam beledigt; 't is my leed; ik heb slegt gedaan:" is al
+myn geschryf, nevens myn vriendschap, weêr tot uwen dienst.
+
+Dewyl ik aan myne eenvoudige oprechtheid wil vast houden, zal ik u
+weêr alles wat er omgaat schryven; en daar uit zult gy kunnen zien,
+dat ik zeer gaarn met uwe meerderheid van verstand myn voordeel doen
+wil, indien gy u in den styl uwer lieve Moeder, en met wat minder
+airs, my die gunst aanbieden wilt.
+
+Volgens afspraak gingen Letje en ik, op den bepaalden dag, de taffen
+zien. De drie Desmoiselles dronken thee, en wy gevolglyk ook. Onder
+het thee-drinken kwamen er twee Heren in, om zyden kousen en een
+hairzak. Alle welgekleedde mannen spreken één taal, als zy de _eer
+hebben_ tegen jonge Dames te spreken: zo als gy weet, Naatje.
+
+Zy zogten koussen uit, en wy taffen stalen. Gy begrypt wél, dat zy
+onzen smaak _admireerden_? Nu dan, zy gingen beide zitten. De oudste
+Juffrouw vroeg naar de _Historie der Beide Indiën door Raynal_; (in
+'t Fransch begrypt gy,) de Heer R. noemde het _un Chef d'Oeuvre_. Zy
+spraken vervolgens over eenige _Pieces volantes _, die daaglyks
+uitkomen: en zyn vriend gaf haar _le Bibliotheque des Arts_ over; naar
+gewoonte, zeide hy. De heer R. sprak, dagt my, zeer wel, ofschoon hy
+véél sprak; en dan is dit al een heel kunstje; niet waar? Hy sprak met
+_extase_ van de dichters Pope, Thomson en Akenside; en met geene
+onbevallige houding zeide hy: _Oui, ma chere Marianne_:
+
+ _Virtue alone is Happines below_.
+
+Ons discours duurde wel een uur, denk ik; want ik had ook nu en dan
+een woordje ingebragt, dat met attentie gehoort, en met lof
+toegejuicht wierdt; zoo als dat van zelf spreekt, Naatje. De
+Desmoiselles zeiden my: "Dat deeze Heren zeer ryke, zeer fatsoenlyke
+lieden waren, en dat de Heer R. geparenteert was aan onze eerste
+familiën. Hy hadt _une superbe Bibliotheque_, en zou ons graag dezelve
+heel en al ten gebruike geven; ook dat hy aan eene der Juffrouwen
+gevraagt hadt, waar ik woonde; en gezegt, dat hy de vryheid zoude
+nemen, om de _Essay on men_[1], in vierderleie talen by een gedrukt,
+te brengen, wyl hy gemerkt hadt, dat ik die wel eens zoude willen
+zien."
+
+t'Huis komende, verhaalde ik ons avontuurtje aan Juffrouw Buigzaam, en
+liet haar de stalen zien, die ik by my had. Juffrouw Hartog zette een
+vieze tronie, en vondt de taffen zeer _commun_. "Zo, zei ik, en de
+Heer R. heeft die zeer fraai gevonden." "Kent gy den Heer R., Juffrouw
+Burgerhart?" "Zo als gy hoort, Juffrouw Hartog." Zy wierdt vriendelyker.
+"Kent gy dien Heer? vroeg de Weduwe. "Ja, Mejuffrouw, by reputatie.
+"Hy is een man van geboorte, _un homme du Ton peutêtre; mais un homme
+d'Esprit_.
+
+Rien du Tout was uit; Hartog ging uit, en wy hadden het huis vry. Nu,
+zeide ik, zullen wy eens een recht lief stil stichtelyk avondje
+hebben; en dribbelde, met een half menuët pasje, de tafel om. Wy
+verzogten de waarde vrouw, om voor ons wat te lezen, en kregen ons
+naaijen. ô Naatje, nooit heb ik zulk lezen gehoort, en zulk een lieve
+stem is er niet! zy voldeedt aan ons verzoek, en las een Boekje: "de
+vrolykheid van een Godsdienstig leven;" dat gy zeker kent? De avond
+vloog om. Hoe gelukkig waren wy! Halfnegen kwam onze Lotje thuis, ging
+zich deshabillieeren, en in de kamer gezeten zynde, vermaakte zy zich
+met Jillis, onze kat. De tafel hadt reeds drie kwartier gedekt
+gestaan, toen de Sçavante binnen tradt; zy haastte zich, was minzaam,
+spraakzaam zelf. Wy zagen wel, dat zy wat verlegen was; zy wist wel,
+dat zy nog wat te goed hadt; maar ik beschuldig nooit iemand die zich
+zelf beschuldigt; en de lieve goedaartige vrouw maakte geene remarques.
+
+Toen wy reeds yder in ons pavillioentje lagen, hadden Letje en ik het
+nog zeer druk over het geen er gelezen was: ik zie duidelyk, dat Letje
+verstand en smaak heeft; maar 't is een verwaarloost verstand, en een
+nog ongeoeffende smaak: zo vergenoegt als Engelen sliepen wy in.
+
+Morgen zal ik deezen vervolgen, zo er iets, my betreffende, voorvalt.
+Gy weet, ik leg alles by elkander, tot dat ik mijne Vriendin Willis
+vinde.
+
+ * * * * *
+
+Dees dag is stil en eenzelvig voor uwe Pupil afgelopen; en ik ben maar
+wat aan 't haspelen geweest, om dat Letje in 't naauw was. 't Geval is
+zeer verre uitziende:--zy heeft, deezen middag, het Bierglas van
+Juffrouw Hartog gebroken. Hare _veel Waereld_[2] bewaarde Letje niet
+voor haar misnoegen; en, dat nog erger is! ons niet voor het aanhoren
+eener (geloof ik althans,) geleerde Oratie over de fraaiheid en
+byzonderheid van dit glas: "'t welk zy van Lord Muffle, toen die hier
+in 't land was, gekregen had; 't was naar de regels der Geometrie
+gemaakt, enz. enz., en zy hadt liever, dat Juffrouw Letje haar
+grootsten Spiegel gebroken hadt, dan dat Glas." "En ik niet, zeide
+Lotje, want dat beduidt een dooije." Dit deedt my lachen. Letje
+verzogt excuus; Juffrouw Buigzaam gaf aan Frits last, om even zo een
+Bierglas te kopen; en Juffrouw Hartog hieldt hare opgelapte
+meerderheid.
+
+ * * * * *
+
+Al Weêr een dagje! wel Naatje, en nog al geen Brief van u. 't Zal by
+my altemaal verwilderen, 't Hek is van den dam; de Schapen lopen in 't
+koorn. Wat nieuws. De Heer R. heeft hier aan huis geweest, en bragt my
+het Boek, waarvan ik u gemelt hebbe. Hy zat een uur by ons. Hy sprak
+meest met de waarde Vrouw. Waarlyk, 't is een schoon welgemaakt man.
+Ik geloof, dat hy veel geest heeft. Het gesprek ging over de _Algemene
+Liefdadigheid_, by gelegenheid dat men eenen drenkeling voorby bragt,
+die gelukkig geret was. Hy merkte aan: "dat, ofschoon onze deugd niets
+kan verdienen, zy echter altoos iets voortreflyks blyft; en dat hy het
+met de oude Romeinen hier in eens was: _het is veel schoner één Burger
+te behouden, dan honderd Vyanden te doden_."
+
+Juffrouw Buigzaam was wel voldaan over zyne redenen. Ik plaag Letje
+gruwlyk met hem, want hy schynt voor haar zéér véél attentie te
+hebben; schoon hy my zyne Bibliotheek heeft aangeboden, nevens eene
+keurlyk geschreven Catalogus, om te zien, wat my zoude aanstaan. Nu,
+dat vind ik wél héél lief, en zal er ook myn gebruik van maken: "Zo
+dra ik meer lichts omtrent dit Luchtverschynzel, 't welk nu aan onzen
+Huisselyken horisont opdaagt, hebbe, zal ik u daar meer van zeggen."
+Zie daar, zo zoude Juffrouw Hartog spreken.
+
+ * * * * *
+
+Nog geen Brief van Rotterdam! Geduld--Maar ik moet evenwel nu zeggen,
+dat gy uwe Voogdyschap slorzig laat leggen. En ik, arme ziel! kryg
+onderwyl vryers als zand. 't Is of heel Amsterdam weet, dat gy my
+mondig verklaart hebt. Hebt gy dan met myne Tante overleit, om my, zo
+maar kort en goed, aan den Satan overtegeven? Niet dat die hier ook al
+geweest is; was dit zo, Rien du Tout zou my dat wel gezegt hebben; zy
+is, zegt zy, "met een Helm geboren, en kan kwaad "zien". Nu, dat
+kunnen er wel meer, en ook al daar het niet is; ook Naatje? Foei, dat
+gy my zo in den pekel laat zitten! Daar heb je dan voor eerst myn
+kostelyke vriend Cobus; ja, die eerst komt die eerst maalt: daar heb
+je dan myn allerliefste Willem, uw Broeder; daar heb je dan de Heer
+R., die my een Boek brengt; ende ten vierden, daar heb je dan de zeer
+ernstige, zeer stemmige, zeer verstandige Heer Edeling. Ik heb wel
+geen haast om te trouwen; doch als ik nu maar wist, welk man ik moest
+kiezen, als my die haast eens overviel: dat is het maar.
+
+ * * * * *
+
+Nog geen _Peccavi_![3] en de dag is om. Lees ten slotte dit volgende.
+Letje kwam by my. De arme Lot, zei ze, is bedroeft; en ik geloof ook,
+ergens om verlegen.
+
+_Ik_. Dat spyt my, waar is zy? Laten wy zien, wat er scheelt. Wat
+scheelt u, Juffrouw Lotje?
+
+_Zy_. Wel dat geloof ik ook; myn Oom Dirk is zo boos op my, om dat ik
+hem iets verzogt heb; en, dat nu nog erger is, ik moet myn Kapper
+betalen, en ik heb geen gulden aan geld. [_Zy schreidde als een
+meisje_.]
+
+_Ik_. Is 't anders niet? kan ik u helpen met twee ducaten, ze zyn wel
+zeer tot je dienst; kom, wees maar vrolyk: uw Oom zal 't zo niet
+gemeent hebben. [_Ik gaf haar de ducaten: maar zo dankbaar als dat
+mensch was_!]
+
+_Zy_. Ik beloof u, uw geld in de volgende week vast te betalen.
+
+_Ik_. Nu ja, dat's wel.
+
+De sloof zat te breijen zonder opkyken, aan een witte garen
+kinderkousje: "dat's een veeg teken," zei Letje, tegen my. Arme meid!
+'t Is waaragtig een groot kind. Ik hoop, dat ik haar toch nog zal
+leren spelden[4], en wat schryven, want het eerste is elendig, immers
+als zy een opschrift leest, en haar Waschbrief is een Lyst van
+Toverkarakters.
+
+ S B.
+
+
+Noten:
+
+[1] Pope 1688—1744.
+[2] Kennis van de "Groote Wereld".
+[3] Schuldbekenning--van Anne n.l.
+[4] Spellen.
+
+
+
+
+TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verhaalt Anna van een bezoek van
+Edeling, die in gesprek is geraakt met Corn. Hartog over: _De
+Genoegzaamheid der Deugd_; de opinies loopen uiteen en Sara
+critiseert; zij is 't eens met Edeling.
+
+
+DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verzoekt tante Hofland haar mee te
+deelen, wanneer ze haar _klavier, guitaar_ en _muziek_ kan laten halen.
+
+
+
+
+VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Ge-eerde Heer en Voogd!_
+
+Al leefde ik honderd jaar, en al deed ik niets in al dien tyd, dan u
+myne erkentenis te bewyzen; dan nog zou ik geen tyds genoeg hebben, om
+u zo veel daar van te tonen, als myn hart en myn pligt van my vorderen.
+Uw edelmoedig geschenk streelt my te meer, om dat my dit verzekert van
+de vriendelyke goedkeuring myns gedrags. Ik hoop er zo een gebruik van
+te maken, dat ik u ook daar van, zo wel als van de duizend guldens,
+behoorlyk rekening zal kunnen doen.
+
+Ik heb Tante een Briefje gezonden, waar van de Copy hier nevens gaat,
+en zy heeft my laten zeggen: "dat zy order van u zelf moet hebben;
+doch dat zy nog zo iets met u te verrekenen heeft." Ik had echter zo
+heel graag myne Muziek, myn Clavier en Guitar.
+
+En nu zal ik eens eene nieuwe pen snyden; ik heb er my reeds in myn
+deshabillié toe gezet, om uwen dierbaren Brief ordentelyk te
+beantwoorden. Kan ook een verstandig tederlievent Vader wel meer
+belang nemen in zyn gehoorzaam Kind, dan gy, myn Heer, in my neemt!
+maar geen Kind zal ook my in dankbaarheid en leerzaamheid, hoop ik,
+overtreffen.
+
+De Heer Edeling is een uitmuntent Jongman! Nooit verlaat hy ons, of wy
+achten hem nog meer, dan de laatste keer dat wy hem zagen. De lieve
+Vrouw spreekt van hem, zo als zy zelden spreekt. Maar, myn lieve Heer
+Blankaart, zou zo een man, en die zo veel goederen bezit, immer aan my
+denken! Neen, zo verwaant ben ik niet. Zo een man moet een Vrouw
+hebben, die hem nader komt: nu, dat is zyn zaak. Ik heb geen den
+minsten trek om van staat te veranderen. Ik heb nog nooit een man
+gezien dan die ik, op zyn allermeest, alleen my ten vriend wenschte.
+Wil ik u eens wat zeggen? Daar is de jonge Heer Willis; die heeft my
+gezegt, dat hy my bemint. ô 't Is zulk een braaf, eerlyk, bevallig
+Jongman! ik heb hem ook zó lief, als of hy myn eigen Broêr waar; doch
+heb hem voor zyne liefde bedankt. ô! ô! Hy zal wel eene brave vrouw
+krygen; want het is een recht lieve goedaartige Jongen: waarom zou ik
+hem ophouden, daar ik toch geen zin in hem heb, en niet wil trouwen?
+
+De Heer R., een zeer fatsoenlyk ryk Heer, van ruim dertig jaar, denk
+ik, heeft kennis met my gemaakt, en zyne heerlyke Bibliotheek my ten
+gebruike aangeboden, 't Is toch goed, dat alle Heeren geen laffe
+Jonkertjes zyn; "maar 't is heel iets zeldzaams, zeit de Weduwe, veel
+oordeel en belezenheid by veel beschaaftheid en waereldkennis te
+vinden." Zo dat wy mogen van geluk spreken.
+
+Ik verzeker u, myn waarde Heer, dat ik nooit tegen uwen altoos
+redelyken wil trouwen zal; en dat ik, omtrent het XIIIde Geloofsartikel
+van vele Dames, eene Ongelovige ben. Niets dunkt my, (en zo dunkt ook
+de brave Vrouw,) geeft uw Sexe zo veel stof in de hand, om de onze met
+bespotting te beschouwen, dan het beleven deezes XIIIden Artikels. Een
+gek kan ik dulden, een Pedant verdragen, een Petitmaitre lyden; maar,
+op een Lichtmis zie ik met schrik en versmading! Hy is de Natuurlyke
+Vyand myner Sexe: Niet meer van zo een lelyk afbeeldzel des Duivels.
+Wie is boven alle zwakheden? Ik ben 't niet! Maar dat ik my ooit zoude
+straffen, met een Lichtmis voor myn man te nemen; verächt my, zo ik er
+toe in staat ben!
+
+Neen, myn Heer! ik zal uw vroom gemoed nooit bedroeven! Kan ik
+ondankbaar zyn? Om u, wat er ooit gebeure, te kunnen bedriegen, zoude
+ik zelf eerst moeten bedrogen worden; en wie zou toch, in de wyde
+waereld, dáár belang in stellen! Ik sta niemand in 't licht; ik kwel
+niemand; ik wil zo graag allen zo wel doen, als in myn vermogen is.
+Ik begeer niets dan uwe Vaderlyke gunst te behouden, by deze dierbare
+Vrouw myn dagen te slyten, en zo al de eene zotheid voor, en de andere
+malligheid na wat af te wennen. De waarde Dame groet u met de hoogste
+achting, en ik ben
+
+ Uwe liefhebbende Pupil,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+PS. Ik hoor, dat Tante zal trouwen met een Heer die er veel in zyn Japon
+komt; die Heer ken ik; ô my! ô my! 't Is toch grappig ook.
+
+
+
+
+VIJF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt Cornelis wat hij
+zooal gedaan heeft; Sara is een engel! Hij zendt hem Blankaarts
+antwoord. Maar vader Edeling blijft koppig--geen "_Noach's ark van
+gelooven in zijn huis_! Nooit!
+
+
+ZES EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling schrijft aan Blankaart; van
+dat huwelijk kan niets komen. Hendrik is _Luthersch_, zij niet.
+Afgeloopen.
+
+
+
+
+ZEVEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+_Mejuffrouw!_
+
+Wel, hoe hebben wy het toch met elkâer? ryd je de witkwast, of maalt
+je de geest? Denk jy, dat ik zo maar op een dag heen en weêr zo eens
+over kan komen, om u te zeggen, dat gy Juffrouw Saartje haar Linnen en
+Muziek zendt? Was het Briefje niet zo beleeft, als er een in heel
+Amsterdam te vinden is? Wie hagel hoort er van? 't Is immers het kind
+zyn eigen goed. De Guitar heb ik haar zelf uit Londen meêgebragt, toen
+zy, tien jaar was; hy kost my verscheide Guinees; maar hy is ook al
+wat je horen kunt, zeg ik je. Wat doe je toch met haar Clavier; speelt
+Bregt met haar styve dikke stompen er somtyds eens een deuntje op, als
+zy dronken is; en dans jy dan met Broêr smulpaap, als er zo een klein
+verheugingje is? Wat praat gy toch van nog wat te rekenen of te
+verrekenen: zwyg er maar dood stil van, of ik zal u anders spreken.
+Weet je wat je krygen zult? Net twee nieten in een bodemloos mantje;
+en Bregt om een oortje raakwat, voor een vervalletje: Broêr kan zo
+veel knokkel oly krygen als hy t'huis kan brengen: Dan zult gy wel
+_voldaan_ willen tekenen? Wat zegt gy nu van Abraham Blankaart?
+
+Maar wat hoor ik, Zanneke, ga je trouwen met een Heer, die alle daag
+in zyn Japon by u komt? Ik kan wel denken, wie of er op u smoel
+heeft[1]; wie anders dan de Broeder? Nu geluk, er is maar een paar
+bedorven. Evenwel, als ik zo alle ouwe dingen overdenk, dan beklaag ik
+u toch. Wy hebben immers menigmaal eens een pretje gehad, en je hoorde
+my toen zo graag zingen van: "Toen onze Pau in 't Leger kwam."
+Waaragtig, Zanne, de Fynen lopen op uw zak, meid! ze zullen je zo arm
+maken als een Mier. De duivelsche gierigheid heeft u gefopt, en de
+kweeslary zand in de oogen gestrooit. Neem dan dien Drasboek niet; ik
+zal wel een ander opschommelen, als ik in de stad kom. Nu hebt gy
+order van my, om Saartjes goed te zenden. Ik blyve
+
+ _UWEd. Dienaar _,
+
+ ABRAHAM BLANKAART,
+
+
+
+Noot:
+
+[1] Zin in je heeft.
+
+
+
+
+ACHT EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Blankaart: Sara en
+Hendrik houden haar beiden op de hoogte. Ze deelt hem nu uitvoerig een
+gesprek mee over het _Buitenleven_. Sara vindt zich daar te jong voor,
+Hendrik verlangt er naar. Saartje knoopt manchetten voor Blankaart;
+deze moet zich van den domme houden!
+
+
+
+
+NEGEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER JAN EDELING.
+
+
+_Heer en Vriend!_
+
+In antwoord op uwen, Amst. den ... passato, dient: Ik ben nu maar, die
+ik maar ben, een niets beduident oud Vryer, en dat's het al; doch ik
+wil je zweren, dat wy niet meer in Geloof dan in humeur verschillen.
+Zie daar, ik heb het altoos zo druk en volhandig gehad, dat het
+trouwen er is ingetrokken[1], maar selderdemostert, was ik Vader over
+een half douzyn jongens en meisjes, wel dan zou ik myn geluk niet
+kunnen overzien, als ik daar zo al die kabouters hoorde snappen, en
+rabbelen; of Abraham Blankaart ook meê zou doen! En als zy dan zo
+verre heen waren, dat zy op 't geen ik zeide aanmerkingen konden
+maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te brengen;
+wel, dan zou ik God harlyk danken, om dat ik zulke snelle[2] kinderen
+had; zo als billyk is. Begrepen zy in 't vervolg eens iet beter dan
+ik; bestig, zou ik zeggen, en doen het zo.
+
+Daar heb je nu myn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet veel
+meer van de Waereld en van de Schrift als ik, en ik ben dertig jaar
+ouder. Voor ik naar Vrankryk ging, zei ik: Kind, lees je jou Gebed
+'s avonds wel stipt uit Mell? "Myn Heer, zei ze, ik bid uit myn eigen
+hart; ik weet immers beter, wat ik nu nodig heb, dan Mell voor vyftig
+jaar dat raden kon?" Wat denkt gy, dat ik toen zei? je zult, by dit en
+dat, jou Gebed uit Mell lezen, om dat ik het doe? Mis mantje! ik zei,
+dat's waar meisje, je heb groot gelyk; en anders zou zy denken, dat ik
+haar vyand en niet haar welmenentste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gy
+hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op
+myn woord, je hebt mis.
+
+God de Heer geeft ons, zyne kinderen, wel reden van zyne bevelen: "doe
+dat, op dat het u welga," staat er dat niet in den Bybel? En zullen wy
+nu zo misselyk[3] en zo boos zyn, dat wy onze kinderen, in plaats van
+brood, slangen en schorpioenen in den mond proppen? Hadt, by gelykenis,
+Luters Vader eens gaan zeggen: "Luter, ik versta niet, dat je Luters
+wordt, jy zult Paaps blyven, want wy zyn van 't begin van de waereld af
+allemaal Paaps geweest; en zo jy 't in den kop krygt, om van ons oud
+geloof aftegaan, zullen wy eens wat anders by de hand vatten." En was
+Luters Vader evenwel zo wel de Vader van Luter niet, als Jan Edeling
+Vader is van zynen Zoon Hendrik; en waar was dan je hele Geloof gebleven?
+
+Dat je op je Kerk gestelt bent, eer heeft uw hart; dat's braaf! maar
+hier, ik, zei de gek, ben ook op myn Kerk gestelt, en myn hart het ook
+eer, zou ik denken. Wel zie, wy verschillen zo weinig in geloofsgronden,
+wil ik spreken, dat het niet de pyne waart is, om er zo over aantegaan.
+En waarom zouden onze jonge lui niet met malkander te Kerk kunnen gaan?
+Hebben wy niet één Heer, één doop? Maar wat hagel hebben wy Leken met
+hunne disputen en tandtrekken te doen? Zo dat tegen het Huwelyk heb ik
+niet, indien er geen andre dan deeze geloofsverschillen mede gemoeit zyn.
+Dat gy van 't Luters geloof zyt, is goed voor u; dat ik op zyn
+Gereformeerts geloof, is ook goed voor my. Maar elk zyn vryheid: Gy zyt
+immers geen Paus, al ben je Vader? Je kunt immers mis hebben? Of zyt gy
+onfeilbaar? Hoe zit het?
+
+Kom aan, daar heb je nu Paulus, de Apostel Paulus, daar gy zo wel aan
+gelooft als ik. Wel, die dagt mede al, dat hy 't byster wel hadt; en
+dat onze lieve Heer magtig met zynen yver gedient was, dagt hy het
+niet? Hoe! de man zeit het zelf; hoe kun je 't nader hebben? dat hy
+daar zo liep razen en tieren door Damascus; en wat wil het geval?
+Hy hadt het wel net mis! en de brave man heeft er altoos berouw van
+gehad, toen hy beter wist. Ik heb voor dertig jaar myn Belydenis
+gedaan, by onzen vromen _van der Vorm_, en ik hoop in dat geloof te
+sterven; doch als ik eens mogt zien, dat andere Kristenen nader by
+Gods woord blyven, fiat! dan moet ik dit licht volgen, en dat zou ik
+ook gerust doen; want ik ben een eerlyk man.
+
+Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik het Huwlyk om die reden niet kan
+afkeuren. Je moest nu evenwel je niet gaan zitten inbeelden, dat ik
+met het kind zo goedkoop ben: alheel niet! maar uw Zoon is zulk een
+braaf man, daar wil ik maar op komen. Neen, daar heeft zy Goddank te
+veel gelds toe, en is zy van te braven familie, en 't is een mooije
+Brunet ook, en ze speelt maar capitaal. Sara Burgerhart moet een zo
+braaf man hebben als uw Hendrik, en zyne Ouders moeten haar met
+achting en liefde in hunne familie nodigen.
+
+Nu, nu, 't zou geen onaartig klugtje wezen, met een Papa die zei: "zo
+zal 't wezen, Dochter, want ik versta het zo." Neen man! myn Pupil is
+een redelyk schepzel, en zo wil ik, dat zy zal behandelt worden. Daar
+hadt men dan 't gooijen in de glazen met Papa Edeling, en myn arme
+kind was aan de Joden overgelevert. Ik bedank je hartelyk, hoor. Zie
+daar is myn antwoord. Ik blyve
+
+
+ Uw Dienstwillige Dienaar,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Bij ingeschoten.
+[2] Vlugge.
+[3] Onhebbelijk.
+
+
+
+
+TACHTIGSTE BRIEF.--Sara blijft aan Anna schrijven, al zwijgt deze.
+Sara blijft Sara; Jacob Brunier blijft vrijen zonder hoop; hij is
+jaloersch op Edeling. Máár ... Sara _zelf voelt alleen voor zekeren
+R_. Met hem gaat ze veel uit: hij is zoo knap, voornaam, ontwikkeld.
+Wat zoekt die R? Háár? Maar zij wil nog geen man. Ze wil Anna dwingen
+tot antwoorden en toont zich plaagziek grootmoedig.
+
+
+EEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Hij heeft met Sara
+gewandeld! Zij heeft hem niet af-, zelfs niet teruggewezen, maar _ook
+niet beslist hoop gegeven_. Zij zegt niemand lief te hebben, maar wil
+nog niet trouwen! Hij heeft moed.
+
+
+TWEE EN TACHTIGSTE BRIEF.--Zuzanna aan Cornelia Slimpslamp. Zuzanna
+zit in de war, want de vrome Stijntje Doorzicht heeft haar de les
+gelezen, óók broeder Benjamin gelaakt. Wat moet ze nu? En Sara vraagt
+haar goedje. Ach!
+
+
+DRIE EN TACHTIGSTE BRIEF. Sara aan Anna: ze heeft een prettig avondje
+gehad. Er is mooi gezongen. Hendrik _was er ook_; hij speelt mooi bas.
+Cornelia Hartog _was opgewonden_! Alette Brunier was allerliefst; _net
+een vrouw voor_ Willem! En Hendrik?... _net een man voor_ Spilgoed.
+Zij is wat ouder, nu ja!
+
+
+VIER EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier logeert op _Bosch en
+Veldzicht_ en mist Sara. Ze heeft met genoegen Sara hooren spreken
+over Edeling; ze verdienen elkaar! Sara wordt ook eens op 't buiten
+verwacht.
+
+
+VIJF EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta schrijft ook aan Spilgoed, zendt
+haar vruchten. Ook zij wordt eens verwacht, met Sara.
+
+
+ZES EN TACHTIGSTE BRIEF.--Eindelijk antwoordt Anna Willis: _zij bekent
+schuld_; de Wed. Spilgoed verdient achting!--Ze wil weer vriendin zijn
+met Sara! Een Geldersche dame heeft haar beter ingelicht: die dame
+zal ook Sara bezoeken.
+
+
+ZEVEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bedankt Aletta en haar
+gastvrouw voor de vruchten. Sara verlangt naar Aletta, dus ze moet
+maar gauw komen.
+
+
+
+
+ACHT EN TACHTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
+
+
+_Chere Letje!_
+
+Wel kind, wat heb je me daar evenwel een lief en verstandig Briefje
+geschreven! Kan ik het niet nog meer pryzen? want, al den lof, dien
+ik u geef als eene puntige schryfster, kryg ik _immers_ met intrest
+te rug? Van my hebt gy _immers_ alles geleert; zeide gy zo niet,
+Hartje lief?
+
+Belieft myne Letje nu wel eens geheel aandagt, ja maar ook geheel
+onderworpen te zyn? Och, ik heb myn woord gegeven! Zulk een aandrang
+kon myn arm zwak hart niet weêrstaan! Gy weet, wat ik u geconfideert
+heb? Gy kent myne achting voor den Heer Edeling. Gy weet, (of mooglyk
+weet gy 't niet; _want weet ik juist zo de geheime historie van uw
+hart_!) dat achting natuurlyker wyze in vriendschap, en vriendschap
+heel gemaklyk in liefde kan overgaan? Hier uit zult gy kunnen opmaken,
+dat het my onmooglyk was, onze Lotje een verzoekje te weigeren. "Daar
+heb ik u schoon beet," zeit myn Voogd; en dan lacht de goede man, dat
+hy schatert: Nu iets ernstigers!
+
+Gister voormiddag ging myne aangenomen Dochter[1] met de kousjes, die
+ik onze Klaartje had laten wasschen en opstryken, naar Oom Dirk.
+'s Middags niet te huis; dat's een goed teken, zei ik. Ten zeven uuren
+werdt de sloof met een sleedje t'huis gebragt: zy kwam blymoedig de
+zaal op. Naauwelyks hadt zy ons gegroet, of aan 't uithalen van haar
+zakken. Oud en nieuw kwam te voorschyn: Chocolaadjes, Ulefeltjes,
+Banket, twee grote kluwens fyne wol, om voor Oom koussen te breyen,
+een pakje wol, dikke breinaalden, een doosje met wissewasjes. Zy
+presenteerde ons van de snoepery: wy namen elk een Chocolaadje, maar
+de Scavante bedankte met een hele viese tronie: "Ik proef nooit zulk
+goed." Lotje was zo raar, en hadt zulke klugtige zetten, dat Hartog
+zelf lachen moest.
+
+Waarlyk, Lief, ik geloof dat zy meer is uitgebluscht, of overdrommelt,
+dan wel dat zy van de Natuur zo geheel misdeelt is. Ziet gy wel, dat
+ik veel edelmoediger ben, dan de meeste Doctoren, die de ziektens
+hunner Lyders vergroten, om des te meer wonderen in het herstellen aan
+den dag te brengen? Och, zo dra zy myne Patiente geworden is, heb ik
+gezien, dat zy minder ver verzeilt was, dan ik gevreest had. Zy
+verhaalde ons, dat zy uitnement vriendlyk was ontfangen; en dat zy de
+vryheid had, om een taffen Sak te kopen, doch dat zy eene der
+Juffrouwen zou verzoeken, om met haar te gaan. Zy hadt ook haar
+speldegeld, en nog twee ducaten extra gekregen; nu vroeg zy my, of ik
+de taf wilde kopen? dat ik met een, gaarn lieve Lotje, beantwoordde.
+Toen zy met my, (want zy slaapt nu in myn Pavillioen, en ik slaap in
+het uwe, tot gy weer t'huis zyt,) boven was, gaf zy my de twee
+ducaten, die zy geleent hadt; ik nam die ook, doch alleen om haar eens
+weer te helpen, want ik vrees, dat de duiten spoedig zullen wandelen.
+Kon ik haar dat óók beduiden! Nu, alles met den tyd; ik moet niet te
+veel gelyk doen. Myn Compliment aan Mevrouw uwe Tante. Hou uw Neef
+maar; ik weet met al myn Vryers haast geen weg meer; voor al kom
+spoedig by
+
+ _Uwe tederliefhebbende_
+
+ BURGERHART.
+
+
+Noot:
+
+[1] Lotje Rien du Tout, (spottend).
+
+
+
+
+NEGEN EN TACHTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Willis!_
+
+Victorie! Victorie! myne Vriendin is te regt. Ik heb haar weergevonden!
+Frits, loop, draaf, vlieg met dit Paket ten eersten naar den Post:
+--zo zal ik binnen weinig oogenblikken zeggen; Want ik sta zo met myn
+handschoenen al aan, om met Lotje uittelopen. Kortjes dan. Lees de
+nevensgaande een, twee, drie, vier Brieven, en oordeel, of ik misnoegt
+op u ben; dit alleen nog: de waarde Dame weet niets, haar betreffende.
+Ergo, zwygen is 't woord. Met ons zal 't wel schikken: hoe zeit Vader
+Kats?
+
+ _Alschoon goê Vrienden kyven_,
+ _Zy zullen Vrienden blyven_.
+
+Adieu, lieve Willis! Omhels uwe dierbare Moeder voor my, groet myn
+Wimpje, en weet, dat gy geacht en bemint wordt door
+
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+
+NEGENTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
+
+
+_Chere Letje!_
+
+Hoe vaart gy, myne Liefde? Hoe diverteert gy u? Denkt gy wel eens aan
+uwe Vriendin? Terwyl gy my deeze drie, diepen-aandagt eischende vragen,
+op uw gemak oplost, of beantwoordt, zal ik, _pour passer le temps_, u
+dit volgende schryven. "Dit volgende, zegt gy, wat "volgende?"--Bemoei
+u met de oplossing uwer eige vragen (of myner vragen aan u, zo ge wilt,)
+ik blief van u, Mejuffrouw, zo niet _ge-Harlogt_ te worden; en, in alle
+geval, gy zult het, dit volgende, immers aanstonds lezen?
+
+Wel, 't is of Heintje Pik, niet Heintje Edeling, dat is nog zo ver
+niet--Heintje, neen, deftig, zo als de hele man zelf is, myn Heer
+Edeling--of Heintje er meê speelt; want geen half quartier uurs was
+ik, met myne Dochter Lotje, by de Desmoisselles geweest, om een Sak
+voor haar te kopen, of de Heer R. kwam in. _Mon homme_ was opgetogen
+over deeze _heureuse rencontre_! Hy praat, weet gy, aangenaam genoeg;
+en hy vroeg spoedig naar _mon Amie_, die hy noemde, _une charmante
+Dame_. Dat's voor uw rekening, Letje.
+
+Vriendelyke verzoeken, om, zo ik niets verzuimde, nog wat te vertoeven,
+aanhouding van myne Dochter, om nog wat te blyven, wyl zy zich niet
+kon verzadigen in het kyken en gluren naar kistjes en doosjes, en
+kassen, vol heerlyke Beuzelingen: alles werdt bekeken, geadmireert; met
+één woord, verbeeldt u een klein meisje, dat met Moeder voor 't eerst
+eens voor een poppenkraam, of daar men speelgoed verkoopt, gebragt wordt;
+dat zyn oogjes wyd open doet, beide de vuistjes uitsteekt, en roept en
+kraait, en hippelt, en alles wil hebben; dan hebt gy een natuurlyk
+afbeeldzel van Lotje. De Heer R. deedt haar een fraaije snuifdoos
+present: ik excuseerde my, met te zeggen: "dat ik niet snoof, en nimmer
+presenten aannam." Lotje is somwylen nog slim óók; zy hieldt zich, als
+of zy dit laatste niet hoorde; en nu is zy zo wys met die doos, dat het
+zo niet te zeggen is. Alle oogenblikken wordt hy uit het papier genomen,
+bekeken, met een slip van een zakdoek gevreven, en, met de beminlykste
+vergenoeging op haar goedaartig grof gelaat, beschouwt! Het spyt my, dat
+Oom Dirks koussen nog niet verder zyn dan het boortje: nu, 't zal wel wat
+bedaren, en anders moet ik er my meê moeijen.
+
+Wy dronken Thee: de Heer R. en de Desmoiselles spraken van zeker Boek
+van _Bitanbé_, genaamt _Jozef_, als van een der fraaiste werken, die
+onlangs in 't licht gekomen waren. Hy haalde er eenige treffende
+passages van aan. Dit wekte myne nieuwsgierigheid op, om het te zien:
+Ik schreef de titel, om het, zo rasch ik t'huis kwam, te laten halen.
+Hy merkte dit, en haalde een, in marrokein gebonden, Exemplaar, uit
+zyn zak, dat hy my presenteerde: hy hadt het zo van den Binder in
+passant meêgenomen. Ik vond dit wel beleeft, en oordeelde, dat het
+zeer gemaakt in my zyn zoude, iets aftewyzen, waar naar ik verlangde,
+en dat my zo heusch gepresenteert werdt. Ik boog en zei, dat ik het
+met veel vermaak zoude lezen. Hierop stak hy het in zyn zak, zeggende:
+"ik zal de eer hebben om de Dames t'huis te brengen, en dan het Boek
+overgeven." Liefst had ik dit niet; maar, dewyl ik geen reden daar van
+kon geven, moest ik dit zo laten doorgaan.
+
+Hy bragt ons t'huis, niet langs den kortsten weg: wy ontmoetten den
+deftigen Edeling, die ons beleeft groette, en, horende, dat wy naar
+huis gingen, ons derwaards verzelde. Zo kwamen wy dan daar aan, en
+traden in de zydkamer, alwaar onze waarde Vriendin met Juffrouw Hartog
+alleen zat. De laatste las, de eerste naaide, en ik geloof, dat er
+niet veel woorden gewisselt waren. Hartog scheen zeer bekent met den
+Heer R.; er was eene drukte nog eens zo! allemaal over onze eerste
+lui, onze _Patricii_; (verstaat gy dit woord, Letje? anders zal ik het
+wel eens uitleggen;) over de laatste Assemblée; over een gevalletje
+aan de speeltafel met de Gravin X.; over les Belles Lettres; over
+Voltaire, d'Alembert, des Clairauts, en nog wie weet waar al meer van.
+
+De Heer Edeling sprak nu en dan ook een woord, doch de Sçavante hadt
+er geen attentie voor; en de Heer R. was te beschaaft, om haar
+voorbeeld niet te volgen: hy hadt het des met haar heel druk. Onderwyl
+verhaalde ik stilletjes aan onze lieve Mama, dat R. zo een fraai Boek
+voor ons meêgebragt hadt; haar hetzelve noemende. "Ik wou, zei ik, dat
+die babbelparty ophieldt, en dat ik het Boek maar had: 't is zo fraai!
+Kom, zei Lotje, ik zal je wel helpen: ik heb dat Boek ook van Josep;
+'t is heel mooi, en ik lees er veel in, als ik naar bed ga." (Hier
+volgt de dialoge; ik agter de stoel van de waarde vrouw, wat over haar
+heen ziende, Lotje tegen de Commode staande. Edeling zei, dat wy een
+fraai groupje maakten; en kon zyn oogen, schynt het, nergens anders
+werk geven.)
+
+_Ik_. Wat zegt gy, Lotje, hebt gy dat boek? en hebt gy er ons niets
+van gezegt? foei, dat's geniepig.
+
+_Lotje_. Ik dagt, dat het oud vuil was by de Juffrouwen; want ik heb
+het al wat[1] gehad; och Heer, anders was 't wel tot uw dienst.
+
+[_Juffrouw Buigzaam en ik keeken elkander aan, of wy zeggen wilden:
+hoe! heeft Lotje dat Boek van Bitaubé_?"]
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En wie is de Auteur, Juffrouw Lotje?
+
+_Lotje_. Ja, dat weet ik niet; maar het is wel het zelfde Boek van
+Josep, en het is heel mooi; maar ik word nooit gelooft, en daarom zwyg
+ik dikwyls.
+
+_Ik_. Lieve Lotje, ik bid u, haal het Boek, op dat Juffrouw Buigzaam
+het aanstonds zie. En nu geef ik u, myn lieve Letje, eens in ernstig
+en gemoedelyk overwegen, met welk een Boek het goeje schaap afkwam!
+Doch, al hadt gy al de wysheid der Egiptische Tovenaren, die van de
+Endorsche[2] Kol, die van Lodippe[3], [ons door Vader Kats zoo aartig
+beschreven;] ja al hadt gy de kaart leren leggen by den Drommel op
+Marken; al waart gy eene Hartog, in het oplossen van Meet- en
+Stelkundige Voorstellen, gy zoudt het nog niet raden; hoor dan den
+titel: "_Josephs_ Drouv, end Bli eindend Spel, niet min stichtelick,
+als droev en vermakelick, om te lezen: in dry bisondere spelen vervat,
+door _A.C. Crous_. Gedrukt te Groningen, 1721." NB. Op den regel:
+
+ _All schoon de Nijd met Pylen schiet_,
+ _God 't all ten best te schikken wiet_.
+
+Het eerste _Diel_ heeft zesentwintig Personen en vyf Choren: met dit
+à gouverno: [_men kan het Toneel plaatsen waar men wil, vermits men
+doorgaans geen vaste plaats heeft_.] Het Boek zelf is gedrukt met
+eenen zwarten, stichtelyken, regtzinnigen Predikatie-Letter.
+
+Wy zagen elkander aan, doch zwegen om het ander gezelschap. Onderwyl
+viel myn oog op een passage, daar Josep Fransch spreekt, zeggende:
+_Bonjour, Mevrouw Potifars_; en op nog een, daar Potifar tegen zynen
+Hansworst zegt: _halt mi den smaul_. Toen barste ik in lachen uit, en
+de goede Vrouw, die ik dit influisterde, lachte zo hartlyk, als ik nog
+nooit hoorde.
+
+Dit trok den aandagt der overigen; Juffrouw Hartog moest lyden, dat
+beide de Heren, schoon zy nog niet wisten waarom, mede lachten.
+
+_De Heer R_. Een nieuw amusant Werkje, Mevrouw Buigzaam?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Niet heel nieuw, maar echter ongemeen genoeg;
+de _Historie van Josep, door eenen Crous_, dat stout meisje, _op my
+wyzende_, heeft altoos wat potzigs. Dit deedt de lieve Vrouw, om Lotje
+te sparen; maar het ging Lotjes kroon te na, schynt het; want zy zei
+heel deftig: "Pardonneer my! 't Is myn Boek, en Juffrouw Burgerhart
+heeft het nooit gezien." Ik gaf het aan Edeling, die wel dra ook
+passages vondt, welke hem deden lachen; zo ook de Heer R., die het een
+meesterstuk in zyn soort noemde, en een rol heel eigenaartig van _Mus_
+[de Gek van Joseps historie,] oplas. Enfin, Letje, wy bleven zo al
+praten van 't een op 't ander; en Saartje gaf het hare in de algemene
+Conversatie-uitgift, _comme il faut_. Uw Broêr kwam in; bragt een
+Brief voor u, en bleef ook zitten. Eindlyk hoorden de Heren, dat Frits
+de tafel dekte; zy stonden op, en marsch gingen de Leijonkers[4].
+
+Is die Heer R., vroeg ik aan onze Vriendin, niet een beschaaft geestig
+man?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Dat erken ik; maar, myn lieve Saartje hoe komt
+het doch, dat hy my niet gevalt? ik begryp dat niet!
+
+_Ik_. En ik begryp het wel. De Heer Edeling is zo zeer uw gunsteling,
+dat er voor geen ander bytekomen is.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zou dat wel zo zyn? Waarom vind ik dan Brunier
+niet alleen niet minder, maar beter dan voorheen?
+
+_Ik_. Juist, om dat uw gunsteling hem tot een beter mensch maakt;
+'t is zyn werk: ergo! maar zeker, hebt gy iets tegen den Heer R.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ja, Saartje lief, ik heb iets tegen dien man;
+wat, weet ik zelf niet.
+
+_Ik_. Zyt gy nu wel rechtvaardig en menschlievent?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt recht om my dit te vragen; want, waarlyk,
+myne gewaarwording is zo duister! Ik beken, dat het een opvatting zyn
+kan. Hy heeft ook al vry veel met u, aan 't vengster staande,
+gesproken, en ook zeer zagt.
+
+_Ik_. Och, 't gewone praatje: _que vous etes belle! que je vous
+adore_! en zo, wat er meer volgt.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Engel van een Meisje! zie wel toe. Hy is een man
+van hoge geboorte, en heeft schatten: Laat hy u niet wat wys maken
+[_Ik werd root_.] Gy wordt root, myne Liefde!
+
+_Ik_. Dat is ook zo; wat kan ik het helpen, dat er zulke knapen zyn,
+die ons meisjes wat wysmaken? ô, Ik zie dat gy my niet kent! Denkt gy,
+dat ik zulke snappers de eer aandoe, om immer in 't geheugen te
+houden, wat zy my voorgonzen?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. De Heer Edeling is een geheel ander man, en die
+bemint u waarlyk.
+
+_Ik_. Beide stem ik toe; maar hoe veel achting ik ook heb voor dien
+braven man, ik bemin hem niet; ik bemin geen man op de hele Waereld
+dan myn Voogd: Nu, hy zal ook fraaije manchetten hebben.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Wilt gy niet eens ernstig zyn?
+
+_Ik_. Geheel ernst, geheel aandagt, geheel--al wat gy maar wilt.
+(_Ik kuschte hare hand_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy den Heer Edeling afgewezen?
+
+_Ik_. Wel, niet anders dan ik u gezegt heb: maar, als de man nu op
+hoop tegen hoop aan wil boegzeeren, kan ik dat beletten?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy iets tegen den waardigen man? ei lieve,
+zeg het my eens!
+
+_Ik_. Wel, zo veel zelf niet als er op de punt van een pennemes zou
+kunnen liggen; maar beminnen? ô _point! point_. Ik leef hier al te
+gelukkig; ik blyf by u, zo lang ik leef.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zal de Heer Edeling u dan ongelukkig maken?
+
+_Ik_. Niet, ten zy ik het er naar maakte. Hoor, de Heer Edeling is in
+myn oogen zulk een agtingwaardig man, dat ik hem eigentlyk niet zou
+kunnen of durven beminnen: op myn woord (ik schaam het my ook haast
+aan u te zeggen,) ik heb meer eerbied voor hem, dan voor myn
+goedaartigen Voogd.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Hoe is dat mooglyk? Wel, me dunkt, de Heer
+Edeling is een recht beminlyk man; zyn ernstig gelaat heldert gedurig
+op door een zagten glimlach; en wie, denkt gy, vindt zo veel smaak in
+uw vernuft?
+
+_Ik_. Vlei my niet! Ik ben geen vrouw voor zo een man. Zie, als ik nu
+eens getrouwt was, zou ik myn man zo liefhebben, geloof ik, dat ik,
+buiten hem te kwellen, en te liefkozen, niet zou kunnen leven; en op
+beide zou zo een deftig man weinig gestelt zyn. Hy zou my voor een
+dartel wyfje, en ik hem voor een regten Joris steiloor aanzien. ô Dat
+zou een pret zyn om dol te worden! Neen: Laat hy u nemen, dan zult gy
+beide even gelukkig zyn, en laat my, zonder met Cupido in eenig
+verschil te raken, myn _Wegje_ (zeit Tante) zoetzappigjes af kuiëren.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Weet gy wat, Liefde? zo ik de jaren van u had, en
+de Heer Hendrik beminde my, zo als hy u bemint, geloof my, dat ik hem
+nemen zou.
+
+_Ik_. Gy zoudt niet, dan op ééne voorwaarde.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En welke voorwaarde?
+
+_Ik_. Dat gy, by myne jaren en zyne liefde, die wysheid bezat, die gy
+nu hebt; anders zoudt gy 't niet een zier beter maken, dan ik nu.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Vindt gy ook meer behagen in den Heer R., genomen
+dat hy u insgelyks beminde?
+
+_Ik_. Dat kan ik ook nog al zo niet zeggen: maar ik heb geen reden,
+dunkt my, om met een van beide iets optehebben, om dat ik geen oogmerk
+heb om van hunne overtollige beleeftheid immer gebruik te maken. De
+Heer R. handelt my met eene achting, en tevens op zulk eene verpligtende
+wys, dat ik, ten zy gy er iets wettigs tegen hebt, my ook geëngageert
+heb, om morgen een nieuw stuk te zien spelen: hy heeft u insgelyks
+verzogt, maar ik heb gezegt, dat ik niet geloofde, dat gy meê gaan zoudt.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Wel, ik weet het niet, zou ik eens van de Party
+zyn? ik heb opinie, dat dit stuk schoon is: als ik redelyk wel ben,
+zal ik meê gaan.
+
+_Ik_. O, wat zyt gy eene verpligtende Vriendin!
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Myne liefde voor u doet my veel doen.
+
+Zeg vry myne _zorg_, viel ik haar in, haar met eerbied omhelzende, en
+een kusch gevende.
+
+Zie daar, Letje lief, dit moest ik u schryven. Nu heb ik geen
+oogenblik tyd meer. Ik moet my nog opdrillen; Blondel staat reeds naar
+my te wagten, om my te kappen. Duizend groeten van
+
+ Uwe eigene
+
+ SAARTJE.
+
+
+Noten:
+
+[1] Een poos.
+[2] I Sam. XXVIII, 7.
+[3] Aspasia en elders.
+[4] Begeleiders.
+
+
+
+
+EEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER R. AAN DEN HEER G.
+
+
+_Vriend Jan!_
+
+Hoe dikwyls, dou lompen Kaerel, zal ik u dan moeten zeggen, dat my
+alles verveelt, en gy met uwe weêrgaze aapenkuren, kwakzalvers
+loopjes, en zotte uitnodiging, met een paar onzer Lievertjes, nog wel
+het allermeest? Wat kan ik, arme duivel, doen; waarom denken, dan aan
+de bevalligste meid, die ooit met een paar schone oogen de halve
+waereld in oproer stelde?--Gek, ja, stapel zot ben ik na haar; en ik
+moet myn rol van Huichelaar spelen, om haar ooit zo naby te komen, dat
+ik haar kan inluisteren: _ik bemin u_. Vrouwen, Vrouwen! Wat staat er
+niet voor uwe rekening! Nu, wy zullen afrekenen, myn trotsch Meisje!
+dat: "ik snuif niet; ik neem nooit geen presenten aan:" zult gy my
+betalen. Dit is de eerste oorvyg, welke myne eigenliefde, die waarlyk
+tegen de uwe wel opmag, nog ooit van eene schone hand ontfing. En ben
+ik niet een schone vent? Kan ik niet beuzelen met de zottinnetjes?
+redeneeren met de wysneusjes? Erger ik ooit een Vrouw, die achting
+verdient, door het allerminste dubbelzinnig woord? Sloeg ik ooit taal
+uit, die _blozen doet_; (ook maar uit welstaans halve?) Er moet een
+eind aan komen: zó leef ik eigenlyk niet. Maar welk een einde? Vraagt
+gy dat, Ligtmis? Ik een man van geboorte, van middelen; zy een
+Burgermeisje, met een stuiver goed? Gy zyt een driedubbelde Uilskop;
+of gy wilt my aan 't praten krygen. Trouwen? Zyt gy dan razent dol? Ik
+zal, denk ik, tot zulk een disperaat uiterste nooit komen. _Vryheid is
+de prikkel der liefde_: dit weet gy is myne spreuk. Als myne Maitres
+zal zy _Sultane Favorite_ zyn; maar myn Wyf! Wel foei! Zie daar, dat
+was al reden genoeg, by _un homme de mon goût_, om haar ondraaglyk te
+vinden. Trouw gy haar over een maand of vier. Zo lang, dunkt my, zal
+ik haar beminnen kunnen, en gy zult myne genietingen nieuw leven
+byzetten, door my die dan wat moeilyk te maken. Gy weet wèl, "dat een
+Ligtmis geen recht heeft op eene eerlyke Vrouw?"
+
+Nu, gy hebt haar eens gezien; maar ik verdelg u van den aardbodem, zo
+gy haar in 't eerste half jaar weêr ziet. ô Liefde, liefde! maar welk
+een deugeniet ik ook omtrent de Vrouwen ben, ik zal myne drift, die
+alleen op myn eigen vermaak uitloopt, met uw gewyden naam niet
+opkwikken! Zotte vooroordelen! Krassen in de Lei door een bigotten
+Praeceptor daar in gekraaut, anders niet. Hoe zeit myne Hartog: _geluk
+is deugd_. Wel zie, Jan, was zy zó lelyk niet, ik gaf haar nog de een
+of andere keer een kusch voor dit Zedekundig regeltje. Laten wy toch
+ons Ongeloof als helden beleven, en den Duivel niet voor niets dienen.
+
+Nu, myne koets staat gereet; ik ga haar halen: de Dame, daar zy by
+logeert, heb ik ook door haar verzogt. ô Ik weet wél, dat die niet
+uitgaat op zulke partytjes! En de malle meid, die er by was, ook! nu
+dat bruit nog wat heen. Ik weet al, hoe ik met haar moet omgaan. Zy
+zal bukken voor my, dien zy niet vreest. Mooglyk vorder ik in deeze
+laatste vyf uuren reeds merkelyk.
+
+ _Tien uuren, des avonds_.
+
+Ik ben woedent, ik zoek met de hele waereld rusie; ik raas op Philips,
+of ik dronken ben; en zou u zeer graag by my hebben, om u helder
+afterossen. ô Gy verachtelyke slaaf myner vermaken! die, om een fraai
+kleed, en een goeden maaltyd voor my kruipt. Wat is er nu weêr te
+doen? vraagt gy, met het air van een berooiden verkwister: zwyg, en
+luister.
+
+Geheel opgetogen reed ik na haar toe; werd zeer beleeft door de Weduwe
+in de zydkamer begroet; zy zeide my: "dat zy van myne beleeftheid
+gebruik zoude maken, dewyl zy meende, dat het Treurspel voortreffelyk
+zyn zoude; de Lectuur daar van hadt haar zeer voldaan." Hier jy,
+Rembrant, grote afbeelder van ons door driften bezielt gelaat!
+Schilder my op dat tempo. Myn bloed steeg my naar 't hoofd; ik had
+trekkingen op myne harssens. Zulk een schok ... zulk eene teleurstelling
+... Zy merkte het niet; 't was alles als een blixemstraal. Ik herstelde
+my zo voort: en, myne hand even aan myne lippen brengende, boog ik
+eerbiedig, haar bedankende voor de eere my aangedaan. En zie daar! daar
+kwam de eige Zuster der drie Gratiën, geheel vrolyk, geheel leven, geheel
+ziel, keurlyk gekapt, en op eene edele wys eenvoudig gekleet, aanzweven.
+Ik hielp de Dames in de koets; en, toen ik er by was, sprong haar knegt
+by den mynen agteröp. Myne Loge alleen was nog ledig; alle oogen waren
+op ons. De Weduwe is niet jong meer, maar waarlyk nog eene zeer schone
+Vrouw. Myn Wicht? Nu, gy hebt haar gezien? En de malle meid is ook niet
+lelyk.
+
+De drommel, Jan, wat moest ik op myn hoede zyn! De Weduwe ... ik weet
+het niet, maar my dogt, dat zy, ongemerkt kwasie, alle myne bewegingen
+gadesloeg. Ik durfde waaragtig geen eene dier kunstjes gebruiken, die
+wy altoos eerst te werk stellen, om eens hoogte te nemen. Er was niet
+op, als met deeze slegte kaart zo goed te spelen als ik kon; en hou my
+voor een domkop, zo ik de Weduwe, indien die al een galg in 't oog
+mogt hebben, niet bedrogen heb. Ik sprak meest met haar, en zo gelyk
+ik altoos tegen fatsoenlyke Vrouwen spreek. Wy reden met myn koets
+terug, en de Bevalligheid uit de koets helpende, drukte ik hare hand,
+doch ik kreeg geen antwoord. Is dat te verdragen? Ik nam beleeft, en
+in de zydkamer, afscheid, ootmoedig biddende, om de eer te mogen
+hebben, van de Dames myn compliment te komen maken. Kent gy Hein
+Edeling? Maar waar zou zulk een Jakhals, als gy, zo een styven Jorden
+als hy (die echter een eerlyk man is, hoor ik,) toch ooit gezien
+hebben? Hy schynt een vriend der Weduwe te zyn.... Zwyg, zeg ik u;
+ik wil er niet van horen! Laat hy 't hart hebben! Maar geen nood, al
+stondt Belzebub zelf naar haar Huwlyk, die duizend-kunstenaar zou my
+haar niet ontnemen. Ik heb moed, Jan. En wat nu? Ik moet haar alleen
+zien te krygen! Kan ik echter voor nog eene teleurstelling my
+beveiligen? _Fortuin helpt den stouten_. Daar zyn weer tien ducaten,
+Rekel. Kom morgen ogtend hier, zo rasch als gy deezen gelezen hebt,
+en breng hem met u, of ik laat u aan u zelf over.
+
+ R.
+
+
+
+
+
+TWEE EN NEGENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Myne Waardste!_
+
+Ik ben tweemaal vergeefsch aan uw huis geweest. Eens waart gy met den
+Heer R. naar de Comedie, en nu zeide Frits, hadt hy u en de waardige
+Vrouw naar de Fransche Kerk gebragt. Hoe smart my deeze te leurstelling.
+Ik moet, voor ettelyke dagen, om zaken van veel aangelegenheid van huis;
+en hoe vurig verlangde ik, om in persoon afscheid te nemen van u, die
+ik teder en met de grootste achting bemin; van u, die my eene my dus
+lange onbekende neiging hebt ingeboezemt! Ik moet vertrekken, de paarden
+worden reeds gezadelt. ô Mogt ik durven hopen op de gunst van haar, die
+my dierbaarder is dan myn leven! Indien ik niet voorzag, dat wy beide
+gelukkig zouden zyn, ik zou u niet lastig vallen met myne bezoeken.
+Maar, helaas! ik vrees, dat ik de man uwer verkiezing niet ben!--niet
+worden kan: evenwel gy verëert my met uwe achting; gy noemt my uw
+vriend. Hemel!
+
+Wie u ook van zyne liefde moge verzekeren, en welk een brillant lot
+men u moge aanbieden, uw Edeling bemint u meer, dan iemand u kan
+beminnen. Ik ken uwe waarde, uw bevallig beeld zweeft my altoos voor
+den geest. Wat zal myn leven, wat zullen myne goederen zyn, zonder u,
+ô myne zielsbeminde? Ik zal hopen! Uw hart is immers nog vry? Zult gy
+my niet verachten, als ik u zeg, dat ik den Heer R. niet meer dulden
+kan? Maar eene liefde, als de myne, is zo teder als oprecht; en hoe
+kan ik het denkbeeld dragen, dat hy uwe hand vat! Maar gy kent de
+liefde niet.... Ik zal des niet langer _non sense_ schryven. Groet
+de uitmuntende Vrouw, en geloof, dat ik met de grootste achting en
+hartroerentste genegenheid ben
+
+
+ _Uwen_
+
+ HENDRIK EDELING.
+
+
+
+
+DRIE EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier komt door H. Edeling op den
+goeden weg en bericht dat aan zijn zuster Aletta.
+
+
+VIER EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog aan Wilhelmina van
+Kwastama: zij is tot de ontdekking gekomen dat Edeling niet om háár
+maar om Sara komt. _O, ze haat_ Sara! _ze verfoeit_ Edeling.
+
+
+VIJF EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp aan Zuzanna Hofland:
+die Stijntje deugt niet; _dat mensch is zelfs goed voor roomschen_!
+Foei! En wat Saartje betreft: _doe een valschen eed_, dat haar moeder
+je het geld beloofd heeft tot aan Sara's huwelijk. Wil je dat niet,
+loop dan rond!
+
+
+ZES EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling: zij
+wantrouwt R., maar heeft geen bewijzen; hij deed fatsoenlijk.
+--Onverschillig is Edeling Sara niet, _want zij herleest zijn
+brieven_! Vindt zich zelf voor zoo'n waardig man ongeschikt; dat is
+de zaak.
+
+
+ZEVEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Smit is heel ernstig verliefd op Anna
+Willis; hij vlast op een beroep naar een dorp bij Amsterdam, en droomt
+zich veel zaligheid.
+
+
+ACHT EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Anna Willis aan Sara: zij verheft haar.
+Haar _Smit_ prijst Saar ook, eveneens wed. Spilgoed, die als Sara's
+moeder is. _Edeling_ is een beste jongen. Zij wenscht hem Sara toe.
+Anna bemint haar Smit zeer en hoopt Sara's trouwe vriendin te blijven.
+
+
+
+
+NEGEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Naatje!_
+
+Hebt gy waarlyk uw woord gegeven? Dan patientie! Anders, binnen een
+jaar aanvaarde _ik_ de waardigheid van _Zuster Collega_. Uw Smit! wel,
+ik ben maar weinig minder verlieft op hem, dan op mynen Voogd zelf; en
+zo is ook myne Minerva. Wel, Willis, 't is waarlyk al te véél voor u.
+"Hou er u maar nederigjes onder;" zou tante zeggen. Nu in ernst:
+geluk, duizend maal geluk met deezen lieven, deezen achtingwaardigen
+man. Zo gy nu ooit weêr donker kykt, zal ik u waarlyk moeten kloppen.
+Myn Cootje is nu in staat, om tamelyk gezont te redeneren over
+dagelyksche voorvallen; en ik merk, dat, als hy met een ander praat
+dan met my, hy zeker nog al verdient, dat men hem antwoordt. Juffrouw
+Buigzaam heeft veel met den aanstaanden Eerwaardigen gesproken. Ik was
+geheel gehoor, en myne Dochter insgelyks.
+
+'t Spyt my, dat Letje nog niet t'huis is: dat zou net haar smaak
+geweest zyn. Luister eens, Naatje; hoewel ik het niet uit dankbaarheid
+doe aan de Godin der Liefde, (verstaat gy dat, kind?) zo heb ik een
+groot vermaak in Huwlyks-Alliantiën uit te vinden. Wat dunkt u, dat
+Willem om Letje kwam, dan hadt hy zeker een Engel van een Vrouw, en zo
+een verdient hy.--Letje was ook in veiligheid. Eéne bedenking is er
+maar! Ik weet niet, of myne Letjes hartje wel zó vry is, als dat van
+Juffrouw _Albedil Burgerhart_.
+
+"En was ik niet zeer opgeruimt? en zei de Eerwaardige dit?" Verbaast
+nog toe! Ik weet echter niet, dat ik my ergens over benaauwt voel: zo
+dat, weest gerust; maar ik heb ook zo myne denkende buitjes; en om dat
+die my zo eigen niet zyn, als zy mooglyk u zyn, valt dat zo aanstonds
+in 't oog.
+
+Edeling is uit de stad. Myn Voogd, merk ik, zou my graag met hem
+getrouwt zien; en myne Mama Buigzaam meent, dat zyn voorstel myne
+ernstige overweging verdient, en hoopt, dat ik, ten zynen opzichte,
+een gunstig besluit nemen zal. Myn hart slaapt nog in rozen; meer kan
+ik u niet zeggen.
+
+Of ik my ooit het Huislyk leven in zulk een zagt licht heb voorgestelt,
+als Smit het u afmaalt? Nooit anders! Ik was, schoon een kind, getuige
+van Huisselyk geluk, in myne altoos dierbare Ouders. Dáár zit het my
+niet, Naatje. Ik heb, tot nog, geen bepaalde uitsluitende genegenheid
+voor iemand; en niets zal my dezen gewigtigen staat doen aanvaarden,
+dan een man, die myne liefde en achting beide waardig is. Zo dra ik den
+Heer Edeling, (niemand komt buiten hem in eenige aanmerking,) zo veel
+liefde als achting kan toedragen, zullen alle mindere zwarigheden my
+niet beletten, om den raad myner Vrienden te volgen.
+
+De Heeren R. en Brunier zyn reeds in de zyd-kamer, om met Lotje en my
+eens eene schone wandeling te nemen. Ik moet my eens vertreden, dunkt
+my; ik ben echter zeer wel. Heb ik u al gezegt, dat Edeling uit de
+stad is? Tot weêrziens! Groet uwen lieven aanstaanden Dominé, kusch
+uwe Moeder, (hem ook maar,) voor
+
+ SAARTJE BURGERHART.
+
+
+
+
+HONDERDSTE BRIEF.--Papa Edeling aan zijn zoon Cornelis: hij wou
+eigenlijk diens raad als advokaat eens inroepen--Cornelis is n.l.
+gepromoveerd!--_Wat tegen_ Hendrik _te doen_? Hemelsche goedheid: die
+jongen houdt maar vol!--Hij heeft Sara gezien met R; "neen, meisje,
+jij lijkt me niet! ik bedank je hartelijk!" _Nooit_!
+
+
+
+
+HONDERD-EERSTE BRIEF.
+
+DE HEER CORNELIS EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.
+
+
+_Myn Heer, hooggeachte Vader!_
+
+Hartlyk dank ik u voor den Wissel; waarop my reeds betaling geschiet
+is. Ik hoop, dat ik u reden tot vergenoeging geven zal: ook omtrent de
+sommen, my van tyd tot tyd verstrekt. Gy hebt my in staat gestelt, om
+als een fatsoenlyk Student en Candidaat te leven. Ik heb zeker geld
+verteert, doch my aan geenerlei lichtmisseryen, of aan grof spel te
+buiten gegaan: maar ik weet, waarde Vader, dat gy op dit point de
+edelmoedigheid zelf zyt.
+
+Hoe leet is 't my te horen, dat gy op myn Broeder zo te onvreden zyt!
+Ik weet wel, dat gy, en vooral van uwe Zoons, geen tegenspreken dulden
+kunt; vergeef my deeze uitdrukking; maar, dewyl gy u wel wilt
+vernederen, om myne gedagten te vragen, zal ik u die rondborstig en
+in gemoede zeggen. Neen, gy kunt uw Zoon, die meerderjarig is, niet
+beletten een meisje te trouwen, waar tegen gy niets, met eenige
+zekerheid, hebt intebrengen, dan dat zy van de publycque Kerk is.
+Onderneemt gy zulks, dan kan Hendrik u voor den Rechter roepen, en
+zyt verzekert, dat hy daar de vryheid zal krygen, om haar te trouwen.
+
+Ken ik echter myn weldenkenden Broeder, ken ik den eerbied en de
+liefde, die hy voor zynen braven Vader heeft; dan zal hy tot dit
+heftig middel zyn toevlugt niet, dan daar toe gedrongen, nemen.
+
+Laat het my eenmaal vrystaan, myn geëerde Vader! u te vragen, of uw
+mishagen in deeze jonge Dame gegront is. Hebt gy iets tegen hare
+Familie, of tegen haar zedelyk karakter? Ik vertrouw, neen; myn
+Broeder heeft die jaren en die bedagtzaamheid, die hem in staat
+stellen, om eene goede keuze te doen. Nimmer heeft hy, in het
+onërvarenste zyner jeugd, reden gegeven, om hem van de minste
+losbandigheid te verdenken; en zou hy nu, nu hy dien tyd agter zich
+heeft, zich zo verre vergeten, dat hy een meisje beminde, en wel met
+het zuiver oogmerk, om haar te trouwen, die zyn verstand en hart beide
+tot onëer strekte? Nimmer geloof ik dit. Mag ik u des bidden, maak
+hem niet ongelukkig; spaar u zelf nodeloos en u zo nadelig verdriet:
+Besluit er toe! Laat uw ouderdom in ruste en vrede ongestoort
+voortglyden. Mag ik u ook herinneren, dat Hendrik van een eens wél
+en dóórdagt besluit niet ligt is aftebrengen; voornamelyk als zyn
+hart zo gezet is op de uitvoering van zyn besluit? Ik ken myn Vader,
+ik waardeer hem, gelyk een dankbaren Zoon betaamt; maar hoop, dat ik
+de vryheid zal hebben, om u eene Dochter aantebieden, waar tegen gy met
+reden niets meerder dan tegen Juffrouw Burgerhart zult kunnen hebben.
+Binnen eene maand hoop ik het genoegen te hebben, om u gezont te
+omhelzen, en mondeling te betuigen, hoe zeer ik ben,
+
+ _Uw gehoorzame Dienaar en dankbare Zoon_,
+
+ CORNELIS EDELING.
+
+
+
+
+HONDERD-TWEEDE BRIEF.--Aletta Brunier vertelt haar historie aan Sara:
+_zij heeft eens lief gehad_, zekeren v. S. Die had geen geld; vader
+vond dat hij eerst voor geld moest zorgen. v. S. ging naar de Oost;
+'t ging hem goed, maar _hij stierf er_. Onder dien druk leeft ze nog.
+Zekere Heer Helmers steunde haar na vaders dood.
+
+
+
+
+HONDERD-DERDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
+
+
+_Myne tederbeminde Letje!_
+
+Ik weet niet, wat andere menschen _intressant_ noemen; maar voor my is
+_de geheime Historie van uw hart_ zeer intressant; om dat er voor my
+zeer veel stof tot overdenken, en veel leerzaams in ligt opgesloten.
+Ik heb, zonder eens uwe toestemming te vragen, uw Brief aan de beste
+der vrouwen voorgelezen; en zie hier, het geen zy zeide: "Het verstand
+van Juffrouw Letje is my zeer toegevallen: hare liefde omtrent zulk
+een Vader was alleen in staat, om haar dus te doen handelen. Indien
+Letjes Vader meer vrees dan liefde in zyne Kinderen verwekt, indien hy
+min redelyk omtrent een onbedagten jongeling gehandelt hadt, dan zeker
+zou Letje in dat ongeluk gejaagt zyn, waar voor hy haar echter poogde
+te bewaren. Ziet gy wel, myn Burgerhartje, dat men zich niet waarlyk
+nuttig voor anderen kan maken, dan door reden met minzaamheid te
+verëenigen? De hemel belone hare kinderlyke onderwerping aan zulk een
+Vader."
+
+_Ik_. Wel, dat wensch ik zo sterk, dat ik hier aan graag de hand wil
+lenen. Een braaf hupsch man, die ik zo lief heb of hy myn Broêr is,
+en dien ik ook maar aan niemand geef dan aan myn Letje, hoop ik te
+beduiden, dat hy met Letje veel beter te regt zal komen, dan met zo
+eene stoute meid, als uwe dienares.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. ô! Gy zyt zeer gul! een ander te geven, dat men
+zelf niet verkiest!
+
+_Ik_. Ja! ik kan immers onmooglyk al de Borsten[1] nemen, die my nemen
+willen? en doe ik dan niet recht _Economisch_, als ik het overschot zo
+goed gebruik als ik kan?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En wie is die, zo als gy zegt, kostelyke Vriend?
+Edeling?
+
+_Ik_. Edeling! neen: dien wou ik immers voor u schikken, maar myn
+lieven goejen Willem Willis. Een jongen, zo braaf, en zo degelyk, dat
+niemand dan Letje hem ooit, met myne toestemming, hebben zal.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Gy doet my lachen.
+
+_Ik_. Doen schreijen zou ik om geen duizend Waerelden; al waren er al
+de Huizen Concertzalen, en al de Paleizen Schouwburgen; en dat is veel
+gezeit.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ik beken, dat dit in u inderdaad al eene ongemene
+grote opöffering zyn moet.
+
+_Ik_. En dat ben ik met u volmaakt eens.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Het is mooglyk wat heel onderzoekent in my, als
+ik u durf vragen, of gy aan den braven Heer Edeling niets het minste
+schryven zult?
+
+_Ik_. Wel, gestelt zynde, dat de schaal, of liever de evenaar, krek in
+'t huisje stondt?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zo ik er iets aan doen konde, dan zou ik zeker er
+zo veel gewigts opleggen, dat gy tot al[2] _schryven_ oversloegt.
+
+_Ik_. Maar wat zal ik zulk een deftig verstandig man schryven?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Wat? Ja, dat moet gy zelf beöordeelen: dit, myne
+liefde, kan of mag ik u niet dicteeren. In ernst, kunt gy aan dien
+deftigen verstandigen man niets melden, dat hem, in weerwil dier
+hoedanigheden, aangenaam zyn zoude? Pleeg met u zelf raad.
+
+_Ik_. Maar ik ben het met my zelf niet eens. Somtyds wilde ik, _dat ik
+niet schryven wilde_; en somtyds wilde ik, _dat ik wilde_. Gy lacht!
+Heb ik u dan niet gezegt, dat ik een misselyk figuur ben? geen vrouw
+voor zo een man.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt vooröordeelen, myn hartje!
+
+_Ik_. ô Duizenden; dat sta ik u ook toe.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Maar kan zulk eene verstandige jonge Dame zich
+verbeelden, dat dit toe te staan alles is, wat zy te doen heeft.
+
+_Ik_. Ik geloof neen: zy moet die afleggen, en zo hoop ik van tyd tot
+tyd ook te doen; en zo dra ik vast weet, dat ik dien eernaam, zonder
+verwaantheid, niet geheel onwaardig ben, zal dat gaan of 't gesmeert
+is: maak er staat op.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Nu ik u dit herinnert hebbe, zal ik er
+afscheiden. Ik bid u alleen te bedenken; dat, indien gy my eens in
+vertrouwen kunt zeggen, dat de Heer Edeling uwe liefde, zo wel als uwe
+achting gewonnen heeft, ik u een der beste oogenblikken van myn leven
+zal verschuldigt zyn. Gaat gy uit, hartje, om dat gy zo in order
+gekleet zyt?
+
+_Ik_. Dit was myn oogmerk: de Heer R. zal my op 't Concert brengen.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zo!
+
+_Ik_. Gy zyt heel _laconicq_, maar dat _zó_ spreekt gy _zó_ deftig
+uit; hadt gy 't liefst niet?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Hoeft gy my dat te vragen, daar gy weet, hoe zeer
+ik uw byzyn bemin? Evenwel, ik heb geen recht om u uwe vermaken te
+ontroven: indien gy liever met den Heer R. uitgaat, dan met my t'huis
+blyft. Wat is er aan te doen? Ik ben uwe Vriendin, niet uwe
+Gouvernante.
+
+_Ik_. Laat ik u omhelzen, schoon, of liever omdat gy my zeer doet! ô
+Myne moederlyke Vriendin, welk een verkeert meisje zou ik zyn, indien
+ik uw gezelschap niet boven alle vermaken stelde? Wil ik het laten
+afzeggen?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Gy bedenkt dit wat laat: en wat zou de Heer R.
+van uwe wispelturigheid zeggen?
+
+_Ik_. ô! Daar bekommer ik my niets het minste over. Ik hoop niet, dat
+ik aan hem rekenschap moet geven van 't geen ik doe; en zo hy 't
+kwalyk neemt, is hy een gek, dat is 't al.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Rekenschap geven? dat is weer wat sterk! maar ik
+zie niet, dat hy geen reden zoude hebben, om misnoegt te zyn; dat
+scheelt u weinig, zegt gy; goed! Ik weet, dat gy een trotsch meisje
+zyt. Was het echter vroeger, ik zou u door uw t'huis blyven verpligt
+zyn. Zo waar, daar is hy reeds om u.
+
+Uit was ons gesprek. Maar ik betuig u, dat ik, met al myn musikale
+drift, naauwlyks in staat was, om my op 't Concert niet te vervelen.
+
+t'Huis komende was ik niet vrolyk. Zy sprak echter nergens over, want
+Hartog en Lotje waren in de eetkamer. Ik zag haar nu en dan eens aan;
+zy was beleeft, zy was vriendlyk,--maar ik was _Juffrouw Burgerhart_.
+
+Myne lieve Letje, wat was dat voor my te zeggen! ik moest of
+schreijen, of met Lotje aan 't malen; tot het laatste kreeg ik rasch
+gelegenheid. Zy vroeg my, of ik op het groot Concert geweest, en of
+het daar niet heel plaisierig was?
+
+_Ik_. Al naar dat men zich zelf gestelt voelt: somtyds ja, somtyds
+neen.
+
+_Juffrouw Hartog_. Als men uitgaat met gezelschap, dat ons behaagt,
+vermaakt men zich overal.
+
+_Ik_. Dat is zeker, de ondervinding leert dit wel....
+
+_Juffrouw Hartog_. En Juffrouw Burgerhart heeft zeker het aangenaamste
+gezelschap aan den Heer R....
+
+_Ik_. En Juffrouw Hartog is, niettegenstaande alle hare Geleertheid,
+mooglyk niet in staat, om myn smaak juist zo wiskundig te weten.
+
+_Juffrouw Hartog_. Ik oordeel uit de verschynzels.
+
+_Ik_. En uw oordeel is mooglyk niet vry genoeg, om, wél waar te nemen.
+
+_Juffrouw Hartog_. En het uwe mooglyk niet eenparig genoeg, om zo veel
+te observeren, als iemand, die zonder belang toekykt: of gy moest u
+inbeelden, dat ik u eene eer benyde, die ik niet eens verlang.
+
+_Ik_. Als ik eens niets beter te doen heb, kon het gebeuren dat ik uwe
+stelling wat nader zal beschouwen.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Het is dunkt my, wel een zeer armoedig vermaak,
+elkander te tonen, dat men meer vernuft dan goedhartigheid heeft.
+
+Ik verstond dit, en zweeg; een schampere lach van Hartog zelf kon my
+niet aan 't praten krygen. Lotje, zei ik, wanneer gaat gy eens by uw
+Oom en Tante?--ô Als gy maar wilt, al was 't morgen.--Bestig, zei ik,
+als 't goed weêr is, zullen wy er eens heen kuijeren. Zy was zeer
+blyde met deeze presentatie. 't Was redelyk laat. Juffrouw Buigzaam
+schelde, om 't licht op de slaapkamers optesteken, stondt op; ik neeg
+zeer beleeft, en kreeg een--_nagt, lieve Juffrouw_. Lotje rammelde my
+nog een hope voor; en ik hield my of ik sliep, om haar te doen zwygen.
+Ei! dagt ik, die verwenschte Jongens! zie daar, zy zyn het, die ons 't
+leven onaangenaam maken; Edeling zo wel als de rest. Vaarwel, myne
+Beste.
+
+ Ik ben uwe Vriendin,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+P.S. Ik ben deezen namiddag by Oom Dirk geweest. Tante is eene lieve
+Vrouw; Oom? Ja, ik kan 't u niet beduijen: Een dot garen, die allemaal
+in de war zit. ô Welke mannen, Letje! en moeten wy ook trouwen? dat
+ziet er gek voor ons uit.
+
+Noten:
+
+[1] Jongens.
+[2] wel.
+
+
+
+
+HONDERD-VIERDE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling; houd maar
+moed; ze heeft uw vader gezien, _bevalt haar niet_, maar ze zal u zelf
+schrijven.
+
+
+
+
+HONDERD-VIJFDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING.
+
+
+_Wel-edel Heer!_
+
+Myne achting voor u moet wel zeer ongegront zyn, indien ik ooit reden
+heb my te beklagen over het schryven deezes Briefs. Dit stel ik onder
+het onmooglyke; ik zal des, in dit opzicht, aan uw verzoek voldoen.
+
+Zie my voor zo eene Beuzelaarster niet aan, dat ik my niet zoude
+verëert achten met de gevoelens, die gy voor my betuigt. Waarlyk, myn
+Heer Edeling, ik zie zéér wél, dat gy verdient met onderscheiding
+behandelt te worden. Indien gy niets meerder begeerde dan myne
+vriendschap, zeer weinig zoudt gy meer te wenschen hebben! Doch ik
+zoude u onëdelmoedig behandelen, indien ik u reden gaf om te denken,
+dat ik in u iets anders dan eenen Vriend beminde. Het zal my, in dat
+karakter, hoogst aangenaam zyn u weêrom te zien; want ik ben met
+byzondere hoogachting,
+
+ Uwe Dienares,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+
+HONDERD-ZESDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Myn Heer, zeer geachte en beminde Voogd!_
+
+Myn pligt eischt, dat ik u het volgende melde. De Heer Hendrik Edeling
+heeft by my aanzoek gedaan. Indien ik immer van staat verander, verdient
+hy my daar toe te doen overgaan, of ik verdien hem niet; maar ik heb
+geen zin in voor eerst hier toe te besluiten: Nog geen twintig jaar, en
+zo volmaakt gelukkig als ik nu ben! Ik heb echter billyk geöordeelt u,
+die my als een Vader bemint, dit te zeggen; want van uwe goedkeuring ben
+ik reeds verzekert. Myn verlangen naar uwe komst is zo groot, dat ik die
+niet kan uitdrukken. De waardige Vrouw groet u met achting, en ik ben,
+met een dankbaar hart,
+
+ Uwe gehoorzame Pupil,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVENDE BRIEF.
+
+NAAMLOZE BRIEF AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Myn Heer!_
+
+Myne achting voor u, en de droevige gevolgen, die ik voorzie, doen my
+u het volgende schryven. Uwe Pupil gedraagt zich op eene wyze, die
+haar bespot, ja veracht, en u veel verdriet moet maken. Men ziet haar
+overal, en nu meest altoos met eenen Heer R.; een man van rang en
+grote goederen, maar ook een onzer eerste Ligtmissen. De Dame, daar
+zy, nevens nog drie Juffrouwen, logeert, ziet dit alles, en vindt
+echter (schynt het,) goed, om dit onvoorzigtig ligtvaardig meisje
+haren gang te laten gaan. Zy is niet ryk; en grootschheid beeft voor
+niets zo zeer dan voor armoede. Meer zeg ik niet. Hoef ik meer te
+zeggen? Uwe Pupil is ook zeer verkwistent in hare uitgaven; indien zy
+geene presenten aanneemt; dat ik niet weet. Zeker Heer loopt haar na;
+en ik geloof, dat zy dien man aanhoudt, om, ten behoorlyke tyde, hem
+(mooglyk) te trouwen; indien zyne oogen nog niet bytyds open
+gaan:--Doch zy heeft hem betovert;--zo doet zy elkëen.
+
+Dit alles smart my! Ik beöog haar welzyn, en stelle u daarom in staat,
+om haar hier over, zo 't u goeddunkt, te onderhouden. Ik hoef u niet
+te zeggen, wie ik ben, en van welke Sex;--dit doet er niets toe:--zo
+gy wys zyt, doe uw voordeel met myn bericht; en zo gy er een goed
+gebruik van maakt, kan ik u meer melden. Intusschen ben ik met achting,
+
+ MIJN HEER!
+
+ _Iemand, die 't wel met u meent_.
+
+
+
+
+
+HONDERD-AGTSTE BRIEF.
+
+DE HEER JAN EDELING AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK.
+
+
+_Waarde Broeder!_
+
+Wat zegt gy nu, _mon bon Pasteur_, van uw lieven Neef Hendrik? dien je
+immers, met je eigen handen, zelf, in myn huis, gedoopt hebt; die, had
+ik hem in myne zaken kunnen missen, volgens uw raad en zyn begeerte,
+tot Predikant zoude gestudeert hebben; die wil nu met drommels geweld
+trouwen met een _wilde_ meid _buiten onze Kerk_; met een _Gereformeert_
+Nufje. Nu, daar moest hy maar eens om komen! Verbruit, Pastoor, ik heb
+het zo Satans op hairen en snaren gezet; want, nu myn lieve vrouw dood
+en weg is, regeer ik als Koning. Uw Zuster was de beste vrouw van de
+waereld: doch te mal met de Jongens. Luter zelf zou niet meer uitgevaren
+zyn in zo een geval als ik. Ja! fluiten! Daar hebje nu de boel over de
+reê, en hy geeft voor, dat ik hem ongelukkig zal maken, indien hy haar
+niet krygt; met nog eene hele turfmand vol zulk geziegezaag, daar de
+jongens zo veel meê ophebben.
+
+Ziet gy, Pastoor, ik zou myn hoofd daar niet meê breken, maar Hein ziet
+er gansch ongedaan uit: hy kan niet tegen moeite; (ja, ik heb al rare
+jongens ook!) Neen: nooit laat ik dat toe. Maar den jongen evenwel zo
+maar te laten sterven, dat wil ook niet. Hy is zó bedreven in onze
+affaire, dat ik gerust myn flesje kan drinken, myn pyp roken, myn
+kolfje slaan, zonder dat er iets verzuimt wordt. Zo dat, dit kan ik
+ook nog al niet voor God verantwoorden. Ik heb ook een Brief geschreven
+aan haren Voogd; niet twyfelende of hy die zo styf _Grotekerks_ is, als
+ik oud rechtzinnig Luters ben, zou even eens denken als ik op dit stuk.
+Maar zie daar! daar kryg ik zo een antwoord. De drommel mogt met hem
+redeneren, en ook ik versta zyn Brief niet genoeg. Het komt my vóór, dat
+hy al vry grappig over 't Geloof denkt, en het zou veranderen, even als
+hy zyn rok veranderde, indien hy meende, dat eens anders geloof beter
+was. Hy spreekt net als uw lieve Neef van Broederschap. 'k Zeg
+_Broederschap_! Het zit er op met dat Broederschap, als verguldzel op
+een duits[1] balletje. Men hoeft maar eens op hoogtyden, en zo, in de
+Kerken te gaan; daar zeg jelui Eerwaardens malkander hele Broederlyke
+dingetjes. Nu, dat mag ik wel horen: de Kerk is er voor, om het Geloof
+vast te houden. Elk moet zyn winkel voorstaan; dat is niet anders.
+
+Hoor, Pastoor, ik ben Luters, en dat, wil ik, zullen myn jongens ook
+zyn, of 't zal er vreeslyk houden. En die Bram is nog al heel wys met
+zyn Meisje! Ik zou nog, met myn beste pruik op, en den nieuwen zwarten
+rok aan, heel beleeft moeten vragen, of ik de eer mogt hebben ... weg
+... weg!
+
+Ik heb haar ook in een Herberg gezien, met nog twee wilde Knapen, en
+een andere Juffrouw. Hoor, ik zal 't nooit toestaan: ik wil geen
+vreemt goed in Luters erfdeel; dat's maar uit. Geef me nu raad: wat
+moet ik doen? Schryf my eens, Broêrtje, hoe u dit klugtje van Heintje
+bevalt? Groet de Pastoorse, die my ook altyd ligt te katechiseren: ja,
+ik ben maar te goed.
+
+ Blyve met grote achting,
+
+ Uw Eerwaardes
+
+ _Dienaar, Vriend, en Broeder_,
+
+ JAN EDELING.
+
+
+
+Noot:
+
+[1] Van een duit waarde.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGENDE BRIEF.--Everart Redelijk antwoordt: hij is het heelemaal
+met Blankaart eens en vindt de handelwijze van zijn zwager dwaas.
+
+
+HONDERD-TIENDE BRIEF.--Broeder Benjamin aan Cornelia Slimpslamp: Suzanna
+weifelt; ach Heere, help! Wij moeten ze voor ons houden. Laat Cornelia
+haar vergeving vragen.
+
+
+
+
+HONDERD-ELFDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN DEN BROEDER BENJAMIN.
+
+
+Wie heeft ooit groter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fopje my
+wat, of hoe weêrgâ zit het? Voor my veinzen? Voor my de fijne Filebout
+uithangen! Laat naar je zien, zotte jongen. Wy moeten haar bedriegen;
+dat's 't al. En daarom moeten wy de handen in éen slaan. Zouden wy zo
+een zot dier ooit gezogt hebben was 't niet om den smul? en gy houdt
+u van de mallen? Ja, Blankaart, kent ons zeer wel.
+
+Hoor, Ben, de frettery is uit: wy moeten haar nu nog plukken, en
+dan--de hele Waereld is voor ons open. Zy moet het gelag betalen: de
+jonge Juffrouw B. moet er niet by lyden. Blankaart is een Duivel van
+een vent, hy liet u publiek geesselen, en ik moest in 't Spinhuis, zo
+wy aan haar goed ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en
+dat zy intrest moet ontfangen; alles mondeling. Toon nu, dat gy my
+lief hebt: ik zal 't Briefje schryven, en morgen er gaan. Kom ook.
+'t Geweten? ô dat is een bullebak voor u en my.
+
+ _Die gy kent_.
+
+
+
+
+HONDERD-TWAALFDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+_Lieve Vriendinne!_
+
+Daar heb ik, als ik alles nareeken, zo een twee dagen en drie uuren in
+de magt des Satans geweest: hy gaf my die godloosheid in. Hy heeft my
+verleit.
+
+Och Zusje, Zusje! ik ben gevallen: ik ben wanhopig, ik ben elendig.
+Die duizend-konstenaar was het, die my dien gruwelyken brief deedt
+schryven. Zo heb ik te veel op eigen kragtjes vertrouwt, och ja! mogt
+ik er maar door geraakt zyn, en nooit weêr op my zelf vertrouwen. ô!
+Het ging my, zo als de Eerwaarde van der Kwast plagt te zeggen: _de
+Conscientie is de Klapperman uit de hartestraat, die de menschjes
+waarschuwt voor den brand van de Hel_. Gelukkig, dat myn oude mensch
+niet te diep was ingeslapen; och! dat was regt dierbaar.
+
+Verberg toch alles, om der Vromen wille. Gy kent de diepten des Satans.
+Mag ik morgen by je komen, en dan blyven op 't geen je maar hebt?
+Schryf my dit, of ik verval tot wanhoop.
+
+ Uwe zwakke Zuster,
+
+ CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+
+
+HONDERD-DERTIENDE BRIEF.
+
+DE BROEDER BENJAMIN AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+_Zusje Lief!_
+
+Ik begryp je! Wees gerust: om u sta ik den Duivel. Ik heb het zeer
+druk in myn werk, doch kom morgen; ik ben al verzogt. Alles is om het
+hare, en om u.
+
+ _Gy kent my_.
+
+
+
+
+HONDERD-VEERTIENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+_Keetje Zusje!_
+
+Wat is er een pakje van myn hart! Neen, dat kon ik niet doen, myn
+geweten wilde niet. Nu is 't weêr licht by my; ik heb alles verbrant.
+Kom tog vroegjes: och! ik ben zo ontstelt geweest. Nu, Bregtje zal
+_het Gemeste Kalf_ slagten, omdat ik myne Zuster heb weêr gevonden,
+die in 's Duivels hol gezeten heeft. Broertje komt ook, hy is zo
+gemoedelyk in zulke dingetjes. Zo komt het goed uit het kwaad; en nu
+is myne ziel weêr gebonden aan uwe ziel: niet waar?
+
+ Uwe Zuster in den Here,
+
+ Z. HOFLAND.
+
+
+
+
+HONDERD-VIJFTIENDE BRIEF.--Smit aan Willem Willis; spoedig zijn ze
+zwager. Hij heeft Aletta Brunier gezien en gesproken: _net een meisje
+voor Willem!_--Willem's patroon spreekt heel gunstig over hem.
+
+
+
+
+HONDERD-ZESTIENDE BRIEF.
+
+DE HEER R. AAN DEN HEER G.
+
+
+_Jan lief!_
+
+Haal my de Satan! ik ben nog even wys! ja, ik zie het hexje nu en dan;
+ik heb ook met haar op het Concert geweest; maar ik ben nog even na,
+als toen ik begon. Hoe moet ik het aanleggen? _Liflaffen_?[1] dan
+lachte zy my van myn stuk; haar met een stemmig bakkes zeggen, _dat ik
+haar bemin_? Och! dat gaat haar niet eens aan haar koude kleêren, (zo
+als de meisjes zeggen.) Had ik haar maar ergens, daar myn haan koning
+kraait, dan zou 't procès spoedig aflopen: en zy zal niet zot genoeg
+zyn, om zich te durven inbeelden, dat ik een Burgers Dochter zal
+trouwen. _Sultane Favorite_, Jan: is dat niet dubbelt wel? als _ik_,
+Frederik de eerste, haren Soliman ben. Ben ik evenwel niet een
+_Opgewarmt Bier_ en _Broodskind_, gelyk myn Oom, de Kapitein, zyne
+Matrozen noemt, dat ik zo een charmante meid niet tot myn vrouw maak?
+Lief heb ik haar, waaragtig; dat is 't maar! Anders zou ik dus lang
+niet het masker voorhouden. Zy stondt al lang op de grote lyst. Maar,
+wat praat ik van liefde tegen zulk een liederlyken knaap als gy zyt?
+Een vrouw is by u een vrouw--loop, gy zyt myn gebabbel niet waardig.
+Ik heb echter nu een ander plan: dat zal niet missen; en, zo de Weduw
+het in 't hooft krygt, om hare jonge Vriendin te geleiden, (zy ziet er
+óók wel uit,) dat zal den koop niet breken. Zoudt gy niet zeggen, dat
+ik al een gansch karel ben, als gy my zo hoort snoeven en pochen?
+
+Waarlyk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat ik
+het Wicht, of ik ben razent zot naar haar; en wat denkt gy? Ik heb nog
+nooit haar hand gekuscht; 't is waaragtig, Jan. Zy is onnozel[2], dit
+is het, dat my zo ingetogen maakt: want, hoe vele vrouwen ik ook
+bedorf, ik heb nog al reguart voor brave meisjes. Een ligtvaardige is
+myn Pop niet, al was zy zo schoon als deeze meid.--Doch dit is _to
+Bliktri_ voor u.
+
+ Vaar dan wel.
+
+ R.
+
+Noten:
+
+[1] Vleien, hofmakerijen.
+[2] Onschuldig.
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVENTIENDE BRIEF.--Cornelis schrijft heel hartelijk en aardig
+aan H. Edeling, maar ... raad weet hij niet: _vader blijft onvermuwbaar_.
+Raadt hem aan eens aan oom Redelijk te schrijven.
+
+
+
+
+HONDERD-ACHTTIENDE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.
+
+
+_Myn Heer, hoogst ge-eerde vader!_
+
+De zaak, die my, volgens uwe altoos geëerde orders, hier zo vele dagen
+gehouden heeft, is naar uwen wensch volkomen afgedaan. Ik vleije my,
+dat gy genoegen zult nemen in den yver, dien ik heb aangewent, om het
+dermate te dirigeren, dat ik u rekenschap van alles doen kan.
+
+Mag ik nogmaals de vryheid nemen, om te zeggen dat myne liefde voor
+Juffrouw Burgerhart gegront is op de braafheid van haar hart, en dat
+ik _volmaakt ongelukkig_ zyn zal, indien zy de myne niet wordt? Wat
+men ook moge uitstrooijen, zy is, en verdient te zyn, het voorwerp
+myner hoogste achting; en zy deelt nimmer in andere vermaken, dan die
+betaamlyk zyn, noch verkeert met menschen, die, om een slegt karakter,
+behoorden vermyt te worden.
+
+Gy weet, myn altoos geëerde Vader, met welk eene blymoedige onderwerping
+ik alle uwe bevelen heb gevolgt. Dit was een pligt, die de Natuur en de
+Godsdienst van my vorderden: Maar gy zyt Vader! gy zult my immers niet
+ongelukkig maken? zo deeze wensch myner ziel my geweigert wordt, kan ik
+my geen lang leven voorstellen. Ik gevoel my niet wel. De onëenigheden
+met myn Vader treffen myn, door liefde vertedert, hart zeer diep! Myne
+jaren en myn werkzame aart hebben my gestelt boven die dwaze drift, die
+men doorgaans _liefde_ noemt. Myne liefde is wel niet _Platonisch_[1],
+maar zy is echter myne reden onderschikt; zy is bedaart, sterk; zy rust op
+de innerlyke waarde van haar, die myne oogen streelt; zy groeit dagelyks
+in zagte aandoeningen. Moet ik het opgeven, dan zal men zien, dat myne
+geliefde Burgerhart tot myn _leven_ zo nodig was, als tot myn _gelukkig
+leven_. Laat ik u verbidden! Leg uwe vooröordelen af! Gy kent haar niet,
+geloof my! Heb ik u, myn geëerde Vader! ooit ergens in misleit? zoude ik
+het nu doen, daar de zaak niets minder is dan eene verbintenis voor myn
+geheel leven? Geef my de vryheid, om voor my zelf te kiezen. ô Laat ik u,
+ook voor deeze gunstige toegeventheid, mogen bedanken. Ik kies immers
+eene Vrouw voor my; ik zal met haar moeten leven.--Ben ik, in myn zes-en-
+twintigste jaar, nog niet in staat, om uit myn eigen oogen te zien? Kunt
+gy my van eenige wuftheid in zaken van belang beschuldigen? Heb ik ooit
+my tegen uwen wil gekant? Moet ik nu my zelf dat verdriet aandoen? Laat
+ik u myn gansche leven mogen zegenen! Zo myne tederbeminde, als myne
+Vrouw, u met my niet zegent: zo zy uwen ouderdom niet ten troost, tot
+hulp, tot blydschap strekke; zo gy haar niet zult beminnen als eene lieve
+Dochter, vergeet dan, dat gy ooit een Zoon hadt, die zich tekent,
+
+ _Uw ootmoedige Dienaar, en liefhebbende Zoon_,
+
+ HENDRIK EDELING.
+
+
+Noot:
+
+[1] Zuiver geestelijk.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGENTIENDE BRIEF. Hendrik schrijft aan Redelijk, vertelt alles
+uitvoerig en verzoekt zijn voorspraak bij vader.
+
+
+HONDERD-TWINTIGSTE BRIEF.--Redelijk weet evenmin raad: vertrouw op God!
+--als zoon mag Hendrik niet opstaan tegen zijn vader.
+
+
+
+
+HONDERD-EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Juffrouw Burgerhart!_
+
+Ik hoor lieve historietjes van u, al hele lieve ook! Hagel en Slypsteen,
+hoe kan 't zyn? daar je zó veel verstand hebt, en daar je beter je
+Geloof verstaat dan ik, God betert; en daar ik altoos zo geraden heb,
+dat je toch den goejen weg op zoudt. Meisje, meisje! maak my niet boos;
+'t zal er anders op en over gaan; 't zal er ellements te doen zyn. Heb
+je dáárom zulke kostelyke Ouwers gehad, en moest ik dáárom zó wys met
+je zyn? Ik kom er blaauw af. Schaamt gy u niet zo te lopen rinkelrooijen
+[1] met een overgegeven Ligtmis; en u te kleden, of je in een Fransche
+Winkel stondt? En Mevrouw Buigzaam? och ja; die laat Gods watertje over
+Gods akkertje lopen; zie, dat vind ik verdord gemeen van zo een' Vrouw.
+
+Men hadt, kwanswys, geen trek tot het huwlyk; men was nog zo jong: men
+was nu zo gelukkig: zie zo; dat laat ik, ouwe gek, my maar zo op den
+mou spelden. En onderwyl speelt Madame haar rol, vliegt uit, en loopt
+met allerlei ploerten en ligte kwanten de godgantsche Stad door, komt
+by avond en onty t'huis; ja wel, zie; ik ben zo kwaad als een spin.
+Dáárom hadt gy geen zin in 't Huwlyk, met zulk een braaf man, denk ik;
+dat was de zaak: dan zou dat gedraaf en geloop uit zyn, en daar bedankte
+gy voor; niet waar? Myn naam zal evenwel geen Abraham Blankaart zyn, zo
+ik u, zo lang gy onder myne Voogdy zyt, geef aan den een of ander
+Parlevinker[2], al was hy zo ryk als de _grote Mogol_, en al was hy een
+Burgemeester van zyn hals. Ik denk, dat de brave Heer Edeling u nu wel
+zeer bedankt voor de eer van uw gezelschap: hy heeft gelyk; ik zou ook
+zo doen. Antwoordt my maar niet, want ik kom in 't kort t'huis, en zal
+dan nader met u spreken. Ik ben
+
+ Uw Voogd,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Pierewaaien.
+[2] Hier: zwendelaar.
+
+
+
+
+HONDERD-TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
+
+
+_Chere Letje!_
+
+Ik verlang, dat gy t'huis komt. Ik heb verdriet; en ik kan het niemand
+dan u toebetrouwen. Myne Willis is te statig, te deftig; onze Moederlyke
+Vriendin kan ik het nog minder zeggen, want het raakt haar ook. Lees den
+brief van den Heer Blankaart: elke regel is een dolksteek. Myn ziel is
+beroert; myn boezem klopt van spyt, verontwaardiging, en droefheid. ô!
+Ik heb vyanden, myne Letje; maar wie is de snode, die my dus mishandelt?
+die my in het duister en onbekent grieft? Hemel! verdagt te zyn van
+misdaden, die nooit in myn gedagten oprezen! gehoont te worden om
+bedoelingen, die ik nooit had; dit is zeer hart, myne Letje. Maar wie
+is die Ligtmis? de man in de maan, geloof ik; uw Broêr is een brave
+Jongen; de Heer R. staat bekent voor een zeer ordentelyk man; en met wie
+anders heb ik ooit (want Edeling is buiten alle bedenking,) den minsten
+ommegang gehad? Och, met niemand! Nyd, die my bekladt, gooit ook zeker
+dit lak op den Heer R., die my nimmer reden gaf om hem te schuwen: maar
+de smart, die dat monster my aandoet, is te groot, om daar ook eenen man,
+die my altoos met de grootste achting behandelde, in te doen delen. Onze
+dierbare Vriendin zelf vindt hem onberispelyk; en, zo zy niet geheel in
+het belang van den waardigen Edeling was, dan zou zy mooglyk zyn gedrag
+een nog beter naam geven. Ik heb vermoedens.... maar neen!... dat zou
+al te slegt, al te verfoeilyk zyn.--Hoe 't zy, ik heb een gerust geweten;
+ik heb my van vele dwaasheden te beschuldigen; doch ondeugden zyn my
+vreemt.--Ik moet geduld hebben.
+
+Ik ga wat spelen, om te zien of ik my zelf kan opheffen uit deeze
+verslagenheid.
+
+ * * * * *
+
+Daar ben ik al weêr; 't lukt niet! Ik beef, zo aangedaan ben ik.
+Hemel! verdagt te worden van zulk een man....
+
+ * * * * *
+
+_'s Nagts, half twaalf._
+
+Nu, myne liefde, heb ik u veel te schryven. Ik heb de goedaartige
+Lotje verzogt naar bed te gaan, om dat ik noodwendig schryven moest.
+De zoete ziel stonden de tranen in de oogen, "om dat zy merkte, dat ik
+droevig was; en dat onze Vriendin en ik niet zo waren, (zei zy) als
+altoos; och dat deedt haar zo leet." Heeft zy niet een recht lief
+hart, Letje? Nu, ik zal haar ook altoos voorstaan, en te regt helpen.
+
+Van middag viel er niets voor, dan dat Hartog vroeg, of de Heer
+Edeling hier niet meer aan huis kwam; waar op Juffrouw Buigzaam
+antwoordde: dat hy, om zaken van grote aangelegenheid, uit de stad
+was; er byvoegende, dat zy hem waarlyk altoos met genoegen zag.
+
+_Juffrouw Hartog_. Ja, 't is een zoete prater; hy weet nog zo wat
+oppervlakkig meê te doen; schoon ik in 't eerst groter denkbeelden van
+zyn verstand had, dan nu.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ik geef my niet uit voor een vrouw van veel
+kundigheden, om dat ik te wel weet, hoe ik er mede sta: maar my dunkt,
+dat de Heer Edeling een verstandig belezen man is, en zyn gezelschap
+overwaardig.
+
+_Ik_. Ja, ik heb misschien geen kennis van verstand, maar zo hy een
+Uilskuiken is, dan moet een man van verstand een schepzel zyn, daar ik
+niets van begryp; en ik zou een ducaat geven, om zo een man van
+verstand eens te zien.
+
+_Juffrouw Lotje_. Heden, Juffrouw Hartog, je waart evenwel de laatste
+reis zo in de weer, om hem tegen te spreken; was dat sop dan de kool
+wel waart? Zie, ik ben nou maar een eenvoudige sloof, maar daar zou ik
+my nog te wys toe rekenen.
+
+_Juffrouw Hartog_. Ja, Edeling weet zeker genoeg, om met onze Sex zo
+wat voort te komen; doch dat hy geen vogel van de verhevenste vlugt
+is, heb ik al gezien.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Mooglyk is Uwé van gedagten, dat elk, die zich
+niet met het air van Ongeloof voordoet, een lagen geest is; en dan is
+voor my niets raadzelagtigs in deeze uwe zeer vreemde gedagten over
+deezen waardigen jongen Heer.
+
+_Juffrouw Hartog_, (_schamper lachende_). "Aan de vruchten zal men u
+kennen," zegt de Bybel, en dat is immers waar?
+
+_Juffrouw Lotje_. Heer, Juffrouw, gelooft Uwé dan in den Bybel? Gy zei
+laatst, weet gy? op dien Zondag, toen ik zo zat te lezen in myn nieuwe
+Psalmen, dat de Bybel een mooi sprookje was; (_zy werdt root_;) ja, of
+gy root wordt, 't is evenwel zo, Juffrouw.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ei lieve, Juffrouw Lotje, moei u daar nu niet
+mede, om my plaisier te doen, Liefde! Is dit zó, Mejuffrouw Hartog,
+dat smart my; en ik danke Gode, dat ik nooit myne bekwaamheden heb
+willen tonen, in voor te wenden, dat ik niets geloofde; daar ik my
+niet in staat gestelt had, om wel te kunnen oordelen.
+
+_Juffrouw Hartog_. Elk zyne verkiezing, en ik verzoek die vryheid, die
+ik u laat. Gy schynt zeer gecoëffert met uw Vriend; en vriendschap
+vermag veel; doch dewyl ik de vriendschap van zo een eigenwys Heertje
+niet begeer, is myn oordeel te vryer.
+
+_Ik_. Eigenwys Heertje! die uitdrukking is niet verpligtent[1].
+
+_Juffrouw Hartog_. Hoe! is de Heer Edeling dan uw vriend ook? (_my
+spottig aanziende_.)
+
+_Ik_. Mooglyk verdient gy geen antwoord, doch ik zal beleeft zyn; ja,
+hy is myn vriend; en ik vind my met zyne vriendschap zeer verëert.
+
+_Juffrouw Hartog_. Dat kan ik wel begrypen; en die vriendschap doet
+_u_ ook veel eer.
+
+_Ik_. Zy zou zeker u niet tot schande, en nog veel minder tot verdriet
+strekken, indien _gy_ ten minsten genoeg hadt aan zyne vriendschap,
+(_zij werdt bleek_.) Kent gy den Heer Blankaart, Mejuffrouw Hartog?
+(_haar sterk aanziende_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Heden; Liefde! wat vraag is dit nu ook?
+
+_Ik_. Juffrouw Hartog zal my, vrees ik, verstaan.
+
+_Juffrouw Hartog_. Nooit hoorde ik, dat men vreesde verstaan te zullen
+worden: ha! ha!
+
+_Juffrouw Lotje_. Nu, dat's my te geleert.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En my ook, Juffrouw Lotje.
+
+_Ik_. Ja! wist gy wel, dat _ik_ zo eene Sçavante was? of liever, dat
+ik zo t'onpas iets kon vragen? Wel nu, 't zal u geen oneer zyn myn
+Voogd te kennen. Hy is wel geen geleert, maar hy is een eerlyk man;
+eene hoedanigheid, die ook al zyn prys heeft.
+
+_Juffrouw Hartog_. Och, myn lieve kind, ik zou nooit geraden hebben,
+dat er zo een man in de waereld was, zo ik u zyn naam niet wel eens
+had horen noemen: neen, ik ken hem niet.
+
+_Ik_. Men zou u occasie kunnen geven, om hem te leren kennen; doch hy
+heeft niets recommandabels dan zyn vroom eerlyk karakter.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zullen de Dames ook nog ergens van gedient zyn?
+anders zou ik verzoeken om te danken en laten afnemen: 't is my wat
+heel warm in de kamer. Wy allen bogen, dankten, en gingen de een hier,
+de andere daar. Hartog peinsde. Juffrouw Buigzaam ging in haar Tuin,
+zag hare bloemen met blyde vergenoeging. Ik stond voor 't raam, diep
+aangedaan over den ontfangen Brief. Frits had een mand spenage
+gesneden, die hy haar liet zien. "Ja, zei ze, Frits, die spenage staat
+my niet aan.--"Zy is evenwel, in uw Tuin gegroeit, Mejuffrouw."--"Al
+was zy in myn Zydkamer gegroeit, Frits, nog staat zy my niet aan."--Ik
+wou, Letje, dat ik haar toen had kunnen uitschilderen; maar nog liever
+dat gy haar toen gezien hadt! Ik ging zitten spelen, en wou myn
+verdriet weg zingen: 't was of myn vingers de kramp hadden; evenwel,
+ik dreunde lustig door. En Lotje vondt, dat ik mooi speelde: dat zeit
+al zo iets, niet waar?
+
+Wy kwamen allen in de zydkamer byëen, om thee te drinken: Myn hoofd
+was vol, en ik kneep nu en dan een traan weg: wel naarstig aan de
+zakdoeken naaijende, terwyl Lotje breide, of zy er geld meê verdiende.
+--Daar kwam zo waar de Heer R. Het denkbeeld, dat hy beschuldigt was,
+om dat men my benydde, maakte my veel vriendelyker dan ordinair; me
+dagt, dat ik hem vergoeding doen moest; en dat denk ik nog. Hy hadt
+een zeer fraaije bloem op zyn borst; hy zag, dat ik er naar keek; durf
+ik u deeze aanbieden? zei hy, en ik nam die vriendlyk aan; hy was zeer
+fraai.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Is myn Heer R. ook een Liefhebber van bloemen?
+
+_De Heer R_. Ja, Mevrouw, en ik vind, dat in deezen, zo als in alle
+zaken, de Natuur de Kunst onëindig overtreft. Ik heb ook eene kleine
+verzameling van vreemde gewassen, die men maar zelden vindt.
+
+_Ik_. De Heer Blankaart heeft my wel tienmaal belooft, my eens in den
+_Hortus Medicus_ te brengen, maar 't is er nooit toegekomen; en ik
+hoor, dat daar zulke fraaije Planten en Heesters zyn.
+
+_De Heer R_. Laat ik de eer mogen hebben, u daar eens heen te leiden:
+gy zult met verrukking zulk een rykdom der Natuur beschouwen; 't is er
+waarlyk fraai.
+
+_Ik_. 't Zou onbeleeft zyn, dit verzoek af te wyzen.
+
+_De Heer R_. Ik zou om die eer deezen dag zelf nog verzoeken, maar ik
+ben geëngageert: mag ik morgen, als het zulk heerlyk weêr is, en zo
+zonnig als nu, zo gelukkig zyn, om de Dames daar heen te brengen?
+
+_Juffrouw Hartog_. Ik bedank u; ik ben niet plantagtig; een bloem is
+by my een bloem, meer niet.
+
+_De Heer R_. En wat zegt Mevrouw?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Excuseer my, myn Heer; huisselyke bezigheden,
+en myne zwakheid laten my dit niet wel toe.
+
+_De Heer R_. Deze vriendelyke Juffrouw zal dan wel gelieven mede te
+gaan?
+
+_Juffrouw Lotje_. Ik zou 't gaarn doen, maar ik moet morgen ogtend
+tydig by myn Oom en Tante zyn, om naar den Hout te ryden.
+
+_De Heer R_. Zo dat, Mejuffrouw, gy zult u dan met myn gezelschap
+alleen zien te vermaken?
+
+_Ik_. ô, Myn Heer, maak geen complimenten.
+
+Hy boog. Nog een kwartier gezeten hebbende, zeide hy, dat hy morgen
+ten vier uuren zou maken aan huis te zyn, en vertrok. Onze Juffrouw
+Sçavante las; wy spraken weinig. Elk scheen in gedachten; myn kind
+zeker over haar vrolyk reisje naar den Hout; ik over den Brief; en
+Juffrouw Buigzaam?--dat wist ik toen nog niet!
+
+Na het thee drinken stondt de lieve Vrouw op, nam een boek mede, en
+ging in het Tuinhuis zitten; (zo als ik naderhand zag.) Ik zag
+mistroostig, ongemaklyk[2], en stond ook op, my naar den Tuin
+begevende, om ruimer adem te scheppen. Doe ik u ook belet, Juffrouw
+Buigzaam? anders ga ik weêr heen.
+
+_Zy_. Integendeel, _uw_ gezelschap is _my_ altoos aangenaam.
+
+_Ik_. Dan zal ik my by u zetten. (_Zy zag onderwyl al in haar Boek_.)
+Ik moet u iets vragen. Zyt gy misnoegt op my? als dat waar was, dan
+zou ik zeer ongelukkig zyn.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. (_Haar boek toedoende_.) Misnoegt? Hier uit moet
+ik opmaken, of, dat gy my voor zeer grillig houdt, en dat hoop ik
+nooit te verdienen; of, dat gy meent, my eenige reden daar toe gegeven
+te hebben.
+
+_Ik_. Zo ik u van grilligheid verdagt hield, dan zou uw misnoegen my
+niet ter harte gaan; dewyl ik begryp, dat de capritieuse vrouwen geen
+meer achting verdienen dan capritieuse mannen.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En doet het u waarlyk leet, dat ik niet zo
+gemeenzaam met u ben als van te voren?
+
+_Ik_. Ja, zeker; maar dat gy my dit vraagt, treft my niet minder. Gy
+weet dan nog niet, hoe hoog ik u acht; of hoe hartlyk ik u bemin; en
+hoe zal ik u daar ooit van kunnen overtuigen? (_Ik had tranen in myne
+oogen_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. _Als_ gy my in dat licht beschouwt, dat ik
+waarlyk uwe achting niet onwaardig ben, waarom maakt gy dan zo weinig
+gebruik van myne oprechte vermaningen?
+
+_Ik_. _Als_, zegt gy met nadruk!
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Is het zo niet? Kom aan, wy zitten hier nu onder
+vier oogen. Laat ik eens met u praten: wilt gy?
+
+_Ik_. Niets zal my aangenamer zyn. Maar zeker, zyt gy t' onvreden?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ja! en nog meer verdrietig: ik heb u te lief, om
+niet beide te zyn.
+
+_Ik_. Wees nu alles wat gy maar wilt, indien gy my maar lief hebt: Mag
+ik u echter vragen, wat u hier toe beweegt?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Uwe eigene onvoorzichtigheid.
+
+_Ik_. (_Ik werd ongemakkelyk, en zy zag het óók_.) Myne eigene
+onvoorzichtigheid!
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Niets anders.... Maar my dunkt, dat gy niet zeer
+geschikt zyt, om thans onaangename waarheden te horen; en ik beken,
+dat ik geen recht heb om u die te zeggen, ten zy de vriendschap my dat
+recht geeft. Willen wy de zaak daar laten?
+
+_Ik_. Zo als gy verkiest: niemand hoort gaarne onaangename waarheden;
+'t is des geen mirakel, dat ik er niet veel smaak in heb. (_Zy zag my
+zeer bedaart, doch niet minzaam, aan_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. O myn kind, speel niet met uw eigen geluk! (_Dit
+woord brak myn trotschheid; ik rees op, omhelsde haar, schreide aan
+haar hals; zy kuschte myne gloeijende wang, trok een stoel naast den
+haren, en zei_:) Zit, myne Liefde; waarlyk, ik meen het wel met u.
+--(_Ik kon niet spreken, ik snikte_.) Zy ging voort: De Voorzienigheid,
+die alles in de zedelyke en natuurlyke waereld bestuurt, die altoos voor
+alle hare schepzelen het beste beöogt, heeft u, tegen uw uitzicht aan,
+by my gebragt. Dat ik u lief kreeg, was zeer natuurlyk; dat gy my met
+achting behandelde, ingelyks. Ik leerde u kennen, ik zag, dat gy een
+voortreffelyk jong mensch waart; en dat, zo gy altoos uw schrander
+oordeel volgde, zo gy altoos[3] in goede handen vielt, vooral, zo gy de
+vrouw wierdt van een achtingwaardig, u beminnent man, gy een voorbeeld
+in het huisselyk leven zoudt kunnen worden, om dat gy u dan zoudt
+verheffen boven uwe sterke neigingen tot zulke vermaken, die nooit onze
+pligten moeten uit den weg stoten, of zy worden hoogst afkeurelyk. Geen
+meisje van zulk een edelen geest doet ook iets uit dwang: en mogelyk zou
+ik, indien dit het eenige goede middel voor u ware, uit alle vrouwen
+minst geschikt zyn, om u nuttig te zyn.
+
+Gy krygt gelegenheid om eene party te doen, die zelf uwe zalige Ouders,
+(zyn zy nu nog vatbaar voor aandoeningen, die uit deeze beneden waereld
+ontstaan; iets, dat my zo voorkomt,) moet verheugen. Elk, die belang in
+u neemt, wenscht, dat gy toch moogt besluiten, om u van dat geluk te
+verzekeren. De man, zo beminlyk, zo edel denkent, en zo volmaakt geschikt
+voor u, als gy voor hem zyt. Wat doet gy? Dat gy hem nog niet genoeg
+bemint, om hem u zelf te geven, daar op is niets te zeggen: maar gy geeft
+u dermate toe in uitspanningen, die in 't oog vallen, dat de Waereld niet
+nalaat, om u zó aftebeelden, als gy nooit worden kunt: men houdt u voor
+_Coquet_, voor _une Dame du Ton_; voor een Meisje, dat zich, in alle hare
+daden, geen ander oogmerk voorstelt dan Divertissement. Kan ik, die u als
+myne eigen Dochter bemin, dit zien, zonder op u misnoegt, en over uw
+gedrag zelf bedroeft te zyn? Gy weet, Liefde, dat ik geen behagen heb in
+den Heer R.; ook niet, (dit volgt er uit,) dat gy met hem uitgaat. Ik kan,
+dat is waar, u wel geen reden geven van deeze ongunstige aandoening; doch
+gy weet echter, dat gy my veel genoegen zoudt aandoen, indien gy deeze, u
+onschadelyke, opvatting in acht geliefde te nemen: dat doet gy niet; en
+nog deezen namiddag geeft gy weêr uw woord.
+
+_Ik._ Hadt gy my maar één woord gezegt!
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Wanneer moest ik u dit ééne woord gezegt hebben?
+Vóór de zaak gebeurde? gy waart niet zo gehumeurt als voortyds; gy
+hadt iets, dat u trof; en ik was de Confidente niet. ô Liefde! niets
+ontglipt my van u; ik moet voor u zorgen, myne genegenheid gebiedt het
+my, al zo zeer als myn pligt.
+
+_Ik._ Ik heb vyanden: ik word gelastert.
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Dat kan niet anders: en zo gy voortgaat, met hen
+stof te verschaffen, zullen zy u nog anders kwellen. Maar, (om ons
+discours te vervolgen,) toen het voorstel geschiedde? Ei lieve, wat
+recht heb ik, om u in gezelschap te behandelen of gy myne mindere
+waart, aan wie ik alles mag zeggen? om, met één woord, als uwe
+Gouvernante te handelen? Ik denk, dat dit u óók maar matigjes zou
+hebben aangestaan.
+
+_Ik._ Wel, wat kwaad is er dan in, dat ik met een fatsoenlyk man den
+_Hortus Medicus_ ga zien?
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Net zo veel kwaad, als of gy u door Frits naar de
+kerk liet brengen. Van het kwade spreken wy ook niet: al, wat dien naam
+verdient, is beneden u; dat weet ik zeer zeker: maar zo gy waarlyk myne
+Dochter waart, dan zou ik u, al wat u geen goed gerucht door uwe vyanden
+kon geven, u volstrekt verbieden: _Het heeft immers zulk een haast niet,
+zoude ik zeggen myn Heer; myne Dochter zal, met haar Voogd Blankaart,
+die haar dit belooft heeft, den een of andren dag dat vermaakje wel eens
+nemen._ Gy waart ook buitengemeen vriendelyk tegen hem.
+
+_Ik._ Hy wordt, buiten zyn weten, om mynent wil beledigt; en dat valt
+my te zwaar, om hem, ook buiten zyn weten, daar geene vergoeding voor
+te doen: doch, zo uw mishagen gegront is, wel, gy zyt meestresse van
+uw huis; wagt hem nooit meer af.
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Ik wagt hem nooit af. Hy is een fatsoenlyk man,
+ik kan my, op zo eene directe wys, van myn recht als Meestresse ook
+nog al zo niet bedienen: maar indien gy, ten zynen opzichte, minder
+gemeenzaam waart; indien gy, als hy inkwam, opstondt, onder het een
+of ander voorwendzel, en voornam, altoos te bedanken voor alle zyne
+aanbiedingen, dan zou de Heer R. wel dra verdwynen, en ons geen
+verschilstoffe aan de hand geven.
+
+_Ik._ Daar toe heb ik geen reden; en dewyl ik hem niet anders ken dan
+voor een fatsoenlyk, aangenaam man, die zich een eere maakt in my
+plaisier te doen, kan ik daar niet toe besluiten: indien ik den Heer
+Edeling beminde, indien ik hem eenige hoop gaf op myne bezitting, dan
+was het eene andere zaak; en ik zou dan juist doen, zo als gy nu van
+my eischt, dat ik doe.
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Ik eisch het niet van u; uw eigen geluk, uwe
+achting voor u zelf, uwe achting voor den Heer Edeling, eischen dit.
+_Ik_ heb niets te eischen: al wat ik doen kan, is u ten besten raden,
+en dat doe ik waarlyk: gave de Hemel, dat myne zorg voor u geheel
+nodeloos was! want, hoe het ook ware, uw ongeluk zou myn hart doen
+bloeden. Ik bemin u, myn kind: ik zie zo veel goeds in u; uwe
+dwaasheden zelf groeijen op den besten grond. (_Ik weende._)
+
+_Ik._ Dierbare Vrouw! vergeef my deeze eene reis myne verkeerde losse
+toegeventheid! Nooit, nooit zal ik weêr bedroeven, gy zult alle myne
+daaden en gedagten regelen; ik zal den Heer Edeling recht doen. Ik heb
+dit alles zo niet beschouwt, ô! Wat zou ik ongelukkig zyn, zo ik u
+verloor! Dat zie ik meer en meer; maar ik zal alles vergoeden; ik zal
+met u, en met Letje huisselyk leven; wy zullen niet dan met Edeling,
+of haar Broêr, nu en dan eens een uitvlugtje nemen; als gy 't zelf
+goed vindt, anders niet. Zie daar, ik geef my, ter myner verbetering,
+geheel aan u over! (_Zy drukte my aan haaren boezem_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Myn eigen lief kind! alles is nu wel, alles is
+afgedaan; ik weet, dat gy het oprechtste meisje van de waereld zyt;
+en dat gy ook doen zult, méér nog dan gy my belooft.
+
+Na nog wat zittens en minzaam samenpratens, vroeg zy my, of wy wat
+wilden gaan musiceeren? ô Zeer gaarn, zei ik. Zy droogde, met haar
+eigen zakdoek, een traantje of vier af, kuschte my; haalde myn Voile
+wat neêr, op dat niemand myn beschreit gelaat zien zou, (denk ik,) en
+wy gingen elk voor 't Clavier. Nooit speelde zy zo verrukkelyk; al
+hare tonen stemden met myn ziel, en zy zong haar favorite Air:
+
+ _Ah! que l'amour est chose jolie_!
+
+zo heerlyk, dat myne vingers stil stonden. Vervolgens spraken wy van
+den Heer Edeling, en over zyne t'huiskomst. Hebt gy hem, vroeg zy,
+eenig gunstig onthaal toegeschikt?
+
+_Ik_. Wel, ik verlang waarlyk, dat hy hier is; ik weet het niet, maar
+er [is] iets zo ledigs, nu hy hier niet is: dunkt u dat ook niet? me
+dunkt, dat Letje en hy zo recht by ons behoren. Ik wist niet, dat ik
+zó over hem denken zou, nu hy hier niet is; doch 't is echter niet
+anders. (_Zy glimlachte, en noemde my Engel_.) En vraagt gy nu,
+"waarom vertrouwde gy haar den Brief van uwen Voogd niet toe?" Om dat
+ik, zelf voor deeze dierbare Vrouw, niet wil weten, dat zy in dit
+opzicht het zo wel hadt. Dit is mooglyk verkeert; maar neen: die
+vernedering is my te smartelyk.
+
+Ik was byzonder stil onder ons soupéetje; Juffrouw Buigzaam insgelyks;
+beide mooglyk uit verdriet, dat wy verschil gehad hadden. Lotje durfde
+niet spreken, dan met de Kat, en Hartog hieldt een deftig, styf,
+peinsagtig air. Wy gingen vroeg naar bed, en nu schryf ik u deezen,
+om hem by de eerste occasie te verzenden. Nagt Liefde. Kom spoedig by
+
+ Uw teder liefhebbende Vriendin
+
+ SARA BURGERHART.
+
+P.S. De Brief van myn Voogd sluit ik hier in.
+
+
+Noten:
+
+[1] Vleiend.
+[2] Ontstemd.
+[3] Tenminste.
+
+
+
+
+HONDERD-DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER R. AAN DEN HEER G.
+
+
+_Vriend Jan!_
+
+Uit is de klugt! de myne--de myne is zy, moet, zal zy zyn. ô! Dat lief
+Bekje! En hadt gy waarlyk zin om den _Hortus Medicus_ te zien? Nu,
+Schat, gy zult veel méér zien; of ik verdien voor schelm uit het
+Regiment Ligtmissen gejaagt te worden. En kon Mevrouw Buigzaam niet om
+huisselyke zaken? ô Ik heb achting voor _huishoudende Vrouwen_; gy doet
+wel, schone Weduw!
+
+Bezorg, dat morgen voor den middag myn Fargon en de harddravers, _Kwast_
+en _Bles_, gereet zyn, om naar buiten, doch langs een omweg te ryden.
+Hou u daar van daan: ik heb u niet noodig; zeg alleen aan den Tuinbaas,
+_dat ik met een meisje kom_, dan weet hy genoeg. Hy moet my niet kennen
+voor 't nodig is; en dan zal ik hem dat wel beduiden. Hy is een gaauwe
+Kerel; hy moet maar niet weten, dat deeze Dame geen maitres van my is;
+want hy babbelt dan maar weêr van zyn conscientie; en, schoon ik op geen
+hand vol ducaten zie, als ik wellust kopen wil, zo hoef ik hem echter
+niet te vroeg ryk te maken. Ik zal Buiten zyn tegen vyf uuren, of half
+zes: de Fargon[1] moet in 't koetshuis, en de Paarden moeten, zo als zy
+van voor 't rytuig komen, op stal gezet worden. Ik zal de rest wel
+schikken. Philips moet maar te rug gaan.
+
+Onthou myn orders wel. Daar! daar hebt gy vyftig ducaten, om uw schulden
+van eer te betalen. Ik ben flaauw van vreugd. Zo een meisje; zo een engel;
+zo rein als een Kind; zo onkundig van haar gevaar; die niet eens vermoedt,
+dat ik de Belsebub ben, die het op haar bederf toelegt! want trouwen,
+Liefstetje, daar kan ik niet aan doen. Zie; zo praat ik al in en met my
+zelf.
+
+ R.
+
+
+Noot:
+
+[1] Fourgon? Hier: gesloten wagen.
+
+
+
+
+HONDERD-VIER EN TWINTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland aan Sara: Benjamin
+en Slimpslamp _zijn er met bijna al haar geld van door_! Ze vraagt
+vergiffenis aan Sara en voorspraak bij Blankaart.
+
+
+HONDERD-VIJF EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara _vergeeft alles en belooft
+voorspraak_. Zal zelf komen.
+
+
+HONDERD-ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Saartje is
+zoek! _Ze is met_ R. _uitgegaan en niet teruggekeerd_. Ze wachtten op
+haar den dag, den nacht, in doodelijke spanning; eindelijk, _om vijf
+uur, daar is_ Sara. O, o!--die vreeselijke R! Gelukkig Saartje _is
+ongedeerd gebleven maar heelemaal overstuur_. Hendrik is er zelf ziek
+van!
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT.
+
+
+_Lieve Vriendinne!_
+
+Ik ben te beschaamt, om je onder de oogen te komen, daarom schryf ik u
+deezen Brief. Och! ik ben een verloren menschje! Had ik toch naar je
+gehoort; maar, wat zal ik zeggen? Ik geloof, dat myne zonden my alle
+deeze elenden hebben op myn hoofd gehaald, och ja! Ik was recht
+toornigjes op u, toen gy laatst by my waart: want ik meende, dat je zo
+niet tot het diepste van ons wegje waart doorgekropen; dat het allegaar
+zoo maar stukwerk was, om dat je zo weinig zin hadt aan Broeder Benjamin.
+Wat heb ik my voor den Here vernedert, om dat ik eenigen agterdogt omtrent
+dien Huichelaar plaats gaf! 't is een Belials-kind, een uitgepleisterd
+graf, van binnen vol stank en doodsbeenderen. En zy is eene Jezabel. Zy
+heeft my strikken gespannen; zy heeft my op myn droggrond neêrgezet. Zy
+heeft my wys gemaakt, dat al myne ongerustheid ingevingen des Duivels
+waren. Zy is eene Architofellinne, die my nog voor agt dagen zo een
+goddelozen raad gaf, met opzicht tot myn Nichtje Burgerhart. Maar de
+Here liet zyn schepzeltje niet los: en toen schreef zy my een Briefje
+van berouw, in zulk een gezalfden styl, Styntje! zy kermde daar in,
+dat zy nu twee dagen en drie uuren in 's Duivels magt geweest was. O,
+'t was zo een dierbaar Briefje! En toen was het, dat zy tegen den
+Hypocryt zei, _kom, laten wij een graf graven, ende Zanneke daar in
+werpen_; want zy liet my belet vragen; zy hadt zalving voor haar
+verbryzelt herte nodig, en Broeder zou dan, nu des Heren yver hem
+vervulde, eens regt zielnadereade en gemoedelyk oeffenen. Wat stelde
+ik my een gezegent dagje voor! ja, Styntje, ik liet het gemeste kalfje
+slagten, en de zegeningen der linkerhand werden niet gespaart. Och, ik
+ben toch altoos zo een Kruipertje op het genadenwegje, en was zeer
+gesticht. Benjamin was eerst een regte Boanerges, en toen een Zone der
+vertroosting; en Slimslamp was geheel in een afgezakten staat; doch
+daarna geheel heilige vreugde, zo zei dat Ezeltje. Ik merk, zei de
+goddeloze man, dat hier van avond een byzondere zegen over het werk
+van myn dienst is. Uw huis is een Bethel, Zuster, een Nieuwkerk, laten
+wy dan blyde zyn: drink, Vriendinnetje, je bent al te bedroeft geweest
+en je leven is den Sionieten dierbaar. Nu moet je weten, Styntje, dat
+ik niets verdragen kan; myn hoofdje is zo zwakjes, zo zwakjes: och ja!
+en toen raadden zy my wat te gaan liggen, en dat deed ik. ô Wat
+bezorgden zy my! maar ik was danig bedwelmt.--'s Ogtends ontwaakte ik
+vry wel, maar ik was toch bezwaart, om dat ik onder zo vele stichting
+my door het schepzeltje had laten vangen. Bregt was ook ziek, zei ze.
+'t Was laat, toen wy opstonden; zy was stom dronken geweest. Daar ga
+ik in myn binnenkamer, en zie myn Geldkoffertje niet, daar het plagt
+te staan: "Bregtje, riep ik, heb jy 't Kistje verzet?" "Och neen, zei
+ze, is 't weg? en ook 't zou my wat zwaar zyn alleen." Want Styntje,
+ik had veel contant geld van afgeloste Obligatiën, en een Huis, dat ik
+verkogt had, en myne Juwelen lagen er ook allegaar in; en daar hing zo
+een groen kleedje over; och ja, Styntje, Bregt vertelde my toen, dat
+Keetje haar wyn hadt ingedrongen, (maar dat zei ze ook eens van myn
+Nichtje,) en dat zy haar toen in de keuken op kussens hadden neêrgelegt;
+meer wist zy niet te zeggen. Nog dogt ik geen kwaat van die Hellewigten.
+Och, dagt ik, Bregt zal de deur hebben open gelaten, en 't Kistje zal
+gestolen zyn! Ik zond een kruijer naar Benjamins kamer, en naar die van
+Kee; maar de Buren zeiden, dat de Kamers leeg waren, dat zy voor een dag
+of agt wel meubeltjes hadden zien wegbrengen, maar wisten niet waarhenen.
+Ik ging voort naar Domine P., die my raadde het in de Courant te zetten,
+en zo te zien, dat zy in handen der Justitie kwamen, dat zal ik doen. Nu
+ben ik wel twee derde deel van myn goedje kwyt. En al myn Nichtjes goed
+hebben zy laten staan. Bregt, nu zy weet, dat ik arm ben, bejegent my
+vreselyk en vreselyk. Nu zal dat jonge dartele Saartje lachen, en my
+bespotten; en de Heer Blankaart, haar Voogd, komt ook t'huis. 't Water
+is aan de lippen. Ja, dien man heb ik ook zo belastert; och ja!
+
+Hy heeft het wel gezeit! Zanneke, zei hy, dat volk loopt op je zak, ze
+bedriegen je. Jy bent een regte Saulus, zei ik dan. En wat gaf Benjamin
+niet voor, dat hy zo eene innerlyke dingsigheid voor my hadt: hy was jong,
+moet je weten; hy hoopte, dat wy nog eens tot éénen vleesche zouden worden,
+wy die twee waren van natuur. Wel heden, Styntje, het er niet een heel
+praatje gegaan, dat ik één jok met den Broeder zou aantrekken; en heeft
+de Heer Blankaart, heel in dat Paapsche Vrankryk, er zich niet mede
+bemoeit? Als ik zo alles nadenk, zou ik myn gryze hair wel uit men hoofd
+scheuren. Myn geld, myn kostelyke geldje is weg, ik ben bedrogen. Och! wat
+ben ik een droevig sukkeltje! En hoe zal myn Nicht nu tot opspringens toe
+blyde zyn! Nu zal zy zeggen, straft onze lieve Heer myn Tante, die my zo
+kwalyk bejegent heeft. Zie, ik moest je dat zo allegaar eens schryven.
+Schryf een lettertje aan
+
+ Uwe elendige Zusje,
+
+ ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+[Illustratie: ha! da's een kereltje! zei hij!
+Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave
+van 1782.]
+
+
+
+
+HONDERD-ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+_Vriendinne Hofland!_
+
+Ik weet nog niet, of ik my over uw geval bedroeven of verblyden moet:
+maar ik ben zeer neêrslagtig, als ik zie, dat er zulke goddeloze
+menschen in de Waereld zyn, die, _onder den dekmantel der Godzaligheid_,
+erger doen dan zy, die niet leven onder de indrukken van Dood en
+Eeuwigheid. Gy zyt dan het slagtoffer hunner geveinstheid en godloosheid!
+Wat zal ik zeggen! De wegen des Heren zyn onnaarspeurbaar, en de middelen,
+die hy aanwendt, om verdoolde schapen tot de regte Kooi weêr te brengen,
+aanbiddelyk. Ik verheug my, dat de Here u zo lief heeft, dat hy u juist
+ontneemt, daar gy uw hart op gestelt hebt, en waardoor gy altoos in 't
+goede te rug gehouden wierdt. Ik heb u lang met meêlyden beschouwt, om
+dat ik zulk schuim van Oefningsvolkje kende.--Ik weet, dat men daar, met
+oogen vol overspel, en een hart vol boosheid, een vrybrief naar den Hemel
+krygt; en ik ben in lang voor een openbaar zondig mensch zo bang niet, als
+voor zulk soort. Wel, zo de Apostel Petrus eens in uwe Oeffening gekomen
+was, dan zou hy tegen Benjamin ook gezeit hebben: _ô! gy kind der Helle,
+vol van alle bedrog en godloosheid_, zo als hy tegen Simon den Tovenaar
+zei.
+
+Ik heb u, daar ik God nog voor dank, gewaarschuwt. Wat zou ik my anders
+nu bezwaart gevoelen! Maar gy zaagt my aan voor hunne Vyandinne, en ik
+vond geen ingang tot uw verbystert hart. De Here zelf moest u uwe zonden
+voor oogen stellen. Gy waart gierig, onrechtvaardig, boosaartig, nydig;
+gy deedt uw eige Zusters Dochtertje te kort. De gierigheid zou u voor
+altoos bedorven hebben; want gy waart gerust in uwe ongerechtigheden;
+men maakte u wys, dat dit uwe Koningszonde was; dat gy zo iets moest
+hebben, om u laagjes te houden; zo een _Engel Satanas_, die u sloeg. Hoe
+meer gy afweekt van het kenmerk eens waren discipels des Heren, hoe meer
+men u wys maakte, dat _gy by Jezus waart_.
+
+Om u tot bekering te brengen, ontneemt de Here u dat goed, en wel door
+uwe geveinsde Vrienden. Gy hadt met Gods oude Volk twee ongerechtigheden
+begaan. _Hem, den Springader des levendigen Waters, hadt gy verlaten, en
+u zelf gebroken Bakken uitgehouwen, die geen water en houden_. Is u de
+Bekeering ernst, wel zie daar, ik geef u een zeer goed Toetssteentje.
+Kunt gy Gode hartelyk danken, om dat hy u dat aangebeden geld ontnomen
+heeft? Kunt gy u in Gode verblyden, om dat gy uit zulk een _geestlyk
+Sodom_ geret zyt? Kunt gy besluiten, om aan uwe Nicht schuld te bekennen,
+haar al het hare te geven? Kunt gy den Heer Blankaart om vergeving bidden;
+om dat gy zyn Voogd-Kind als gedwongen hebt, om, in hare jonge jaren, de
+ruime Waereld in te gaan? Ik vraag u niet, of gy uit waar berouw u voor
+den Here kunt vernederen; als gy het eerste doet, zal dat wel volgen; en
+kunt gy tot het eerste niet komen, het laatste zal u weinig helpen. Ja,
+Vriendinne, het zal danig op den ouden mensch der zonde aankomen. Maar
+dit is de ware zelfsverlochening. Dit is de Evangelische Leer. Dit is het
+_Innig Christendom_. Buiten dit is alles ydelheid; _dan hebt gy geen
+Godsdienst_. Doet gy dit al? dan zult gy vreugde en rust hebben, en gy
+zult den Here danken, om dat hy u uwen afgod ontnomen heeft. Gy zult
+zien, dat uw verlies tot winst wordt.
+
+Laat Bregt gaan, zo gy kunt; zy voegt beter by de Benjamins en
+Slimpslamps, dan by u. Ik zal u een goed mensch bezorgen, om uw werk
+te doen, tot dat wy weten wat en hoe. Vervolg de boze Huichelaars
+niet; 't is geld vergeefsch uitgeven, en u zelf tot bespotting
+maken.--Als ik weet, of gy mynen raad goedkeurt en opvolgt, zal ik
+verder met u spreken. Beproef u aan het Heilig woord, en laat my eens
+weten, hoe gy gezint zyt; want daar van zal myn gemoedshandel met u
+afhangen. Beproef ook, of myn raad uit God is. Altyd gedenk ik u in
+myne gebeden, want ik ben in waarheid
+
+ Uwe Vriendinne,
+
+ STYNTJE DOORZICHT.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Arnold Helmers, Aletta's vroegere
+weldoener, schrijft haar: neem neef Pieter, _is zeer geschikt voor
+je_.
+
+
+HONDERD-DERTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland komt tot de lektuur van
+_Thomas à Kempis_: Imitatio Christi. Brecht _is in een bierkroeg
+verzeild_.
+
+
+HONDERD-EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik heeft Sara gesproken; _zeer
+zwak, maar beterend_.
+
+
+HONDERD-TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.--Aletta aan Helmers; ze kent Pieter
+heelemaal niet! maar haar hart is vrij, misschien....
+
+
+HONDERD-DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.--Stijntje Doorzicht héél wijs en
+vroom aan Zuzanna Hofland: ze haat volk als Benjamin c.s.; van Sara
+heeft ze een lieven indruk.
+
+
+HONDERD-VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis bericht Sara de
+thuiskomst van Moeder en haar; ze zullen veel te praten hebben. _Zij
+weet van de historie met R. niets_. Zij zelf gaat binnenkort trouwen.
+Is Smit eenmaal ergens beroepen, dan _blijft_ hij er; _hij is
+gematigd, houdt niet van godsdiensttwist_.
+
+
+HONDERD-VIJF EN DERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan H. Edeling; zij
+houdt den zieken Hendrik op de hoogte; Sara _gevoelt zich_ H. _nu
+vooral niet meer waardig_, toch verlangt ze naar Hendrik, evenals naar
+Blankaart, _die al op reis is_ huiswaarts.
+
+
+
+
+HONDERD-ZES EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
+
+
+_Ge-eerde vrouw!_
+
+Gy zyt immers niet moeilyk, om dat ik uwen laatsten Brief niet
+beäntwoort heb? Hoor, Mevrouw, ik ben niet al te wel te vreden op u,
+en knorren op eene vrouw, dat is my onmooglyk; (op een stout meisje
+bruit er nog zo wat meê heen.) Maar, zie, ik kan ongelyk hebben: nu,
+wy zullen dat appeltje wel schillen; want ik kom t'huis, en 't zal er
+onder en overgaan, zo Saartje maar zie zo veel op de kerfstok heeft;
+en als het op de eene regent, zal het op de andere druppelen; want men
+heeft my zo wat gezegt, dat my verdort en verdort weinig aanstaat. Jan
+struksje! als ik evenwel eens bedrogen was? wel, dan wierd ik averegts;
+en ik mogt u wel, met een strop om myn hals, en een brandende kaars in
+myn hand, om vergeving bidden; zo als ik hier wel gezien heb, dat de
+Papen voor de Heilige Maagd deden.
+
+Nu, dat zal zich wel redden! Ik zal u onderwyl maar eens verhalen, dat
+ik met twee goeje, grote, lange Hollandsche Jongens t'huis kom. Ja, ik
+heb al rare klugten! Daar kom ik, 's daags voor ik uit Parys gaan zal,
+in een Hollandsen Logement, het eenige, dat er in de hele godgantsche
+Stad te vinden is; en daar ik meermaal naar toe ga om eens Hollandsche
+knap te eeten, en een schoon servet te hebben. Ik zit vredig en wel aan
+myn tafeltje; met Snap, myn Patryshond, zo aan myn zy, braaf te schransen,
+toen er een fraai jong Heer inkomt, die er uitzag als een bloeijende roos,
+en dat neemt my aanstonds ten voordeel van zulke jonge maats in. Hy sprak
+zeer goed Hollandsen: jy bent geen Fransch fatsoen, dogt ik, maar wie ben
+je? Nu, ik kon dat zo niet vragen: _hei, hoor eens hier! jy, met die
+groene rok daar, wie ben je_? Nog geen half kwartier daar aan, of daar
+komt myn oude kennis, myn beste Willis. Ik stond op, en gaf hem, op zyn
+vaderlands, de hand. Welkom, myn jongen, zei ik: kom, zit aan, en eet wat
+met my; en ik vroeg hem duizend vragen te gelyk. "ô, Zei de goeje jongen,
+myn Heer Blankaart, wat heb ik naar u gezogt! men zeide, dat gy vroeg
+waart uitgegaan, meer niet; ik heb wel in vyftig Coffyhuizen en Logementen
+geweest, gy waart er niet; eindlyk zei een Heer, die u scheen te kennen,
+dat de goede Heer Blankaart zeker aan zyne Hollandsche maaltyd zat; en hier
+uit besloot ik, die uwe gewoonte ken, dat gy in dit Logement waart:" Hy
+vroeg my aanstonds naar het stout Dingetje; en ik zei, dat alles wel was;
+wat zou ik gezeit hebben?
+
+Myn mooije jongen hoorde naauwlyks, dat ik Abraham Blankaart was, of hy
+kwam by my, en zei, dat hy ook verzogt om de eer van met my te eeten;
+"ik kan my niet beter by u recommandeeren," zei hy, "dan door u te zeggen,
+dat Hendrik Edeling myn eigen Broeder is."
+
+Zie, Mevrouw, dat was my zo aangenaam, zo aangenaam, dat ik het niet
+zeggen kan. Komt, kinderen, zei ik, zit aan, en weest myne Gasten. Zy
+aten als rovers; en de wyn, die 't hart verheugt, smaakte zo goed, dat
+ik myn flesje kraakte. Toen aan 't praten over Oost en West, over
+negotie, over ik weet niet al waar van. Zie, onze jonge lui weten toch
+veel meer dan wy; dat is niet anders; en daar ben ik blyd om. Edeling
+zei, dat hy op zyn vertrek naar Holland stondt. Willem zei ook zo;
+doch dat hy nog drie dagen moest vertoeven, om aan zyn Patroons order
+te voldoen. Wel, zei Edeling, dan zal ik naar u wagten. Ja, zei ik zo,
+jonge lui, ik meen ook te gaan. Daar hadt men 't leven gaande! "dat ik
+hun toch mede nemen wilde; dat zy toch zo gaarn met my wilden reizen."
+Wat zou ik doen? Ik ben een ouwe Gek; om die twee jonge vlasbaarden
+werdt myn reis nu nog drie dagen uitgestelt. Nu, wie weet, hoe wel ik
+er aan doe? Als 't immers myne kinderen waren, zou ik blyde zyn, dat
+zy met een ordentlyk man t'huis kwamen; en ook, 't zyn lieve jongens!
+Edeling is niets dan vreugd en vernuft; en Willem, wel, dat is de
+beste jongen in heel Amsterdam, zeg ik u.
+
+Toen wy van tafel opstonden, zei ik: "Kom, jongens, nu zullen wy eens
+hier en daar gaan, en het een en ander gaan zien. Die te Romen is,
+moet den Paus spreken;" en ik sleepte hen ook braaf door den mostert:
+Maar wat ben ik nu in myn kragt! Nu hoef ik myn schrale voorraat van
+Fransch niet benaauwt uit te stallen. Dat koetert, dat koetert; 't is
+of die Edeling zyn tong voor 't Fransch gemaakt is. Tegen den avond
+ging ik met hun naar mynent, en zei: "komt, haal je lui je Valiezen
+maar; ik moet je lui by my houden." Wel, myn hart springt op, als ik
+een Hollander zie; en geen wonder, myn Snap is net al eens: en dat is
+nu maar een hond, wil ik spreken; zo dat ik hield hen beide, en dogt;
+"'t Is een verleidelyke plaats; en als zy by myn zyn, valt er niet op
+marode[1] te gaan." De beide jongens hebben veel met elkander op; dat
+is braaf: men weet niet, waar het te pas komt, een mensch zonder
+vriend is een droevig schepzel. Daar was nu Saartjes Vader, wel die
+was my zo een waart vriend, dat zyn plaats in myn hart maar niet kan
+gevult worden. Mooglyk, als wy zo wat oudägtig worden, Mevrouw, wil
+dat zo goed niet meer. _Alles_, zeit de wyze man, _heeft zyn tyd_.
+En 't is ook zo; ik ondervind het zelf wel.
+
+Ik meen myn reis op Brussel te nemen, en het heerlyk Brabandsch
+Quartier nog eens door te trekken; dan gaan wy op Antwerpen, daar ik
+ook nog iets te doen heb, en denk over Rotterdam naar Amsterdam te
+komen, om het overschot myner dagen buiten beslommering door te leven,
+tot dat de Here God Abraham Blankaart in zyn zalig ryk zal opnemen;
+want dat is toch het voornaamste, en daar by is al ons gedraaf en
+gewin maar fut. Ik ben nu ruim vyftig jaar, en schoon ik, God dank! zo
+gezont als een visch ben, en noch van ziekte of podagra weet, zo denk
+ik, dat het best is om voor de grote reis zo onder de hand wat
+klarigheid te maken; want men kan toch nooit weten, wanneer het de
+Dood gelegen komt ons te bezoeken, zo dat het best is om altoos gereet
+te zyn. Wat zegt gy, Mevrouw? Als ik de stoute Meid maar gelukkig in
+het fuikje zie, dan is alles wel. Nu, Mevrouw, zo als ik zeg, ik ben
+knorrig op u. _Men hoort verre, dat de Winter kout is: maar, als de
+maan vol is, schynt zy overal_. Groet myn meisje, en geloof dat ik van
+harte ben
+
+ Uw misnoegde Vriend,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noot:
+
+[1] Maraudage, hier "avontuurtjes".
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER WILLEM WILLIS AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
+
+
+_Tederbeminde Hoogstge-eerde Moeder_!
+
+Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, dat er voor my gelegen is,
+in u myne gedagten medetedelen, en om u, het geen my, is het van eenig
+belang, ontmoet, te schryven. Uwen dierbaren Brief heb ik met de
+oprechtste dankbaarheid en eerbied gelezen. Ik hoop, dat ik u niet ten
+eenenmale zal hebben te leur gestelt, omtrent uw verlangen nopens de
+beminnelyke Juffrouw Burgerhart. Het geen my hier is voorgekomen,
+geeft my, ter bereiking van uw oogmerk, nieuwe vermogens; om dat ik
+waarlyk zó wensch te doen, als uwe Moederlyke liefde van my vordert.
+
+Toen ik te Parys kwam, was myn eerste werk, om den Heer Blankaart op
+te zoeken: dit gelukte my, na veel lopens en dravens. Ik vond hem den
+zelfden man, als ik hem altoos vond. Hy was zeer verheugt my te zien,
+en heeft, om met my, en nog een Amsterdams Heer, Cornelis Edeling, te
+kunnen reizen, zyn reis nog drie dagen uitgestelt. Wy logeeren by hem.
+Hy moet zeer ryk zyn, want hy leeft hier net als in zyn eigen huis. Gy
+kunt wel denken, lieve Moeder, dat ik voort naar myne Beminde vroeg?
+'t Was alles wel; zei hy. Des avonds by elkander zittende na dat wy
+den maaltyd gedaan hebben, zat hy in zyn praatstoel, en vroeg ons, of
+wy nog geen meisje hadden? Ik zuchtte. Edeling lachte. "Dat zou, zei
+de jonge Heer, schande zyn voor ons, geen meisje, en drie vier en
+twintig jaar!"--"Eer heeft uw hart," riep de goede man, en vreef in
+zyne handen van genoegen. "Nu, Willem, (tegen my,) hoe zit het by
+u?"--"Hopeloze liefde, myn Heer Blankaart; ik bemin Juffrouw
+Burgerhart; en ben overtuigt, dat zy myne Vrouw niet worden kan."
+--"Wel, voor haar dan een ander, die u beter lykt:" hervatte hy.
+
+_Ik_. Daar kan ik niet aan denken.
+
+_Hy_. Nu, 't is nog vroeg in 't Gasthuis; doch op Saartje moet gy geen
+staat maken. Ik zal voor u ook wel een goeje Vrouw opschommelen, en
+die voor u veel beter zyn zal; want zie, Willem, al had ik eene eige
+Dochter, en gy kost er gelukkig meê zyn, ik gaf ze u, met de helft van
+myn goed er by: ik hou veel van u: en ook, hier, onzen Vriends Broêr
+verkeert naar haar, en zo zyn Vader my maar niet te veel malens aan
+den kling maakt, zal ik haar geven: hy is de man, dien zy hebben moet;
+dat zeggen alle menschen, die hem en haar kennen. Kom, je moet niet
+bleek worden, Willem; ik zal u óók helpen; jy zult een Vrouw als een
+geschilderde paerel hebben: laat ik zelf maar te Amsterdam zyn: ik
+weet zo iets voor u, dunkt my.
+
+_Edeling_. Lieve, goedaartige Heer! mag ik my ook wel in uwe gunst
+bevelen!
+
+_Hy_. Hoe, moet ik voor u ook zoeken? Neen, neen, dat niet: met Willem
+is 't wat anders! ik moet hem schadeloos stellen.
+
+_Edeling_. Kom, ik zal alles maar opbiegten, op hoop van eene goede
+absolutie te krygen: maar laten wy eerst uw gezontheid eens oud
+vaderlands drinken. (_Wy deden zo, en de Heer Blankaart gloeide van
+genoegen_.)
+
+Ik heb juist, uit vrees voor myn Vader, die de beste, de eerlykste,
+maar ook in eenigen opzichte de wonderlykste man is, iets gedaan, dat
+my, vrees ik, droevig zal opbreken!--Ik ben daar zo maar op myn eigen
+houtje verlieft gaan worden, toen ik te Leiden studeerde. Het meisje
+is al, wat men van de Goden zou kunnen wenschen, doch zy, en hare hele
+familie, schynen niet zeer in de gunst van een zeker mal, blint,
+capritieus, oud Wyf te staan; en zyn daarom niet meer dan burgerlyk
+gegoet.
+
+_Blankaart_. En wie is die lelyke Torntoffel? de een of andere kwezel
+van een Tante, denk ik! (_Hy lachte tegen my, of hy zeggen wou, ik
+denk aan Tante Hofland_.)
+
+_Edeling_. Och, 't is een elendig wyf; en ze leeft met de menschen,
+als de Duivel met de takkebossen.
+
+_Hy_. Is 't een Leidsch maakzel?
+
+_Edeling_. Neen; men zegt, dat zy van Amsterdam herkomstig is, en nu
+durf ik, om dat hagelsche Wyf, er nog minder van kikken! want myn
+Vader is niet gierig, doch hy zegt altyd, men kan van een mooije tafel
+niet eeten; en, dewyl hy my op _het advocaten_ bestelt heeft, zal ik
+voor eerst myn geld wel alleen tellen kunnen.
+
+_Hy_. Maar hoe hiet dat lelyk Vrouwmensch?
+
+_Edeling_. Mejuffrouw _de Fortuin_.
+
+_Hy_. ô Gy Platvisch! daar heb je een ouwe rot in de val; (_en hy
+schaterde van lachen_.)
+
+_Edeling_. Wou je nu voor my ook een goed woordje spreken by Papa;
+want het zal vreeslyk op myn land waaijen: en zeker, ik heb alles zo
+niet bedagt.
+
+_Hy_. Wel, zo 't buiten dat wel is, daar is myn hand, Jongen. Ik zal
+wel zien, dat je er genadiger afkomt, dan je verdient; zie, 't is uw
+Vader: en jy hebt niet bon gedaan. (_Hy trok zo een potzig bakkes, dat
+ik hem niet aan kon zien zonder lachen_.)
+
+_Edeling_. Daar is wat aan, maar hoe zal ik het nu redden? Want myn
+meisje is al wat ik in de waereld begeer, zo als men zegt: dit is
+waar, dat ik haar oprecht bemin, en dat zy my lief heeft: zy is wel
+opgevoet, en van een oud eerlyk geslagt. Zo als ik zei, spreek een
+woordje voor my, myn lieve Heer Blankaart!
+
+O! hoe beminnen en achten wy deezen dierbaren man! Lieve Moeder, is
+'t niet jammer, dat de Heer Blankaart geen Vader is van een talrijk
+huisgezin? Dat zeiden wy ook eens. "Ja, Jongens, zei hy, dat spyt my
+genoeg, maar alle brave nyvere goede jonge meisjes en jongens zie ik
+aan voor myne kinderen, daar ik ook wel wat goed voor moet zorgen. Ik
+zeg altijd, Abraham Blankaart, een eerlyk man heeft altoos erfgenamen,
+myn Vriend; en terwyl ik leef, doe ik zo veel goed, als ik maar grypen
+en vangen kan. Kom aan, wat had ik nu aan al myn geld, als ik een Nero,
+een Niemands-vriend was? En nu, wel ik ben overal welkom. Meisjes,
+jongens, jonge Vrouwen, kleine springertjes, al dat goed is om my, als
+of er goud uit my te halen is; en ik ken geen groter waerelds-genoegen,
+dan bemint en gedacht te zyn van goede menschen: al 't overige is maar
+waweling."
+
+Groet myne lieve Tante, waarde Zuster, en Vriend Smit, dien ik mondeling
+hoop te feliciteren, en te bedanken voor zynen Broederlyken Brief.
+
+Ik ben met de tederste hoogachting,
+
+ Uw gehoorzame Zoon,
+
+ WILLEM WILLIS.
+
+
+
+
+HONDERD-ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling aan Hendrik: hij heeft
+Blankaart ontmoet; voortreffelijk!--Parijs is heerlijk, _de Franschen
+zijn sympathiek_.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING.
+
+
+_Lieve Broeder_!
+
+Ik ben eenige dagen zeer ongestelt geweest, en heb zelf drie dagen het
+huis moeten houden. Uw laatsten, uit Parys geschreven, heb ik ook daar
+op 't oogenblik ontfangen. Ik verheug my over uw kennis met dien
+waarden man, als ook over de gunstige gedagten, die hy te mywaards
+voedt: Den heer Willis hoop ik eens met myne byzonderste vriendschap
+te beschenken, gelijk ik naar de zyne vurig verlang: ik ben voorbereit,
+om hem hoog te achten, en te beminnen.
+
+Ik zal myn verhaal vervolgen: Zo dra ik het wagen durfde om uittegaan,
+ging ik naar het Huis van Mevrouw Buigzaam, en werdt van myne Beminde
+met alle tekenen van heuschheid en vriendschap ontfangen. Zy is wat
+afgenomen, doch de koortzen houden op; en nu, nu heeft zy eene zagtheid
+in haar gelaat, die my nog veel meer bekoort.
+
+Zy was alleen t'huis: Mevrouw Buigzaam was met de jonge Juffrouwen
+naar de Kerk, en Juffrouw Hertog op haar gezelschap. Ik zat by haar,
+en nam de vryheid van hare hand te nemen, terwyl ik my informeerde
+nopens haren welstand, en zei, dat ik my veel beter gevoelde, 't geen
+zy met een zeer merkbaar genoegen hoorde. Deeze gelegenheid, ging ik
+voort, is te gunstig, dan dat ik die niet zoude gebruiken, om u
+nogmaal van mijne liefde de sterkste verzekering te doen, ik weet wel,
+dat de liefde geen vrucht van dwang is; maar ik hoop echter, dat gy my
+eens met meer onderscheiding zien zult. Mijne liefde is niet romanesq[1]:
+de hoop alleen is in staat, om my te doen volharden. ô! Dat gy my nog
+eens beminde; nooit zoudt gy u beklagen, dat gy my den voorrang in uw
+genegenheid gegeven hadt!
+
+_Zy_. Ben ik wel geschikt, om u zo gelukkig te maken, als gy verdient
+te zyn? ô Myn Heer Edeling, laat ik, vóór ik een besluit neem, nog
+eerst myn karakter beter vormen naar dat der Dame, die ik als myne
+Moeder eerbiedig! Ik ben zo bedagtzaam, zo bedaart, zo bestendig niet,
+als zy, die uwe liefde verdient, behoort te zyn. Ik vorm my zulke
+ernstige denkbeelden van het Huwlyk! Ik vrees, dat ik nog niet geschikt
+ben, om myne bespiegelingen altoos tot betrachtingen te verhogen. Ik
+wagt den Heer Blankaart binnen weinige dagen; laat ik met hem alles
+eens overwegen. En gy hebt immers een Vader, myn heer Edeling?
+(_Ik voelde die zet_!)
+
+_Ik_. Dat is zo: maar kunt gy een oogenblik twyffelen, of myn Vader
+zich niet vereert zoude achten met zo eene Dochter? Hy zal mooglyk
+eenige bedenkingen hebben, over het geen de goede man _onderscheid van
+Religie_ noemt; gy weet, ik behoor tot Lutersche Gemeente, maar de
+Heer Blankaart en myn Vader zullen dat wel vinden.
+
+_Zy_. Indien dat nodig wordt, twijffel ik daar ook niet aan: wat my
+betreft, ik zal dit omtrent u zo weinig in aanmerking nemen, als gy
+omtrent my deedt. Doch het is nog zo ver niet.
+
+_Ik_. Uw Voogd komt (zo schryft myn Broeder my,) met den Heer Willis
+en met hem t'huis, zij hebben elkander te Parys ontmoet. Hoe aangenaam
+zullen deeze drie reizigers zyn!
+
+_Zy_. Dan krygen wy elk een Broeder t'huis? want Willis is myn Broeder;
+als gy hem kent, zult gy myne keuze billyken.
+
+_Ik_. Dat doe ik nu reeds: ik ken Willis.
+
+De Kerk ging uit, en wy veranderden van discours. Mevrouw Buigzaam en
+de beide Dames waren verheugt, my zo veel beter te zien. Ik bleef er
+dien gehelen avond tot tien uuren, want Mevrouw deedt ons de eere aan
+om te spelen. Nooit hoorde ik zulk een zielen-muziek. 't Is meer dan
+kunst! Ik hoop, dat gy 't eens zult horen.
+
+Zy nam occasie, om my alleen te spreken, en zei: "daar, myn Heer
+Edeling, lees dit geschrift; dan zult gy eerst uwe beminde Burgerhart
+recht kennen: zy weet niet, dat er u iets van bekent is. Hou dit in 't
+oog." Ik lei het Papier in myn brieventas; en afscheid genomen hebbende,
+spoedde ik naar huis om te lezen. Ik at niet, maar ging, Vader gegroet
+hebbende, naar myne kamer. Lees, en dan zult gy kunnen bezeffen, wat in
+myn hart, onder het lezen, is omgegaan! Ik heb het voor u gecopiëert,
+doch moet het te rug hebben, zonder dat gy er iets uittrekt.--Hier op
+vertrouwende, geef ik u het
+
+
+VERHAAL.
+
+
+_Dierbaarste Vriendinnen_!
+
+Ik begin dan aan een Verhaal, dat my onmooglyk is mondeling te doen;
+ik schryf dus. Geloof heilig, dat ik het onder het zegel der waarheid
+schryve: ô, hoe ben ik in myne eigen oogen gedaalt! Waarom heb ik niet
+meer acht gegeven op my zelf; op hen, met wie ik omging; op den raad
+myner Willis, en op den uwen, ô beste der Vrouwen! Ik zal boete doen:
+ik zal myne dwaasheid afwisselen, tegen de volkomenste geleidelykheid
+aan uwe vermaningen; ik zal my zelf zo ver zien opteheffen, dat uwe
+vermaningen in goedkeuringen zullen veranderen. En, zo dikwyls als ik
+eene te grote zucht voor uitspanningen voel, zal ik in myn Kabinetje
+gaan, en dit geschrift, ter myner beschaming, lezen. Laat ik beginnen:
+
+Ik ging met den Deugniet, gelyk gy weet, in den _Hortus Medicus_, vast
+voornemende, om nooit weêr met hem uittegaan; en echter hy was dezelfde
+beschaafde, aangename, fatsoenlyke man omtrent my. Hy liet my in den
+_Hortus_ alles zien; leidde my veel uit van 't geen ik zag; en ziende,
+dat ik zulk een groot vermaak vond in dit alles te zien, stelde hy my
+voor, of ik ook plaizier had, om eene zeer fraaije Plaats te zien, van
+een zyner Vrienden; de Heer en Dame, zei hy, zyn wel niet Buiten, maar
+dat zegt niets, men weigert nooit een fatsoenlyk man om die te zien; er
+is zeer veel uitheemsch gebloemt. Ik, die in dit voorstel niets ontwaarde,
+dan genenenheid om my te verpligten, stond dit geredelyk toe. Wy gingen
+des vry spoedig uit den _Hortus_, de Plantage door, de Muider-Poort uit.
+Nooit had ik zo veel geest, zo veel vrolykheid, zo veel levendigs in hem
+bespeurt, 't Sloeg vyf uuren, zo als wy buiten waren. "Is 't ver?" vroeg
+ik. "ô! Wy zullen er binnen 't half uur zyn, als wy wat aantreden." Ik
+deed zo, en 't was bykans zes, toen wy voor een laan stil hielden, die
+op een zeer fraai huis liep. Het Hek stondt aan. Hy ging de Plaats met
+my op, en den Tuinbaas ontmoetende, vroeg hy, is myn Heer of Mevrouw
+t'huis, "neen, was 't antwoord, maar dat is het zelfde." "Wilt gy het
+huis niet eens zien?" (tegen my.) "Ja, maar ik zie liever bloemhoven,
+dan lambrissementen[2]." Wy traden in 't huis.
+
+_Hy_. (_tegen den Tuinman_.) Deeze Dame heeft geen thee gedronken;
+hebt gy ook kokent Water? Toe, jongen, brengt het schielyk, met het
+geen er by hoort; gy weet uw Heer en ik zyn Vrienden. (_De Kerel ging
+heen; ik had geen zin aan hem, hy hadt een lelyken uitkyk_.)
+
+_Ik_. Gy doet te veel moeite, myn Heer, als ik maar een glas bier
+mogt!
+
+_Hy_. Ik geef nooit bier, als de meisjes warm gegaan zyn, en dan stil
+zitten.
+
+_Ik_. Wel, laten wy wandelen.
+
+_Hy_. Eerst wat uitrusten. (_De Tuinman bragt theegoed, wij dronken
+spoedig een kopje_.)
+
+_Ik_. Kom, nu de bloemen gaan zien; het wordt al tyd.
+
+(_Hy stondt op, en met eene houding, die my verbaasde, zeide hy, dat
+hy my beminde, dat hy smoorlyk op my verlieft was; en dat hy niet
+twyffelde, of dit had ik wel gezien; hier aan schreef hy ook de
+goedheid toe, die ik had gehad, om met hem te gaan, dewyl men daar in
+huis zo gegeneert was. Yder woord ontstelde en vertoornde my: ik zei_:
+Gy beledigt my ten hoogsten. Nooit heb ik iets, zelf schaduwachtig,
+gedagt van 't geen gy zegt; en zo ik het gedagt had, geloof my, dat ik
+niet met u zou gegaan zyn. (_Hy lachte, en wilde my kusschen_.) Hou
+af, zei ik; gy railleert te sterk.
+
+_Hy_. Hoe, neemt gy het dus op? dan bedriegt gy u; want (_en hy zwoer
+een duren eed_,) het is my ernst; ik bemin u: gy zult de myne zyn;
+(_al weder naar my toe dringende_.)
+
+_Ik_. Hou u gerust! Gy bedriegt u, zie ik, omtrent my: zo gy my
+beminde, zoudt gy my dus niet kunnen vernederen: Laat my gaan, ik wil
+hier niet langer blyven.
+
+_Hy_. Laat my gaan; ik wil hier niet langer blyven! ô, Zo spreekt men
+niet tegen een man, als ik ben; en dat op zyn eigen Plaats. (_Ik
+bestorf als myn linnen_.) Zie, meisje, al die grote gevoelens zyn by
+my niets dan meisjes beuzelaryen. Evenwel, gy zyt nog te bekoorlyker,
+nu gy zo een fraai rolletje speelt. Kom, myne Saartje, laten wy
+gelukkig zyn; de tyd is kostlyk, zo gy ten minsten dwaas genoeg zyt,
+om naar huis te willen keeren. Myn Fagon is anders al Buiten, de
+Paarden staan, met de leisels opgeknoopt, op den stal, en in weinige
+uuren zyn wy ver van hier; want ik waag er myn beste hartdraver aan.
+(_Hy wilde my weder kusschen_.)
+
+_Ik_. Schelm! Deugniet! Judas!
+
+_Hy_. Al wat gy maar wilt, myn Engeltje, mits dat gy my gelukkig maakt.
+(_Hoe ik te moede was, kunt gy eenigzins opmaken, maar ik hield my
+moedig_.)
+
+_Ik_. Ik ben, zie ik, in uwe magt; maar veel eerder dan uwe verfoeilyke
+oogmerken te beantwoorden, zal ik het uiterste wagen; ik zal gerugt
+maken, zo gy de deur niet open doet.
+
+_Hy_. Ik doe geen deur open, en of gy gerugt maakt of niet, het zal
+niets helpen; niemand hoort u. Kom, gy hebt u genoeg verweert. Zelden
+had ik zo veel werk met myne Lievertjes. Gy hebt gestreden voor uw
+harssenschim; dien lof geef ik u; maar nu eisch ik uwe overgave.
+(_Ik werd woedent en was door de sterke aandoeningen op 't punt van
+te bezwymen; de vrees zelf gaf my kragten. Ik wilde een raam open
+schuiven_.)
+
+_Hy_. Neen, Kindje, daar is voor gezorgt; ik hou om de dood niet van
+buren-gerugt. (_Hy werdt, dagt my, kwaadaartig over zyne te leurstelling!
+ô Myne Vriendinnen, heb ik my zelf dan iets te wyten, gaf ik aanleiding;
+immers niet met myn weten_?)
+
+_Hy_. Zie zo, 't wordt mooi laat; nu, ik heb zeer goed Logement voor
+u; en ik hoop, dat ik u den tyd aangenaam zal verdryven.
+
+_Ik_. Laat my gaan; 't is nog niet te laat, om in de stad te komen.
+(_Hy lachte_.)
+
+_Hy_. Ziet gy my voor zo een verd... gek aan, dat ik, een prooi onder
+myn bereik hebbende, die zal laten weg vliegen?
+
+_Ik_. Zo ik iets op u vermag, zo gy eenige menschelyke gevoelens hebt
+voor een meisje, dat u nooit beledigde; dat nooit het minste oogmerk
+omtrent u hadt; dat u voor een vriend, voor een eerlyk man hieldt,
+laat my gaan, en ik zal u alles vergeven. (_Ik schreide bitterlyk_.)
+
+_Hy_. Speel vry denzelfden zang, uit eenen andren sleutel[3]; ik hoor
+gaarne _Variantes_, en gy zyt uw onderwerp magtig.
+
+_Ik_. ô Myn Heer, bespot my niet! God weet, in welk een dodelyken
+angst ik ben; ô myne waarde moederlyke Vriendin! ô myn Voogd, wat heb
+ik gedaan?
+
+_Hy_. Wat? wel, gy zyt vry willig medegegaan met een man, die smoorlyk
+op u verlieft is, en die u tot zyne _Sultane Favorite_ hoopt te maken.
+Want zie, mooi Meisje, ik wend niet voor u te trouwen, ik wil u niet
+bedriegen, elk moet zyn rang bewaren. (_Ik zeeg op een stoel neder, en
+ik geloof, dat ik op dat oogenblik in staat zou geweest zyn, om hem
+een mes in zyn schurkagtig hart te drukken: zulk tergen maakte my
+zinneloos. Hy liet my eenige minuten aan my zelf over; maar wat er
+toen in myn geest omging, weet ik niet! Hy naderde my weder_.)
+
+_Ik_. Deugeniet, lieve goede menschen ... ô God! hoort my niemand!
+(_Hy nam my op, maar zweeg; doch al myne kragten zich, machinaal,
+verzamelende, stootte ik hem van my af; hy beet op zyne lippen en
+vloekte_). Toen smeekte ik hem weder, dat hy my gaan liet.
+
+_Hy_. Ja, op de Fargon. (_Ik bedagt my_.)
+
+_Ik_. Kom aan, als het toch zyn moet.
+
+_Hy_. Neen, Meisje, ik versta u. Hier moet gy blyven, geen kuren by
+den weg. Ik had gemeent, dat gij goedwillig met my zoudt gegaan zyn,
+doch nu is die voorzorg onnodig.
+
+_Ik_. Vrees voor de gevolgen; gy zyt niet boven de wetten.
+(_Hy lachte hartlyk_.)
+
+_Hy_. Zou ik niet, Liefde? Weet gy wel, dat de Rechter geen notitie
+neemt van zo een galanterietje? Kan het my schelen, waar ik ben, denkt
+gy? Hadt ik kunnen vermoeden, dat gy my zo veel moeite zoudt gemaakt
+hebben, ik had het wel anders overleit. (_En toen drukte hy my zo
+sterk aan de hand, dat hy my zeer deed. Ik beefde zodanig, dat hy zelf
+deinsde. 't Werdt schemer-avond, en myn dodelyke angst nam alle
+oogenblikken toe_.)
+
+_Ik_. Tyger en geen mensch! Kunt gy my in zulk eene benauwtheid zien;
+wat recht hebt gy op my?
+
+_Hy_. Dat recht, dat yder Ligtmis van myn rang op zo veel meisjes
+heeft, als hy goedvindt in zyn Serail te plaatsen. Of wilt gy, (_en hy
+tradt naar my toe_), dat recht, dat de sterkere heeft over de zwakke.
+(_Ik viel voor hem neder, ik smeekte, ik weende, ik geloof zelf, dat
+ik hem myn waarde R. noemde_).
+
+Ik had al reeds een groot geweld in den stal gehoort, maar 't scheen,
+dat hy er geen acht op gaf. Eindlyk kwam de Tuinbaas in den gang
+lopen, en riep: Myn Heer, de Paarden zyn met hunne poten in de
+leiseelen geraakt; en ik kan het niet meester worden: wat moet ik
+doen: Hy riep, (met een vloek,) _u gaan ophangen, voor ik u den hals
+breek_. De Kerel ging weêr heen, en zei, dat, zo myn Heer de hand niet
+wilde lenen, hy zyn Paarden kwyt was. Razent en scheldent ging hy
+heen, en stiet my van de deur weg, die hy toesloot. Naauwlyks was hy
+weg, of er ging een deur in het vertrek zagtjes open, en daar kwam een
+Boerenmeisje, die my, zonder iets te zeggen, wenkte om optestaan. Ik
+deed het aanstonds. Zy sloop met my uit het huis, en verstak my in
+haar bed op een zoldertje, dat zy wel ter deeg sloot. Ik wist niet, of
+ik droomde, dan of ik wakker was; ik wist niet, of 't bedrog of hulp
+was: alles was even onbekent. Het werdt duister; en niemand kwam by
+my.
+
+Eindelyk hoorde ik beneden lieden spreken; myn bloed stolde in myne
+aderen, en ik weet niet, of ik lang in onmagt was. Doch 's middernagts
+ging de deur open, en het meisje bragt my een groot glas melk met
+water, my wyzende niet te spreken. Zy sloot de deur weêr toe, en,
+dewyl de maan opkwam, zag ik haar zeer onderscheiden[4]. "Nu slaapt
+myn Vader, zei zy, hoor hem eens ronken!" Wie zyt gy, myn goed meisje?
+zei ik.
+
+_Zy_. Ik ben des Tuinmans Dochter, lieve Juffrouw, weest niet ongerust!
+ik zal u helpen.
+
+_Ik_. Laat ik u omhelzen, gy zyt myn Redster. O, gy zult wel beloond
+worden! en als gy wilt, kunt gy altoos by my blyven; maar door welk
+geluk hebt gy my dus verre geret?
+
+_Zy_. Dat zal ik u zeggen: myn Vader was druk in den tuin bezig, den
+helen dag, met de arbeiders, toen de knecht met de Fargon kwam, en hem
+belastte zyn Heer optewagten, doch niet te laten blyken, dat hy zyn
+Heer was. Lieve God, dagt ik, daar zal weêr wat agter zitten! want myn
+Heer is een heel slegt Heer omtrent de meisjes; maar my heeft hy nooit
+gemoeit, dat moet ik zeggen, en zo zeggen al de meiden ook. Nu althans,
+ik was in de kamer, toen hy met u in huis kwam, en dewyl ik voor grote
+lui wat schaamagtig ben, verstak ik my in de naaste kamer in een
+kleêrkast, daar wel twintig rokken in hangen, de eene nog mooijer als
+de aâre. Ik dagt, zy zullen wel gaan wandelen, en dan ik gaauw heen
+lopen, en dan zien zy my niet: zo dat ik alles hoorde. Zie, Juffrouw,
+ik ben Rooms-Kattelyks, en ik bad onze heilige Moeder Gods om hare
+bescherming, en ik bad een vyf of zes _Aves_ en _Paters_, zo al in de
+kast. Wat kon ik doen? zo als gy weet. En toen viel dat met de Paarden
+voor, en toen ging hy heen, en zo haalde ik u, en verstak u in myn
+bed. Ik ging voort in den moestuin zo wat wieden, maar ik hield mij
+maar zo; om dat ik dan bokken kon, en alles afgluren. Het duurde wel
+een half uur, eer alles in 't stal gedaan was, want de Paarden waren
+als wilt, en allemaal door de strengen; dat was het maar. Myn Heer
+ging in zyn huis, en Vader in 't Boerenhuis. Ik geloof, dat hy
+elderments op zyn neus gekeken heeft, toen hy u niet vondt. Hy kwam in
+'t Boerenhuis, en vroeg met hele lelyke woorden, waar dit en dat gy
+heen waart? Myn Vader zei, dat hy dat niet kon weten, om dat hy het zo
+met de Paarden te doen gehad hadt. Toen vloog hy naar 't Hek, en vondt
+het open. 't Is gedaan, zei hy: daar is niet op; nu 't is myn verdiende
+loon, waarom d-r-de ik het Hek niet toe. Hy liep, als een razent mensch,
+al heen en weêr, en toen hy dat ook moê was, belastte hy myn Vader licht
+te geven, en hem wat brood en kaas te bezorgen; die deedt dat. Ik was in
+huis gegaan: Vader vroeg, waar ik geweest was; ik zei, aan 't wieden, en
+dat ik toen om een praatje geweest was; dat was daar meê wel, hy zei my
+niets. Wy aten schielyk onze Bry, en hy ging naar bed. Toen kwam ik boven,
+en hield my stil, tot dat ik hoorde, dat hij wel vast in slaap was. Zie
+daar, zo is de hele zaak, myn lieve Juffrouw.
+
+Myne blydschap was onbeschryflyk; maar zy verdween schielyk door de
+gedagten: hoe zal ik nu door de waarde Vrouw voor een bedriegster, een
+valsch meisje, een ligt jong schepzel gehouden, veracht en verfoeit
+worden! Wat zal ik doen? Hoe durf ik er weêr heen gaan? Hoe zal men my
+ontvangen? Wat zal de brave Edeling van my denken? 't Is mooglyk, dat
+hy reeds by ons geweest is. Zal de deugdzaamste der Vrouwen hem
+omtrent my misleiden? Wat zal zy kunnen zeggen? En ik had haar zo
+plegtig belooft, voortaan my geheel door haar te laten leiden. Hoe zal
+Hartog zich verheugen, indien dit geval ruchtbaar wordt. Kan het
+verborgen blijven? Heeft my niemand gezien? Maar, 't geen my 't hart
+doorboort, hoe zal het teder hart myner moederlyke Vriendin lyden!
+door my lyden!...
+
+Ik was besluiteloos wat te doen. Evenwel, alles al weer overpeinzende,
+dagt ik, 't is echter de eenige nu openstaande weg. Ik moet dit
+getuigenis geven van myne onschuld! "Ach," zal ik met eene bevende
+stem zeggen, "indien ik een slegt Meisje waar, indien ik het oogmerk
+had om u te misleiden, zou ik dan te rug komen, ook vóór ik weet hoe
+gy my ontfangen zult?" Terwyl ik in deeze gedagten als verzonken was,
+zei myn trouwhartig Klaartje, (zo hiet het Boerinnetje,) "Kom,
+Juffrouw, nou moest je op je kousjes my volgen, en zo stil als 't
+mooglyk is; ik heb onze deur efkes aan laten staan." Ik deed zo, en zy
+droeg myn schoenen in haar hand. 't Begon te regenen: de lucht werd
+onweerig en donker. ô, Dat was niets! Zie daar wy buiten de deur! Het
+bed van den Tuinman voorby gaande, hoorden wy hem diep en gerust
+slapen. Ik deed myn schoenen weer aan, en ging met het meisje, agter
+de Boerdery om, al zwygende, en aan haar hand. Ik werd doornat, en
+moest wel een half kwartier door 't gras; ik vroeg niets, zelf niet,
+waar brengt gy my? Toen wy digt by een Warmoezier kwamen, zei zy:
+"God dank, dat 's zo ver! Hoor, Juffrouw, ik breng je hier by brave
+menschen: maar ik moet, zo dra ik je daar in huis zie, naar myn
+Zoldertje: ik moet er op passen, dat ik niet in de kyker raak; 't is
+een boos kaerel, als hy begint."
+
+Zy tikte aan een glas. "Wie daar?" riep een mans stem.--"Ik, zei 't
+meisje, doch met een zachte stem, toe laat my in huis; ik ben zo
+benaauwt."--"Ik kom je by, kind, zei een vrouwe stem;" en zo ging de
+deur open. "Aaltje Buur, zei 't Boerinnetje, ik breng je hier een
+jonge Juffrouw, die verdwaalt is, maar zy zal je alles wel zeggen, ik
+moet voort." Ik kuste haar, en zei haar, waar zy my vinden kon, haar
+een ducaat in de hand stekende, en biddende, zo dra zy durfde, by my
+te komen.
+
+De goede Vrouw ging met my in een agtervertrekje, stak licht op, en
+zag met verbaastheid, dat ik zo wel en kostelyk gekleet was, en
+Juweelen aan hadt. Ik viel op een stoel neder, en schreide bitterlyk.
+Zy maakte vuur aan, lei braaf hout op, want ik trilde van koude, en
+myne kleêren dropen. "Kom, lief jong mensch, zei ze, kom, schik aan 't
+vuur, en warm en droogje wat, ik zal Koffy koken; maar je bent, of je
+de koorts op 't lyf hebt." Zy ging met de kaars in 't voorste vertrek,
+en hadt een glaasje in haar hand, "daar, zei ze, Juffrouw, drink dat
+uit, ik mag niet zien, zo als je beeft." Ik deed het. Zy kreeg een
+tafel met kopjes, en, zo dra 't water kookte, dronken wy Koffy. Myn
+Sak, Rok en Pelise droogde zy, en ik begon door de warmte dermate te
+verkwikken, dat ik haar eenvoudig, zo kort doenlyk; alles verhaalde.
+Maar, zei ik, wat moest gy denken, myn goede Vrouw, toen Klaartje aan
+'t vengster tikte? "Wel, lieve Juffrouw, zei zy, dat beurt wel meer.
+Als Krynbaas dronken is, (en zins zyn Wyfs dood gebeurt dat maar te
+dikwyls,) dan raast hy als een bezetene, en jaagt al wat onder zyn
+bereik is de deur uit. Nu is onze Klaartje de Vryster van myn Zoon
+Pieter; en zo wy onzen jongen wat by konden zetten, 't zou al een paar
+zyn, maar 't is een slechte tyd. 't Is een deugd van een meid, en heur
+Moeder was net allëens. Doch, al boodt myn Heer R. myn man duizend
+gulden 's jaars, wy zouwen by zo een Dier niet weunen willen. Hy is
+zo ondeugent, en daar gaat zo veel om op die Plaats! Maar wy moeten
+zwygen; wy zyn maar gemene lui."
+
+_Ik_. Wat zal je man toch denken van my?
+
+_Zy_. Ik heb hem daar, met een woord, gezeit, dat ik hem morgen ogtend
+alles zal vertellen, en zei, zie maar weêr in slaap te komen, want by
+dag moet de man hard werken, voor my en myn vyf kinderen. En onze
+Pieter past ook zo op; maar daar zyn nog zulke kleintjes onder: zy
+slapen allemaal hier boven ons hoofd.
+
+_Ik_. Maar zou uw Zoon voor my, met het open gaan van de Poort, niet
+een Koets kunnen bestellen, die my tegen kwam buiten de stad? want,
+hoe wel ik het by u heb, myn goede Vrouw, ik verlang zo naar huis.
+
+_Zy_. Heel wel, Juffrouw, als ik denk, dat het tyd is, zal ik hem gaan
+wekken, zoo als ik altoos doe: jonge lui slapen vast. Goed, zei ik, en
+wy bleven by 't vuur zitten, en zy praatte zonder ophouden; zo dat de
+tyd viel my nog korter, dan ik gevreest had. Om drie uuren ging zy
+Pieter wekken, die, toen hy my zag, vreemt opkeek. "Kind, zei de goede
+Vrouw, deeze Juffrouw is verdwaalt geraakt: en ik nam haar in huis,
+toen gy al te bed waart. Ga naar de stad, en haal een Koets, die ten
+eersten dit heen moet komen; ik zal met haar u tegen wandelen."
+Bestig, zei Pieter, en ging de deur uit. Die Jongman staat my wel aan,
+Vrouw, zeide ik. "Ja, God dank, zei ze, 't is een braaf Kind, die wel
+zo veel "voor zyn moeder doet, als iemand doen kan; en zwygen Juffrouw,
+daar is geen schrift van." Nu, 't zal hem geen schade zyn, zei ik. Ik
+deed myn gedroogde kleêren en pelise weêr aan, en zei, daar goede Vrouw,
+heb je een kleinigheid, tot een bewys van myn erkentenis. (_Ik gaf haar
+vier Ducaten_.) "Zoo véél geld! zei ze, dat durf ik niet aannemen."
+O, zei ik, spreek er niet van: ik zal, hoop ik, eens meer voor u doen.
+Wy gingen toen de deur uit, en kwamen wel dra op den gemenen weg; de
+Koets kwam, ik bedankte Moeder en Zoon, zei, waar de koetsier my brengen
+moest, en haalde de gordyntjes voor de glazen.
+
+Nooit kan ik u beschryven, wat er in myn geest, onder het ryden,
+omging. Nu vreesde ik, nu schrikte ik voor dat zelfde, dat my deeze
+laatste uuren als myn grootste geluk had toegeschenen;--om thuis te
+komen! En toen wy nog maar één gragt te ryden hadden, wenschte ik
+byna, dat wy eenig beletzel kregen, dat den tyd rekte. ô Hoe beefde,
+hoe trilde ik, toen hy stil hieldt! De klank der schel ging my door de
+ziel, en, met de handen voor myne oogen, vloog ik onzen goeden knegt
+voorby, naar myne kamer, zo verwart, en bedroeft, gelyk gy, myne
+dierbare Vriendinnen, my hebt zien aankomen.
+
+Zie daar een Verhaal, dat ik met de grootste naauwkeurigheid hebbe
+opgestelt. Hoe gy, na het doorlezen te hebben, over my zult oordelen,
+moet ik afwagten; en, indien de Heer Edeling by aanhoudenheid my blyft
+beminnen, moet hy, alëer ik hem voor my kies, dit lezen. Hy moet
+kunnen zien, wie ik ben, een onvoorzichtig meisje, dat geen kwaad
+vermoedde, daar zy 't niet zag; en die door haren trek tot vermaken
+en uitspanningen, zich in een gevaar gebragt heeft, dat op haar bederf
+konde zyn uitgelopen: een meisje, dat God met tranen dankt voor deeze
+Ontkoming; en dat voortaan nog meer zich zelf dan anderen zal mistrouwen.
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+Wel nu, broeder, wat zegt gy van zo een Meisje? Moet ik haar nu nog
+niet meerder achten, en tederder beminnen? Die immers zyne dwaasheden,
+zo rasch hy die ziet, afkeurt, en zich zelf daar over bestraft, doet
+alles, wat men eischen kan? Ik heb onder de hand laten vernemen, of de
+schelm in de stad was; maar 't schynt, dat hy eerst eens wil zien, hoe
+of 't afloopt. Wy bedekken alles onder een diep stilzwygen. Ik zal
+voor de brave menschen zorgen, die myn Engel zo getrouw geholpen
+hebben; maar dit alles mondeling. Ik verlang onuitspreeklyk naar uwe
+t'huis komst: en hoop, binnen agt dagen, dat geluk te hebben. Vader is
+zeer vriendlyk, en heeft zelf deernis met my. Hou den braven Blankaart
+te vriend, Keesje; ik vrees anders, dat gy al zoo veel met Vader zult
+te doen hebben als ik! Vaarwel, myn Broeder,
+
+ T. T.
+
+ HENDRIK EDELING.
+
+
+Noten:
+
+[1] Hier: kunstmatig romantisch.
+[2] Lambrizeeringen.
+[3] Toonaard.
+[4] Duidelijk.
+
+
+
+
+HONDERD-VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed heeft uit Indië _een erfenis
+gekregen van_ 80.000 gulden van zekeren Jan Bern, zooals blijkt uit
+de Honderd-een en veertigste brief.
+
+
+In HONDERD-TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF dankt de Wed. Spilgoed.
+
+
+HONDERD-DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling _geeft zijn koppigen
+tegenstand op_; hij is overtuigd door Blankaart.
+
+
+HONDERD-VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis feliciteert Wed. Spilgoed
+en in Honderd-vijf en veertigste brief schrijft ze heel lief aan Aletta
+Brunier, ook over Sara.
+
+
+
+
+HONDERD-ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
+
+
+_Ge-eerde Vriendin_!
+
+Nog spyt het my, dat ik zo weinig tyds te Rotterdam gehad heb. Nu, ik
+heb uw Zoon dan veilig in uwe handen gestelt. Myne oogen liepen over,
+toen ik zag, welk een Moedergek die Willem is. Wat zyn dat lompe
+Heiblokken van kerels, die een man uitlachen, als hem eens een losse
+traan ontvalt! Ik ben nu een man, mag ik spreken, die van een kind af
+door 't kreupelbosch gejaagt is. Ik heb door menigen zuren appel
+gebeten, eer ik zulk een man wierd, door den zegen van God, den Heer;
+zo dat ik maar zeggen wil, dat ik harden[1] geleert heb: En als ik
+echter daar zo een Goliath van een Luitenant, als een eikenboom, voor
+my zie staan, en zyn Zoontje, dat hy in geen ront jaar gezien heeft,
+hem in de armen zie vliegen; zonder dat het hem het minste aandoet;
+dan denk ik, hoor jy grote Sinjeur, al bulkt gy als een stier, en al
+blaast gy als een walvisch, jy bent by my, met al dat gesnoeshaan,
+maar een bange bloodaart. Je zult wel dra in je hangmat kruipen. Wel,
+wat hagel, moet je dan, om je kop voor 't Land te laten, geen liefde
+voor je Land hebben? Zal zo een Bulderbast zyn benen onder zyn lyf
+laten weg schieten, als of het zo maar bywerkje was, en dat voor
+vreemden? Zal hy dat doen, zeg ik, dien alle de vaderlyke driften in
+zyn ziel bevroren liggen? Hoor, dat is by my maar uit, _die geen
+gevoelig hart heeft, kan niet dapper zyn_.
+
+Hoor, Vriendin, als ik u zie, dan denk ik altyd aan Naömi, de Moeder
+van Ruth, uit den Bybel. _Willems land is uw land, en Willems God is
+uw God_; zo als er in den Bybel staat. En hy moet maar voortaan in
+Amsterdam blyven, en eene brave vrouw voor hem zien te krygen.
+Tusschen ons; ik weet net zyn slag, eene mooije lieve jonge juffrouw;
+en ik zal hem wel aan 't werkje helpen: 't is een aartig schoon kind.
+En Tante moet ook haar milde hand maar open doen. Abraham Blankaart
+zal geen troef verzaken: Och Heer! ik heb gelds genoeg; en alle brave
+jonge lieden zyn myne kinderen; zo dat, zorg daar niet voor. Hy moet
+zelf Koopman worden; ik zal zyn Patroon eens, buiten zyn kennis, gaan
+spreken.
+
+Maar nu moet ik u eens een klugtje verhalen: Daar is Brôer Benjamin
+met Zuster Slimpslamp met de Noorderzon verhuist, en zy hebben Tantes
+Geldkistje meegenomen; (wel nu lach ik my tot een Doctor.) Die malle
+Zanne! Nu, zy heeft maar verdiende loon: zy zou naar my geluisterd
+hebben; ik zei dikwyls: _Tante, Tante, al dat Bruine goed loopt op je
+zak; je zult nog eens van den huig geligt worden: laat ik de kit ereis
+voor u schoonmaken, en al dat Jan Rap wegjagen_; maar dan was ik, (dat
+Varken!) een godloos mensch, een Saulus, die de Heiligen vervolgde;
+plaisierige Heiligen! zie je ze daar niet met Heintje pik, in 't huis
+daar naast?
+
+En dat het hemelsch waar is, dat zal ik u eens gaan uitcyferen. Myn
+kleine Meid is ziek, zo als gy weet; nu althans, Tante hadt haar een
+Briefje geschreven, waar in zy schreef, dat zy zodanig bestolen was,
+en verzogt, of zy haar niet eens zou kunnen spreken, of zy haar alles
+vergeven wilde, wat zy aan haar misdaan hadt, en of zy by my een goed
+woord zoude willen doen, met nog meer vyven en zessen. Wat doet myn
+Sarotje? Wel! dat braaf kind schreef haar aanstonds, dat zy haar alles
+vergaf; dat zy by my ten besten zou spreken, en Tante komen bezoeken;
+maar zy krygt daar op zulke koortzen, dat zy niet uit kon gaan. En zo
+dra ik in de stad kom, en met haar spreek, verzoekt dat lief schepzel
+my, om toch eens by Tante te willen gaan, en te zien, hoe het toch
+was. Wat zou ik doen? Abraham Blankaart hadt er wel niet veel trek in,
+doch het Meisje kreeg er my echter naar toe, en ik begreep, dat ik de
+ouwe Babbe niet in nood mogt laten. Ik ging er dan heen, met Snap, zo
+by me. Tante deed zelf open, en ontstelde. Nu, zei ik, wees maar niet
+ontstelt; uw Nicht heeft my by u gezonden, om dat zy zelf ziek is, en
+ik kom zien, of ik u helpen kan; en zo ging ik met haar, die huilde en
+balkte, den gang door, daar ik nog iemand vond, daar ik u dadelyk van
+zal schryven, zo 't my niet ontschiet, want ik ben zo wat met myn
+memorie gebruit. Daar hoorde ik toen van A. tot Z. Tante had
+getracteert; zy hadden Tante, die niets verdragen kan, de hoogte
+gegeven; en Bregt als een zwyn zo vol gegoten. Toen het ouwe Fatsoen,
+die zy te bed bragten, en Bregt, die zy op kussens in de keuken gelegt
+hadden, sliepen, hadden zy den aap geligt; en daar was, zeit Zanne,
+wel twee derde van haar Capitaal, en al hare Juwelen in. Die malle
+weêrgaê! zy hadt haar huis op den Nieuwen Dyk verkogt, en wel voor
+twintig duizend Guldens aan afgeloste Obligatien in Contanten; al dat
+geld was in Gouden Ryders opgewisselt, en lag in een klein kistje. Dit
+wisten die Hagels-kinderen, want Zanne hadt met hen overlegt, hoe zy
+dat geld best zou uitzetten. Hoe vindt gy die, Juffrouw Willis? Met
+zulk bogt, zulk schuim van volk; die weten veel van geld beleggen! ja,
+zie, zo zot is dat oud wyf. Had ik t'huis geweest, zie, ik ben nu een
+man, die myn hond geen bedroefde snoet kan zien zetten; maar of ik dat
+Paar Vromen ook reis eventjes op het Schavot zou geholpen hebben! Ik
+zou die bedriegers zo veel _smeert hem Keesje_ hebben laten geven; ik
+zou er eensjes zo balsemiek hebben laten rossen, dat zy zouden geweten
+hebben, wat het is _den ouden mensch te kruissigen_; zie ik word zo
+satans nydig, om dat zulk varkenvolk de bybelsche woorden zo
+misbruikt.
+
+Maar nu moet ik u eens wat vragen: want zie, Juffrouw Willis, gy zyt
+toch maar een _Moeder in Israël_. Wat denkt gy? fop ik my zelf, als ik
+geloof, dat een vrouw van Tantes jaren, die zo een Briefje aan Saartje
+kan schryven, om vergeving; die aan zo een kleuter verzoekt, om by my
+een goed woord te doen, by my, die, zo als ik daar ga en sta, ook maar
+een armen zondaar ben; dat zo een vrouw, laat zy zo fijn zyn als zy
+wil, geen boos hart kan hebben? 't Is een malle kwezel, en zo gierig
+als het Graf; maar zy kan zich nog bekêren; en ik zal haar ook al maar
+helpen; zy zal in haar ouden dag geen gebrek hebben, nog in fatsoen
+verminderen. Haar lekkere tant zal nog niet eens uitmoeten; want
+Abraham Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. Zo dat ik maar
+zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen, hoe of 't Christelyk of mooglyk
+is, dat myn kleuter zo pront haar geloof verstaat. Zy vergeeft haar
+Tante alles van harten, wil haar helpen, haar bezoeken. Och! toen ik
+dat hoorde, scheurde ik myn kamisool los; zo was ik aangedaan: ik kon
+haast geen adem scheppen, en ik dankte God, om dat ik de Voogd van zo
+een meisje mogt zyn.
+
+Maar ik zou my zelf wel uitschelden voor al wat lelyk is, om dat ik
+vrees, dat Saartje ziek is geworden van droefheid, over een
+verduivelden Brief, dien ik haar geschreven heb. Zy ziet er zo naar
+uit: de rozenwangetjes zyn geheel weg! Hoor, zy ziet er regt droevig
+uit, maar wil het nog zo niet weten, dat goede Meisje. Ja! daar kryg
+ik heel in Parys een Brief, vol met leugen en laster van Saartje, en
+van Mevrouw Buigzaam; en dat Saartje zo aansprong, en dat Mevrouw
+alles toeliet, en nog eene menigte lelyke dingen; zonder naam, moet gy
+weten. Daar ga ik je, als zo een dolle Hartog, aan 't schryven, dat
+het nergens naar leek: en nu hoor ik overal, dat Mevrouw Buigzaam de
+deugd zelf, en myn Sarotje niets onbehoorlyks gedaan heeft. Zie, ik
+ben zo satans nydig, en zo ik uitvind wie my zo by myn neus gehad
+heeft, dan zult gy er van horen: konkels zullen er zwaaijen.
+
+Hoe ouwer ik word, hoe meer ik zie, dat men de deugd by de vrouwen
+moet zoeken. Ja, van die Juffrouw moest ik u nu nog vertellen, die by
+Tante zat. Zy hiet, zo als ik hoorde, Styntje Doorzicht; zy was heel
+stemmigjes gekleet; een Samaartje, met spelden-kopjes, op een wit
+grondje aan; een zedig Kuifmutsje op, daar het bakkesje van een
+Heiligje uitkeek: net _Moeder Maria_, zo als ik haar in de Paapsche
+Kerken heb geschildert gezien. Dat lieve mensch sprak zo waaragtig
+vroom, zy betoonde zo veel eerbied voor God, zo veel liefde tot den
+Naasten, zy gaf Zanne zulk een goeden raad, zy was zo minzaam, dat ik,
+met myn armen over elkander geslagen, haar aanhoorde, en dagt: zie
+daar eenen van die vromen, zo als God maar een om de honderd jaren
+zendt, om ons te leren, hoe verre wy het evel brengen kunnen, als het
+ons maar recht ernst is. Zie daar, Juffrouw Willis, nu ben ik een man,
+die met een Dominé wel eens over een Kapitteltje harwar, maar ik was
+stom; zo sprak dat brave Styntje Doorzicht. Eindlyk sprak ik eens
+recht myn hart uit, en ik drukte haar de hand. _Myn Heer, gy zyt een
+Zoon van den vromen Aartsvader Abraham; gy wandelt voor Gods
+aangezichte, en zyt oprecht; een vroom Israëliet, in wien geen bedrog
+is_. Och Juffrouw! zei ik, dat ik het wel meen, dat is waar, maar ik
+ben van jongs af in veel slommer[2] geweest, ik heb veel gereist en
+getrokken, en vele Voogdyschappen gehad. Ik zeg dikwyls, Abraham
+Blankaart, Vriend, jy zult veel vergeving nodig hebben, heb toch veel
+lief, man! En zo ging ik daar van daan, zo gesticht, of ik in de Kerk
+geweest was. En zou een mensch geen struiken uit den grond vloeken,
+als hy bedenkt, dat, om een deel Huichelaars, Benjamins en Slimpslampen,
+zulke vrome Godvreezende menschen beschimt en versmaat worden. Ik
+geloof waaragtig, dat als de Apostel Paulus (Paulus is _myn_ man,
+weetje, en Salomon die van Saartje), als Paulus nu leefde en Styntje
+Doorzicht gekent hadt, hy haar als zyn wyf zoude omleiden. 't Is nu zo
+moeilyk niet, moet je weten, om een goed Christen te zyn, als toen de
+man zei, _dat niet te trouwen beter was_; en ik verzoek Juffrouw Willis,
+dat gy daar eens op let. Ja, zo eene Styntje zou eene Martelares
+geworden zyn. Lieve God! wat zullen toch zulke misselyke stoethaspels
+van mannen, zo als ik er een ben, in den Hemel bedroeft afsteken bij zo
+een Styntje, by u, by Mevrouw Buigzaam en by Saartjes Moeder! Nu, ik
+meen myn ziel eens braaf onderhanden te nemen, haar eens terdeeg _mores
+te leren_: ô, mogt het onder uw oog geschieden; gy verstaat my immers
+wel! ik wensch nog eens uw man te worden.--Nu--_is het er uit_. Zeg nu
+wat gy wilt: _'t is er uit_.
+
+Duizend groetenissen van Saartje aan u, en aan uwe Dochter. Willem eet
+alle middag by my. Ik ben
+
+ Uw nederige Dienaar,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+Noten:
+
+[1] Hij is "gehard".
+[2] Beslommeringen.
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: hij is in
+de wolken: _vader heeft_ Sara _aan_ Blankaart gevraagd voor 'm--èn: _de
+lasterbrief was van_ Cornelia Hartog!--dat komt uit door Rien du Tout.
+
+
+HONDERD-ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis _is heusch verliefd
+op Aletta_; Sara behandelt hem als broer.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
+
+
+_Mevrouw, zeer waarde Vriendin!_
+
+Al waart gy nu, menschlyker wys gesproken, zoo heilig als een Engel;
+(en dat, geloof ik voor my, zyt gy ook maar;) en al wierdt gy ook van
+zeven duizend legioenen van Duivelen gelastert, dan zoudt gy evenwel
+nog wel zekerlyk zo veel van den mensch hebben, als Moeder Eva, vóór
+zy zo lelyk bedrogen wierdt, hadt: kort gezeit, gy zoudt nog wel wat
+nieuwsgierig vallen? want vrouwtjes zyn toch niet anders. Ik loop, en
+draaf, en klungel daar zo alle daag aan uw huis, puur als of ik naar
+u uit vryën kwam; maar dat is zo niet; zulk een fraaije Dame kan in
+Abraham Blankaarts pot niet. En 't is of ik nu maar te Amsterdam ben,
+om myn tyd met manden uit te dragen: om fiolen te laten zorgen. Zo dat
+ik maar zeggen wil, dat ik alle daag aan uw huis kom, om met u eens
+alleen te spreken: maar ik heb zo veel te horen, te kyken en te gapen,
+en zo myn spikkelatie met die drie Nufjes van meisjes, die, de een
+voor, de andre na, in en uit kwispelen en kissebissen; en dan moet ik
+er de vreugd in maken, en er zo eens wat meê dollen; en dan zit gy
+daar als _de Roze van Saron_ in 't midden, sprekende, onderrichtende,
+goedkeurende, minzaam ziende. ô Mevrouw, ik wou, dat onze Schilder
+Troost nog leefde; ik liet die groupe schilderen, om er myn
+Familiestuk van te maken, mits dat ik er ook in mogt, met Snap zo by
+me. En zie daar! dan is de tyd om; en ik heb zelf vergeten, dat ik om
+u te spreken gekomen ben.
+
+'t Is een regenachtige dag. Ik zei, wel heeft Abraham Blankaart er
+niet den hooi[1] van, om al weer daar heen te laveren, en myn tyd te
+vermallen met die Meisjes? Ik zal t'huis blyven, en schryven 't geen
+ik toch aan Mevrouw niet kan vertellen, en Sarot mag er niets van
+weten; 't is zulk een olyk platje!
+
+Dat die zuurkyk[2] weg is, is goed: 't is een verdort gemeen stukje,
+voor een fatsoenlyke Juffrouw; maar ik schrijf niet graag over slegte
+menschen; ik word dan maar nydig en bedroeft.
+
+Om dan myn vertelling te beginnen; want nu weet gy nog zo veel als
+gisteren: zo dat ik maar alleen dit zeggen wou! Daar heb ik een bezoek
+gehad van den Agter-agter-klein-agter-Zoon van Marten Luters ouden
+vriend, Casper Edeling, van Jan Edeling! en wy hebben te saam over het
+Geloof, en de zoete Meisjes, eens heldertjes gebakkeleit. Hij wagtte
+my in myn zydkamer. "Zo, Marten-Broêr, zei ik, welkom."--Uw Dienaar,
+myn "Heer Blankaart;" en hy keek, of schoppenboêr ook nog van zyn
+Familie was; zo, dagt ik, dat zyn de oude grillen. Ik zei des, wel
+fraai buigende, dat ik toch beter ken dan zo een oude podagrist: "Uw
+dienaar, myn Heer Edeling;" en ik gaf hem een fauteuil. Dus begon hy,
+terwyl hy de glazen uitkeek. (_Ik, niet lui, ging over 't horretje
+gluren; ja, zo moet men met die wonderlyke menschen, omgaan, of zy
+denken, dat de Drommel hun niet wys genoeg is_.)
+
+_Edeling_. Nu, daar is myn Zoon Hendrik dan verlieft op uwe Pupil. Hy
+ziet er uit, of hy uit een belegerde stad komt, en mymert, en zwygt,
+en ik heb gister het eens op hairen en snaren gezet, maar 't is of ik
+met myn kop door dien muur wil: en hy wist my nog een hope te zeggen:
+die eigenwyze jongens! Ik ben ook moeilyk[3] op hem.--Gy zegt niets?
+
+_Ik_. Wat heb ik met uw en uw Zoons gemor te doen? Ik zie niet, waarom
+ik iets zeggen zou. 't Raakt my niet; en ik _wil_ my er niet meê
+bemoeijen.
+
+_Hy_. Wat! raakt het u niet? En dat de jongen knapen zo met het Geloof
+omspringen? Ei zeker, zou ik myn huis tot een Noachs-Ark, of een
+Remonstrantsche Kerk maken?
+
+_Ik_. Wel, hoe satan heb ik het? Heb je niet uitgeslapen? of maalt je
+de geest? Nog eens, wat bruit my uw gekibbel met uw Zoon?
+
+_Hy_. Wel, hy wil Juffrouw Burgerhart hebben, al is zy gereformeert.
+
+_Ik_. Wel, ik wil haar niet geven in eene Familie, die haar niet met
+liefde en achting ontfangt.
+
+_Hy_. Wat moet ik dan doen?
+
+_Ik_. Dat's _uw_ zaak. Gy zyt Vader. Uw gezag zal zeker met verstand
+gepaart gaan.
+
+_Hy_. En daar is nu myn Zwager, de Pastoor Redelyk, die praat even
+eens als gy, en zyn Vrouw ook.
+
+_Ik_. Nu, als je my niets anders te vertellen hebt, kon je de moeite
+wel gespaart hebben, om by my te komen. Hoe ik over den Godsdienst
+denk, weet gy. Wilt gy geene Gereformeerde vrouw aan Hendrik geven;
+wat geef _ik_ daaröm?
+
+_Hy_. Wel, waaröm laten wy onze kinderen dan yder in onze Kerk
+opbrengen, en hun geloof leren, by Kategizeermeesters van onze eigen
+Leer?
+
+_Ik_. Om dat wy--laat ik zwygen! Hoor, Paulus is myn man. Wat zeit
+die? _Onderzoek de schriften_. Dat klinkt u wat anders voor den snoet,
+dan _zyn Geloof te laten leren_. Weetje wat, Jan Edeling? daar is nog
+maar te veel _Papery_ onder de Protestantsche Christenen. Wy razen en
+duiveljagen tegen den _Antichrist_, tegen _den Gog_ en _den Magog_,
+tegen den _Paus_; en ydere Dominé wil Paus zyn in zyn Kerk, en ydere
+Vader Heilige Vader in zyn huis zyn. Kom aan! daar is uw Zwager (ei,
+ik wist dat niet, is hy uw Zwager?) Redelyk; wel, die vrome wyze man,
+zegt gy zelf, dat net denkt als ik; zo dat, ik hoef my dat niet te
+schamen. Hoor, jou geloof is een enkel _toeval_; want je hebt er
+magtig veel toe gedaan, hebje niet? om van Lutersche Ouders geboren te
+willen worden. Wel, Jan Edeling, Jan Edeling, 't lykt nergens na: maar
+dat gy uw braven Zoon, als zo een regte Nero, niemands-Vriend, van
+liefde kunt zien sterven, om een deugdzaam meisje--op myn ziel, (_en
+ik sloeg op de tafel_,) uw geloof is 't regte geloof niet!
+
+_Hy_. Hoor, Abraham Blankaart, ik zou met al myn hart u om het Meisje
+voor myn Heintje verzoeken, was zy van zyn Geloof.
+
+_Ik_. Wel, ik wed om een Visje, dat zy van zyn Geloof is.
+
+_Hy_. Hoe? wat? heeft zy dan haar Kerk verzaakt, en dat om een man?
+
+_Ik_. Noch 't een noch 't ander; en evenwel ik wed met u. Zie, zy zyn
+het immers daar in eens, en dat's wel een fondamenteel stuk van
+eenigheid, dat zy met elkander gelukkig kunnen zyn, en dat gy het hen
+maken kunt. (_Hy gaf my zo een knorrige meesmuil; en toen begon hy
+weêr op nieuw te zagen, en van 't Geloof, en van elk in zyn Kerk, dat
+my 't bloed zo al wat begon te krieuwelen_.)
+
+_Ik_. Nu wil ik in myn huis niet langer dat gegons verdragen. Gy zoudt
+beter doen, als gy eens een Kapitteltje in Sint Jan las: die brave
+Apostel zal het u zoo ouwerwets zeggen, dat gy wel voelen zult, waar
+de wind van daan komt. Maar ja, de Bybel daar leest men niet in, dat
+klungelt en sjouwt met Huispostillen, en Uitleggingen, die geen pyp
+tabak waart zyn: en Gods heilig dierbaar woord, dat ligt, met zilveren
+sloten, in het beste vertrek daar braspenningen te zweten. (_Hy
+lachte_.)
+
+_Hy_. Daar is myn hand, Brammetje; jy bent toch een man, die my lykt.
+Ik moet nu myn hele les leren. Hoe moet ik dan met myn jongens leven?
+want ik heb nog ergens zo een suppliant in de wyde waereld.
+
+_Ik_. Wel, als ik zulke jongens had, en zy hadden liefde voor brave
+meisjes van de Protestantsche Kerk, en zy verzogten my, om haar te
+mogen hebben, wel, dan zou ik zeggen: ziet; Kinderen, dat staat my
+bestig aan. Ik zal zien, dat ik elk zyn Vryster bezorg, en je allebei
+in goeden doen stellen, om wat te beginnen; en dan zou ik met myn
+jongens eens op 't goed succes drinken, en door myn gang lopen
+tierelieren, als of ik zelf nog maar twintig jaar waar. Hoor, Jan
+Edeling, dan zult gy vreugd en genoegen hebben, en je kunt voor je
+dood nog Grootvader van een kleine kabauter of agt wezen.
+
+_Hy_. Gy hebt gelyk! Ik verzoek u dan om het Huwlyk; en als ik het
+zeg, meen ik het waaragtig. 't Zal my tot eer zyn, Juffrouw Burgerhart
+myne Dochter te mogen noemen. Zal hy ze hebben?
+
+_Ik_. Met al myn hart; en ik hoop, dat zo uw andre Zoon ook maar een
+braaf deugdzaam meisje kiest, dat gy dan ook even redelyk zult zyn.
+
+_Hy_. Zie, Bram, zo ben ik nu ook weêr, als ik iets doe, doe ik het
+terdeeg; ik hou niet van dat krummelwerkje. Hoor, _als ik over den
+hond kan, kan ik ook over den staart_. Als Cornelis het wel maakt,
+en hy een ordentelyk meisje wil, gierigheid daar aan heb ik my nooit
+bezondigt; ik wil maar baas zyn, en gelyk hebben.
+
+_Ik_. En juist daarom hebt gy geen oogvol recht op iemands hart;
+alles, wat men, als men van u afhangt, doen kan, is bang voor u te
+zyn.
+
+_Hy_. Gy hebt waarlyk gelyk: maar ik zal zien, dat ik dien _ouden
+Adam_ er uitramei.
+
+_Ik_. Dan zult gy de beste man van de Waereld zyn; en myn Meisje zal
+geen der minsten zyn, die u 't leven aangenaam zal maken. Nu zult gy
+eerst gaan ondervinden, hoe gelukkig men is, als men de _beminde_
+Vader is van brave kinderen.
+
+_Hy_. Ik heb meer voor myne kinderen gedaan dan duizend Vaders doen;
+ik heb nagt en dag gewerkt voor hen, ik gaf altyd in de ruimte....
+
+_Ik_. (_hem in de rede vallende_.) En met dit al, gy zyt wel
+gehoorzaamt, wel geëerbiedigt, maar ik vrees, dat uw eigen kinderen
+u niet beminnen, zo als zy u zouden bemint hebben, als gy wat min van
+het meesteragtige, en wat meer van het Vaderlyke getoont hadt.
+
+Na nog wat pratens ging Marten Neef heen, zo wel gehumeurt, en zo
+zagt, als hy zeker nog nooit, zedert hy alleen gaan kon, geweest is!
+Waarlyk, 't is een goed eerlyk allerbest man; maar omtrent zyn vrouw
+en kinderen was hy, en dat alleen uit grilligheid, een regte
+_Bullebak_.
+
+Dat zit daar heel gek, en wel dubbel gek met Tante. Dat Janrap heeft
+haar tot op 't gebeente uitgemergelt. Maar myne kleuter spreekt zo ten
+goeden, en verzoekt zelf, om uit haar geld Tante wat te ondersteunen,
+dat het een lust is om te zien. Ik ben daar eens by die beste vrome
+Styntje geweest, (ja, ik leef onder en boven den grond!) en ben met
+haar overeen gekomen, dat zy Tante in huis zal nemen, en onder haar
+bestuur, vatje het? en dat ik het met haar wel maken zou. Maar ik wil
+dat voor het ouwe wyf niet weten; wel, wat hoeft dat? Die allerliefste
+vrome ziel zal myn Saartje eens bezoeken, zo een zin heeft zy in 't
+meisje.
+
+En nu moet ik u eens aanspreken, want gy zyt _het Vrouwtje van
+Thecoa_,[4] uit den Bybel. Ik wou u eens vragen, of Juffrouw Letje
+t'avond of morgen niet een goede vrouw voor Willis zyn zoude? of zyn
+er al Kapers op de Kust? Het meisje komt my zo wél voor, en ik zie
+heel wel, dat zy ook by u twee witte voetjes heeft; en dat zou zy niet
+hebben, zo zy geen goed jong kind was; en myn Saar houdt zo kragtig
+veel van haar. Nu, denk er eens aan: ik zou dat graag zien. Haar Broêr
+heb ik gekent als het olykste Salet-rekeltje, dat er op Gods aardbodem
+was, maar hy wordt een heel ander mensch: ik ben ook zyn vriend; doch
+Edeling, die my zegt, dat hy het beste hart van de waereld heeft, en
+zo goedaartig is als een kind, heeft vóór, hem een beter bestaan te
+bezorgen.--Ja, ik wou wel wat zeggen, maar het wil er niet uit;
+evenwel het deedt my zo goed, toen ik het hoorde, dat myne oogen
+overliepen! Ik kan 't niet zwygen. Hy is het, die aan Edeling uwe
+verlegenheid, door een ryken schacheraar u veroorzaakt, vertrouwde[5],
+er by voegende: "Myn Heer, ik heb geen geld, anders zou ik of Letje
+het al afgemaakt hebben; maar zeg het de brave vrouw nooit, dat ik het
+ben, die u dit zeide:" en hy sprak van u, als of gy zyne Moeder waart.
+Moet zo een jongen geen goede gronden hebben? Moet hy niet beloont
+worden? Wat zegt gy? Nu schei ik uit, en ben
+
+ Uwe oprechtste Vriend,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Meer dan genoeg.
+[2] Cornelia Hartog.
+[3] Boos.
+[4] Stad bij Bethlehem. Joz. XV.
+[5] Vertelde.
+
+
+
+
+HONDERD-VYFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER R. AAN DEN HEER G.
+
+
+_Broeder Lichtmis!_
+
+Razent, woedent, helsch kwaadaartig over myne mislukte onderneming! In
+myne eigen strikken gevangen! Maar wie kon denken, dat er een Burger-
+meisje in de waereld was, die een man, zo als ik ben, tegenstand zou
+bieden? Wat moet ik denken; zou er waaragtig zo iets zyn, dat deugd
+genaamt wordt? Ei, wisjewasjes! Kinderlyke vooroordelen; dat is 't al,
+en anders is 't niets. Nooit heb ik my zo misrekent! En niets dan schrik
+kan my haar bezorgt hebben. Zie daar! daar raken de Harddravers met een
+poot of drie in een der leizels, die ik bevolen had optestrikken, om
+toch gereet te zyn, zo dra zy besloot my te volgen. Er was niemand op de
+plaats dan de Tuinvent. Ik moest helpen of myn beste Paarden verliezen.
+Ik sluit de schone meid in de kamer, verzekert, dat zy myne gevangene
+moest blyven. En in dien tyd, dat ik in den stal ben, is zy 't ontsnapt.
+'t Is my volstrekt onbegrypelyk, want er was niemand op de Plaats dan
+de kerel en ik. Ik kom weêr, doe de deur open, vind haar niet, sta als
+een driedubbele gek, loop het huis uit, raas, stampvoet, vlieg by Kryn
+in huis; alles vergeefsch; loop naar 't Hek; ja, 't Hek was open, en ik
+begreep, dat het niet voor my geraden was, haar na te zetten. Waar zy
+belant is, weet de Drommel; doch het scheen my hoognodig, om, vroeg in
+den morgen, weg te ryden; ik ging naar Utrecht, en van daar op Arnhem;
+thans ben ik op Pruisischen bodem, en laat my ligt Hofraad maken; 't
+kan te pas komen. Hoort gy niets? Alles zou ik nog vergeten kunnen,
+maar ik bemin haar tot myn straf. Dit maakt my dol op my zelf, en met
+dit al, het is niet anders.
+
+Als gy niets beters te doen hebt, kom dan by my, en breng Philips
+mede, op dat ik ten minsten een paar guiten heb, op wie ik al het
+onweêr myner gehoonde en van liefde gemartelde ziel vryelyk mag
+uitgieten.
+
+ T. T.
+
+ R.
+
+
+
+
+HONDERD-EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis laat Blankaart _een
+blauwtje loopen_.
+
+
+HONDERD-TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Hendrik schrijft Sara een solide
+liefdesbrief.
+
+
+HONDERD-DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Sara antwoordt hem niet minder
+degelijk; _er ligt haar nog iets op 't hart; ze denkt dat_ Hendrik
+_nog niets weet van 't geval met_ R., maar uit de Honderd-vier en
+vijftigste brief blijkt dat hij alles wist.
+
+
+HONDERD-VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis noemt haar verloofde
+Smit "waarde vriend"--deelt hem de _officiëele verloving mee_ van Sara
+en Hendrik. Blankaart was zeer ontroerd, doch lachtte zijn tranen weg.
+
+
+
+
+HONDERD-ZES EN VYFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Myne Tederbeminde!_
+
+Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, om te schryven, in die
+droefgeestige uuren, dat ik uw gezelschap moet missen. Ik weet, myne
+Liefde, dat de Betaamlykheid my de wet stellen moet; dat ik myne
+affaire moet benyveren, en voldoen aan die onderscheiden pligten, die
+ik voor my te doen vinde: ik kan u des maar weinige uuren 's daags
+zien. Al den tyd, dien ik kan uitsparen, gebruik ik echter om aan u
+te schryven.
+
+Gy hebt u dan met welberadenheid aan my verbonden, en, schoon de
+gelukkige dag nog niet bepaalt is, zo hoop ik, dat hy nu haast zal
+aanbreken; iets, waarom ik vurig bid.
+
+Myn waarde Vader, die myn geen woord gezegt heeft van zyn voornemen,
+om u te komen zien, verhaalde my onder het avondeeten, dat hy by u
+geweest waar, om u veel zegen te wenschen met uwe Verjaring. "Zie,
+Hendrik, zei hy, 't is een aartig meisje, maar 't is of zy bang van my
+is. Zy was wel beleeft en vriendlyk, maar toch zo niet, als zy tegen
+haren Voogd (die er ook inkwam,) zich gedraagt: en dat spyt my; want
+ik meen het kind wel te doen; jammer, duizend jammer! dat zy niet van
+ons Geloof is."
+
+_Ik_. Juffrouw Burgerhart zal, zo dra zy weet, dat gy vriendelyke
+gemeenzaamheid niet voor kleinachting in jonge menschen aanziet, u
+zeker zo behandelen, als gy wenschen kunt.
+
+_Hy_. Wel, dat's al een raar Compliment, Hendrik. Ben ik dan zo een
+Niemands vriend, dat de jonge lieden voor my vrezen? dat zou my
+spyten!
+
+_Ik_. Myn waarde Vader, trek er toch dit gevolg niet uit! Gy weet, hoe
+pligtmatig ik altoos omtrent u gehandelt heb, en den Hemel dank voor
+den braven Vader, dien hy my gaf.
+
+_Hy_. Ja, ik zie zelf wel, dat ik zo niet ben als uw Oom Redelyk, of
+als Blankaart, maar dat is zo myn humeur. Nu, zal 't haast lukken?
+Wanneer gaat het Huwlyk aan?
+
+_Ik_. Zo dra wy een huis hebben, denk ik.
+
+_Hy_. Wel, is dat de zwarigheid? wagt, met je Vrouw, de occasie hier
+by my af: of wil zy niet by zo een knorrig man zo lang komen inwonen?
+
+_Ik_. Daar is geen woord over gesproken; maar ik ben wel verzekert,
+dat myn aanstaande Vrouw over haar Mans Vader dus onheusch niet zal
+oordelen; en ik bedank u by voorraad allerhartlykst voor deeze
+aanbieding.
+
+_Hy_. Waar is uw Broeder Cornelis?
+
+_Ik_. Die eet by den Heer Blankaart.
+
+_Hy_. Wel is 't waar! alle jonge lui zyn even gaarn by hem; maar 't is
+ook de beste, de braafste man van de waereld. Hy heeft my ook al zo
+eens aan 't oor geweest over uw Broêr.
+
+_Ik_. Ja, myn lieve Vader! Keesje heeft, toen hy te Leiden studeerde,
+eene Juffrouw leren kennen, die hem boven alle behaagde; en dewyl de
+Heer Blankaart die familie kent, en roemt, zoo is 't niet vreemt, dat
+hy een woord voor myn Broêr gesproken heeft: zy is niet ryk....
+
+_Hy-. (_my in de reden vallende_.) Ben ik dan een gierige schrok? Heb
+ik ooit op geld gezien? Als 't anders wel is, zal dat wel gaan; maar
+al weer niet van myn Geloof, denk ik?
+
+_Ik_. Dit weet ik met geen zekerheid: de Heer Blankaart zal u alles
+wel berichten.
+
+_Hy_. Nu, 't is nog zo verre niet. Hy moet eerst wat praktyk hebben.
+Ik hoop, dat hy die zaak op het Oostïndische Huis, voor Mevrouw
+Buigzaam, maar wel en spoedig zal afdoen: zo hy zich ooit met slegte
+zaken bemoeit, ontërf ik hem; geen schelmen in myne Familie, zou ik
+hopen: dan nog liever Gereformeerde meisjes tot Schoondochters!
+
+Zie daar de kaart van 't land, myne Liefde, indien gy den braven man
+weder mogt ontmoeten. Hy zal u zeer lief hebben, maar het u nooit
+zeggen; hy zal u overhopen met presenten, en zien of hy op u keef:
+Beter hart dan het zyne is er niet.
+
+Myn Broêr praat bykans zo veel van u als van zyn meisje, en houdt niet
+op van te zeggen, dat gy, uit alle meisjes, juist die geene zyt, die
+my gelukkig kan maken.
+
+Nu zal ik u verslag doen van myn Bezoek by den Warmoezier. Ik ging er
+deezen namiddag heen. De vrouw was bezig met groenten te wassen,
+geholpen door een jongen knaap; de man was in den Tuin.
+
+_Ik_. Goejen dag Aaltje-buur, hoe gaat het al?
+
+_Zy_. (_Zeer verwonderd opkykende_.) Heel wel, myn Heer, maar ik ken u
+niet!
+
+_Ik_. Gy kent evenwel, denk ik, eene jonge Juffrouw, die gy een dienst
+gedaan hebt, welke ik moet trachten te belonen? Is dat uw Zoon,
+Pieter?
+
+_Zy_. Ja myn Heer, dat's Pieter; en dat is myn man, die daar zo druk
+bezig is.
+
+_Ik_. Myne goede vrouw, zo 't u gelegen komt, wilde ik u wel eens
+spreken.
+
+_Zy_. Als 't je belieft, myn Heer. (_Zy ging met my onder een zwaren
+Olmenboom op een Bank zitten, die wat van 't huis afstondt_.)
+
+_Ik_. Vrouw, gy hebt, door die jonge Juffrouw in huis te nemen, en
+veilig in de stad te bezorgen, my een dienst gedaan, dien ik u niet
+kan belonen; doch ik zal u echter myne erkentenis bewyzen.
+
+_Zy-. Wel, myn Heer! wel, myn Heer! dat is al dubbelt en dubbelt wel:
+die zoete Juffrouw heeft my vier gouwen Dukaten, en myn Zoon nog een
+gegeven; dat waarlyk veels te veel was. En wie, al was hy een Heiden
+of een Turk, zou zo een aller liefst jong mensch niet in huis genomen
+hebben, in zo een droevige omstandigheid? Wil ik u wat zeggen, myn
+Heer? al had ik geen rooije duit gekregen, ik zou 't even lief gedaan
+hebben; ik heb ook kinderen; en hoe bly zou ik zyn, als myne kinderen
+ook in nood en verlegenheid brave menschen vonden! maar die ondeugende
+R. zal zyn loon wel krygen.
+
+_Ik_. Gy spreekt wél; gy verdient achting. Maar zou ik dat lieve
+Klaartje ook niet eens kunnen zien? gy ziet, ik weet van de geheimen.
+
+_Zy_. (_Zy lachte_.) Pieter toe, ga eens even by Kryn-Baas, en vraag,
+of Klaartje hier niet eens kan komen; maar je moet niets van dezen
+Heer zeggen. (_Pieter ging op een draf, en in een kwartier kwam hy met
+Klaartje te rug_.)
+
+_Ik_. Wel, dag schoon kind, ik moet u de groetenis doen van zekere
+jonge Juffrouw, die zeer verlangt om u eens by haar te zien.
+
+_Klaartje_. Zo, myn Heer; wel, ik zou gaarn eens gekomen zyn, maar ik
+durfde niet om myn Vader; die moet er niet agterkomen, of 't zou er
+bedroefd uitzien. 't Heerschap jaagde hem heen', en wat zouden wy dan?
+
+_Ik_. Gy hebt gelyk. (_Onderwyl was Moeder haar Man gaan roepen, die
+ook nu by ons kwam; een ordentelyk man, dunkt my_).
+
+_Zy_. Zie, myn Heer, ik heb Vader zo eens een woord gezeit, maar hem
+dunkt ook, dat wy wel zes-dubbelt beloont zyn.
+
+_Hy_. Ja, dat denk ik, en zo ik de zonde niet ontzag, ik zou zo een
+deugeniet, zo een verleider van jonge meisjes kunnen kloppen, dat hy
+'t opstaan vergat; dat zou ik! (_en hy zette zyn hoed in de oogen_.)
+
+_Ik_. Hy en zyn soort verdienen niet beter, maar laten wy van wat
+anders praten: deeze jonge vrienden zyn Vryster en Vryer?
+
+_Pieter_. Ja, myn Heer, met God en met eeren, en ik heb haar ook
+miserabel lief, ook Klaartje? (_Klaartje kreeg een kleurtje en
+zweeg_).
+
+_Ik_. En waarom gaat het Huwlyk niet voort?
+
+_Klaartje_. Dat geloof ik, myn Heer, ik heb maar twee-honderd guldens
+voor Moeders erf, en Albert-Baas kan niet meê geven; de menschen
+hebben zeven kinders, en men kan zonder geld niets beginnen.
+
+_Ik_. Wel, Albert-Baas, als de jonge lui nu in staat waren om zich te
+redden, zou het dan wel zyn.
+
+_Hy_. Dubbelt wel, want wy houwen maar elendig veul van Klaartje; ook
+Wyf?
+
+_Ik_. Wel, kom aan. Zie naar gelegenheid uit, en als je op je slag
+bent, laat het my dan weten: zie, hier is een beurs, daar genoeg in
+zal zyn om te beginnen: daar, Moeder doe jy uitdeling, en geef er zo
+veel van als gy goed vindt: gy zyt allen hupsche menschen.
+
+De vrouw was verstomt, de man keek of hy zei: "droom ik, of waak ik?"
+en Pieter omhelsde zyn meisje, uitschreeuwende; "nou ben je evel de
+myne, nou word ik jou man;" en hy kuschte haar, of hy haar wou
+opeeten. Nou, zei hy, ik ben op dien Heer "niet jaloersch, geef hem
+een zoen voor zyn goedheid." Zy deedt zo, met een ware eenvoudigheid,
+die my aandeedt. Na nog wat pratens, ging ik te rug, en kwam maar
+juist van pas binnen.
+
+Ik twyfel niet, myne Liefde, of gy zult te vreden zyn met myne wyze
+van doen. ô Wat vindt men schone karakters onder zulke gemene lieden!
+Laten wy, zo veel wy kunnen, die toch wel doen.
+
+Nu zal myn eerste bezoek by uwe Tante zyn. En dat lieve mensch, 't
+welk gisteren by u was, moet ik nader leren kennen. Dit is al
+Christelyke deugd! en hoewel 't gezont oordeel wel eens voor een
+weinigje te vergetrokken yver schynt te wyken, dit is niets, daar een
+mening zo oprecht, en het voordeel zo uitgebreit is.
+
+En nu, myne Liefde, bid ik u, dat gy uwen Edeling niet langer laat
+reikhalzen naar een geluk, dat hy zo vurig wenscht, en dat hy met zo
+weinig geduld kan afwagten. Myne Zielsbeminde! gy hebt myn koel, al
+te onverschillig karakter opgevyzelt tot dien graad, die my alle myne
+zedelyke en machinale verrichtingen met vuur, met deelneming, met
+vaardigheid en gemaklyk doet uitoeffenen. Liefde voor een waardig
+Voorwerp, veradelt den Mensch; zy leidt ons daar, daar wy, in al wat
+goed, wat groot, wat nuttig, wat heilzaam is, voor ons en anderen,
+komen moeten. 't Wordt middernagt. Ik moet eindigen, om u niet
+ongehoorzaam te zyn. Wel dan, ik ga slapen. Rust zagt, myne Beste,
+en ontwaak onder de bescherming des Algoeden. Eeuwig ben ik
+
+ Uwen
+
+ EDELING.
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN VYFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
+
+
+_Ge-eerde Vriendin!_
+
+Al heb ik nul op het request gekregen, daarom blyf ik evenwel dezelfde.
+Hoe, wat? zoudt gy my tegen uw zin nemen? Wel nog mooijer! Neen,
+Vriendin, ik heb u van harten gevraagt, doch het stond u vry, om my
+af te wyzen: Nu zal ik al vast als een _niets beduidend oud Vryer_
+sterven. Want trouwen zal nu wel agter blyven.
+
+Ik zal echter nog zó veel goeds in de Waereld doen, als ik maar grypen
+en vangen kan; want zo maar het leven, dat God de Heer my geeft, met
+geld winnen en boekhouden te verpierewaaijen, dat was nooit te
+verantwoorden: Me dunkt, dat het er schraaltjes moet uitzien, als een
+Christen mensch in den Oordeelsdag evel niets kan opnemen, dat zo iets
+de pyne waart is, zo als onze meeste ryke luidjes toch doen. Neen, ik
+hoop te kunnen zeggen: "Here! ik ben, en dat is maar niet te ontkennen,
+een zondig mensch; ik ben maar een oud Vryer; maar ik heb zo veel goeje
+menschen wel gedaan, als ik maar belopen kon; ik heb kwaaje zoeken wyzer
+te maken; ik ben niemand ooit hart gevallen, en ik deed dit zo alles, om
+dat ik uwe geboden lief had, en uit dankbaarheid, om dat ik zo gezegent
+op de waereld was, alles tot lof Uwer genade, amen;" zo dat, ik wil maar
+alleen zeggen, dat gy waarde Vriendin, my niet tegen uw zin moet nemen.
+
+Ik ben dan eergisteren by den Heer Helmers geweest; zo als ik tegen u
+zei, dat ik doen zou. Hy woont daar als een klein Prinsje, hoor! Ik
+dagt: kom! myn Blesje moet ook eens met baas uit; zie, 't beest is my
+zo lief als myn Snap, zo als het ook wel merken kan. Daar kwam ik als
+een hele Sinjeur de Plaats opryen, maakte myn paard aan een boom vast,
+en ging met Snap naar het huis.
+
+_Ik_. Uw dienaar, myn Heer Helmers! doet Abraham Blankaart u ook
+belet? maar mooglyk ben ik niet by u bekent, en _onbekent maakt
+onbemint_.
+
+_Hy_. In persoon ken ik u niet, myn Heer, maar in karakter wel; gy zyt
+hartlyk welkom; waaraan ben ik dit aangenaam bezoek verpligt?
+
+_Ik_. Dat kan ik u voor de vuist, en met weinige woorden, zeggen. Ik
+kom uit vryen om uw Vriends Dochter Letje:--maar, kyk zoo niet op,
+niet voor my.
+
+_Hy_. Ik zal u met genoegen horen.
+
+_Ik_. Hebt gy den Heer Willis gekent? Hy was niet gelukkig in zyne
+affaire.
+
+_Hy_. Neen, maar ik heb een Vriend gehad; die dit met hem, en even
+onverdient, was; Letjes Vader.
+
+_Ik_. Nu althans, die man heeft een Vrouw en twee kinderen nagelaten;
+(_en, toen zei ik zo veel goeds van u, dat ik het niet zeggen mag_.)
+Zyn zoon is myn gunsteling, een braaf ijvrig Jongeling, by den Heer
+---- op 't Kantoor; die hem als een Vader bemint. En nu kwam ik by u,
+om eens te horen, of gy iets tegen een Huwlyk tusschen deeze Kinderen
+zoudt hebben? Zyne moeder zal u, zo gy het bewilligt, nader verzoek
+doen: want zy bemint Letje, en zou graag zien, dat haar Willem het
+meisje kreeg.
+
+_Hy_. Heeft Letje u niets gezegt van zekeren Brief?
+
+_Ik_. Geen woord. Zy weet ook niet, dat ik naar u toe ben. Zie, ik wou
+eerst weten, hoe gy er over denkt. Gy zyt haar weldoener, zegt zy.
+
+_Hy_. Myn Heer Blankaart, Letje (dat ondervind ik op nieuw,) heeft een
+zeer goed eerlyk karakter. Hare vriendschap met Juffrouw Burgerhart,
+haar inwonen by de brave Weduwe, hebben haar in weinige maanden
+ongelooflyk veel nuts gedaan. Ja, ik had een ander oogmerk met haar;
+doch ik zal haar myne weldaden niet ten koste van haar vryheid en
+geluk toedelen. Indien zy myn voorslag hadt kunnen aannemen, 't zou my
+lief geweest zyn; maar, zo zy liever den Heer Willis heeft, my is 't
+wel; ik moet u evenwel ook voor de vuist zeggen, dat Letje niet meer
+dan twintigduizend Guldens bezit: zo veel als haar Broeder, daar ik
+ook zeer wel over voldaan ben: en indien Willis nu niets heeft, dan
+zie ik er niet door.
+
+_Ik_. En ik heel wel! God heeft my gezegent, en ik ben maar een oud
+Vryer, die kind noch kraai in de waereld heeft. Kom, Helmers! Letje
+heeft my zo veel van u verhaalt, dat ik mag veronderstellen, dat gy
+nog wel iets doen zult voor haar. Ik zal voor Willis ook wat doen. Ik
+had altyd gemeent, als ik niet trouwde, myne Pupil myn goed te maken,
+met zo wat Legaten aan myn oude Bedienden; maar zy doet een ryk
+Huwelyk, en ik zeg: zie, Abraham Blankaart, gy moet geen water in de
+zee dragen, myn Vriend. Nu moeten er andren wel van varen. Och God!
+het moet hier immers alles blyven; en wel doen is de boodschap. Is dat
+zo niet, myn goeje Vriend?
+
+_Hy_. Gy doet my aan, Blankaart. Geef my uwe vriendschap: ik denk even
+als gy.
+
+_Ik_. Met al myn hart: nu, wat zegt gy?
+
+_Hy_. Ik sta de verkering toe; ik bedank u voor de eer, die gy my in
+deezen aandoet; ik zal tonen, dat ik uwe achting niet onwaardig ben;
+en laat voorts alles aan uwe bestiering over.
+
+Vervolgens vertelde hy my met aandoening, dat Letje, nog zeer jong
+zynde, (nu, zy is nog maar drie en twintig jaar,) eene jeugdige liefde
+had opgeöffert aan haar's Vaders redelyk bevel; en dat zy ook hier
+voor moest beloont worden. Hy zei my, dat haar Broêr een goede jongen
+was, daar wel wat van zou te maken zyn, zo hy in goede handen viel.
+Goed, zei ik, ik zal dat knaapje ook al in 't oog houden, en helpen
+waar ik kan en mag.
+
+Na de plaats doorgewandelt en op zyn oud Vaderlands afscheid genomen
+te hebben, sprong ik te paard, en kwam, zo in my zelf tierelierende,
+en zoo vrolyk als een Koning, met Snap de Stad in, at spoedig, en ging
+deezen zitten schryven. Ik ben met eerbied,
+
+ Uwe Hartvriend,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+
+HONDERD-AGT EN VYFTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Lieve Vriendinne!_
+
+Ik had dan het genoegen om u, en nog eenige jonge harten aan het huis
+van de Vriendinne Buigzaam te zien! Ik was byna niet in staat, om myne
+inwendige vreugd te verbergen.--'t Was of ik in een zedelyk School
+was, daar men jonge menschen de eerste treden leerde zetten op den
+waren weg. Toen ik t'huis kwam, moest ik zo betuigen voor den Here:
+_Nu weet ik, dat by u geen aanneming des persoons is, maar dat yder,
+in wat staat of rang, in wat kleding_, (_zo die der betaamlykheid maar
+niet kwetst_,) _die de gerechtigheid lief heeft, u aangenaam is_? Ja,
+ik voel zo eene zielenliefde voor de Vriendinne Buigzaam. In haar zie
+ik zo _Maria_ en _Martha_ vereenigt. In Letje is een getrouw zaad
+gevallen: de Here geve, dat het door de waereldsche beslommeringen
+maar niet verstikken moge! Niet, hartje, dat men den kinderen van
+Jezus alle speelgoedje moet onthouden; maar 't moet binnen de palen
+van uitspanningjes zo blyven. Och, zy laten het van zelf wel varen,
+als zy Maagden, Vrouwen en Moeders in den Here worden. En daar is dat
+zoetaardig Lotje, die moet niet verstoten worden; zy is een kind in 't
+verstand, maar ook in allerleije boosheid. Ja, Styntje, zei ik zo in
+my zelf, als ik haar zo eenvoudig zag zitten breijen, gy moet in
+onschuld dit Kind gelyk worden, of gy kunt in 't Ryke Gods niet
+ingaan.
+
+Maar gy, myne jonge Vriendinne, hebt vyf talenten ontvangen, en de
+Here gaf u ook de gewilligheid, om die tot winst uit te zetten. ô Myn
+hartje, gy kunt nog zo veel goeds doen. En uw Bruidegom is een
+_Timotheus_, die de begeerlykheden der jonkheid vliedt, in wien het
+oprecht geloof woont. ô! Zo de lieve _Johannes_ eens aan hem schreef,
+hy zou zeggen: _Ik schryve u, Jongeling, want gy hebt de waereld
+overwonnen_. Ik spreke uit ondervinding. De Godsdienstige Edeling is
+by my geweest, maar zo als hy zich omtrent uwe Tante gedroeg; ô
+Vriendinne, dat was het _werkent_ Christendom! Uwe Tante weende
+bitterlyk. Nu ziet zy wél, dat de Here _niet woont in 't water noch in
+'t vuur_: gelyk er in het oude Verbond staat: dat is, niet in al dat
+getier en gebaar van dat zo genaamde Bekérings-werk: maar dat God
+woont in een ootmoedig, gezuivert, en hem geheel geheiligt hart; zoo
+is het ook met uwe Bruidegom!
+
+Ik ben niet onder de ryken deezer Stad; maar ik heb overvloed voor my,
+en kan nog wat mededelen; en zo uwe Tante niets hadt, en by my toevlugt
+nam, ik zou haar gaarne van 't myne geven. Maar nu gy, en uw Vriend,
+ryk zyt in goederen, ryk in de genade, en dus ook ryk in goede werken,
+zou het in my eene dwaze trotschheid zyn, geen gebruik te willen maken
+van 't geen uw beider liefderyke harten my aanbieden: En nu kan ik myne
+stille liefdadigheid blyven beoeffenen.
+
+Terwyl ik deezen zo zat te schryven, kwam de Heer Blankaart in myn
+huisje. Uw Tante was danig ontstelt. Hy bestrafte haar als _Joannes de
+Doper_, en troostte haar, als _Joannes de lieveling des Heren_. Zy
+viel in den schuld, bekende, dat zy u zeer onrechtvaardig behandelt
+hadt, en u in gevaar gebragt, om op den doolweg te raken. "Nu, zei hy,
+Zantje, leer nu beter toezien; er zyn, zo als ik u duizend maal zeide,
+hele ondeugende sielen onder dat Fyne goedje. Jou Duivel was gierigheid,
+kind, die moest uitgedreven worden; zo als de Schrift zegt, _gierigheid
+is een wortel van alle kwaad_. Zie, hadt gy nu van uw geld arme sukkels
+meêgedeelt; maar neen, er mogt geen duit af, zo 't niet voor dat Volk
+was. Nu, 't schaadt je niet; zo je jou nu nog maar bekeert, zal 't alles
+wel lukken: hoor, ouwe kennis, ik begryp niet, hoe of je zo in dien hoop
+verwart geraakt zyt. Gy pleegt te wezen als alle andere deftige Burgers;
+maar zedert dat je bekeert ben, zit je te zuchten en te steunen, dat de
+Duivel in zyn vuist lacht, om dat je het by onzen lieven Heer zo wel niet
+hebt als by hem. Denk jy, dat onze Hemelsche Vader, die uit liefde en met
+blymoedigheid wil gedient zyn, het scheelt, of gy u als een _graauwe
+Munnik_ toetakelt; en er uitziet, of je uit het zothuis kwaamt? dat je
+dat kostlyk aangezicht weg moffelt in een malle muts? Niet dat ik wil,
+dat gy u optooit als een kleuter; maar kleedt u zo als Styntje: zo een
+Samaartje staat immers net en ordentelyk, en het Kuifje zindelyk en
+zedig? Zy ziet er ook zo blymoedig uit, dat men niet hoeft te vragen,
+of zy zich in den dienst haars Gods wel bevindt, en vrolyk leeft in
+den Here. Nu, _zalig zyn zy, die zich beteren_. Wat uw bestaan aangaat,
+zorg daar niet voor. Uwe lieve brave Nicht heeft my gebeden, om u uit het
+hare te mogen onderhouden; en ik zou haar niet half zo liefhebben, zoo zy
+niet zo wel kon goed doen als vergeven. Zie, dat is ook een Christelyke
+plicht. En wy hebben allen nog zo veel te doen, eer wy waarlyk Christenen
+zyn, ik voor al, dat het ons niet voegt onvergeeflyk te zyn. En jy en ik,
+Zantje, mogen by Styntje nog wel een lesje halen."
+
+Vriend Blankaart, zeide ik, ik vinde gedurig zo stoffe, om my te
+vernederen voor den Here; laten wy liever elkander leren, en opbouwen
+in het goede werk. De Here zelf moet ons leren; en zo doet hy ook in
+het woord der waarheid. "Dat is recht, zeide hy: maar wy doen heel
+anders, wy verlaten den Sprinkader des levendigen Waters, en houwen
+ons zelf gebroken bakken uit; zie, ik lees alle daag in Gods Woord, en
+hou my niet op met uitleggingen, die ik niet noodig heb om het te
+verstaan, voor zo verre het my raakt als een Christen mensch, wil ik
+spreken. Wat kan 't my schelen, of in zo een text van den _Gog_ en den
+_Magog_, of van _Constantyn den Groten_ gesproken wordt? Ik wil
+_Bybels_, ik wil _practicaal_ horen preken. Daar liep ik verleden
+Zondag zo eens in de Meniste Kerk by den Toren; er werdt over de
+Bekéring gepredikt; 't was zo fraai, dat ik ging zitten, en luisterde
+als een vink. Wel, Styntje, ik ben nu zuiver rechtzinnig, maar
+waarlyk, ik kon _amen_ op alles zeggen; en ik zei het ook in my zelf.
+Sticht dat niet beter, dan dat ik hoor zagen, en kaauwen en klungelen
+over _Aarons baard_? en er dan nog toepassingen by te krygen, die
+Spotvogels stof leveren, maar die verstandige en vrome menschen met
+versmading overdenken? Toepassingen, die onze jonge Nazireërs wel
+agter weeg mogen laten, zo zy zielen willen winnen; en die my danig
+ergeren, om dat zy my doen lachen."
+
+Toen ging de Vriend Blankaart heen, en ik zei in my zelf: _dit is een
+Israëliet, in wien geen bedrog is_. En nu, hartje, moet ik u nog
+zegenende zegenen: _God geve u een Jozua's besluit: wat ook anderen
+doen, wy en ons huis zullen den Here dienen_.--Groet uwen Bruidegom,
+groet de Vriendinne Buigzaam, en de jonge Vriendinnen; en neem my in
+liefde aan. Ik ben
+
+ Uwe ware Vriendinne,
+
+ STYNTJE DOORZICHT.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vraagt aan Mevr.
+Willis, of ze de verkeering van Willem en Aletta goedvindt.--Met Sara
+heeft ze ernstig gesproken: die ziet wel tegen het huwelijk op, maar
+'t zal wel marcheeren.
+
+
+HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelis schrijft aan zijn Jaantje--Adriana
+Nijverhart--dat papa hun verloving ook goedkeurt. Jammer dat _hij
+alléén_--naar Hendrik's bruiloft moet: Jaantje's moeder is ziek....
+
+
+
+
+HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER CORNELIS EDELING AAN MEJUFFROUW ADRIANA NYVERHART.
+
+
+_Myn allerkostelykste kostelykheid!_
+
+De knoop is gelukkig gelegt: ik ben eens even t'huis gekomen, om te
+zien, of er ook een Brief van uwe Majesteit, Adriana de Eerste, was.
+Neen, geen Brief. Nu, dat's weêr een schreefje op den kerfstok! Ik ga
+zo vliegent weer naar 't huis van Mevrouw Buigzaam.
+
+ô Waarom, myne Jaantje, hebt gy gisteren niet by ons geweest? Niets
+ontbrak er aan myn geluk dan uw byzyn! Ik geloof niet, dat men met
+meerder betaamlykheid, met meerder blydschap, een Party als die van
+gisteren zoude kunnen uitdenken en uitvoeren. Alles was naar de
+onmerkbare Ordonnantie van Mevrouw Buigzaam; kon het dan anders zyn?
+Myn Broeder, weet gy, is een regt schoon man, en zyne Bruid, (of nu
+jonge Vrouw,) eene Bevalligheid, die nog meer bekoort dan het schone
+zelf. Niemand van ons was eigenlyk opgeschikt: alles was _négligé_.
+Wy geleken net één Huisgezin. Hendrik was geheel liefde, geheel vreugd:
+De Bruid minder levent dan anders, en men zag, dat zy alleen uit
+beleeftheid mede sprak. De voor-avond werdt musicerent gesleten. De
+Eerwaarde Smit was geen der minste spelers: maar Mevrouw Buigzaam
+wordt niet geëvenaart, ook niet van de jonge Vrouw, en die speelt, zo
+als de Heer Blankaart zegt, evenwel "Kapitaal." De eetzaal was gereet
+gemaakt, om ons Soupée te houden: het overtrof nog het Verjarings
+Collation. De Heer Blankaart's knegt, die van Vader, en die der Weduwe
+dienden. Men had voor hun wel degelyk gezorgt, en Blankaart hadt de
+oude kindermeid van de Bruid ook verzogt, om meê in de vreugd te
+delen. (Van die nog een woord.)
+
+De twee Weduwen werden door de twee oude Heren op hare plaatzen
+geleidt; en zo dra de Getrouwden gezeten waren, voegden wy ons er by.
+Op het dessert heb ik my ook gewroken; doch zy hebben my, door hun
+verdriet te verbergen onder een vriendelyken lach, deerlyk te leur
+gestelt. Ik zal het Vod[1] zelf hier in sluiten. 't Zal u mooglyk tot
+een zoet rustmiddeltje dienen; en gevolglyk nog ergens goed voor zyn.
+
+Toen men vervolgens zat te praten over die kostelyke niet met allen,
+die onder goede vrienden zo aangenaam zyn, zei myn Vader: "Kom een
+glaasje van gelukwensching. Welkom, vervolgde hy, met een zeer ernstig
+vriendlyk gelaat, daar zyn eerlyk hart in uitscheen: Welkom, lieve
+Dochter, in myne Familie. Nooit moet gy u den dag beklagen, die u in
+dezelve brengt; ik althans zal een goed Vader omtrent u zyn: gy zyt
+het waardig. Geluk, myn Zoon, met uwe Vrouw; wees een zo goed Man,
+als gy een Zoon, een Broeder, een Meester waart, en gy zult uwe Vrouw
+dierbaar blyven. En gy, Cornelis, (tegen my,) geluk, jongen, met uwe
+Zuster; als gy trouwt, zal ik even zeer in myn schik zyn als nu: gy
+zyt beide myne Kinderen. Myn Heer Blankaart, geluk met deeze
+verbintenis! dat wy beide nog lang getuigen zyn van dat heil, dat myn
+Vaderlyk hart van den Almagtigen God afsmeekt." Hy kon niets meer
+zeggen, maar boog tegen het gehele gezelschap, en er vielen tranen
+langs zyne wangen. De Bruid stondt op, omhelsde hem; hy kuste haar;
+niemand sprak: allen droogden wy onze oogen af. Hendrik, (om wat
+afwendig te maken,) vroeg aan 't gezelschap, of men hem, toestondt,
+om de gewezen kindermeid der Bruid binnen te verzoeken? Niets liever!
+Daar op kreeg ik myn hoed en handschoenen, en marcheerde naar de
+Keuken, om het ouwe schaap, dat in haar beste Zondaagsche plunje was,
+en styf stond van de gouden ringen, in te leiden. "Aanstaande Zuster,
+zei ik, met myn hoed onder den arm, en Pieternelletje zeer eerbiedig
+aan de hand, daar heb ik myn Vryster, die gaarn de eer hadt, om by u
+haar compliment van felicitatie af te leggen." De Bruid trok haar
+stoel wat uit, en gaf de vrome eenvoudige Pieternel gelegenheid, om
+zich te laten bekyken. "Wel, God dank! zei ze, dat ouwe Pieternel haar
+jonge Juffrouws trouwdag nog beleven mogt. Heden, Juffrouw, je bent
+krek alleens als je lieve Moeder, toen die trouwde. Niet waar, myn
+Heer Blankaart? En toen myn Heer Blankaart even zo klugtig als deeze
+myn Heer. Nu, myn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten
+zegen; och, myn Heer Edeling, je krygt zulk een lief meisje; ze het
+ouwe Pieternel nooit een onvertogen woord gegeven, 't was een lief
+hartje van een kind, en ik was ook zo mal met haar, dat, als zy
+tandjes kreeg, of zo, ik my tot water huilde; niet waar, myn Heer
+Blankaart?" En toen gaf zy de Bruid en Bruigom een kusch, die klonk
+als een klok. De overige Bedienden werden binnen geschelt; de Heer
+Blankaart overend ryzende, nam een schoon tafelbord, waar op zes
+verzegelde kleine Pakjes lagen. "Hier, Kinderen, zei hy tegen de
+Bedienden, daar is voor u elk een gedagtenis van dit Huwlyk. Gelyke
+munniken, gelyke kappen: Abraham Blankaart kan, en wil ook wel,
+Goddank! wat missen." Hy gaf elk een pakje, en zy gingen in de keuken
+zich vrolyk maken. "Vrienden, zei de brave man: zie, ik ben, wil ik
+spreken, maar een oude Vryer, ik heb kind noch kraai; en God de Heer
+heeft my boven alle myne begeerte gezegent: Ik weet, 't is waar, niet
+wat het Vaderlyke hart is; maar dit lieve Bruidje is de waardige
+Dochter van een man, dien ik my ten vriend had uitgekozen; zy is onder
+myne oogen opgegroeit; duizendmaal zat zy op myn schoot met my te
+snappen, of haar Poppen te kleden; (want ik ben een regte kinder-gek!)
+zo dat ik maar zeggen wil, dat dit de gelukkigste dag van myn leven
+is; en dat ik nu niets meer van God te wenschen hebbe, dan dat ik en
+alle brave menschen gelukkig zyn." Onze Dominé besloot, op 't verzoek
+der oude Heren, dit Vrienden-maal met eene dankzegging, die ons de
+hoogste denkbeelden gaf van zyn Godvruchtig hart, en zyn
+menschlievenden aart. Den Eerwaardigen Jongeling rolden de tranen op
+de t'samen geslagen handen. Zyn stem was zielroerent, alles was diepe
+aandagt.
+
+De Heer Blankaart luisterde my in 't oor, dat wy moesten dansen.
+Willem en ik haalden twee Fiolen: Een gaf ik aan myn Vader: "Jongen,
+zei hy, ik doe er niet meer aan! Ik vrees, dat het gebrekkig zyn zal."
+Evenwel, de vreugd, die zyn hart overstroomde, deedt hem die aannemen;
+ik presenteerde den Heer Smit ook een: die, zonder eenige kwalyk
+geplaatste excusen, zei: "ik zou dit fatsoenlyk gezelschap onëer
+aandoen, indien ik my onttrok, om het myne tot eene zo billyke vreugd
+te doen. Wy zyn onder de Roos." De Heer Blankaart haalde de Bruid op.
+Zy danste niet wel; niet zó wel, meen ik, als zy 't anders kan; en zy
+verzogt hem om geëxuseert te zyn. Toen moest Letje en Willem op de
+baan; beiden toonden, dagt my, dat zy elkander wilden behagen.
+Bruinier was onvermoeit, en gy weet, ik val ook niet heel vies van een
+cabriooltje. Eens haalde ik Mevrouw Buigzaam, en danste met haar een
+zeer statige Menuët; trouwens allen waren in den goeden smaak: Na een
+uur dus doorgebragt te hebben, verdwenen Mevrouw Buigzaam en het
+Bruidje. Hendrik bleef nog in de kamer, doch ik geloof, dat wy alleen
+zyne uitwendige tegenwoordigheid hadden: De beide oude Heren gaven hem
+de hand. De Weduwe kwam niet te rug, voor myn Broeder insgelyks weg
+was: de vreugd ging haren gang: ten drie uuren waren de Koetzen
+gereet: elk nam even vrolyk, minzaam en even vriendlyk afscheid en
+ging naar zyn eigen huis.
+
+Vóór ik ga zien, of de Jonge Lieden al by de hand zyn, sluit ik
+deezen. Indien ik eenigszins kan, kom ik in 't laatst van deeze week;
+ik heb u wel honderd millioenen van zaken te zeggen; (nu, dat kun je
+wel denken;) 't is, of ik u in geen eeuw of twintig gezien heb. Myn
+vader is nu zo minzaam als altoos welmenent eerlyk: en nu durven wy
+hem beminnen. Blankaart doet u hartlyk groeten, en doen alle de
+Vrienden en Vriendinnen, en goede bekenden, en ik omhels u, met een
+hart stikkent vol liefde. Maak myn compliment aan uwe waarde Ouders,
+en aan de kleine Familie. Altoos ben ik
+
+ Uwe
+
+ C. EDELING.
+
+
+Noot:
+
+[1] Zijn "gedicht", niet veel zaaks.
+
+
+[Illustratie: Nu, mijn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten
+zegen; och, min Heer Edeling, je krijgt zulk een lief meisje;
+illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave
+van 1782.]
+
+
+
+
+HONDERD-EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar en Hendrik zijn gelukkig!
+
+
+
+
+HONDERD-TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Willis!_
+
+Weet gy wel, dat, zo ik maar iets den slag had van te kunnen grommen,
+dat ik dan braaf grommen zou op u? wat was er op te zeggen? elk zyn
+beurt, dat's niet te veel; en ook, kind, gy moogt ouder en wyzer zyn,
+zo veel als het u zelf maar blieft, doch ik ben zeker nu iets meer
+betekenent dan gy: ik ben eene _getrouwde Vrouw_. Foei! Naatje, niet
+op de Party geweest! Foei! Naatje, nog al uit blyven; en dat om dat
+de Eerwaarde Smit u, en uwe Moeder verzogt, om met hem naar zyne
+standplaats te gaan, ter verrigting van duizend dingen die geen
+uitstel lyden. Gy hebt er 't meest by verloren. Nu hebt gy myn Oom en
+Tante Redelyk niet gezien, noch Kapitein Herberts; nu weet gy niet,
+hoe Vader Edeling getracteert, hoe wy jonge Lieden allen gedanst
+hebben, en hoe of de oude Vrienden 't werkje aanzagen.
+
+Toen ik nog zeer jong, en zeer bedroeft los was, kon ik Brunier (uw
+ouden Vriend,) verzoeken, om alle deze bagatelles voor my zeer keurigies
+uit te schryven, en denken, hy kan nu zo goed netjes breijen als 't
+behoeft; met schryven zal hy een vaste hand krygen; en kinderen moeten
+niet leeg zitten. Maar nu zyn al die flinken[1] over. Ik heb zo veel
+achting voor myn lieven man, dat ik iemand, dien hy zyn vriend noemt,
+met geen spotterny kan behandelen. Ik heb nu ook door Edeling een trek
+uit zyn karakter gehoort, waar aan ik het te danken heb, dat ik deezen
+waarden man leerde kennen.
+
+Onze samenleving met den ouden Heer is recht aangenaam; Keesje is de
+vreugd van 't huis: ik wensch, dat hy ook maar, zo als myn Voogd zeit,
+_een eigen weêrspraak_ hadt. Myn nieuwe Vader is de degelykste man uit
+Amsterdam; en nu dat zyne wonderlyke eenigzins grillige manieren, door
+de weltevredenheid, over de zagte Noten rollen, vind ik er iets veel
+meer Comiecqs dan lastigs in. Ik kan u zeggen, dat _Dochter Edeling_
+in de kas is by _Vader Edeling_: ja, dat hy my overlaadt met
+gunsten.--Een staaltje van zyne denkwyze:
+
+Gisteren aan tafel zittende, zei hy: Ik ben boos op Blankaart.
+
+_Ik_. Boos op myn Voogd; dat kan niet zyn: want gy, Vaderlief, zyt
+hier te redelyk, en hy veel te goedaartig toe: gy beeldt u dit maar
+in.
+
+_Hy_. Hoe, denk je, dat ik door inbeeldingen geregeert worde? dat is
+al eene aartige zet!
+
+_Ik_. Wy hebben allen onze luimen. Zoudt gy wel geloven, dat ik die
+ook heb? ô Ik kan zo luimig zyn, dat ik met my zelf wel kyven zou, als
+ik niemand by my heb.
+
+_Hy_. Wel zo, dat ziet er voor u, Hendrik, niet al te voordelig uit!
+(_Myn man lachte_.)
+
+_Ik_. Wel neen! tegen zulke lieve redelyke menschen draag ik my nooit
+als eene malloot, om dat ik te veel prys stel op hunne achting, met
+andren, daar ik méér meê gelyk sta, mik ik het zo naauw niet.
+
+_Hy_. (_Half knorrig, half goedschik_.) Nu, ik ben evenwel boos op
+Blankaart.
+
+_Ik_. (_Hem potzig in de oogen kykende_.) En om wat reden? of is Papa
+ook een beetje met luimen bezet, want myn Voogd is de beste man van de
+gehele waereld, myn man uitgezondert?
+
+_Hy_. Wel! hy heeft u zo veel kostbaarheden gekogt, en op uw verjaring
+zulk een boel Juwelen gegeven, dat ik, nu het aan my toekomt, niet
+eens weet, wat of ik u zo eens geven zal; en ik ben evenwel uw Vader,
+je hebt alles dubbelt en dwars, en daar is nog zo een menigte goed van
+myn Vrouw ook. Hy maakt my recht verlegen: want ik zie niets, of je
+hebt het.
+
+_Ik_. Ik ben niet heel hebzugtig: en met dit al, daar is iets dat gy
+my geven kunt; had ik dat!...
+
+_Hy_. (_My in de rede vallende_.) Wat is dat toch? je zult het hebben,
+kind.
+
+_Ik_. Een kinderlyk deel in uw Vaderlyk hart! zo ik dat hebben mag,
+dan vraag ik, of Amsterdam te koop is? (_Ik stond op en kuschte hem_.)
+
+_Hy_. Loop, stout dingetje; is 't anders niet, och heden! ik meende,
+dat het heel wat byzonders was.
+
+_Ik_. Dat is het ook, lieve Vader!
+
+_Hy_. Nu, gy zyt een raar meisje, hoor; maar, (_in zyne Brieventas
+schommelende_,) zie daar is een Wissel op myn Cassier. Neem dit dan
+tot een bewys, dat gy my lief en waart zyt, en steek hem maar in uw
+Almanakje.
+
+Hem inziende, zag ik, dat hy _fl_ 6000 beliep. Ik bedankte met
+aandoening, en zei tegen myn man: daar, Edeling, neem dit van my aan.
+Ik heb niets nodig, en, als ik iets van doen heb, weet ik, dat gy my
+meer zult geven dan ik verzoek.
+
+Vader schudde zyn hoofd. Ja, zei ik, myn man en ik hebben maar één
+belang, en dewyl hy veel meer verstand van geld heeft dan ik, dewyl
+ik nooit speel, en alles kan krygen, wat ik begeer, is het immers
+niet meer dan billyk, dat ik aan myn besten Vriend alles in bewaring
+geef?--Kom, zei hy, ik verpraat, met dat drommelsche Wyfje, weêr al
+myn tyd: kom, Hendrik, naar 't Kantoor.--Zy gingen weg, en ik had zo
+wat te schikken en te bergen, zo als eene Huishoudende Vrouw altoos
+wat heeft, Naatje. 't Was Postdag, ik was blyde, dat myn Voogd by my
+kwam Thee drinken. De Heren lieten zich in kommetjes de Thee brengen.
+Wy zaten als ouwe lui te snappen, en over byzondere zaken te keuvelen,
+toen myn beste Willem inkwam. Hy deedt ons eene openhartige biegt:
+"dat hy Letje beminde, en dat hy niets zo zeer wenschte, als eens in
+staat te zyn, om voor haar te zorgen, in dien rang, waar in zy gewoon
+was te leven: dat zyne Moeder zyne keuze goedkeurde, en dat hy hoopte
+eens weder bemint te zullen worden." Blankaart zei: "dat hy hem in
+alles raden en ook helpen zou, en met plaisier zag, dat zyn oogmerk
+dus verre gelukte." Beide bleven by ons eeten. Edeling hadt Brunier op
+de Beurs verzogt. Wy hadden een lieven avond. Beide de jongens waren
+vrolyk en vergenoegt. Myn man! och! die is al wat een vrouw zoude
+kunnen wenschen: ik vrees maar, dat hy al te goed op my zyn zal; ook
+dan, als ik 't eens minder verdien dan nu; en dan zal hy my ongelukkig
+maken; want hoe zou ik dit ooit aan my zelf vergeven kunnen?
+
+Morgen gaan wy ons nieuwe huis in order brengen; het is digt by
+Mevrouw Buigzaam; dit maakt het voor my verkiesselyk; evenwel, het is
+een schoon huis: ik hoop er u wel haast in te zien. Oordeel eens, hoe
+druk ik het nu heb! hoe veel airs ik my geef, tegen alle die goede
+menschen, die my 't hunne brengen om alles te maken, _comme il faut_.
+Ik moet Letje volstrekt tot hulp hebben, of ik kom er niet door. Ik
+ben met achting,
+
+ Uwe liefhebbende Vriendin,
+
+ SARA EDELING,
+
+ geb. BURGERHART.
+
+
+Noot:
+
+[1] Hier: grappen, streken.
+
+
+
+
+HONDERD-DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar verhaalt zelf van haar geluk.
+
+
+HONDERD-VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.--Anna Smit-Willis is eveneens heel
+tevreden. Willem kan Sara vergeten en Aletta vragen. "_Alweer een
+gelukkig huwelijk_!"
+
+
+HONDERD-VIJF EN ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik vertelt van zijn geluk en
+betuigt andermaal zijn dank aan de Wed. Spilgoed.
+
+
+HONDERD-ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Wed. Spilgoed: Anna
+is gelukkig getrouwd; Willem krijgt een som geld van Blankaart en gaat
+met Letta trouwen; _de beide weduwen hopen samen gelukkig oud te
+worden_.
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara bericht, dat Hendrik doodziek
+is!--Gelukkig komt in den brief nog de crisis; maar ze heeft wat
+uitgestaan; _ze hoopt nl. spoedig moeder te zijn_.
+
+
+HONDERD-ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vermaant Sara: denk
+aan je kind! wees bedaard, beheersch je, vorm je geen schrikbeelden,
+leef voorzichtig en verstandig!
+
+
+HONDERD-NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier en Willem logeeren
+bij Helmers. Willem moet op reis voor zaken. Jammer.
+
+
+HONDERD-ZEVENTIGSTE BRIEF.--Willem aan Aletta: hij heeft haar innig
+lief! Hij heeft Jacob gesproken bij Blankaart: _deze neemt Jacob bij
+zich_. Hij is ook bij Hendrik en Saar geweest. Hendrik is weer beter.
+
+
+
+
+HONDERD-EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+MEVROUW DE WEDUWE SPILGOED AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
+
+
+_Waarde Vriendin!_
+
+Geluk met een jongen Edeling!--Gister avond elf uuren, verloste onze
+jonge Vriendin van een schoon gezont Kind; zy heeft het niet héél
+gemaklyk gehad; maar zich zo verstandig en bedaart gedragen, dat men
+dit naauwlyks dus zoude hebben kunnen verwagten. De lieve Juffrouw
+Redelyk en ik waren, behalven de Baker, al de Vrouwen, die zy verkoos
+by zich te hebben. Het Vrouwtje was deeze laatste agt dagen verbaast
+ongemaklyk, en pynelyk; ik geloof, dat de goede Edeling immer zo veel
+als zy zelf heeft uitgestaan! In den namiddag liet hy den Heer
+Blankaart halen, en Vader Edeling was zo onrustig en zo bezorgt, dat
+ik, hem alleen sprekende, hem verzogt, zich wat agter de schermen te
+houden. De beide Heren zaten by elkander in de naaste kamer; men
+hoorde hen geen woord spreken. Blankaart wandelde al heen en weêr: de
+oude Edeling zat in een Vensterbank, zeer onrustig; zo als ik, eens
+even in de kamer komende, zag.
+
+De Heer Hendrik was by ons, en verborg zynen dodelyken angst onder een
+diep stilzwygen. Saartje sprak hem dikwyls moed in; (ook als zy hare
+handen wrong.)--Eindelyk, zie daar, daar horen wy het Kind! 't Is een
+sterken Jongen: zyn stem klonk door de kamer. De Kraamvrouw hieldt
+zich stil en bedaart. In de naaste kamer hoorden wy: "God dank, God
+dank! wat is er?" "Een schone Jongen," riep de Baker; nog wat geduld.
+Beide hoorden wy hen elkander al snikkent zegen wenschen. De jonge Man
+was, genoegzaam buiten zich zelf, op een stoel neêr gevallen. Ik
+wenkte hem, en hy lei met den Vroedmeester zyne vrouw in 't Ledikant.
+Juffrouw Redelyk bewaarde het Kind, dat zich braaf liet horen, en
+wakker met handen en voeten schopte. Zo dra het was opgebakert, tikten
+wy de Heren. Edeling gaf het aan zyn Vader. ô, Kon ik u dat toneel
+schilderen! De oude Heer trilde van blydschap; maar hy noch zyn Zoon
+zeiden niets: zy drukten elkanderen de hand; hunne oogen stroomden. Hy
+gaf het den goeden Blankaart, en ging naar zyn Dochter; hy kuschte
+haar, hy zegende haar; hy kuschte zyn Zoon, hy zegende hem: "beleef zo
+veel vreugd aan dit kind, als ik aan u beleef, Hendrik, en gy zult een
+zeer gelukkig Vader zyn."
+
+Blankaart, met het Kind in zyne armen, was geen minder schildery! De
+Natuur is toch niet te overtreffen; men moet zulke dingen zien!
+"Welkom, myn zoete kleine Boy:" "zei de goedaartige man:" "welkom, myn
+lief kind! jongetje, je komt al in een aartig Waereldje. Nu, dat zul
+je, als je tyd van leven hebt, wel ondervinden. Pas maar braaf op, en
+je zult gelukkig zyn:" "(en by my komende met het kind:)" "ha! dat's
+een kereltje! zei hy; zie je wel, watte heldere kykers dat hy heeft?
+'t is een mooi kind, zeg ik je: precies zyn Vaders tronie; en watte
+vuistjes heeft hy! nu mantje, ga jy by Moeder, die zal je beter
+traktéren." Hy ging, met het kind in bei zyn armen voor zyn hart
+gefommelt, naar de Kraamvrouw, gaf haar 't kind, kuschte haar; noemde
+haar met alle zoete namen, die hy bedenken kon, en wy verzogten de
+Heren, zich weêr naar hunne kamer te begeven. Saartje was zeer zwak,
+en verlangde, dagt my, naar rust. Wy gingen vervolgens in 't naaste
+vertrek eeten. Kort daar op kwam de jonge Heer t'huis, die nog niets
+wist. Blankaart sloop in de Kraamkamer, haalde het Kind uit de wieg,
+en liet het Cornelis zien: "He! Maatje, wat zeg je me van zo een
+knaap?" Hy zag het kind, viel zyn Broeder om den hals, omhelsde zyn
+Vader, nam het kind, bezag het met dat goedig gelaat, dat hem zo eigen
+is, bragt het in de Kraamkamer, ging by 't Ledikant en toonde zyn
+broederlyk hart in stille zegenwenschen.
+
+Morgen word het Kind, hier aan huis, door den Heer Redelyk gedoopt:
+zyn naam is _Jan_. Beide de Grootvaders hieten zo. Evenwel het is _Jan
+Edeling_; en ik geloof, dat de oude Heer, om geen waerelds goed, het
+anders zou dulden.
+
+Alles gaat naar wensch: den gehelen nagt geslapen als een roos; het
+Kind ook. Zy is reeds in allen opzichte Moeder: 't is een bekoorlyk
+Kraamvrouwtje! Willis en Brunier zullen van daag den kleinen Jongen in
+het naaste vertrek zien, en Grootvader trakteert al wat in zyn dienst
+leven ontvangen heeft. Tot de Kruijers en Pakhuisknegts toe, krygen
+Rynschen Wyn met Kaneel-Koekjes, en yder is _mantje, jongetje_; elk
+maakt het _bestig_. Hemel, hoe is die man verandert! De Brief moet
+weg: Ik moet ook nog aan myn Letje schryven. Schryf my haast ook zulke
+goede tyding:--met haast, de Brief moet weg.
+
+ Uwe Vriendin,
+
+ M. BUIGZAAM
+
+ Wed. P. SPILGOED.
+
+
+
+
+HONDERD-TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA SMIT.
+
+
+_Zeer lieve Vriendin!_
+
+Niet voor van daag kreeg ik de vryheid om te schryven; en myn kleine
+knol is evenwel al drie weken in de Waereld geweest: Nu, 't is goed,
+dat ik met een zoet praatje te leiden ben, anders, wel heden, me
+dunkt, ik had, voor den _Negenden dag_, wel kunnen schryven. Maar de
+slenter moet gevolgt! Tante Redelyk houdt, zeg ik haar, niet van oude
+palen te verzetten: maar de Vrouw spreekt, zo zegt zy, by ondervinding;
+en dewyl zy reeds tien kindertjes gehaalt heeft, dien ik nog al op
+haar zo wat te betrouwen.
+
+Kom meisje, gy moet den moed niet opgeven: gy plagt altyd _ouder_ en
+_wyzer_ te zyn dan ik ben, en ik heb my wel gehouden, hoor ik; want
+ik, arme sloof, weet niet, hoe andere Vrouwen zich gedragen. Gy kent
+myn humeur! "Kom aan, Saartje, zei ik, schik u naar 't geen zo zyn
+moet; gy zult er u zelf best by vinden." Zo gezeit, zo gedaan: en zie
+daar! my Moeder van het liefste kind, dat gy u verbeelden kunt.
+Gelooft gy my niet? vraag het dan aan het schaap zyn Grootvader; vraag
+het aan den Heer Blankaart;--aan elk, die het ziet.
+
+En wat heb ik nu een drukte met myn kleine Prul! Ik zou hem wel altyd
+op myn schoot willen hebben; maar Baker zeit: "dat hy dan wel haast
+niet meer in zyn wieg zal willen, en dat dit toch best is voor hem."
+Hoe, best? vroeg ik; kan _myn_ jongje ergens _zo best_ zyn, als op zyn
+eige Moeders schoot? Zo ziet gy, dat elk den baas over my speelt, tot
+de Baker inkluis. Wat ben ik hongerig, Naatje! Ik kan altyd wel eeten,
+en neem 's avonds een trommeltje met beschuit naar bed: (nu, kind, gy
+zult wat ondervinden,) ik moet myn Jantje immers voorraat bezorgen?
+Myn stoute Broêr klungelt gedurig aan de Wieg, en maakt zyn Neef
+wakker, die dan een brave keel open zet, en dwingt om by Mama te zyn;
+dan loopt Cees de Kamer uit, en zingt zyn moffenliedje, daar gy eens
+zo om moest lachen. Onze Pieternel is hier geweest; dat was een
+vertoning! zy zei, "dat het kind er zo verstandig uitzag, en zo leek
+op Grootvader Burgerhart, (dat is, op myn Grootvader, moet je weten;)
+en zy kon niet bedenken, dat ik al zo een knappe Zeun hadt; wel heden,
+het heugde haar nog, als den dag van gisteren, dat ik geboren wierd;
+'t was op een Dingsdag;--neen, op een Woensdag;--toch op een Dingsdag;
+want dit was haar stof- en raag-dag; en zy was net bezig met
+Grootvaders slaapkamer te stoffen, toen myn Heer Blankaart, die altyd
+by uw Vader was, wil ik spreken, aan den trap riep: Pieternel, kom
+eens af, meid, daar hebben wy een aartig piskousje gekregen; en
+Mevrouw, ik had er zulk een innerlyke dingstigheid van, dat ik over
+myn handstoffer viel, al het stof op het tapyt; zo dat, ik weet het
+nog heel wel. Zy beriep zich ook op den Heer Blankaart; die zou 't
+niet ontkennen." Grootvader Edeling tracteerde Pieternel ook, en de
+welkomst van den jongen Jan Edeling werdt gedronken: ô zulke
+toneeltjes smaken my zo! Ik wou, dat ik die maar beschryven kon, zo
+als het behoort. Uwe aanstaande Zuster, die nog by haren weldadigen
+Vriend is, heeft my een engelagtigen Brief geschreven: Wat zal Willem
+met zo een meisje gelukkig zyn!
+
+Een trek uit den Heer Helmers karakter, Gy weet, dat hy, voor ruim
+veertig jaar, zyn Vrouw, die hy teder beminde, in 't kraambed verloor?
+Nu! die indrukken zyner droefheid zyn onuitwischbaar; en hy neemt zo
+veel belang in jonge kraamvrouwen, dat hy ook alle morgen een knegt te
+paard zendt, om te horen hoe of het met my is, schoon zyn plaats drie
+uuren rydens van Amsterdam legt; en zo, zeit Letje, doet hy omtrent
+alle Vrouwen, die hy eenigzins kent. Indien gy, Naatje, niet in eene
+andre Provintie waart, gy zoudt ook alle morgen een knegt te paard de
+Pastorielaan zien opryden: Nu nog een woord meer in uw trant van
+schryven: het geschrevene moest er eerst maar uit.
+
+De ondervinding alléén is in staat om u te leren, wat het is, _Moeder
+te zyn_. Gy weet, ik was altoos een _kindergek_; maar, myn Hemel! wat
+onderscheid! Hoe is 't mooglyk, dat er Vrouwen zyn kunnen, die
+onverschillig zyn omtrent deezen Huwlyks-zegen! Nu, dunkt my, ben ik
+eerst regt getrouwt. Nu is myn Edeling my nog oneindig dierbaarder.
+Nu is hy door alle de zagte banden der Natuur, door alle de mogelyke
+betrekkingen, aan my gehecht; en wat kan eene brave Vrouw zo verrukken,
+dan de tederbeminde Vrouw te zyn van dien man, door wien zy Moeder
+wierdt? De wys, waar op myn man zich gedraagt, is in zyn karakter; en
+dat kent gy. Al de smarten zyn voorlang vergeten, maar de beloning
+duurt, groeit aan, en maakt my tot eene der gelukkigste Vrouwen, die
+er zyn kunnen.
+
+Nu is het nog der pyne waart om te leven. Ik heb nu werk, ik heb
+pligten te voldoen, die myne ernstigste overdenkingen waardig zyn;
+en nu zie ik, dat ik, alléén by gebrek van bezigheden, die voor my
+berekent waren, eene losse, uithuzige, stoute meid was. Zie, Naatje,
+dat hadt gy ook behoren te bedenken; wil ik spreken, zeit Pieternel.
+Ik begryp wel, dat het nu maar spelen gaan is, en dat de jonge Jan
+Edeling my wel eens andre druktens zal maken! Goed! ik wagt die ook,
+en hoop, dat myn verstandige Man, zo ik te véél malle Moeder ben,
+Moeder en Zoon beide te recht zal helpen. Ik kan wel niet zeggen, met
+Pieternel, dat de Jongen er heel verstandig uitziet; maar 't is immers
+een goed kind, dat naar zyn Moeder aart? en gy weet, dat Moeder stikkent
+vol potzen en flinken stak, toen zy nog zeer jong en zeer los was? Myn
+Brôer heeft er wel moed op, want hy zegt my in vertrouwen: "dat Jan al
+naar de Meisjes begint uittekyken." "Oom en Neef hebben een goeden
+smaak," zei ik. "Ja, zei hy, de Natuur gaat boven de leer." Hy hoort
+ook graag muziek, want als Baker van de Moordenaartjes zingt, schreeuwt
+hy als een tyger; maar als ik eenige noten aansla, kykt hy uit zyn
+luijers als iemand die zegt: _Nog meer laatste woorden van bisschop T_.
+
+Vaarwel, myne Vriendin. Omhels voor ons uwe waarde Moeder en Dominé,
+voor Edeling en my. Ik ben altoos
+
+ Uwe Vriendin,
+
+ SARA EDELING,
+
+ geb. BURGERHART.
+
+
+
+
+HONDERD-DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Aletta Willis-Brunier aan haar man
+Willem: Sara voedt kleinen Jan verstandig-aardig op.--_Hun eigen
+kinderen_ groeten papa!
+
+
+HONDERD-VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Vader Willem aan zijn vrouw: dol
+gelukkig!
+
+
+
+
+HONDERD-VYF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK.
+
+
+_Eerwaardige Heer!_
+
+Ei, wissewasjes, ik weet niet, myn lieve Dominé, waar je van spreekt.
+Dat ik uw' Hendrik by een braaf Kaptein gebragt, en ten sterksten heb
+aanbevolen, is dat zo veel zaaks? Wel, myn goede man, ik wou, dat ik
+veel meer voor je doen kon; want ik heb zulk een achting voor u, en ik
+ben zo dikwyls door uwe Predikatiën gesticht, en uw Vrouw is zulk een
+best Wyf, en gy hebt daar tien kinderen, het eene nog schoonder als
+'t andere; zo dat ik zeggen wil, spreek daar niet van. Wel ja, die
+uitrusting wil wat zeggen; ik heb by gelyks kind noch kraai in de
+waereld: Nu, de jongen ziet er uit als een Vorst, in zyn Zeemontuur.
+Kyk, mantje, zei ik, toen ik hem naar boord bragt, (want ik heb den
+jongen lief, en wilde hem zelf aan den Kaptein leveren.) Kyk, mantje,
+nu heb ik Vader en Moeder bepraat, om u te laten varen. Je bent nu
+_Monsieur Kadet_; en draagt een degen, zo wel als een Admiraal. Maar
+zo je nu reis in een ploertig leven meer zin kreeg, dan in een
+ordentelyk gedrag, en dagt, nu ben ik myn eigen meester, en vele
+viezevazen meer, dan zou Abraham Blankaart daar staan, of hy een
+schepenkennis[1] op zyn neus hadt, en dan zou Oom Jan zeggen, dat het
+myn schuld was, dat ik my er niet meê gemoeit moest hebben, en dat zou
+niet mooi voor my zyn. En wat denk je, Dominé, dat Heintje daar op
+zei? "Myn Heer, zei hy, ik verzeker u _op myn woord van eer_; (en hy
+is veertien jaar, dat stondt my wel aan,) _op myn woord van eer_, dat
+ik in allen opzichte braaf zal oppassen; zou ik zoo ondankbaar zyn
+omtrent u? en zou ik myn lieve Vader en Moeder ooit verdriet aan
+kunnen doen? dan wou ik liever maar dood zyn, want dat was dan maar
+best."--Dat was het ook, zei ik, want dan waart gy een ondeugende
+Jongen: maar ik zie nu wel, dat gy een braaf kind zyt. En ik troostte
+hem weêr zo wat: en zoo kwamen wy aan boord, met de sloep. Daar kwam
+Janmaat en Ceesneef op de proppen: "hier, Hein, wat dit en dat! de
+valreep! daar is onze Kadet Redelyk; met zyn Vader." Ja, dagt ik,
+lieve God! was dat waar, dan tracteerde ik het hele Rommelzootje. Daar
+kwam een Schieman [2], en noemde my Dominé, en toen luisterden al de
+Pekbroeken elkander in: "Jongens, dat is een Dominé, de Kadets Vader."
+Daar stond ik toen met beschaamde kaken: want ik wist wel, dat ik geen
+Dominé en Heintje myn Zoon niet was. Neen; Maats, dat heb je effentjes
+zo wat mis, ik ben geen Dominé, en joului Kadet is myn Zoon niet; maar
+ik ben een Koopman, en een oud Vryër: nu, dat is 't zelfde. De Kadets
+Vader is een Dominé, en wel een zo braaf Dominé, als er ooit voor jou
+lui zielen gezorgt heeft; zo dat ik maar zeggen wil, dat gy den jongen
+Heer wel moet doen; hy zal u ook wel doen, en ik hoop, dat hy zulk een
+braaf man zal worden, dat jou lui nog eens met hem, als jou lui
+Kaptein, aan den dans zult raken. Dat hoopten zy ook, en er werd braaf
+gehouseet, want Abraham Blankaart gaf aan Janmaat een footje. Nu, het
+overige zal Hendrik u wel schryven.
+
+Eer heeft uw hart, myn goeje Dominé; wel dat zou er bekreten uitzien,
+als juist alle brave jongens zouden moeten studeren en Dominees
+worden. Maar zo Satans nydig als ik worden kan op die malle fatsoenen,
+die nu denken, dat het onzen lieven Heer magtig veel schelen kan, hoe
+een eerlyk man door de waereld komt! Kunnen wy dan allemaal _Preken en
+Bidden_? Ei lieve! En wie zou dan Negotie doen? Wie zou 't Land
+Regeren? Wie zou, ja wat weet ik het. Althans uw Hein is maar regt
+voor de zee geschikt. 't Is een gezonde sterke Beuker van een jongen;
+en als hy niet deugen wil, kan hy al zo ondeugent op de Studie als op
+de Zee worden.
+
+Zie zo, dat Karweitje is ook weêr besjouwt. En uw vrouw verdient, dat
+zy haar Zoon nog eens Vice-Admiraal ziet; hoe lief zy hem heeft, weten
+wy wel: maar de Vrouw sprak verstandig.
+
+Ja, Dominé, jy bent een man naar myn hart. Zie, ik hou om de dood niet
+van dat falievouwen, en ik kan my zo satans nydig maken, als ik daar
+zo hoor klagen en stenen, en van _Tranendal_, en van een _elendig
+leven_ enz. praten. Hoor, God de Heer is maar veel te goed tegen zulke
+ondankbare kniezers en zuurkykers. 't Is goed, dat zy met Abraham
+Blankaart niet te doen hebben, ik zou dat bangziende Volkje wat anders
+leren. Zie daar, daar ben ik nu zes en vyftig jaar oud, en als ik zo
+by my zelf zit, zeg ik: wel lieve God, wat al weldaden heb ik, zondig
+mensch, evenwel van u ontfangen! Ik ben met weinig begonnen, ik moest
+voor een oude Moeder en een zieke Zuster het brood winnen, en zie
+daar, ik ben ryk, ryker dan ik elk aan den neus hang; ik ben gezont
+als een visch. Ik sta daar, als Govert in den dans, omringt van al myn
+jonge lui; daar is Edeling en zyn Vrouw, daar is myn Willem met zyn
+Vrouw; daar is Cobus, daar zyn ze zo allemaal om my; elk houdt meer
+van my als de ander. De kleinen klimmen tegen my op, en halen de
+suikerde duiten uit myn zakken; en als Abraham Blankaart maar eens
+kugt, of wat stil is, dan is de drommel op stelten: 't is of elk
+vreest, met my gelyk te zullen aftrekken, zo is het er te doen. Daar
+zyn die brave Weduwen; wel, ik ben er als broer in huis; daar is
+Dominé Smit en zyn Vrouw, op de handen zouden zy my dragen; en wat doe
+ik toch, dan 't geen myn pligt is, en dat ik altoos wel te vreên ben?
+want vrees God en doe wel, zo veel gy maar kunt, dat is het allemaal.
+Wat zegt gy, Dominé?--Maar hoe doen nu de klagers? Altyd kyken zy
+bang; altyd vrezen zy, dat zy te kort zullen komen; zy houên van
+niemand, en niemand van hun. _Op zulke Watertjes vangt men zulke
+Vischjes_. Maar onze lieve Heer (die maar veel te goed is,) krygt den
+schuld. Dan is het te heet, dan is het te koud; dan is alles zo duur,
+dan komt er geen staartje Visch aan de markt. Summa summarum, die
+Lelykeis zyn nooit te voldoen: en 't zal my benieuwen, of het in Gods
+hemel ook wel van passen voor hun zyn zal; maar ik denk niet, dat wy
+daar met hen zullen opgescheept zyn. Wat denkt gy er van, Dominé? Kyk,
+denk ik, die God niet in blijdschap dient, kan niet in den Hemel
+komen, want hy doet niets uit liefde tot God. Hy loopt daar over deeze
+kostelyke aarde, die zo keurlyk is opgesiert, net als zo een onguur
+gnorrent Varken, dat alles maar al gromment en morrent en gnorkent
+doorslokt, en nog een lelyk bakkes zet tegen een ander, die het een
+stroo in den weg legt. Zyn dat geen lieve Peuzels, om op zulk een
+plaats te komen, daar alles vreugd, en lof pryst den Heer is? Paulus
+is myn man: _Weest altoos blijmoedig, en verblydt u in de hope_. En
+dat zei hy zelf in dien bedroefden tyd, toen er wat meer halen, aan
+den kling was dan nu, om een goed Christen te zyn.
+
+Myn Vriendinne Styntje denkt net als ik, en dat doet my zo een deugd!
+Vriend Blankaart, zeit zy: als ik zo des ogstends opsta, en die lieve
+Zon zo in 't Oosten zie, en hoe alles zo als herleeft, en Gode dank,
+dan denk ik: Here, is het hier op deeze stoffelyke Waereld zo schoon,
+hoe moet het niet in uwen zaligen Hemel zyn! en dan zing ik uit Jan
+Luikens vaersjes het Liedjen op den Morgenstond. (Je moet weten,
+Dominé, dat zy toen op Buitenrust, by de twee Dames gelogeert geweest
+was, en dat ik de vrome ziel daar met myn rytuig van daan haalde.)
+
+Nu, myn Vriend, groet ik u! en wensch u met uw Vrouw en kinderen nog
+lang een hemel op aarde; en als gy bid, ei lieve, bid ook voor my,
+want het gebed des goeden mans vermag veel, wil ik spreken. Ik blyf
+altoos,
+
+WAARDE DOMINÉ!
+
+Uw hoogachtende Vriend,
+
+ABRAHAM BLANKAART.
+
+P.S. Ik zie daar, dat ik tweemaal onzen Sinjeur weer genoemt heb! Nu,
+verschoon dat, ik mag zo niet fratsen in myne brieven, anders schrapte
+ik er zyn naam nog uit!
+
+
+Noten:
+
+[1] Hypotheek.
+[2] Onderofficier.
+
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart
+by Wolff en Deken
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA ***
+
+***** This file should be named 10400-8.txt or 10400-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/0/4/0/10400/
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/10400-8.zip b/old/10400-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..f7efffb
--- /dev/null
+++ b/old/10400-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/10400.txt b/old/10400.txt
new file mode 100644
index 0000000..cb0f6ac
--- /dev/null
+++ b/old/10400.txt
@@ -0,0 +1,8333 @@
+The Project Gutenberg EBook of Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart
+by Wolff en Deken
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart
+
+Author: Wolff en Deken
+
+Release Date: December 8, 2003 [EBook #10400]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA ***
+
+
+
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe.
+
+
+
+
+
+HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART
+
+door
+
+BETJE WOLFF en AAGJE DEKEN
+
+
+MET INLEIDING VAN EN VERKORT DOOR J.B. MEERKERK
+
+
+[Illustratie: Betje Wolff en Aagje Deken.
+
+
+ Natuur plaatst onzen geest als 't waare in 't aangezicht;
+Zy doet der menschen ziel meest door zyne oogen spreken;
+ Wie onze werken leest herkent dra ook zeer ligt
+Uyt beider Beeltenis, wie BEKKER zy, wie DEKEN.
+
+
+Prent van A. Cardon naar teekening van W. Neering.]
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+Voor ELISABETH WOLFF-BEKKER (1738--1804) is in het buitenland zoo-nu-en
+-dan wel notitie genomen van onze litteraire kunst--gezwegen natuurlijk
+van de latinisten uit den renaissancetijd;--en LAROUSSE kent naast
+REMBRANDT tegenwoordig ook VONDEL--doch eigenlijk tellen we pas
+eenigszins mee in den vreemde na SARA BURGERHART, dat in het Fransch
+werd vertaald--waar de Schrijfster niets mee ingenomen was. Ze meende
+dat haar boek eigenlijk niet te vertalen was en alleen verstaanbaar voor
+Hollanders. En ze had daarin volkomen gelijk, ook naar het oordeel van
+BUSKEN HUET, die o.a. schreef:--"om die kunst te waardeeren moet men van
+de natie zijn."
+
+Gaat er bij elke vertaling van een goed boek iets moois verloren, zeer
+stellig, meen ik, moet dit het geval zijn met de uitstekende werken
+van BETJE WOLFF. Ze zijn zoo door-en-door Hollandsch, als de _Camera
+Obscura_ b.v., als heelveel van _Multatuli_, dat vreemdelingen er
+gewoonlijk onverschillig voor blijven, inzonderheid als niet de
+intrigue van den roman op zichzelf belangstelling wekt, als wederom
+bij BETJE.
+
+Ik spreek hier alleen van BETJE WOLFF, echter zonder haar vriendin AAGJE
+DEKEN (1741-1804) tot bloot belangstellende te willen verkleinen. Er is
+over het al of niet samenwerken heelveel getwist; ikevenwel meen dat
+AAGJE veel meer is geweest dan toeschouwster, al laat ik die kwestie
+hier rusten en noem ik alleen BETJE'S naam.
+
+Wie zich nu tot het lezen zet van _Sara Burgerhart_, moet zich
+tenminste eenigermate een voorstelling maken van den tijd waarin het
+boek werd geschreven (1782). Wij zijn te allen tijde een volk van
+theologen geweest, is er terecht gezegd, en dat zijn we gebleven; dat
+waren we vooral nog in BETJE'S dagen. Doch toen inzonderheid was het
+geloof verstelseld en verdogmatiseerd, het leven was verdord in den
+godsdienst, veruiterlijkt, en de nieuwe denkbeelden waren nog verward:
+'t was voor 't reveil, waarvan DA COSTA de dichter werd, en de
+_Aufklaerung_, wier profeet KINKER worden zou, schemerde nauwelijks.
+BILDERDIJK vervroegrijpte pas.
+
+LOCKE (1632-1704) en de oudere DESCARTES vooral (1596-1650) hadden
+invloed gehad; BOILEAU (1630-1711) en VOLTAIRE (1694--1778) waren veel
+gelezen; ROUSSEAU (1712--1778) was aan 't woord: _Nouvelle Heloise_,
+_Julie_, _Emile_, _Contrat Social_ behoorden tot de in zekere kringen
+populaire lectuur--en tot die kringen behoorde ELISABETH WOLFF. Er
+bestaat een portret van haar als jong meisje met POPE'S beroemd boek:
+_Essay on Man_ in haar hand. Dat lierdicht verscheen in (1733).
+
+FIELDING (1707--1754) beroemd door zijn _Tom Jones_ en _Richardson_
+(1689--1761) waren vertaald... Ja, veel werd er vertaald; het was zelfs
+een bijzonderheid dat er een roman verscheen die niet was vertaald.
+_Niet vertaalt_ liet BETJE dan ook op het titelblad drukken. De VAN
+KWASTAMA'S en dergelijken--en hun aantal was talrijk--lazen nooit
+Hollandsch; dat achtten ze als wijlen BARLAEUS een boerentaal,
+ongeschikt voor fijnere geesten.
+
+Ik noemde zooeven RICHARDSON den schepper van den modernen Engelschen
+roman, algemeen vermaard om zijn _Clarisse Harlowe_, _Pamela_ en
+_Grandisson_, lektuur tot in POTGIETER'S jeugd.
+
+RICHARDSON is BETJE'S voorbeeld; van eigenlijk gezegde navolging mag
+misschien sprake zijn in BETJE'S laatste werk: _Cornelia Wildschut_;
+doch merkbaar is zijn voorbeeld overal. ROUSSEAU en RICHARDSON, die
+twee bewondert en vereert BETJE; maar toch weer niet zoo, of ze durft
+met den eerste in 't godsdienstige verschillen en door den laatste
+verliest ze haar in-hollandsch karakter niet: _zij wil Hollandsche
+karakters_ uitbeelden, _menschen zooals er bij ons leven_.
+
+En ze slaagt uitstekend: _Blankaart_, _Edeling_, _Suzanna_, _Stijntje_
+--enzoovoort zeg ik maar, om niet te reppen thans van tante _Martha de
+Harde_ en haar man, in _Willem Leevend_. En zooveel anderen,
+meesterlijke scheppingen.
+
+Als we in ons letterkundig leven terugblikken, vinden we BREDERO
+(1585--1618), COSTER (1579--1658), HOOFT (1581--1647), men denke aan
+diens _Warenar_, ASSELIJN (1620--1701), BERNAGIE (1656--1699), VAN EFFEN
+(1684--1735) en LANGENDIJK (1683--1756), tot BETJE'S geestverwanten, en
+die lijn loopt door tot BEETS (1814--1903), wiens realisme echter
+gepolitoerd is, tenminste overal een grondverfje heeft: het ruige is
+er af, tot zelfs in _Barend_, den tuinmansknecht,--en tot _Multatuli_,
+die heel hoog liep met _Blankaart_.
+
+Zooals reeds vermeld is werd BETJE in (1738) geboren, te _Vlissingen_;
+zij was de dochter van JAN BEKKER en JOHANNA BONDRIE, een Vlaamsche.
+BETJE was van haar geboorte af teer en prikkelbaar--ze werd begaafd en
+hartstochtelijk; leergierig was ze en las vroeg boeken, die anderen
+pas veel later of nooit lezen.--Niet vrij te pleiten van zekere
+koketterie liet ze het zoover komen, dat een zekere GARGON haar kon
+ontvoeren; ze was toen pas zeventien jaar. Zij is er met den schrik
+afgekomen, _ongedeert_, zooals we van _Sara_ lezen, wie iets dergelijks
+overkomt. Opzettelijk historie heeft ze niet geschreven in _Sara_,
+maar ongetwijfeld is die _meneer_ R. wel een heugenis aan GARGON en
+SARA is niet vreemd aan BETJE.
+
+Ze schrijft haar boek ook _ter waarschuwing_ voor jonge meisjes als
+Saartje; van _l'art pour l'art_ had ze geen idee; ze onderwijst
+altijd, 't zij ze romans schrijft, of in spectatoriale geschriften,
+als _De Grijsaard_, _De Denker_ of _De Borger_. Die weekblaadjes
+bleven na _van Effen_ geregeld, en telkens weer onder andere titels
+verschijnen.
+
+Na dit voorval met GARGON had BETJE in Vlissingen en in het ouderlijk
+huis geen leven. Haar broer LAURENS--die iets had van broeder BENJAMIN
+--maakt haar 't leven zuur. Tijdelijk vindt ze een onderkomen bij den
+Amsterdamschen advocaat NOORDKERK, die haar wist te kalmeeren. Maar ze
+moest weer terug naar Vlissingen.
+
+Het was een uitkomst voor haar, toen ze door dominee ADRIAAN WOLFF,
+met wien ze door haar geschriften kennis had gemaakt, altijd
+_schriftelijk_ alleen, ten huwelijk werd gevraagd. Dat ging vlug in
+zijn werk: den 9den October kwam WOLFF in Vlissingen, den 23sten
+ondertrouwden ze, (1759).
+
+WOLFF was in (1707) geboren, dus 31 jaar ouder dan de vroolijke
+levenslustige BETJE. Hij was sinds (1730) dominee in de _Beemster_
+en weduwnaar van WILHELMINE KAYZER; hij was een geleerd, zelfs
+dichterlijk, en een hoogstachtenswaardig man, met een ruime
+wereldbeschouwing.
+
+De eerste huwelijksjaren waren echter niet gelukkig: Betje koketteerde
+wat met dominee AMIJS. Wolff leed, als altijd ouwe mannen van jonge
+vrouwtjes, aan jaloezie--en Betje maakte 't wel wat bont. Na (1770)
+echter wordt het beter: Betje wordt wat stemmiger, heeft haar
+verkeerdheid leeren inzien en leert haar man waardeeren. In (1772)
+treedt WOLFF zelfs openlijk op om zijn vrouw te verdedigen. En dat
+was noodig, want Betje had door haar vinnige en zeer vrijzinnige
+geschriften vrijwat vijanden en belasteraars.
+
+Tot haar bestrijdsters behoorde ook AAGJE DEKEN, die zich zeer
+ongunstig over Betje had uitgelaten. Ze leerden elkaar kennen bij
+den Amsterdamschen fabrikant GRAVE, in (1776)--en die persoonlijke
+kennismaking leidde tot ideale vriendschap--waar Betje zoo mee
+dweepte--vriendschap tot aan hun dood: (1804). Kort na elkaar
+overleden ze.
+
+AAGJE was een boerenmeisje, opgevoed in het Weeshuis "De Oranje-appel"
+te Amsterdam. In (1767) was ze gezelschapsjuffrouw geworden bij de
+weduwe BOSCH, wier dochter MARIA dichteres was--en ziekelijk. Maria
+overleed echter al in (1773) en in (1775) gaf AAGJE hun werk uit onder
+den titel van _Stichtelijke Gedichten_. Aagje was zeer ernstig en
+deftig. Men zal haar in _Sara Burgerhart_ gemakkelijk herkennen in
+ANNA WILLIS.
+
+In (1777) overleed dominee WOLFF, die in de Beemster zijn
+_aspergebedden had aangelegd_. De man was, als Dominee SMIT in _Sara
+Burgerhart_, veel te verdraagzaam en te ruim van blik om opgang te
+maken. En toen gingen BETJE en AAGJE samenwonen en samenwerken.
+
+Eerst vestigden ze zich in _De Rijp_, waar ze woonden tot (1781); toen
+verhuisden ze naar _Beverwijk_, waar Aagje het buitentje _Lommerlust_
+geerfd had. Tegenwoordig is dat de pastorie der R.C. kerk.
+
+Daar hebben ze gewoond--_Sara Burgerhart_ is er geschreven in het
+beroemde Koepeltje--tot (1788). Toen kwamen de Pruisen in het land,
+bij welke gelegenheid BILDERDIJK zich verdienstelijk hoopte te maken,
+en de dames weken met tal van patriotten naar het buitenland, want ze
+waren patriotisch gezind.
+
+Ze trokken naar Trevoux in Bourgondie en hebben daar gewoond tot
+(1795), toen het den patriotten beter ging. Intusschen waren ze wel
+wat genezen van hun vrijheidsroes: 't had maar weinig gescheeld, of
+BETJE zelf was op de guillotine terechtgesteld.--Ze vestigden zich in
+Den Haag en daar zijn ze blijven wonen. Ze hadden het maar armpjes:
+hun kapitaaltje hadden ze toevertrouwd aan een Haarlemsch notaris en
+die had het zoek gemaakt.--Ze moesten nu weer vertalen, dat "ze
+kikhalsden" schreef BETJE. Wel hielpen de oude vrienden haar: LOOSJES
+en VOLLENHOVEN; ze kregen nieuwe in VAN HALL en VAN DER PALM; ze
+raakten heel intiem met mevrouw OVERDORP--POST, ELISABETH-MARIA, maar
+ze waren erg "eergierig" en men moest het, als VAN HALL, heel kiesch
+aanleggen om hen te ondersteunen.
+
+Ze werden ziekelijk: AAGJE leed aan jicht, BETJE aan kramp. De goeie
+tijden waren voorbij--voor _Willem Leevend_ hadden ze _6000 gld_.
+honorarium ontvangen; _Cornelia Wildschut_ bracht minder op.
+
+De beteekenis dier vrouwen voor onze algemeene volksontwikkeling en
+ook voor onze letterkunde overschat men niet licht. Het is gemakkelijk
+aanmerkingen op de samenstelling van _Sara Burgerhart_ te maken; men
+moge den snoodaard _R_. wat al te tooneelsnood vinden; men brenge
+bedenkingen in tegen den _briefvorm_, toen in de mode, door RICHARDSON
+--en nog door mevrouw BOSBOOM--TOUSSAINT gebezigd in _Majoor Frans_
+--maar onsterfelijk blijven _Saartje_, _Blankaart_ en de andere reeds
+aangeduiden--en nooit kan verdwijnen de geest van gezond menschenleven
+dien haar werken ademen.
+
+Zij rusten in vrede op het kerkhof "Ter Navolging", bij Scheveningen.
+
+ * * * * *
+
+SARA BURGERHART is niet alleen als roman bedoeld, 't is een _tendenz-
+werk_--theologisch, paedagogisch, politiek zelfs en _apologisch_.
+Daardoor is 't voor leerlingen inzonderheid te lang en te langdradig.
+Eerst wanneer men er toe komt de 18de eeuw te bestudeeren, _ons_ leven
+onder den invloed van den vreemde, dan wordt het _heele_ boek hoogst
+belangwekkend. Misschien komen er velen toe het dan in zijn geheel te
+herlezen. In deze uitgave wilden we behouden, behalve wat vanzelf bleef,
+den _roman_ en _het karakteristiek Hollandsche_. Het zou ons bijzonder
+aangenaam zijn als we daarin waren geslaagd.
+
+
+ Voornaamste Werken.
+
+Van BETJE alleen:
+
+ Bespiegelingen over den staat der Rechtheid,
+ den val en den gevallen mensch,(1765).
+ Walcheren in 4 zangen, (1769).
+ Onveranderlijke Santhortsche Geloofsbelijdenis,
+ en De Menuet en de Domineespruik, (1774).
+ _Die Menuet werd zelfs door hel volk gezongen als
+ een kermisliedje_.
+ Mengelpoezie. (1785).
+
+Van AAGJE en BETJE samen:
+
+ Historie van juffr. Sara Burgerhart, (1782).
+ Historie van den heer Willem Leevend, (1784).
+ Brieven van Abrah. Blankaart, (1788).
+ Dichterlijke wandelingen door Bourgondie, (1789).
+ Historie van Cornelia Wildschut, (1796).
+
+ J. B. MEERKERK.
+_Zwolle_, April '19.
+
+
+
+
+EERSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+ PARYS.
+
+
+_Lieve jonge juffrouw!_
+
+Nu ja, ik heb beide uwe Brieven ontfangen, maar, wat hamer, meent gy,
+dat ik tyd heb om u zo _cito_, per post, (zoo 't u blieft,) te
+antwoorden; en dat wel zo dikwyls, als myne Pupil goedvindt om my met
+een hoope wisjewasjes aan 't hoofd te lellen? Zie, ik ben maar een
+Vryer, (een _Oude_ Vryer, zo je wilt;) ik weet echter, hoe die Nufjes
+van halfwassen Vrouwen bestaan. Van daag willen zy zus, morgen willen
+zy zo. Wel nu, wat zal ik ik u antwoorden? Weet ik, in hoe ver gy
+gelyk hebt? Niet, Saar lief, dat ik u in staat ken om my te pieren, zo
+wat op myn mouw te spelden, gelyk men zegt: Neen, gy waart altoos een
+oprecht kind; maar gy zyt jong, gy hebt het maar gansch niet naar uw
+zin: reden genoeg, om zulke droevige dingen aan my te schryven.
+
+Indien ik niet in dit verbruide Land, daar niemand my en ik niemand,
+dan zeer gebrekkig, verstaan kan, buiten de Familie, waar mede ik myne
+zaken heb aftedoen, en daar ik wel zakken vol complimenten, doch geen
+geld krygen kan, nog vooreerst diende te blijven, en te Amsteldam kon
+komen, of ik die Russische winkel by Tante eens zoude komen opschudden!
+Wee, zo gy my gefopt hadt! maar wee ook het oud Wyf, indien zy myne
+Pupil, de dochter myns waardsten Vriends, kwalyk behandelde! Maak van
+myn vertrouwen geen misbruik, maar uwe Tante verdient niet de Zuster
+uwer brave Moeder te zijn; op myn eer, dat verdient zij niet! Zy is
+een geveinsde inhalige Feeks; en ik kan het nog niet in den kop
+krygen, door wat middel zy uwe zalige Moeder heeft weten te bewegen,
+om u, haar eenig, haar tedergelieft kind, by haar te betrouwen. Voor
+honderd halve ryertjes[1] moest gy het beter hebben; (uwe kleding
+betaal ik immers nog byzonder[2]). En krabt zy die echter niet zo
+vrekkig naar zich, als of zy arm en gy haar wild vreemt waart. Zo gy
+kunt, hou het uit; ik zal er u te liever om hebben, kind; en ik zal my
+tegen u niet laten innemen. Nu, zy schryft my ook nooit. Mooglyk acht
+zy my die eer onwaardig. Alles heeft zyn reden, meisje; zie, ik heb
+Tante, als zy het al te erg maakte, zo wel eens doen zien, dat haar
+manier van doen zeer dikwyls verbaast verre afweek van hare wyze van
+zeggen, en breden ophef, als of zy, ten minsten, eene heilige van den
+eersten rang ware. Gy hebt zulke brave ouders in 't graf; draag u toch
+wel, kind. Ik beken, zo eene behandeling is haast niet om te verdragen;
+zo zy het al te erg maakt, en gy beter kunt te recht komen, ik guarandeer
+uw kostgeld; mids dat de Lieden onbesproken en hupsche menschen zyn.
+--Doe deezen stap echter niet, dan in den dringentsten nood, of wy zullen
+geen Vrienden blyven; ik kan niet toestaan, dat gy u zelf zoudt benadeelen;
+daar heb ik u veels te lief toe. Ja, wat ik zeggen wou? Ik heb hier eene
+menigte muziek voor u gekogt, en die zal ik u met een los adres[3], als
+ik goederen afzend, toeschikken. Zy geven hier voor dat de Compositie
+heerlyk is: ik vergeet al myn kunst met die druktens; maar ik heb zo
+graag, dat zoete meisjes zich wel diverteeren; en gy zyt toch een
+muziekgekje. Ik denk wel om u, en kan dikwyls wenschen, dat ik u hier
+had. Hier, Saartje, zoude uwe geestige hekelzucht stoffe vinden, al
+hoorde en zaagt gy niets dan dien nimmer stillen zwerm van Gouwe torren,
+en Zomerkapelletjes; want zo noem ik dat lastig beslissent wel opgepronkt
+Jan hagel, dat men _Petits maitres_ hiet: Ik ben zoo bang voor zo een
+rekeltje, als gy voor een Aap; zy noemen my hier: _le gros Hollandais_;
+wat beduidt dit Kind? mooglyk nietmetal.
+
+Binnen zes maanden denk ik thuis te zyn. Wat lange brief is dit? nu gy
+yder een niet; maar toch, ik schryf niet graag Brieven.--Vaarwel, leef
+vrolyk, wees gegroet van
+
+ _Uwen toegenegen Voogd_,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+Noten:
+
+[1] Rijer = 14 gulden.
+[2] Afzonderlijk.
+[3] Apart pakje.
+
+
+
+
+TWEEDE BRIEF.--Aletta de Brunier heeft Saartje gezien als een
+"kwakerinnetje", in den winkel van Mad(elle) G. Dat is te gek,
+schrijft ze aan Saartje, met wie ze vroeger heeft school gegaan, en
+ze stelt haar voor bij haar te komen wonen, en pension bij de wed(e)
+Spilgoed-Buigzaam--daar hebben ze 't best. Er wonen nog twee dames.
+
+
+
+
+DERDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Ge-eerde Heer, zeer ge-achte Voogd!_
+
+Dat was een blyde Postdag voor my. Een Brief van myn geeerden Voogd.
+Waarlyk, ik heb geschreit, ziende hoe veel belang gy in my naamt: doch
+dat zes maanden uit blyven! daar lag al myn vreugd in 't voetzant.
+Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer
+uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet
+half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan.
+Och, zo waar, ik heb u geen een jokkentje, hoe klein ook, op den mouw
+gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? dan was ik een zeer slegt
+meisje, en verdiende dat gy my bekeeft. Ik ben niet alleen de slavin
+van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude
+lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt.
+
+De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw
+van een fatsoenlyk man, die niet dan ordentelyke Dames logeert. Een
+myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en
+pryst de Juffrouw heel zeer. Daar zyn nog twee andere Dames ook.
+
+Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat
+berispelijk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary
+wil verlagen, eene ondeugd, die allerafschuwlykst voor my is; en waar
+aan ik my zeker nooit zal te buitengaan.
+
+Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen
+te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven:
+Laat my toe, dit nogmaal te zeggen.
+
+Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek! ik zing al in voorraad[1].
+o! Wat zal die fraai zyn: mooglyk is er wel van Rousseau's[2] Compositie
+by? duizendmaal dank. Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken
+van een Pypje, voor te spelen. Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart,
+daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryen
+[3]; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag en ik heb zulke mooije
+Cantata's. Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het pakje aan Tantes huis
+niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur; ik zal hier een adresje
+insluiten. Ik bidde den goeden Hemel alle daag voor u, en dat ik u
+gezond en vrolyk moge weder zien, my zelf gelukkig rekenende van te zyn,
+
+_Uwe liefhebbende Pupil en Dienares_,
+
+SARA BURGERHART.
+
+Adres: _Chez Mademoiselle G----, Marchande sur le_ ----.
+
+
+Noten:
+
+[1] Bij voorbaat.
+[2] Wolffje dweept met Jean Jacques.
+[3] Zeurige deunen.
+
+
+
+
+VIERDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLES.
+
+
+_Ge-eerde vriendin!_
+
+Hield ik my niet verzekert, dat uw hart veel beter gestelt was, dan
+dat van wylen den Heer Achitofel[1], (trotscher gedagtenis), die zich,
+om dat men zynen raad verwierp, maar zo eens, met een gaauwigheid,
+handigies ging opknopen, ik zou zeker by u niet om raad komen, want ik
+zeg u in voorraad, dat ik niet van mening ben dien te volgen; ten ware
+hy, onverhoopt, met myn reeds genomen besluit overeenstemde.
+
+En nu, myne zeer statige, zeer hoogwaardige Vriendin, zult gy my
+vragen: "waarom, indien dit zo is, of ik dan uwen raad verzoek"? Dat
+zal ik u zeggen, Naatje. Ik schryf aan u, om myn hart te ontlasten; om
+u in staat te stellen van te kunnen oordelen over myn lastig lot, op
+dat gy, den stap dien ik ga doen, al niet goedkeurende, dien echter
+zoudt kunnen inschikken. Een stap mooglyk, onvoorzichtig; doch voor my
+nodig. Gy hebt al myn vertrouwen, om dat gy alle myne achting hebt, en
+elk die u acht is zeker niet verachtelyk, om dat gy zulk een fraai
+karakter hebt, enz. Ik moet kort zyn. Maar by Tante heb ik het zo
+slegt, dat ik er niet langer blyven kan of wil. Raad my dit niet af.
+'t Is wel waar, Naatje, dat gy zo wel veel wyzer als veel ouder zyt
+dan ik; maar gy zyt echter niet wyzer dan Salomon, de wyze Koning
+Salomon zou ik denken, ende wat zegt zyne Philosophische Majesteit
+ergens? "Het is beter te wonen aan de zyde des Daks, dan by eene
+kyvende "Huisvrouw". Hoe kan ik nu langer wonen by eene Tante, die,
+schynt het, eene belofte gedaan heeft, om my zo veel bitterheid aan te
+doen, als Vrekheid en Dweepery maar immer kunnen opbaggeren.... Daar
+schreeuwt zy alweer haar keel uit het lid. "Ja Tante, ik kom." Eerst
+echter deezen agter 't slot. Zo dra ik kan zal ik een tweeden Brief
+beginnen, ik moet u eindelyk voldoen omtrent zaken, my, voor ik u
+kende, ontmoet. Vaarwel, myne waarde.
+
+ S.B.
+
+
+Noot:
+
+[1] 2 Sam. XV, 12 vv. 2 Sam. XVI, 23. -- Vert. Kuenen c.s.
+
+
+
+
+VYFDE BRIEF.
+
+DE ZELFDE. Ten vervolge.
+
+
+Ik moest mynen vorigen brief, die hier nevens gaat, zo schielyk
+afbreken, om dat Tante my riep, schoon zy my niets te zeggen hadt, en
+slegts beval, by haar te zitten: Onze gromparty sla ik maar over, om
+dat ik u nu eens ernstig moet schryven.
+
+Myn waarde Vader, weet gy, was Jan Burgerhart; hy negotieerde in de
+Thee; zyn handel was voordeelig. Myne lieve Moeder was, zo als men dat
+noemt, een bestorven meisje[1]. Zy hadt een stuiver goeds, en trouwde
+zeer jong. My, het eenig kind, voedde men op als een meisje, dat van
+eene goede familie is, en geld te wagten heeft, door brave Ouders
+opgevoed wordt. Gy kent myn aandoenlyk hart; gy weet hoe vatbaar het
+is voor de minste blyken van genegenheid; oordeel dan hoe ik deeze
+myne dierbare Ouders eerde en beminde. Ouders! dat is toch een
+zielroerent woord, Naatje, en kost my meermaal eene stille traan. Myne
+Ouders waren gelukkig met elkander. Hun karakter was voor elkander
+berekent. Meer zeg ik niet. Wie spreekt ooit dan met achting van myne
+zalige Ouders? och, yder een!... Gy weet het. Hoe aangenaam was ons
+zeer geregelt huishouden! Myne Ouders lazen veel, en zagen deeze zucht
+in my met goedkeuring. Nog zie ik hen in onzen tuin, op de bank
+zitten, als Vader zyn pypje van rust, zo als hy het noemde, rookte, en
+Moeder hem iets voorlas, terwyl ik op des goedaartigen mans knie zat
+te luisteren, of te spelen. Nog zie ik, hoe hy my, gevolgt door myne
+glimlachende Moeder, in huis draagt. o! Dat waren gouden dagen; waren
+het niet?
+
+Myne Moeder hadt eene Zuster, die veel ouder was, en waar by ik nu
+inwoon. Die Zuster vondt maar gansch niet billyk, dat Saartje voor
+haar ten huwelyk verzogt wierd, en kyk, de Juffrouw was magtig gestelt
+op het _Decorum_[2]; dat was het maar: zy meende ook zeer wel te
+weten, dat zy zo wel veel meer verdiensten, als jaren telde, dan myne
+Moeder. Doch, of het spel sprak, daar kwamen geene Liefhebbers. Indien
+onze Vriendin hadt kunnen bewogen worden, om eene _aanpryzende_
+VOORREDE voor Tante te schryven, mooglyk zou men haar gezogt hebben.
+Hoe 't zy--(verschoon dien inval!) zy begreep, (Tante heeft ook haare
+invallen, Naatje), dat er geen beter party voor haar opzat, dan zich
+te voegen by die Lieden, die wy _fynen_, en die zich zelf _vroomen_
+noemen. Veele deezer menschen, ik spreek van de besten uit de zoo,
+meenden dat haar grimmige uitkyk, haar grommig voorkomen, haar
+nutteloze berisping, de zoete vrugtjes waren van eene naauw-gezette
+godsvrugt. Die goede Slooven dagten, dat Tante los was van de Waereld,
+om dat de wyze schikkingen der Voorzienigheid nooit de eer hadden van
+haar Wel Edele te voldoen. Hoe zeer zy ook de Fyne uithing, zy beviel
+evenwel meer aan de Zusjes, dan aan de Broedertjes: men moet bekennen,
+dat Juffrouw Hofland juist niet heel oogelyk is.
+
+Met myn zesde jaar hield ik al mee Oeffening by Tante. De Vriendjes
+hadden veel met my op. Men zag wat goeds in my. Ik hield ook veel van
+Tantes Oeffening; want, met myn zak en peperhuizen vol Lekkers, kwam
+ik altoos thuis, zie daar de genoegzame rede. Hoe zeit Wolff[3], de
+_ratio sufficiens der dingen?_
+
+Zoo veele middelen bleven niet ongezegent. Ik verlangde altoos naar
+Tantes oeffendag. Wat zal ik meer zeggen? Gy kent my: medelydent,
+meegaande, en zoo voords. Toen kon ik al geene droefheid zien zonder
+ook te kryten; en er werdt ook meest altyd eens geweent, (waarom weet
+Joost; want me dunkt, dat zy het nog al zoo taamlyk wel hadden). Deze
+weekheid behaagde. Myne Tante zelf, of schoon ik hare gehate Zusters
+dochtertje was, kreeg my, op hare wys, recht lief. Zy mydde ons huis
+niet meer, om dat ik mee oeffening hield, en mee huilde.
+
+Twaalf jaren leefde ik zo gelukkig, als een gehoorzaam en gelieft kind
+leven kan. Toen keerde myn lot. Myn waarde Vader, zich op eenen heten
+dag, door het inpakken en afzenden van Thee, zeer verhit hebbende,
+kreeg een pleuris, en stierf binnen drie dagen, nog geen veertig jaren
+oud zynde.
+
+Geene VAN MERKEN[4] zou u kunnen afbeelden, hoe groot myner Moeders en
+myne droefheid was. Wy verloren alles, en myne teder-lievende Moeder
+voelde alles wat zy verloor; meer zeg ik niet. Oordeel nu. Myne Moeder
+deedt den handel aan iemand onzer Kantoorbedienden over, vertrok naar
+de ----gragt, en hielt maar eene onzer meiden; daar leefden wy stil en
+proper. Maar haar verlangen naar stilte was te gunstig voor haar, om
+toch onafgebroken aan haar Overledenen te denken! Myne Ouders hadden
+elkander hartlyk bemint: de dood myn's Vaders stortte haar in de
+allerdiepste zwaarmoedigheid. Zy sneedt alle uitspanningen af, zag
+niemand, sprak weinig, zuchtte veel, en stortte veele droeve tranen.
+Zy werdt ook wel dra zo ziek van lichaam als van ziel. De lieve Vrouw
+hadt nu reeds de geschiktheid, om het zaad der dweepery, 't welk myne
+Tante met eene voorbeeldige mildheid uitstrooide, te ontvangen; zy
+ontfing het ook, helaas!
+
+Ik was bitter bedroeft over myne Moeder! myne zucht tot vermaak
+verzwakte. Geen wonder! ik zag myne kwynende Moeder in eene sleepende
+ziekte vervallen, die, zo als Docter E---- duchte, ongeneeslyk was. Ik
+leed niet minder dan myne dierbare toegeeflyke Moeder. De Teering is
+eene elendige kwaal, Naatje. Wat heeft de brave Vrouw geleden, en dat
+zo lang; zo heel lang! Nooit verliet ik haar in het laatste jaar haars
+levens. Ik sliep voor haar bed, gaf haar alle de medicynen; en zag,
+buiten myne Tante en den Docter, niemand dan onze goede Pieternel; die
+brave meid, welke myne Ouders reeds diende, toen ik geboren wierd, en
+waar voor ik zo veel liefde heb. Nu en dan las ik voor myne zwakke
+stervende Moeder; doch de Boeken, waar uit ik las, waren niet voor my,
+ook niet voor haar geschikt, en werden door Tante bezorgt, akelige,
+zotte geschriftjes, die myne Moeder, voor de droefheid haren geest
+geheel hadt benevelt, met versmading zoude beschouwt hebben: Ik ben nu
+te ernstig, anders zoude ik u eens een paar douzynen Titels opgeven,
+die my by u zouden verdedigen.
+
+Dodelyk ongerust over myne geliefde Moeder; onpasselyk door het gestadig
+zitten in eene ziekenkamer, verstoken van lucht, dien balsem des levens,
+van licht, dat den geest opheft: zonder de minste afleiding; het zwarte
+beeld des doods gedurig voor my warende; verdrietig over de smarten myner
+Moeder, verloor ik eerst myne eetlust, toen myne gezonde kleur, en wel
+dra myne werkzaamheid. Ik keek zo bang en zo zuur als Tante; zuchte,
+zat leeg en lui met de hand onder myn hoofd, dat dof en zwaar werdt en
+ongekapt bleef. Met een woord ik vervreemde zodanig van de jonkheid en de
+natuur, dat Tante my voor een geheel _omgekeert meisje_[5] begon aan te
+zien. Zy liefkoosde my, om dat zy haar eigen portret in my waande te
+vinden: en ik, och! ik had vrede met Tante, om dat zy met my in haar
+schik was.
+
+In dien staat was ik, toen gy ons uit naam uwer Moeder bezogt, die de
+beleeftheid hadt, om, uit oude vriendschap met myn Vader, en uit nieuwe
+Buurschap, zo als gy zeide, (want gy kwaamt eerst onlangs op de zelfde
+gragt), te laten vragen, hoe of myne Moeder nu was, zynde zy begeerig om
+de zieke eens te bezoeken.
+
+Hy, die ons in treurige omstandigheden toespreekt, met heusheid toespreekt,
+is ons welkom: dit beurt ons op; het vleit ons; het verwydert ons eenige
+oogenblikken van ons verdriet: Oordeel des of gy my aangenaam waart! ik
+voelde nu, dat ik nog vatbaar was voor blydschap. O dierbare aandoening!
+Hoe, (gy wordt immers niet knorrig, Naatje lief?) hoe staatig, hoe weinig
+toeschietent, hoe geheel anders gy ook waart, dan ik, in houding, in
+kleding, in gelaat, toen echter scheent gy my de voorkomenheid, de
+minzaamheid zelve.
+
+Myne grootste, zoo niet eenigste behoefte, gy weet het nu zelf, is
+lief te hebben, en gelieft te worden: myne liefde voor myne Moeder was
+zo oprecht, zo teder, als die van eene dochter ooit zyn kan, maar die
+liefde vervulde echter myn geheel hart niet.
+
+Hare onbegrypelyke zwakheid, en myn gegronde eerbied waren de oorzaken
+van dit verschynsel. Die bron stroomde niet hoog genoeg voor my, en
+yder uur dreigde de dood die voor altoos te verstoppen. Gy werdt voor
+my noodzaaklyk. Ik zag wel, dat Naatje Willis een geheel ander
+voorkomen hadt dan Saartje Burgerhart, of alle die Juffertjes, daar
+ik mede om plagt te gaan, voor deze toenemende krankheid myner lieve
+Moeder: maar toen stak uwe statigheid niet heel sterk af by myne
+dofheid; wel verre van de oorzaak optesporen, dacht ik er niet eens
+aan: ik kende u; dat was genoeg.
+
+Uwe achtingswaardige Moeder bezogt de myne: het afscheid was teder en
+bedaart. Zy zag my schreijen, nam myne hand, sprak vriendelyk,
+troostelyk, kuste my; ja, noemde my, _lief Meisje_.
+
+Gedurende deze ziekte hadt myne Moeder Tante tot medevoogdes, nevens
+den Heer Blankaart, aangestelt; haar des jaars zevenhonderd Guldens
+toeleggende, tot ik kwam te trouwen, of, tot myne meerderjarigheid
+indien Tante my by haar wilde innemen. Deeze schikking zal u niet
+verwonderen, als gy bedenkt, hoe verzwakt myne Moeder was; als gy
+bedenkt, dat Tante en ik toen zeer wel te recht konden: Tante hadt
+Nicht lief, om dat die ziek en zwaarmoedig was, en Nicht, wel, die kon
+niet denken, dat 'er zulke Tantes in de geheele waereld waren!
+
+Weinige dagen na het bezoek uwer Moeder, storf de dierbare Lyderes,
+des nagts, in 't byzyn van onze Pieternel en den Heer Blankaart, die
+toen juist in de stad was, en ik bleef, nog geen zeventien jaar oud
+zynde, ouderloos. Myn Voogd berustte in de dispositie myner Moeder,
+doch heeft met Tante niet veel op. Zy noemt bykans nooit zyn naam, of
+zy voegt er by, dat hy geen godsdienst heeft. Denk eens aan; en dat
+van zo een allerbest man! Is 't geen schande?
+
+Aanhoudent, stil aan myn hart bytent huisselyk verdriet, heeft maar te
+veel van die goede lessen, die ik ontfing, uitgewischt. O vrede! o
+kalmte der ziel, waar zyt gy zedert deeze drie laatste jaren geweest?
+o myne Naatje, kan ik met nimmer wankelende treden den weg der pligten
+altoos bewandelen; daar men mynen weg zoo hart, zo doornig, zo ruw
+maakt? Nu 't is ook uit: myn gerekt geduld is ten einde; ik zal my dus
+niet langer laten plagen. Neen! vast niet.
+
+Ik kan u al myn verdriet niet vertellen; daar is in vele opzichten
+zulk een _zweem_ van beuzelagtigheid by, dat gy, die zo gelukkig
+leeft, niet kunt geloven, dat het my zo treft. Ik heb geen de minste
+vryheid; komen myne Meesters, dan tiert zy als een zottin; ik mag niet
+op myn Clavier spelen; ik mag my niet kleden, zo als ik gewoon ben; ik
+mag niemand zien dan in haar byzyn. Gy weet dat ik altoos proper, en
+eenigzins modieus gekleed wierd, maar hoe takelt zy my toe! Nu, zedert
+de rouw uit is, moet ik in een grove lelyke Stoffen Japon lopen; myn
+Pelise[6] is van eene ouden zyden faly myner Grootmoeder, (en is vol
+vouwen en kerven,) gemaakt; zonder kap of lintje, met een tinnen haak
+en oog maar vast gekonkelt. Myn linnen muts is zo groot, dat even het
+puntje van myn neus er uitkykt. Ik heb dikke drommels van schoenen, en
+dieren van groene kousen aan. Alle Kerkdagen moet ik gaan, en by dien
+Leeraar[7] dien zy uitkiest. Maandag en Saturdag moet ik Tante, en die
+Hottentot van een Bregt, na klungelen, om voor de Oeffenings-vrienden
+alles gereed te zetten. Ik moet thee schenken, presenteeren, zotteklap
+en lastertaal hooren ... maar genoeg. Dit evenwel nog: alle avonden
+moet ik in malle Boeken lezen, die wel door verliefden in een Dolhuis
+gemaakt schynen, doch die noemt myne Tante innige zielsdierbare
+Schriftjes, kostelyke Pandjes, enz. By ydere zinscheiding zucht Tante,
+en snurkt Bregt. Ik mag voor my zelf niets lezen, dan 't geen zy goed
+keurt; uwe _Julia Mandeville_ heeft die vinnige kwezel op 't vuur
+gebruit; och ja, voor myn' oogen deedt zy het. Ik beken, dat ik toen
+niet heel zoetzinnig was, maar het geen kleentje roerde. Waarlyk,
+Naatje, als ik hier bleef, wierd ik de grootste haneveer die er ooit
+leefde, en 't is toch geheel tegen myn inborst; doch nood breekt wet.
+
+Ik lyde juist geen honger, maar 't scheelt niet veel. Altoos is 'er
+iets voor my alleen, nu onder dit, dan weder dat voorgeven. Is dat
+voor my uittestaan? Weet gy wel, dat ik hier zevenhonderd Guldentjes
+verteer, kind? Meermaal gaf zy my, in heilige woede, een brave klap om
+de ooren, en ik ben echter bykans twintig jaar, kind, en zou Tante,
+schaamde ik my dit niet, er even goed een weerom kunnen geven. Hoor,
+ik heb aan myn Voogd geschreven, en wagt een gunstig antwoord.
+
+Ik zal wel ergens belanden. Ik heb myne Kinderkennis vernieuwt met myn
+Schoolmakkertje, Letje de Brunier. Die zegt, dat zy by eene zeer
+fatsoenlyke Vrouw gelogeert is; eene Weduw, die op de Keizersgragt
+woont. Juffrouw de Brunier schynt wel wat lugtig; maar dat's haar
+zaak. De Weduwe zal my wel innemen; althans, Letje zal het haar
+voorslaan. Ik laat my niet langer plagen: ik verteer te veel geld. Ik
+ben immers niet kwaad, Naatje? maar zo te leven is my onmooglyk. Wat!
+zou ik geen braaf mensch kunnen zyn, om dat ik de slavin myner Tante
+niet zyn wil; om dat ik my naar myn zin wil kleden, 't geen myn Voogd
+my gaarn inwilligt? Zou ik myn hair niet mogen opkappen, zonder dat
+myn hart er by leedt? Vrees niet voor my, ik zal wel op de wagt staan.
+Ik ken de liefde niet; denk er nooit om, breek myn hoofd nooit met
+zulke snuisteryen. Ik begeer niets dan een leven, dat vry vrolyk en
+schoon afloopt; goed gezelschap, aangename Boeken, en het vry gebruik
+van het Clavier.
+
+Dit voornemen heb ik; nu weet gy alles. Bekyf my, preek, vermaan,
+bestraf, vlei my, ik zal alles lezen, u liefhebben, en--myn eigen zin
+doen. Antwoord my toch ten eersten[8]: wat verlang ik naar een brief
+van u! geadresseert in _la Reine de France_, chez Mademoiselle G----.
+Niemand acht u hooger dan
+
+ _Uwe Vriendin_,
+
+ SAARTJE BURGERHART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Wees.
+[2] Hier: betamelijkheid.
+[3] K.F. Wolff 1733--94; rat. suff. genoegz. rede.
+[4] Luc. Wilh., Nut der Tegenspoeden, 1721--84.
+[5] Bekeerd.
+[6] 't Zelfde als faly: mantel.
+[7] Dominee.
+[8] Gauw.
+
+
+
+
+
+ZESDE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp schrijft aan Zuzanna Hofland
+--Saartjes Tante, bij wie ze inwoont--hoe Saartje als jong kind al
+niet deugde. Ze leest verkeerde boeken! Ze noodigt Zuzanna bij zich.
+
+
+
+
+ZEVENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+_Dierbare Vriendinne!_
+
+Wel, wat heb ik een dag gehad, een dag gehad: och! ik vrees dat de
+Boze maar te veel vat op my gehadt heeft; ik was zo toornigjes, zo
+toornigjes. Och ja, zo van myn hert afgedwaalt. Dogt ik dat, toen ik
+dat meisje by me nam? Ik dogt, dat er wat goeds in was; want toen haar
+Moeder ziek was, was zy zo stil en zo ingetogen, en kreeg ook onze
+kleur[1] al; maar 't was ook maar onze kleur, en meer niet. Zy was my
+nog te waereldsgezint; zo bedroeft was zy over hare Moeder; en moest
+het Hellewicht niet gedagt hebben, dat ik haar beter was dan zeven
+Moeders? Wat zeg jy, Zusje? Ik, die alles doe om hare lusten te doden
+en te kruizigen. Och ja!
+
+Ja, het stond my ook nooit wel aan, dat zy, als zy in het oude
+Testament las, altyd met er neus in de Spreuken en den Prediker zat.
+En ik vond het nog erger, toen Broeder Benjamin zei: "dat Salomon al
+dat pligtmatige, waar van hy zo veel schreef, geschreven hadt, in den
+tyds zyn's afvals; eenigjes en alleentjes om zyne Heidensche Wyven en
+Bywyven te behagen, die wel zin daar aan hadden, in die blinkende
+zonden, zei hy; en dat, toen Salomon zich bekeert hadt, hy ook van dat
+betrachten, dat doen, zoude gezegt hebben: Ydelheid der ydelheden, dit
+alles is ook ydelheid". Al dat doen, Zusje, laat de ziel maar leeg;
+die draf van goeije werken zyn ook al todden en vodden van eigen
+gerechtigheid, zo als de Zuster Alida met yver altoos zegt.
+
+Zusje, wat is die Broeder Benjamin toch een groot mannetje! Nou, ik zal
+zien te komen, en dan zullen wy spreken van herte tot herte. Ik heb u
+en de broeders lief.
+
+ Z. HOFLAND.
+
+
+ PS. Het Theologiesch Verrekykertje van Zuster
+ Welgeleert gebruik ik met stichting: als je
+ weer eens een zoet Boekje hebt, hoor.
+
+
+Noot:
+
+[1] Geestesrichting.
+
+
+
+
+ACHTSTE BRIEF.--Sara schrijft Aletta de Brunier, dat ze komt, als de
+weduwe Sp. haar wil hebben.
+
+
+NEGENDE BRIEF.--Deze verklaart zich bereid Sara te ontvangen, tegen
+billijke vergoeding. Het zal haar wel bevallen.
+
+
+
+
+TIENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA DE BRUNIER.
+
+
+_Douce et tendre amie!_
+
+_Je suis enrage_, op het oud Wyf--op myne Tante; ik wil geen week
+langer blyven; 't is of ik in de hel woon. Myne Tante heeft zeer veel
+van zyn Satansche Majesteits karakter; en Bregt verdient wel een
+schonen dienst in zyn onderaardsch ryk ... Ja! bons wat aan; ik zal
+niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. Sus! daar hompelt zy, al
+grommende, den trap weer af. Goeije reis naar beneden. Ik moet,
+_chere_, u eens een _Scene_ tekenen, die u niet zal uit de hand
+vallen.
+
+Woensdag voormiddag raasde zy als eene bezeetene, om dat ik eenige
+nieuwe Aria's speelde. (Dat's een Wyf, ook?) Zy werd geholpen door
+haar Hottentot van een meid, die my dorst zeggen, dat zy ook danig
+ontsticht was. Met wordt er gebelt. Bregt, die volmaakt een zog van
+een Bollebuisjeswyf[1] gelykt, waggelde naar voor; en Tante gaf my een
+verbruide oorvyg, om dat ik bleef spelen.... "Juffrouw, daar is
+Sinjeur Benjamin."--"Wel hede, laat Broeder maar agter komen." Daar
+kwam Broeder, een luije zuipzak van een Kerel, in een paarschen Japon;
+(men zou wel zeggen, wie of zo een verlopen Slagers Knegt toch een
+Japon heeft leren dragen.) "Welkom Broertje, wel hoe is het nu nog al
+met je?"--"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"--"Wel, dat is
+droevig, maar je vergt je ook wat veel."--"Ja 't is myn Ambtsbezigheid;
+en hoe vaart Zuster? Je schynt wel wat onthutst."--"Ja, dat ben ik ook,
+'t is niet altyd het effen wegje, Broertje." (Tegen Bregt.) "Ei meid,
+is er niet wat? dan zou Broeder hier maar familiair blyven." (Tegen my.)
+"Toe, lieve Saartje, was dat uittestaan, lieve Saartje, en myn wang
+gloeide nog van den slag, bak jy nou ereis schielykjes wat dunne
+Pannekoekjes, Broeder lust die zo graag." Ik sloot myn Clavier, en zei:
+'t is wel, Tante. Ik ging naar de Keuken, en bakte helder door: maar-ik
+-at-die-al-bakkende-zelf-op. Dit is de eerste trek, die ik haar speelde,
+hoe zelden ik myn genoegen kryg.
+
+Ik moet hier alles doen; want Bregt is een lomp schepsel, en snuift
+sterk. Toen ging ik, terwyl Bregt in huis klungelde, de tafel dekken.
+Bregt eet met ons, want het is Zuster Bregtje, moet je weten, Letje.
+Tartuff[2] zou een goed woord spreken, maar de Vent badt, (zo noemen
+zy dat gehuilebalk,) wel een kwartier lang. Het geen hy jankte, geleek
+veel meer naar het morrent gegnor van ondankbaar Vee, dan naar de
+zuchten van een bewogen hart, 't geen zynen God looft.
+
+Ik kreeg, _a l'ordinaire_[3], eeten op myn bord, twee schepjes
+groente; met een slenter kout vleesch van 's daags te voren. Ik spelde
+myn Servet voor: "als ik gelyk een kind eeten kryg, moet ik ook zien,
+dat ik my niet bemors." "Och of gy een kind waart," zei de Smulpaap,
+die onderwyl met zyn duim en vinger de boter van de _robe de
+chambre_[4] eener Cottelette aflikte. "Dat zou heuchelyk zyn," zei
+Tante; "ja wel heuchelyk," zei Zuster Bregitta. Toen kreeg ik nog wat
+byeengeschraapte Spenage, en een stuk Cottelet. Zuster Zantje, en
+Broeder namen onderwyl eens. Ik kryg nooit wyn. Tante zegt, dat het
+niet goed is voor my, en dat kan wel zyn; want ik ben jong en gezont.
+"Kom, Saartje, neem nou maar af; Bregtje is wat vermoeit; de sloof
+wordt oud." Ik deed zo; zette het Dessertje op. "Waar bennen de
+Flensjes, Saartje?" "Die bennen in myn maag, Tante." Snap myn servet
+neer gegooit, (by ongeluk tegen Broeders palmhoute[5] pruik,) en het
+onweer op myne Kamer ontweken. Gy weet, ik ben tamelyk vlug, dat my
+toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de Hottentot
+met een stuk brood en een glas zuur bier, er by voegende, "dat ik het
+nooit kon verantwoorden, zo als ik een vroom mensch evel plaagde."
+"Scheer je van myn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. Het
+brood (het was goed op de Flensjes,) at ik op. Het bier gaoide ik weg,
+en dronk eens helder uit myn Caraffe: ging vroeg te bed, en sliep als
+een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom Thee, die
+wel omspoelzel lykt. Tante gaat uit, en wil my voor haar oogen niet
+zien. Zo zitten nu de zaken. Mooglyk geef ik u deezen wel in eigen
+handen, mooglyk niet: Ik weet niet hoe 't zal uitkomen.
+
+Vast kom ik, de brief der goede Weduwe heeft my in dit voornemen
+gesterkt. Ik zou al by u geweest zyn, maar ik wagt op een Brief; die
+brief komt niet. Ik zal, voor ik dit huis verlaat, aan haar die ik
+bedoel nog eens schryven ... doch dat kan ik by u evengoed doen.
+
+Ja, lieve meid, gy hebt wel kostelyk gelyk! Men moet maar wel doen en
+vrolyk leven. He, wat? op die Fynen is toch geen staat te maken;
+echter zyn er (of jy 't niet geloofde,) zulke vrome zielen onder, die,
+waren de hoofden dezer brave menschen zo goed georganiseert als hunne
+harten, wel zuiver en godsdienstig zyn ... enfin, kort gezeit, Letje,
+Salomon, de wyze Koning Salomon, is myn man: _men moet het goede
+genieten van zyn leven, ende van zyn arbeid_;--daar mee is dat maar
+uit, en afgedaan.
+
+'t Wordt donker, en ik kryg geen licht in myn kamer; ik kan des niet
+langer schryven. Hoe zal dat gaan als ik beneden kom? Ik zal eerst
+Tante goeden avond zeggen, en als zy draaglyk is, by haar gaan zitten
+breijen; zoo niet, dan ga ik in de zydkamer, de lantaarn brandt toch
+in het voorhuis, open myn Clavier, en speel op 't gevoel maar weg.
+Maak myn Compliment aan Mejuffrouw de Weduwe Spilgoed; en zeg haar zo
+veel gy nodig oordeelt, zo gy deezen nog, voor ik u omhels, in handen
+krygt. Nagt, lieve ziel.
+
+ Tout a Toi, S. BURGERHART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Poffertjeswijf.
+[2] Benjamin = huichelaar (Moliere).
+[3] Als gewoonlijk.
+[4] 't Vleezige.
+[5] P.-H.-kleurige.
+
+
+
+[Illustratie: Snap mijn servet neer gegooit, (bij ongeluk tegen Broeders
+palmhoute pruik,) en het onweer op mijne kamer ontweeken.
+Illustratie van C. Bogerts, naar teekening van J. Buys, in de 1e uitgave
+van 1782.]
+
+
+
+
+ELFDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Ge-eerde Heer, zeer waarde Voogd!_
+
+De steen is geworpen: ik ben 't ontvlugt, en acht het pligtmatig u
+alles te melden. Gister namiddag ben ik hier in myn nieuw Logement
+gearriveert: Ik zal alles vertellen.
+
+Ik twyffel dikwyls, of Tante my deeze laatste weken niet zo geplaagt
+heeft, om my deezen stap te eerder te doen doen. Het volgende deedt
+my nog te eerder tot een besluit komen. Ik ontmoette in een Fransche
+winkel, daar ik een paar handschoenen kogt, eene myner School-
+vriendinnetjes, zekere Letje de Brunier. Het lieve meisjes Vader was
+de Heer Phillips de Brunier, geen ongeacht Commissionaris[1] op
+Duitschland en Italien: Ik leg haren brief aan my, ook die der Weduwe,
+daar zy by logeert, hier in; op dat gy zoudt weten al wat er my van
+bekent is. Nu de Vertelling.
+
+Gister middag ging Tante uit eeten. Ik kleedde my aan, stak wat linnen
+by my, ook myne juweelen, die ik van u gekregen heb, voor gy naar
+Frankryk ging, doch die ik nooit heb aangehad, met een weinig gelds,
+(want zy geeft my niets,--geen duit.) Bregt hadt de stoutheid om my te
+vragen: "waar ga jy heen?"--"Dat raakt jou niet."--"Dan zel je ook in
+huis blyven."--"Heb jy 't hart, en belet my dat eens." Ik kan wel boos
+worden, maar niet kyven; en ziende dat Bregt haar talent te werk
+stelde, bedagt ik my: "Bregt, zei ik, heeft Tante je die ordres
+gegeven, dan moet ik haar de reden vragen, als zy t'huis komt; wat
+zullen wy eeten?"--"Kliekjes", zei zy. "Goed, ik heb honger; maar wy
+zullen Tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een fles
+wyn, jy hebt zeker den sleutel."--"Ik doe niet, juffrouw Saartje: (nu
+ik van putten[2] sprak, kreeg ik aanstonds deezen tytel!) "Jy jokt,
+Bregt; als Tante er van spreekt, zal ik haar den wyn betalen."--"Je
+Tante heeft altoos zelf den sleutel; maar als Juffrouw my niet
+beklappen zou, ik kan er toch wel by."--"Ik je beklappen! wel, dan
+moest ik wel gek zyn; kryg maar, toe, schielyk." Zy ging. Ik had al
+lang gemerkt, dat Zuster Bregtje aan de fep was; ik tastte haar des
+van de zwakke zyde aan. Doch, pasjes was zy in den Kelder, of ik,
+flink de deur in slot, en de grendels er op. Toen ging ik het huis
+uit, en haalde de huisdeur agter my toe. Hoe het verder met de Zuster
+gegaan is, weet ik niet.
+
+Ik heb, op Tantes tafeltje, een kaartje laten leggen, om dat zy niet
+ongerust zyn zoude. Zy heeft my schrikkelyk geplaagt: mooglyk zal zy
+zich dit herinneren; en wat hoef ik haar te kwellen, nu ik uit haar
+magt ben: Is 't niet waar, myn Heer?
+
+Wat verlang ik naar een Brief van u! De Muziek heb ik ontfangen. o Wat
+zyt gy een goed man! Kon ik u mondeling zeggen, hoe zeer ik u acht, en
+hoe gelukkig ik my reken van te zyn,
+
+ MYN HEER!
+
+ _Uwe Ootmoedige Dienaresse en Pupil_,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+PS. Myn adres zal ik hier ook by leggen.
+
+
+Noten:
+
+[1] Handelsagent.
+[2] Zuipen, pimpelen.
+
+
+
+
+
+TWAALFDE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Saartje: ze is zoo jong;
+ze moet zich nogeens bedenken; misschien trouwt ze gauw; gaat 't
+verkeerd, dan krijgt Sara de schuld. Bij die wed. Sp. leven ze
+luchtigjes, ook Aletta is maar luchtig. Hoe denkt Blankaart erover?
+Zij zal 't haar moeder vertellen: _misschien wil die Saar wel
+hebben_.--Deze brief blijft wat lang uit.
+
+
+DERTIENDE BRIEF.--Sara beklaagt er zich over en wordt boos om Anna's
+koelheid. _Haat_ me desnoods, zegt ze, maar _veracht_ me niet.
+Eindelijk komt Anna's brief en Sara schrijft haar.
+
+
+
+
+VEERTIENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Dierbare Willis!_
+
+Zoo ontfang ik den uwen. Kunt gy my nog liefhebben? Hemel, wat ben ik
+ongelukkig! Zedert de dood my myne Moeder ontnam, liep my alles tegen.
+Waarom ontfing ik uwen Brief niet eerder? dien voor my zo
+allernodigsten Brief, o Myne voortvarentheid!... Wat meer geduld, en
+wie weet hoe gelukkig ik nu zyn zoude. Maar durfde ik daar op hopen?
+By u te zyn;--onder het zorgende oog uwer Moeder. Dat is nu te laat!
+En ik moest nog de Zedemeestres spelen! Ik moest, zo onkundig van myn
+hart, het uwe beproeven! Ik moest--och, lieve Naatje, vergeef het my;
+zoek toch naar eenige verschoning voor my, ik kan niets vinden. Ik
+heb, voor een jong mensch, al veel verdriets gehad, en al veel
+ongelyks geleden; maar nu, nu ondervind ik voor 't eerst, dat
+zelfverwyting eene zeer grievende smart veroorzaakt; alles is daar
+beuzeling by. Als ons hart zegt, men doet u ongelyk, gy verdient dit
+niet, dan is de belediging zelf, vreugd, by de bewustheid dat wy haar,
+die ons lief heeft, kwalyk behandelen; ook terwyl zy zich bevlytigt om
+ons te helpen. Dit gevoel, hoe pynlyk, troost my echter; het maakt my
+uwer vergeving waardig.
+
+Verscheur myn laatsten Brief. Laat hy zyn als niet geschreven: ik was
+moedeloos. Wat zal het my nu helpen, uwe bedenkingen te wikken?
+Helaas, Naatje, de stap is gedaan! Ik ontken niet, dat ik hier zeer
+vergenoegt ben; maar uw Brief, uw Brief! Ik had dan mogen hopen altoos
+by u te zyn? Gy weet hoe gaarn ik by u, by uwe lieve Moeder ben! En is
+Willem t'huisgekomen? (van hem eens nader.) Waarlyk, ik heb het hier
+zeer wel, hoewel het is nog vroeg, eerst de vierde dag; indien ik het
+vergelyk by de laatste jaren: doch by u te zyn ... 't is vrugteloos.
+Dit maakt my droefgeestig, en verbetert myn lot niet; ik schrei er
+van.
+
+Mejuffrouw de Weduwe schynt een zeer goedaartig mensch, zy ziet er
+allervriendelykst uit; ik denk, dat zy byna veertig jaar oud is. Zy
+heeft fraaije manieren; zy is eene Vrouw van fatsoen en opvoeding, dat
+ziet men. Zy spreekt niet veel, doch 't geen zy zegt is goed gezegt.
+
+Zy leest veel, en in verscheidene talen; heeft de Waereld gezien;
+speelt keurlyk op 't Clavier; is zindelyk over haar huishouden,
+naarstig; modieus, doch niet opzichtig gekleedt; een weinig gekapt,
+wel te vreden met ons, zo als wy met haar. Gezelschappen heb ik hier
+nog niet gezien. Juffrouw Letje is een lief vriendelyk meisje, niet
+zoo levendig als ik: zy zucht meermaal; waarom weet ik nog niet. Zy
+leest gaarn, zingt fraai, en is, alles in eens gezeit, als de meeste
+meisjes, die niet veel goed of kwaad bedryven. De twee andere Dames
+heb ik nog maar eens aan 't middagmaal gezien: beiden hebben goede
+manieren; en, schoon ik de jongste ben, behandelen ze my met veel
+beleeftheid. Zy gaan veel uit, schynt het. Letje is meer t'huis nu
+zy my heeft, dan van te voren, zegt de heusche Weduwe Spilgoed.
+
+'t Is raar! alles is zo wel naar myn zin, en echter ik ben niet
+gerust. U heb ik kwalyk behandelt, en weet niet hoe of gy my
+beschouwt. Acht ik u dan hoog? heb ik uwe achting voor myn geluk
+nodig?
+
+Letje kwam daar by my; ziende dat ik geschreit had, was zy zeer met my
+bewogen. "Wat scheelt er aan, Liefje," zei zy. "Och niets," zei ik,
+"maar ik ben my zelf moede, o die Brief, die Brief!" Zy zag dien
+leggen, maar weet te wel wat de betaamlykheid eischt, om onbescheiden
+te zyn. Zy zag my aan, vatte myne hand, en 't was of zy my iets wilde
+zeggen, doch, zich bedenkende: "Kom, Burgerhart," hervatte zy, "gy zyt
+niet vrolyk: ik ben 't ook niet altoos, en dien wel by u te zyn om het
+te wezen. Wil ik die solo eens zingen, die gy zo graag hoort? dat zal
+u wat van u zelf verwyderen." Droevige toevlucht! dit toont wel dat
+het hier, hier onder de borst, niet richtig is. Ik verlang en beef
+teffens voor een Brief van u. Och! schryf alles wat gy maar wilt, zo
+gy my maar in waarheid kunt schryven dat gy nog bemint
+
+ _Uwe Vriendin_,
+
+ S. BURGERHART.
+
+
+
+
+VIJFTIENDE BRIEF.--Sophia Willis-Van Zon--Anna's Moeder--schrijft
+Blankaart over Sara. Saartje heeft haar tante verlaten en woont nu
+bij de wed. Spilgoed--wat ze _niet_ goedkeurt. Zij zelf kan Sara niet
+nemen, want behalve voor achterklap vreest ze voor haar zoon Willem.
+Willem is verliefd op Saar, en hij heeft geen geld, zij wel;
+bovendien: _die twee passen niet voor elkaar_. Sara moet een man
+hebben die haar aan kan; Willem is een lobbes.
+
+ZESTIENDE BRIEF.--Anna Willis schrijft een allerdeugdzaamst en
+vriendelijk antwoord aan Sara: ze gevoelt zich na dien boozen brief
+nog meer aangetrokken tot haar. Geeft haar den raad: "_leen nooit
+geld van anderen, kom dan bij mij_."
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Myn Heer!_
+
+De Apostel zegt: "dat wy allen ommegang met Zondaren niet kunnen
+vermyden, want dan zouwen wy buiten de Waereld gaan moeten." En schoon
+ik my zo kan vinden in de woorden van dien Heiligen sukkelaar, zo als
+Broeder Benjamin Koning David wel eens noemt; zo kan vinden, zeg ik,
+in de woorden daar hy zegt: "ik kome niet op den weg der Zondaren:" zo
+vind ik het nu in mynen weg noodzaaklyk, myne oogen naar het Afgodisch
+Vrankryk te slaan, ende my als te begeven onder hen, die het teken des
+Beestes aan hun voorhoofd dragen.
+
+Je weet, myn Zusters man vondt het zo, om u tot eersten Voogd voor
+zyne Dochter te verkiezen, en hare Moeder maakte my mede-Voogdesse,
+bevelende, wil ik spreken, haar aan myne liefde en bescherming. Daar
+voor kreeg ik 's Jaars een matig stuivertje van honderd halve
+ryertjes; och ja! Dit was weinig genoeg; want het Meisje was
+weelderigjes opgevoet: ik moest, om haar, nog al meer omslag maken,
+dan ik zo in myn eigen gedoente gewoon ben; och ja! Maar, wat is 't?
+men doet veel uit liefde ende tot liefde. Had ik maar vruchten mogen
+zien, dan zou ik my alles nog kunnen troosten. Doch al myne moeite, al
+myne zorg was te vergeefsch. De Meid heeft een Keistenen hart, geheel
+voor de Waereld; en zo lang ik zoo met dat lastig Zeeschip getobt en
+gewroet hebbe, ben ik zo van myn hart afgeweest. 't Is of de Zegen uit
+myn huis is. Ja, ik heb van haar kwaad humeur veel verdragen; maar ze
+is weg gevlugt.
+
+Voorleden vrydag was ik by eene hele vrome Mevrouw ten eeten, met
+Broeder Benjamin en nog ettelyke vromen, om een goed woord te spreken.
+Ik beval aan myne meid, onze Bregt, op Saartje te passen. Wat gebeurt
+er? Ik kom 's avonds met den Broeder welletjes en vriendelykjes thuis,
+ga naar 't zaaltje, roep; kryg geen antwoord. Eindelyk door myn gang
+gaande, hoor ik iemand die roept: "Juffrouw, och Juffrouw! ik zit in
+de kelder." Ik doe de deur open, daar zat myn meid in den donker
+opgesloten, en was zo ontstelt, dat zy my pasjes kon zeggen, dat die
+ondeugende Sara haar in de kelder gesloten hadt, en zelf de deur was
+uitgegaan. De meid was zo bezet van den drank, dat ik wel denken kan,
+dat zy haar die heeft ingeperst, en toen in de kelder gebragt, op dat
+Bregtje haar niet in hare snode vlugt zoude beletten.
+
+Nu is zy in een godloos huis, daar gedanst en gespeelt wordt, daar de
+Juffrouwen een el hoog gekapt gaan, en met alle vromen den spot
+dryven. Ik zou haar wel laten weer halen; maar ik dank den Here, dat
+zy maar weg is. Nu zal ik weer rust en stilte in myn hutje hebben, en
+myn eigen wegje gaan. Maar jy moet haar straffen, dat is jou pligt. Ik
+eisch het volle geld tot zy trouwt, of vyfentwintig jaar is; zy is uit
+'er zelf weggegaan: nou, dat spreekt van zelf. Ik geef u aan u zelf,
+en haar den Duivel over, wiens lievrei zy al aan heeft. Ik sny haar
+af. Zy zal geen duit van myn goedje hebben. Nou, 't geld wagt ik op
+den vervaldag. Hoe heuchelyk zou het zyn, indien gy ook in onzen
+Wyngaart arbeidde; maar uwe vervreemding van het goede laat my niet
+toe u anders te noemen dan
+
+ MIJN HEER,
+
+ Ik ben, uwe beterschap en bekering wenschende,
+
+ ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+
+
+ACHTTIENDE BRIEF.--Blankaart antwoordt wed. Willis: hij is zeer
+vereerd. _Zelf heeft hij vroeger een oogje op Sophia gehad_; wie weet
+wat er nog gebeurt!--Hij is het met haar eens: Willem is op Saar
+verliefd, dat heeft hij gemerkt. Geld was 't ergste niet, maar als ze
+niet bij elkaar passen--'t zij zoo! Dan niet aanmoedigen. Laat Sophia
+een oogje op Saar houden; hij wil Willem wel voorthelpen.
+
+
+
+
+NEGENTIENDE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+_Mejuffrouw!_
+
+Wel zeit het Hollandsch spreekwoord: "Hoe later op den dag hoe
+schoonder Volk." Maar wat heb ik met uw gelol en uw heilige sukkelaar
+te doen? Wat geef ik om uw Broer Benjamin? Weet gy wat, Juffrouw
+Hofland, uwe hele ouwe voddenwinkel van kweeslary raakt my niets, geen
+oogvol. Hou uwe brieven maar t'huis, ik weet alles in 't lang en in 't
+breed. Het Kind heeft deugdelyk gedaan. Zy moet meer gedulds hebben
+dan ik, anders hadt zy zo lang niet eens by u gebleven; dat 's maar
+uit. Waar ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klaauwen
+gehaalt hebben, en in myn huis gebragt; al hadt gy en uw volk my braaf
+gelastert, dat scheelt my weinig. Hoe, wat hamer! denkt gy, dat ik
+niet weet hoe jy haar gedaan hebt, en dat jy haar als een zottin door
+de godgantsche stad hebt laten lopen in ouwe konkelige kleeren, en dat
+voor een meisje die geld heeft, en altoos proper gekleet pleeg te zyn;
+iets dat ik ook byster graag zien mag: wat wilje nu daar van hebben,
+he? Jy meugt waaragtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saartje
+by u gehad? overgeschoten klieken, en niet half haar bekomst. Weet je
+wat? Jy hebt het geld van een Wees met uw Smulbroers, en Fekel-kousen[1]
+verteert, en het meisje nog gebruikt, om dat Gespuis optepassen; dat heb
+je. Je meid is een dronken Tobbe, hoor! Zy komt er genadig af. Laat zy
+nooit onder myne oogen komen, want ik ben wat poestig[2]; ik mag geen
+onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels zwaaijen[3].
+
+Wat leg jy ook te wauwelen over afgodisch Vrankryk; en van menschen,
+die het teken des Beestes aan hare Voorhoofden dragen? Ik weet niet
+veel van al die nieuwe snofjes en modes; noch hoe die duivelderage
+hiet, die de Dames nu alweer opzetten; doch jy weet er ook niet veel
+van. Maar zo zyt gy allemaal: dat gonst, en dat bromt over zottigheden,
+en wezentlyke zaken laat men zo als zy zyn. Je slagt[4] de Dominees,
+die, als zy haar studeertyd verkwanselt hebben, zulk tuig op den
+Preekstoel brengen, daar het te pas komt als een Olykoek in een
+Treurspel. En wat brust[5] het my, al droegen de Fransjes het
+Zevengesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet
+kom om zulke grillen, maar om myne affaire te doen, en bemoei my niet
+met het teken des Beestes, of waar zy dat opplakken; doe ook zo, en je
+zult wel doen.
+
+Wel, ik denk dat ik zo wel in den Bybel lees als jy, maar wie duivel
+heeft daar ooit van heilige Sukkelaar gelezen? Broer Benjamin is een
+zotte Vent, hoor! En ik zou my dood schamen, dat zou ik op myn eer,
+indien ik zo met Gods woord omsprong, en het zo Satans gek toepaste,
+zo als jy Fynen doet. Weetje wat? David was een held, die de Oorlogen
+des Heren voerde, en een Kaerel als een boom aan dorst: den Reus
+Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hy, en David ook niet lui, als
+de blis er op, flink maar, zyn dikken kop afgeslagen: dat was zeker
+geen sukkelaars werk, meen ik. Hy was een Groot Generaal; dat klinkt
+je wat anders voor den snoet.
+
+Paulus? van Paulus moet je afblyven. Paulus was de beste, de
+raisonnabelste man van de waereld; want hy zegt met ronde Zeeuwsche
+woorden: "Gierigheid is afgodery". o He! kwam die vrome Apostel eens
+hier, ik verzeker je, (voor een kwart per Cent,) dat hy uw huis een
+afgodisch zou noemen. Wat praat jy van een goddeloos huis? mogen de
+jonge Dames dan niet zingen, niet spelen, als zy maar wel oppassen en
+braaf zyn? En ik hou veel van de Muziek, en Saartje speelt capitaal,
+en ik heb haar eene hele scheepslading Muziek gezonden; doch gy zult
+geen occasie hebben om ze op 't vuur te smyten. Wat zeg je; wat blief
+je: weet ik van de zaak?
+
+Ik heb zo veel achting voor brave vrome menschen als iemand in de
+Waereld, maar al je gekwaek, en al je geteem is geen snuifje waart; op
+myn eer, dat is het niet. Ik weet meer van joului werk der Duisternis
+dan je denkt; ik ken dat lieflyk Oeffening houden; de goeijen niet te
+na gesproken; want ik wil allen niet met een kwast overstryken. Maar
+gy en uwe Soci, daar heb ik de nyd op.
+
+Wat weet zo een luije Zuipzak van Gods Woord? Hadt hy liever voor 't
+lieve Vaderland, (en alle zoete meisjes) Ossen en Schapen geslagt, hy
+zou een veel nutter werk gedaan hebben. Hoe! hebben wy in Amsterdam
+dan geen wyze Dominees, die werk van hunne studie maken, en kunnen wy
+daar niet Kokseaansche, Voetsiaansche, en Lampiaansche Waarheden
+horen[6]? maar neen: die goeije menschen klagen over yverloosheid, en
+velen preken, God betert, ook voor stoelen en banken; en in je lui
+kamers zitten de Vroompjes gepakt als haring in de ton: zo dat ik wil
+maar zeggen, dat ik een vyand van zulke Oeffeningen ben.
+
+Hoor, als ik Burgemeester T., of een ander braaf Regent van onze Stad
+was, ik zou Amsterdam eens terdeeg zuiveren van die onnutte
+Broodeeters. Ik zou, door de stads Omroepers, met het wapen der stad
+op hunne bekkens geschildert, de les van Paulus laten opklinken:
+Hoort, gy brave Burgers en ingezetenen: hoort: "Die niet werkt zal
+niet eeten". En zulke kwanten, als Broer Benjamin, kregen logement in
+'t grote Werkhuis, dat er zal gebouwt worden op 't Wezeper Veld: wyl
+hy een van die Borsten is, die by de huizen omgaande, de Vrouwtjes
+gevangen nemen, die met zonden beladen zyn. Ik zou niet half zo boos
+op jelui zyn, indien de stille zielen, die het zo wel met het goede
+voor hebben, om zulk volkje niet bespot of veracht wierden.
+
+Ik heb veel gereist en getrokken, en heb veel in Roomsche Landen
+verkeert, maar de Papen zyn nog beter dan jy lui; en er valt evel ook
+niet veel op te roemen. Jy Saartje aan den Duivel overgeven! Weet gy
+wel, dat hy een kwaaje Gek is, en dat, als gy haar niet kunt leveren,
+het er wel eens heel benaauwt voor u zou kunnen uitzien? mooglyk neemt
+hy Tante, om dat hy Nichtje toch niet bekomen kan. Ken jy de Weduwe,
+daar zy by inwoont? Je mogt wat, een struif. Puis! Tante! is het zo
+goddeloos, een menuetje te dansen; Wel dat mogt jy, en broeder, en je
+dikke Bregt ook wel eens ondernemen, om de kwade humeuren, door
+luiheid, en lekker smullen opgegaert, uit te dampen. Zie, wy kennen
+malkander van voor dertig jaar; je plagt zo vies niet van een Dansje
+te zyn. Hoor, ik ben eens door zo een Fynbaar schrikkelyk bedrogen, en
+zedert gaat er een kou over myn lyf, als ik aan je lui denk. Ik spreek
+niet van vrome naauw-gezette lieden; dat weet jy heel wel. Wel, wie
+hoort er van, gy Vrienden gebruikt ons, zo als de Smausen de
+Christenen gebruiken, om de Sabbatslampen optesteken. Ik kan 't niet
+knopen[7], dat uw' lieve Zuster besloot, u haar eenig Kind toe te
+betrouwen. Mooglyk hebt gy zo lang aan haar zwak hoofd liggen gonzen
+en huilebalken, dat zy het moest opgeven. Alles is jelui gaaijing. En
+'t was nog eene zoetigheid, honderd halve ryers voor haar kostgeld. En
+durf jy nog van geld kikken! Hoe, wat hamer! denk je dat ik een schurk
+of denk je dat ik razende dol ben? Ik ben haar Voogd; zy is met myne
+goedkeuring heen gegaan. Jy hebt het haar moede gemaakt.--Trekken zul
+je,--ja! aan een askar. Wel, je bent eene overheerlyke Tante! Je bent
+immers nu veels te oud en te lelyk om nog eens te trouwen: wat zul je
+met jou geld doen? Meenemen? Loop voor Joost, ontmaak het kind uw
+goed, zy heeft genoeg. Procedeeren? Ei spreek eerst den Advocaat naast
+den gouden ketting eens[8]. Zo die het u aanraadt; hier is je man.
+
+Spreek niet van haar kwaad humeur. Zy is maar al te zoet van aart, en
+te toegeeffelyk. Zoo zeit de brave Weduwe Willis, en elk die het lief
+kind kent. Doch wie Satan kan met zo een paar ouwe Meerkatten omgaan,
+als jy en Bregt?
+
+Zie daar Zusje, nu heb ik ook eens gewerkt in uwen zondigen Wyngaert;
+ja, ja! ik heb de ranken zo verbruit besnoeit, dat, zo er nog iets
+goeds van zal komen, het volgende jaar goede vruchten zal leveren. Ik
+twyffel, of Broer de Uitlegger u, voor alle uwe Smulpartytjes, wel zo
+vele heilzame Waarheden gelevert heeft, dan gy hier ontvangt voor eene
+Fransche Briefport.
+
+Om u aan den Drommel overtegeven, (in plaats van myne Pupil,) denk ik
+dat nu te laat is; en ook, hoe boos ik op u ben, ik wensch uit grond
+van myn hart, dat gy u verbeterde: gy zyt wel oud; doch men is nooit
+te oud om iets goeds te leren: gy waart toch in uw jeugd nog al een
+rare schommel; hoe kom je zo verandert?
+
+Ik wil geen katteschrift meer van u ontfangen, zo gy u niet bekeert;
+daarom wordt alles in eens afgedaan door
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Kletskous.
+[2] Kort aangebonden.
+[3] Klappen vallen.
+[4] Lijkt op.
+[5] Kan 't me schelen.
+[6] J. Coccejus, 1603--1669, G. Voetsius, 1588--1676, F.A. Lampe,
+ 1683--1729, godgeleerden van zeer uiteenloopende richting.
+[7] Begrijpen.
+[8] Bedenk dat 't geld kost.
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Lieve Kind!_
+
+Myn Boekhouder, de oude goede Peterszen, zal u het geld brengen, dat
+ik u toeschik: de Wissel bedraagt duizend Guldens. Koop er al van wat
+gy nodig hebt, om in ordentelyke gezelschappen te gaan. Maak drie
+Sacken, of hoe hieten die Samaartjes[1], zo als uwe Moeder en
+Grootmoeder droegen. Koop alles wat er by hoort, maar niet opzichtig,
+of wilt; nu ik vertrouw alles goeds van u. En doet nu niets aan je
+lyf, dat je niet kunt blyven dragen: dit zou u al zo gek staan, als
+die klungels die Tante u aan deedt. Gy moet het eerste half jaar in
+voorraad betalen; ik wil geen verplichting op dit stuk. Leg het wel
+aan, en als ik u zie, toon my dan eens hoe gy 't besteet hebt. Hoor
+meid, zo je 't wel aanlegt, heb jy gelds genoeg; zoo niet, dan is 't
+gaauw op.
+
+Ik heb zakken met klagten over u, in eenen zotten Brief van je Tante.
+Doe jy maar wel, en ik zal u altoos voorstaan. Ik had gemeent t'huis
+te komen, maar 't zal nog vooreerst niet lukken. Luistert toch altyd
+naar de brave en wyze Juffrouw Willis, als of het uwe moeder waar;
+meer eisch ik niet van u. Ga je wel in de Kerk, Kind? Dat moet je voor
+al en voor al doen. Daar zit ik nou weer in een Paaps land, daar hoor
+je van God, noch zyn gebod, wil ik spreken; en zo ik myn tyd niet wel
+had waargenomen, hoe zou 't nu gaan met my? Als ik t'huis kom, zal ik
+je alle Zondag afhalen om ter kerk te gaan, want ik ben nog zo een oud
+Hollands man; en je zou niet geloven, Kind, hoe fraai de meisjes zyn,
+als zy daar, gelyk zo een rei wassepoppetjes, wel gekapt en gekleet,
+aandagtig zitten toe te luisteren wat de Leeraar zegt. Ik versta
+weinig Fransch, maar als je evel toch altemet eens naar de Fransche
+Kerk wilt, dan zal ik, uit pure inschikkelykheid, met je gaan, en
+denken: zy onderhoudt er haar Fransch door; en voor my is de
+penitentie kort, want die Coquette Abbeetjes maken het in een uur
+knaphandig af.
+
+Zeg eens, Saar lief, staat er ergens in den Bybel van een _teken des
+Beestes_? zy past dat toe op de menschen daar ik nu by ben. Ik heb de
+vier Evangelien al eens doorgelopen, doch vind er niks van[2]. Doch
+dat Fyne volk vindt zo veel in Gods woord, dat er geen Christen mensch
+anders in kan vinden. Jy hebt niet veel anders te doen, lees zo lang
+tot je het vindt; maar 't zal weer op niets uitkomen. Evenwel staat
+het in den Bybel, dan spyt het my, Kind, dat ik het niet wist: want ik
+ben een dood vyand van spotten. Och Heer! ik dagt dat zy choqueerde[3]
+op de Kapsels. Zo ik iets op u vermag, bederf uw schoon bruin hair
+niet ten plaisiere van eene ongevallige mode: anders moei ik my er
+niet mee. Nu, zoek er eens ter deeg naar, hoor? En schryf my of gy 't
+wel hebt. Vrees God, leef betaamlyk, en denk dat je daar twee Ouders
+in den Hemel hebt, die u ter zyner tyd hopen weer te zien.
+
+Nagt beste Kind, ik ben
+
+ _Uw toegenegene Voogd_,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+Noten:
+
+[1] Ruime japon met overkleed.
+[2] Openbaringen.
+[3] Hier: afgaf op.
+
+
+
+
+EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara stelt Blankaart gerust; ze is niet
+verkwistend, dankt voor 't geld, vraagt een paar japonnetjes; Jacob
+Brunier--Aletta's broer--vindt ze een _meisjesgek_; Willem Willis
+beschouwt ze als haar _broer_, diens moeder acht ze hoog; ze verlangt
+naar Blankaart.
+
+
+TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Aan Anna Willis vertelt Sara, hoe ze zich
+in de bullen steekt, nogal weidsch! Ze ombert om 'n stuiver 't fiche!
+wat ze niet veel vindt. Ze heeft 't best naar haar zin: Jacob Brunier
+bevalt haar niet: te fatterig.
+
+
+DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna antwoordt: ik maak me ongerust! Die
+Brunier vrijt naar je, en dat zou niets zijn, als hij maar wat
+beteekende. Spelen? Ook Anna speelt, maar Saar _maakt het te bont_!
+Ze zal ziek worden, vermaak-ziek. Pas op, Saar!
+
+
+
+
+VIER EN TWINGTIGSTE BRIEF.
+
+DE BROEDER BENJAMIN AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Men Heer!_
+
+Jy hebt ons, ons volk, ende onzen weg beroert, en schoon de Zusters
+zich alles zouwen getroosten in stille zuchten, zo voel ik my
+gedrongen om het voor haar, de goede zaak, en my zelf optenemen, om
+dat ik haren stichter en huisbezorger ben; al ben jy een groot Heer,
+ik zal jou tonen, dat ik op de muren van ons huisselyk Sion geen
+stommen hond ben; myn geblaf zal je doen zien, dat ik geen Indringer,
+geen Bemoeiael ben, maar dat ik eene wettelyke Roeping heb. Nou ja; men
+Vader liet me de slagery leern; 't was een waerelds man, een
+schoenlapper; maar men Moeder was evel in Kerkelyke bediening; want zy
+was eene der Kerke-schoonmaaksters; en hadt men Vader het niet belet,
+zy zou my op de Studie gedaan hebben; doch hy vroeg altoos, "of zy dan
+razende dol was;" de middelen ontbraken, en ik had eene grote mate van
+ziels en lichaams vermogens, en veel meer trek tot geestelyken dan tot
+slagerlyken arbeid. In mynen onoverwinbaren afkeer van allen lichaams
+arbeid, hoorde ik myne roeping tot een ander amt; ik was gehoorzaam,
+ik kategiseerde de kinderen en de vrouwtjes uit myn Buurt, voor een
+mondvol eeten, want de arbeider is zyns loons waardig. De reuk myner
+gaven verspreidde zich ook spoedig; de Groten der aarde verruilden
+ook gaarn myne toelichtingen voor hunne tydelyke goederen; edoch, dit
+getal is echter niet groot. Dus raakte ik ook bekent met de vrome
+Juffrouw Hofland, die gy als een andre Saulus vervolgt. Ik slyt vele
+opgewekte uurtjes met haar. Nu weet gy wie ik ben; maar jy bent een
+Atheist, een Armiaan, een Sociniaan; ja je bent, mag ik met ruimte
+zeggen, een Deist[1]. Jy bent een voorstander van alle godloosheid, jy
+staat een dartel Hellewigt voor; dat doe jy; ja, dat doe jy. Jy weet
+ook wel, dat Juffrouw Hofland, als eene echte dochter van Gaaijus[2],
+de noden der Heiligen vervult; en jy onthouwt haar heur geld; zoo dat
+jy een Kerkrover bent; ja, dat ben jy. Zo, heeft Saartje geen drie
+honderd guldens verteert? Wel nou toon je alweer jou werelds hart.
+'t Is waar, wy hielden het meisje in eene Christelyke soberheid, wy
+kleedden haar stemmig; ik weet ook beter dan jy, hoe veel zy 's jaars
+aan voedsel en deksel nodig hadt; honderd Ryksdaalders!--maar hoe veel
+heeft de goede Juffrouw wel gezucht over dat baldadig kind der Zonde,
+hoe vele tranen heeft zy geschreit, hoe veel gebeden heeft zy voor
+haar arme ziel gedaan, hoe dikwyls is zy ziek geweest door al dat
+tobben! kost dat alles geen tyd en zorg? of denk jy dat alles voor
+niets te hebben? Neen, jy zult, jy moet er voor betalen. Maar zo ben
+je lui: in 't aardsche kunt jy lui rekenen en cyferen; maar, in 't
+geestelyke ben je lui blint; maar Juffrouw Hofland zal haar geld
+hebben, ik zal u dwingen; ik--vrees voor my.... Wy hebben in deeze
+godvergeten stad nog onze duizenden. Wee, wee, die den vinger tegen
+ons opheft...! Wy yveren voor de vromen, en onze haat is heilig; dit
+wee betekent veel, als het wordt uitgeboezemt door een man als is
+
+ _Uw ware Vriend_
+
+ BENJAMIN.
+
+
+Noten:
+
+[1] Gelooven aan God als Schepper--meer niet.
+[2] Der Gerechtigheid?
+
+
+
+
+
+VYF EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN BROEDER BENJAMIN.
+
+
+_Verachtelyke Kaerel!_
+
+Ik reken myn knegt te goed om u te schryven; daar aan zyt gy de eer,
+die ik u thans doe, schuldig. Zeg, fraaije kwant, dit aan uwe
+Principale: "dat zy zich stil houde, of dat ik haar alles, wat zy 's
+jaars, boven de honderd Ryksdaalders, ontfangen heeft, zal afkorten."
+Ik wagt haar voor den Rechter. Laat zy daar hare Leverantie van
+zuchten, tranen en gebeden inleveren, om te zien, hoe veel haar voor
+elke twintig ditoos zal worden toegewezen.
+
+Houd u stil, of 't zal niet met u gaan. Ik meen u, en nog eenigen uws
+gelyken, zo dra ik in Holland kom, voor myne rekening, aan vast werk
+te helpen; en dit dreigement zegt veel in de pen van eenen man als
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+
+ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara vertelt Anna van haar leven; Aletta is
+goed en lief; Cornelia Hartog, ook huisgenoote, bevalt haar niet: te
+geleerd, ondichterlijk; Charlotte Rien du Tout, eveneens huisgenoote,
+mist karakter, is grillig, nukkig. Ze heeft kennis gemaakt met Hendrik
+Edeling: staat haar wel aan!
+
+
+ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bericht Blankaart over Sara:
+ze is lief, vroolijk, eerlijk, past goed op.
+
+
+ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna Willis is bedroefd; haar tante te
+Rotterdam is ernstig ziek; ze moet er heen met Moeder, kan vooreerst
+niet schrijven.
+
+
+
+
+NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW MARIA BUIGZAAM, WEDUWE
+
+P. SPILGOED.
+
+
+_Mevrouw!_
+
+Ik geloof waarlyk, dat het inkomen van alle myne uitstaande gelden my
+niet half zo veel zou verblyden, dan ik verblyd ben door den inhoud
+uws Briefs, dien gy my de eere aandeedt van te schryven. Hoe, wat! is
+de lieve meid dan myn lieveling niet? Is zy de dochter niet van eenen
+man, die myn eenigste hart-vriend was? Dat zou ik geloven, waaragtig!
+Hoor, myne goede dame, alles is strikt waarheid, wat of de kleuter u
+verhaalt heeft. Maar, haal my de Boze, indien ik aan zo eene Vrouw een
+knappen Brief kan schryven: doe al wat u behaagt; och Heer, het geld
+is goed, wil ik spreken; maar ik zal eene fatsoenlyke vrouw nooit
+kwellen. Wat denkt gy, Mevrouw, kan ik met u kibbelen om een honderd
+guldens drie vier, nu myn kind in zulke goede handen is? Ja, zie, ik
+heb wat ongerustheid voor haar uitgestaan, toen zy nog by hare Tante
+was; en voor ik wist, waar of zy toch belant mogt zyn. Want, hier
+gezeit, en hier gebleven, het kon immers gebeurt zyn, dat het stout
+Dingetje in slegte handen was gevallen, en zo al wyders, gelyk de
+waarheid is.
+
+Wilt gy wel geloven, Mevrouw, dat uw brief my een traan of vier gekost
+heeft? 't Is echter zo. Wel lieve God, zei ik, zyn de beste vrouwen
+dan meest altoos in de onwaardigste handen? Dat is toch ellendig! En
+daar zit Abraham Blankaart nog in zyn vyftigste jaar, als een niets
+beduident oud Vryer; en ik had zo hemels vast besloten, om met myn
+vyf-en-twintig jaar man en vader te zyn. Wat zal men zeggen? die eerst
+komt die eerst maalt; en een weinig te laat is veel te laat. Ja,
+Mevrouw, ik heb den Heer Pieter Spilgoed wel gekent, maar nooit met
+hem verkeert. Hy hadt my te veel wilt hair op 't hoofd; en als de
+jonge lui getrouwt zyn, moeten zy dat laten afscheeren, of de Boel zit
+op zy. Ik wist wel, dat hy eene fatsoenlyke Geldersche dame getrouwt
+hadt, doch meer niet; en ik bemoei my bykans nooit met de zaken van
+een ander: Ik zeg altoos: "Abraham Blankaart, vrees God, en doe wel;
+dat is jou zaak, myn vriend."
+
+Alles wat gy van Saartje zegt, is, zo veel ik daar over kan oordeelen,
+waar. Wees toch zo goed en hou een wakent oog over haar; wy mans
+hebben daar zo den slag niet van. Indien er iets mogt voorvallen, 't
+geen u nodig schynt my te doen weten, zo verzoek ik ernstig om my met
+uwe Brieven te vereeren. Ik weet heel wel, dat er geene beloning zyn
+kan, die geevenredigt is aan uwe zorg en raadgevingen voor en aan een
+Meisje als myn Sarotje; evenwel zal het myn pligt zyn, om uwe
+edelmoedige deelneming in haar op eene waardige wys te gedenken. Kan
+ik u van dienst zyn, 't zy door myn persoon, of myn beurs? Ik ken geen
+groter geluk dan waardige Vrouwen myne achting te kunnen bewyzen. Ik
+ben met eerbied,
+
+ MEVROUW!
+ _Uw Ootmoedige Dienaar_,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+
+DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt zijn broer Cornelis, hoe hij
+Sara heeft leeren kennen; _hij is dol verliefd_. Zoo terloops sprak
+hij er met z'n vader over en die had gehoord, dat Saar een dolle meid
+was, die losjes leefde, wat hem speet, want haar vader was
+achtenswaardig. Wil er niet van hooren en Hendrik is zeer braaf.
+
+
+EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier schrijft een fatterig verliefd
+briefje aan Sara, waarop zij onmiddellijk antwoordt.
+
+
+
+
+TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER.
+
+
+_Myn Heer!_
+
+Terwyl gy deezen ontfangt, zyt gy zeker nog druk bezig om uwe
+Tonco-Boontjes[1] uit te zoeken. Nu, neem er uw tyd toe, want wy
+blyven t'huis, en zien van daag niemand; dit _a governo_[2]; en terwyl
+ik toch een verlegen uur heb, zal ik eenige regels krabbelen. Wel man,
+gy hebt het vreeslyk volhandig! zo vele en zo vele gewichtige zaken;
+'t is te hard. Gy zyt nog jong, gy zult u dood werken. Zoudt gy niet
+een substituut in uw ampt kunnen stellen, dan waart gy ten minste van
+dien kant veilig, al moest het u wat kosten. 't Zou immers jammer zyn,
+dat zulk een nyver en veelbelovent jong Heer voor zyn tyd stierf. En
+daar is voor u immers niet aan te denken, Brunier? Letje heeft my in
+confidence, gezegt, dat gy, buiten haar zelf te rekenen, aan nog zes
+Dames beursjes belooft hebt. De waarde Juffrouw Buigzaam heeft ook
+reden van ongenoegen; nog hebt gy het Lint op haar Demicoeffe niet
+verspelt, en gy zelf zegt, dat het zo niet meer gedragen wordt.
+Juffrouw Hartog is knorrig, om dat gy haar de snuif niet bezorgt.
+Juffrouw Lotje gromt alle morgen aan het ontbyt, om dat gy de
+Tandpoeijer vergeet. Zie, dat zyn evenwel geen mooije dingen; en wat
+zal uwe Zuster daar op toch zeggen, dan dat gy het zo volhandig hebt?
+Het meisje haalt dikwyls een paar beschaamde kaken, als Juffrouw
+Hartog u, in haren trant, hekelt. En hoe zeer ik ook uwe Vriendin ben,
+ik zie geen redden aan die zaken: de menschen hebben gelyk. Indien gy
+zo veel onderneemt, moet gy met meer orde handelen. Gy vindt immers,
+als gy in den namiddag ons wat komt voorsnappen, allen bezig. De Weduw
+naait. Letje breidt. Ik knoop aan myn manchetten. Juffrouw Hartog
+speelt met haar hond. Juffrouw Lotje snuift, en frommelt haar zakdoek,
+en gy zit er maar lui en leeg by. Waarom neemt gy uw werk niet mede,
+dan kost gy als een werkent Lid onzer Societeit worden aangezien. Gy
+voldeedt uwe zeven Dames; gy kost om snuif en tandpoeijers denken: gy
+kost het Lint spelden _comme il faut_; en ons teffens in uwe nieuwe
+denkbeelden doen delen. Dan, dunkt my, waart gy in zes maanden op een
+effen bodem. Ik heb gemerkt, dat gy dikwyls in den spiegel kykt: wat
+dunkt u, (zie ik wil ook voor uw vermaak zo wel, als voor uw nut
+zorgen,) wat dunkt u, dat gy van Logement veranderde, en in een
+Spiegelwinkel gingt wonen? Dat zou ook al tyd uitwinnen; dan zaagt gy
+u ten vollen, in eens; en kon spoedig uw jabot verschikken, uw das
+optrekken, de stofjes en pluisjes van uw kamizool[3] knippen. Ik zie
+gaarn dat men zich wel kleedt, maar my voor een kenster in de
+kledingskunst uittegeven,--daar zal ik wel afblyven. Myn geest is niet
+geschikt tot het uitoeffenen van zulke verhevene zaken. Nu, zo als ik
+zeg, neem het niet te zwaar op, en werk met orde. Gy weet wie ik ben?
+
+ _Uw Zusters Vriendin_,
+
+ ----
+
+
+Noten:
+
+[1] Zaadjes van den Toncaboom: geneesmiddel. Men maakte er o.a.
+ beursjes van.
+[2] Tot naricht.
+[3] Vest.
+
+
+
+
+DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+_Zuster lief!_
+
+Nu kom ik eindelyk op de zaak, waar over ik u wilde schryven. Daar het
+onze Bregtje Sara gezien, met een jong wilt Heer; zy geloofde, dat het
+een uit de Kommedie was; en zy was nog veel ligtvaerdiger opgeschikt
+dan de Pop van Pieternel, daar je men eens van schreef. Zy was een el
+hoog gekapt. Haar Sack, (ja, zo een duivelsch kleed heb ik ook nog in
+myn natuurstaat[1] gedragen!) was opgestrikt, je leven zo niet. Ze
+hadt witte zyde koussen aan; denk, Zusje, witte zyde koussen, en
+kerjeusde schoenen. En ander Orlosie bungelde een hope nesten en
+vodden. En ze liep net als de Hoer van Babel met dien Monsieur gearmt.
+Zy luisterde, Bregt zag het duidelyk, hem wat in, en toen keek hy de
+meid aan, en lachte dat het een schande was. Hoor, Kee, ik ben somtyds
+nog al bezwaart over haar; maar Broertje weet my zo tot rust te
+brengen. Moet jy niet ietwat hebben, Zannetje, zeit hy, om je klein te
+houwen? Is het niet beter, dat je jou bezwaart voelt om je zonden, dan
+dat je een Armiaansch slik-grondje hebt? of dat je ziel door eigen
+gerechtigheid den Duivel als een roofgoed wierdt overgelevert? En dan
+wordt het my alles zo licht, zo licht; och ja, zo licht.
+
+Maar Zusje, je hebt my zo dikwyls in gemoedsgevalletjes geraden, en
+Salomon zeit: "twee zyn beter dan een." Ei lieve, wat moet ik doen?
+Broeder Benjamin wil dat ik met Blankaart procedeer, zo hy my niet tot
+een duit toe betaalt, volgens de Conditie met haar Moeder gemaakt. Al
+haar goed is hier ook nog, al de kleeren, en zo voorts, van hare
+Moeder, die eene pragtige Vrouw was; en al het gemaakt Zilver; maar
+dat evenwel te verdonkeren, hoe zal dat gaan? Blankaart is een droevig
+schepsel om mee te handelen; hy zou my, och ja! schandaal aan doen: En
+evenwel het Hellewicht verdient zo veel goed niet; zy zou het ook tot
+haar bederf gebruiken. Het alles over te geven is ook hart voor 't
+vleesch: 't was evenwel myn Zusters goedje, wil ik spreken. Ei lieve,
+zendt my nog eens het _Heilig Onrecht_ van Petrus Kwezelius. Ja, je
+hebt toch dierbare schotse Boekjes. Wees gegroet, en antwoord my eens,
+zul je?
+
+ ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+Noot:
+
+[1] Voor haar bekeering n.l.
+
+
+
+
+VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Sara deelt Anna Willis mee, dat ze Jacob
+Brunier voor den mal houdt, zich van hem bedient om zich te vermaken
+en fatsoenshalve te doen vergezellen.
+
+VYF EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling antwoordt zijn broer
+Hendrik: Kerel, er op los! Informeer of ze vrij is en dan, vooruit!
+
+ZES EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Sara. Laat ze toch
+geen geschenken aannemen van Jacob Brunier: hij heeft geen geld. Je
+raakt op de tong, Saar!--De tante wordt beter. _Ze zendt haar de
+sleutels van de linnenkast_, om wat goed op te sturen naar Rotterdam.
+
+
+
+
+ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Willis!_
+
+Of ik nog lees? Wel, dat zou ik gelooven! Ik ben zelf de Lezeres voor
+de Familie; en onze lieve Weduw heeft een allerkeurigst Bibliotheekje.
+Maar ik heb zo veel over my zelf te schryven, dat het niet aan het
+schryven over Boeken komen kan. Zeg wat gy wilt, _myn_ Cootje[1] is
+nogthans een goed kind; het schikt zich zo kostelyk op, om zyn Saartje
+te behagen, en schommelt uit alle hoekjes en reetjes van zyn armoedig
+hoofdje al het verstand, dat hy bezit, by een, om er my op te
+regaleeren.
+
+En komt gy in geen zes weken t'huis! o dat's goed; nu kan ik met myn
+Held braaf plaizier nemen, zonder van u op de vingeren te krygen; ik
+vrees maar dat ik, want zo zyn de kinderen! myn eigen kwaad niet zal
+kunnen zwygen. Eene conditie! zo gy ophoudt met grommen, hou ik op met
+schryven. Waarom zou ik u beletten uw talent uit den doek te nemen? Gy
+hebt de gaaf van bedillen, en ik die van er my mede te vermaken, en er
+myn voordeel mede te doen. Nu ik er deeze flinken weer uitgegooit heb,
+ga ik er my eens terdeeg toe zetten, om uwen Brief te beantwoorden.
+
+Brunier kan zeker nooit myn Vriend zyn, in de sublime betekenis des
+woords; maar hy kan, als de Broeder van Letje, als een ordentlyk
+Jongman, met my op alle plaatzen komen. "Of hy met die vriendschap te
+vreden is?" dat weet ik niet, en meen er myn hoofd ook niet mee te
+breken. Is het niet beter, dat ik altoos met den zelfden Jongen
+wandel, dan, zo als men zegt, met elk een uitloop? Tut, tut, die
+onkosten bedragen niet veel, en bewaren hem mooglyk voor duizend
+kostbaarder zotternyen: nu moet hy wel zuinig zyn, of hy kan niet met
+ons uitgaan. Hoe ik het goed zal maken? och, zeer gemakkelyk! als hy
+trouwt, zal ik zyne Vrouw een stuk huisraad kopen, tienmaal meer waart
+dan die kleine uitgaven belopen: Is 't nu wel, myne deftige Willis?
+Ja, ja, ik railleer met zyne gebrekkelyke zyde; hadt hy eene slegte
+zyde, dan leverde ik den Patient aan u over. Och Heer! ik heb zo maar
+wat _zedelyke_ mouches, Engelsche pleister, goudvlies, balsem van
+Peru, lippenpommade en soortgelyke prulletjes; doch die zyn van geene
+kragt altoos tegen de gebreken van een ziekelyk hart. Maar gy, myne
+Vriendin, hebt wel andre kruiden, wil ik spreken, zegt Broer Benjamin.
+
+Het zou een zot stukje zyn, met zo een Borstje Briefwisseling te
+houden; maar, wie zegt u, dat ik dit van zins ben? 't Komt niet in my
+op. Ja, ik gelyk omtrent zo veel naar de Godlyke Clarissa Harlowe[2],
+als myn schaapshoofd naar den vervloekten Lovelace: Heden, Naatje, hoe
+viel u dit in gedagten?
+
+Myn Brief laten zien? daar is hy niet mal genoeg toe; hy begrypt wel,
+merk ik, dat ik hem voor een Zotje hou. In het volgende hebt gy
+deugdzaam gelyk, ja het loopt drok genoeg: maar 't zal haast over zyn.
+De kring is haast afgevlogen, en dan zal ik by myn eigen hart en by
+myne dierbare Mama Buigzaam huisselyk t'huis zitten, en lezen, en
+naaijen, en spelen, en zingen, en met een woord geschikt leven; met
+Salomon uitgeeuwende: "ook-dit-alles-was-ydelheid!" Waan met dit alles
+niet, dat ik in 't geheel niet meer denk. Ik denk dikwyls, en dat wel
+zeer ernstig; maar, 't is of het kwaadje, zou Tantes Bregtje zeggen,
+'t is of het kwaadje er altoos met zyn neus by is; want de minste
+beuzeling verstrooit my. Gy weet, lieve Willis, dat ik geen grote
+zoekster van vygebladen ben, doch nu moet ik my echter vrypleiten. Ik
+voel, dat ik eene sterke overhelling heb tot het zwaarmoedige; om die
+reden verstrooi ik my wel eens met overleg; zo bang ben ik, om toch
+nooit dat gebrek voor eene Deugd aan te zien. Nog een woord over het
+lezen. Onze brave Huisvrouw heeft eene fraaije collectie van
+Leerredenen: Die van Solicoffer en Doddridge bevallen my ongemeen. Wy
+lezen zelf in den Bybel, kind; namentlyk de lieve Buigzaam, Letje en
+ik; want Juffrouw Hartog is veel te geleert, en Lotje veel te gek, om
+van die party te kunnen zyn. Ik verzeker u, dat ik nooit met zo veel
+smaak het Evangelie las als nu, nu ik by eene Vrouw ben, die
+godsdienstig is zonder veel uitwendigheid, en ons inprent, dat die wel
+doet, wel vindt. En daar mee is dat maar uit.
+
+_Ten slotte_, zegt onze geleerde Hartog. De stroom van zinnelyke
+vermaken, (of wilt gy, van beuzelagtige uitspanningen? 't is my ook
+wel,) moet eens met een springvloed over myn hart heen vloeijen, en al
+dat drabbige zwaarmoedige mede spoelen, dat er in myn verdrietig leven
+is op- en om- en ondergezakt; dan zal myn ernst redelyk, myne vrolykheid
+helder, en myn geheel gedrag eenparig goed, nuttig en pligtmatig zyn.
+Vaarwel! ik twyvel niet, of gy zult voldaan zyn over de uitvoering uwer
+Commissie. De Meiden zyn wel, en de dienstpresentatie aan de Juffrouwen.
+Heden, Naatje, hoe raar was het my, zo als vrouw en voogd in uw huis te
+dribbelen; wat had ik een wysheid in het terdeeg schikken uwer klederen,
+enz. Willem, myn beste Willem, was gevallig t'huis. Toen ik hem zeide,
+dat zyne Tante wat beter was, kon hy zyne blydschap niet verbergen; maar
+toen ik er byvoegde, dat zyne Moeder nog wel zes weken uitbleef, keek hy
+heel droevig. Die moedergek! ik zou den Jongen een kus hebben kunnen
+geven, zo wel stondt hem dat droevige; maar Willem is geen Coo Brunier.
+Ik vrees, Naatje, dat uwe vermoedens waar zyn. 't Smart my, want schoon
+ik niemand liever voor myn Broeder had dan Willem, ik zou hem in geen
+nader betrekking gelukkig kunnen maken. Arme Willem! dit maakt my
+ongemaklyk. Omhels uwe Moeder voor
+
+ _Uwe Vriendin_,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Jacob Brunier.
+[2] Van Richardson: modeboek dier dagen--_sentimenteel_.
+
+
+
+
+ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp ontraadt Zuzanna Hofland
+te procedeeren, en schrijft haar over broeder Kwast te Rotterdam.
+
+
+NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis, zeer verliefd, schrijft aan
+Sara heel teerhartig; zij antwoordt onmiddellijk.
+
+
+
+
+VEERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER WILLEM WILLIS.
+
+
+_Myn lieve Willem!_
+
+Is de man een kind geworden?--Zou ik misnoegt zyn? En om wat reden? Om
+dat een braaf fatsoenlyk jong Heer, met wien ik zo veel ommegang heb,
+wiens Moeder en Zuster myne hoogstgeachte Vriendinnen zyn, my, eindelyk,
+op de betamelykste wys, zegt: dat ik hem niet onverschillig ben? Waarlyk,
+dit zyn gruwelyke ondernemingen; vreest gy niet, dat ik u, met eene
+theatrale houding, zal toevoegen:
+
+ "_Moi, je suis femme, je ne pardonne jamais_."
+
+In ernst, Willem, ik dagt niet, dat gy zo dwaas, of dat ik zo eene
+_Prude_ was; een van beiden moet echter zeker zyn. Ik zal u dan eens
+voor altoos tonen, dat _gy_ schuld hebt, en ik niet. Verstaat gy dat,
+Vriend? Ik zal aan u schryven, als aan een' Jongeling dien ik hoogacht,
+om dat hy de achting waardig is van veel beter menschen, dan meisjes
+van negentien jaar zyn kunnen; vertrouwende echter, dat gy deeze myne
+heuschheid niet zult misbruiken.
+
+Geloof my dat ik, tot gistren toe, nooit er aan gedagt heb, of gy my
+met andre dan de oogen eens Vriends zaagt. Myne verkeering met u was
+weinig minder dan zusterlyk, en het heeft my duizendmaal gespeten, dat
+gy myn Broer niet waart, ook ten koste myner halve bezitting. Ik nam
+alle uwe beleeftheden aan voor beleeftheden; en, om te zeggen zo als
+'t maar is, ik verwonderde my geen zier, dat gy, als ik by uwe Moeder
+was, ons gezelschap hield: zie, me dunkt, dat kwam my toe; en welk
+Meisje, zo vrolyk en zo achteloos, zou dit niet denken? Maar nu gy my
+gezegd hebt, het geen gy my zeide, my zonder liflaffen, en met zulk
+een ontroert gelaat, zeide, nu moet ik eenen anderen weg inslaan; om
+dat ik het my zelf nooit zoude kunnen vergeven, een eerlyk man, die my
+beminde, met ydele hoop den kap te vullen; en my te verlagen tot het
+verachtelyk peil der Coquettes. 't Smert my, dat uwe genegenheid juist
+gevallen is op de eenigste stoute meid, die u mooglyk eene
+teleurstelling als deeze zou doen ondervinden. Wat kan ik het helpen?
+Ik ken de liefde niet, en heb geen den minsten trek om zulk eene
+grillige zaak te leeren kennen, om dat ik volkomen gelukkig ben in de
+omstandigheden, waar in ik my bevinde. Hier uit kunt gy opmaken, dat
+gy alle bedenkelyke reden hebt, om zo vriendlyk als nog ooit iemand te
+groeten, dien ik nu en dan zie, en daar ik overal mee kom; ja dat gy
+onreedlyk zyn zoudt, zo gy hem niet zo lief hadt als uw hart eischt.
+
+Wel Willem, wel Willem, moet gy u ook in het Satirique omtrent de
+Vrouwen vergrypen? Wie heeft u toch gezegt, dat wy altoos Beuzelaars
+voor hupsche Jongens verkiezen? De een of ander vergiftig knorrig ouwe
+Vryer, denk ik, die de zonden zyner jeugd wel gaarn op eene Sex zoude
+schuiven, die altoos door de beste mannen met achting behandelt wordt.
+Wil ik u eens zeggen, hoe het eigenlyk zit? Wy Meisjes worden, meest
+allen, op eene zeer kinderagtige wyze opgevoet. Men schynt omtrent het
+bestaan onzer zielen als rechtzinnige Muzelmannen te denken. Ons
+postuur, onze kleur, onze houding, trekken al de zorgvuldigheid: men
+leert ons de kunst van behagen, en hierom krygen wy dans-, en
+zingmeesters, en hierom moeten wy 't Fransch, 't Ombre leren, enz. Ik
+beken, dat een Meisje ten minsten niet gekker zyn moet dan ik nu ben,
+om, voor dat zy oud en lelyk wordt, te begrypen, dat alle deze
+fraaiheden niets zyn dan bywerk, dat zy zo wel denken kan als haar
+Broer Piet, haar Neef Jan, haar Oom Gerrit. Het getal dier Meisjes
+is grooter, dan men gelooft dat het is; doch wat zullen wy, arme
+Zieltjes, evenwel doen, als wy zien, dat onze aanstaande Heeren en
+Meesters zo verheven van verstand zyn, dat zy ons _idoliseeren_[1]
+om die Beuzelingen; en mooglyk, (om hun eigen zelfs wil) geredelyk
+ontslaan van alles, dat in 't oog der reden verdienstlyk is. Het is
+ook waar, dat velen uwer schikkelyke Borstjes al vry onaartige
+Heertjes zyn; en waarom zouden wy, voor wy dat moeten doen, lastige
+Druiloeoren tot ons gezelschap kiezen? Onthoudt dit lesje, en doe er
+altoos naar; dan zyt gy myn beste Willem, hoor.
+
+Myne achting voor u is op uw goed en eerlyk karakter gegront; en myne
+vriendschap hebt gy, om duizend goede hoedanigheden, die ik in u, als
+Zoon en Broeder, heb opgemerkt. Hou u daar mede te vreden; want ik
+verzeker u, dat er niets anders voor u te halen is. Vergeet my, en
+poog u de liefde waardig te maken van eene veel betere Vrouw voor u,
+dan ik ooit zyn kan. Zoo gy haar by my, om getuigenis van u te vragen,
+zendt, dan zal ik haar reden geven, om over u voldaan te zyn. Gy zult
+my zeer verpligten, indien gy u de smarte uitwint die gy mooglyk zoudt
+gevoelen, als gy afscheid van my naamt. Ik ben
+
+ Uwe ware Vriendin,
+
+ S.B.
+
+Noot:
+
+[1] Verafgoden.
+
+
+
+
+EEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed is erg ziek!
+Zij waakt en verzorgt haar, is zeer onder den indruk, hoogst ernstig
+gestemd.
+
+
+TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft Sara: hij berust,
+maar hoopt! Saartje's vroegere dienstbode uit het ouderlijk huis,
+Pieternella Degelijk, heeft hij gesproken en die had de schrikkelijkste
+dingen van haar gehoord! Hij heeft haar gerustgesteld. Nu gaat hij naar
+Duitschland; haar portret neemt hij mee. Vaarwel!
+
+
+DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis stuurt goeie berichten en dank
+voor Sara's zorgen. Willem zal een legaat krijgen van tante!--Zij is
+op bezoek geweest bij tante's buuiman en dat beschrijft ze: alles is
+daar oudhollandsch degelijk en gul. Ze heeft daar kennis gemaakt met
+Wijsneus, een pedant, en er ontmoet proponent Smit, een vroegeren
+kennis: die bevalt haar!
+
+
+VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed wordt beter.
+Deze vertelt haar droevig leven--een roman op zichzelf. Sara is hoogst
+ernstig gestemd en leert inzien, dat met liefde en huwelijk niet valt
+te spotten!
+
+
+
+
+VIJF EN VEERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Vriendin!_
+
+Voor 't eerst ben ik na het toeval myner geeerde Juffrouw Buigzaam
+uitgeweest: Niet op eene Klossen-party, niet met een Wysneus en een
+aanstaanden Domine, maar met myn kostelyken Vriend, (zei Jan van Gyzen
+tegen zyn Bok,) den Heer Jacob Brunier, verzelt van deszelfs Zuster
+Aletta Brunier; en dat wel in de Fransche Comedie. Daar hebt gy immers
+niets tegen? Ik kon u wel wys maken, dat ik er ging om myn Fransch te
+onderhouen, doch dan jokte ik u wat voor. Neen, ik ging er met geen
+ander oogmerk, dan om eens een Fransche Comedie te zien spelen. Wel
+Naatje, ik raad u sterk aan om, voor gy van staat verandert, er ook
+eens te gaan. En zo dit, gelyk myne Tante zegt, de Tente des Satans
+is, dan moet ik u maar zeggen, dat hy als _un homme de Gout_, en
+_comme il faut_ gelogeert is! Ik zag _les Femmes Scavantes_ spelen,
+een stuk van den groten Moliere: myn genoegen was groot: alles dagt my
+was natuur. Het karakter van Crisale smaakt my; maar dat _Excusez moi,
+Monsieur, je n'entend pas du Grec_; hoe bekent ik daarmede ben, had al
+het aantreklyke der nieuwigheid, toen het wierdt uitgesproken door
+eene schone jonge Actrice, wier talenten men toejuichte. Ik was niet
+weinig misnoegt over het gedrag van ettelyke Heren en Dames in drie of
+vier Loges. Het spel zelf trok hun aandagt niet; dat is hunne zaak;
+maar, andere fatsoenlyke Lieden te beletten om te voldoen aan het
+oogmerk, waarom die naar zo eene plaats gaan, vind ik ten uitersten
+onbeleeft. Zo ziet gy, kind, dat alles onvolmaakt is, of, zo als de
+Heer Blankaart zegt: _alle regtertjes hebben er slinkertjes_. Zulke
+onfatsoenlykheden, denk ik, kunnen niet belet worden. Wie doet den
+Paus in den Ban? Cootje zegt my,--(ik noem myn auteur, om des te meer
+klem aan zyne woorden en aanhalingen te geven,) dat lachen, praten,
+badineeren, onder het spelen van de zielroerendste Treurspelen, thans
+_du Ton_ is; en dat menig Champignon en Champignone de Fortune[1] daar
+mede ontegenzeggelyk bewyzen, dat zy lieden van Rang zyn, en ten
+minsten reeds deeze zes laatste jaren geweest zyn. Zeg je zo! was myn
+antwoord; evenwel, al wierd ik altoos maar voor een Koopmans dochter
+gehouden, ik meen deeze Certificatie van myn fatsoen niet mede te
+nemen, om dat ik myne lieve Ouders niet in verdenking wil brengen, of
+zy my ook wel hebben opgevoed.
+
+Niettegenstaande deze en nog een half douzyn ongevalligheden, moet ik
+u maar zeggen, kind, dat ik verzot ben op den Schouwburg; dat ik niet
+kan begrypen, wat of men toch kan inbrengen tegen eene uitspanning,
+die, wel ingericht, zo veel goeds kan uitwerken. Nu, dat mogen de
+Geleerden afhaspelen, ik ga er heen, en dat wel zonder dat myn hart my
+iets verwyt. Juffrouw Rien du Tout was zeer uit haar humeur, om dat wy
+haar niet hadden mee genomen. 't Is myn schuld; ik vreesde, dat die
+Beuzelagtige Woelgeest ons maar zou gehindert hebben: als wy weer gaan
+zal ik haar zien in een Loge te plakken; daar zal zy zich beter
+diverteeren dan by ons, die eenvoudig komen om te horen, te zien, te
+wenen, of te lachen. Apropos, weet gy wel, dat het thans voor zeer
+ongemaniert gehouden wordt, te schreijen by eene _Alsire_, en te
+lachen by den _Francais a Londres_? Zie, dit alles a Gouverno, het kon
+u te pas komen. Ik moet u nog al meer fraais verhalen.
+
+Onlangs was ik met myn trouwen schildknaap op een Publiek Concert: Coo
+hadt gehoort, dat er eene der eerste Zangeressen voor 't eerst zingen,
+en dat Cavalini[2] het Clavier zoude tracteeren. Maar moest men geen
+geduld hebben zo taai als een leren lap, (wil ik spreken,) om niet
+toornigjes te worden, op de manier van doen van eenigen der Grote
+Lieden? Daar snapten drie vier Dames zo luit, dat ik duidelyk hoorde,
+hoe het discours ging over het Puce-Lint van een Coeffure. Ginds
+stonden een paar Heertjes als een paar malle Jongens,--(zoude ik
+zeggen, zo ik niet verstaan had, dat zy aanstaande Vaderen des
+Vaderlands waren,) arm in arm, de heerlykste Muziek na te lollen, ons
+en passant, eenige Cabriolen op de koop toe vereerende: en dat, terwyl
+myn gehele ziel wegsmolt door het heerlykste Vocaal en Instrumentaal
+Muziek, dat ik immer hoorde. Hoe is 't mooglyk zo ongevoelig te zyn!
+ik spreek niet eens van het onvoegsame: men doet veel om du Ton te
+zyn! En die zelfde Babbelaarstertjes affecteerden zich, toen de een
+en ander vroeg, of zy zich den avond beklaagden, dat zy geenchanteert
+waren. Ende nu nog een kort woord tot u, myne Aandagtige! 't Is waar
+de overgang is wat grillig; zoo spreek ik van Comedien en Concerten,
+en zo koom ik tot myne deftige Vriendinne. Nu, gy weet hoe ik ben;
+los, bedroeft los.
+
+"Wel, zou Tante zeggen, wel kyk eens aan Nicht, daar moest de Tante
+van je Vriendin juist te Rotterdam wonen, daar moest zy ziek worden;
+daar moest Juffrouw Willis met haar Dochter by haar komen; daar moest
+een Buurman wezen, die een klein soupeetje gaf, en daar moest juist de
+Proponent Smit in de Stad zyn, om er dien avond by te wezen; Wat is
+dat groot!" dus verre Tante.
+
+En wat zegt Nicht? Wel Nicht is zeer in haar schik met die tyding, en
+Nicht hoopt nog binnen 't jaar hare Vriendin in het eerwaardig
+karakter van Dominees Vrouw gelukkig te zien. Heden, Naatje, dat moest
+je doen: me dunkt, dat gy met niemand een juk kunt aantrekken dat u zo
+wel voegen zal, dan met eenen Eerwaardigen. o My! wat zal ik dan
+dikwyls by u komen, al woonde gy aan 't einde van de Waereld of zelf
+op Marken Buiten! want ik ben overtuigt, dat de man, dien gy verkiest,
+waardig is dat men om hem de hele Toverlantaarn der Waereld goejen dag
+zegt.
+
+Ziet gy niet, dat ik thans eene hele schryvige natuur over my heb? Ja
+kind, Saartje gaat nu weinig op den tril, en onze dierbare Patiente is
+nog te zwak, om haar met myn gerammel te vermoeijen. Doch lang vasten
+is geen brood sparen. Ik moet noodzakelyk eens met Letje uit. Juffrouw
+Rien du Tout heeft onlangs zulk keurlyk gaas gekogt, en dat zeer
+goedkoop; ik moet, eer het stuk op raakt, er ook van hebben. Zoo
+Cootje maar mee kan; want hy heeft, wurm daar hy is, ook zyne
+druktens; en het schynt, dat hy voor een Heertje van de mode zyne
+zaken voorbeeldig waarneemt. Wat zoudt gy een goed werk verrichten,
+Naatje, als gy hem wist te beduiden, dat hy waarlyk zeer wel zou doen,
+indien hy zo attent was in het verbeteren en in orde brengen zyner
+denkbeelden, die nu in zyn harsenvat als een hoop stoute Jongens in
+den donker herom tuimelen: Zeg wat gy wilt; maar de Borst is heel
+gezeggelyk, en de geest des tegensprekens heb ik met wortel en tak
+uitgeroeit. Nu uw beurt, hoor je kind.
+
+ _Ik ben uwe Vriendin_,
+
+ S. BURGERHART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Oweeers.
+[2] Componist dier dagen.
+
+
+
+
+ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna waarschuwt opnieuw tegen Jacob Brunier
+en ze ijvert voor Willem. Het verhaal van de wed. Spilgoed heeft ook
+haar getroffen, en ook haar Moeder.
+
+
+ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna zet haar pleidooi voor Willem voort.
+Moeder heeft Willem de zaak uit 't hoofd willen praten, maar _zy_,
+Anna, vindt Willem wel geschikt voor Sara. Moeder zegt: _Sara is te
+wereldsch voor Willem_.
+
+
+
+
+ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SOPHIA WILLIS.
+
+
+_Mejuffrouw, Hoogst-Geeerde Vriendin!_
+
+Het zou my smarten, indien ik deezen moest schryven, om u myne
+eerbiedige gevoelens en oprechte liefde bekent te maken: ik hoop, dat
+gy, in alle myne woorden en daden, die gevoelens zult ontdekt hebben;
+en dewyl ik my altoos door de oprechtheid laat bestieren, kan er by u,
+op dit stuk, geen twyffeling overblyven.
+
+Dat ik des de vryheid neem om u te schryven, vloeit uit een geheel
+anderen oorsprong. Het is om u uit grond myner ziel te bedanken voor
+het belang, dat gy in my neemt; en om dat gy my de gelegenheid geeft
+om te weten, in welk een licht gy my beschouwt. o Dierbare Juffrouw
+Willis, myn hart zegt my, dat gy myne zwakke zyde kent. Daar in ontdek
+ik ook de redenen, die u aanzetten om myn handelwys met uwen Zoon goed
+te keuren. Ik beken, dat ik zeer gezet ben op het bywonen van
+uitspanningen en dat ik er my meermaal in toegeef, om dat ik volstrekt
+geen ander oogmerk heb dan my te diverteeren; maar ik vlei my toch nog
+al, dat ik, voor myne jeugd verdwenen is, wyzer zal worden; nu ben ik
+zo ver niet, en ik zou my tot veinzery moeten verlagen, indien ik
+zeide: dat ik reeds werkelyk bezig was om die neiging in te krimpen.
+
+Het smart my, my te moeten voorstellen, dat uw waarde Zoon, myn lieve
+goeje Willem, niet zo gelukkig is als hy verdient te zyn! en niets
+troost my zo zeer, dan de bewustheid dat ik verheven ben boven de
+vuige listen eener gerafineerde Coquetterie, dan gehandelt te hebben,
+na hy my zyne liefde ontdekte, gelyk als de pligt eischt van yder
+meisje, dat een braaf ordentelyk Jongeling niet beminnende, hem dat
+met heuschheid zegt, om geene hoop aantemoedigen, die geheel ongegront
+is.
+
+Ik hoop, in alle gevallen van myn leven het onuitsprekelyk genoegen te
+hebben, dat er gelegen is in door u met liefde beschouwt te worden:
+niemand is met meer eerbied
+
+ _Uwe Dienares, dan_
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier verklaart Sara zijn liefde
+en vraagt haar. Zij zouden samen een model-paar zijn en konden
+beginnen met een reisje naar Brabant.
+
+
+VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis verantwoordt zich bij Sara, waarvoor
+zij op alle mogelijke wijze Willems plannen te keer gaat. En ze
+waarschuwt Sara: leef niet te zeer voor vermaak alleen en ga niet uit
+met een jonkman, dien ge niet liefhebt! Pas toch op, Saar!--Anna doet
+een uitstapje ook met Smit.
+
+
+
+[Illustratie: 't kwam mij voor dat zij in zich zelf zeide; "Ei kom, om
+thee te schenken is hij echter nog al vrij gebruikbaar".
+Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave
+van 1782.]
+
+
+
+
+EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING.
+
+
+_Waarde Broeder!_
+
+Hemel! kunt gy met my nog railleeren? Maar geduld! Ik weet dat de
+vrolykheid van uw aart een vrucht is van uw goed hart, en dat gy
+opregtelyk deelt in alles wat my betreft. Ik zal dan, wat gy my ook
+moogt antwoorden, voortgaan om u over myne omstandigheden te schryven.
+
+Weinig dagen na dat ik my zelf het genoegen gegeven had, om een
+billyke daad omtrent eene verlegene Vrouw te doen, hoorde ik van den
+Heer Brunier, (die met my de kennis onderhoudt,) dat de brave Weduwe
+ziek, gevaarlyk ziek, was. Dit smartte my, en wel te meer, om dat ik
+daar door berooft was van 't genoegen, om myn bezoek te herhalen.
+Brunier ging er echter verscheiden maal daags, om te vernemen hoe het
+was. Zyne Zuster kwam dan by hem in de zydkamer, en berichte hem 't
+geen hy kwam horen. Doch de beminde van myn hart zag hy niet. Juffrouw
+Brunier zeide, dat hare Vriendin de kamer der Lyderes niet verliet, en
+dat zy beide allerbitterst bedroeft waren. Broer lief, wat zyn brave
+meisjes toch juwelen! zy zyn de uitdeelsters van onze keurigste
+vermaken, en de zoete troosteressen in de ongevallen des levens.
+Oordeel, of deeze blyken van vrouwelyke meelydenheid myn hart troffen!
+Binnen weinige dagen ontfingen wy bericht, dat de Doctor haar buiten
+gevaar oordeelde; en deeze gunstige tyding werdt vermeerdert door de
+aannaderende herstelling der waardige Vrouw.
+
+De eerste reis, dat Brunier vryheid kreeg om haar te komen zien, nam
+ik die gelegenheid waar, om hem derwaards te verzellen. Aangedient
+zynde, leidde Juffrouw Letje ons by de Weduwe in: Ik zag, tot myn
+hartlyk leedwezen, dat zy zeer vervallen was, en feliciteerde haar met
+hare gelukkige herstelling, vergeving vragende voor de vryheid die ik
+gebruikte. Zy beantwoordde my met de grootste vriendelykheid; en dewyl
+de knegt het theegoed binnen bragt, verzogt zy ons om thee te drinken.
+Verbeelt u een ruim zindelyk vertrek, proper gemeubileert, dat, met
+twee schuiframen, op een aartig Tuintje uitziet, en door twee zware
+lindenbomen voor de zon beschaduwt wordt: aan 't hoger eind zat de
+Zieke, in een keurlyk net neglige, met een neteldoeks kapertje op.
+Naast haar zat de beminnelyke Burgerhart, met een boek by haar de hand
+der Weduwe in de hare houdende, o Keesje lief, zy is schoon!--meer dan
+schoon. Het tekenagtige van haar gelaat treft; haar oogen schitteren
+van gezontheid en gerustheid. Zy is niet meer dan middelbaar van
+lengte; voor eene Gratie zou zy kunnen geschildert worden, niet voor
+eene Juno of Minerva, dat beken ik. Brunier maakte zich meester van de
+theeketel, en zy zelf schonk thee. De jongen wagtte, mag ik zeggen, op
+hare oogen, maar 't kwam my voor, dat zy in zich zelf zeide: "Ei kom,
+om thee te schenken is hy echter nog al vry gebruikbaar." Ja, niet
+tegenstaande hare minzame trekken, heeft zy iets zo spottig, zo
+schalkagtig, zo, hoe noem ik het? 't is nog al iets anders--in haar
+gelaat, als zy tot hem spreekt, dat men niet nalaten kan te zeggen,
+arme Cootje. Hy legt echter met haar aan; doch komt altoos met verlies
+te rug.
+
+Juffrouw Brunier is een zeer bevallig meisje; maar men ziet haar niet,
+als zy by hare Vriendin is. Deeze twee jonge Dames beminnen elkander,
+en behandelen elkander ook als welopgevoede Zusters.
+
+Myne Beminde was ongemeen vrolyk; en ik geloof, dat Brunier er te
+erger om vaart. Toen wy in gesprek waren over de Patiente, zei zy, met
+eene betoverende levendigheid: "Ik moet vrolyk zyn over de herstelling
+myner Moederlyke Vriendin; ik weet, hoe veel ik zoude verloren hebben:
+yder heeft zyn eige wys van doen: deeze doet de vreugd wenen, en een
+ander lachen." Haar lach, Keesje, is echter de lach des vernufts, en
+heeft niets van dat luidruchtige, 't welke het verstand afkeurt. Wy
+spraken over verscheiden onderwerpen, en ik had gelegenheid om te
+zien, dat myne Beminde dien zeldzamen schat, gezont Oordeel, bezit. Zy
+heeft, merk ik, veel verkregen kundigheden, doch beroept zich nooit op
+haar Auteur. Kort gezeit, ik geloof dat zy, in allen opzichte, dien
+man gelukkig zal maken, dien zy zich zelf zal uitkiezen; indien zy met
+aandagt eene keuze doet.
+
+Me dunkt, Mevrouw, zeide ik, dat deeze beide jonge Dames u met allen
+eerbied en genegenheid behandelen; dit moet my gunstig over haar hart
+en verstand beide doen oordeelen.... "o Myn Heer, viel zy my in, het
+zyn de beste kinderen, die ik immer kende. Maar myne Gunsteling
+verdient, dat ik haar met die onderscheiding behandel, die myn hart
+voor haar gevoelt. Juffrouw Brunier is een meisje, dat al de
+geschiktheid heeft, om eene Vrouw van verdienste te worden; en hare
+liefde voor Juffrouw Burgerhart maakt haar geneigt, om, in duizend
+opzichten, beter te worden. Een verwaarloost karakter, myn Heer! vroeg
+ouderloos, en geheel aan haar zelf overgelaten.... Doch Saartje is de
+vreugd van myn leven; en ik bemin haar, of zy myn eigen dochter was.
+Zoudt gy wel geloven, dat dit luchtige bolletje, dat zo vol potzen is,
+en de zonderlingste invallen heeft, somtyds zeer bedaart met my kan
+spreken? dat zy de ernstige schriften met aandagt leest; ja, dat ik
+haar aanmerkingen over den Godsdienst hoor maken, die geheel nieuw, en
+tevens geheel waarheid zyn? God geve, dat zy altoos haren eigen weg
+ga, en door haar goed hart, 't welk niet vry is van wat achteloosheid,
+niet verstikt worde door eene wel overlegde loosheid." Ik was geheel
+aandagt. Zy ging voort: "Dat zelfde Meisje, dat zelf in uw byzyn haar
+levendigheid niet kan bedwingen, heb ik, geduurende myne ziekte, niet
+dan zwygent en schrijent gezien. Zy was niet te bewegen om my, zelfs
+des nagts, aan de zorg myner bedienden toe te betrouwen. Ik heb, in al
+die dagen, niets dan uit hare handen gebruikt. Uuren lang lag zy op
+hare knieen voor Myn Ledikant, God met opgeheven handen biddende, doch
+in zich zelf, om myne herstelling. Nu, mag ik zeggen, bestiert zy de
+gehele huishouding. Oordeel uit dit weinige over haar karakter. Hadt
+zy wat minder zucht om de Waereld te zien; doch dit, beken ik, is vry
+sterk. Zo dat, myn Heer, ik zegen het uur, waar in deeze lieve
+juffrouw by my gekomen is: de vermindering van mynen staat heeft
+moeten dienen, om my dat geluk te bezorgen: moet ik des niet
+vergenoegt zyn in die minderheid."
+
+Mevrouw, zeide ik, ik geloof, dat Juffrouw Burgerhart immers zo veel
+reden heeft om het uur te zegenen, waar in zy u leerde kennen. Ik
+begryp levendig, dat zy aan u verpligtingen heeft, die zich alleen
+door dankbare gevoelens van het geroerde hart laten betalen.... Ik
+luisterde.... Is dat, vroeg ik, Juffrouw Burgerhart, die daar speelt?
+"o Neen, myn Heer, zeide zy, zo slegt kan zy het Clavier niet
+behandelen. 't Zyn stoute meisjes. Ik merk dat zy den goejen lobbes
+weer aan het touwtje hebben. Dien armen Jongen doen zy alles doen, wat
+in hare hoofden komt. Burgerhart zal hem, alleen om hem uittelachen,
+gedwongen hebben te spelen; schoon zy zelf bekent, dat zy de Kat, in
+weinige lessen, zoo ver ziet te brengen, dat die hem lessen kan geven,
+'t Zyn jonge lui, myn Heer; en ik denk, dat het myn pligt is haar het
+leven in myn huis zo aangenaam te maken, als ik immer kan. De Heer
+Brunier is een goed slag van een Jongen, die, zo hy wat minder van het
+petit-maitres air hadt, nog al passeeren zou."
+
+Onderwyl hoorden wy, dat zy recht vrolyk waren, en iets schenen te
+verzetten: wat het was, weet ik niet.
+
+Mevrouw, zeide ik, niets kan my aangenamer zyn, dan te horen, dat zulk
+een beminlyk jong mensch uwe achting verdient. Hoe gelukkig zal die
+man zyn, die zy uit liefde trouwt! "Dat is zo, myn Heer, maar zy zal
+nooit trouwen, zonder haren man zo wel hare hoogste achting als liefde
+waardig te keuren, immers dat zegt zy dikwyls."
+
+En heeft zy dien man reeds gevonden, Mevrouw? (Ik vroeg dit met zulk
+eene merkbare ontroering, dat de schrandere Vrouw het moet gemerkt
+hebben.) "Neen, myn Heer, Juffrouw Burgerhart denkt zeker, zo weinig
+aan trouwen, als aan het kloosterleven." Ik voelde, dat myne wangen
+gloeiden. Ik nam de vryheid om haar hand te nemen, en die zagtelyk
+drukkende, zeide ik: mooglyk ben ik onbescheiden geweest, maar het
+belang dat ik heb in dit te weten.... Vergeef het my, Mevrouw.... Ik
+Bemin deeze Dame: Zo als ik haar zag, beminde ik haar; en nu myne rede
+myne keuze billykt, reken ik my niet ongelukkig. Het is dan mooglyk....
+Ik meende verder te gaan; doch de Vrienden kwamen binnen; ik zweeg des.
+De Weduwe boog, zoetelyk glimlachende.
+
+"Mamaatje lief, zeide Juffrouw Burgerhart, wy hebben uwe bevelen
+voldaan, en ... maar, (het drankflesje opnemende,) moet ik dan kyven?
+Foei, myn Heer, gy moet op een ander tyd beter oppassen! weet gy wel,
+dat deeze Dame, om duizend en tienduizend redenen, diende gezont te
+worden, en zo oud ook, dat zy met een krukje in de eene hand, en my
+onder den arm vasthoudende, door haar Tuintje zal moeten wandelen?"
+Daar op nam zy een kopje, deedt het medicament er in, gaf het de
+Patiente, en wist Brunier te bewegen, om ook eens te proeven, die al
+grynzende zei, dat het lekker was. "Zo, zei Saartje, een Veinsaart ook
+nog, en dat onder myne oogen."
+
+De beleeftheid deedt my vertrekken; na dat de weduwe my verzekert
+hadt, dat het haar niet ongevallig zyn zoude, my eens weder te zien.
+Afscheid genomen hebbende, vertrok ik met Brunier, hem bedankende voor
+de gelegenheid, die hy my gegeven hadt, om deeze waarde Dame te leeren
+kennen.
+
+Zie daar, Broer lief, zo is het thans gestelt. Zal ik hopen? zal ik
+vrezen? Hemel, maar zou zy immer behagen kunnen hebben in my? Schryf
+my spoedig. Alles is hier wel. Vader zal u per naaste post schryven;
+hy weet niets van deezen.
+
+ T.T.
+
+ HENDRIK EDELING.
+
+
+
+
+
+TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER.
+
+
+_Vriend Jacob!_
+
+Gy durfde my dan nog met een half woord vragen: "of gy u niet mogt
+vleijen met eenig antwoord op uwe _Missive_?" Want zo noemt gy dat
+fraaije Billet, dat gy my deedt ter hand komen. Om uw eigen fatsoens
+wille wenschte ik wel, dat gy er geen woord van gekikt hadt; dan kon
+ik ook dit zot stukje op de grote lyst uwer overige Beuslaryen hebben
+aangetekent, en, om dat ik niet geemlyk van aart ben, het u gunstig
+gepardonneert hebben. Doch nu gy zo dwaas zyt, van my zulk eene
+rapsodie, als 't ware, te herinneren; en gy mooglyk wel, (want het
+schynt waarlyk niet al te richtig in uw harsengestel,) u zoudt kunnen
+gaan inbeelden, dat ik uwe Missive niet al te wel zo spoedig dagt te
+kunnen beantwoorden, zo zal ik de moeite nemen, om u, over die
+Missive, eens een paar woordjes te zeggen.
+
+Ik zeg niet gaarn onaangename waarheden, en vooral niet aan zulken,
+die ik, 't zy dan ook om wat reden, in zekeren zin wel lyden mag. Zo
+lang ik u slegts voor een vry geschikt, en goed soort van een jongen
+hield, hadt uwe Zuster weinig werks om my te beduiden, dat ik u als
+haar Broeder behandelde, en occasie gaf om ons eenige uitspanningen te
+bezorgen: Maar, nu ik merk, dat gy eenige oogmerken omtrent my hebt,
+waar van ik u nooit verdagt hield, zo moet ik u openhartig zeggen, dat
+gy my meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te
+kunnen krygen.
+
+Hoe, myn Heer, heb ik u de minste aanleiding gegeven, om zulke
+gedagten in u te doen opryzen? Hoe weinig kent gy my! Hoe dood vreemt
+zyt gy omtrent u zelf! Ik moet of boos op u worden, en dat bevalt my
+niet; of ik moet u hartelyk uitlachen. Nooit zeker las men zo eene
+ongevallige mengeling van zotteklap, en dwaze inbeelding, op zeer
+twyffelachtige verdiensten, dan dat schriftje bevat. Dit van stukje
+tot beetje aan te tonen, is beneden myne aandagt. Ditmaal vergeef ik
+u alles, op deeze voorwaarden: "dat gy my hier over nooit meer
+spreekt;--zelf verbied ik u, my voor deeze gekheden om excuus te
+vragen; en dat gy; is 't mooglyk, door dit geval poogt wyzer te
+worden, en wat beter uwe eigen waarde te berekenen."
+
+Zo gy hier toe geen geneigtheid hebt, dan zult gy u moeten laten
+welgevallen, dat ik u zo, en op dien afstand behandel, als een
+fatsoenlyk Meisje een verwaanden, of wilt gy lastigen, knaap altoos
+moet behandelen. Uwe Zuster is myne lieve vriendin, maar zy zo wel als
+ik begrypt, dat dit geen reden zyn kan, waarom ik zoude moeten
+geplaagt worden door een Borstje, dat geen geest genoeg heeft, om my
+met zyne Missives ook slegts te diverteeren. Spreek des nergens van;
+en ik zal alles vergeten: want zo gy in dit opzicht maar wyzer wordt;
+zyt gy een vry draaglyk Heertje; en ik geef de hoop nog niet op, om my
+eens met meer reden te kunnen noemen
+
+ _Uwe genegene Vriendin_:
+
+ S. B.
+
+
+
+
+DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed schrijft aan Blankaart:
+Saartje is allerliefst! En nu is er een meneer, zekere Hendrik
+Edeling,--die de wed. zelf uit den brand geholpen heeft--een braaf
+man--die naar Saartje vrijt. Hij is knap, 27 a 28 jaar, goed
+gemanierd. Staat Blankaart nadere kennismaking toe? Sara spot
+er wat mee en wil nog niet trouwen, maar de wed. wil zekerheid.
+
+
+VIER EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling wenscht zijn broer succes:
+geduld maar en volhouden. Gemakkelijk zal 't niet gaan, maar toch
+gaan. Hij is haast jaloersch en als hijzelf zijn Jaantje niet had,
+wie weet.
+
+
+VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis vertelt van haar uitstapje met
+Smit. Ze zijn o.a. in Schiedam geweest en hebben _jenever geproefd_.
+Smit werd opgewonden. Schiedam is een gat. Smit heeft intusschen een
+erfenis gekregen en nu zal Anna met haar besten vriend gaan trouwen.
+Hun liefde berust op _achting_ en _vriendschap_. Zij raadt Sara aan
+den advokaat _Fine Mouche_ te nemen, maar dan moet ze er gauw bij
+zijn. Hij is zeer gewild en _ijvert voor de rechten der vrouw_. Smit
+ijvert voor de _nieuwe psalmberijming_.
+
+
+
+
+ZES EN VIJFTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Lieve Willis!_
+
+Allemaal menschen!--dit zeide ik, toen ik uwen vrolyken en my zo regt
+smakelyken Brief gelezen had. De liefde is al een grappig ding, geloof
+ik. 't Schynt dat zy de peinzende vrolyk, en de ydeltuiten statig kan
+maken. Mooglyk, om dat zy het levensvonkje in de dikbloedige gestellen
+helder doet opflikkeren, en de zorgeloze onverschilligheid der volmaakt
+gezonde meisjes iets aan de hand geeft, dat haar van belang genoeg
+schynt, om er over te willen denken. Hoe het zy, 't is zeker dat
+Juffrouw Willis my nu veel meer bevalt, om dat zy my wat nader komt,
+dan wanneer zy met zekere ernsthaftigheid, niet altoos geheel vry van
+styfheid en bedilzucht, my myne les voorzegt. Uw Vriend Smit heb ik
+regt lief, zo wel om het geen gy van zyne conversatie, als om 't geen
+gy my nopens zyne manier van denken omtrent u mededeelt. Ik hoop hem
+spoedig wel geplaatst, wel gehuist, en wel getrouwt te zien. Ik beken
+dat gy, buiten uw nadeel, een ruim hart hebt, als gy ons, eenzamen in
+den lande, zulk een zegen toewenscht. Maak u vrienden, Naatje, door zo
+veel gy kunt dien wensch ten uitvoer te brengen. Wat my aangaat: _Pour
+moi keen warme Bier_, zei de Franschman; _Pour moi geen man_. Een
+flinke bol, om my, zo als ik zeg, te brengen waar ik zyn wil; dat is
+wel, doch meer niet. Uw Advocaat is des aan u; geef hem aan haar, die
+zo een meubeltje nodig heeft, en laat myn devies zyn: _Vryheid, blyheid_.
+Maar om u eens wat zakelykers te schryven, ik heb met Letje uit geweest,
+om dat nieuwmodiesch Gaas. Het stuk was byna weg, doch men wagtte alle
+daag nog fraaijer, als ook heerlyke Taffen, enz. Men heeft my verzogt
+dat te komen zien: en ik heb aanstaanden maandag daar toe bepaalt.
+'t Is een besloten winkel; men ziet er niets dan een modieus huis,
+moderne meubelen, drie zeer wel gemanierde, taamlyk lelyke, reeds wat
+bejaarde Demoiselles, die niets dan Fransch spreken: 't kwam wel, dat
+ik die taal kende.
+
+In 't naar huis gaan, gingen wy Coos logement voorby, en spraken
+Mademoiselle G---- eens toe; die zeer verblyt scheen ons te zien, en
+vriendelyk innodigde. Wy voldeden ook aan haar verzoek. Letje vroeg
+schielyk of haar Broer niet t'huis was; neen, zei zy, maar hy zal
+weldra t'huis zyn. Kom, zei Letje, dan gaan wy zo lang op zyn kamer:
+ik volgde, zeer benieuwt zynde, hoe of het toch op de kamer van een
+Petitmaitre er mogt uitzien. Naatje! nooit hebt gy zo een huishouden
+gezien! myn oog viel eerst op zyn toilet, dat in de volmaakste
+desordre lag. Poeijer en Snuif bedekten alles. Hairkammen,
+Wenkbrauwkammetjes, verscheiden Verfjes, Tandenschuijertjes,
+Tand-poeijer, een glas half vol water, zo smerig als een eend, een
+stuk uitgedoofde Waskaers, eenige Fransche boekjes, die niet van de
+strengste zedekunde schenen te handelen, een morsige Inktkoker, een
+vuile Slaapmuts en een pot Pommade, maakten de misselykste vertoning,
+die ik ooit zag. Al zyn kleeren hingen over stoelen. Eenige paren
+zyden kousen slingerden er tusschen. Schoenen, muilen, laerzen, een
+hartsvanger, lagen door malkander: alle zyne Boeken konden wel in een
+brood-mand, en zagen er vuil en smerig uit. Letje zag dit lieve
+boeltje, met beschaamtheid, eens over, en ik was geheel
+nieuwsgierigheid. "Kyk me zo een floddervink eens; zo een slons van
+een jongen, en die altoos er uit ziet, of hy uit een doosje komt."
+Kom! zei ik, hy zal er voor hebben. Daar op deden wy zo veel
+kattekwaad, en naaiden zo veel mouwen en zakken en koussen toe, en
+verstopten zo veel goed, als de tyd ons toeliet. Toen gingen wy naar
+beneden, en zie daar, daar kwam de Vorst van Tour en Taxis, wip wip
+wip den stoep op; gevolgt door nog een vlasbaard, of drie, die hier
+alle logeeren. Myn Chevalier weet te wel te leven, (zoo hy meent, och
+arm!) om ons vryheid te laten zo terstond te vertrekken; en dewyl
+Mademoiselle G--- hier sterk op aandrong, traden wy in de eetkamer.
+Terstond presenteerde men 't een en ander. De gure dag gaf Coo den
+inval om een Bowl Punch te maken. Fiat Punch! Toen had hy 't op zyn
+lyf! de Arak, de Citroenen, enz., alles kwam uit den hoek. De drank
+was smakelyk, het gezelschap vrolyk, Mademoiselle G--- kluchtig, en
+Saartje haar zelf. Enfin, Naatje, wy diverteerden ons als Vorsten; wy
+raakten aan 't musiceeren, en 't was wel negen uuren, voor onze Vriend
+ons t'huis bragt.
+
+De lieve Buigzaam wagtte reeds met eeten. De Hartog keek, als of zy
+zeide: "Wat die Kleuters! moet ik daar naar wagten?" Lotje zat met een
+Almenak van 't voorleden Jaar, en hield zich of zy las; doch ik weet
+niet, of zy wel eens spelden kan. Wy waren zo dartel, dat de lieve
+Vrouw niet wist, wat zy van ons denken moest; en Letje was ongemeen
+woordenryk. Ik was niet heel gemaklyk, want Juffrouw Hartog my iets,
+'t geen ik haar verzogt, wat onbeleeft aanreikende, en er by voegende:
+"ei, altyd dat gelach, 't zal wat te beduiden hebben, als wy 't
+wisten!" gaf ik haar een antwoord, 't welk aantoonde, dat ik haar,
+schoon veel ouder, niet voor myne Voogdes begeerde.
+
+Ik heb u nog niet gezegt, dat de Heer Edeling hier alweer geweest is.
+Juffrouw Buigzaam spreekt met de uiterste achting van hem, en met zo
+veel onderscheiding, dat, zo zy tien jaar jonger was, ik zou denken,
+dat hy de man zyn zoude, dien zy haar hart wilde geven: nu denk ik dat
+niet. Mooglyk heeft hy zin aan Letje. Hy is door haar Broer hier
+althans gebragt. 't Is een zeer fraai man: hy heeft mooije manieren,
+en ik hoor, dat hy veel verstand heeft. Als hy weerkomt, zal ik hem
+eens _Philosophiesch betrachten_; zeide uw Pedant Gekje zo niet?
+
+Omhels uwe dierbare Moeder; groet uw Vriend Smit; salueer uw Tante
+voor haar, die gy weet dat is,
+
+ Uwe hoogachtende Vriendin,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+ZEVEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
+
+
+_Mevrouw!_
+
+Voor ik iets, Saartje betreffende, aanroer, moet ik u zeggen, dat ik
+God hartelyk gedankt heb voor uwe herstelling, 't Zoude al te droevig
+zyn, dat zulke weergaloze Vrouwen zo klakkeloos uit de waereld gingen,
+terwyl wy met hele risten van Beuzelaars en Beuzelaarsters blyven
+opgescheept. Het doet my aan myn hart goed, dat ons meisje zo haar
+pligt gedaan heeft; zy zal er een present extra uit myn eigen zak voor
+hebben. Zie, men moet de jonge lui, als zy wel doen, ook wel doen; en
+ik ben, God dank, geen vrekkige Jakhals van een Kaerl. Ik zeg altyd:
+"Abraham Blankaart, God heeft u zo gezegent, je hebt kind noch kraai;
+hoewel ik weet niet, of dat zo blyven zal; een mensch heeft graag een
+eigen weerspraak. Kind noch kraai! wel deel mee, myn Vriend; maak dat
+niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe, dat niemand wel eens
+wou zien, of jy ook een mooije doode zyn zoudt. 't Moet hier toch
+altemaal blyven, en als jy brave lui op de proppen helpt, dan doe je
+als een hupsch Christen mensch betaamt." Nu, dat overgeslagen.
+
+Neen, Mevrouw, ik heb geen byzonder oogmerk omtrent Saartje. Ik zal
+haar volkomen haar eigen keuze laten doen; en, zo de jongen haar
+verdient te hebben, zal hy haar hebben, al had hy geen zesthalf in de
+waereld; maar zo zy dwaas genoeg was, om een knaap te willen hebben,
+dat een vlegel, of een bobbekop is, of die haar dood zou kniezen, of
+tot gekheden brengen: Verduivelt! dan zal myn naam geen Abraham
+Blankaart zyn, zo ik het ooit toesta. Hoe, wat hamer, en wat
+spykerdoos, heeft haar brave Vader my niet met de dood op zyn lippen
+gezeit: "Brammetje Blankaart, ik sterf; zorg gy voor dit dierbaar
+Kind. Wees het geen ik voor haar zyn zoude, mogt ik leven." En heeft
+hare lieve Moeder ook zo niet gesproken? En heb ik het niet heilig
+belooft? En ben ik niet een eerlyk man? Hoor, Mevrouw, het meisje is
+veel ryker dan zy weet. Zy kan, ik herhaal het, krygen die zy hebben
+wil, mits dat zy wel kiest.
+
+Ja, 't is een weergaas meisje! zo als gy daar schryft, is zy: en ik
+ben maar bly, dat zy by zulk eene allerbraafste Dame is, dat is goed
+voor haar. Spreek toch niet van my lastig te zyn; ik wou dat uwe
+brieven zo lang waren als de Engelsche Courant. Zie, ik ben geen man
+van de hedendaagsche Waereld, maar een brief van zulke vrouwen, wel,
+dat is een tractement voor my.
+
+Den ouden Heer Edeling ken ik van voor vele jaren. 't Is een eerlyke
+knorrepot, een braaf man, een man, daar men op af kan, maar de
+lastigste mensch, dien ik ook al ken. Pitten heeft hy, en crediet als
+de Bank: maar ik heb my altoos afgehouden van twee soorten van menschen,
+van allemansvrienden en van Grimbekken. De laatsten veracht ik, en de
+eersten beduiden niet genoeg, om er aan te kunnen denken. Zyn Zoons ken
+ik niet; maar ik heb altyd gehoort, dat het beste jongens waren, doch
+die 't hart niet hadden, om hunnen Vader ooit dan met schroom toe te
+spreken. Dat is toch een ellendige zaak! 't Spreekwoord zeit, de beste
+Stuurlui staan aan land; maar als ik kinderen gehad had, by myn Vrouw,
+ik zou eerst hunne liefde hebben zien te winnen; en dan zou ik my van
+hun vertrouwen en achting gemaklyk hebben meester gemaakt. Wat zegt
+gy, Mevrouw?
+
+Indien de jonge Heer des zyn hof aan myn Kleuter wil maken, en zy het
+goedvindt, my is 't wel; als 't kind maar gelukkig is, ben ik te
+vreden, en ik zal haar, met al wat zy in de waereld heeft, zelf aan
+hem, met myn eigen hand, geven. Doch de Oude moest my evenwel geen
+Kattesprongen maken, of denken, dat zyn Zoon haar veel eer aandeedt.
+Ja, ja, 't is een misselyke knevel, die eigenste Jan Edeling; want dan
+zou my 't bloed ook wat heel spoedig in de ooren kruipen. Saartje is
+van zulk eene brave oude familie, als er maar weinigen in Amsterdam
+zyn; haar overgrootvader was al een styl van de beurs, en een pylaar
+van de kerk: en, schoon zy geen geld heeft, dat by Hendriks te pas
+komt, zy is echter een schone party; en zy is een heel mooi meisje
+ook; en zy heeft, mag ik zeggen, alles geleert; en zy speelt immers
+kapitaal? Wees verzekert, dat ik uw verpligtent bericht voor my
+onschendbaar zal houden. Zo ik u, waardige Dame, ergens in van dienst
+zyn kan, beveel! gy zult my verrukken, door my in staat te stellen van
+u te kunnen tonen, hoezeer ik met de grootste achting ben,
+
+ Uw welmenende Vriend en gehoorzame Dienaar,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+
+ACHT EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis beknort Sara om haar houding
+tegenover Coos-Jacob Brunier. Foei! Is vermaak dan alles? En welk
+vermaak! Tante Hofland zal nog gelijk krijgen! Ze mag Anna uitmaken
+voor wat ze wil: _bijnamen geven is geen redeneeren_.--Willem maakt
+'t goed; Smit gaat uit preeken. Hendrik Edeling is een beste jongen;
+Smit kent zijn broer.
+
+
+NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft zijn Moeder: hij
+maakt het goed, doet zijn best, maar _Sara kan hij niet vergeten_.
+Doet Moeder wel goed?
+
+
+ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling richt zich tot Blankaart, over Sara.
+Of er iets tegen is? _Zijn_ vader zal bezwaar maken: _Sara is niet
+Luthersch_--doch dat is misschien nog te ondervangen.
+
+
+
+
+EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING.
+
+
+_Myn Heer!_
+
+Ik ken genoeg van uwe omstandigheden en zedelyk karakter, om niet
+weinig in myn humeur te zyn, met het voornemen, dat gy hebt omtrent
+myne lieve Pupil.
+
+Zie, myn Heer Edeling, ik ben geen knorrepot, die altyd legt te
+gnokken, en te gnutteren[1] op Jongelui; o ho! het zat over een
+zestig, zeventig jaar, ook al zo breet niet: maar dit is evenwel
+hemelsch vast, dat onze jonge Heren het drok genoeg maken, en dat
+Ouders of Voogden van geluk mogen spreken, als zy een aartige lieve
+meid, die hun aangaat, in goede handen zien. Wel, 't is een bedroeft
+ding, dat de jonge Heren zich de vryheid geven om stukjes uittevoeren,
+die hen de achting van hunne meisjes onwaardig maken. Dat rydt, dat
+rost, dat speelt, lichtmist voor een voor negentien, alsof men een
+paardje schytgeld op stal, en nog een lyf in de kist hadt: en als men
+dan eindelyk het wilde leventje wat moede is, ja! dan klungelt men
+naar de Vryster, die men eene hope leugens en liflafferytjes vertelt.
+Het arme schaap neemt alles voor goede munt aan; en zy krygt een man
+met een verzwakt en verslonst lichaam, zonder zedelyke, 'k laat staan
+Godsdienstige beginsels; zonder kunde in zyne zaken; en haar geld moet
+meermaal springen om smousen en ligtekooijen te vreden te stellen.
+
+Zo dat ik maar zeggen wil, myn Heer Edeling, dat ik regt te spreken
+ben, met uwe liefde voor het kind. Dat gy haar daar van nog geen kik
+gezegt hebt, smaakt my bestig. Hoor, gy zyt een hupsch jongman, en ik
+hoop, dat onze lieve Heer haar maar genoeg wysheid zal verlenen, om
+u haar hart, zo wel als haar mooi zagt regtehandje te geven: mits
+echter, dat myn Heer uw Vader haar die eer aandoet, waar op ydere
+brave jonge Juffrouw, in zo een geval, recht heeft.
+
+Indien men ons, om dat wy misselyke Potentaten zyn, alles moet laaten
+doen dat men wil, wel, dan zyn de redelyke menschen waaragtig te
+beklagen. Hoor, myn Heer Edeling, ik zou geen Kind veroengelyken, en
+myn Paard, zo min als Snap, myn Patryshond, (die al weer met my naar
+Vrankryk gesjouwt is,) hadden nog ooit reden, om my voor een bullebak
+van een meester te houden. Daar is nu Jan, die reeds al zes en twintig
+jaar by my diende; maar ik heb nog nooit gemerkt, dat de kerel een
+beter heer verlangde; want ik zeg altyd: "Abraham Blankaart! maak
+toch, myn Vriend, dat je geen mensch of beest zo behandelt, als jy
+niet zoudt willen behandelt worden, dan zal je wel doen, en dat is
+hier de zaak." Doch myn Heer, uw Vader, voor wien ik zeer veel achting
+heb, moet niet denken, dat myne Pupil ooit in zyne Familie zal komen,
+indien hy my, als haren Voogd, dit niet met bescheidenheid en yver
+verzoekt, 't Zou my om u schrikkelyk moeijen; maar ik heb ook op
+sommige punten myne wonderlykheden; en, schoon ik niet aan de Jicht,
+of het Podagra zucht, kan ik om de hagel niet veelen, dat men zich
+airs zoude geven, omtrent zulk een braaf fatsoenlyk meisje. Myne
+gehechtheid aan de Leerstukken der Publique Kerk is, ja al zo sterk
+als de zyne aan het Luthersche geloof zyn kan, en daar hoop ik by te
+leven en te sterven: amen! Maar watte malle dingen zyn dat! "dat ik
+besluit om myn kind nooit buiten myne Kerk te zullen uittrouwen?" Wel,
+'t is goed, dat onze lieve Heer wyzer is dan wy allemaal; 't zou hier
+anders een bedroefde Winkel worden, dat zou het. Laat elk gelooven dat
+hy wil, dat hy kan, en laten wy allemaal deugdzaam leven; dat zal wat
+beter voor ons uitkomen, dan dit en dats hargueeren, en kieskaauwen,
+over dingen, daar de wyste lui zo weinig van begrypen als ik, of een
+ander eenvoudig Christenmensch. Hoor, myn Heer Edeling, ik kan zo
+Satans nydig worden, als ik daar in plaats van eene stichtelyke
+opwekkende Predikatie te horen;--want ik ben een stipte Kerkganger,
+moet gy weten; ik ga, als ik t'huis ben, alle Zondag in de ouwe
+Kerk,--niets voor myn neus kryg, dan wat scholastiek[2] Vulnis, dat,
+mag ik zeggen, diept noch droogt. 't Is goed, dat zulks maar zelden
+gebeurt, of Abraham Blankaart zou zo stipt niet ter Kerke gaan. Nu,
+myn Heer, gy moet weten, hoe gy met uw Vader dat Boeltje reddert. Doch
+hy moet niet vergen, dat myn Saartje van haar Gereformeerde Kerk
+afwykt. Hoor, ik moet daar niet over gemoeit worden. 't Is onredelyk;
+en is de man driftig, ik ben ook juist de grootste jaabroer niet. Hy
+moest ook niet leggen te choqueeren op myn Kerk, of hy zou zyn man aan
+my vinden. Ik versta my wel niet op alle de fynheden der redeneerkunst;
+maar ik denk, dat ik echter met hem geen gevaar loop om uit het veld
+geslagen te worden: wy kunnen malkander op de Beurs ook wel zo eens een
+aartigheidje zeggen.
+
+In hoop dat ik zal voldaan hebben aan uwe verwagting, hebbe ik de eer
+my te noemen,
+
+ MYN HEER!
+ Uw dienstwillige Dienaar en Vriend,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Vitter en bediller.
+[2] Spitsvondig.
+
+
+
+
+TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Willem: Sara is geen vrouw
+voor hem. Een huwelijk kan even ongelukkig zijn door te veel
+overeenkomst tusschen man en vrouw als door te weinig. Smit gaat
+trouwen met Anna. Willem moet zich maar goedhouden en volharden in
+braafheid.
+
+
+DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna. Ze is boos. Anna beknort haar
+over haar oprechtheid. Anna mag wel _genever proeven_ en zij geen gaas
+koopen? Mooie grap! Anna is zoo op zich zelf verliefd, dat ze geen oog
+heeft voor andersdenkenden. _En ze duldt geen aanmerkingen op Spilgoed_.
+Anna draait! Jacob Brunier mag zijn wie hij wil, maar _slecht_ is hij
+niet. Bemoei je met je zelf. Groet Moeder, 't beste voor Willem. Vaarwel.
+
+
+
+
+VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Juffrouw Saartje!_
+
+Nou komt myn dat beetje schryven wel te pas, dat je men nog hebt
+ingestampt. Ik moet aan u schryven. Ik heb rust noch duur; van nagt
+droomde ik, dat ik u op men schoot had, met je neteldoekse jurk, die
+ik zelf in het Blaauwe Hoofd nog kogt, an; en dat ik met je zong dat
+mooi Liedje: "Een kindje in 't water een kindje in 't water." Ja, dat
+was een huur[1]! Dat was eerst een Heer en Juffrouw! Ja, Juffrouw, ik
+zou nooit myn Belydenis geleert hebben, had ik niet in joului huis
+gedient. Ik woon nou ook wel by brave mensen, maar het is altoos drok;
+wy zyn met ons zeven Booijen, en ik heb dikwyls geen tyd om 't _Vader
+Ons_ te bidden; en ik mag dat evel zo niet rabbelen; want Kaatje, onze
+Kindermeid, zeit, dat het van onzen lieven Heer zelf gemaakt is.
+Laatst nam ik het mee in de Kerk, en las het driemaal heel aandagtig,
+om dat ik den Domine niet zien, noch horen kon, zo vol was de Kerk, en
+dat is tog mooi; en nu sla ik een reisje over, om aan u te kunnen
+schryven; want wie weet, of deuze Brief in veertien dagen nog vol is.
+Ik wil maar zeggen, Juffrouw, dat ik gehoort heb, dat de Juffrouw gaat
+trouwen, met een Heer die een Franschen naam het, die ik niet
+onthouwen kan; 't is een Broer, zeggen zy, van een Juffrouw, die met u
+in 't zelfde huis woont. Hy het een amt op 't Staten of Prinsen hof,
+zie dat is al het zelfde; nou, Juffrouw zal hem wel kennen. Ik sloeg
+een gat in de lucht; 't was of ik het te Keulen hoorde donderen, daar
+onze Koetsier van daan is. Maar die Heer zal wel braaf zyn; anders zou
+Juffrouw hem niet nemen, wil ik spreken; maar de mensen praten zo
+raar; en Bregt heeft my zo veel vertelt; maar nou ze eens zo vreeslyk
+van je gelogen het, geloof ik haar niet meer. Nou, God vergeef het
+haar, maar ouwe Bregt zal haar loontje wel krygen, gelyk ik hoop! En
+nouw was myn verzoek, of Juffrouw my weer wou inhuren; en dat Juffrouw
+met men Heer Willem hadt getrouwt, dat is een Heer! en zo gemeenzaam;
+wel zie, ik heb buiten u niemand zo lief, als men Heer. Toen ik daar
+zo by myn Heer zat thee te drinken, dagt ik nog om je Grootvader,
+Pieter Burgerhart. Die is nog by gelyks men Doop-peet: want ik hiette
+maar Pieternelletje Pauwls, en ik had zo een dinsigheid[2], om ook een
+_van_ te hebben; en toe zei je Grootvader; kom meid, we zullen je
+_Pieternelletje Deegelyk_ noemen: 't heugt my nog klaar; ik lei het
+Pampier in de eetenskast in men keuken, en Grootvader deedt zyn
+schoenen nog aan, en hy lachte dat hy schudde; om dat ik zo bly was
+met men _van_. Ik had het zo kostelyk by je Ouwers: en ik heb het nu
+ook goed; en als ik oud word, dan denk ik, onze lieve Heer zal ouwe
+Pieternel niet verlaten: daar vertrouw ik op. Zo dat ik maar wou
+zeggen, dat ik altoos dagt, dat men Heer Willem je was opgeleit. Hoor,
+het is my hier te drok, en daar zyn meer huizen dan kerken. Ik wou een
+stil dienstje by twee eenige luidjes, daar ik men werkje zo zelf kon
+betreuzelen; en wy kennen mekaer, want Juffrouw het wel duizendmaal op
+men schoot gezeten, en dan kon ik ook nog eens horen van dien goejen
+Heer Blankaart, die ik in velden noch op wegen ontmoet; nou ik kom
+haast nooit uit. Ja, Juffrouw, zo jy en men Heer Blankaart niet in den
+hemel kommen, dan versta ik my dat werk niet. Wat was hy altyd
+grappig, en wat het hy my dikwyls een gulden gegeven; en ik wou
+Juffrouw graag wat in haar huishouwing kopen, al was het maar een
+Glazen-kasje, of een Turfbakje; maar voorlede week kwam je Tante
+Hofland my tegen. Wel nou Pietje, zei zy, weetje nou wel, dat jou
+Juffrouw nou in zo een slegt huis woont, en zoo waerelds gekleet gaat?
+Ja Juffrouw, zei ik, die Weduw is een heel braaf mensch, dat weet ik
+heel wel, en Juffrouw Saartje gaat gekleet, zo als alle ryke jonge
+Juffrouwen; en, zei ik, onze lieve Heer ziet op het hart, niet op de
+kleren, zei ik; nou zei zy, "Kind, je hebt geen Licht[3]". Nou
+Juffrouw, als je trouwt, wat zul je dan kerjeust[4] wezen! en dat's
+evel geen zonde; want je Moeder, die zo vroom was, als er een mensch
+over een paar benen gaan kon, en ouwe Hille, onze Schoonmaakster, wel
+zo veel goeds gedaan het, die oud en katyvig[5] wierdt; sting styf van
+'t stof, toen zy trouwde; ik wou, Juffrouw Saartje, dat je dat eens
+gezien hadt. Laat my tog eens weten, of je haast Bruidstranen zal
+drinken. Alle menschen zeggen, dat je op je trouwen staat. Ik ben al
+tweemaal aan uw huis geweest; doch Juffrouw was uit, en ik kom weinig
+uit, en 't is by ons vreeslyk drok. 't Is nu net drie weken, dat ik
+aan deuzen schryf; neem men stoutigheid ten besten. Was ik maar weer
+zo in men eigen gedoentetje by Juffrouw, wat zou ik bly zyn! Ja, ik
+wensch nog uit Juffrouws huis gedragen te worden; wist ik dat, ik zou
+zo in myn knopjes zyn, want dat was een grote gerustheid.
+
+Nagt lieve Juffrouw Saartje, van je ouwe Pieternel, zo pleeg je te
+zeggen.
+
+ PIETERNELLETJE DEEGELYK.
+
+
+Noten:
+
+[1] Goeie dienst!
+[2] Zin in.
+[3] Geestelijk inzicht.
+[4] Trotsch.
+[5] Hier: gebrekkig.
+
+
+
+
+VYF EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK.
+
+
+_Myne goeje beste Pieternel!_
+
+Ik heb uw Brief gelezen: wel heden, ik wist niet, dat je zoo veel by
+mekaer kon stichten. Ik ben met uw Brief magtig in myn schik. Als het
+eens jou uitgaans dag is, zendt my dan een kruijer[1], dan zal ik
+t'huis blyven, als ik uit de Kerk kom, en wy willen weer eens heel
+veel praten; je weet, Nelle, daar hou ik wel van. Meid, wat hou ik van
+je, om dat je my zo wel opgepast hebt, en zo dankbaar aan myn lieven
+Vader en Moeder zyt. De Heer Blankaart is naar Frankryk; zo dat gy hem
+niet ligtelyk zult tegenkomen. Ja, dat is een man, niet waar? Och, ik
+heb hem zo lief! maar ik ga niet trouwen, daar is geen woord waar aan.
+Wees jy gerust: al wierd jy tagtig jaar, dan zal je toch by my wonen,
+als ik getrouwt, of op my zelf ben. Sterf des, als je tog sterven
+moet, maar gerust voort, 't zal zo zyn. Zeker, Pieternel, als gy oud
+en zwak wordt, zal ik voor u zorgen, en je zult dan zien, dat het heel
+goed is, op onzen lieven Heer te vertrouwen. En zei Tante "dat je geen
+licht hadt?" Heden meid, gy moest eens aan Tante gevraagt hebben, of
+'t waar is, dat zy zal trouwen, en met welk een Heer; maar daar hebje
+niet omgedagt. Ik zal heel graag, als ik trouw, wat in myn Huishouden
+van u hebben! Maar 't hoeft juist zo veel niet te zyn, als je
+voornemen was. In dit papiertje liggen twee ducaten[2], die doe ik u
+present, om dat gy zo een beste meid zyt, en myn Ouwers zoo lief hebt.
+Spreekt er maar niet van tegen my; koop er wat voor: zulje, Pieternel?
+De Juffrouw, daar ik by in huis woon, is net zo een brave vrouw als
+myne Moeder was, dan kun je eens denken. Nu ik ga niet trouwen, hoor.
+Gy weet wel, wie u deezen schryft.
+
+ S. B.
+
+PS. Dat joului Koetsier van Keulen is, kan ik wel denken. Nagt,
+goeje meid.
+
+
+Noten:
+
+[1] Met een boodschap.
+[2] Plm. 6 gulden.
+
+
+
+
+ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Blankaart: ze leest in den bijbel,
+gaat naar de komedie en naar concerten, onderhoudt Fransch en Engelsch.
+Edeling bezoekt haar dikwijls; ze heeft ook Pieternel gesproken.
+
+
+
+
+ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Myn beste Meisje!_
+
+Uw Brief is my zo welkom, dat ik hem ten eersten ga beantwoorden. Dank
+God, myn kind, dat gy by zo eene verstandige en godvrezende vrouw
+gekomen zyt: Het hadt ook heel scheef kunnen uitkomen; als gy nu eens
+by slegt volk belant waart, en gy hadt eens mee moeten doen: Gy weet,
+die met pek omgaat, wordt er door besmet. Ja, dat zou droevig voor u
+geweest zyn, zo deeze vrouw gestorven hadt, dat begrypt gy wel. Dat
+gy uw pligt omtrent haar deedt, doet my zo goed, en geeft my zo veel
+vreugd, dat ik u een wisseltje zend, van honderd ducaten, van my, tot
+een teken hoe content ik daar over ben. Koop er wat moois voor, en
+draag het my tot gedagtenis; en doe altoos uw pligt, zult gy? Gy moogt
+heel wel met ordentelyke lieden uitgaan, als het maar niet te drok
+loopt: nu, gy zyt in goede handen; daar vertrouw ik op: Want gy zyt
+jong, kind; en ik weet, hoe de jonge lieden toch zyn.
+
+De Heer Hendrik Edeling is my zeer wel bekent: 't is een allerbest
+jong Heer, en een knap kaerel ook. Ik heb somtyds, weet gy, rare
+invallen; en ik mag de jonge meisjes gaarn wat kwellen: wat zegt gy,
+Saar, als die Heer eens zin aan u hadt, zoudt gy daar wel veel tegen
+hebben? Nu, zin of niet, als gy myn eigen Dochter waart, en die Heer
+dan zin in u hadt, en my dat zeide, ik zou u aan hem geven, ten
+minsten zo gy er niet tegen waart. Zie, kind, ik hoop u nog gelukkig
+getrouwt te zien. Doch meisje, meisje, pas op! Gy zult een hele rist
+vryers krygen; zy zullen om u dwarlen, als muggen om de kaars. Gy zyt
+nu in de vrytyd; is 't zo niet? Ik eisch niet van u, dat gy my kennis
+zult geven van alle beuzelpraat, die zy u komen aan 't oor piepen;
+maar ik verwagt van u, indien gy aangezogt wordt door iemand, die gy
+genoeg in aanmerking neemt, om hem nader te willen leren kennen, dat
+gy my dit zult melden.
+
+Begryp, myn kind, dat van uwe keuze uw gelukkig of ongelukkig leven
+zal afhangen; en dat ik, immers zo lang als gy myne Pupil zyt, u zal
+beletten uwe keuze te volgen, "indien brave en verstandige lieden, die
+u liefhebben, my zeggen, dat gy eene dwaze keuze doet." Ik zie niet op
+geld: zo gy maar een fatzoenlyk man, die u verdient, neemt. Maar ik
+denk niet, dat zo een braaf meisje zich zal vergooijen aan een jongen,
+die al zyn verdiensten aan zyn Snyer en Kapper verpligt is; die, als
+een regt vrouwenaapje, daar zo heen kwispelt, en twee orloges draagt,
+daar ik zo satans nydig over kan worden, dat ik hen wel eens een losse
+maling wou geven.
+
+Ik heb wel gehoort, dat vele Dames, by de Twaalf geloofsartikelen;
+--die gy immers wel pront kent, hoop ik?--dit tot het dertiende maken:
+"Ik geloof dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." Geloof het
+niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip waar aan, geen kriezel.
+
+Hoe zou het my bedroeven, als ik merkte, dat gy deeze kettery toestemde!
+Gy meisjes praat, (de wyste niet te na gesproken,) somwyl, als of gy in
+uw harsens gepikt waart. Wat weet gy toch van lichtmissen? Een losse
+malle jongen, die zyn goed verbruit, en om peper moet[1], om dat hy zyn
+koorntje groen at, is geen lichtmis; hy is een gek, die men te Delft
+moest gaan opsluiten.
+
+Een Lichtmis is een gerafineerde Deugeniet, die zyn roem en vermaak
+stelt in eerlyke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven; die Gods
+geboden veracht; de wetten der vriendschap schendt; met zyne eeden
+speelt; met een woord, een allerverfoeilykst man, die te gevaarlyker
+is, naar mate hy een minlyk figuur, en een aartig vernuft heeft; die
+de welvoeglykheid zo lang in acht neemt, tot hy de onnoosle in slaap
+heeft gewiegt, en die in staat is om schatten aan zyne huurlingen
+uittedeelen. Gelooft gy, myn kind, dat zo een schepsel ooit de beste
+Echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overyling en in gestorm der
+driften begaan, maken geen Deugeniet uit, indien hy die fouten, zo
+rasch hy die ziet, verfoeit en schuwt; maar een Lichtmis is zo
+bedorven van smaak; zyne neigingen zyn tot heblykheden dermate
+opgegroeit, dat hy nimmer een beter vrouw verdient, dan de
+allerslegste uit die bende, die hy bedorven heeft.
+
+Een braaf, verstandig, kundig, goedaartig man, is de beste Echtgenoot.
+Een man van dit karakter verdient al de liefde, al de achting van eene
+vrouw, die hy zo gelukkig poogt te maken als zy ooit op deeze waereld
+zyn kan.
+
+Ik zal hier niet meer over schryven; zo als ik zeg, gy hebt de beste
+Raadsvrouw by u. Gy kunt Juffrouw Willis ook altoos om raad en
+onderrigtingen vragen. Maar ik hou zo veel van u, dat ik u dit toch zo
+eens schryven moest. Groet, uit mynen naam, de brave vrouw, aan wie gy
+zo gehecht zyt; verzeker haar van myne byzonderste achting. Groet ook
+myn Vriend Edeling. En als gy Pieternel spreekt, insgelyks: Wel, ouwe
+Pieternel, denkt die nog aan my? Nu, als ik sterf, krygt zy een
+Legaatje. Zeg het haar niet; zy zou huilen van blydschap, en van
+droefheid ook. De oude Peterzen zal u, op uw order, het Geld bezorgen.
+Die ouwe stam heeft ook wat aan my verdient, zo eerlyk en zo hupsch is
+de man.
+
+Nagt, myn lieve kind.
+
+ Uw liefhebbende Voogd,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+PS. Laat uw Clavier, en alles wat tot uw lyf behoort, op myn order,
+van uwe Tante halen.
+
+
+Noot:
+
+[1] Naar Indie.
+
+
+
+
+ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog, de blauwkous, schrijft aan
+Wilhelmina van Kwastama, dat zij vermoedt: Edeling _komt om haar_! Dat
+het om Saartje zijn zou, komt niet in haar op. Ze noemt haar wel: Saar
+_heeft Hollandsch gezongen_; Cornelia leest nooit Hollandsch. Foei!
+
+
+NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Charlotte Rien du Tout schrijft aan Dirk
+Welgezint, haar oom: ze wil verhuizen, want het tocht zoo bij de Wed.
+Sp. Vraagt ook wat zakgeld.
+
+
+ZEVENTIGSTE BRIEF.--Oom Welgezint geeft haar den wind van voren. Ze is
+precies zoo'n uil als haar vader: Fransche wind! Hij haalt haar door
+en noemt haar lui.
+
+
+
+
+EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Juffrouw!_
+
+Ik heb onlangs eene Vriendin verloren; ze hiet, by gelyk, (zeit onze
+Pieternel,) Anna Willis; kent gy haar? Ik vrees neen. Nu, dat zy zo,
+weet gy ook, waar ik haar weer kan vinden? Ei lieve, wys my den weg,
+want ik verlang de kennis te hernieuwen; 't was toch, waarde Juffrouw,
+een in velen opzichte braaf mensch: wy hebben een klein verschilletje
+gehad, en, zo al pratent en weer pratent, heb ik haar onder weg
+verloren. Ik wil zeggen, dat ik niet twyffel, of ik zal haar wel weer
+vinden. Het Orloge onzer vriendschap staat maar wat stil, doch de eene
+of andere heusche vriend zal het wel weer opwinden, en dan zal het
+weer zo fix wyzen, en zo krek lopen als immer. Ik schryf u des maar in
+voorraad. Ik zou zelf besluiten kunnen om u deezen te zenden, zo gy my
+alleen beledigt hadt. Maar, dewyl de waarde vrouw, die men niet kan
+kennen zonder haar hoog te achten, door u zo verkeert behandelt is, en
+gy daar voor geen vergoeding aan my doet, zal ik alles opzamelen wat
+ik schryf, even of ik u per post schreef. Zo dra gy my zegt: "Ik heb
+Juffrouw Buigzaam beledigt; 't is my leed; ik heb slegt gedaan:" is al
+myn geschryf, nevens myn vriendschap, weer tot uwen dienst.
+
+Dewyl ik aan myne eenvoudige oprechtheid wil vast houden, zal ik u
+weer alles wat er omgaat schryven; en daar uit zult gy kunnen zien,
+dat ik zeer gaarn met uwe meerderheid van verstand myn voordeel doen
+wil, indien gy u in den styl uwer lieve Moeder, en met wat minder
+airs, my die gunst aanbieden wilt.
+
+Volgens afspraak gingen Letje en ik, op den bepaalden dag, de taffen
+zien. De drie Desmoiselles dronken thee, en wy gevolglyk ook. Onder
+het thee-drinken kwamen er twee Heren in, om zyden kousen en een
+hairzak. Alle welgekleedde mannen spreken een taal, als zy de _eer
+hebben_ tegen jonge Dames te spreken: zo als gy weet, Naatje.
+
+Zy zogten koussen uit, en wy taffen stalen. Gy begrypt wel, dat zy
+onzen smaak _admireerden_? Nu dan, zy gingen beide zitten. De oudste
+Juffrouw vroeg naar de _Historie der Beide Indien door Raynal_; (in
+'t Fransch begrypt gy,) de Heer R. noemde het _un Chef d'Oeuvre_. Zy
+spraken vervolgens over eenige _Pieces volantes _, die daaglyks
+uitkomen: en zyn vriend gaf haar _le Bibliotheque des Arts_ over; naar
+gewoonte, zeide hy. De heer R. sprak, dagt my, zeer wel, ofschoon hy
+veel sprak; en dan is dit al een heel kunstje; niet waar? Hy sprak met
+_extase_ van de dichters Pope, Thomson en Akenside; en met geene
+onbevallige houding zeide hy: _Oui, ma chere Marianne_:
+
+ _Virtue alone is Happines below_.
+
+Ons discours duurde wel een uur, denk ik; want ik had ook nu en dan
+een woordje ingebragt, dat met attentie gehoort, en met lof
+toegejuicht wierdt; zoo als dat van zelf spreekt, Naatje. De
+Desmoiselles zeiden my: "Dat deeze Heren zeer ryke, zeer fatsoenlyke
+lieden waren, en dat de Heer R. geparenteert was aan onze eerste
+familien. Hy hadt _une superbe Bibliotheque_, en zou ons graag dezelve
+heel en al ten gebruike geven; ook dat hy aan eene der Juffrouwen
+gevraagt hadt, waar ik woonde; en gezegt, dat hy de vryheid zoude
+nemen, om de _Essay on men_[1], in vierderleie talen by een gedrukt,
+te brengen, wyl hy gemerkt hadt, dat ik die wel eens zoude willen
+zien."
+
+t'Huis komende, verhaalde ik ons avontuurtje aan Juffrouw Buigzaam, en
+liet haar de stalen zien, die ik by my had. Juffrouw Hartog zette een
+vieze tronie, en vondt de taffen zeer _commun_. "Zo, zei ik, en de
+Heer R. heeft die zeer fraai gevonden." "Kent gy den Heer R., Juffrouw
+Burgerhart?" "Zo als gy hoort, Juffrouw Hartog." Zy wierdt vriendelyker.
+"Kent gy dien Heer? vroeg de Weduwe. "Ja, Mejuffrouw, by reputatie.
+"Hy is een man van geboorte, _un homme du Ton peutetre; mais un homme
+d'Esprit_.
+
+Rien du Tout was uit; Hartog ging uit, en wy hadden het huis vry. Nu,
+zeide ik, zullen wy eens een recht lief stil stichtelyk avondje
+hebben; en dribbelde, met een half menuet pasje, de tafel om. Wy
+verzogten de waarde vrouw, om voor ons wat te lezen, en kregen ons
+naaijen. o Naatje, nooit heb ik zulk lezen gehoort, en zulk een lieve
+stem is er niet! zy voldeedt aan ons verzoek, en las een Boekje: "de
+vrolykheid van een Godsdienstig leven;" dat gy zeker kent? De avond
+vloog om. Hoe gelukkig waren wy! Halfnegen kwam onze Lotje thuis, ging
+zich deshabillieeren, en in de kamer gezeten zynde, vermaakte zy zich
+met Jillis, onze kat. De tafel hadt reeds drie kwartier gedekt
+gestaan, toen de Scavante binnen tradt; zy haastte zich, was minzaam,
+spraakzaam zelf. Wy zagen wel, dat zy wat verlegen was; zy wist wel,
+dat zy nog wat te goed hadt; maar ik beschuldig nooit iemand die zich
+zelf beschuldigt; en de lieve goedaartige vrouw maakte geene remarques.
+
+Toen wy reeds yder in ons pavillioentje lagen, hadden Letje en ik het
+nog zeer druk over het geen er gelezen was: ik zie duidelyk, dat Letje
+verstand en smaak heeft; maar 't is een verwaarloost verstand, en een
+nog ongeoeffende smaak: zo vergenoegt als Engelen sliepen wy in.
+
+Morgen zal ik deezen vervolgen, zo er iets, my betreffende, voorvalt.
+Gy weet, ik leg alles by elkander, tot dat ik mijne Vriendin Willis
+vinde.
+
+ * * * * *
+
+Dees dag is stil en eenzelvig voor uwe Pupil afgelopen; en ik ben maar
+wat aan 't haspelen geweest, om dat Letje in 't naauw was. 't Geval is
+zeer verre uitziende:--zy heeft, deezen middag, het Bierglas van
+Juffrouw Hartog gebroken. Hare _veel Waereld_[2] bewaarde Letje niet
+voor haar misnoegen; en, dat nog erger is! ons niet voor het aanhoren
+eener (geloof ik althans,) geleerde Oratie over de fraaiheid en
+byzonderheid van dit glas: "'t welk zy van Lord Muffle, toen die hier
+in 't land was, gekregen had; 't was naar de regels der Geometrie
+gemaakt, enz. enz., en zy hadt liever, dat Juffrouw Letje haar
+grootsten Spiegel gebroken hadt, dan dat Glas." "En ik niet, zeide
+Lotje, want dat beduidt een dooije." Dit deedt my lachen. Letje
+verzogt excuus; Juffrouw Buigzaam gaf aan Frits last, om even zo een
+Bierglas te kopen; en Juffrouw Hartog hieldt hare opgelapte
+meerderheid.
+
+ * * * * *
+
+Al Weer een dagje! wel Naatje, en nog al geen Brief van u. 't Zal by
+my altemaal verwilderen, 't Hek is van den dam; de Schapen lopen in 't
+koorn. Wat nieuws. De Heer R. heeft hier aan huis geweest, en bragt my
+het Boek, waarvan ik u gemelt hebbe. Hy zat een uur by ons. Hy sprak
+meest met de waarde Vrouw. Waarlyk, 't is een schoon welgemaakt man.
+Ik geloof, dat hy veel geest heeft. Het gesprek ging over de _Algemene
+Liefdadigheid_, by gelegenheid dat men eenen drenkeling voorby bragt,
+die gelukkig geret was. Hy merkte aan: "dat, ofschoon onze deugd niets
+kan verdienen, zy echter altoos iets voortreflyks blyft; en dat hy het
+met de oude Romeinen hier in eens was: _het is veel schoner een Burger
+te behouden, dan honderd Vyanden te doden_."
+
+Juffrouw Buigzaam was wel voldaan over zyne redenen. Ik plaag Letje
+gruwlyk met hem, want hy schynt voor haar zeer veel attentie te
+hebben; schoon hy my zyne Bibliotheek heeft aangeboden, nevens eene
+keurlyk geschreven Catalogus, om te zien, wat my zoude aanstaan. Nu,
+dat vind ik wel heel lief, en zal er ook myn gebruik van maken: "Zo
+dra ik meer lichts omtrent dit Luchtverschynzel, 't welk nu aan onzen
+Huisselyken horisont opdaagt, hebbe, zal ik u daar meer van zeggen."
+Zie daar, zo zoude Juffrouw Hartog spreken.
+
+ * * * * *
+
+Nog geen Brief van Rotterdam! Geduld--Maar ik moet evenwel nu zeggen,
+dat gy uwe Voogdyschap slorzig laat leggen. En ik, arme ziel! kryg
+onderwyl vryers als zand. 't Is of heel Amsterdam weet, dat gy my
+mondig verklaart hebt. Hebt gy dan met myne Tante overleit, om my, zo
+maar kort en goed, aan den Satan overtegeven? Niet dat die hier ook al
+geweest is; was dit zo, Rien du Tout zou my dat wel gezegt hebben; zy
+is, zegt zy, "met een Helm geboren, en kan kwaad "zien". Nu, dat
+kunnen er wel meer, en ook al daar het niet is; ook Naatje? Foei, dat
+gy my zo in den pekel laat zitten! Daar heb je dan voor eerst myn
+kostelyke vriend Cobus; ja, die eerst komt die eerst maalt: daar heb
+je dan myn allerliefste Willem, uw Broeder; daar heb je dan de Heer
+R., die my een Boek brengt; ende ten vierden, daar heb je dan de zeer
+ernstige, zeer stemmige, zeer verstandige Heer Edeling. Ik heb wel
+geen haast om te trouwen; doch als ik nu maar wist, welk man ik moest
+kiezen, als my die haast eens overviel: dat is het maar.
+
+ * * * * *
+
+Nog geen _Peccavi_![3] en de dag is om. Lees ten slotte dit volgende.
+Letje kwam by my. De arme Lot, zei ze, is bedroeft; en ik geloof ook,
+ergens om verlegen.
+
+_Ik_. Dat spyt my, waar is zy? Laten wy zien, wat er scheelt. Wat
+scheelt u, Juffrouw Lotje?
+
+_Zy_. Wel dat geloof ik ook; myn Oom Dirk is zo boos op my, om dat ik
+hem iets verzogt heb; en, dat nu nog erger is, ik moet myn Kapper
+betalen, en ik heb geen gulden aan geld. [_Zy schreidde als een
+meisje_.]
+
+_Ik_. Is 't anders niet? kan ik u helpen met twee ducaten, ze zyn wel
+zeer tot je dienst; kom, wees maar vrolyk: uw Oom zal 't zo niet
+gemeent hebben. [_Ik gaf haar de ducaten: maar zo dankbaar als dat
+mensch was_!]
+
+_Zy_. Ik beloof u, uw geld in de volgende week vast te betalen.
+
+_Ik_. Nu ja, dat's wel.
+
+De sloof zat te breijen zonder opkyken, aan een witte garen
+kinderkousje: "dat's een veeg teken," zei Letje, tegen my. Arme meid!
+'t Is waaragtig een groot kind. Ik hoop, dat ik haar toch nog zal
+leren spelden[4], en wat schryven, want het eerste is elendig, immers
+als zy een opschrift leest, en haar Waschbrief is een Lyst van
+Toverkarakters.
+
+ S B.
+
+
+Noten:
+
+[1] Pope 1688--1744.
+[2] Kennis van de "Groote Wereld".
+[3] Schuldbekenning--van Anne n.l.
+[4] Spellen.
+
+
+
+
+TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verhaalt Anna van een bezoek van
+Edeling, die in gesprek is geraakt met Corn. Hartog over: _De
+Genoegzaamheid der Deugd_; de opinies loopen uiteen en Sara
+critiseert; zij is 't eens met Edeling.
+
+
+DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verzoekt tante Hofland haar mee te
+deelen, wanneer ze haar _klavier, guitaar_ en _muziek_ kan laten halen.
+
+
+
+
+VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Ge-eerde Heer en Voogd!_
+
+Al leefde ik honderd jaar, en al deed ik niets in al dien tyd, dan u
+myne erkentenis te bewyzen; dan nog zou ik geen tyds genoeg hebben, om
+u zo veel daar van te tonen, als myn hart en myn pligt van my vorderen.
+Uw edelmoedig geschenk streelt my te meer, om dat my dit verzekert van
+de vriendelyke goedkeuring myns gedrags. Ik hoop er zo een gebruik van
+te maken, dat ik u ook daar van, zo wel als van de duizend guldens,
+behoorlyk rekening zal kunnen doen.
+
+Ik heb Tante een Briefje gezonden, waar van de Copy hier nevens gaat,
+en zy heeft my laten zeggen: "dat zy order van u zelf moet hebben;
+doch dat zy nog zo iets met u te verrekenen heeft." Ik had echter zo
+heel graag myne Muziek, myn Clavier en Guitar.
+
+En nu zal ik eens eene nieuwe pen snyden; ik heb er my reeds in myn
+deshabillie toe gezet, om uwen dierbaren Brief ordentelyk te
+beantwoorden. Kan ook een verstandig tederlievent Vader wel meer
+belang nemen in zyn gehoorzaam Kind, dan gy, myn Heer, in my neemt!
+maar geen Kind zal ook my in dankbaarheid en leerzaamheid, hoop ik,
+overtreffen.
+
+De Heer Edeling is een uitmuntent Jongman! Nooit verlaat hy ons, of wy
+achten hem nog meer, dan de laatste keer dat wy hem zagen. De lieve
+Vrouw spreekt van hem, zo als zy zelden spreekt. Maar, myn lieve Heer
+Blankaart, zou zo een man, en die zo veel goederen bezit, immer aan my
+denken! Neen, zo verwaant ben ik niet. Zo een man moet een Vrouw
+hebben, die hem nader komt: nu, dat is zyn zaak. Ik heb geen den
+minsten trek om van staat te veranderen. Ik heb nog nooit een man
+gezien dan die ik, op zyn allermeest, alleen my ten vriend wenschte.
+Wil ik u eens wat zeggen? Daar is de jonge Heer Willis; die heeft my
+gezegt, dat hy my bemint. o 't Is zulk een braaf, eerlyk, bevallig
+Jongman! ik heb hem ook zo lief, als of hy myn eigen Broer waar; doch
+heb hem voor zyne liefde bedankt. o! o! Hy zal wel eene brave vrouw
+krygen; want het is een recht lieve goedaartige Jongen: waarom zou ik
+hem ophouden, daar ik toch geen zin in hem heb, en niet wil trouwen?
+
+De Heer R., een zeer fatsoenlyk ryk Heer, van ruim dertig jaar, denk
+ik, heeft kennis met my gemaakt, en zyne heerlyke Bibliotheek my ten
+gebruike aangeboden, 't Is toch goed, dat alle Heeren geen laffe
+Jonkertjes zyn; "maar 't is heel iets zeldzaams, zeit de Weduwe, veel
+oordeel en belezenheid by veel beschaaftheid en waereldkennis te
+vinden." Zo dat wy mogen van geluk spreken.
+
+Ik verzeker u, myn waarde Heer, dat ik nooit tegen uwen altoos
+redelyken wil trouwen zal; en dat ik, omtrent het XIIIde Geloofsartikel
+van vele Dames, eene Ongelovige ben. Niets dunkt my, (en zo dunkt ook
+de brave Vrouw,) geeft uw Sexe zo veel stof in de hand, om de onze met
+bespotting te beschouwen, dan het beleven deezes XIIIden Artikels. Een
+gek kan ik dulden, een Pedant verdragen, een Petitmaitre lyden; maar,
+op een Lichtmis zie ik met schrik en versmading! Hy is de Natuurlyke
+Vyand myner Sexe: Niet meer van zo een lelyk afbeeldzel des Duivels.
+Wie is boven alle zwakheden? Ik ben 't niet! Maar dat ik my ooit zoude
+straffen, met een Lichtmis voor myn man te nemen; veraecht my, zo ik er
+toe in staat ben!
+
+Neen, myn Heer! ik zal uw vroom gemoed nooit bedroeven! Kan ik
+ondankbaar zyn? Om u, wat er ooit gebeure, te kunnen bedriegen, zoude
+ik zelf eerst moeten bedrogen worden; en wie zou toch, in de wyde
+waereld, daar belang in stellen! Ik sta niemand in 't licht; ik kwel
+niemand; ik wil zo graag allen zo wel doen, als in myn vermogen is.
+Ik begeer niets dan uwe Vaderlyke gunst te behouden, by deze dierbare
+Vrouw myn dagen te slyten, en zo al de eene zotheid voor, en de andere
+malligheid na wat af te wennen. De waarde Dame groet u met de hoogste
+achting, en ik ben
+
+ Uwe liefhebbende Pupil,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+PS. Ik hoor, dat Tante zal trouwen met een Heer die er veel in zyn Japon
+komt; die Heer ken ik; o my! o my! 't Is toch grappig ook.
+
+
+
+
+VIJF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt Cornelis wat hij
+zooal gedaan heeft; Sara is een engel! Hij zendt hem Blankaarts
+antwoord. Maar vader Edeling blijft koppig--geen "_Noach's ark van
+gelooven in zijn huis_! Nooit!
+
+
+ZES EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling schrijft aan Blankaart; van
+dat huwelijk kan niets komen. Hendrik is _Luthersch_, zij niet.
+Afgeloopen.
+
+
+
+
+ZEVEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+_Mejuffrouw!_
+
+Wel, hoe hebben wy het toch met elkaer? ryd je de witkwast, of maalt
+je de geest? Denk jy, dat ik zo maar op een dag heen en weer zo eens
+over kan komen, om u te zeggen, dat gy Juffrouw Saartje haar Linnen en
+Muziek zendt? Was het Briefje niet zo beleeft, als er een in heel
+Amsterdam te vinden is? Wie hagel hoort er van? 't Is immers het kind
+zyn eigen goed. De Guitar heb ik haar zelf uit Londen meegebragt, toen
+zy, tien jaar was; hy kost my verscheide Guinees; maar hy is ook al
+wat je horen kunt, zeg ik je. Wat doe je toch met haar Clavier; speelt
+Bregt met haar styve dikke stompen er somtyds eens een deuntje op, als
+zy dronken is; en dans jy dan met Broer smulpaap, als er zo een klein
+verheugingje is? Wat praat gy toch van nog wat te rekenen of te
+verrekenen: zwyg er maar dood stil van, of ik zal u anders spreken.
+Weet je wat je krygen zult? Net twee nieten in een bodemloos mantje;
+en Bregt om een oortje raakwat, voor een vervalletje: Broer kan zo
+veel knokkel oly krygen als hy t'huis kan brengen: Dan zult gy wel
+_voldaan_ willen tekenen? Wat zegt gy nu van Abraham Blankaart?
+
+Maar wat hoor ik, Zanneke, ga je trouwen met een Heer, die alle daag
+in zyn Japon by u komt? Ik kan wel denken, wie of er op u smoel
+heeft[1]; wie anders dan de Broeder? Nu geluk, er is maar een paar
+bedorven. Evenwel, als ik zo alle ouwe dingen overdenk, dan beklaag ik
+u toch. Wy hebben immers menigmaal eens een pretje gehad, en je hoorde
+my toen zo graag zingen van: "Toen onze Pau in 't Leger kwam."
+Waaragtig, Zanne, de Fynen lopen op uw zak, meid! ze zullen je zo arm
+maken als een Mier. De duivelsche gierigheid heeft u gefopt, en de
+kweeslary zand in de oogen gestrooit. Neem dan dien Drasboek niet; ik
+zal wel een ander opschommelen, als ik in de stad kom. Nu hebt gy
+order van my, om Saartjes goed te zenden. Ik blyve
+
+ _UWEd. Dienaar _,
+
+ ABRAHAM BLANKAART,
+
+
+
+Noot:
+
+[1] Zin in je heeft.
+
+
+
+
+ACHT EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Blankaart: Sara en
+Hendrik houden haar beiden op de hoogte. Ze deelt hem nu uitvoerig een
+gesprek mee over het _Buitenleven_. Sara vindt zich daar te jong voor,
+Hendrik verlangt er naar. Saartje knoopt manchetten voor Blankaart;
+deze moet zich van den domme houden!
+
+
+
+
+NEGEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER JAN EDELING.
+
+
+_Heer en Vriend!_
+
+In antwoord op uwen, Amst. den ... passato, dient: Ik ben nu maar, die
+ik maar ben, een niets beduident oud Vryer, en dat's het al; doch ik
+wil je zweren, dat wy niet meer in Geloof dan in humeur verschillen.
+Zie daar, ik heb het altoos zo druk en volhandig gehad, dat het
+trouwen er is ingetrokken[1], maar selderdemostert, was ik Vader over
+een half douzyn jongens en meisjes, wel dan zou ik myn geluk niet
+kunnen overzien, als ik daar zo al die kabouters hoorde snappen, en
+rabbelen; of Abraham Blankaart ook mee zou doen! En als zy dan zo
+verre heen waren, dat zy op 't geen ik zeide aanmerkingen konden
+maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te brengen;
+wel, dan zou ik God harlyk danken, om dat ik zulke snelle[2] kinderen
+had; zo als billyk is. Begrepen zy in 't vervolg eens iet beter dan
+ik; bestig, zou ik zeggen, en doen het zo.
+
+Daar heb je nu myn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet veel
+meer van de Waereld en van de Schrift als ik, en ik ben dertig jaar
+ouder. Voor ik naar Vrankryk ging, zei ik: Kind, lees je jou Gebed
+'s avonds wel stipt uit Mell? "Myn Heer, zei ze, ik bid uit myn eigen
+hart; ik weet immers beter, wat ik nu nodig heb, dan Mell voor vyftig
+jaar dat raden kon?" Wat denkt gy, dat ik toen zei? je zult, by dit en
+dat, jou Gebed uit Mell lezen, om dat ik het doe? Mis mantje! ik zei,
+dat's waar meisje, je heb groot gelyk; en anders zou zy denken, dat ik
+haar vyand en niet haar welmenentste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gy
+hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op
+myn woord, je hebt mis.
+
+God de Heer geeft ons, zyne kinderen, wel reden van zyne bevelen: "doe
+dat, op dat het u welga," staat er dat niet in den Bybel? En zullen wy
+nu zo misselyk[3] en zo boos zyn, dat wy onze kinderen, in plaats van
+brood, slangen en schorpioenen in den mond proppen? Hadt, by gelykenis,
+Luters Vader eens gaan zeggen: "Luter, ik versta niet, dat je Luters
+wordt, jy zult Paaps blyven, want wy zyn van 't begin van de waereld af
+allemaal Paaps geweest; en zo jy 't in den kop krygt, om van ons oud
+geloof aftegaan, zullen wy eens wat anders by de hand vatten." En was
+Luters Vader evenwel zo wel de Vader van Luter niet, als Jan Edeling
+Vader is van zynen Zoon Hendrik; en waar was dan je hele Geloof gebleven?
+
+Dat je op je Kerk gestelt bent, eer heeft uw hart; dat's braaf! maar
+hier, ik, zei de gek, ben ook op myn Kerk gestelt, en myn hart het ook
+eer, zou ik denken. Wel zie, wy verschillen zo weinig in geloofsgronden,
+wil ik spreken, dat het niet de pyne waart is, om er zo over aantegaan.
+En waarom zouden onze jonge lui niet met malkander te Kerk kunnen gaan?
+Hebben wy niet een Heer, een doop? Maar wat hagel hebben wy Leken met
+hunne disputen en tandtrekken te doen? Zo dat tegen het Huwelyk heb ik
+niet, indien er geen andre dan deeze geloofsverschillen mede gemoeit zyn.
+Dat gy van 't Luters geloof zyt, is goed voor u; dat ik op zyn
+Gereformeerts geloof, is ook goed voor my. Maar elk zyn vryheid: Gy zyt
+immers geen Paus, al ben je Vader? Je kunt immers mis hebben? Of zyt gy
+onfeilbaar? Hoe zit het?
+
+Kom aan, daar heb je nu Paulus, de Apostel Paulus, daar gy zo wel aan
+gelooft als ik. Wel, die dagt mede al, dat hy 't byster wel hadt; en
+dat onze lieve Heer magtig met zynen yver gedient was, dagt hy het
+niet? Hoe! de man zeit het zelf; hoe kun je 't nader hebben? dat hy
+daar zo liep razen en tieren door Damascus; en wat wil het geval?
+Hy hadt het wel net mis! en de brave man heeft er altoos berouw van
+gehad, toen hy beter wist. Ik heb voor dertig jaar myn Belydenis
+gedaan, by onzen vromen _van der Vorm_, en ik hoop in dat geloof te
+sterven; doch als ik eens mogt zien, dat andere Kristenen nader by
+Gods woord blyven, fiat! dan moet ik dit licht volgen, en dat zou ik
+ook gerust doen; want ik ben een eerlyk man.
+
+Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik het Huwlyk om die reden niet kan
+afkeuren. Je moest nu evenwel je niet gaan zitten inbeelden, dat ik
+met het kind zo goedkoop ben: alheel niet! maar uw Zoon is zulk een
+braaf man, daar wil ik maar op komen. Neen, daar heeft zy Goddank te
+veel gelds toe, en is zy van te braven familie, en 't is een mooije
+Brunet ook, en ze speelt maar capitaal. Sara Burgerhart moet een zo
+braaf man hebben als uw Hendrik, en zyne Ouders moeten haar met
+achting en liefde in hunne familie nodigen.
+
+Nu, nu, 't zou geen onaartig klugtje wezen, met een Papa die zei: "zo
+zal 't wezen, Dochter, want ik versta het zo." Neen man! myn Pupil is
+een redelyk schepzel, en zo wil ik, dat zy zal behandelt worden. Daar
+hadt men dan 't gooijen in de glazen met Papa Edeling, en myn arme
+kind was aan de Joden overgelevert. Ik bedank je hartelyk, hoor. Zie
+daar is myn antwoord. Ik blyve
+
+
+ Uw Dienstwillige Dienaar,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Bij ingeschoten.
+[2] Vlugge.
+[3] Onhebbelijk.
+
+
+
+
+TACHTIGSTE BRIEF.--Sara blijft aan Anna schrijven, al zwijgt deze.
+Sara blijft Sara; Jacob Brunier blijft vrijen zonder hoop; hij is
+jaloersch op Edeling. Maar ... Sara _zelf voelt alleen voor zekeren
+R_. Met hem gaat ze veel uit: hij is zoo knap, voornaam, ontwikkeld.
+Wat zoekt die R? Haar? Maar zij wil nog geen man. Ze wil Anna dwingen
+tot antwoorden en toont zich plaagziek grootmoedig.
+
+
+EEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Hij heeft met Sara
+gewandeld! Zij heeft hem niet af-, zelfs niet teruggewezen, maar _ook
+niet beslist hoop gegeven_. Zij zegt niemand lief te hebben, maar wil
+nog niet trouwen! Hij heeft moed.
+
+
+TWEE EN TACHTIGSTE BRIEF.--Zuzanna aan Cornelia Slimpslamp. Zuzanna
+zit in de war, want de vrome Stijntje Doorzicht heeft haar de les
+gelezen, ook broeder Benjamin gelaakt. Wat moet ze nu? En Sara vraagt
+haar goedje. Ach!
+
+
+DRIE EN TACHTIGSTE BRIEF. Sara aan Anna: ze heeft een prettig avondje
+gehad. Er is mooi gezongen. Hendrik _was er ook_; hij speelt mooi bas.
+Cornelia Hartog _was opgewonden_! Alette Brunier was allerliefst; _net
+een vrouw voor_ Willem! En Hendrik?... _net een man voor_ Spilgoed.
+Zij is wat ouder, nu ja!
+
+
+VIER EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier logeert op _Bosch en
+Veldzicht_ en mist Sara. Ze heeft met genoegen Sara hooren spreken
+over Edeling; ze verdienen elkaar! Sara wordt ook eens op 't buiten
+verwacht.
+
+
+VIJF EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta schrijft ook aan Spilgoed, zendt
+haar vruchten. Ook zij wordt eens verwacht, met Sara.
+
+
+ZES EN TACHTIGSTE BRIEF.--Eindelijk antwoordt Anna Willis: _zij bekent
+schuld_; de Wed. Spilgoed verdient achting!--Ze wil weer vriendin zijn
+met Sara! Een Geldersche dame heeft haar beter ingelicht: die dame
+zal ook Sara bezoeken.
+
+
+ZEVEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bedankt Aletta en haar
+gastvrouw voor de vruchten. Sara verlangt naar Aletta, dus ze moet
+maar gauw komen.
+
+
+
+
+ACHT EN TACHTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
+
+
+_Chere Letje!_
+
+Wel kind, wat heb je me daar evenwel een lief en verstandig Briefje
+geschreven! Kan ik het niet nog meer pryzen? want, al den lof, dien
+ik u geef als eene puntige schryfster, kryg ik _immers_ met intrest
+te rug? Van my hebt gy _immers_ alles geleert; zeide gy zo niet,
+Hartje lief?
+
+Belieft myne Letje nu wel eens geheel aandagt, ja maar ook geheel
+onderworpen te zyn? Och, ik heb myn woord gegeven! Zulk een aandrang
+kon myn arm zwak hart niet weerstaan! Gy weet, wat ik u geconfideert
+heb? Gy kent myne achting voor den Heer Edeling. Gy weet, (of mooglyk
+weet gy 't niet; _want weet ik juist zo de geheime historie van uw
+hart_!) dat achting natuurlyker wyze in vriendschap, en vriendschap
+heel gemaklyk in liefde kan overgaan? Hier uit zult gy kunnen opmaken,
+dat het my onmooglyk was, onze Lotje een verzoekje te weigeren. "Daar
+heb ik u schoon beet," zeit myn Voogd; en dan lacht de goede man, dat
+hy schatert: Nu iets ernstigers!
+
+Gister voormiddag ging myne aangenomen Dochter[1] met de kousjes, die
+ik onze Klaartje had laten wasschen en opstryken, naar Oom Dirk.
+'s Middags niet te huis; dat's een goed teken, zei ik. Ten zeven uuren
+werdt de sloof met een sleedje t'huis gebragt: zy kwam blymoedig de
+zaal op. Naauwelyks hadt zy ons gegroet, of aan 't uithalen van haar
+zakken. Oud en nieuw kwam te voorschyn: Chocolaadjes, Ulefeltjes,
+Banket, twee grote kluwens fyne wol, om voor Oom koussen te breyen,
+een pakje wol, dikke breinaalden, een doosje met wissewasjes. Zy
+presenteerde ons van de snoepery: wy namen elk een Chocolaadje, maar
+de Scavante bedankte met een hele viese tronie: "Ik proef nooit zulk
+goed." Lotje was zo raar, en hadt zulke klugtige zetten, dat Hartog
+zelf lachen moest.
+
+Waarlyk, Lief, ik geloof dat zy meer is uitgebluscht, of overdrommelt,
+dan wel dat zy van de Natuur zo geheel misdeelt is. Ziet gy wel, dat
+ik veel edelmoediger ben, dan de meeste Doctoren, die de ziektens
+hunner Lyders vergroten, om des te meer wonderen in het herstellen aan
+den dag te brengen? Och, zo dra zy myne Patiente geworden is, heb ik
+gezien, dat zy minder ver verzeilt was, dan ik gevreest had. Zy
+verhaalde ons, dat zy uitnement vriendlyk was ontfangen; en dat zy de
+vryheid had, om een taffen Sak te kopen, doch dat zy eene der
+Juffrouwen zou verzoeken, om met haar te gaan. Zy hadt ook haar
+speldegeld, en nog twee ducaten extra gekregen; nu vroeg zy my, of ik
+de taf wilde kopen? dat ik met een, gaarn lieve Lotje, beantwoordde.
+Toen zy met my, (want zy slaapt nu in myn Pavillioen, en ik slaap in
+het uwe, tot gy weer t'huis zyt,) boven was, gaf zy my de twee
+ducaten, die zy geleent hadt; ik nam die ook, doch alleen om haar eens
+weer te helpen, want ik vrees, dat de duiten spoedig zullen wandelen.
+Kon ik haar dat ook beduiden! Nu, alles met den tyd; ik moet niet te
+veel gelyk doen. Myn Compliment aan Mevrouw uwe Tante. Hou uw Neef
+maar; ik weet met al myn Vryers haast geen weg meer; voor al kom
+spoedig by
+
+ _Uwe tederliefhebbende_
+
+ BURGERHART.
+
+
+Noot:
+
+[1] Lotje Rien du Tout, (spottend).
+
+
+
+
+NEGEN EN TACHTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Willis!_
+
+Victorie! Victorie! myne Vriendin is te regt. Ik heb haar weergevonden!
+Frits, loop, draaf, vlieg met dit Paket ten eersten naar den Post:
+--zo zal ik binnen weinig oogenblikken zeggen; Want ik sta zo met myn
+handschoenen al aan, om met Lotje uittelopen. Kortjes dan. Lees de
+nevensgaande een, twee, drie, vier Brieven, en oordeel, of ik misnoegt
+op u ben; dit alleen nog: de waarde Dame weet niets, haar betreffende.
+Ergo, zwygen is 't woord. Met ons zal 't wel schikken: hoe zeit Vader
+Kats?
+
+ _Alschoon goe Vrienden kyven_,
+ _Zy zullen Vrienden blyven_.
+
+Adieu, lieve Willis! Omhels uwe dierbare Moeder voor my, groet myn
+Wimpje, en weet, dat gy geacht en bemint wordt door
+
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+
+NEGENTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
+
+
+_Chere Letje!_
+
+Hoe vaart gy, myne Liefde? Hoe diverteert gy u? Denkt gy wel eens aan
+uwe Vriendin? Terwyl gy my deeze drie, diepen-aandagt eischende vragen,
+op uw gemak oplost, of beantwoordt, zal ik, _pour passer le temps_, u
+dit volgende schryven. "Dit volgende, zegt gy, wat "volgende?"--Bemoei
+u met de oplossing uwer eige vragen (of myner vragen aan u, zo ge wilt,)
+ik blief van u, Mejuffrouw, zo niet _ge-Harlogt_ te worden; en, in alle
+geval, gy zult het, dit volgende, immers aanstonds lezen?
+
+Wel, 't is of Heintje Pik, niet Heintje Edeling, dat is nog zo ver
+niet--Heintje, neen, deftig, zo als de hele man zelf is, myn Heer
+Edeling--of Heintje er mee speelt; want geen half quartier uurs was
+ik, met myne Dochter Lotje, by de Desmoisselles geweest, om een Sak
+voor haar te kopen, of de Heer R. kwam in. _Mon homme_ was opgetogen
+over deeze _heureuse rencontre_! Hy praat, weet gy, aangenaam genoeg;
+en hy vroeg spoedig naar _mon Amie_, die hy noemde, _une charmante
+Dame_. Dat's voor uw rekening, Letje.
+
+Vriendelyke verzoeken, om, zo ik niets verzuimde, nog wat te vertoeven,
+aanhouding van myne Dochter, om nog wat te blyven, wyl zy zich niet
+kon verzadigen in het kyken en gluren naar kistjes en doosjes, en
+kassen, vol heerlyke Beuzelingen: alles werdt bekeken, geadmireert; met
+een woord, verbeeldt u een klein meisje, dat met Moeder voor 't eerst
+eens voor een poppenkraam, of daar men speelgoed verkoopt, gebragt wordt;
+dat zyn oogjes wyd open doet, beide de vuistjes uitsteekt, en roept en
+kraait, en hippelt, en alles wil hebben; dan hebt gy een natuurlyk
+afbeeldzel van Lotje. De Heer R. deedt haar een fraaije snuifdoos
+present: ik excuseerde my, met te zeggen: "dat ik niet snoof, en nimmer
+presenten aannam." Lotje is somwylen nog slim ook; zy hieldt zich, als
+of zy dit laatste niet hoorde; en nu is zy zo wys met die doos, dat het
+zo niet te zeggen is. Alle oogenblikken wordt hy uit het papier genomen,
+bekeken, met een slip van een zakdoek gevreven, en, met de beminlykste
+vergenoeging op haar goedaartig grof gelaat, beschouwt! Het spyt my, dat
+Oom Dirks koussen nog niet verder zyn dan het boortje: nu, 't zal wel wat
+bedaren, en anders moet ik er my mee moeijen.
+
+Wy dronken Thee: de Heer R. en de Desmoiselles spraken van zeker Boek
+van _Bitanbe_, genaamt _Jozef_, als van een der fraaiste werken, die
+onlangs in 't licht gekomen waren. Hy haalde er eenige treffende
+passages van aan. Dit wekte myne nieuwsgierigheid op, om het te zien:
+Ik schreef de titel, om het, zo rasch ik t'huis kwam, te laten halen.
+Hy merkte dit, en haalde een, in marrokein gebonden, Exemplaar, uit
+zyn zak, dat hy my presenteerde: hy hadt het zo van den Binder in
+passant meegenomen. Ik vond dit wel beleeft, en oordeelde, dat het
+zeer gemaakt in my zyn zoude, iets aftewyzen, waar naar ik verlangde,
+en dat my zo heusch gepresenteert werdt. Ik boog en zei, dat ik het
+met veel vermaak zoude lezen. Hierop stak hy het in zyn zak, zeggende:
+"ik zal de eer hebben om de Dames t'huis te brengen, en dan het Boek
+overgeven." Liefst had ik dit niet; maar, dewyl ik geen reden daar van
+kon geven, moest ik dit zo laten doorgaan.
+
+Hy bragt ons t'huis, niet langs den kortsten weg: wy ontmoetten den
+deftigen Edeling, die ons beleeft groette, en, horende, dat wy naar
+huis gingen, ons derwaards verzelde. Zo kwamen wy dan daar aan, en
+traden in de zydkamer, alwaar onze waarde Vriendin met Juffrouw Hartog
+alleen zat. De laatste las, de eerste naaide, en ik geloof, dat er
+niet veel woorden gewisselt waren. Hartog scheen zeer bekent met den
+Heer R.; er was eene drukte nog eens zo! allemaal over onze eerste
+lui, onze _Patricii_; (verstaat gy dit woord, Letje? anders zal ik het
+wel eens uitleggen;) over de laatste Assemblee; over een gevalletje
+aan de speeltafel met de Gravin X.; over les Belles Lettres; over
+Voltaire, d'Alembert, des Clairauts, en nog wie weet waar al meer van.
+
+De Heer Edeling sprak nu en dan ook een woord, doch de Scavante hadt
+er geen attentie voor; en de Heer R. was te beschaaft, om haar
+voorbeeld niet te volgen: hy hadt het des met haar heel druk. Onderwyl
+verhaalde ik stilletjes aan onze lieve Mama, dat R. zo een fraai Boek
+voor ons meegebragt hadt; haar hetzelve noemende. "Ik wou, zei ik, dat
+die babbelparty ophieldt, en dat ik het Boek maar had: 't is zo fraai!
+Kom, zei Lotje, ik zal je wel helpen: ik heb dat Boek ook van Josep;
+'t is heel mooi, en ik lees er veel in, als ik naar bed ga." (Hier
+volgt de dialoge; ik agter de stoel van de waarde vrouw, wat over haar
+heen ziende, Lotje tegen de Commode staande. Edeling zei, dat wy een
+fraai groupje maakten; en kon zyn oogen, schynt het, nergens anders
+werk geven.)
+
+_Ik_. Wat zegt gy, Lotje, hebt gy dat boek? en hebt gy er ons niets
+van gezegt? foei, dat's geniepig.
+
+_Lotje_. Ik dagt, dat het oud vuil was by de Juffrouwen; want ik heb
+het al wat[1] gehad; och Heer, anders was 't wel tot uw dienst.
+
+[_Juffrouw Buigzaam en ik keeken elkander aan, of wy zeggen wilden:
+hoe! heeft Lotje dat Boek van Bitaube_?"]
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En wie is de Auteur, Juffrouw Lotje?
+
+_Lotje_. Ja, dat weet ik niet; maar het is wel het zelfde Boek van
+Josep, en het is heel mooi; maar ik word nooit gelooft, en daarom zwyg
+ik dikwyls.
+
+_Ik_. Lieve Lotje, ik bid u, haal het Boek, op dat Juffrouw Buigzaam
+het aanstonds zie. En nu geef ik u, myn lieve Letje, eens in ernstig
+en gemoedelyk overwegen, met welk een Boek het goeje schaap afkwam!
+Doch, al hadt gy al de wysheid der Egiptische Tovenaren, die van de
+Endorsche[2] Kol, die van Lodippe[3], [ons door Vader Kats zoo aartig
+beschreven;] ja al hadt gy de kaart leren leggen by den Drommel op
+Marken; al waart gy eene Hartog, in het oplossen van Meet- en
+Stelkundige Voorstellen, gy zoudt het nog niet raden; hoor dan den
+titel: "_Josephs_ Drouv, end Bli eindend Spel, niet min stichtelick,
+als droev en vermakelick, om te lezen: in dry bisondere spelen vervat,
+door _A.C. Crous_. Gedrukt te Groningen, 1721." NB. Op den regel:
+
+ _All schoon de Nijd met Pylen schiet_,
+ _God 't all ten best te schikken wiet_.
+
+Het eerste _Diel_ heeft zesentwintig Personen en vyf Choren: met dit
+a gouverno: [_men kan het Toneel plaatsen waar men wil, vermits men
+doorgaans geen vaste plaats heeft_.] Het Boek zelf is gedrukt met
+eenen zwarten, stichtelyken, regtzinnigen Predikatie-Letter.
+
+Wy zagen elkander aan, doch zwegen om het ander gezelschap. Onderwyl
+viel myn oog op een passage, daar Josep Fransch spreekt, zeggende:
+_Bonjour, Mevrouw Potifars_; en op nog een, daar Potifar tegen zynen
+Hansworst zegt: _halt mi den smaul_. Toen barste ik in lachen uit, en
+de goede Vrouw, die ik dit influisterde, lachte zo hartlyk, als ik nog
+nooit hoorde.
+
+Dit trok den aandagt der overigen; Juffrouw Hartog moest lyden, dat
+beide de Heren, schoon zy nog niet wisten waarom, mede lachten.
+
+_De Heer R_. Een nieuw amusant Werkje, Mevrouw Buigzaam?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Niet heel nieuw, maar echter ongemeen genoeg;
+de _Historie van Josep, door eenen Crous_, dat stout meisje, _op my
+wyzende_, heeft altoos wat potzigs. Dit deedt de lieve Vrouw, om Lotje
+te sparen; maar het ging Lotjes kroon te na, schynt het; want zy zei
+heel deftig: "Pardonneer my! 't Is myn Boek, en Juffrouw Burgerhart
+heeft het nooit gezien." Ik gaf het aan Edeling, die wel dra ook
+passages vondt, welke hem deden lachen; zo ook de Heer R., die het een
+meesterstuk in zyn soort noemde, en een rol heel eigenaartig van _Mus_
+[de Gek van Joseps historie,] oplas. Enfin, Letje, wy bleven zo al
+praten van 't een op 't ander; en Saartje gaf het hare in de algemene
+Conversatie-uitgift, _comme il faut_. Uw Broer kwam in; bragt een
+Brief voor u, en bleef ook zitten. Eindlyk hoorden de Heren, dat Frits
+de tafel dekte; zy stonden op, en marsch gingen de Leijonkers[4].
+
+Is die Heer R., vroeg ik aan onze Vriendin, niet een beschaaft geestig
+man?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Dat erken ik; maar, myn lieve Saartje hoe komt
+het doch, dat hy my niet gevalt? ik begryp dat niet!
+
+_Ik_. En ik begryp het wel. De Heer Edeling is zo zeer uw gunsteling,
+dat er voor geen ander bytekomen is.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zou dat wel zo zyn? Waarom vind ik dan Brunier
+niet alleen niet minder, maar beter dan voorheen?
+
+_Ik_. Juist, om dat uw gunsteling hem tot een beter mensch maakt;
+'t is zyn werk: ergo! maar zeker, hebt gy iets tegen den Heer R.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ja, Saartje lief, ik heb iets tegen dien man;
+wat, weet ik zelf niet.
+
+_Ik_. Zyt gy nu wel rechtvaardig en menschlievent?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt recht om my dit te vragen; want, waarlyk,
+myne gewaarwording is zo duister! Ik beken, dat het een opvatting zyn
+kan. Hy heeft ook al vry veel met u, aan 't vengster staande,
+gesproken, en ook zeer zagt.
+
+_Ik_. Och, 't gewone praatje: _que vous etes belle! que je vous
+adore_! en zo, wat er meer volgt.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Engel van een Meisje! zie wel toe. Hy is een man
+van hoge geboorte, en heeft schatten: Laat hy u niet wat wys maken
+[_Ik werd root_.] Gy wordt root, myne Liefde!
+
+_Ik_. Dat is ook zo; wat kan ik het helpen, dat er zulke knapen zyn,
+die ons meisjes wat wysmaken? o, Ik zie dat gy my niet kent! Denkt gy,
+dat ik zulke snappers de eer aandoe, om immer in 't geheugen te
+houden, wat zy my voorgonzen?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. De Heer Edeling is een geheel ander man, en die
+bemint u waarlyk.
+
+_Ik_. Beide stem ik toe; maar hoe veel achting ik ook heb voor dien
+braven man, ik bemin hem niet; ik bemin geen man op de hele Waereld
+dan myn Voogd: Nu, hy zal ook fraaije manchetten hebben.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Wilt gy niet eens ernstig zyn?
+
+_Ik_. Geheel ernst, geheel aandagt, geheel--al wat gy maar wilt.
+(_Ik kuschte hare hand_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy den Heer Edeling afgewezen?
+
+_Ik_. Wel, niet anders dan ik u gezegt heb: maar, als de man nu op
+hoop tegen hoop aan wil boegzeeren, kan ik dat beletten?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy iets tegen den waardigen man? ei lieve,
+zeg het my eens!
+
+_Ik_. Wel, zo veel zelf niet als er op de punt van een pennemes zou
+kunnen liggen; maar beminnen? o _point! point_. Ik leef hier al te
+gelukkig; ik blyf by u, zo lang ik leef.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zal de Heer Edeling u dan ongelukkig maken?
+
+_Ik_. Niet, ten zy ik het er naar maakte. Hoor, de Heer Edeling is in
+myn oogen zulk een agtingwaardig man, dat ik hem eigentlyk niet zou
+kunnen of durven beminnen: op myn woord (ik schaam het my ook haast
+aan u te zeggen,) ik heb meer eerbied voor hem, dan voor myn
+goedaartigen Voogd.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Hoe is dat mooglyk? Wel, me dunkt, de Heer
+Edeling is een recht beminlyk man; zyn ernstig gelaat heldert gedurig
+op door een zagten glimlach; en wie, denkt gy, vindt zo veel smaak in
+uw vernuft?
+
+_Ik_. Vlei my niet! Ik ben geen vrouw voor zo een man. Zie, als ik nu
+eens getrouwt was, zou ik myn man zo liefhebben, geloof ik, dat ik,
+buiten hem te kwellen, en te liefkozen, niet zou kunnen leven; en op
+beide zou zo een deftig man weinig gestelt zyn. Hy zou my voor een
+dartel wyfje, en ik hem voor een regten Joris steiloor aanzien. o Dat
+zou een pret zyn om dol te worden! Neen: Laat hy u nemen, dan zult gy
+beide even gelukkig zyn, en laat my, zonder met Cupido in eenig
+verschil te raken, myn _Wegje_ (zeit Tante) zoetzappigjes af kuieren.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Weet gy wat, Liefde? zo ik de jaren van u had, en
+de Heer Hendrik beminde my, zo als hy u bemint, geloof my, dat ik hem
+nemen zou.
+
+_Ik_. Gy zoudt niet, dan op eene voorwaarde.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En welke voorwaarde?
+
+_Ik_. Dat gy, by myne jaren en zyne liefde, die wysheid bezat, die gy
+nu hebt; anders zoudt gy 't niet een zier beter maken, dan ik nu.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Vindt gy ook meer behagen in den Heer R., genomen
+dat hy u insgelyks beminde?
+
+_Ik_. Dat kan ik ook nog al zo niet zeggen: maar ik heb geen reden,
+dunkt my, om met een van beide iets optehebben, om dat ik geen oogmerk
+heb om van hunne overtollige beleeftheid immer gebruik te maken. De
+Heer R. handelt my met eene achting, en tevens op zulk eene verpligtende
+wys, dat ik, ten zy gy er iets wettigs tegen hebt, my ook geengageert
+heb, om morgen een nieuw stuk te zien spelen: hy heeft u insgelyks
+verzogt, maar ik heb gezegt, dat ik niet geloofde, dat gy mee gaan zoudt.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Wel, ik weet het niet, zou ik eens van de Party
+zyn? ik heb opinie, dat dit stuk schoon is: als ik redelyk wel ben,
+zal ik mee gaan.
+
+_Ik_. O, wat zyt gy eene verpligtende Vriendin!
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Myne liefde voor u doet my veel doen.
+
+Zeg vry myne _zorg_, viel ik haar in, haar met eerbied omhelzende, en
+een kusch gevende.
+
+Zie daar, Letje lief, dit moest ik u schryven. Nu heb ik geen
+oogenblik tyd meer. Ik moet my nog opdrillen; Blondel staat reeds naar
+my te wagten, om my te kappen. Duizend groeten van
+
+ Uwe eigene
+
+ SAARTJE.
+
+
+Noten:
+
+[1] Een poos.
+[2] I Sam. XXVIII, 7.
+[3] Aspasia en elders.
+[4] Begeleiders.
+
+
+
+
+EEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER R. AAN DEN HEER G.
+
+
+_Vriend Jan!_
+
+Hoe dikwyls, dou lompen Kaerel, zal ik u dan moeten zeggen, dat my
+alles verveelt, en gy met uwe weergaze aapenkuren, kwakzalvers
+loopjes, en zotte uitnodiging, met een paar onzer Lievertjes, nog wel
+het allermeest? Wat kan ik, arme duivel, doen; waarom denken, dan aan
+de bevalligste meid, die ooit met een paar schone oogen de halve
+waereld in oproer stelde?--Gek, ja, stapel zot ben ik na haar; en ik
+moet myn rol van Huichelaar spelen, om haar ooit zo naby te komen, dat
+ik haar kan inluisteren: _ik bemin u_. Vrouwen, Vrouwen! Wat staat er
+niet voor uwe rekening! Nu, wy zullen afrekenen, myn trotsch Meisje!
+dat: "ik snuif niet; ik neem nooit geen presenten aan:" zult gy my
+betalen. Dit is de eerste oorvyg, welke myne eigenliefde, die waarlyk
+tegen de uwe wel opmag, nog ooit van eene schone hand ontfing. En ben
+ik niet een schone vent? Kan ik niet beuzelen met de zottinnetjes?
+redeneeren met de wysneusjes? Erger ik ooit een Vrouw, die achting
+verdient, door het allerminste dubbelzinnig woord? Sloeg ik ooit taal
+uit, die _blozen doet_; (ook maar uit welstaans halve?) Er moet een
+eind aan komen: zo leef ik eigenlyk niet. Maar welk een einde? Vraagt
+gy dat, Ligtmis? Ik een man van geboorte, van middelen; zy een
+Burgermeisje, met een stuiver goed? Gy zyt een driedubbelde Uilskop;
+of gy wilt my aan 't praten krygen. Trouwen? Zyt gy dan razent dol? Ik
+zal, denk ik, tot zulk een disperaat uiterste nooit komen. _Vryheid is
+de prikkel der liefde_: dit weet gy is myne spreuk. Als myne Maitres
+zal zy _Sultane Favorite_ zyn; maar myn Wyf! Wel foei! Zie daar, dat
+was al reden genoeg, by _un homme de mon gout_, om haar ondraaglyk te
+vinden. Trouw gy haar over een maand of vier. Zo lang, dunkt my, zal
+ik haar beminnen kunnen, en gy zult myne genietingen nieuw leven
+byzetten, door my die dan wat moeilyk te maken. Gy weet wel, "dat een
+Ligtmis geen recht heeft op eene eerlyke Vrouw?"
+
+Nu, gy hebt haar eens gezien; maar ik verdelg u van den aardbodem, zo
+gy haar in 't eerste half jaar weer ziet. o Liefde, liefde! maar welk
+een deugeniet ik ook omtrent de Vrouwen ben, ik zal myne drift, die
+alleen op myn eigen vermaak uitloopt, met uw gewyden naam niet
+opkwikken! Zotte vooroordelen! Krassen in de Lei door een bigotten
+Praeceptor daar in gekraaut, anders niet. Hoe zeit myne Hartog: _geluk
+is deugd_. Wel zie, Jan, was zy zo lelyk niet, ik gaf haar nog de een
+of andere keer een kusch voor dit Zedekundig regeltje. Laten wy toch
+ons Ongeloof als helden beleven, en den Duivel niet voor niets dienen.
+
+Nu, myne koets staat gereet; ik ga haar halen: de Dame, daar zy by
+logeert, heb ik ook door haar verzogt. o Ik weet wel, dat die niet
+uitgaat op zulke partytjes! En de malle meid, die er by was, ook! nu
+dat bruit nog wat heen. Ik weet al, hoe ik met haar moet omgaan. Zy
+zal bukken voor my, dien zy niet vreest. Mooglyk vorder ik in deeze
+laatste vyf uuren reeds merkelyk.
+
+ _Tien uuren, des avonds_.
+
+Ik ben woedent, ik zoek met de hele waereld rusie; ik raas op Philips,
+of ik dronken ben; en zou u zeer graag by my hebben, om u helder
+afterossen. o Gy verachtelyke slaaf myner vermaken! die, om een fraai
+kleed, en een goeden maaltyd voor my kruipt. Wat is er nu weer te
+doen? vraagt gy, met het air van een berooiden verkwister: zwyg, en
+luister.
+
+Geheel opgetogen reed ik na haar toe; werd zeer beleeft door de Weduwe
+in de zydkamer begroet; zy zeide my: "dat zy van myne beleeftheid
+gebruik zoude maken, dewyl zy meende, dat het Treurspel voortreffelyk
+zyn zoude; de Lectuur daar van hadt haar zeer voldaan." Hier jy,
+Rembrant, grote afbeelder van ons door driften bezielt gelaat!
+Schilder my op dat tempo. Myn bloed steeg my naar 't hoofd; ik had
+trekkingen op myne harssens. Zulk een schok ... zulk eene teleurstelling
+... Zy merkte het niet; 't was alles als een blixemstraal. Ik herstelde
+my zo voort: en, myne hand even aan myne lippen brengende, boog ik
+eerbiedig, haar bedankende voor de eere my aangedaan. En zie daar! daar
+kwam de eige Zuster der drie Gratien, geheel vrolyk, geheel leven, geheel
+ziel, keurlyk gekapt, en op eene edele wys eenvoudig gekleet, aanzweven.
+Ik hielp de Dames in de koets; en, toen ik er by was, sprong haar knegt
+by den mynen agteroep. Myne Loge alleen was nog ledig; alle oogen waren
+op ons. De Weduwe is niet jong meer, maar waarlyk nog eene zeer schone
+Vrouw. Myn Wicht? Nu, gy hebt haar gezien? En de malle meid is ook niet
+lelyk.
+
+De drommel, Jan, wat moest ik op myn hoede zyn! De Weduwe ... ik weet
+het niet, maar my dogt, dat zy, ongemerkt kwasie, alle myne bewegingen
+gadesloeg. Ik durfde waaragtig geen eene dier kunstjes gebruiken, die
+wy altoos eerst te werk stellen, om eens hoogte te nemen. Er was niet
+op, als met deeze slegte kaart zo goed te spelen als ik kon; en hou my
+voor een domkop, zo ik de Weduwe, indien die al een galg in 't oog
+mogt hebben, niet bedrogen heb. Ik sprak meest met haar, en zo gelyk
+ik altoos tegen fatsoenlyke Vrouwen spreek. Wy reden met myn koets
+terug, en de Bevalligheid uit de koets helpende, drukte ik hare hand,
+doch ik kreeg geen antwoord. Is dat te verdragen? Ik nam beleeft, en
+in de zydkamer, afscheid, ootmoedig biddende, om de eer te mogen
+hebben, van de Dames myn compliment te komen maken. Kent gy Hein
+Edeling? Maar waar zou zulk een Jakhals, als gy, zo een styven Jorden
+als hy (die echter een eerlyk man is, hoor ik,) toch ooit gezien
+hebben? Hy schynt een vriend der Weduwe te zyn.... Zwyg, zeg ik u;
+ik wil er niet van horen! Laat hy 't hart hebben! Maar geen nood, al
+stondt Belzebub zelf naar haar Huwlyk, die duizend-kunstenaar zou my
+haar niet ontnemen. Ik heb moed, Jan. En wat nu? Ik moet haar alleen
+zien te krygen! Kan ik echter voor nog eene teleurstelling my
+beveiligen? _Fortuin helpt den stouten_. Daar zyn weer tien ducaten,
+Rekel. Kom morgen ogtend hier, zo rasch als gy deezen gelezen hebt,
+en breng hem met u, of ik laat u aan u zelf over.
+
+ R.
+
+
+
+
+
+TWEE EN NEGENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Myne Waardste!_
+
+Ik ben tweemaal vergeefsch aan uw huis geweest. Eens waart gy met den
+Heer R. naar de Comedie, en nu zeide Frits, hadt hy u en de waardige
+Vrouw naar de Fransche Kerk gebragt. Hoe smart my deeze te leurstelling.
+Ik moet, voor ettelyke dagen, om zaken van veel aangelegenheid van huis;
+en hoe vurig verlangde ik, om in persoon afscheid te nemen van u, die
+ik teder en met de grootste achting bemin; van u, die my eene my dus
+lange onbekende neiging hebt ingeboezemt! Ik moet vertrekken, de paarden
+worden reeds gezadelt. o Mogt ik durven hopen op de gunst van haar, die
+my dierbaarder is dan myn leven! Indien ik niet voorzag, dat wy beide
+gelukkig zouden zyn, ik zou u niet lastig vallen met myne bezoeken.
+Maar, helaas! ik vrees, dat ik de man uwer verkiezing niet ben!--niet
+worden kan: evenwel gy vereert my met uwe achting; gy noemt my uw
+vriend. Hemel!
+
+Wie u ook van zyne liefde moge verzekeren, en welk een brillant lot
+men u moge aanbieden, uw Edeling bemint u meer, dan iemand u kan
+beminnen. Ik ken uwe waarde, uw bevallig beeld zweeft my altoos voor
+den geest. Wat zal myn leven, wat zullen myne goederen zyn, zonder u,
+o myne zielsbeminde? Ik zal hopen! Uw hart is immers nog vry? Zult gy
+my niet verachten, als ik u zeg, dat ik den Heer R. niet meer dulden
+kan? Maar eene liefde, als de myne, is zo teder als oprecht; en hoe
+kan ik het denkbeeld dragen, dat hy uwe hand vat! Maar gy kent de
+liefde niet.... Ik zal des niet langer _non sense_ schryven. Groet
+de uitmuntende Vrouw, en geloof, dat ik met de grootste achting en
+hartroerentste genegenheid ben
+
+
+ _Uwen_
+
+ HENDRIK EDELING.
+
+
+
+
+DRIE EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier komt door H. Edeling op den
+goeden weg en bericht dat aan zijn zuster Aletta.
+
+
+VIER EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog aan Wilhelmina van
+Kwastama: zij is tot de ontdekking gekomen dat Edeling niet om haar
+maar om Sara komt. _O, ze haat_ Sara! _ze verfoeit_ Edeling.
+
+
+VIJF EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp aan Zuzanna Hofland:
+die Stijntje deugt niet; _dat mensch is zelfs goed voor roomschen_!
+Foei! En wat Saartje betreft: _doe een valschen eed_, dat haar moeder
+je het geld beloofd heeft tot aan Sara's huwelijk. Wil je dat niet,
+loop dan rond!
+
+
+ZES EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling: zij
+wantrouwt R., maar heeft geen bewijzen; hij deed fatsoenlijk.
+--Onverschillig is Edeling Sara niet, _want zij herleest zijn
+brieven_! Vindt zich zelf voor zoo'n waardig man ongeschikt; dat is
+de zaak.
+
+
+ZEVEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Smit is heel ernstig verliefd op Anna
+Willis; hij vlast op een beroep naar een dorp bij Amsterdam, en droomt
+zich veel zaligheid.
+
+
+ACHT EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Anna Willis aan Sara: zij verheft haar.
+Haar _Smit_ prijst Saar ook, eveneens wed. Spilgoed, die als Sara's
+moeder is. _Edeling_ is een beste jongen. Zij wenscht hem Sara toe.
+Anna bemint haar Smit zeer en hoopt Sara's trouwe vriendin te blijven.
+
+
+
+
+NEGEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Naatje!_
+
+Hebt gy waarlyk uw woord gegeven? Dan patientie! Anders, binnen een
+jaar aanvaarde _ik_ de waardigheid van _Zuster Collega_. Uw Smit! wel,
+ik ben maar weinig minder verlieft op hem, dan op mynen Voogd zelf; en
+zo is ook myne Minerva. Wel, Willis, 't is waarlyk al te veel voor u.
+"Hou er u maar nederigjes onder;" zou tante zeggen. Nu in ernst:
+geluk, duizend maal geluk met deezen lieven, deezen achtingwaardigen
+man. Zo gy nu ooit weer donker kykt, zal ik u waarlyk moeten kloppen.
+Myn Cootje is nu in staat, om tamelyk gezont te redeneren over
+dagelyksche voorvallen; en ik merk, dat, als hy met een ander praat
+dan met my, hy zeker nog al verdient, dat men hem antwoordt. Juffrouw
+Buigzaam heeft veel met den aanstaanden Eerwaardigen gesproken. Ik was
+geheel gehoor, en myne Dochter insgelyks.
+
+'t Spyt my, dat Letje nog niet t'huis is: dat zou net haar smaak
+geweest zyn. Luister eens, Naatje; hoewel ik het niet uit dankbaarheid
+doe aan de Godin der Liefde, (verstaat gy dat, kind?) zo heb ik een
+groot vermaak in Huwlyks-Alliantien uit te vinden. Wat dunkt u, dat
+Willem om Letje kwam, dan hadt hy zeker een Engel van een Vrouw, en zo
+een verdient hy.--Letje was ook in veiligheid. Eene bedenking is er
+maar! Ik weet niet, of myne Letjes hartje wel zo vry is, als dat van
+Juffrouw _Albedil Burgerhart_.
+
+"En was ik niet zeer opgeruimt? en zei de Eerwaardige dit?" Verbaast
+nog toe! Ik weet echter niet, dat ik my ergens over benaauwt voel: zo
+dat, weest gerust; maar ik heb ook zo myne denkende buitjes; en om dat
+die my zo eigen niet zyn, als zy mooglyk u zyn, valt dat zo aanstonds
+in 't oog.
+
+Edeling is uit de stad. Myn Voogd, merk ik, zou my graag met hem
+getrouwt zien; en myne Mama Buigzaam meent, dat zyn voorstel myne
+ernstige overweging verdient, en hoopt, dat ik, ten zynen opzichte,
+een gunstig besluit nemen zal. Myn hart slaapt nog in rozen; meer kan
+ik u niet zeggen.
+
+Of ik my ooit het Huislyk leven in zulk een zagt licht heb voorgestelt,
+als Smit het u afmaalt? Nooit anders! Ik was, schoon een kind, getuige
+van Huisselyk geluk, in myne altoos dierbare Ouders. Daar zit het my
+niet, Naatje. Ik heb, tot nog, geen bepaalde uitsluitende genegenheid
+voor iemand; en niets zal my dezen gewigtigen staat doen aanvaarden,
+dan een man, die myne liefde en achting beide waardig is. Zo dra ik den
+Heer Edeling, (niemand komt buiten hem in eenige aanmerking,) zo veel
+liefde als achting kan toedragen, zullen alle mindere zwarigheden my
+niet beletten, om den raad myner Vrienden te volgen.
+
+De Heeren R. en Brunier zyn reeds in de zyd-kamer, om met Lotje en my
+eens eene schone wandeling te nemen. Ik moet my eens vertreden, dunkt
+my; ik ben echter zeer wel. Heb ik u al gezegt, dat Edeling uit de
+stad is? Tot weerziens! Groet uwen lieven aanstaanden Domine, kusch
+uwe Moeder, (hem ook maar,) voor
+
+ SAARTJE BURGERHART.
+
+
+
+
+HONDERDSTE BRIEF.--Papa Edeling aan zijn zoon Cornelis: hij wou
+eigenlijk diens raad als advokaat eens inroepen--Cornelis is n.1.
+gepromoveerd!--_Wat tegen_ Hendrik _te doen_? Hemelsche goedheid: die
+jongen houdt maar vol!--Hij heeft Sara gezien met R; "neen, meisje,
+jij lijkt me niet! ik bedank je hartelijk!" _Nooit_!
+
+
+
+
+HONDERD-EERSTE BRIEF.
+
+DE HEER CORNELIS EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.
+
+
+_Myn Heer, hooggeachte Vader!_
+
+Hartlyk dank ik u voor den Wissel; waarop my reeds betaling geschiet
+is. Ik hoop, dat ik u reden tot vergenoeging geven zal: ook omtrent de
+sommen, my van tyd tot tyd verstrekt. Gy hebt my in staat gestelt, om
+als een fatsoenlyk Student en Candidaat te leven. Ik heb zeker geld
+verteert, doch my aan geenerlei lichtmisseryen, of aan grof spel te
+buiten gegaan: maar ik weet, waarde Vader, dat gy op dit point de
+edelmoedigheid zelf zyt.
+
+Hoe leet is 't my te horen, dat gy op myn Broeder zo te onvreden zyt!
+Ik weet wel, dat gy, en vooral van uwe Zoons, geen tegenspreken dulden
+kunt; vergeef my deeze uitdrukking; maar, dewyl gy u wel wilt
+vernederen, om myne gedagten te vragen, zal ik u die rondborstig en
+in gemoede zeggen. Neen, gy kunt uw Zoon, die meerderjarig is, niet
+beletten een meisje te trouwen, waar tegen gy niets, met eenige
+zekerheid, hebt intebrengen, dan dat zy van de publycque Kerk is.
+Onderneemt gy zulks, dan kan Hendrik u voor den Rechter roepen, en
+zyt verzekert, dat hy daar de vryheid zal krygen, om haar te trouwen.
+
+Ken ik echter myn weldenkenden Broeder, ken ik den eerbied en de
+liefde, die hy voor zynen braven Vader heeft; dan zal hy tot dit
+heftig middel zyn toevlugt niet, dan daar toe gedrongen, nemen.
+
+Laat het my eenmaal vrystaan, myn geeerde Vader! u te vragen, of uw
+mishagen in deeze jonge Dame gegront is. Hebt gy iets tegen hare
+Familie, of tegen haar zedelyk karakter? Ik vertrouw, neen; myn
+Broeder heeft die jaren en die bedagtzaamheid, die hem in staat
+stellen, om eene goede keuze te doen. Nimmer heeft hy, in het
+onervarenste zyner jeugd, reden gegeven, om hem van de minste
+losbandigheid te verdenken; en zou hy nu, nu hy dien tyd agter zich
+heeft, zich zo verre vergeten, dat hy een meisje beminde, en wel met
+het zuiver oogmerk, om haar te trouwen, die zyn verstand en hart beide
+tot oneer strekte? Nimmer geloof ik dit. Mag ik u des bidden, maak
+hem niet ongelukkig; spaar u zelf nodeloos en u zo nadelig verdriet:
+Besluit er toe! Laat uw ouderdom in ruste en vrede ongestoort
+voortglyden. Mag ik u ook herinneren, dat Hendrik van een eens wel
+en doordagt besluit niet ligt is aftebrengen; voornamelyk als zyn
+hart zo gezet is op de uitvoering van zyn besluit? Ik ken myn Vader,
+ik waardeer hem, gelyk een dankbaren Zoon betaamt; maar hoop, dat ik
+de vryheid zal hebben, om u eene Dochter aantebieden, waar tegen gy met
+reden niets meerder dan tegen Juffrouw Burgerhart zult kunnen hebben.
+Binnen eene maand hoop ik het genoegen te hebben, om u gezont te
+omhelzen, en mondeling te betuigen, hoe zeer ik ben,
+
+ _Uw gehoorzame Dienaar en dankbare Zoon_,
+
+ CORNELIS EDELING.
+
+
+
+
+HONDERD-TWEEDE BRIEF.--Aletta Brunier vertelt haar historie aan Sara:
+_zij heeft eens lief gehad_, zekeren v. S. Die had geen geld; vader
+vond dat hij eerst voor geld moest zorgen. v. S. ging naar de Oost;
+'t ging hem goed, maar _hij stierf er_. Onder dien druk leeft ze nog.
+Zekere Heer Helmers steunde haar na vaders dood.
+
+
+
+
+HONDERD-DERDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
+
+
+_Myne tederbeminde Letje!_
+
+Ik weet niet, wat andere menschen _intressant_ noemen; maar voor my is
+_de geheime Historie van uw hart_ zeer intressant; om dat er voor my
+zeer veel stof tot overdenken, en veel leerzaams in ligt opgesloten.
+Ik heb, zonder eens uwe toestemming te vragen, uw Brief aan de beste
+der vrouwen voorgelezen; en zie hier, het geen zy zeide: "Het verstand
+van Juffrouw Letje is my zeer toegevallen: hare liefde omtrent zulk
+een Vader was alleen in staat, om haar dus te doen handelen. Indien
+Letjes Vader meer vrees dan liefde in zyne Kinderen verwekt, indien hy
+min redelyk omtrent een onbedagten jongeling gehandelt hadt, dan zeker
+zou Letje in dat ongeluk gejaagt zyn, waar voor hy haar echter poogde
+te bewaren. Ziet gy wel, myn Burgerhartje, dat men zich niet waarlyk
+nuttig voor anderen kan maken, dan door reden met minzaamheid te
+vereenigen? De hemel belone hare kinderlyke onderwerping aan zulk een
+Vader."
+
+_Ik_. Wel, dat wensch ik zo sterk, dat ik hier aan graag de hand wil
+lenen. Een braaf hupsch man, die ik zo lief heb of hy myn Broer is,
+en dien ik ook maar aan niemand geef dan aan myn Letje, hoop ik te
+beduiden, dat hy met Letje veel beter te regt zal komen, dan met zo
+eene stoute meid, als uwe dienares.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. o! Gy zyt zeer gul! een ander te geven, dat men
+zelf niet verkiest!
+
+_Ik_. Ja! ik kan immers onmooglyk al de Borsten[1] nemen, die my nemen
+willen? en doe ik dan niet recht _Economisch_, als ik het overschot zo
+goed gebruik als ik kan?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En wie is die, zo als gy zegt, kostelyke Vriend?
+Edeling?
+
+_Ik_. Edeling! neen: dien wou ik immers voor u schikken, maar myn
+lieven goejen Willem Willis. Een jongen, zo braaf, en zo degelyk, dat
+niemand dan Letje hem ooit, met myne toestemming, hebben zal.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Gy doet my lachen.
+
+_Ik_. Doen schreijen zou ik om geen duizend Waerelden; al waren er al
+de Huizen Concertzalen, en al de Paleizen Schouwburgen; en dat is veel
+gezeit.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ik beken, dat dit in u inderdaad al eene ongemene
+grote opoeffering zyn moet.
+
+_Ik_. En dat ben ik met u volmaakt eens.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Het is mooglyk wat heel onderzoekent in my, als
+ik u durf vragen, of gy aan den braven Heer Edeling niets het minste
+schryven zult?
+
+_Ik_. Wel, gestelt zynde, dat de schaal, of liever de evenaar, krek in
+'t huisje stondt?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zo ik er iets aan doen konde, dan zou ik zeker er
+zo veel gewigts opleggen, dat gy tot al[2] _schryven_ oversloegt.
+
+_Ik_. Maar wat zal ik zulk een deftig verstandig man schryven?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Wat? Ja, dat moet gy zelf beoeordeelen: dit, myne
+liefde, kan of mag ik u niet dicteeren. In ernst, kunt gy aan dien
+deftigen verstandigen man niets melden, dat hem, in weerwil dier
+hoedanigheden, aangenaam zyn zoude? Pleeg met u zelf raad.
+
+_Ik_. Maar ik ben het met my zelf niet eens. Somtyds wilde ik, _dat ik
+niet schryven wilde_; en somtyds wilde ik, _dat ik wilde_. Gy lacht!
+Heb ik u dan niet gezegt, dat ik een misselyk figuur ben? geen vrouw
+voor zo een man.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt vooroeordeelen, myn hartje!
+
+_Ik_. o Duizenden; dat sta ik u ook toe.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Maar kan zulk eene verstandige jonge Dame zich
+verbeelden, dat dit toe te staan alles is, wat zy te doen heeft.
+
+_Ik_. Ik geloof neen: zy moet die afleggen, en zo hoop ik van tyd tot
+tyd ook te doen; en zo dra ik vast weet, dat ik dien eernaam, zonder
+verwaantheid, niet geheel onwaardig ben, zal dat gaan of 't gesmeert
+is: maak er staat op.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Nu ik u dit herinnert hebbe, zal ik er
+afscheiden. Ik bid u alleen te bedenken; dat, indien gy my eens in
+vertrouwen kunt zeggen, dat de Heer Edeling uwe liefde, zo wel als uwe
+achting gewonnen heeft, ik u een der beste oogenblikken van myn leven
+zal verschuldigt zyn. Gaat gy uit, hartje, om dat gy zo in order
+gekleet zyt?
+
+_Ik_. Dit was myn oogmerk: de Heer R. zal my op 't Concert brengen.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zo!
+
+_Ik_. Gy zyt heel _laconicq_, maar dat _zo_ spreekt gy _zo_ deftig
+uit; hadt gy 't liefst niet?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Hoeft gy my dat te vragen, daar gy weet, hoe zeer
+ik uw byzyn bemin? Evenwel, ik heb geen recht om u uwe vermaken te
+ontroven: indien gy liever met den Heer R. uitgaat, dan met my t'huis
+blyft. Wat is er aan te doen? Ik ben uwe Vriendin, niet uwe
+Gouvernante.
+
+_Ik_. Laat ik u omhelzen, schoon, of liever omdat gy my zeer doet! o
+Myne moederlyke Vriendin, welk een verkeert meisje zou ik zyn, indien
+ik uw gezelschap niet boven alle vermaken stelde? Wil ik het laten
+afzeggen?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Gy bedenkt dit wat laat: en wat zou de Heer R.
+van uwe wispelturigheid zeggen?
+
+_Ik_. o! Daar bekommer ik my niets het minste over. Ik hoop niet, dat
+ik aan hem rekenschap moet geven van 't geen ik doe; en zo hy 't
+kwalyk neemt, is hy een gek, dat is 't al.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Rekenschap geven? dat is weer wat sterk! maar ik
+zie niet, dat hy geen reden zoude hebben, om misnoegt te zyn; dat
+scheelt u weinig, zegt gy; goed! Ik weet, dat gy een trotsch meisje
+zyt. Was het echter vroeger, ik zou u door uw t'huis blyven verpligt
+zyn. Zo waar, daar is hy reeds om u.
+
+Uit was ons gesprek. Maar ik betuig u, dat ik, met al myn musikale
+drift, naauwlyks in staat was, om my op 't Concert niet te vervelen.
+
+t'Huis komende was ik niet vrolyk. Zy sprak echter nergens over, want
+Hartog en Lotje waren in de eetkamer. Ik zag haar nu en dan eens aan;
+zy was beleeft, zy was vriendlyk,--maar ik was _Juffrouw Burgerhart_.
+
+Myne lieve Letje, wat was dat voor my te zeggen! ik moest of
+schreijen, of met Lotje aan 't malen; tot het laatste kreeg ik rasch
+gelegenheid. Zy vroeg my, of ik op het groot Concert geweest, en of
+het daar niet heel plaisierig was?
+
+_Ik_. Al naar dat men zich zelf gestelt voelt: somtyds ja, somtyds
+neen.
+
+_Juffrouw Hartog_. Als men uitgaat met gezelschap, dat ons behaagt,
+vermaakt men zich overal.
+
+_Ik_. Dat is zeker, de ondervinding leert dit wel....
+
+_Juffrouw Hartog_. En Juffrouw Burgerhart heeft zeker het aangenaamste
+gezelschap aan den Heer R....
+
+_Ik_. En Juffrouw Hartog is, niettegenstaande alle hare Geleertheid,
+mooglyk niet in staat, om myn smaak juist zo wiskundig te weten.
+
+_Juffrouw Hartog_. Ik oordeel uit de verschynzels.
+
+_Ik_. En uw oordeel is mooglyk niet vry genoeg, om, wel waar te nemen.
+
+_Juffrouw Hartog_. En het uwe mooglyk niet eenparig genoeg, om zo veel
+te observeren, als iemand, die zonder belang toekykt: of gy moest u
+inbeelden, dat ik u eene eer benyde, die ik niet eens verlang.
+
+_Ik_. Als ik eens niets beter te doen heb, kon het gebeuren dat ik uwe
+stelling wat nader zal beschouwen.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Het is dunkt my, wel een zeer armoedig vermaak,
+elkander te tonen, dat men meer vernuft dan goedhartigheid heeft.
+
+Ik verstond dit, en zweeg; een schampere lach van Hartog zelf kon my
+niet aan 't praten krygen. Lotje, zei ik, wanneer gaat gy eens by uw
+Oom en Tante?--o Als gy maar wilt, al was 't morgen.--Bestig, zei ik,
+als 't goed weer is, zullen wy er eens heen kuijeren. Zy was zeer
+blyde met deeze presentatie, 't Was redelyk laat. Juffrouw Buigzaam
+schelde, om 't licht op de slaapkamers optesteken, stondt op; ik neeg
+zeer beleeft, en kreeg een--_nagt, lieve Juffrouw_. Lotje rammelde my
+nog een hope voor; en ik hield my of ik sliep, om haar te doen zwygen.
+Ei! dagt ik, die verwenschte Jongens! zie daar, zy zyn het, die ons 't
+leven onaangenaam maken; Edeling zo wel als de rest. Vaarwel, myne
+Beste.
+
+ Ik ben uwe Vriendin,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+P.S. Ik ben deezen namiddag by Oom Dirk geweest. Tante is eene lieve
+Vrouw; Oom? Ja, ik kan 't u niet beduijen: Een dot garen, die allemaal
+in de war zit. o Welke mannen, Letje! en moeten wy ook trouwen? dat
+ziet er gek voor ons uit.
+
+Noten:
+
+[1] Jongens.
+[2] wel.
+
+
+
+
+HONDERD-VIERDE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling; houd maar
+moed; ze heeft uw vader gezien, _bevalt haar niet_, maar ze zal u zelf
+schrijven.
+
+
+
+
+HONDERD-VIJFDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING.
+
+
+_Wel-edel Heer!_
+
+Myne achting voor u moet wel zeer ongegront zyn, indien ik ooit reden
+heb my te beklagen over het schryven deezes Briefs. Dit stel ik onder
+het onmooglyke; ik zal des, in dit opzicht, aan uw verzoek voldoen.
+
+Zie my voor zo eene Beuzelaarster niet aan, dat ik my niet zoude
+vereert achten met de gevoelens, die gy voor my betuigt. Waarlyk, myn
+Heer Edeling, ik zie zeer wel, dat gy verdient met onderscheiding
+behandelt te worden. Indien gy niets meerder begeerde dan myne
+vriendschap, zeer weinig zoudt gy meer te wenschen hebben! Doch ik
+zoude u onedelmoedig behandelen, indien ik u reden gaf om te denken,
+dat ik in u iets anders dan eenen Vriend beminde. Het zal my, in dat
+karakter, hoogst aangenaam zyn u weerom te zien; want ik ben met
+byzondere hoogachting,
+
+ Uwe Dienares,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+
+HONDERD-ZESDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Myn Heer, zeer geachte en beminde Voogd!_
+
+Myn pligt eischt, dat ik u het volgende melde. De Heer Hendrik Edeling
+heeft by my aanzoek gedaan. Indien ik immer van staat verander, verdient
+hy my daar toe te doen overgaan, of ik verdien hem niet; maar ik heb
+geen zin in voor eerst hier toe te besluiten: Nog geen twintig jaar, en
+zo volmaakt gelukkig als ik nu ben! Ik heb echter billyk geoeordeelt u,
+die my als een Vader bemint, dit te zeggen; want van uwe goedkeuring ben
+ik reeds verzekert. Myn verlangen naar uwe komst is zo groot, dat ik die
+niet kan uitdrukken. De waardige Vrouw groet u met achting, en ik ben,
+met een dankbaar hart,
+
+ Uwe gehoorzame Pupil,
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVENDE BRIEF.
+
+NAAMLOZE BRIEF AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+_Myn Heer!_
+
+Myne achting voor u, en de droevige gevolgen, die ik voorzie, doen my
+u het volgende schryven. Uwe Pupil gedraagt zich op eene wyze, die
+haar bespot, ja veracht, en u veel verdriet moet maken. Men ziet haar
+overal, en nu meest altoos met eenen Heer R.; een man van rang en
+grote goederen, maar ook een onzer eerste Ligtmissen. De Dame, daar
+zy, nevens nog drie Juffrouwen, logeert, ziet dit alles, en vindt
+echter (schynt het,) goed, om dit onvoorzigtig ligtvaardig meisje
+haren gang te laten gaan. Zy is niet ryk; en grootschheid beeft voor
+niets zo zeer dan voor armoede. Meer zeg ik niet. Hoef ik meer te
+zeggen? Uwe Pupil is ook zeer verkwistent in hare uitgaven; indien zy
+geene presenten aanneemt; dat ik niet weet. Zeker Heer loopt haar na;
+en ik geloof, dat zy dien man aanhoudt, om, ten behoorlyke tyde, hem
+(mooglyk) te trouwen; indien zyne oogen nog niet bytyds open
+gaan:--Doch zy heeft hem betovert;--zo doet zy elkeen.
+
+Dit alles smart my! Ik beoeog haar welzyn, en stelle u daarom in staat,
+om haar hier over, zo 't u goeddunkt, te onderhouden. Ik hoef u niet
+te zeggen, wie ik ben, en van welke Sex;--dit doet er niets toe:--zo
+gy wys zyt, doe uw voordeel met myn bericht; en zo gy er een goed
+gebruik van maakt, kan ik u meer melden. Intusschen ben ik met achting,
+
+ MIJN HEER!
+
+ _Iemand, die 't wel met u meent_.
+
+
+
+
+
+HONDERD-AGTSTE BRIEF.
+
+DE HEER JAN EDELING AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK.
+
+
+_Waarde Broeder!_
+
+Wat zegt gy nu, _mon bon Pasteur_, van uw lieven Neef Hendrik? dien je
+immers, met je eigen handen, zelf, in myn huis, gedoopt hebt; die, had
+ik hem in myne zaken kunnen missen, volgens uw raad en zyn begeerte,
+tot Predikant zoude gestudeert hebben; die wil nu met drommels geweld
+trouwen met een _wilde_ meid _buiten onze Kerk_; met een _Gereformeert_
+Nufje. Nu, daar moest hy maar eens om komen! Verbruit, Pastoor, ik heb
+het zo Satans op hairen en snaren gezet; want, nu myn lieve vrouw dood
+en weg is, regeer ik als Koning. Uw Zuster was de beste vrouw van de
+waereld: doch te mal met de Jongens. Luter zelf zou niet meer uitgevaren
+zyn in zo een geval als ik. Ja! fluiten! Daar hebje nu de boel over de
+ree, en hy geeft voor, dat ik hem ongelukkig zal maken, indien hy haar
+niet krygt; met nog eene hele turfmand vol zulk geziegezaag, daar de
+jongens zo veel mee ophebben.
+
+Ziet gy, Pastoor, ik zou myn hoofd daar niet mee breken, maar Hein ziet
+er gansch ongedaan uit: hy kan niet tegen moeite; (ja, ik heb al rare
+jongens ook!) Neen: nooit laat ik dat toe. Maar den jongen evenwel zo
+maar te laten sterven, dat wil ook niet. Hy is zo bedreven in onze
+affaire, dat ik gerust myn flesje kan drinken, myn pyp roken, myn
+kolfje slaan, zonder dat er iets verzuimt wordt. Zo dat, dit kan ik
+ook nog al niet voor God verantwoorden. Ik heb ook een Brief geschreven
+aan haren Voogd; niet twyfelende of hy die zo styf _Grotekerks_ is, als
+ik oud rechtzinnig Luters ben, zou even eens denken als ik op dit stuk.
+Maar zie daar! daar kryg ik zo een antwoord. De drommel mogt met hem
+redeneren, en ook ik versta zyn Brief niet genoeg. Het komt my voor, dat
+hy al vry grappig over 't Geloof denkt, en het zou veranderen, even als
+hy zyn rok veranderde, indien hy meende, dat eens anders geloof beter
+was. Hy spreekt net als uw lieve Neef van Broederschap, 'k Zeg
+_Broederschap_! Het zit er op met dat Broederschap, als verguldzel op
+een duits[1] balletje. Men hoeft maar eens op hoogtyden, en zo, in de
+Kerken te gaan; daar zeg jelui Eerwaardens malkander hele Broederlyke
+dingetjes. Nu, dat mag ik wel horen: de Kerk is er voor, om het Geloof
+vast te houden. Elk moet zyn winkel voorstaan; dat is niet anders.
+
+Hoor, Pastoor, ik ben Luters, en dat, wil ik, zullen myn jongens ook
+zyn, of 't zal er vreeslyk houden. En die Bram is nog al heel wys met
+zyn Meisje! Ik zou nog, met myn beste pruik op, en den nieuwen zwarten
+rok aan, heel beleeft moeten vragen, of ik de eer mogt hebben ... weg
+... weg!
+
+Ik heb haar ook in een Herberg gezien, met nog twee wilde Knapen, en
+een andere Juffrouw. Hoor, ik zal 't nooit toestaan: ik wil geen
+vreemt goed in Luters erfdeel; dat's maar uit. Geef me nu raad: wat
+moet ik doen? Schryf my eens, Broertje, hoe u dit klugtje van Heintje
+bevalt? Groet de Pastoorse, die my ook altyd ligt te katechiseren: ja,
+ik ben maar te goed.
+
+ Blyve met grote achting,
+
+ Uw Eerwaardes
+
+ _Dienaar, Vriend, en Broeder_,
+
+ JAN EDELING.
+
+
+
+Noot:
+
+[1] Van een duit waarde.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGENDE BRIEF.--Everart Redelijk antwoordt: hij is het heelemaal
+met Blankaart eens en vindt de handelwijze van zijn zwager dwaas.
+
+
+HONDERD-TIENDE BRIEF.--Broeder Benjamin aan Cornelia Slimpslamp: Suzanna
+weifelt; ach Heere, help! Wij moeten ze voor ons houden. Laat Cornelia
+haar vergeving vragen.
+
+
+
+
+HONDERD-ELFDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN DEN BROEDER BENJAMIN.
+
+
+Wie heeft ooit groter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fopje my
+wat, of hoe weerga zit het? Voor my veinzen? Voor my de fijne Filebout
+uithangen! Laat naar je zien, zotte jongen. Wy moeten haar bedriegen;
+dat's 't al. En daarom moeten wy de handen in een slaan. Zouden wy zo
+een zot dier ooit gezogt hebben was 't niet om den smul? en gy houdt
+u van de mallen? Ja, Blankaart, kent ons zeer wel.
+
+Hoor, Ben, de frettery is uit: wy moeten haar nu nog plukken, en
+dan--de hele Waereld is voor ons open. Zy moet het gelag betalen: de
+jonge Juffrouw B. moet er niet by lyden. Blankaart is een Duivel van
+een vent, hy liet u publiek geesselen, en ik moest in 't Spinhuis, zo
+wy aan haar goed ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en
+dat zy intrest moet ontfangen; alles mondeling. Toon nu, dat gy my
+lief hebt: ik zal 't Briefje schryven, en morgen er gaan. Kom ook.
+'t Geweten? o dat is een bullebak voor u en my.
+
+ _Die gy kent_.
+
+
+
+
+HONDERD-TWAALFDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+_Lieve Vriendinne!_
+
+Daar heb ik, als ik alles nareeken, zo een twee dagen en drie uuren in
+de magt des Satans geweest: hy gaf my die godloosheid in. Hy heeft my
+verleit.
+
+Och Zusje, Zusje! ik ben gevallen: ik ben wanhopig, ik ben elendig.
+Die duizend-konstenaar was het, die my dien gruwelyken brief deedt
+schryven. Zo heb ik te veel op eigen kragtjes vertrouwt, och ja! mogt
+ik er maar door geraakt zyn, en nooit weer op my zelf vertrouwen. o!
+Het ging my, zo als de Eerwaarde van der Kwast plagt te zeggen: _de
+Conscientie is de Klapperman uit de hartestraat, die de menschjes
+waarschuwt voor den brand van de Hel_. Gelukkig, dat myn oude mensch
+niet te diep was ingeslapen; och! dat was regt dierbaar.
+
+Verberg toch alles, om der Vromen wille. Gy kent de diepten des Satans.
+Mag ik morgen by je komen, en dan blyven op 't geen je maar hebt?
+Schryf my dit, of ik verval tot wanhoop.
+
+ Uwe zwakke Zuster,
+
+ CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+
+
+HONDERD-DERTIENDE BRIEF.
+
+DE BROEDER BENJAMIN AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+_Zusje Lief!_
+
+Ik begryp je! Wees gerust: om u sta ik den Duivel. Ik heb het zeer
+druk in myn werk, doch kom morgen; ik ben al verzogt. Alles is om het
+hare, en om u.
+
+ _Gy kent my_.
+
+
+
+
+HONDERD-VEERTIENDE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
+
+
+_Keetje Zusje!_
+
+Wat is er een pakje van myn hart! Neen, dat kon ik niet doen, myn
+geweten wilde niet. Nu is 't weer licht by my; ik heb alles verbrant.
+Kom tog vroegjes: och! ik ben zo ontstelt geweest. Nu, Bregtje zal
+_het Gemeste Kalf_ slagten, omdat ik myne Zuster heb weer gevonden,
+die in 's Duivels hol gezeten heeft. Broertje komt ook, hy is zo
+gemoedelyk in zulke dingetjes. Zo komt het goed uit het kwaad; en nu
+is myne ziel weer gebonden aan uwe ziel: niet waar?
+
+ Uwe Zuster in den Here,
+
+ Z. HOFLAND.
+
+
+
+
+HONDERD-VIJFTIENDE BRIEF.--Smit aan Willem Willis; spoedig zijn ze
+zwager. Hij heeft Aletta Brunier gezien en gesproken: _net een meisje
+voor Willem!_--Willem's patroon spreekt heel gunstig over hem.
+
+
+
+
+HONDERD-ZESTIENDE BRIEF.
+
+DE HEER R. AAN DEN HEER G.
+
+
+_Jan lief!_
+
+Haal my de Satan! ik ben nog even wys! ja, ik zie het hexje nu en dan;
+ik heb ook met haar op het Concert geweest; maar ik ben nog even na,
+als toen ik begon. Hoe moet ik het aanleggen? _Liflaffen_?[1] dan
+lachte zy my van myn stuk; haar met een stemmig bakkes zeggen, _dat ik
+haar bemin_? Och! dat gaat haar niet eens aan haar koude kleeren, (zo
+als de meisjes zeggen.) Had ik haar maar ergens, daar myn haan koning
+kraait, dan zou 't proces spoedig aflopen: en zy zal niet zot genoeg
+zyn, om zich te durven inbeelden, dat ik een Burgers Dochter zal
+trouwen. _Sultane Favorite_, Jan: is dat niet dubbelt wel? als _ik_,
+Frederik de eerste, haren Soliman ben. Ben ik evenwel niet een
+_Opgewarmt Bier_ en _Broodskind_, gelyk myn Oom, de Kapitein, zyne
+Matrozen noemt, dat ik zo een charmante meid niet tot myn vrouw maak?
+Lief heb ik haar, waaragtig; dat is 't maar! Anders zou ik dus lang
+niet het masker voorhouden. Zy stondt al lang op de grote lyst. Maar,
+wat praat ik van liefde tegen zulk een liederlyken knaap als gy zyt?
+Een vrouw is by u een vrouw--loop, gy zyt myn gebabbel niet waardig.
+Ik heb echter nu een ander plan: dat zal niet missen; en, zo de Weduw
+het in 't hooft krygt, om hare jonge Vriendin te geleiden, (zy ziet er
+ook wel uit,) dat zal den koop niet breken. Zoudt gy niet zeggen, dat
+ik al een gansch karel ben, als gy my zo hoort snoeven en pochen?
+
+Waarlyk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat ik
+het Wicht, of ik ben razent zot naar haar; en wat denkt gy? Ik heb nog
+nooit haar hand gekuscht; 't is waaragtig, Jan. Zy is onnozel[2], dit
+is het, dat my zo ingetogen maakt: want, hoe vele vrouwen ik ook
+bedorf, ik heb nog al reguart voor brave meisjes. Een ligtvaardige is
+myn Pop niet, al was zy zo schoon als deeze meid.--Doch dit is _to
+Bliktri_ voor u.
+
+ Vaar dan wel.
+
+ R.
+
+Noten:
+
+[1] Vleien, hofmakerijen.
+[2] Onschuldig.
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVENTIENDE BRIEF.--Cornelis schrijft heel hartelijk en aardig
+aan H. Edeling, maar ... raad weet hij niet: _vader blijft onvermuwbaar_.
+Raadt hem aan eens aan oom Redelijk te schrijven.
+
+
+
+
+HONDERD-ACHTTIENDE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.
+
+
+_Myn Heer, hoogst ge-eerde vader!_
+
+De zaak, die my, volgens uwe altoos geeerde orders, hier zo vele dagen
+gehouden heeft, is naar uwen wensch volkomen afgedaan. Ik vleije my,
+dat gy genoegen zult nemen in den yver, dien ik heb aangewent, om het
+dermate te dirigeren, dat ik u rekenschap van alles doen kan.
+
+Mag ik nogmaals de vryheid nemen, om te zeggen dat myne liefde voor
+Juffrouw Burgerhart gegront is op de braafheid van haar hart, en dat
+ik _volmaakt ongelukkig_ zyn zal, indien zy de myne niet wordt? Wat
+men ook moge uitstrooijen, zy is, en verdient te zyn, het voorwerp
+myner hoogste achting; en zy deelt nimmer in andere vermaken, dan die
+betaamlyk zyn, noch verkeert met menschen, die, om een slegt karakter,
+behoorden vermyt te worden.
+
+Gy weet, myn altoos geeerde Vader, met welk eene blymoedige onderwerping
+ik alle uwe bevelen heb gevolgt. Dit was een pligt, die de Natuur en de
+Godsdienst van my vorderden: Maar gy zyt Vader! gy zult my immers niet
+ongelukkig maken? zo deeze wensch myner ziel my geweigert wordt, kan ik
+my geen lang leven voorstellen. Ik gevoel my niet wel. De oneenigheden
+met myn Vader treffen myn, door liefde vertedert, hart zeer diep! Myne
+jaren en myn werkzame aart hebben my gestelt boven die dwaze drift, die
+men doorgaans _liefde_ noemt. Myne liefde is wel niet _Platonisch_[1],
+maar zy is echter myne reden onderschikt; zy is bedaart, sterk; zy rust op
+de innerlyke waarde van haar, die myne oogen streelt; zy groeit dagelyks
+in zagte aandoeningen. Moet ik het opgeven, dan zal men zien, dat myne
+geliefde Burgerhart tot myn _leven_ zo nodig was, als tot myn _gelukkig
+leven_. Laat ik u verbidden! Leg uwe vooroeordelen af! Gy kent haar niet,
+geloof my! Heb ik u, myn geeerde Vader! ooit ergens in misleit? zoude ik
+het nu doen, daar de zaak niets minder is dan eene verbintenis voor myn
+geheel leven? Geef my de vryheid, om voor my zelf te kiezen. o Laat ik u,
+ook voor deeze gunstige toegeventheid, mogen bedanken. Ik kies immers
+eene Vrouw voor my; ik zal met haar moeten leven.--Ben ik, in myn zes-en-
+twintigste jaar, nog niet in staat, om uit myn eigen oogen te zien? Kunt
+gy my van eenige wuftheid in zaken van belang beschuldigen? Heb ik ooit
+my tegen uwen wil gekant? Moet ik nu my zelf dat verdriet aandoen? Laat
+ik u myn gansche leven mogen zegenen! Zo myne tederbeminde, als myne
+Vrouw, u met my niet zegent: zo zy uwen ouderdom niet ten troost, tot
+hulp, tot blydschap strekke; zo gy haar niet zult beminnen als eene lieve
+Dochter, vergeet dan, dat gy ooit een Zoon hadt, die zich tekent,
+
+ _Uw ootmoedige Dienaar, en liefhebbende Zoon_,
+
+ HENDRIK EDELING.
+
+
+Noot:
+
+[1] Zuiver geestelijk.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGENTIENDE BRIEF. Hendrik schrijft aan Redelijk, vertelt alles
+uitvoerig en verzoekt zijn voorspraak bij vader.
+
+
+HONDERD-TWINTIGSTE BRIEF.--Redelijk weet evenmin raad: vertrouw op God!
+--als zoon mag Hendrik niet opstaan tegen zijn vader.
+
+
+
+
+HONDERD-EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Juffrouw Burgerhart!_
+
+Ik hoor lieve historietjes van u, al hele lieve ook! Hagel en Slypsteen,
+hoe kan 't zyn? daar je zo veel verstand hebt, en daar je beter je
+Geloof verstaat dan ik, God betert; en daar ik altoos zo geraden heb,
+dat je toch den goejen weg op zoudt. Meisje, meisje! maak my niet boos;
+'t zal er anders op en over gaan; 't zal er ellements te doen zyn. Heb
+je daarom zulke kostelyke Ouwers gehad, en moest ik daarom zo wys met
+je zyn? Ik kom er blaauw af. Schaamt gy u niet zo te lopen rinkelrooijen
+[1] met een overgegeven Ligtmis; en u te kleden, of je in een Fransche
+Winkel stondt? En Mevrouw Buigzaam? och ja; die laat Gods watertje over
+Gods akkertje lopen; zie, dat vind ik verdord gemeen van zo een' Vrouw.
+
+Men hadt, kwanswys, geen trek tot het huwlyk; men was nog zo jong: men
+was nu zo gelukkig: zie zo; dat laat ik, ouwe gek, my maar zo op den
+mou spelden. En onderwyl speelt Madame haar rol, vliegt uit, en loopt
+met allerlei ploerten en ligte kwanten de godgantsche Stad door, komt
+by avond en onty t'huis; ja wel, zie; ik ben zo kwaad als een spin.
+Daarom hadt gy geen zin in 't Huwlyk, met zulk een braaf man, denk ik;
+dat was de zaak: dan zou dat gedraaf en geloop uit zyn, en daar bedankte
+gy voor; niet waar? Myn naam zal evenwel geen Abraham Blankaart zyn, zo
+ik u, zo lang gy onder myne Voogdy zyt, geef aan den een of ander
+Parlevinker[2], al was hy zo ryk als de _grote Mogol_, en al was hy een
+Burgemeester van zyn hals. Ik denk, dat de brave Heer Edeling u nu wel
+zeer bedankt voor de eer van uw gezelschap: hy heeft gelyk; ik zou ook
+zo doen. Antwoordt my maar niet, want ik kom in 't kort t'huis, en zal
+dan nader met u spreken. Ik ben
+
+ Uw Voogd,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Pierewaaien.
+[2] Hier: zwendelaar.
+
+
+
+
+HONDERD-TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
+
+
+_Chere Letje!_
+
+Ik verlang, dat gy t'huis komt. Ik heb verdriet; en ik kan het niemand
+dan u toebetrouwen. Myne Willis is te statig, te deftig; onze Moederlyke
+Vriendin kan ik het nog minder zeggen, want het raakt haar ook. Lees den
+brief van den Heer Blankaart: elke regel is een dolksteek. Myn ziel is
+beroert; myn boezem klopt van spyt, verontwaardiging, en droefheid. o!
+Ik heb vyanden, myne Letje; maar wie is de snode, die my dus mishandelt?
+die my in het duister en onbekent grieft? Hemel! verdagt te zyn van
+misdaden, die nooit in myn gedagten oprezen! gehoont te worden om
+bedoelingen, die ik nooit had; dit is zeer hart, myne Letje. Maar wie
+is die Ligtmis? de man in de maan, geloof ik; uw Broer is een brave
+Jongen; de Heer R. staat bekent voor een zeer ordentelyk man; en met wie
+anders heb ik ooit (want Edeling is buiten alle bedenking,) den minsten
+ommegang gehad? Och, met niemand! Nyd, die my bekladt, gooit ook zeker
+dit lak op den Heer R., die my nimmer reden gaf om hem te schuwen: maar
+de smart, die dat monster my aandoet, is te groot, om daar ook eenen man,
+die my altoos met de grootste achting behandelde, in te doen delen. Onze
+dierbare Vriendin zelf vindt hem onberispelyk; en, zo zy niet geheel in
+het belang van den waardigen Edeling was, dan zou zy mooglyk zyn gedrag
+een nog beter naam geven. Ik heb vermoedens.... maar neen!... dat zou
+al te slegt, al te verfoeilyk zyn.--Hoe 't zy, ik heb een gerust geweten;
+ik heb my van vele dwaasheden te beschuldigen; doch ondeugden zyn my
+vreemt.--Ik moet geduld hebben.
+
+Ik ga wat spelen, om te zien of ik my zelf kan opheffen uit deeze
+verslagenheid.
+
+ * * * * *
+
+Daar ben ik al weer; 't lukt niet! Ik beef, zo aangedaan ben ik.
+Hemel! verdagt te worden van zulk een man....
+
+ * * * * *
+
+_'s Nagts, half twaalf._
+
+Nu, myne liefde, heb ik u veel te schryven. Ik heb de goedaartige
+Lotje verzogt naar bed te gaan, om dat ik noodwendig schryven moest.
+De zoete ziel stonden de tranen in de oogen, "om dat zy merkte, dat ik
+droevig was; en dat onze Vriendin en ik niet zo waren, (zei zy) als
+altoos; och dat deedt haar zo leet." Heeft zy niet een recht lief
+hart, Letje? Nu, ik zal haar ook altoos voorstaan, en te regt helpen.
+
+Van middag viel er niets voor, dan dat Hartog vroeg, of de Heer
+Edeling hier niet meer aan huis kwam; waar op Juffrouw Buigzaam
+antwoordde: dat hy, om zaken van grote aangelegenheid, uit de stad
+was; er byvoegende, dat zy hem waarlyk altoos met genoegen zag.
+
+_Juffrouw Hartog_. Ja, 't is een zoete prater; hy weet nog zo wat
+oppervlakkig mee te doen; schoon ik in 't eerst groter denkbeelden van
+zyn verstand had, dan nu.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ik geef my niet uit voor een vrouw van veel
+kundigheden, om dat ik te wel weet, hoe ik er mede sta: maar my dunkt,
+dat de Heer Edeling een verstandig belezen man is, en zyn gezelschap
+overwaardig.
+
+_Ik_. Ja, ik heb misschien geen kennis van verstand, maar zo hy een
+Uilskuiken is, dan moet een man van verstand een schepzel zyn, daar ik
+niets van begryp; en ik zou een ducaat geven, om zo een man van
+verstand eens te zien.
+
+_Juffrouw Lotje_. Heden, Juffrouw Hartog, je waart evenwel de laatste
+reis zo in de weer, om hem tegen te spreken; was dat sop dan de kool
+wel waart? Zie, ik ben nou maar een eenvoudige sloof, maar daar zou ik
+my nog te wys toe rekenen.
+
+_Juffrouw Hartog_. Ja, Edeling weet zeker genoeg, om met onze Sex zo
+wat voort te komen; doch dat hy geen vogel van de verhevenste vlugt
+is, heb ik al gezien.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Mooglyk is Uwe van gedagten, dat elk, die zich
+niet met het air van Ongeloof voordoet, een lagen geest is; en dan is
+voor my niets raadzelagtigs in deeze uwe zeer vreemde gedagten over
+deezen waardigen jongen Heer.
+
+_Juffrouw Hartog_, (_schamper lachende_). "Aan de vruchten zal men u
+kennen," zegt de Bybel, en dat is immers waar?
+
+_Juffrouw Lotje_. Heer, Juffrouw, gelooft Uwe dan in den Bybel? Gy zei
+laatst, weet gy? op dien Zondag, toen ik zo zat te lezen in myn nieuwe
+Psalmen, dat de Bybel een mooi sprookje was; (_zy werdt root_;) ja, of
+gy root wordt, 't is evenwel zo, Juffrouw.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ei lieve, Juffrouw Lotje, moei u daar nu niet
+mede, om my plaisier te doen, Liefde! Is dit zo, Mejuffrouw Hartog,
+dat smart my; en ik danke Gode, dat ik nooit myne bekwaamheden heb
+willen tonen, in voor te wenden, dat ik niets geloofde; daar ik my
+niet in staat gestelt had, om wel te kunnen oordelen.
+
+_Juffrouw Hartog_. Elk zyne verkiezing, en ik verzoek die vryheid, die
+ik u laat. Gy schynt zeer gecoeffert met uw Vriend; en vriendschap
+vermag veel; doch dewyl ik de vriendschap van zo een eigenwys Heertje
+niet begeer, is myn oordeel te vryer.
+
+_Ik_. Eigenwys Heertje! die uitdrukking is niet verpligtent[1].
+
+_Juffrouw Hartog_. Hoe! is de Heer Edeling dan uw vriend ook? (_my
+spottig aanziende_.)
+
+_Ik_. Mooglyk verdient gy geen antwoord, doch ik zal beleeft zyn; ja,
+hy is myn vriend; en ik vind my met zyne vriendschap zeer vereert.
+
+_Juffrouw Hartog_. Dat kan ik wel begrypen; en die vriendschap doet
+_u_ ook veel eer.
+
+_Ik_. Zy zou zeker u niet tot schande, en nog veel minder tot verdriet
+strekken, indien _gy_ ten minsten genoeg hadt aan zyne vriendschap,
+(_zij werdt bleek_.) Kent gy den Heer Blankaart, Mejuffrouw Hartog?
+(_haar sterk aanziende_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Heden; Liefde! wat vraag is dit nu ook?
+
+_Ik_. Juffrouw Hartog zal my, vrees ik, verstaan.
+
+_Juffrouw Hartog_. Nooit hoorde ik, dat men vreesde verstaan te zullen
+worden: ha! ha!
+
+_Juffrouw Lotje_. Nu, dat's my te geleert.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En my ook, Juffrouw Lotje.
+
+_Ik_. Ja! wist gy wel, dat _ik_ zo eene Scavante was? of liever, dat
+ik zo t'onpas iets kon vragen? Wel nu, 't zal u geen oneer zyn myn
+Voogd te kennen. Hy is wel geen geleert, maar hy is een eerlyk man;
+eene hoedanigheid, die ook al zyn prys heeft.
+
+_Juffrouw Hartog_. Och, myn lieve kind, ik zou nooit geraden hebben,
+dat er zo een man in de waereld was, zo ik u zyn naam niet wel eens
+had horen noemen: neen, ik ken hem niet.
+
+_Ik_. Men zou u occasie kunnen geven, om hem te leren kennen; doch hy
+heeft niets recommandabels dan zyn vroom eerlyk karakter.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Zullen de Dames ook nog ergens van gedient zyn?
+anders zou ik verzoeken om te danken en laten afnemen: 't is my wat
+heel warm in de kamer. Wy allen bogen, dankten, en gingen de een hier,
+de andere daar. Hartog peinsde. Juffrouw Buigzaam ging in haar Tuin,
+zag hare bloemen met blyde vergenoeging. Ik stond voor 't raam, diep
+aangedaan over den ontfangen Brief. Frits had een mand spenage
+gesneden, die hy haar liet zien. "Ja, zei ze, Frits, die spenage staat
+my niet aan.--"Zy is evenwel, in uw Tuin gegroeit, Mejuffrouw."--"Al
+was zy in myn Zydkamer gegroeit, Frits, nog staat zy my niet aan."--Ik
+wou, Letje, dat ik haar toen had kunnen uitschilderen; maar nog liever
+dat gy haar toen gezien hadt! Ik ging zitten spelen, en wou myn
+verdriet weg zingen: 't was of myn vingers de kramp hadden; evenwel,
+ik dreunde lustig door. En Lotje vondt, dat ik mooi speelde: dat zeit
+al zo iets, niet waar?
+
+Wy kwamen allen in de zydkamer byeen, om thee te drinken: Myn hoofd
+was vol, en ik kneep nu en dan een traan weg: wel naarstig aan de
+zakdoeken naaijende, terwyl Lotje breide, of zy er geld mee verdiende.
+--Daar kwam zo waar de Heer R. Het denkbeeld, dat hy beschuldigt was,
+om dat men my benydde, maakte my veel vriendelyker dan ordinair; me
+dagt, dat ik hem vergoeding doen moest; en dat denk ik nog. Hy hadt
+een zeer fraaije bloem op zyn borst; hy zag, dat ik er naar keek; durf
+ik u deeze aanbieden? zei hy, en ik nam die vriendlyk aan; hy was zeer
+fraai.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Is myn Heer R. ook een Liefhebber van bloemen?
+
+_De Heer R_. Ja, Mevrouw, en ik vind, dat in deezen, zo als in alle
+zaken, de Natuur de Kunst oneindig overtreft. Ik heb ook eene kleine
+verzameling van vreemde gewassen, die men maar zelden vindt.
+
+_Ik_. De Heer Blankaart heeft my wel tienmaal belooft, my eens in den
+_Hortus Medicus_ te brengen, maar 't is er nooit toegekomen; en ik
+hoor, dat daar zulke fraaije Planten en Heesters zyn.
+
+_De Heer R_. Laat ik de eer mogen hebben, u daar eens heen te leiden:
+gy zult met verrukking zulk een rykdom der Natuur beschouwen; 't is er
+waarlyk fraai.
+
+_Ik_. 't Zou onbeleeft zyn, dit verzoek af te wyzen.
+
+_De Heer R_. Ik zou om die eer deezen dag zelf nog verzoeken, maar ik
+ben geengageert: mag ik morgen, als het zulk heerlyk weer is, en zo
+zonnig als nu, zo gelukkig zyn, om de Dames daar heen te brengen?
+
+_Juffrouw Hartog_. Ik bedank u; ik ben niet plantagtig; een bloem is
+by my een bloem, meer niet.
+
+_De Heer R_. En wat zegt Mevrouw?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Excuseer my, myn Heer; huisselyke bezigheden,
+en myne zwakheid laten my dit niet wel toe.
+
+_De Heer R_. Deze vriendelyke Juffrouw zal dan wel gelieven mede te
+gaan?
+
+_Juffrouw Lotje_. Ik zou 't gaarn doen, maar ik moet morgen ogtend
+tydig by myn Oom en Tante zyn, om naar den Hout te ryden.
+
+_De Heer R_. Zo dat, Mejuffrouw, gy zult u dan met myn gezelschap
+alleen zien te vermaken?
+
+_Ik_. o, Myn Heer, maak geen complimenten.
+
+Hy boog. Nog een kwartier gezeten hebbende, zeide hy, dat hy morgen
+ten vier uuren zou maken aan huis te zyn, en vertrok. Onze Juffrouw
+Scavante las; wy spraken weinig. Elk scheen in gedachten; myn kind
+zeker over haar vrolyk reisje naar den Hout; ik over den Brief; en
+Juffrouw Buigzaam?--dat wist ik toen nog niet!
+
+Na het thee drinken stondt de lieve Vrouw op, nam een boek mede, en
+ging in het Tuinhuis zitten; (zo als ik naderhand zag.) Ik zag
+mistroostig, ongemaklyk[2], en stond ook op, my naar den Tuin
+begevende, om ruimer adem te scheppen. Doe ik u ook belet, Juffrouw
+Buigzaam? anders ga ik weer heen.
+
+_Zy_. Integendeel, _uw_ gezelschap is _my_ altoos aangenaam.
+
+_Ik_. Dan zal ik my by u zetten. (_Zy zag onderwyl al in haar Boek_.)
+Ik moet u iets vragen. Zyt gy misnoegt op my? als dat waar was, dan
+zou ik zeer ongelukkig zyn.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. (_Haar boek toedoende_.) Misnoegt? Hier uit moet
+ik opmaken, of, dat gy my voor zeer grillig houdt, en dat hoop ik
+nooit te verdienen; of, dat gy meent, my eenige reden daar toe gegeven
+te hebben.
+
+_Ik_. Zo ik u van grilligheid verdagt hield, dan zou uw misnoegen my
+niet ter harte gaan; dewyl ik begryp, dat de capritieuse vrouwen geen
+meer achting verdienen dan capritieuse mannen.
+
+_Juffrouw Buigzaam_. En doet het u waarlyk leet, dat ik niet zo
+gemeenzaam met u ben als van te voren?
+
+_Ik_. Ja, zeker; maar dat gy my dit vraagt, treft my niet minder. Gy
+weet dan nog niet, hoe hoog ik u acht; of hoe hartlyk ik u bemin; en
+hoe zal ik u daar ooit van kunnen overtuigen? (_Ik had tranen in myne
+oogen_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. _Als_ gy my in dat licht beschouwt, dat ik
+waarlyk uwe achting niet onwaardig ben, waarom maakt gy dan zo weinig
+gebruik van myne oprechte vermaningen?
+
+_Ik_. _Als_, zegt gy met nadruk!
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Is het zo niet? Kom aan, wy zitten hier nu onder
+vier oogen. Laat ik eens met u praten: wilt gy?
+
+_Ik_. Niets zal my aangenamer zyn. Maar zeker, zyt gy t' onvreden?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Ja! en nog meer verdrietig: ik heb u te lief, om
+niet beide te zyn.
+
+_Ik_. Wees nu alles wat gy maar wilt, indien gy my maar lief hebt: Mag
+ik u echter vragen, wat u hier toe beweegt?
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Uwe eigene onvoorzichtigheid.
+
+_Ik_. (_Ik werd ongemakkelyk, en zy zag het ook_.) Myne eigene
+onvoorzichtigheid!
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Niets anders.... Maar my dunkt, dat gy niet zeer
+geschikt zyt, om thans onaangename waarheden te horen; en ik beken,
+dat ik geen recht heb om u die te zeggen, ten zy de vriendschap my dat
+recht geeft. Willen wy de zaak daar laten?
+
+_Ik_. Zo als gy verkiest: niemand hoort gaarne onaangename waarheden;
+'t is des geen mirakel, dat ik er niet veel smaak in heb. (_Zy zag my
+zeer bedaart, doch niet minzaam, aan_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. O myn kind, speel niet met uw eigen geluk! (_Dit
+woord brak myn trotschheid; ik rees op, omhelsde haar, schreide aan
+haar hals; zy kuschte myne gloeijende wang, trok een stoel naast den
+haren, en zei_:) Zit, myne Liefde; waarlyk, ik meen het wel met u.
+--(_Ik kon niet spreken, ik snikte_.) Zy ging voort: De Voorzienigheid,
+die alles in de zedelyke en natuurlyke waereld bestuurt, die altoos voor
+alle hare schepzelen het beste beoeogt, heeft u, tegen uw uitzicht aan,
+by my gebragt. Dat ik u lief kreeg, was zeer natuurlyk; dat gy my met
+achting behandelde, ingelyks. Ik leerde u kennen, ik zag, dat gy een
+voortreffelyk jong mensch waart; en dat, zo gy altoos uw schrander
+oordeel volgde, zo gy altoos[3] in goede handen vielt, vooral, zo gy de
+vrouw wierdt van een achtingwaardig, u beminnent man, gy een voorbeeld
+in het huisselyk leven zoudt kunnen worden, om dat gy u dan zoudt
+verheffen boven uwe sterke neigingen tot zulke vermaken, die nooit onze
+pligten moeten uit den weg stoten, of zy worden hoogst afkeurelyk. Geen
+meisje van zulk een edelen geest doet ook iets uit dwang: en mogelyk zou
+ik, indien dit het eenige goede middel voor u ware, uit alle vrouwen
+minst geschikt zyn, om u nuttig te zyn.
+
+Gy krygt gelegenheid om eene party te doen, die zelf uwe zalige Ouders,
+(zyn zy nu nog vatbaar voor aandoeningen, die uit deeze beneden waereld
+ontstaan; iets, dat my zo voorkomt,) moet verheugen. Elk, die belang in
+u neemt, wenscht, dat gy toch moogt besluiten, om u van dat geluk te
+verzekeren. De man, zo beminlyk, zo edel denkent, en zo volmaakt geschikt
+voor u, als gy voor hem zyt. Wat doet gy? Dat gy hem nog niet genoeg
+bemint, om hem u zelf te geven, daar op is niets te zeggen: maar gy geeft
+u dermate toe in uitspanningen, die in 't oog vallen, dat de Waereld niet
+nalaat, om u zo aftebeelden, als gy nooit worden kunt: men houdt u voor
+_Coquet_, voor _une Dame du Ton_; voor een Meisje, dat zich, in alle hare
+daden, geen ander oogmerk voorstelt dan Divertissement. Kan ik, die u als
+myne eigen Dochter bemin, dit zien, zonder op u misnoegt, en over uw
+gedrag zelf bedroeft te zyn? Gy weet, Liefde, dat ik geen behagen heb in
+den Heer R.; ook niet, (dit volgt er uit,) dat gy met hem uitgaat. Ik kan,
+dat is waar, u wel geen reden geven van deeze ongunstige aandoening; doch
+gy weet echter, dat gy my veel genoegen zoudt aandoen, indien gy deeze, u
+onschadelyke, opvatting in acht geliefde te nemen: dat doet gy niet; en
+nog deezen namiddag geeft gy weer uw woord.
+
+_Ik._ Hadt gy my maar een woord gezegt!
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Wanneer moest ik u dit eene woord gezegt hebben?
+Voor de zaak gebeurde? gy waart niet zo gehumeurt als voortyds; gy
+hadt iets, dat u trof; en ik was de Confidente niet. o Liefde! niets
+ontglipt my van u; ik moet voor u zorgen, myne genegenheid gebiedt het
+my, al zo zeer als myn pligt.
+
+_Ik._ Ik heb vyanden: ik word gelastert.
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Dat kan niet anders: en zo gy voortgaat, met hen
+stof te verschaffen, zullen zy u nog anders kwellen. Maar, (om ons
+discours te vervolgen,) toen het voorstel geschiedde? Ei lieve, wat
+recht heb ik, om u in gezelschap te behandelen of gy myne mindere
+waart, aan wie ik alles mag zeggen? om, met een woord, als uwe
+Gouvernante te handelen? Ik denk, dat dit u ook maar matigjes zou
+hebben aangestaan.
+
+_Ik._ Wel, wat kwaad is er dan in, dat ik met een fatsoenlyk man den
+_Hortus Medicus_ ga zien?
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Net zo veel kwaad, als of gy u door Frits naar de
+kerk liet brengen. Van het kwade spreken wy ook niet: al, wat dien naam
+verdient, is beneden u; dat weet ik zeer zeker: maar zo gy waarlyk myne
+Dochter waart, dan zou ik u, a1 wat u geen goed gerucht door uwe vyanden
+kon geven, u volstrekt verbieden: _Het heeft immers zulk een haast niet,
+zoude ik zeggen myn Heer; myne Dochter zal, met haar Voogd Blankaart,
+die haar dit belooft heeft, den een of andren dag dat vermaakje wel eens
+nemen._ Gy waart ook buitengemeen vriendelyk tegen hem.
+
+_Ik._ Hy wordt, buiten zyn weten, om mynent wil beledigt; en dat valt
+my te zwaar, om hem, ook buiten zyn weten, daar geene vergoeding voor
+te doen: doch, zo uw mishagen gegront is, wel, gy zyt meestresse van
+uw huis; wagt hem nooit meer af.
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Ik wagt hem nooit af. Hy is een fatsoenlyk man,
+ik kan my, op zo eene directe wys, van myn recht als Meestresse ook
+nog al zo niet bedienen: maar indien gy, ten zynen opzichte, minder
+gemeenzaam waart; indien gy, als hy inkwam, opstondt, onder het een
+of ander voorwendzel, en voornam, altoos te bedanken voor alle zyne
+aanbiedingen, dan zou de Heer R. wel dra verdwynen, en ons geen
+verschilstoffe aan de hand geven.
+
+_Ik._ Daar toe heb ik geen reden; en dewyl ik hem niet anders ken dan
+voor een fatsoenlyk, aangenaam man, die zich een eere maakt in my
+plaisier te doen, kan ik daar niet toe besluiten: indien ik den Heer
+Edeling beminde, indien ik hem eenige hoop gaf op myne bezitting, dan
+was het eene andere zaak; en ik zou dan juist doen, zo als gy nu van
+my eischt, dat ik doe.
+
+_Juffrouw Buigzaam._ Ik eisch het niet van u; uw eigen geluk, uwe
+achting voor u zelf, uwe achting voor den Heer Edeling, eischen dit.
+_Ik_ heb niets te eischen: al wat ik doen kan, is u ten besten raden,
+en dat doe ik waarlyk: gave de Hemel, dat myne zorg voor u geheel
+nodeloos was! want, hoe het ook ware, uw ongeluk zou myn hart doen
+bloeden. Ik bemin u, myn kind: ik zie zo veel goeds in u; uwe
+dwaasheden zelf groeijen op den besten grond. (_Ik weende._)
+
+_Ik._ Dierbare Vrouw! vergeef my deeze eene reis myne verkeerde losse
+toegeventheid! Nooit, nooit zal ik weer bedroeven, gy zult alle myne
+daaden en gedagten regelen; ik zal den Heer Edeling recht doen. Ik heb
+dit alles zo niet beschouwt, o! Wat zou ik ongelukkig zyn, zo ik u
+verloor! Dat zie ik meer en meer; maar ik zal alles vergoeden; ik zal
+met u, en met Letje huisselyk leven; wy zullen niet dan met Edeling,
+of haar Broer, nu en dan eens een uitvlugtje nemen; als gy 't zelf
+goed vindt, anders niet. Zie daar, ik geef my, ter myner verbetering,
+geheel aan u over! (_Zy drukte my aan haaren boezem_.)
+
+_Juffrouw Buigzaam_. Myn eigen lief kind! alles is nu wel, alles is
+afgedaan; ik weet, dat gy het oprechtste meisje van de waereld zyt;
+en dat gy ook doen zult, meer nog dan gy my belooft.
+
+Na nog wat zittens en minzaam samenpratens, vroeg zy my, of wy wat
+wilden gaan musiceeren? o Zeer gaarn, zei ik. Zy droogde, met haar
+eigen zakdoek, een traantje of vier af, kuschte my; haalde myn Voile
+wat neer, op dat niemand myn beschreit gelaat zien zou, (denk ik,) en
+wy gingen elk voor 't Clavier. Nooit speelde zy zo verrukkelyk; al
+hare tonen stemden met myn ziel, en zy zong haar favorite Air:
+
+ _Ah! que l'amour est chose jolie_!
+
+zo heerlyk, dat myne vingers stil stonden. Vervolgens spraken wy van
+den Heer Edeling, en over zyne t'huiskomst. Hebt gy hem, vroeg zy,
+eenig gunstig onthaal toegeschikt?
+
+_Ik_. Wel, ik verlang waarlyk, dat hy hier is; ik weet het niet, maar
+er [is] iets zo ledigs, nu hy hier niet is: dunkt u dat ook niet? me
+dunkt, dat Letje en hy zo recht by ons behoren. Ik wist niet, dat ik
+zo over hem denken zou, nu hy hier niet is; doch 't is echter niet
+anders. (_Zy glimlachte, en noemde my Engel_.) En vraagt gy nu,
+"waarom vertrouwde gy haar den Brief van uwen Voogd niet toe?" Om dat
+ik, zelf voor deeze dierbare Vrouw, niet wil weten, dat zy in dit
+opzicht het zo wel hadt. Dit is mooglyk verkeert; maar neen: die
+vernedering is my te smartelyk.
+
+Ik was byzonder stil onder ons soupeetje; Juffrouw Buigzaam insgelyks;
+beide mooglyk uit verdriet, dat wy verschil gehad hadden. Lotje durfde
+niet spreken, dan met de Kat, en Hartog hieldt een deftig, styf,
+peinsagtig air. Wy gingen vroeg naar bed, en nu schryf ik u deezen,
+om hem by de eerste occasie te verzenden. Nagt Liefde. Kom spoedig by
+
+ Uw teder liefhebbende Vriendin
+
+ SARA BURGERHART.
+
+P.S. De Brief van myn Voogd sluit ik hier in.
+
+
+Noten:
+
+[1] Vleiend.
+[2] Ontstemd.
+[3] Tenminste.
+
+
+
+
+HONDERD-DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER R. AAN DEN HEER G.
+
+
+_Vriend Jan!_
+
+Uit is de klugt! de myne--de myne is zy, moet, zal zy zyn. o! Dat lief
+Bekje! En hadt gy waarlyk zin om den _Hortus Medicus_ te zien? Nu,
+Schat, gy zult veel meer zien; of ik verdien voor schelm uit het
+Regiment Ligtmissen gejaagt te worden. En kon Mevrouw Buigzaam niet om
+huisselyke zaken? o Ik heb achting voor _huishoudende Vrouwen_; gy doet
+wel, schone Weduw!
+
+Bezorg, dat morgen voor den middag myn Fargon en de harddravers, _Kwast_
+en _Bles_, gereet zyn, om naar buiten, doch langs een omweg te ryden.
+Hou u daar van daan: ik heb u niet noodig; zeg alleen aan den Tuinbaas,
+_dat ik met een meisje kom_, dan weet hy genoeg. Hy moet my niet kennen
+voor 't nodig is; en dan zal ik hem dat wel beduiden. Hy is een gaauwe
+Kerel; hy moet maar niet weten, dat deeze Dame geen maitres van my is;
+want hy babbelt dan maar weer van zyn conscientie; en, schoon ik op geen
+hand vol ducaten zie, als ik wellust kopen wil, zo hoef ik hem echter
+niet te vroeg ryk te maken. Ik zal Buiten zyn tegen vyf uuren, of half
+zes: de Fargon[1] moet in 't koetshuis, en de Paarden moeten, zo als zy
+van voor 't rytuig komen, op stal gezet worden. Ik zal de rest wel
+schikken. Philips moet maar te rug gaan.
+
+Onthou myn orders wel. Daar! daar hebt gy vyftig ducaten, om uw schulden
+van eer te betalen. Ik ben flaauw van vreugd. Zo een meisje; zo een engel;
+zo rein als een Kind; zo onkundig van haar gevaar; die niet eens vermoedt,
+dat ik de Belsebub ben, die het op haar bederf toelegt! want trouwen,
+Liefstetje, daar kan ik niet aan doen. Zie; zo praat ik al in en met my
+zelf.
+
+ R.
+
+
+Noot:
+
+[1] Fourgon? Hier: gesloten wagen.
+
+
+
+
+HONDERD-VIER EN TWINTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland aan Sara: Benjamin
+en Slimpslamp _zijn er met bijna al haar geld van door_! Ze vraagt
+vergiffenis aan Sara en voorspraak bij Blankaart.
+
+
+HONDERD-VIJF EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara _vergeeft alles en belooft
+voorspraak_. Zal zelf komen.
+
+
+HONDERD-ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Saartje is
+zoek! _Ze is met_ R. _uitgegaan en niet teruggekeerd_. Ze wachtten op
+haar den dag, den nacht, in doodelijke spanning; eindelijk, _om vijf
+uur, daar is_ Sara. O, o!--die vreeselijke R! Gelukkig Saartje _is
+ongedeerd gebleven maar heelemaal overstuur_. Hendrik is er zelf ziek
+van!
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT.
+
+
+_Lieve Vriendinne!_
+
+Ik ben te beschaamt, om je onder de oogen te komen, daarom schryf ik u
+deezen Brief. Och! ik ben een verloren menschje! Had ik toch naar je
+gehoort; maar, wat zal ik zeggen? Ik geloof, dat myne zonden my alle
+deeze elenden hebben op myn hoofd gehaald, och ja! Ik was recht
+toornigjes op u, toen gy laatst by my waart: want ik meende, dat je zo
+niet tot het diepste van ons wegje waart doorgekropen; dat het allegaar
+zoo maar stukwerk was, om dat je zo weinig zin hadt aan Broeder Benjamin.
+Wat heb ik my voor den Here vernedert, om dat ik eenigen agterdogt omtrent
+dien Huichelaar plaats gaf! 't is een Belials-kind, een uitgepleisterd
+graf, van binnen vol stank en doodsbeenderen. En zy is eene Jezabel. Zy
+heeft my strikken gespannen; zy heeft my op myn droggrond neergezet. Zy
+heeft my wys gemaakt, dat al myne ongerustheid ingevingen des Duivels
+waren. Zy is eene Architofellinne, die my nog voor agt dagen zo een
+goddelozen raad gaf, met opzicht tot myn Nichtje Burgerhart. Maar de
+Here liet zyn schepzeltje niet los: en toen schreef zy my een Briefje
+van berouw, in zulk een gezalfden styl, Styntje! zy kermde daar in,
+dat zy nu twee dagen en drie uuren in 's Duivels magt geweest was. O,
+'t was zo een dierbaar Briefje! En toen was het, dat zy tegen den
+Hypocryt zei, _kom, laten wij een graf graven, ende Zanneke daar in
+werpen_; want zy liet my belet vragen; zy hadt zalving voor haar
+verbryzelt herte nodig, en Broeder zou dan, nu des Heren yver hem
+vervulde, eens regt zielnadereade en gemoedelyk oeffenen. Wat stelde
+ik my een gezegent dagje voor! ja, Styntje, ik liet het gemeste kalfje
+slagten, en de zegeningen der linkerhand werden niet gespaart. Och, ik
+ben toch altoos zo een Kruipertje op het genadenwegje, en was zeer
+gesticht. Benjamin was eerst een regte Boanerges, en toen een Zone der
+vertroosting; en Slimslamp was geheel in een afgezakten staat; doch
+daarna geheel heilige vreugde, zo zei dat Ezeltje. Ik merk, zei de
+goddeloze man, dat hier van avond een byzondere zegen over het werk
+van myn dienst is. Uw huis is een Bethel, Zuster, een Nieuwkerk, laten
+wy dan blyde zyn: drink, Vriendinnetje, je bent al te bedroeft geweest
+en je leven is den Sionieten dierbaar. Nu moet je weten, Styntje, dat
+ik niets verdragen kan; myn hoofdje is zo zwakjes, zo zwakjes: och ja!
+en toen raadden zy my wat te gaan liggen, en dat deed ik. o Wat
+bezorgden zy my! maar ik was danig bedwelmt.--'s Ogtends ontwaakte ik
+vry wel, maar ik was toch bezwaart, om dat ik onder zo vele stichting
+my door het schepzeltje had laten vangen. Bregt was ook ziek, zei ze.
+'t Was laat, toen wy opstonden; zy was stom dronken geweest. Daar ga
+ik in myn binnenkamer, en zie myn Geldkoffertje niet, daar het plagt
+te staan: "Bregtje, riep ik, heb jy 't Kistje verzet?" "Och neen, zei
+ze, is 't weg? en ook 't zou my wat zwaar zyn alleen." Want Styntje,
+ik had veel contant geld van afgeloste Obligatien, en een Huis, dat ik
+verkogt had, en myne Juwelen lagen er ook allegaar in; en daar hing zo
+een groen kleedje over; och ja, Styntje, Bregt vertelde my toen, dat
+Keetje haar wyn hadt ingedrongen, (maar dat zei ze ook eens van myn
+Nichtje,) en dat zy haar toen in de keuken op kussens hadden neergelegt;
+meer wist zy niet te zeggen. Nog dogt ik geen kwaat van die Hellewigten.
+Och, dagt ik, Bregt zal de deur hebben open gelaten, en 't Kistje zal
+gestolen zyn! Ik zond een kruijer naar Benjamins kamer, en naar die van
+Kee; maar de Buren zeiden, dat de Kamers leeg waren, dat zy voor een dag
+of agt wel meubeltjes hadden zien wegbrengen, maar wisten niet waarhenen.
+Ik ging voort naar Domine P., die my raadde het in de Courant te zetten,
+en zo te zien, dat zy in handen der Justitie kwamen, dat zal ik doen. Nu
+ben ik wel twee derde deel van myn goedje kwyt. En al myn Nichtjes goed
+hebben zy laten staan. Bregt, nu zy weet, dat ik arm ben, bejegent my
+vreselyk en vreselyk. Nu zal dat jonge dartele Saartje lachen, en my
+bespotten; en de Heer Blankaart, haar Voogd, komt ook t'huis. 't Water
+is aan de lippen. Ja, dien man heb ik ook zo belastert; och ja!
+
+Hy heeft het wel gezeit! Zanneke, zei hy, dat volk loopt op je zak, ze
+bedriegen je. Jy bent een regte Saulus, zei ik dan. En wat gaf Benjamin
+niet voor, dat hy zo eene innerlyke dingsigheid voor my hadt: hy was jong,
+moet je weten; hy hoopte, dat wy nog eens tot eenen vleesche zouden worden,
+wy die twee waren van natuur. Wel heden, Styntje, het er niet een heel
+praatje gegaan, dat ik een jok met den Broeder zou aantrekken; en heeft
+de Heer Blankaart, heel in dat Paapsche Vrankryk, er zich niet mede
+bemoeit? Als ik zo alles nadenk, zou ik myn gryze hair wel uit men hoofd
+scheuren. Myn geld, myn kostelyke geldje is weg, ik ben bedrogen. Och! wat
+ben ik een droevig sukkeltje! En hoe zal myn Nicht nu tot opspringens toe
+blyde zyn! Nu zal zy zeggen, straft onze lieve Heer myn Tante, die my zo
+kwalyk bejegent heeft. Zie, ik moest je dat zo allegaar eens schryven.
+Schryf een lettertje aan
+
+ Uwe elendige Zusje,
+
+ ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+[Illustratie: ha! da's een kereltje! zei hij!
+Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave
+van 1782.]
+
+
+
+
+HONDERD-ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.
+
+
+_Vriendinne Hofland!_
+
+Ik weet nog niet, of ik my over uw geval bedroeven of verblyden moet:
+maar ik ben zeer neerslagtig, als ik zie, dat er zulke goddeloze
+menschen in de Waereld zyn, die, _onder den dekmantel der Godzaligheid_,
+erger doen dan zy, die niet leven onder de indrukken van Dood en
+Eeuwigheid. Gy zyt dan het slagtoffer hunner geveinstheid en godloosheid!
+Wat zal ik zeggen! De wegen des Heren zyn onnaarspeurbaar, en de middelen,
+die hy aanwendt, om verdoolde schapen tot de regte Kooi weer te brengen,
+aanbiddelyk. Ik verheug my, dat de Here u zo lief heeft, dat hy u juist
+ontneemt, daar gy uw hart op gestelt hebt, en waardoor gy altoos in 't
+goede te rug gehouden wierdt. Ik heb u lang met meelyden beschouwt, om
+dat ik zulk schuim van Oefningsvolkje kende.--Ik weet, dat men daar, met
+oogen vol overspel, en een hart vol boosheid, een vrybrief naar den Hemel
+krygt; en ik ben in lang voor een openbaar zondig mensch zo bang niet, als
+voor zulk soort. Wel, zo de Apostel Petrus eens in uwe Oeffening gekomen
+was, dan zou hy tegen Benjamin ook gezeit hebben: _o! gy kind der Helle,
+vol van alle bedrog en godloosheid_, zo als hy tegen Simon den Tovenaar
+zei.
+
+Ik heb u, daar ik God nog voor dank, gewaarschuwt. Wat zou ik my anders
+nu bezwaart gevoelen! Maar gy zaagt my aan voor hunne Vyandinne, en ik
+vond geen ingang tot uw verbystert hart. De Here zelf moest u uwe zonden
+voor oogen stellen. Gy waart gierig, onrechtvaardig, boosaartig, nydig;
+gy deedt uw eige Zusters Dochtertje te kort. De gierigheid zou u voor
+altoos bedorven hebben; want gy waart gerust in uwe ongerechtigheden;
+men maakte u wys, dat dit uwe Koningszonde was; dat gy zo iets moest
+hebben, om u laagjes te houden; zo een _Engel Satanas_, die u sloeg. Hoe
+meer gy afweekt van het kenmerk eens waren discipels des Heren, hoe meer
+men u wys maakte, dat _gy by Jezus waart_.
+
+Om u tot bekering te brengen, ontneemt de Here u dat goed, en wel door
+uwe geveinsde Vrienden. Gy hadt met Gods oude Volk twee ongerechtigheden
+begaan. _Hem, den Springader des levendigen Waters, hadt gy verlaten, en
+u zelf gebroken Bakken uitgehouwen, die geen water en houden_. Is u de
+Bekeering ernst, wel zie daar, ik geef u een zeer goed Toetssteentje.
+Kunt gy Gode hartelyk danken, om dat hy u dat aangebeden geld ontnomen
+heeft? Kunt gy u in Gode verblyden, om dat gy uit zulk een _geestlyk
+Sodom_ geret zyt? Kunt gy besluiten, om aan uwe Nicht schuld te bekennen,
+haar al het hare te geven? Kunt gy den Heer Blankaart om vergeving bidden;
+om dat gy zyn Voogd-Kind als gedwongen hebt, om, in hare jonge jaren, de
+ruime Waereld in te gaan? Ik vraag u niet, of gy uit waar berouw u voor
+den Here kunt vernederen; als gy het eerste doet, zal dat wel volgen; en
+kunt gy tot het eerste niet komen, het laatste zal u weinig helpen. Ja,
+Vriendinne, het zal danig op den ouden mensch der zonde aankomen. Maar
+dit is de ware zelfsverlochening. Dit is de Evangelische Leer. Dit is het
+_Innig Christendom_. Buiten dit is alles ydelheid; _dan hebt gy geen
+Godsdienst_. Doet gy dit al? dan zult gy vreugde en rust hebben, en gy
+zult den Here danken, om dat hy u uwen afgod ontnomen heeft. Gy zult
+zien, dat uw verlies tot winst wordt.
+
+Laat Bregt gaan, zo gy kunt; zy voegt beter by de Benjamins en
+Slimpslamps, dan by u. Ik zal u een goed mensch bezorgen, om uw werk
+te doen, tot dat wy weten wat en hoe. Vervolg de boze Huichelaars
+niet; 't is geld vergeefsch uitgeven, en u zelf tot bespotting
+maken.--Als ik weet, of gy mynen raad goedkeurt en opvolgt, zal ik
+verder met u spreken. Beproef u aan het Heilig woord, en laat my eens
+weten, hoe gy gezint zyt; want daar van zal myn gemoedshandel met u
+afhangen. Beproef ook, of myn raad uit God is. Altyd gedenk ik u in
+myne gebeden, want ik ben in waarheid
+
+ Uwe Vriendinne,
+
+ STYNTJE DOORZICHT.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Arnold Helmers, Aletta's vroegere
+weldoener, schrijft haar: neem neef Pieter, _is zeer geschikt voor
+je_.
+
+
+HONDERD-DERTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland komt tot de lektuur van
+_Thomas a Kempis_: Imitatio Christi. Brecht _is in een bierkroeg
+verzeild_.
+
+
+HONDERD-EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik heeft Sara gesproken; _zeer
+zwak, maar beterend_.
+
+
+HONDERD-TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.--Aletta aan Helmers; ze kent Pieter
+heelemaal niet! maar haar hart is vrij, misschien....
+
+
+HONDERD-DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.--Stijntje Doorzicht heel wijs en
+vroom aan Zuzanna Hofland: ze haat volk als Benjamin c.s.; van Sara
+heeft ze een lieven indruk.
+
+
+HONDERD-VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis bericht Sara de
+thuiskomst van Moeder en haar; ze zullen veel te praten hebben. _Zij
+weet van de historie met R. niets_. Zij zelf gaat binnenkort trouwen.
+Is Smit eenmaal ergens beroepen, dan _blijft_ hij er; _hij is
+gematigd, houdt niet van godsdiensttwist_.
+
+
+HONDERD-VIJF EN DERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan H. Edeling; zij
+houdt den zieken Hendrik op de hoogte; Sara _gevoelt zich_ H. _nu
+vooral niet meer waardig_, toch verlangt ze naar Hendrik, evenals naar
+Blankaart, _die al op reis is_ huiswaarts.
+
+
+
+
+HONDERD-ZES EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
+
+
+_Ge-eerde vrouw!_
+
+Gy zyt immers niet moeilyk, om dat ik uwen laatsten Brief niet
+beaentwoort heb? Hoor, Mevrouw, ik ben niet al te wel te vreden op u,
+en knorren op eene vrouw, dat is my onmooglyk; (op een stout meisje
+bruit er nog zo wat mee heen.) Maar, zie, ik kan ongelyk hebben: nu,
+wy zullen dat appeltje wel schillen; want ik kom t'huis, en 't zal er
+onder en overgaan, zo Saartje maar zie zo veel op de kerfstok heeft;
+en als het op de eene regent, zal het op de andere druppelen; want men
+heeft my zo wat gezegt, dat my verdort en verdort weinig aanstaat. Jan
+struksje! als ik evenwel eens bedrogen was? wel, dan wierd ik averegts;
+en ik mogt u wel, met een strop om myn hals, en een brandende kaars in
+myn hand, om vergeving bidden; zo als ik hier wel gezien heb, dat de
+Papen voor de Heilige Maagd deden.
+
+Nu, dat zal zich wel redden! Ik zal u onderwyl maar eens verhalen, dat
+ik met twee goeje, grote, lange Hollandsche Jongens t'huis kom. Ja, ik
+heb al rare klugten! Daar kom ik, 's daags voor ik uit Parys gaan zal,
+in een Hollandsen Logement, het eenige, dat er in de hele godgantsche
+Stad te vinden is; en daar ik meermaal naar toe ga? om eens Hollandsche
+nap te eeten, en een schoon servet te hebben. Ik zit vredig en wel aan
+myn tafeltje; met Snap, myn Patryshond, zo aan myn zy, braaf te schransen,
+toen er een fraai jong Heer inkomt, die er uitzag als een bloeijende roos,
+en dat neemt my aanstonds ten voordeel van zulke jonge maats in. Hy sprak
+zeer goed Hollandsen: jy bent geen Fransch fatsoen, dogt ik, maar wie ben
+je? Nu, ik kon dat zo niet vragen: _hei, hoor eens hier! jy, met die
+groene rok daar, wie ben je_? Nog geen half kwartier daar aan, of daar
+komt myn oude kennis, myn beste Willis. Ik stond op, en gaf hem, op zyn
+vaderlands, de hand. Welkom, myn jongen, zei ik: kom, zit aan, en eet wat
+met my; en ik vroeg hem duizend vragen te gelyk. "o, Zei de goeje jongen,
+myn Heer Blankaart, wat heb ik naar u gezogt! men zeide, dat gy vroeg
+waart uitgegaan, meer niet; ik heb wel in vyftig Coffyhuizen en Logementen
+geweest, gy waart er niet; eindlyk zei een Heer, die u scheen te kennen,
+dat de goede Heer Blankaart zeker aan zyne Hollandsche maaltyd zat; en hier
+uit besloot ik, die uwe gewoonte ken, dat gy in dit Logement waart:" Hy
+vroeg my aanstonds naar het stout Dingetje; en ik zei, dat alles wel was;
+wat zou ik gezeit hebben?
+
+Myn mooije jongen hoorde naauwlyks, dat ik Abraham Blankaart was, of hy
+kwam by my, en zei, dat hy ook verzogt om de eer van met my te eeten;
+"ik kan my niet beter by u recommandeeren," zei hy, "dan door u te zeggen,
+dat Hendrik Edeling myn eigen Broeder is."
+
+Zie, Mevrouw, dat was my zo aangenaam, zo aangenaam, dat ik het niet
+zeggen kan. Komt, kinderen, zei ik, zit aan, en weest myne Gasten. Zy
+aten als rovers; en de wyn, die 't hart verheugt, smaakte zo goed, dat
+ik myn flesje kraakte. Toen aan 't praten over Oost en West, over
+negotie, over ik weet niet al waar van. Zie, onze jonge lui weten toch
+veel meer dan wy; dat is niet anders; en daar ben ik blyd om. Edeling
+zei, dat hy op zyn vertrek naar Holland stondt. Willem zei ook zo;
+doch dat hy nog drie dagen moest vertoeven, om aan zyn Patroons order
+te voldoen. Wel, zei Edeling, dan zal ik naar u wagten. Ja, zei ik zo,
+jonge lui, ik meen ook te gaan. Daar hadt men 't leven gaande! "dat ik
+hun toch mede nemen wilde; dat zy toch zo gaarn met my wilden reizen."
+Wat zou ik doen? Ik ben een ouwe Gek; om die twee jonge vlasbaarden
+werdt myn reis nu nog drie dagen uitgestelt. Nu, wie weet, hoe wel ik
+er aan doe? Als 't immers myne kinderen waren, zou ik blyde zyn, dat
+zy met een ordentlyk man t'huis kwamen; en ook, 't zyn lieve jongens!
+Edeling is niets dan vreugd en vernuft; en Willem, wel, dat is de
+beste jongen in heel Amsterdam, zeg ik u.
+
+Toen wy van tafel opstonden, zei ik: "Kom, jongens, nu zullen wy eens
+hier en daar gaan, en het een en ander gaan zien. Die te Romen is,
+moet den Paus spreken;" en ik sleepte hen ook braaf door den mostert:
+Maar wat ben ik nu in myn kragt! Nu hoef ik myn schrale voorraat van
+Fransch niet benaauwt uit te stallen. Dat koetert, dat koetert; 't is
+of die Edeling zyn tong voor 't Fransch gemaakt is. Tegen den avond
+ging ik met hun naar mynent, en zei: "komt, haal je lui je Valiezen
+maar; ik moet je lui by my houden." Wel, myn hart springt op, als ik
+een Hollander zie; en geen wonder, myn Snap is net al eens: en dat is
+nu maar een hond, wil ik spreken; zo dat ik hield hen beide, en dogt;
+"'t Is een verleidelyke plaats; en als zy by myn zyn, valt er niet op
+marode[1] te gaan." De beide jongens hebben veel met elkander op; dat
+is braaf: men weet niet, waar het te pas komt, een mensch zonder
+vriend is een droevig schepzel. Daar was nu Saartjes Vader, wel die
+was my zo een waart vriend, dat zyn plaats in myn hart maar niet kan
+gevult worden. Mooglyk, als wy zo wat oudaegtig worden, Mevrouw, wil
+dat zo goed niet meer. _Alles_, zeit de wyze man, _heeft zyn tyd_.
+En 't is ook zo; ik ondervind het zelf wel.
+
+Ik meen myn reis op Brussel te nemen, en het heerlyk Brabandsch
+Quartier nog eens door te trekken; dan gaan wy op Antwerpen, daar ik
+ook nog iets te doen heb, en denk over Rotterdam naar Amsterdam te
+komen, om het overschot myner dagen buiten beslommering door te leven,
+tot dat de Here God Abraham Blankaart in zyn zalig ryk zal opnemen;
+want dat is toch het voornaamste, en daar by is al ons gedraaf en
+gewin maar fut. Ik ben nu ruim vyftig jaar, en schoon ik, God dank! zo
+gezont als een visch ben, en noch van ziekte of podagra weet, zo denk
+ik, dat het best is om voor de grote reis zo onder de hand wat
+klarigheid te maken; want men kan toch nooit weten, wanneer het de
+Dood gelegen komt ons te bezoeken, zo dat het best is om altoos gereet
+te zyn. Wat zegt gy, Mevrouw? Als ik de stoute Meid maar gelukkig in
+het fuikje zie, dan is alles wel. Nu, Mevrouw, zo als ik zeg, ik ben
+knorrig op u. _Men hoort verre, dat de Winter kout is: maar, als de
+maan vol is, schynt zy overal_. Groet myn meisje, en geloof dat ik van
+harte ben
+
+ Uw misnoegde Vriend,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noot:
+
+[1] Maraudage, hier "avontuurtjes".
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER WILLEM WILLIS AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
+
+
+_Tederbeminde Hoogstge-eerde Moeder_!
+
+Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, dat er voor my gelegen is,
+in u myne gedagten medetedelen, en om u, het geen my, is het van eenig
+belang, ontmoet, te schryven. Uwen dierbaren Brief heb ik met de
+oprechtste dankbaarheid en eerbied gelezen. Ik hoop, dat ik u niet ten
+eenenmale zal hebben te leur gestelt, omtrent uw verlangen nopens de
+beminnelyke Juffrouw Burgerhart. Het geen my hier is voorgekomen,
+geeft my, ter bereiking van uw oogmerk, nieuwe vermogens; om dat ik
+waarlyk zo wensch te doen, als uwe Moederlyke liefde van my vordert.
+
+Toen ik te Parys kwam, was myn eerste werk, om den Heer Blankaart op
+te zoeken: dit gelukte my, na veel lopens en dravens. Ik vond hem den
+zelfden man, als ik hem altoos vond. Hy was zeer verheugt my te zien,
+en heeft, om met my, en nog een Amsterdams Heer, Cornelis Edeling, te
+kunnen reizen, zyn reis nog drie dagen uitgestelt. Wy logeeren by hem.
+Hy moet zeer ryk zyn, want hy leeft hier net als in zyn eigen huis. Gy
+kunt wel denken, lieve Moeder, dat ik voort naar myne Beminde vroeg?
+'t Was alles wel; zei hy. Des avonds by elkander zittende na dat wy
+den maaltyd gedaan hebben, zat hy in zyn praatstoel, en vroeg ons, of
+wy nog geen meisje hadden? Ik zuchtte. Edeling lachte. "Dat zou, zei
+de jonge Heer, schande zyn voor ons, geen meisje, en drie vier en
+twintig jaar!"--"Eer heeft uw hart," riep de goede man, en vreef in
+zyne handen van genoegen. "Nu, Willem, (tegen my,) hoe zit het by
+u?"--"Hopeloze liefde, myn Heer Blankaart; ik bemin Juffrouw
+Burgerhart; en ben overtuigt, dat zy myne Vrouw niet worden kan."
+--"Wel, voor haar dan een ander, die u beter lykt:" hervatte hy.
+
+_Ik_. Daar kan ik niet aan denken.
+
+_Hy_. Nu, 't is nog vroeg in 't Gasthuis; doch op Saartje moet gy geen
+staat maken. Ik zal voor u ook wel een goeje Vrouw opschommelen, en
+die voor u veel beter zyn zal; want zie, Willem, al had ik eene eige
+Dochter, en gy kost er gelukkig mee zyn, ik gaf ze u, met de helft van
+myn goed er by: ik hou veel van u: en ook, hier, onzen Vriends Broer
+verkeert naar haar, en zo zyn Vader my maar niet te veel malens aan
+den kling maakt, zal ik haar geven: hy is de man, dien zy hebben moet;
+dat zeggen alle menschen, die hem en haar kennen. Kom, je moet niet
+bleek worden, Willem; ik zal u ook helpen; jy zult een Vrouw als een
+geschilderde paerel hebben: laat ik zelf maar te Amsterdam zyn: ik
+weet zo iets voor u, dunkt my.
+
+_Edeling_. Lieve, goedaartige Heer! mag ik my ook wel in uwe gunst
+bevelen!
+
+_Hy_. Hoe, moet ik voor u ook zoeken? Neen, neen, dat niet: met Willem
+is 't wat anders! ik moet hem schadeloos stellen.
+
+_Edeling_. Kom, ik zal alles maar opbiegten, op hoop van eene goede
+absolutie te krygen: maar laten wy eerst uw gezontheid eens oud
+vaderlands drinken. (_Wy deden zo, en de Heer Blankaart gloeide van
+genoegen_.)
+
+Ik heb juist, uit vrees voor myn Vader, die de beste, de eerlykste,
+maar ook in eenigen opzichte de wonderlykste man is, iets gedaan, dat
+my, vrees ik, droevig zal opbreken!--Ik ben daar zo maar op myn eigen
+houtje verlieft gaan worden, toen ik te Leiden studeerde. Het meisje
+is al, wat men van de Goden zou kunnen wenschen, doch zy, en hare hele
+familie, schynen niet zeer in de gunst van een zeker mal, blint,
+capritieus, oud Wyf te staan; en zyn daarom niet meer dan burgerlyk
+gegoet.
+
+_Blankaart_. En wie is die lelyke Torntoffel? de een of andere kwezel
+van een Tante, denk ik! (_Hy lachte tegen my, of hy zeggen wou, ik
+denk aan Tante Hofland_.)
+
+_Edeling_. Och, 't is een elendig wyf; en ze leeft met de menschen,
+als de Duivel met de takkebossen.
+
+_Hy_. Is 't een Leidsch maakzel?
+
+_Edeling_. Neen; men zegt, dat zy van Amsterdam herkomstig is, en nu
+durf ik, om dat hagelsche Wyf, er nog minder van kikken! want myn
+Vader is niet gierig, doch hy zegt altyd, men kan van een mooije tafel
+niet eeten; en, dewyl hy my op _het advocaten_ bestelt heeft, zal ik
+voor eerst myn geld wel alleen tellen kunnen.
+
+_Hy_. Maar hoe hiet dat lelyk Vrouwmensch?
+
+_Edeling_. Mejuffrouw _de Fortuin_.
+
+_Hy_. o Gy Platvisch! daar heb je een ouwe rot in de val; (_en hy
+schaterde van lachen_.)
+
+_Edeling_. Wou je nu voor my ook een goed woordje spreken by Papa;
+want het zal vreeslyk op myn land waaijen: en zeker, ik heb alles zo
+niet bedagt.
+
+_Hy_. Wel, zo 't buiten dat wel is, daar is myn hand, Jongen. Ik zal
+wel zien, dat je er genadiger afkomt, dan je verdient; zie, 't is uw
+Vader: en jy hebt niet bon gedaan. (_Hy trok zo een potzig bakkes, dat
+ik hem niet aan kon zien zonder lachen_.)
+
+_Edeling_. Daar is wat aan, maar hoe zal ik het nu redden? Want myn
+meisje is al wat ik in de waereld begeer, zo als men zegt: dit is
+waar, dat ik haar oprecht bemin, en dat zy my lief heeft: zy is wel
+opgevoet, en van een oud eerlyk geslagt. Zo als ik zei, spreek een
+woordje voor my, myn lieve Heer Blankaart!
+
+O! hoe beminnen en achten wy deezen dierbaren man! Lieve Moeder, is
+'t niet jammer, dat de Heer Blankaart geen Vader is van een talrijk
+huisgezin? Dat zeiden wy ook eens. "Ja, Jongens, zei hy, dat spyt my
+genoeg, maar alle brave nyvere goede jonge meisjes en jongens zie ik
+aan voor myne kinderen, daar ik ook wel wat goed voor moet zorgen. Ik
+zeg altijd, Abraham Blankaart, een eerlyk man heeft altoos erfgenamen,
+myn Vriend; en terwyl ik leef, doe ik zo veel goed, als ik maar grypen
+en vangen kan. Kom aan, wat had ik nu aan al myn geld, als ik een Nero,
+een Niemands-vriend was? En nu, wel ik ben overal welkom. Meisjes,
+jongens, jonge Vrouwen, kleine springertjes, al dat goed is om my, als
+of er goud uit my te halen is; en ik ken geen groter waerelds-genoegen,
+dan bemint en gedacht te zyn van goede menschen: al 't overige is maar
+waweling."
+
+Groet myne lieve Tante, waarde Zuster, en Vriend Smit, dien ik mondeling
+hoop te feliciteren, en te bedanken voor zynen Broederlyken Brief.
+
+Ik ben met de tederste hoogachting,
+
+ Uw gehoorzame Zoon,
+
+ WILLEM WILLIS.
+
+
+
+
+HONDERD-ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling aan Hendrik: hij heeft
+Blankaart ontmoet; voortreffelijk!--Parijs is heerlijk, _de Franschen
+zijn sympathiek_.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING.
+
+
+_Lieve Broeder_!
+
+Ik ben eenige dagen zeer ongestelt geweest, en heb zelf drie dagen het
+huis moeten houden. Uw laatsten, uit Parys geschreven, heb ik ook daar
+op 't oogenblik ontfangen. Ik verheug my over uw kennis met dien
+waarden man, als ook over de gunstige gedagten, die hy te mywaards
+voedt: Den heer Willis hoop ik eens met myne byzonderste vriendschap
+te beschenken, gelijk ik naar de zyne vurig verlang: ik ben voorbereit,
+om hem hoog te achten, en te beminnen.
+
+Ik zal myn verhaal vervolgen: Zo dra ik het wagen durfde om uittegaan,
+ging ik naar het Huis van Mevrouw Buigzaam, en werdt van myne Beminde
+met alle tekenen van heuschheid en vriendschap ontfangen. Zy is wat
+afgenomen, doch de koortzen houden op; en nu, nu heeft zy eene zagtheid
+in haar gelaat, die my nog veel meer bekoort.
+
+Zy was alleen t'huis: Mevrouw Buigzaam was met de jonge Juffrouwen
+naar de Kerk, en Juffrouw Hertog op haar gezelschap. Ik zat by haar,
+en nam de vryheid van hare hand te nemen, terwyl ik my informeerde
+nopens haren welstand, en zei, dat ik my veel beter gevoelde, 't geen
+zy met een zeer merkbaar genoegen hoorde. Deeze gelegenheid, ging ik
+voort, is te gunstig, dan dat ik die niet zoude gebruiken, om u
+nogmaal van mijne liefde de sterkste verzekering te doen, ik weet wel,
+dat de liefde geen vrucht van dwang is; maar ik hoop echter, dat gy my
+eens met meer onderscheiding zien zult. Mijne liefde is niet romanesq[1]:
+de hoop alleen is in staat, om my te doen volharden. o! Dat gy my nog
+eens beminde; nooit zoudt gy u beklagen, dat gy my den voorrang in uw
+genegenheid gegeven hadt!
+
+_Zy_. Ben ik wel geschikt, om u zo gelukkig te maken, als gy verdient
+te zyn? o Myn Heer Edeling, laat ik, voor ik een besluit neem, nog
+eerst myn karakter beter vormen naar dat der Dame, die ik als myne
+Moeder eerbiedig! Ik ben zo bedagtzaam, zo bedaart, zo bestendig niet,
+als zy, die uwe liefde verdient, behoort te zyn. Ik vorm my zulke
+ernstige denkbeelden van het Huwlyk! Ik vrees, dat ik nog niet geschikt
+ben, om myne bespiegelingen altoos tot betrachtingen te verhogen. Ik
+wagt den Heer Blankaart binnen weinige dagen; laat ik met hem alles
+eens overwegen. En gy hebt immers een Vader, myn heer Edeling?
+(_Ik voelde die zet_!)
+
+_Ik_. Dat is zo: maar kunt gy een oogenblik twyffelen, of myn Vader
+zich niet vereert zoude achten met zo eene Dochter? Hy zal mooglyk
+eenige bedenkingen hebben, over het geen de goede man _onderscheid van
+Religie_ noemt; gy weet, ik behoor tot Lutersche Gemeente, maar de
+Heer Blankaart en myn Vader zullen dat wel vinden.
+
+_Zy_. Indien dat nodig wordt, twijffel ik daar ook niet aan: wat my
+betreft, ik zal dit omtrent u zo weinig in aanmerking nemen, als gy
+omtrent my deedt. Doch het is nog zo ver niet.
+
+_Ik_. Uw Voogd komt (zo schryft myn Broeder my,) met den Heer Willis
+en met hem t'huis, zij hebben elkander te Parys ontmoet. Hoe aangenaam
+zullen deeze drie reizigers zyn!
+
+_Zy_. Dan krygen wy elk een Broeder t'huis? want Willis is myn Broeder;
+als gy hem kent, zult gy myne keuze billyken.
+
+_Ik_. Dat doe ik nu reeds: ik ken Willis.
+
+De Kerk ging uit, en wy veranderden van discours. Mevrouw Buigzaam en
+de beide Dames waren verheugt, my zo veel beter te zien. Ik bleef er
+dien gehelen avond tot tien uuren, want Mevrouw deedt ons de eere aan
+om te spelen. Nooit hoorde ik zulk een zielen-muziek. 't Is meer dan
+kunst! Ik hoop, dat gy 't eens zult horen.
+
+Zy nam occasie, om my alleen te spreken, en zei: "daar, myn Heer
+Edeling, lees dit geschrift; dan zult gy eerst uwe beminde Burgerhart
+recht kennen: zy weet niet, dat er u iets van bekent is. Hou dit in 't
+oog." Ik lei het Papier in myn brieventas; en afscheid genomen hebbende,
+spoedde ik naar huis om te lezen. Ik at niet, maar ging, Vader gegroet
+hebbende, naar myne kamer. Lees, en dan zult gy kunnen bezeffen, wat in
+myn hart, onder het lezen, is omgegaan! Ik heb het voor u gecopieert,
+doch moet het te rug hebben, zonder dat gy er iets uittrekt.--Hier op
+vertrouwende, geef ik u het
+
+
+VERHAAL.
+
+
+_Dierbaarste Vriendinnen_!
+
+Ik begin dan aan een Verhaal, dat my onmooglyk is mondeling te doen;
+ik schryf dus. Geloof heilig, dat ik het onder het zegel der waarheid
+schryve: o, hoe ben ik in myne eigen oogen gedaalt! Waarom heb ik niet
+meer acht gegeven op my zelf; op hen, met wie ik omging; op den raad
+myner Willis, en op den uwen, o beste der Vrouwen! Ik zal boete doen:
+ik zal myne dwaasheid afwisselen, tegen de volkomenste geleidelykheid
+aan uwe vermaningen; ik zal my zelf zo ver zien opteheffen, dat uwe
+vermaningen in goedkeuringen zullen veranderen. En, zo dikwyls als ik
+eene te grote zucht voor uitspanningen voel, zal ik in myn Kabinetje
+gaan, en dit geschrift, ter myner beschaming, lezen. Laat ik beginnen:
+
+Ik ging met den Deugniet, gelyk gy weet, in den _Hortus Medicus_, vast
+voornemende, om nooit weer met hem uittegaan; en echter hy was dezelfde
+beschaafde, aangename, fatsoenlyke man omtrent my. Hy liet my in den
+_Hortus_ alles zien; leidde my veel uit van 't geen ik zag; en ziende,
+dat ik zulk een groot vermaak vond in dit alles te zien, stelde hy my
+voor, of ik ook plaizier had, om eene zeer fraaije Plaats te zien, van
+een zyner Vrienden; de Heer en Dame, zei hy, zyn wel niet Buiten, maar
+dat zegt niets, men weigert nooit een fatsoenlyk man om die te zien; er
+is zeer veel uitheemsch gebloemt. Ik, die in dit voorstel niets ontwaarde,
+dan genenenheid om my te verpligten, stond dit geredelyk toe. Wy gingen
+des vry spoedig uit den _Hortus_, de Plantage door, de Muider-Poort uit.
+Nooit had ik zo veel geest, zo veel vrolykheid, zo veel levendigs in hem
+bespeurt, 't Sloeg vyf uuren, zo als wy buiten waren. "Is 't ver?" vroeg
+ik. "o! Wy zullen er binnen 't half uur zyn, als wy wat aantreden." Ik
+deed zo, en 't was bykans zes, toen wy voor een laan stil hielden, die
+op een zeer fraai huis liep. Het Hek stondt aan. Hy ging de Plaats met
+my op, en den Tuinbaas ontmoetende, vroeg hy, is myn Heer of Mevrouw
+t'huis, "neen, was 't antwoord, maar dat is het zelfde." "Wilt gy het
+huis niet eens zien?" (tegen my.) "Ja, maar ik zie liever bloemhoven,
+dan lambrissementen[2]." Wy traden in 't huis.
+
+_Hy_. (_tegen den Tuinman_.) Deeze Dame heeft geen thee gedronken;
+hebt gy ook kokent Water? Toe, jongen, brengt het schielyk, met het
+geen er by hoort; gy weet uw Heer en ik zyn Vrienden. (_De Kerel ging
+heen; ik had geen zin aan hem, hy hadt een lelyken uitkyk_.)
+
+_Ik_. Gy doet te veel moeite, myn Heer, als ik maar een glas bier
+mogt!
+
+_Hy_. Ik geef nooit bier, als de meisjes warm gegaan zyn, en dan stil
+zitten.
+
+_Ik_. Wel, laten wy wandelen.
+
+_Hy_. Eerst wat uitrusten. (_De Tuinman bragt theegoed, wij dronken
+spoedig een kopje_.)
+
+_Ik_. Kom, nu de bloemen gaan zien; het wordt al tyd.
+
+(_Hy stondt op, en met eene houding, die my verbaasde, zeide hy, dat
+hy my beminde, dat hy smoorlyk op my verlieft was; en dat hy niet
+twyffelde, of dit had ik wel gezien; hier aan schreef hy ook de
+goedheid toe, die ik had gehad, om met hem te gaan, dewyl men daar in
+huis zo gegeneert was. Yder woord ontstelde en vertoornde my: ik zei_:
+Gy beledigt my ten hoogsten. Nooit heb ik iets, zelf schaduwachtig,
+gedagt van 't geen gy zegt; en zo ik het gedagt had, geloof my, dat ik
+niet met u zou gegaan zyn. (_Hy lachte, en wilde my kusschen_.) Hou
+af, zei ik; gy railleert te sterk.
+
+_Hy_. Hoe, neemt gy het dus op? dan bedriegt gy u; want (_en hy zwoer
+een duren eed_,) het is my ernst; ik bemin u: gy zult de myne zyn;
+(_al weder naar my toe dringende_.)
+
+_Ik_. Hou u gerust! Gy bedriegt u, zie ik, omtrent my: zo gy my
+beminde, zoudt gy my dus niet kunnen vernederen: Laat my gaan, ik wil
+hier niet langer blyven.
+
+_Hy_. Laat my gaan; ik wil hier niet langer blyven! o, Zo spreekt men
+niet tegen een man, als ik ben; en dat op zyn eigen Plaats. (_Ik
+bestorf als myn linnen_.) Zie, meisje, al die grote gevoelens zyn by
+my niets dan meisjes beuzelaryen. Evenwel, gy zyt nog te bekoorlyker,
+nu gy zo een fraai rolletje speelt. Kom, myne Saartje, laten wy
+gelukkig zyn; de tyd is kostlyk, zo gy ten minsten dwaas genoeg zyt,
+om naar huis te willen keeren. Myn Fagon is anders al Buiten, de
+Paarden staan, met de leisels opgeknoopt, op den stal, en in weinige
+uuren zyn wy ver van hier; want ik waag er myn beste hartdraver aan.
+(_Hy wilde my weder kusschen_.)
+
+_Ik_. Schelm! Deugniet! Judas!
+
+_Hy_. Al wat gy maar wilt, myn Engeltje, mits dat gy my gelukkig maakt.
+(_Hoe ik te moede was, kunt gy eenigzins opmaken, maar ik hield my
+moedig_.)
+
+_Ik_. Ik ben, zie ik, in uwe magt; maar veel eerder dan uwe verfoeilyke
+oogmerken te beantwoorden, zal ik het uiterste wagen; ik zal gerugt
+maken, zo gy de deur niet open doet.
+
+_Hy_. Ik doe geen deur open, en of gy gerugt maakt of niet, het zal
+niets helpen; niemand hoort u. Kom, gy hebt u genoeg verweert. Zelden
+had ik zo veel werk met myne Lievertjes. Gy hebt gestreden voor uw
+harssenschim; dien lof geef ik u; maar nu eisch ik uwe overgave.
+(_Ik werd woedent en was door de sterke aandoeningen op 't punt van
+te bezwymen; de vrees zelf gaf my kragten. Ik wilde een raam open
+schuiven_.)
+
+_Hy_. Neen, Kindje, daar is voor gezorgt; ik hou om de dood niet van
+buren-gerugt. (_Hy werdt, dagt my, kwaadaartig over zyne te leurstelling!
+o Myne Vriendinnen, heb ik my zelf dan iets te wyten, gaf ik aanleiding;
+immers niet met myn weten_?)
+
+_Hy_. Zie zo, 't wordt mooi laat; nu, ik heb zeer goed Logement voor
+u; en ik hoop, dat ik u den tyd aangenaam zal verdryven.
+
+_Ik_. Laat my gaan; 't is nog niet te laat, om in de stad te komen.
+(_Hy lachte_.)
+
+_Hy_. Ziet gy my voor zo een verd... gek aan, dat ik, een prooi onder
+myn bereik hebbende, die zal laten weg vliegen?
+
+_Ik_. Zo ik iets op u vermag, zo gy eenige menschelyke gevoelens hebt
+voor een meisje, dat u nooit beledigde; dat nooit het minste oogmerk
+omtrent u hadt; dat u voor een vriend, voor een eerlyk man hieldt,
+laat my gaan, en ik zal u alles vergeven. (_Ik schreide bitterlyk_.)
+
+_Hy_. Speel vry denzelfden zang, uit eenen andren sleutel[3]; ik hoor
+gaarne _Variantes_, en gy zyt uw onderwerp magtig.
+
+_Ik_. o Myn Heer, bespot my niet! God weet, in welk een dodelyken
+angst ik ben; o myne waarde moederlyke Vriendin! o myn Voogd, wat heb
+ik gedaan?
+
+_Hy_. Wat? wel, gy zyt vry willig medegegaan met een man, die smoorlyk
+op u verlieft is, en die u tot zyne _Sultane Favorite_ hoopt te maken.
+Want zie, mooi Meisje, ik wend niet voor u te trouwen, ik wil u niet
+bedriegen, elk moet zyn rang bewaren. (_Ik zeeg op een stoel neder, en
+ik geloof, dat ik op dat oogenblik in staat zou geweest zyn, om hem
+een mes in zyn schurkagtig hart te drukken: zulk tergen maakte my
+zinneloos. Hy liet my eenige minuten aan my zelf over; maar wat er
+toen in myn geest omging, weet ik niet! Hy naderde my weder_.)
+
+_Ik_. Deugeniet, lieve goede menschen ... o God! hoort my niemand!
+(_Hy nam my op, maar zweeg; doch al myne kragten zich, machinaal,
+verzamelende, stootte ik hem van my af; hy beet op zyne lippen en
+vloekte_). Toen smeekte ik hem weder, dat hy my gaan liet.
+
+_Hy_. Ja, op de Fargon. (_Ik bedagt my_.)
+
+_Ik_. Kom aan, als het toch zyn moet.
+
+_Hy_. Neen, Meisje, ik versta u. Hier moet gy blyven, geen kuren by
+den weg. Ik had gemeent, dat gij goedwillig met my zoudt gegaan zyn,
+doch nu is die voorzorg onnodig.
+
+_Ik_. Vrees voor de gevolgen; gy zyt niet boven de wetten.
+(_Hy lachte hartlyk_.)
+
+_Hy_. Zou ik niet, Liefde? Weet gy wel, dat de Rechter geen notitie
+neemt van zo een galanterietje? Kan het my schelen, waar ik ben, denkt
+gy? Hadt ik kunnen vermoeden, dat gy my zo veel moeite zoudt gemaakt
+hebben, ik had het wel anders overleit. (_En toen drukte hy my zo
+sterk aan de hand, dat hy my zeer deed. Ik beefde zodanig, dat hy zelf
+deinsde. 't Werdt schemer-avond, en myn dodelyke angst nam alle
+oogenblikken toe_.)
+
+_Ik_. Tyger en geen mensch! Kunt gy my in zulk eene benauwtheid zien;
+wat recht hebt gy op my?
+
+_Hy_. Dat recht, dat yder Ligtmis van myn rang op zo veel meisjes
+heeft, als hy goedvindt in zyn Serail te plaatsen. Of wilt gy, (_en hy
+tradt naar my toe_), dat recht, dat de sterkere heeft over de zwakke.
+(_Ik viel voor hem neder, ik smeekte, ik weende, ik geloof zelf, dat
+ik hem myn waarde R. noemde_).
+
+Ik had al reeds een groot geweld in den stal gehoort, maar 't scheen,
+dat hy er geen acht op gaf. Eindlyk kwam de Tuinbaas in den gang
+lopen, en riep: Myn Heer, de Paarden zyn met hunne poten in de
+leiseelen geraakt; en ik kan het niet meester worden: wat moet ik
+doen: Hy riep, (met een vloek,) _u gaan ophangen, voor ik u den hals
+breek_. De Kerel ging weer heen, en zei, dat, zo myn Heer de hand niet
+wilde lenen, hy zyn Paarden kwyt was. Razent en scheldent ging hy
+heen, en stiet my van de deur weg, die hy toesloot. Naauwlyks was hy
+weg, of er ging een deur in het vertrek zagtjes open, en daar kwam een
+Boerenmeisje, die my, zonder iets te zeggen, wenkte om optestaan. Ik
+deed het aanstonds. Zy sloop met my uit het huis, en verstak my in
+haar bed op een zoldertje, dat zy wel ter deeg sloot. Ik wist niet, of
+ik droomde, dan of ik wakker was; ik wist niet, of 't bedrog of hulp
+was: alles was even onbekent. Het werdt duister; en niemand kwam by
+my.
+
+Eindelyk hoorde ik beneden lieden spreken; myn bloed stolde in myne
+aderen, en ik weet niet, of ik lang in onmagt was. Doch 's middernagts
+ging de deur open, en het meisje bragt my een groot glas melk met
+water, my wyzende niet te spreken. Zy sloot de deur weer toe, en,
+dewyl de maan opkwam, zag ik haar zeer onderscheiden[4]. "Nu slaapt
+myn Vader, zei zy, hoor hem eens ronken!" Wie zyt gy, myn goed meisje?
+zei ik.
+
+_Zy_. Ik ben des Tuinmans Dochter, lieve Juffrouw, weest niet ongerust!
+ik zal u helpen.
+
+_Ik_. Laat ik u omhelzen, gy zyt myn Redster. O, gy zult wel beloond
+worden! en als gy wilt, kunt gy altoos by my blyven; maar door welk
+geluk hebt gy my dus verre geret?
+
+_Zy_. Dat zal ik u zeggen: myn Vader was druk in den tuin bezig, den
+helen dag, met de arbeiders, toen de knecht met de Fargon kwam, en hem
+belastte zyn Heer optewagten, doch niet te laten blyken, dat hy zyn
+Heer was. Lieve God, dagt ik, daar zal weer wat agter zitten! want myn
+Heer is een heel slegt Heer omtrent de meisjes; maar my heeft hy nooit
+gemoeit, dat moet ik zeggen, en zo zeggen al de meiden ook. Nu althans,
+ik was in de kamer, toen hy met u in huis kwam, en dewyl ik voor grote
+lui wat schaamagtig ben, verstak ik my in de naaste kamer in een
+kleerkast, daar wel twintig rokken in hangen, de eene nog mooijer als
+de aare. Ik dagt, zy zullen wel gaan wandelen, en dan ik gaauw heen
+lopen, en dan zien zy my niet: zo dat ik alles hoorde. Zie, Juffrouw,
+ik ben Rooms-Kattelyks, en ik bad onze heilige Moeder Gods om hare
+bescherming, en ik bad een vyf of zes _Aves_ en _Paters_, zo al in de
+kast. Wat kon ik doen? zo als gy weet. En toen viel dat met de Paarden
+voor, en toen ging hy heen, en zo haalde ik u, en verstak u in myn
+bed. Ik ging voort in den moestuin zo wat wieden, maar ik hield mij
+maar zo; om dat ik dan bokken kon, en alles afgluren. Het duurde wel
+een half uur, eer alles in 't stal gedaan was, want de Paarden waren
+als wilt, en allemaal door de strengen; dat was het maar. Myn Heer
+ging in zyn huis, en Vader in 't Boerenhuis. Ik geloof, dat hy
+elderments op zyn neus gekeken heeft, toen hy u niet vondt. Hy kwam in
+'t Boerenhuis, en vroeg met hele lelyke woorden, waar dit en dat gy
+heen waart? Myn Vader zei, dat hy dat niet kon weten, om dat hy het zo
+met de Paarden te doen gehad hadt. Toen vloog hy naar 't Hek, en vondt
+het open. 't Is gedaan, zei hy: daar is niet op; nu 't is myn verdiende
+loon, waarom d-r-de ik het Hek niet toe. Hy liep, als een razent mensch,
+al heen en weer, en toen hy dat ook moe was, belastte hy myn Vader licht
+te geven, en hem wat brood en kaas te bezorgen; die deedt dat. Ik was in
+huis gegaan: Vader vroeg, waar ik geweest was; ik zei, aan 't wieden, en
+dat ik toen om een praatje geweest was; dat was daar mee wel, hy zei my
+niets. Wy aten schielyk onze Bry, en hy ging naar bed. Toen kwam ik boven,
+en hield my stil, tot dat ik hoorde, dat hij wel vast in slaap was. Zie
+daar, zo is de hele zaak, myn lieve Juffrouw.
+
+Myne blydschap was onbeschryflyk; maar zy verdween schielyk door de
+gedagten: hoe zal ik nu door de waarde Vrouw voor een bedriegster, een
+valsch meisje, een ligt jong schepzel gehouden, veracht en verfoeit
+worden! Wat zal ik doen? Hoe durf ik er weer heen gaan? Hoe zal men my
+ontvangen? Wat zal de brave Edeling van my denken? 't Is mooglyk, dat
+hy reeds by ons geweest is. Zal de deugdzaamste der Vrouwen hem
+omtrent my misleiden? Wat zal zy kunnen zeggen? En ik had haar zo
+plegtig belooft, voortaan my geheel door haar te laten leiden. Hoe zal
+Hartog zich verheugen, indien dit geval ruchtbaar wordt. Kan het
+verborgen blijven? Heeft my niemand gezien? Maar, 't geen my 't hart
+doorboort, hoe zal het teder hart myner moederlyke Vriendin lyden!
+door my lyden!...
+
+Ik was besluiteloos wat te doen. Evenwel, alles al weer overpeinzende,
+dagt ik, 't is echter de eenige nu openstaande weg. Ik moet dit
+getuigenis geven van myne onschuld! "Ach," zal ik met eene bevende
+stem zeggen, "indien ik een slegt Meisje waar, indien ik het oogmerk
+had om u te misleiden, zou ik dan te rug komen, ook voor ik weet hoe
+gy my ontfangen zult?" Terwyl ik in deeze gedagten als verzonken was,
+zei myn trouwhartig Klaartje, (zo hiet het Boerinnetje,) "Kom,
+Juffrouw, nou moest je op je kousjes my volgen, en zo stil als 't
+mooglyk is; ik heb onze deur efkes aan laten staan." Ik deed zo, en zy
+droeg myn schoenen in haar hand. 't Begon te regenen: de lucht werd
+onweerig en donker. o, Dat was niets! Zie daar wy buiten de deur! Het
+bed van den Tuinman voorby gaande, hoorden wy hem diep en gerust
+slapen. Ik deed myn schoenen weer aan, en ging met het meisje, agter
+de Boerdery om, al zwygende, en aan haar hand. Ik werd doornat, en
+moest wel een half kwartier door 't gras; ik vroeg niets, zelf niet,
+waar brengt gy my? Toen wy digt by een Warmoezier kwamen, zei zy:
+"God dank, dat 's zo ver! Hoor, Juffrouw, ik breng je hier by brave
+menschen: maar ik moet, zo dra ik je daar in huis zie, naar myn
+Zoldertje: ik moet er op passen, dat ik niet in de kyker raak; 't is
+een boos kaerel, als hy begint."
+
+Zy tikte aan een glas. "Wie daar?" riep een mans stem.--"Ik, zei 't
+meisje, doch met een zachte stem, toe laat my in huis; ik ben zo
+benaauwt."--"Ik kom je by, kind, zei een vrouwe stem;" en zo ging de
+deur open. "Aaltje Buur, zei 't Boerinnetje, ik breng je hier een
+jonge Juffrouw, die verdwaalt is, maar zy zal je alles wel zeggen, ik
+moet voort." Ik kuste haar, en zei haar, waar zy my vinden kon, haar
+een ducaat in de hand stekende, en biddende, zo dra zy durfde, by my
+te komen.
+
+De goede Vrouw ging met my in een agtervertrekje, stak licht op, en
+zag met verbaastheid, dat ik zo wel en kostelyk gekleet was, en
+Juweelen aan hadt. Ik viel op een stoel neder, en schreide bitterlyk.
+Zy maakte vuur aan, lei braaf hout op, want ik trilde van koude, en
+myne kleeren dropen. "Kom, lief jong mensch, zei ze, kom, schik aan 't
+vuur, en warm en droogje wat, ik zal Koffy koken; maar je bent, of je
+de koorts op 't lyf hebt." Zy ging met de kaars in 't voorste vertrek,
+en hadt een glaasje in haar hand, "daar, zei ze, Juffrouw, drink dat
+uit, ik mag niet zien, zo als je beeft." Ik deed het. Zy kreeg een
+tafel met kopjes, en, zo dra 't water kookte, dronken wy Koffy. Myn
+Sak, Rok en Pelise droogde zy, en ik begon door de warmte dermate te
+verkwikken, dat ik haar eenvoudig, zo kort doenlyk; alles verhaalde.
+Maar, zei ik, wat moest gy denken, myn goede Vrouw, toen Klaartje aan
+'t vengster tikte? "Wel, lieve Juffrouw, zei zy, dat beurt wel meer.
+Als Krynbaas dronken is, (en zins zyn Wyfs dood gebeurt dat maar te
+dikwyls,) dan raast hy als een bezetene, en jaagt al wat onder zyn
+bereik is de deur uit. Nu is onze Klaartje de Vryster van myn Zoon
+Pieter; en zo wy onzen jongen wat by konden zetten, 't zou al een paar
+zyn, maar 't is een slechte tyd. 't Is een deugd van een meid, en heur
+Moeder was net alleens. Doch, al boodt myn Heer R. myn man duizend
+gulden 's jaars, wy zouwen by zo een Dier niet weunen willen. Hy is
+zo ondeugent, en daar gaat zo veel om op die Plaats! Maar wy moeten
+zwygen; wy zyn maar gemene lui."
+
+_Ik_. Wat zal je man toch denken van my?
+
+_Zy_. Ik heb hem daar, met een woord, gezeit, dat ik hem morgen ogtend
+alles zal vertellen, en zei, zie maar weer in slaap te komen, want by
+dag moet de man hard werken, voor my en myn vyf kinderen. En onze
+Pieter past ook zo op; maar daar zyn nog zulke kleintjes onder: zy
+slapen allemaal hier boven ons hoofd.
+
+_Ik_. Maar zou uw Zoon voor my, met het open gaan van de Poort, niet
+een Koets kunnen bestellen, die my tegen kwam buiten de stad? want,
+hoe wel ik het by u heb, myn goede Vrouw, ik verlang zo naar huis.
+
+_Zy_. Heel wel, Juffrouw, als ik denk, dat het tyd is, zal ik hem gaan
+wekken, zoo als ik altoos doe: jonge lui slapen vast. Goed, zei ik, en
+wy bleven by 't vuur zitten, en zy praatte zonder ophouden; zo dat de
+tyd viel my nog korter, dan ik gevreest had. Om drie uuren ging zy
+Pieter wekken, die, toen hy my zag, vreemt opkeek. "Kind, zei de goede
+Vrouw, deeze Juffrouw is verdwaalt geraakt: en ik nam haar in huis,
+toen gy al te bed waart. Ga naar de stad, en haal een Koets, die ten
+eersten dit heen moet komen; ik zal met haar u tegen wandelen."
+Bestig, zei Pieter, en ging de deur uit. Die Jongman staat my wel aan,
+Vrouw, zeide ik. "Ja, God dank, zei ze, 't is een braaf Kind, die wel
+zo veel "voor zyn moeder doet, als iemand doen kan; en zwygen Juffrouw,
+daar is geen schrift van." Nu, 't zal hem geen schade zyn, zei ik. Ik
+deed myn gedroogde kleeren en pelise weer aan, en zei, daar goede Vrouw,
+heb je een kleinigheid, tot een bewys van myn erkentenis. (_Ik gaf haar
+vier Ducaten_.) "Zoo veel geld! zei ze, dat durf ik niet aannemen."
+O, zei ik, spreek er niet van: ik zal, hoop ik, eens meer voor u doen.
+Wy gingen toen de deur uit, en kwamen wel dra op den gemenen weg; de
+Koets kwam, ik bedankte Moeder en Zoon, zei, waar de koetsier my brengen
+moest, en haalde de gordyntjes voor de glazen.
+
+Nooit kan ik u beschryven, wat er in myn geest, onder het ryden,
+omging. Nu vreesde ik, nu schrikte ik voor dat zelfde, dat my deeze
+laatste uuren als myn grootste geluk had toegeschenen;--om thuis te
+komen! En toen wy nog maar een gragt te ryden hadden, wenschte ik
+byna, dat wy eenig beletzel kregen, dat den tyd rekte. o Hoe beefde,
+hoe trilde ik, toen hy stil hieldt! De klank der schel ging my door de
+ziel, en, met de handen voor myne oogen, vloog ik onzen goeden knegt
+voorby, naar myne kamer, zo verwart, en bedroeft, gelyk gy, myne
+dierbare Vriendinnen, my hebt zien aankomen.
+
+Zie daar een Verhaal, dat ik met de grootste naauwkeurigheid hebbe
+opgestelt. Hoe gy, na het doorlezen te hebben, over my zult oordelen,
+moet ik afwagten; en, indien de Heer Edeling by aanhoudenheid my blyft
+beminnen, moet hy, aleer ik hem voor my kies, dit lezen. Hy moet
+kunnen zien, wie ik ben, een onvoorzichtig meisje, dat geen kwaad
+vermoedde, daar zy 't niet zag; en die door haren trek tot vermaken
+en uitspanningen, zich in een gevaar gebragt heeft, dat op haar bederf
+konde zyn uitgelopen: een meisje, dat God met tranen dankt voor deeze
+Ontkoming; en dat voortaan nog meer zich zelf dan anderen zal mistrouwen.
+
+ SARA BURGERHART.
+
+
+Wel nu, broeder, wat zegt gy van zo een Meisje? Moet ik haar nu nog
+niet meerder achten, en tederder beminnen? Die immers zyne dwaasheden,
+zo rasch hy die ziet, afkeurt, en zich zelf daar over bestraft, doet
+alles, wat men eischen kan? Ik heb onder de hand laten vernemen, of de
+schelm in de stad was; maar 't schynt, dat hy eerst eens wil zien, hoe
+of 't afloopt. Wy bedekken alles onder een diep stilzwygen. Ik zal
+voor de brave menschen zorgen, die myn Engel zo getrouw geholpen
+hebben; maar dit alles mondeling. Ik verlang onuitspreeklyk naar uwe
+t'huis komst: en hoop, binnen agt dagen, dat geluk te hebben. Vader is
+zeer vriendlyk, en heeft zelf deernis met my. Hou den braven Blankaart
+te vriend, Keesje; ik vrees anders, dat gy al zoo veel met Vader zult
+te doen hebben als ik! Vaarwel, myn Broeder,
+
+ T. T.
+
+ HENDRIK EDELING.
+
+
+Noten:
+
+[1] Hier: kunstmatig romantisch.
+[2] Lambrizeeringen.
+[3] Toonaard.
+[4] Duidelijk.
+
+
+
+
+HONDERD-VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed heeft uit Indie _een erfenis
+gekregen van_ 80.000 gulden van zekeren Jan Bern, zooals blijkt uit
+de Honderd-een en veertigste brief.
+
+
+In HONDERD-TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF dankt de Wed. Spilgoed.
+
+
+HONDERD-DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling _geeft zijn koppigen
+tegenstand op_; hij is overtuigd door Blankaart.
+
+
+HONDERD-VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis feliciteert Wed. Spilgoed
+en in Honderd-vijf en veertigste brief schrijft ze heel lief aan Aletta
+Brunier, ook over Sara.
+
+
+
+
+HONDERD-ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
+
+
+_Ge-eerde Vriendin_!
+
+Nog spyt het my, dat ik zo weinig tyds te Rotterdam gehad heb. Nu, ik
+heb uw Zoon dan veilig in uwe handen gestelt. Myne oogen liepen over,
+toen ik zag, welk een Moedergek die Willem is. Wat zyn dat lompe
+Heiblokken van kerels, die een man uitlachen, als hem eens een losse
+traan ontvalt! Ik ben nu een man, mag ik spreken, die van een kind af
+door 't kreupelbosch gejaagt is. Ik heb door menigen zuren appel
+gebeten, eer ik zulk een man wierd, door den zegen van God, den Heer;
+zo dat ik maar zeggen wil, dat ik harden[1] geleert heb: En als ik
+echter daar zo een Goliath van een Luitenant, als een eikenboom, voor
+my zie staan, en zyn Zoontje, dat hy in geen ront jaar gezien heeft,
+hem in de armen zie vliegen; zonder dat het hem het minste aandoet;
+dan denk ik, hoor jy grote Sinjeur, al bulkt gy als een stier, en al
+blaast gy als een walvisch, jy bent by my, met al dat gesnoeshaan,
+maar een bange bloodaart. Je zult wel dra in je hangmat kruipen. Wel,
+wat hagel, moet je dan, om je kop voor 't Land te laten, geen liefde
+voor je Land hebben? Zal zo een Bulderbast zyn benen onder zyn lyf
+laten weg schieten, als of het zo maar bywerkje was, en dat voor
+vreemden? Zal hy dat doen, zeg ik, dien alle de vaderlyke driften in
+zyn ziel bevroren liggen? Hoor, dat is by my maar uit, _die geen
+gevoelig hart heeft, kan niet dapper zyn_.
+
+Hoor, Vriendin, als ik u zie, dan denk ik altyd aan Naoemi, de Moeder
+van Ruth, uit den Bybel. _Willems land is uw land, en Willems God is
+uw God_; zo als er in den Bybel staat. En hy moet maar voortaan in
+Amsterdam blyven, en eene brave vrouw voor hem zien te krygen.
+Tusschen ons; ik weet net zyn slag, eene mooije lieve jonge juffrouw;
+en ik zal hem wel aan 't werkje helpen: 't is een aartig schoon kind.
+En Tante moet ook haar milde hand maar open doen. Abraham Blankaart
+zal geen troef verzaken: Och Heer! ik heb gelds genoeg; en alle brave
+jonge lieden zyn myne kinderen; zo dat, zorg daar niet voor. Hy moet
+zelf Koopman worden; ik zal zyn Patroon eens, buiten zyn kennis, gaan
+spreken.
+
+Maar nu moet ik u eens een klugtje verhalen: Daar is Broer Benjamin
+met Zuster Slimpslamp met de Noorderzon verhuist, en zy hebben Tantes
+Geldkistje meegenomen; (wel nu lach ik my tot een Doctor.) Die malle
+Zanne! Nu, zy heeft maar verdiende loon: zy zou naar my geluisterd
+hebben; ik zei dikwyls: _Tante, Tante, al dat Bruine goed loopt op je
+zak; je zult nog eens van den huig geligt worden: laat ik de kit ereis
+voor u schoonmaken, en al dat Jan Rap wegjagen_; maar dan was ik, (dat
+Varken!) een godloos mensch, een Saulus, die de Heiligen vervolgde;
+plaisierige Heiligen! zie je ze daar niet met Heintje pik, in 't huis
+daar naast?
+
+En dat het hemelsch waar is, dat zal ik u eens gaan uitcyferen. Myn
+kleine Meid is ziek, zo als gy weet; nu althans, Tante hadt haar een
+Briefje geschreven, waar in zy schreef, dat zy zodanig bestolen was,
+en verzogt, of zy haar niet eens zou kunnen spreken, of zy haar alles
+vergeven wilde, wat zy aan haar misdaan hadt, en of zy by my een goed
+woord zoude willen doen, met nog meer vyven en zessen. Wat doet myn
+Sarotje? Wel! dat braaf kind schreef haar aanstonds, dat zy haar alles
+vergaf; dat zy by my ten besten zou spreken, en Tante komen bezoeken;
+maar zy krygt daar op zulke koortzen, dat zy niet uit kon gaan. En zo
+dra ik in de stad kom, en met haar spreek, verzoekt dat lief schepzel
+my, om toch eens by Tante te willen gaan, en te zien, hoe het toch
+was. Wat zou ik doen? Abraham Blankaart hadt er wel niet veel trek in,
+doch het Meisje kreeg er my echter naar toe, en ik begreep, dat ik de
+ouwe Babbe niet in nood mogt laten. Ik ging er dan heen, met Snap, zo
+by me. Tante deed zelf open, en ontstelde. Nu, zei ik, wees maar niet
+ontstelt; uw Nicht heeft my by u gezonden, om dat zy zelf ziek is, en
+ik kom zien, of ik u helpen kan; en zo ging ik met haar, die huilde en
+balkte, den gang door, daar ik nog iemand vond, daar ik u dadelyk van
+zal schryven, zo 't my niet ontschiet, want ik ben zo wat met myn
+memorie gebruit. Daar hoorde ik toen van A. tot Z. Tante had
+getracteert; zy hadden Tante, die niets verdragen kan, de hoogte
+gegeven; en Bregt als een zwyn zo vol gegoten. Toen het ouwe Fatsoen,
+die zy te bed bragten, en Bregt, die zy op kussens in de keuken gelegt
+hadden, sliepen, hadden zy den aap geligt; en daar was, zeit Zanne,
+wel twee derde van haar Capitaal, en al hare Juwelen in. Die malle
+weergae! zy hadt haar huis op den Nieuwen Dyk verkogt, en wel voor
+twintig duizend Guldens aan afgeloste Obligatien in Contanten; al dat
+geld was in Gouden Ryders opgewisselt, en lag in een klein kistje. Dit
+wisten die Hagels-kinderen, want Zanne hadt met hen overlegt, hoe zy
+dat geld best zou uitzetten. Hoe vindt gy die, Juffrouw Willis? Met
+zulk bogt, zulk schuim van volk; die weten veel van geld beleggen! ja,
+zie, zo zot is dat oud wyf. Had ik t'huis geweest, zie, ik ben nu een
+man, die myn hond geen bedroefde snoet kan zien zetten; maar of ik dat
+Paar Vromen ook reis eventjes op het Schavot zou geholpen hebben! Ik
+zou die bedriegers zo veel _smeert hem Keesje_ hebben laten geven; ik
+zou er eensjes zo balsemiek hebben laten rossen, dat zy zouden geweten
+hebben, wat het is _den ouden mensch te kruissigen_; zie ik word zo
+satans nydig, om dat zulk varkenvolk de bybelsche woorden zo
+misbruikt.
+
+Maar nu moet ik u eens wat vragen: want zie, Juffrouw Willis, gy zyt
+toch maar een _Moeder in Israel_. Wat denkt gy? fop ik my zelf, als ik
+geloof, dat een vrouw van Tantes jaren, die zo een Briefje aan Saartje
+kan schryven, om vergeving; die aan zo een kleuter verzoekt, om by my
+een goed woord te doen, by my, die, zo als ik daar ga en sta, ook maar
+een armen zondaar ben; dat zo een vrouw, laat zy zo fijn zyn als zy
+wil, geen boos hart kan hebben? 't Is een malle kwezel, en zo gierig
+als het Graf; maar zy kan zich nog bekeren; en ik zal haar ook al maar
+helpen; zy zal in haar ouden dag geen gebrek hebben, nog in fatsoen
+verminderen. Haar lekkere tant zal nog niet eens uitmoeten; want
+Abraham Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. Zo dat ik maar
+zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen, hoe of 't Christelyk of mooglyk
+is, dat myn kleuter zo pront haar geloof verstaat. Zy vergeeft haar
+Tante alles van harten, wil haar helpen, haar bezoeken. Och! toen ik
+dat hoorde, scheurde ik myn kamisool los; zo was ik aangedaan: ik kon
+haast geen adem scheppen, en ik dankte God, om dat ik de Voogd van zo
+een meisje mogt zyn.
+
+Maar ik zou my zelf wel uitschelden voor al wat lelyk is, om dat ik
+vrees, dat Saartje ziek is geworden van droefheid, over een
+verduivelden Brief, dien ik haar geschreven heb. Zy ziet er zo naar
+uit: de rozenwangetjes zyn geheel weg! Hoor, zy ziet er regt droevig
+uit, maar wil het nog zo niet weten, dat goede Meisje. Ja! daar kryg
+ik heel in Parys een Brief, vol met leugen en laster van Saartje, en
+van Mevrouw Buigzaam; en dat Saartje zo aansprong, en dat Mevrouw
+alles toeliet, en nog eene menigte lelyke dingen; zonder naam, moet gy
+weten. Daar ga ik je, als zo een dolle Hartog, aan 't schryven, dat
+het nergens naar leek: en nu hoor ik overal, dat Mevrouw Buigzaam de
+deugd zelf, en myn Sarotje niets onbehoorlyks gedaan heeft. Zie, ik
+ben zo satans nydig, en zo ik uitvind wie my zo by myn neus gehad
+heeft, dan zult gy er van horen: konkels zullen er zwaaijen.
+
+Hoe ouwer ik word, hoe meer ik zie, dat men de deugd by de vrouwen
+moet zoeken. Ja, van die Juffrouw moest ik u nu nog vertellen, die by
+Tante zat. Zy hiet, zo als ik hoorde, Styntje Doorzicht; zy was heel
+stemmigjes gekleet; een Samaartje, met spelden-kopjes, op een wit
+grondje aan; een zedig Kuifmutsje op, daar het bakkesje van een
+Heiligje uitkeek: net _Moeder Maria_, zo als ik haar in de Paapsche
+Kerken heb geschildert gezien. Dat lieve mensch sprak zo waaragtig
+vroom, zy betoonde zo veel eerbied voor God, zo veel liefde tot den
+Naasten, zy gaf Zanne zulk een goeden raad, zy was zo minzaam, dat ik,
+met myn armen over elkander geslagen, haar aanhoorde, en dagt: zie
+daar eenen van die vromen, zo als God maar een om de honderd jaren
+zendt, om ons te leren, hoe verre wy het evel brengen kunnen, als het
+ons maar recht ernst is. Zie daar, Juffrouw Willis, nu ben ik een man,
+die met een Domine wel eens over een Kapitteltje harwar, maar ik was
+stom; zo sprak dat brave Styntje Doorzicht. Eindlyk sprak ik eens
+recht myn hart uit, en ik drukte haar de hand. _Myn Heer, gy zyt een
+Zoon van den vromen Aartsvader Abraham; gy wandelt voor Gods
+aangezichte, en zyt oprecht; een vroom Israeliet, in wien geen bedrog
+is_. Och Juffrouw! zei ik, dat ik het wel meen, dat is waar, maar ik
+ben van jongs af in veel slommer[2] geweest, ik heb veel gereist en
+getrokken, en vele Voogdyschappen gehad. Ik zeg dikwyls, Abraham
+Blankaart, Vriend, jy zult veel vergeving nodig hebben, heb toch veel
+lief, man! En zo ging ik daar van daan, zo gesticht, of ik in de Kerk
+geweest was. En zou een mensch geen struiken uit den grond vloeken,
+als hy bedenkt, dat, om een deel Huichelaars, Benjamins en Slimpslampen,
+zulke vrome Godvreezende menschen beschimt en versmaat worden. Ik
+geloof waaragtig, dat als de Apostel Paulus (Paulus is _myn_ man,
+weetje, en Salomon die van Saartje), als Paulus nu leefde en Styntje
+Doorzicht gekent hadt, hy haar als zyn wyf zoude omleiden, 't Is nu zo
+moeilyk niet, moet je weten, om een goed Christen te zyn, als toen de
+man zei, _dat niet te trouwen beter was_; en ik verzoek Juffrouw Willis,
+dat gy daar eens op let. Ja, zo eene Styntje zou eene Martelares
+geworden zyn. Lieve God! wat zullen toch zulke misselyke stoethaspels
+van mannen, zo als ik er een ben, in den Hemel bedroeft afsteken bij zo
+een Styntje, by u, by Mevrouw Buigzaam en by Saartjes Moeder! Nu, ik
+meen myn ziel eens braaf onderhanden te nemen, haar eens terdeeg _mores
+te leren_: o, mogt het onder uw oog geschieden; gy verstaat my immers
+wel! ik wensch nog eens uw man te worden.--Nu--_is het er uit_. Zeg nu
+wat gy wilt: _'t is er uit_.
+
+Duizend groetenissen van Saartje aan u, en aan uwe Dochter. Willem eet
+alle middag by my. Ik ben
+
+ Uw nederige Dienaar,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+Noten:
+
+[1] Hij is "gehard".
+[2] Beslommeringen.
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: hij is in
+de wolken: _vader heeft_ Sara _aan_ Blankaart gevraagd voor 'm--en: _de
+lasterbrief was van_ Cornelia Hartog!--dat komt uit door Rien du Tout.
+
+
+HONDERD-ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis _is heusch verliefd
+op Aletta_; Sara behandelt hem als broer.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
+
+
+_Mevrouw, zeer waarde Vriendin!_
+
+Al waart gy nu, menschlyker wys gesproken, zoo heilig als een Engel;
+(en dat, geloof ik voor my, zyt gy ook maar;) en al wierdt gy ook van
+zeven duizend legioenen van Duivelen gelastert, dan zoudt gy evenwel
+nog wel zekerlyk zo veel van den mensch hebben, als Moeder Eva, voor
+zy zo lelyk bedrogen wierdt, hadt: kort gezeit, gy zoudt nog wel wat
+nieuwsgierig vallen? want vrouwtjes zyn toch niet anders. Ik loop, en
+draaf, en klungel daar zo alle daag aan uw huis, puur als of ik naar
+u uit vryen kwam; maar dat is zo niet; zulk een fraaije Dame kan in
+Abraham Blankaarts pot niet. En 't is of ik nu maar te Amsterdam ben,
+om myn tyd met manden uit te dragen: om fiolen te laten zorgen. Zo dat
+ik maar zeggen wil, dat ik alle daag aan uw huis kom, om met u eens
+alleen te spreken: maar ik heb zo veel te horen, te kyken en te gapen,
+en zo myn spikkelatie met die drie Nufjes van meisjes, die, de een
+voor, de andre na, in en uit kwispelen en kissebissen; en dan moet ik
+er de vreugd in maken, en er zo eens wat mee dollen; en dan zit gy
+daar als _de Roze van Saron_ in 't midden, sprekende, onderrichtende,
+goedkeurende, minzaam ziende. o Mevrouw, ik wou, dat onze Schilder
+Troost nog leefde; ik liet die groupe schilderen, om er myn
+Familiestuk van te maken, mits dat ik er ook in mogt, met Snap zo by
+me. En zie daar! dan is de tyd om; en ik heb zelf vergeten, dat ik om
+u te spreken gekomen ben.
+
+'t Is een regenachtige dag. Ik zei, wel heeft Abraham Blankaart er
+niet den hooi[1] van, om al weer daar heen te laveren, en myn tyd te
+vermallen met die Meisjes? Ik zal t'huis blyven, en schryven 't geen
+ik toch aan Mevrouw niet kan vertellen, en Sarot mag er niets van
+weten; 't is zulk een olyk platje!
+
+Dat die zuurkyk[2] weg is, is goed: 't is een verdort gemeen stukje,
+voor een fatsoenlyke Juffrouw; maar ik schrijf niet graag over slegte
+menschen; ik word dan maar nydig en bedroeft.
+
+Om dan myn vertelling te beginnen; want nu weet gy nog zo veel als
+gisteren: zo dat ik maar alleen dit zeggen wou! Daar heb ik een bezoek
+gehad van den Agter-agter-klein-agter-Zoon van Marten Luters ouden
+vriend, Casper Edeling, van Jan Edeling! en wy hebben te saam over het
+Geloof, en de zoete Meisjes, eens heldertjes gebakkeleit. Hij wagtte
+my in myn zydkamer. "Zo, Marten-Broer, zei ik, welkom."--Uw Dienaar,
+myn "Heer Blankaart;" en hy keek, of schoppenboer ook nog van zyn
+Familie was; zo, dagt ik, dat zyn de oude grillen. Ik zei des, wel
+fraai buigende, dat ik toch beter ken dan zo een oude podagrist: "Uw
+dienaar, myn Heer Edeling;" en ik gaf hem een fauteuil. Dus begon hy,
+terwyl hy de glazen uitkeek. (_Ik, niet lui, ging over 't horretje
+gluren; ja, zo moet men met die wonderlyke menschen, omgaan, of zy
+denken, dat de Drommel hun niet wys genoeg is_.)
+
+_Edeling_. Nu, daar is myn Zoon Hendrik dan verlieft op uwe Pupil. Hy
+ziet er uit, of hy uit een belegerde stad komt, en mymert, en zwygt,
+en ik heb gister het eens op hairen en snaren gezet, maar 't is of ik
+met myn kop door dien muur wil: en hy wist my nog een hope te zeggen:
+die eigenwyze jongens! Ik ben ook moeilyk[3] op hem.--Gy zegt niets?
+
+_Ik_. Wat heb ik met uw en uw Zoons gemor te doen? Ik zie niet, waarom
+ik iets zeggen zou. 't Raakt my niet; en ik _wil_ my er niet mee
+bemoeijen.
+
+_Hy_. Wat! raakt het u niet? En dat de jongen knapen zo met het Geloof
+omspringen? Ei zeker, zou ik myn huis tot een Noachs-Ark, of een
+Remonstrantsche Kerk maken?
+
+_Ik_. Wel, hoe satan heb ik het? Heb je niet uitgeslapen? of maalt je
+de geest? Nog eens, wat bruit my uw gekibbel met uw Zoon?
+
+_Hy_. Wel, hy wil Juffrouw Burgerhart hebben, al is zy gereformeert.
+
+-Ik_. Wel, ik wil haar niet geven in eene Familie, die haar niet met
+liefde en achting ontfangt.
+
+_Hy_. Wat moet ik dan doen?
+
+_Ik_. Dat's _uw_ zaak. Gy zyt Vader. Uw gezag zal zeker met verstand
+gepaart gaan.
+
+_Hy_. En daar is nu myn Zwager, de Pastoor Redelyk, die praat even
+eens als gy, en zyn Vrouw ook.
+
+_Ik_. Nu, als je my niets anders te vertellen hebt, kon je de moeite
+wel gespaart hebben, om by my te komen. Hoe ik over den Godsdienst
+denk, weet gy. Wilt gy geene Gereformeerde vrouw aan Hendrik geven;
+wat geef _ik_ daaroem?
+
+_Hy_. Wel, waaroem laten wy onze kinderen dan yder in onze Kerk
+opbrengen, en hun geloof leren, by Kategizeermeesters van onze eigen
+Leer?
+
+_Ik_. Om dat wy--laat ik zwygen! Hoor, Paulus is myn man. Wat zeit
+die? _Onderzoek de schriften_. Dat klinkt u wat anders voor den snoet,
+dan _zyn Geloof te laten leren_. Weetje wat, Jan Edeling? daar is nog
+maar te veel _Papery_ onder de Protestantsche Christenen. Wy razen en
+duiveljagen tegen den _Antichrist_, tegen _den Gog_ en _den Magog_,
+tegen den _Paus_; en ydere Domine wil Paus zyn in zyn Kerk, en ydere
+Vader Heilige Vader in zyn huis zyn. Kom aan! daar is uw Zwager (ei,
+ik wist dat niet, is hy uw Zwager?) Redelyk; wel, die vrome wyze man,
+zegt gy zelf, dat net denkt als ik; zo dat, ik hoef my dat niet te
+schamen. Hoor, jou geloof is een enkel _toeval_; want je hebt er
+magtig veel toe gedaan, hebje niet? om van Lutersche Ouders geboren te
+willen worden. Wel, Jan Edeling, Jan Edeling, 't lykt nergens na: maar
+dat gy uw braven Zoon, als zo een regte Nero, niemands-Vriend, van
+liefde kunt zien sterven, om een deugdzaam meisje--op myn ziel, (_en
+ik sloeg op de tafel_,) uw geloof is 't regte geloof niet!
+
+_Hy_. Hoor, Abraham Blankaart, ik zou met al myn hart u om het Meisje
+voor myn Heintje verzoeken, was zy van zyn Geloof.
+
+_Ik_. Wel, ik wed om een Visje, dat zy van zyn Geloof is.
+
+_Hy_. Hoe? wat? heeft zy dan haar Kerk verzaakt, en dat om een man?
+
+_Ik_. Noch 't een noch 't ander; en evenwel ik wed met u. Zie, zy zyn
+het immers daar in eens, en dat's wel een fondamenteel stuk van
+eenigheid, dat zy met elkander gelukkig kunnen zyn, en dat gy het hen
+maken kunt. (_Hy gaf my zo een knorrige meesmuil; en toen begon hy
+weer op nieuw te zagen, en van 't Geloof, en van elk in zyn Kerk, dat
+my 't bloed zo al wat begon te krieuwelen_.)
+
+_Ik_. Nu wil ik in myn huis niet langer dat gegons verdragen. Gy zoudt
+beter doen, als gy eens een Kapitteltje in Sint Jan las: die brave
+Apostel zal het u zoo ouwerwets zeggen, dat gy wel voelen zult, waar
+de wind van daan komt. Maar ja, de Bybel daar leest men niet in, dat
+klungelt en sjouwt met Huispostillen, en Uitleggingen, die geen pyp
+tabak waart zyn: en Gods heilig dierbaar woord, dat ligt, met zilveren
+sloten, in het beste vertrek daar braspenningen te zweten. (_Hy
+lachte_.)
+
+_Hy_. Daar is myn hand, Brammetje; jy bent toch een man, die my lykt.
+Ik moet nu myn hele les leren. Hoe moet ik dan met myn jongens leven?
+want ik heb nog ergens zo een suppliant in de wyde waereld.
+
+_Ik_. Wel, als ik zulke jongens had, en zy hadden liefde voor brave
+meisjes van de Protestantsche Kerk, en zy verzogten my, om haar te
+mogen hebben, wel, dan zou ik zeggen: ziet; Kinderen, dat staat my
+bestig aan. Ik zal zien, dat ik elk zyn Vryster bezorg, en je allebei
+in goeden doen stellen, om wat te beginnen; en dan zou ik met myn
+jongens eens op 't goed succes drinken, en door myn gang lopen
+tierelieren, als of ik zelf nog maar twintig jaar waar. Hoor, Jan
+Edeling, dan zult gy vreugd en genoegen hebben, en je kunt voor je
+dood nog Grootvader van een kleine kabauter of agt wezen.
+
+_Hy_. Gy hebt gelyk! Ik verzoek u dan om het Huwlyk; en als ik het
+zeg, meen ik het waaragtig. 't Zal my tot eer zyn, Juffrouw Burgerhart
+myne Dochter te mogen noemen. Zal hy ze hebben?
+
+_Ik_. Met al myn hart; en ik hoop, dat zo uw andre Zoon ook maar een
+braaf deugdzaam meisje kiest, dat gy dan ook even redelyk zult zyn.
+
+_Hy_. Zie, Bram, zo ben ik nu ook weer, als ik iets doe, doe ik het
+terdeeg; ik hou niet van dat krummelwerkje. Hoor, _als ik over den
+hond kan, kan ik ook over den staart_. Als Cornelis het wel maakt,
+en hy een ordentelyk meisje wil, gierigheid daar aan heb ik my nooit
+bezondigt; ik wil maar baas zyn, en gelyk hebben.
+
+_Ik_. En juist daarom hebt gy geen oogvol recht op iemands hart;
+alles, wat men, als men van u afhangt, doen kan, is bang voor u te
+zyn.
+
+_Hy_. Gy hebt waarlyk gelyk: maar ik zal zien, dat ik dien _ouden
+Adam_ er uitramei.
+
+_Ik_. Dan zult gy de beste man van de Waereld zyn; en myn Meisje zal
+geen der minsten zyn, die u 't leven aangenaam zal maken. Nu zult gy
+eerst gaan ondervinden, hoe gelukkig men is, als men de _beminde_
+Vader is van brave kinderen.
+
+_Hy_. Ik heb meer voor myne kinderen gedaan dan duizend Vaders doen;
+ik heb nagt en dag gewerkt voor hen, ik gaf altyd in de ruimte....
+
+_Ik_. (_hem in de rede vallende_.) En met dit al, gy zyt wel
+gehoorzaamt, wel geeerbiedigt, maar ik vrees, dat uw eigen kinderen
+u niet beminnen, zo als zy u zouden bemint hebben, als gy wat min van
+het meesteragtige, en wat meer van het Vaderlyke getoont hadt.
+
+Na nog wat pratens ging Marten Neef heen, zo wel gehumeurt, en zo
+zagt, als hy zeker nog nooit, zedert hy alleen gaan kon, geweest is!
+Waarlyk, 't is een goed eerlyk allerbest man; maar omtrent zyn vrouw
+en kinderen was hy, en dat alleen uit grilligheid, een regte
+_Bullebak_.
+
+Dat zit daar heel gek, en wel dubbel gek met Tante. Dat Janrap heeft
+haar tot op 't gebeente uitgemergelt. Maar myne kleuter spreekt zo ten
+goeden, en verzoekt zelf, om uit haar geld Tante wat te ondersteunen,
+dat het een lust is om te zien. Ik ben daar eens by die beste vrome
+Styntje geweest, (ja, ik leef onder en boven den grond!) en ben met
+haar overeen gekomen, dat zy Tante in huis zal nemen, en onder haar
+bestuur, vatje het? en dat ik het met haar wel maken zou. Maar ik wil
+dat voor het ouwe wyf niet weten; wel, wat hoeft dat? Die allerliefste
+vrome ziel zal myn Saartje eens bezoeken, zo een zin heeft zy in 't
+meisje.
+
+En nu moet ik u eens aanspreken, want gy zyt _het Vrouwtje van
+Thecoa_,[4] uit den Bybel. Ik wou u eens vragen, of Juffrouw Letje
+t'avond of morgen niet een goede vrouw voor Willis zyn zoude? of zyn
+er al Kapers op de Kust? Het meisje komt my zo wel voor, en ik zie
+heel wel, dat zy ook by u twee witte voetjes heeft; en dat zou zy niet
+hebben, zo zy geen goed jong kind was; en myn Saar houdt zo kragtig
+veel van haar. Nu, denk er eens aan: ik zou dat graag zien. Haar Broer
+heb ik gekent als het olykste Salet-rekeltje, dat er op Gods aardbodem
+was, maar hy wordt een heel ander mensch: ik ben ook zyn vriend; doch
+Edeling, die my zegt, dat hy het beste hart van de waereld heeft, en
+zo goedaartig is als een kind, heeft voor, hem een beter bestaan te
+bezorgen.--Ja, ik wou wel wat zeggen, maar het wil er niet uit;
+evenwel het deedt my zo goed, toen ik het hoorde, dat myne oogen
+overliepen! Ik kan 't niet zwygen. Hy is het, die aan Edeling uwe
+verlegenheid, door een ryken schacheraar u veroorzaakt, vertrouwde[5],
+er by voegende: "Myn Heer, ik heb geen geld, anders zou ik of Letje
+het al afgemaakt hebben; maar zeg het de brave vrouw nooit, dat ik het
+ben, die u dit zeide:" en hy sprak van u, als of gy zyne Moeder waart.
+Moet zo een jongen geen goede gronden hebben? Moet hy niet beloont
+worden? Wat zegt gy? Nu schei ik uit, en ben
+
+ Uwe oprechtste Vriend,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+Noten:
+
+[1] Meer dan genoeg.
+[2] Cornelia Hartog.
+[3] Boos.
+[4] Stad bij Bethlehem. Joz. XV.
+[5] Vertelde.
+
+
+
+
+HONDERD-VYFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER R. AAN DEN HEER G.
+
+
+_Broeder Lichtmis!_
+
+Razent, woedent, helsch kwaadaartig over myne mislukte onderneming! In
+myne eigen strikken gevangen! Maar wie kon denken, dat er een Burger-
+meisje in de waereld was, die een man, zo als ik ben, tegenstand zou
+bieden? Wat moet ik denken; zou er waaragtig zo iets zyn, dat deugd
+genaamt wordt? Ei, wisjewasjes! Kinderlyke vooroordelen; dat is 't al,
+en anders is 't niets. Nooit heb ik my zo misrekent! En niets dan schrik
+kan my haar bezorgt hebben. Zie daar! daar raken de Harddravers met een
+poot of drie in een der leizels, die ik bevolen had optestrikken, om
+toch gereet te zyn, zo dra zy besloot my te volgen. Er was niemand op de
+plaats dan de Tuinvent. Ik moest helpen of myn beste Paarden verliezen.
+Ik sluit de schone meid in de kamer, verzekert, dat zy myne gevangene
+moest blyven. En in dien tyd, dat ik in den stal ben, is zy 't ontsnapt.
+'t Is my volstrekt onbegrypelyk, want er was niemand op de Plaats dan
+de kerel en ik. Ik kom weer, doe de deur open, vind haar niet, sta als
+een driedubbele gek, loop het huis uit, raas, stampvoet, vlieg by Kryn
+in huis; alles vergeefsch; loop naar 't Hek; ja, 't Hek was open, en ik
+begreep, dat het niet voor my geraden was, haar na te zetten. Waar zy
+belant is, weet de Drommel; doch het scheen my hoognodig, om, vroeg in
+den morgen, weg te ryden; ik ging naar Utrecht, en van daar op Arnhem;
+thans ben ik op Pruisischen bodem, en laat my ligt Hofraad maken; 't
+kan te pas komen. Hoort gy niets? Alles zou ik nog vergeten kunnen,
+maar ik bemin haar tot myn straf. Dit maakt my dol op my zelf, en met
+dit al, het is niet anders.
+
+Als gy niets beters te doen hebt, kom dan by my, en breng Philips
+mede, op dat ik ten minsten een paar guiten heb, op wie ik al het
+onweer myner gehoonde en van liefde gemartelde ziel vryelyk mag
+uitgieten.
+
+ T. T.
+
+ R.
+
+
+
+
+HONDERD-EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis laat Blankaart _een
+blauwtje loopen_.
+
+
+HONDERD-TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Hendrik schrijft Sara een solide
+liefdesbrief.
+
+
+HONDERD-DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Sara antwoordt hem niet minder
+degelijk; _er ligt haar nog iets op 't hart; ze denkt dat_ Hendrik
+_nog niets weet van 't geval met_ R., maar uit de Honderd-vier en
+vijftigste brief blijkt dat hij alles wist.
+
+
+HONDERD-VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis noemt haar verloofde
+Smit "waarde vriend"--deelt hem de _officieele verloving mee_ van Sara
+en Hendrik. Blankaart was zeer ontroerd, doch lachtte zijn tranen weg.
+
+
+
+
+HONDERD-ZES EN VYFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Myne Tederbeminde!_
+
+Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, om te schryven, in die
+droefgeestige uuren, dat ik uw gezelschap moet missen. Ik weet, myne
+Liefde, dat de Betaamlykheid my de wet stellen moet; dat ik myne
+affaire moet benyveren, en voldoen aan die onderscheiden pligten, die
+ik voor my te doen vinde: ik kan u des maar weinige uuren 's daags
+zien. Al den tyd, dien ik kan uitsparen, gebruik ik echter om aan u
+te schryven.
+
+Gy hebt u dan met welberadenheid aan my verbonden, en, schoon de
+gelukkige dag nog niet bepaalt is, zo hoop ik, dat hy nu haast zal
+aanbreken; iets, waarom ik vurig bid.
+
+Myn waarde Vader, die myn geen woord gezegt heeft van zyn voornemen,
+om u te komen zien, verhaalde my onder het avondeeten, dat hy by u
+geweest waar, om u veel zegen te wenschen met uwe Verjaring. "Zie,
+Hendrik, zei hy, 't is een aartig meisje, maar 't is of zy bang van my
+is. Zy was wel beleeft en vriendlyk, maar toch zo niet, als zy tegen
+haren Voogd (die er ook inkwam,) zich gedraagt: en dat spyt my; want
+ik meen het kind wel te doen; jammer, duizend jammer! dat zy niet van
+ons Geloof is."
+
+_Ik_. Juffrouw Burgerhart zal, zo dra zy weet, dat gy vriendelyke
+gemeenzaamheid niet voor kleinachting in jonge menschen aanziet, u
+zeker zo behandelen, als gy wenschen kunt.
+
+_Hy_. Wel, dat's al een raar Compliment, Hendrik. Ben ik dan zo een
+Niemands vriend, dat de jonge lieden voor my vrezen? dat zou my
+spyten!
+
+_Ik_. Myn waarde Vader, trek er toch dit gevolg niet uit! Gy weet, hoe
+pligtmatig ik altoos omtrent u gehandelt heb, en den Hemel dank voor
+den braven Vader, dien hy my gaf.
+
+_Hy_. Ja, ik zie zelf wel, dat ik zo niet ben als uw Oom Redelyk, of
+als Blankaart, maar dat is zo myn humeur. Nu, zal 't haast lukken?
+Wanneer gaat het Huwlyk aan?
+
+_Ik_. Zo dra wy een huis hebben, denk ik.
+
+_Hy_. Wel, is dat de zwarigheid? wagt, met je Vrouw, de occasie hier
+by my af: of wil zy niet by zo een knorrig man zo lang komen inwonen?
+
+_Ik_. Daar is geen woord over gesproken; maar ik ben wel verzekert,
+dat myn aanstaande Vrouw over haar Mans Vader dus onheusch niet zal
+oordelen; en ik bedank u by voorraad allerhartlykst voor deeze
+aanbieding.
+
+_Hy_. Waar is uw Broeder Cornelis?
+
+_Ik_. Die eet by den Heer Blankaart.
+
+_Hy_. Wel is 't waar! alle jonge lui zyn even gaarn by hem; maar 't is
+ook de beste, de braafste man van de waereld. Hy heeft my ook al zo
+eens aan 't oor geweest over uw Broer.
+
+_Ik_. Ja, myn lieve Vader! Keesje heeft, toen hy te Leiden studeerde,
+eene Juffrouw leren kennen, die hem boven alle behaagde; en dewyl de
+Heer Blankaart die familie kent, en roemt, zoo is 't niet vreemt, dat
+hy een woord voor myn Broer gesproken heeft: zy is niet ryk....
+
+_Hy-. (_my in de reden vallende_.) Ben ik dan een gierige schrok? Heb
+ik ooit op geld gezien? Als 't anders wel is, zal dat wel gaan; maar
+al weer niet van myn Geloof, denk ik?
+
+_Ik_. Dit weet ik met geen zekerheid: de Heer Blankaart zal u alles
+wel berichten.
+
+_Hy_. Nu, 't is nog zo verre niet. Hy moet eerst wat praktyk hebben.
+Ik hoop, dat hy die zaak op het Oostindische Huis, voor Mevrouw
+Buigzaam, maar wel en spoedig zal afdoen: zo hy zich ooit met slegte
+zaken bemoeit, onterf ik hem; geen schelmen in myne Familie, zou ik
+hopen: dan nog liever Gereformeerde meisjes tot Schoondochters!
+
+Zie daar de kaart van 't land, myne Liefde, indien gy den braven man
+weder mogt ontmoeten. Hy zal u zeer lief hebben, maar het u nooit
+zeggen; hy zal u overhopen met presenten, en zien of hy op u keef:
+Beter hart dan het zyne is er niet.
+
+Myn Broer praat bykans zo veel van u als van zyn meisje, en houdt niet
+op van te zeggen, dat gy, uit alle meisjes, juist die geene zyt, die
+my gelukkig kan maken.
+
+Nu zal ik u verslag doen van myn Bezoek by den Warmoezier. Ik ging er
+deezen namiddag heen. De vrouw was bezig met groenten te wassen,
+geholpen door een jongen knaap; de man was in den Tuin.
+
+_Ik_. Goejen dag Aaltje-buur, hoe gaat het al?
+
+_Zy_. (_Zeer verwonderd opkykende_.) Heel wel, myn Heer, maar ik ken u
+niet!
+
+_Ik_. Gy kent evenwel, denk ik, eene jonge Juffrouw, die gy een dienst
+gedaan hebt, welke ik moet trachten te belonen? Is dat uw Zoon,
+Pieter?
+
+_Zy_. Ja myn Heer, dat's Pieter; en dat is myn man, die daar zo druk
+bezig is.
+
+_Ik_. Myne goede vrouw, zo 't u gelegen komt, wilde ik u wel eens
+spreken.
+
+_Zy_. Als 't je belieft, myn Heer. (_Zy ging met my onder een zwaren
+Olmenboom op een Bank zitten, die wat van 't huis afstondt_.)
+
+_Ik_. Vrouw, gy hebt, door die jonge Juffrouw in huis te nemen, en
+veilig in de stad te bezorgen, my een dienst gedaan, dien ik u niet
+kan belonen; doch ik zal u echter myne erkentenis bewyzen.
+
+_Zy-. Wel, myn Heer! wel, myn Heer! dat is al dubbelt en dubbelt wel:
+die zoete Juffrouw heeft my vier gouwen Dukaten, en myn Zoon nog een
+gegeven; dat waarlyk veels te veel was. En wie, al was hy een Heiden
+of een Turk, zou zo een aller liefst jong mensch niet in huis genomen
+hebben, in zo een droevige omstandigheid? Wil ik u wat zeggen, myn
+Heer? al had ik geen rooije duit gekregen, ik zou 't even lief gedaan
+hebben; ik heb ook kinderen; en hoe bly zou ik zyn, als myne kinderen
+ook in nood en verlegenheid brave menschen vonden! maar die ondeugende
+R. zal zyn loon wel krygen.
+
+_Ik_. Gy spreekt wel; gy verdient achting. Maar zou ik dat lieve
+Klaartje ook niet eens kunnen zien? gy ziet, ik weet van de geheimen.
+
+_Zy_. (_Zy lachte_.) Pieter toe, ga eens even by Kryn-Baas, en vraag,
+of Klaartje hier niet eens kan komen; maar je moet niets van dezen
+Heer zeggen. (_Pieter ging op een draf, en in een kwartier kwam hy met
+Klaartje te rug_.)
+
+_Ik_. Wel, dag schoon kind, ik moet u de groetenis doen van zekere
+jonge Juffrouw, die zeer verlangt om u eens by haar te zien.
+
+_Klaartje_. Zo, myn Heer; wel, ik zou gaarn eens gekomen zyn, maar ik
+durfde niet om myn Vader; die moet er niet agterkomen, of 't zou er
+bedroefd uitzien. 't Heerschap jaagde hem heen', en wat zouden wy dan?
+
+_Ik_. Gy hebt gelyk. (_Onderwyl was Moeder haar Man gaan roepen, die
+ook nu by ons kwam; een ordentelyk man, dunkt my_).
+
+_Zy_. Zie, myn Heer, ik heb Vader zo eens een woord gezeit, maar hem
+dunkt ook, dat wy wel zes-dubbelt beloont zyn.
+
+_Hy_. Ja, dat denk ik, en zo ik de zonde niet ontzag, ik zou zo een
+deugeniet, zo een verleider van jonge meisjes kunnen kloppen, dat hy
+'t opstaan vergat; dat zou ik! (_en hy zette zyn hoed in de oogen_.)
+
+_Ik_. Hy en zyn soort verdienen niet beter, maar laten wy van wat
+anders praten: deeze jonge vrienden zyn Vryster en Vryer?
+
+_Pieter_. Ja, myn Heer, met God en met eeren, en ik heb haar ook
+miserabel lief, ook Klaartje? (_Klaartje kreeg een kleurtje en
+zweeg_).
+
+_Ik_. En waarom gaat het Huwlyk niet voort?
+
+_Klaartje_. Dat geloof ik, myn Heer, ik heb maar twee-honderd guldens
+voor Moeders erf, en Albert-Baas kan niet mee geven; de menschen
+hebben zeven kinders, en men kan zonder geld niets beginnen.
+
+_Ik_. Wel, Albert-Baas, als de jonge lui nu in staat waren om zich te
+redden, zou het dan wel zyn.
+
+_Hy_. Dubbelt wel, want wy houwen maar elendig veul van Klaartje; ook
+Wyf?
+
+_Ik_. Wel, kom aan. Zie naar gelegenheid uit, en als je op je slag
+bent, laat het my dan weten: zie, hier is een beurs, daar genoeg in
+zal zyn om te beginnen: daar, Moeder doe jy uitdeling, en geef er zo
+veel van als gy goed vindt: gy zyt allen hupsche menschen.
+
+De vrouw was verstomt, de man keek of hy zei: "droom ik, of waak ik?"
+en Pieter omhelsde zyn meisje, uitschreeuwende; "nou ben je evel de
+myne, nou word ik jou man;" en hy kuschte haar, of hy haar wou
+opeeten. Nou, zei hy, ik ben op dien Heer "niet jaloersch, geef hem
+een zoen voor zyn goedheid." Zy deedt zo, met een ware eenvoudigheid,
+die my aandeedt. Na nog wat pratens, ging ik te rug, en kwam maar
+juist van pas binnen.
+
+Ik twyfel niet, myne Liefde, of gy zult te vreden zyn met myne wyze
+van doen. o Wat vindt men schone karakters onder zulke gemene lieden!
+Laten wy, zo veel wy kunnen, die toch wel doen.
+
+Nu zal myn eerste bezoek by uwe Tante zyn. En dat lieve mensch, 't
+welk gisteren by u was, moet ik nader leren kennen. Dit is al
+Christelyke deugd! en hoewel 't gezont oordeel wel eens voor een
+weinigje te vergetrokken yver schynt te wyken, dit is niets, daar een
+mening zo oprecht, en het voordeel zo uitgebreit is.
+
+En nu, myne Liefde, bid ik u, dat gy uwen Edeling niet langer laat
+reikhalzen naar een geluk, dat hy zo vurig wenscht, en dat hy met zo
+weinig geduld kan afwagten. Myne Zielsbeminde! gy hebt myn koel, al
+te onverschillig karakter opgevyzelt tot dien graad, die my alle myne
+zedelyke en machinale verrichtingen met vuur, met deelneming, met
+vaardigheid en gemaklyk doet uitoeffenen. Liefde voor een waardig
+Voorwerp, veradelt den Mensch; zy leidt ons daar, daar wy, in al wat
+goed, wat groot, wat nuttig, wat heilzaam is, voor ons en anderen,
+komen moeten. 't Wordt middernagt. Ik moet eindigen, om u niet
+ongehoorzaam te zyn. Wel dan, ik ga slapen. Rust zagt, myne Beste,
+en ontwaak onder de bescherming des Algoeden. Eeuwig ben ik
+
+ Uwen
+
+ EDELING.
+
+
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN VYFTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
+
+
+_Ge-eerde Vriendin!_
+
+Al heb ik nul op het request gekregen, daarom blyf ik evenwel dezelfde.
+Hoe, wat? zoudt gy my tegen uw zin nemen? Wel nog mooijer! Neen,
+Vriendin, ik heb u van harten gevraagt, doch het stond u vry, om my
+af te wyzen: Nu zal ik al vast als een _niets beduidend oud Vryer_
+sterven. Want trouwen zal nu wel agter blyven.
+
+Ik zal echter nog zo veel goeds in de Waereld doen, als ik maar grypen
+en vangen kan; want zo maar het leven, dat God de Heer my geeft, met
+geld winnen en boekhouden te verpierewaaijen, dat was nooit te
+verantwoorden: Me dunkt, dat het er schraaltjes moet uitzien, als een
+Christen mensch in den Oordeelsdag evel niets kan opnemen, dat zo iets
+de pyne waart is, zo als onze meeste ryke luidjes toch doen. Neen, ik
+hoop te kunnen zeggen: "Here! ik ben, en dat is maar niet te ontkennen,
+een zondig mensch; ik ben maar een oud Vryer; maar ik heb zo veel goeje
+menschen wel gedaan, als ik maar belopen kon; ik heb kwaaje zoeken wyzer
+te maken; ik ben niemand ooit hart gevallen, en ik deed dit zo alles, om
+dat ik uwe geboden lief had, en uit dankbaarheid, om dat ik zo gezegent
+op de waereld was, alles tot lof Uwer genade, amen;" zo dat, ik wil maar
+alleen zeggen, dat gy waarde Vriendin, my niet tegen uw zin moet nemen.
+
+Ik ben dan eergisteren by den Heer Helmers geweest; zo als ik tegen u
+zei, dat ik doen zou. Hy woont daar als een klein Prinsje, hoor! Ik
+dagt: kom! myn Blesje moet ook eens met baas uit; zie, 't beest is my
+zo lief als myn Snap, zo als het ook wel merken kan. Daar kwam ik als
+een hele Sinjeur de Plaats opryen, maakte myn paard aan een boom vast,
+en ging met Snap naar het huis.
+
+_Ik_. Uw dienaar, myn Heer Helmers! doet Abraham Blankaart u ook
+belet? maar mooglyk ben ik niet by u bekent, en _onbekent maakt
+onbemint_.
+
+_Hy_. In persoon ken ik u niet, myn Heer, maar in karakter wel; gy zyt
+hartlyk welkom; waaraan ben ik dit aangenaam bezoek verpligt?
+
+_Ik_. Dat kan ik u voor de vuist, en met weinige woorden, zeggen. Ik
+kom uit vryen om uw Vriends Dochter Letje:--maar, kyk zoo niet op,
+niet voor my.
+
+_Hy_. Ik zal u met genoegen horen.
+
+_Ik_. Hebt gy den Heer Willis gekent? Hy was niet gelukkig in zyne
+affaire.
+
+_Hy_. Neen, maar ik heb een Vriend gehad; die dit met hem, en even
+onverdient, was; Letjes Vader.
+
+_Ik_. Nu althans, die man heeft een Vrouw en twee kinderen nagelaten;
+(_en, toen zei ik zo veel goeds van u, dat ik het niet zeggen mag_.)
+Zyn zoon is myn gunsteling, een braaf ijvrig Jongeling, by den Heer
+---- op 't Kantoor; die hem als een Vader bemint. En nu kwam ik by u,
+om eens te horen, of gy iets tegen een Huwlyk tusschen deeze Kinderen
+zoudt hebben? Zyne moeder zal u, zo gy het bewilligt, nader verzoek
+doen: want zy bemint Letje, en zou graag zien, dat haar Willem het
+meisje kreeg.
+
+_Hy_. Heeft Letje u niets gezegt van zekeren Brief?
+
+_Ik_. Geen woord. Zy weet ook niet, dat ik naar u toe ben. Zie, ik wou
+eerst weten, hoe gy er over denkt. Gy zyt haar weldoener, zegt zy.
+
+_Hy_. Myn Heer Blankaart, Letje (dat ondervind ik op nieuw,) heeft een
+zeer goed eerlyk karakter. Hare vriendschap met Juffrouw Burgerhart,
+haar inwonen by de brave Weduwe, hebben haar in weinige maanden
+ongelooflyk veel nuts gedaan. Ja, ik had een ander oogmerk met haar;
+doch ik zal haar myne weldaden niet ten koste van haar vryheid en
+geluk toedelen. Indien zy myn voorslag hadt kunnen aannemen, 't zou my
+lief geweest zyn; maar, zo zy liever den Heer Willis heeft, my is 't
+wel; ik moet u evenwel ook voor de vuist zeggen, dat Letje niet meer
+dan twintigduizend Guldens bezit: zo veel als haar Broeder, daar ik
+ook zeer wel over voldaan ben: en indien Willis nu niets heeft, dan
+zie ik er niet door.
+
+_Ik_. En ik heel wel! God heeft my gezegent, en ik ben maar een oud
+Vryer, die kind noch kraai in de waereld heeft. Kom, Helmers! Letje
+heeft my zo veel van u verhaalt, dat ik mag veronderstellen, dat gy
+nog wel iets doen zult voor haar. Ik zal voor Willis ook wat doen. Ik
+had altyd gemeent, als ik niet trouwde, myne Pupil myn goed te maken,
+met zo wat Legaten aan myn oude Bedienden; maar zy doet een ryk
+Huwelyk, en ik zeg: zie, Abraham Blankaart, gy moet geen water in de
+zee dragen, myn Vriend. Nu moeten er andren wel van varen. Och God!
+het moet hier immers alles blyven; en wel doen is de boodschap. Is dat
+zo niet, myn goeje Vriend?
+
+_Hy_. Gy doet my aan, Blankaart. Geef my uwe vriendschap: ik denk even
+als gy.
+
+_Ik_. Met al myn hart: nu, wat zegt gy?
+
+_Hy_. Ik sta de verkering toe; ik bedank u voor de eer, die gy my in
+deezen aandoet; ik zal tonen, dat ik uwe achting niet onwaardig ben;
+en laat voorts alles aan uwe bestiering over.
+
+Vervolgens vertelde hy my met aandoening, dat Letje, nog zeer jong
+zynde, (nu, zy is nog maar drie en twintig jaar,) eene jeugdige liefde
+had opgeoeffert aan haar's Vaders redelyk bevel; en dat zy ook hier
+voor moest beloont worden. Hy zei my, dat haar Broer een goede jongen
+was, daar wel wat van zou te maken zyn, zo hy in goede handen viel.
+Goed, zei ik, ik zal dat knaapje ook al in 't oog houden, en helpen
+waar ik kan en mag.
+
+Na de plaats doorgewandelt en op zyn oud Vaderlands afscheid genomen
+te hebben, sprong ik te paard, en kwam, zo in my zelf tierelierende,
+en zoo vrolyk als een Koning, met Snap de Stad in, at spoedig, en ging
+deezen zitten schryven. Ik ben met eerbied,
+
+ Uwe Hartvriend,
+
+ ABRAHAM BLANKAART.
+
+
+
+
+HONDERD-AGT EN VYFTIGSTE BRIEF.
+
+MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
+
+
+_Lieve Vriendinne!_
+
+Ik had dan het genoegen om u, en nog eenige jonge harten aan het huis
+van de Vriendinne Buigzaam te zien! Ik was byna niet in staat, om myne
+inwendige vreugd te verbergen.--'t Was of ik in een zedelyk School
+was, daar men jonge menschen de eerste treden leerde zetten op den
+waren weg. Toen ik t'huis kwam, moest ik zo betuigen voor den Here:
+_Nu weet ik, dat by u geen aanneming des persoons is, maar dat yder,
+in wat staat of rang, in wat kleding_, (_zo die der betaamlykheid maar
+niet kwetst_,) _die de gerechtigheid lief heeft, u aangenaam is_? Ja,
+ik voel zo eene zielenliefde voor de Vriendinne Buigzaam. In haar zie
+ik zo _Maria_ en _Martha_ vereenigt. In Letje is een getrouw zaad
+gevallen: de Here geve, dat het door de waereldsche beslommeringen
+maar niet verstikken moge! Niet, hartje, dat men den kinderen van
+Jezus alle speelgoedje moet onthouden; maar 't moet binnen de palen
+van uitspanningjes zo blyven. Och, zy laten het van zelf wel varen,
+als zy Maagden, Vrouwen en Moeders in den Here worden. En daar is dat
+zoetaardig Lotje, die moet niet verstoten worden; zy is een kind in 't
+verstand, maar ook in allerleije boosheid. Ja, Styntje, zei ik zo in
+my zelf, als ik haar zo eenvoudig zag zitten breijen, gy moet in
+onschuld dit Kind gelyk worden, of gy kunt in 't Ryke Gods niet
+ingaan.
+
+Maar gy, myne jonge Vriendinne, hebt vyf talenten ontvangen, en de
+Here gaf u ook de gewilligheid, om die tot winst uit te zetten. o Myn
+hartje, gy kunt nog zo veel goeds doen. En uw Bruidegom is een
+_Timotheus_, die de begeerlykheden der jonkheid vliedt, in wien het
+oprecht geloof woont. o! Zo de lieve _Johannes_ eens aan hem schreef,
+hy zou zeggen: _Ik schryve u, Jongeling, want gy hebt de waereld
+overwonnen_. Ik spreke uit ondervinding. De Godsdienstige Edeling is
+by my geweest, maar zo als hy zich omtrent uwe Tante gedroeg; o
+Vriendinne, dat was het _werkent_ Christendom! Uwe Tante weende
+bitterlyk. Nu ziet zy wel, dat de Here _niet woont in 't water noch in
+'t vuur_: gelyk er in het oude Verbond staat: dat is, niet in al dat
+getier en gebaar van dat zo genaamde Bekerings-werk: maar dat God
+woont in een ootmoedig, gezuivert, en hem geheel geheiligt hart; zoo
+is het ook met uwe Bruidegom!
+
+Ik ben niet onder de ryken deezer Stad; maar ik heb overvloed voor my,
+en kan nog wat mededelen; en zo uwe Tante niets hadt, en by my toevlugt
+nam, ik zou haar gaarne van 't myne geven. Maar nu gy, en uw Vriend,
+ryk zyt in goederen, ryk in de genade, en dus ook ryk in goede werken,
+zou het in my eene dwaze trotschheid zyn, geen gebruik te willen maken
+van 't geen uw beider liefderyke harten my aanbieden: En nu kan ik myne
+stille liefdadigheid blyven beoeffenen.
+
+Terwyl ik deezen zo zat te schryven, kwam de Heer Blankaart in myn
+huisje. Uw Tante was danig ontstelt. Hy bestrafte haar als _Joannes de
+Doper_, en troostte haar, als _Joannes de lieveling des Heren_. Zy
+viel in den schuld, bekende, dat zy u zeer onrechtvaardig behandelt
+hadt, en u in gevaar gebragt, om op den doolweg te raken. "Nu, zei hy,
+Zantje, leer nu beter toezien; er zyn, zo als ik u duizend maal zeide,
+hele ondeugende sielen onder dat Fyne goedje. Jou Duivel was gierigheid,
+kind, die moest uitgedreven worden; zo als de Schrift zegt, _gierigheid
+is een wortel van alle kwaad_. Zie, hadt gy nu van uw geld arme sukkels
+meegedeelt; maar neen, er mogt geen duit af, zo 't niet voor dat Volk
+was. Nu, 't schaadt je niet; zo je jou nu nog maar bekeert, zal 't alles
+wel lukken: hoor, ouwe kennis, ik begryp niet, hoe of je zo in dien hoop
+verwart geraakt zyt. Gy pleegt te wezen als alle andere deftige Burgers;
+maar zedert dat je bekeert ben, zit je te zuchten en te steunen, dat de
+Duivel in zyn vuist lacht, om dat je het by onzen lieven Heer zo wel niet
+hebt als by hem. Denk jy, dat onze Hemelsche Vader, die uit liefde en met
+blymoedigheid wil gedient zyn, het scheelt, of gy u als een _graauwe
+Munnik_ toetakelt; en er uitziet, of je uit het zothuis kwaamt? dat je
+dat kostlyk aangezicht weg moffelt in een malle muts? Niet dat ik wil,
+dat gy u optooit als een kleuter; maar kleedt u zo als Styntje: zo een
+Samaartje staat immers net en ordentelyk, en het Kuifje zindelyk en
+zedig? Zy ziet er ook zo blymoedig uit, dat men niet hoeft te vragen,
+of zy zich in den dienst haars Gods wel bevindt, en vrolyk leeft in
+den Here. Nu, _zalig zyn zy, die zich beteren_. Wat uw bestaan aangaat,
+zorg daar niet voor. Uwe lieve brave Nicht heeft my gebeden, om u uit het
+hare te mogen onderhouden; en ik zou haar niet half zo liefhebben, zoo zy
+niet zo wel kon goed doen als vergeven. Zie, dat is ook een Christelyke
+plicht. En wy hebben allen nog zo veel te doen, eer wy waarlyk Christenen
+zyn, ik voor al, dat het ons niet voegt onvergeeflyk te zyn. En jy en ik,
+Zantje, mogen by Styntje nog wel een lesje halen."
+
+Vriend Blankaart, zeide ik, ik vinde gedurig zo stoffe, om my te
+vernederen voor den Here; laten wy liever elkander leren, en opbouwen
+in het goede werk. De Here zelf moet ons leren; en zo doet hy ook in
+het woord der waarheid. "Dat is recht, zeide hy: maar wy doen heel
+anders, wy verlaten den Sprinkader des levendigen Waters, en houwen
+ons zelf gebroken bakken uit; zie, ik lees alle daag in Gods Woord, en
+hou my niet op met uitleggingen, die ik niet noodig heb om het te
+verstaan, voor zo verre het my raakt als een Christen mensch, wil ik
+spreken. Wat kan 't my schelen, of in zo een text van den _Gog_ en den
+_Magog_, of van _Constantyn den Groten_ gesproken wordt? Ik wil
+_Bybels_, ik wil _practicaal_ horen preken. Daar liep ik verleden
+Zondag zo eens in de Meniste Kerk by den Toren; er werdt over de
+Bekering gepredikt; 't was zo fraai, dat ik ging zitten, en luisterde
+als een vink. Wel, Styntje, ik ben nu zuiver rechtzinnig, maar
+waarlyk, ik kon _amen_ op alles zeggen; en ik zei het ook in my zelf.
+Sticht dat niet beter, dan dat ik hoor zagen, en kaauwen en klungelen
+over _Aarons baard_? en er dan nog toepassingen by te krygen, die
+Spotvogels stof leveren, maar die verstandige en vrome menschen met
+versmading overdenken? Toepassingen, die onze jonge Nazireers wel
+agter weeg mogen laten, zo zy zielen willen winnen; en die my danig
+ergeren, om dat zy my doen lachen."
+
+Toen ging de Vriend Blankaart heen, en ik zei in my zelf: _dit is een
+Israeliet, in wien geen bedrog is_. En nu, hartje, moet ik u nog
+zegenende zegenen: _God geve u een Jozua's besluit: wat ook anderen
+doen, wy en ons huis zullen den Here dienen_.--Groet uwen Bruidegom,
+groet de Vriendinne Buigzaam, en de jonge Vriendinnen; en neem my in
+liefde aan. Ik ben
+
+ Uwe ware Vriendinne,
+
+ STYNTJE DOORZICHT.
+
+
+
+
+HONDERD-NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vraagt aan Mevr.
+Willis, of ze de verkeering van Willem en Aletta goedvindt.--Met Sara
+heeft ze ernstig gesproken: die ziet wel tegen het huwelijk op, maar
+'t zal wel marcheeren.
+
+
+HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelis schrijft aan zijn Jaantje--Adriana
+Nijverhart--dat papa hun verloving ook goedkeurt. Jammer dat _hij
+alleen_--naar Hendrik's bruiloft moet: Jaantje's moeder is ziek....
+
+
+
+
+HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER CORNELIS EDELING AAN MEJUFFROUW ADRIANA NYVERHART.
+
+
+_Myn allerkostelykste kostelykheid!_
+
+De knoop is gelukkig gelegt: ik ben eens even t'huis gekomen, om te
+zien, of er ook een Brief van uwe Majesteit, Adriana de Eerste, was.
+Neen, geen Brief. Nu, dat's weer een schreefje op den kerfstok! Ik ga
+zo vliegent weer naar 't huis van Mevrouw Buigzaam.
+
+o Waarom, myne Jaantje, hebt gy gisteren niet by ons geweest? Niets
+ontbrak er aan myn geluk dan uw byzyn! Ik geloof niet, dat men met
+meerder betaamlykheid, met meerder blydschap, een Party als die van
+gisteren zoude kunnen uitdenken en uitvoeren. Alles was naar de
+onmerkbare Ordonnantie van Mevrouw Buigzaam; kon het dan anders zyn?
+Myn Broeder, weet gy, is een regt schoon man, en zyne Bruid, (of nu
+jonge Vrouw,) eene Bevalligheid, die nog meer bekoort dan het schone
+zelf. Niemand van ons was eigenlyk opgeschikt: alles was _neglige_.
+Wy geleken net een Huisgezin. Hendrik was geheel liefde, geheel vreugd:
+De Bruid minder levent dan anders, en men zag, dat zy alleen uit
+beleeftheid mede sprak. De voor-avond werdt musicerent gesleten. De
+Eerwaarde Smit was geen der minste spelers: maar Mevrouw Buigzaam
+wordt niet geevenaart, ook niet van de jonge Vrouw, en die speelt, zo
+als de Heer Blankaart zegt, evenwel "Kapitaal." De eetzaal was gereet
+gemaakt, om ons Soupee te houden: het overtrof nog het Verjarings
+Collation. De Heer Blankaart's knegt, die van Vader, en die der Weduwe
+dienden. Men had voor hun wel degelyk gezorgt, en Blankaart hadt de
+oude kindermeid van de Bruid ook verzogt, om mee in de vreugd te
+delen. (Van die nog een woord.)
+
+De twee Weduwen werden door de twee oude Heren op hare plaatzen
+geleidt; en zo dra de Getrouwden gezeten waren, voegden wy ons er by.
+Op het dessert heb ik my ook gewroken; doch zy hebben my, door hun
+verdriet te verbergen onder een vriendelyken lach, deerlyk te leur
+gestelt. Ik zal het Vod[1] zelf hier in sluiten, 't Zal u mooglyk tot
+een zoet rustmiddeltje dienen; en gevolglyk nog ergens goed voor zyn.
+
+Toen men vervolgens zat te praten over die kostelyke niet met allen,
+die onder goede vrienden zo aangenaam zyn, zei myn Vader: "Kom een
+glaasje van gelukwensching. Welkom, vervolgde hy, met een zeer ernstig
+vriendlyk gelaat, daar zyn eerlyk hart in uitscheen: Welkom, lieve
+Dochter, in myne Familie. Nooit moet gy u den dag beklagen, die u in
+dezelve brengt; ik althans zal een goed Vader omtrent u zyn: gy zyt
+het waardig. Geluk, myn Zoon, met uwe Vrouw; wees een zo goed Man,
+als gy een Zoon, een Broeder, een Meester waart, en gy zult uwe Vrouw
+dierbaar blyven. En gy, Cornelis, (tegen my,) geluk, jongen, met uwe
+Zuster; als gy trouwt, zal ik even zeer in myn schik zyn als nu: gy
+zyt beide myne Kinderen. Myn Heer Blankaart, geluk met deeze
+verbintenis! dat wy beide nog lang getuigen zyn van dat heil, dat myn
+Vaderlyk hart van den Almagtigen God afsmeekt." Hy kon niets meer
+zeggen, maar boog tegen het gehele gezelschap, en er vielen tranen
+langs zyne wangen. De Bruid stondt op, omhelsde hem; hy kuste haar;
+niemand sprak: allen droogden wy onze oogen af. Hendrik, (om wat
+afwendig te maken,) vroeg aan 't gezelschap, of men hem, toestondt,
+om de gewezen kindermeid der Bruid binnen te verzoeken? Niets liever!
+Daar op kreeg ik myn hoed en handschoenen, en marcheerde naar de
+Keuken, om het ouwe schaap, dat in haar beste Zondaagsche plunje was,
+en styf stond van de gouden ringen, in te leiden. "Aanstaande Zuster,
+zei ik, met myn hoed onder den arm, en Pieternelletje zeer eerbiedig
+aan de hand, daar heb ik myn Vryster, die gaarn de eer hadt, om by u
+haar compliment van felicitatie af te leggen." De Bruid trok haar
+stoel wat uit, en gaf de vrome eenvoudige Pieternel gelegenheid, om
+zich te laten bekyken. "Wel, God dank! zei ze, dat ouwe Pieternel haar
+jonge Juffrouws trouwdag nog beleven mogt. Heden, Juffrouw, je bent
+krek alleens als je lieve Moeder, toen die trouwde. Niet waar, myn
+Heer Blankaart? En toen myn Heer Blankaart even zo klugtig als deeze
+myn Heer. Nu, myn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten
+zegen; och, myn Heer Edeling, je krygt zulk een lief meisje; ze het
+ouwe Pieternel nooit een onvertogen woord gegeven, 't was een lief
+hartje van een kind, en ik was ook zo mal met haar, dat, als zy
+tandjes kreeg, of zo, ik my tot water huilde; niet waar, myn Heer
+Blankaart?" En toen gaf zy de Bruid en Bruigom een kusch, die klonk
+als een klok. De overige Bedienden werden binnen geschelt; de Heer
+Blankaart overend ryzende, nam een schoon tafelbord, waar op zes
+verzegelde kleine Pakjes lagen. "Hier, Kinderen, zei hy tegen de
+Bedienden, daar is voor u elk een gedagtenis van dit Huwlyk. Gelyke
+munniken, gelyke kappen: Abraham Blankaart kan, en wil ook wel,
+Goddank! wat missen." Hy gaf elk een pakje, en zy gingen in de keuken
+zich vrolyk maken. "Vrienden, zei de brave man: zie, ik ben, wil ik
+spreken, maar een oude Vryer, ik heb kind noch kraai; en God de Heer
+heeft my boven alle myne begeerte gezegent: Ik weet, 't is waar, niet
+wat het Vaderlyke hart is; maar dit lieve Bruidje is de waardige
+Dochter van een man, dien ik my ten vriend had uitgekozen; zy is onder
+myne oogen opgegroeit; duizendmaal zat zy op myn schoot met my te
+snappen, of haar Poppen te kleden; (want ik ben een regte kinder-gek!)
+zo dat ik maar zeggen wil, dat dit de gelukkigste dag van myn leven
+is; en dat ik nu niets meer van God te wenschen hebbe, dan dat ik en
+alle brave menschen gelukkig zyn." Onze Domine besloot, op 't verzoek
+der oude Heren, dit Vrienden-maal met eene dankzegging, die ons de
+hoogste denkbeelden gaf van zyn Godvruchtig hart, en zyn
+menschlievenden aart. Den Eerwaardigen Jongeling rolden de tranen op
+de t'samen geslagen handen. Zyn stem was zielroerent, alles was diepe
+aandagt.
+
+De Heer Blankaart luisterde my in 't oor, dat wy moesten dansen.
+Willem en ik haalden twee Fiolen: Een gaf ik aan myn Vader: "Jongen,
+zei hy, ik doe er niet meer aan! Ik vrees, dat het gebrekkig zyn zal."
+Evenwel, de vreugd, die zyn hart overstroomde, deedt hem die aannemen;
+ik presenteerde den Heer Smit ook een: die, zonder eenige kwalyk
+geplaatste excusen, zei: "ik zou dit fatsoenlyk gezelschap oneer
+aandoen, indien ik my onttrok, om het myne tot eene zo billyke vreugd
+te doen. Wy zyn onder de Roos." De Heer Blankaart haalde de Bruid op.
+Zy danste niet wel; niet zo wel, meen ik, als zy 't anders kan; en zy
+verzogt hem om geexuseert te zyn. Toen moest Letje en Willem op de
+baan; beiden toonden, dagt my, dat zy elkander wilden behagen.
+Bruinier was onvermoeit, en gy weet, ik val ook niet heel vies van een
+cabriooltje. Eens haalde ik Mevrouw Buigzaam, en danste met haar een
+zeer statige Menuet; trouwens allen waren in den goeden smaak: Na een
+uur dus doorgebragt te hebben, verdwenen Mevrouw Buigzaam en het
+Bruidje. Hendrik bleef nog in de kamer, doch ik geloof, dat wy alleen
+zyne uitwendige tegenwoordigheid hadden: De beide oude Heren gaven hem
+de hand. De Weduwe kwam niet te rug, voor myn Broeder insgelyks weg
+was: de vreugd ging haren gang: ten drie uuren waren de Koetzen
+gereet: elk nam even vrolyk, minzaam en even vriendlyk afscheid en
+ging naar zyn eigen huis.
+
+Voor ik ga zien, of de Jonge Lieden al by de hand zyn, sluit ik
+deezen. Indien ik eenigszins kan, kom ik in 't laatst van deeze week;
+ik heb u wel honderd millioenen van zaken te zeggen; (nu, dat kun je
+wel denken;) 't is, of ik u in geen eeuw of twintig gezien heb. Myn
+vader is nu zo minzaam als altoos welmenent eerlyk: en nu durven wy
+hem beminnen. Blankaart doet u hartlyk groeten, en doen alle de
+Vrienden en Vriendinnen, en goede bekenden, en ik omhels u, met een
+hart stikkent vol liefde. Maak myn compliment aan uwe waarde Ouders,
+en aan de kleine Familie. Altoos ben ik
+
+ Uwe
+
+ C. EDELING.
+
+
+Noot:
+
+[1] Zijn "gedicht", niet veel zaaks.
+
+
+[Illustratie: Nu, mijn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten
+zegen; och, min Heer Edeling, je krijgt zulk een lief meisje;
+illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave
+van 1782.]
+
+
+
+
+HONDERD-EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar en Hendrik zijn gelukkig!
+
+
+
+
+HONDERD-TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.
+
+MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
+
+
+_Waarde Willis!_
+
+Weet gy wel, dat, zo ik maar iets den slag had van te kunnen grommen,
+dat ik dan braaf grommen zou op u? wat was er op te zeggen? elk zyn
+beurt, dat's niet te veel; en ook, kind, gy moogt ouder en wyzer zyn,
+zo veel als het u zelf maar blieft, doch ik ben zeker nu iets meer
+betekenent dan gy: ik ben eene _getrouwde Vrouw_. Foei! Naatje, niet
+op de Party geweest! Foei! Naatje, nog al uit blyven; en dat om dat
+de Eerwaarde Smit u, en uwe Moeder verzogt, om met hem naar zyne
+standplaats te gaan, ter verrigting van duizend dingen die geen
+uitstel lyden. Gy hebt er 't meest by verloren. Nu hebt gy myn Oom en
+Tante Redelyk niet gezien, noch Kapitein Herberts; nu weet gy niet,
+hoe Vader Edeling getracteert, hoe wy jonge Lieden allen gedanst
+hebben, en hoe of de oude Vrienden 't werkje aanzagen.
+
+Toen ik nog zeer jong, en zeer bedroeft los was, kon ik Brunier (uw
+ouden Vriend,) verzoeken, om alle deze bagatelles voor my zeer keurigies
+uit te schryven, en denken, hy kan nu zo goed netjes breijen als 't
+behoeft; met schryven zal hy een vaste hand krygen; en kinderen moeten
+niet leeg zitten. Maar nu zyn al die flinken[1] over. Ik heb zo veel
+achting voor myn lieven man, dat ik iemand, dien hy zyn vriend noemt,
+met geen spotterny kan behandelen. Ik heb nu ook door Edeling een trek
+uit zyn karakter gehoort, waar aan ik het te danken heb, dat ik deezen
+waarden man leerde kennen.
+
+Onze samenleving met den ouden Heer is recht aangenaam; Keesje is de
+vreugd van 't huis: ik wensch, dat hy ook maar, zo als myn Voogd zeit,
+_een eigen weerspraak_ hadt. Myn nieuwe Vader is de degelykste man uit
+Amsterdam; en nu dat zyne wonderlyke eenigzins grillige manieren, door
+de weltevredenheid, over de zagte Noten rollen, vind ik er iets veel
+meer Comiecqs dan lastigs in. Ik kan u zeggen, dat _Dochter Edeling_
+in de kas is by _Vader Edeling_: ja, dat hy my overlaadt met
+gunsten.--Een staaltje van zyne denkwyze:
+
+Gisteren aan tafel zittende, zei hy: Ik ben boos op Blankaart.
+
+_Ik_. Boos op myn Voogd; dat kan niet zyn: want gy, Vaderlief, zyt
+hier te redelyk, en hy veel te goedaartig toe: gy beeldt u dit maar
+in.
+
+_Hy_. Hoe, denk je, dat ik door inbeeldingen geregeert worde? dat is
+al eene aartige zet!
+
+_Ik_. Wy hebben allen onze luimen. Zoudt gy wel geloven, dat ik die
+ook heb? o Ik kan zo luimig zyn, dat ik met my zelf wel kyven zou, als
+ik niemand by my heb.
+
+_Hy_. Wel zo, dat ziet er voor u, Hendrik, niet al te voordelig uit!
+(_Myn man lachte_.)
+
+_Ik_. Wel neen! tegen zulke lieve redelyke menschen draag ik my nooit
+als eene malloot, om dat ik te veel prys stel op hunne achting, met
+andren, daar ik meer mee gelyk sta, mik ik het zo naauw niet.
+
+_Hy_. (_Half knorrig, half goedschik_.) Nu, ik ben evenwel boos op
+Blankaart.
+
+_Ik_. (_Hem potzig in de oogen kykende_.) En om wat reden? of is Papa
+ook een beetje met luimen bezet, want myn Voogd is de beste man van de
+gehele waereld, myn man uitgezondert?
+
+_Hy_. Wel! hy heeft u zo veel kostbaarheden gekogt, en op uw verjaring
+zulk een boel Juwelen gegeven, dat ik, nu het aan my toekomt, niet
+eens weet, wat of ik u zo eens geven zal; en ik ben evenwel uw Vader,
+je hebt alles dubbelt en dwars, en daar is nog zo een menigte goed van
+myn Vrouw ook. Hy maakt my recht verlegen: want ik zie niets, of je
+hebt het.
+
+_Ik_. Ik ben niet heel hebzugtig: en met dit al, daar is iets dat gy
+my geven kunt; had ik dat!...
+
+_Hy_. (_My in de rede vallende_.) Wat is dat toch? je zult het hebben,
+kind.
+
+_Ik_. Een kinderlyk deel in uw Vaderlyk hart! zo ik dat hebben mag,
+dan vraag ik, of Amsterdam te koop is? (_Ik stond op en kuschte hem_.)
+
+_Hy_. Loop, stout dingetje; is 't anders niet, och heden! ik meende,
+dat het heel wat byzonders was.
+
+_Ik_. Dat is het ook, lieve Vader!
+
+_Hy_. Nu, gy zyt een raar meisje, hoor; maar, (_in zyne Brieventas
+schommelende_,) zie daar is een Wissel op myn Cassier. Neem dit dan
+tot een bewys, dat gy my lief en waart zyt, en steek hem maar in uw
+Almanakje.
+
+Hem inziende, zag ik, dat hy _fl_ 6000 beliep. Ik bedankte met
+aandoening, en zei tegen myn man: daar, Edeling, neem dit van my aan.
+Ik heb niets nodig, en, als ik iets van doen heb, weet ik, dat gy my
+meer zult geven dan ik verzoek.
+
+Vader schudde zyn hoofd. Ja, zei ik, myn man en ik hebben maar een
+belang, en dewyl hy veel meer verstand van geld heeft dan ik, dewyl
+ik nooit speel, en alles kan krygen, wat ik begeer, is het immers
+niet meer dan billyk, dat ik aan myn besten Vriend alles in bewaring
+geef?--Kom, zei hy, ik verpraat, met dat drommelsche Wyfje, weer al
+myn tyd: kom, Hendrik, naar 't Kantoor.--Zy gingen weg, en ik had zo
+wat te schikken en te bergen, zo als eene Huishoudende Vrouw altoos
+wat heeft, Naatje. 't Was Postdag, ik was blyde, dat myn Voogd by my
+kwam Thee drinken. De Heren lieten zich in kommetjes de Thee brengen.
+Wy zaten als ouwe lui te snappen, en over byzondere zaken te keuvelen,
+toen myn beste Willem inkwam. Hy deedt ons eene openhartige biegt:
+"dat hy Letje beminde, en dat hy niets zo zeer wenschte, als eens in
+staat te zyn, om voor haar te zorgen, in dien rang, waar in zy gewoon
+was te leven: dat zyne Moeder zyne keuze goedkeurde, en dat hy hoopte
+eens weder bemint te zullen worden." Blankaart zei: "dat hy hem in
+alles raden en ook helpen zou, en met plaisier zag, dat zyn oogmerk
+dus verre gelukte." Beide bleven by ons eeten. Edeling hadt Brunier op
+de Beurs verzogt. Wy hadden een lieven avond. Beide de jongens waren
+vrolyk en vergenoegt. Myn man! och! die is al wat een vrouw zoude
+kunnen wenschen: ik vrees maar, dat hy al te goed op my zyn zal; ook
+dan, als ik 't eens minder verdien dan nu; en dan zal hy my ongelukkig
+maken; want hoe zou ik dit ooit aan my zelf vergeven kunnen?
+
+Morgen gaan wy ons nieuwe huis in order brengen; het is digt by
+Mevrouw Buigzaam; dit maakt het voor my verkiesselyk; evenwel, het is
+een schoon huis: ik hoop er u wel haast in te zien. Oordeel eens, hoe
+druk ik het nu heb! hoe veel airs ik my geef, tegen alle die goede
+menschen, die my 't hunne brengen om alles te maken, _comme il faut_.
+Ik moet Letje volstrekt tot hulp hebben, of ik kom er niet door. Ik
+ben met achting,
+
+ Uwe liefhebbende Vriendin,
+
+ SARA EDELING,
+
+ geb. BURGERHART.
+
+
+Noot:
+
+[1] Hier: grappen, streken.
+
+
+
+
+HONDERD-DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar verhaalt zelf van haar geluk.
+
+
+HONDERD-VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.--Anna Smit-Willis is eveneens heel
+tevreden. Willem kan Sara vergeten en Aletta vragen. "_Alweer een
+gelukkig huwelijk_!"
+
+
+HONDERD-VIJF EN ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik vertelt van zijn geluk en
+betuigt andermaal zijn dank aan de Wed. Spilgoed.
+
+
+HONDERD-ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Wed. Spilgoed: Anna
+is gelukkig getrouwd; Willem krijgt een som geld van Blankaart en gaat
+met Letta trouwen; _de beide weduwen hopen samen gelukkig oud te
+worden_.
+
+
+HONDERD-ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara bericht, dat Hendrik doodziek
+is!--Gelukkig komt in den brief nog de crisis; maar ze heeft wat
+uitgestaan; _ze hoopt nl. spoedig moeder te zijn_.
+
+
+HONDERD-ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vermaant Sara: denk
+aan je kind! wees bedaard, beheersch je, vorm je geen schrikbeelden,
+leef voorzichtig en verstandig!
+
+
+HONDERD-NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier en Willem logeeren
+bij Helmers. Willem moet op reis voor zaken. Jammer.
+
+
+HONDERD-ZEVENTIGSTE BRIEF.--Willem aan Aletta: hij heeft haar innig
+lief! Hij heeft Jacob gesproken bij Blankaart: _deze neemt Jacob bij
+zich_. Hij is ook bij Hendrik en Saar geweest. Hendrik is weer beter.
+
+
+
+
+HONDERD-EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+MEVROUW DE WEDUWE SPILGOED AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
+
+
+_Waarde Vriendin!_
+
+Geluk met een jongen Edeling!--Gister avond elf uuren, verloste onze
+jonge Vriendin van een schoon gezont Kind; zy heeft het niet heel
+gemaklyk gehad; maar zich zo verstandig en bedaart gedragen, dat men
+dit naauwlyks dus zoude hebben kunnen verwagten. De lieve Juffrouw
+Redelyk en ik waren, behalven de Baker, al de Vrouwen, die zy verkoos
+by zich te hebben. Het Vrouwtje was deeze laatste agt dagen verbaast
+ongemaklyk, en pynelyk; ik geloof, dat de goede Edeling immer zo veel
+als zy zelf heeft uitgestaan! In den namiddag liet hy den Heer
+Blankaart halen, en Vader Edeling was zo onrustig en zo bezorgt, dat
+ik, hem alleen sprekende, hem verzogt, zich wat agter de schermen te
+houden. De beide Heren zaten by elkander in de naaste kamer; men
+hoorde hen geen woord spreken. Blankaart wandelde al heen en weer: de
+oude Edeling zat in een Vensterbank, zeer onrustig; zo als ik, eens
+even in de kamer komende, zag.
+
+De Heer Hendrik was by ons, en verborg zynen dodelyken angst onder een
+diep stilzwygen. Saartje sprak hem dikwyls moed in; (ook als zy hare
+handen wrong.)--Eindelyk, zie daar, daar horen wy het Kind! 't Is een
+sterken Jongen: zyn stem klonk door de kamer. De Kraamvrouw hieldt
+zich stil en bedaart. In de naaste kamer hoorden wy: "God dank, God
+dank! wat is er?" "Een schone Jongen," riep de Baker; nog wat geduld.
+Beide hoorden wy hen elkander al snikkent zegen wenschen. De jonge Man
+was, genoegzaam buiten zich zelf, op een stoel neer gevallen. Ik
+wenkte hem, en hy lei met den Vroedmeester zyne vrouw in 't Ledikant.
+Juffrouw Redelyk bewaarde het Kind, dat zich braaf liet horen, en
+wakker met handen en voeten schopte. Zo dra het was opgebakert, tikten
+wy de Heren. Edeling gaf het aan zyn Vader. o, Kon ik u dat toneel
+schilderen! De oude Heer trilde van blydschap; maar hy noch zyn Zoon
+zeiden niets: zy drukten elkanderen de hand; hunne oogen stroomden. Hy
+gaf het den goeden Blankaart, en ging naar zyn Dochter; hy kuschte
+haar, hy zegende haar; hy kuschte zyn Zoon, hy zegende hem: "beleef zo
+veel vreugd aan dit kind, als ik aan u beleef, Hendrik, en gy zult een
+zeer gelukkig Vader zyn."
+
+Blankaart, met het Kind in zyne armen, was geen minder schildery! De
+Natuur is toch niet te overtreffen; men moet zulke dingen zien!
+"Welkom, myn zoete kleine Boy:" "zei de goedaartige man:" "welkom, myn
+lief kind! jongetje, je komt al in een aartig Waereldje. Nu, dat zul
+je, als je tyd van leven hebt, wel ondervinden. Pas maar braaf op, en
+je zult gelukkig zyn:" "(en by my komende met het kind:)" "ha! dat's
+een kereltje! zei hy; zie je wel, watte heldere kykers dat hy heeft?
+'t is een mooi kind, zeg ik je: precies zyn Vaders tronie; en watte
+vuistjes heeft hy! nu mantje, ga jy by Moeder, die zal je beter
+trakteren." Hy ging, met het kind in bei zyn armen voor zyn hart
+gefommelt, naar de Kraamvrouw, gaf haar 't kind, kuschte haar; noemde
+haar met alle zoete namen, die hy bedenken kon, en wy verzogten de
+Heren, zich weer naar hunne kamer te begeven. Saartje was zeer zwak,
+en verlangde, dagt my, naar rust. Wy gingen vervolgens in 't naaste
+vertrek eeten. Kort daar op kwam de jonge Heer t'huis, die nog niets
+wist. Blankaart sloop in de Kraamkamer, haalde het Kind uit de wieg,
+en liet het Cornelis zien: "He! Maatje, wat zeg je me van zo een
+knaap?" Hy zag het kind, viel zyn Broeder om den hals, omhelsde zyn
+Vader, nam het kind, bezag het met dat goedig gelaat, dat hem zo eigen
+is, bragt het in de Kraamkamer, ging by 't Ledikant en toonde zyn
+broederlyk hart in stille zegenwenschen.
+
+Morgen word het Kind, hier aan huis, door den Heer Redelyk gedoopt:
+zyn naam is _Jan_. Beide de Grootvaders hieten zo. Evenwel het is _Jan
+Edeling_; en ik geloof, dat de oude Heer, om geen waerelds goed, het
+anders zou dulden.
+
+Alles gaat naar wensch: den gehelen nagt geslapen als een roos; het
+Kind ook. Zy is reeds in allen opzichte Moeder: 't is een bekoorlyk
+Kraamvrouwtje! Willis en Brunier zullen van daag den kleinen Jongen in
+het naaste vertrek zien, en Grootvader trakteert al wat in zyn dienst
+leven ontvangen heeft. Tot de Kruijers en Pakhuisknegts toe, krygen
+Rynschen Wyn met Kaneel-Koekjes, en yder is _mantje, jongetje_; elk
+maakt het _bestig_. Hemel, hoe is die man verandert! De Brief moet
+weg: Ik moet ook nog aan myn Letje schryven. Schryf my haast ook zulke
+goede tyding:--met haast, de Brief moet weg.
+
+ Uwe Vriendin,
+
+ M. BUIGZAAM
+
+ Wed. P. SPILGOED.
+
+
+
+
+HONDERD-TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA SMIT.
+
+
+_Zeer lieve Vriendin!_
+
+Niet voor van daag kreeg ik de vryheid om te schryven; en myn kleine
+knol is evenwel al drie weken in de Waereld geweest: Nu, 't is goed,
+dat ik met een zoet praatje te leiden ben, anders, wel heden, me
+dunkt, ik had, voor den _Negenden dag_, wel kunnen schryven. Maar de
+slenter moet gevolgt! Tante Redelyk houdt, zeg ik haar, niet van oude
+palen te verzetten: maar de Vrouw spreekt, zo zegt zy, by ondervinding;
+en dewyl zy reeds tien kindertjes gehaalt heeft, dien ik nog al op
+haar zo wat te betrouwen.
+
+Kom meisje, gy moet den moed niet opgeven: gy plagt altyd _ouder_ en
+_wyzer_ te zyn dan ik ben, en ik heb my wel gehouden, hoor ik; want
+ik, arme sloof, weet niet, hoe andere Vrouwen zich gedragen. Gy kent
+myn humeur! "Kom aan, Saartje, zei ik, schik u naar 't geen zo zyn
+moet; gy zult er u zelf best by vinden." Zo gezeit, zo gedaan: en zie
+daar! my Moeder van het liefste kind, dat gy u verbeelden kunt.
+Gelooft gy my niet? vraag het dan aan het schaap zyn Grootvader; vraag
+het aan den Heer Blankaart;--aan elk, die het ziet.
+
+En wat heb ik nu een drukte met myn kleine Prul! Ik zou hem wel altyd
+op myn schoot willen hebben; maar Baker zeit: "dat hy dan wel haast
+niet meer in zyn wieg zal willen, en dat dit toch best is voor hem."
+Hoe, best? vroeg ik; kan _myn_ jongje ergens _zo best_ zyn, als op zyn
+eige Moeders schoot? Zo ziet gy, dat elk den baas over my speelt, tot
+de Baker inkluis. Wat ben ik hongerig, Naatje! Ik kan altyd wel eeten,
+en neem 's avonds een trommeltje met beschuit naar bed: (nu, kind, gy
+zult wat ondervinden,) ik moet myn Jantje immers voorraat bezorgen?
+Myn stoute Broer klungelt gedurig aan de Wieg, en maakt zyn Neef
+wakker, die dan een brave keel open zet, en dwingt om by Mama te zyn;
+dan loopt Cees de Kamer uit, en zingt zyn moffenliedje, daar gy eens
+zo om moest lachen. Onze Pieternel is hier geweest; dat was een
+vertoning! zy zei, "dat het kind er zo verstandig uitzag, en zo leek
+op Grootvader Burgerhart, (dat is, op myn Grootvader, moet je weten;)
+en zy kon niet bedenken, dat ik al zo een knappe Zeun hadt; wel heden,
+het heugde haar nog, als den dag van gisteren, dat ik geboren wierd;
+'t was op een Dingsdag;--neen, op een Woensdag;--toch op een Dingsdag;
+want dit was haar stof- en raag-dag; en zy was net bezig met
+Grootvaders slaapkamer te stoffen, toen myn Heer Blankaart, die altyd
+by uw Vader was, wil ik spreken, aan den trap riep: Pieternel, kom
+eens af, meid, daar hebben wy een aartig piskousje gekregen; en
+Mevrouw, ik had er zulk een innerlyke dingstigheid van, dat ik over
+myn handstoffer viel, al het stof op het tapyt; zo dat, ik weet het
+nog heel wel. Zy beriep zich ook op den Heer Blankaart; die zou 't
+niet ontkennen." Grootvader Edeling tracteerde Pieternel ook, en de
+welkomst van den jongen Jan Edeling werdt gedronken: o zulke
+toneeltjes smaken my zo! Ik wou, dat ik die maar beschryven kon, zo
+als het behoort. Uwe aanstaande Zuster, die nog by haren weldadigen
+Vriend is, heeft my een engelagtigen Brief geschreven: Wat zal Willem
+met zo een meisje gelukkig zyn!
+
+Een trek uit den Heer Helmers karakter, Gy weet, dat hy, voor ruim
+veertig jaar, zyn Vrouw, die hy teder beminde, in 't kraambed verloor?
+Nu! die indrukken zyner droefheid zyn onuitwischbaar; en hy neemt zo
+veel belang in jonge kraamvrouwen, dat hy ook alle morgen een knegt te
+paard zendt, om te horen hoe of het met my is, schoon zyn plaats drie
+uuren rydens van Amsterdam legt; en zo, zeit Letje, doet hy omtrent
+alle Vrouwen, die hy eenigzins kent. Indien gy, Naatje, niet in eene
+andre Provintie waart, gy zoudt ook alle morgen een knegt te paard de
+Pastorielaan zien opryden: Nu nog een woord meer in uw trant van
+schryven: het geschrevene moest er eerst maar uit.
+
+De ondervinding alleen is in staat om u te leren, wat het is, _Moeder
+te zyn_. Gy weet, ik was altoos een _kindergek_; maar, myn Hemel! wat
+onderscheid! Hoe is 't mooglyk, dat er Vrouwen zyn kunnen, die
+onverschillig zyn omtrent deezen Huwlyks-zegen! Nu, dunkt my, ben ik
+eerst regt getrouwt. Nu is myn Edeling my nog oneindig dierbaarder.
+Nu is hy door alle de zagte banden der Natuur, door alle de mogelyke
+betrekkingen, aan my gehecht; en wat kan eene brave Vrouw zo verrukken,
+dan de tederbeminde Vrouw te zyn van dien man, door wien zy Moeder
+wierdt? De wys, waar op myn man zich gedraagt, is in zyn karakter; en
+dat kent gy. Al de smarten zyn voorlang vergeten, maar de beloning
+duurt, groeit aan, en maakt my tot eene der gelukkigste Vrouwen, die
+er zyn kunnen.
+
+Nu is het nog der pyne waart om te leven. Ik heb nu werk, ik heb
+pligten te voldoen, die myne ernstigste overdenkingen waardig zyn;
+en nu zie ik, dat ik, alleen by gebrek van bezigheden, die voor my
+berekent waren, eene losse, uithuzige, stoute meid was. Zie, Naatje,
+dat hadt gy ook behoren te bedenken; wil ik spreken, zeit Pieternel.
+Ik begryp wel, dat het nu maar spelen gaan is, en dat de jonge Jan
+Edeling my wel eens andre druktens zal maken! Goed! ik wagt die ook,
+en hoop, dat myn verstandige Man, zo ik te veel malle Moeder ben,
+Moeder en Zoon beide te recht zal helpen. Ik kan wel niet zeggen, met
+Pieternel, dat de Jongen er heel verstandig uitziet; maar 't is immers
+een goed kind, dat naar zyn Moeder aart? en gy weet, dat Moeder stikkent
+vol potzen en flinken stak, toen zy nog zeer jong en zeer los was? Myn
+Broer heeft er wel moed op, want hy zegt my in vertrouwen: "dat Jan al
+naar de Meisjes begint uittekyken." "Oom en Neef hebben een goeden
+smaak," zei ik. "Ja, zei hy, de Natuur gaat boven de leer." Hy hoort
+ook graag muziek, want als Baker van de Moordenaartjes zingt, schreeuwt
+hy als een tyger; maar als ik eenige noten aansla, kykt hy uit zyn
+luijers als iemand die zegt: _Nog meer laatste woorden van bisschop T_.
+
+Vaarwel, myne Vriendin. Omhels voor ons uwe waarde Moeder en Domine,
+voor Edeling en my. Ik ben altoos
+
+ Uwe Vriendin,
+
+ SARA EDELING,
+
+ geb. BURGERHART.
+
+
+
+
+HONDERD-DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Aletta Willis-Brunier aan haar man
+Willem: Sara voedt kleinen Jan verstandig-aardig op.--_Hun eigen
+kinderen_ groeten papa!
+
+
+HONDERD-VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Vader Willem aan zijn vrouw: dol
+gelukkig!
+
+
+
+
+HONDERD-VYF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
+
+DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK.
+
+
+_Eerwaardige Heer!_
+
+Ei, wissewasjes, ik weet niet, myn lieve Domine, waar je van spreekt.
+Dat ik uw' Hendrik by een braaf Kaptein gebragt, en ten sterksten heb
+aanbevolen, is dat zo veel zaaks? Wel, myn goede man, ik wou, dat ik
+veel meer voor je doen kon; want ik heb zulk een achting voor u, en ik
+ben zo dikwyls door uwe Predikatien gesticht, en uw Vrouw is zulk een
+best Wyf, en gy hebt daar tien kinderen, het eene nog schoonder als
+'t andere; zo dat ik zeggen wil, spreek daar niet van. Wel ja, die
+uitrusting wil wat zeggen; ik heb by gelyks kind noch kraai in de
+waereld: Nu, de jongen ziet er uit als een Vorst, in zyn Zeemontuur.
+Kyk, mantje, zei ik, toen ik hem naar boord bragt, (want ik heb den
+jongen lief, en wilde hem zelf aan den Kaptein leveren.) Kyk, mantje,
+nu heb ik Vader en Moeder bepraat, om u te laten varen. Je bent nu
+_Monsieur Kadet_; en draagt een degen, zo wel als een Admiraal. Maar
+zo je nu reis in een ploertig leven meer zin kreeg, dan in een
+ordentelyk gedrag, en dagt, nu ben ik myn eigen meester, en vele
+viezevazen meer, dan zou Abraham Blankaart daar staan, of hy een
+schepenkennis[1] op zyn neus hadt, en dan zou Oom Jan zeggen, dat het
+myn schuld was, dat ik my er niet mee gemoeit moest hebben, en dat zou
+niet mooi voor my zyn. En wat denk je, Domine, dat Heintje daar op
+zei? "Myn Heer, zei hy, ik verzeker u _op myn woord van eer_; (en hy
+is veertien jaar, dat stondt my wel aan,) _op myn woord van eer_, dat
+ik in allen opzichte braaf zal oppassen; zou ik zoo ondankbaar zyn
+omtrent u? en zou ik myn lieve Vader en Moeder ooit verdriet aan
+kunnen doen? dan wou ik liever maar dood zyn, want dat was dan maar
+best."--Dat was het ook, zei ik, want dan waart gy een ondeugende
+Jongen: maar ik zie nu wel, dat gy een braaf kind zyt. En ik troostte
+hem weer zo wat: en zoo kwamen wy aan boord, met de sloep. Daar kwam
+Janmaat en Ceesneef op de proppen: "hier, Hein, wat dit en dat! de
+valreep! daar is onze Kadet Redelyk; met zyn Vader." Ja, dagt ik,
+lieve God! was dat waar, dan tracteerde ik het hele Rommelzootje. Daar
+kwam een Schieman [2], en noemde my Domine, en toen luisterden al de
+Pekbroeken elkander in: "Jongens, dat is een Domine, de Kadets Vader."
+Daar stond ik toen met beschaamde kaken: want ik wist wel, dat ik geen
+Domine en Heintje myn Zoon niet was. Neen; Maats, dat heb je effentjes
+zo wat mis, ik ben geen Domine, en joului Kadet is myn Zoon niet; maar
+ik ben een Koopman, en een oud Vryer: nu, dat is 't zelfde. De Kadets
+Vader is een Domine, en wel een zo braaf Domine, als er ooit voor jou
+lui zielen gezorgt heeft; zo dat ik maar zeggen wil, dat gy den jongen
+Heer wel moet doen; hy zal u ook wel doen, en ik hoop, dat hy zulk een
+braaf man zal worden, dat jou lui nog eens met hem, als jou lui
+Kaptein, aan den dans zult raken. Dat hoopten zy ook, en er werd braaf
+gehouseet, want Abraham Blankaart gaf aan Janmaat een footje. Nu, het
+overige zal Hendrik u wel schryven.
+
+Eer heeft uw hart, myn goeje Domine; wel dat zou er bekreten uitzien,
+als juist alle brave jongens zouden moeten studeren en Dominees
+worden. Maar zo Satans nydig als ik worden kan op die malle fatsoenen,
+die nu denken, dat het onzen lieven Heer magtig veel schelen kan, hoe
+een eerlyk man door de waereld komt! Kunnen wy dan allemaal _Preken en
+Bidden_? Ei lieve! En wie zou dan Negotie doen? Wie zou 't Land
+Regeren? Wie zou, ja wat weet ik het. Althans uw Hein is maar regt
+voor de zee geschikt. 't Is een gezonde sterke Beuker van een jongen;
+en als hy niet deugen wil, kan hy al zo ondeugent op de Studie als op
+de Zee worden.
+
+Zie zo, dat Karweitje is ook weer besjouwt. En uw vrouw verdient, dat
+zy haar Zoon nog eens Vice-Admiraal ziet; hoe lief zy hem heeft, weten
+wy wel: maar de Vrouw sprak verstandig.
+
+Ja, Domine, jy bent een man naar myn hart. Zie, ik hou om de dood niet
+van dat falievouwen, en ik kan my zo satans nydig maken, als ik daar
+zo hoor klagen en stenen, en van _Tranendal_, en van een _elendig
+leven_ enz. praten. Hoor, God de Heer is maar veel te goed tegen zulke
+ondankbare kniezers en zuurkykers. 't Is goed, dat zy met Abraham
+Blankaart niet te doen hebben, ik zou dat bangziende Volkje wat anders
+leren. Zie daar, daar ben ik nu zes en vyftig jaar oud, en als ik zo
+by my zelf zit, zeg ik: wel lieve God, wat al weldaden heb ik, zondig
+mensch, evenwel van u ontfangen! Ik ben met weinig begonnen, ik moest
+voor een oude Moeder en een zieke Zuster het brood winnen, en zie
+daar, ik ben ryk, ryker dan ik elk aan den neus hang; ik ben gezont
+als een visch. Ik sta daar, als Govert in den dans, omringt van al myn
+jonge lui; daar is Edeling en zyn Vrouw, daar is myn Willem met zyn
+Vrouw; daar is Cobus, daar zyn ze zo allemaal om my; elk houdt meer
+van my als de ander. De kleinen klimmen tegen my op, en halen de
+suikerde duiten uit myn zakken; en als Abraham Blankaart maar eens
+kugt, of wat stil is, dan is de drommel op stelten: 't is of elk
+vreest, met my gelyk te zullen aftrekken, zo is het er te doen. Daar
+zyn die brave Weduwen; wel, ik ben er als broer in huis; daar is
+Domine Smit en zyn Vrouw, op de handen zouden zy my dragen; en wat doe
+ik toch, dan 't geen myn pligt is, en dat ik altoos wel te vreen ben?
+want vrees God en doe wel, zo veel gy maar kunt, dat is het allemaal.
+Wat zegt gy, Domine?--Maar hoe doen nu de klagers? Altyd kyken zy
+bang; altyd vrezen zy, dat zy te kort zullen komen; zy houen van
+niemand, en niemand van hun. _Op zulke Watertjes vangt men zulke
+Vischjes_. Maar onze lieve Heer (die maar veel te goed is,) krygt den
+schuld. Dan is het te heet, dan is het te koud; dan is alles zo duur,
+dan komt er geen staartje Visch aan de markt. Summa summarum, die
+Lelykeis zyn nooit te voldoen: en 't zal my benieuwen, of het in Gods
+hemel ook wel van passen voor hun zyn zal; maar ik denk niet, dat wy
+daar met hen zullen opgescheept zyn. Wat denkt gy er van, Domine? Kyk,
+denk ik, die God niet in blijdschap dient, kan niet in den Hemel
+komen, want hy doet niets uit liefde tot God. Hy loopt daar over deeze
+kostelyke aarde, die zo keurlyk is opgesiert, net als zo een onguur
+gnorrent Varken, dat alles maar al gromment en morrent en gnorkent
+doorslokt, en nog een lelyk bakkes zet tegen een ander, die het een
+stroo in den weg legt. Zyn dat geen lieve Peuzels, om op zulk een
+plaats te komen, daar alles vreugd, en lof pryst den Heer is? Paulus
+is myn man: _Weest altoos blijmoedig, en verblydt u in de hope_. En
+dat zei hy zelf in dien bedroefden tyd, toen er wat meer halen, aan
+den kling was dan nu, om een goed Christen te zyn.
+
+Myn Vriendinne Styntje denkt net als ik, en dat doet my zo een deugd!
+Vriend Blankaart, zeit zy: als ik zo des ogstends opsta, en die lieve
+Zon zo in 't Oosten zie, en hoe alles zo als herleeft, en Gode dank,
+dan denk ik: Here, is het hier op deeze stoffelyke Waereld zo schoon,
+hoe moet het niet in uwen zaligen Hemel zyn! en dan zing ik uit Jan
+Luikens vaersjes het Liedjen op den Morgenstond. (Je moet weten,
+Domine, dat zy toen op Buitenrust, by de twee Dames gelogeert geweest
+was, en dat ik de vrome ziel daar met myn rytuig van daan haalde.)
+
+Nu, myn Vriend, groet ik u! en wensch u met uw Vrouw en kinderen nog
+lang een hemel op aarde; en als gy bid, ei lieve, bid ook voor my,
+want het gebed des goeden mans vermag veel, wil ik spreken. Ik blyf
+altoos,
+
+WAARDE DOMINE!
+
+Uw hoogachtende Vriend,
+
+ABRAHAM BLANKAART.
+
+P.S. Ik zie daar, dat ik tweemaal onzen Sinjeur weer genoemt heb! Nu,
+verschoon dat, ik mag zo niet fratsen in myne brieven, anders schrapte
+ik er zyn naam nog uit!
+
+
+Noten:
+
+[1] Hypotheek.
+[2] Onderofficier.
+
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart
+by Wolff en Deken
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA ***
+
+***** This file should be named 10400.txt or 10400.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/0/4/0/10400/
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/10400.zip b/old/10400.zip
new file mode 100644
index 0000000..5dd9626
--- /dev/null
+++ b/old/10400.zip
Binary files differ