diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:34:26 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:34:26 -0700 |
| commit | c3100fe252b0821c8e75a75b118190a7ff667c7e (patch) | |
| tree | 59f4d5c896453a5db4344e439d5a058c5226de25 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 10400-0.txt | 7913 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10400-8.txt | 8334 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10400-8.zip | bin | 0 -> 163860 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/10400.txt | 8333 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10400.zip | bin | 0 -> 163189 bytes |
8 files changed, 24596 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/10400-0.txt b/10400-0.txt new file mode 100644 index 0000000..cd12d55 --- /dev/null +++ b/10400-0.txt @@ -0,0 +1,7913 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10400 *** + +HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART + +door + +BETJE WOLFF en AAGJE DEKEN + + +MET INLEIDING VAN EN VERKORT DOOR J.B. MEERKERK + + +[Illustratie: Betje Wolff en Aagje Deken. + + + Natuur plaatst onzen geest als 't waare in 't aangezicht; +Zy doet der menschen ziel meest door zyne oogen spreken; + Wie onze werken leest herkent dra ook zeer ligt +Uyt beider Beeltenis, wie BEKKER zy, wie DEKEN. + + +Prent van A. Cardon naar teekening van W. Neering.] + + + + +INLEIDING. + + +Vóór ELISABETH WOLFF-BEKKER (1738—-1804) is in het buitenland zoo-nu-en-dan +wel notitie genomen van onze litteraire kunst--gezwegen natuurlijk +van de latinisten uit den renaissancetijd;--en LAROUSSE kent naast +REMBRANDT tegenwoordig ook VONDEL--doch eigenlijk tellen we pas +eenigszins mee in den vreemde na SARA BURGERHART, dat in het Fransch +werd vertaald--waar de Schrijfster niets mee ingenomen was. Ze meende +dat haar boek eigenlijk niet te vertalen was en alleen verstaanbaar voor +Hollanders. En ze had daarin volkomen gelijk, ook naar het oordeel van +BUSKEN HUET, die o.a. schreef:--"om die kunst te waardeeren moet men van +de natie zijn." + +Gaat er bij elke vertaling van een goed boek iets moois verloren, zeer +stellig, meen ik, moet dit het geval zijn met de uitstekende werken +van BETJE WOLFF. Ze zijn zoo door-en-door Hollandsch, als de _Camera +Obscura_ b.v., als héélvéél van _Multatuli_, dat vreemdelingen er +gewoonlijk onverschillig voor blijven, inzonderheid als niet de +intrigue van den roman op zichzelf belangstelling wekt, als wederom +bij BETJE. + +Ik spreek hier alleen van BETJE WOLFF, echter zonder haar vriendin AAGJE +DEKEN (1741-1804) tot bloot belangstellende te willen verkleinen. Er is +over het al of niet samenwerken heelveel getwist; ikevenwel meen dat +AAGJE veel meer is geweest dan toeschouwster, al laat ik die kwestie +hier rusten en noem ik alleen BETJE'S naam. + +Wie zich nu tot het lezen zet van _Sara Burgerhart_, moet zich +tenminste eenigermate een voorstelling maken van den tijd waarin het +boek werd geschreven (1782). Wij zijn te allen tijde een volk van +theologen geweest, is er terecht gezegd, en dat zijn we gebleven; dat +waren we vooral nog in BETJE'S dagen. Doch toen inzonderheid was het +geloof verstelseld en verdogmatiseerd, het leven was verdord in den +godsdienst, veruiterlijkt, en de nieuwe denkbeelden waren nog verward: +'t was vóór 't réveil, waarvan DA COSTA de dichter werd, en de +_Aufklärung_, wier profeet KINKER worden zou, schemerde nauwelijks. +BILDERDIJK vervroegrijpte pas. + +LOCKE (1632-1704) en de oudere DESCARTES vooral (1596-1650) hadden +invloed gehad; BOILEAU (1630-1711) en VOLTAIRE (1694—1778) waren veel +gelezen; ROUSSEAU (1712—-1778) was aan 't woord: _Nouvelle Héloise_, +_Julie_, _Emile_, _Contrat Social_ behoorden tot de in zekere kringen +populaire lectuur--en tot die kringen behoorde ELISABETH WOLFF. Er +bestaat een portret van haar als jong meisje met POPE'S beroemd boek: +_Essay on Man_ in haar hand. Dat lierdicht verscheen in 1733. + +FIELDING (1707—-1754) beroemd door zijn _Tom Jones_ en _Richardson_ +(1689—-1761) waren vertaald... Ja, véél werd er vertaald; het was zelfs +een bijzonderheid dat er een roman verscheen die niet was vertaald. +_Niet vertaalt_ liet BETJE dan ook op het titelblad drukken. De VAN +KWASTAMA'S en dergelijken--en hun aantal was talrijk--lazen nooit +Hollandsch; dat achtten ze als wijlen BARLAEUS een boerentaal, +ongeschikt voor fijnere geesten. + +Ik noemde zooeven RICHARDSON den schepper van den modernen Engelschen +roman, algemeen vermaard om zijn _Clarisse Harlowe_, _Pamela_ en +_Grandisson_, lektuur tot in POTGIETER'S jeugd. + +RICHARDSON is BETJE'S voorbeeld; van eigenlijk gezegde navolging mag +misschien sprake zijn in BETJE'S laatste werk: _Cornelia Wildschut_; +doch merkbaar is zijn voorbeeld overal. ROUSSEAU en RICHARDSON, die +twee bewondert en vereert BETJE; maar toch weer niet zóó, of ze durft +met den eerste in 't godsdienstige verschillen en door den laatste +verliest ze haar in-hollandsch karakter niet: _zij wil Hollandsche +karakters_ uitbeelden, _menschen zooals er bij ons leven_. + +En ze slaagt uitstekend: _Blankaart_, _Edeling_, _Suzanna_, _Stijntje_ +--enzoovoort zeg ik maar, om niet te reppen thans van tante _Martha de +Harde_ en haar man, in _Willem Leevend_. En zooveel anderen, +meesterlijke scheppingen. + +Als we in ons letterkundig leven terugblikken, vinden we BREDERO +(1585—-1618), COSTER (1579-1658), HOOFT (1581—-1647), men denke aan +diens _Warenar_, ASSELIJN (1620—-1701), BERNAGIE (1656—-1699), VAN EFFEN +(1684—-1735) en LANGENDIJK (1683—-1756), tot BETJE'S geestverwanten, en +die lijn loopt door tot BEETS (1814—-1903), wiens realisme echter +gepolitoerd is, tenminste overal een grondverfje heeft: het ruige is +er af, tot zelfs in _Barend_, den tuinmansknecht,--en tot _Multatuli_, +die heel hoog liep met _Blankaart_. + +Zooals reeds vermeld is werd BETJE in 1738 geboren, te _Vlissingen_; +zij was de dochter van JAN BEKKER en JOHANNA BONDRIE, een Vlaamsche. +BETJE was van haar geboorte af teer en prikkelbaar--ze werd begaafd en +hartstochtelijk; leergierig was ze en las vroeg boeken, die anderen +pas veel later of nooit lezen.--Niet vrij te pleiten van zekere +koketterie liet ze het zoover komen, dat een zekere GARGON haar kon +ontvoeren; ze was toen pas zeventien jaar. Zij is er met den schrik +afgekomen, _ongedeert_, zooals we van _Sara_ lezen, wie iets dergelijks +overkomt. Opzettelijk historie heeft ze niet geschreven in _Sara_, +maar ongetwijfeld is die _meneer_ R. wel een heugenis aan GARGON en +SARA is niet vreemd aan BETJE. + +Ze schrijft haar boek ook _ter waarschuwing_ voor jonge meisjes als +Saartje; van _l'art pour l'art_ had ze geen idee; ze onderwijst +altijd, 't zij ze romans schrijft, of in spectatoriale geschriften, +als _De Grijsaard_, _De Denker_ of _De Borger_. Die weekblaadjes +bleven na _van Effen_ geregeld, en telkens weer onder andere titels +verschijnen. + +Na dit voorval met GARGON had BETJE in Vlissingen en in het ouderlijk +huis geen leven. Haar broer LAURENS--die iets had van broeder BENJAMIN +--maakt haar 't leven zuur. Tijdelijk vindt ze een onderkomen bij den +Amsterdamschen advocaat NOORDKERK, die haar wist te kalmeeren. Maar ze +moest weer terug naar Vlissingen. + +Het was een uitkomst voor haar, toen ze door dominee ADRIAAN WOLFF, +met wien ze door haar geschriften kennis had gemaakt, altijd +_schriftelijk_ alleen, ten huwelijk werd gevraagd. Dat ging vlug in +zijn werk: den 9den October kwam WOLFF in Vlissingen, den 23sten +ondertrouwden ze, (1759). + +WOLFF was in 1707 geboren, dus 31 jaar ouder dan de vroolijke +levenslustige BETJE. Hij was sinds 1730 dominee in de _Beemster_ +en weduwnaar van WILHELMINE KAYZER; hij was een geleerd, zelfs +dichterlijk, en een hoogstachtenswaardig man, met een ruime +wereldbeschouwing. + +De eerste huwelijksjaren waren echter niet gelukkig: Betje koketteerde +wat met dominee AMIJS. Wolff leed, als altijd ouwe mannen van jonge +vrouwtjes, aan jaloezie--en Betje maakte 't wel wat bont. Na 1770 +echter wordt het beter: Betje wordt wat stemmiger, heeft haar +verkeerdheid leeren inzien en leert haar man waardeeren. In 1772 +treedt WOLFF zelfs openlijk op om zijn vrouw te verdedigen. En dat +was noodig, want Betje had door haar vinnige en zeer vrijzinnige +geschriften vrijwat vijanden en belasteraars. + +Tot haar bestrijdsters behoorde ook AAGJE DEKEN, die zich zeer +ongunstig over Betje had uitgelaten. Ze leerden elkaar kennen bij +den Amsterdamschen fabrikant GRAVE, in 1776--en die persoonlijke +kennismaking leidde tot ideale vriendschap--waar Betje zoo mee +dweepte--vriendschap tot aan hun dood: 1804. Kort na elkaar +overleden ze. + +AAGJE was een boerenmeisje, opgevoed in het Weeshuis "De Oranje-appel" +te Amsterdam. In 1767 was ze gezelschapsjuffrouw geworden bij de +weduwe BOSCH, wier dochter MARIA dichteres was--en ziekelijk. Maria +overleed echter al in 1773 en in 1775 gaf AAGJE hun werk uit onder +den titel van _Stichtelijke Gedichten_. Aagje was zeer ernstig en +deftig. Men zal haar in _Sara Burgerhart_ gemakkelijk herkennen in +ANNA WILLIS. + +In 1777 overleed dominee WOLFF, die in de Beemster zijn +_aspergebedden had aangelegd_. De man was, als Dominee SMIT in _Sara +Burgerhart_, veel te verdraagzaam en te ruim van blik om opgang te +maken. En toen gingen BETJE en AAGJE samenwonen en samenwerken. + +Eerst vestigden ze zich in _De Rijp_, waar ze woonden tot 1781; toen +verhuisden ze naar _Beverwijk_, waar Aagje het buitentje _Lommerlust_ +geërfd had. Tegenwoordig is dat de pastorie der R.C. kerk. + +Daar hebben ze gewoond--_Sara Burgerhart_ is er geschreven in het +beroemde Koepeltje--tot 1788. Toen kwamen de Pruisen in het land, +bij welke gelegenheid BILDERDIJK zich verdienstelijk hoopte te maken, +en de dames weken met tal van patriotten naar het buitenland, want ze +waren patriotisch gezind. + +Ze trokken naar Trévoux in Bourgondië en hebben daar gewoond tot +(1795), toen het den patriotten beter ging. Intusschen waren ze wel +wat genezen van hun vrijheidsroes: 't had maar weinig gescheeld, of +BETJE zelf was op de guillotine terechtgesteld.--Ze vestigden zich in +Den Haag en daar zijn ze blijven wonen. Ze hadden het maar armpjes: +hun kapitaaltje hadden ze toevertrouwd aan een Haarlemsch notaris en +die had het zoek gemaakt.--Ze moesten nu weer vertalen, dat "ze +kikhalsden" schreef BETJE. Wel hielpen de oude vrienden haar: LOOSJES +en VOLLENHOVEN; ze kregen nieuwe in VAN HALL en VAN DER PALM; ze +raakten heel intiem met mevrouw OVERDORP—POST, ELISABETH-MARIA, maar +ze waren erg "eergierig" en men moest het, als VAN HALL, heel kiesch +aanleggen om hen te ondersteunen. + +Ze werden ziekelijk: AAGJE leed aan jicht, BETJE aan kramp. De goeie +tijden waren voorbij--voor _Willem Leevend_ hadden ze _6000 gld_. +honorarium ontvangen; _Cornelia Wildschut_ bracht minder op. + +De beteekenis dier vrouwen voor onze algemeene volksontwikkeling en +ook voor onze letterkunde overschat men niet licht. Het is gemakkelijk +aanmerkingen op de samenstelling van _Sara Burgerhart_ te maken; men +moge den snoodaard _R_. wat al te tooneelsnood vinden; men brenge +bedenkingen in tegen den _briefvorm_, toen in de mode, door RICHARDSON +--en nog door mevrouw BOSBOOM—TOUSSAINT gebezigd in _Majoor Frans_ +--maar onsterfelijk blijven _Saartje_, _Blankaart_ en de andere reeds +aangeduiden--en nooit kan verdwijnen de geest van gezond menschenleven +dien haar werken ademen. + +Zij rusten in vrede op het kerkhof "Ter Navolging", bij Scheveningen. + + * * * * * + +SARA BURGERHART is niet alleen als roman bedoeld, 't is een _tendenz- +werk_--theologisch, paedagogisch, politiek zelfs en _apologisch_. +Daardoor is 't voor leerlingen inzonderheid te lang en te langdradig. +Eerst wanneer men er toe komt de 18de eeuw te bestudeeren, _ons_ leven +onder den invloed van den vreemde, dan wordt het _heele_ boek hoogst +belangwekkend. Misschien komen er velen toe het dan in zijn geheel te +herlezen. In deze uitgave wilden we behouden, behalve wat vanzelf bleef, +den _roman_ en _het karakteristiek Hollandsche_. Het zou ons bijzonder +aangenaam zijn als we daarin waren geslaagd. + + + Voornaamste Werken. + +Van BETJE alleen: + + Bespiegelingen over den staat der Rechtheid, + den val en den gevallen mensch, (1765). + Walcheren in 4 zangen, (1769). + Onveranderlijke Santhortsche Geloofsbelijdenis, + en De Menuet en de Domineespruik, (1774). + _Die Menuet werd zelfs door hel volk gezongen als + een kermisliedje_. + Mengelpoëzie. (1785). + +Van AAGJE en BETJE samen: + + Historie van juffr. Sara Burgerhart, (1782). + Historie van den heer Willem Leevend, (1784). + Brieven van Abrah. Blankaart, (1788). + Dichterlijke wandelingen door Bourgondië, (1789). + Historie van Cornelia Wildschut, (1796). + + J. B. MEERKERK. +_Zwolle_, April '19. + + + + +EERSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + + PARYS. + + +_Lieve jonge juffrouw!_ + +Nu ja, ik heb beide uwe Brieven ontfangen, maar, wat hamer, meent gy, +dat ik tyd heb om u zo _cito_, per post, (zoo 't u blieft,) te +antwoorden; en dat wel zo dikwyls, als myne Pupil goedvindt om my met +een hoope wisjewasjes aan 't hoofd te lellen? Zie, ik ben maar een +Vryer, (een _Oude_ Vryer, zo je wilt;) ik weet echter, hoe die Nufjes +van halfwassen Vrouwen bestaan. Van daag willen zy zus, morgen willen +zy zó. Wel nu, wat zal ik u antwoorden? Weet ik, in hoe ver gy +gelyk hebt? Niet, Saar lief, dat ik u in staat ken om my te pieren, zo +wat op myn mouw te spelden, gelyk men zegt: Neen, gy waart altoos een +oprecht kind; maar gy zyt jong, gy hebt het maar gansch niet naar uw +zin: reden genoeg, om zulke droevige dingen aan my te schryven. + +Indien ik niet in dit verbruide Land, daar niemand my en ik niemand, +dan zeer gebrekkig, verstaan kan, buiten de Familie, waar mede ik myne +zaken heb aftedoen, en daar ik wel zakken vol complimenten, doch geen +geld krygen kan, nog vooreerst diende te blijven, en te Amsteldam kon +komen, of ik die Russische winkel by Tante eens zoude komen opschudden! +Wêe, zo gy my gefopt hadt! maar wêe ook het oud Wyf, indien zy myne +Pupil, de dochter myns waardsten Vriends, kwalyk behandelde! Maak van +myn vertrouwen geen misbruik, maar uwe Tante verdient niet de Zuster +uwer brave Moeder te zijn; op myn eer, dat verdient zij niet! Zy is +een geveinsde inhalige Feeks; en ik kan het nog niet in den kop +krygen, door wat middel zy uwe zalige Moeder heeft weten te bewegen, +om u, haar eenig, haar tedergelieft kind, by haar te betrouwen. Voor +honderd halve ryertjes[1] moest gy het beter hebben; (uwe kleding +betaal ik immers nog byzonder[2]). En krabt zy die echter niet zo +vrekkig naar zich, als of zy arm en gy haar wild vreemt waart. Zo gy +kunt, hou het uit; ik zal er u te liever om hebben, kind; en ik zal my +tegen u niet laten innemen. Nu, zy schryft my ook nooit. Mooglyk acht +zy my die eer onwaardig. Alles heeft zyn reden, meisje; zie, ik heb +Tante, als zy het al te erg maakte, zo wel eens doen zien, dat haar +manier van doen zeer dikwyls verbaast verre afweek van hare wyze van +zeggen, en breden ophef, als of zy, ten minsten, eene heilige van den +eersten rang ware. Gy hebt zulke brave ouders in 't graf; draag u toch +wèl, kind. Ik beken, zo eene behandeling is haast niet om te verdragen; +zo zy het al te erg maakt, en gy beter kunt te recht komen, ik guarandeer +uw kostgeld; mids dat de Lieden onbesproken en hupsche menschen zyn. +--Doe deezen stap echter niet, dan in den dringentsten nood, of wy zullen +geen Vrienden blyven; ik kan niet toestaan, dat gy u zelf zoudt benadeelen; +daar heb ik u veels te lief toe. Ja, wat ik zeggen wou? Ik heb hier eene +menigte muziek voor u gekogt, en die zal ik u met een los adres[3], als +ik goederen afzend, toeschikken. Zy geven hier voor dat de Compositie +heerlyk is: ik vergeet al myn kunst met die druktens; maar ik heb zo +graag, dat zoete meisjes zich wel diverteeren; en gy zyt toch een +muziekgekje. Ik denk wel om u, en kan dikwyls wenschen, dat ik u hier +had. Hier, Saartje, zoude uwe geestige hekelzucht stoffe vinden, al +hoorde en zaagt gy niets dan dien nimmer stillen zwerm van Gouwe torren, +en Zomerkapelletjes; want zo noem ik dat lastig beslissent wel opgepronkt +Jan hagel, dat men _Petits maîtres_ hiet: Ik ben zoo bang voor zó een +rekeltje, als gy voor een Aap; zy noemen my hier: _le gros Hollandais_; +wat beduidt dit Kind? mooglyk nietmetal. + +Binnen zes maanden denk ik thuis te zyn. Wat lange brief is dit? nu gy +yder een niet; maar toch, ik schryf niet graag Brieven.--Vaarwel, leef +vrolyk, wees gegroet van + + _Uwen toegenegen Voogd_, + + ABRAHAM BLANKAART. + +Noten: + +[1] Rijer = 14 gulden. +[2] Afzonderlijk. +[3] Apart pakje. + + + + +TWEEDE BRIEF.--Aletta de Brunier heeft Saartje gezien als een +"kwakerinnetje", in den winkel van Mad(elle) G. Dat is te gek, +schrijft ze aan Saartje, met wie ze vroeger heeft school gegaan, en +ze stelt haar voor bij háár te komen wonen, en pension bij de wed(e) +Spilgoed-Buigzaam--daar hebben ze 't best. Er wonen nog twee dames. + + + + +DERDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Ge-eerde Heer, zeer ge-achte Voogd!_ + +Dat was een blyde Postdag voor my. Een Brief van myn geëerden Voogd. +Waarlyk, ik heb geschreit, ziende hoe veel belang gy in my naamt: doch +dat zes maanden uit blyven! daar lag al myn vreugd in 't voetzant. +Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer +uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet +half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan. +Och, zo waar, ik heb u geen één jokkentje, hoe klein ook, op den mouw +gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? dan was ik een zeer slegt +meisje, en verdiende dat gy my bekeeft. Ik ben niet alleen de slavin +van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude +lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt. + +De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw +van een fatsoenlyk man, die niet dan ordentelyke Dames logeert. Een +myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en +pryst de Juffrouw heel zeer. Daar zyn nog twee andere Dames ook. + +Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat +berispelijk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary +wil verlagen, eene ondeugd, die allerafschuwlykst voor my is; en waar +aan ik my zeker nooit zal te buitengaan. + +Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen +te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven: +Laat my toe, dit nogmaal te zeggen. + +Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek! ik zing al in voorraad[1]. +ô! Wat zal die fraai zyn: mooglyk is er wel van Rousseau's[2] Compositie +by? duizendmaal dank. Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken +van een Pypje, voor te spelen. Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart, +daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryën +[3]; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag en ik heb zulke mooije +Cantata's. Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het pakje aan Tantes huis +niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur; ik zal hier een adresje +insluiten. Ik bidde den goeden Hemel alle daag voor u, en dat ik u +gezond en vrolyk moge weder zien, my zelf gelukkig rekenende van te zyn, + +_Uwe liefhebbende Pupil en Dienares_, + +SARA BURGERHART. + +Adres: _Chez Mademoiselle G----, Marchande sur le_ ----. + + +Noten: + +[1] Bij voorbaat. +[2] Wolffje dweept met Jean Jacques. +[3] Zeurige deunen. + + + + +VIERDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLES. + + +_Ge-eerde vriendin!_ + +Hield ik my niet verzekert, dat uw hart veel beter gestelt was, dan +dat van wylen den Heer Achitofel[1], (trotscher gedagtenis), die zich, +om dat men zynen raad verwierp, maar zo eens, met een gaauwigheid, +handigies ging opknopen, ik zou zeker by u niet om raad komen, want ik +zeg u in voorraad, dat ik niet van mening ben dien te volgen; ten ware +hy, onverhoopt, met myn reeds genomen besluit overeenstemde. + +En nu, myne zeer statige, zeer hoogwaardige Vriendin, zult gy my +vragen: "waarom, indien dit zo is, of ik dan uwen raad verzoek"? Dat +zal ik u zeggen, Naatje. Ik schryf aan u, om myn hart te ontlasten; om +u in staat te stellen van te kunnen oordelen over myn lastig lot, op +dat gy, den stap dien ik ga doen, al niet goedkeurende, dien echter +zoudt kunnen inschikken. Een stap mooglyk, onvoorzichtig; doch voor my +nodig. Gy hebt al myn vertrouwen, om dat gy alle myne achting hebt, en +elk die u acht is zeker niet verachtelyk, om dat gy zulk een fraai +karakter hebt, enz. Ik moet kort zyn. Maar by Tante heb ik het zo +slegt, dat ik er niet langer blyven kan of wil. Raad my dit niet af. +'t Is wel waar, Naatje, dat gy zo wel veel wyzer als veel ouder zyt +dan ik; maar gy zyt echter niet wyzer dan Salomon, de wyze Koning +Salomon zou ik denken, ende wat zegt zyne Philosophische Majesteit +ergens? "Het is beter te wonen aan de zyde des Daks, dan by eene +kyvende "Huisvrouw". Hoe kan ik nu langer wonen by eene Tante, die, +schynt het, eene belofte gedaan heeft, om my zo veel bitterheid aan te +doen, als Vrekheid en Dweepery maar immer kunnen opbaggeren.... Daar +schreeuwt zy alweer haar keel uit het lid. "Ja Tante, ik kom." Eerst +echter deezen agter 't slot. Zo dra ik kan zal ik een tweeden Brief +beginnen, ik moet u eindelyk voldoen omtrent zaken, my, vóór ik u +kende, ontmoet. Vaarwel, myne waarde. + + S.B. + + +Noot: + +[1] 2 Sam. XV, 12 vv. 2 Sam. XVI, 23. — Vert. Kuenen c.s. + + + + +VYFDE BRIEF. + +DE ZELFDE. Ten vervolge. + + +Ik moest mynen vorigen brief, die hier nevens gaat, zo schielyk +afbreken, om dat Tante my riep, schoon zy my niets te zeggen hadt, en +slegts beval, by haar te zitten: Onze gromparty sla ik maar over, om +dat ik u nu eens ernstig moet schryven. + +Myn waarde Vader, weet gy, was Jan Burgerhart; hy negotieerde in de +Thee; zyn handel was voordeelig. Myne lieve Moeder was, zo als men dat +noemt, een bestorven meisje[1]. Zy hadt een stuiver goeds, en trouwde +zeer jong. My, het eenig kind, voedde men op als een meisje, dat van +eene goede familie is, en geld te wagten heeft, door brave Ouders +opgevoed wordt. Gy kent myn aandoenlyk hart; gy weet hoe vatbaar het +is voor de minste blyken van genegenheid; oordeel dan hoe ik deeze +myne dierbare Ouders eerde en beminde. Ouders! dat is toch een +zielroerent woord, Naatje, en kost my meermaal eene stille traan. Myne +Ouders waren gelukkig met elkander. Hun karakter was voor elkander +berekent. Meer zeg ik niet. Wie spreekt ooit dan met achting van myne +zalige Ouders? och, yder een!... Gy weet het. Hoe aangenaam was ons +zeer geregelt huishouden! Myne Ouders lazen veel, en zagen deeze zucht +in my met goedkeuring. Nog zie ik hen in onzen tuin, op de bank +zitten, als Vader zyn pypje van rust, zo als hy het noemde, rookte, en +Moeder hem iets voorlas, terwyl ik op des goedaartigen mans knie zat +te luisteren, of te spelen. Nog zie ik, hoe hy my, gevolgt door myne +glimlachende Moeder, in huis draagt. ô! Dat waren gouden dagen; waren +het niet? + +Myne Moeder hadt eene Zuster, die veel ouder was, en waar by ik nu +inwoon. Die Zuster vondt maar gansch niet billyk, dat Saartje vóór +haar ten huwelyk verzogt wierd, en kyk, de Juffrouw was magtig gestelt +op het _Decorum_[2]; dat was het maar: zy meende ook zeer wel te +weten, dat zy zo wel veel meer verdiensten, als jaren telde, dan myne +Moeder. Doch, of het spel sprak, daar kwamen geene Liefhebbers. Indien +onze Vriendin hadt kunnen bewogen worden, om eene _aanpryzende_ +VOORREDE voor Tante te schryven, mooglyk zou men haar gezogt hebben. +Hoe 't zy--(verschoon dien inval!) zy begreep, (Tante heeft ook haare +invallen, Naatje), dat er geen beter party voor haar opzat, dan zich +te voegen by die Lieden, die wy _fynen_, en die zich zelf _vroomen_ +noemen. Veele deezer menschen, ik spreek van de besten uit de zôô, +meenden dat haar grimmige uitkyk, haar grommig voorkomen, haar +nutteloze berisping, de zoete vrugtjes waren van eene naauw-gezette +godsvrugt. Die goede Slooven dagten, dat Tante los was van de Waereld, +om dat de wyze schikkingen der Voorzienigheid nooit de eer hadden van +haar Wel Edele te voldoen. Hoe zeer zy ook de Fyne uithing, zy beviel +evenwel méér aan de Zusjes, dan aan de Broedertjes: men moet bekennen, +dat Juffrouw Hofland juist niet heel oogelyk is. + +Met myn zesde jaar hield ik al meê Oeffening by Tante. De Vriendjes +hadden veel met my op. Men zag wat goeds in my. Ik hield ook veel van +Tantes Oeffening; want, met myn zak en peperhuizen vol Lekkers, kwam +ik altoos thuis, zie daar de genoegzame rede. Hoe zeit Wolff[3], de +_ratio sufficiens der dingen?_ + +Zoo veele middelen bleven niet ongezegent. Ik verlangde altoos naar +Tantes oeffendag. Wat zal ik meer zeggen? Gy kent my: medelydent, +meêgaande, en zoo voords. Toen kon ik al geene droefheid zien zonder +ook te kryten; en er werdt ook meest altyd eens geweent, (waarom weet +Joost; want me dunkt, dat zy het nog al zoo taamlyk wél hadden). Deze +weekheid behaagde. Myne Tante zelf, of schoon ik hare gehate Zusters +dochtertje was, kreeg my, op hare wys, recht lief. Zy mydde ons huis +niet meer, om dat ik meê oeffening hield, en meê huilde. + +Twaalf jaren leefde ik zo gelukkig, als een gehoorzaam en gelieft kind +leven kan. Toen keerde myn lot. Myn waarde Vader, zich op eenen heten +dag, door het inpakken en afzenden van Thee, zeer verhit hebbende, +kreeg een pleuris, en stierf binnen drie dagen, nog geen veertig jaren +oud zynde. + +Geene VAN MERKEN[4] zou u kunnen afbeelden, hoe groot myner Moeders en +myne droefheid was. Wy verloren alles, en myne teder-lievende Moeder +voelde alles wat zy verloor; meer zeg ik niet. Oordeel nu. Myne Moeder +deedt den handel aan iemand onzer Kantoorbedienden over, vertrok naar +de ----gragt, en hielt maar eene onzer meiden; daar leefden wy stil en +proper. Maar haar verlangen naar stilte was te gunstig voor haar, om +toch onafgebroken aan haar Overledenen te denken! Myne Ouders hadden +elkander hartlyk bemint: de dood myn's Vaders stortte haar in de +allerdiepste zwaarmoedigheid. Zy sneedt alle uitspanningen af, zag +niemand, sprak weinig, zuchtte veel, en stortte veele droeve tranen. +Zy werdt ook wel dra zo ziek van lichaam als van ziel. De lieve Vrouw +hadt nu reeds de geschiktheid, om het zaad der dweepery, 't welk myne +Tante met eene voorbeeldige mildheid uitstrooide, te ontvangen; zy +ontfing het ook, helaas! + +Ik was bitter bedroeft over myne Moeder! myne zucht tot vermaak +verzwakte. Geen wonder! ik zag myne kwynende Moeder in eene sleepende +ziekte vervallen, die, zo als Docter E---- duchte, ongeneeslyk was. Ik +leed niet minder dan myne dierbare toegeeflyke Moeder. De Teering is +eene elendige kwaal, Naatje. Wat heeft de brave Vrouw geleden, en dat +zo lang; zo heel lang! Nooit verliet ik haar in het laatste jaar haars +levens. Ik sliep voor haar bed, gaf haar alle de medicynen; en zag, +buiten myne Tante en den Docter, niemand dan onze goede Pieternel; die +brave meid, welke myne Ouders reeds diende, toen ik geboren wierd, en +waar voor ik zo veel liefde heb. Nu en dan las ik voor myne zwakke +stervende Moeder; doch de Boeken, waar uit ik las, waren niet voor my, +ook niet voor haar geschikt, en werden door Tante bezorgt, akelige, +zotte geschriftjes, die myne Moeder, vóór de droefheid haren geest +geheel hadt benevelt, met versmading zoude beschouwt hebben: Ik ben nu +te ernstig, anders zoude ik u eens een paar douzynen Titels opgeven, +die my by u zouden verdedigen. + +Dodelyk ongerust over myne geliefde Moeder; onpasselyk door het gestadig +zitten in eene ziekenkamer, verstoken van lucht, dien balsem des levens, +van licht, dat den geest opheft: zonder de minste afleiding; het zwarte +beeld des doods gedurig voor my warende; verdrietig over de smarten myner +Moeder, verloor ik eerst myne eetlust, toen myne gezonde kleur, en wel +dra myne werkzaamheid. Ik keek zo bang en zo zuur als Tante; zuchte, +zat leeg en lui met de hand onder myn hoofd, dat dof en zwaar werdt en +ongekapt bleef. Met één woord ik vervreemde zodanig van de jonkheid en de +natuur, dat Tante my voor een geheel _omgekeert meisje_[5] begon aan te +zien. Zy liefkoosde my, om dat zy haar eigen portret in my waande te +vinden: en ik, och! ik had vrede met Tante, om dat zy met my in haar +schik was. + +In dien staat was ik, toen gy ons uit naam uwer Moeder bezogt, die de +beleeftheid hadt, om, uit oude vriendschap met myn Vader, en uit nieuwe +Buurschap, zo als gy zeide, (want gy kwaamt eerst onlangs op de zelfde +gragt), te laten vragen, hoe of myne Moeder nu was, zynde zy begeerig om +de zieke eens te bezoeken. + +Hy, die ons in treurige omstandigheden toespreekt, met heusheid toespreekt, +is ons welkom: dit beurt ons op; het vleit ons; het verwydert ons eenige +oogenblikken van ons verdriet: Oordeel des of gy my aangenaam waart! ik +voelde nu, dat ik nog vatbaar was voor blydschap. O dierbare aandoening! +Hoe, (gy wordt immers niet knorrig, Naatje lief?) hoe staatig, hoe weinig +toeschietent, hoe geheel anders gy ook waart, dan ik, in houding, in +kleding, in gelaat, toen echter scheent gy my de voorkomenheid, de +minzaamheid zelve. + +Myne grootste, zoo niet eenigste behoefte, gy weet het nu zelf, is +lief te hebben, en gelieft te worden: myne liefde voor myne Moeder was +zo oprecht, zo teder, als die van eene dochter ooit zyn kan, maar die +liefde vervulde echter myn geheel hart niet. + +Hare onbegrypelyke zwakheid, en myn gegronde eerbied waren de oorzaken +van dit verschynsel. Die bron stroomde niet hoog genoeg voor my, en +yder uur dreigde de dood die voor altoos te verstoppen. Gy werdt voor +my noodzaaklyk. Ik zag wel, dat Naatje Willis een geheel ander +voorkomen hadt dan Saartje Burgerhart, of alle die Juffertjes, daar +ik mede om plagt te gaan, vóór deze toenemende krankheid myner lieve +Moeder: maar toen stak uwe statigheid niet héél sterk af by myne +dofheid; wel verre van de oorzaak optesporen, dacht ik er niet eens +aan: ik kende u; dat was genoeg. + +Uwe achtingswaardige Moeder bezogt de myne: het afscheid was teder en +bedaart. Zy zag my schreijen, nam myne hand, sprak vriendelyk, +troostelyk, kuste my; ja, noemde my, _lief Meisje_. + +Gedurende deze ziekte hadt myne Moeder Tante tot medevoogdes, nevens +den Heer Blankaart, aangestelt; haar des jaars zevenhonderd Guldens +toeleggende, tot ik kwam te trouwen, of, tot myne meerderjarigheid +indien Tante my by haar wilde innemen. Deeze schikking zal u niet +verwonderen, als gy bedenkt, hoe verzwakt myne Moeder was; als gy +bedenkt, dat Tante en ik toen zéér wél te recht konden: Tante hadt +Nicht lief, om dat die ziek en zwaarmoedig was, en Nicht, wel, die kon +niet denken, dat 'er zulke Tantes in de geheele waereld waren! + +Weinige dagen na het bezoek uwer Moeder, storf de dierbare Lyderes, +des nagts, in 't byzyn van onze Pieternel en den Heer Blankaart, die +toen juist in de stad was, en ik bleef, nog geen zeventien jaar oud +zynde, ouderloos. Myn Voogd berustte in de dispositie myner Moeder, +doch heeft met Tante niet veel op. Zy noemt bykans nooit zyn naam, of +zy voegt er by, dat hy geen godsdienst heeft. Denk eens aan; en dat +van zo een allerbest man! Is 't geen schande? + +Aanhoudent, stil aan myn hart bytent huisselyk verdriet, heeft maar te +veel van die goede lessen, die ik ontfing, uitgewischt. O vrede! ô +kalmte der ziel, waar zyt gy zedert deeze drie laatste jaren geweest? +ô myne Naatje, kan ik met nimmer wankelende treden den weg der pligten +altoos bewandelen; daar men mynen weg zoo hart, zo doornig, zo ruw +maakt? Nu 't is ook uit: myn gerekt geduld is ten einde; ik zal my dus +niet langer laten plagen. Neen! vast niet. + +Ik kan u al myn verdriet niet vertellen; daar is in vele opzichten +zulk een _zweem_ van beuzelagtigheid by, dat gy, die zo gelukkig +leeft, niet kunt geloven, dat het my zó treft. Ik heb geen de minste +vryheid; komen myne Meesters, dan tiert zy als een zottin; ik mag niet +op myn Clavier spelen; ik mag my niet kleden, zo als ik gewoon ben; ik +mag niemand zien dan in haar byzyn. Gy weet dat ik altoos proper, en +eenigzins modieus gekleed wierd, maar hoe takelt zy my toe! Nu, zedert +de rouw uit is, moet ik in een grove lelyke Stoffen Japon lopen; myn +Pelise[6] is van eene ouden zyden faly myner Grootmoeder, (en is vol +vouwen en kerven,) gemaakt; zonder kap of lintje, met een tinnen haak +en oog maar vast gekonkelt. Myn linnen muts is zo groot, dat even het +puntje van myn neus er uitkykt. Ik heb dikke drommels van schoenen, en +dieren van groene kousen aan. Alle Kerkdagen moet ik gaan, en by dien +Leeraar[7] dien zy uitkiest. Maandag en Saturdag moet ik Tante, en die +Hottentot van een Bregt, na klungelen, om voor de Oeffenings-vrienden +alles gereed te zetten. Ik moet thee schenken, presenteeren, zotteklap +en lastertaal hooren ... maar genoeg. Dit evenwel nog: alle avonden +moet ik in malle Boeken lezen, die wel door verliefden in een Dolhuis +gemaakt schynen, doch die noemt myne Tante innige zielsdierbare +Schriftjes, kostelyke Pandjes, enz. By ydere zinscheiding zucht Tante, +en snurkt Bregt. Ik mag voor my zelf niets lezen, dan 't geen zy goed +keurt; uwe _Julia Mandeville_ heeft die vinnige kwezel op 't vuur +gebruit; och ja, voor myn' oogen deedt zy het. Ik beken, dat ik toen +niet heel zoetzinnig was, maar het geen kleentje roerde. Waarlyk, +Naatje, als ik hier bleef, wierd ik de grootste haneveer die er ooit +leefde, en 't is toch geheel tegen myn inborst; doch nood breekt wet. + +Ik lyde juist geen honger, maar 't scheelt niet véél. Altoos is 'er +iets voor my alleen, nu onder dit, dan weder dat voorgeven. Is dat +voor my uittestaan? Weet gy wel, dat ik hier zevenhonderd Guldentjes +verteer, kind? Meermaal gaf zy my, in heilige woede, een brave klap om +de ooren, en ik ben echter bykans twintig jaar, kind, en zou Tante, +schaamde ik my dit niet, er even goed een weerom kunnen geven. Hoor, +ik heb aan myn Voogd geschreven, en wagt een gunstig antwoord. + +Ik zal wel ergens belanden. Ik heb myne Kinderkennis vernieuwt met myn +Schoolmakkertje, Letje de Brunier. Die zegt, dat zy by eene zeer +fatsoenlyke Vrouw gelogeert is; eene Weduw, die op de Keizersgragt +woont. Juffrouw de Brunier schynt wel wat lugtig; maar dat's háár +zaak. De Weduwe zal my wel innemen; althans, Letje zal het haar +voorslaan. Ik laat my niet langer plagen: ik verteer te veel geld. Ik +ben immers niet kwaad, Naatje? maar zo te leven is my onmooglyk. Wat! +zou ik geen braaf mensch kunnen zyn, om dat ik de slavin myner Tante +niet zyn wil; om dat ik my naar myn zin wil kleden, 't geen myn Voogd +my gaarn inwilligt? Zou ik myn hair niet mogen opkappen, zonder dat +myn hart er by leedt? Vrees niet voor my, ik zal wel op de wagt staan. +Ik ken de liefde niet; denk er nooit om, breek myn hoofd nooit met +zulke snuisteryen. Ik begeer niets dan een leven, dat vry vrolyk en +schoon afloopt; goed gezelschap, aangename Boeken, en het vry gebruik +van het Clavier. + +Dit voornemen heb ik; nu weet gy alles. Bekyf my, preek, vermaan, +bestraf, vlei my, ik zal alles lezen, u liefhebben, en--myn eigen zin +doen. Antwoord my toch ten eersten[8]: wat verlang ik naar een brief +van u! geadresseert in _la Reine de France_, chez Mademoiselle G----. +Niemand acht u hooger dan + + _Uwe Vriendin_, + + SAARTJE BURGERHART. + + +Noten: + +[1] Wees. +[2] Hier: betamelijkheid. +[3] K.F. Wolff 1733—94; rat. suff. genoegz. rede. +[4] Luc. Wilh., Nut der Tegenspoeden, 1721—84. +[5] Bekeerd. +[6] 't Zelfde als faly: mantel. +[7] Dominee. +[8] Gauw. + + + + + +ZESDE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp schrijft aan Zuzanna Hofland +--Saartjes Tante, bij wie ze inwoont--hoe Saartje als jong kind al +niet deugde. Ze leest verkeerde boeken! Ze noodigt Zuzanna bij zich. + + + + +ZEVENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. + + +_Dierbare Vriendinne!_ + +Wel, wat heb ik een dag gehad, een dag gehad: och! ik vrees dat de +Boze maar te veel vat op my gehadt heeft; ik was zo toornigjes, zo +toornigjes. Och ja, zo van myn hert afgedwaalt. Dogt ik dat, toen ik +dat meisje by me nam? Ik dogt, dat er wat goeds in was; want toen haar +Moeder ziek was, was zy zo stil en zo ingetogen, en kreeg ook onze +kleur[1] al; maar 't was ook maar onze kleur, en meer niet. Zy was my +nog te waereldsgezint; zo bedroeft was zy over hare Moeder; en moest +het Hellewicht niet gedagt hebben, dat ik haar beter was dan zeven +Moeders? Wat zeg jy, Zusje? Ik, die alles doe om hare lusten te doden +en te kruizigen. Och ja! + +Ja, het stond my ook nooit wel aan, dat zy, als zy in het oude +Testament las, altyd met er neus in de Spreuken en den Prediker zat. +En ik vond het nog erger, toen Broeder Benjamin zei: "dat Salomon al +dat pligtmatige, waar van hy zo veel schreef, geschreven hadt, in den +tyds zyn's afvals; eenigjes en alleentjes om zyne Heidensche Wyven en +Bywyven te behagen, die wel zin daar aan hadden, in die blinkende +zonden, zei hy; en dat, toen Salomon zich bekeert hadt, hy ook van dat +betrachten, dat doen, zoude gezegt hebben: Ydelheid der ydelheden, dit +alles is ook ydelheid". Al dat doen, Zusje, laat de ziel maar leeg; +die draf van goeije werken zyn ook al todden en vodden van eigen +gerechtigheid, zo als de Zuster Alida met yver altoos zegt. + +Zusje, wat is die Broeder Benjamin toch een groot mannetje! Nou, ik zal +zien te komen, en dan zullen wy spreken van herte tot herte. Ik heb u +en de broeders lief. + + Z. HOFLAND. + + + PS. Het Theologiesch Verrekykertje van Zuster + Welgeleert gebruik ik met stichting: als je + weer eens een zoet Boekje hebt, hoor. + + +Noot: + +[1] Geestesrichting. + + + + +ACHTSTE BRIEF.--Sara schrijft Aletta de Brunier, dat ze komt, als de +weduwe Sp. haar wil hebben. + + +NEGENDE BRIEF.--Deze verklaart zich bereid Sara te ontvangen, tegen +billijke vergoeding. Het zal haar wel bevallen. + + + + +TIENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA DE BRUNIER. + + +_Douce et tendre amie!_ + +_Je suis enragé_, op het oud Wyf--op myne Tante; ik wil geen week +langer blyven; 't is of ik in de hel woon. Myne Tante heeft zeer veel +van zyn Satansche Majesteits karakter; en Bregt verdient wel een +schonen dienst in zyn onderaardsch ryk ... Ja! bons wat aan; ik zal +niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. Sus! daar hompelt zy, al +grommende, den trap weêr af. Goeije reis naar beneden. Ik moet, +_chere_, u eens een _Scene_ tekenen, die u niet zal uit de hand +vallen. + +Woensdag voormiddag raasde zy als eene bezeetene, om dat ik eenige +nieuwe Aria's speelde. (Dat's een Wyf, ook?) Zy werd geholpen door +haar Hottentot van een meid, die my dorst zeggen, dat zy ook danig +ontsticht was. Met wordt er gebelt. Bregt, die volmaakt een zog van +een Bollebuisjeswyf[1] gelykt, waggelde naar voor; en Tante gaf my een +verbruide oorvyg, om dat ik bleef spelen.... "Juffrouw, daar is +Sinjeur Benjamin."--"Wel hede, laat Broeder maar agter komen." Daar +kwam Broeder, een luije zuipzak van een Kerel, in een paarschen Japon; +(men zou wel zeggen, wie of zo een verlopen Slagers Knegt toch een +Japon heeft leren dragen.) "Welkom Broêrtje, wel hoe is het nu nog al +met je?"--"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"--"Wel, dat is +droevig, maar je vergt je ook wat véél."--"Ja 't is myn Ambtsbezigheid; +en hoe vaart Zuster? Je schynt wel wat onthutst."--"Ja, dat ben ik ook, +'t is niet altyd het effen wegje, Broertje." (Tegen Bregt.) "Ei meid, +is er niet wat? dan zou Broeder hier maar familiair blyven." (Tegen my.) +"Toe, lieve Saartje, was dat uittestaan, lieve Saartje, en myn wang +gloeide nog van den slag, bak jy nou ereis schielykjes wat dunne +Pannekoekjes, Broeder lust die zo graag." Ik sloot myn Clavier, en zei: +'t is wel, Tante. Ik ging naar de Keuken, en bakte helder door: maar-ik +-at-die-al-bakkende-zelf-op. Dit is de eerste trek, die ik haar speelde, +hoe zelden ik myn genoegen kryg. + +Ik moet hier alles doen; want Bregt is een lomp schepsel, en snuift +sterk. Toen ging ik, terwyl Bregt in huis klungelde, de tafel dekken. +Bregt eet met ons, want het is Zuster Bregtje, moet je weten, Letje. +Tartuff[2] zou een goed woord spreken, maar de Vent badt, (zo noemen +zy dat gehuilebalk,) wel een kwartier lang. Het geen hy jankte, geleek +veel meer naar het morrent gegnor van ondankbaar Vee, dan naar de +zuchten van een bewogen hart, 't geen zynen God looft. + +Ik kreeg, _à l'ordinaire_[3], eeten op myn bord, twee schepjes +groente; met een slenter kout vleesch van 's daags te voren. Ik spelde +myn Servet voor: "als ik gelyk een kind eeten kryg, moet ik ook zien, +dat ik my niet bemors." "Och of gy een kind waart," zei de Smulpaap, +die onderwyl met zyn duim en vinger de boter van de _robe de +chambre_[4] eener Cottelette aflikte. "Dat zou heuchelyk zyn," zei +Tante; "ja wel heuchelyk," zei Zuster Bregitta. Toen kreeg ik nog wat +byeengeschraapte Spenage, en een stuk Cottelet. Zuster Zantje, en +Broeder namen onderwyl eens. Ik kryg nooit wyn. Tante zegt, dat het +niet goed is voor my, en dat kan wel zyn; want ik ben jong en gezont. +"Kom, Saartje, neem nou maar af; Bregtje is wat vermoeit; de sloof +wordt oud." Ik deed zo; zette het Dessertje op. "Waar bennen de +Flensjes, Saartje?" "Die bennen in myn maag, Tante." Snap myn servet +neêr gegooit, (by ongeluk tegen Broeders palmhoute[5] pruik,) en het +onweer op myne Kamer ontweken. Gy weet, ik ben tamelyk vlug, dat my +toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de Hottentot +met een stuk brood en een glas zuur bier, er by voegende, "dat ik het +nooit kon verantwoorden, zo als ik een vroom mensch evel plaagde." +"Scheer je van myn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. Het +brood (het was goed op de Flensjes,) at ik op. Het bier gaoide ik weg, +en dronk eens helder uit myn Caraffe: ging vroeg te bed, en sliep als +een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom Thee, die +wel omspoelzel lykt. Tante gaat uit, en wil my voor haar oogen niet +zien. Zo zitten nu de zaken. Mooglyk geef ik u deezen wel in eigen +handen, mooglyk niet: Ik weet niet hoe 't zal uitkomen. + +Vast kom ik, de brief der goede Weduwe heeft my in dit voornemen +gesterkt. Ik zou al by u geweest zyn, maar ik wagt op een Brief; die +brief komt niet. Ik zal, voor ik dit huis verlaat, aan haar die ik +bedoel nog eens schryven ... doch dat kan ik by u evengoed doen. + +Ja, lieve meid, gy hebt wel kostelyk gelyk! Men moet maar wel doen en +vrolyk leven. He, wat? op die Fynen is toch geen staat te maken; +echter zyn er (of jy 't niet geloofde,) zulke vrome zielen onder, die, +waren de hoofden dezer brave menschen zo goed georganiseert als hunne +harten, wel zuiver en godsdienstig zyn ... enfin, kort gezeit, Letje, +Salomon, de wyze Koning Salomon, is myn man: _men moet het goede +genieten van zyn leven, ende van zyn arbeid_;--daar mee is dat maar +uit, en afgedaan. + +'t Wordt donker, en ik kryg geen licht in myn kamer; ik kan des niet +langer schryven. Hoe zal dat gaan als ik beneden kom? Ik zal eerst +Tante goeden avond zeggen, en als zy draaglyk is, by haar gaan zitten +breijen; zoo niet, dan ga ik in de zydkamer, de lantaarn brandt toch +in het voorhuis, open myn Clavier, en speel op 't gevoel maar weg. +Maak myn Compliment aan Mejuffrouw de Weduwe Spilgoed; en zeg haar zo +veel gy nodig oordeelt, zo gy deezen nog, vóór ik u omhels, in handen +krygt. Nagt, lieve ziel. + + Tout à Toi, S. BURGERHART. + + +Noten: + +[1] Poffertjeswijf. +[2] Benjamin = huichelaar (Molière). +[3] Als gewoonlijk. +[4] 't Vleezige. +[5] P.-H.-kleurige. + + + +[Illustratie: Snap mijn servet neêr gegooit, (bij ongeluk tegen Broeders +palmhoute pruik,) en het onweer op mijne kamer ontweeken. +Illustratie van C. Bogerts, naar teekening van J. Buys, in de 1e uitgave +van 1782.] + + + + +ELFDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Ge-eerde Heer, zeer waarde Voogd!_ + +De steen is geworpen: ik ben 't ontvlugt, en acht het pligtmatig u +alles te melden. Gister namiddag ben ik hier in myn nieuw Logement +gearriveert: Ik zal alles vertellen. + +Ik twyffel dikwyls, of Tante my deeze laatste weken niet zó geplaagt +heeft, om my deezen stap te eerder te doen doen. Het volgende deedt +my nog te eerder tot een besluit komen. Ik ontmoette in een Fransche +winkel, daar ik een paar handschoenen kogt, eene myner School- +vriendinnetjes, zekere Letje de Brunier. Het lieve meisjes Vader was +de Heer Phillips de Brunier, geen ongeacht Commissionaris[1] op +Duitschland en Italien: Ik leg haren brief aan my, ook die der Weduwe, +daar zy by logeert, hier in; op dat gy zoudt weten al wat er my van +bekent is. Nu de Vertelling. + +Gister middag ging Tante uit eeten. Ik kleedde my aan, stak wat linnen +by my, ook myne juweelen, die ik van u gekregen heb, voor gy naar +Frankryk ging, doch die ik nooit heb aangehad, met een weinig gelds, +(want zy geeft my niets,--geen duit.) Bregt hadt de stoutheid om my te +vragen: "waar ga jy heen?"--"Dat raakt jou niet."--"Dan zel je ook in +huis blyven."--"Heb jy 't hart, en belet my dat eens." Ik kan wel boos +worden, maar niet kyven; en ziende dat Bregt haar talent te werk +stelde, bedagt ik my: "Bregt, zei ik, heeft Tante je die ordres +gegeven, dan moet ik haar de reden vragen, als zy t'huis komt; wat +zullen wy eeten?"--"Kliekjes", zei zy. "Goed, ik heb honger; maar wy +zullen Tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een fles +wyn, jy hebt zeker den sleutel."--"Ik doe niet, juffrouw Saartje: (nu +ik van putten[2] sprak, kreeg ik aanstonds deezen tytel!) "Jy jokt, +Bregt; als Tante er van spreekt, zal ik haar den wyn betalen."--"Je +Tante heeft altoos zelf den sleutel; maar als Juffrouw my niet +beklappen zou, ik kan er toch wel by."--"Ik je beklappen! wel, dan +moest ik wel gek zyn; kryg maar, toe, schielyk." Zy ging. Ik had al +lang gemerkt, dat Zuster Bregtje aan de fep was; ik tastte haar des +van de zwakke zyde aan. Doch, pasjes was zy in den Kelder, of ik, +flink de deur in slot, en de grendels er op. Toen ging ik het huis +uit, en haalde de huisdeur agter my toe. Hoe het verder met de Zuster +gegaan is, weet ik niet. + +Ik heb, op Tantes tafeltje, een kaartje laten leggen, om dat zy niet +ongerust zyn zoude. Zy heeft my schrikkelyk geplaagt: mooglyk zal zy +zich dit herinneren; en wat hoef ik haar te kwellen, nu ik uit haar +magt ben: Is 't niet waar, myn Heer? + +Wat verlang ik naar een Brief van u! De Muziek heb ik ontfangen. ô Wat +zyt gy een goed man! Kon ik u mondeling zeggen, hoe zeer ik u acht, en +hoe gelukkig ik my reken van te zyn, + + MYN HEER! + + _Uwe Ootmoedige Dienaresse en Pupil_, + + SARA BURGERHART. + +PS. Myn adres zal ik hier ook by leggen. + + +Noten: + +[1] Handelsagent. +[2] Zuipen, pimpelen. + + + + + +TWAALFDE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Saartje: ze is zoo jong; +ze moet zich nogeens bedenken; misschien trouwt ze gauw; gaat 't +verkeerd, dan krijgt Sara de schuld. Bij die wed. Sp. leven ze +luchtigjes, ook Aletta is maar luchtig. Hoe denkt Blankaart erover? +Zij zal 't haar moeder vertellen: _misschien wil die Saar wel +hebben_.--Deze brief blijft wat lang uit. + + +DERTIENDE BRIEF.--Sara beklaagt er zich over en wordt boos om Anna's +koelheid. _Haat_ me desnoods, zegt ze, maar _veracht_ me niet. +Eindelijk komt Anna's brief en Sara schrijft haar. + + + + +VEERTIENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Dierbare Willis!_ + +Zoo ontfang ik den uwen. Kunt gy my nog liefhebben? Hemel, wat ben ik +ongelukkig! Zedert de dood my myne Moeder ontnam, liep my alles tegen. +Waarom ontfing ik uwen Brief niet eerder? dien voor my zo +allernodigsten Brief, ô Myne voortvarentheid!... Wat meer geduld, en +wie weet hoe gelukkig ik nu zyn zoude. Maar durfde ik daar op hopen? +By u te zyn;--onder het zorgende oog uwer Moeder. Dat is nu te laat! +En ik moest nog de Zedemeestres spelen! Ik moest, zo onkundig van myn +hart, het uwe beproeven! Ik moest--och, lieve Naatje, vergeef het my; +zoek toch naar eenige verschoning voor my, ik kan niets vinden. Ik +heb, voor een jong mensch, al veel verdriets gehad, en al veel +ongelyks geleden; maar nu, nu ondervind ik voor 't eerst, dat +zelfverwyting eene zeer grievende smart veroorzaakt; alles is daar +beuzeling by. Als ons hart zegt, men doet u ongelyk, gy verdient dit +niet, dan is de belediging zelf, vreugd, by de bewustheid dat wy haar, +die ons lief heeft, kwalyk behandelen; óók terwyl zy zich bevlytigt om +ons te helpen. Dit gevoel, hoe pynlyk, troost my echter; het maakt my +uwer vergeving waardig. + +Verscheur myn laatsten Brief. Laat hy zyn als niet geschreven: ik was +moedeloos. Wat zal het my nu helpen, uwe bedenkingen te wikken? +Helaas, Naatje, de stap is gedaan! Ik ontken niet, dat ik hier zeer +vergenoegt ben; maar uw Brief, uw Brief! Ik had dan mogen hopen altoos +by u te zyn? Gy weet hoe gaarn ik by u, by uwe lieve Moeder ben! En is +Willem t'huisgekomen? (van hem eens nader.) Waarlyk, ik heb het hier +zeer wel, hoewel het is nog vroeg, eerst de vierde dag; indien ik het +vergelyk by de laatste jaren: doch by u te zyn ... 't is vrugteloos. +Dit maakt my droefgeestig, en verbetert myn lot niet; ik schrei er +van. + +Mejuffrouw de Weduwe schynt een zeer goedaartig mensch, zy ziet er +allervriendelykst uit; ik denk, dat zy byna veertig jaar oud is. Zy +heeft fraaije manieren; zy is eene Vrouw van fatsoen en opvoeding, dat +ziet men. Zy spreekt niet veel, doch 't geen zy zegt is goed gezegt. + +Zy leest veel, en in verscheidene talen; heeft de Waereld gezien; +speelt keurlyk op 't Clavier; is zindelyk over haar huishouden, +naarstig; modieus, doch niet opzichtig gekleedt; een weinig gekapt, +wel te vreden met ons, zo als wy met haar. Gezelschappen heb ik hier +nog niet gezien. Juffrouw Letje is een lief vriendelyk meisje, niet +zoo levendig als ik: zy zucht meermaal; waarom weet ik nog niet. Zy +leest gaarn, zingt fraai, en is, alles in eens gezeit, als de meeste +meisjes, die niet veel goed of kwaad bedryven. De twee andere Dames +heb ik nog maar eens aan 't middagmaal gezien: beiden hebben goede +manieren; en, schoon ik de jongste ben, behandelen ze my met veel +beleeftheid. Zy gaan veel uit, schynt het. Letje is meer t'huis nu +zy my heeft, dan van te voren, zegt de heusche Weduwe Spilgoed. + +'t Is raar! alles is zo wel naar myn zin, en echter ik ben niet +gerust. U heb ik kwalyk behandelt, en weet niet hoe of gy my +beschouwt. Acht ik u dan hoog? heb ik uwe achting voor myn geluk +nodig? + +Letje kwam daar by my; ziende dat ik geschreit had, was zy zeer met my +bewogen. "Wat scheelt er aan, Liefje," zei zy. "Och niets," zei ik, +"maar ik ben my zelf moede, ô die Brief, die Brief!" Zy zag dien +leggen, maar weet te wel wat de betaamlykheid eischt, om onbescheiden +te zyn. Zy zag my aan, vatte myne hand, en 't was of zy my iets wilde +zeggen, doch, zich bedenkende: "Kom, Burgerhart," hervatte zy, "gy zyt +niet vrolyk: ik ben 't ook niet altoos, en dien wel by u te zyn om het +te wezen. Wil ik die solo eens zingen, die gy zo graag hoort? dat zal +u wat van u zelf verwyderen." Droevige toevlucht! dit toont wel dat +het hier, hier onder de borst, niet richtig is. Ik verlang en beef +teffens voor een Brief van u. Och! schryf alles wat gy maar wilt, zo +gy my maar in waarheid kunt schryven dat gy nog bemint + + _Uwe Vriendin_, + + S. BURGERHART. + + + + +VIJFTIENDE BRIEF.--Sophia Willis-Van Zon--Anna's Moeder--schrijft +Blankaart over Sara. Saartje heeft haar tante verlaten en woont nu +bij de wed. Spilgoed--wat ze _niet_ goedkeurt. Zij zelf kan Sara niet +nemen, want behalve voor achterklap vreest ze voor haar zoon Willem. +Willem is verliefd op Saar, en hij heeft geen geld, zij wel; +bovendien: _die twee passen niet voor elkaar_. Sara moet een man +hebben die haar áán kan; Willem is een lobbes. + +ZESTIENDE BRIEF.--Anna Willis schrijft een allerdeugdzaamst en +vriendelijk antwoord aan Sara: ze gevoelt zich na dien boozen brief +nog meer aangetrokken tot haar. Geeft haar den raad: "_leen nooit +geld van anderen, kom dan bij mij_." + + + + +ZEVENTIENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Myn Heer!_ + +De Apostel zegt: "dat wy allen ommegang met Zondaren niet kunnen +vermyden, want dan zouwen wy buiten de Waereld gaan moeten." En schoon +ik my zo kan vinden in de woorden van dien Heiligen sukkelaar, zo als +Broeder Benjamin Koning David wel eens noemt; zo kan vinden, zeg ik, +in de woorden daar hy zegt: "ik kome niet op den weg der Zondaren:" zo +vind ik het nu in mynen weg noodzaaklyk, myne oogen naar het Afgodisch +Vrankryk te slaan, ende my als te begeven onder hen, die het teken des +Beestes aan hun voorhoofd dragen. + +Je weet, myn Zusters man vondt het zo, om u tot eersten Voogd voor +zyne Dochter te verkiezen, en hare Moeder maakte my mede-Voogdesse, +bevelende, wil ik spreken, haar aan myne liefde en bescherming. Daar +voor kreeg ik 's Jaars een matig stuivertje van honderd halve +ryërtjes; och ja! Dit was weinig genoeg; want het Meisje was +weelderigjes opgevoet: ik moest, om haar, nog al meer omslag maken, +dan ik zo in myn eigen gedoente gewoon ben; och ja! Maar, wat is 't? +men doet veel uit liefde ende tot liefde. Had ik maar vruchten mogen +zien, dan zou ik my alles nog kunnen troosten. Doch al myne moeite, al +myne zorg was te vergeefsch. De Meid heeft een Keistenen hart, geheel +voor de Waereld; en zo lang ik zoo met dat lastig Zeeschip getobt en +gewroet hebbe, ben ik zo van myn hart afgeweest. 't Is of de Zegen uit +myn huis is. Ja, ik heb van haar kwaad humeur veel verdragen; maar ze +is weg gevlugt. + +Voorleden vrydag was ik by eene hele vrome Mevrouw ten eeten, met +Broeder Benjamin en nog ettelyke vromen, om een goed woord te spreken. +Ik beval aan myne meid, onze Bregt, op Saartje te passen. Wat gebeurt +er? Ik kom 's avonds met den Broeder welletjes en vriendelykjes thuis, +ga naar 't zaaltje, roep; kryg geen antwoord. Eindelyk door myn gang +gaande, hoor ik iemand die roept: "Juffrouw, och Juffrouw! ik zit in +de kelder." Ik doe de deur open, daar zat myn meid in den donker +opgesloten, en was zo ontstelt, dat zy my pasjes kon zeggen, dat die +ondeugende Sara haar in de kelder gesloten hadt, en zelf de deur was +uitgegaan. De meid was zo bezet van den drank, dat ik wel denken kan, +dat zy haar die heeft ingeperst, en toen in de kelder gebragt, op dat +Bregtje haar niet in hare snode vlugt zoude beletten. + +Nu is zy in een godloos huis, daar gedanst en gespeelt wordt, daar de +Juffrouwen een el hoog gekapt gaan, en met alle vromen den spot +dryven. Ik zou haar wel laten weêr halen; maar ik dank den Here, dat +zy maar weg is. Nu zal ik weer rust en stilte in myn hutje hebben, en +myn eigen wegje gaan. Maar jy moet haar straffen, dat is jou pligt. Ik +eisch het volle geld tot zy trouwt, of vyfentwintig jaar is; zy is uit +'er zelf weggegaan: nou, dat spreekt van zelf. Ik geef u aan u zelf, +en haar den Duivel over, wiens lievrei zy al aan heeft. Ik sny haar +af. Zy zal geen duit van myn goedje hebben. Nou, 't geld wagt ik op +den vervaldag. Hoe heuchelyk zou het zyn, indien gy ook in onzen +Wyngaart arbeidde; maar uwe vervreemding van het goede laat my niet +toe u anders te noemen dan + + MIJN HEER, + + Ik ben, uwe beterschap en bekering wenschende, + + ZUZANNA HOFLAND. + + + + +ACHTTIENDE BRIEF.--Blankaart antwoordt wed. Willis: hij is zeer +vereerd. _Zelf heeft hij vroeger een oogje op Sophia gehad_; wie weet +wat er nog gebeurt!--Hij is het met haar ééns: Willem is op Saar +verliefd, dat heeft hij gemerkt. Geld was 't ergste niet, maar als ze +niet bij elkaar passen--'t zij zoo! Dan niet aanmoedigen. Laat Sophia +een oogje op Saar houden; hij wil Willem wel voorthelpen. + + + + +NEGENTIENDE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. + + +_Mejuffrouw!_ + +Wel zeit het Hollandsch spreekwoord: "Hoe later op den dag hoe +schoonder Volk." Maar wat heb ik met uw gelol en uw heilige sukkelaar +te doen? Wat geef ik om uw Broêr Benjamin? Weet gy wat, Juffrouw +Hofland, uwe hele ouwe voddenwinkel van kweeslary raakt my niets, geen +oogvol. Hou uwe brieven maar t'huis, ik weet alles in 't lang en in 't +breed. Het Kind heeft deugdelyk gedaan. Zy moet meer gedulds hebben +dan ik, anders hadt zy zo lang niet eens by u gebleven; dat 's maar +uit. Waar ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klaauwen +gehaalt hebben, en in myn huis gebragt; al hadt gy en uw volk my braaf +gelastert, dat scheelt my weinig. Hoe, wat hamer! denkt gy, dat ik +niet weet hoe jy haar gedaan hebt, en dat jy haar als een zottin door +de godgantsche stad hebt laten lopen in ouwe konkelige kleêren, en dat +voor een meisje die geld heeft, en altoos proper gekleet pleeg te zyn; +iets dat ik ook byster graag zien mag: wat wilje nu daar van hebben, +he? Jy meugt waaragtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saartje +by u gehad? overgeschoten klieken, en niet half haar bekomst. Weet je +wat? Jy hebt het geld van een Wees met uw Smulbroêrs, en Fekel-kousen[1] +verteert, en het meisje nog gebruikt, om dat Gespuis optepassen; dat heb +je. Je meid is een dronken Tobbe, hoor! Zy komt er genadig af. Laat zy +nooit onder myne oogen komen, want ik ben wat poestig[2]; ik mag geen +onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels zwaaijen[3]. + +Wat leg jy ook te wauwelen over afgodisch Vrankryk; en van menschen, +die het teken des Beestes aan hare Voorhoofden dragen? Ik weet niet +veel van al die nieuwe snofjes en modes; noch hoe die duivelderage +hiet, die de Dames nu alweer opzetten; doch jy weet er ook niet veel +van. Maar zo zyt gy allemaal: dat gonst, en dat bromt over zottigheden, +en wezentlyke zaken laat men zo als zy zyn. Je slagt[4] de Dominees, +die, als zy haar studeertyd verkwanselt hebben, zulk tuig op den +Preekstoel brengen, daar het te pas komt als een Olykoek in een +Treurspel. En wat brust[5] het my, al droegen de Fransjes het +Zevengesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet +kom om zulke grillen, maar om myne affaire te doen, en bemoei my niet +met het teken des Beestes, of waar zy dat opplakken; doe ook zo, en je +zult wel doen. + +Wel, ik denk dat ik zo wel in den Bybel lees als jy, maar wie duivel +heeft dáár ooit van heilige Sukkelaar gelezen? Broêr Benjamin is een +zotte Vent, hoor! En ik zou my dood schamen, dat zou ik op myn eer, +indien ik zo met Gods woord omsprong, en het zo Satans gek toepaste, +zo als jy Fynen doet. Weetje wat? David was een held, die de Oorlogen +des Heren voerde, en een Kaerel als een boom aan dorst: den Reus +Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hy, en David ook niet lui, als +de blis er op, flink maar, zyn dikken kop afgeslagen: dat was zeker +geen sukkelaars werk, meen ik. Hy was een Groot Generaal; dat klinkt +je wat anders voor den snoet. + +Paulus? van Paulus moet je afblyven. Paulus was de beste, de +raisonnabelste man van de waereld; want hy zegt met ronde Zeeuwsche +woorden: "Gierigheid is afgodery". ô He! kwam die vrome Apostel eens +hier, ik verzeker je, (voor een kwart per Cent,) dat hy uw huis een +afgodisch zou noemen. Wat praat jy van een goddeloos huis? mogen de +jonge Dames dan niet zingen, niet spelen, als zy maar wel oppassen en +braaf zyn? En ik hou veel van de Muziek, en Saartje speelt capitaal, +en ik heb haar eene hele scheepslading Muziek gezonden; doch gy zult +geen occasie hebben om ze op 't vuur te smyten. Wat zeg je; wat blief +je: weet ik van de zaak? + +Ik heb zo veel achting voor brave vrome menschen als iemand in de +Waereld, maar al je gekwaek, en al je geteem is geen snuifje waart; op +myn eer, dat is het niet. Ik weet meer van joului werk der Duisternis +dan je denkt; ik ken dat lieflyk Oeffening houden; de goeijen niet te +na gesproken; want ik wil allen niet met één kwast overstryken. Maar +gy en uwe Soci, daar heb ik de nyd op. + +Wat weet zo een luije Zuipzak van Gods Woord? Hadt hy liever voor 't +lieve Vaderland, (en alle zoete meisjes) Ossen en Schapen geslagt, hy +zou een veel nutter werk gedaan hebben. Hoe! hebben wy in Amsterdam +dan geen wyze Dominéés, die werk van hunne studie maken, en kunnen wy +daar niet Kokseaansche, Voetsiaansche, en Lampiaansche Waarheden +horen[6]? maar neen: die goeije menschen klagen over yverloosheid, en +velen preken, God betert, ook voor stoelen en banken; en in je lui +kamers zitten de Vroompjes gepakt als haring in de ton: zo dat ik wil +maar zeggen, dat ik een vyand van zulke Oeffeningen ben. + +Hoor, als ik Burgemeester T., of een ander braaf Regent van onze Stad +was, ik zou Amsterdam eens terdeeg zuiveren van die onnutte +Broodeeters. Ik zou, door de stads Omroepers, met het wapen der stad +op hunne bekkens geschildert, de les van Paulus laten opklinken: +Hoort, gy brave Burgers en ingezetenen: hoort: "Die niet werkt zal +niet eeten". En zulke kwanten, als Broer Benjamin, kregen logement in +'t grote Werkhuis, dat er zal gebouwt worden op 't Wezeper Veld: wyl +hy een van die Borsten is, die by de huizen omgaande, de Vrouwtjes +gevangen nemen, die met zonden beladen zyn. Ik zou niet half zo boos +op jelui zyn, indien de stille zielen, die het zo wel met het goede +voor hebben, om zulk volkje niet bespot of veracht wierden. + +Ik heb veel gereist en getrokken, en heb veel in Roomsche Landen +verkeert, maar de Papen zyn nog beter dan jy lui; en er valt evel ook +niet veel op te roemen. Jy Saartje aan den Duivel overgeven! Weet gy +wel, dat hy een kwaaje Gek is, en dat, als gy haar niet kunt leveren, +het er wel eens heel benaauwt voor u zou kunnen uitzien? mooglyk neemt +hy Tante, om dat hy Nichtje toch niet bekomen kan. Ken jy de Weduwe, +daar zy by inwoont? Je mogt wat, een struif. Puis! Tante! is het zo +goddeloos, een menuetje te dansen; Wel dat mogt jy, en broeder, en je +dikke Bregt ook wel eens ondernemen, om de kwade humeuren, door +luiheid, en lekker smullen opgegaêrt, uit te dampen. Zie, wy kennen +malkander van voor dertig jaar; je plagt zo vies niet van een Dansje +te zyn. Hoor, ik ben eens door zo een Fynbaar schrikkelyk bedrogen, en +zedert gaat er een kou over myn lyf, als ik aan je lui denk. Ik spreek +niet van vrome naauw-gezette lieden; dat weet jy héél wél. Wel, wie +hoort er van, gy Vrienden gebruikt ons, zo als de Smausen de +Christenen gebruiken, om de Sabbatslampen optesteken. Ik kan 't niet +knopen[7], dat uw' lieve Zuster besloot, u haar eenig Kind toe te +betrouwen. Mooglyk hebt gy zo lang aan haar zwak hoofd liggen gonzen +en huilebalken, dat zy het moest opgeven. Alles is jelui gaaijing. En +'t was nog eene zoetigheid, honderd halve ryers voor haar kostgeld. En +durf jy nog van geld kikken! Hoe, wat hamer! denk je dat ik een schurk +of denk je dat ik razende dol ben? Ik ben haar Voogd; zy is met myne +goedkeuring heen gegaan. Jy hebt het haar moede gemaakt.--Trekken zul +je,--ja! aan een askar. Wel, je bent eene overheerlyke Tante! Je bent +immers nu veels te oud en te lelyk om nog eens te trouwen: wat zul je +met jou geld doen? Meênemen? Loop voor Joost, ontmaak het kind uw +goed, zy heeft genoeg. Procedeeren? Ei spreek eerst den Advocaat naast +den gouden ketting eens[8]. Zo die het u aanraadt; hier is je man. + +Spreek niet van haar kwaad humeur. Zy is maar al te zoet van aart, en +te toegeeffelyk. Zoo zeit de brave Weduwe Willis, en elk die het lief +kind kent. Doch wie Satan kan met zo een paar ouwe Meerkatten omgaan, +als jy en Bregt? + +Zie daar Zusje, nu heb ik óók eens gewerkt in uwen zondigen Wyngaert; +ja, ja! ik heb de ranken zo verbruit besnoeit, dat, zo er nog iets +goeds van zal komen, het volgende jaar goede vruchten zal leveren. Ik +twyffel, of Broer de Uitlegger u, voor alle uwe Smulpartytjes, wel zo +vele heilzame Waarheden gelevert heeft, dan gy hier ontvangt voor ééne +Fransche Briefport. + +Om u aan den Drommel overtegeven, (in plaats van myne Pupil,) denk ik +dat nu te laat is; en ook, hoe boos ik op u ben, ik wensch uit grond +van myn hart, dat gy u verbeterde: gy zyt wel oud; doch men is nooit +te oud om iets goeds te leren: gy waart toch in uw jeugd nog al een +rare schommel; hoe kom je zo verandert? + +Ik wil geen katteschrift meer van u ontfangen, zo gy u niet bekeert; +daarom wordt alles in eens afgedaan door + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Kletskous. +[2] Kort aangebonden. +[3] Klappen vallen. +[4] Lijkt op. +[5] Kan 't me schelen. +[6] J. Coccejus, 1603—1669, G. Voetsius, 1588—1676, F.A. Lampe, + 1683—1729, godgeleerden van zeer uiteenloopende richting. +[7] Begrijpen. +[8] Bedenk dat 't geld kost. + + + + + +TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Lieve Kind!_ + +Myn Boekhouder, de oude goede Peterszen, zal u het geld brengen, dat +ik u toeschik: de Wissel bedraagt duizend Guldens. Koop er al van wat +gy nodig hebt, om in ordentelyke gezelschappen te gaan. Maak drie +Sacken, of hoe hieten die Samaartjes[1], zo als uwe Moeder en +Grootmoeder droegen. Koop alles wat er by hoort, maar niet opzichtig, +of wilt; nu ik vertrouw alles goeds van u. En doet nu niets aan je +lyf, dat je niet kunt blyven dragen: dit zou u al zo gek staan, als +die klungels die Tante u aan deedt. Gy moet het eerste half jaar in +voorraad betalen; ik wil geen verplichting op dit stuk. Leg het wel +aan, en als ik u zie, toon my dan eens hoe gy 't besteet hebt. Hoor +meid, zo je 't wel aanlegt, heb jy gelds genoeg; zoo niet, dan is 't +gaauw op. + +Ik heb zakken met klagten over u, in eenen zotten Brief van je Tante. +Doe jy maar wél, en ik zal u altoos voorstaan. Ik had gemeent t'huis +te komen, maar 't zal nog vooreerst niet lukken. Luistert toch altyd +naar de brave en wyze Juffrouw Willis, als of het uwe moeder waar; +meer eisch ik niet van u. Ga je wel in de Kerk, Kind? Dat moet je voor +al en voor al doen. Daar zit ik nou weer in een Paaps land, daar hoor +je van God, noch zyn gebod, wil ik spreken; en zo ik myn tyd niet wel +had waargenomen, hoe zou 't nu gaan met my? Als ik t'huis kom, zal ik +je alle Zondag afhalen om ter kerk te gaan, want ik ben nog zo een oud +Hollands man; en je zou niet geloven, Kind, hoe fraai de meisjes zyn, +als zy daar, gelyk zo een rei wassepoppetjes, wel gekapt en gekleet, +aandagtig zitten toe te luisteren wat de Leeraar zegt. Ik versta +weinig Fransch, maar als je evel toch altemet eens naar de Fransche +Kerk wilt, dan zal ik, uit pure inschikkelykheid, met je gaan, en +denken: zy onderhoudt er haar Fransch door; en voor my is de +penitentie kort, want die Coquette Abbeetjes maken het in een uur +knaphandig af. + +Zeg eens, Saar lief, staat er ergens in den Bybel van een _teken des +Beestes_? zy past dat toe op de menschen daar ik nu by ben. Ik heb de +vier Evangelien al eens doorgelopen, doch vind er niks van[2]. Doch +dat Fyne volk vindt zo veel in Gods woord, dat er geen Christen mensch +anders in kan vinden. Jy hebt niet veel anders te doen, lees zo lang +tot je het vindt; maar 't zal weer op niets uitkomen. Evenwel staat +het in den Bybel, dan spyt het my, Kind, dat ik het niet wist: want ik +ben een dood vyand van spotten. Och Heer! ik dagt dat zy choqueerde[3] +op de Kapsels. Zo ik iets op u vermag, bederf uw schoon bruin hair +niet ten plaisiere van eene ongevallige mode: anders moei ik my er +niet mee. Nu, zoek er eens ter deeg naar, hoor? En schryf my of gy 't +wel hebt. Vrees God, leef betaamlyk, en denk dat je daar twee Ouders +in den Hemel hebt, die u ter zyner tyd hopen weer te zien. + +Nagt beste Kind, ik ben + + _Uw toegenegene Voogd_, + + ABRAHAM BLANKAART. + + + +Noten: + +[1] Ruime japon met overkleed. +[2] Openbaringen. +[3] Hier: afgaf op. + + + + +EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara stelt Blankaart gerust; ze is niet +verkwistend, dankt voor 't geld, vraagt een paar japonnetjes; Jacob +Brunier--Aletta's broer--vindt ze een _meisjesgek_; Willem Willis +beschouwt ze als haar _broer_, diens moeder acht ze hoog; ze verlangt +naar Blankaart. + + +TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Aan Anna Willis vertelt Sara, hoe ze zich +in de bullen steekt, nogal weidsch! Ze ombert om 'n stuiver 't fiche! +wat ze niet véél vindt. Ze heeft 't best naar haar zin: Jacob Brunier +bevalt haar niet: te fatterig. + + +DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna antwoordt: ik maak me ongerust! Die +Brunier vrijt naar je, en dat zou niets zijn, als hij maar wat +beteekende. Spelen? Ook Anna speelt, maar Saar _maakt het te bont_! +Ze zal ziek worden, vermaak-ziek. Pas op, Saar! + + + + +VIER EN TWINGTIGSTE BRIEF. + +DE BROEDER BENJAMIN AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Men Heer!_ + +Jy hebt ons, ons volk, ende onzen weg beroert, en schoon de Zusters +zich alles zouwen getroosten in stille zuchten, zo voel ik my +gedrongen om het voor haar, de goede zaak, en my zelf optenemen, om +dat ik haren stichter en huisbezorger ben; al ben jy een groot Heer, +ik zal jou tonen, dat ik op de muren van ons huisselyk Sion geen +stommen hond ben; myn geblaf zal je doen zien, dat ik geen Indringer, +geen Bemoeiäl ben, maar dat ik eene wettelyke Roeping heb. Nou ja; men +Vader liet me de slagery leern; 't was een waerelds man, een +schoenlapper; maar men Moeder was evel in Kerkelyke bediening; want zy +was eene der Kerke-schoonmaaksters; en hadt men Vader het niet belet, +zy zou my op de Studie gedaan hebben; doch hy vroeg altoos, "of zy dan +razende dol was;" de middelen ontbraken, en ik had eene grote mate van +ziels en lichaams vermogens, en veel meer trek tot geestelyken dan tot +slagerlyken arbeid. In mynen onoverwinbaren afkeer van allen lichaams +arbeid, hoorde ik myne roeping tot een ander amt; ik was gehoorzaam, +ik kategiseerde de kinderen en de vrouwtjes uit myn Buurt, voor een +mondvol eeten, want de arbeider is zyns loons waardig. De reuk myner +gaven verspreidde zich ook spoedig; de Groten der aarde verruilden +ook gaarn myne toelichtingen voor hunne tydelyke goederen; edoch, dit +getal is echter niet groot. Dus raakte ik ook bekent met de vrome +Juffrouw Hofland, die gy als een andre Saulus vervolgt. Ik slyt vele +opgewekte uurtjes met haar. Nu weet gy wie ik ben; maar jy bent een +Atheïst, een Armiaan, een Sociniaan; ja je bent, mag ik met ruimte +zeggen, een Deïst[1]. Jy bent een voorstander van alle godloosheid, jy +staat een dartel Hellewigt voor; dat doe jy; ja, dat doe jy. Jy weet +ook wel, dat Juffrouw Hofland, als eene echte dochter van Gaaijus[2], +de noden der Heiligen vervult; en jy onthouwt haar heur geld; zoo dat +jy een Kerkrover bent; ja, dat ben jy. Zo, heeft Saartje geen drie +honderd guldens verteert? Wel nou toon je alweer jou werelds hart. +'t Is waar, wy hielden het meisje in eene Christelyke soberheid, wy +kleedden haar stemmig; ik weet ook beter dan jy, hoe veel zy 's jaars +aan voedsel en deksel nodig hadt; honderd Ryksdaalders!--maar hoe veel +heeft de goede Juffrouw wel gezucht over dat baldadig kind der Zonde, +hoe vele tranen heeft zy geschreit, hoe veel gebeden heeft zy voor +haar arme ziel gedaan, hoe dikwyls is zy ziek geweest door al dat +tobben! kost dat alles geen tyd en zorg? of denk jy dat alles voor +niets te hebben? Neen, jy zult, jy moet er voor betalen. Maar zo ben +je lui: in 't aardsche kunt jy lui rekenen en cyferen; maar, in 't +geestelyke ben je lui blint; maar Juffrouw Hofland zal haar geld +hebben, ik zal u dwingen; ik--vrees voor my.... Wy hebben in deeze +godvergeten stad nog onze duizenden. Wee, wee, die den vinger tegen +ons opheft...! Wy yveren voor de vromen, en onze haat is heilig; dit +wee betekent veel, als het wordt uitgeboezemt door een man als is + + _Uw ware Vriend_ + + BENJAMIN. + + +Noten: + +[1] Gelooven aan God als Schepper--meer niet. +[2] Der Gerechtigheid? + + + + + +VYF EN TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN BROEDER BENJAMIN. + + +_Verachtelyke Kaerel!_ + +Ik reken myn knegt te goed om u te schryven; daar aan zyt gy de eer, +die ik u thans doe, schuldig. Zeg, fraaije kwant, dit aan uwe +Principale: "dat zy zich stil houde, of dat ik haar alles, wat zy 's +jaars, boven de honderd Ryksdaalders, ontfangen heeft, zal afkorten." +Ik wagt haar voor den Rechter. Laat zy daar hare Leverantie van +zuchten, tranen en gebeden inleveren, om te zien, hoe veel haar voor +elke twintig ditoos zal worden toegewezen. + +Houd u stil, of 't zal niet met u gaan. Ik meen u, en nog eenigen uws +gelyken, zo dra ik in Holland kom, voor myne rekening, aan vast werk +te helpen; en dit dreigement zegt veel in de pen van eenen man als + + ABRAHAM BLANKAART. + + + + +ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara vertelt Anna van haar leven; Aletta is +goed en lief; Cornelia Hartog, ook huisgenoote, bevalt haar niet: te +geleerd, ondichterlijk; Charlotte Rien du Tout, eveneens huisgenoote, +mist karakter, is grillig, nukkig. Ze heeft kennis gemaakt met Hendrik +Edeling: staat haar wel aan! + + +ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bericht Blankaart over Sara: +ze is lief, vroolijk, eerlijk, past goed op. + + +ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna Willis is bedroefd; haar tante te +Rotterdam is ernstig ziek; ze moet er heen met Moeder, kan vooreerst +niet schrijven. + + + + +NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW MARIA BUIGZAAM, WEDUWE + +P. SPILGOED. + + +_Mevrouw!_ + +Ik geloof waarlyk, dat het inkomen van alle myne uitstaande gelden my +niet half zo veel zou verblyden, dan ik verblyd ben door den inhoud +uws Briefs, dien gy my de eere aandeedt van te schryven. Hoe, wat! is +de lieve meid dan myn lieveling niet? Is zy de dochter niet van eenen +man, die myn eenigste hart-vriend was? Dat zou ik geloven, waaragtig! +Hoor, myne goede dame, alles is strikt waarheid, wat of de kleuter u +verhaalt heeft. Maar, haal my de Boze, indien ik aan zo eene Vrouw een +knappen Brief kan schryven: doe al wat u behaagt; och Heer, het geld +is goed, wil ik spreken; maar ik zal eene fatsoenlyke vrouw nooit +kwellen. Wat denkt gy, Mevrouw, kan ik met u kibbelen om een honderd +guldens drie vier, nu myn kind in zulke goede handen is? Ja, zie, ik +heb wat ongerustheid voor haar uitgestaan, toen zy nog by hare Tante +was; en voor ik wist, waar of zy toch belant mogt zyn. Want, hier +gezeit, en hier gebleven, het kon immers gebeurt zyn, dat het stout +Dingetje in slegte handen was gevallen, en zo al wyders, gelyk de +waarheid is. + +Wilt gy wel geloven, Mevrouw, dat uw brief my een traan of vier gekost +heeft? 't Is echter zo. Wel lieve God, zei ik, zyn de beste vrouwen +dan meest altoos in de onwaardigste handen? Dat is toch ellendig! En +daar zit Abraham Blankaart nog in zyn vyftigste jaar, als een niets +beduident oud Vryer; en ik had zo hemels vast besloten, om met myn +vyf-en-twintig jaar man en vader te zyn. Wat zal men zeggen? die eerst +komt die eerst maalt; en een weinig te laat is veel te laat. Ja, +Mevrouw, ik heb den Heer Pieter Spilgoed wel gekent, maar nooit met +hem verkeert. Hy hadt my te veel wilt hair op 't hoofd; en als de +jonge lui getrouwt zyn, moeten zy dat laten afscheeren, of de Boel zit +op zy. Ik wist wel, dat hy eene fatsoenlyke Geldersche dame getrouwt +hadt, doch meer niet; en ik bemoei my bykans nooit met de zaken van +een ander: Ik zeg altoos: "Abraham Blankaart, vrees God, en doe wel; +dat is jou zaak, myn vriend." + +Alles wat gy van Saartje zegt, is, zo veel ik daar over kan oordeelen, +wáár. Wees toch zo goed en hou een wakent oog over haar; wy mans +hebben daar zo den slag niet van. Indien er iets mogt voorvallen, 't +geen u nodig schynt my te doen weten, zo verzoek ik ernstig om my met +uwe Brieven te verëeren. Ik weet heel wel, dat er geene beloning zyn +kan, die geëvenredigt is aan uwe zorg en raadgevingen voor en aan een +Meisje als myn Sarotje; evenwel zal het myn pligt zyn, om uwe +edelmoedige deelneming in haar op eene waardige wys te gedenken. Kan +ik u van dienst zyn, 't zy door myn persoon, of myn beurs? Ik ken geen +groter geluk dan waardige Vrouwen myne achting te kunnen bewyzen. Ik +ben met eerbied, + + MEVROUW! + _Uw Ootmoedige Dienaar_, + + ABRAHAM BLANKAART. + + + + +DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt zijn broer Cornelis, hoe hij +Sara heeft leeren kennen; _hij is dol verliefd_. Zoo terloops sprak +hij er met z'n vader over en die had gehoord, dat Saar een dolle meid +was, die losjes leefde, wat hem speet, want haar vader was +achtenswaardig. Wil er niet van hooren en Hendrik is zeer braaf. + + +EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier schrijft een fatterig verliefd +briefje aan Sara, waarop zij onmiddellijk antwoordt. + + + + +TWEE EN DERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER. + + +_Myn Heer!_ + +Terwyl gy deezen ontfangt, zyt gy zeker nog druk bezig om uwe +Tonco-Boontjes[1] uit te zoeken. Nu, neem er uw tyd toe, want wy +blyven t'huis, en zien van daag niemand; dit _a governo_[2]; en terwyl +ik toch een verlegen uur heb, zal ik eenige regels krabbelen. Wel man, +gy hebt het vreeslyk volhandig! zo vele en zo vele gewichtige zaken; +'t is te hard. Gy zyt nog jong, gy zult u dood werken. Zoudt gy niet +een substituut in uw ampt kunnen stellen, dan waart gy ten minste van +dien kant veilig, al moest het u wat kosten. 't Zou immers jammer zyn, +dat zulk een nyver en veelbelovent jong Heer vóór zyn tyd stierf. En +daar is voor u immers niet aan te denken, Brunier? Letje heeft my in +confidence, gezegt, dat gy, buiten haar zelf te rekenen, aan nog zes +Dames beursjes belooft hebt. De waarde Juffrouw Buigzaam heeft ook +reden van ongenoegen; nog hebt gy het Lint op haar Demicoëffé niet +verspelt, en gy zelf zegt, dat het zo niet meer gedragen wordt. +Juffrouw Hartog is knorrig, om dat gy haar de snuif niet bezorgt. +Juffrouw Lotje gromt alle morgen aan het ontbyt, om dat gy de +Tandpoeijer vergeet. Zie, dat zyn evenwel geen mooije dingen; en wat +zal uwe Zuster daar op toch zeggen, dan dat gy het zo volhandig hebt? +Het meisje haalt dikwyls een paar beschaamde kaken, als Juffrouw +Hartog u, in haren trant, hekelt. En hoe zeer ik ook uwe Vriendin ben, +ik zie geen redden aan die zaken: de menschen hebben gelyk. Indien gy +zo veel onderneemt, moet gy met meer orde handelen. Gy vindt immers, +als gy in den namiddag ons wat komt voorsnappen, allen bezig. De Weduw +naait. Letje breidt. Ik knoop aan myn manchetten. Juffrouw Hartog +speelt met haar hond. Juffrouw Lotje snuift, en frommelt haar zakdoek, +en gy zit er maar lui en leeg by. Waarom neemt gy uw werk niet mede, +dan kost gy als een werkent Lid onzer Societeit worden aangezien. Gy +voldeedt uwe zeven Dames; gy kost om snuif en tandpoeijers denken: gy +kost het Lint spelden _comme il faut_; en ons teffens in uwe nieuwe +denkbeelden doen delen. Dan, dunkt my, waart gy in zes maanden op een +effen bodem. Ik heb gemerkt, dat gy dikwyls in den spiegel kykt: wat +dunkt u, (zie ik wil ook voor uw vermaak zo wel, als voor uw nut +zorgen,) wat dunkt u, dat gy van Logement veranderde, en in een +Spiegelwinkel gingt wonen? Dat zou ook al tyd uitwinnen; dan zaagt gy +u ten vollen, in eens; en kon spoedig uw jabot verschikken, uw das +optrekken, de stofjes en pluisjes van uw kamizool[3] knippen. Ik zie +gaarn dat men zich wel kleedt, maar my voor een kenster in de +kledingskunst uittegeven,--daar zal ik wel afblyven. Myn geest is niet +geschikt tot het uitoeffenen van zulke verhevene zaken. Nu, zo als ik +zeg, neem het niet te zwaar op, en werk met orde. Gy weet wie ik ben? + + _Uw Zusters Vriendin_, + + ---- + + +Noten: + +[1] Zaadjes van den Toncaboom: geneesmiddel. Men maakte er o.a. + beursjes van. +[2] Tot naricht. +[3] Vest. + + + + +DRIE EN DERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. + + +_Zuster lief!_ + +Nu kom ik eindelyk op de zaak, waar over ik u wilde schryven. Daar het +onze Bregtje Sara gezien, met een jong wilt Heer; zy geloofde, dat het +een uit de Kommedie was; en zy was nog veel ligtvaerdiger opgeschikt +dan de Pop van Pieternel, daar je men eens van schreef. Zy was een el +hoog gekapt. Haar Sack, (ja, zo een duivelsch kleed heb ik ook nog in +myn natuurstaat[1] gedragen!) was opgestrikt, je leven zo niet. Ze +hadt witte zyde koussen aan; denk, Zusje, witte zyde koussen, en +kerjeusde schoenen. En ander Orlosie bungelde een hope nesten en +vodden. En ze liep net als de Hoer van Babel met dien Monsieur gearmt. +Zy luisterde, Bregt zag het duidelyk, hem wat in, en toen keek hy de +meid aan, en lachte dat het een schande was. Hoor, Kee, ik ben somtyds +nog al bezwaart over haar; maar Broertje weet my zo tot rust te +brengen. Moet jy niet ietwat hebben, Zannetje, zeit hy, om je klein te +houwen? Is het niet beter, dat je jou bezwaart voelt om je zonden, dan +dat je een Armiaansch slik-grondje hebt? of dat je ziel door eigen +gerechtigheid den Duivel als een roofgoed wierdt overgelevert? En dan +wordt het my alles zo licht, zo licht; och ja, zo licht. + +Maar Zusje, je hebt my zo dikwyls in gemoedsgevalletjes geraden, en +Salomon zeit: "twee zyn beter dan een." Ei lieve, wat moet ik doen? +Broeder Benjamin wil dat ik met Blankaart procedeer, zo hy my niet tot +een duit toe betaalt, volgens de Conditie met haar Moeder gemaakt. Al +haar goed is hier ook nog, al de kleeren, en zo voorts, van hare +Moeder, die eene pragtige Vrouw was; en al het gemaakt Zilver; maar +dat evenwel te verdonkeren, hoe zal dat gaan? Blankaart is een droevig +schepsel om mee te handelen; hy zou my, och ja! schandaal aan doen: En +evenwel het Hellewicht verdient zo veel goed niet; zy zou het ook tot +haar bederf gebruiken. Het alles over te geven is ook hart voor 't +vleesch: 't was evenwel myn Zusters goedje, wil ik spreken. Ei lieve, +zendt my nog eens het _Heilig Onrecht_ van Petrus Kwezelius. Ja, je +hebt toch dierbare schotse Boekjes. Wees gegroet, en antwoord my eens, +zul je? + + ZUZANNA HOFLAND. + + +Noot: + +[1] Vóór haar bekeering n.l. + + + + +VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Sara deelt Anna Willis mee, dat ze Jacob +Brunier voor den mal houdt, zich van hem bedient om zich te vermaken +en fatsoenshalve te doen vergezellen. + +VYF EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling antwoordt zijn broer +Hendrik: Kerel, er op los! Informeer of ze vrij is en dan, vooruit! + +ZES EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Sara. Laat ze toch +geen geschenken aannemen van Jacob Brunier: hij heeft geen geld. Je +raakt op de tong, Saar!--De tante wordt beter. _Ze zendt haar de +sleutels van de linnenkast_, om wat goed op te sturen naar Rotterdam. + + + + +ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Willis!_ + +Of ik nog lees? Wel, dat zou ik gelooven! Ik ben zelf de Lezeres voor +de Familie; en onze lieve Weduw heeft een allerkeurigst Bibliotheekje. +Maar ik heb zo veel over my zelf te schryven, dat het niet aan het +schryven over Boeken komen kan. Zeg wat gy wilt, _myn_ Cootje[1] is +nogthans een goed kind; het schikt zich zo kostelyk op, om zyn Saartje +te behagen, en schommelt uit alle hoekjes en reetjes van zyn armoedig +hoofdje al het verstand, dat hy bezit, by een, om er my op te +regaleeren. + +En komt gy in geen zes weken t'huis! ô dat's goed; nu kan ik met myn +Held braaf plaizier nemen, zonder van u op de vingeren te krygen; ik +vrees maar dat ik, want zo zyn de kinderen! myn eigen kwaad niet zal +kunnen zwygen. Eéne conditie! zo gy ophoudt met grommen, hou ik op met +schryven. Waarom zou ik u beletten uw talent uit den doek te nemen? Gy +hebt de gaaf van bedillen, en ik die van er my mede te vermaken, en er +myn voordeel mede te doen. Nu ik er deeze flinken weer uitgegooit heb, +ga ik er my eens terdeeg toe zetten, om uwen Brief te beantwoorden. + +Brunier kan zeker nooit myn Vriend zyn, in de sublime betekenis des +woords; maar hy kan, als de Broeder van Letje, als een ordentlyk +Jongman, met my op alle plaatzen komen. "Of hy met die vriendschap te +vreden is?" dat weet ik niet, en meen er myn hoofd ook niet meê te +breken. Is het niet beter, dat ik altoos met den zelfden Jongen +wandel, dan, zo als men zegt, met elk een uitloop? Tut, tut, die +onkosten bedragen niet veel, en bewaren hem mooglyk voor duizend +kostbaarder zotternyen: nu moet hy wel zuinig zyn, of hy kan niet met +ons uitgaan. Hoe ik het goed zal maken? och, zeer gemakkelyk! als hy +trouwt, zal ik zyne Vrouw een stuk huisraad kopen, tienmaal meer waart +dan die kleine uitgaven belopen: Is 't nu wel, myne deftige Willis? +Ja, ja, ik railleer met zyne gebrekkelyke zyde; hadt hy eene slegte +zyde, dan leverde ik den Patient aan u over. Och Heer! ik heb zo maar +wat _zedelyke_ mouches, Engelsche pleister, goudvlies, balsem van +Peru, lippenpommade en soortgelyke prulletjes; doch die zyn van geene +kragt altoos tegen de gebreken van een ziekelyk hart. Maar gy, myne +Vriendin, hebt wel andre kruiden, wil ik spreken, zegt Broêr Benjamin. + +Het zou een zot stukje zyn, met zo een Borstje Briefwisseling te +houden; maar, wie zegt u, dat ik dit van zins ben? 't Komt niet in my +op. Ja, ik gelyk omtrent zo veel naar de Godlyke Clarissa Harlowe[2], +als myn schaapshoofd naar den vervloekten Lovelace: Heden, Naatje, hoe +viel u dit in gedagten? + +Myn Brief laten zien? daar is hy niet mal genoeg toe; hy begrypt wel, +merk ik, dat ik hem voor een Zotje hou. In het volgende hebt gy +deugdzaam gelyk, ja het loopt drok genoeg: maar 't zal haast over zyn. +De kring is haast afgevlogen, en dan zal ik by myn eigen hart en by +myne dierbare Mama Buigzaam huisselyk t'huis zitten, en lezen, en +naaijen, en spelen, en zingen, en met één woord geschikt leven; met +Salomon uitgeeuwende: "ook-dit-alles-was-ydelheid!" Waan met dit alles +niet, dat ik in 't geheel niet meer denk. Ik denk dikwyls, en dat wel +zeer ernstig; maar, 't is of het kwaadje, zou Tantes Bregtje zeggen, +'t is of het kwaadje er altoos met zyn neus by is; want de minste +beuzeling verstrooit my. Gy weet, lieve Willis, dat ik geen grote +zoekster van vygebladen ben, doch nu moet ik my echter vrypleiten. Ik +voel, dat ik eene sterke overhelling heb tot het zwaarmoedige; om die +reden verstrooi ik my wel eens met overleg; zo bang ben ik, om toch +nooit dat gebrek voor eene Deugd aan te zien. Nog een woord over het +lezen. Onze brave Huisvrouw heeft eene fraaije collectie van +Leerredenen: Die van Solicoffer en Doddridge bevallen my ongemeen. Wy +lezen zelf in den Bybel, kind; namentlyk de lieve Buigzaam, Letje en +ik; want Juffrouw Hartog is veel te geleert, en Lotje veel te gek, om +van die party te kunnen zyn. Ik verzeker u, dat ik nooit met zo veel +smaak het Evangelie las als nu, nu ik by eene Vrouw ben, die +godsdienstig is zonder veel uitwendigheid, en ons inprent, dat die wel +doet, wel vindt. En daar meê is dat maar uit. + +_Ten slotte_, zegt onze geleerde Hartog. De stroom van zinnelyke +vermaken, (of wilt gy, van beuzelagtige uitspanningen? 't is my ook +wel,) moet eens met een springvloed over myn hart heen vloeijen, en al +dat drabbige zwaarmoedige mede spoelen, dat er in myn verdrietig leven +is op- en om- en ondergezakt; dan zal myn ernst redelyk, myne vrolykheid +helder, en myn geheel gedrag eenparig goed, nuttig en pligtmatig zyn. +Vaarwel! ik twyvel niet, of gy zult voldaan zyn over de uitvoering uwer +Commissie. De Meiden zyn wèl, en de dienstpresentatie aan de Juffrouwen. +Heden, Naatje, hoe raar was het my, zo als vrouw en voogd in uw huis te +dribbelen; wat had ik een wysheid in het terdeeg schikken uwer klederen, +enz. Willem, myn beste Willem, was gevallig t'huis. Toen ik hem zeide, +dat zyne Tante wat beter was, kon hy zyne blydschap niet verbergen; maar +toen ik er byvoegde, dat zyne Moeder nog wel zes weken uitbleef, keek hy +heel droevig. Die moedergek! ik zou den Jongen een kus hebben kunnen +geven, zo wèl stondt hem dat droevige; maar Willem is geen Coo Brunier. +Ik vrees, Naatje, dat uwe vermoedens wáár zyn. 't Smart my, want schoon +ik niemand liever voor myn Broeder had dan Willem, ik zou hem in geen +nader betrekking gelukkig kunnen maken. Arme Willem! dit maakt my +ongemaklyk. Omhels uwe Moeder voor + + _Uwe Vriendin_, + + SARA BURGERHART. + + +Noten: + +[1] Jacob Brunier. +[2] Van Richardson: modeboek dier dagen--_sentimenteel_. + + + + +ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp ontraadt Zuzanna Hofland +te procedeeren, en schrijft haar over broeder Kwast te Rotterdam. + + +NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis, zeer verliefd, schrijft aan +Sara heel teerhartig; zij antwoordt onmiddellijk. + + + + +VEERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER WILLEM WILLIS. + + +_Myn lieve Willem!_ + +Is de man een kind geworden?--Zou ik misnoegt zyn? En om wat reden? Om +dat een braaf fatsoenlyk jong Heer, met wien ik zo veel ommegang heb, +wiens Moeder en Zuster myne hoogstgeachte Vriendinnen zyn, my, eindelyk, +op de betamelykste wys, zegt: dat ik hem niet onverschillig ben? Waarlyk, +dit zyn gruwelyke ondernemingen; vreest gy niet, dat ik u, met eene +theatrale houding, zal toevoegen: + + "_Moi, je suis femme, je ne pardonne jamais_." + +In ernst, Willem, ik dagt niet, dat gy zo dwaas, of dat ik zo eene +_Prude_ was; een van beiden moet echter zeker zyn. Ik zal u dan ééns +voor altóós tonen, dat _gy_ schuld hebt, en ik niet. Verstaat gy dat, +Vriend? Ik zal aan u schryven, als aan een' Jongeling dien ik hoogacht, +om dat hy de achting waardig is van veel beter menschen, dan meisjes +van negentien jaar zyn kunnen; vertrouwende echter, dat gy deeze myne +heuschheid niet zult misbruiken. + +Geloof my dat ik, tot gistren toe, nooit er aan gedagt heb, of gy my +met andre dan de oogen eens Vriends zaagt. Myne verkeering met u was +weinig minder dan zusterlyk, en het heeft my duizendmaal gespeten, dat +gy myn Broêr niet waart, ook ten koste myner halve bezitting. Ik nam +alle uwe beleeftheden aan voor beleeftheden; en, om te zeggen zo als +'t maar is, ik verwonderde my geen zier, dat gy, als ik by uwe Moeder +was, ons gezelschap hield: zie, me dunkt, dat kwam my toe; en welk +Meisje, zo vrolyk en zo achteloos, zou dit niet denken? Maar nu gy my +gezegd hebt, het geen gy my zeide, my zonder liflaffen, en met zulk +een ontroert gelaat, zeide, nu moet ik eenen anderen weg inslaan; om +dat ik het my zelf nooit zoude kunnen vergeven, een eerlyk man, die my +beminde, met ydele hoop den kap te vullen; en my te verlagen tot het +verachtelyk peil der Coquettes. 't Smert my, dat uwe genegenheid juist +gevallen is op de eenigste stoute meid, die u mooglyk eene +teleurstelling als deeze zou doen ondervinden. Wat kan ik het helpen? +Ik ken de liefde niet, en heb geen den minsten trek om zulk eene +grillige zaak te leeren kennen, om dat ik volkomen gelukkig ben in de +omstandigheden, waar in ik my bevinde. Hier uit kunt gy opmaken, dat +gy alle bedenkelyke reden hebt, om zo vriendlyk als nog ooit iemand te +groeten, dien ik nu en dan zie, en daar ik overal mee kom; ja dat gy +onreedlyk zyn zoudt, zo gy hem niet zo lief hadt als uw hart eischt. + +Wel Willem, wel Willem, moet gy u óók in het Satirique omtrent de +Vrouwen vergrypen? Wie heeft u toch gezegt, dat wy altoos Beuzelaars +vóór hupsche Jongens verkiezen? De een of ander vergiftig knorrig ouwe +Vryer, denk ik, die de zonden zyner jeugd wel gaarn op eene Sex zoude +schuiven, die altoos door de beste mannen met achting behandelt wordt. +Wil ik u eens zeggen, hoe het eigenlyk zit? Wy Meisjes worden, meest +allen, op eene zeer kinderagtige wyze opgevoet. Men schynt omtrent het +bestaan onzer zielen als rechtzinnige Muzelmannen te denken. Ons +postuur, onze kleur, onze houding, trekken al de zorgvuldigheid: men +leert ons de kunst van behagen, en hierom krygen wy dans-, en +zingmeesters, en hierom moeten wy 't Fransch, 't Ombre leren, enz. Ik +beken, dat een Meisje ten minsten niet gekker zyn moet dan ik nu ben, +om, voor dat zy oud en lelyk wordt, te begrypen, dat alle deze +fraaiheden niets zyn dan bywerk, dat zy zo wel denken kan als haar +Broêr Piet, haar Neef Jan, haar Oom Gerrit. Het getal dier Meisjes +is grooter, dan men gelooft dat het is; doch wat zullen wy, arme +Zieltjes, evenwel doen, als wy zien, dat onze aanstaande Heeren en +Meesters zo verheven van verstand zyn, dat zy ons _idoliseeren_[1] +om die Beuzelingen; en mooglyk, (om hun eigen zelfs wil) geredelyk +ontslaan van alles, dat in 't oog der reden verdienstlyk is. Het is +ook wáár, dat velen uwer schikkelyke Borstjes al vry onaartige +Heertjes zyn; en waarom zouden wy, voor wy dat moeten doen, lastige +Druilöoren tot ons gezelschap kiezen? Onthoudt dit lesje, en doe er +altoos naar; dan zyt gy myn beste Willem, hoor. + +Myne achting voor u is op uw goed en eerlyk karakter gegront; en myne +vriendschap hebt gy, om duizend goede hoedanigheden, die ik in u, als +Zoon en Broeder, heb opgemerkt. Hou u daar mede te vreden; want ik +verzeker u, dat er niets anders voor u te halen is. Vergeet my, en +poog u de liefde waardig te maken van eene veel betere Vrouw voor u, +dan ik ooit zyn kan. Zoo gy haar by my, om getuigenis van u te vragen, +zendt, dan zal ik haar reden geven, om over u voldaan te zyn. Gy zult +my zeer verpligten, indien gy u de smarte uitwint die gy mooglyk zoudt +gevoelen, als gy afscheid van my naamt. Ik ben + + Uwe ware Vriendin, + + S.B. + +Noot: + +[1] Verafgoden. + + + + +EEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed is erg ziek! +Zij waakt en verzorgt haar, is zeer onder den indruk, hoogst ernstig +gestemd. + + +TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft Sara: hij berust, +maar hoopt! Saartje's vroegere dienstbode uit het ouderlijk huis, +Pieternella Degelijk, heeft hij gesproken en die had de schrikkelijkste +dingen van haar gehoord! Hij heeft haar gerustgesteld. Nu gaat hij naar +Duitschland; haar portret neemt hij mee. Vaarwel! + + +DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis stuurt goeie berichten en dank +voor Sara's zorgen. Willem zal een legaat krijgen van tante!--Zij is +op bezoek geweest bij tante's buurman en dat beschrijft ze: alles is +daar oudhollandsch degelijk en gul. Ze heeft daar kennis gemaakt met +Wijsneus, een pedant, en er ontmoet proponent Smit, een vroegeren +kennis: die bevalt haar! + + +VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed wordt beter. +Deze vertelt haar droevig leven--een roman op zichzelf. Sara is hoogst +ernstig gestemd en leert inzien, dat met liefde en huwelijk niet valt +te spotten! + + + + +VIJF EN VEERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Vriendin!_ + +Voor 't eerst ben ik na het toeval myner geëerde Juffrouw Buigzaam +uitgeweest: Niet op eene Klossen-party, niet met een Wysneus en een +aanstaanden Dominé, maar met myn kostelyken Vriend, (zei Jan van Gyzen +tegen zyn Bok,) den Heer Jacob Brunier, verzelt van deszelfs Zuster +Aletta Brunier; en dat wel in de Fransche Comedie. Daar hebt gy immers +niets tegen? Ik kon u wel wys maken, dat ik er ging om myn Fransch te +onderhouên, doch dan jokte ik u wat voor. Neen, ik ging er met geen +ander oogmerk, dan om eens een Fransche Comedie te zien spelen. Wel +Naatje, ik raad u sterk aan om, voor gy van staat verandert, er ook +eens te gaan. En zo dit, gelyk myne Tante zegt, de Tente des Satans +is, dan moet ik u maar zeggen, dat hy als _un homme de Goût_, en +_comme il faut_ gelogeert is! Ik zag _les Femmes Sçavantes_ spelen, +een stuk van den groten Molière: myn genoegen was groot: alles dagt my +was natuur. Het karakter van Crisale smaakt my; maar dat _Excusez moi, +Monsieur, je n'entend pas du Grec_; hoe bekent ik daarmede ben, had al +het aantreklyke der nieuwigheid, toen het wierdt uitgesproken door +eene schone jonge Actrice, wier talenten men toejuichte. Ik was niet +weinig misnoegt over het gedrag van ettelyke Heren en Dames in drie of +vier Loges. Het spel zelf trok hun aandagt niet; dat is hunne zaak; +maar, andere fatsoenlyke Lieden te beletten om te voldoen aan het +oogmerk, waarom die naar zo eene plaats gaan, vind ik ten uitersten +onbeleeft. Zo ziet gy, kind, dat alles onvolmaakt is, of, zo als de +Heer Blankaart zegt: _alle regtertjes hebben er slinkertjes_. Zulke +onfatsoenlykheden, denk ik, kunnen niet belet worden. Wie doet den +Paus in den Ban? Cootje zegt my,--(ik noem myn auteur, om des te meer +klem aan zyne woorden en aanhalingen te geven,) dat lachen, praten, +badineeren, onder het spelen van de zielroerendste Treurspelen, thans +_du Ton_ is; en dat menig Champignon en Champignone de Fortune[1] daar +mede ontegenzeggelyk bewyzen, dat zy lieden van Rang zyn, en ten +minsten reeds deeze zes laatste jaren geweest zyn. Zeg je zo! was myn +antwoord; evenwel, al wierd ik altoos maar voor een Koopmans dochter +gehouden, ik meen deeze Certificatie van myn fatsoen niet mede te +nemen, om dat ik myne lieve Ouders niet in verdenking wil brengen, of +zy my ook wel hebben opgevoed. + +Niettegenstaande deze en nog een half douzyn ongevalligheden, moet ik +u maar zeggen, kind, dat ik verzot ben op den Schouwburg; dat ik niet +kan begrypen, wat of men toch kan inbrengen tegen eene uitspanning, +die, wel ingericht, zo veel goeds kan uitwerken. Nu, dat mogen de +Geleerden afhaspelen, ik ga er heen, en dat wel zonder dat myn hart my +iets verwyt. Juffrouw Rien du Tout was zeer uit haar humeur, om dat wy +haar niet hadden meê genomen. 't Is myn schuld; ik vreesde, dat die +Beuzelagtige Woelgeest ons maar zou gehindert hebben: als wy weer gaan +zal ik haar zien in een Loge te plakken; daar zal zy zich beter +diverteeren dan by ons, die eenvoudig komen om te horen, te zien, te +wenen, of te lachen. Apropos, weet gy wel, dat het thans voor zeer +ongemaniert gehouden wordt, te schreijen by eene _Alsire_, en te +lachen by den _Français à Londres_? Zie, dit alles à Gouverno, het kon +u te pas komen. Ik moet u nog al meer fraais verhalen. + +Onlangs was ik met myn trouwen schildknaap op een Publiek Concert: Coo +hadt gehoort, dat er eene der eerste Zangeressen voor 't eerst zingen, +en dat Cavalini[2] het Clavier zoude tracteeren. Maar moest men geen +geduld hebben zo taai als een leren lap, (wil ik spreken,) om niet +toornigjes te worden, op de manier van doen van eenigen der Grote +Lieden? Dáâr snapten drie vier Dames zo luit, dat ik duidelyk hoorde, +hoe het discours ging over het Puce-Lint van een Coëffure. Ginds +stonden een paar Heertjes als een paar malle Jongens,--(zoude ik +zeggen, zo ik niet verstaan had, dat zy aanstaande Vaderen des +Vaderlands waren,) arm in arm, de heerlykste Muziek na te lollen, ons +en passant, eenige Cabriolen op de koop toe verëerende: en dat, terwyl +myn gehele ziel wegsmolt door het heerlykste Vocaal en Instrumentaal +Muziek, dat ik immer hoorde. Hoe is 't mooglyk zo ongevoelig te zyn! +ik spreek niet eens van het onvoegsame: men doet veel om du Ton te +zyn! En die zelfde Babbelaarstertjes affecteerden zich, toen de een +en ander vroeg, of zy zich den avond beklaagden, dat zy geënchanteert +waren. Ende nu nog een kort woord tot u, myne Aandagtige! 't Is waar +de overgang is wat grillig; zoo spreek ik van Comedien en Concerten, +en zo koom ik tot myne deftige Vriendinne. Nu, gy weet hoe ik ben; +los, bedroeft los. + +"Wel, zou Tante zeggen, wel kyk eens aan Nicht, daar moest de Tante +van je Vriendin juist te Rotterdam wonen, daar moest zy ziek worden; +daar moest Juffrouw Willis met haar Dochter by haar komen; daar moest +een Buurman wezen, die een klein soupeetje gaf, en daar moest juist de +Proponent Smit in de Stad zyn, om er dien avond by te wezen; Wat is +dat groot!" dus verre Tante. + +En wat zegt Nicht? Wel Nicht is zeer in haar schik met die tyding, en +Nicht hoopt nog binnen 't jaar hare Vriendin in het eerwaardig +karakter van Dominees Vrouw gelukkig te zien. Heden, Naatje, dat moest +je doen: me dunkt, dat gy met niemand een juk kunt aantrekken dat u zo +wel voegen zal, dan met eenen Eerwaardigen. ô My! wat zal ik dan +dikwyls by u komen, al woonde gy aan 't einde van de Waereld of zelf +op Marken Buiten! want ik ben overtuigt, dat de man, dien gy verkiest, +waardig is dat men om hem de hele Toverlantaarn der Waereld goejen dag +zegt. + +Ziet gy niet, dat ik thans eene hele schryvige natuur over my heb? Ja +kind, Saartje gaat nu weinig op den tril, en onze dierbare Patiente is +nog te zwak, om haar met myn gerammel te vermoeijen. Doch lang vasten +is geen brood sparen. Ik moet noodzakelyk eens met Letje uit. Juffrouw +Rien du Tout heeft onlangs zulk keurlyk gaas gekogt, en dat zeer +goedkoop; ik moet, eer het stuk op raakt, er ook van hebben. Zoo +Cootje maar meê kan; want hy heeft, wurm daar hy is, ook zyne +druktens; en het schynt, dat hy voor een Heertje van de mode zyne +zaken voorbeeldig waarneemt. Wat zoudt gy een goed werk verrichten, +Naatje, als gy hem wist te beduiden, dat hy waarlyk zeer wel zou doen, +indien hy zo attent was in het verbeteren en in orde brengen zyner +denkbeelden, die nu in zyn harsenvat als een hoop stoute Jongens in +den donker herom tuimelen: Zeg wat gy wilt; maar de Borst is heel +gezeggelyk, en de geest des tegensprekens heb ik met wortel en tak +uitgeroeit. Nu uw beurt, hoor je kind. + + _Ik ben uwe Vriendin_, + + S. BURGERHART. + + +Noten: + +[1] Oweeërs. +[2] Componist dier dagen. + + + + +ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna waarschuwt opnieuw tegen Jacob Brunier +en ze ijvert voor Willem. Het verhaal van de wed. Spilgoed heeft ook +haar getroffen, en ook haar Moeder. + + +ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna zet haar pleidooi voor Willem voort. +Moeder heeft Willem de zaak uit 't hoofd willen praten, maar _zy_, +Anna, vindt Willem wel geschikt voor Sara. Moeder zegt: _Sara is te +wereldsch voor Willem_. + + + + +ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SOPHIA WILLIS. + + +_Mejuffrouw, Hoogst-Geeerde Vriendin!_ + +Het zou my smarten, indien ik deezen moest schryven, om u myne +eerbiedige gevoelens en oprechte liefde bekent te maken: ik hoop, dat +gy, in alle myne woorden en daden, die gevoelens zult ontdekt hebben; +en dewyl ik my altoos door de oprechtheid laat bestieren, kan er by u, +op dit stuk, geen twyffeling overblyven. + +Dat ik des de vryheid neem om u te schryven, vloeit uit een geheel +anderen oorsprong. Het is om u uit grond myner ziel te bedanken voor +het belang, dat gy in my neemt; en om dat gy my de gelegenheid geeft +om te weten, in welk een licht gy my beschouwt. ô Dierbare Juffrouw +Willis, myn hart zegt my, dat gy myne zwakke zyde kent. Daar in ontdek +ik óók de redenen, die u aanzetten om myn handelwys met uwen Zoon goed +te keuren. Ik beken, dat ik zeer gezet ben op het bywonen van +uitspanningen en dat ik er my meermaal in toegeef, om dat ik volstrekt +geen ander oogmerk heb dan my te diverteeren; maar ik vlei my toch nog +al, dat ik, voor myne jeugd verdwenen is, wyzer zal worden; nu ben ik +zo ver niet, en ik zou my tot veinzery moeten verlagen, indien ik +zeide: dat ik reeds werkelyk bezig was om die neiging in te krimpen. + +Het smart my, my te moeten voorstellen, dat uw waarde Zoon, myn lieve +goeje Willem, niet zo gelukkig is als hy verdient te zyn! en niets +troost my zo zeer, dan de bewustheid dat ik verheven ben boven de +vuige listen eener gerafineerde Coquetterie, dan gehandelt te hebben, +na hy my zyne liefde ontdekte, gelyk als de pligt eischt van yder +meisje, dat een braaf ordentelyk Jongeling niet beminnende, hem dat +met heuschheid zegt, om geene hoop aantemoedigen, die geheel ongegront +is. + +Ik hoop, in alle gevallen van myn leven het onuitsprekelyk genoegen te +hebben, dat er gelegen is in door u met liefde beschouwt te worden: +niemand is met meer eerbied + + _Uwe Dienares, dan_ + + SARA BURGERHART. + + + + +NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier verklaart Sara zijn liefde +en vráágt haar. Zij zouden samen een model-paar zijn en konden +beginnen met een reisje naar Brabant. + + +VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis verantwoordt zich bij Sara, waarvoor +zij op alle mogelijke wijze Willems plannen te keer gaat. En ze +waarschuwt Sara: leef niet te zeer voor vermaak alleen en ga niet uit +met een jonkman, dien ge niet liefhebt! Pas toch op, Saar!--Anna doet +een uitstapje ook met Smit. + + + +[Illustratie: 't kwam mij voor dat zij in zich zelf zeide; "Ei kom, om +thee te schenken is hij echter nog al vrij gebruikbaar". +Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave +van 1782.] + + + + +EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING. + + +_Waarde Broeder!_ + +Hemel! kunt gy met my nog railleeren? Maar geduld! Ik weet dat de +vrolykheid van uw aart een vrucht is van uw goed hart, en dat gy +opregtelyk deelt in alles wat my betreft. Ik zal dan, wat gy my ook +moogt antwoorden, voortgaan om u over myne omstandigheden te schryven. + +Weinig dagen na dat ik my zelf het genoegen gegeven had, om een +billyke daad omtrent eene verlegene Vrouw te doen, hoorde ik van den +Heer Brunier, (die met my de kennis onderhoudt,) dat de brave Weduwe +ziek, gevaarlyk ziek, was. Dit smartte my, en wel te meer, om dat ik +daar door berooft was van 't genoegen, om myn bezoek te herhalen. +Brunier ging er echter verscheiden maal daags, om te vernemen hoe het +was. Zyne Zuster kwam dan by hem in de zydkamer, en berichte hem 't +geen hy kwam horen. Doch de beminde van myn hart zag hy niet. Juffrouw +Brunier zeide, dat hare Vriendin de kamer der Lyderes niet verliet, en +dat zy beide allerbitterst bedroeft waren. Broêr lief, wat zyn brave +meisjes toch juwelen! zy zyn de uitdeelsters van onze keurigste +vermaken, en de zoete troosteressen in de ongevallen des levens. +Oordeel, of deeze blyken van vrouwelyke meêlydenheid myn hart troffen! +Binnen weinige dagen ontfingen wy bericht, dat de Doctor haar buiten +gevaar oordeelde; en deeze gunstige tyding werdt vermeerdert door de +aannaderende herstelling der waardige Vrouw. + +De eerste reis, dat Brunier vryheid kreeg om haar te komen zien, nam +ik die gelegenheid waar, om hem derwaards te verzellen. Aangedient +zynde, leidde Juffrouw Letje ons by de Weduwe in: Ik zag, tot myn +hartlyk leedwezen, dat zy zéér vervallen was, en feliciteerde haar met +hare gelukkige herstelling, vergeving vragende voor de vryheid die ik +gebruikte. Zy beantwoordde my met de grootste vriendelykheid; en dewyl +de knegt het theegoed binnen bragt, verzogt zy ons om thee te drinken. +Verbeelt u een ruim zindelyk vertrek, proper gemeubileert, dat, met +twee schuiframen, op een aartig Tuintje uitziet, en door twee zware +lindenbomen voor de zon beschaduwt wordt: aan 't hoger eind zat de +Zieke, in een keurlyk net negligé, met een neteldoeks kapertje op. +Naast haar zat de beminnelyke Burgerhart, met een boek by haar de hand +der Weduwe in de hare houdende, ô Keesje lief, zy is schoon!--meer dan +schoon. Het tekenagtige van haar gelaat treft; haar oogen schitteren +van gezontheid en gerustheid. Zy is niet meer dan middelbaar van +lengte; voor eene Gratie zou zy kunnen geschildert worden, niet voor +eene Juno of Minerva, dat beken ik. Brunier maakte zich meester van de +theeketel, en zy zelf schonk thee. De jongen wagtte, mag ik zeggen, op +hare oogen, maar 't kwam my voor, dat zy in zich zelf zeide: "Ei kom, +om thee te schenken is hy echter nog al vry gebruikbaar." Ja, niet +tegenstaande hare minzame trekken, heeft zy iets zo spottig, zo +schalkagtig, zo, hoe noem ik het? 't is nog al iets anders--in haar +gelaat, als zy tot hem spreekt, dat men niet nalaten kan te zeggen, +arme Cootje. Hy legt echter met haar aan; doch komt altoos met verlies +te rug. + +Juffrouw Brunier is een zeer bevallig meisje; maar men ziet haar niet, +als zy by hare Vriendin is. Deeze twee jonge Dames beminnen elkander, +en behandelen elkander ook als welopgevoede Zusters. + +Myne Beminde was ongemeen vrolyk; en ik geloof, dat Brunier er te +erger om vaart. Toen wy in gesprek waren over de Patiente, zei zy, met +eene betoverende levendigheid: "Ik moet vrolyk zyn over de herstelling +myner Moederlyke Vriendin; ik weet, hoe veel ik zoude verloren hebben: +yder heeft zyn eige wys van doen: deeze doet de vreugd wenen, en een +ander lachen." Haar lach, Keesje, is echter de lach des vernufts, en +heeft niets van dat luidruchtige, 't welke het verstand afkeurt. Wy +spraken over verscheiden onderwerpen, en ik had gelegenheid om te +zien, dat myne Beminde dien zeldzamen schat, gezont Oordeel, bezit. Zy +heeft, merk ik, veel verkregen kundigheden, doch beroept zich nooit op +haar Auteur. Kort gezeit, ik geloof dat zy, in allen opzichte, dien +man gelukkig zal maken, dien zy zich zelf zal uitkiezen; indien zy met +aandagt eene keuze doet. + +Me dunkt, Mevrouw, zeide ik, dat deeze beide jonge Dames u met allen +eerbied en genegenheid behandelen; dit moet my gunstig over haar hart +en verstand beide doen oordeelen.... "ô Myn Heer, viel zy my in, het +zyn de beste kinderen, die ik immer kende. Maar myne Gunsteling +verdient, dat ik haar met die onderscheiding behandel, die myn hart +voor haar gevoelt. Juffrouw Brunier is een meisje, dat al de +geschiktheid heeft, om eene Vrouw van verdienste te worden; en hare +liefde voor Juffrouw Burgerhart maakt haar geneigt, om, in duizend +opzichten, beter te worden. Een verwaarloost karakter, myn Heer! vroeg +ouderloos, en geheel aan haar zelf overgelaten.... Doch Saartje is de +vreugd van myn leven; en ik bemin haar, of zy myn eigen dochter was. +Zoudt gy wel geloven, dat dit luchtige bolletje, dat zo vol potzen is, +en de zonderlingste invallen heeft, somtyds zeer bedaart met my kan +spreken? dat zy de ernstige schriften met aandagt leest; ja, dat ik +haar aanmerkingen over den Godsdienst hoor maken, die geheel nieuw, en +tevens geheel waarheid zyn? God geve, dat zy altoos haren eigen weg +ga, en door haar goed hart, 't welk niet vry is van wat achteloosheid, +niet verstikt worde door eene wel overlegde loosheid." Ik was geheel +aandagt. Zy ging voort: "Dat zelfde Meisje, dat zelf in uw byzyn haar +levendigheid niet kan bedwingen, heb ik, geduurende myne ziekte, niet +dan zwygent en schrijent gezien. Zy was niet te bewegen om my, zelfs +des nagts, aan de zorg myner bedienden toe te betrouwen. Ik heb, in al +die dagen, niets dan uit hare handen gebruikt. Uuren lang lag zy op +hare knieën voor Myn Ledikant, God met opgeheven handen biddende, doch +in zich zelf, om myne herstelling. Nu, mag ik zeggen, bestiert zy de +gehele huishouding. Oordeel uit dit weinige over haar karakter. Hadt +zy wat minder zucht om de Waereld te zien; doch dit, beken ik, is vry +sterk. Zo dat, myn Heer, ik zegen het uur, waar in deeze lieve +juffrouw by my gekomen is: de vermindering van mynen staat heeft +moeten dienen, om my dat geluk te bezorgen: moet ik des niet +vergenoegt zyn in die minderheid." + +Mevrouw, zeide ik, ik geloof, dat Juffrouw Burgerhart immers zo veel +reden heeft om het uur te zegenen, waar in zy u leerde kennen. Ik +begryp levendig, dat zy aan u verpligtingen heeft, die zich alleen +door dankbare gevoelens van het geroerde hart laten betalen.... Ik +luisterde.... Is dat, vroeg ik, Juffrouw Burgerhart, die daar speelt? +"ô Neen, myn Heer, zeide zy, zo slegt kan zy het Clavier niet +behandelen. 't Zyn stoute meisjes. Ik merk dat zy den goejen lobbes +weêr aan het touwtje hebben. Dien armen Jongen doen zy alles doen, wat +in hare hoofden komt. Burgerhart zal hem, alléén om hem uittelachen, +gedwongen hebben te spelen; schoon zy zelf bekent, dat zy de Kat, in +weinige lessen, zoo ver ziet te brengen, dat die hem lessen kan geven. +'t Zyn jonge lui, myn Heer; en ik denk, dat het myn pligt is haar het +leven in myn huis zo aangenaam te maken, als ik immer kan. De Heer +Brunier is een goed slag van een Jongen, die, zo hy wat minder van het +petit-maitres air hadt, nog al passeeren zou." + +Onderwyl hoorden wy, dat zy recht vrolyk waren, en iets schenen te +verzetten: wat het was, weet ik niet. + +Mevrouw, zeide ik, niets kan my aangenamer zyn, dan te horen, dat zulk +een beminlyk jong mensch uwe achting verdient. Hoe gelukkig zal die +man zyn, die zy uit liefde trouwt! "Dat is zo, myn Heer, maar zy zal +nooit trouwen, zonder haren man zo wel hare hoogste achting als liefde +waardig te keuren, immers dat zegt zy dikwyls." + +En heeft zy dien man reeds gevonden, Mevrouw? (Ik vroeg dit met zulk +eene merkbare ontroering, dat de schrandere Vrouw het moet gemerkt +hebben.) "Neen, myn Heer, Juffrouw Burgerhart denkt zeker, zo weinig +aan trouwen, als aan het kloosterleven." Ik voelde, dat myne wangen +gloeiden. Ik nam de vryheid om haar hand te nemen, en die zagtelyk +drukkende, zeide ik: mooglyk ben ik onbescheiden geweest, maar het +belang dat ik heb in dit te weten.... Vergeef het my, Mevrouw.... Ik +Bemin deeze Dame: Zo als ik haar zag, beminde ik haar; en nu myne rede +myne keuze billykt, reken ik my niet ongelukkig. Het is dan mooglyk.... +Ik meende verder te gaan; doch de Vrienden kwamen binnen; ik zweeg des. +De Weduwe boog, zoetelyk glimlachende. + +"Mamaatje lief, zeide Juffrouw Burgerhart, wy hebben uwe bevelen +voldaan, en ... maar, (het drankflesje opnemende,) moet ik dan kyven? +Foei, myn Heer, gy moet op een ander tyd beter oppassen! weet gy wel, +dat deeze Dame, om duizend en tienduizend redenen, diende gezont te +worden, en zo oud ook, dat zy met een krukje in de eene hand, en my +onder den arm vasthoudende, door haar Tuintje zal moeten wandelen?" +Daar op nam zy een kopje, deedt het medicament er in, gaf het de +Patiente, en wist Brunier te bewegen, om ook eens te proeven, die al +grynzende zei, dat het lekker was. "Zo, zei Saartje, een Veinsaart ook +nog, en dat onder myne oogen." + +De beleeftheid deedt my vertrekken; na dat de weduwe my verzekert +hadt, dat het haar niet ongevallig zyn zoude, my eens weder te zien. +Afscheid genomen hebbende, vertrok ik met Brunier, hem bedankende voor +de gelegenheid, die hy my gegeven hadt, om deeze waarde Dame te leeren +kennen. + +Zie daar, Broêr lief, zo is het thans gestelt. Zal ik hopen? zal ik +vrezen? Hemel, maar zou zy immer behagen kunnen hebben in my? Schryf +my spoedig. Alles is hier wel. Vader zal u per naaste post schryven; +hy weet niets van deezen. + + T.T. + + HENDRIK EDELING. + + + + + +TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER. + + +_Vriend Jacob!_ + +Gy durfde my dan nog met een half woord vragen: "of gy u niet mogt +vleijen met eenig antwoord op uwe _Missive_?" Want zo noemt gy dat +fraaije Billet, dat gy my deedt ter hand komen. Om uw eigen fatsoens +wille wenschte ik wel, dat gy er geen woord van gekikt hadt; dan kon +ik ook dit zot stukje op de grote lyst uwer overige Beuslaryen hebben +aangetekent, en, om dat ik niet geemlyk van aart ben, het u gunstig +gepardonneert hebben. Doch nu gy zo dwaas zyt, van my zulk eene +rapsodie, als 't ware, te herinneren; en gy mooglyk wel, (want het +schynt waarlyk niet al te richtig in uw harsengestel,) u zoudt kunnen +gaan inbeelden, dat ik uwe Missive niet al te wel zo spoedig dagt te +kunnen beantwoorden, zo zal ik de moeite nemen, om u, over die +Missive, eens een paar woordjes te zeggen. + +Ik zeg niet gaarn onaangename waarheden, en vooral niet aan zulken, +die ik, 't zy dan ook om wat reden, in zekeren zin wel lyden mag. Zo +lang ik u slegts voor een vry geschikt, en goed soort van een jongen +hield, hadt uwe Zuster weinig werks om my te beduiden, dat ik u als +haar Broeder behandelde, en occasie gaf om ons eenige uitspanningen te +bezorgen: Maar, nu ik merk, dat gy eenige oogmerken omtrent my hebt, +waar van ik u nooit verdagt hield, zo moet ik u openhartig zeggen, dat +gy my meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te +kunnen krygen. + +Hoe, myn Heer, heb ik u de minste aanleiding gegeven, om zulke +gedagten in u te doen opryzen? Hoe weinig kent gy my! Hoe dood vreemt +zyt gy omtrent u zelf! Ik moet of boos op u worden, en dat bevalt my +niet; of ik moet u hartelyk uitlachen. Nooit zeker las men zo eene +ongevallige mengeling van zotteklap, en dwaze inbeelding, op zeer +twyffelachtige verdiensten, dan dat schriftje bevat. Dit van stukje +tot beetje aan te tonen, is beneden myne aandagt. Ditmaal vergeef ik +u alles, op deeze voorwaarden: "dat gy my hier over nooit meer +spreekt;--zelf verbied ik u, my voor deeze gekheden om excuus te +vragen; en dat gy; is 't mooglyk, door dit geval poogt wyzer te +worden, en wat beter uwe eigen waarde te berekenen." + +Zo gy hier toe geen geneigtheid hebt, dan zult gy u moeten laten +welgevallen, dat ik u zó, en op dien afstand behandel, als een +fatsoenlyk Meisje een verwaanden, of wilt gy lastigen, knaap altoos +moet behandelen. Uwe Zuster is myne lieve vriendin, maar zy zo wel als +ik begrypt, dat dit geen reden zyn kan, waarom ik zoude moeten +geplaagt worden door een Borstje, dat geen geest genoeg heeft, om my +met zyne Missives ook slegts te diverteeren. Spreek des nergens van; +en ik zal alles vergeten: want zo gy in dit opzicht maar wyzer wordt; +zyt gy een vry draaglyk Heertje; en ik geef de hoop nog niet op, om my +eens met meer reden te kunnen noemen + + _Uwe genegene Vriendin_: + + S. B. + + + + +DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed schrijft aan Blankaart: +Saartje is allerliefst! En nu is er een meneer, zekere Hendrik +Edeling,--die de wed. zelf uit den brand geholpen heeft--een braaf +man--die naar Saartje vrijt. Hij is knap, 27 à 28 jaar, goed +gemanierd. Staat Blankaart nadere kennismaking toe? Sara spot +er wat mee en wil nog niet trouwen, maar de wed. wil zekerheid. + + +VIER EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling wenscht zijn broer succes: +geduld maar en volhouden. Gemakkelijk zal 't niet gaan, maar toch +gaan. Hij is haast jaloersch en als hijzelf zijn Jaantje niet had, +wie weet. + + +VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis vertelt van haar uitstapje met +Smit. Ze zijn o.a. in Schiedam geweest en hebben _jenever geproefd_. +Smit werd opgewonden. Schiedam is een gat. Smit heeft intusschen een +erfenis gekregen en nu zal Anna met haar besten vriend gaan trouwen. +Hun liefde berust op _achting_ en _vriendschap_. Zij raadt Sara aan +den advokaat _Fine Mouche_ te nemen, maar dan moet ze er gauw bij +zijn. Hij is zeer gewild en _ijvert voor de rechten der vrouw_. Smit +ijvert voor de _nieuwe psalmberijming_. + + + + +ZES EN VIJFTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Lieve Willis!_ + +Allemaal menschen!--dit zeide ik, toen ik uwen vrolyken en my zo regt +smakelyken Brief gelezen had. De liefde is al een grappig ding, geloof +ik. 't Schynt dat zy de peinzende vrolyk, en de ydeltuiten statig kan +maken. Mooglyk, om dat zy het levensvonkje in de dikbloedige gestellen +helder doet opflikkeren, en de zorgeloze onverschilligheid der volmaakt +gezonde meisjes iets aan de hand geeft, dat haar van belang genoeg +schynt, om er over te willen denken. Hoe het zy, 't is zeker dat +Juffrouw Willis my nu veel meer bevalt, om dat zy my wat nader komt, +dan wanneer zy met zekere ernsthaftigheid, niet altoos geheel vry van +styfheid en bedilzucht, my myne les voorzegt. Uw Vriend Smit heb ik +regt lief, zo wel om het geen gy van zyne conversatie, als om 't geen +gy my nopens zyne manier van denken omtrent u mededeelt. Ik hoop hem +spoedig wel geplaatst, wel gehuist, en wel getrouwt te zien. Ik beken +dat gy, buiten uw nadeel, een ruim hart hebt, als gy ons, eenzamen in +den lande, zulk een zegen toewenscht. Maak u vrienden, Naatje, door zo +veel gy kunt dien wensch ten uitvoer te brengen. Wat my aangaat: _Pour +moi keen warme Bier_, zei de Franschman; _Pour moi geen man_. Een +flinke bol, om my, zo als ik zeg, te brengen waar ik zyn wil; dat is +wel, doch meer niet. Uw Advocaat is des aan u; geef hem aan haar, die +zo een meubeltje nodig heeft, en laat myn devies zyn: _Vryheid, blyheid_. +Maar om u eens wat zakelykers te schryven, ik heb met Letje uit geweest, +om dat nieuwmodiesch Gaas. Het stuk was byna weg, doch men wagtte alle +daag nog fraaijer, als ook heerlyke Taffen, enz. Men heeft my verzogt +dat te komen zien: en ik heb aanstaanden maandag daar toe bepaalt. +'t Is een besloten winkel; men ziet er niets dan een modieus huis, +moderne meubelen, drie zeer wel gemanierde, taamlyk lelyke, reeds wat +bejaarde Demoiselles, die niets dan Fransch spreken: 't kwam wel, dat +ik die taal kende. + +In 't naar huis gaan, gingen wy Coos logement voorby, en spraken +Mademoiselle G---- eens toe; die zeer verblyt scheen ons te zien, en +vriendelyk innodigde. Wy voldeden ook aan haar verzoek. Letje vroeg +schielyk of haar Broêr niet t'huis was; neen, zei zy, maar hy zal +weldra t'huis zyn. Kom, zei Letje, dan gaan wy zo lang op zyn kamer: +ik volgde, zeer benieuwt zynde, hoe of het toch op de kamer van een +Petitmaître er mogt uitzien. Naatje! nooit hebt gy zo een huishouden +gezien! myn oog viel eerst op zyn toilet, dat in de volmaakste +desordre lag. Poeijer en Snuif bedekten alles. Hairkammen, +Wenkbrauwkammetjes, verscheiden Verfjes, Tandenschuijertjes, +Tand-poeijer, een glas half vol water, zo smerig als een eend, een +stuk uitgedoofde Waskaers, eenige Fransche boekjes, die niet van de +strengste zedekunde schenen te handelen, een morsige Inktkoker, een +vuile Slaapmuts en een pot Pommade, maakten de misselykste vertoning, +die ik ooit zag. Al zyn kleêren hingen over stoelen. Eenige paren +zyden kousen slingerden er tusschen. Schoenen, muilen, laerzen, een +hartsvanger, lagen door malkander: alle zyne Boeken konden wel in een +brood-mand, en zagen er vuil en smerig uit. Letje zag dit lieve +boeltje, met beschaamtheid, eens over, en ik was geheel +nieuwsgierigheid. "Kyk me zo een floddervink eens; zo een slons van +een jongen, en die altoos er uit ziet, of hy uit een doosje komt." +Kom! zei ik, hy zal er voor hebben. Daar op deden wy zo veel +kattekwaad, en naaiden zo veel mouwen en zakken en koussen toe, en +verstopten zo veel goed, als de tyd ons toeliet. Toen gingen wy naar +beneden, en zie daar, daar kwam de Vorst van Tour en Taxis, wip wip +wip den stoep op; gevolgt door nog een vlasbaard, of drie, die hier +alle logeeren. Myn Chevalier weet te wel te leven, (zoo hy meent, och +arm!) om ons vryheid te laten zo terstond te vertrekken; en dewyl +Mademoiselle G--- hier sterk op aandrong, traden wy in de eetkamer. +Terstond presenteerde men 't een en ander. De gure dag gaf Coo den +inval om een Bowl Punch te maken. Fiat Punch! Toen had hy 't op zyn +lyf! de Arak, de Citroenen, enz., alles kwam uit den hoek. De drank +was smakelyk, het gezelschap vrolyk, Mademoiselle G--- kluchtig, en +Saartje haar zelf. Enfin, Naatje, wy diverteerden ons als Vorsten; wy +raakten aan 't musiceeren, en 't was wel negen uuren, voor onze Vriend +ons t'huis bragt. + +De lieve Buigzaam wagtte reeds met eeten. De Hartog keek, als of zy +zeide: "Wat die Kleuters! moet ik daar naar wagten?" Lotje zat met een +Almenak van 't voorleden Jaar, en hield zich of zy las; doch ik weet +niet, of zy wel eens spelden kan. Wy waren zo dartel, dat de lieve +Vrouw niet wist, wat zy van ons denken moest; en Letje was ongemeen +woordenryk. Ik was niet heel gemaklyk, want Juffrouw Hartog my iets, +'t geen ik haar verzogt, wat onbeleeft aanreikende, en er by voegende: +"ei, altyd dat gelach, 't zal wat te beduiden hebben, als wy 't +wisten!" gaf ik haar een antwoord, 't welk aantoonde, dat ik haar, +schoon veel ouder, niet voor myne Voogdes begeerde. + +Ik heb u nog niet gezegt, dat de Heer Edeling hier alweêr geweest is. +Juffrouw Buigzaam spreekt met de uiterste achting van hem, en met zo +veel onderscheiding, dat, zo zy tien jaar jonger was, ik zou denken, +dat hy de man zyn zoude, dien zy haar hart wilde geven: nu denk ik dat +niet. Mooglyk heeft hy zin aan Letje. Hy is door haar Broêr hier +althans gebragt. 't Is een zeer fraai man: hy heeft mooije manieren, +en ik hoor, dat hy veel verstand heeft. Als hy weêrkomt, zal ik hem +eens _Philosophiesch betrachten_; zeide uw Pedant Gekje zo niet? + +Omhels uwe dierbare Moeder; groet uw Vriend Smit; saluëer uw Tante +voor haar, die gy weet dat is, + + Uwe hoogachtende Vriendin, + + SARA BURGERHART. + + + + +ZEVEN EN VIJFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED. + + +_Mevrouw!_ + +Voor ik iets, Saartje betreffende, aanroer, moet ik u zeggen, dat ik +God hartelyk gedankt heb voor uwe herstelling, 't Zoude al te droevig +zyn, dat zulke weêrgaloze Vrouwen zo klakkeloos uit de waereld gingen, +terwyl wy met hele risten van Beuzelaars en Beuzelaarsters blyven +opgescheept. Het doet my aan myn hart goed, dat ons meisje zo haar +pligt gedaan heeft; zy zal er een present extra uit myn eigen zak voor +hebben. Zie, men moet de jonge lui, als zy wel doen, ook wel doen; en +ik ben, God dank, geen vrekkige Jakhals van een Kaerl. Ik zeg altyd: +"Abraham Blankaart, God heeft u zo gezegent, je hebt kind noch kraai; +hoewel ik weet niet, of dat zo blyven zal; een mensch heeft graag een +eigen weêrspraak. Kind noch kraai! wel deel meê, myn Vriend; maak dat +niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe, dat niemand wel eens +wou zien, of jy ook een mooije doode zyn zoudt. 't Moet hier toch +altemaal blyven, en als jy brave lui op de proppen helpt, dan doe je +als een hupsch Christen mensch betaamt." Nu, dat overgeslagen. + +Neen, Mevrouw, ik heb geen byzonder oogmerk omtrent Saartje. Ik zal +haar volkomen haar eigen keuze laten doen; en, zo de jongen haar +verdient te hebben, zal hy haar hebben, al had hy geen zesthalf in de +waereld; maar zo zy dwaas genoeg was, om een knaap te willen hebben, +dat een vlegel, of een bobbekop is, of die haar dood zou kniezen, of +tot gekheden brengen: Verduivelt! dan zal myn naam geen Abraham +Blankaart zyn, zo ik het ooit toesta. Hoe, wat hamer, en wat +spykerdoos, heeft haar brave Vader my niet met de dood op zyn lippen +gezeit: "Brammetje Blankaart, ik sterf; zorg gy voor dit dierbaar +Kind. Wees het geen ik voor haar zyn zoude, mogt ik leven." En heeft +hare lieve Moeder ook zo niet gesproken? En heb ik het niet heilig +belooft? En ben ik niet een eerlyk man? Hoor, Mevrouw, het meisje is +veel ryker dan zy weet. Zy kan, ik herhaal het, krygen die zy hebben +wil, mits dat zy wél kiest. + +Ja, 't is een weêrgaâs meisje! zo als gy daar schryft, is zy: en ik +ben maar bly, dat zy by zulk eene allerbraafste Dame is, dat is goed +voor haar. Spreek toch niet van my lastig te zyn; ik wou dat uwe +brieven zo lang waren als de Engelsche Courant. Zie, ik ben geen man +van de hedendaagsche Waereld, maar een brief van zulke vrouwen, wel, +dat is een tractement voor my. + +Den ouden Heer Edeling ken ik van voor vele jaren. 't Is een eerlyke +knorrepot, een braaf man, een man, daar men op af kan, maar de +lastigste mensch, dien ik ook al ken. Pitten heeft hy, en crediet als +de Bank: maar ik heb my altoos afgehouden van twee soorten van menschen, +van allemansvrienden en van Grimbekken. De laatsten veracht ik, en de +eersten beduiden niet genoeg, om er aan te kunnen denken. Zyn Zoons ken +ik niet; maar ik heb altyd gehoort, dat het beste jongens waren, doch +die 't hart niet hadden, om hunnen Vader ooit dan met schroom toe te +spreken. Dat is toch een ellendige zaak! 't Spreekwoord zeit, de beste +Stuurlui staan aan land; maar als ik kinderen gehad had, by myn Vrouw, +ik zou eerst hunne liefde hebben zien te winnen; en dan zou ik my van +hun vertrouwen en achting gemaklyk hebben meester gemaakt. Wat zegt +gy, Mevrouw? + +Indien de jonge Heer des zyn hof aan myn Kleuter wil maken, en zy het +goedvindt, my is 't wel; als 't kind maar gelukkig is, ben ik te +vreden, en ik zal haar, met al wat zy in de waereld heeft, zelf aan +hem, met myn eigen hand, geven. Doch de Oude moest my evenwel geen +Kattesprongen maken, of denken, dat zyn Zoon haar veel eer aandeedt. +Ja, ja, 't is een misselyke knevel, die eigenste Jan Edeling; want dan +zou my 't bloed ook wat heel spoedig in de ooren kruipen. Saartje is +van zulk eene brave oude familie, als er maar weinigen in Amsterdam +zyn; haar overgrootvader was al een styl van de beurs, en een pylaar +van de kerk: en, schoon zy geen geld heeft, dat by Hendriks te pas +komt, zy is echter een schone party; en zy is een heel mooi meisje +ook; en zy heeft, mag ik zeggen, alles geleert; en zy speelt immers +kapitaal? Wees verzekert, dat ik uw verpligtent bericht voor my +onschendbaar zal houden. Zo ik u, waardige Dame, ergens in van dienst +zyn kan, beveel! gy zult my verrukken, door my in staat te stellen van +u te kunnen tonen, hoezeer ik met de grootste achting ben, + + Uw welmenende Vriend en gehoorzame Dienaar, + + ABRAHAM BLANKAART. + + + + +ACHT EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis beknort Sara om haar houding +tegenover Coos-Jacob Brunier. Foei! Is vermaak dan alles? En wèlk +vermaak! Tante Hofland zal nog gelijk krijgen! Ze mag Anna uitmaken +voor wat ze wil: _bijnamen geven is geen redeneeren_.--Willem maakt +'t goed; Smit gaat uit preeken. Hendrik Edeling is een beste jongen; +Smit kent zijn broer. + + +NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft zijn Moeder: hij +maakt het goed, doet zijn best, maar _Sara kan hij niet vergeten_. +Doet Moeder wel goed? + + +ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling richt zich tot Blankaart, over Sara. +Of er iets tegen is? _Zijn_ vader zal bezwaar maken: _Sara is niet +Luthersch_--doch dat is misschien nog te ondervangen. + + + + +EEN EN ZESTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING. + + +_Myn Heer!_ + +Ik ken genoeg van uwe omstandigheden en zedelyk karakter, om niet +weinig in myn humeur te zyn, met het voornemen, dat gy hebt omtrent +myne lieve Pupil. + +Zie, myn Heer Edeling, ik ben geen knorrepot, die altyd legt te +gnokken, en te gnutteren[1] op Jongelui; ô ho! het zat over een +zestig, zeventig jaar, ook al zo breet niet: maar dit is evenwel +hemelsch vast, dat onze jonge Heren het drok genoeg maken, en dat +Ouders of Voogden van geluk mogen spreken, als zy een aartige lieve +meid, die hun aangaat, in goede handen zien. Wel, 't is een bedroeft +ding, dat de jonge Heren zich de vryheid geven om stukjes uittevoeren, +die hen de achting van hunne meisjes onwaardig maken. Dat rydt, dat +rost, dat speelt, lichtmist voor een voor negentien, alsof men een +paardje schytgeld op stal, en nog een lyf in de kist hadt: en als men +dan eindelyk het wilde leventje wat moede is, ja! dan klungelt men +naar de Vryster, die men eene hope leugens en liflafferytjes vertelt. +Het arme schaap neemt alles voor goede munt aan; en zy krygt een man +met een verzwakt en verslonst lichaam, zonder zedelyke, 'k laat staan +Godsdienstige beginsels; zonder kunde in zyne zaken; en haar geld moet +meermaal springen om smousen en ligtekooijen te vreden te stellen. + +Zo dat ik maar zeggen wil, myn Heer Edeling, dat ik regt te spreken +ben, met uwe liefde voor het kind. Dat gy haar daar van nog geen kik +gezegt hebt, smaakt my bestig. Hoor, gy zyt een hupsch jongman, en ik +hoop, dat onze lieve Heer haar maar genoeg wysheid zal verlenen, om +u haar hart, zo wel als haar mooi zagt regtehandje te geven: mits +echter, dat myn Heer uw Vader haar die eer aandoet, waar op ydere +brave jonge Juffrouw, in zo een geval, recht heeft. + +Indien men ons, om dat wy misselyke Potentaten zyn, alles moet laaten +doen dat men wil, wel, dan zyn de redelyke menschen waaragtig te +beklagen. Hoor, myn Heer Edeling, ik zou geen Kind veröngelyken, en +myn Paard, zo min als Snap, myn Patryshond, (die al weer met my naar +Vrankryk gesjouwt is,) hadden nog ooit reden, om my voor een bullebak +van een meester te houden. Daar is nu Jan, die reeds al zes en twintig +jaar by my diende; maar ik heb nog nooit gemerkt, dat de kerel een +beter heer verlangde; want ik zeg altyd: "Abraham Blankaart! maak +toch, myn Vriend, dat je geen mensch of beest zo behandelt, als jy +niet zoudt willen behandelt worden, dan zal je wel doen, en dat is +hier de zaak." Doch myn Heer, uw Vader, voor wien ik zeer veel achting +heb, moet niet denken, dat myne Pupil ooit in zyne Familie zal komen, +indien hy my, als haren Voogd, dit niet met bescheidenheid en yver +verzoekt, 't Zou my om u schrikkelyk moeijen; maar ik heb ook op +sommige punten myne wonderlykheden; en, schoon ik niet aan de Jicht, +of het Podagra zucht, kan ik om de hagel niet veelen, dat men zich +airs zoude geven, omtrent zulk een braaf fatsoenlyk meisje. Myne +gehechtheid aan de Leerstukken der Publique Kerk is, ja al zo sterk +als de zyne aan het Luthersche geloof zyn kan, en daar hoop ik by te +leven en te sterven: amen! Maar watte malle dingen zyn dat! "dat ik +besluit om myn kind nooit buiten myne Kerk te zullen uittrouwen?" Wel, +'t is goed, dat onze lieve Heer wyzer is dan wy allemaal; 't zou hier +anders een bedroefde Winkel worden, dat zou het. Laat elk gelooven dat +hy wil, dat hy kan, en laten wy allemaal deugdzaam leven; dat zal wat +beter voor ons uitkomen, dan dit en dats hargueeren, en kieskaauwen, +over dingen, daar de wyste lui zo weinig van begrypen als ik, of een +ander eenvoudig Christenmensch. Hoor, myn Heer Edeling, ik kan zo +Satans nydig worden, als ik daar in plaats van eene stichtelyke +opwekkende Predikatie te horen;--want ik ben een stipte Kerkganger, +moet gy weten; ik ga, als ik t'huis ben, alle Zondag in de ouwe +Kerk,--niets voor myn neus kryg, dan wat scholastiek[2] Vulnis, dat, +mag ik zeggen, diept noch droogt. 't Is goed, dat zulks maar zelden +gebeurt, of Abraham Blankaart zou zo stipt niet ter Kerke gaan. Nu, +myn Heer, gy moet weten, hoe gy met uw Vader dat Boeltje reddert. Doch +hy moet niet vergen, dat myn Saartje van haar Gereformeerde Kerk +afwykt. Hoor, ik moet daar niet over gemoeit worden. 't Is onredelyk; +en is de man driftig, ik ben ook juist de grootste jaabroêr niet. Hy +moest ook niet leggen te choqueeren op myn Kerk, of hy zou zyn man aan +my vinden. Ik versta my wel niet op alle de fynheden der redeneerkunst; +maar ik denk, dat ik echter met hem geen gevaar loop om uit het veld +geslagen te worden: wy kunnen malkander op de Beurs ook wel zo eens een +aartigheidje zeggen. + +In hoop dat ik zal voldaan hebben aan uwe verwagting, hebbe ik de eer +my te noemen, + + MYN HEER! + Uw dienstwillige Dienaar en Vriend, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Vitter en bediller. +[2] Spitsvondig. + + + + +TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Willem: Sara is geen vrouw +voor hem. Een huwelijk kan even ongelukkig zijn door te veel +overeenkomst tusschen man en vrouw als door te weinig. Smit gaat +trouwen met Anna. Willem moet zich maar goedhouden en volharden in +braafheid. + + +DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna. Ze is boos. Anna beknort haar +over haar oprechtheid. Anna mag wel _genever proeven_ en zij geen gaas +koopen? Mooie grap! Anna is zoo op zich zelf verliefd, dat ze geen oog +heeft voor andersdenkenden. _En ze duldt geen aanmerkingen op Spilgoed_. +Anna draait! Jacob Brunier mag zijn wie hij wil, maar _slecht_ is hij +niet. Bemoei je met je zelf. Groet Moeder, 't beste voor Willem. Vaarwel. + + + + +VIER EN ZESTIGSTE BRIEF. + +DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Juffrouw Saartje!_ + +Nou komt myn dat beetje schryven wel te pas, dat je men nog hebt +ingestampt. Ik moet aan u schryven. Ik heb rust noch duur; van nagt +droomde ik, dat ik u op men schoot had, met je neteldoekse jurk, die +ik zelf in het Blaauwe Hoofd nog kogt, an; en dat ik met je zong dat +mooi Liedje: "Een kindje in 't water een kindje in 't water." Ja, dat +was een huur[1]! Dat was eerst een Heer en Juffrouw! Ja, Juffrouw, ik +zou nooit myn Belydenis geleert hebben, had ik niet in joului huis +gedient. Ik woon nou ook wel by brave mensen, maar het is altoos drok; +wy zyn met ons zeven Booijen, en ik heb dikwyls geen tyd om 't _Vader +Ons_ te bidden; en ik mag dat evel zo niet rabbelen; want Kaatje, onze +Kindermeid, zeit, dat het van onzen lieven Heer zelf gemaakt is. +Laatst nam ik het mee in de Kerk, en las het driemaal heel aandagtig, +om dat ik den Dominé niet zien, noch horen kon, zo vol was de Kerk, en +dat is tog mooi; en nu sla ik een reisje over, om aan u te kunnen +schryven; want wie weet, of deuze Brief in veertien dagen nog vol is. +Ik wil maar zeggen, Juffrouw, dat ik gehoort heb, dat de Juffrouw gaat +trouwen, met een Heer die een Franschen naam het, die ik niet +onthouwen kan; 't is een Broêr, zeggen zy, van een Juffrouw, die met u +in 't zelfde huis woont. Hy het een amt op 't Staten of Prinsen hof, +zie dat is al het zelfde; nou, Juffrouw zal hem wel kennen. Ik sloeg +een gat in de lucht; 't was of ik het te Keulen hoorde donderen, daar +onze Koetsier van daan is. Maar die Heer zal wel braaf zyn; anders zou +Juffrouw hem niet nemen, wil ik spreken; maar de mensen praten zo +raar; en Bregt heeft my zo veel vertelt; maar nou ze eens zo vreeslyk +van je gelogen het, geloof ik haar niet meer. Nou, God vergeef het +haar, maar ouwe Bregt zal haar loontje wel krygen, gelyk ik hoop! En +nouw was myn verzoek, of Juffrouw my weer wou inhuren; en dat Juffrouw +met men Heer Willem hadt getrouwt, dat is een Heer! en zo gemeenzaam; +wel zie, ik heb buiten u niemand zo lief, als men Heer. Toen ik daar +zo by myn Heer zat thee te drinken, dagt ik nog om je Grootvader, +Pieter Burgerhart. Die is nog by gelyks men Doop-peet: want ik hiette +maar Pieternelletje Pauwls, en ik had zo een dinsigheid[2], om ook een +_van_ te hebben; en toe zei je Grootvader; kom meid, we zullen je +_Pieternelletje Deegelyk_ noemen: 't heugt my nog klaar; ik lei het +Pampier in de eetenskast in men keuken, en Grootvader deedt zyn +schoenen nog aan, en hy lachte dat hy schudde; om dat ik zo bly was +met men _van_. Ik had het zo kostelyk by je Ouwers: en ik heb het nu +ook goed; en als ik oud word, dan denk ik, onze lieve Heer zal ouwe +Pieternel niet verlaten: daar vertrouw ik op. Zo dat ik maar wou +zeggen, dat ik altoos dagt, dat men Heer Willem je was opgeleit. Hoor, +het is my hier te drok, en daar zyn meer huizen dan kerken. Ik wou een +stil dienstje by twee eenige luidjes, daar ik men werkje zo zelf kon +betreuzelen; en wy kennen mekaer, want Juffrouw het wel duizendmaal op +men schoot gezeten, en dan kon ik ook nog eens horen van dien goejen +Heer Blankaart, die ik in velden noch op wegen ontmoet; nou ik kom +haast nooit uit. Ja, Juffrouw, zo jy en men Heer Blankaart niet in den +hemel kommen, dan versta ik my dat werk niet. Wat was hy altyd +grappig, en wat het hy my dikwyls een gulden gegeven; en ik wou +Juffrouw graag wat in haar huishouwing kopen, al was het maar een +Glazen-kasje, of een Turfbakje; maar voorlede week kwam je Tante +Hofland my tegen. Wel nou Pietje, zei zy, weetje nou wel, dat jou +Juffrouw nou in zo een slegt huis woont, en zoo waerelds gekleet gaat? +Ja Juffrouw, zei ik, die Weduw is een heel braaf mensch, dat weet ik +heel wel, en Juffrouw Saartje gaat gekleet, zo als alle ryke jonge +Juffrouwen; en, zei ik, onze lieve Heer ziet op het hart, niet op de +kleren, zei ik; nou zei zy, "Kind, je hebt geen Licht[3]". Nou +Juffrouw, als je trouwt, wat zul je dan kerjeust[4] wezen! en dat's +evel geen zonde; want je Moeder, die zo vroom was, als er een mensch +over een paar benen gaan kon, en ouwe Hille, onze Schoonmaakster, wel +zo veel goeds gedaan het, die oud en katyvig[5] wierdt; sting styf van +'t stof, toen zy trouwde; ik wou, Juffrouw Saartje, dat je dat eens +gezien hadt. Laat my tog eens weten, of je haast Bruidstranen zal +drinken. Alle menschen zeggen, dat je op je trouwen staat. Ik ben al +tweemaal aan uw huis geweest; doch Juffrouw was uit, en ik kom weinig +uit, en 't is by ons vreeslyk drok. 't Is nu net drie weken, dat ik +aan deuzen schryf; neem men stoutigheid ten besten. Was ik maar weêr +zo in men eigen gedoentetje by Juffrouw, wat zou ik bly zyn! Ja, ik +wensch nog uit Juffrouws huis gedragen te worden; wist ik dat, ik zou +zo in myn knopjes zyn, want dat was een grote gerustheid. + +Nagt lieve Juffrouw Saartje, van je ouwe Pieternel, zo pleeg je te +zeggen. + + PIETERNELLETJE DEEGELYK. + + +Noten: + +[1] Goeie dienst! +[2] Zin in. +[3] Geestelijk inzicht. +[4] Trotsch. +[5] Hier: gebrekkig. + + + + +VYF EN ZESTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK. + + +_Myne goeje beste Pieternel!_ + +Ik heb uw Brief gelezen: wel heden, ik wist niet, dat je zoo veel by +mekaêr kon stichten. Ik ben met uw Brief magtig in myn schik. Als het +eens jou uitgaans dag is, zendt my dan een kruijer[1], dan zal ik +t'huis blyven, als ik uit de Kerk kom, en wy willen weêr eens heel +veel praten; je weet, Nelle, daar hou ik wel van. Meid, wat hou ik van +je, om dat je my zo wel opgepast hebt, en zo dankbaar aan myn lieven +Vader en Moeder zyt. De Heer Blankaart is naar Frankryk; zo dat gy hem +niet ligtelyk zult tegenkomen. Ja, dat is een man, niet waar? Och, ik +heb hem zo lief! maar ik ga niet trouwen, daar is geen woord waar aan. +Wees jy gerust: al wierd jy tagtig jaar, dan zal je toch by my wonen, +als ik getrouwt, of op my zelf ben. Sterf des, als je tog sterven +moet, maar gerust voort, 't zal zo zyn. Zeker, Pieternel, als gy oud +en zwak wordt, zal ik voor u zorgen, en je zult dan zien, dat het heel +goed is, op onzen lieven Heer te vertrouwen. En zei Tante "dat je geen +licht hadt?" Heden meid, gy moest eens aan Tante gevraagt hebben, of +'t waar is, dat zy zal trouwen, en met welk een Heer; maar daar hebje +niet omgedagt. Ik zal heel graag, als ik trouw, wat in myn Huishouden +van u hebben! Maar 't hoeft juist zo veel niet te zyn, als je +voornemen was. In dit papiertje liggen twee ducaten[2], die doe ik u +present, om dat gy zo een beste meid zyt, en myn Ouwers zoo lief hebt. +Spreekt er maar niet van tegen my; koop er wat voor: zulje, Pieternel? +De Juffrouw, daar ik by in huis woon, is net zo een brave vrouw als +myne Moeder was, dan kun je eens denken. Nu ik ga niet trouwen, hoor. +Gy weet wel, wie u deezen schryft. + + S. B. + +PS. Dat joului Koetsier van Keulen is, kan ik wel denken. Nagt, +goeje meid. + + +Noten: + +[1] Met een boodschap. +[2] Plm. 6 gulden. + + + + +ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Blankaart: ze leest in den bijbel, +gaat naar de komedie en naar concerten, onderhoudt Fransch en Engelsch. +Edeling bezoekt haar dikwijls; ze heeft ook Pieternel gesproken. + + + + +ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Myn beste Meisje!_ + +Uw Brief is my zo welkom, dat ik hem ten eersten ga beantwoorden. Dank +God, myn kind, dat gy by zo eene verstandige en godvrezende vrouw +gekomen zyt: Het hadt ook heel scheef kunnen uitkomen; als gy nu eens +by slegt volk belant waart, en gy hadt eens meê moeten doen: Gy weet, +die met pek omgaat, wordt er door besmet. Ja, dat zou droevig voor u +geweest zyn, zo deeze vrouw gestorven hadt, dat begrypt gy wel. Dat +gy uw pligt omtrent haar deedt, doet my zó goed, en geeft my zó veel +vreugd, dat ik u een wisseltje zend, van honderd ducaten, van my, tot +een teken hoe content ik daar over ben. Koop er wat moois voor, en +draag het my tot gedagtenis; en doe altoôs uw pligt, zult gy? Gy moogt +héél wel met ordentelyke lieden uitgaan, als het maar niet te drok +loopt: nu, gy zyt in goede handen; daar vertrouw ik op: Want gy zyt +jong, kind; en ik weet, hoe de jonge lieden toch zyn. + +De Heer Hendrik Edeling is my zeer wel bekent: 't is een allerbest +jong Heer, en een knap kaerel ook. Ik heb somtyds, weet gy, rare +invallen; en ik mag de jonge meisjes gaarn wat kwellen: wat zegt gy, +Saar, als die Heer eens zin aan u hadt, zoudt gy daar wel veel tegen +hebben? Nu, zin of niet, als gy myn eigen Dochter waart, en die Heer +dan zin in u hadt, en my dat zeide, ik zou u aan hem geven, ten +minsten zo gy er niet tegen waart. Zie, kind, ik hoop u nog gelukkig +getrouwt te zien. Doch meisje, meisje, pas op! Gy zult een hele rist +vryers krygen; zy zullen om u dwarlen, als muggen om de kaars. Gy zyt +nu in de vrytyd; is 't zo niet? Ik eisch niet van u, dat gy my kennis +zult geven van alle beuzelpraat, die zy u komen aan 't oor piepen; +maar ik verwagt van u, indien gy aangezogt wordt door iemand, die gy +genoeg in aanmerking neemt, om hem nader te willen leren kennen, dat +gy my dit zult melden. + +Begryp, myn kind, dat van uwe keuze uw gelukkig of ongelukkig leven +zal afhangen; en dat ik, immers zo lang als gy myne Pupil zyt, u zal +beletten uwe keuze te volgen, "indien brave en verstandige lieden, die +u liefhebben, my zeggen, dat gy eene dwaze keuze doet." Ik zie niet op +geld: zo gy maar een fatzoenlyk man, die u verdient, neemt. Maar ik +denk niet, dat zo een braaf meisje zich zal vergooijen aan een jongen, +die al zyn verdiensten aan zyn Snyer en Kapper verpligt is; die, als +een regt vrouwenaapje, daar zo heen kwispelt, en twee orloges draagt, +daar ik zo satans nydig over kan worden, dat ik hen wel eens een losse +maling wou geven. + +Ik heb wel gehoort, dat vele Dames, by de Twaalf geloofsartikelen; +--die gy immers wel pront kent, hoop ik?--dit tot het dertiende maken: +"Ik geloof dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." Geloof het +niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip waar aan, geen kriezel. + +Hoe zou het my bedroeven, als ik merkte, dat gy deeze kettery toestemde! +Gy meisjes praat, (de wyste niet te na gesproken,) somwyl, als of gy in +uw harsens gepikt waart. Wat weet gy toch van lichtmissen? Een losse +malle jongen, die zyn goed verbruit, en om peper moet[1], om dat hy zyn +koorntje groen at, is geen lichtmis; hy is een gek, die men te Delft +moest gaan opsluiten. + +Een Lichtmis is een gerafineerde Deugeniet, die zyn roem en vermaak +stelt in eerlyke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven; die Gods +geboden veracht; de wetten der vriendschap schendt; met zyne eeden +speelt; met één woord, een allerverfoeilykst man, die te gevaarlyker +is, naar mate hy een minlyk figuur, en een aartig vernuft heeft; die +de welvoeglykheid zo lang in acht neemt, tot hy de onnoosle in slaap +heeft gewiegt, en die in staat is om schatten aan zyne huurlingen +uittedeelen. Gelooft gy, myn kind, dat zo een schepsel ooit de beste +Echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overyling en in gestorm der +driften begaan, maken geen Deugeniet uit, indien hy die fouten, zo +rasch hy die ziet, verfoeit en schuwt; maar een Lichtmis is zo +bedorven van smaak; zyne neigingen zyn tot heblykheden dermate +opgegroeit, dat hy nimmer een beter vrouw verdient, dan de +allerslegste uit die bende, die hy bedorven heeft. + +Een braaf, verstandig, kundig, goedaartig man, is de beste Echtgenoot. +Een man van dit karakter verdient al de liefde, al de achting van eene +vrouw, die hy zo gelukkig poogt te maken als zy ooit op deeze waereld +zyn kan. + +Ik zal hier niet meer over schryven; zo als ik zeg, gy hebt de beste +Raadsvrouw by u. Gy kunt Juffrouw Willis ook altoos om raad en +onderrigtingen vragen. Maar ik hou zo veel van u, dat ik u dit toch zo +eens schryven moest. Groet, uit mynen naam, de brave vrouw, aan wie gy +zo gehecht zyt; verzeker haar van myne byzonderste achting. Groet ook +myn Vriend Edeling. En als gy Pieternel spreekt, insgelyks: Wel, ouwe +Pieternel, denkt die nog aan my? Nu, als ik sterf, krygt zy een +Legaatje. Zeg het haar niet; zy zou huilen van blydschap, en van +droefheid ook. De oude Peterzen zal u, op uw order, het Geld bezorgen. +Die ouwe stam heeft ook wat aan my verdient, zo eerlyk en zo hupsch is +de man. + +Nagt, myn lieve kind. + + Uw liefhebbende Voogd, + + ABRAHAM BLANKAART. + +PS. Laat uw Clavier, en alles wat tot uw lyf behoort, op myn order, +van uwe Tante halen. + + +Noot: + +[1] Naar Indië. + + + + +ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog, de blauwkous, schrijft aan +Wilhelmina van Kwastama, dat zij vermoedt: Edeling _komt om háár_! Dat +het om Saartje zijn zou, komt niet in haar op. Ze noemt haar wel: Saar +_heeft Hollandsch gezongen_; Cornelia leest nooit Hollandsch. Foei! + + +NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Charlotte Rien du Tout schrijft aan Dirk +Welgezint, haar oom: ze wil verhuizen, want het tòcht zoo bij de Wed. +Sp. Vraagt ook wat zakgeld. + + +ZEVENTIGSTE BRIEF.--Oom Welgezint geeft haar den wind van voren. Ze is +precies zoo'n uil als haar vader: Fransche wind! Hij haalt haar door +en noemt haar lui. + + + + +EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Juffrouw!_ + +Ik heb onlangs eene Vriendin verloren; ze hiet, by gelyk, (zeit onze +Pieternel,) Anna Willis; kent gy haar? Ik vrees neen. Nu, dat zy zo, +weet gy ook, waar ik haar weêr kan vinden? Ei lieve, wys my den weg, +want ik verlang de kennis te hernieuwen; 't was toch, waarde Juffrouw, +een in velen opzichte braaf mensch: wy hebben een klein verschilletje +gehad, en, zo al pratent en weêr pratent, heb ik haar onder weg +verloren. Ik wil zeggen, dat ik niet twyffel, of ik zal haar wel weêr +vinden. Het Orloge onzer vriendschap staat maar wat stil, doch de eene +of andere heusche vriend zal het wel weêr opwinden, en dan zal het +weêr zo fix wyzen, en zo krek lopen als immer. Ik schryf u des maar in +voorraad. Ik zou zelf besluiten kunnen om u deezen te zenden, zo gy my +alleen beledigt hadt. Maar, dewyl de waarde vrouw, die men niet kan +kennen zonder haar hoog te achten, door u zo verkeert behandelt is, en +gy daar voor geen vergoeding aan my doet, zal ik alles opzamelen wat +ik schryf, even of ik u per post schreef. Zo dra gy my zegt: "Ik heb +Juffrouw Buigzaam beledigt; 't is my leed; ik heb slegt gedaan:" is al +myn geschryf, nevens myn vriendschap, weêr tot uwen dienst. + +Dewyl ik aan myne eenvoudige oprechtheid wil vast houden, zal ik u +weêr alles wat er omgaat schryven; en daar uit zult gy kunnen zien, +dat ik zeer gaarn met uwe meerderheid van verstand myn voordeel doen +wil, indien gy u in den styl uwer lieve Moeder, en met wat minder +airs, my die gunst aanbieden wilt. + +Volgens afspraak gingen Letje en ik, op den bepaalden dag, de taffen +zien. De drie Desmoiselles dronken thee, en wy gevolglyk ook. Onder +het thee-drinken kwamen er twee Heren in, om zyden kousen en een +hairzak. Alle welgekleedde mannen spreken één taal, als zy de _eer +hebben_ tegen jonge Dames te spreken: zo als gy weet, Naatje. + +Zy zogten koussen uit, en wy taffen stalen. Gy begrypt wél, dat zy +onzen smaak _admireerden_? Nu dan, zy gingen beide zitten. De oudste +Juffrouw vroeg naar de _Historie der Beide Indiën door Raynal_; (in +'t Fransch begrypt gy,) de Heer R. noemde het _un Chef d'Oeuvre_. Zy +spraken vervolgens over eenige _Pieces volantes _, die daaglyks +uitkomen: en zyn vriend gaf haar _le Bibliotheque des Arts_ over; naar +gewoonte, zeide hy. De heer R. sprak, dagt my, zeer wel, ofschoon hy +véél sprak; en dan is dit al een heel kunstje; niet waar? Hy sprak met +_extase_ van de dichters Pope, Thomson en Akenside; en met geene +onbevallige houding zeide hy: _Oui, ma chere Marianne_: + + _Virtue alone is Happines below_. + +Ons discours duurde wel een uur, denk ik; want ik had ook nu en dan +een woordje ingebragt, dat met attentie gehoort, en met lof +toegejuicht wierdt; zoo als dat van zelf spreekt, Naatje. De +Desmoiselles zeiden my: "Dat deeze Heren zeer ryke, zeer fatsoenlyke +lieden waren, en dat de Heer R. geparenteert was aan onze eerste +familiën. Hy hadt _une superbe Bibliotheque_, en zou ons graag dezelve +heel en al ten gebruike geven; ook dat hy aan eene der Juffrouwen +gevraagt hadt, waar ik woonde; en gezegt, dat hy de vryheid zoude +nemen, om de _Essay on men_[1], in vierderleie talen by een gedrukt, +te brengen, wyl hy gemerkt hadt, dat ik die wel eens zoude willen +zien." + +t'Huis komende, verhaalde ik ons avontuurtje aan Juffrouw Buigzaam, en +liet haar de stalen zien, die ik by my had. Juffrouw Hartog zette een +vieze tronie, en vondt de taffen zeer _commun_. "Zo, zei ik, en de +Heer R. heeft die zeer fraai gevonden." "Kent gy den Heer R., Juffrouw +Burgerhart?" "Zo als gy hoort, Juffrouw Hartog." Zy wierdt vriendelyker. +"Kent gy dien Heer? vroeg de Weduwe. "Ja, Mejuffrouw, by reputatie. +"Hy is een man van geboorte, _un homme du Ton peutêtre; mais un homme +d'Esprit_. + +Rien du Tout was uit; Hartog ging uit, en wy hadden het huis vry. Nu, +zeide ik, zullen wy eens een recht lief stil stichtelyk avondje +hebben; en dribbelde, met een half menuët pasje, de tafel om. Wy +verzogten de waarde vrouw, om voor ons wat te lezen, en kregen ons +naaijen. ô Naatje, nooit heb ik zulk lezen gehoort, en zulk een lieve +stem is er niet! zy voldeedt aan ons verzoek, en las een Boekje: "de +vrolykheid van een Godsdienstig leven;" dat gy zeker kent? De avond +vloog om. Hoe gelukkig waren wy! Halfnegen kwam onze Lotje thuis, ging +zich deshabillieeren, en in de kamer gezeten zynde, vermaakte zy zich +met Jillis, onze kat. De tafel hadt reeds drie kwartier gedekt +gestaan, toen de Sçavante binnen tradt; zy haastte zich, was minzaam, +spraakzaam zelf. Wy zagen wel, dat zy wat verlegen was; zy wist wel, +dat zy nog wat te goed hadt; maar ik beschuldig nooit iemand die zich +zelf beschuldigt; en de lieve goedaartige vrouw maakte geene remarques. + +Toen wy reeds yder in ons pavillioentje lagen, hadden Letje en ik het +nog zeer druk over het geen er gelezen was: ik zie duidelyk, dat Letje +verstand en smaak heeft; maar 't is een verwaarloost verstand, en een +nog ongeoeffende smaak: zo vergenoegt als Engelen sliepen wy in. + +Morgen zal ik deezen vervolgen, zo er iets, my betreffende, voorvalt. +Gy weet, ik leg alles by elkander, tot dat ik mijne Vriendin Willis +vinde. + + * * * * * + +Dees dag is stil en eenzelvig voor uwe Pupil afgelopen; en ik ben maar +wat aan 't haspelen geweest, om dat Letje in 't naauw was. 't Geval is +zeer verre uitziende:--zy heeft, deezen middag, het Bierglas van +Juffrouw Hartog gebroken. Hare _veel Waereld_[2] bewaarde Letje niet +voor haar misnoegen; en, dat nog erger is! ons niet voor het aanhoren +eener (geloof ik althans,) geleerde Oratie over de fraaiheid en +byzonderheid van dit glas: "'t welk zy van Lord Muffle, toen die hier +in 't land was, gekregen had; 't was naar de regels der Geometrie +gemaakt, enz. enz., en zy hadt liever, dat Juffrouw Letje haar +grootsten Spiegel gebroken hadt, dan dat Glas." "En ik niet, zeide +Lotje, want dat beduidt een dooije." Dit deedt my lachen. Letje +verzogt excuus; Juffrouw Buigzaam gaf aan Frits last, om even zo een +Bierglas te kopen; en Juffrouw Hartog hieldt hare opgelapte +meerderheid. + + * * * * * + +Al Weêr een dagje! wel Naatje, en nog al geen Brief van u. 't Zal by +my altemaal verwilderen, 't Hek is van den dam; de Schapen lopen in 't +koorn. Wat nieuws. De Heer R. heeft hier aan huis geweest, en bragt my +het Boek, waarvan ik u gemelt hebbe. Hy zat een uur by ons. Hy sprak +meest met de waarde Vrouw. Waarlyk, 't is een schoon welgemaakt man. +Ik geloof, dat hy veel geest heeft. Het gesprek ging over de _Algemene +Liefdadigheid_, by gelegenheid dat men eenen drenkeling voorby bragt, +die gelukkig geret was. Hy merkte aan: "dat, ofschoon onze deugd niets +kan verdienen, zy echter altoos iets voortreflyks blyft; en dat hy het +met de oude Romeinen hier in eens was: _het is veel schoner één Burger +te behouden, dan honderd Vyanden te doden_." + +Juffrouw Buigzaam was wel voldaan over zyne redenen. Ik plaag Letje +gruwlyk met hem, want hy schynt voor haar zéér véél attentie te +hebben; schoon hy my zyne Bibliotheek heeft aangeboden, nevens eene +keurlyk geschreven Catalogus, om te zien, wat my zoude aanstaan. Nu, +dat vind ik wél héél lief, en zal er ook myn gebruik van maken: "Zo +dra ik meer lichts omtrent dit Luchtverschynzel, 't welk nu aan onzen +Huisselyken horisont opdaagt, hebbe, zal ik u daar meer van zeggen." +Zie daar, zo zoude Juffrouw Hartog spreken. + + * * * * * + +Nog geen Brief van Rotterdam! Geduld--Maar ik moet evenwel nu zeggen, +dat gy uwe Voogdyschap slorzig laat leggen. En ik, arme ziel! kryg +onderwyl vryers als zand. 't Is of heel Amsterdam weet, dat gy my +mondig verklaart hebt. Hebt gy dan met myne Tante overleit, om my, zo +maar kort en goed, aan den Satan overtegeven? Niet dat die hier ook al +geweest is; was dit zo, Rien du Tout zou my dat wel gezegt hebben; zy +is, zegt zy, "met een Helm geboren, en kan kwaad "zien". Nu, dat +kunnen er wel meer, en ook al daar het niet is; ook Naatje? Foei, dat +gy my zo in den pekel laat zitten! Daar heb je dan voor eerst myn +kostelyke vriend Cobus; ja, die eerst komt die eerst maalt: daar heb +je dan myn allerliefste Willem, uw Broeder; daar heb je dan de Heer +R., die my een Boek brengt; ende ten vierden, daar heb je dan de zeer +ernstige, zeer stemmige, zeer verstandige Heer Edeling. Ik heb wel +geen haast om te trouwen; doch als ik nu maar wist, welk man ik moest +kiezen, als my die haast eens overviel: dat is het maar. + + * * * * * + +Nog geen _Peccavi_![3] en de dag is om. Lees ten slotte dit volgende. +Letje kwam by my. De arme Lot, zei ze, is bedroeft; en ik geloof ook, +ergens om verlegen. + +_Ik_. Dat spyt my, waar is zy? Laten wy zien, wat er scheelt. Wat +scheelt u, Juffrouw Lotje? + +_Zy_. Wel dat geloof ik ook; myn Oom Dirk is zo boos op my, om dat ik +hem iets verzogt heb; en, dat nu nog erger is, ik moet myn Kapper +betalen, en ik heb geen gulden aan geld. [_Zy schreidde als een +meisje_.] + +_Ik_. Is 't anders niet? kan ik u helpen met twee ducaten, ze zyn wel +zeer tot je dienst; kom, wees maar vrolyk: uw Oom zal 't zo niet +gemeent hebben. [_Ik gaf haar de ducaten: maar zo dankbaar als dat +mensch was_!] + +_Zy_. Ik beloof u, uw geld in de volgende week vast te betalen. + +_Ik_. Nu ja, dat's wel. + +De sloof zat te breijen zonder opkyken, aan een witte garen +kinderkousje: "dat's een veeg teken," zei Letje, tegen my. Arme meid! +'t Is waaragtig een groot kind. Ik hoop, dat ik haar toch nog zal +leren spelden[4], en wat schryven, want het eerste is elendig, immers +als zy een opschrift leest, en haar Waschbrief is een Lyst van +Toverkarakters. + + S B. + + +Noten: + +[1] Pope 1688—1744. +[2] Kennis van de "Groote Wereld". +[3] Schuldbekenning--van Anne n.l. +[4] Spellen. + + + + +TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verhaalt Anna van een bezoek van +Edeling, die in gesprek is geraakt met Corn. Hartog over: _De +Genoegzaamheid der Deugd_; de opinies loopen uiteen en Sara +critiseert; zij is 't eens met Edeling. + + +DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verzoekt tante Hofland haar mee te +deelen, wanneer ze haar _klavier, guitaar_ en _muziek_ kan laten halen. + + + + +VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Ge-eerde Heer en Voogd!_ + +Al leefde ik honderd jaar, en al deed ik niets in al dien tyd, dan u +myne erkentenis te bewyzen; dan nog zou ik geen tyds genoeg hebben, om +u zo veel daar van te tonen, als myn hart en myn pligt van my vorderen. +Uw edelmoedig geschenk streelt my te meer, om dat my dit verzekert van +de vriendelyke goedkeuring myns gedrags. Ik hoop er zo een gebruik van +te maken, dat ik u ook daar van, zo wel als van de duizend guldens, +behoorlyk rekening zal kunnen doen. + +Ik heb Tante een Briefje gezonden, waar van de Copy hier nevens gaat, +en zy heeft my laten zeggen: "dat zy order van u zelf moet hebben; +doch dat zy nog zo iets met u te verrekenen heeft." Ik had echter zo +heel graag myne Muziek, myn Clavier en Guitar. + +En nu zal ik eens eene nieuwe pen snyden; ik heb er my reeds in myn +deshabillié toe gezet, om uwen dierbaren Brief ordentelyk te +beantwoorden. Kan ook een verstandig tederlievent Vader wel meer +belang nemen in zyn gehoorzaam Kind, dan gy, myn Heer, in my neemt! +maar geen Kind zal ook my in dankbaarheid en leerzaamheid, hoop ik, +overtreffen. + +De Heer Edeling is een uitmuntent Jongman! Nooit verlaat hy ons, of wy +achten hem nog meer, dan de laatste keer dat wy hem zagen. De lieve +Vrouw spreekt van hem, zo als zy zelden spreekt. Maar, myn lieve Heer +Blankaart, zou zo een man, en die zo veel goederen bezit, immer aan my +denken! Neen, zo verwaant ben ik niet. Zo een man moet een Vrouw +hebben, die hem nader komt: nu, dat is zyn zaak. Ik heb geen den +minsten trek om van staat te veranderen. Ik heb nog nooit een man +gezien dan die ik, op zyn allermeest, alleen my ten vriend wenschte. +Wil ik u eens wat zeggen? Daar is de jonge Heer Willis; die heeft my +gezegt, dat hy my bemint. ô 't Is zulk een braaf, eerlyk, bevallig +Jongman! ik heb hem ook zó lief, als of hy myn eigen Broêr waar; doch +heb hem voor zyne liefde bedankt. ô! ô! Hy zal wel eene brave vrouw +krygen; want het is een recht lieve goedaartige Jongen: waarom zou ik +hem ophouden, daar ik toch geen zin in hem heb, en niet wil trouwen? + +De Heer R., een zeer fatsoenlyk ryk Heer, van ruim dertig jaar, denk +ik, heeft kennis met my gemaakt, en zyne heerlyke Bibliotheek my ten +gebruike aangeboden, 't Is toch goed, dat alle Heeren geen laffe +Jonkertjes zyn; "maar 't is heel iets zeldzaams, zeit de Weduwe, veel +oordeel en belezenheid by veel beschaaftheid en waereldkennis te +vinden." Zo dat wy mogen van geluk spreken. + +Ik verzeker u, myn waarde Heer, dat ik nooit tegen uwen altoos +redelyken wil trouwen zal; en dat ik, omtrent het XIIIde Geloofsartikel +van vele Dames, eene Ongelovige ben. Niets dunkt my, (en zo dunkt ook +de brave Vrouw,) geeft uw Sexe zo veel stof in de hand, om de onze met +bespotting te beschouwen, dan het beleven deezes XIIIden Artikels. Een +gek kan ik dulden, een Pedant verdragen, een Petitmaitre lyden; maar, +op een Lichtmis zie ik met schrik en versmading! Hy is de Natuurlyke +Vyand myner Sexe: Niet meer van zo een lelyk afbeeldzel des Duivels. +Wie is boven alle zwakheden? Ik ben 't niet! Maar dat ik my ooit zoude +straffen, met een Lichtmis voor myn man te nemen; verächt my, zo ik er +toe in staat ben! + +Neen, myn Heer! ik zal uw vroom gemoed nooit bedroeven! Kan ik +ondankbaar zyn? Om u, wat er ooit gebeure, te kunnen bedriegen, zoude +ik zelf eerst moeten bedrogen worden; en wie zou toch, in de wyde +waereld, dáár belang in stellen! Ik sta niemand in 't licht; ik kwel +niemand; ik wil zo graag allen zo wel doen, als in myn vermogen is. +Ik begeer niets dan uwe Vaderlyke gunst te behouden, by deze dierbare +Vrouw myn dagen te slyten, en zo al de eene zotheid voor, en de andere +malligheid na wat af te wennen. De waarde Dame groet u met de hoogste +achting, en ik ben + + Uwe liefhebbende Pupil, + + SARA BURGERHART. + +PS. Ik hoor, dat Tante zal trouwen met een Heer die er veel in zyn Japon +komt; die Heer ken ik; ô my! ô my! 't Is toch grappig ook. + + + + +VIJF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt Cornelis wat hij +zooal gedaan heeft; Sara is een engel! Hij zendt hem Blankaarts +antwoord. Maar vader Edeling blijft koppig--geen "_Noach's ark van +gelooven in zijn huis_! Nooit! + + +ZES EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling schrijft aan Blankaart; van +dat huwelijk kan niets komen. Hendrik is _Luthersch_, zij niet. +Afgeloopen. + + + + +ZEVEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. + + +_Mejuffrouw!_ + +Wel, hoe hebben wy het toch met elkâer? ryd je de witkwast, of maalt +je de geest? Denk jy, dat ik zo maar op een dag heen en weêr zo eens +over kan komen, om u te zeggen, dat gy Juffrouw Saartje haar Linnen en +Muziek zendt? Was het Briefje niet zo beleeft, als er een in heel +Amsterdam te vinden is? Wie hagel hoort er van? 't Is immers het kind +zyn eigen goed. De Guitar heb ik haar zelf uit Londen meêgebragt, toen +zy, tien jaar was; hy kost my verscheide Guinees; maar hy is ook al +wat je horen kunt, zeg ik je. Wat doe je toch met haar Clavier; speelt +Bregt met haar styve dikke stompen er somtyds eens een deuntje op, als +zy dronken is; en dans jy dan met Broêr smulpaap, als er zo een klein +verheugingje is? Wat praat gy toch van nog wat te rekenen of te +verrekenen: zwyg er maar dood stil van, of ik zal u anders spreken. +Weet je wat je krygen zult? Net twee nieten in een bodemloos mantje; +en Bregt om een oortje raakwat, voor een vervalletje: Broêr kan zo +veel knokkel oly krygen als hy t'huis kan brengen: Dan zult gy wel +_voldaan_ willen tekenen? Wat zegt gy nu van Abraham Blankaart? + +Maar wat hoor ik, Zanneke, ga je trouwen met een Heer, die alle daag +in zyn Japon by u komt? Ik kan wel denken, wie of er op u smoel +heeft[1]; wie anders dan de Broeder? Nu geluk, er is maar een paar +bedorven. Evenwel, als ik zo alle ouwe dingen overdenk, dan beklaag ik +u toch. Wy hebben immers menigmaal eens een pretje gehad, en je hoorde +my toen zo graag zingen van: "Toen onze Pau in 't Leger kwam." +Waaragtig, Zanne, de Fynen lopen op uw zak, meid! ze zullen je zo arm +maken als een Mier. De duivelsche gierigheid heeft u gefopt, en de +kweeslary zand in de oogen gestrooit. Neem dan dien Drasboek niet; ik +zal wel een ander opschommelen, als ik in de stad kom. Nu hebt gy +order van my, om Saartjes goed te zenden. Ik blyve + + _UWEd. Dienaar _, + + ABRAHAM BLANKAART, + + + +Noot: + +[1] Zin in je heeft. + + + + +ACHT EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Blankaart: Sara en +Hendrik houden haar beiden op de hoogte. Ze deelt hem nu uitvoerig een +gesprek mee over het _Buitenleven_. Sara vindt zich daar te jong voor, +Hendrik verlangt er naar. Saartje knoopt manchetten voor Blankaart; +deze moet zich van den domme houden! + + + + +NEGEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER JAN EDELING. + + +_Heer en Vriend!_ + +In antwoord op uwen, Amst. den ... passato, dient: Ik ben nu maar, die +ik maar ben, een niets beduident oud Vryer, en dat's het al; doch ik +wil je zweren, dat wy niet meer in Geloof dan in humeur verschillen. +Zie daar, ik heb het altoos zo druk en volhandig gehad, dat het +trouwen er is ingetrokken[1], maar selderdemostert, was ik Vader over +een half douzyn jongens en meisjes, wel dan zou ik myn geluk niet +kunnen overzien, als ik daar zo al die kabouters hoorde snappen, en +rabbelen; of Abraham Blankaart ook meê zou doen! En als zy dan zo +verre heen waren, dat zy op 't geen ik zeide aanmerkingen konden +maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te brengen; +wel, dan zou ik God harlyk danken, om dat ik zulke snelle[2] kinderen +had; zo als billyk is. Begrepen zy in 't vervolg eens iet beter dan +ik; bestig, zou ik zeggen, en doen het zo. + +Daar heb je nu myn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet veel +meer van de Waereld en van de Schrift als ik, en ik ben dertig jaar +ouder. Voor ik naar Vrankryk ging, zei ik: Kind, lees je jou Gebed +'s avonds wel stipt uit Mell? "Myn Heer, zei ze, ik bid uit myn eigen +hart; ik weet immers beter, wat ik nu nodig heb, dan Mell voor vyftig +jaar dat raden kon?" Wat denkt gy, dat ik toen zei? je zult, by dit en +dat, jou Gebed uit Mell lezen, om dat ik het doe? Mis mantje! ik zei, +dat's waar meisje, je heb groot gelyk; en anders zou zy denken, dat ik +haar vyand en niet haar welmenentste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gy +hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op +myn woord, je hebt mis. + +God de Heer geeft ons, zyne kinderen, wel reden van zyne bevelen: "doe +dat, op dat het u welga," staat er dat niet in den Bybel? En zullen wy +nu zo misselyk[3] en zo boos zyn, dat wy onze kinderen, in plaats van +brood, slangen en schorpioenen in den mond proppen? Hadt, by gelykenis, +Luters Vader eens gaan zeggen: "Luter, ik versta niet, dat je Luters +wordt, jy zult Paaps blyven, want wy zyn van 't begin van de waereld af +allemaal Paaps geweest; en zo jy 't in den kop krygt, om van ons oud +geloof aftegaan, zullen wy eens wat anders by de hand vatten." En was +Luters Vader evenwel zo wel de Vader van Luter niet, als Jan Edeling +Vader is van zynen Zoon Hendrik; en waar was dan je hele Geloof gebleven? + +Dat je op je Kerk gestelt bent, eer heeft uw hart; dat's braaf! maar +hier, ik, zei de gek, ben ook op myn Kerk gestelt, en myn hart het ook +eer, zou ik denken. Wel zie, wy verschillen zo weinig in geloofsgronden, +wil ik spreken, dat het niet de pyne waart is, om er zo over aantegaan. +En waarom zouden onze jonge lui niet met malkander te Kerk kunnen gaan? +Hebben wy niet één Heer, één doop? Maar wat hagel hebben wy Leken met +hunne disputen en tandtrekken te doen? Zo dat tegen het Huwelyk heb ik +niet, indien er geen andre dan deeze geloofsverschillen mede gemoeit zyn. +Dat gy van 't Luters geloof zyt, is goed voor u; dat ik op zyn +Gereformeerts geloof, is ook goed voor my. Maar elk zyn vryheid: Gy zyt +immers geen Paus, al ben je Vader? Je kunt immers mis hebben? Of zyt gy +onfeilbaar? Hoe zit het? + +Kom aan, daar heb je nu Paulus, de Apostel Paulus, daar gy zo wel aan +gelooft als ik. Wel, die dagt mede al, dat hy 't byster wel hadt; en +dat onze lieve Heer magtig met zynen yver gedient was, dagt hy het +niet? Hoe! de man zeit het zelf; hoe kun je 't nader hebben? dat hy +daar zo liep razen en tieren door Damascus; en wat wil het geval? +Hy hadt het wel net mis! en de brave man heeft er altoos berouw van +gehad, toen hy beter wist. Ik heb voor dertig jaar myn Belydenis +gedaan, by onzen vromen _van der Vorm_, en ik hoop in dat geloof te +sterven; doch als ik eens mogt zien, dat andere Kristenen nader by +Gods woord blyven, fiat! dan moet ik dit licht volgen, en dat zou ik +ook gerust doen; want ik ben een eerlyk man. + +Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik het Huwlyk om die reden niet kan +afkeuren. Je moest nu evenwel je niet gaan zitten inbeelden, dat ik +met het kind zo goedkoop ben: alheel niet! maar uw Zoon is zulk een +braaf man, daar wil ik maar op komen. Neen, daar heeft zy Goddank te +veel gelds toe, en is zy van te braven familie, en 't is een mooije +Brunet ook, en ze speelt maar capitaal. Sara Burgerhart moet een zo +braaf man hebben als uw Hendrik, en zyne Ouders moeten haar met +achting en liefde in hunne familie nodigen. + +Nu, nu, 't zou geen onaartig klugtje wezen, met een Papa die zei: "zo +zal 't wezen, Dochter, want ik versta het zo." Neen man! myn Pupil is +een redelyk schepzel, en zo wil ik, dat zy zal behandelt worden. Daar +hadt men dan 't gooijen in de glazen met Papa Edeling, en myn arme +kind was aan de Joden overgelevert. Ik bedank je hartelyk, hoor. Zie +daar is myn antwoord. Ik blyve + + + Uw Dienstwillige Dienaar, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Bij ingeschoten. +[2] Vlugge. +[3] Onhebbelijk. + + + + +TACHTIGSTE BRIEF.--Sara blijft aan Anna schrijven, al zwijgt deze. +Sara blijft Sara; Jacob Brunier blijft vrijen zonder hoop; hij is +jaloersch op Edeling. Máár ... Sara _zelf voelt alleen voor zekeren +R_. Met hem gaat ze veel uit: hij is zoo knap, voornaam, ontwikkeld. +Wat zoekt die R? Háár? Maar zij wil nog geen man. Ze wil Anna dwingen +tot antwoorden en toont zich plaagziek grootmoedig. + + +EEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Hij heeft met Sara +gewandeld! Zij heeft hem niet af-, zelfs niet teruggewezen, maar _ook +niet beslist hoop gegeven_. Zij zegt niemand lief te hebben, maar wil +nog niet trouwen! Hij heeft moed. + + +TWEE EN TACHTIGSTE BRIEF.--Zuzanna aan Cornelia Slimpslamp. Zuzanna +zit in de war, want de vrome Stijntje Doorzicht heeft haar de les +gelezen, óók broeder Benjamin gelaakt. Wat moet ze nu? En Sara vraagt +haar goedje. Ach! + + +DRIE EN TACHTIGSTE BRIEF. Sara aan Anna: ze heeft een prettig avondje +gehad. Er is mooi gezongen. Hendrik _was er ook_; hij speelt mooi bas. +Cornelia Hartog _was opgewonden_! Alette Brunier was allerliefst; _net +een vrouw voor_ Willem! En Hendrik?... _net een man voor_ Spilgoed. +Zij is wat ouder, nu ja! + + +VIER EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier logeert op _Bosch en +Veldzicht_ en mist Sara. Ze heeft met genoegen Sara hooren spreken +over Edeling; ze verdienen elkaar! Sara wordt ook eens op 't buiten +verwacht. + + +VIJF EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta schrijft ook aan Spilgoed, zendt +haar vruchten. Ook zij wordt eens verwacht, met Sara. + + +ZES EN TACHTIGSTE BRIEF.--Eindelijk antwoordt Anna Willis: _zij bekent +schuld_; de Wed. Spilgoed verdient achting!--Ze wil weer vriendin zijn +met Sara! Een Geldersche dame heeft haar beter ingelicht: die dame +zal ook Sara bezoeken. + + +ZEVEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bedankt Aletta en haar +gastvrouw voor de vruchten. Sara verlangt naar Aletta, dus ze moet +maar gauw komen. + + + + +ACHT EN TACHTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER. + + +_Chere Letje!_ + +Wel kind, wat heb je me daar evenwel een lief en verstandig Briefje +geschreven! Kan ik het niet nog meer pryzen? want, al den lof, dien +ik u geef als eene puntige schryfster, kryg ik _immers_ met intrest +te rug? Van my hebt gy _immers_ alles geleert; zeide gy zo niet, +Hartje lief? + +Belieft myne Letje nu wel eens geheel aandagt, ja maar ook geheel +onderworpen te zyn? Och, ik heb myn woord gegeven! Zulk een aandrang +kon myn arm zwak hart niet weêrstaan! Gy weet, wat ik u geconfideert +heb? Gy kent myne achting voor den Heer Edeling. Gy weet, (of mooglyk +weet gy 't niet; _want weet ik juist zo de geheime historie van uw +hart_!) dat achting natuurlyker wyze in vriendschap, en vriendschap +heel gemaklyk in liefde kan overgaan? Hier uit zult gy kunnen opmaken, +dat het my onmooglyk was, onze Lotje een verzoekje te weigeren. "Daar +heb ik u schoon beet," zeit myn Voogd; en dan lacht de goede man, dat +hy schatert: Nu iets ernstigers! + +Gister voormiddag ging myne aangenomen Dochter[1] met de kousjes, die +ik onze Klaartje had laten wasschen en opstryken, naar Oom Dirk. +'s Middags niet te huis; dat's een goed teken, zei ik. Ten zeven uuren +werdt de sloof met een sleedje t'huis gebragt: zy kwam blymoedig de +zaal op. Naauwelyks hadt zy ons gegroet, of aan 't uithalen van haar +zakken. Oud en nieuw kwam te voorschyn: Chocolaadjes, Ulefeltjes, +Banket, twee grote kluwens fyne wol, om voor Oom koussen te breyen, +een pakje wol, dikke breinaalden, een doosje met wissewasjes. Zy +presenteerde ons van de snoepery: wy namen elk een Chocolaadje, maar +de Scavante bedankte met een hele viese tronie: "Ik proef nooit zulk +goed." Lotje was zo raar, en hadt zulke klugtige zetten, dat Hartog +zelf lachen moest. + +Waarlyk, Lief, ik geloof dat zy meer is uitgebluscht, of overdrommelt, +dan wel dat zy van de Natuur zo geheel misdeelt is. Ziet gy wel, dat +ik veel edelmoediger ben, dan de meeste Doctoren, die de ziektens +hunner Lyders vergroten, om des te meer wonderen in het herstellen aan +den dag te brengen? Och, zo dra zy myne Patiente geworden is, heb ik +gezien, dat zy minder ver verzeilt was, dan ik gevreest had. Zy +verhaalde ons, dat zy uitnement vriendlyk was ontfangen; en dat zy de +vryheid had, om een taffen Sak te kopen, doch dat zy eene der +Juffrouwen zou verzoeken, om met haar te gaan. Zy hadt ook haar +speldegeld, en nog twee ducaten extra gekregen; nu vroeg zy my, of ik +de taf wilde kopen? dat ik met een, gaarn lieve Lotje, beantwoordde. +Toen zy met my, (want zy slaapt nu in myn Pavillioen, en ik slaap in +het uwe, tot gy weer t'huis zyt,) boven was, gaf zy my de twee +ducaten, die zy geleent hadt; ik nam die ook, doch alleen om haar eens +weer te helpen, want ik vrees, dat de duiten spoedig zullen wandelen. +Kon ik haar dat óók beduiden! Nu, alles met den tyd; ik moet niet te +veel gelyk doen. Myn Compliment aan Mevrouw uwe Tante. Hou uw Neef +maar; ik weet met al myn Vryers haast geen weg meer; voor al kom +spoedig by + + _Uwe tederliefhebbende_ + + BURGERHART. + + +Noot: + +[1] Lotje Rien du Tout, (spottend). + + + + +NEGEN EN TACHTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Willis!_ + +Victorie! Victorie! myne Vriendin is te regt. Ik heb haar weergevonden! +Frits, loop, draaf, vlieg met dit Paket ten eersten naar den Post: +--zo zal ik binnen weinig oogenblikken zeggen; Want ik sta zo met myn +handschoenen al aan, om met Lotje uittelopen. Kortjes dan. Lees de +nevensgaande een, twee, drie, vier Brieven, en oordeel, of ik misnoegt +op u ben; dit alleen nog: de waarde Dame weet niets, haar betreffende. +Ergo, zwygen is 't woord. Met ons zal 't wel schikken: hoe zeit Vader +Kats? + + _Alschoon goê Vrienden kyven_, + _Zy zullen Vrienden blyven_. + +Adieu, lieve Willis! Omhels uwe dierbare Moeder voor my, groet myn +Wimpje, en weet, dat gy geacht en bemint wordt door + + + SARA BURGERHART. + + + + + +NEGENTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER. + + +_Chere Letje!_ + +Hoe vaart gy, myne Liefde? Hoe diverteert gy u? Denkt gy wel eens aan +uwe Vriendin? Terwyl gy my deeze drie, diepen-aandagt eischende vragen, +op uw gemak oplost, of beantwoordt, zal ik, _pour passer le temps_, u +dit volgende schryven. "Dit volgende, zegt gy, wat "volgende?"--Bemoei +u met de oplossing uwer eige vragen (of myner vragen aan u, zo ge wilt,) +ik blief van u, Mejuffrouw, zo niet _ge-Harlogt_ te worden; en, in alle +geval, gy zult het, dit volgende, immers aanstonds lezen? + +Wel, 't is of Heintje Pik, niet Heintje Edeling, dat is nog zo ver +niet--Heintje, neen, deftig, zo als de hele man zelf is, myn Heer +Edeling--of Heintje er meê speelt; want geen half quartier uurs was +ik, met myne Dochter Lotje, by de Desmoisselles geweest, om een Sak +voor haar te kopen, of de Heer R. kwam in. _Mon homme_ was opgetogen +over deeze _heureuse rencontre_! Hy praat, weet gy, aangenaam genoeg; +en hy vroeg spoedig naar _mon Amie_, die hy noemde, _une charmante +Dame_. Dat's voor uw rekening, Letje. + +Vriendelyke verzoeken, om, zo ik niets verzuimde, nog wat te vertoeven, +aanhouding van myne Dochter, om nog wat te blyven, wyl zy zich niet +kon verzadigen in het kyken en gluren naar kistjes en doosjes, en +kassen, vol heerlyke Beuzelingen: alles werdt bekeken, geadmireert; met +één woord, verbeeldt u een klein meisje, dat met Moeder voor 't eerst +eens voor een poppenkraam, of daar men speelgoed verkoopt, gebragt wordt; +dat zyn oogjes wyd open doet, beide de vuistjes uitsteekt, en roept en +kraait, en hippelt, en alles wil hebben; dan hebt gy een natuurlyk +afbeeldzel van Lotje. De Heer R. deedt haar een fraaije snuifdoos +present: ik excuseerde my, met te zeggen: "dat ik niet snoof, en nimmer +presenten aannam." Lotje is somwylen nog slim óók; zy hieldt zich, als +of zy dit laatste niet hoorde; en nu is zy zo wys met die doos, dat het +zo niet te zeggen is. Alle oogenblikken wordt hy uit het papier genomen, +bekeken, met een slip van een zakdoek gevreven, en, met de beminlykste +vergenoeging op haar goedaartig grof gelaat, beschouwt! Het spyt my, dat +Oom Dirks koussen nog niet verder zyn dan het boortje: nu, 't zal wel wat +bedaren, en anders moet ik er my meê moeijen. + +Wy dronken Thee: de Heer R. en de Desmoiselles spraken van zeker Boek +van _Bitanbé_, genaamt _Jozef_, als van een der fraaiste werken, die +onlangs in 't licht gekomen waren. Hy haalde er eenige treffende +passages van aan. Dit wekte myne nieuwsgierigheid op, om het te zien: +Ik schreef de titel, om het, zo rasch ik t'huis kwam, te laten halen. +Hy merkte dit, en haalde een, in marrokein gebonden, Exemplaar, uit +zyn zak, dat hy my presenteerde: hy hadt het zo van den Binder in +passant meêgenomen. Ik vond dit wel beleeft, en oordeelde, dat het +zeer gemaakt in my zyn zoude, iets aftewyzen, waar naar ik verlangde, +en dat my zo heusch gepresenteert werdt. Ik boog en zei, dat ik het +met veel vermaak zoude lezen. Hierop stak hy het in zyn zak, zeggende: +"ik zal de eer hebben om de Dames t'huis te brengen, en dan het Boek +overgeven." Liefst had ik dit niet; maar, dewyl ik geen reden daar van +kon geven, moest ik dit zo laten doorgaan. + +Hy bragt ons t'huis, niet langs den kortsten weg: wy ontmoetten den +deftigen Edeling, die ons beleeft groette, en, horende, dat wy naar +huis gingen, ons derwaards verzelde. Zo kwamen wy dan daar aan, en +traden in de zydkamer, alwaar onze waarde Vriendin met Juffrouw Hartog +alleen zat. De laatste las, de eerste naaide, en ik geloof, dat er +niet veel woorden gewisselt waren. Hartog scheen zeer bekent met den +Heer R.; er was eene drukte nog eens zo! allemaal over onze eerste +lui, onze _Patricii_; (verstaat gy dit woord, Letje? anders zal ik het +wel eens uitleggen;) over de laatste Assemblée; over een gevalletje +aan de speeltafel met de Gravin X.; over les Belles Lettres; over +Voltaire, d'Alembert, des Clairauts, en nog wie weet waar al meer van. + +De Heer Edeling sprak nu en dan ook een woord, doch de Sçavante hadt +er geen attentie voor; en de Heer R. was te beschaaft, om haar +voorbeeld niet te volgen: hy hadt het des met haar heel druk. Onderwyl +verhaalde ik stilletjes aan onze lieve Mama, dat R. zo een fraai Boek +voor ons meêgebragt hadt; haar hetzelve noemende. "Ik wou, zei ik, dat +die babbelparty ophieldt, en dat ik het Boek maar had: 't is zo fraai! +Kom, zei Lotje, ik zal je wel helpen: ik heb dat Boek ook van Josep; +'t is heel mooi, en ik lees er veel in, als ik naar bed ga." (Hier +volgt de dialoge; ik agter de stoel van de waarde vrouw, wat over haar +heen ziende, Lotje tegen de Commode staande. Edeling zei, dat wy een +fraai groupje maakten; en kon zyn oogen, schynt het, nergens anders +werk geven.) + +_Ik_. Wat zegt gy, Lotje, hebt gy dat boek? en hebt gy er ons niets +van gezegt? foei, dat's geniepig. + +_Lotje_. Ik dagt, dat het oud vuil was by de Juffrouwen; want ik heb +het al wat[1] gehad; och Heer, anders was 't wel tot uw dienst. + +[_Juffrouw Buigzaam en ik keeken elkander aan, of wy zeggen wilden: +hoe! heeft Lotje dat Boek van Bitaubé_?"] + +_Juffrouw Buigzaam_. En wie is de Auteur, Juffrouw Lotje? + +_Lotje_. Ja, dat weet ik niet; maar het is wel het zelfde Boek van +Josep, en het is heel mooi; maar ik word nooit gelooft, en daarom zwyg +ik dikwyls. + +_Ik_. Lieve Lotje, ik bid u, haal het Boek, op dat Juffrouw Buigzaam +het aanstonds zie. En nu geef ik u, myn lieve Letje, eens in ernstig +en gemoedelyk overwegen, met welk een Boek het goeje schaap afkwam! +Doch, al hadt gy al de wysheid der Egiptische Tovenaren, die van de +Endorsche[2] Kol, die van Lodippe[3], [ons door Vader Kats zoo aartig +beschreven;] ja al hadt gy de kaart leren leggen by den Drommel op +Marken; al waart gy eene Hartog, in het oplossen van Meet- en +Stelkundige Voorstellen, gy zoudt het nog niet raden; hoor dan den +titel: "_Josephs_ Drouv, end Bli eindend Spel, niet min stichtelick, +als droev en vermakelick, om te lezen: in dry bisondere spelen vervat, +door _A.C. Crous_. Gedrukt te Groningen, 1721." NB. Op den regel: + + _All schoon de Nijd met Pylen schiet_, + _God 't all ten best te schikken wiet_. + +Het eerste _Diel_ heeft zesentwintig Personen en vyf Choren: met dit +à gouverno: [_men kan het Toneel plaatsen waar men wil, vermits men +doorgaans geen vaste plaats heeft_.] Het Boek zelf is gedrukt met +eenen zwarten, stichtelyken, regtzinnigen Predikatie-Letter. + +Wy zagen elkander aan, doch zwegen om het ander gezelschap. Onderwyl +viel myn oog op een passage, daar Josep Fransch spreekt, zeggende: +_Bonjour, Mevrouw Potifars_; en op nog een, daar Potifar tegen zynen +Hansworst zegt: _halt mi den smaul_. Toen barste ik in lachen uit, en +de goede Vrouw, die ik dit influisterde, lachte zo hartlyk, als ik nog +nooit hoorde. + +Dit trok den aandagt der overigen; Juffrouw Hartog moest lyden, dat +beide de Heren, schoon zy nog niet wisten waarom, mede lachten. + +_De Heer R_. Een nieuw amusant Werkje, Mevrouw Buigzaam? + +_Juffrouw Buigzaam_. Niet heel nieuw, maar echter ongemeen genoeg; +de _Historie van Josep, door eenen Crous_, dat stout meisje, _op my +wyzende_, heeft altoos wat potzigs. Dit deedt de lieve Vrouw, om Lotje +te sparen; maar het ging Lotjes kroon te na, schynt het; want zy zei +heel deftig: "Pardonneer my! 't Is myn Boek, en Juffrouw Burgerhart +heeft het nooit gezien." Ik gaf het aan Edeling, die wel dra ook +passages vondt, welke hem deden lachen; zo ook de Heer R., die het een +meesterstuk in zyn soort noemde, en een rol heel eigenaartig van _Mus_ +[de Gek van Joseps historie,] oplas. Enfin, Letje, wy bleven zo al +praten van 't een op 't ander; en Saartje gaf het hare in de algemene +Conversatie-uitgift, _comme il faut_. Uw Broêr kwam in; bragt een +Brief voor u, en bleef ook zitten. Eindlyk hoorden de Heren, dat Frits +de tafel dekte; zy stonden op, en marsch gingen de Leijonkers[4]. + +Is die Heer R., vroeg ik aan onze Vriendin, niet een beschaaft geestig +man? + +_Juffrouw Buigzaam_. Dat erken ik; maar, myn lieve Saartje hoe komt +het doch, dat hy my niet gevalt? ik begryp dat niet! + +_Ik_. En ik begryp het wel. De Heer Edeling is zo zeer uw gunsteling, +dat er voor geen ander bytekomen is. + +_Juffrouw Buigzaam_. Zou dat wel zo zyn? Waarom vind ik dan Brunier +niet alleen niet minder, maar beter dan voorheen? + +_Ik_. Juist, om dat uw gunsteling hem tot een beter mensch maakt; +'t is zyn werk: ergo! maar zeker, hebt gy iets tegen den Heer R. + +_Juffrouw Buigzaam_. Ja, Saartje lief, ik heb iets tegen dien man; +wat, weet ik zelf niet. + +_Ik_. Zyt gy nu wel rechtvaardig en menschlievent? + +_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt recht om my dit te vragen; want, waarlyk, +myne gewaarwording is zo duister! Ik beken, dat het een opvatting zyn +kan. Hy heeft ook al vry veel met u, aan 't vengster staande, +gesproken, en ook zeer zagt. + +_Ik_. Och, 't gewone praatje: _que vous etes belle! que je vous +adore_! en zo, wat er meer volgt. + +_Juffrouw Buigzaam_. Engel van een Meisje! zie wel toe. Hy is een man +van hoge geboorte, en heeft schatten: Laat hy u niet wat wys maken +[_Ik werd root_.] Gy wordt root, myne Liefde! + +_Ik_. Dat is ook zo; wat kan ik het helpen, dat er zulke knapen zyn, +die ons meisjes wat wysmaken? ô, Ik zie dat gy my niet kent! Denkt gy, +dat ik zulke snappers de eer aandoe, om immer in 't geheugen te +houden, wat zy my voorgonzen? + +_Juffrouw Buigzaam_. De Heer Edeling is een geheel ander man, en die +bemint u waarlyk. + +_Ik_. Beide stem ik toe; maar hoe veel achting ik ook heb voor dien +braven man, ik bemin hem niet; ik bemin geen man op de hele Waereld +dan myn Voogd: Nu, hy zal ook fraaije manchetten hebben. + +_Juffrouw Buigzaam_. Wilt gy niet eens ernstig zyn? + +_Ik_. Geheel ernst, geheel aandagt, geheel--al wat gy maar wilt. +(_Ik kuschte hare hand_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy den Heer Edeling afgewezen? + +_Ik_. Wel, niet anders dan ik u gezegt heb: maar, als de man nu op +hoop tegen hoop aan wil boegzeeren, kan ik dat beletten? + +_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy iets tegen den waardigen man? ei lieve, +zeg het my eens! + +_Ik_. Wel, zo veel zelf niet als er op de punt van een pennemes zou +kunnen liggen; maar beminnen? ô _point! point_. Ik leef hier al te +gelukkig; ik blyf by u, zo lang ik leef. + +_Juffrouw Buigzaam_. Zal de Heer Edeling u dan ongelukkig maken? + +_Ik_. Niet, ten zy ik het er naar maakte. Hoor, de Heer Edeling is in +myn oogen zulk een agtingwaardig man, dat ik hem eigentlyk niet zou +kunnen of durven beminnen: op myn woord (ik schaam het my ook haast +aan u te zeggen,) ik heb meer eerbied voor hem, dan voor myn +goedaartigen Voogd. + +_Juffrouw Buigzaam_. Hoe is dat mooglyk? Wel, me dunkt, de Heer +Edeling is een recht beminlyk man; zyn ernstig gelaat heldert gedurig +op door een zagten glimlach; en wie, denkt gy, vindt zo veel smaak in +uw vernuft? + +_Ik_. Vlei my niet! Ik ben geen vrouw voor zo een man. Zie, als ik nu +eens getrouwt was, zou ik myn man zo liefhebben, geloof ik, dat ik, +buiten hem te kwellen, en te liefkozen, niet zou kunnen leven; en op +beide zou zo een deftig man weinig gestelt zyn. Hy zou my voor een +dartel wyfje, en ik hem voor een regten Joris steiloor aanzien. ô Dat +zou een pret zyn om dol te worden! Neen: Laat hy u nemen, dan zult gy +beide even gelukkig zyn, en laat my, zonder met Cupido in eenig +verschil te raken, myn _Wegje_ (zeit Tante) zoetzappigjes af kuiëren. + +_Juffrouw Buigzaam_. Weet gy wat, Liefde? zo ik de jaren van u had, en +de Heer Hendrik beminde my, zo als hy u bemint, geloof my, dat ik hem +nemen zou. + +_Ik_. Gy zoudt niet, dan op ééne voorwaarde. + +_Juffrouw Buigzaam_. En welke voorwaarde? + +_Ik_. Dat gy, by myne jaren en zyne liefde, die wysheid bezat, die gy +nu hebt; anders zoudt gy 't niet een zier beter maken, dan ik nu. + +_Juffrouw Buigzaam_. Vindt gy ook meer behagen in den Heer R., genomen +dat hy u insgelyks beminde? + +_Ik_. Dat kan ik ook nog al zo niet zeggen: maar ik heb geen reden, +dunkt my, om met een van beide iets optehebben, om dat ik geen oogmerk +heb om van hunne overtollige beleeftheid immer gebruik te maken. De +Heer R. handelt my met eene achting, en tevens op zulk eene verpligtende +wys, dat ik, ten zy gy er iets wettigs tegen hebt, my ook geëngageert +heb, om morgen een nieuw stuk te zien spelen: hy heeft u insgelyks +verzogt, maar ik heb gezegt, dat ik niet geloofde, dat gy meê gaan zoudt. + +_Juffrouw Buigzaam_. Wel, ik weet het niet, zou ik eens van de Party +zyn? ik heb opinie, dat dit stuk schoon is: als ik redelyk wel ben, +zal ik meê gaan. + +_Ik_. O, wat zyt gy eene verpligtende Vriendin! + +_Juffrouw Buigzaam_. Myne liefde voor u doet my veel doen. + +Zeg vry myne _zorg_, viel ik haar in, haar met eerbied omhelzende, en +een kusch gevende. + +Zie daar, Letje lief, dit moest ik u schryven. Nu heb ik geen +oogenblik tyd meer. Ik moet my nog opdrillen; Blondel staat reeds naar +my te wagten, om my te kappen. Duizend groeten van + + Uwe eigene + + SAARTJE. + + +Noten: + +[1] Een poos. +[2] I Sam. XXVIII, 7. +[3] Aspasia en elders. +[4] Begeleiders. + + + + +EEN EN NEGENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER R. AAN DEN HEER G. + + +_Vriend Jan!_ + +Hoe dikwyls, dou lompen Kaerel, zal ik u dan moeten zeggen, dat my +alles verveelt, en gy met uwe weêrgaze aapenkuren, kwakzalvers +loopjes, en zotte uitnodiging, met een paar onzer Lievertjes, nog wel +het allermeest? Wat kan ik, arme duivel, doen; waarom denken, dan aan +de bevalligste meid, die ooit met een paar schone oogen de halve +waereld in oproer stelde?--Gek, ja, stapel zot ben ik na haar; en ik +moet myn rol van Huichelaar spelen, om haar ooit zo naby te komen, dat +ik haar kan inluisteren: _ik bemin u_. Vrouwen, Vrouwen! Wat staat er +niet voor uwe rekening! Nu, wy zullen afrekenen, myn trotsch Meisje! +dat: "ik snuif niet; ik neem nooit geen presenten aan:" zult gy my +betalen. Dit is de eerste oorvyg, welke myne eigenliefde, die waarlyk +tegen de uwe wel opmag, nog ooit van eene schone hand ontfing. En ben +ik niet een schone vent? Kan ik niet beuzelen met de zottinnetjes? +redeneeren met de wysneusjes? Erger ik ooit een Vrouw, die achting +verdient, door het allerminste dubbelzinnig woord? Sloeg ik ooit taal +uit, die _blozen doet_; (ook maar uit welstaans halve?) Er moet een +eind aan komen: zó leef ik eigenlyk niet. Maar welk een einde? Vraagt +gy dat, Ligtmis? Ik een man van geboorte, van middelen; zy een +Burgermeisje, met een stuiver goed? Gy zyt een driedubbelde Uilskop; +of gy wilt my aan 't praten krygen. Trouwen? Zyt gy dan razent dol? Ik +zal, denk ik, tot zulk een disperaat uiterste nooit komen. _Vryheid is +de prikkel der liefde_: dit weet gy is myne spreuk. Als myne Maitres +zal zy _Sultane Favorite_ zyn; maar myn Wyf! Wel foei! Zie daar, dat +was al reden genoeg, by _un homme de mon goût_, om haar ondraaglyk te +vinden. Trouw gy haar over een maand of vier. Zo lang, dunkt my, zal +ik haar beminnen kunnen, en gy zult myne genietingen nieuw leven +byzetten, door my die dan wat moeilyk te maken. Gy weet wèl, "dat een +Ligtmis geen recht heeft op eene eerlyke Vrouw?" + +Nu, gy hebt haar eens gezien; maar ik verdelg u van den aardbodem, zo +gy haar in 't eerste half jaar weêr ziet. ô Liefde, liefde! maar welk +een deugeniet ik ook omtrent de Vrouwen ben, ik zal myne drift, die +alleen op myn eigen vermaak uitloopt, met uw gewyden naam niet +opkwikken! Zotte vooroordelen! Krassen in de Lei door een bigotten +Praeceptor daar in gekraaut, anders niet. Hoe zeit myne Hartog: _geluk +is deugd_. Wel zie, Jan, was zy zó lelyk niet, ik gaf haar nog de een +of andere keer een kusch voor dit Zedekundig regeltje. Laten wy toch +ons Ongeloof als helden beleven, en den Duivel niet voor niets dienen. + +Nu, myne koets staat gereet; ik ga haar halen: de Dame, daar zy by +logeert, heb ik ook door haar verzogt. ô Ik weet wél, dat die niet +uitgaat op zulke partytjes! En de malle meid, die er by was, ook! nu +dat bruit nog wat heen. Ik weet al, hoe ik met haar moet omgaan. Zy +zal bukken voor my, dien zy niet vreest. Mooglyk vorder ik in deeze +laatste vyf uuren reeds merkelyk. + + _Tien uuren, des avonds_. + +Ik ben woedent, ik zoek met de hele waereld rusie; ik raas op Philips, +of ik dronken ben; en zou u zeer graag by my hebben, om u helder +afterossen. ô Gy verachtelyke slaaf myner vermaken! die, om een fraai +kleed, en een goeden maaltyd voor my kruipt. Wat is er nu weêr te +doen? vraagt gy, met het air van een berooiden verkwister: zwyg, en +luister. + +Geheel opgetogen reed ik na haar toe; werd zeer beleeft door de Weduwe +in de zydkamer begroet; zy zeide my: "dat zy van myne beleeftheid +gebruik zoude maken, dewyl zy meende, dat het Treurspel voortreffelyk +zyn zoude; de Lectuur daar van hadt haar zeer voldaan." Hier jy, +Rembrant, grote afbeelder van ons door driften bezielt gelaat! +Schilder my op dat tempo. Myn bloed steeg my naar 't hoofd; ik had +trekkingen op myne harssens. Zulk een schok ... zulk eene teleurstelling +... Zy merkte het niet; 't was alles als een blixemstraal. Ik herstelde +my zo voort: en, myne hand even aan myne lippen brengende, boog ik +eerbiedig, haar bedankende voor de eere my aangedaan. En zie daar! daar +kwam de eige Zuster der drie Gratiën, geheel vrolyk, geheel leven, geheel +ziel, keurlyk gekapt, en op eene edele wys eenvoudig gekleet, aanzweven. +Ik hielp de Dames in de koets; en, toen ik er by was, sprong haar knegt +by den mynen agteröp. Myne Loge alleen was nog ledig; alle oogen waren +op ons. De Weduwe is niet jong meer, maar waarlyk nog eene zeer schone +Vrouw. Myn Wicht? Nu, gy hebt haar gezien? En de malle meid is ook niet +lelyk. + +De drommel, Jan, wat moest ik op myn hoede zyn! De Weduwe ... ik weet +het niet, maar my dogt, dat zy, ongemerkt kwasie, alle myne bewegingen +gadesloeg. Ik durfde waaragtig geen eene dier kunstjes gebruiken, die +wy altoos eerst te werk stellen, om eens hoogte te nemen. Er was niet +op, als met deeze slegte kaart zo goed te spelen als ik kon; en hou my +voor een domkop, zo ik de Weduwe, indien die al een galg in 't oog +mogt hebben, niet bedrogen heb. Ik sprak meest met haar, en zo gelyk +ik altoos tegen fatsoenlyke Vrouwen spreek. Wy reden met myn koets +terug, en de Bevalligheid uit de koets helpende, drukte ik hare hand, +doch ik kreeg geen antwoord. Is dat te verdragen? Ik nam beleeft, en +in de zydkamer, afscheid, ootmoedig biddende, om de eer te mogen +hebben, van de Dames myn compliment te komen maken. Kent gy Hein +Edeling? Maar waar zou zulk een Jakhals, als gy, zo een styven Jorden +als hy (die echter een eerlyk man is, hoor ik,) toch ooit gezien +hebben? Hy schynt een vriend der Weduwe te zyn.... Zwyg, zeg ik u; +ik wil er niet van horen! Laat hy 't hart hebben! Maar geen nood, al +stondt Belzebub zelf naar haar Huwlyk, die duizend-kunstenaar zou my +haar niet ontnemen. Ik heb moed, Jan. En wat nu? Ik moet haar alleen +zien te krygen! Kan ik echter voor nog eene teleurstelling my +beveiligen? _Fortuin helpt den stouten_. Daar zyn weer tien ducaten, +Rekel. Kom morgen ogtend hier, zo rasch als gy deezen gelezen hebt, +en breng hem met u, of ik laat u aan u zelf over. + + R. + + + + + +TWEE EN NEGENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Myne Waardste!_ + +Ik ben tweemaal vergeefsch aan uw huis geweest. Eens waart gy met den +Heer R. naar de Comedie, en nu zeide Frits, hadt hy u en de waardige +Vrouw naar de Fransche Kerk gebragt. Hoe smart my deeze te leurstelling. +Ik moet, voor ettelyke dagen, om zaken van veel aangelegenheid van huis; +en hoe vurig verlangde ik, om in persoon afscheid te nemen van u, die +ik teder en met de grootste achting bemin; van u, die my eene my dus +lange onbekende neiging hebt ingeboezemt! Ik moet vertrekken, de paarden +worden reeds gezadelt. ô Mogt ik durven hopen op de gunst van haar, die +my dierbaarder is dan myn leven! Indien ik niet voorzag, dat wy beide +gelukkig zouden zyn, ik zou u niet lastig vallen met myne bezoeken. +Maar, helaas! ik vrees, dat ik de man uwer verkiezing niet ben!--niet +worden kan: evenwel gy verëert my met uwe achting; gy noemt my uw +vriend. Hemel! + +Wie u ook van zyne liefde moge verzekeren, en welk een brillant lot +men u moge aanbieden, uw Edeling bemint u meer, dan iemand u kan +beminnen. Ik ken uwe waarde, uw bevallig beeld zweeft my altoos voor +den geest. Wat zal myn leven, wat zullen myne goederen zyn, zonder u, +ô myne zielsbeminde? Ik zal hopen! Uw hart is immers nog vry? Zult gy +my niet verachten, als ik u zeg, dat ik den Heer R. niet meer dulden +kan? Maar eene liefde, als de myne, is zo teder als oprecht; en hoe +kan ik het denkbeeld dragen, dat hy uwe hand vat! Maar gy kent de +liefde niet.... Ik zal des niet langer _non sense_ schryven. Groet +de uitmuntende Vrouw, en geloof, dat ik met de grootste achting en +hartroerentste genegenheid ben + + + _Uwen_ + + HENDRIK EDELING. + + + + +DRIE EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier komt door H. Edeling op den +goeden weg en bericht dat aan zijn zuster Aletta. + + +VIER EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog aan Wilhelmina van +Kwastama: zij is tot de ontdekking gekomen dat Edeling niet om háár +maar om Sara komt. _O, ze haat_ Sara! _ze verfoeit_ Edeling. + + +VIJF EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp aan Zuzanna Hofland: +die Stijntje deugt niet; _dat mensch is zelfs goed voor roomschen_! +Foei! En wat Saartje betreft: _doe een valschen eed_, dat haar moeder +je het geld beloofd heeft tot aan Sara's huwelijk. Wil je dat niet, +loop dan rond! + + +ZES EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling: zij +wantrouwt R., maar heeft geen bewijzen; hij deed fatsoenlijk. +--Onverschillig is Edeling Sara niet, _want zij herleest zijn +brieven_! Vindt zich zelf voor zoo'n waardig man ongeschikt; dat is +de zaak. + + +ZEVEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Smit is heel ernstig verliefd op Anna +Willis; hij vlast op een beroep naar een dorp bij Amsterdam, en droomt +zich veel zaligheid. + + +ACHT EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Anna Willis aan Sara: zij verheft haar. +Haar _Smit_ prijst Saar ook, eveneens wed. Spilgoed, die als Sara's +moeder is. _Edeling_ is een beste jongen. Zij wenscht hem Sara toe. +Anna bemint haar Smit zeer en hoopt Sara's trouwe vriendin te blijven. + + + + +NEGEN EN NEGENTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Naatje!_ + +Hebt gy waarlyk uw woord gegeven? Dan patientie! Anders, binnen een +jaar aanvaarde _ik_ de waardigheid van _Zuster Collega_. Uw Smit! wel, +ik ben maar weinig minder verlieft op hem, dan op mynen Voogd zelf; en +zo is ook myne Minerva. Wel, Willis, 't is waarlyk al te véél voor u. +"Hou er u maar nederigjes onder;" zou tante zeggen. Nu in ernst: +geluk, duizend maal geluk met deezen lieven, deezen achtingwaardigen +man. Zo gy nu ooit weêr donker kykt, zal ik u waarlyk moeten kloppen. +Myn Cootje is nu in staat, om tamelyk gezont te redeneren over +dagelyksche voorvallen; en ik merk, dat, als hy met een ander praat +dan met my, hy zeker nog al verdient, dat men hem antwoordt. Juffrouw +Buigzaam heeft veel met den aanstaanden Eerwaardigen gesproken. Ik was +geheel gehoor, en myne Dochter insgelyks. + +'t Spyt my, dat Letje nog niet t'huis is: dat zou net haar smaak +geweest zyn. Luister eens, Naatje; hoewel ik het niet uit dankbaarheid +doe aan de Godin der Liefde, (verstaat gy dat, kind?) zo heb ik een +groot vermaak in Huwlyks-Alliantiën uit te vinden. Wat dunkt u, dat +Willem om Letje kwam, dan hadt hy zeker een Engel van een Vrouw, en zo +een verdient hy.--Letje was ook in veiligheid. Eéne bedenking is er +maar! Ik weet niet, of myne Letjes hartje wel zó vry is, als dat van +Juffrouw _Albedil Burgerhart_. + +"En was ik niet zeer opgeruimt? en zei de Eerwaardige dit?" Verbaast +nog toe! Ik weet echter niet, dat ik my ergens over benaauwt voel: zo +dat, weest gerust; maar ik heb ook zo myne denkende buitjes; en om dat +die my zo eigen niet zyn, als zy mooglyk u zyn, valt dat zo aanstonds +in 't oog. + +Edeling is uit de stad. Myn Voogd, merk ik, zou my graag met hem +getrouwt zien; en myne Mama Buigzaam meent, dat zyn voorstel myne +ernstige overweging verdient, en hoopt, dat ik, ten zynen opzichte, +een gunstig besluit nemen zal. Myn hart slaapt nog in rozen; meer kan +ik u niet zeggen. + +Of ik my ooit het Huislyk leven in zulk een zagt licht heb voorgestelt, +als Smit het u afmaalt? Nooit anders! Ik was, schoon een kind, getuige +van Huisselyk geluk, in myne altoos dierbare Ouders. Dáár zit het my +niet, Naatje. Ik heb, tot nog, geen bepaalde uitsluitende genegenheid +voor iemand; en niets zal my dezen gewigtigen staat doen aanvaarden, +dan een man, die myne liefde en achting beide waardig is. Zo dra ik den +Heer Edeling, (niemand komt buiten hem in eenige aanmerking,) zo veel +liefde als achting kan toedragen, zullen alle mindere zwarigheden my +niet beletten, om den raad myner Vrienden te volgen. + +De Heeren R. en Brunier zyn reeds in de zyd-kamer, om met Lotje en my +eens eene schone wandeling te nemen. Ik moet my eens vertreden, dunkt +my; ik ben echter zeer wel. Heb ik u al gezegt, dat Edeling uit de +stad is? Tot weêrziens! Groet uwen lieven aanstaanden Dominé, kusch +uwe Moeder, (hem ook maar,) voor + + SAARTJE BURGERHART. + + + + +HONDERDSTE BRIEF.--Papa Edeling aan zijn zoon Cornelis: hij wou +eigenlijk diens raad als advokaat eens inroepen--Cornelis is n.l. +gepromoveerd!--_Wat tegen_ Hendrik _te doen_? Hemelsche goedheid: die +jongen houdt maar vol!--Hij heeft Sara gezien met R; "neen, meisje, +jij lijkt me niet! ik bedank je hartelijk!" _Nooit_! + + + + +HONDERD-EERSTE BRIEF. + +DE HEER CORNELIS EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING. + + +_Myn Heer, hooggeachte Vader!_ + +Hartlyk dank ik u voor den Wissel; waarop my reeds betaling geschiet +is. Ik hoop, dat ik u reden tot vergenoeging geven zal: ook omtrent de +sommen, my van tyd tot tyd verstrekt. Gy hebt my in staat gestelt, om +als een fatsoenlyk Student en Candidaat te leven. Ik heb zeker geld +verteert, doch my aan geenerlei lichtmisseryen, of aan grof spel te +buiten gegaan: maar ik weet, waarde Vader, dat gy op dit point de +edelmoedigheid zelf zyt. + +Hoe leet is 't my te horen, dat gy op myn Broeder zo te onvreden zyt! +Ik weet wel, dat gy, en vooral van uwe Zoons, geen tegenspreken dulden +kunt; vergeef my deeze uitdrukking; maar, dewyl gy u wel wilt +vernederen, om myne gedagten te vragen, zal ik u die rondborstig en +in gemoede zeggen. Neen, gy kunt uw Zoon, die meerderjarig is, niet +beletten een meisje te trouwen, waar tegen gy niets, met eenige +zekerheid, hebt intebrengen, dan dat zy van de publycque Kerk is. +Onderneemt gy zulks, dan kan Hendrik u voor den Rechter roepen, en +zyt verzekert, dat hy daar de vryheid zal krygen, om haar te trouwen. + +Ken ik echter myn weldenkenden Broeder, ken ik den eerbied en de +liefde, die hy voor zynen braven Vader heeft; dan zal hy tot dit +heftig middel zyn toevlugt niet, dan daar toe gedrongen, nemen. + +Laat het my eenmaal vrystaan, myn geëerde Vader! u te vragen, of uw +mishagen in deeze jonge Dame gegront is. Hebt gy iets tegen hare +Familie, of tegen haar zedelyk karakter? Ik vertrouw, neen; myn +Broeder heeft die jaren en die bedagtzaamheid, die hem in staat +stellen, om eene goede keuze te doen. Nimmer heeft hy, in het +onërvarenste zyner jeugd, reden gegeven, om hem van de minste +losbandigheid te verdenken; en zou hy nu, nu hy dien tyd agter zich +heeft, zich zo verre vergeten, dat hy een meisje beminde, en wel met +het zuiver oogmerk, om haar te trouwen, die zyn verstand en hart beide +tot onëer strekte? Nimmer geloof ik dit. Mag ik u des bidden, maak +hem niet ongelukkig; spaar u zelf nodeloos en u zo nadelig verdriet: +Besluit er toe! Laat uw ouderdom in ruste en vrede ongestoort +voortglyden. Mag ik u ook herinneren, dat Hendrik van een eens wél +en dóórdagt besluit niet ligt is aftebrengen; voornamelyk als zyn +hart zo gezet is op de uitvoering van zyn besluit? Ik ken myn Vader, +ik waardeer hem, gelyk een dankbaren Zoon betaamt; maar hoop, dat ik +de vryheid zal hebben, om u eene Dochter aantebieden, waar tegen gy met +reden niets meerder dan tegen Juffrouw Burgerhart zult kunnen hebben. +Binnen eene maand hoop ik het genoegen te hebben, om u gezont te +omhelzen, en mondeling te betuigen, hoe zeer ik ben, + + _Uw gehoorzame Dienaar en dankbare Zoon_, + + CORNELIS EDELING. + + + + +HONDERD-TWEEDE BRIEF.--Aletta Brunier vertelt haar historie aan Sara: +_zij heeft eens lief gehad_, zekeren v. S. Die had geen geld; vader +vond dat hij eerst voor geld moest zorgen. v. S. ging naar de Oost; +'t ging hem goed, maar _hij stierf er_. Onder dien druk leeft ze nog. +Zekere Heer Helmers steunde haar na vaders dood. + + + + +HONDERD-DERDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER. + + +_Myne tederbeminde Letje!_ + +Ik weet niet, wat andere menschen _intressant_ noemen; maar voor my is +_de geheime Historie van uw hart_ zeer intressant; om dat er voor my +zeer veel stof tot overdenken, en veel leerzaams in ligt opgesloten. +Ik heb, zonder eens uwe toestemming te vragen, uw Brief aan de beste +der vrouwen voorgelezen; en zie hier, het geen zy zeide: "Het verstand +van Juffrouw Letje is my zeer toegevallen: hare liefde omtrent zulk +een Vader was alleen in staat, om haar dus te doen handelen. Indien +Letjes Vader meer vrees dan liefde in zyne Kinderen verwekt, indien hy +min redelyk omtrent een onbedagten jongeling gehandelt hadt, dan zeker +zou Letje in dat ongeluk gejaagt zyn, waar voor hy haar echter poogde +te bewaren. Ziet gy wel, myn Burgerhartje, dat men zich niet waarlyk +nuttig voor anderen kan maken, dan door reden met minzaamheid te +verëenigen? De hemel belone hare kinderlyke onderwerping aan zulk een +Vader." + +_Ik_. Wel, dat wensch ik zo sterk, dat ik hier aan graag de hand wil +lenen. Een braaf hupsch man, die ik zo lief heb of hy myn Broêr is, +en dien ik ook maar aan niemand geef dan aan myn Letje, hoop ik te +beduiden, dat hy met Letje veel beter te regt zal komen, dan met zo +eene stoute meid, als uwe dienares. + +_Juffrouw Buigzaam_. ô! Gy zyt zeer gul! een ander te geven, dat men +zelf niet verkiest! + +_Ik_. Ja! ik kan immers onmooglyk al de Borsten[1] nemen, die my nemen +willen? en doe ik dan niet recht _Economisch_, als ik het overschot zo +goed gebruik als ik kan? + +_Juffrouw Buigzaam_. En wie is die, zo als gy zegt, kostelyke Vriend? +Edeling? + +_Ik_. Edeling! neen: dien wou ik immers voor u schikken, maar myn +lieven goejen Willem Willis. Een jongen, zo braaf, en zo degelyk, dat +niemand dan Letje hem ooit, met myne toestemming, hebben zal. + +_Juffrouw Buigzaam_. Gy doet my lachen. + +_Ik_. Doen schreijen zou ik om geen duizend Waerelden; al waren er al +de Huizen Concertzalen, en al de Paleizen Schouwburgen; en dat is veel +gezeit. + +_Juffrouw Buigzaam_. Ik beken, dat dit in u inderdaad al eene ongemene +grote opöffering zyn moet. + +_Ik_. En dat ben ik met u volmaakt eens. + +_Juffrouw Buigzaam_. Het is mooglyk wat heel onderzoekent in my, als +ik u durf vragen, of gy aan den braven Heer Edeling niets het minste +schryven zult? + +_Ik_. Wel, gestelt zynde, dat de schaal, of liever de evenaar, krek in +'t huisje stondt? + +_Juffrouw Buigzaam_. Zo ik er iets aan doen konde, dan zou ik zeker er +zo veel gewigts opleggen, dat gy tot al[2] _schryven_ oversloegt. + +_Ik_. Maar wat zal ik zulk een deftig verstandig man schryven? + +_Juffrouw Buigzaam_. Wat? Ja, dat moet gy zelf beöordeelen: dit, myne +liefde, kan of mag ik u niet dicteeren. In ernst, kunt gy aan dien +deftigen verstandigen man niets melden, dat hem, in weerwil dier +hoedanigheden, aangenaam zyn zoude? Pleeg met u zelf raad. + +_Ik_. Maar ik ben het met my zelf niet eens. Somtyds wilde ik, _dat ik +niet schryven wilde_; en somtyds wilde ik, _dat ik wilde_. Gy lacht! +Heb ik u dan niet gezegt, dat ik een misselyk figuur ben? geen vrouw +voor zo een man. + +_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt vooröordeelen, myn hartje! + +_Ik_. ô Duizenden; dat sta ik u ook toe. + +_Juffrouw Buigzaam_. Maar kan zulk eene verstandige jonge Dame zich +verbeelden, dat dit toe te staan alles is, wat zy te doen heeft. + +_Ik_. Ik geloof neen: zy moet die afleggen, en zo hoop ik van tyd tot +tyd ook te doen; en zo dra ik vast weet, dat ik dien eernaam, zonder +verwaantheid, niet geheel onwaardig ben, zal dat gaan of 't gesmeert +is: maak er staat op. + +_Juffrouw Buigzaam_. Nu ik u dit herinnert hebbe, zal ik er +afscheiden. Ik bid u alleen te bedenken; dat, indien gy my eens in +vertrouwen kunt zeggen, dat de Heer Edeling uwe liefde, zo wel als uwe +achting gewonnen heeft, ik u een der beste oogenblikken van myn leven +zal verschuldigt zyn. Gaat gy uit, hartje, om dat gy zo in order +gekleet zyt? + +_Ik_. Dit was myn oogmerk: de Heer R. zal my op 't Concert brengen. + +_Juffrouw Buigzaam_. Zo! + +_Ik_. Gy zyt heel _laconicq_, maar dat _zó_ spreekt gy _zó_ deftig +uit; hadt gy 't liefst niet? + +_Juffrouw Buigzaam_. Hoeft gy my dat te vragen, daar gy weet, hoe zeer +ik uw byzyn bemin? Evenwel, ik heb geen recht om u uwe vermaken te +ontroven: indien gy liever met den Heer R. uitgaat, dan met my t'huis +blyft. Wat is er aan te doen? Ik ben uwe Vriendin, niet uwe +Gouvernante. + +_Ik_. Laat ik u omhelzen, schoon, of liever omdat gy my zeer doet! ô +Myne moederlyke Vriendin, welk een verkeert meisje zou ik zyn, indien +ik uw gezelschap niet boven alle vermaken stelde? Wil ik het laten +afzeggen? + +_Juffrouw Buigzaam_. Gy bedenkt dit wat laat: en wat zou de Heer R. +van uwe wispelturigheid zeggen? + +_Ik_. ô! Daar bekommer ik my niets het minste over. Ik hoop niet, dat +ik aan hem rekenschap moet geven van 't geen ik doe; en zo hy 't +kwalyk neemt, is hy een gek, dat is 't al. + +_Juffrouw Buigzaam_. Rekenschap geven? dat is weer wat sterk! maar ik +zie niet, dat hy geen reden zoude hebben, om misnoegt te zyn; dat +scheelt u weinig, zegt gy; goed! Ik weet, dat gy een trotsch meisje +zyt. Was het echter vroeger, ik zou u door uw t'huis blyven verpligt +zyn. Zo waar, daar is hy reeds om u. + +Uit was ons gesprek. Maar ik betuig u, dat ik, met al myn musikale +drift, naauwlyks in staat was, om my op 't Concert niet te vervelen. + +t'Huis komende was ik niet vrolyk. Zy sprak echter nergens over, want +Hartog en Lotje waren in de eetkamer. Ik zag haar nu en dan eens aan; +zy was beleeft, zy was vriendlyk,--maar ik was _Juffrouw Burgerhart_. + +Myne lieve Letje, wat was dat voor my te zeggen! ik moest of +schreijen, of met Lotje aan 't malen; tot het laatste kreeg ik rasch +gelegenheid. Zy vroeg my, of ik op het groot Concert geweest, en of +het daar niet heel plaisierig was? + +_Ik_. Al naar dat men zich zelf gestelt voelt: somtyds ja, somtyds +neen. + +_Juffrouw Hartog_. Als men uitgaat met gezelschap, dat ons behaagt, +vermaakt men zich overal. + +_Ik_. Dat is zeker, de ondervinding leert dit wel.... + +_Juffrouw Hartog_. En Juffrouw Burgerhart heeft zeker het aangenaamste +gezelschap aan den Heer R.... + +_Ik_. En Juffrouw Hartog is, niettegenstaande alle hare Geleertheid, +mooglyk niet in staat, om myn smaak juist zo wiskundig te weten. + +_Juffrouw Hartog_. Ik oordeel uit de verschynzels. + +_Ik_. En uw oordeel is mooglyk niet vry genoeg, om, wél waar te nemen. + +_Juffrouw Hartog_. En het uwe mooglyk niet eenparig genoeg, om zo veel +te observeren, als iemand, die zonder belang toekykt: of gy moest u +inbeelden, dat ik u eene eer benyde, die ik niet eens verlang. + +_Ik_. Als ik eens niets beter te doen heb, kon het gebeuren dat ik uwe +stelling wat nader zal beschouwen. + +_Juffrouw Buigzaam_. Het is dunkt my, wel een zeer armoedig vermaak, +elkander te tonen, dat men meer vernuft dan goedhartigheid heeft. + +Ik verstond dit, en zweeg; een schampere lach van Hartog zelf kon my +niet aan 't praten krygen. Lotje, zei ik, wanneer gaat gy eens by uw +Oom en Tante?--ô Als gy maar wilt, al was 't morgen.--Bestig, zei ik, +als 't goed weêr is, zullen wy er eens heen kuijeren. Zy was zeer +blyde met deeze presentatie. 't Was redelyk laat. Juffrouw Buigzaam +schelde, om 't licht op de slaapkamers optesteken, stondt op; ik neeg +zeer beleeft, en kreeg een--_nagt, lieve Juffrouw_. Lotje rammelde my +nog een hope voor; en ik hield my of ik sliep, om haar te doen zwygen. +Ei! dagt ik, die verwenschte Jongens! zie daar, zy zyn het, die ons 't +leven onaangenaam maken; Edeling zo wel als de rest. Vaarwel, myne +Beste. + + Ik ben uwe Vriendin, + + SARA BURGERHART. + + +P.S. Ik ben deezen namiddag by Oom Dirk geweest. Tante is eene lieve +Vrouw; Oom? Ja, ik kan 't u niet beduijen: Een dot garen, die allemaal +in de war zit. ô Welke mannen, Letje! en moeten wy ook trouwen? dat +ziet er gek voor ons uit. + +Noten: + +[1] Jongens. +[2] wel. + + + + +HONDERD-VIERDE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling; houd maar +moed; ze heeft uw vader gezien, _bevalt haar niet_, maar ze zal u zelf +schrijven. + + + + +HONDERD-VIJFDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING. + + +_Wel-edel Heer!_ + +Myne achting voor u moet wel zeer ongegront zyn, indien ik ooit reden +heb my te beklagen over het schryven deezes Briefs. Dit stel ik onder +het onmooglyke; ik zal des, in dit opzicht, aan uw verzoek voldoen. + +Zie my voor zo eene Beuzelaarster niet aan, dat ik my niet zoude +verëert achten met de gevoelens, die gy voor my betuigt. Waarlyk, myn +Heer Edeling, ik zie zéér wél, dat gy verdient met onderscheiding +behandelt te worden. Indien gy niets meerder begeerde dan myne +vriendschap, zeer weinig zoudt gy meer te wenschen hebben! Doch ik +zoude u onëdelmoedig behandelen, indien ik u reden gaf om te denken, +dat ik in u iets anders dan eenen Vriend beminde. Het zal my, in dat +karakter, hoogst aangenaam zyn u weêrom te zien; want ik ben met +byzondere hoogachting, + + Uwe Dienares, + + SARA BURGERHART. + + + + + +HONDERD-ZESDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Myn Heer, zeer geachte en beminde Voogd!_ + +Myn pligt eischt, dat ik u het volgende melde. De Heer Hendrik Edeling +heeft by my aanzoek gedaan. Indien ik immer van staat verander, verdient +hy my daar toe te doen overgaan, of ik verdien hem niet; maar ik heb +geen zin in voor eerst hier toe te besluiten: Nog geen twintig jaar, en +zo volmaakt gelukkig als ik nu ben! Ik heb echter billyk geöordeelt u, +die my als een Vader bemint, dit te zeggen; want van uwe goedkeuring ben +ik reeds verzekert. Myn verlangen naar uwe komst is zo groot, dat ik die +niet kan uitdrukken. De waardige Vrouw groet u met achting, en ik ben, +met een dankbaar hart, + + Uwe gehoorzame Pupil, + + SARA BURGERHART. + + + + + +HONDERD-ZEVENDE BRIEF. + +NAAMLOZE BRIEF AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Myn Heer!_ + +Myne achting voor u, en de droevige gevolgen, die ik voorzie, doen my +u het volgende schryven. Uwe Pupil gedraagt zich op eene wyze, die +haar bespot, ja veracht, en u veel verdriet moet maken. Men ziet haar +overal, en nu meest altoos met eenen Heer R.; een man van rang en +grote goederen, maar ook een onzer eerste Ligtmissen. De Dame, daar +zy, nevens nog drie Juffrouwen, logeert, ziet dit alles, en vindt +echter (schynt het,) goed, om dit onvoorzigtig ligtvaardig meisje +haren gang te laten gaan. Zy is niet ryk; en grootschheid beeft voor +niets zo zeer dan voor armoede. Meer zeg ik niet. Hoef ik meer te +zeggen? Uwe Pupil is ook zeer verkwistent in hare uitgaven; indien zy +geene presenten aanneemt; dat ik niet weet. Zeker Heer loopt haar na; +en ik geloof, dat zy dien man aanhoudt, om, ten behoorlyke tyde, hem +(mooglyk) te trouwen; indien zyne oogen nog niet bytyds open +gaan:--Doch zy heeft hem betovert;--zo doet zy elkëen. + +Dit alles smart my! Ik beöog haar welzyn, en stelle u daarom in staat, +om haar hier over, zo 't u goeddunkt, te onderhouden. Ik hoef u niet +te zeggen, wie ik ben, en van welke Sex;--dit doet er niets toe:--zo +gy wys zyt, doe uw voordeel met myn bericht; en zo gy er een goed +gebruik van maakt, kan ik u meer melden. Intusschen ben ik met achting, + + MIJN HEER! + + _Iemand, die 't wel met u meent_. + + + + + +HONDERD-AGTSTE BRIEF. + +DE HEER JAN EDELING AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK. + + +_Waarde Broeder!_ + +Wat zegt gy nu, _mon bon Pasteur_, van uw lieven Neef Hendrik? dien je +immers, met je eigen handen, zelf, in myn huis, gedoopt hebt; die, had +ik hem in myne zaken kunnen missen, volgens uw raad en zyn begeerte, +tot Predikant zoude gestudeert hebben; die wil nu met drommels geweld +trouwen met een _wilde_ meid _buiten onze Kerk_; met een _Gereformeert_ +Nufje. Nu, daar moest hy maar eens om komen! Verbruit, Pastoor, ik heb +het zo Satans op hairen en snaren gezet; want, nu myn lieve vrouw dood +en weg is, regeer ik als Koning. Uw Zuster was de beste vrouw van de +waereld: doch te mal met de Jongens. Luter zelf zou niet meer uitgevaren +zyn in zo een geval als ik. Ja! fluiten! Daar hebje nu de boel over de +reê, en hy geeft voor, dat ik hem ongelukkig zal maken, indien hy haar +niet krygt; met nog eene hele turfmand vol zulk geziegezaag, daar de +jongens zo veel meê ophebben. + +Ziet gy, Pastoor, ik zou myn hoofd daar niet meê breken, maar Hein ziet +er gansch ongedaan uit: hy kan niet tegen moeite; (ja, ik heb al rare +jongens ook!) Neen: nooit laat ik dat toe. Maar den jongen evenwel zo +maar te laten sterven, dat wil ook niet. Hy is zó bedreven in onze +affaire, dat ik gerust myn flesje kan drinken, myn pyp roken, myn +kolfje slaan, zonder dat er iets verzuimt wordt. Zo dat, dit kan ik +ook nog al niet voor God verantwoorden. Ik heb ook een Brief geschreven +aan haren Voogd; niet twyfelende of hy die zo styf _Grotekerks_ is, als +ik oud rechtzinnig Luters ben, zou even eens denken als ik op dit stuk. +Maar zie daar! daar kryg ik zo een antwoord. De drommel mogt met hem +redeneren, en ook ik versta zyn Brief niet genoeg. Het komt my vóór, dat +hy al vry grappig over 't Geloof denkt, en het zou veranderen, even als +hy zyn rok veranderde, indien hy meende, dat eens anders geloof beter +was. Hy spreekt net als uw lieve Neef van Broederschap. 'k Zeg +_Broederschap_! Het zit er op met dat Broederschap, als verguldzel op +een duits[1] balletje. Men hoeft maar eens op hoogtyden, en zo, in de +Kerken te gaan; daar zeg jelui Eerwaardens malkander hele Broederlyke +dingetjes. Nu, dat mag ik wel horen: de Kerk is er voor, om het Geloof +vast te houden. Elk moet zyn winkel voorstaan; dat is niet anders. + +Hoor, Pastoor, ik ben Luters, en dat, wil ik, zullen myn jongens ook +zyn, of 't zal er vreeslyk houden. En die Bram is nog al heel wys met +zyn Meisje! Ik zou nog, met myn beste pruik op, en den nieuwen zwarten +rok aan, heel beleeft moeten vragen, of ik de eer mogt hebben ... weg +... weg! + +Ik heb haar ook in een Herberg gezien, met nog twee wilde Knapen, en +een andere Juffrouw. Hoor, ik zal 't nooit toestaan: ik wil geen +vreemt goed in Luters erfdeel; dat's maar uit. Geef me nu raad: wat +moet ik doen? Schryf my eens, Broêrtje, hoe u dit klugtje van Heintje +bevalt? Groet de Pastoorse, die my ook altyd ligt te katechiseren: ja, +ik ben maar te goed. + + Blyve met grote achting, + + Uw Eerwaardes + + _Dienaar, Vriend, en Broeder_, + + JAN EDELING. + + + +Noot: + +[1] Van een duit waarde. + + + + +HONDERD-NEGENDE BRIEF.--Everart Redelijk antwoordt: hij is het heelemaal +met Blankaart eens en vindt de handelwijze van zijn zwager dwaas. + + +HONDERD-TIENDE BRIEF.--Broeder Benjamin aan Cornelia Slimpslamp: Suzanna +weifelt; ach Heere, help! Wij moeten ze voor ons houden. Laat Cornelia +haar vergeving vragen. + + + + +HONDERD-ELFDE BRIEF. + +MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN DEN BROEDER BENJAMIN. + + +Wie heeft ooit groter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fopje my +wat, of hoe weêrgâ zit het? Voor my veinzen? Voor my de fijne Filebout +uithangen! Laat naar je zien, zotte jongen. Wy moeten haar bedriegen; +dat's 't al. En daarom moeten wy de handen in éen slaan. Zouden wy zo +een zot dier ooit gezogt hebben was 't niet om den smul? en gy houdt +u van de mallen? Ja, Blankaart, kent ons zeer wel. + +Hoor, Ben, de frettery is uit: wy moeten haar nu nog plukken, en +dan--de hele Waereld is voor ons open. Zy moet het gelag betalen: de +jonge Juffrouw B. moet er niet by lyden. Blankaart is een Duivel van +een vent, hy liet u publiek geesselen, en ik moest in 't Spinhuis, zo +wy aan haar goed ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en +dat zy intrest moet ontfangen; alles mondeling. Toon nu, dat gy my +lief hebt: ik zal 't Briefje schryven, en morgen er gaan. Kom ook. +'t Geweten? ô dat is een bullebak voor u en my. + + _Die gy kent_. + + + + +HONDERD-TWAALFDE BRIEF. + +MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. + + +_Lieve Vriendinne!_ + +Daar heb ik, als ik alles nareeken, zo een twee dagen en drie uuren in +de magt des Satans geweest: hy gaf my die godloosheid in. Hy heeft my +verleit. + +Och Zusje, Zusje! ik ben gevallen: ik ben wanhopig, ik ben elendig. +Die duizend-konstenaar was het, die my dien gruwelyken brief deedt +schryven. Zo heb ik te veel op eigen kragtjes vertrouwt, och ja! mogt +ik er maar door geraakt zyn, en nooit weêr op my zelf vertrouwen. ô! +Het ging my, zo als de Eerwaarde van der Kwast plagt te zeggen: _de +Conscientie is de Klapperman uit de hartestraat, die de menschjes +waarschuwt voor den brand van de Hel_. Gelukkig, dat myn oude mensch +niet te diep was ingeslapen; och! dat was regt dierbaar. + +Verberg toch alles, om der Vromen wille. Gy kent de diepten des Satans. +Mag ik morgen by je komen, en dan blyven op 't geen je maar hebt? +Schryf my dit, of ik verval tot wanhoop. + + Uwe zwakke Zuster, + + CORNELIA SLIMPSLAMP. + + + + +HONDERD-DERTIENDE BRIEF. + +DE BROEDER BENJAMIN AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. + + +_Zusje Lief!_ + +Ik begryp je! Wees gerust: om u sta ik den Duivel. Ik heb het zeer +druk in myn werk, doch kom morgen; ik ben al verzogt. Alles is om het +hare, en om u. + + _Gy kent my_. + + + + +HONDERD-VEERTIENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. + + +_Keetje Zusje!_ + +Wat is er een pakje van myn hart! Neen, dat kon ik niet doen, myn +geweten wilde niet. Nu is 't weêr licht by my; ik heb alles verbrant. +Kom tog vroegjes: och! ik ben zo ontstelt geweest. Nu, Bregtje zal +_het Gemeste Kalf_ slagten, omdat ik myne Zuster heb weêr gevonden, +die in 's Duivels hol gezeten heeft. Broertje komt ook, hy is zo +gemoedelyk in zulke dingetjes. Zo komt het goed uit het kwaad; en nu +is myne ziel weêr gebonden aan uwe ziel: niet waar? + + Uwe Zuster in den Here, + + Z. HOFLAND. + + + + +HONDERD-VIJFTIENDE BRIEF.--Smit aan Willem Willis; spoedig zijn ze +zwager. Hij heeft Aletta Brunier gezien en gesproken: _net een meisje +voor Willem!_--Willem's patroon spreekt heel gunstig over hem. + + + + +HONDERD-ZESTIENDE BRIEF. + +DE HEER R. AAN DEN HEER G. + + +_Jan lief!_ + +Haal my de Satan! ik ben nog even wys! ja, ik zie het hexje nu en dan; +ik heb ook met haar op het Concert geweest; maar ik ben nog even na, +als toen ik begon. Hoe moet ik het aanleggen? _Liflaffen_?[1] dan +lachte zy my van myn stuk; haar met een stemmig bakkes zeggen, _dat ik +haar bemin_? Och! dat gaat haar niet eens aan haar koude kleêren, (zo +als de meisjes zeggen.) Had ik haar maar ergens, daar myn haan koning +kraait, dan zou 't procès spoedig aflopen: en zy zal niet zot genoeg +zyn, om zich te durven inbeelden, dat ik een Burgers Dochter zal +trouwen. _Sultane Favorite_, Jan: is dat niet dubbelt wel? als _ik_, +Frederik de eerste, haren Soliman ben. Ben ik evenwel niet een +_Opgewarmt Bier_ en _Broodskind_, gelyk myn Oom, de Kapitein, zyne +Matrozen noemt, dat ik zo een charmante meid niet tot myn vrouw maak? +Lief heb ik haar, waaragtig; dat is 't maar! Anders zou ik dus lang +niet het masker voorhouden. Zy stondt al lang op de grote lyst. Maar, +wat praat ik van liefde tegen zulk een liederlyken knaap als gy zyt? +Een vrouw is by u een vrouw--loop, gy zyt myn gebabbel niet waardig. +Ik heb echter nu een ander plan: dat zal niet missen; en, zo de Weduw +het in 't hooft krygt, om hare jonge Vriendin te geleiden, (zy ziet er +óók wel uit,) dat zal den koop niet breken. Zoudt gy niet zeggen, dat +ik al een gansch karel ben, als gy my zo hoort snoeven en pochen? + +Waarlyk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat ik +het Wicht, of ik ben razent zot naar haar; en wat denkt gy? Ik heb nog +nooit haar hand gekuscht; 't is waaragtig, Jan. Zy is onnozel[2], dit +is het, dat my zo ingetogen maakt: want, hoe vele vrouwen ik ook +bedorf, ik heb nog al reguart voor brave meisjes. Een ligtvaardige is +myn Pop niet, al was zy zo schoon als deeze meid.--Doch dit is _to +Bliktri_ voor u. + + Vaar dan wel. + + R. + +Noten: + +[1] Vleien, hofmakerijen. +[2] Onschuldig. + + + + +HONDERD-ZEVENTIENDE BRIEF.--Cornelis schrijft heel hartelijk en aardig +aan H. Edeling, maar ... raad weet hij niet: _vader blijft onvermuwbaar_. +Raadt hem aan eens aan oom Redelijk te schrijven. + + + + +HONDERD-ACHTTIENDE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING. + + +_Myn Heer, hoogst ge-eerde vader!_ + +De zaak, die my, volgens uwe altoos geëerde orders, hier zo vele dagen +gehouden heeft, is naar uwen wensch volkomen afgedaan. Ik vleije my, +dat gy genoegen zult nemen in den yver, dien ik heb aangewent, om het +dermate te dirigeren, dat ik u rekenschap van alles doen kan. + +Mag ik nogmaals de vryheid nemen, om te zeggen dat myne liefde voor +Juffrouw Burgerhart gegront is op de braafheid van haar hart, en dat +ik _volmaakt ongelukkig_ zyn zal, indien zy de myne niet wordt? Wat +men ook moge uitstrooijen, zy is, en verdient te zyn, het voorwerp +myner hoogste achting; en zy deelt nimmer in andere vermaken, dan die +betaamlyk zyn, noch verkeert met menschen, die, om een slegt karakter, +behoorden vermyt te worden. + +Gy weet, myn altoos geëerde Vader, met welk eene blymoedige onderwerping +ik alle uwe bevelen heb gevolgt. Dit was een pligt, die de Natuur en de +Godsdienst van my vorderden: Maar gy zyt Vader! gy zult my immers niet +ongelukkig maken? zo deeze wensch myner ziel my geweigert wordt, kan ik +my geen lang leven voorstellen. Ik gevoel my niet wel. De onëenigheden +met myn Vader treffen myn, door liefde vertedert, hart zeer diep! Myne +jaren en myn werkzame aart hebben my gestelt boven die dwaze drift, die +men doorgaans _liefde_ noemt. Myne liefde is wel niet _Platonisch_[1], +maar zy is echter myne reden onderschikt; zy is bedaart, sterk; zy rust op +de innerlyke waarde van haar, die myne oogen streelt; zy groeit dagelyks +in zagte aandoeningen. Moet ik het opgeven, dan zal men zien, dat myne +geliefde Burgerhart tot myn _leven_ zo nodig was, als tot myn _gelukkig +leven_. Laat ik u verbidden! Leg uwe vooröordelen af! Gy kent haar niet, +geloof my! Heb ik u, myn geëerde Vader! ooit ergens in misleit? zoude ik +het nu doen, daar de zaak niets minder is dan eene verbintenis voor myn +geheel leven? Geef my de vryheid, om voor my zelf te kiezen. ô Laat ik u, +ook voor deeze gunstige toegeventheid, mogen bedanken. Ik kies immers +eene Vrouw voor my; ik zal met haar moeten leven.--Ben ik, in myn zes-en- +twintigste jaar, nog niet in staat, om uit myn eigen oogen te zien? Kunt +gy my van eenige wuftheid in zaken van belang beschuldigen? Heb ik ooit +my tegen uwen wil gekant? Moet ik nu my zelf dat verdriet aandoen? Laat +ik u myn gansche leven mogen zegenen! Zo myne tederbeminde, als myne +Vrouw, u met my niet zegent: zo zy uwen ouderdom niet ten troost, tot +hulp, tot blydschap strekke; zo gy haar niet zult beminnen als eene lieve +Dochter, vergeet dan, dat gy ooit een Zoon hadt, die zich tekent, + + _Uw ootmoedige Dienaar, en liefhebbende Zoon_, + + HENDRIK EDELING. + + +Noot: + +[1] Zuiver geestelijk. + + + + +HONDERD-NEGENTIENDE BRIEF. Hendrik schrijft aan Redelijk, vertelt alles +uitvoerig en verzoekt zijn voorspraak bij vader. + + +HONDERD-TWINTIGSTE BRIEF.--Redelijk weet evenmin raad: vertrouw op God! +--als zoon mag Hendrik niet opstaan tegen zijn vader. + + + + +HONDERD-EEN EN TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Juffrouw Burgerhart!_ + +Ik hoor lieve historietjes van u, al hele lieve ook! Hagel en Slypsteen, +hoe kan 't zyn? daar je zó veel verstand hebt, en daar je beter je +Geloof verstaat dan ik, God betert; en daar ik altoos zo geraden heb, +dat je toch den goejen weg op zoudt. Meisje, meisje! maak my niet boos; +'t zal er anders op en over gaan; 't zal er ellements te doen zyn. Heb +je dáárom zulke kostelyke Ouwers gehad, en moest ik dáárom zó wys met +je zyn? Ik kom er blaauw af. Schaamt gy u niet zo te lopen rinkelrooijen +[1] met een overgegeven Ligtmis; en u te kleden, of je in een Fransche +Winkel stondt? En Mevrouw Buigzaam? och ja; die laat Gods watertje over +Gods akkertje lopen; zie, dat vind ik verdord gemeen van zo een' Vrouw. + +Men hadt, kwanswys, geen trek tot het huwlyk; men was nog zo jong: men +was nu zo gelukkig: zie zo; dat laat ik, ouwe gek, my maar zo op den +mou spelden. En onderwyl speelt Madame haar rol, vliegt uit, en loopt +met allerlei ploerten en ligte kwanten de godgantsche Stad door, komt +by avond en onty t'huis; ja wel, zie; ik ben zo kwaad als een spin. +Dáárom hadt gy geen zin in 't Huwlyk, met zulk een braaf man, denk ik; +dat was de zaak: dan zou dat gedraaf en geloop uit zyn, en daar bedankte +gy voor; niet waar? Myn naam zal evenwel geen Abraham Blankaart zyn, zo +ik u, zo lang gy onder myne Voogdy zyt, geef aan den een of ander +Parlevinker[2], al was hy zo ryk als de _grote Mogol_, en al was hy een +Burgemeester van zyn hals. Ik denk, dat de brave Heer Edeling u nu wel +zeer bedankt voor de eer van uw gezelschap: hy heeft gelyk; ik zou ook +zo doen. Antwoordt my maar niet, want ik kom in 't kort t'huis, en zal +dan nader met u spreken. Ik ben + + Uw Voogd, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Pierewaaien. +[2] Hier: zwendelaar. + + + + +HONDERD-TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER. + + +_Chere Letje!_ + +Ik verlang, dat gy t'huis komt. Ik heb verdriet; en ik kan het niemand +dan u toebetrouwen. Myne Willis is te statig, te deftig; onze Moederlyke +Vriendin kan ik het nog minder zeggen, want het raakt haar ook. Lees den +brief van den Heer Blankaart: elke regel is een dolksteek. Myn ziel is +beroert; myn boezem klopt van spyt, verontwaardiging, en droefheid. ô! +Ik heb vyanden, myne Letje; maar wie is de snode, die my dus mishandelt? +die my in het duister en onbekent grieft? Hemel! verdagt te zyn van +misdaden, die nooit in myn gedagten oprezen! gehoont te worden om +bedoelingen, die ik nooit had; dit is zeer hart, myne Letje. Maar wie +is die Ligtmis? de man in de maan, geloof ik; uw Broêr is een brave +Jongen; de Heer R. staat bekent voor een zeer ordentelyk man; en met wie +anders heb ik ooit (want Edeling is buiten alle bedenking,) den minsten +ommegang gehad? Och, met niemand! Nyd, die my bekladt, gooit ook zeker +dit lak op den Heer R., die my nimmer reden gaf om hem te schuwen: maar +de smart, die dat monster my aandoet, is te groot, om daar ook eenen man, +die my altoos met de grootste achting behandelde, in te doen delen. Onze +dierbare Vriendin zelf vindt hem onberispelyk; en, zo zy niet geheel in +het belang van den waardigen Edeling was, dan zou zy mooglyk zyn gedrag +een nog beter naam geven. Ik heb vermoedens.... maar neen!... dat zou +al te slegt, al te verfoeilyk zyn.--Hoe 't zy, ik heb een gerust geweten; +ik heb my van vele dwaasheden te beschuldigen; doch ondeugden zyn my +vreemt.--Ik moet geduld hebben. + +Ik ga wat spelen, om te zien of ik my zelf kan opheffen uit deeze +verslagenheid. + + * * * * * + +Daar ben ik al weêr; 't lukt niet! Ik beef, zo aangedaan ben ik. +Hemel! verdagt te worden van zulk een man.... + + * * * * * + +_'s Nagts, half twaalf._ + +Nu, myne liefde, heb ik u veel te schryven. Ik heb de goedaartige +Lotje verzogt naar bed te gaan, om dat ik noodwendig schryven moest. +De zoete ziel stonden de tranen in de oogen, "om dat zy merkte, dat ik +droevig was; en dat onze Vriendin en ik niet zo waren, (zei zy) als +altoos; och dat deedt haar zo leet." Heeft zy niet een recht lief +hart, Letje? Nu, ik zal haar ook altoos voorstaan, en te regt helpen. + +Van middag viel er niets voor, dan dat Hartog vroeg, of de Heer +Edeling hier niet meer aan huis kwam; waar op Juffrouw Buigzaam +antwoordde: dat hy, om zaken van grote aangelegenheid, uit de stad +was; er byvoegende, dat zy hem waarlyk altoos met genoegen zag. + +_Juffrouw Hartog_. Ja, 't is een zoete prater; hy weet nog zo wat +oppervlakkig meê te doen; schoon ik in 't eerst groter denkbeelden van +zyn verstand had, dan nu. + +_Juffrouw Buigzaam_. Ik geef my niet uit voor een vrouw van veel +kundigheden, om dat ik te wel weet, hoe ik er mede sta: maar my dunkt, +dat de Heer Edeling een verstandig belezen man is, en zyn gezelschap +overwaardig. + +_Ik_. Ja, ik heb misschien geen kennis van verstand, maar zo hy een +Uilskuiken is, dan moet een man van verstand een schepzel zyn, daar ik +niets van begryp; en ik zou een ducaat geven, om zo een man van +verstand eens te zien. + +_Juffrouw Lotje_. Heden, Juffrouw Hartog, je waart evenwel de laatste +reis zo in de weer, om hem tegen te spreken; was dat sop dan de kool +wel waart? Zie, ik ben nou maar een eenvoudige sloof, maar daar zou ik +my nog te wys toe rekenen. + +_Juffrouw Hartog_. Ja, Edeling weet zeker genoeg, om met onze Sex zo +wat voort te komen; doch dat hy geen vogel van de verhevenste vlugt +is, heb ik al gezien. + +_Juffrouw Buigzaam_. Mooglyk is Uwé van gedagten, dat elk, die zich +niet met het air van Ongeloof voordoet, een lagen geest is; en dan is +voor my niets raadzelagtigs in deeze uwe zeer vreemde gedagten over +deezen waardigen jongen Heer. + +_Juffrouw Hartog_, (_schamper lachende_). "Aan de vruchten zal men u +kennen," zegt de Bybel, en dat is immers waar? + +_Juffrouw Lotje_. Heer, Juffrouw, gelooft Uwé dan in den Bybel? Gy zei +laatst, weet gy? op dien Zondag, toen ik zo zat te lezen in myn nieuwe +Psalmen, dat de Bybel een mooi sprookje was; (_zy werdt root_;) ja, of +gy root wordt, 't is evenwel zo, Juffrouw. + +_Juffrouw Buigzaam_. Ei lieve, Juffrouw Lotje, moei u daar nu niet +mede, om my plaisier te doen, Liefde! Is dit zó, Mejuffrouw Hartog, +dat smart my; en ik danke Gode, dat ik nooit myne bekwaamheden heb +willen tonen, in voor te wenden, dat ik niets geloofde; daar ik my +niet in staat gestelt had, om wel te kunnen oordelen. + +_Juffrouw Hartog_. Elk zyne verkiezing, en ik verzoek die vryheid, die +ik u laat. Gy schynt zeer gecoëffert met uw Vriend; en vriendschap +vermag veel; doch dewyl ik de vriendschap van zo een eigenwys Heertje +niet begeer, is myn oordeel te vryer. + +_Ik_. Eigenwys Heertje! die uitdrukking is niet verpligtent[1]. + +_Juffrouw Hartog_. Hoe! is de Heer Edeling dan uw vriend ook? (_my +spottig aanziende_.) + +_Ik_. Mooglyk verdient gy geen antwoord, doch ik zal beleeft zyn; ja, +hy is myn vriend; en ik vind my met zyne vriendschap zeer verëert. + +_Juffrouw Hartog_. Dat kan ik wel begrypen; en die vriendschap doet +_u_ ook veel eer. + +_Ik_. Zy zou zeker u niet tot schande, en nog veel minder tot verdriet +strekken, indien _gy_ ten minsten genoeg hadt aan zyne vriendschap, +(_zij werdt bleek_.) Kent gy den Heer Blankaart, Mejuffrouw Hartog? +(_haar sterk aanziende_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. Heden; Liefde! wat vraag is dit nu ook? + +_Ik_. Juffrouw Hartog zal my, vrees ik, verstaan. + +_Juffrouw Hartog_. Nooit hoorde ik, dat men vreesde verstaan te zullen +worden: ha! ha! + +_Juffrouw Lotje_. Nu, dat's my te geleert. + +_Juffrouw Buigzaam_. En my ook, Juffrouw Lotje. + +_Ik_. Ja! wist gy wel, dat _ik_ zo eene Sçavante was? of liever, dat +ik zo t'onpas iets kon vragen? Wel nu, 't zal u geen oneer zyn myn +Voogd te kennen. Hy is wel geen geleert, maar hy is een eerlyk man; +eene hoedanigheid, die ook al zyn prys heeft. + +_Juffrouw Hartog_. Och, myn lieve kind, ik zou nooit geraden hebben, +dat er zo een man in de waereld was, zo ik u zyn naam niet wel eens +had horen noemen: neen, ik ken hem niet. + +_Ik_. Men zou u occasie kunnen geven, om hem te leren kennen; doch hy +heeft niets recommandabels dan zyn vroom eerlyk karakter. + +_Juffrouw Buigzaam_. Zullen de Dames ook nog ergens van gedient zyn? +anders zou ik verzoeken om te danken en laten afnemen: 't is my wat +heel warm in de kamer. Wy allen bogen, dankten, en gingen de een hier, +de andere daar. Hartog peinsde. Juffrouw Buigzaam ging in haar Tuin, +zag hare bloemen met blyde vergenoeging. Ik stond voor 't raam, diep +aangedaan over den ontfangen Brief. Frits had een mand spenage +gesneden, die hy haar liet zien. "Ja, zei ze, Frits, die spenage staat +my niet aan.--"Zy is evenwel, in uw Tuin gegroeit, Mejuffrouw."--"Al +was zy in myn Zydkamer gegroeit, Frits, nog staat zy my niet aan."--Ik +wou, Letje, dat ik haar toen had kunnen uitschilderen; maar nog liever +dat gy haar toen gezien hadt! Ik ging zitten spelen, en wou myn +verdriet weg zingen: 't was of myn vingers de kramp hadden; evenwel, +ik dreunde lustig door. En Lotje vondt, dat ik mooi speelde: dat zeit +al zo iets, niet waar? + +Wy kwamen allen in de zydkamer byëen, om thee te drinken: Myn hoofd +was vol, en ik kneep nu en dan een traan weg: wel naarstig aan de +zakdoeken naaijende, terwyl Lotje breide, of zy er geld meê verdiende. +--Daar kwam zo waar de Heer R. Het denkbeeld, dat hy beschuldigt was, +om dat men my benydde, maakte my veel vriendelyker dan ordinair; me +dagt, dat ik hem vergoeding doen moest; en dat denk ik nog. Hy hadt +een zeer fraaije bloem op zyn borst; hy zag, dat ik er naar keek; durf +ik u deeze aanbieden? zei hy, en ik nam die vriendlyk aan; hy was zeer +fraai. + +_Juffrouw Buigzaam_. Is myn Heer R. ook een Liefhebber van bloemen? + +_De Heer R_. Ja, Mevrouw, en ik vind, dat in deezen, zo als in alle +zaken, de Natuur de Kunst onëindig overtreft. Ik heb ook eene kleine +verzameling van vreemde gewassen, die men maar zelden vindt. + +_Ik_. De Heer Blankaart heeft my wel tienmaal belooft, my eens in den +_Hortus Medicus_ te brengen, maar 't is er nooit toegekomen; en ik +hoor, dat daar zulke fraaije Planten en Heesters zyn. + +_De Heer R_. Laat ik de eer mogen hebben, u daar eens heen te leiden: +gy zult met verrukking zulk een rykdom der Natuur beschouwen; 't is er +waarlyk fraai. + +_Ik_. 't Zou onbeleeft zyn, dit verzoek af te wyzen. + +_De Heer R_. Ik zou om die eer deezen dag zelf nog verzoeken, maar ik +ben geëngageert: mag ik morgen, als het zulk heerlyk weêr is, en zo +zonnig als nu, zo gelukkig zyn, om de Dames daar heen te brengen? + +_Juffrouw Hartog_. Ik bedank u; ik ben niet plantagtig; een bloem is +by my een bloem, meer niet. + +_De Heer R_. En wat zegt Mevrouw? + +_Juffrouw Buigzaam_. Excuseer my, myn Heer; huisselyke bezigheden, +en myne zwakheid laten my dit niet wel toe. + +_De Heer R_. Deze vriendelyke Juffrouw zal dan wel gelieven mede te +gaan? + +_Juffrouw Lotje_. Ik zou 't gaarn doen, maar ik moet morgen ogtend +tydig by myn Oom en Tante zyn, om naar den Hout te ryden. + +_De Heer R_. Zo dat, Mejuffrouw, gy zult u dan met myn gezelschap +alleen zien te vermaken? + +_Ik_. ô, Myn Heer, maak geen complimenten. + +Hy boog. Nog een kwartier gezeten hebbende, zeide hy, dat hy morgen +ten vier uuren zou maken aan huis te zyn, en vertrok. Onze Juffrouw +Sçavante las; wy spraken weinig. Elk scheen in gedachten; myn kind +zeker over haar vrolyk reisje naar den Hout; ik over den Brief; en +Juffrouw Buigzaam?--dat wist ik toen nog niet! + +Na het thee drinken stondt de lieve Vrouw op, nam een boek mede, en +ging in het Tuinhuis zitten; (zo als ik naderhand zag.) Ik zag +mistroostig, ongemaklyk[2], en stond ook op, my naar den Tuin +begevende, om ruimer adem te scheppen. Doe ik u ook belet, Juffrouw +Buigzaam? anders ga ik weêr heen. + +_Zy_. Integendeel, _uw_ gezelschap is _my_ altoos aangenaam. + +_Ik_. Dan zal ik my by u zetten. (_Zy zag onderwyl al in haar Boek_.) +Ik moet u iets vragen. Zyt gy misnoegt op my? als dat waar was, dan +zou ik zeer ongelukkig zyn. + +_Juffrouw Buigzaam_. (_Haar boek toedoende_.) Misnoegt? Hier uit moet +ik opmaken, of, dat gy my voor zeer grillig houdt, en dat hoop ik +nooit te verdienen; of, dat gy meent, my eenige reden daar toe gegeven +te hebben. + +_Ik_. Zo ik u van grilligheid verdagt hield, dan zou uw misnoegen my +niet ter harte gaan; dewyl ik begryp, dat de capritieuse vrouwen geen +meer achting verdienen dan capritieuse mannen. + +_Juffrouw Buigzaam_. En doet het u waarlyk leet, dat ik niet zo +gemeenzaam met u ben als van te voren? + +_Ik_. Ja, zeker; maar dat gy my dit vraagt, treft my niet minder. Gy +weet dan nog niet, hoe hoog ik u acht; of hoe hartlyk ik u bemin; en +hoe zal ik u daar ooit van kunnen overtuigen? (_Ik had tranen in myne +oogen_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. _Als_ gy my in dat licht beschouwt, dat ik +waarlyk uwe achting niet onwaardig ben, waarom maakt gy dan zo weinig +gebruik van myne oprechte vermaningen? + +_Ik_. _Als_, zegt gy met nadruk! + +_Juffrouw Buigzaam_. Is het zo niet? Kom aan, wy zitten hier nu onder +vier oogen. Laat ik eens met u praten: wilt gy? + +_Ik_. Niets zal my aangenamer zyn. Maar zeker, zyt gy t' onvreden? + +_Juffrouw Buigzaam_. Ja! en nog meer verdrietig: ik heb u te lief, om +niet beide te zyn. + +_Ik_. Wees nu alles wat gy maar wilt, indien gy my maar lief hebt: Mag +ik u echter vragen, wat u hier toe beweegt? + +_Juffrouw Buigzaam_. Uwe eigene onvoorzichtigheid. + +_Ik_. (_Ik werd ongemakkelyk, en zy zag het óók_.) Myne eigene +onvoorzichtigheid! + +_Juffrouw Buigzaam_. Niets anders.... Maar my dunkt, dat gy niet zeer +geschikt zyt, om thans onaangename waarheden te horen; en ik beken, +dat ik geen recht heb om u die te zeggen, ten zy de vriendschap my dat +recht geeft. Willen wy de zaak daar laten? + +_Ik_. Zo als gy verkiest: niemand hoort gaarne onaangename waarheden; +'t is des geen mirakel, dat ik er niet veel smaak in heb. (_Zy zag my +zeer bedaart, doch niet minzaam, aan_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. O myn kind, speel niet met uw eigen geluk! (_Dit +woord brak myn trotschheid; ik rees op, omhelsde haar, schreide aan +haar hals; zy kuschte myne gloeijende wang, trok een stoel naast den +haren, en zei_:) Zit, myne Liefde; waarlyk, ik meen het wel met u. +--(_Ik kon niet spreken, ik snikte_.) Zy ging voort: De Voorzienigheid, +die alles in de zedelyke en natuurlyke waereld bestuurt, die altoos voor +alle hare schepzelen het beste beöogt, heeft u, tegen uw uitzicht aan, +by my gebragt. Dat ik u lief kreeg, was zeer natuurlyk; dat gy my met +achting behandelde, ingelyks. Ik leerde u kennen, ik zag, dat gy een +voortreffelyk jong mensch waart; en dat, zo gy altoos uw schrander +oordeel volgde, zo gy altoos[3] in goede handen vielt, vooral, zo gy de +vrouw wierdt van een achtingwaardig, u beminnent man, gy een voorbeeld +in het huisselyk leven zoudt kunnen worden, om dat gy u dan zoudt +verheffen boven uwe sterke neigingen tot zulke vermaken, die nooit onze +pligten moeten uit den weg stoten, of zy worden hoogst afkeurelyk. Geen +meisje van zulk een edelen geest doet ook iets uit dwang: en mogelyk zou +ik, indien dit het eenige goede middel voor u ware, uit alle vrouwen +minst geschikt zyn, om u nuttig te zyn. + +Gy krygt gelegenheid om eene party te doen, die zelf uwe zalige Ouders, +(zyn zy nu nog vatbaar voor aandoeningen, die uit deeze beneden waereld +ontstaan; iets, dat my zo voorkomt,) moet verheugen. Elk, die belang in +u neemt, wenscht, dat gy toch moogt besluiten, om u van dat geluk te +verzekeren. De man, zo beminlyk, zo edel denkent, en zo volmaakt geschikt +voor u, als gy voor hem zyt. Wat doet gy? Dat gy hem nog niet genoeg +bemint, om hem u zelf te geven, daar op is niets te zeggen: maar gy geeft +u dermate toe in uitspanningen, die in 't oog vallen, dat de Waereld niet +nalaat, om u zó aftebeelden, als gy nooit worden kunt: men houdt u voor +_Coquet_, voor _une Dame du Ton_; voor een Meisje, dat zich, in alle hare +daden, geen ander oogmerk voorstelt dan Divertissement. Kan ik, die u als +myne eigen Dochter bemin, dit zien, zonder op u misnoegt, en over uw +gedrag zelf bedroeft te zyn? Gy weet, Liefde, dat ik geen behagen heb in +den Heer R.; ook niet, (dit volgt er uit,) dat gy met hem uitgaat. Ik kan, +dat is waar, u wel geen reden geven van deeze ongunstige aandoening; doch +gy weet echter, dat gy my veel genoegen zoudt aandoen, indien gy deeze, u +onschadelyke, opvatting in acht geliefde te nemen: dat doet gy niet; en +nog deezen namiddag geeft gy weêr uw woord. + +_Ik._ Hadt gy my maar één woord gezegt! + +_Juffrouw Buigzaam._ Wanneer moest ik u dit ééne woord gezegt hebben? +Vóór de zaak gebeurde? gy waart niet zo gehumeurt als voortyds; gy +hadt iets, dat u trof; en ik was de Confidente niet. ô Liefde! niets +ontglipt my van u; ik moet voor u zorgen, myne genegenheid gebiedt het +my, al zo zeer als myn pligt. + +_Ik._ Ik heb vyanden: ik word gelastert. + +_Juffrouw Buigzaam._ Dat kan niet anders: en zo gy voortgaat, met hen +stof te verschaffen, zullen zy u nog anders kwellen. Maar, (om ons +discours te vervolgen,) toen het voorstel geschiedde? Ei lieve, wat +recht heb ik, om u in gezelschap te behandelen of gy myne mindere +waart, aan wie ik alles mag zeggen? om, met één woord, als uwe +Gouvernante te handelen? Ik denk, dat dit u óók maar matigjes zou +hebben aangestaan. + +_Ik._ Wel, wat kwaad is er dan in, dat ik met een fatsoenlyk man den +_Hortus Medicus_ ga zien? + +_Juffrouw Buigzaam._ Net zo veel kwaad, als of gy u door Frits naar de +kerk liet brengen. Van het kwade spreken wy ook niet: al, wat dien naam +verdient, is beneden u; dat weet ik zeer zeker: maar zo gy waarlyk myne +Dochter waart, dan zou ik u, al wat u geen goed gerucht door uwe vyanden +kon geven, u volstrekt verbieden: _Het heeft immers zulk een haast niet, +zoude ik zeggen myn Heer; myne Dochter zal, met haar Voogd Blankaart, +die haar dit belooft heeft, den een of andren dag dat vermaakje wel eens +nemen._ Gy waart ook buitengemeen vriendelyk tegen hem. + +_Ik._ Hy wordt, buiten zyn weten, om mynent wil beledigt; en dat valt +my te zwaar, om hem, ook buiten zyn weten, daar geene vergoeding voor +te doen: doch, zo uw mishagen gegront is, wel, gy zyt meestresse van +uw huis; wagt hem nooit meer af. + +_Juffrouw Buigzaam._ Ik wagt hem nooit af. Hy is een fatsoenlyk man, +ik kan my, op zo eene directe wys, van myn recht als Meestresse ook +nog al zo niet bedienen: maar indien gy, ten zynen opzichte, minder +gemeenzaam waart; indien gy, als hy inkwam, opstondt, onder het een +of ander voorwendzel, en voornam, altoos te bedanken voor alle zyne +aanbiedingen, dan zou de Heer R. wel dra verdwynen, en ons geen +verschilstoffe aan de hand geven. + +_Ik._ Daar toe heb ik geen reden; en dewyl ik hem niet anders ken dan +voor een fatsoenlyk, aangenaam man, die zich een eere maakt in my +plaisier te doen, kan ik daar niet toe besluiten: indien ik den Heer +Edeling beminde, indien ik hem eenige hoop gaf op myne bezitting, dan +was het eene andere zaak; en ik zou dan juist doen, zo als gy nu van +my eischt, dat ik doe. + +_Juffrouw Buigzaam._ Ik eisch het niet van u; uw eigen geluk, uwe +achting voor u zelf, uwe achting voor den Heer Edeling, eischen dit. +_Ik_ heb niets te eischen: al wat ik doen kan, is u ten besten raden, +en dat doe ik waarlyk: gave de Hemel, dat myne zorg voor u geheel +nodeloos was! want, hoe het ook ware, uw ongeluk zou myn hart doen +bloeden. Ik bemin u, myn kind: ik zie zo veel goeds in u; uwe +dwaasheden zelf groeijen op den besten grond. (_Ik weende._) + +_Ik._ Dierbare Vrouw! vergeef my deeze eene reis myne verkeerde losse +toegeventheid! Nooit, nooit zal ik weêr bedroeven, gy zult alle myne +daaden en gedagten regelen; ik zal den Heer Edeling recht doen. Ik heb +dit alles zo niet beschouwt, ô! Wat zou ik ongelukkig zyn, zo ik u +verloor! Dat zie ik meer en meer; maar ik zal alles vergoeden; ik zal +met u, en met Letje huisselyk leven; wy zullen niet dan met Edeling, +of haar Broêr, nu en dan eens een uitvlugtje nemen; als gy 't zelf +goed vindt, anders niet. Zie daar, ik geef my, ter myner verbetering, +geheel aan u over! (_Zy drukte my aan haaren boezem_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. Myn eigen lief kind! alles is nu wel, alles is +afgedaan; ik weet, dat gy het oprechtste meisje van de waereld zyt; +en dat gy ook doen zult, méér nog dan gy my belooft. + +Na nog wat zittens en minzaam samenpratens, vroeg zy my, of wy wat +wilden gaan musiceeren? ô Zeer gaarn, zei ik. Zy droogde, met haar +eigen zakdoek, een traantje of vier af, kuschte my; haalde myn Voile +wat neêr, op dat niemand myn beschreit gelaat zien zou, (denk ik,) en +wy gingen elk voor 't Clavier. Nooit speelde zy zo verrukkelyk; al +hare tonen stemden met myn ziel, en zy zong haar favorite Air: + + _Ah! que l'amour est chose jolie_! + +zo heerlyk, dat myne vingers stil stonden. Vervolgens spraken wy van +den Heer Edeling, en over zyne t'huiskomst. Hebt gy hem, vroeg zy, +eenig gunstig onthaal toegeschikt? + +_Ik_. Wel, ik verlang waarlyk, dat hy hier is; ik weet het niet, maar +er [is] iets zo ledigs, nu hy hier niet is: dunkt u dat ook niet? me +dunkt, dat Letje en hy zo recht by ons behoren. Ik wist niet, dat ik +zó over hem denken zou, nu hy hier niet is; doch 't is echter niet +anders. (_Zy glimlachte, en noemde my Engel_.) En vraagt gy nu, +"waarom vertrouwde gy haar den Brief van uwen Voogd niet toe?" Om dat +ik, zelf voor deeze dierbare Vrouw, niet wil weten, dat zy in dit +opzicht het zo wel hadt. Dit is mooglyk verkeert; maar neen: die +vernedering is my te smartelyk. + +Ik was byzonder stil onder ons soupéetje; Juffrouw Buigzaam insgelyks; +beide mooglyk uit verdriet, dat wy verschil gehad hadden. Lotje durfde +niet spreken, dan met de Kat, en Hartog hieldt een deftig, styf, +peinsagtig air. Wy gingen vroeg naar bed, en nu schryf ik u deezen, +om hem by de eerste occasie te verzenden. Nagt Liefde. Kom spoedig by + + Uw teder liefhebbende Vriendin + + SARA BURGERHART. + +P.S. De Brief van myn Voogd sluit ik hier in. + + +Noten: + +[1] Vleiend. +[2] Ontstemd. +[3] Tenminste. + + + + +HONDERD-DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER R. AAN DEN HEER G. + + +_Vriend Jan!_ + +Uit is de klugt! de myne--de myne is zy, moet, zal zy zyn. ô! Dat lief +Bekje! En hadt gy waarlyk zin om den _Hortus Medicus_ te zien? Nu, +Schat, gy zult veel méér zien; of ik verdien voor schelm uit het +Regiment Ligtmissen gejaagt te worden. En kon Mevrouw Buigzaam niet om +huisselyke zaken? ô Ik heb achting voor _huishoudende Vrouwen_; gy doet +wel, schone Weduw! + +Bezorg, dat morgen voor den middag myn Fargon en de harddravers, _Kwast_ +en _Bles_, gereet zyn, om naar buiten, doch langs een omweg te ryden. +Hou u daar van daan: ik heb u niet noodig; zeg alleen aan den Tuinbaas, +_dat ik met een meisje kom_, dan weet hy genoeg. Hy moet my niet kennen +voor 't nodig is; en dan zal ik hem dat wel beduiden. Hy is een gaauwe +Kerel; hy moet maar niet weten, dat deeze Dame geen maitres van my is; +want hy babbelt dan maar weêr van zyn conscientie; en, schoon ik op geen +hand vol ducaten zie, als ik wellust kopen wil, zo hoef ik hem echter +niet te vroeg ryk te maken. Ik zal Buiten zyn tegen vyf uuren, of half +zes: de Fargon[1] moet in 't koetshuis, en de Paarden moeten, zo als zy +van voor 't rytuig komen, op stal gezet worden. Ik zal de rest wel +schikken. Philips moet maar te rug gaan. + +Onthou myn orders wel. Daar! daar hebt gy vyftig ducaten, om uw schulden +van eer te betalen. Ik ben flaauw van vreugd. Zo een meisje; zo een engel; +zo rein als een Kind; zo onkundig van haar gevaar; die niet eens vermoedt, +dat ik de Belsebub ben, die het op haar bederf toelegt! want trouwen, +Liefstetje, daar kan ik niet aan doen. Zie; zo praat ik al in en met my +zelf. + + R. + + +Noot: + +[1] Fourgon? Hier: gesloten wagen. + + + + +HONDERD-VIER EN TWINTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland aan Sara: Benjamin +en Slimpslamp _zijn er met bijna al haar geld van door_! Ze vraagt +vergiffenis aan Sara en voorspraak bij Blankaart. + + +HONDERD-VIJF EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara _vergeeft alles en belooft +voorspraak_. Zal zelf komen. + + +HONDERD-ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Saartje is +zoek! _Ze is met_ R. _uitgegaan en niet teruggekeerd_. Ze wachtten op +haar den dag, den nacht, in doodelijke spanning; eindelijk, _om vijf +uur, daar is_ Sara. O, o!--die vreeselijke R! Gelukkig Saartje _is +ongedeerd gebleven maar heelemaal overstuur_. Hendrik is er zelf ziek +van! + + + + +HONDERD-ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT. + + +_Lieve Vriendinne!_ + +Ik ben te beschaamt, om je onder de oogen te komen, daarom schryf ik u +deezen Brief. Och! ik ben een verloren menschje! Had ik toch naar je +gehoort; maar, wat zal ik zeggen? Ik geloof, dat myne zonden my alle +deeze elenden hebben op myn hoofd gehaald, och ja! Ik was recht +toornigjes op u, toen gy laatst by my waart: want ik meende, dat je zo +niet tot het diepste van ons wegje waart doorgekropen; dat het allegaar +zoo maar stukwerk was, om dat je zo weinig zin hadt aan Broeder Benjamin. +Wat heb ik my voor den Here vernedert, om dat ik eenigen agterdogt omtrent +dien Huichelaar plaats gaf! 't is een Belials-kind, een uitgepleisterd +graf, van binnen vol stank en doodsbeenderen. En zy is eene Jezabel. Zy +heeft my strikken gespannen; zy heeft my op myn droggrond neêrgezet. Zy +heeft my wys gemaakt, dat al myne ongerustheid ingevingen des Duivels +waren. Zy is eene Architofellinne, die my nog voor agt dagen zo een +goddelozen raad gaf, met opzicht tot myn Nichtje Burgerhart. Maar de +Here liet zyn schepzeltje niet los: en toen schreef zy my een Briefje +van berouw, in zulk een gezalfden styl, Styntje! zy kermde daar in, +dat zy nu twee dagen en drie uuren in 's Duivels magt geweest was. O, +'t was zo een dierbaar Briefje! En toen was het, dat zy tegen den +Hypocryt zei, _kom, laten wij een graf graven, ende Zanneke daar in +werpen_; want zy liet my belet vragen; zy hadt zalving voor haar +verbryzelt herte nodig, en Broeder zou dan, nu des Heren yver hem +vervulde, eens regt zielnadereade en gemoedelyk oeffenen. Wat stelde +ik my een gezegent dagje voor! ja, Styntje, ik liet het gemeste kalfje +slagten, en de zegeningen der linkerhand werden niet gespaart. Och, ik +ben toch altoos zo een Kruipertje op het genadenwegje, en was zeer +gesticht. Benjamin was eerst een regte Boanerges, en toen een Zone der +vertroosting; en Slimslamp was geheel in een afgezakten staat; doch +daarna geheel heilige vreugde, zo zei dat Ezeltje. Ik merk, zei de +goddeloze man, dat hier van avond een byzondere zegen over het werk +van myn dienst is. Uw huis is een Bethel, Zuster, een Nieuwkerk, laten +wy dan blyde zyn: drink, Vriendinnetje, je bent al te bedroeft geweest +en je leven is den Sionieten dierbaar. Nu moet je weten, Styntje, dat +ik niets verdragen kan; myn hoofdje is zo zwakjes, zo zwakjes: och ja! +en toen raadden zy my wat te gaan liggen, en dat deed ik. ô Wat +bezorgden zy my! maar ik was danig bedwelmt.--'s Ogtends ontwaakte ik +vry wel, maar ik was toch bezwaart, om dat ik onder zo vele stichting +my door het schepzeltje had laten vangen. Bregt was ook ziek, zei ze. +'t Was laat, toen wy opstonden; zy was stom dronken geweest. Daar ga +ik in myn binnenkamer, en zie myn Geldkoffertje niet, daar het plagt +te staan: "Bregtje, riep ik, heb jy 't Kistje verzet?" "Och neen, zei +ze, is 't weg? en ook 't zou my wat zwaar zyn alleen." Want Styntje, +ik had veel contant geld van afgeloste Obligatiën, en een Huis, dat ik +verkogt had, en myne Juwelen lagen er ook allegaar in; en daar hing zo +een groen kleedje over; och ja, Styntje, Bregt vertelde my toen, dat +Keetje haar wyn hadt ingedrongen, (maar dat zei ze ook eens van myn +Nichtje,) en dat zy haar toen in de keuken op kussens hadden neêrgelegt; +meer wist zy niet te zeggen. Nog dogt ik geen kwaat van die Hellewigten. +Och, dagt ik, Bregt zal de deur hebben open gelaten, en 't Kistje zal +gestolen zyn! Ik zond een kruijer naar Benjamins kamer, en naar die van +Kee; maar de Buren zeiden, dat de Kamers leeg waren, dat zy voor een dag +of agt wel meubeltjes hadden zien wegbrengen, maar wisten niet waarhenen. +Ik ging voort naar Domine P., die my raadde het in de Courant te zetten, +en zo te zien, dat zy in handen der Justitie kwamen, dat zal ik doen. Nu +ben ik wel twee derde deel van myn goedje kwyt. En al myn Nichtjes goed +hebben zy laten staan. Bregt, nu zy weet, dat ik arm ben, bejegent my +vreselyk en vreselyk. Nu zal dat jonge dartele Saartje lachen, en my +bespotten; en de Heer Blankaart, haar Voogd, komt ook t'huis. 't Water +is aan de lippen. Ja, dien man heb ik ook zo belastert; och ja! + +Hy heeft het wel gezeit! Zanneke, zei hy, dat volk loopt op je zak, ze +bedriegen je. Jy bent een regte Saulus, zei ik dan. En wat gaf Benjamin +niet voor, dat hy zo eene innerlyke dingsigheid voor my hadt: hy was jong, +moet je weten; hy hoopte, dat wy nog eens tot éénen vleesche zouden worden, +wy die twee waren van natuur. Wel heden, Styntje, het er niet een heel +praatje gegaan, dat ik één jok met den Broeder zou aantrekken; en heeft +de Heer Blankaart, heel in dat Paapsche Vrankryk, er zich niet mede +bemoeit? Als ik zo alles nadenk, zou ik myn gryze hair wel uit men hoofd +scheuren. Myn geld, myn kostelyke geldje is weg, ik ben bedrogen. Och! wat +ben ik een droevig sukkeltje! En hoe zal myn Nicht nu tot opspringens toe +blyde zyn! Nu zal zy zeggen, straft onze lieve Heer myn Tante, die my zo +kwalyk bejegent heeft. Zie, ik moest je dat zo allegaar eens schryven. +Schryf een lettertje aan + + Uwe elendige Zusje, + + ZUZANNA HOFLAND. + + +[Illustratie: ha! da's een kereltje! zei hij! +Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave +van 1782.] + + + + +HONDERD-ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. + + +_Vriendinne Hofland!_ + +Ik weet nog niet, of ik my over uw geval bedroeven of verblyden moet: +maar ik ben zeer neêrslagtig, als ik zie, dat er zulke goddeloze +menschen in de Waereld zyn, die, _onder den dekmantel der Godzaligheid_, +erger doen dan zy, die niet leven onder de indrukken van Dood en +Eeuwigheid. Gy zyt dan het slagtoffer hunner geveinstheid en godloosheid! +Wat zal ik zeggen! De wegen des Heren zyn onnaarspeurbaar, en de middelen, +die hy aanwendt, om verdoolde schapen tot de regte Kooi weêr te brengen, +aanbiddelyk. Ik verheug my, dat de Here u zo lief heeft, dat hy u juist +ontneemt, daar gy uw hart op gestelt hebt, en waardoor gy altoos in 't +goede te rug gehouden wierdt. Ik heb u lang met meêlyden beschouwt, om +dat ik zulk schuim van Oefningsvolkje kende.--Ik weet, dat men daar, met +oogen vol overspel, en een hart vol boosheid, een vrybrief naar den Hemel +krygt; en ik ben in lang voor een openbaar zondig mensch zo bang niet, als +voor zulk soort. Wel, zo de Apostel Petrus eens in uwe Oeffening gekomen +was, dan zou hy tegen Benjamin ook gezeit hebben: _ô! gy kind der Helle, +vol van alle bedrog en godloosheid_, zo als hy tegen Simon den Tovenaar +zei. + +Ik heb u, daar ik God nog voor dank, gewaarschuwt. Wat zou ik my anders +nu bezwaart gevoelen! Maar gy zaagt my aan voor hunne Vyandinne, en ik +vond geen ingang tot uw verbystert hart. De Here zelf moest u uwe zonden +voor oogen stellen. Gy waart gierig, onrechtvaardig, boosaartig, nydig; +gy deedt uw eige Zusters Dochtertje te kort. De gierigheid zou u voor +altoos bedorven hebben; want gy waart gerust in uwe ongerechtigheden; +men maakte u wys, dat dit uwe Koningszonde was; dat gy zo iets moest +hebben, om u laagjes te houden; zo een _Engel Satanas_, die u sloeg. Hoe +meer gy afweekt van het kenmerk eens waren discipels des Heren, hoe meer +men u wys maakte, dat _gy by Jezus waart_. + +Om u tot bekering te brengen, ontneemt de Here u dat goed, en wel door +uwe geveinsde Vrienden. Gy hadt met Gods oude Volk twee ongerechtigheden +begaan. _Hem, den Springader des levendigen Waters, hadt gy verlaten, en +u zelf gebroken Bakken uitgehouwen, die geen water en houden_. Is u de +Bekeering ernst, wel zie daar, ik geef u een zeer goed Toetssteentje. +Kunt gy Gode hartelyk danken, om dat hy u dat aangebeden geld ontnomen +heeft? Kunt gy u in Gode verblyden, om dat gy uit zulk een _geestlyk +Sodom_ geret zyt? Kunt gy besluiten, om aan uwe Nicht schuld te bekennen, +haar al het hare te geven? Kunt gy den Heer Blankaart om vergeving bidden; +om dat gy zyn Voogd-Kind als gedwongen hebt, om, in hare jonge jaren, de +ruime Waereld in te gaan? Ik vraag u niet, of gy uit waar berouw u voor +den Here kunt vernederen; als gy het eerste doet, zal dat wel volgen; en +kunt gy tot het eerste niet komen, het laatste zal u weinig helpen. Ja, +Vriendinne, het zal danig op den ouden mensch der zonde aankomen. Maar +dit is de ware zelfsverlochening. Dit is de Evangelische Leer. Dit is het +_Innig Christendom_. Buiten dit is alles ydelheid; _dan hebt gy geen +Godsdienst_. Doet gy dit al? dan zult gy vreugde en rust hebben, en gy +zult den Here danken, om dat hy u uwen afgod ontnomen heeft. Gy zult +zien, dat uw verlies tot winst wordt. + +Laat Bregt gaan, zo gy kunt; zy voegt beter by de Benjamins en +Slimpslamps, dan by u. Ik zal u een goed mensch bezorgen, om uw werk +te doen, tot dat wy weten wat en hoe. Vervolg de boze Huichelaars +niet; 't is geld vergeefsch uitgeven, en u zelf tot bespotting +maken.--Als ik weet, of gy mynen raad goedkeurt en opvolgt, zal ik +verder met u spreken. Beproef u aan het Heilig woord, en laat my eens +weten, hoe gy gezint zyt; want daar van zal myn gemoedshandel met u +afhangen. Beproef ook, of myn raad uit God is. Altyd gedenk ik u in +myne gebeden, want ik ben in waarheid + + Uwe Vriendinne, + + STYNTJE DOORZICHT. + + + + +HONDERD-NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Arnold Helmers, Aletta's vroegere +weldoener, schrijft haar: neem neef Pieter, _is zeer geschikt voor +je_. + + +HONDERD-DERTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland komt tot de lektuur van +_Thomas à Kempis_: Imitatio Christi. Brecht _is in een bierkroeg +verzeild_. + + +HONDERD-EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik heeft Sara gesproken; _zeer +zwak, maar beterend_. + + +HONDERD-TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.--Aletta aan Helmers; ze kent Pieter +heelemaal niet! maar haar hart is vrij, misschien.... + + +HONDERD-DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.--Stijntje Doorzicht héél wijs en +vroom aan Zuzanna Hofland: ze haat volk als Benjamin c.s.; van Sara +heeft ze een lieven indruk. + + +HONDERD-VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis bericht Sara de +thuiskomst van Moeder en haar; ze zullen veel te praten hebben. _Zij +weet van de historie met R. niets_. Zij zelf gaat binnenkort trouwen. +Is Smit eenmaal ergens beroepen, dan _blijft_ hij er; _hij is +gematigd, houdt niet van godsdiensttwist_. + + +HONDERD-VIJF EN DERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan H. Edeling; zij +houdt den zieken Hendrik op de hoogte; Sara _gevoelt zich_ H. _nu +vooral niet meer waardig_, toch verlangt ze naar Hendrik, evenals naar +Blankaart, _die al op reis is_ huiswaarts. + + + + +HONDERD-ZES EN DERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED. + + +_Ge-eerde vrouw!_ + +Gy zyt immers niet moeilyk, om dat ik uwen laatsten Brief niet +beäntwoort heb? Hoor, Mevrouw, ik ben niet al te wel te vreden op u, +en knorren op eene vrouw, dat is my onmooglyk; (op een stout meisje +bruit er nog zo wat meê heen.) Maar, zie, ik kan ongelyk hebben: nu, +wy zullen dat appeltje wel schillen; want ik kom t'huis, en 't zal er +onder en overgaan, zo Saartje maar zie zo veel op de kerfstok heeft; +en als het op de eene regent, zal het op de andere druppelen; want men +heeft my zo wat gezegt, dat my verdort en verdort weinig aanstaat. Jan +struksje! als ik evenwel eens bedrogen was? wel, dan wierd ik averegts; +en ik mogt u wel, met een strop om myn hals, en een brandende kaars in +myn hand, om vergeving bidden; zo als ik hier wel gezien heb, dat de +Papen voor de Heilige Maagd deden. + +Nu, dat zal zich wel redden! Ik zal u onderwyl maar eens verhalen, dat +ik met twee goeje, grote, lange Hollandsche Jongens t'huis kom. Ja, ik +heb al rare klugten! Daar kom ik, 's daags voor ik uit Parys gaan zal, +in een Hollandsen Logement, het eenige, dat er in de hele godgantsche +Stad te vinden is; en daar ik meermaal naar toe ga om eens Hollandsche +knap te eeten, en een schoon servet te hebben. Ik zit vredig en wel aan +myn tafeltje; met Snap, myn Patryshond, zo aan myn zy, braaf te schransen, +toen er een fraai jong Heer inkomt, die er uitzag als een bloeijende roos, +en dat neemt my aanstonds ten voordeel van zulke jonge maats in. Hy sprak +zeer goed Hollandsen: jy bent geen Fransch fatsoen, dogt ik, maar wie ben +je? Nu, ik kon dat zo niet vragen: _hei, hoor eens hier! jy, met die +groene rok daar, wie ben je_? Nog geen half kwartier daar aan, of daar +komt myn oude kennis, myn beste Willis. Ik stond op, en gaf hem, op zyn +vaderlands, de hand. Welkom, myn jongen, zei ik: kom, zit aan, en eet wat +met my; en ik vroeg hem duizend vragen te gelyk. "ô, Zei de goeje jongen, +myn Heer Blankaart, wat heb ik naar u gezogt! men zeide, dat gy vroeg +waart uitgegaan, meer niet; ik heb wel in vyftig Coffyhuizen en Logementen +geweest, gy waart er niet; eindlyk zei een Heer, die u scheen te kennen, +dat de goede Heer Blankaart zeker aan zyne Hollandsche maaltyd zat; en hier +uit besloot ik, die uwe gewoonte ken, dat gy in dit Logement waart:" Hy +vroeg my aanstonds naar het stout Dingetje; en ik zei, dat alles wel was; +wat zou ik gezeit hebben? + +Myn mooije jongen hoorde naauwlyks, dat ik Abraham Blankaart was, of hy +kwam by my, en zei, dat hy ook verzogt om de eer van met my te eeten; +"ik kan my niet beter by u recommandeeren," zei hy, "dan door u te zeggen, +dat Hendrik Edeling myn eigen Broeder is." + +Zie, Mevrouw, dat was my zo aangenaam, zo aangenaam, dat ik het niet +zeggen kan. Komt, kinderen, zei ik, zit aan, en weest myne Gasten. Zy +aten als rovers; en de wyn, die 't hart verheugt, smaakte zo goed, dat +ik myn flesje kraakte. Toen aan 't praten over Oost en West, over +negotie, over ik weet niet al waar van. Zie, onze jonge lui weten toch +veel meer dan wy; dat is niet anders; en daar ben ik blyd om. Edeling +zei, dat hy op zyn vertrek naar Holland stondt. Willem zei ook zo; +doch dat hy nog drie dagen moest vertoeven, om aan zyn Patroons order +te voldoen. Wel, zei Edeling, dan zal ik naar u wagten. Ja, zei ik zo, +jonge lui, ik meen ook te gaan. Daar hadt men 't leven gaande! "dat ik +hun toch mede nemen wilde; dat zy toch zo gaarn met my wilden reizen." +Wat zou ik doen? Ik ben een ouwe Gek; om die twee jonge vlasbaarden +werdt myn reis nu nog drie dagen uitgestelt. Nu, wie weet, hoe wel ik +er aan doe? Als 't immers myne kinderen waren, zou ik blyde zyn, dat +zy met een ordentlyk man t'huis kwamen; en ook, 't zyn lieve jongens! +Edeling is niets dan vreugd en vernuft; en Willem, wel, dat is de +beste jongen in heel Amsterdam, zeg ik u. + +Toen wy van tafel opstonden, zei ik: "Kom, jongens, nu zullen wy eens +hier en daar gaan, en het een en ander gaan zien. Die te Romen is, +moet den Paus spreken;" en ik sleepte hen ook braaf door den mostert: +Maar wat ben ik nu in myn kragt! Nu hoef ik myn schrale voorraat van +Fransch niet benaauwt uit te stallen. Dat koetert, dat koetert; 't is +of die Edeling zyn tong voor 't Fransch gemaakt is. Tegen den avond +ging ik met hun naar mynent, en zei: "komt, haal je lui je Valiezen +maar; ik moet je lui by my houden." Wel, myn hart springt op, als ik +een Hollander zie; en geen wonder, myn Snap is net al eens: en dat is +nu maar een hond, wil ik spreken; zo dat ik hield hen beide, en dogt; +"'t Is een verleidelyke plaats; en als zy by myn zyn, valt er niet op +marode[1] te gaan." De beide jongens hebben veel met elkander op; dat +is braaf: men weet niet, waar het te pas komt, een mensch zonder +vriend is een droevig schepzel. Daar was nu Saartjes Vader, wel die +was my zo een waart vriend, dat zyn plaats in myn hart maar niet kan +gevult worden. Mooglyk, als wy zo wat oudägtig worden, Mevrouw, wil +dat zo goed niet meer. _Alles_, zeit de wyze man, _heeft zyn tyd_. +En 't is ook zo; ik ondervind het zelf wel. + +Ik meen myn reis op Brussel te nemen, en het heerlyk Brabandsch +Quartier nog eens door te trekken; dan gaan wy op Antwerpen, daar ik +ook nog iets te doen heb, en denk over Rotterdam naar Amsterdam te +komen, om het overschot myner dagen buiten beslommering door te leven, +tot dat de Here God Abraham Blankaart in zyn zalig ryk zal opnemen; +want dat is toch het voornaamste, en daar by is al ons gedraaf en +gewin maar fut. Ik ben nu ruim vyftig jaar, en schoon ik, God dank! zo +gezont als een visch ben, en noch van ziekte of podagra weet, zo denk +ik, dat het best is om voor de grote reis zo onder de hand wat +klarigheid te maken; want men kan toch nooit weten, wanneer het de +Dood gelegen komt ons te bezoeken, zo dat het best is om altoos gereet +te zyn. Wat zegt gy, Mevrouw? Als ik de stoute Meid maar gelukkig in +het fuikje zie, dan is alles wel. Nu, Mevrouw, zo als ik zeg, ik ben +knorrig op u. _Men hoort verre, dat de Winter kout is: maar, als de +maan vol is, schynt zy overal_. Groet myn meisje, en geloof dat ik van +harte ben + + Uw misnoegde Vriend, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noot: + +[1] Maraudage, hier "avontuurtjes". + + + + +HONDERD-ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER WILLEM WILLIS AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS. + + +_Tederbeminde Hoogstge-eerde Moeder_! + +Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, dat er voor my gelegen is, +in u myne gedagten medetedelen, en om u, het geen my, is het van eenig +belang, ontmoet, te schryven. Uwen dierbaren Brief heb ik met de +oprechtste dankbaarheid en eerbied gelezen. Ik hoop, dat ik u niet ten +eenenmale zal hebben te leur gestelt, omtrent uw verlangen nopens de +beminnelyke Juffrouw Burgerhart. Het geen my hier is voorgekomen, +geeft my, ter bereiking van uw oogmerk, nieuwe vermogens; om dat ik +waarlyk zó wensch te doen, als uwe Moederlyke liefde van my vordert. + +Toen ik te Parys kwam, was myn eerste werk, om den Heer Blankaart op +te zoeken: dit gelukte my, na veel lopens en dravens. Ik vond hem den +zelfden man, als ik hem altoos vond. Hy was zeer verheugt my te zien, +en heeft, om met my, en nog een Amsterdams Heer, Cornelis Edeling, te +kunnen reizen, zyn reis nog drie dagen uitgestelt. Wy logeeren by hem. +Hy moet zeer ryk zyn, want hy leeft hier net als in zyn eigen huis. Gy +kunt wel denken, lieve Moeder, dat ik voort naar myne Beminde vroeg? +'t Was alles wel; zei hy. Des avonds by elkander zittende na dat wy +den maaltyd gedaan hebben, zat hy in zyn praatstoel, en vroeg ons, of +wy nog geen meisje hadden? Ik zuchtte. Edeling lachte. "Dat zou, zei +de jonge Heer, schande zyn voor ons, geen meisje, en drie vier en +twintig jaar!"--"Eer heeft uw hart," riep de goede man, en vreef in +zyne handen van genoegen. "Nu, Willem, (tegen my,) hoe zit het by +u?"--"Hopeloze liefde, myn Heer Blankaart; ik bemin Juffrouw +Burgerhart; en ben overtuigt, dat zy myne Vrouw niet worden kan." +--"Wel, voor haar dan een ander, die u beter lykt:" hervatte hy. + +_Ik_. Daar kan ik niet aan denken. + +_Hy_. Nu, 't is nog vroeg in 't Gasthuis; doch op Saartje moet gy geen +staat maken. Ik zal voor u ook wel een goeje Vrouw opschommelen, en +die voor u veel beter zyn zal; want zie, Willem, al had ik eene eige +Dochter, en gy kost er gelukkig meê zyn, ik gaf ze u, met de helft van +myn goed er by: ik hou veel van u: en ook, hier, onzen Vriends Broêr +verkeert naar haar, en zo zyn Vader my maar niet te veel malens aan +den kling maakt, zal ik haar geven: hy is de man, dien zy hebben moet; +dat zeggen alle menschen, die hem en haar kennen. Kom, je moet niet +bleek worden, Willem; ik zal u óók helpen; jy zult een Vrouw als een +geschilderde paerel hebben: laat ik zelf maar te Amsterdam zyn: ik +weet zo iets voor u, dunkt my. + +_Edeling_. Lieve, goedaartige Heer! mag ik my ook wel in uwe gunst +bevelen! + +_Hy_. Hoe, moet ik voor u ook zoeken? Neen, neen, dat niet: met Willem +is 't wat anders! ik moet hem schadeloos stellen. + +_Edeling_. Kom, ik zal alles maar opbiegten, op hoop van eene goede +absolutie te krygen: maar laten wy eerst uw gezontheid eens oud +vaderlands drinken. (_Wy deden zo, en de Heer Blankaart gloeide van +genoegen_.) + +Ik heb juist, uit vrees voor myn Vader, die de beste, de eerlykste, +maar ook in eenigen opzichte de wonderlykste man is, iets gedaan, dat +my, vrees ik, droevig zal opbreken!--Ik ben daar zo maar op myn eigen +houtje verlieft gaan worden, toen ik te Leiden studeerde. Het meisje +is al, wat men van de Goden zou kunnen wenschen, doch zy, en hare hele +familie, schynen niet zeer in de gunst van een zeker mal, blint, +capritieus, oud Wyf te staan; en zyn daarom niet meer dan burgerlyk +gegoet. + +_Blankaart_. En wie is die lelyke Torntoffel? de een of andere kwezel +van een Tante, denk ik! (_Hy lachte tegen my, of hy zeggen wou, ik +denk aan Tante Hofland_.) + +_Edeling_. Och, 't is een elendig wyf; en ze leeft met de menschen, +als de Duivel met de takkebossen. + +_Hy_. Is 't een Leidsch maakzel? + +_Edeling_. Neen; men zegt, dat zy van Amsterdam herkomstig is, en nu +durf ik, om dat hagelsche Wyf, er nog minder van kikken! want myn +Vader is niet gierig, doch hy zegt altyd, men kan van een mooije tafel +niet eeten; en, dewyl hy my op _het advocaten_ bestelt heeft, zal ik +voor eerst myn geld wel alleen tellen kunnen. + +_Hy_. Maar hoe hiet dat lelyk Vrouwmensch? + +_Edeling_. Mejuffrouw _de Fortuin_. + +_Hy_. ô Gy Platvisch! daar heb je een ouwe rot in de val; (_en hy +schaterde van lachen_.) + +_Edeling_. Wou je nu voor my ook een goed woordje spreken by Papa; +want het zal vreeslyk op myn land waaijen: en zeker, ik heb alles zo +niet bedagt. + +_Hy_. Wel, zo 't buiten dat wel is, daar is myn hand, Jongen. Ik zal +wel zien, dat je er genadiger afkomt, dan je verdient; zie, 't is uw +Vader: en jy hebt niet bon gedaan. (_Hy trok zo een potzig bakkes, dat +ik hem niet aan kon zien zonder lachen_.) + +_Edeling_. Daar is wat aan, maar hoe zal ik het nu redden? Want myn +meisje is al wat ik in de waereld begeer, zo als men zegt: dit is +waar, dat ik haar oprecht bemin, en dat zy my lief heeft: zy is wel +opgevoet, en van een oud eerlyk geslagt. Zo als ik zei, spreek een +woordje voor my, myn lieve Heer Blankaart! + +O! hoe beminnen en achten wy deezen dierbaren man! Lieve Moeder, is +'t niet jammer, dat de Heer Blankaart geen Vader is van een talrijk +huisgezin? Dat zeiden wy ook eens. "Ja, Jongens, zei hy, dat spyt my +genoeg, maar alle brave nyvere goede jonge meisjes en jongens zie ik +aan voor myne kinderen, daar ik ook wel wat goed voor moet zorgen. Ik +zeg altijd, Abraham Blankaart, een eerlyk man heeft altoos erfgenamen, +myn Vriend; en terwyl ik leef, doe ik zo veel goed, als ik maar grypen +en vangen kan. Kom aan, wat had ik nu aan al myn geld, als ik een Nero, +een Niemands-vriend was? En nu, wel ik ben overal welkom. Meisjes, +jongens, jonge Vrouwen, kleine springertjes, al dat goed is om my, als +of er goud uit my te halen is; en ik ken geen groter waerelds-genoegen, +dan bemint en gedacht te zyn van goede menschen: al 't overige is maar +waweling." + +Groet myne lieve Tante, waarde Zuster, en Vriend Smit, dien ik mondeling +hoop te feliciteren, en te bedanken voor zynen Broederlyken Brief. + +Ik ben met de tederste hoogachting, + + Uw gehoorzame Zoon, + + WILLEM WILLIS. + + + + +HONDERD-ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling aan Hendrik: hij heeft +Blankaart ontmoet; voortreffelijk!--Parijs is heerlijk, _de Franschen +zijn sympathiek_. + + + + +HONDERD-NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING. + + +_Lieve Broeder_! + +Ik ben eenige dagen zeer ongestelt geweest, en heb zelf drie dagen het +huis moeten houden. Uw laatsten, uit Parys geschreven, heb ik ook daar +op 't oogenblik ontfangen. Ik verheug my over uw kennis met dien +waarden man, als ook over de gunstige gedagten, die hy te mywaards +voedt: Den heer Willis hoop ik eens met myne byzonderste vriendschap +te beschenken, gelijk ik naar de zyne vurig verlang: ik ben voorbereit, +om hem hoog te achten, en te beminnen. + +Ik zal myn verhaal vervolgen: Zo dra ik het wagen durfde om uittegaan, +ging ik naar het Huis van Mevrouw Buigzaam, en werdt van myne Beminde +met alle tekenen van heuschheid en vriendschap ontfangen. Zy is wat +afgenomen, doch de koortzen houden op; en nu, nu heeft zy eene zagtheid +in haar gelaat, die my nog veel meer bekoort. + +Zy was alleen t'huis: Mevrouw Buigzaam was met de jonge Juffrouwen +naar de Kerk, en Juffrouw Hertog op haar gezelschap. Ik zat by haar, +en nam de vryheid van hare hand te nemen, terwyl ik my informeerde +nopens haren welstand, en zei, dat ik my veel beter gevoelde, 't geen +zy met een zeer merkbaar genoegen hoorde. Deeze gelegenheid, ging ik +voort, is te gunstig, dan dat ik die niet zoude gebruiken, om u +nogmaal van mijne liefde de sterkste verzekering te doen, ik weet wel, +dat de liefde geen vrucht van dwang is; maar ik hoop echter, dat gy my +eens met meer onderscheiding zien zult. Mijne liefde is niet romanesq[1]: +de hoop alleen is in staat, om my te doen volharden. ô! Dat gy my nog +eens beminde; nooit zoudt gy u beklagen, dat gy my den voorrang in uw +genegenheid gegeven hadt! + +_Zy_. Ben ik wel geschikt, om u zo gelukkig te maken, als gy verdient +te zyn? ô Myn Heer Edeling, laat ik, vóór ik een besluit neem, nog +eerst myn karakter beter vormen naar dat der Dame, die ik als myne +Moeder eerbiedig! Ik ben zo bedagtzaam, zo bedaart, zo bestendig niet, +als zy, die uwe liefde verdient, behoort te zyn. Ik vorm my zulke +ernstige denkbeelden van het Huwlyk! Ik vrees, dat ik nog niet geschikt +ben, om myne bespiegelingen altoos tot betrachtingen te verhogen. Ik +wagt den Heer Blankaart binnen weinige dagen; laat ik met hem alles +eens overwegen. En gy hebt immers een Vader, myn heer Edeling? +(_Ik voelde die zet_!) + +_Ik_. Dat is zo: maar kunt gy een oogenblik twyffelen, of myn Vader +zich niet vereert zoude achten met zo eene Dochter? Hy zal mooglyk +eenige bedenkingen hebben, over het geen de goede man _onderscheid van +Religie_ noemt; gy weet, ik behoor tot Lutersche Gemeente, maar de +Heer Blankaart en myn Vader zullen dat wel vinden. + +_Zy_. Indien dat nodig wordt, twijffel ik daar ook niet aan: wat my +betreft, ik zal dit omtrent u zo weinig in aanmerking nemen, als gy +omtrent my deedt. Doch het is nog zo ver niet. + +_Ik_. Uw Voogd komt (zo schryft myn Broeder my,) met den Heer Willis +en met hem t'huis, zij hebben elkander te Parys ontmoet. Hoe aangenaam +zullen deeze drie reizigers zyn! + +_Zy_. Dan krygen wy elk een Broeder t'huis? want Willis is myn Broeder; +als gy hem kent, zult gy myne keuze billyken. + +_Ik_. Dat doe ik nu reeds: ik ken Willis. + +De Kerk ging uit, en wy veranderden van discours. Mevrouw Buigzaam en +de beide Dames waren verheugt, my zo veel beter te zien. Ik bleef er +dien gehelen avond tot tien uuren, want Mevrouw deedt ons de eere aan +om te spelen. Nooit hoorde ik zulk een zielen-muziek. 't Is meer dan +kunst! Ik hoop, dat gy 't eens zult horen. + +Zy nam occasie, om my alleen te spreken, en zei: "daar, myn Heer +Edeling, lees dit geschrift; dan zult gy eerst uwe beminde Burgerhart +recht kennen: zy weet niet, dat er u iets van bekent is. Hou dit in 't +oog." Ik lei het Papier in myn brieventas; en afscheid genomen hebbende, +spoedde ik naar huis om te lezen. Ik at niet, maar ging, Vader gegroet +hebbende, naar myne kamer. Lees, en dan zult gy kunnen bezeffen, wat in +myn hart, onder het lezen, is omgegaan! Ik heb het voor u gecopiëert, +doch moet het te rug hebben, zonder dat gy er iets uittrekt.--Hier op +vertrouwende, geef ik u het + + +VERHAAL. + + +_Dierbaarste Vriendinnen_! + +Ik begin dan aan een Verhaal, dat my onmooglyk is mondeling te doen; +ik schryf dus. Geloof heilig, dat ik het onder het zegel der waarheid +schryve: ô, hoe ben ik in myne eigen oogen gedaalt! Waarom heb ik niet +meer acht gegeven op my zelf; op hen, met wie ik omging; op den raad +myner Willis, en op den uwen, ô beste der Vrouwen! Ik zal boete doen: +ik zal myne dwaasheid afwisselen, tegen de volkomenste geleidelykheid +aan uwe vermaningen; ik zal my zelf zo ver zien opteheffen, dat uwe +vermaningen in goedkeuringen zullen veranderen. En, zo dikwyls als ik +eene te grote zucht voor uitspanningen voel, zal ik in myn Kabinetje +gaan, en dit geschrift, ter myner beschaming, lezen. Laat ik beginnen: + +Ik ging met den Deugniet, gelyk gy weet, in den _Hortus Medicus_, vast +voornemende, om nooit weêr met hem uittegaan; en echter hy was dezelfde +beschaafde, aangename, fatsoenlyke man omtrent my. Hy liet my in den +_Hortus_ alles zien; leidde my veel uit van 't geen ik zag; en ziende, +dat ik zulk een groot vermaak vond in dit alles te zien, stelde hy my +voor, of ik ook plaizier had, om eene zeer fraaije Plaats te zien, van +een zyner Vrienden; de Heer en Dame, zei hy, zyn wel niet Buiten, maar +dat zegt niets, men weigert nooit een fatsoenlyk man om die te zien; er +is zeer veel uitheemsch gebloemt. Ik, die in dit voorstel niets ontwaarde, +dan genenenheid om my te verpligten, stond dit geredelyk toe. Wy gingen +des vry spoedig uit den _Hortus_, de Plantage door, de Muider-Poort uit. +Nooit had ik zo veel geest, zo veel vrolykheid, zo veel levendigs in hem +bespeurt, 't Sloeg vyf uuren, zo als wy buiten waren. "Is 't ver?" vroeg +ik. "ô! Wy zullen er binnen 't half uur zyn, als wy wat aantreden." Ik +deed zo, en 't was bykans zes, toen wy voor een laan stil hielden, die +op een zeer fraai huis liep. Het Hek stondt aan. Hy ging de Plaats met +my op, en den Tuinbaas ontmoetende, vroeg hy, is myn Heer of Mevrouw +t'huis, "neen, was 't antwoord, maar dat is het zelfde." "Wilt gy het +huis niet eens zien?" (tegen my.) "Ja, maar ik zie liever bloemhoven, +dan lambrissementen[2]." Wy traden in 't huis. + +_Hy_. (_tegen den Tuinman_.) Deeze Dame heeft geen thee gedronken; +hebt gy ook kokent Water? Toe, jongen, brengt het schielyk, met het +geen er by hoort; gy weet uw Heer en ik zyn Vrienden. (_De Kerel ging +heen; ik had geen zin aan hem, hy hadt een lelyken uitkyk_.) + +_Ik_. Gy doet te veel moeite, myn Heer, als ik maar een glas bier +mogt! + +_Hy_. Ik geef nooit bier, als de meisjes warm gegaan zyn, en dan stil +zitten. + +_Ik_. Wel, laten wy wandelen. + +_Hy_. Eerst wat uitrusten. (_De Tuinman bragt theegoed, wij dronken +spoedig een kopje_.) + +_Ik_. Kom, nu de bloemen gaan zien; het wordt al tyd. + +(_Hy stondt op, en met eene houding, die my verbaasde, zeide hy, dat +hy my beminde, dat hy smoorlyk op my verlieft was; en dat hy niet +twyffelde, of dit had ik wel gezien; hier aan schreef hy ook de +goedheid toe, die ik had gehad, om met hem te gaan, dewyl men daar in +huis zo gegeneert was. Yder woord ontstelde en vertoornde my: ik zei_: +Gy beledigt my ten hoogsten. Nooit heb ik iets, zelf schaduwachtig, +gedagt van 't geen gy zegt; en zo ik het gedagt had, geloof my, dat ik +niet met u zou gegaan zyn. (_Hy lachte, en wilde my kusschen_.) Hou +af, zei ik; gy railleert te sterk. + +_Hy_. Hoe, neemt gy het dus op? dan bedriegt gy u; want (_en hy zwoer +een duren eed_,) het is my ernst; ik bemin u: gy zult de myne zyn; +(_al weder naar my toe dringende_.) + +_Ik_. Hou u gerust! Gy bedriegt u, zie ik, omtrent my: zo gy my +beminde, zoudt gy my dus niet kunnen vernederen: Laat my gaan, ik wil +hier niet langer blyven. + +_Hy_. Laat my gaan; ik wil hier niet langer blyven! ô, Zo spreekt men +niet tegen een man, als ik ben; en dat op zyn eigen Plaats. (_Ik +bestorf als myn linnen_.) Zie, meisje, al die grote gevoelens zyn by +my niets dan meisjes beuzelaryen. Evenwel, gy zyt nog te bekoorlyker, +nu gy zo een fraai rolletje speelt. Kom, myne Saartje, laten wy +gelukkig zyn; de tyd is kostlyk, zo gy ten minsten dwaas genoeg zyt, +om naar huis te willen keeren. Myn Fagon is anders al Buiten, de +Paarden staan, met de leisels opgeknoopt, op den stal, en in weinige +uuren zyn wy ver van hier; want ik waag er myn beste hartdraver aan. +(_Hy wilde my weder kusschen_.) + +_Ik_. Schelm! Deugniet! Judas! + +_Hy_. Al wat gy maar wilt, myn Engeltje, mits dat gy my gelukkig maakt. +(_Hoe ik te moede was, kunt gy eenigzins opmaken, maar ik hield my +moedig_.) + +_Ik_. Ik ben, zie ik, in uwe magt; maar veel eerder dan uwe verfoeilyke +oogmerken te beantwoorden, zal ik het uiterste wagen; ik zal gerugt +maken, zo gy de deur niet open doet. + +_Hy_. Ik doe geen deur open, en of gy gerugt maakt of niet, het zal +niets helpen; niemand hoort u. Kom, gy hebt u genoeg verweert. Zelden +had ik zo veel werk met myne Lievertjes. Gy hebt gestreden voor uw +harssenschim; dien lof geef ik u; maar nu eisch ik uwe overgave. +(_Ik werd woedent en was door de sterke aandoeningen op 't punt van +te bezwymen; de vrees zelf gaf my kragten. Ik wilde een raam open +schuiven_.) + +_Hy_. Neen, Kindje, daar is voor gezorgt; ik hou om de dood niet van +buren-gerugt. (_Hy werdt, dagt my, kwaadaartig over zyne te leurstelling! +ô Myne Vriendinnen, heb ik my zelf dan iets te wyten, gaf ik aanleiding; +immers niet met myn weten_?) + +_Hy_. Zie zo, 't wordt mooi laat; nu, ik heb zeer goed Logement voor +u; en ik hoop, dat ik u den tyd aangenaam zal verdryven. + +_Ik_. Laat my gaan; 't is nog niet te laat, om in de stad te komen. +(_Hy lachte_.) + +_Hy_. Ziet gy my voor zo een verd... gek aan, dat ik, een prooi onder +myn bereik hebbende, die zal laten weg vliegen? + +_Ik_. Zo ik iets op u vermag, zo gy eenige menschelyke gevoelens hebt +voor een meisje, dat u nooit beledigde; dat nooit het minste oogmerk +omtrent u hadt; dat u voor een vriend, voor een eerlyk man hieldt, +laat my gaan, en ik zal u alles vergeven. (_Ik schreide bitterlyk_.) + +_Hy_. Speel vry denzelfden zang, uit eenen andren sleutel[3]; ik hoor +gaarne _Variantes_, en gy zyt uw onderwerp magtig. + +_Ik_. ô Myn Heer, bespot my niet! God weet, in welk een dodelyken +angst ik ben; ô myne waarde moederlyke Vriendin! ô myn Voogd, wat heb +ik gedaan? + +_Hy_. Wat? wel, gy zyt vry willig medegegaan met een man, die smoorlyk +op u verlieft is, en die u tot zyne _Sultane Favorite_ hoopt te maken. +Want zie, mooi Meisje, ik wend niet voor u te trouwen, ik wil u niet +bedriegen, elk moet zyn rang bewaren. (_Ik zeeg op een stoel neder, en +ik geloof, dat ik op dat oogenblik in staat zou geweest zyn, om hem +een mes in zyn schurkagtig hart te drukken: zulk tergen maakte my +zinneloos. Hy liet my eenige minuten aan my zelf over; maar wat er +toen in myn geest omging, weet ik niet! Hy naderde my weder_.) + +_Ik_. Deugeniet, lieve goede menschen ... ô God! hoort my niemand! +(_Hy nam my op, maar zweeg; doch al myne kragten zich, machinaal, +verzamelende, stootte ik hem van my af; hy beet op zyne lippen en +vloekte_). Toen smeekte ik hem weder, dat hy my gaan liet. + +_Hy_. Ja, op de Fargon. (_Ik bedagt my_.) + +_Ik_. Kom aan, als het toch zyn moet. + +_Hy_. Neen, Meisje, ik versta u. Hier moet gy blyven, geen kuren by +den weg. Ik had gemeent, dat gij goedwillig met my zoudt gegaan zyn, +doch nu is die voorzorg onnodig. + +_Ik_. Vrees voor de gevolgen; gy zyt niet boven de wetten. +(_Hy lachte hartlyk_.) + +_Hy_. Zou ik niet, Liefde? Weet gy wel, dat de Rechter geen notitie +neemt van zo een galanterietje? Kan het my schelen, waar ik ben, denkt +gy? Hadt ik kunnen vermoeden, dat gy my zo veel moeite zoudt gemaakt +hebben, ik had het wel anders overleit. (_En toen drukte hy my zo +sterk aan de hand, dat hy my zeer deed. Ik beefde zodanig, dat hy zelf +deinsde. 't Werdt schemer-avond, en myn dodelyke angst nam alle +oogenblikken toe_.) + +_Ik_. Tyger en geen mensch! Kunt gy my in zulk eene benauwtheid zien; +wat recht hebt gy op my? + +_Hy_. Dat recht, dat yder Ligtmis van myn rang op zo veel meisjes +heeft, als hy goedvindt in zyn Serail te plaatsen. Of wilt gy, (_en hy +tradt naar my toe_), dat recht, dat de sterkere heeft over de zwakke. +(_Ik viel voor hem neder, ik smeekte, ik weende, ik geloof zelf, dat +ik hem myn waarde R. noemde_). + +Ik had al reeds een groot geweld in den stal gehoort, maar 't scheen, +dat hy er geen acht op gaf. Eindlyk kwam de Tuinbaas in den gang +lopen, en riep: Myn Heer, de Paarden zyn met hunne poten in de +leiseelen geraakt; en ik kan het niet meester worden: wat moet ik +doen: Hy riep, (met een vloek,) _u gaan ophangen, voor ik u den hals +breek_. De Kerel ging weêr heen, en zei, dat, zo myn Heer de hand niet +wilde lenen, hy zyn Paarden kwyt was. Razent en scheldent ging hy +heen, en stiet my van de deur weg, die hy toesloot. Naauwlyks was hy +weg, of er ging een deur in het vertrek zagtjes open, en daar kwam een +Boerenmeisje, die my, zonder iets te zeggen, wenkte om optestaan. Ik +deed het aanstonds. Zy sloop met my uit het huis, en verstak my in +haar bed op een zoldertje, dat zy wel ter deeg sloot. Ik wist niet, of +ik droomde, dan of ik wakker was; ik wist niet, of 't bedrog of hulp +was: alles was even onbekent. Het werdt duister; en niemand kwam by +my. + +Eindelyk hoorde ik beneden lieden spreken; myn bloed stolde in myne +aderen, en ik weet niet, of ik lang in onmagt was. Doch 's middernagts +ging de deur open, en het meisje bragt my een groot glas melk met +water, my wyzende niet te spreken. Zy sloot de deur weêr toe, en, +dewyl de maan opkwam, zag ik haar zeer onderscheiden[4]. "Nu slaapt +myn Vader, zei zy, hoor hem eens ronken!" Wie zyt gy, myn goed meisje? +zei ik. + +_Zy_. Ik ben des Tuinmans Dochter, lieve Juffrouw, weest niet ongerust! +ik zal u helpen. + +_Ik_. Laat ik u omhelzen, gy zyt myn Redster. O, gy zult wel beloond +worden! en als gy wilt, kunt gy altoos by my blyven; maar door welk +geluk hebt gy my dus verre geret? + +_Zy_. Dat zal ik u zeggen: myn Vader was druk in den tuin bezig, den +helen dag, met de arbeiders, toen de knecht met de Fargon kwam, en hem +belastte zyn Heer optewagten, doch niet te laten blyken, dat hy zyn +Heer was. Lieve God, dagt ik, daar zal weêr wat agter zitten! want myn +Heer is een heel slegt Heer omtrent de meisjes; maar my heeft hy nooit +gemoeit, dat moet ik zeggen, en zo zeggen al de meiden ook. Nu althans, +ik was in de kamer, toen hy met u in huis kwam, en dewyl ik voor grote +lui wat schaamagtig ben, verstak ik my in de naaste kamer in een +kleêrkast, daar wel twintig rokken in hangen, de eene nog mooijer als +de aâre. Ik dagt, zy zullen wel gaan wandelen, en dan ik gaauw heen +lopen, en dan zien zy my niet: zo dat ik alles hoorde. Zie, Juffrouw, +ik ben Rooms-Kattelyks, en ik bad onze heilige Moeder Gods om hare +bescherming, en ik bad een vyf of zes _Aves_ en _Paters_, zo al in de +kast. Wat kon ik doen? zo als gy weet. En toen viel dat met de Paarden +voor, en toen ging hy heen, en zo haalde ik u, en verstak u in myn +bed. Ik ging voort in den moestuin zo wat wieden, maar ik hield mij +maar zo; om dat ik dan bokken kon, en alles afgluren. Het duurde wel +een half uur, eer alles in 't stal gedaan was, want de Paarden waren +als wilt, en allemaal door de strengen; dat was het maar. Myn Heer +ging in zyn huis, en Vader in 't Boerenhuis. Ik geloof, dat hy +elderments op zyn neus gekeken heeft, toen hy u niet vondt. Hy kwam in +'t Boerenhuis, en vroeg met hele lelyke woorden, waar dit en dat gy +heen waart? Myn Vader zei, dat hy dat niet kon weten, om dat hy het zo +met de Paarden te doen gehad hadt. Toen vloog hy naar 't Hek, en vondt +het open. 't Is gedaan, zei hy: daar is niet op; nu 't is myn verdiende +loon, waarom d-r-de ik het Hek niet toe. Hy liep, als een razent mensch, +al heen en weêr, en toen hy dat ook moê was, belastte hy myn Vader licht +te geven, en hem wat brood en kaas te bezorgen; die deedt dat. Ik was in +huis gegaan: Vader vroeg, waar ik geweest was; ik zei, aan 't wieden, en +dat ik toen om een praatje geweest was; dat was daar meê wel, hy zei my +niets. Wy aten schielyk onze Bry, en hy ging naar bed. Toen kwam ik boven, +en hield my stil, tot dat ik hoorde, dat hij wel vast in slaap was. Zie +daar, zo is de hele zaak, myn lieve Juffrouw. + +Myne blydschap was onbeschryflyk; maar zy verdween schielyk door de +gedagten: hoe zal ik nu door de waarde Vrouw voor een bedriegster, een +valsch meisje, een ligt jong schepzel gehouden, veracht en verfoeit +worden! Wat zal ik doen? Hoe durf ik er weêr heen gaan? Hoe zal men my +ontvangen? Wat zal de brave Edeling van my denken? 't Is mooglyk, dat +hy reeds by ons geweest is. Zal de deugdzaamste der Vrouwen hem +omtrent my misleiden? Wat zal zy kunnen zeggen? En ik had haar zo +plegtig belooft, voortaan my geheel door haar te laten leiden. Hoe zal +Hartog zich verheugen, indien dit geval ruchtbaar wordt. Kan het +verborgen blijven? Heeft my niemand gezien? Maar, 't geen my 't hart +doorboort, hoe zal het teder hart myner moederlyke Vriendin lyden! +door my lyden!... + +Ik was besluiteloos wat te doen. Evenwel, alles al weer overpeinzende, +dagt ik, 't is echter de eenige nu openstaande weg. Ik moet dit +getuigenis geven van myne onschuld! "Ach," zal ik met eene bevende +stem zeggen, "indien ik een slegt Meisje waar, indien ik het oogmerk +had om u te misleiden, zou ik dan te rug komen, ook vóór ik weet hoe +gy my ontfangen zult?" Terwyl ik in deeze gedagten als verzonken was, +zei myn trouwhartig Klaartje, (zo hiet het Boerinnetje,) "Kom, +Juffrouw, nou moest je op je kousjes my volgen, en zo stil als 't +mooglyk is; ik heb onze deur efkes aan laten staan." Ik deed zo, en zy +droeg myn schoenen in haar hand. 't Begon te regenen: de lucht werd +onweerig en donker. ô, Dat was niets! Zie daar wy buiten de deur! Het +bed van den Tuinman voorby gaande, hoorden wy hem diep en gerust +slapen. Ik deed myn schoenen weer aan, en ging met het meisje, agter +de Boerdery om, al zwygende, en aan haar hand. Ik werd doornat, en +moest wel een half kwartier door 't gras; ik vroeg niets, zelf niet, +waar brengt gy my? Toen wy digt by een Warmoezier kwamen, zei zy: +"God dank, dat 's zo ver! Hoor, Juffrouw, ik breng je hier by brave +menschen: maar ik moet, zo dra ik je daar in huis zie, naar myn +Zoldertje: ik moet er op passen, dat ik niet in de kyker raak; 't is +een boos kaerel, als hy begint." + +Zy tikte aan een glas. "Wie daar?" riep een mans stem.--"Ik, zei 't +meisje, doch met een zachte stem, toe laat my in huis; ik ben zo +benaauwt."--"Ik kom je by, kind, zei een vrouwe stem;" en zo ging de +deur open. "Aaltje Buur, zei 't Boerinnetje, ik breng je hier een +jonge Juffrouw, die verdwaalt is, maar zy zal je alles wel zeggen, ik +moet voort." Ik kuste haar, en zei haar, waar zy my vinden kon, haar +een ducaat in de hand stekende, en biddende, zo dra zy durfde, by my +te komen. + +De goede Vrouw ging met my in een agtervertrekje, stak licht op, en +zag met verbaastheid, dat ik zo wel en kostelyk gekleet was, en +Juweelen aan hadt. Ik viel op een stoel neder, en schreide bitterlyk. +Zy maakte vuur aan, lei braaf hout op, want ik trilde van koude, en +myne kleêren dropen. "Kom, lief jong mensch, zei ze, kom, schik aan 't +vuur, en warm en droogje wat, ik zal Koffy koken; maar je bent, of je +de koorts op 't lyf hebt." Zy ging met de kaars in 't voorste vertrek, +en hadt een glaasje in haar hand, "daar, zei ze, Juffrouw, drink dat +uit, ik mag niet zien, zo als je beeft." Ik deed het. Zy kreeg een +tafel met kopjes, en, zo dra 't water kookte, dronken wy Koffy. Myn +Sak, Rok en Pelise droogde zy, en ik begon door de warmte dermate te +verkwikken, dat ik haar eenvoudig, zo kort doenlyk; alles verhaalde. +Maar, zei ik, wat moest gy denken, myn goede Vrouw, toen Klaartje aan +'t vengster tikte? "Wel, lieve Juffrouw, zei zy, dat beurt wel meer. +Als Krynbaas dronken is, (en zins zyn Wyfs dood gebeurt dat maar te +dikwyls,) dan raast hy als een bezetene, en jaagt al wat onder zyn +bereik is de deur uit. Nu is onze Klaartje de Vryster van myn Zoon +Pieter; en zo wy onzen jongen wat by konden zetten, 't zou al een paar +zyn, maar 't is een slechte tyd. 't Is een deugd van een meid, en heur +Moeder was net allëens. Doch, al boodt myn Heer R. myn man duizend +gulden 's jaars, wy zouwen by zo een Dier niet weunen willen. Hy is +zo ondeugent, en daar gaat zo veel om op die Plaats! Maar wy moeten +zwygen; wy zyn maar gemene lui." + +_Ik_. Wat zal je man toch denken van my? + +_Zy_. Ik heb hem daar, met een woord, gezeit, dat ik hem morgen ogtend +alles zal vertellen, en zei, zie maar weêr in slaap te komen, want by +dag moet de man hard werken, voor my en myn vyf kinderen. En onze +Pieter past ook zo op; maar daar zyn nog zulke kleintjes onder: zy +slapen allemaal hier boven ons hoofd. + +_Ik_. Maar zou uw Zoon voor my, met het open gaan van de Poort, niet +een Koets kunnen bestellen, die my tegen kwam buiten de stad? want, +hoe wel ik het by u heb, myn goede Vrouw, ik verlang zo naar huis. + +_Zy_. Heel wel, Juffrouw, als ik denk, dat het tyd is, zal ik hem gaan +wekken, zoo als ik altoos doe: jonge lui slapen vast. Goed, zei ik, en +wy bleven by 't vuur zitten, en zy praatte zonder ophouden; zo dat de +tyd viel my nog korter, dan ik gevreest had. Om drie uuren ging zy +Pieter wekken, die, toen hy my zag, vreemt opkeek. "Kind, zei de goede +Vrouw, deeze Juffrouw is verdwaalt geraakt: en ik nam haar in huis, +toen gy al te bed waart. Ga naar de stad, en haal een Koets, die ten +eersten dit heen moet komen; ik zal met haar u tegen wandelen." +Bestig, zei Pieter, en ging de deur uit. Die Jongman staat my wel aan, +Vrouw, zeide ik. "Ja, God dank, zei ze, 't is een braaf Kind, die wel +zo veel "voor zyn moeder doet, als iemand doen kan; en zwygen Juffrouw, +daar is geen schrift van." Nu, 't zal hem geen schade zyn, zei ik. Ik +deed myn gedroogde kleêren en pelise weêr aan, en zei, daar goede Vrouw, +heb je een kleinigheid, tot een bewys van myn erkentenis. (_Ik gaf haar +vier Ducaten_.) "Zoo véél geld! zei ze, dat durf ik niet aannemen." +O, zei ik, spreek er niet van: ik zal, hoop ik, eens meer voor u doen. +Wy gingen toen de deur uit, en kwamen wel dra op den gemenen weg; de +Koets kwam, ik bedankte Moeder en Zoon, zei, waar de koetsier my brengen +moest, en haalde de gordyntjes voor de glazen. + +Nooit kan ik u beschryven, wat er in myn geest, onder het ryden, +omging. Nu vreesde ik, nu schrikte ik voor dat zelfde, dat my deeze +laatste uuren als myn grootste geluk had toegeschenen;--om thuis te +komen! En toen wy nog maar één gragt te ryden hadden, wenschte ik +byna, dat wy eenig beletzel kregen, dat den tyd rekte. ô Hoe beefde, +hoe trilde ik, toen hy stil hieldt! De klank der schel ging my door de +ziel, en, met de handen voor myne oogen, vloog ik onzen goeden knegt +voorby, naar myne kamer, zo verwart, en bedroeft, gelyk gy, myne +dierbare Vriendinnen, my hebt zien aankomen. + +Zie daar een Verhaal, dat ik met de grootste naauwkeurigheid hebbe +opgestelt. Hoe gy, na het doorlezen te hebben, over my zult oordelen, +moet ik afwagten; en, indien de Heer Edeling by aanhoudenheid my blyft +beminnen, moet hy, alëer ik hem voor my kies, dit lezen. Hy moet +kunnen zien, wie ik ben, een onvoorzichtig meisje, dat geen kwaad +vermoedde, daar zy 't niet zag; en die door haren trek tot vermaken +en uitspanningen, zich in een gevaar gebragt heeft, dat op haar bederf +konde zyn uitgelopen: een meisje, dat God met tranen dankt voor deeze +Ontkoming; en dat voortaan nog meer zich zelf dan anderen zal mistrouwen. + + SARA BURGERHART. + + +Wel nu, broeder, wat zegt gy van zo een Meisje? Moet ik haar nu nog +niet meerder achten, en tederder beminnen? Die immers zyne dwaasheden, +zo rasch hy die ziet, afkeurt, en zich zelf daar over bestraft, doet +alles, wat men eischen kan? Ik heb onder de hand laten vernemen, of de +schelm in de stad was; maar 't schynt, dat hy eerst eens wil zien, hoe +of 't afloopt. Wy bedekken alles onder een diep stilzwygen. Ik zal +voor de brave menschen zorgen, die myn Engel zo getrouw geholpen +hebben; maar dit alles mondeling. Ik verlang onuitspreeklyk naar uwe +t'huis komst: en hoop, binnen agt dagen, dat geluk te hebben. Vader is +zeer vriendlyk, en heeft zelf deernis met my. Hou den braven Blankaart +te vriend, Keesje; ik vrees anders, dat gy al zoo veel met Vader zult +te doen hebben als ik! Vaarwel, myn Broeder, + + T. T. + + HENDRIK EDELING. + + +Noten: + +[1] Hier: kunstmatig romantisch. +[2] Lambrizeeringen. +[3] Toonaard. +[4] Duidelijk. + + + + +HONDERD-VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed heeft uit Indië _een erfenis +gekregen van_ 80.000 gulden van zekeren Jan Bern, zooals blijkt uit +de Honderd-een en veertigste brief. + + +In HONDERD-TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF dankt de Wed. Spilgoed. + + +HONDERD-DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling _geeft zijn koppigen +tegenstand op_; hij is overtuigd door Blankaart. + + +HONDERD-VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis feliciteert Wed. Spilgoed +en in Honderd-vijf en veertigste brief schrijft ze heel lief aan Aletta +Brunier, ook over Sara. + + + + +HONDERD-ZES EN VEERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS. + + +_Ge-eerde Vriendin_! + +Nog spyt het my, dat ik zo weinig tyds te Rotterdam gehad heb. Nu, ik +heb uw Zoon dan veilig in uwe handen gestelt. Myne oogen liepen over, +toen ik zag, welk een Moedergek die Willem is. Wat zyn dat lompe +Heiblokken van kerels, die een man uitlachen, als hem eens een losse +traan ontvalt! Ik ben nu een man, mag ik spreken, die van een kind af +door 't kreupelbosch gejaagt is. Ik heb door menigen zuren appel +gebeten, eer ik zulk een man wierd, door den zegen van God, den Heer; +zo dat ik maar zeggen wil, dat ik harden[1] geleert heb: En als ik +echter daar zo een Goliath van een Luitenant, als een eikenboom, voor +my zie staan, en zyn Zoontje, dat hy in geen ront jaar gezien heeft, +hem in de armen zie vliegen; zonder dat het hem het minste aandoet; +dan denk ik, hoor jy grote Sinjeur, al bulkt gy als een stier, en al +blaast gy als een walvisch, jy bent by my, met al dat gesnoeshaan, +maar een bange bloodaart. Je zult wel dra in je hangmat kruipen. Wel, +wat hagel, moet je dan, om je kop voor 't Land te laten, geen liefde +voor je Land hebben? Zal zo een Bulderbast zyn benen onder zyn lyf +laten weg schieten, als of het zo maar bywerkje was, en dat voor +vreemden? Zal hy dat doen, zeg ik, dien alle de vaderlyke driften in +zyn ziel bevroren liggen? Hoor, dat is by my maar uit, _die geen +gevoelig hart heeft, kan niet dapper zyn_. + +Hoor, Vriendin, als ik u zie, dan denk ik altyd aan Naömi, de Moeder +van Ruth, uit den Bybel. _Willems land is uw land, en Willems God is +uw God_; zo als er in den Bybel staat. En hy moet maar voortaan in +Amsterdam blyven, en eene brave vrouw voor hem zien te krygen. +Tusschen ons; ik weet net zyn slag, eene mooije lieve jonge juffrouw; +en ik zal hem wel aan 't werkje helpen: 't is een aartig schoon kind. +En Tante moet ook haar milde hand maar open doen. Abraham Blankaart +zal geen troef verzaken: Och Heer! ik heb gelds genoeg; en alle brave +jonge lieden zyn myne kinderen; zo dat, zorg daar niet voor. Hy moet +zelf Koopman worden; ik zal zyn Patroon eens, buiten zyn kennis, gaan +spreken. + +Maar nu moet ik u eens een klugtje verhalen: Daar is Brôer Benjamin +met Zuster Slimpslamp met de Noorderzon verhuist, en zy hebben Tantes +Geldkistje meegenomen; (wel nu lach ik my tot een Doctor.) Die malle +Zanne! Nu, zy heeft maar verdiende loon: zy zou naar my geluisterd +hebben; ik zei dikwyls: _Tante, Tante, al dat Bruine goed loopt op je +zak; je zult nog eens van den huig geligt worden: laat ik de kit ereis +voor u schoonmaken, en al dat Jan Rap wegjagen_; maar dan was ik, (dat +Varken!) een godloos mensch, een Saulus, die de Heiligen vervolgde; +plaisierige Heiligen! zie je ze daar niet met Heintje pik, in 't huis +daar naast? + +En dat het hemelsch waar is, dat zal ik u eens gaan uitcyferen. Myn +kleine Meid is ziek, zo als gy weet; nu althans, Tante hadt haar een +Briefje geschreven, waar in zy schreef, dat zy zodanig bestolen was, +en verzogt, of zy haar niet eens zou kunnen spreken, of zy haar alles +vergeven wilde, wat zy aan haar misdaan hadt, en of zy by my een goed +woord zoude willen doen, met nog meer vyven en zessen. Wat doet myn +Sarotje? Wel! dat braaf kind schreef haar aanstonds, dat zy haar alles +vergaf; dat zy by my ten besten zou spreken, en Tante komen bezoeken; +maar zy krygt daar op zulke koortzen, dat zy niet uit kon gaan. En zo +dra ik in de stad kom, en met haar spreek, verzoekt dat lief schepzel +my, om toch eens by Tante te willen gaan, en te zien, hoe het toch +was. Wat zou ik doen? Abraham Blankaart hadt er wel niet veel trek in, +doch het Meisje kreeg er my echter naar toe, en ik begreep, dat ik de +ouwe Babbe niet in nood mogt laten. Ik ging er dan heen, met Snap, zo +by me. Tante deed zelf open, en ontstelde. Nu, zei ik, wees maar niet +ontstelt; uw Nicht heeft my by u gezonden, om dat zy zelf ziek is, en +ik kom zien, of ik u helpen kan; en zo ging ik met haar, die huilde en +balkte, den gang door, daar ik nog iemand vond, daar ik u dadelyk van +zal schryven, zo 't my niet ontschiet, want ik ben zo wat met myn +memorie gebruit. Daar hoorde ik toen van A. tot Z. Tante had +getracteert; zy hadden Tante, die niets verdragen kan, de hoogte +gegeven; en Bregt als een zwyn zo vol gegoten. Toen het ouwe Fatsoen, +die zy te bed bragten, en Bregt, die zy op kussens in de keuken gelegt +hadden, sliepen, hadden zy den aap geligt; en daar was, zeit Zanne, +wel twee derde van haar Capitaal, en al hare Juwelen in. Die malle +weêrgaê! zy hadt haar huis op den Nieuwen Dyk verkogt, en wel voor +twintig duizend Guldens aan afgeloste Obligatien in Contanten; al dat +geld was in Gouden Ryders opgewisselt, en lag in een klein kistje. Dit +wisten die Hagels-kinderen, want Zanne hadt met hen overlegt, hoe zy +dat geld best zou uitzetten. Hoe vindt gy die, Juffrouw Willis? Met +zulk bogt, zulk schuim van volk; die weten veel van geld beleggen! ja, +zie, zo zot is dat oud wyf. Had ik t'huis geweest, zie, ik ben nu een +man, die myn hond geen bedroefde snoet kan zien zetten; maar of ik dat +Paar Vromen ook reis eventjes op het Schavot zou geholpen hebben! Ik +zou die bedriegers zo veel _smeert hem Keesje_ hebben laten geven; ik +zou er eensjes zo balsemiek hebben laten rossen, dat zy zouden geweten +hebben, wat het is _den ouden mensch te kruissigen_; zie ik word zo +satans nydig, om dat zulk varkenvolk de bybelsche woorden zo +misbruikt. + +Maar nu moet ik u eens wat vragen: want zie, Juffrouw Willis, gy zyt +toch maar een _Moeder in Israël_. Wat denkt gy? fop ik my zelf, als ik +geloof, dat een vrouw van Tantes jaren, die zo een Briefje aan Saartje +kan schryven, om vergeving; die aan zo een kleuter verzoekt, om by my +een goed woord te doen, by my, die, zo als ik daar ga en sta, ook maar +een armen zondaar ben; dat zo een vrouw, laat zy zo fijn zyn als zy +wil, geen boos hart kan hebben? 't Is een malle kwezel, en zo gierig +als het Graf; maar zy kan zich nog bekêren; en ik zal haar ook al maar +helpen; zy zal in haar ouden dag geen gebrek hebben, nog in fatsoen +verminderen. Haar lekkere tant zal nog niet eens uitmoeten; want +Abraham Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. Zo dat ik maar +zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen, hoe of 't Christelyk of mooglyk +is, dat myn kleuter zo pront haar geloof verstaat. Zy vergeeft haar +Tante alles van harten, wil haar helpen, haar bezoeken. Och! toen ik +dat hoorde, scheurde ik myn kamisool los; zo was ik aangedaan: ik kon +haast geen adem scheppen, en ik dankte God, om dat ik de Voogd van zo +een meisje mogt zyn. + +Maar ik zou my zelf wel uitschelden voor al wat lelyk is, om dat ik +vrees, dat Saartje ziek is geworden van droefheid, over een +verduivelden Brief, dien ik haar geschreven heb. Zy ziet er zo naar +uit: de rozenwangetjes zyn geheel weg! Hoor, zy ziet er regt droevig +uit, maar wil het nog zo niet weten, dat goede Meisje. Ja! daar kryg +ik heel in Parys een Brief, vol met leugen en laster van Saartje, en +van Mevrouw Buigzaam; en dat Saartje zo aansprong, en dat Mevrouw +alles toeliet, en nog eene menigte lelyke dingen; zonder naam, moet gy +weten. Daar ga ik je, als zo een dolle Hartog, aan 't schryven, dat +het nergens naar leek: en nu hoor ik overal, dat Mevrouw Buigzaam de +deugd zelf, en myn Sarotje niets onbehoorlyks gedaan heeft. Zie, ik +ben zo satans nydig, en zo ik uitvind wie my zo by myn neus gehad +heeft, dan zult gy er van horen: konkels zullen er zwaaijen. + +Hoe ouwer ik word, hoe meer ik zie, dat men de deugd by de vrouwen +moet zoeken. Ja, van die Juffrouw moest ik u nu nog vertellen, die by +Tante zat. Zy hiet, zo als ik hoorde, Styntje Doorzicht; zy was heel +stemmigjes gekleet; een Samaartje, met spelden-kopjes, op een wit +grondje aan; een zedig Kuifmutsje op, daar het bakkesje van een +Heiligje uitkeek: net _Moeder Maria_, zo als ik haar in de Paapsche +Kerken heb geschildert gezien. Dat lieve mensch sprak zo waaragtig +vroom, zy betoonde zo veel eerbied voor God, zo veel liefde tot den +Naasten, zy gaf Zanne zulk een goeden raad, zy was zo minzaam, dat ik, +met myn armen over elkander geslagen, haar aanhoorde, en dagt: zie +daar eenen van die vromen, zo als God maar een om de honderd jaren +zendt, om ons te leren, hoe verre wy het evel brengen kunnen, als het +ons maar recht ernst is. Zie daar, Juffrouw Willis, nu ben ik een man, +die met een Dominé wel eens over een Kapitteltje harwar, maar ik was +stom; zo sprak dat brave Styntje Doorzicht. Eindlyk sprak ik eens +recht myn hart uit, en ik drukte haar de hand. _Myn Heer, gy zyt een +Zoon van den vromen Aartsvader Abraham; gy wandelt voor Gods +aangezichte, en zyt oprecht; een vroom Israëliet, in wien geen bedrog +is_. Och Juffrouw! zei ik, dat ik het wel meen, dat is waar, maar ik +ben van jongs af in veel slommer[2] geweest, ik heb veel gereist en +getrokken, en vele Voogdyschappen gehad. Ik zeg dikwyls, Abraham +Blankaart, Vriend, jy zult veel vergeving nodig hebben, heb toch veel +lief, man! En zo ging ik daar van daan, zo gesticht, of ik in de Kerk +geweest was. En zou een mensch geen struiken uit den grond vloeken, +als hy bedenkt, dat, om een deel Huichelaars, Benjamins en Slimpslampen, +zulke vrome Godvreezende menschen beschimt en versmaat worden. Ik +geloof waaragtig, dat als de Apostel Paulus (Paulus is _myn_ man, +weetje, en Salomon die van Saartje), als Paulus nu leefde en Styntje +Doorzicht gekent hadt, hy haar als zyn wyf zoude omleiden. 't Is nu zo +moeilyk niet, moet je weten, om een goed Christen te zyn, als toen de +man zei, _dat niet te trouwen beter was_; en ik verzoek Juffrouw Willis, +dat gy daar eens op let. Ja, zo eene Styntje zou eene Martelares +geworden zyn. Lieve God! wat zullen toch zulke misselyke stoethaspels +van mannen, zo als ik er een ben, in den Hemel bedroeft afsteken bij zo +een Styntje, by u, by Mevrouw Buigzaam en by Saartjes Moeder! Nu, ik +meen myn ziel eens braaf onderhanden te nemen, haar eens terdeeg _mores +te leren_: ô, mogt het onder uw oog geschieden; gy verstaat my immers +wel! ik wensch nog eens uw man te worden.--Nu--_is het er uit_. Zeg nu +wat gy wilt: _'t is er uit_. + +Duizend groetenissen van Saartje aan u, en aan uwe Dochter. Willem eet +alle middag by my. Ik ben + + Uw nederige Dienaar, + + ABRAHAM BLANKAART. + +Noten: + +[1] Hij is "gehard". +[2] Beslommeringen. + + + + +HONDERD-ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: hij is in +de wolken: _vader heeft_ Sara _aan_ Blankaart gevraagd voor 'm--èn: _de +lasterbrief was van_ Cornelia Hartog!--dat komt uit door Rien du Tout. + + +HONDERD-ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis _is heusch verliefd +op Aletta_; Sara behandelt hem als broer. + + + + +HONDERD-NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED. + + +_Mevrouw, zeer waarde Vriendin!_ + +Al waart gy nu, menschlyker wys gesproken, zoo heilig als een Engel; +(en dat, geloof ik voor my, zyt gy ook maar;) en al wierdt gy ook van +zeven duizend legioenen van Duivelen gelastert, dan zoudt gy evenwel +nog wel zekerlyk zo veel van den mensch hebben, als Moeder Eva, vóór +zy zo lelyk bedrogen wierdt, hadt: kort gezeit, gy zoudt nog wel wat +nieuwsgierig vallen? want vrouwtjes zyn toch niet anders. Ik loop, en +draaf, en klungel daar zo alle daag aan uw huis, puur als of ik naar +u uit vryën kwam; maar dat is zo niet; zulk een fraaije Dame kan in +Abraham Blankaarts pot niet. En 't is of ik nu maar te Amsterdam ben, +om myn tyd met manden uit te dragen: om fiolen te laten zorgen. Zo dat +ik maar zeggen wil, dat ik alle daag aan uw huis kom, om met u eens +alleen te spreken: maar ik heb zo veel te horen, te kyken en te gapen, +en zo myn spikkelatie met die drie Nufjes van meisjes, die, de een +voor, de andre na, in en uit kwispelen en kissebissen; en dan moet ik +er de vreugd in maken, en er zo eens wat meê dollen; en dan zit gy +daar als _de Roze van Saron_ in 't midden, sprekende, onderrichtende, +goedkeurende, minzaam ziende. ô Mevrouw, ik wou, dat onze Schilder +Troost nog leefde; ik liet die groupe schilderen, om er myn +Familiestuk van te maken, mits dat ik er ook in mogt, met Snap zo by +me. En zie daar! dan is de tyd om; en ik heb zelf vergeten, dat ik om +u te spreken gekomen ben. + +'t Is een regenachtige dag. Ik zei, wel heeft Abraham Blankaart er +niet den hooi[1] van, om al weer daar heen te laveren, en myn tyd te +vermallen met die Meisjes? Ik zal t'huis blyven, en schryven 't geen +ik toch aan Mevrouw niet kan vertellen, en Sarot mag er niets van +weten; 't is zulk een olyk platje! + +Dat die zuurkyk[2] weg is, is goed: 't is een verdort gemeen stukje, +voor een fatsoenlyke Juffrouw; maar ik schrijf niet graag over slegte +menschen; ik word dan maar nydig en bedroeft. + +Om dan myn vertelling te beginnen; want nu weet gy nog zo veel als +gisteren: zo dat ik maar alleen dit zeggen wou! Daar heb ik een bezoek +gehad van den Agter-agter-klein-agter-Zoon van Marten Luters ouden +vriend, Casper Edeling, van Jan Edeling! en wy hebben te saam over het +Geloof, en de zoete Meisjes, eens heldertjes gebakkeleit. Hij wagtte +my in myn zydkamer. "Zo, Marten-Broêr, zei ik, welkom."--Uw Dienaar, +myn "Heer Blankaart;" en hy keek, of schoppenboêr ook nog van zyn +Familie was; zo, dagt ik, dat zyn de oude grillen. Ik zei des, wel +fraai buigende, dat ik toch beter ken dan zo een oude podagrist: "Uw +dienaar, myn Heer Edeling;" en ik gaf hem een fauteuil. Dus begon hy, +terwyl hy de glazen uitkeek. (_Ik, niet lui, ging over 't horretje +gluren; ja, zo moet men met die wonderlyke menschen, omgaan, of zy +denken, dat de Drommel hun niet wys genoeg is_.) + +_Edeling_. Nu, daar is myn Zoon Hendrik dan verlieft op uwe Pupil. Hy +ziet er uit, of hy uit een belegerde stad komt, en mymert, en zwygt, +en ik heb gister het eens op hairen en snaren gezet, maar 't is of ik +met myn kop door dien muur wil: en hy wist my nog een hope te zeggen: +die eigenwyze jongens! Ik ben ook moeilyk[3] op hem.--Gy zegt niets? + +_Ik_. Wat heb ik met uw en uw Zoons gemor te doen? Ik zie niet, waarom +ik iets zeggen zou. 't Raakt my niet; en ik _wil_ my er niet meê +bemoeijen. + +_Hy_. Wat! raakt het u niet? En dat de jongen knapen zo met het Geloof +omspringen? Ei zeker, zou ik myn huis tot een Noachs-Ark, of een +Remonstrantsche Kerk maken? + +_Ik_. Wel, hoe satan heb ik het? Heb je niet uitgeslapen? of maalt je +de geest? Nog eens, wat bruit my uw gekibbel met uw Zoon? + +_Hy_. Wel, hy wil Juffrouw Burgerhart hebben, al is zy gereformeert. + +_Ik_. Wel, ik wil haar niet geven in eene Familie, die haar niet met +liefde en achting ontfangt. + +_Hy_. Wat moet ik dan doen? + +_Ik_. Dat's _uw_ zaak. Gy zyt Vader. Uw gezag zal zeker met verstand +gepaart gaan. + +_Hy_. En daar is nu myn Zwager, de Pastoor Redelyk, die praat even +eens als gy, en zyn Vrouw ook. + +_Ik_. Nu, als je my niets anders te vertellen hebt, kon je de moeite +wel gespaart hebben, om by my te komen. Hoe ik over den Godsdienst +denk, weet gy. Wilt gy geene Gereformeerde vrouw aan Hendrik geven; +wat geef _ik_ daaröm? + +_Hy_. Wel, waaröm laten wy onze kinderen dan yder in onze Kerk +opbrengen, en hun geloof leren, by Kategizeermeesters van onze eigen +Leer? + +_Ik_. Om dat wy--laat ik zwygen! Hoor, Paulus is myn man. Wat zeit +die? _Onderzoek de schriften_. Dat klinkt u wat anders voor den snoet, +dan _zyn Geloof te laten leren_. Weetje wat, Jan Edeling? daar is nog +maar te veel _Papery_ onder de Protestantsche Christenen. Wy razen en +duiveljagen tegen den _Antichrist_, tegen _den Gog_ en _den Magog_, +tegen den _Paus_; en ydere Dominé wil Paus zyn in zyn Kerk, en ydere +Vader Heilige Vader in zyn huis zyn. Kom aan! daar is uw Zwager (ei, +ik wist dat niet, is hy uw Zwager?) Redelyk; wel, die vrome wyze man, +zegt gy zelf, dat net denkt als ik; zo dat, ik hoef my dat niet te +schamen. Hoor, jou geloof is een enkel _toeval_; want je hebt er +magtig veel toe gedaan, hebje niet? om van Lutersche Ouders geboren te +willen worden. Wel, Jan Edeling, Jan Edeling, 't lykt nergens na: maar +dat gy uw braven Zoon, als zo een regte Nero, niemands-Vriend, van +liefde kunt zien sterven, om een deugdzaam meisje--op myn ziel, (_en +ik sloeg op de tafel_,) uw geloof is 't regte geloof niet! + +_Hy_. Hoor, Abraham Blankaart, ik zou met al myn hart u om het Meisje +voor myn Heintje verzoeken, was zy van zyn Geloof. + +_Ik_. Wel, ik wed om een Visje, dat zy van zyn Geloof is. + +_Hy_. Hoe? wat? heeft zy dan haar Kerk verzaakt, en dat om een man? + +_Ik_. Noch 't een noch 't ander; en evenwel ik wed met u. Zie, zy zyn +het immers daar in eens, en dat's wel een fondamenteel stuk van +eenigheid, dat zy met elkander gelukkig kunnen zyn, en dat gy het hen +maken kunt. (_Hy gaf my zo een knorrige meesmuil; en toen begon hy +weêr op nieuw te zagen, en van 't Geloof, en van elk in zyn Kerk, dat +my 't bloed zo al wat begon te krieuwelen_.) + +_Ik_. Nu wil ik in myn huis niet langer dat gegons verdragen. Gy zoudt +beter doen, als gy eens een Kapitteltje in Sint Jan las: die brave +Apostel zal het u zoo ouwerwets zeggen, dat gy wel voelen zult, waar +de wind van daan komt. Maar ja, de Bybel daar leest men niet in, dat +klungelt en sjouwt met Huispostillen, en Uitleggingen, die geen pyp +tabak waart zyn: en Gods heilig dierbaar woord, dat ligt, met zilveren +sloten, in het beste vertrek daar braspenningen te zweten. (_Hy +lachte_.) + +_Hy_. Daar is myn hand, Brammetje; jy bent toch een man, die my lykt. +Ik moet nu myn hele les leren. Hoe moet ik dan met myn jongens leven? +want ik heb nog ergens zo een suppliant in de wyde waereld. + +_Ik_. Wel, als ik zulke jongens had, en zy hadden liefde voor brave +meisjes van de Protestantsche Kerk, en zy verzogten my, om haar te +mogen hebben, wel, dan zou ik zeggen: ziet; Kinderen, dat staat my +bestig aan. Ik zal zien, dat ik elk zyn Vryster bezorg, en je allebei +in goeden doen stellen, om wat te beginnen; en dan zou ik met myn +jongens eens op 't goed succes drinken, en door myn gang lopen +tierelieren, als of ik zelf nog maar twintig jaar waar. Hoor, Jan +Edeling, dan zult gy vreugd en genoegen hebben, en je kunt voor je +dood nog Grootvader van een kleine kabauter of agt wezen. + +_Hy_. Gy hebt gelyk! Ik verzoek u dan om het Huwlyk; en als ik het +zeg, meen ik het waaragtig. 't Zal my tot eer zyn, Juffrouw Burgerhart +myne Dochter te mogen noemen. Zal hy ze hebben? + +_Ik_. Met al myn hart; en ik hoop, dat zo uw andre Zoon ook maar een +braaf deugdzaam meisje kiest, dat gy dan ook even redelyk zult zyn. + +_Hy_. Zie, Bram, zo ben ik nu ook weêr, als ik iets doe, doe ik het +terdeeg; ik hou niet van dat krummelwerkje. Hoor, _als ik over den +hond kan, kan ik ook over den staart_. Als Cornelis het wel maakt, +en hy een ordentelyk meisje wil, gierigheid daar aan heb ik my nooit +bezondigt; ik wil maar baas zyn, en gelyk hebben. + +_Ik_. En juist daarom hebt gy geen oogvol recht op iemands hart; +alles, wat men, als men van u afhangt, doen kan, is bang voor u te +zyn. + +_Hy_. Gy hebt waarlyk gelyk: maar ik zal zien, dat ik dien _ouden +Adam_ er uitramei. + +_Ik_. Dan zult gy de beste man van de Waereld zyn; en myn Meisje zal +geen der minsten zyn, die u 't leven aangenaam zal maken. Nu zult gy +eerst gaan ondervinden, hoe gelukkig men is, als men de _beminde_ +Vader is van brave kinderen. + +_Hy_. Ik heb meer voor myne kinderen gedaan dan duizend Vaders doen; +ik heb nagt en dag gewerkt voor hen, ik gaf altyd in de ruimte.... + +_Ik_. (_hem in de rede vallende_.) En met dit al, gy zyt wel +gehoorzaamt, wel geëerbiedigt, maar ik vrees, dat uw eigen kinderen +u niet beminnen, zo als zy u zouden bemint hebben, als gy wat min van +het meesteragtige, en wat meer van het Vaderlyke getoont hadt. + +Na nog wat pratens ging Marten Neef heen, zo wel gehumeurt, en zo +zagt, als hy zeker nog nooit, zedert hy alleen gaan kon, geweest is! +Waarlyk, 't is een goed eerlyk allerbest man; maar omtrent zyn vrouw +en kinderen was hy, en dat alleen uit grilligheid, een regte +_Bullebak_. + +Dat zit daar heel gek, en wel dubbel gek met Tante. Dat Janrap heeft +haar tot op 't gebeente uitgemergelt. Maar myne kleuter spreekt zo ten +goeden, en verzoekt zelf, om uit haar geld Tante wat te ondersteunen, +dat het een lust is om te zien. Ik ben daar eens by die beste vrome +Styntje geweest, (ja, ik leef onder en boven den grond!) en ben met +haar overeen gekomen, dat zy Tante in huis zal nemen, en onder haar +bestuur, vatje het? en dat ik het met haar wel maken zou. Maar ik wil +dat voor het ouwe wyf niet weten; wel, wat hoeft dat? Die allerliefste +vrome ziel zal myn Saartje eens bezoeken, zo een zin heeft zy in 't +meisje. + +En nu moet ik u eens aanspreken, want gy zyt _het Vrouwtje van +Thecoa_,[4] uit den Bybel. Ik wou u eens vragen, of Juffrouw Letje +t'avond of morgen niet een goede vrouw voor Willis zyn zoude? of zyn +er al Kapers op de Kust? Het meisje komt my zo wél voor, en ik zie +heel wel, dat zy ook by u twee witte voetjes heeft; en dat zou zy niet +hebben, zo zy geen goed jong kind was; en myn Saar houdt zo kragtig +veel van haar. Nu, denk er eens aan: ik zou dat graag zien. Haar Broêr +heb ik gekent als het olykste Salet-rekeltje, dat er op Gods aardbodem +was, maar hy wordt een heel ander mensch: ik ben ook zyn vriend; doch +Edeling, die my zegt, dat hy het beste hart van de waereld heeft, en +zo goedaartig is als een kind, heeft vóór, hem een beter bestaan te +bezorgen.--Ja, ik wou wel wat zeggen, maar het wil er niet uit; +evenwel het deedt my zo goed, toen ik het hoorde, dat myne oogen +overliepen! Ik kan 't niet zwygen. Hy is het, die aan Edeling uwe +verlegenheid, door een ryken schacheraar u veroorzaakt, vertrouwde[5], +er by voegende: "Myn Heer, ik heb geen geld, anders zou ik of Letje +het al afgemaakt hebben; maar zeg het de brave vrouw nooit, dat ik het +ben, die u dit zeide:" en hy sprak van u, als of gy zyne Moeder waart. +Moet zo een jongen geen goede gronden hebben? Moet hy niet beloont +worden? Wat zegt gy? Nu schei ik uit, en ben + + Uwe oprechtste Vriend, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Meer dan genoeg. +[2] Cornelia Hartog. +[3] Boos. +[4] Stad bij Bethlehem. Joz. XV. +[5] Vertelde. + + + + +HONDERD-VYFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER R. AAN DEN HEER G. + + +_Broeder Lichtmis!_ + +Razent, woedent, helsch kwaadaartig over myne mislukte onderneming! In +myne eigen strikken gevangen! Maar wie kon denken, dat er een Burger- +meisje in de waereld was, die een man, zo als ik ben, tegenstand zou +bieden? Wat moet ik denken; zou er waaragtig zo iets zyn, dat deugd +genaamt wordt? Ei, wisjewasjes! Kinderlyke vooroordelen; dat is 't al, +en anders is 't niets. Nooit heb ik my zo misrekent! En niets dan schrik +kan my haar bezorgt hebben. Zie daar! daar raken de Harddravers met een +poot of drie in een der leizels, die ik bevolen had optestrikken, om +toch gereet te zyn, zo dra zy besloot my te volgen. Er was niemand op de +plaats dan de Tuinvent. Ik moest helpen of myn beste Paarden verliezen. +Ik sluit de schone meid in de kamer, verzekert, dat zy myne gevangene +moest blyven. En in dien tyd, dat ik in den stal ben, is zy 't ontsnapt. +'t Is my volstrekt onbegrypelyk, want er was niemand op de Plaats dan +de kerel en ik. Ik kom weêr, doe de deur open, vind haar niet, sta als +een driedubbele gek, loop het huis uit, raas, stampvoet, vlieg by Kryn +in huis; alles vergeefsch; loop naar 't Hek; ja, 't Hek was open, en ik +begreep, dat het niet voor my geraden was, haar na te zetten. Waar zy +belant is, weet de Drommel; doch het scheen my hoognodig, om, vroeg in +den morgen, weg te ryden; ik ging naar Utrecht, en van daar op Arnhem; +thans ben ik op Pruisischen bodem, en laat my ligt Hofraad maken; 't +kan te pas komen. Hoort gy niets? Alles zou ik nog vergeten kunnen, +maar ik bemin haar tot myn straf. Dit maakt my dol op my zelf, en met +dit al, het is niet anders. + +Als gy niets beters te doen hebt, kom dan by my, en breng Philips +mede, op dat ik ten minsten een paar guiten heb, op wie ik al het +onweêr myner gehoonde en van liefde gemartelde ziel vryelyk mag +uitgieten. + + T. T. + + R. + + + + +HONDERD-EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis laat Blankaart _een +blauwtje loopen_. + + +HONDERD-TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Hendrik schrijft Sara een solide +liefdesbrief. + + +HONDERD-DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Sara antwoordt hem niet minder +degelijk; _er ligt haar nog iets op 't hart; ze denkt dat_ Hendrik +_nog niets weet van 't geval met_ R., maar uit de Honderd-vier en +vijftigste brief blijkt dat hij alles wist. + + +HONDERD-VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis noemt haar verloofde +Smit "waarde vriend"--deelt hem de _officiëele verloving mee_ van Sara +en Hendrik. Blankaart was zeer ontroerd, doch lachtte zijn tranen weg. + + + + +HONDERD-ZES EN VYFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Myne Tederbeminde!_ + +Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, om te schryven, in die +droefgeestige uuren, dat ik uw gezelschap moet missen. Ik weet, myne +Liefde, dat de Betaamlykheid my de wet stellen moet; dat ik myne +affaire moet benyveren, en voldoen aan die onderscheiden pligten, die +ik voor my te doen vinde: ik kan u des maar weinige uuren 's daags +zien. Al den tyd, dien ik kan uitsparen, gebruik ik echter om aan u +te schryven. + +Gy hebt u dan met welberadenheid aan my verbonden, en, schoon de +gelukkige dag nog niet bepaalt is, zo hoop ik, dat hy nu haast zal +aanbreken; iets, waarom ik vurig bid. + +Myn waarde Vader, die myn geen woord gezegt heeft van zyn voornemen, +om u te komen zien, verhaalde my onder het avondeeten, dat hy by u +geweest waar, om u veel zegen te wenschen met uwe Verjaring. "Zie, +Hendrik, zei hy, 't is een aartig meisje, maar 't is of zy bang van my +is. Zy was wel beleeft en vriendlyk, maar toch zo niet, als zy tegen +haren Voogd (die er ook inkwam,) zich gedraagt: en dat spyt my; want +ik meen het kind wel te doen; jammer, duizend jammer! dat zy niet van +ons Geloof is." + +_Ik_. Juffrouw Burgerhart zal, zo dra zy weet, dat gy vriendelyke +gemeenzaamheid niet voor kleinachting in jonge menschen aanziet, u +zeker zo behandelen, als gy wenschen kunt. + +_Hy_. Wel, dat's al een raar Compliment, Hendrik. Ben ik dan zo een +Niemands vriend, dat de jonge lieden voor my vrezen? dat zou my +spyten! + +_Ik_. Myn waarde Vader, trek er toch dit gevolg niet uit! Gy weet, hoe +pligtmatig ik altoos omtrent u gehandelt heb, en den Hemel dank voor +den braven Vader, dien hy my gaf. + +_Hy_. Ja, ik zie zelf wel, dat ik zo niet ben als uw Oom Redelyk, of +als Blankaart, maar dat is zo myn humeur. Nu, zal 't haast lukken? +Wanneer gaat het Huwlyk aan? + +_Ik_. Zo dra wy een huis hebben, denk ik. + +_Hy_. Wel, is dat de zwarigheid? wagt, met je Vrouw, de occasie hier +by my af: of wil zy niet by zo een knorrig man zo lang komen inwonen? + +_Ik_. Daar is geen woord over gesproken; maar ik ben wel verzekert, +dat myn aanstaande Vrouw over haar Mans Vader dus onheusch niet zal +oordelen; en ik bedank u by voorraad allerhartlykst voor deeze +aanbieding. + +_Hy_. Waar is uw Broeder Cornelis? + +_Ik_. Die eet by den Heer Blankaart. + +_Hy_. Wel is 't waar! alle jonge lui zyn even gaarn by hem; maar 't is +ook de beste, de braafste man van de waereld. Hy heeft my ook al zo +eens aan 't oor geweest over uw Broêr. + +_Ik_. Ja, myn lieve Vader! Keesje heeft, toen hy te Leiden studeerde, +eene Juffrouw leren kennen, die hem boven alle behaagde; en dewyl de +Heer Blankaart die familie kent, en roemt, zoo is 't niet vreemt, dat +hy een woord voor myn Broêr gesproken heeft: zy is niet ryk.... + +_Hy-. (_my in de reden vallende_.) Ben ik dan een gierige schrok? Heb +ik ooit op geld gezien? Als 't anders wel is, zal dat wel gaan; maar +al weer niet van myn Geloof, denk ik? + +_Ik_. Dit weet ik met geen zekerheid: de Heer Blankaart zal u alles +wel berichten. + +_Hy_. Nu, 't is nog zo verre niet. Hy moet eerst wat praktyk hebben. +Ik hoop, dat hy die zaak op het Oostïndische Huis, voor Mevrouw +Buigzaam, maar wel en spoedig zal afdoen: zo hy zich ooit met slegte +zaken bemoeit, ontërf ik hem; geen schelmen in myne Familie, zou ik +hopen: dan nog liever Gereformeerde meisjes tot Schoondochters! + +Zie daar de kaart van 't land, myne Liefde, indien gy den braven man +weder mogt ontmoeten. Hy zal u zeer lief hebben, maar het u nooit +zeggen; hy zal u overhopen met presenten, en zien of hy op u keef: +Beter hart dan het zyne is er niet. + +Myn Broêr praat bykans zo veel van u als van zyn meisje, en houdt niet +op van te zeggen, dat gy, uit alle meisjes, juist die geene zyt, die +my gelukkig kan maken. + +Nu zal ik u verslag doen van myn Bezoek by den Warmoezier. Ik ging er +deezen namiddag heen. De vrouw was bezig met groenten te wassen, +geholpen door een jongen knaap; de man was in den Tuin. + +_Ik_. Goejen dag Aaltje-buur, hoe gaat het al? + +_Zy_. (_Zeer verwonderd opkykende_.) Heel wel, myn Heer, maar ik ken u +niet! + +_Ik_. Gy kent evenwel, denk ik, eene jonge Juffrouw, die gy een dienst +gedaan hebt, welke ik moet trachten te belonen? Is dat uw Zoon, +Pieter? + +_Zy_. Ja myn Heer, dat's Pieter; en dat is myn man, die daar zo druk +bezig is. + +_Ik_. Myne goede vrouw, zo 't u gelegen komt, wilde ik u wel eens +spreken. + +_Zy_. Als 't je belieft, myn Heer. (_Zy ging met my onder een zwaren +Olmenboom op een Bank zitten, die wat van 't huis afstondt_.) + +_Ik_. Vrouw, gy hebt, door die jonge Juffrouw in huis te nemen, en +veilig in de stad te bezorgen, my een dienst gedaan, dien ik u niet +kan belonen; doch ik zal u echter myne erkentenis bewyzen. + +_Zy-. Wel, myn Heer! wel, myn Heer! dat is al dubbelt en dubbelt wel: +die zoete Juffrouw heeft my vier gouwen Dukaten, en myn Zoon nog een +gegeven; dat waarlyk veels te veel was. En wie, al was hy een Heiden +of een Turk, zou zo een aller liefst jong mensch niet in huis genomen +hebben, in zo een droevige omstandigheid? Wil ik u wat zeggen, myn +Heer? al had ik geen rooije duit gekregen, ik zou 't even lief gedaan +hebben; ik heb ook kinderen; en hoe bly zou ik zyn, als myne kinderen +ook in nood en verlegenheid brave menschen vonden! maar die ondeugende +R. zal zyn loon wel krygen. + +_Ik_. Gy spreekt wél; gy verdient achting. Maar zou ik dat lieve +Klaartje ook niet eens kunnen zien? gy ziet, ik weet van de geheimen. + +_Zy_. (_Zy lachte_.) Pieter toe, ga eens even by Kryn-Baas, en vraag, +of Klaartje hier niet eens kan komen; maar je moet niets van dezen +Heer zeggen. (_Pieter ging op een draf, en in een kwartier kwam hy met +Klaartje te rug_.) + +_Ik_. Wel, dag schoon kind, ik moet u de groetenis doen van zekere +jonge Juffrouw, die zeer verlangt om u eens by haar te zien. + +_Klaartje_. Zo, myn Heer; wel, ik zou gaarn eens gekomen zyn, maar ik +durfde niet om myn Vader; die moet er niet agterkomen, of 't zou er +bedroefd uitzien. 't Heerschap jaagde hem heen', en wat zouden wy dan? + +_Ik_. Gy hebt gelyk. (_Onderwyl was Moeder haar Man gaan roepen, die +ook nu by ons kwam; een ordentelyk man, dunkt my_). + +_Zy_. Zie, myn Heer, ik heb Vader zo eens een woord gezeit, maar hem +dunkt ook, dat wy wel zes-dubbelt beloont zyn. + +_Hy_. Ja, dat denk ik, en zo ik de zonde niet ontzag, ik zou zo een +deugeniet, zo een verleider van jonge meisjes kunnen kloppen, dat hy +'t opstaan vergat; dat zou ik! (_en hy zette zyn hoed in de oogen_.) + +_Ik_. Hy en zyn soort verdienen niet beter, maar laten wy van wat +anders praten: deeze jonge vrienden zyn Vryster en Vryer? + +_Pieter_. Ja, myn Heer, met God en met eeren, en ik heb haar ook +miserabel lief, ook Klaartje? (_Klaartje kreeg een kleurtje en +zweeg_). + +_Ik_. En waarom gaat het Huwlyk niet voort? + +_Klaartje_. Dat geloof ik, myn Heer, ik heb maar twee-honderd guldens +voor Moeders erf, en Albert-Baas kan niet meê geven; de menschen +hebben zeven kinders, en men kan zonder geld niets beginnen. + +_Ik_. Wel, Albert-Baas, als de jonge lui nu in staat waren om zich te +redden, zou het dan wel zyn. + +_Hy_. Dubbelt wel, want wy houwen maar elendig veul van Klaartje; ook +Wyf? + +_Ik_. Wel, kom aan. Zie naar gelegenheid uit, en als je op je slag +bent, laat het my dan weten: zie, hier is een beurs, daar genoeg in +zal zyn om te beginnen: daar, Moeder doe jy uitdeling, en geef er zo +veel van als gy goed vindt: gy zyt allen hupsche menschen. + +De vrouw was verstomt, de man keek of hy zei: "droom ik, of waak ik?" +en Pieter omhelsde zyn meisje, uitschreeuwende; "nou ben je evel de +myne, nou word ik jou man;" en hy kuschte haar, of hy haar wou +opeeten. Nou, zei hy, ik ben op dien Heer "niet jaloersch, geef hem +een zoen voor zyn goedheid." Zy deedt zo, met een ware eenvoudigheid, +die my aandeedt. Na nog wat pratens, ging ik te rug, en kwam maar +juist van pas binnen. + +Ik twyfel niet, myne Liefde, of gy zult te vreden zyn met myne wyze +van doen. ô Wat vindt men schone karakters onder zulke gemene lieden! +Laten wy, zo veel wy kunnen, die toch wel doen. + +Nu zal myn eerste bezoek by uwe Tante zyn. En dat lieve mensch, 't +welk gisteren by u was, moet ik nader leren kennen. Dit is al +Christelyke deugd! en hoewel 't gezont oordeel wel eens voor een +weinigje te vergetrokken yver schynt te wyken, dit is niets, daar een +mening zo oprecht, en het voordeel zo uitgebreit is. + +En nu, myne Liefde, bid ik u, dat gy uwen Edeling niet langer laat +reikhalzen naar een geluk, dat hy zo vurig wenscht, en dat hy met zo +weinig geduld kan afwagten. Myne Zielsbeminde! gy hebt myn koel, al +te onverschillig karakter opgevyzelt tot dien graad, die my alle myne +zedelyke en machinale verrichtingen met vuur, met deelneming, met +vaardigheid en gemaklyk doet uitoeffenen. Liefde voor een waardig +Voorwerp, veradelt den Mensch; zy leidt ons daar, daar wy, in al wat +goed, wat groot, wat nuttig, wat heilzaam is, voor ons en anderen, +komen moeten. 't Wordt middernagt. Ik moet eindigen, om u niet +ongehoorzaam te zyn. Wel dan, ik ga slapen. Rust zagt, myne Beste, +en ontwaak onder de bescherming des Algoeden. Eeuwig ben ik + + Uwen + + EDELING. + + + + +HONDERD-ZEVEN EN VYFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS. + + +_Ge-eerde Vriendin!_ + +Al heb ik nul op het request gekregen, daarom blyf ik evenwel dezelfde. +Hoe, wat? zoudt gy my tegen uw zin nemen? Wel nog mooijer! Neen, +Vriendin, ik heb u van harten gevraagt, doch het stond u vry, om my +af te wyzen: Nu zal ik al vast als een _niets beduidend oud Vryer_ +sterven. Want trouwen zal nu wel agter blyven. + +Ik zal echter nog zó veel goeds in de Waereld doen, als ik maar grypen +en vangen kan; want zo maar het leven, dat God de Heer my geeft, met +geld winnen en boekhouden te verpierewaaijen, dat was nooit te +verantwoorden: Me dunkt, dat het er schraaltjes moet uitzien, als een +Christen mensch in den Oordeelsdag evel niets kan opnemen, dat zo iets +de pyne waart is, zo als onze meeste ryke luidjes toch doen. Neen, ik +hoop te kunnen zeggen: "Here! ik ben, en dat is maar niet te ontkennen, +een zondig mensch; ik ben maar een oud Vryer; maar ik heb zo veel goeje +menschen wel gedaan, als ik maar belopen kon; ik heb kwaaje zoeken wyzer +te maken; ik ben niemand ooit hart gevallen, en ik deed dit zo alles, om +dat ik uwe geboden lief had, en uit dankbaarheid, om dat ik zo gezegent +op de waereld was, alles tot lof Uwer genade, amen;" zo dat, ik wil maar +alleen zeggen, dat gy waarde Vriendin, my niet tegen uw zin moet nemen. + +Ik ben dan eergisteren by den Heer Helmers geweest; zo als ik tegen u +zei, dat ik doen zou. Hy woont daar als een klein Prinsje, hoor! Ik +dagt: kom! myn Blesje moet ook eens met baas uit; zie, 't beest is my +zo lief als myn Snap, zo als het ook wel merken kan. Daar kwam ik als +een hele Sinjeur de Plaats opryen, maakte myn paard aan een boom vast, +en ging met Snap naar het huis. + +_Ik_. Uw dienaar, myn Heer Helmers! doet Abraham Blankaart u ook +belet? maar mooglyk ben ik niet by u bekent, en _onbekent maakt +onbemint_. + +_Hy_. In persoon ken ik u niet, myn Heer, maar in karakter wel; gy zyt +hartlyk welkom; waaraan ben ik dit aangenaam bezoek verpligt? + +_Ik_. Dat kan ik u voor de vuist, en met weinige woorden, zeggen. Ik +kom uit vryen om uw Vriends Dochter Letje:--maar, kyk zoo niet op, +niet voor my. + +_Hy_. Ik zal u met genoegen horen. + +_Ik_. Hebt gy den Heer Willis gekent? Hy was niet gelukkig in zyne +affaire. + +_Hy_. Neen, maar ik heb een Vriend gehad; die dit met hem, en even +onverdient, was; Letjes Vader. + +_Ik_. Nu althans, die man heeft een Vrouw en twee kinderen nagelaten; +(_en, toen zei ik zo veel goeds van u, dat ik het niet zeggen mag_.) +Zyn zoon is myn gunsteling, een braaf ijvrig Jongeling, by den Heer +---- op 't Kantoor; die hem als een Vader bemint. En nu kwam ik by u, +om eens te horen, of gy iets tegen een Huwlyk tusschen deeze Kinderen +zoudt hebben? Zyne moeder zal u, zo gy het bewilligt, nader verzoek +doen: want zy bemint Letje, en zou graag zien, dat haar Willem het +meisje kreeg. + +_Hy_. Heeft Letje u niets gezegt van zekeren Brief? + +_Ik_. Geen woord. Zy weet ook niet, dat ik naar u toe ben. Zie, ik wou +eerst weten, hoe gy er over denkt. Gy zyt haar weldoener, zegt zy. + +_Hy_. Myn Heer Blankaart, Letje (dat ondervind ik op nieuw,) heeft een +zeer goed eerlyk karakter. Hare vriendschap met Juffrouw Burgerhart, +haar inwonen by de brave Weduwe, hebben haar in weinige maanden +ongelooflyk veel nuts gedaan. Ja, ik had een ander oogmerk met haar; +doch ik zal haar myne weldaden niet ten koste van haar vryheid en +geluk toedelen. Indien zy myn voorslag hadt kunnen aannemen, 't zou my +lief geweest zyn; maar, zo zy liever den Heer Willis heeft, my is 't +wel; ik moet u evenwel ook voor de vuist zeggen, dat Letje niet meer +dan twintigduizend Guldens bezit: zo veel als haar Broeder, daar ik +ook zeer wel over voldaan ben: en indien Willis nu niets heeft, dan +zie ik er niet door. + +_Ik_. En ik heel wel! God heeft my gezegent, en ik ben maar een oud +Vryer, die kind noch kraai in de waereld heeft. Kom, Helmers! Letje +heeft my zo veel van u verhaalt, dat ik mag veronderstellen, dat gy +nog wel iets doen zult voor haar. Ik zal voor Willis ook wat doen. Ik +had altyd gemeent, als ik niet trouwde, myne Pupil myn goed te maken, +met zo wat Legaten aan myn oude Bedienden; maar zy doet een ryk +Huwelyk, en ik zeg: zie, Abraham Blankaart, gy moet geen water in de +zee dragen, myn Vriend. Nu moeten er andren wel van varen. Och God! +het moet hier immers alles blyven; en wel doen is de boodschap. Is dat +zo niet, myn goeje Vriend? + +_Hy_. Gy doet my aan, Blankaart. Geef my uwe vriendschap: ik denk even +als gy. + +_Ik_. Met al myn hart: nu, wat zegt gy? + +_Hy_. Ik sta de verkering toe; ik bedank u voor de eer, die gy my in +deezen aandoet; ik zal tonen, dat ik uwe achting niet onwaardig ben; +en laat voorts alles aan uwe bestiering over. + +Vervolgens vertelde hy my met aandoening, dat Letje, nog zeer jong +zynde, (nu, zy is nog maar drie en twintig jaar,) eene jeugdige liefde +had opgeöffert aan haar's Vaders redelyk bevel; en dat zy ook hier +voor moest beloont worden. Hy zei my, dat haar Broêr een goede jongen +was, daar wel wat van zou te maken zyn, zo hy in goede handen viel. +Goed, zei ik, ik zal dat knaapje ook al in 't oog houden, en helpen +waar ik kan en mag. + +Na de plaats doorgewandelt en op zyn oud Vaderlands afscheid genomen +te hebben, sprong ik te paard, en kwam, zo in my zelf tierelierende, +en zoo vrolyk als een Koning, met Snap de Stad in, at spoedig, en ging +deezen zitten schryven. Ik ben met eerbied, + + Uwe Hartvriend, + + ABRAHAM BLANKAART. + + + + +HONDERD-AGT EN VYFTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Lieve Vriendinne!_ + +Ik had dan het genoegen om u, en nog eenige jonge harten aan het huis +van de Vriendinne Buigzaam te zien! Ik was byna niet in staat, om myne +inwendige vreugd te verbergen.--'t Was of ik in een zedelyk School +was, daar men jonge menschen de eerste treden leerde zetten op den +waren weg. Toen ik t'huis kwam, moest ik zo betuigen voor den Here: +_Nu weet ik, dat by u geen aanneming des persoons is, maar dat yder, +in wat staat of rang, in wat kleding_, (_zo die der betaamlykheid maar +niet kwetst_,) _die de gerechtigheid lief heeft, u aangenaam is_? Ja, +ik voel zo eene zielenliefde voor de Vriendinne Buigzaam. In haar zie +ik zo _Maria_ en _Martha_ vereenigt. In Letje is een getrouw zaad +gevallen: de Here geve, dat het door de waereldsche beslommeringen +maar niet verstikken moge! Niet, hartje, dat men den kinderen van +Jezus alle speelgoedje moet onthouden; maar 't moet binnen de palen +van uitspanningjes zo blyven. Och, zy laten het van zelf wel varen, +als zy Maagden, Vrouwen en Moeders in den Here worden. En daar is dat +zoetaardig Lotje, die moet niet verstoten worden; zy is een kind in 't +verstand, maar ook in allerleije boosheid. Ja, Styntje, zei ik zo in +my zelf, als ik haar zo eenvoudig zag zitten breijen, gy moet in +onschuld dit Kind gelyk worden, of gy kunt in 't Ryke Gods niet +ingaan. + +Maar gy, myne jonge Vriendinne, hebt vyf talenten ontvangen, en de +Here gaf u ook de gewilligheid, om die tot winst uit te zetten. ô Myn +hartje, gy kunt nog zo veel goeds doen. En uw Bruidegom is een +_Timotheus_, die de begeerlykheden der jonkheid vliedt, in wien het +oprecht geloof woont. ô! Zo de lieve _Johannes_ eens aan hem schreef, +hy zou zeggen: _Ik schryve u, Jongeling, want gy hebt de waereld +overwonnen_. Ik spreke uit ondervinding. De Godsdienstige Edeling is +by my geweest, maar zo als hy zich omtrent uwe Tante gedroeg; ô +Vriendinne, dat was het _werkent_ Christendom! Uwe Tante weende +bitterlyk. Nu ziet zy wél, dat de Here _niet woont in 't water noch in +'t vuur_: gelyk er in het oude Verbond staat: dat is, niet in al dat +getier en gebaar van dat zo genaamde Bekérings-werk: maar dat God +woont in een ootmoedig, gezuivert, en hem geheel geheiligt hart; zoo +is het ook met uwe Bruidegom! + +Ik ben niet onder de ryken deezer Stad; maar ik heb overvloed voor my, +en kan nog wat mededelen; en zo uwe Tante niets hadt, en by my toevlugt +nam, ik zou haar gaarne van 't myne geven. Maar nu gy, en uw Vriend, +ryk zyt in goederen, ryk in de genade, en dus ook ryk in goede werken, +zou het in my eene dwaze trotschheid zyn, geen gebruik te willen maken +van 't geen uw beider liefderyke harten my aanbieden: En nu kan ik myne +stille liefdadigheid blyven beoeffenen. + +Terwyl ik deezen zo zat te schryven, kwam de Heer Blankaart in myn +huisje. Uw Tante was danig ontstelt. Hy bestrafte haar als _Joannes de +Doper_, en troostte haar, als _Joannes de lieveling des Heren_. Zy +viel in den schuld, bekende, dat zy u zeer onrechtvaardig behandelt +hadt, en u in gevaar gebragt, om op den doolweg te raken. "Nu, zei hy, +Zantje, leer nu beter toezien; er zyn, zo als ik u duizend maal zeide, +hele ondeugende sielen onder dat Fyne goedje. Jou Duivel was gierigheid, +kind, die moest uitgedreven worden; zo als de Schrift zegt, _gierigheid +is een wortel van alle kwaad_. Zie, hadt gy nu van uw geld arme sukkels +meêgedeelt; maar neen, er mogt geen duit af, zo 't niet voor dat Volk +was. Nu, 't schaadt je niet; zo je jou nu nog maar bekeert, zal 't alles +wel lukken: hoor, ouwe kennis, ik begryp niet, hoe of je zo in dien hoop +verwart geraakt zyt. Gy pleegt te wezen als alle andere deftige Burgers; +maar zedert dat je bekeert ben, zit je te zuchten en te steunen, dat de +Duivel in zyn vuist lacht, om dat je het by onzen lieven Heer zo wel niet +hebt als by hem. Denk jy, dat onze Hemelsche Vader, die uit liefde en met +blymoedigheid wil gedient zyn, het scheelt, of gy u als een _graauwe +Munnik_ toetakelt; en er uitziet, of je uit het zothuis kwaamt? dat je +dat kostlyk aangezicht weg moffelt in een malle muts? Niet dat ik wil, +dat gy u optooit als een kleuter; maar kleedt u zo als Styntje: zo een +Samaartje staat immers net en ordentelyk, en het Kuifje zindelyk en +zedig? Zy ziet er ook zo blymoedig uit, dat men niet hoeft te vragen, +of zy zich in den dienst haars Gods wel bevindt, en vrolyk leeft in +den Here. Nu, _zalig zyn zy, die zich beteren_. Wat uw bestaan aangaat, +zorg daar niet voor. Uwe lieve brave Nicht heeft my gebeden, om u uit het +hare te mogen onderhouden; en ik zou haar niet half zo liefhebben, zoo zy +niet zo wel kon goed doen als vergeven. Zie, dat is ook een Christelyke +plicht. En wy hebben allen nog zo veel te doen, eer wy waarlyk Christenen +zyn, ik voor al, dat het ons niet voegt onvergeeflyk te zyn. En jy en ik, +Zantje, mogen by Styntje nog wel een lesje halen." + +Vriend Blankaart, zeide ik, ik vinde gedurig zo stoffe, om my te +vernederen voor den Here; laten wy liever elkander leren, en opbouwen +in het goede werk. De Here zelf moet ons leren; en zo doet hy ook in +het woord der waarheid. "Dat is recht, zeide hy: maar wy doen heel +anders, wy verlaten den Sprinkader des levendigen Waters, en houwen +ons zelf gebroken bakken uit; zie, ik lees alle daag in Gods Woord, en +hou my niet op met uitleggingen, die ik niet noodig heb om het te +verstaan, voor zo verre het my raakt als een Christen mensch, wil ik +spreken. Wat kan 't my schelen, of in zo een text van den _Gog_ en den +_Magog_, of van _Constantyn den Groten_ gesproken wordt? Ik wil +_Bybels_, ik wil _practicaal_ horen preken. Daar liep ik verleden +Zondag zo eens in de Meniste Kerk by den Toren; er werdt over de +Bekéring gepredikt; 't was zo fraai, dat ik ging zitten, en luisterde +als een vink. Wel, Styntje, ik ben nu zuiver rechtzinnig, maar +waarlyk, ik kon _amen_ op alles zeggen; en ik zei het ook in my zelf. +Sticht dat niet beter, dan dat ik hoor zagen, en kaauwen en klungelen +over _Aarons baard_? en er dan nog toepassingen by te krygen, die +Spotvogels stof leveren, maar die verstandige en vrome menschen met +versmading overdenken? Toepassingen, die onze jonge Nazireërs wel +agter weeg mogen laten, zo zy zielen willen winnen; en die my danig +ergeren, om dat zy my doen lachen." + +Toen ging de Vriend Blankaart heen, en ik zei in my zelf: _dit is een +Israëliet, in wien geen bedrog is_. En nu, hartje, moet ik u nog +zegenende zegenen: _God geve u een Jozua's besluit: wat ook anderen +doen, wy en ons huis zullen den Here dienen_.--Groet uwen Bruidegom, +groet de Vriendinne Buigzaam, en de jonge Vriendinnen; en neem my in +liefde aan. Ik ben + + Uwe ware Vriendinne, + + STYNTJE DOORZICHT. + + + + +HONDERD-NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vraagt aan Mevr. +Willis, of ze de verkeering van Willem en Aletta goedvindt.--Met Sara +heeft ze ernstig gesproken: die ziet wel tegen het huwelijk op, maar +'t zal wel marcheeren. + + +HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelis schrijft aan zijn Jaantje--Adriana +Nijverhart--dat papa hun verloving ook goedkeurt. Jammer dat _hij +alléén_--naar Hendrik's bruiloft moet: Jaantje's moeder is ziek.... + + + + +HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF. + +DE HEER CORNELIS EDELING AAN MEJUFFROUW ADRIANA NYVERHART. + + +_Myn allerkostelykste kostelykheid!_ + +De knoop is gelukkig gelegt: ik ben eens even t'huis gekomen, om te +zien, of er ook een Brief van uwe Majesteit, Adriana de Eerste, was. +Neen, geen Brief. Nu, dat's weêr een schreefje op den kerfstok! Ik ga +zo vliegent weer naar 't huis van Mevrouw Buigzaam. + +ô Waarom, myne Jaantje, hebt gy gisteren niet by ons geweest? Niets +ontbrak er aan myn geluk dan uw byzyn! Ik geloof niet, dat men met +meerder betaamlykheid, met meerder blydschap, een Party als die van +gisteren zoude kunnen uitdenken en uitvoeren. Alles was naar de +onmerkbare Ordonnantie van Mevrouw Buigzaam; kon het dan anders zyn? +Myn Broeder, weet gy, is een regt schoon man, en zyne Bruid, (of nu +jonge Vrouw,) eene Bevalligheid, die nog meer bekoort dan het schone +zelf. Niemand van ons was eigenlyk opgeschikt: alles was _négligé_. +Wy geleken net één Huisgezin. Hendrik was geheel liefde, geheel vreugd: +De Bruid minder levent dan anders, en men zag, dat zy alleen uit +beleeftheid mede sprak. De voor-avond werdt musicerent gesleten. De +Eerwaarde Smit was geen der minste spelers: maar Mevrouw Buigzaam +wordt niet geëvenaart, ook niet van de jonge Vrouw, en die speelt, zo +als de Heer Blankaart zegt, evenwel "Kapitaal." De eetzaal was gereet +gemaakt, om ons Soupée te houden: het overtrof nog het Verjarings +Collation. De Heer Blankaart's knegt, die van Vader, en die der Weduwe +dienden. Men had voor hun wel degelyk gezorgt, en Blankaart hadt de +oude kindermeid van de Bruid ook verzogt, om meê in de vreugd te +delen. (Van die nog een woord.) + +De twee Weduwen werden door de twee oude Heren op hare plaatzen +geleidt; en zo dra de Getrouwden gezeten waren, voegden wy ons er by. +Op het dessert heb ik my ook gewroken; doch zy hebben my, door hun +verdriet te verbergen onder een vriendelyken lach, deerlyk te leur +gestelt. Ik zal het Vod[1] zelf hier in sluiten. 't Zal u mooglyk tot +een zoet rustmiddeltje dienen; en gevolglyk nog ergens goed voor zyn. + +Toen men vervolgens zat te praten over die kostelyke niet met allen, +die onder goede vrienden zo aangenaam zyn, zei myn Vader: "Kom een +glaasje van gelukwensching. Welkom, vervolgde hy, met een zeer ernstig +vriendlyk gelaat, daar zyn eerlyk hart in uitscheen: Welkom, lieve +Dochter, in myne Familie. Nooit moet gy u den dag beklagen, die u in +dezelve brengt; ik althans zal een goed Vader omtrent u zyn: gy zyt +het waardig. Geluk, myn Zoon, met uwe Vrouw; wees een zo goed Man, +als gy een Zoon, een Broeder, een Meester waart, en gy zult uwe Vrouw +dierbaar blyven. En gy, Cornelis, (tegen my,) geluk, jongen, met uwe +Zuster; als gy trouwt, zal ik even zeer in myn schik zyn als nu: gy +zyt beide myne Kinderen. Myn Heer Blankaart, geluk met deeze +verbintenis! dat wy beide nog lang getuigen zyn van dat heil, dat myn +Vaderlyk hart van den Almagtigen God afsmeekt." Hy kon niets meer +zeggen, maar boog tegen het gehele gezelschap, en er vielen tranen +langs zyne wangen. De Bruid stondt op, omhelsde hem; hy kuste haar; +niemand sprak: allen droogden wy onze oogen af. Hendrik, (om wat +afwendig te maken,) vroeg aan 't gezelschap, of men hem, toestondt, +om de gewezen kindermeid der Bruid binnen te verzoeken? Niets liever! +Daar op kreeg ik myn hoed en handschoenen, en marcheerde naar de +Keuken, om het ouwe schaap, dat in haar beste Zondaagsche plunje was, +en styf stond van de gouden ringen, in te leiden. "Aanstaande Zuster, +zei ik, met myn hoed onder den arm, en Pieternelletje zeer eerbiedig +aan de hand, daar heb ik myn Vryster, die gaarn de eer hadt, om by u +haar compliment van felicitatie af te leggen." De Bruid trok haar +stoel wat uit, en gaf de vrome eenvoudige Pieternel gelegenheid, om +zich te laten bekyken. "Wel, God dank! zei ze, dat ouwe Pieternel haar +jonge Juffrouws trouwdag nog beleven mogt. Heden, Juffrouw, je bent +krek alleens als je lieve Moeder, toen die trouwde. Niet waar, myn +Heer Blankaart? En toen myn Heer Blankaart even zo klugtig als deeze +myn Heer. Nu, myn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten +zegen; och, myn Heer Edeling, je krygt zulk een lief meisje; ze het +ouwe Pieternel nooit een onvertogen woord gegeven, 't was een lief +hartje van een kind, en ik was ook zo mal met haar, dat, als zy +tandjes kreeg, of zo, ik my tot water huilde; niet waar, myn Heer +Blankaart?" En toen gaf zy de Bruid en Bruigom een kusch, die klonk +als een klok. De overige Bedienden werden binnen geschelt; de Heer +Blankaart overend ryzende, nam een schoon tafelbord, waar op zes +verzegelde kleine Pakjes lagen. "Hier, Kinderen, zei hy tegen de +Bedienden, daar is voor u elk een gedagtenis van dit Huwlyk. Gelyke +munniken, gelyke kappen: Abraham Blankaart kan, en wil ook wel, +Goddank! wat missen." Hy gaf elk een pakje, en zy gingen in de keuken +zich vrolyk maken. "Vrienden, zei de brave man: zie, ik ben, wil ik +spreken, maar een oude Vryer, ik heb kind noch kraai; en God de Heer +heeft my boven alle myne begeerte gezegent: Ik weet, 't is waar, niet +wat het Vaderlyke hart is; maar dit lieve Bruidje is de waardige +Dochter van een man, dien ik my ten vriend had uitgekozen; zy is onder +myne oogen opgegroeit; duizendmaal zat zy op myn schoot met my te +snappen, of haar Poppen te kleden; (want ik ben een regte kinder-gek!) +zo dat ik maar zeggen wil, dat dit de gelukkigste dag van myn leven +is; en dat ik nu niets meer van God te wenschen hebbe, dan dat ik en +alle brave menschen gelukkig zyn." Onze Dominé besloot, op 't verzoek +der oude Heren, dit Vrienden-maal met eene dankzegging, die ons de +hoogste denkbeelden gaf van zyn Godvruchtig hart, en zyn +menschlievenden aart. Den Eerwaardigen Jongeling rolden de tranen op +de t'samen geslagen handen. Zyn stem was zielroerent, alles was diepe +aandagt. + +De Heer Blankaart luisterde my in 't oor, dat wy moesten dansen. +Willem en ik haalden twee Fiolen: Een gaf ik aan myn Vader: "Jongen, +zei hy, ik doe er niet meer aan! Ik vrees, dat het gebrekkig zyn zal." +Evenwel, de vreugd, die zyn hart overstroomde, deedt hem die aannemen; +ik presenteerde den Heer Smit ook een: die, zonder eenige kwalyk +geplaatste excusen, zei: "ik zou dit fatsoenlyk gezelschap onëer +aandoen, indien ik my onttrok, om het myne tot eene zo billyke vreugd +te doen. Wy zyn onder de Roos." De Heer Blankaart haalde de Bruid op. +Zy danste niet wel; niet zó wel, meen ik, als zy 't anders kan; en zy +verzogt hem om geëxuseert te zyn. Toen moest Letje en Willem op de +baan; beiden toonden, dagt my, dat zy elkander wilden behagen. +Bruinier was onvermoeit, en gy weet, ik val ook niet heel vies van een +cabriooltje. Eens haalde ik Mevrouw Buigzaam, en danste met haar een +zeer statige Menuët; trouwens allen waren in den goeden smaak: Na een +uur dus doorgebragt te hebben, verdwenen Mevrouw Buigzaam en het +Bruidje. Hendrik bleef nog in de kamer, doch ik geloof, dat wy alleen +zyne uitwendige tegenwoordigheid hadden: De beide oude Heren gaven hem +de hand. De Weduwe kwam niet te rug, voor myn Broeder insgelyks weg +was: de vreugd ging haren gang: ten drie uuren waren de Koetzen +gereet: elk nam even vrolyk, minzaam en even vriendlyk afscheid en +ging naar zyn eigen huis. + +Vóór ik ga zien, of de Jonge Lieden al by de hand zyn, sluit ik +deezen. Indien ik eenigszins kan, kom ik in 't laatst van deeze week; +ik heb u wel honderd millioenen van zaken te zeggen; (nu, dat kun je +wel denken;) 't is, of ik u in geen eeuw of twintig gezien heb. Myn +vader is nu zo minzaam als altoos welmenent eerlyk: en nu durven wy +hem beminnen. Blankaart doet u hartlyk groeten, en doen alle de +Vrienden en Vriendinnen, en goede bekenden, en ik omhels u, met een +hart stikkent vol liefde. Maak myn compliment aan uwe waarde Ouders, +en aan de kleine Familie. Altoos ben ik + + Uwe + + C. EDELING. + + +Noot: + +[1] Zijn "gedicht", niet veel zaaks. + + +[Illustratie: Nu, mijn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten +zegen; och, min Heer Edeling, je krijgt zulk een lief meisje; +illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave +van 1782.] + + + + +HONDERD-EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar en Hendrik zijn gelukkig! + + + + +HONDERD-TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF. + +MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Willis!_ + +Weet gy wel, dat, zo ik maar iets den slag had van te kunnen grommen, +dat ik dan braaf grommen zou op u? wat was er op te zeggen? elk zyn +beurt, dat's niet te veel; en ook, kind, gy moogt ouder en wyzer zyn, +zo veel als het u zelf maar blieft, doch ik ben zeker nu iets meer +betekenent dan gy: ik ben eene _getrouwde Vrouw_. Foei! Naatje, niet +op de Party geweest! Foei! Naatje, nog al uit blyven; en dat om dat +de Eerwaarde Smit u, en uwe Moeder verzogt, om met hem naar zyne +standplaats te gaan, ter verrigting van duizend dingen die geen +uitstel lyden. Gy hebt er 't meest by verloren. Nu hebt gy myn Oom en +Tante Redelyk niet gezien, noch Kapitein Herberts; nu weet gy niet, +hoe Vader Edeling getracteert, hoe wy jonge Lieden allen gedanst +hebben, en hoe of de oude Vrienden 't werkje aanzagen. + +Toen ik nog zeer jong, en zeer bedroeft los was, kon ik Brunier (uw +ouden Vriend,) verzoeken, om alle deze bagatelles voor my zeer keurigies +uit te schryven, en denken, hy kan nu zo goed netjes breijen als 't +behoeft; met schryven zal hy een vaste hand krygen; en kinderen moeten +niet leeg zitten. Maar nu zyn al die flinken[1] over. Ik heb zo veel +achting voor myn lieven man, dat ik iemand, dien hy zyn vriend noemt, +met geen spotterny kan behandelen. Ik heb nu ook door Edeling een trek +uit zyn karakter gehoort, waar aan ik het te danken heb, dat ik deezen +waarden man leerde kennen. + +Onze samenleving met den ouden Heer is recht aangenaam; Keesje is de +vreugd van 't huis: ik wensch, dat hy ook maar, zo als myn Voogd zeit, +_een eigen weêrspraak_ hadt. Myn nieuwe Vader is de degelykste man uit +Amsterdam; en nu dat zyne wonderlyke eenigzins grillige manieren, door +de weltevredenheid, over de zagte Noten rollen, vind ik er iets veel +meer Comiecqs dan lastigs in. Ik kan u zeggen, dat _Dochter Edeling_ +in de kas is by _Vader Edeling_: ja, dat hy my overlaadt met +gunsten.--Een staaltje van zyne denkwyze: + +Gisteren aan tafel zittende, zei hy: Ik ben boos op Blankaart. + +_Ik_. Boos op myn Voogd; dat kan niet zyn: want gy, Vaderlief, zyt +hier te redelyk, en hy veel te goedaartig toe: gy beeldt u dit maar +in. + +_Hy_. Hoe, denk je, dat ik door inbeeldingen geregeert worde? dat is +al eene aartige zet! + +_Ik_. Wy hebben allen onze luimen. Zoudt gy wel geloven, dat ik die +ook heb? ô Ik kan zo luimig zyn, dat ik met my zelf wel kyven zou, als +ik niemand by my heb. + +_Hy_. Wel zo, dat ziet er voor u, Hendrik, niet al te voordelig uit! +(_Myn man lachte_.) + +_Ik_. Wel neen! tegen zulke lieve redelyke menschen draag ik my nooit +als eene malloot, om dat ik te veel prys stel op hunne achting, met +andren, daar ik méér meê gelyk sta, mik ik het zo naauw niet. + +_Hy_. (_Half knorrig, half goedschik_.) Nu, ik ben evenwel boos op +Blankaart. + +_Ik_. (_Hem potzig in de oogen kykende_.) En om wat reden? of is Papa +ook een beetje met luimen bezet, want myn Voogd is de beste man van de +gehele waereld, myn man uitgezondert? + +_Hy_. Wel! hy heeft u zo veel kostbaarheden gekogt, en op uw verjaring +zulk een boel Juwelen gegeven, dat ik, nu het aan my toekomt, niet +eens weet, wat of ik u zo eens geven zal; en ik ben evenwel uw Vader, +je hebt alles dubbelt en dwars, en daar is nog zo een menigte goed van +myn Vrouw ook. Hy maakt my recht verlegen: want ik zie niets, of je +hebt het. + +_Ik_. Ik ben niet heel hebzugtig: en met dit al, daar is iets dat gy +my geven kunt; had ik dat!... + +_Hy_. (_My in de rede vallende_.) Wat is dat toch? je zult het hebben, +kind. + +_Ik_. Een kinderlyk deel in uw Vaderlyk hart! zo ik dat hebben mag, +dan vraag ik, of Amsterdam te koop is? (_Ik stond op en kuschte hem_.) + +_Hy_. Loop, stout dingetje; is 't anders niet, och heden! ik meende, +dat het heel wat byzonders was. + +_Ik_. Dat is het ook, lieve Vader! + +_Hy_. Nu, gy zyt een raar meisje, hoor; maar, (_in zyne Brieventas +schommelende_,) zie daar is een Wissel op myn Cassier. Neem dit dan +tot een bewys, dat gy my lief en waart zyt, en steek hem maar in uw +Almanakje. + +Hem inziende, zag ik, dat hy _fl_ 6000 beliep. Ik bedankte met +aandoening, en zei tegen myn man: daar, Edeling, neem dit van my aan. +Ik heb niets nodig, en, als ik iets van doen heb, weet ik, dat gy my +meer zult geven dan ik verzoek. + +Vader schudde zyn hoofd. Ja, zei ik, myn man en ik hebben maar één +belang, en dewyl hy veel meer verstand van geld heeft dan ik, dewyl +ik nooit speel, en alles kan krygen, wat ik begeer, is het immers +niet meer dan billyk, dat ik aan myn besten Vriend alles in bewaring +geef?--Kom, zei hy, ik verpraat, met dat drommelsche Wyfje, weêr al +myn tyd: kom, Hendrik, naar 't Kantoor.--Zy gingen weg, en ik had zo +wat te schikken en te bergen, zo als eene Huishoudende Vrouw altoos +wat heeft, Naatje. 't Was Postdag, ik was blyde, dat myn Voogd by my +kwam Thee drinken. De Heren lieten zich in kommetjes de Thee brengen. +Wy zaten als ouwe lui te snappen, en over byzondere zaken te keuvelen, +toen myn beste Willem inkwam. Hy deedt ons eene openhartige biegt: +"dat hy Letje beminde, en dat hy niets zo zeer wenschte, als eens in +staat te zyn, om voor haar te zorgen, in dien rang, waar in zy gewoon +was te leven: dat zyne Moeder zyne keuze goedkeurde, en dat hy hoopte +eens weder bemint te zullen worden." Blankaart zei: "dat hy hem in +alles raden en ook helpen zou, en met plaisier zag, dat zyn oogmerk +dus verre gelukte." Beide bleven by ons eeten. Edeling hadt Brunier op +de Beurs verzogt. Wy hadden een lieven avond. Beide de jongens waren +vrolyk en vergenoegt. Myn man! och! die is al wat een vrouw zoude +kunnen wenschen: ik vrees maar, dat hy al te goed op my zyn zal; ook +dan, als ik 't eens minder verdien dan nu; en dan zal hy my ongelukkig +maken; want hoe zou ik dit ooit aan my zelf vergeven kunnen? + +Morgen gaan wy ons nieuwe huis in order brengen; het is digt by +Mevrouw Buigzaam; dit maakt het voor my verkiesselyk; evenwel, het is +een schoon huis: ik hoop er u wel haast in te zien. Oordeel eens, hoe +druk ik het nu heb! hoe veel airs ik my geef, tegen alle die goede +menschen, die my 't hunne brengen om alles te maken, _comme il faut_. +Ik moet Letje volstrekt tot hulp hebben, of ik kom er niet door. Ik +ben met achting, + + Uwe liefhebbende Vriendin, + + SARA EDELING, + + geb. BURGERHART. + + +Noot: + +[1] Hier: grappen, streken. + + + + +HONDERD-DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar verhaalt zelf van haar geluk. + + +HONDERD-VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.--Anna Smit-Willis is eveneens heel +tevreden. Willem kan Sara vergeten en Aletta vragen. "_Alweer een +gelukkig huwelijk_!" + + +HONDERD-VIJF EN ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik vertelt van zijn geluk en +betuigt andermaal zijn dank aan de Wed. Spilgoed. + + +HONDERD-ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Wed. Spilgoed: Anna +is gelukkig getrouwd; Willem krijgt een som geld van Blankaart en gaat +met Letta trouwen; _de beide weduwen hopen samen gelukkig oud te +worden_. + + +HONDERD-ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara bericht, dat Hendrik doodziek +is!--Gelukkig komt in den brief nog de crisis; maar ze heeft wat +uitgestaan; _ze hoopt nl. spoedig moeder te zijn_. + + +HONDERD-ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vermaant Sara: denk +aan je kind! wees bedaard, beheersch je, vorm je geen schrikbeelden, +leef voorzichtig en verstandig! + + +HONDERD-NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier en Willem logeeren +bij Helmers. Willem moet op reis voor zaken. Jammer. + + +HONDERD-ZEVENTIGSTE BRIEF.--Willem aan Aletta: hij heeft haar innig +lief! Hij heeft Jacob gesproken bij Blankaart: _deze neemt Jacob bij +zich_. Hij is ook bij Hendrik en Saar geweest. Hendrik is weer beter. + + + + +HONDERD-EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +MEVROUW DE WEDUWE SPILGOED AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS. + + +_Waarde Vriendin!_ + +Geluk met een jongen Edeling!--Gister avond elf uuren, verloste onze +jonge Vriendin van een schoon gezont Kind; zy heeft het niet héél +gemaklyk gehad; maar zich zo verstandig en bedaart gedragen, dat men +dit naauwlyks dus zoude hebben kunnen verwagten. De lieve Juffrouw +Redelyk en ik waren, behalven de Baker, al de Vrouwen, die zy verkoos +by zich te hebben. Het Vrouwtje was deeze laatste agt dagen verbaast +ongemaklyk, en pynelyk; ik geloof, dat de goede Edeling immer zo veel +als zy zelf heeft uitgestaan! In den namiddag liet hy den Heer +Blankaart halen, en Vader Edeling was zo onrustig en zo bezorgt, dat +ik, hem alleen sprekende, hem verzogt, zich wat agter de schermen te +houden. De beide Heren zaten by elkander in de naaste kamer; men +hoorde hen geen woord spreken. Blankaart wandelde al heen en weêr: de +oude Edeling zat in een Vensterbank, zeer onrustig; zo als ik, eens +even in de kamer komende, zag. + +De Heer Hendrik was by ons, en verborg zynen dodelyken angst onder een +diep stilzwygen. Saartje sprak hem dikwyls moed in; (ook als zy hare +handen wrong.)--Eindelyk, zie daar, daar horen wy het Kind! 't Is een +sterken Jongen: zyn stem klonk door de kamer. De Kraamvrouw hieldt +zich stil en bedaart. In de naaste kamer hoorden wy: "God dank, God +dank! wat is er?" "Een schone Jongen," riep de Baker; nog wat geduld. +Beide hoorden wy hen elkander al snikkent zegen wenschen. De jonge Man +was, genoegzaam buiten zich zelf, op een stoel neêr gevallen. Ik +wenkte hem, en hy lei met den Vroedmeester zyne vrouw in 't Ledikant. +Juffrouw Redelyk bewaarde het Kind, dat zich braaf liet horen, en +wakker met handen en voeten schopte. Zo dra het was opgebakert, tikten +wy de Heren. Edeling gaf het aan zyn Vader. ô, Kon ik u dat toneel +schilderen! De oude Heer trilde van blydschap; maar hy noch zyn Zoon +zeiden niets: zy drukten elkanderen de hand; hunne oogen stroomden. Hy +gaf het den goeden Blankaart, en ging naar zyn Dochter; hy kuschte +haar, hy zegende haar; hy kuschte zyn Zoon, hy zegende hem: "beleef zo +veel vreugd aan dit kind, als ik aan u beleef, Hendrik, en gy zult een +zeer gelukkig Vader zyn." + +Blankaart, met het Kind in zyne armen, was geen minder schildery! De +Natuur is toch niet te overtreffen; men moet zulke dingen zien! +"Welkom, myn zoete kleine Boy:" "zei de goedaartige man:" "welkom, myn +lief kind! jongetje, je komt al in een aartig Waereldje. Nu, dat zul +je, als je tyd van leven hebt, wel ondervinden. Pas maar braaf op, en +je zult gelukkig zyn:" "(en by my komende met het kind:)" "ha! dat's +een kereltje! zei hy; zie je wel, watte heldere kykers dat hy heeft? +'t is een mooi kind, zeg ik je: precies zyn Vaders tronie; en watte +vuistjes heeft hy! nu mantje, ga jy by Moeder, die zal je beter +traktéren." Hy ging, met het kind in bei zyn armen voor zyn hart +gefommelt, naar de Kraamvrouw, gaf haar 't kind, kuschte haar; noemde +haar met alle zoete namen, die hy bedenken kon, en wy verzogten de +Heren, zich weêr naar hunne kamer te begeven. Saartje was zeer zwak, +en verlangde, dagt my, naar rust. Wy gingen vervolgens in 't naaste +vertrek eeten. Kort daar op kwam de jonge Heer t'huis, die nog niets +wist. Blankaart sloop in de Kraamkamer, haalde het Kind uit de wieg, +en liet het Cornelis zien: "He! Maatje, wat zeg je me van zo een +knaap?" Hy zag het kind, viel zyn Broeder om den hals, omhelsde zyn +Vader, nam het kind, bezag het met dat goedig gelaat, dat hem zo eigen +is, bragt het in de Kraamkamer, ging by 't Ledikant en toonde zyn +broederlyk hart in stille zegenwenschen. + +Morgen word het Kind, hier aan huis, door den Heer Redelyk gedoopt: +zyn naam is _Jan_. Beide de Grootvaders hieten zo. Evenwel het is _Jan +Edeling_; en ik geloof, dat de oude Heer, om geen waerelds goed, het +anders zou dulden. + +Alles gaat naar wensch: den gehelen nagt geslapen als een roos; het +Kind ook. Zy is reeds in allen opzichte Moeder: 't is een bekoorlyk +Kraamvrouwtje! Willis en Brunier zullen van daag den kleinen Jongen in +het naaste vertrek zien, en Grootvader trakteert al wat in zyn dienst +leven ontvangen heeft. Tot de Kruijers en Pakhuisknegts toe, krygen +Rynschen Wyn met Kaneel-Koekjes, en yder is _mantje, jongetje_; elk +maakt het _bestig_. Hemel, hoe is die man verandert! De Brief moet +weg: Ik moet ook nog aan myn Letje schryven. Schryf my haast ook zulke +goede tyding:--met haast, de Brief moet weg. + + Uwe Vriendin, + + M. BUIGZAAM + + Wed. P. SPILGOED. + + + + +HONDERD-TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA SMIT. + + +_Zeer lieve Vriendin!_ + +Niet voor van daag kreeg ik de vryheid om te schryven; en myn kleine +knol is evenwel al drie weken in de Waereld geweest: Nu, 't is goed, +dat ik met een zoet praatje te leiden ben, anders, wel heden, me +dunkt, ik had, voor den _Negenden dag_, wel kunnen schryven. Maar de +slenter moet gevolgt! Tante Redelyk houdt, zeg ik haar, niet van oude +palen te verzetten: maar de Vrouw spreekt, zo zegt zy, by ondervinding; +en dewyl zy reeds tien kindertjes gehaalt heeft, dien ik nog al op +haar zo wat te betrouwen. + +Kom meisje, gy moet den moed niet opgeven: gy plagt altyd _ouder_ en +_wyzer_ te zyn dan ik ben, en ik heb my wel gehouden, hoor ik; want +ik, arme sloof, weet niet, hoe andere Vrouwen zich gedragen. Gy kent +myn humeur! "Kom aan, Saartje, zei ik, schik u naar 't geen zo zyn +moet; gy zult er u zelf best by vinden." Zo gezeit, zo gedaan: en zie +daar! my Moeder van het liefste kind, dat gy u verbeelden kunt. +Gelooft gy my niet? vraag het dan aan het schaap zyn Grootvader; vraag +het aan den Heer Blankaart;--aan elk, die het ziet. + +En wat heb ik nu een drukte met myn kleine Prul! Ik zou hem wel altyd +op myn schoot willen hebben; maar Baker zeit: "dat hy dan wel haast +niet meer in zyn wieg zal willen, en dat dit toch best is voor hem." +Hoe, best? vroeg ik; kan _myn_ jongje ergens _zo best_ zyn, als op zyn +eige Moeders schoot? Zo ziet gy, dat elk den baas over my speelt, tot +de Baker inkluis. Wat ben ik hongerig, Naatje! Ik kan altyd wel eeten, +en neem 's avonds een trommeltje met beschuit naar bed: (nu, kind, gy +zult wat ondervinden,) ik moet myn Jantje immers voorraat bezorgen? +Myn stoute Broêr klungelt gedurig aan de Wieg, en maakt zyn Neef +wakker, die dan een brave keel open zet, en dwingt om by Mama te zyn; +dan loopt Cees de Kamer uit, en zingt zyn moffenliedje, daar gy eens +zo om moest lachen. Onze Pieternel is hier geweest; dat was een +vertoning! zy zei, "dat het kind er zo verstandig uitzag, en zo leek +op Grootvader Burgerhart, (dat is, op myn Grootvader, moet je weten;) +en zy kon niet bedenken, dat ik al zo een knappe Zeun hadt; wel heden, +het heugde haar nog, als den dag van gisteren, dat ik geboren wierd; +'t was op een Dingsdag;--neen, op een Woensdag;--toch op een Dingsdag; +want dit was haar stof- en raag-dag; en zy was net bezig met +Grootvaders slaapkamer te stoffen, toen myn Heer Blankaart, die altyd +by uw Vader was, wil ik spreken, aan den trap riep: Pieternel, kom +eens af, meid, daar hebben wy een aartig piskousje gekregen; en +Mevrouw, ik had er zulk een innerlyke dingstigheid van, dat ik over +myn handstoffer viel, al het stof op het tapyt; zo dat, ik weet het +nog heel wel. Zy beriep zich ook op den Heer Blankaart; die zou 't +niet ontkennen." Grootvader Edeling tracteerde Pieternel ook, en de +welkomst van den jongen Jan Edeling werdt gedronken: ô zulke +toneeltjes smaken my zo! Ik wou, dat ik die maar beschryven kon, zo +als het behoort. Uwe aanstaande Zuster, die nog by haren weldadigen +Vriend is, heeft my een engelagtigen Brief geschreven: Wat zal Willem +met zo een meisje gelukkig zyn! + +Een trek uit den Heer Helmers karakter, Gy weet, dat hy, voor ruim +veertig jaar, zyn Vrouw, die hy teder beminde, in 't kraambed verloor? +Nu! die indrukken zyner droefheid zyn onuitwischbaar; en hy neemt zo +veel belang in jonge kraamvrouwen, dat hy ook alle morgen een knegt te +paard zendt, om te horen hoe of het met my is, schoon zyn plaats drie +uuren rydens van Amsterdam legt; en zo, zeit Letje, doet hy omtrent +alle Vrouwen, die hy eenigzins kent. Indien gy, Naatje, niet in eene +andre Provintie waart, gy zoudt ook alle morgen een knegt te paard de +Pastorielaan zien opryden: Nu nog een woord meer in uw trant van +schryven: het geschrevene moest er eerst maar uit. + +De ondervinding alléén is in staat om u te leren, wat het is, _Moeder +te zyn_. Gy weet, ik was altoos een _kindergek_; maar, myn Hemel! wat +onderscheid! Hoe is 't mooglyk, dat er Vrouwen zyn kunnen, die +onverschillig zyn omtrent deezen Huwlyks-zegen! Nu, dunkt my, ben ik +eerst regt getrouwt. Nu is myn Edeling my nog oneindig dierbaarder. +Nu is hy door alle de zagte banden der Natuur, door alle de mogelyke +betrekkingen, aan my gehecht; en wat kan eene brave Vrouw zo verrukken, +dan de tederbeminde Vrouw te zyn van dien man, door wien zy Moeder +wierdt? De wys, waar op myn man zich gedraagt, is in zyn karakter; en +dat kent gy. Al de smarten zyn voorlang vergeten, maar de beloning +duurt, groeit aan, en maakt my tot eene der gelukkigste Vrouwen, die +er zyn kunnen. + +Nu is het nog der pyne waart om te leven. Ik heb nu werk, ik heb +pligten te voldoen, die myne ernstigste overdenkingen waardig zyn; +en nu zie ik, dat ik, alléén by gebrek van bezigheden, die voor my +berekent waren, eene losse, uithuzige, stoute meid was. Zie, Naatje, +dat hadt gy ook behoren te bedenken; wil ik spreken, zeit Pieternel. +Ik begryp wel, dat het nu maar spelen gaan is, en dat de jonge Jan +Edeling my wel eens andre druktens zal maken! Goed! ik wagt die ook, +en hoop, dat myn verstandige Man, zo ik te véél malle Moeder ben, +Moeder en Zoon beide te recht zal helpen. Ik kan wel niet zeggen, met +Pieternel, dat de Jongen er heel verstandig uitziet; maar 't is immers +een goed kind, dat naar zyn Moeder aart? en gy weet, dat Moeder stikkent +vol potzen en flinken stak, toen zy nog zeer jong en zeer los was? Myn +Brôer heeft er wel moed op, want hy zegt my in vertrouwen: "dat Jan al +naar de Meisjes begint uittekyken." "Oom en Neef hebben een goeden +smaak," zei ik. "Ja, zei hy, de Natuur gaat boven de leer." Hy hoort +ook graag muziek, want als Baker van de Moordenaartjes zingt, schreeuwt +hy als een tyger; maar als ik eenige noten aansla, kykt hy uit zyn +luijers als iemand die zegt: _Nog meer laatste woorden van bisschop T_. + +Vaarwel, myne Vriendin. Omhels voor ons uwe waarde Moeder en Dominé, +voor Edeling en my. Ik ben altoos + + Uwe Vriendin, + + SARA EDELING, + + geb. BURGERHART. + + + + +HONDERD-DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Aletta Willis-Brunier aan haar man +Willem: Sara voedt kleinen Jan verstandig-aardig op.--_Hun eigen +kinderen_ groeten papa! + + +HONDERD-VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Vader Willem aan zijn vrouw: dol +gelukkig! + + + + +HONDERD-VYF EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK. + + +_Eerwaardige Heer!_ + +Ei, wissewasjes, ik weet niet, myn lieve Dominé, waar je van spreekt. +Dat ik uw' Hendrik by een braaf Kaptein gebragt, en ten sterksten heb +aanbevolen, is dat zo veel zaaks? Wel, myn goede man, ik wou, dat ik +veel meer voor je doen kon; want ik heb zulk een achting voor u, en ik +ben zo dikwyls door uwe Predikatiën gesticht, en uw Vrouw is zulk een +best Wyf, en gy hebt daar tien kinderen, het eene nog schoonder als +'t andere; zo dat ik zeggen wil, spreek daar niet van. Wel ja, die +uitrusting wil wat zeggen; ik heb by gelyks kind noch kraai in de +waereld: Nu, de jongen ziet er uit als een Vorst, in zyn Zeemontuur. +Kyk, mantje, zei ik, toen ik hem naar boord bragt, (want ik heb den +jongen lief, en wilde hem zelf aan den Kaptein leveren.) Kyk, mantje, +nu heb ik Vader en Moeder bepraat, om u te laten varen. Je bent nu +_Monsieur Kadet_; en draagt een degen, zo wel als een Admiraal. Maar +zo je nu reis in een ploertig leven meer zin kreeg, dan in een +ordentelyk gedrag, en dagt, nu ben ik myn eigen meester, en vele +viezevazen meer, dan zou Abraham Blankaart daar staan, of hy een +schepenkennis[1] op zyn neus hadt, en dan zou Oom Jan zeggen, dat het +myn schuld was, dat ik my er niet meê gemoeit moest hebben, en dat zou +niet mooi voor my zyn. En wat denk je, Dominé, dat Heintje daar op +zei? "Myn Heer, zei hy, ik verzeker u _op myn woord van eer_; (en hy +is veertien jaar, dat stondt my wel aan,) _op myn woord van eer_, dat +ik in allen opzichte braaf zal oppassen; zou ik zoo ondankbaar zyn +omtrent u? en zou ik myn lieve Vader en Moeder ooit verdriet aan +kunnen doen? dan wou ik liever maar dood zyn, want dat was dan maar +best."--Dat was het ook, zei ik, want dan waart gy een ondeugende +Jongen: maar ik zie nu wel, dat gy een braaf kind zyt. En ik troostte +hem weêr zo wat: en zoo kwamen wy aan boord, met de sloep. Daar kwam +Janmaat en Ceesneef op de proppen: "hier, Hein, wat dit en dat! de +valreep! daar is onze Kadet Redelyk; met zyn Vader." Ja, dagt ik, +lieve God! was dat waar, dan tracteerde ik het hele Rommelzootje. Daar +kwam een Schieman [2], en noemde my Dominé, en toen luisterden al de +Pekbroeken elkander in: "Jongens, dat is een Dominé, de Kadets Vader." +Daar stond ik toen met beschaamde kaken: want ik wist wel, dat ik geen +Dominé en Heintje myn Zoon niet was. Neen; Maats, dat heb je effentjes +zo wat mis, ik ben geen Dominé, en joului Kadet is myn Zoon niet; maar +ik ben een Koopman, en een oud Vryër: nu, dat is 't zelfde. De Kadets +Vader is een Dominé, en wel een zo braaf Dominé, als er ooit voor jou +lui zielen gezorgt heeft; zo dat ik maar zeggen wil, dat gy den jongen +Heer wel moet doen; hy zal u ook wel doen, en ik hoop, dat hy zulk een +braaf man zal worden, dat jou lui nog eens met hem, als jou lui +Kaptein, aan den dans zult raken. Dat hoopten zy ook, en er werd braaf +gehouseet, want Abraham Blankaart gaf aan Janmaat een footje. Nu, het +overige zal Hendrik u wel schryven. + +Eer heeft uw hart, myn goeje Dominé; wel dat zou er bekreten uitzien, +als juist alle brave jongens zouden moeten studeren en Dominees +worden. Maar zo Satans nydig als ik worden kan op die malle fatsoenen, +die nu denken, dat het onzen lieven Heer magtig veel schelen kan, hoe +een eerlyk man door de waereld komt! Kunnen wy dan allemaal _Preken en +Bidden_? Ei lieve! En wie zou dan Negotie doen? Wie zou 't Land +Regeren? Wie zou, ja wat weet ik het. Althans uw Hein is maar regt +voor de zee geschikt. 't Is een gezonde sterke Beuker van een jongen; +en als hy niet deugen wil, kan hy al zo ondeugent op de Studie als op +de Zee worden. + +Zie zo, dat Karweitje is ook weêr besjouwt. En uw vrouw verdient, dat +zy haar Zoon nog eens Vice-Admiraal ziet; hoe lief zy hem heeft, weten +wy wel: maar de Vrouw sprak verstandig. + +Ja, Dominé, jy bent een man naar myn hart. Zie, ik hou om de dood niet +van dat falievouwen, en ik kan my zo satans nydig maken, als ik daar +zo hoor klagen en stenen, en van _Tranendal_, en van een _elendig +leven_ enz. praten. Hoor, God de Heer is maar veel te goed tegen zulke +ondankbare kniezers en zuurkykers. 't Is goed, dat zy met Abraham +Blankaart niet te doen hebben, ik zou dat bangziende Volkje wat anders +leren. Zie daar, daar ben ik nu zes en vyftig jaar oud, en als ik zo +by my zelf zit, zeg ik: wel lieve God, wat al weldaden heb ik, zondig +mensch, evenwel van u ontfangen! Ik ben met weinig begonnen, ik moest +voor een oude Moeder en een zieke Zuster het brood winnen, en zie +daar, ik ben ryk, ryker dan ik elk aan den neus hang; ik ben gezont +als een visch. Ik sta daar, als Govert in den dans, omringt van al myn +jonge lui; daar is Edeling en zyn Vrouw, daar is myn Willem met zyn +Vrouw; daar is Cobus, daar zyn ze zo allemaal om my; elk houdt meer +van my als de ander. De kleinen klimmen tegen my op, en halen de +suikerde duiten uit myn zakken; en als Abraham Blankaart maar eens +kugt, of wat stil is, dan is de drommel op stelten: 't is of elk +vreest, met my gelyk te zullen aftrekken, zo is het er te doen. Daar +zyn die brave Weduwen; wel, ik ben er als broer in huis; daar is +Dominé Smit en zyn Vrouw, op de handen zouden zy my dragen; en wat doe +ik toch, dan 't geen myn pligt is, en dat ik altoos wel te vreên ben? +want vrees God en doe wel, zo veel gy maar kunt, dat is het allemaal. +Wat zegt gy, Dominé?--Maar hoe doen nu de klagers? Altyd kyken zy +bang; altyd vrezen zy, dat zy te kort zullen komen; zy houên van +niemand, en niemand van hun. _Op zulke Watertjes vangt men zulke +Vischjes_. Maar onze lieve Heer (die maar veel te goed is,) krygt den +schuld. Dan is het te heet, dan is het te koud; dan is alles zo duur, +dan komt er geen staartje Visch aan de markt. Summa summarum, die +Lelykeis zyn nooit te voldoen: en 't zal my benieuwen, of het in Gods +hemel ook wel van passen voor hun zyn zal; maar ik denk niet, dat wy +daar met hen zullen opgescheept zyn. Wat denkt gy er van, Dominé? Kyk, +denk ik, die God niet in blijdschap dient, kan niet in den Hemel +komen, want hy doet niets uit liefde tot God. Hy loopt daar over deeze +kostelyke aarde, die zo keurlyk is opgesiert, net als zo een onguur +gnorrent Varken, dat alles maar al gromment en morrent en gnorkent +doorslokt, en nog een lelyk bakkes zet tegen een ander, die het een +stroo in den weg legt. Zyn dat geen lieve Peuzels, om op zulk een +plaats te komen, daar alles vreugd, en lof pryst den Heer is? Paulus +is myn man: _Weest altoos blijmoedig, en verblydt u in de hope_. En +dat zei hy zelf in dien bedroefden tyd, toen er wat meer halen, aan +den kling was dan nu, om een goed Christen te zyn. + +Myn Vriendinne Styntje denkt net als ik, en dat doet my zo een deugd! +Vriend Blankaart, zeit zy: als ik zo des ogstends opsta, en die lieve +Zon zo in 't Oosten zie, en hoe alles zo als herleeft, en Gode dank, +dan denk ik: Here, is het hier op deeze stoffelyke Waereld zo schoon, +hoe moet het niet in uwen zaligen Hemel zyn! en dan zing ik uit Jan +Luikens vaersjes het Liedjen op den Morgenstond. (Je moet weten, +Dominé, dat zy toen op Buitenrust, by de twee Dames gelogeert geweest +was, en dat ik de vrome ziel daar met myn rytuig van daan haalde.) + +Nu, myn Vriend, groet ik u! en wensch u met uw Vrouw en kinderen nog +lang een hemel op aarde; en als gy bid, ei lieve, bid ook voor my, +want het gebed des goeden mans vermag veel, wil ik spreken. Ik blyf +altoos, + +WAARDE DOMINÉ! + +Uw hoogachtende Vriend, + +ABRAHAM BLANKAART. + +P.S. Ik zie daar, dat ik tweemaal onzen Sinjeur weer genoemt heb! Nu, +verschoon dat, ik mag zo niet fratsen in myne brieven, anders schrapte +ik er zyn naam nog uit! + + +Noten: + +[1] Hypotheek. +[2] Onderofficier. + + + +EINDE. + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart +by Wolff en Deken + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10400 *** diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..efe389c --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #10400 (https://www.gutenberg.org/ebooks/10400) diff --git a/old/10400-8.txt b/old/10400-8.txt new file mode 100644 index 0000000..92b6edd --- /dev/null +++ b/old/10400-8.txt @@ -0,0 +1,8334 @@ +The Project Gutenberg EBook of Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart +by Wolff en Deken + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart + +Author: Wolff en Deken + +Release Date: December 8, 2003 [EBook #10400] +Last Updated: February 14, 2015 + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA *** + + + + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe. + + + + + +HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART + +door + +BETJE WOLFF en AAGJE DEKEN + + +MET INLEIDING VAN EN VERKORT DOOR J.B. MEERKERK + + +[Illustratie: Betje Wolff en Aagje Deken. + + + Natuur plaatst onzen geest als 't waare in 't aangezicht; +Zy doet der menschen ziel meest door zyne oogen spreken; + Wie onze werken leest herkent dra ook zeer ligt +Uyt beider Beeltenis, wie BEKKER zy, wie DEKEN. + + +Prent van A. Cardon naar teekening van W. Neering.] + + + + +INLEIDING. + + +Vóór ELISABETH WOLFF-BEKKER (1738—-1804) is in het buitenland zoo-nu-en-dan +wel notitie genomen van onze litteraire kunst--gezwegen natuurlijk +van de latinisten uit den renaissancetijd;--en LAROUSSE kent naast +REMBRANDT tegenwoordig ook VONDEL--doch eigenlijk tellen we pas +eenigszins mee in den vreemde na SARA BURGERHART, dat in het Fransch +werd vertaald--waar de Schrijfster niets mee ingenomen was. Ze meende +dat haar boek eigenlijk niet te vertalen was en alleen verstaanbaar voor +Hollanders. En ze had daarin volkomen gelijk, ook naar het oordeel van +BUSKEN HUET, die o.a. schreef:--"om die kunst te waardeeren moet men van +de natie zijn." + +Gaat er bij elke vertaling van een goed boek iets moois verloren, zeer +stellig, meen ik, moet dit het geval zijn met de uitstekende werken +van BETJE WOLFF. Ze zijn zoo door-en-door Hollandsch, als de _Camera +Obscura_ b.v., als héélvéél van _Multatuli_, dat vreemdelingen er +gewoonlijk onverschillig voor blijven, inzonderheid als niet de +intrigue van den roman op zichzelf belangstelling wekt, als wederom +bij BETJE. + +Ik spreek hier alleen van BETJE WOLFF, echter zonder haar vriendin AAGJE +DEKEN (1741-1804) tot bloot belangstellende te willen verkleinen. Er is +over het al of niet samenwerken heelveel getwist; ikevenwel meen dat +AAGJE veel meer is geweest dan toeschouwster, al laat ik die kwestie +hier rusten en noem ik alleen BETJE'S naam. + +Wie zich nu tot het lezen zet van _Sara Burgerhart_, moet zich +tenminste eenigermate een voorstelling maken van den tijd waarin het +boek werd geschreven (1782). Wij zijn te allen tijde een volk van +theologen geweest, is er terecht gezegd, en dat zijn we gebleven; dat +waren we vooral nog in BETJE'S dagen. Doch toen inzonderheid was het +geloof verstelseld en verdogmatiseerd, het leven was verdord in den +godsdienst, veruiterlijkt, en de nieuwe denkbeelden waren nog verward: +'t was vóór 't réveil, waarvan DA COSTA de dichter werd, en de +_Aufklärung_, wier profeet KINKER worden zou, schemerde nauwelijks. +BILDERDIJK vervroegrijpte pas. + +LOCKE (1632-1704) en de oudere DESCARTES vooral (1596-1650) hadden +invloed gehad; BOILEAU (1630-1711) en VOLTAIRE (1694—1778) waren veel +gelezen; ROUSSEAU (1712—-1778) was aan 't woord: _Nouvelle Héloise_, +_Julie_, _Emile_, _Contrat Social_ behoorden tot de in zekere kringen +populaire lectuur--en tot die kringen behoorde ELISABETH WOLFF. Er +bestaat een portret van haar als jong meisje met POPE'S beroemd boek: +_Essay on Man_ in haar hand. Dat lierdicht verscheen in 1733. + +FIELDING (1707—-1754) beroemd door zijn _Tom Jones_ en _Richardson_ +(1689—-1761) waren vertaald... Ja, véél werd er vertaald; het was zelfs +een bijzonderheid dat er een roman verscheen die niet was vertaald. +_Niet vertaalt_ liet BETJE dan ook op het titelblad drukken. De VAN +KWASTAMA'S en dergelijken--en hun aantal was talrijk--lazen nooit +Hollandsch; dat achtten ze als wijlen BARLAEUS een boerentaal, +ongeschikt voor fijnere geesten. + +Ik noemde zooeven RICHARDSON den schepper van den modernen Engelschen +roman, algemeen vermaard om zijn _Clarisse Harlowe_, _Pamela_ en +_Grandisson_, lektuur tot in POTGIETER'S jeugd. + +RICHARDSON is BETJE'S voorbeeld; van eigenlijk gezegde navolging mag +misschien sprake zijn in BETJE'S laatste werk: _Cornelia Wildschut_; +doch merkbaar is zijn voorbeeld overal. ROUSSEAU en RICHARDSON, die +twee bewondert en vereert BETJE; maar toch weer niet zóó, of ze durft +met den eerste in 't godsdienstige verschillen en door den laatste +verliest ze haar in-hollandsch karakter niet: _zij wil Hollandsche +karakters_ uitbeelden, _menschen zooals er bij ons leven_. + +En ze slaagt uitstekend: _Blankaart_, _Edeling_, _Suzanna_, _Stijntje_ +--enzoovoort zeg ik maar, om niet te reppen thans van tante _Martha de +Harde_ en haar man, in _Willem Leevend_. En zooveel anderen, +meesterlijke scheppingen. + +Als we in ons letterkundig leven terugblikken, vinden we BREDERO +(1585—-1618), COSTER (1579-1658), HOOFT (1581—-1647), men denke aan +diens _Warenar_, ASSELIJN (1620—-1701), BERNAGIE (1656—-1699), VAN EFFEN +(1684—-1735) en LANGENDIJK (1683—-1756), tot BETJE'S geestverwanten, en +die lijn loopt door tot BEETS (1814—-1903), wiens realisme echter +gepolitoerd is, tenminste overal een grondverfje heeft: het ruige is +er af, tot zelfs in _Barend_, den tuinmansknecht,--en tot _Multatuli_, +die heel hoog liep met _Blankaart_. + +Zooals reeds vermeld is werd BETJE in 1738 geboren, te _Vlissingen_; +zij was de dochter van JAN BEKKER en JOHANNA BONDRIE, een Vlaamsche. +BETJE was van haar geboorte af teer en prikkelbaar--ze werd begaafd en +hartstochtelijk; leergierig was ze en las vroeg boeken, die anderen +pas veel later of nooit lezen.--Niet vrij te pleiten van zekere +koketterie liet ze het zoover komen, dat een zekere GARGON haar kon +ontvoeren; ze was toen pas zeventien jaar. Zij is er met den schrik +afgekomen, _ongedeert_, zooals we van _Sara_ lezen, wie iets dergelijks +overkomt. Opzettelijk historie heeft ze niet geschreven in _Sara_, +maar ongetwijfeld is die _meneer_ R. wel een heugenis aan GARGON en +SARA is niet vreemd aan BETJE. + +Ze schrijft haar boek ook _ter waarschuwing_ voor jonge meisjes als +Saartje; van _l'art pour l'art_ had ze geen idee; ze onderwijst +altijd, 't zij ze romans schrijft, of in spectatoriale geschriften, +als _De Grijsaard_, _De Denker_ of _De Borger_. Die weekblaadjes +bleven na _van Effen_ geregeld, en telkens weer onder andere titels +verschijnen. + +Na dit voorval met GARGON had BETJE in Vlissingen en in het ouderlijk +huis geen leven. Haar broer LAURENS--die iets had van broeder BENJAMIN +--maakt haar 't leven zuur. Tijdelijk vindt ze een onderkomen bij den +Amsterdamschen advocaat NOORDKERK, die haar wist te kalmeeren. Maar ze +moest weer terug naar Vlissingen. + +Het was een uitkomst voor haar, toen ze door dominee ADRIAAN WOLFF, +met wien ze door haar geschriften kennis had gemaakt, altijd +_schriftelijk_ alleen, ten huwelijk werd gevraagd. Dat ging vlug in +zijn werk: den 9den October kwam WOLFF in Vlissingen, den 23sten +ondertrouwden ze, (1759). + +WOLFF was in 1707 geboren, dus 31 jaar ouder dan de vroolijke +levenslustige BETJE. Hij was sinds 1730 dominee in de _Beemster_ +en weduwnaar van WILHELMINE KAYZER; hij was een geleerd, zelfs +dichterlijk, en een hoogstachtenswaardig man, met een ruime +wereldbeschouwing. + +De eerste huwelijksjaren waren echter niet gelukkig: Betje koketteerde +wat met dominee AMIJS. Wolff leed, als altijd ouwe mannen van jonge +vrouwtjes, aan jaloezie--en Betje maakte 't wel wat bont. Na 1770 +echter wordt het beter: Betje wordt wat stemmiger, heeft haar +verkeerdheid leeren inzien en leert haar man waardeeren. In 1772 +treedt WOLFF zelfs openlijk op om zijn vrouw te verdedigen. En dat +was noodig, want Betje had door haar vinnige en zeer vrijzinnige +geschriften vrijwat vijanden en belasteraars. + +Tot haar bestrijdsters behoorde ook AAGJE DEKEN, die zich zeer +ongunstig over Betje had uitgelaten. Ze leerden elkaar kennen bij +den Amsterdamschen fabrikant GRAVE, in 1776--en die persoonlijke +kennismaking leidde tot ideale vriendschap--waar Betje zoo mee +dweepte--vriendschap tot aan hun dood: 1804. Kort na elkaar +overleden ze. + +AAGJE was een boerenmeisje, opgevoed in het Weeshuis "De Oranje-appel" +te Amsterdam. In 1767 was ze gezelschapsjuffrouw geworden bij de +weduwe BOSCH, wier dochter MARIA dichteres was--en ziekelijk. Maria +overleed echter al in 1773 en in 1775 gaf AAGJE hun werk uit onder +den titel van _Stichtelijke Gedichten_. Aagje was zeer ernstig en +deftig. Men zal haar in _Sara Burgerhart_ gemakkelijk herkennen in +ANNA WILLIS. + +In 1777 overleed dominee WOLFF, die in de Beemster zijn +_aspergebedden had aangelegd_. De man was, als Dominee SMIT in _Sara +Burgerhart_, veel te verdraagzaam en te ruim van blik om opgang te +maken. En toen gingen BETJE en AAGJE samenwonen en samenwerken. + +Eerst vestigden ze zich in _De Rijp_, waar ze woonden tot 1781; toen +verhuisden ze naar _Beverwijk_, waar Aagje het buitentje _Lommerlust_ +geërfd had. Tegenwoordig is dat de pastorie der R.C. kerk. + +Daar hebben ze gewoond--_Sara Burgerhart_ is er geschreven in het +beroemde Koepeltje--tot 1788. Toen kwamen de Pruisen in het land, +bij welke gelegenheid BILDERDIJK zich verdienstelijk hoopte te maken, +en de dames weken met tal van patriotten naar het buitenland, want ze +waren patriotisch gezind. + +Ze trokken naar Trévoux in Bourgondië en hebben daar gewoond tot +(1795), toen het den patriotten beter ging. Intusschen waren ze wel +wat genezen van hun vrijheidsroes: 't had maar weinig gescheeld, of +BETJE zelf was op de guillotine terechtgesteld.--Ze vestigden zich in +Den Haag en daar zijn ze blijven wonen. Ze hadden het maar armpjes: +hun kapitaaltje hadden ze toevertrouwd aan een Haarlemsch notaris en +die had het zoek gemaakt.--Ze moesten nu weer vertalen, dat "ze +kikhalsden" schreef BETJE. Wel hielpen de oude vrienden haar: LOOSJES +en VOLLENHOVEN; ze kregen nieuwe in VAN HALL en VAN DER PALM; ze +raakten heel intiem met mevrouw OVERDORP—POST, ELISABETH-MARIA, maar +ze waren erg "eergierig" en men moest het, als VAN HALL, heel kiesch +aanleggen om hen te ondersteunen. + +Ze werden ziekelijk: AAGJE leed aan jicht, BETJE aan kramp. De goeie +tijden waren voorbij--voor _Willem Leevend_ hadden ze _6000 gld_. +honorarium ontvangen; _Cornelia Wildschut_ bracht minder op. + +De beteekenis dier vrouwen voor onze algemeene volksontwikkeling en +ook voor onze letterkunde overschat men niet licht. Het is gemakkelijk +aanmerkingen op de samenstelling van _Sara Burgerhart_ te maken; men +moge den snoodaard _R_. wat al te tooneelsnood vinden; men brenge +bedenkingen in tegen den _briefvorm_, toen in de mode, door RICHARDSON +--en nog door mevrouw BOSBOOM—TOUSSAINT gebezigd in _Majoor Frans_ +--maar onsterfelijk blijven _Saartje_, _Blankaart_ en de andere reeds +aangeduiden--en nooit kan verdwijnen de geest van gezond menschenleven +dien haar werken ademen. + +Zij rusten in vrede op het kerkhof "Ter Navolging", bij Scheveningen. + + * * * * * + +SARA BURGERHART is niet alleen als roman bedoeld, 't is een _tendenz- +werk_--theologisch, paedagogisch, politiek zelfs en _apologisch_. +Daardoor is 't voor leerlingen inzonderheid te lang en te langdradig. +Eerst wanneer men er toe komt de 18de eeuw te bestudeeren, _ons_ leven +onder den invloed van den vreemde, dan wordt het _heele_ boek hoogst +belangwekkend. Misschien komen er velen toe het dan in zijn geheel te +herlezen. In deze uitgave wilden we behouden, behalve wat vanzelf bleef, +den _roman_ en _het karakteristiek Hollandsche_. Het zou ons bijzonder +aangenaam zijn als we daarin waren geslaagd. + + + Voornaamste Werken. + +Van BETJE alleen: + + Bespiegelingen over den staat der Rechtheid, + den val en den gevallen mensch, (1765). + Walcheren in 4 zangen, (1769). + Onveranderlijke Santhortsche Geloofsbelijdenis, + en De Menuet en de Domineespruik, (1774). + _Die Menuet werd zelfs door hel volk gezongen als + een kermisliedje_. + Mengelpoëzie. (1785). + +Van AAGJE en BETJE samen: + + Historie van juffr. Sara Burgerhart, (1782). + Historie van den heer Willem Leevend, (1784). + Brieven van Abrah. Blankaart, (1788). + Dichterlijke wandelingen door Bourgondië, (1789). + Historie van Cornelia Wildschut, (1796). + + J. B. MEERKERK. +_Zwolle_, April '19. + + + + +EERSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + + PARYS. + + +_Lieve jonge juffrouw!_ + +Nu ja, ik heb beide uwe Brieven ontfangen, maar, wat hamer, meent gy, +dat ik tyd heb om u zo _cito_, per post, (zoo 't u blieft,) te +antwoorden; en dat wel zo dikwyls, als myne Pupil goedvindt om my met +een hoope wisjewasjes aan 't hoofd te lellen? Zie, ik ben maar een +Vryer, (een _Oude_ Vryer, zo je wilt;) ik weet echter, hoe die Nufjes +van halfwassen Vrouwen bestaan. Van daag willen zy zus, morgen willen +zy zó. Wel nu, wat zal ik u antwoorden? Weet ik, in hoe ver gy +gelyk hebt? Niet, Saar lief, dat ik u in staat ken om my te pieren, zo +wat op myn mouw te spelden, gelyk men zegt: Neen, gy waart altoos een +oprecht kind; maar gy zyt jong, gy hebt het maar gansch niet naar uw +zin: reden genoeg, om zulke droevige dingen aan my te schryven. + +Indien ik niet in dit verbruide Land, daar niemand my en ik niemand, +dan zeer gebrekkig, verstaan kan, buiten de Familie, waar mede ik myne +zaken heb aftedoen, en daar ik wel zakken vol complimenten, doch geen +geld krygen kan, nog vooreerst diende te blijven, en te Amsteldam kon +komen, of ik die Russische winkel by Tante eens zoude komen opschudden! +Wêe, zo gy my gefopt hadt! maar wêe ook het oud Wyf, indien zy myne +Pupil, de dochter myns waardsten Vriends, kwalyk behandelde! Maak van +myn vertrouwen geen misbruik, maar uwe Tante verdient niet de Zuster +uwer brave Moeder te zijn; op myn eer, dat verdient zij niet! Zy is +een geveinsde inhalige Feeks; en ik kan het nog niet in den kop +krygen, door wat middel zy uwe zalige Moeder heeft weten te bewegen, +om u, haar eenig, haar tedergelieft kind, by haar te betrouwen. Voor +honderd halve ryertjes[1] moest gy het beter hebben; (uwe kleding +betaal ik immers nog byzonder[2]). En krabt zy die echter niet zo +vrekkig naar zich, als of zy arm en gy haar wild vreemt waart. Zo gy +kunt, hou het uit; ik zal er u te liever om hebben, kind; en ik zal my +tegen u niet laten innemen. Nu, zy schryft my ook nooit. Mooglyk acht +zy my die eer onwaardig. Alles heeft zyn reden, meisje; zie, ik heb +Tante, als zy het al te erg maakte, zo wel eens doen zien, dat haar +manier van doen zeer dikwyls verbaast verre afweek van hare wyze van +zeggen, en breden ophef, als of zy, ten minsten, eene heilige van den +eersten rang ware. Gy hebt zulke brave ouders in 't graf; draag u toch +wèl, kind. Ik beken, zo eene behandeling is haast niet om te verdragen; +zo zy het al te erg maakt, en gy beter kunt te recht komen, ik guarandeer +uw kostgeld; mids dat de Lieden onbesproken en hupsche menschen zyn. +--Doe deezen stap echter niet, dan in den dringentsten nood, of wy zullen +geen Vrienden blyven; ik kan niet toestaan, dat gy u zelf zoudt benadeelen; +daar heb ik u veels te lief toe. Ja, wat ik zeggen wou? Ik heb hier eene +menigte muziek voor u gekogt, en die zal ik u met een los adres[3], als +ik goederen afzend, toeschikken. Zy geven hier voor dat de Compositie +heerlyk is: ik vergeet al myn kunst met die druktens; maar ik heb zo +graag, dat zoete meisjes zich wel diverteeren; en gy zyt toch een +muziekgekje. Ik denk wel om u, en kan dikwyls wenschen, dat ik u hier +had. Hier, Saartje, zoude uwe geestige hekelzucht stoffe vinden, al +hoorde en zaagt gy niets dan dien nimmer stillen zwerm van Gouwe torren, +en Zomerkapelletjes; want zo noem ik dat lastig beslissent wel opgepronkt +Jan hagel, dat men _Petits maîtres_ hiet: Ik ben zoo bang voor zó een +rekeltje, als gy voor een Aap; zy noemen my hier: _le gros Hollandais_; +wat beduidt dit Kind? mooglyk nietmetal. + +Binnen zes maanden denk ik thuis te zyn. Wat lange brief is dit? nu gy +yder een niet; maar toch, ik schryf niet graag Brieven.--Vaarwel, leef +vrolyk, wees gegroet van + + _Uwen toegenegen Voogd_, + + ABRAHAM BLANKAART. + +Noten: + +[1] Rijer = 14 gulden. +[2] Afzonderlijk. +[3] Apart pakje. + + + + +TWEEDE BRIEF.--Aletta de Brunier heeft Saartje gezien als een +"kwakerinnetje", in den winkel van Mad(elle) G. Dat is te gek, +schrijft ze aan Saartje, met wie ze vroeger heeft school gegaan, en +ze stelt haar voor bij háár te komen wonen, en pension bij de wed(e) +Spilgoed-Buigzaam--daar hebben ze 't best. Er wonen nog twee dames. + + + + +DERDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Ge-eerde Heer, zeer ge-achte Voogd!_ + +Dat was een blyde Postdag voor my. Een Brief van myn geëerden Voogd. +Waarlyk, ik heb geschreit, ziende hoe veel belang gy in my naamt: doch +dat zes maanden uit blyven! daar lag al myn vreugd in 't voetzant. +Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer +uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet +half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan. +Och, zo waar, ik heb u geen één jokkentje, hoe klein ook, op den mouw +gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? dan was ik een zeer slegt +meisje, en verdiende dat gy my bekeeft. Ik ben niet alleen de slavin +van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude +lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt. + +De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw +van een fatsoenlyk man, die niet dan ordentelyke Dames logeert. Een +myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en +pryst de Juffrouw heel zeer. Daar zyn nog twee andere Dames ook. + +Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat +berispelijk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary +wil verlagen, eene ondeugd, die allerafschuwlykst voor my is; en waar +aan ik my zeker nooit zal te buitengaan. + +Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen +te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven: +Laat my toe, dit nogmaal te zeggen. + +Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek! ik zing al in voorraad[1]. +ô! Wat zal die fraai zyn: mooglyk is er wel van Rousseau's[2] Compositie +by? duizendmaal dank. Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken +van een Pypje, voor te spelen. Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart, +daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryën +[3]; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag en ik heb zulke mooije +Cantata's. Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het pakje aan Tantes huis +niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur; ik zal hier een adresje +insluiten. Ik bidde den goeden Hemel alle daag voor u, en dat ik u +gezond en vrolyk moge weder zien, my zelf gelukkig rekenende van te zyn, + +_Uwe liefhebbende Pupil en Dienares_, + +SARA BURGERHART. + +Adres: _Chez Mademoiselle G----, Marchande sur le_ ----. + + +Noten: + +[1] Bij voorbaat. +[2] Wolffje dweept met Jean Jacques. +[3] Zeurige deunen. + + + + +VIERDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLES. + + +_Ge-eerde vriendin!_ + +Hield ik my niet verzekert, dat uw hart veel beter gestelt was, dan +dat van wylen den Heer Achitofel[1], (trotscher gedagtenis), die zich, +om dat men zynen raad verwierp, maar zo eens, met een gaauwigheid, +handigies ging opknopen, ik zou zeker by u niet om raad komen, want ik +zeg u in voorraad, dat ik niet van mening ben dien te volgen; ten ware +hy, onverhoopt, met myn reeds genomen besluit overeenstemde. + +En nu, myne zeer statige, zeer hoogwaardige Vriendin, zult gy my +vragen: "waarom, indien dit zo is, of ik dan uwen raad verzoek"? Dat +zal ik u zeggen, Naatje. Ik schryf aan u, om myn hart te ontlasten; om +u in staat te stellen van te kunnen oordelen over myn lastig lot, op +dat gy, den stap dien ik ga doen, al niet goedkeurende, dien echter +zoudt kunnen inschikken. Een stap mooglyk, onvoorzichtig; doch voor my +nodig. Gy hebt al myn vertrouwen, om dat gy alle myne achting hebt, en +elk die u acht is zeker niet verachtelyk, om dat gy zulk een fraai +karakter hebt, enz. Ik moet kort zyn. Maar by Tante heb ik het zo +slegt, dat ik er niet langer blyven kan of wil. Raad my dit niet af. +'t Is wel waar, Naatje, dat gy zo wel veel wyzer als veel ouder zyt +dan ik; maar gy zyt echter niet wyzer dan Salomon, de wyze Koning +Salomon zou ik denken, ende wat zegt zyne Philosophische Majesteit +ergens? "Het is beter te wonen aan de zyde des Daks, dan by eene +kyvende "Huisvrouw". Hoe kan ik nu langer wonen by eene Tante, die, +schynt het, eene belofte gedaan heeft, om my zo veel bitterheid aan te +doen, als Vrekheid en Dweepery maar immer kunnen opbaggeren.... Daar +schreeuwt zy alweer haar keel uit het lid. "Ja Tante, ik kom." Eerst +echter deezen agter 't slot. Zo dra ik kan zal ik een tweeden Brief +beginnen, ik moet u eindelyk voldoen omtrent zaken, my, vóór ik u +kende, ontmoet. Vaarwel, myne waarde. + + S.B. + + +Noot: + +[1] 2 Sam. XV, 12 vv. 2 Sam. XVI, 23. — Vert. Kuenen c.s. + + + + +VYFDE BRIEF. + +DE ZELFDE. Ten vervolge. + + +Ik moest mynen vorigen brief, die hier nevens gaat, zo schielyk +afbreken, om dat Tante my riep, schoon zy my niets te zeggen hadt, en +slegts beval, by haar te zitten: Onze gromparty sla ik maar over, om +dat ik u nu eens ernstig moet schryven. + +Myn waarde Vader, weet gy, was Jan Burgerhart; hy negotieerde in de +Thee; zyn handel was voordeelig. Myne lieve Moeder was, zo als men dat +noemt, een bestorven meisje[1]. Zy hadt een stuiver goeds, en trouwde +zeer jong. My, het eenig kind, voedde men op als een meisje, dat van +eene goede familie is, en geld te wagten heeft, door brave Ouders +opgevoed wordt. Gy kent myn aandoenlyk hart; gy weet hoe vatbaar het +is voor de minste blyken van genegenheid; oordeel dan hoe ik deeze +myne dierbare Ouders eerde en beminde. Ouders! dat is toch een +zielroerent woord, Naatje, en kost my meermaal eene stille traan. Myne +Ouders waren gelukkig met elkander. Hun karakter was voor elkander +berekent. Meer zeg ik niet. Wie spreekt ooit dan met achting van myne +zalige Ouders? och, yder een!... Gy weet het. Hoe aangenaam was ons +zeer geregelt huishouden! Myne Ouders lazen veel, en zagen deeze zucht +in my met goedkeuring. Nog zie ik hen in onzen tuin, op de bank +zitten, als Vader zyn pypje van rust, zo als hy het noemde, rookte, en +Moeder hem iets voorlas, terwyl ik op des goedaartigen mans knie zat +te luisteren, of te spelen. Nog zie ik, hoe hy my, gevolgt door myne +glimlachende Moeder, in huis draagt. ô! Dat waren gouden dagen; waren +het niet? + +Myne Moeder hadt eene Zuster, die veel ouder was, en waar by ik nu +inwoon. Die Zuster vondt maar gansch niet billyk, dat Saartje vóór +haar ten huwelyk verzogt wierd, en kyk, de Juffrouw was magtig gestelt +op het _Decorum_[2]; dat was het maar: zy meende ook zeer wel te +weten, dat zy zo wel veel meer verdiensten, als jaren telde, dan myne +Moeder. Doch, of het spel sprak, daar kwamen geene Liefhebbers. Indien +onze Vriendin hadt kunnen bewogen worden, om eene _aanpryzende_ +VOORREDE voor Tante te schryven, mooglyk zou men haar gezogt hebben. +Hoe 't zy--(verschoon dien inval!) zy begreep, (Tante heeft ook haare +invallen, Naatje), dat er geen beter party voor haar opzat, dan zich +te voegen by die Lieden, die wy _fynen_, en die zich zelf _vroomen_ +noemen. Veele deezer menschen, ik spreek van de besten uit de zôô, +meenden dat haar grimmige uitkyk, haar grommig voorkomen, haar +nutteloze berisping, de zoete vrugtjes waren van eene naauw-gezette +godsvrugt. Die goede Slooven dagten, dat Tante los was van de Waereld, +om dat de wyze schikkingen der Voorzienigheid nooit de eer hadden van +haar Wel Edele te voldoen. Hoe zeer zy ook de Fyne uithing, zy beviel +evenwel méér aan de Zusjes, dan aan de Broedertjes: men moet bekennen, +dat Juffrouw Hofland juist niet heel oogelyk is. + +Met myn zesde jaar hield ik al meê Oeffening by Tante. De Vriendjes +hadden veel met my op. Men zag wat goeds in my. Ik hield ook veel van +Tantes Oeffening; want, met myn zak en peperhuizen vol Lekkers, kwam +ik altoos thuis, zie daar de genoegzame rede. Hoe zeit Wolff[3], de +_ratio sufficiens der dingen?_ + +Zoo veele middelen bleven niet ongezegent. Ik verlangde altoos naar +Tantes oeffendag. Wat zal ik meer zeggen? Gy kent my: medelydent, +meêgaande, en zoo voords. Toen kon ik al geene droefheid zien zonder +ook te kryten; en er werdt ook meest altyd eens geweent, (waarom weet +Joost; want me dunkt, dat zy het nog al zoo taamlyk wél hadden). Deze +weekheid behaagde. Myne Tante zelf, of schoon ik hare gehate Zusters +dochtertje was, kreeg my, op hare wys, recht lief. Zy mydde ons huis +niet meer, om dat ik meê oeffening hield, en meê huilde. + +Twaalf jaren leefde ik zo gelukkig, als een gehoorzaam en gelieft kind +leven kan. Toen keerde myn lot. Myn waarde Vader, zich op eenen heten +dag, door het inpakken en afzenden van Thee, zeer verhit hebbende, +kreeg een pleuris, en stierf binnen drie dagen, nog geen veertig jaren +oud zynde. + +Geene VAN MERKEN[4] zou u kunnen afbeelden, hoe groot myner Moeders en +myne droefheid was. Wy verloren alles, en myne teder-lievende Moeder +voelde alles wat zy verloor; meer zeg ik niet. Oordeel nu. Myne Moeder +deedt den handel aan iemand onzer Kantoorbedienden over, vertrok naar +de ----gragt, en hielt maar eene onzer meiden; daar leefden wy stil en +proper. Maar haar verlangen naar stilte was te gunstig voor haar, om +toch onafgebroken aan haar Overledenen te denken! Myne Ouders hadden +elkander hartlyk bemint: de dood myn's Vaders stortte haar in de +allerdiepste zwaarmoedigheid. Zy sneedt alle uitspanningen af, zag +niemand, sprak weinig, zuchtte veel, en stortte veele droeve tranen. +Zy werdt ook wel dra zo ziek van lichaam als van ziel. De lieve Vrouw +hadt nu reeds de geschiktheid, om het zaad der dweepery, 't welk myne +Tante met eene voorbeeldige mildheid uitstrooide, te ontvangen; zy +ontfing het ook, helaas! + +Ik was bitter bedroeft over myne Moeder! myne zucht tot vermaak +verzwakte. Geen wonder! ik zag myne kwynende Moeder in eene sleepende +ziekte vervallen, die, zo als Docter E---- duchte, ongeneeslyk was. Ik +leed niet minder dan myne dierbare toegeeflyke Moeder. De Teering is +eene elendige kwaal, Naatje. Wat heeft de brave Vrouw geleden, en dat +zo lang; zo heel lang! Nooit verliet ik haar in het laatste jaar haars +levens. Ik sliep voor haar bed, gaf haar alle de medicynen; en zag, +buiten myne Tante en den Docter, niemand dan onze goede Pieternel; die +brave meid, welke myne Ouders reeds diende, toen ik geboren wierd, en +waar voor ik zo veel liefde heb. Nu en dan las ik voor myne zwakke +stervende Moeder; doch de Boeken, waar uit ik las, waren niet voor my, +ook niet voor haar geschikt, en werden door Tante bezorgt, akelige, +zotte geschriftjes, die myne Moeder, vóór de droefheid haren geest +geheel hadt benevelt, met versmading zoude beschouwt hebben: Ik ben nu +te ernstig, anders zoude ik u eens een paar douzynen Titels opgeven, +die my by u zouden verdedigen. + +Dodelyk ongerust over myne geliefde Moeder; onpasselyk door het gestadig +zitten in eene ziekenkamer, verstoken van lucht, dien balsem des levens, +van licht, dat den geest opheft: zonder de minste afleiding; het zwarte +beeld des doods gedurig voor my warende; verdrietig over de smarten myner +Moeder, verloor ik eerst myne eetlust, toen myne gezonde kleur, en wel +dra myne werkzaamheid. Ik keek zo bang en zo zuur als Tante; zuchte, +zat leeg en lui met de hand onder myn hoofd, dat dof en zwaar werdt en +ongekapt bleef. Met één woord ik vervreemde zodanig van de jonkheid en de +natuur, dat Tante my voor een geheel _omgekeert meisje_[5] begon aan te +zien. Zy liefkoosde my, om dat zy haar eigen portret in my waande te +vinden: en ik, och! ik had vrede met Tante, om dat zy met my in haar +schik was. + +In dien staat was ik, toen gy ons uit naam uwer Moeder bezogt, die de +beleeftheid hadt, om, uit oude vriendschap met myn Vader, en uit nieuwe +Buurschap, zo als gy zeide, (want gy kwaamt eerst onlangs op de zelfde +gragt), te laten vragen, hoe of myne Moeder nu was, zynde zy begeerig om +de zieke eens te bezoeken. + +Hy, die ons in treurige omstandigheden toespreekt, met heusheid toespreekt, +is ons welkom: dit beurt ons op; het vleit ons; het verwydert ons eenige +oogenblikken van ons verdriet: Oordeel des of gy my aangenaam waart! ik +voelde nu, dat ik nog vatbaar was voor blydschap. O dierbare aandoening! +Hoe, (gy wordt immers niet knorrig, Naatje lief?) hoe staatig, hoe weinig +toeschietent, hoe geheel anders gy ook waart, dan ik, in houding, in +kleding, in gelaat, toen echter scheent gy my de voorkomenheid, de +minzaamheid zelve. + +Myne grootste, zoo niet eenigste behoefte, gy weet het nu zelf, is +lief te hebben, en gelieft te worden: myne liefde voor myne Moeder was +zo oprecht, zo teder, als die van eene dochter ooit zyn kan, maar die +liefde vervulde echter myn geheel hart niet. + +Hare onbegrypelyke zwakheid, en myn gegronde eerbied waren de oorzaken +van dit verschynsel. Die bron stroomde niet hoog genoeg voor my, en +yder uur dreigde de dood die voor altoos te verstoppen. Gy werdt voor +my noodzaaklyk. Ik zag wel, dat Naatje Willis een geheel ander +voorkomen hadt dan Saartje Burgerhart, of alle die Juffertjes, daar +ik mede om plagt te gaan, vóór deze toenemende krankheid myner lieve +Moeder: maar toen stak uwe statigheid niet héél sterk af by myne +dofheid; wel verre van de oorzaak optesporen, dacht ik er niet eens +aan: ik kende u; dat was genoeg. + +Uwe achtingswaardige Moeder bezogt de myne: het afscheid was teder en +bedaart. Zy zag my schreijen, nam myne hand, sprak vriendelyk, +troostelyk, kuste my; ja, noemde my, _lief Meisje_. + +Gedurende deze ziekte hadt myne Moeder Tante tot medevoogdes, nevens +den Heer Blankaart, aangestelt; haar des jaars zevenhonderd Guldens +toeleggende, tot ik kwam te trouwen, of, tot myne meerderjarigheid +indien Tante my by haar wilde innemen. Deeze schikking zal u niet +verwonderen, als gy bedenkt, hoe verzwakt myne Moeder was; als gy +bedenkt, dat Tante en ik toen zéér wél te recht konden: Tante hadt +Nicht lief, om dat die ziek en zwaarmoedig was, en Nicht, wel, die kon +niet denken, dat 'er zulke Tantes in de geheele waereld waren! + +Weinige dagen na het bezoek uwer Moeder, storf de dierbare Lyderes, +des nagts, in 't byzyn van onze Pieternel en den Heer Blankaart, die +toen juist in de stad was, en ik bleef, nog geen zeventien jaar oud +zynde, ouderloos. Myn Voogd berustte in de dispositie myner Moeder, +doch heeft met Tante niet veel op. Zy noemt bykans nooit zyn naam, of +zy voegt er by, dat hy geen godsdienst heeft. Denk eens aan; en dat +van zo een allerbest man! Is 't geen schande? + +Aanhoudent, stil aan myn hart bytent huisselyk verdriet, heeft maar te +veel van die goede lessen, die ik ontfing, uitgewischt. O vrede! ô +kalmte der ziel, waar zyt gy zedert deeze drie laatste jaren geweest? +ô myne Naatje, kan ik met nimmer wankelende treden den weg der pligten +altoos bewandelen; daar men mynen weg zoo hart, zo doornig, zo ruw +maakt? Nu 't is ook uit: myn gerekt geduld is ten einde; ik zal my dus +niet langer laten plagen. Neen! vast niet. + +Ik kan u al myn verdriet niet vertellen; daar is in vele opzichten +zulk een _zweem_ van beuzelagtigheid by, dat gy, die zo gelukkig +leeft, niet kunt geloven, dat het my zó treft. Ik heb geen de minste +vryheid; komen myne Meesters, dan tiert zy als een zottin; ik mag niet +op myn Clavier spelen; ik mag my niet kleden, zo als ik gewoon ben; ik +mag niemand zien dan in haar byzyn. Gy weet dat ik altoos proper, en +eenigzins modieus gekleed wierd, maar hoe takelt zy my toe! Nu, zedert +de rouw uit is, moet ik in een grove lelyke Stoffen Japon lopen; myn +Pelise[6] is van eene ouden zyden faly myner Grootmoeder, (en is vol +vouwen en kerven,) gemaakt; zonder kap of lintje, met een tinnen haak +en oog maar vast gekonkelt. Myn linnen muts is zo groot, dat even het +puntje van myn neus er uitkykt. Ik heb dikke drommels van schoenen, en +dieren van groene kousen aan. Alle Kerkdagen moet ik gaan, en by dien +Leeraar[7] dien zy uitkiest. Maandag en Saturdag moet ik Tante, en die +Hottentot van een Bregt, na klungelen, om voor de Oeffenings-vrienden +alles gereed te zetten. Ik moet thee schenken, presenteeren, zotteklap +en lastertaal hooren ... maar genoeg. Dit evenwel nog: alle avonden +moet ik in malle Boeken lezen, die wel door verliefden in een Dolhuis +gemaakt schynen, doch die noemt myne Tante innige zielsdierbare +Schriftjes, kostelyke Pandjes, enz. By ydere zinscheiding zucht Tante, +en snurkt Bregt. Ik mag voor my zelf niets lezen, dan 't geen zy goed +keurt; uwe _Julia Mandeville_ heeft die vinnige kwezel op 't vuur +gebruit; och ja, voor myn' oogen deedt zy het. Ik beken, dat ik toen +niet heel zoetzinnig was, maar het geen kleentje roerde. Waarlyk, +Naatje, als ik hier bleef, wierd ik de grootste haneveer die er ooit +leefde, en 't is toch geheel tegen myn inborst; doch nood breekt wet. + +Ik lyde juist geen honger, maar 't scheelt niet véél. Altoos is 'er +iets voor my alleen, nu onder dit, dan weder dat voorgeven. Is dat +voor my uittestaan? Weet gy wel, dat ik hier zevenhonderd Guldentjes +verteer, kind? Meermaal gaf zy my, in heilige woede, een brave klap om +de ooren, en ik ben echter bykans twintig jaar, kind, en zou Tante, +schaamde ik my dit niet, er even goed een weerom kunnen geven. Hoor, +ik heb aan myn Voogd geschreven, en wagt een gunstig antwoord. + +Ik zal wel ergens belanden. Ik heb myne Kinderkennis vernieuwt met myn +Schoolmakkertje, Letje de Brunier. Die zegt, dat zy by eene zeer +fatsoenlyke Vrouw gelogeert is; eene Weduw, die op de Keizersgragt +woont. Juffrouw de Brunier schynt wel wat lugtig; maar dat's háár +zaak. De Weduwe zal my wel innemen; althans, Letje zal het haar +voorslaan. Ik laat my niet langer plagen: ik verteer te veel geld. Ik +ben immers niet kwaad, Naatje? maar zo te leven is my onmooglyk. Wat! +zou ik geen braaf mensch kunnen zyn, om dat ik de slavin myner Tante +niet zyn wil; om dat ik my naar myn zin wil kleden, 't geen myn Voogd +my gaarn inwilligt? Zou ik myn hair niet mogen opkappen, zonder dat +myn hart er by leedt? Vrees niet voor my, ik zal wel op de wagt staan. +Ik ken de liefde niet; denk er nooit om, breek myn hoofd nooit met +zulke snuisteryen. Ik begeer niets dan een leven, dat vry vrolyk en +schoon afloopt; goed gezelschap, aangename Boeken, en het vry gebruik +van het Clavier. + +Dit voornemen heb ik; nu weet gy alles. Bekyf my, preek, vermaan, +bestraf, vlei my, ik zal alles lezen, u liefhebben, en--myn eigen zin +doen. Antwoord my toch ten eersten[8]: wat verlang ik naar een brief +van u! geadresseert in _la Reine de France_, chez Mademoiselle G----. +Niemand acht u hooger dan + + _Uwe Vriendin_, + + SAARTJE BURGERHART. + + +Noten: + +[1] Wees. +[2] Hier: betamelijkheid. +[3] K.F. Wolff 1733—94; rat. suff. genoegz. rede. +[4] Luc. Wilh., Nut der Tegenspoeden, 1721—84. +[5] Bekeerd. +[6] 't Zelfde als faly: mantel. +[7] Dominee. +[8] Gauw. + + + + + +ZESDE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp schrijft aan Zuzanna Hofland +--Saartjes Tante, bij wie ze inwoont--hoe Saartje als jong kind al +niet deugde. Ze leest verkeerde boeken! Ze noodigt Zuzanna bij zich. + + + + +ZEVENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. + + +_Dierbare Vriendinne!_ + +Wel, wat heb ik een dag gehad, een dag gehad: och! ik vrees dat de +Boze maar te veel vat op my gehadt heeft; ik was zo toornigjes, zo +toornigjes. Och ja, zo van myn hert afgedwaalt. Dogt ik dat, toen ik +dat meisje by me nam? Ik dogt, dat er wat goeds in was; want toen haar +Moeder ziek was, was zy zo stil en zo ingetogen, en kreeg ook onze +kleur[1] al; maar 't was ook maar onze kleur, en meer niet. Zy was my +nog te waereldsgezint; zo bedroeft was zy over hare Moeder; en moest +het Hellewicht niet gedagt hebben, dat ik haar beter was dan zeven +Moeders? Wat zeg jy, Zusje? Ik, die alles doe om hare lusten te doden +en te kruizigen. Och ja! + +Ja, het stond my ook nooit wel aan, dat zy, als zy in het oude +Testament las, altyd met er neus in de Spreuken en den Prediker zat. +En ik vond het nog erger, toen Broeder Benjamin zei: "dat Salomon al +dat pligtmatige, waar van hy zo veel schreef, geschreven hadt, in den +tyds zyn's afvals; eenigjes en alleentjes om zyne Heidensche Wyven en +Bywyven te behagen, die wel zin daar aan hadden, in die blinkende +zonden, zei hy; en dat, toen Salomon zich bekeert hadt, hy ook van dat +betrachten, dat doen, zoude gezegt hebben: Ydelheid der ydelheden, dit +alles is ook ydelheid". Al dat doen, Zusje, laat de ziel maar leeg; +die draf van goeije werken zyn ook al todden en vodden van eigen +gerechtigheid, zo als de Zuster Alida met yver altoos zegt. + +Zusje, wat is die Broeder Benjamin toch een groot mannetje! Nou, ik zal +zien te komen, en dan zullen wy spreken van herte tot herte. Ik heb u +en de broeders lief. + + Z. HOFLAND. + + + PS. Het Theologiesch Verrekykertje van Zuster + Welgeleert gebruik ik met stichting: als je + weer eens een zoet Boekje hebt, hoor. + + +Noot: + +[1] Geestesrichting. + + + + +ACHTSTE BRIEF.--Sara schrijft Aletta de Brunier, dat ze komt, als de +weduwe Sp. haar wil hebben. + + +NEGENDE BRIEF.--Deze verklaart zich bereid Sara te ontvangen, tegen +billijke vergoeding. Het zal haar wel bevallen. + + + + +TIENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA DE BRUNIER. + + +_Douce et tendre amie!_ + +_Je suis enragé_, op het oud Wyf--op myne Tante; ik wil geen week +langer blyven; 't is of ik in de hel woon. Myne Tante heeft zeer veel +van zyn Satansche Majesteits karakter; en Bregt verdient wel een +schonen dienst in zyn onderaardsch ryk ... Ja! bons wat aan; ik zal +niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. Sus! daar hompelt zy, al +grommende, den trap weêr af. Goeije reis naar beneden. Ik moet, +_chere_, u eens een _Scene_ tekenen, die u niet zal uit de hand +vallen. + +Woensdag voormiddag raasde zy als eene bezeetene, om dat ik eenige +nieuwe Aria's speelde. (Dat's een Wyf, ook?) Zy werd geholpen door +haar Hottentot van een meid, die my dorst zeggen, dat zy ook danig +ontsticht was. Met wordt er gebelt. Bregt, die volmaakt een zog van +een Bollebuisjeswyf[1] gelykt, waggelde naar voor; en Tante gaf my een +verbruide oorvyg, om dat ik bleef spelen.... "Juffrouw, daar is +Sinjeur Benjamin."--"Wel hede, laat Broeder maar agter komen." Daar +kwam Broeder, een luije zuipzak van een Kerel, in een paarschen Japon; +(men zou wel zeggen, wie of zo een verlopen Slagers Knegt toch een +Japon heeft leren dragen.) "Welkom Broêrtje, wel hoe is het nu nog al +met je?"--"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"--"Wel, dat is +droevig, maar je vergt je ook wat véél."--"Ja 't is myn Ambtsbezigheid; +en hoe vaart Zuster? Je schynt wel wat onthutst."--"Ja, dat ben ik ook, +'t is niet altyd het effen wegje, Broertje." (Tegen Bregt.) "Ei meid, +is er niet wat? dan zou Broeder hier maar familiair blyven." (Tegen my.) +"Toe, lieve Saartje, was dat uittestaan, lieve Saartje, en myn wang +gloeide nog van den slag, bak jy nou ereis schielykjes wat dunne +Pannekoekjes, Broeder lust die zo graag." Ik sloot myn Clavier, en zei: +'t is wel, Tante. Ik ging naar de Keuken, en bakte helder door: maar-ik +-at-die-al-bakkende-zelf-op. Dit is de eerste trek, die ik haar speelde, +hoe zelden ik myn genoegen kryg. + +Ik moet hier alles doen; want Bregt is een lomp schepsel, en snuift +sterk. Toen ging ik, terwyl Bregt in huis klungelde, de tafel dekken. +Bregt eet met ons, want het is Zuster Bregtje, moet je weten, Letje. +Tartuff[2] zou een goed woord spreken, maar de Vent badt, (zo noemen +zy dat gehuilebalk,) wel een kwartier lang. Het geen hy jankte, geleek +veel meer naar het morrent gegnor van ondankbaar Vee, dan naar de +zuchten van een bewogen hart, 't geen zynen God looft. + +Ik kreeg, _à l'ordinaire_[3], eeten op myn bord, twee schepjes +groente; met een slenter kout vleesch van 's daags te voren. Ik spelde +myn Servet voor: "als ik gelyk een kind eeten kryg, moet ik ook zien, +dat ik my niet bemors." "Och of gy een kind waart," zei de Smulpaap, +die onderwyl met zyn duim en vinger de boter van de _robe de +chambre_[4] eener Cottelette aflikte. "Dat zou heuchelyk zyn," zei +Tante; "ja wel heuchelyk," zei Zuster Bregitta. Toen kreeg ik nog wat +byeengeschraapte Spenage, en een stuk Cottelet. Zuster Zantje, en +Broeder namen onderwyl eens. Ik kryg nooit wyn. Tante zegt, dat het +niet goed is voor my, en dat kan wel zyn; want ik ben jong en gezont. +"Kom, Saartje, neem nou maar af; Bregtje is wat vermoeit; de sloof +wordt oud." Ik deed zo; zette het Dessertje op. "Waar bennen de +Flensjes, Saartje?" "Die bennen in myn maag, Tante." Snap myn servet +neêr gegooit, (by ongeluk tegen Broeders palmhoute[5] pruik,) en het +onweer op myne Kamer ontweken. Gy weet, ik ben tamelyk vlug, dat my +toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de Hottentot +met een stuk brood en een glas zuur bier, er by voegende, "dat ik het +nooit kon verantwoorden, zo als ik een vroom mensch evel plaagde." +"Scheer je van myn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. Het +brood (het was goed op de Flensjes,) at ik op. Het bier gaoide ik weg, +en dronk eens helder uit myn Caraffe: ging vroeg te bed, en sliep als +een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom Thee, die +wel omspoelzel lykt. Tante gaat uit, en wil my voor haar oogen niet +zien. Zo zitten nu de zaken. Mooglyk geef ik u deezen wel in eigen +handen, mooglyk niet: Ik weet niet hoe 't zal uitkomen. + +Vast kom ik, de brief der goede Weduwe heeft my in dit voornemen +gesterkt. Ik zou al by u geweest zyn, maar ik wagt op een Brief; die +brief komt niet. Ik zal, voor ik dit huis verlaat, aan haar die ik +bedoel nog eens schryven ... doch dat kan ik by u evengoed doen. + +Ja, lieve meid, gy hebt wel kostelyk gelyk! Men moet maar wel doen en +vrolyk leven. He, wat? op die Fynen is toch geen staat te maken; +echter zyn er (of jy 't niet geloofde,) zulke vrome zielen onder, die, +waren de hoofden dezer brave menschen zo goed georganiseert als hunne +harten, wel zuiver en godsdienstig zyn ... enfin, kort gezeit, Letje, +Salomon, de wyze Koning Salomon, is myn man: _men moet het goede +genieten van zyn leven, ende van zyn arbeid_;--daar mee is dat maar +uit, en afgedaan. + +'t Wordt donker, en ik kryg geen licht in myn kamer; ik kan des niet +langer schryven. Hoe zal dat gaan als ik beneden kom? Ik zal eerst +Tante goeden avond zeggen, en als zy draaglyk is, by haar gaan zitten +breijen; zoo niet, dan ga ik in de zydkamer, de lantaarn brandt toch +in het voorhuis, open myn Clavier, en speel op 't gevoel maar weg. +Maak myn Compliment aan Mejuffrouw de Weduwe Spilgoed; en zeg haar zo +veel gy nodig oordeelt, zo gy deezen nog, vóór ik u omhels, in handen +krygt. Nagt, lieve ziel. + + Tout à Toi, S. BURGERHART. + + +Noten: + +[1] Poffertjeswijf. +[2] Benjamin = huichelaar (Molière). +[3] Als gewoonlijk. +[4] 't Vleezige. +[5] P.-H.-kleurige. + + + +[Illustratie: Snap mijn servet neêr gegooit, (bij ongeluk tegen Broeders +palmhoute pruik,) en het onweer op mijne kamer ontweeken. +Illustratie van C. Bogerts, naar teekening van J. Buys, in de 1e uitgave +van 1782.] + + + + +ELFDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Ge-eerde Heer, zeer waarde Voogd!_ + +De steen is geworpen: ik ben 't ontvlugt, en acht het pligtmatig u +alles te melden. Gister namiddag ben ik hier in myn nieuw Logement +gearriveert: Ik zal alles vertellen. + +Ik twyffel dikwyls, of Tante my deeze laatste weken niet zó geplaagt +heeft, om my deezen stap te eerder te doen doen. Het volgende deedt +my nog te eerder tot een besluit komen. Ik ontmoette in een Fransche +winkel, daar ik een paar handschoenen kogt, eene myner School- +vriendinnetjes, zekere Letje de Brunier. Het lieve meisjes Vader was +de Heer Phillips de Brunier, geen ongeacht Commissionaris[1] op +Duitschland en Italien: Ik leg haren brief aan my, ook die der Weduwe, +daar zy by logeert, hier in; op dat gy zoudt weten al wat er my van +bekent is. Nu de Vertelling. + +Gister middag ging Tante uit eeten. Ik kleedde my aan, stak wat linnen +by my, ook myne juweelen, die ik van u gekregen heb, voor gy naar +Frankryk ging, doch die ik nooit heb aangehad, met een weinig gelds, +(want zy geeft my niets,--geen duit.) Bregt hadt de stoutheid om my te +vragen: "waar ga jy heen?"--"Dat raakt jou niet."--"Dan zel je ook in +huis blyven."--"Heb jy 't hart, en belet my dat eens." Ik kan wel boos +worden, maar niet kyven; en ziende dat Bregt haar talent te werk +stelde, bedagt ik my: "Bregt, zei ik, heeft Tante je die ordres +gegeven, dan moet ik haar de reden vragen, als zy t'huis komt; wat +zullen wy eeten?"--"Kliekjes", zei zy. "Goed, ik heb honger; maar wy +zullen Tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een fles +wyn, jy hebt zeker den sleutel."--"Ik doe niet, juffrouw Saartje: (nu +ik van putten[2] sprak, kreeg ik aanstonds deezen tytel!) "Jy jokt, +Bregt; als Tante er van spreekt, zal ik haar den wyn betalen."--"Je +Tante heeft altoos zelf den sleutel; maar als Juffrouw my niet +beklappen zou, ik kan er toch wel by."--"Ik je beklappen! wel, dan +moest ik wel gek zyn; kryg maar, toe, schielyk." Zy ging. Ik had al +lang gemerkt, dat Zuster Bregtje aan de fep was; ik tastte haar des +van de zwakke zyde aan. Doch, pasjes was zy in den Kelder, of ik, +flink de deur in slot, en de grendels er op. Toen ging ik het huis +uit, en haalde de huisdeur agter my toe. Hoe het verder met de Zuster +gegaan is, weet ik niet. + +Ik heb, op Tantes tafeltje, een kaartje laten leggen, om dat zy niet +ongerust zyn zoude. Zy heeft my schrikkelyk geplaagt: mooglyk zal zy +zich dit herinneren; en wat hoef ik haar te kwellen, nu ik uit haar +magt ben: Is 't niet waar, myn Heer? + +Wat verlang ik naar een Brief van u! De Muziek heb ik ontfangen. ô Wat +zyt gy een goed man! Kon ik u mondeling zeggen, hoe zeer ik u acht, en +hoe gelukkig ik my reken van te zyn, + + MYN HEER! + + _Uwe Ootmoedige Dienaresse en Pupil_, + + SARA BURGERHART. + +PS. Myn adres zal ik hier ook by leggen. + + +Noten: + +[1] Handelsagent. +[2] Zuipen, pimpelen. + + + + + +TWAALFDE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Saartje: ze is zoo jong; +ze moet zich nogeens bedenken; misschien trouwt ze gauw; gaat 't +verkeerd, dan krijgt Sara de schuld. Bij die wed. Sp. leven ze +luchtigjes, ook Aletta is maar luchtig. Hoe denkt Blankaart erover? +Zij zal 't haar moeder vertellen: _misschien wil die Saar wel +hebben_.--Deze brief blijft wat lang uit. + + +DERTIENDE BRIEF.--Sara beklaagt er zich over en wordt boos om Anna's +koelheid. _Haat_ me desnoods, zegt ze, maar _veracht_ me niet. +Eindelijk komt Anna's brief en Sara schrijft haar. + + + + +VEERTIENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Dierbare Willis!_ + +Zoo ontfang ik den uwen. Kunt gy my nog liefhebben? Hemel, wat ben ik +ongelukkig! Zedert de dood my myne Moeder ontnam, liep my alles tegen. +Waarom ontfing ik uwen Brief niet eerder? dien voor my zo +allernodigsten Brief, ô Myne voortvarentheid!... Wat meer geduld, en +wie weet hoe gelukkig ik nu zyn zoude. Maar durfde ik daar op hopen? +By u te zyn;--onder het zorgende oog uwer Moeder. Dat is nu te laat! +En ik moest nog de Zedemeestres spelen! Ik moest, zo onkundig van myn +hart, het uwe beproeven! Ik moest--och, lieve Naatje, vergeef het my; +zoek toch naar eenige verschoning voor my, ik kan niets vinden. Ik +heb, voor een jong mensch, al veel verdriets gehad, en al veel +ongelyks geleden; maar nu, nu ondervind ik voor 't eerst, dat +zelfverwyting eene zeer grievende smart veroorzaakt; alles is daar +beuzeling by. Als ons hart zegt, men doet u ongelyk, gy verdient dit +niet, dan is de belediging zelf, vreugd, by de bewustheid dat wy haar, +die ons lief heeft, kwalyk behandelen; óók terwyl zy zich bevlytigt om +ons te helpen. Dit gevoel, hoe pynlyk, troost my echter; het maakt my +uwer vergeving waardig. + +Verscheur myn laatsten Brief. Laat hy zyn als niet geschreven: ik was +moedeloos. Wat zal het my nu helpen, uwe bedenkingen te wikken? +Helaas, Naatje, de stap is gedaan! Ik ontken niet, dat ik hier zeer +vergenoegt ben; maar uw Brief, uw Brief! Ik had dan mogen hopen altoos +by u te zyn? Gy weet hoe gaarn ik by u, by uwe lieve Moeder ben! En is +Willem t'huisgekomen? (van hem eens nader.) Waarlyk, ik heb het hier +zeer wel, hoewel het is nog vroeg, eerst de vierde dag; indien ik het +vergelyk by de laatste jaren: doch by u te zyn ... 't is vrugteloos. +Dit maakt my droefgeestig, en verbetert myn lot niet; ik schrei er +van. + +Mejuffrouw de Weduwe schynt een zeer goedaartig mensch, zy ziet er +allervriendelykst uit; ik denk, dat zy byna veertig jaar oud is. Zy +heeft fraaije manieren; zy is eene Vrouw van fatsoen en opvoeding, dat +ziet men. Zy spreekt niet veel, doch 't geen zy zegt is goed gezegt. + +Zy leest veel, en in verscheidene talen; heeft de Waereld gezien; +speelt keurlyk op 't Clavier; is zindelyk over haar huishouden, +naarstig; modieus, doch niet opzichtig gekleedt; een weinig gekapt, +wel te vreden met ons, zo als wy met haar. Gezelschappen heb ik hier +nog niet gezien. Juffrouw Letje is een lief vriendelyk meisje, niet +zoo levendig als ik: zy zucht meermaal; waarom weet ik nog niet. Zy +leest gaarn, zingt fraai, en is, alles in eens gezeit, als de meeste +meisjes, die niet veel goed of kwaad bedryven. De twee andere Dames +heb ik nog maar eens aan 't middagmaal gezien: beiden hebben goede +manieren; en, schoon ik de jongste ben, behandelen ze my met veel +beleeftheid. Zy gaan veel uit, schynt het. Letje is meer t'huis nu +zy my heeft, dan van te voren, zegt de heusche Weduwe Spilgoed. + +'t Is raar! alles is zo wel naar myn zin, en echter ik ben niet +gerust. U heb ik kwalyk behandelt, en weet niet hoe of gy my +beschouwt. Acht ik u dan hoog? heb ik uwe achting voor myn geluk +nodig? + +Letje kwam daar by my; ziende dat ik geschreit had, was zy zeer met my +bewogen. "Wat scheelt er aan, Liefje," zei zy. "Och niets," zei ik, +"maar ik ben my zelf moede, ô die Brief, die Brief!" Zy zag dien +leggen, maar weet te wel wat de betaamlykheid eischt, om onbescheiden +te zyn. Zy zag my aan, vatte myne hand, en 't was of zy my iets wilde +zeggen, doch, zich bedenkende: "Kom, Burgerhart," hervatte zy, "gy zyt +niet vrolyk: ik ben 't ook niet altoos, en dien wel by u te zyn om het +te wezen. Wil ik die solo eens zingen, die gy zo graag hoort? dat zal +u wat van u zelf verwyderen." Droevige toevlucht! dit toont wel dat +het hier, hier onder de borst, niet richtig is. Ik verlang en beef +teffens voor een Brief van u. Och! schryf alles wat gy maar wilt, zo +gy my maar in waarheid kunt schryven dat gy nog bemint + + _Uwe Vriendin_, + + S. BURGERHART. + + + + +VIJFTIENDE BRIEF.--Sophia Willis-Van Zon--Anna's Moeder--schrijft +Blankaart over Sara. Saartje heeft haar tante verlaten en woont nu +bij de wed. Spilgoed--wat ze _niet_ goedkeurt. Zij zelf kan Sara niet +nemen, want behalve voor achterklap vreest ze voor haar zoon Willem. +Willem is verliefd op Saar, en hij heeft geen geld, zij wel; +bovendien: _die twee passen niet voor elkaar_. Sara moet een man +hebben die haar áán kan; Willem is een lobbes. + +ZESTIENDE BRIEF.--Anna Willis schrijft een allerdeugdzaamst en +vriendelijk antwoord aan Sara: ze gevoelt zich na dien boozen brief +nog meer aangetrokken tot haar. Geeft haar den raad: "_leen nooit +geld van anderen, kom dan bij mij_." + + + + +ZEVENTIENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Myn Heer!_ + +De Apostel zegt: "dat wy allen ommegang met Zondaren niet kunnen +vermyden, want dan zouwen wy buiten de Waereld gaan moeten." En schoon +ik my zo kan vinden in de woorden van dien Heiligen sukkelaar, zo als +Broeder Benjamin Koning David wel eens noemt; zo kan vinden, zeg ik, +in de woorden daar hy zegt: "ik kome niet op den weg der Zondaren:" zo +vind ik het nu in mynen weg noodzaaklyk, myne oogen naar het Afgodisch +Vrankryk te slaan, ende my als te begeven onder hen, die het teken des +Beestes aan hun voorhoofd dragen. + +Je weet, myn Zusters man vondt het zo, om u tot eersten Voogd voor +zyne Dochter te verkiezen, en hare Moeder maakte my mede-Voogdesse, +bevelende, wil ik spreken, haar aan myne liefde en bescherming. Daar +voor kreeg ik 's Jaars een matig stuivertje van honderd halve +ryërtjes; och ja! Dit was weinig genoeg; want het Meisje was +weelderigjes opgevoet: ik moest, om haar, nog al meer omslag maken, +dan ik zo in myn eigen gedoente gewoon ben; och ja! Maar, wat is 't? +men doet veel uit liefde ende tot liefde. Had ik maar vruchten mogen +zien, dan zou ik my alles nog kunnen troosten. Doch al myne moeite, al +myne zorg was te vergeefsch. De Meid heeft een Keistenen hart, geheel +voor de Waereld; en zo lang ik zoo met dat lastig Zeeschip getobt en +gewroet hebbe, ben ik zo van myn hart afgeweest. 't Is of de Zegen uit +myn huis is. Ja, ik heb van haar kwaad humeur veel verdragen; maar ze +is weg gevlugt. + +Voorleden vrydag was ik by eene hele vrome Mevrouw ten eeten, met +Broeder Benjamin en nog ettelyke vromen, om een goed woord te spreken. +Ik beval aan myne meid, onze Bregt, op Saartje te passen. Wat gebeurt +er? Ik kom 's avonds met den Broeder welletjes en vriendelykjes thuis, +ga naar 't zaaltje, roep; kryg geen antwoord. Eindelyk door myn gang +gaande, hoor ik iemand die roept: "Juffrouw, och Juffrouw! ik zit in +de kelder." Ik doe de deur open, daar zat myn meid in den donker +opgesloten, en was zo ontstelt, dat zy my pasjes kon zeggen, dat die +ondeugende Sara haar in de kelder gesloten hadt, en zelf de deur was +uitgegaan. De meid was zo bezet van den drank, dat ik wel denken kan, +dat zy haar die heeft ingeperst, en toen in de kelder gebragt, op dat +Bregtje haar niet in hare snode vlugt zoude beletten. + +Nu is zy in een godloos huis, daar gedanst en gespeelt wordt, daar de +Juffrouwen een el hoog gekapt gaan, en met alle vromen den spot +dryven. Ik zou haar wel laten weêr halen; maar ik dank den Here, dat +zy maar weg is. Nu zal ik weer rust en stilte in myn hutje hebben, en +myn eigen wegje gaan. Maar jy moet haar straffen, dat is jou pligt. Ik +eisch het volle geld tot zy trouwt, of vyfentwintig jaar is; zy is uit +'er zelf weggegaan: nou, dat spreekt van zelf. Ik geef u aan u zelf, +en haar den Duivel over, wiens lievrei zy al aan heeft. Ik sny haar +af. Zy zal geen duit van myn goedje hebben. Nou, 't geld wagt ik op +den vervaldag. Hoe heuchelyk zou het zyn, indien gy ook in onzen +Wyngaart arbeidde; maar uwe vervreemding van het goede laat my niet +toe u anders te noemen dan + + MIJN HEER, + + Ik ben, uwe beterschap en bekering wenschende, + + ZUZANNA HOFLAND. + + + + +ACHTTIENDE BRIEF.--Blankaart antwoordt wed. Willis: hij is zeer +vereerd. _Zelf heeft hij vroeger een oogje op Sophia gehad_; wie weet +wat er nog gebeurt!--Hij is het met haar ééns: Willem is op Saar +verliefd, dat heeft hij gemerkt. Geld was 't ergste niet, maar als ze +niet bij elkaar passen--'t zij zoo! Dan niet aanmoedigen. Laat Sophia +een oogje op Saar houden; hij wil Willem wel voorthelpen. + + + + +NEGENTIENDE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. + + +_Mejuffrouw!_ + +Wel zeit het Hollandsch spreekwoord: "Hoe later op den dag hoe +schoonder Volk." Maar wat heb ik met uw gelol en uw heilige sukkelaar +te doen? Wat geef ik om uw Broêr Benjamin? Weet gy wat, Juffrouw +Hofland, uwe hele ouwe voddenwinkel van kweeslary raakt my niets, geen +oogvol. Hou uwe brieven maar t'huis, ik weet alles in 't lang en in 't +breed. Het Kind heeft deugdelyk gedaan. Zy moet meer gedulds hebben +dan ik, anders hadt zy zo lang niet eens by u gebleven; dat 's maar +uit. Waar ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klaauwen +gehaalt hebben, en in myn huis gebragt; al hadt gy en uw volk my braaf +gelastert, dat scheelt my weinig. Hoe, wat hamer! denkt gy, dat ik +niet weet hoe jy haar gedaan hebt, en dat jy haar als een zottin door +de godgantsche stad hebt laten lopen in ouwe konkelige kleêren, en dat +voor een meisje die geld heeft, en altoos proper gekleet pleeg te zyn; +iets dat ik ook byster graag zien mag: wat wilje nu daar van hebben, +he? Jy meugt waaragtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saartje +by u gehad? overgeschoten klieken, en niet half haar bekomst. Weet je +wat? Jy hebt het geld van een Wees met uw Smulbroêrs, en Fekel-kousen[1] +verteert, en het meisje nog gebruikt, om dat Gespuis optepassen; dat heb +je. Je meid is een dronken Tobbe, hoor! Zy komt er genadig af. Laat zy +nooit onder myne oogen komen, want ik ben wat poestig[2]; ik mag geen +onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels zwaaijen[3]. + +Wat leg jy ook te wauwelen over afgodisch Vrankryk; en van menschen, +die het teken des Beestes aan hare Voorhoofden dragen? Ik weet niet +veel van al die nieuwe snofjes en modes; noch hoe die duivelderage +hiet, die de Dames nu alweer opzetten; doch jy weet er ook niet veel +van. Maar zo zyt gy allemaal: dat gonst, en dat bromt over zottigheden, +en wezentlyke zaken laat men zo als zy zyn. Je slagt[4] de Dominees, +die, als zy haar studeertyd verkwanselt hebben, zulk tuig op den +Preekstoel brengen, daar het te pas komt als een Olykoek in een +Treurspel. En wat brust[5] het my, al droegen de Fransjes het +Zevengesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet +kom om zulke grillen, maar om myne affaire te doen, en bemoei my niet +met het teken des Beestes, of waar zy dat opplakken; doe ook zo, en je +zult wel doen. + +Wel, ik denk dat ik zo wel in den Bybel lees als jy, maar wie duivel +heeft dáár ooit van heilige Sukkelaar gelezen? Broêr Benjamin is een +zotte Vent, hoor! En ik zou my dood schamen, dat zou ik op myn eer, +indien ik zo met Gods woord omsprong, en het zo Satans gek toepaste, +zo als jy Fynen doet. Weetje wat? David was een held, die de Oorlogen +des Heren voerde, en een Kaerel als een boom aan dorst: den Reus +Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hy, en David ook niet lui, als +de blis er op, flink maar, zyn dikken kop afgeslagen: dat was zeker +geen sukkelaars werk, meen ik. Hy was een Groot Generaal; dat klinkt +je wat anders voor den snoet. + +Paulus? van Paulus moet je afblyven. Paulus was de beste, de +raisonnabelste man van de waereld; want hy zegt met ronde Zeeuwsche +woorden: "Gierigheid is afgodery". ô He! kwam die vrome Apostel eens +hier, ik verzeker je, (voor een kwart per Cent,) dat hy uw huis een +afgodisch zou noemen. Wat praat jy van een goddeloos huis? mogen de +jonge Dames dan niet zingen, niet spelen, als zy maar wel oppassen en +braaf zyn? En ik hou veel van de Muziek, en Saartje speelt capitaal, +en ik heb haar eene hele scheepslading Muziek gezonden; doch gy zult +geen occasie hebben om ze op 't vuur te smyten. Wat zeg je; wat blief +je: weet ik van de zaak? + +Ik heb zo veel achting voor brave vrome menschen als iemand in de +Waereld, maar al je gekwaek, en al je geteem is geen snuifje waart; op +myn eer, dat is het niet. Ik weet meer van joului werk der Duisternis +dan je denkt; ik ken dat lieflyk Oeffening houden; de goeijen niet te +na gesproken; want ik wil allen niet met één kwast overstryken. Maar +gy en uwe Soci, daar heb ik de nyd op. + +Wat weet zo een luije Zuipzak van Gods Woord? Hadt hy liever voor 't +lieve Vaderland, (en alle zoete meisjes) Ossen en Schapen geslagt, hy +zou een veel nutter werk gedaan hebben. Hoe! hebben wy in Amsterdam +dan geen wyze Dominéés, die werk van hunne studie maken, en kunnen wy +daar niet Kokseaansche, Voetsiaansche, en Lampiaansche Waarheden +horen[6]? maar neen: die goeije menschen klagen over yverloosheid, en +velen preken, God betert, ook voor stoelen en banken; en in je lui +kamers zitten de Vroompjes gepakt als haring in de ton: zo dat ik wil +maar zeggen, dat ik een vyand van zulke Oeffeningen ben. + +Hoor, als ik Burgemeester T., of een ander braaf Regent van onze Stad +was, ik zou Amsterdam eens terdeeg zuiveren van die onnutte +Broodeeters. Ik zou, door de stads Omroepers, met het wapen der stad +op hunne bekkens geschildert, de les van Paulus laten opklinken: +Hoort, gy brave Burgers en ingezetenen: hoort: "Die niet werkt zal +niet eeten". En zulke kwanten, als Broer Benjamin, kregen logement in +'t grote Werkhuis, dat er zal gebouwt worden op 't Wezeper Veld: wyl +hy een van die Borsten is, die by de huizen omgaande, de Vrouwtjes +gevangen nemen, die met zonden beladen zyn. Ik zou niet half zo boos +op jelui zyn, indien de stille zielen, die het zo wel met het goede +voor hebben, om zulk volkje niet bespot of veracht wierden. + +Ik heb veel gereist en getrokken, en heb veel in Roomsche Landen +verkeert, maar de Papen zyn nog beter dan jy lui; en er valt evel ook +niet veel op te roemen. Jy Saartje aan den Duivel overgeven! Weet gy +wel, dat hy een kwaaje Gek is, en dat, als gy haar niet kunt leveren, +het er wel eens heel benaauwt voor u zou kunnen uitzien? mooglyk neemt +hy Tante, om dat hy Nichtje toch niet bekomen kan. Ken jy de Weduwe, +daar zy by inwoont? Je mogt wat, een struif. Puis! Tante! is het zo +goddeloos, een menuetje te dansen; Wel dat mogt jy, en broeder, en je +dikke Bregt ook wel eens ondernemen, om de kwade humeuren, door +luiheid, en lekker smullen opgegaêrt, uit te dampen. Zie, wy kennen +malkander van voor dertig jaar; je plagt zo vies niet van een Dansje +te zyn. Hoor, ik ben eens door zo een Fynbaar schrikkelyk bedrogen, en +zedert gaat er een kou over myn lyf, als ik aan je lui denk. Ik spreek +niet van vrome naauw-gezette lieden; dat weet jy héél wél. Wel, wie +hoort er van, gy Vrienden gebruikt ons, zo als de Smausen de +Christenen gebruiken, om de Sabbatslampen optesteken. Ik kan 't niet +knopen[7], dat uw' lieve Zuster besloot, u haar eenig Kind toe te +betrouwen. Mooglyk hebt gy zo lang aan haar zwak hoofd liggen gonzen +en huilebalken, dat zy het moest opgeven. Alles is jelui gaaijing. En +'t was nog eene zoetigheid, honderd halve ryers voor haar kostgeld. En +durf jy nog van geld kikken! Hoe, wat hamer! denk je dat ik een schurk +of denk je dat ik razende dol ben? Ik ben haar Voogd; zy is met myne +goedkeuring heen gegaan. Jy hebt het haar moede gemaakt.--Trekken zul +je,--ja! aan een askar. Wel, je bent eene overheerlyke Tante! Je bent +immers nu veels te oud en te lelyk om nog eens te trouwen: wat zul je +met jou geld doen? Meênemen? Loop voor Joost, ontmaak het kind uw +goed, zy heeft genoeg. Procedeeren? Ei spreek eerst den Advocaat naast +den gouden ketting eens[8]. Zo die het u aanraadt; hier is je man. + +Spreek niet van haar kwaad humeur. Zy is maar al te zoet van aart, en +te toegeeffelyk. Zoo zeit de brave Weduwe Willis, en elk die het lief +kind kent. Doch wie Satan kan met zo een paar ouwe Meerkatten omgaan, +als jy en Bregt? + +Zie daar Zusje, nu heb ik óók eens gewerkt in uwen zondigen Wyngaert; +ja, ja! ik heb de ranken zo verbruit besnoeit, dat, zo er nog iets +goeds van zal komen, het volgende jaar goede vruchten zal leveren. Ik +twyffel, of Broer de Uitlegger u, voor alle uwe Smulpartytjes, wel zo +vele heilzame Waarheden gelevert heeft, dan gy hier ontvangt voor ééne +Fransche Briefport. + +Om u aan den Drommel overtegeven, (in plaats van myne Pupil,) denk ik +dat nu te laat is; en ook, hoe boos ik op u ben, ik wensch uit grond +van myn hart, dat gy u verbeterde: gy zyt wel oud; doch men is nooit +te oud om iets goeds te leren: gy waart toch in uw jeugd nog al een +rare schommel; hoe kom je zo verandert? + +Ik wil geen katteschrift meer van u ontfangen, zo gy u niet bekeert; +daarom wordt alles in eens afgedaan door + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Kletskous. +[2] Kort aangebonden. +[3] Klappen vallen. +[4] Lijkt op. +[5] Kan 't me schelen. +[6] J. Coccejus, 1603—1669, G. Voetsius, 1588—1676, F.A. Lampe, + 1683—1729, godgeleerden van zeer uiteenloopende richting. +[7] Begrijpen. +[8] Bedenk dat 't geld kost. + + + + + +TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Lieve Kind!_ + +Myn Boekhouder, de oude goede Peterszen, zal u het geld brengen, dat +ik u toeschik: de Wissel bedraagt duizend Guldens. Koop er al van wat +gy nodig hebt, om in ordentelyke gezelschappen te gaan. Maak drie +Sacken, of hoe hieten die Samaartjes[1], zo als uwe Moeder en +Grootmoeder droegen. Koop alles wat er by hoort, maar niet opzichtig, +of wilt; nu ik vertrouw alles goeds van u. En doet nu niets aan je +lyf, dat je niet kunt blyven dragen: dit zou u al zo gek staan, als +die klungels die Tante u aan deedt. Gy moet het eerste half jaar in +voorraad betalen; ik wil geen verplichting op dit stuk. Leg het wel +aan, en als ik u zie, toon my dan eens hoe gy 't besteet hebt. Hoor +meid, zo je 't wel aanlegt, heb jy gelds genoeg; zoo niet, dan is 't +gaauw op. + +Ik heb zakken met klagten over u, in eenen zotten Brief van je Tante. +Doe jy maar wél, en ik zal u altoos voorstaan. Ik had gemeent t'huis +te komen, maar 't zal nog vooreerst niet lukken. Luistert toch altyd +naar de brave en wyze Juffrouw Willis, als of het uwe moeder waar; +meer eisch ik niet van u. Ga je wel in de Kerk, Kind? Dat moet je voor +al en voor al doen. Daar zit ik nou weer in een Paaps land, daar hoor +je van God, noch zyn gebod, wil ik spreken; en zo ik myn tyd niet wel +had waargenomen, hoe zou 't nu gaan met my? Als ik t'huis kom, zal ik +je alle Zondag afhalen om ter kerk te gaan, want ik ben nog zo een oud +Hollands man; en je zou niet geloven, Kind, hoe fraai de meisjes zyn, +als zy daar, gelyk zo een rei wassepoppetjes, wel gekapt en gekleet, +aandagtig zitten toe te luisteren wat de Leeraar zegt. Ik versta +weinig Fransch, maar als je evel toch altemet eens naar de Fransche +Kerk wilt, dan zal ik, uit pure inschikkelykheid, met je gaan, en +denken: zy onderhoudt er haar Fransch door; en voor my is de +penitentie kort, want die Coquette Abbeetjes maken het in een uur +knaphandig af. + +Zeg eens, Saar lief, staat er ergens in den Bybel van een _teken des +Beestes_? zy past dat toe op de menschen daar ik nu by ben. Ik heb de +vier Evangelien al eens doorgelopen, doch vind er niks van[2]. Doch +dat Fyne volk vindt zo veel in Gods woord, dat er geen Christen mensch +anders in kan vinden. Jy hebt niet veel anders te doen, lees zo lang +tot je het vindt; maar 't zal weer op niets uitkomen. Evenwel staat +het in den Bybel, dan spyt het my, Kind, dat ik het niet wist: want ik +ben een dood vyand van spotten. Och Heer! ik dagt dat zy choqueerde[3] +op de Kapsels. Zo ik iets op u vermag, bederf uw schoon bruin hair +niet ten plaisiere van eene ongevallige mode: anders moei ik my er +niet mee. Nu, zoek er eens ter deeg naar, hoor? En schryf my of gy 't +wel hebt. Vrees God, leef betaamlyk, en denk dat je daar twee Ouders +in den Hemel hebt, die u ter zyner tyd hopen weer te zien. + +Nagt beste Kind, ik ben + + _Uw toegenegene Voogd_, + + ABRAHAM BLANKAART. + + + +Noten: + +[1] Ruime japon met overkleed. +[2] Openbaringen. +[3] Hier: afgaf op. + + + + +EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara stelt Blankaart gerust; ze is niet +verkwistend, dankt voor 't geld, vraagt een paar japonnetjes; Jacob +Brunier--Aletta's broer--vindt ze een _meisjesgek_; Willem Willis +beschouwt ze als haar _broer_, diens moeder acht ze hoog; ze verlangt +naar Blankaart. + + +TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Aan Anna Willis vertelt Sara, hoe ze zich +in de bullen steekt, nogal weidsch! Ze ombert om 'n stuiver 't fiche! +wat ze niet véél vindt. Ze heeft 't best naar haar zin: Jacob Brunier +bevalt haar niet: te fatterig. + + +DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna antwoordt: ik maak me ongerust! Die +Brunier vrijt naar je, en dat zou niets zijn, als hij maar wat +beteekende. Spelen? Ook Anna speelt, maar Saar _maakt het te bont_! +Ze zal ziek worden, vermaak-ziek. Pas op, Saar! + + + + +VIER EN TWINGTIGSTE BRIEF. + +DE BROEDER BENJAMIN AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Men Heer!_ + +Jy hebt ons, ons volk, ende onzen weg beroert, en schoon de Zusters +zich alles zouwen getroosten in stille zuchten, zo voel ik my +gedrongen om het voor haar, de goede zaak, en my zelf optenemen, om +dat ik haren stichter en huisbezorger ben; al ben jy een groot Heer, +ik zal jou tonen, dat ik op de muren van ons huisselyk Sion geen +stommen hond ben; myn geblaf zal je doen zien, dat ik geen Indringer, +geen Bemoeiäl ben, maar dat ik eene wettelyke Roeping heb. Nou ja; men +Vader liet me de slagery leern; 't was een waerelds man, een +schoenlapper; maar men Moeder was evel in Kerkelyke bediening; want zy +was eene der Kerke-schoonmaaksters; en hadt men Vader het niet belet, +zy zou my op de Studie gedaan hebben; doch hy vroeg altoos, "of zy dan +razende dol was;" de middelen ontbraken, en ik had eene grote mate van +ziels en lichaams vermogens, en veel meer trek tot geestelyken dan tot +slagerlyken arbeid. In mynen onoverwinbaren afkeer van allen lichaams +arbeid, hoorde ik myne roeping tot een ander amt; ik was gehoorzaam, +ik kategiseerde de kinderen en de vrouwtjes uit myn Buurt, voor een +mondvol eeten, want de arbeider is zyns loons waardig. De reuk myner +gaven verspreidde zich ook spoedig; de Groten der aarde verruilden +ook gaarn myne toelichtingen voor hunne tydelyke goederen; edoch, dit +getal is echter niet groot. Dus raakte ik ook bekent met de vrome +Juffrouw Hofland, die gy als een andre Saulus vervolgt. Ik slyt vele +opgewekte uurtjes met haar. Nu weet gy wie ik ben; maar jy bent een +Atheïst, een Armiaan, een Sociniaan; ja je bent, mag ik met ruimte +zeggen, een Deïst[1]. Jy bent een voorstander van alle godloosheid, jy +staat een dartel Hellewigt voor; dat doe jy; ja, dat doe jy. Jy weet +ook wel, dat Juffrouw Hofland, als eene echte dochter van Gaaijus[2], +de noden der Heiligen vervult; en jy onthouwt haar heur geld; zoo dat +jy een Kerkrover bent; ja, dat ben jy. Zo, heeft Saartje geen drie +honderd guldens verteert? Wel nou toon je alweer jou werelds hart. +'t Is waar, wy hielden het meisje in eene Christelyke soberheid, wy +kleedden haar stemmig; ik weet ook beter dan jy, hoe veel zy 's jaars +aan voedsel en deksel nodig hadt; honderd Ryksdaalders!--maar hoe veel +heeft de goede Juffrouw wel gezucht over dat baldadig kind der Zonde, +hoe vele tranen heeft zy geschreit, hoe veel gebeden heeft zy voor +haar arme ziel gedaan, hoe dikwyls is zy ziek geweest door al dat +tobben! kost dat alles geen tyd en zorg? of denk jy dat alles voor +niets te hebben? Neen, jy zult, jy moet er voor betalen. Maar zo ben +je lui: in 't aardsche kunt jy lui rekenen en cyferen; maar, in 't +geestelyke ben je lui blint; maar Juffrouw Hofland zal haar geld +hebben, ik zal u dwingen; ik--vrees voor my.... Wy hebben in deeze +godvergeten stad nog onze duizenden. Wee, wee, die den vinger tegen +ons opheft...! Wy yveren voor de vromen, en onze haat is heilig; dit +wee betekent veel, als het wordt uitgeboezemt door een man als is + + _Uw ware Vriend_ + + BENJAMIN. + + +Noten: + +[1] Gelooven aan God als Schepper--meer niet. +[2] Der Gerechtigheid? + + + + + +VYF EN TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN BROEDER BENJAMIN. + + +_Verachtelyke Kaerel!_ + +Ik reken myn knegt te goed om u te schryven; daar aan zyt gy de eer, +die ik u thans doe, schuldig. Zeg, fraaije kwant, dit aan uwe +Principale: "dat zy zich stil houde, of dat ik haar alles, wat zy 's +jaars, boven de honderd Ryksdaalders, ontfangen heeft, zal afkorten." +Ik wagt haar voor den Rechter. Laat zy daar hare Leverantie van +zuchten, tranen en gebeden inleveren, om te zien, hoe veel haar voor +elke twintig ditoos zal worden toegewezen. + +Houd u stil, of 't zal niet met u gaan. Ik meen u, en nog eenigen uws +gelyken, zo dra ik in Holland kom, voor myne rekening, aan vast werk +te helpen; en dit dreigement zegt veel in de pen van eenen man als + + ABRAHAM BLANKAART. + + + + +ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara vertelt Anna van haar leven; Aletta is +goed en lief; Cornelia Hartog, ook huisgenoote, bevalt haar niet: te +geleerd, ondichterlijk; Charlotte Rien du Tout, eveneens huisgenoote, +mist karakter, is grillig, nukkig. Ze heeft kennis gemaakt met Hendrik +Edeling: staat haar wel aan! + + +ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bericht Blankaart over Sara: +ze is lief, vroolijk, eerlijk, past goed op. + + +ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna Willis is bedroefd; haar tante te +Rotterdam is ernstig ziek; ze moet er heen met Moeder, kan vooreerst +niet schrijven. + + + + +NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW MARIA BUIGZAAM, WEDUWE + +P. SPILGOED. + + +_Mevrouw!_ + +Ik geloof waarlyk, dat het inkomen van alle myne uitstaande gelden my +niet half zo veel zou verblyden, dan ik verblyd ben door den inhoud +uws Briefs, dien gy my de eere aandeedt van te schryven. Hoe, wat! is +de lieve meid dan myn lieveling niet? Is zy de dochter niet van eenen +man, die myn eenigste hart-vriend was? Dat zou ik geloven, waaragtig! +Hoor, myne goede dame, alles is strikt waarheid, wat of de kleuter u +verhaalt heeft. Maar, haal my de Boze, indien ik aan zo eene Vrouw een +knappen Brief kan schryven: doe al wat u behaagt; och Heer, het geld +is goed, wil ik spreken; maar ik zal eene fatsoenlyke vrouw nooit +kwellen. Wat denkt gy, Mevrouw, kan ik met u kibbelen om een honderd +guldens drie vier, nu myn kind in zulke goede handen is? Ja, zie, ik +heb wat ongerustheid voor haar uitgestaan, toen zy nog by hare Tante +was; en voor ik wist, waar of zy toch belant mogt zyn. Want, hier +gezeit, en hier gebleven, het kon immers gebeurt zyn, dat het stout +Dingetje in slegte handen was gevallen, en zo al wyders, gelyk de +waarheid is. + +Wilt gy wel geloven, Mevrouw, dat uw brief my een traan of vier gekost +heeft? 't Is echter zo. Wel lieve God, zei ik, zyn de beste vrouwen +dan meest altoos in de onwaardigste handen? Dat is toch ellendig! En +daar zit Abraham Blankaart nog in zyn vyftigste jaar, als een niets +beduident oud Vryer; en ik had zo hemels vast besloten, om met myn +vyf-en-twintig jaar man en vader te zyn. Wat zal men zeggen? die eerst +komt die eerst maalt; en een weinig te laat is veel te laat. Ja, +Mevrouw, ik heb den Heer Pieter Spilgoed wel gekent, maar nooit met +hem verkeert. Hy hadt my te veel wilt hair op 't hoofd; en als de +jonge lui getrouwt zyn, moeten zy dat laten afscheeren, of de Boel zit +op zy. Ik wist wel, dat hy eene fatsoenlyke Geldersche dame getrouwt +hadt, doch meer niet; en ik bemoei my bykans nooit met de zaken van +een ander: Ik zeg altoos: "Abraham Blankaart, vrees God, en doe wel; +dat is jou zaak, myn vriend." + +Alles wat gy van Saartje zegt, is, zo veel ik daar over kan oordeelen, +wáár. Wees toch zo goed en hou een wakent oog over haar; wy mans +hebben daar zo den slag niet van. Indien er iets mogt voorvallen, 't +geen u nodig schynt my te doen weten, zo verzoek ik ernstig om my met +uwe Brieven te verëeren. Ik weet heel wel, dat er geene beloning zyn +kan, die geëvenredigt is aan uwe zorg en raadgevingen voor en aan een +Meisje als myn Sarotje; evenwel zal het myn pligt zyn, om uwe +edelmoedige deelneming in haar op eene waardige wys te gedenken. Kan +ik u van dienst zyn, 't zy door myn persoon, of myn beurs? Ik ken geen +groter geluk dan waardige Vrouwen myne achting te kunnen bewyzen. Ik +ben met eerbied, + + MEVROUW! + _Uw Ootmoedige Dienaar_, + + ABRAHAM BLANKAART. + + + + +DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt zijn broer Cornelis, hoe hij +Sara heeft leeren kennen; _hij is dol verliefd_. Zoo terloops sprak +hij er met z'n vader over en die had gehoord, dat Saar een dolle meid +was, die losjes leefde, wat hem speet, want haar vader was +achtenswaardig. Wil er niet van hooren en Hendrik is zeer braaf. + + +EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier schrijft een fatterig verliefd +briefje aan Sara, waarop zij onmiddellijk antwoordt. + + + + +TWEE EN DERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER. + + +_Myn Heer!_ + +Terwyl gy deezen ontfangt, zyt gy zeker nog druk bezig om uwe +Tonco-Boontjes[1] uit te zoeken. Nu, neem er uw tyd toe, want wy +blyven t'huis, en zien van daag niemand; dit _a governo_[2]; en terwyl +ik toch een verlegen uur heb, zal ik eenige regels krabbelen. Wel man, +gy hebt het vreeslyk volhandig! zo vele en zo vele gewichtige zaken; +'t is te hard. Gy zyt nog jong, gy zult u dood werken. Zoudt gy niet +een substituut in uw ampt kunnen stellen, dan waart gy ten minste van +dien kant veilig, al moest het u wat kosten. 't Zou immers jammer zyn, +dat zulk een nyver en veelbelovent jong Heer vóór zyn tyd stierf. En +daar is voor u immers niet aan te denken, Brunier? Letje heeft my in +confidence, gezegt, dat gy, buiten haar zelf te rekenen, aan nog zes +Dames beursjes belooft hebt. De waarde Juffrouw Buigzaam heeft ook +reden van ongenoegen; nog hebt gy het Lint op haar Demicoëffé niet +verspelt, en gy zelf zegt, dat het zo niet meer gedragen wordt. +Juffrouw Hartog is knorrig, om dat gy haar de snuif niet bezorgt. +Juffrouw Lotje gromt alle morgen aan het ontbyt, om dat gy de +Tandpoeijer vergeet. Zie, dat zyn evenwel geen mooije dingen; en wat +zal uwe Zuster daar op toch zeggen, dan dat gy het zo volhandig hebt? +Het meisje haalt dikwyls een paar beschaamde kaken, als Juffrouw +Hartog u, in haren trant, hekelt. En hoe zeer ik ook uwe Vriendin ben, +ik zie geen redden aan die zaken: de menschen hebben gelyk. Indien gy +zo veel onderneemt, moet gy met meer orde handelen. Gy vindt immers, +als gy in den namiddag ons wat komt voorsnappen, allen bezig. De Weduw +naait. Letje breidt. Ik knoop aan myn manchetten. Juffrouw Hartog +speelt met haar hond. Juffrouw Lotje snuift, en frommelt haar zakdoek, +en gy zit er maar lui en leeg by. Waarom neemt gy uw werk niet mede, +dan kost gy als een werkent Lid onzer Societeit worden aangezien. Gy +voldeedt uwe zeven Dames; gy kost om snuif en tandpoeijers denken: gy +kost het Lint spelden _comme il faut_; en ons teffens in uwe nieuwe +denkbeelden doen delen. Dan, dunkt my, waart gy in zes maanden op een +effen bodem. Ik heb gemerkt, dat gy dikwyls in den spiegel kykt: wat +dunkt u, (zie ik wil ook voor uw vermaak zo wel, als voor uw nut +zorgen,) wat dunkt u, dat gy van Logement veranderde, en in een +Spiegelwinkel gingt wonen? Dat zou ook al tyd uitwinnen; dan zaagt gy +u ten vollen, in eens; en kon spoedig uw jabot verschikken, uw das +optrekken, de stofjes en pluisjes van uw kamizool[3] knippen. Ik zie +gaarn dat men zich wel kleedt, maar my voor een kenster in de +kledingskunst uittegeven,--daar zal ik wel afblyven. Myn geest is niet +geschikt tot het uitoeffenen van zulke verhevene zaken. Nu, zo als ik +zeg, neem het niet te zwaar op, en werk met orde. Gy weet wie ik ben? + + _Uw Zusters Vriendin_, + + ---- + + +Noten: + +[1] Zaadjes van den Toncaboom: geneesmiddel. Men maakte er o.a. + beursjes van. +[2] Tot naricht. +[3] Vest. + + + + +DRIE EN DERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. + + +_Zuster lief!_ + +Nu kom ik eindelyk op de zaak, waar over ik u wilde schryven. Daar het +onze Bregtje Sara gezien, met een jong wilt Heer; zy geloofde, dat het +een uit de Kommedie was; en zy was nog veel ligtvaerdiger opgeschikt +dan de Pop van Pieternel, daar je men eens van schreef. Zy was een el +hoog gekapt. Haar Sack, (ja, zo een duivelsch kleed heb ik ook nog in +myn natuurstaat[1] gedragen!) was opgestrikt, je leven zo niet. Ze +hadt witte zyde koussen aan; denk, Zusje, witte zyde koussen, en +kerjeusde schoenen. En ander Orlosie bungelde een hope nesten en +vodden. En ze liep net als de Hoer van Babel met dien Monsieur gearmt. +Zy luisterde, Bregt zag het duidelyk, hem wat in, en toen keek hy de +meid aan, en lachte dat het een schande was. Hoor, Kee, ik ben somtyds +nog al bezwaart over haar; maar Broertje weet my zo tot rust te +brengen. Moet jy niet ietwat hebben, Zannetje, zeit hy, om je klein te +houwen? Is het niet beter, dat je jou bezwaart voelt om je zonden, dan +dat je een Armiaansch slik-grondje hebt? of dat je ziel door eigen +gerechtigheid den Duivel als een roofgoed wierdt overgelevert? En dan +wordt het my alles zo licht, zo licht; och ja, zo licht. + +Maar Zusje, je hebt my zo dikwyls in gemoedsgevalletjes geraden, en +Salomon zeit: "twee zyn beter dan een." Ei lieve, wat moet ik doen? +Broeder Benjamin wil dat ik met Blankaart procedeer, zo hy my niet tot +een duit toe betaalt, volgens de Conditie met haar Moeder gemaakt. Al +haar goed is hier ook nog, al de kleeren, en zo voorts, van hare +Moeder, die eene pragtige Vrouw was; en al het gemaakt Zilver; maar +dat evenwel te verdonkeren, hoe zal dat gaan? Blankaart is een droevig +schepsel om mee te handelen; hy zou my, och ja! schandaal aan doen: En +evenwel het Hellewicht verdient zo veel goed niet; zy zou het ook tot +haar bederf gebruiken. Het alles over te geven is ook hart voor 't +vleesch: 't was evenwel myn Zusters goedje, wil ik spreken. Ei lieve, +zendt my nog eens het _Heilig Onrecht_ van Petrus Kwezelius. Ja, je +hebt toch dierbare schotse Boekjes. Wees gegroet, en antwoord my eens, +zul je? + + ZUZANNA HOFLAND. + + +Noot: + +[1] Vóór haar bekeering n.l. + + + + +VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Sara deelt Anna Willis mee, dat ze Jacob +Brunier voor den mal houdt, zich van hem bedient om zich te vermaken +en fatsoenshalve te doen vergezellen. + +VYF EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling antwoordt zijn broer +Hendrik: Kerel, er op los! Informeer of ze vrij is en dan, vooruit! + +ZES EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Sara. Laat ze toch +geen geschenken aannemen van Jacob Brunier: hij heeft geen geld. Je +raakt op de tong, Saar!--De tante wordt beter. _Ze zendt haar de +sleutels van de linnenkast_, om wat goed op te sturen naar Rotterdam. + + + + +ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Willis!_ + +Of ik nog lees? Wel, dat zou ik gelooven! Ik ben zelf de Lezeres voor +de Familie; en onze lieve Weduw heeft een allerkeurigst Bibliotheekje. +Maar ik heb zo veel over my zelf te schryven, dat het niet aan het +schryven over Boeken komen kan. Zeg wat gy wilt, _myn_ Cootje[1] is +nogthans een goed kind; het schikt zich zo kostelyk op, om zyn Saartje +te behagen, en schommelt uit alle hoekjes en reetjes van zyn armoedig +hoofdje al het verstand, dat hy bezit, by een, om er my op te +regaleeren. + +En komt gy in geen zes weken t'huis! ô dat's goed; nu kan ik met myn +Held braaf plaizier nemen, zonder van u op de vingeren te krygen; ik +vrees maar dat ik, want zo zyn de kinderen! myn eigen kwaad niet zal +kunnen zwygen. Eéne conditie! zo gy ophoudt met grommen, hou ik op met +schryven. Waarom zou ik u beletten uw talent uit den doek te nemen? Gy +hebt de gaaf van bedillen, en ik die van er my mede te vermaken, en er +myn voordeel mede te doen. Nu ik er deeze flinken weer uitgegooit heb, +ga ik er my eens terdeeg toe zetten, om uwen Brief te beantwoorden. + +Brunier kan zeker nooit myn Vriend zyn, in de sublime betekenis des +woords; maar hy kan, als de Broeder van Letje, als een ordentlyk +Jongman, met my op alle plaatzen komen. "Of hy met die vriendschap te +vreden is?" dat weet ik niet, en meen er myn hoofd ook niet meê te +breken. Is het niet beter, dat ik altoos met den zelfden Jongen +wandel, dan, zo als men zegt, met elk een uitloop? Tut, tut, die +onkosten bedragen niet veel, en bewaren hem mooglyk voor duizend +kostbaarder zotternyen: nu moet hy wel zuinig zyn, of hy kan niet met +ons uitgaan. Hoe ik het goed zal maken? och, zeer gemakkelyk! als hy +trouwt, zal ik zyne Vrouw een stuk huisraad kopen, tienmaal meer waart +dan die kleine uitgaven belopen: Is 't nu wel, myne deftige Willis? +Ja, ja, ik railleer met zyne gebrekkelyke zyde; hadt hy eene slegte +zyde, dan leverde ik den Patient aan u over. Och Heer! ik heb zo maar +wat _zedelyke_ mouches, Engelsche pleister, goudvlies, balsem van +Peru, lippenpommade en soortgelyke prulletjes; doch die zyn van geene +kragt altoos tegen de gebreken van een ziekelyk hart. Maar gy, myne +Vriendin, hebt wel andre kruiden, wil ik spreken, zegt Broêr Benjamin. + +Het zou een zot stukje zyn, met zo een Borstje Briefwisseling te +houden; maar, wie zegt u, dat ik dit van zins ben? 't Komt niet in my +op. Ja, ik gelyk omtrent zo veel naar de Godlyke Clarissa Harlowe[2], +als myn schaapshoofd naar den vervloekten Lovelace: Heden, Naatje, hoe +viel u dit in gedagten? + +Myn Brief laten zien? daar is hy niet mal genoeg toe; hy begrypt wel, +merk ik, dat ik hem voor een Zotje hou. In het volgende hebt gy +deugdzaam gelyk, ja het loopt drok genoeg: maar 't zal haast over zyn. +De kring is haast afgevlogen, en dan zal ik by myn eigen hart en by +myne dierbare Mama Buigzaam huisselyk t'huis zitten, en lezen, en +naaijen, en spelen, en zingen, en met één woord geschikt leven; met +Salomon uitgeeuwende: "ook-dit-alles-was-ydelheid!" Waan met dit alles +niet, dat ik in 't geheel niet meer denk. Ik denk dikwyls, en dat wel +zeer ernstig; maar, 't is of het kwaadje, zou Tantes Bregtje zeggen, +'t is of het kwaadje er altoos met zyn neus by is; want de minste +beuzeling verstrooit my. Gy weet, lieve Willis, dat ik geen grote +zoekster van vygebladen ben, doch nu moet ik my echter vrypleiten. Ik +voel, dat ik eene sterke overhelling heb tot het zwaarmoedige; om die +reden verstrooi ik my wel eens met overleg; zo bang ben ik, om toch +nooit dat gebrek voor eene Deugd aan te zien. Nog een woord over het +lezen. Onze brave Huisvrouw heeft eene fraaije collectie van +Leerredenen: Die van Solicoffer en Doddridge bevallen my ongemeen. Wy +lezen zelf in den Bybel, kind; namentlyk de lieve Buigzaam, Letje en +ik; want Juffrouw Hartog is veel te geleert, en Lotje veel te gek, om +van die party te kunnen zyn. Ik verzeker u, dat ik nooit met zo veel +smaak het Evangelie las als nu, nu ik by eene Vrouw ben, die +godsdienstig is zonder veel uitwendigheid, en ons inprent, dat die wel +doet, wel vindt. En daar meê is dat maar uit. + +_Ten slotte_, zegt onze geleerde Hartog. De stroom van zinnelyke +vermaken, (of wilt gy, van beuzelagtige uitspanningen? 't is my ook +wel,) moet eens met een springvloed over myn hart heen vloeijen, en al +dat drabbige zwaarmoedige mede spoelen, dat er in myn verdrietig leven +is op- en om- en ondergezakt; dan zal myn ernst redelyk, myne vrolykheid +helder, en myn geheel gedrag eenparig goed, nuttig en pligtmatig zyn. +Vaarwel! ik twyvel niet, of gy zult voldaan zyn over de uitvoering uwer +Commissie. De Meiden zyn wèl, en de dienstpresentatie aan de Juffrouwen. +Heden, Naatje, hoe raar was het my, zo als vrouw en voogd in uw huis te +dribbelen; wat had ik een wysheid in het terdeeg schikken uwer klederen, +enz. Willem, myn beste Willem, was gevallig t'huis. Toen ik hem zeide, +dat zyne Tante wat beter was, kon hy zyne blydschap niet verbergen; maar +toen ik er byvoegde, dat zyne Moeder nog wel zes weken uitbleef, keek hy +heel droevig. Die moedergek! ik zou den Jongen een kus hebben kunnen +geven, zo wèl stondt hem dat droevige; maar Willem is geen Coo Brunier. +Ik vrees, Naatje, dat uwe vermoedens wáár zyn. 't Smart my, want schoon +ik niemand liever voor myn Broeder had dan Willem, ik zou hem in geen +nader betrekking gelukkig kunnen maken. Arme Willem! dit maakt my +ongemaklyk. Omhels uwe Moeder voor + + _Uwe Vriendin_, + + SARA BURGERHART. + + +Noten: + +[1] Jacob Brunier. +[2] Van Richardson: modeboek dier dagen--_sentimenteel_. + + + + +ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp ontraadt Zuzanna Hofland +te procedeeren, en schrijft haar over broeder Kwast te Rotterdam. + + +NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis, zeer verliefd, schrijft aan +Sara heel teerhartig; zij antwoordt onmiddellijk. + + + + +VEERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER WILLEM WILLIS. + + +_Myn lieve Willem!_ + +Is de man een kind geworden?--Zou ik misnoegt zyn? En om wat reden? Om +dat een braaf fatsoenlyk jong Heer, met wien ik zo veel ommegang heb, +wiens Moeder en Zuster myne hoogstgeachte Vriendinnen zyn, my, eindelyk, +op de betamelykste wys, zegt: dat ik hem niet onverschillig ben? Waarlyk, +dit zyn gruwelyke ondernemingen; vreest gy niet, dat ik u, met eene +theatrale houding, zal toevoegen: + + "_Moi, je suis femme, je ne pardonne jamais_." + +In ernst, Willem, ik dagt niet, dat gy zo dwaas, of dat ik zo eene +_Prude_ was; een van beiden moet echter zeker zyn. Ik zal u dan ééns +voor altóós tonen, dat _gy_ schuld hebt, en ik niet. Verstaat gy dat, +Vriend? Ik zal aan u schryven, als aan een' Jongeling dien ik hoogacht, +om dat hy de achting waardig is van veel beter menschen, dan meisjes +van negentien jaar zyn kunnen; vertrouwende echter, dat gy deeze myne +heuschheid niet zult misbruiken. + +Geloof my dat ik, tot gistren toe, nooit er aan gedagt heb, of gy my +met andre dan de oogen eens Vriends zaagt. Myne verkeering met u was +weinig minder dan zusterlyk, en het heeft my duizendmaal gespeten, dat +gy myn Broêr niet waart, ook ten koste myner halve bezitting. Ik nam +alle uwe beleeftheden aan voor beleeftheden; en, om te zeggen zo als +'t maar is, ik verwonderde my geen zier, dat gy, als ik by uwe Moeder +was, ons gezelschap hield: zie, me dunkt, dat kwam my toe; en welk +Meisje, zo vrolyk en zo achteloos, zou dit niet denken? Maar nu gy my +gezegd hebt, het geen gy my zeide, my zonder liflaffen, en met zulk +een ontroert gelaat, zeide, nu moet ik eenen anderen weg inslaan; om +dat ik het my zelf nooit zoude kunnen vergeven, een eerlyk man, die my +beminde, met ydele hoop den kap te vullen; en my te verlagen tot het +verachtelyk peil der Coquettes. 't Smert my, dat uwe genegenheid juist +gevallen is op de eenigste stoute meid, die u mooglyk eene +teleurstelling als deeze zou doen ondervinden. Wat kan ik het helpen? +Ik ken de liefde niet, en heb geen den minsten trek om zulk eene +grillige zaak te leeren kennen, om dat ik volkomen gelukkig ben in de +omstandigheden, waar in ik my bevinde. Hier uit kunt gy opmaken, dat +gy alle bedenkelyke reden hebt, om zo vriendlyk als nog ooit iemand te +groeten, dien ik nu en dan zie, en daar ik overal mee kom; ja dat gy +onreedlyk zyn zoudt, zo gy hem niet zo lief hadt als uw hart eischt. + +Wel Willem, wel Willem, moet gy u óók in het Satirique omtrent de +Vrouwen vergrypen? Wie heeft u toch gezegt, dat wy altoos Beuzelaars +vóór hupsche Jongens verkiezen? De een of ander vergiftig knorrig ouwe +Vryer, denk ik, die de zonden zyner jeugd wel gaarn op eene Sex zoude +schuiven, die altoos door de beste mannen met achting behandelt wordt. +Wil ik u eens zeggen, hoe het eigenlyk zit? Wy Meisjes worden, meest +allen, op eene zeer kinderagtige wyze opgevoet. Men schynt omtrent het +bestaan onzer zielen als rechtzinnige Muzelmannen te denken. Ons +postuur, onze kleur, onze houding, trekken al de zorgvuldigheid: men +leert ons de kunst van behagen, en hierom krygen wy dans-, en +zingmeesters, en hierom moeten wy 't Fransch, 't Ombre leren, enz. Ik +beken, dat een Meisje ten minsten niet gekker zyn moet dan ik nu ben, +om, voor dat zy oud en lelyk wordt, te begrypen, dat alle deze +fraaiheden niets zyn dan bywerk, dat zy zo wel denken kan als haar +Broêr Piet, haar Neef Jan, haar Oom Gerrit. Het getal dier Meisjes +is grooter, dan men gelooft dat het is; doch wat zullen wy, arme +Zieltjes, evenwel doen, als wy zien, dat onze aanstaande Heeren en +Meesters zo verheven van verstand zyn, dat zy ons _idoliseeren_[1] +om die Beuzelingen; en mooglyk, (om hun eigen zelfs wil) geredelyk +ontslaan van alles, dat in 't oog der reden verdienstlyk is. Het is +ook wáár, dat velen uwer schikkelyke Borstjes al vry onaartige +Heertjes zyn; en waarom zouden wy, voor wy dat moeten doen, lastige +Druilöoren tot ons gezelschap kiezen? Onthoudt dit lesje, en doe er +altoos naar; dan zyt gy myn beste Willem, hoor. + +Myne achting voor u is op uw goed en eerlyk karakter gegront; en myne +vriendschap hebt gy, om duizend goede hoedanigheden, die ik in u, als +Zoon en Broeder, heb opgemerkt. Hou u daar mede te vreden; want ik +verzeker u, dat er niets anders voor u te halen is. Vergeet my, en +poog u de liefde waardig te maken van eene veel betere Vrouw voor u, +dan ik ooit zyn kan. Zoo gy haar by my, om getuigenis van u te vragen, +zendt, dan zal ik haar reden geven, om over u voldaan te zyn. Gy zult +my zeer verpligten, indien gy u de smarte uitwint die gy mooglyk zoudt +gevoelen, als gy afscheid van my naamt. Ik ben + + Uwe ware Vriendin, + + S.B. + +Noot: + +[1] Verafgoden. + + + + +EEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed is erg ziek! +Zij waakt en verzorgt haar, is zeer onder den indruk, hoogst ernstig +gestemd. + + +TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft Sara: hij berust, +maar hoopt! Saartje's vroegere dienstbode uit het ouderlijk huis, +Pieternella Degelijk, heeft hij gesproken en die had de schrikkelijkste +dingen van haar gehoord! Hij heeft haar gerustgesteld. Nu gaat hij naar +Duitschland; haar portret neemt hij mee. Vaarwel! + + +DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis stuurt goeie berichten en dank +voor Sara's zorgen. Willem zal een legaat krijgen van tante!--Zij is +op bezoek geweest bij tante's buurman en dat beschrijft ze: alles is +daar oudhollandsch degelijk en gul. Ze heeft daar kennis gemaakt met +Wijsneus, een pedant, en er ontmoet proponent Smit, een vroegeren +kennis: die bevalt haar! + + +VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed wordt beter. +Deze vertelt haar droevig leven--een roman op zichzelf. Sara is hoogst +ernstig gestemd en leert inzien, dat met liefde en huwelijk niet valt +te spotten! + + + + +VIJF EN VEERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Vriendin!_ + +Voor 't eerst ben ik na het toeval myner geëerde Juffrouw Buigzaam +uitgeweest: Niet op eene Klossen-party, niet met een Wysneus en een +aanstaanden Dominé, maar met myn kostelyken Vriend, (zei Jan van Gyzen +tegen zyn Bok,) den Heer Jacob Brunier, verzelt van deszelfs Zuster +Aletta Brunier; en dat wel in de Fransche Comedie. Daar hebt gy immers +niets tegen? Ik kon u wel wys maken, dat ik er ging om myn Fransch te +onderhouên, doch dan jokte ik u wat voor. Neen, ik ging er met geen +ander oogmerk, dan om eens een Fransche Comedie te zien spelen. Wel +Naatje, ik raad u sterk aan om, voor gy van staat verandert, er ook +eens te gaan. En zo dit, gelyk myne Tante zegt, de Tente des Satans +is, dan moet ik u maar zeggen, dat hy als _un homme de Goût_, en +_comme il faut_ gelogeert is! Ik zag _les Femmes Sçavantes_ spelen, +een stuk van den groten Molière: myn genoegen was groot: alles dagt my +was natuur. Het karakter van Crisale smaakt my; maar dat _Excusez moi, +Monsieur, je n'entend pas du Grec_; hoe bekent ik daarmede ben, had al +het aantreklyke der nieuwigheid, toen het wierdt uitgesproken door +eene schone jonge Actrice, wier talenten men toejuichte. Ik was niet +weinig misnoegt over het gedrag van ettelyke Heren en Dames in drie of +vier Loges. Het spel zelf trok hun aandagt niet; dat is hunne zaak; +maar, andere fatsoenlyke Lieden te beletten om te voldoen aan het +oogmerk, waarom die naar zo eene plaats gaan, vind ik ten uitersten +onbeleeft. Zo ziet gy, kind, dat alles onvolmaakt is, of, zo als de +Heer Blankaart zegt: _alle regtertjes hebben er slinkertjes_. Zulke +onfatsoenlykheden, denk ik, kunnen niet belet worden. Wie doet den +Paus in den Ban? Cootje zegt my,--(ik noem myn auteur, om des te meer +klem aan zyne woorden en aanhalingen te geven,) dat lachen, praten, +badineeren, onder het spelen van de zielroerendste Treurspelen, thans +_du Ton_ is; en dat menig Champignon en Champignone de Fortune[1] daar +mede ontegenzeggelyk bewyzen, dat zy lieden van Rang zyn, en ten +minsten reeds deeze zes laatste jaren geweest zyn. Zeg je zo! was myn +antwoord; evenwel, al wierd ik altoos maar voor een Koopmans dochter +gehouden, ik meen deeze Certificatie van myn fatsoen niet mede te +nemen, om dat ik myne lieve Ouders niet in verdenking wil brengen, of +zy my ook wel hebben opgevoed. + +Niettegenstaande deze en nog een half douzyn ongevalligheden, moet ik +u maar zeggen, kind, dat ik verzot ben op den Schouwburg; dat ik niet +kan begrypen, wat of men toch kan inbrengen tegen eene uitspanning, +die, wel ingericht, zo veel goeds kan uitwerken. Nu, dat mogen de +Geleerden afhaspelen, ik ga er heen, en dat wel zonder dat myn hart my +iets verwyt. Juffrouw Rien du Tout was zeer uit haar humeur, om dat wy +haar niet hadden meê genomen. 't Is myn schuld; ik vreesde, dat die +Beuzelagtige Woelgeest ons maar zou gehindert hebben: als wy weer gaan +zal ik haar zien in een Loge te plakken; daar zal zy zich beter +diverteeren dan by ons, die eenvoudig komen om te horen, te zien, te +wenen, of te lachen. Apropos, weet gy wel, dat het thans voor zeer +ongemaniert gehouden wordt, te schreijen by eene _Alsire_, en te +lachen by den _Français à Londres_? Zie, dit alles à Gouverno, het kon +u te pas komen. Ik moet u nog al meer fraais verhalen. + +Onlangs was ik met myn trouwen schildknaap op een Publiek Concert: Coo +hadt gehoort, dat er eene der eerste Zangeressen voor 't eerst zingen, +en dat Cavalini[2] het Clavier zoude tracteeren. Maar moest men geen +geduld hebben zo taai als een leren lap, (wil ik spreken,) om niet +toornigjes te worden, op de manier van doen van eenigen der Grote +Lieden? Dáâr snapten drie vier Dames zo luit, dat ik duidelyk hoorde, +hoe het discours ging over het Puce-Lint van een Coëffure. Ginds +stonden een paar Heertjes als een paar malle Jongens,--(zoude ik +zeggen, zo ik niet verstaan had, dat zy aanstaande Vaderen des +Vaderlands waren,) arm in arm, de heerlykste Muziek na te lollen, ons +en passant, eenige Cabriolen op de koop toe verëerende: en dat, terwyl +myn gehele ziel wegsmolt door het heerlykste Vocaal en Instrumentaal +Muziek, dat ik immer hoorde. Hoe is 't mooglyk zo ongevoelig te zyn! +ik spreek niet eens van het onvoegsame: men doet veel om du Ton te +zyn! En die zelfde Babbelaarstertjes affecteerden zich, toen de een +en ander vroeg, of zy zich den avond beklaagden, dat zy geënchanteert +waren. Ende nu nog een kort woord tot u, myne Aandagtige! 't Is waar +de overgang is wat grillig; zoo spreek ik van Comedien en Concerten, +en zo koom ik tot myne deftige Vriendinne. Nu, gy weet hoe ik ben; +los, bedroeft los. + +"Wel, zou Tante zeggen, wel kyk eens aan Nicht, daar moest de Tante +van je Vriendin juist te Rotterdam wonen, daar moest zy ziek worden; +daar moest Juffrouw Willis met haar Dochter by haar komen; daar moest +een Buurman wezen, die een klein soupeetje gaf, en daar moest juist de +Proponent Smit in de Stad zyn, om er dien avond by te wezen; Wat is +dat groot!" dus verre Tante. + +En wat zegt Nicht? Wel Nicht is zeer in haar schik met die tyding, en +Nicht hoopt nog binnen 't jaar hare Vriendin in het eerwaardig +karakter van Dominees Vrouw gelukkig te zien. Heden, Naatje, dat moest +je doen: me dunkt, dat gy met niemand een juk kunt aantrekken dat u zo +wel voegen zal, dan met eenen Eerwaardigen. ô My! wat zal ik dan +dikwyls by u komen, al woonde gy aan 't einde van de Waereld of zelf +op Marken Buiten! want ik ben overtuigt, dat de man, dien gy verkiest, +waardig is dat men om hem de hele Toverlantaarn der Waereld goejen dag +zegt. + +Ziet gy niet, dat ik thans eene hele schryvige natuur over my heb? Ja +kind, Saartje gaat nu weinig op den tril, en onze dierbare Patiente is +nog te zwak, om haar met myn gerammel te vermoeijen. Doch lang vasten +is geen brood sparen. Ik moet noodzakelyk eens met Letje uit. Juffrouw +Rien du Tout heeft onlangs zulk keurlyk gaas gekogt, en dat zeer +goedkoop; ik moet, eer het stuk op raakt, er ook van hebben. Zoo +Cootje maar meê kan; want hy heeft, wurm daar hy is, ook zyne +druktens; en het schynt, dat hy voor een Heertje van de mode zyne +zaken voorbeeldig waarneemt. Wat zoudt gy een goed werk verrichten, +Naatje, als gy hem wist te beduiden, dat hy waarlyk zeer wel zou doen, +indien hy zo attent was in het verbeteren en in orde brengen zyner +denkbeelden, die nu in zyn harsenvat als een hoop stoute Jongens in +den donker herom tuimelen: Zeg wat gy wilt; maar de Borst is heel +gezeggelyk, en de geest des tegensprekens heb ik met wortel en tak +uitgeroeit. Nu uw beurt, hoor je kind. + + _Ik ben uwe Vriendin_, + + S. BURGERHART. + + +Noten: + +[1] Oweeërs. +[2] Componist dier dagen. + + + + +ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna waarschuwt opnieuw tegen Jacob Brunier +en ze ijvert voor Willem. Het verhaal van de wed. Spilgoed heeft ook +haar getroffen, en ook haar Moeder. + + +ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna zet haar pleidooi voor Willem voort. +Moeder heeft Willem de zaak uit 't hoofd willen praten, maar _zy_, +Anna, vindt Willem wel geschikt voor Sara. Moeder zegt: _Sara is te +wereldsch voor Willem_. + + + + +ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SOPHIA WILLIS. + + +_Mejuffrouw, Hoogst-Geeerde Vriendin!_ + +Het zou my smarten, indien ik deezen moest schryven, om u myne +eerbiedige gevoelens en oprechte liefde bekent te maken: ik hoop, dat +gy, in alle myne woorden en daden, die gevoelens zult ontdekt hebben; +en dewyl ik my altoos door de oprechtheid laat bestieren, kan er by u, +op dit stuk, geen twyffeling overblyven. + +Dat ik des de vryheid neem om u te schryven, vloeit uit een geheel +anderen oorsprong. Het is om u uit grond myner ziel te bedanken voor +het belang, dat gy in my neemt; en om dat gy my de gelegenheid geeft +om te weten, in welk een licht gy my beschouwt. ô Dierbare Juffrouw +Willis, myn hart zegt my, dat gy myne zwakke zyde kent. Daar in ontdek +ik óók de redenen, die u aanzetten om myn handelwys met uwen Zoon goed +te keuren. Ik beken, dat ik zeer gezet ben op het bywonen van +uitspanningen en dat ik er my meermaal in toegeef, om dat ik volstrekt +geen ander oogmerk heb dan my te diverteeren; maar ik vlei my toch nog +al, dat ik, voor myne jeugd verdwenen is, wyzer zal worden; nu ben ik +zo ver niet, en ik zou my tot veinzery moeten verlagen, indien ik +zeide: dat ik reeds werkelyk bezig was om die neiging in te krimpen. + +Het smart my, my te moeten voorstellen, dat uw waarde Zoon, myn lieve +goeje Willem, niet zo gelukkig is als hy verdient te zyn! en niets +troost my zo zeer, dan de bewustheid dat ik verheven ben boven de +vuige listen eener gerafineerde Coquetterie, dan gehandelt te hebben, +na hy my zyne liefde ontdekte, gelyk als de pligt eischt van yder +meisje, dat een braaf ordentelyk Jongeling niet beminnende, hem dat +met heuschheid zegt, om geene hoop aantemoedigen, die geheel ongegront +is. + +Ik hoop, in alle gevallen van myn leven het onuitsprekelyk genoegen te +hebben, dat er gelegen is in door u met liefde beschouwt te worden: +niemand is met meer eerbied + + _Uwe Dienares, dan_ + + SARA BURGERHART. + + + + +NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier verklaart Sara zijn liefde +en vráágt haar. Zij zouden samen een model-paar zijn en konden +beginnen met een reisje naar Brabant. + + +VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis verantwoordt zich bij Sara, waarvoor +zij op alle mogelijke wijze Willems plannen te keer gaat. En ze +waarschuwt Sara: leef niet te zeer voor vermaak alleen en ga niet uit +met een jonkman, dien ge niet liefhebt! Pas toch op, Saar!--Anna doet +een uitstapje ook met Smit. + + + +[Illustratie: 't kwam mij voor dat zij in zich zelf zeide; "Ei kom, om +thee te schenken is hij echter nog al vrij gebruikbaar". +Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave +van 1782.] + + + + +EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING. + + +_Waarde Broeder!_ + +Hemel! kunt gy met my nog railleeren? Maar geduld! Ik weet dat de +vrolykheid van uw aart een vrucht is van uw goed hart, en dat gy +opregtelyk deelt in alles wat my betreft. Ik zal dan, wat gy my ook +moogt antwoorden, voortgaan om u over myne omstandigheden te schryven. + +Weinig dagen na dat ik my zelf het genoegen gegeven had, om een +billyke daad omtrent eene verlegene Vrouw te doen, hoorde ik van den +Heer Brunier, (die met my de kennis onderhoudt,) dat de brave Weduwe +ziek, gevaarlyk ziek, was. Dit smartte my, en wel te meer, om dat ik +daar door berooft was van 't genoegen, om myn bezoek te herhalen. +Brunier ging er echter verscheiden maal daags, om te vernemen hoe het +was. Zyne Zuster kwam dan by hem in de zydkamer, en berichte hem 't +geen hy kwam horen. Doch de beminde van myn hart zag hy niet. Juffrouw +Brunier zeide, dat hare Vriendin de kamer der Lyderes niet verliet, en +dat zy beide allerbitterst bedroeft waren. Broêr lief, wat zyn brave +meisjes toch juwelen! zy zyn de uitdeelsters van onze keurigste +vermaken, en de zoete troosteressen in de ongevallen des levens. +Oordeel, of deeze blyken van vrouwelyke meêlydenheid myn hart troffen! +Binnen weinige dagen ontfingen wy bericht, dat de Doctor haar buiten +gevaar oordeelde; en deeze gunstige tyding werdt vermeerdert door de +aannaderende herstelling der waardige Vrouw. + +De eerste reis, dat Brunier vryheid kreeg om haar te komen zien, nam +ik die gelegenheid waar, om hem derwaards te verzellen. Aangedient +zynde, leidde Juffrouw Letje ons by de Weduwe in: Ik zag, tot myn +hartlyk leedwezen, dat zy zéér vervallen was, en feliciteerde haar met +hare gelukkige herstelling, vergeving vragende voor de vryheid die ik +gebruikte. Zy beantwoordde my met de grootste vriendelykheid; en dewyl +de knegt het theegoed binnen bragt, verzogt zy ons om thee te drinken. +Verbeelt u een ruim zindelyk vertrek, proper gemeubileert, dat, met +twee schuiframen, op een aartig Tuintje uitziet, en door twee zware +lindenbomen voor de zon beschaduwt wordt: aan 't hoger eind zat de +Zieke, in een keurlyk net negligé, met een neteldoeks kapertje op. +Naast haar zat de beminnelyke Burgerhart, met een boek by haar de hand +der Weduwe in de hare houdende, ô Keesje lief, zy is schoon!--meer dan +schoon. Het tekenagtige van haar gelaat treft; haar oogen schitteren +van gezontheid en gerustheid. Zy is niet meer dan middelbaar van +lengte; voor eene Gratie zou zy kunnen geschildert worden, niet voor +eene Juno of Minerva, dat beken ik. Brunier maakte zich meester van de +theeketel, en zy zelf schonk thee. De jongen wagtte, mag ik zeggen, op +hare oogen, maar 't kwam my voor, dat zy in zich zelf zeide: "Ei kom, +om thee te schenken is hy echter nog al vry gebruikbaar." Ja, niet +tegenstaande hare minzame trekken, heeft zy iets zo spottig, zo +schalkagtig, zo, hoe noem ik het? 't is nog al iets anders--in haar +gelaat, als zy tot hem spreekt, dat men niet nalaten kan te zeggen, +arme Cootje. Hy legt echter met haar aan; doch komt altoos met verlies +te rug. + +Juffrouw Brunier is een zeer bevallig meisje; maar men ziet haar niet, +als zy by hare Vriendin is. Deeze twee jonge Dames beminnen elkander, +en behandelen elkander ook als welopgevoede Zusters. + +Myne Beminde was ongemeen vrolyk; en ik geloof, dat Brunier er te +erger om vaart. Toen wy in gesprek waren over de Patiente, zei zy, met +eene betoverende levendigheid: "Ik moet vrolyk zyn over de herstelling +myner Moederlyke Vriendin; ik weet, hoe veel ik zoude verloren hebben: +yder heeft zyn eige wys van doen: deeze doet de vreugd wenen, en een +ander lachen." Haar lach, Keesje, is echter de lach des vernufts, en +heeft niets van dat luidruchtige, 't welke het verstand afkeurt. Wy +spraken over verscheiden onderwerpen, en ik had gelegenheid om te +zien, dat myne Beminde dien zeldzamen schat, gezont Oordeel, bezit. Zy +heeft, merk ik, veel verkregen kundigheden, doch beroept zich nooit op +haar Auteur. Kort gezeit, ik geloof dat zy, in allen opzichte, dien +man gelukkig zal maken, dien zy zich zelf zal uitkiezen; indien zy met +aandagt eene keuze doet. + +Me dunkt, Mevrouw, zeide ik, dat deeze beide jonge Dames u met allen +eerbied en genegenheid behandelen; dit moet my gunstig over haar hart +en verstand beide doen oordeelen.... "ô Myn Heer, viel zy my in, het +zyn de beste kinderen, die ik immer kende. Maar myne Gunsteling +verdient, dat ik haar met die onderscheiding behandel, die myn hart +voor haar gevoelt. Juffrouw Brunier is een meisje, dat al de +geschiktheid heeft, om eene Vrouw van verdienste te worden; en hare +liefde voor Juffrouw Burgerhart maakt haar geneigt, om, in duizend +opzichten, beter te worden. Een verwaarloost karakter, myn Heer! vroeg +ouderloos, en geheel aan haar zelf overgelaten.... Doch Saartje is de +vreugd van myn leven; en ik bemin haar, of zy myn eigen dochter was. +Zoudt gy wel geloven, dat dit luchtige bolletje, dat zo vol potzen is, +en de zonderlingste invallen heeft, somtyds zeer bedaart met my kan +spreken? dat zy de ernstige schriften met aandagt leest; ja, dat ik +haar aanmerkingen over den Godsdienst hoor maken, die geheel nieuw, en +tevens geheel waarheid zyn? God geve, dat zy altoos haren eigen weg +ga, en door haar goed hart, 't welk niet vry is van wat achteloosheid, +niet verstikt worde door eene wel overlegde loosheid." Ik was geheel +aandagt. Zy ging voort: "Dat zelfde Meisje, dat zelf in uw byzyn haar +levendigheid niet kan bedwingen, heb ik, geduurende myne ziekte, niet +dan zwygent en schrijent gezien. Zy was niet te bewegen om my, zelfs +des nagts, aan de zorg myner bedienden toe te betrouwen. Ik heb, in al +die dagen, niets dan uit hare handen gebruikt. Uuren lang lag zy op +hare knieën voor Myn Ledikant, God met opgeheven handen biddende, doch +in zich zelf, om myne herstelling. Nu, mag ik zeggen, bestiert zy de +gehele huishouding. Oordeel uit dit weinige over haar karakter. Hadt +zy wat minder zucht om de Waereld te zien; doch dit, beken ik, is vry +sterk. Zo dat, myn Heer, ik zegen het uur, waar in deeze lieve +juffrouw by my gekomen is: de vermindering van mynen staat heeft +moeten dienen, om my dat geluk te bezorgen: moet ik des niet +vergenoegt zyn in die minderheid." + +Mevrouw, zeide ik, ik geloof, dat Juffrouw Burgerhart immers zo veel +reden heeft om het uur te zegenen, waar in zy u leerde kennen. Ik +begryp levendig, dat zy aan u verpligtingen heeft, die zich alleen +door dankbare gevoelens van het geroerde hart laten betalen.... Ik +luisterde.... Is dat, vroeg ik, Juffrouw Burgerhart, die daar speelt? +"ô Neen, myn Heer, zeide zy, zo slegt kan zy het Clavier niet +behandelen. 't Zyn stoute meisjes. Ik merk dat zy den goejen lobbes +weêr aan het touwtje hebben. Dien armen Jongen doen zy alles doen, wat +in hare hoofden komt. Burgerhart zal hem, alléén om hem uittelachen, +gedwongen hebben te spelen; schoon zy zelf bekent, dat zy de Kat, in +weinige lessen, zoo ver ziet te brengen, dat die hem lessen kan geven. +'t Zyn jonge lui, myn Heer; en ik denk, dat het myn pligt is haar het +leven in myn huis zo aangenaam te maken, als ik immer kan. De Heer +Brunier is een goed slag van een Jongen, die, zo hy wat minder van het +petit-maitres air hadt, nog al passeeren zou." + +Onderwyl hoorden wy, dat zy recht vrolyk waren, en iets schenen te +verzetten: wat het was, weet ik niet. + +Mevrouw, zeide ik, niets kan my aangenamer zyn, dan te horen, dat zulk +een beminlyk jong mensch uwe achting verdient. Hoe gelukkig zal die +man zyn, die zy uit liefde trouwt! "Dat is zo, myn Heer, maar zy zal +nooit trouwen, zonder haren man zo wel hare hoogste achting als liefde +waardig te keuren, immers dat zegt zy dikwyls." + +En heeft zy dien man reeds gevonden, Mevrouw? (Ik vroeg dit met zulk +eene merkbare ontroering, dat de schrandere Vrouw het moet gemerkt +hebben.) "Neen, myn Heer, Juffrouw Burgerhart denkt zeker, zo weinig +aan trouwen, als aan het kloosterleven." Ik voelde, dat myne wangen +gloeiden. Ik nam de vryheid om haar hand te nemen, en die zagtelyk +drukkende, zeide ik: mooglyk ben ik onbescheiden geweest, maar het +belang dat ik heb in dit te weten.... Vergeef het my, Mevrouw.... Ik +Bemin deeze Dame: Zo als ik haar zag, beminde ik haar; en nu myne rede +myne keuze billykt, reken ik my niet ongelukkig. Het is dan mooglyk.... +Ik meende verder te gaan; doch de Vrienden kwamen binnen; ik zweeg des. +De Weduwe boog, zoetelyk glimlachende. + +"Mamaatje lief, zeide Juffrouw Burgerhart, wy hebben uwe bevelen +voldaan, en ... maar, (het drankflesje opnemende,) moet ik dan kyven? +Foei, myn Heer, gy moet op een ander tyd beter oppassen! weet gy wel, +dat deeze Dame, om duizend en tienduizend redenen, diende gezont te +worden, en zo oud ook, dat zy met een krukje in de eene hand, en my +onder den arm vasthoudende, door haar Tuintje zal moeten wandelen?" +Daar op nam zy een kopje, deedt het medicament er in, gaf het de +Patiente, en wist Brunier te bewegen, om ook eens te proeven, die al +grynzende zei, dat het lekker was. "Zo, zei Saartje, een Veinsaart ook +nog, en dat onder myne oogen." + +De beleeftheid deedt my vertrekken; na dat de weduwe my verzekert +hadt, dat het haar niet ongevallig zyn zoude, my eens weder te zien. +Afscheid genomen hebbende, vertrok ik met Brunier, hem bedankende voor +de gelegenheid, die hy my gegeven hadt, om deeze waarde Dame te leeren +kennen. + +Zie daar, Broêr lief, zo is het thans gestelt. Zal ik hopen? zal ik +vrezen? Hemel, maar zou zy immer behagen kunnen hebben in my? Schryf +my spoedig. Alles is hier wel. Vader zal u per naaste post schryven; +hy weet niets van deezen. + + T.T. + + HENDRIK EDELING. + + + + + +TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER. + + +_Vriend Jacob!_ + +Gy durfde my dan nog met een half woord vragen: "of gy u niet mogt +vleijen met eenig antwoord op uwe _Missive_?" Want zo noemt gy dat +fraaije Billet, dat gy my deedt ter hand komen. Om uw eigen fatsoens +wille wenschte ik wel, dat gy er geen woord van gekikt hadt; dan kon +ik ook dit zot stukje op de grote lyst uwer overige Beuslaryen hebben +aangetekent, en, om dat ik niet geemlyk van aart ben, het u gunstig +gepardonneert hebben. Doch nu gy zo dwaas zyt, van my zulk eene +rapsodie, als 't ware, te herinneren; en gy mooglyk wel, (want het +schynt waarlyk niet al te richtig in uw harsengestel,) u zoudt kunnen +gaan inbeelden, dat ik uwe Missive niet al te wel zo spoedig dagt te +kunnen beantwoorden, zo zal ik de moeite nemen, om u, over die +Missive, eens een paar woordjes te zeggen. + +Ik zeg niet gaarn onaangename waarheden, en vooral niet aan zulken, +die ik, 't zy dan ook om wat reden, in zekeren zin wel lyden mag. Zo +lang ik u slegts voor een vry geschikt, en goed soort van een jongen +hield, hadt uwe Zuster weinig werks om my te beduiden, dat ik u als +haar Broeder behandelde, en occasie gaf om ons eenige uitspanningen te +bezorgen: Maar, nu ik merk, dat gy eenige oogmerken omtrent my hebt, +waar van ik u nooit verdagt hield, zo moet ik u openhartig zeggen, dat +gy my meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te +kunnen krygen. + +Hoe, myn Heer, heb ik u de minste aanleiding gegeven, om zulke +gedagten in u te doen opryzen? Hoe weinig kent gy my! Hoe dood vreemt +zyt gy omtrent u zelf! Ik moet of boos op u worden, en dat bevalt my +niet; of ik moet u hartelyk uitlachen. Nooit zeker las men zo eene +ongevallige mengeling van zotteklap, en dwaze inbeelding, op zeer +twyffelachtige verdiensten, dan dat schriftje bevat. Dit van stukje +tot beetje aan te tonen, is beneden myne aandagt. Ditmaal vergeef ik +u alles, op deeze voorwaarden: "dat gy my hier over nooit meer +spreekt;--zelf verbied ik u, my voor deeze gekheden om excuus te +vragen; en dat gy; is 't mooglyk, door dit geval poogt wyzer te +worden, en wat beter uwe eigen waarde te berekenen." + +Zo gy hier toe geen geneigtheid hebt, dan zult gy u moeten laten +welgevallen, dat ik u zó, en op dien afstand behandel, als een +fatsoenlyk Meisje een verwaanden, of wilt gy lastigen, knaap altoos +moet behandelen. Uwe Zuster is myne lieve vriendin, maar zy zo wel als +ik begrypt, dat dit geen reden zyn kan, waarom ik zoude moeten +geplaagt worden door een Borstje, dat geen geest genoeg heeft, om my +met zyne Missives ook slegts te diverteeren. Spreek des nergens van; +en ik zal alles vergeten: want zo gy in dit opzicht maar wyzer wordt; +zyt gy een vry draaglyk Heertje; en ik geef de hoop nog niet op, om my +eens met meer reden te kunnen noemen + + _Uwe genegene Vriendin_: + + S. B. + + + + +DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed schrijft aan Blankaart: +Saartje is allerliefst! En nu is er een meneer, zekere Hendrik +Edeling,--die de wed. zelf uit den brand geholpen heeft--een braaf +man--die naar Saartje vrijt. Hij is knap, 27 à 28 jaar, goed +gemanierd. Staat Blankaart nadere kennismaking toe? Sara spot +er wat mee en wil nog niet trouwen, maar de wed. wil zekerheid. + + +VIER EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling wenscht zijn broer succes: +geduld maar en volhouden. Gemakkelijk zal 't niet gaan, maar toch +gaan. Hij is haast jaloersch en als hijzelf zijn Jaantje niet had, +wie weet. + + +VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis vertelt van haar uitstapje met +Smit. Ze zijn o.a. in Schiedam geweest en hebben _jenever geproefd_. +Smit werd opgewonden. Schiedam is een gat. Smit heeft intusschen een +erfenis gekregen en nu zal Anna met haar besten vriend gaan trouwen. +Hun liefde berust op _achting_ en _vriendschap_. Zij raadt Sara aan +den advokaat _Fine Mouche_ te nemen, maar dan moet ze er gauw bij +zijn. Hij is zeer gewild en _ijvert voor de rechten der vrouw_. Smit +ijvert voor de _nieuwe psalmberijming_. + + + + +ZES EN VIJFTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Lieve Willis!_ + +Allemaal menschen!--dit zeide ik, toen ik uwen vrolyken en my zo regt +smakelyken Brief gelezen had. De liefde is al een grappig ding, geloof +ik. 't Schynt dat zy de peinzende vrolyk, en de ydeltuiten statig kan +maken. Mooglyk, om dat zy het levensvonkje in de dikbloedige gestellen +helder doet opflikkeren, en de zorgeloze onverschilligheid der volmaakt +gezonde meisjes iets aan de hand geeft, dat haar van belang genoeg +schynt, om er over te willen denken. Hoe het zy, 't is zeker dat +Juffrouw Willis my nu veel meer bevalt, om dat zy my wat nader komt, +dan wanneer zy met zekere ernsthaftigheid, niet altoos geheel vry van +styfheid en bedilzucht, my myne les voorzegt. Uw Vriend Smit heb ik +regt lief, zo wel om het geen gy van zyne conversatie, als om 't geen +gy my nopens zyne manier van denken omtrent u mededeelt. Ik hoop hem +spoedig wel geplaatst, wel gehuist, en wel getrouwt te zien. Ik beken +dat gy, buiten uw nadeel, een ruim hart hebt, als gy ons, eenzamen in +den lande, zulk een zegen toewenscht. Maak u vrienden, Naatje, door zo +veel gy kunt dien wensch ten uitvoer te brengen. Wat my aangaat: _Pour +moi keen warme Bier_, zei de Franschman; _Pour moi geen man_. Een +flinke bol, om my, zo als ik zeg, te brengen waar ik zyn wil; dat is +wel, doch meer niet. Uw Advocaat is des aan u; geef hem aan haar, die +zo een meubeltje nodig heeft, en laat myn devies zyn: _Vryheid, blyheid_. +Maar om u eens wat zakelykers te schryven, ik heb met Letje uit geweest, +om dat nieuwmodiesch Gaas. Het stuk was byna weg, doch men wagtte alle +daag nog fraaijer, als ook heerlyke Taffen, enz. Men heeft my verzogt +dat te komen zien: en ik heb aanstaanden maandag daar toe bepaalt. +'t Is een besloten winkel; men ziet er niets dan een modieus huis, +moderne meubelen, drie zeer wel gemanierde, taamlyk lelyke, reeds wat +bejaarde Demoiselles, die niets dan Fransch spreken: 't kwam wel, dat +ik die taal kende. + +In 't naar huis gaan, gingen wy Coos logement voorby, en spraken +Mademoiselle G---- eens toe; die zeer verblyt scheen ons te zien, en +vriendelyk innodigde. Wy voldeden ook aan haar verzoek. Letje vroeg +schielyk of haar Broêr niet t'huis was; neen, zei zy, maar hy zal +weldra t'huis zyn. Kom, zei Letje, dan gaan wy zo lang op zyn kamer: +ik volgde, zeer benieuwt zynde, hoe of het toch op de kamer van een +Petitmaître er mogt uitzien. Naatje! nooit hebt gy zo een huishouden +gezien! myn oog viel eerst op zyn toilet, dat in de volmaakste +desordre lag. Poeijer en Snuif bedekten alles. Hairkammen, +Wenkbrauwkammetjes, verscheiden Verfjes, Tandenschuijertjes, +Tand-poeijer, een glas half vol water, zo smerig als een eend, een +stuk uitgedoofde Waskaers, eenige Fransche boekjes, die niet van de +strengste zedekunde schenen te handelen, een morsige Inktkoker, een +vuile Slaapmuts en een pot Pommade, maakten de misselykste vertoning, +die ik ooit zag. Al zyn kleêren hingen over stoelen. Eenige paren +zyden kousen slingerden er tusschen. Schoenen, muilen, laerzen, een +hartsvanger, lagen door malkander: alle zyne Boeken konden wel in een +brood-mand, en zagen er vuil en smerig uit. Letje zag dit lieve +boeltje, met beschaamtheid, eens over, en ik was geheel +nieuwsgierigheid. "Kyk me zo een floddervink eens; zo een slons van +een jongen, en die altoos er uit ziet, of hy uit een doosje komt." +Kom! zei ik, hy zal er voor hebben. Daar op deden wy zo veel +kattekwaad, en naaiden zo veel mouwen en zakken en koussen toe, en +verstopten zo veel goed, als de tyd ons toeliet. Toen gingen wy naar +beneden, en zie daar, daar kwam de Vorst van Tour en Taxis, wip wip +wip den stoep op; gevolgt door nog een vlasbaard, of drie, die hier +alle logeeren. Myn Chevalier weet te wel te leven, (zoo hy meent, och +arm!) om ons vryheid te laten zo terstond te vertrekken; en dewyl +Mademoiselle G--- hier sterk op aandrong, traden wy in de eetkamer. +Terstond presenteerde men 't een en ander. De gure dag gaf Coo den +inval om een Bowl Punch te maken. Fiat Punch! Toen had hy 't op zyn +lyf! de Arak, de Citroenen, enz., alles kwam uit den hoek. De drank +was smakelyk, het gezelschap vrolyk, Mademoiselle G--- kluchtig, en +Saartje haar zelf. Enfin, Naatje, wy diverteerden ons als Vorsten; wy +raakten aan 't musiceeren, en 't was wel negen uuren, voor onze Vriend +ons t'huis bragt. + +De lieve Buigzaam wagtte reeds met eeten. De Hartog keek, als of zy +zeide: "Wat die Kleuters! moet ik daar naar wagten?" Lotje zat met een +Almenak van 't voorleden Jaar, en hield zich of zy las; doch ik weet +niet, of zy wel eens spelden kan. Wy waren zo dartel, dat de lieve +Vrouw niet wist, wat zy van ons denken moest; en Letje was ongemeen +woordenryk. Ik was niet heel gemaklyk, want Juffrouw Hartog my iets, +'t geen ik haar verzogt, wat onbeleeft aanreikende, en er by voegende: +"ei, altyd dat gelach, 't zal wat te beduiden hebben, als wy 't +wisten!" gaf ik haar een antwoord, 't welk aantoonde, dat ik haar, +schoon veel ouder, niet voor myne Voogdes begeerde. + +Ik heb u nog niet gezegt, dat de Heer Edeling hier alweêr geweest is. +Juffrouw Buigzaam spreekt met de uiterste achting van hem, en met zo +veel onderscheiding, dat, zo zy tien jaar jonger was, ik zou denken, +dat hy de man zyn zoude, dien zy haar hart wilde geven: nu denk ik dat +niet. Mooglyk heeft hy zin aan Letje. Hy is door haar Broêr hier +althans gebragt. 't Is een zeer fraai man: hy heeft mooije manieren, +en ik hoor, dat hy veel verstand heeft. Als hy weêrkomt, zal ik hem +eens _Philosophiesch betrachten_; zeide uw Pedant Gekje zo niet? + +Omhels uwe dierbare Moeder; groet uw Vriend Smit; saluëer uw Tante +voor haar, die gy weet dat is, + + Uwe hoogachtende Vriendin, + + SARA BURGERHART. + + + + +ZEVEN EN VIJFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED. + + +_Mevrouw!_ + +Voor ik iets, Saartje betreffende, aanroer, moet ik u zeggen, dat ik +God hartelyk gedankt heb voor uwe herstelling, 't Zoude al te droevig +zyn, dat zulke weêrgaloze Vrouwen zo klakkeloos uit de waereld gingen, +terwyl wy met hele risten van Beuzelaars en Beuzelaarsters blyven +opgescheept. Het doet my aan myn hart goed, dat ons meisje zo haar +pligt gedaan heeft; zy zal er een present extra uit myn eigen zak voor +hebben. Zie, men moet de jonge lui, als zy wel doen, ook wel doen; en +ik ben, God dank, geen vrekkige Jakhals van een Kaerl. Ik zeg altyd: +"Abraham Blankaart, God heeft u zo gezegent, je hebt kind noch kraai; +hoewel ik weet niet, of dat zo blyven zal; een mensch heeft graag een +eigen weêrspraak. Kind noch kraai! wel deel meê, myn Vriend; maak dat +niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe, dat niemand wel eens +wou zien, of jy ook een mooije doode zyn zoudt. 't Moet hier toch +altemaal blyven, en als jy brave lui op de proppen helpt, dan doe je +als een hupsch Christen mensch betaamt." Nu, dat overgeslagen. + +Neen, Mevrouw, ik heb geen byzonder oogmerk omtrent Saartje. Ik zal +haar volkomen haar eigen keuze laten doen; en, zo de jongen haar +verdient te hebben, zal hy haar hebben, al had hy geen zesthalf in de +waereld; maar zo zy dwaas genoeg was, om een knaap te willen hebben, +dat een vlegel, of een bobbekop is, of die haar dood zou kniezen, of +tot gekheden brengen: Verduivelt! dan zal myn naam geen Abraham +Blankaart zyn, zo ik het ooit toesta. Hoe, wat hamer, en wat +spykerdoos, heeft haar brave Vader my niet met de dood op zyn lippen +gezeit: "Brammetje Blankaart, ik sterf; zorg gy voor dit dierbaar +Kind. Wees het geen ik voor haar zyn zoude, mogt ik leven." En heeft +hare lieve Moeder ook zo niet gesproken? En heb ik het niet heilig +belooft? En ben ik niet een eerlyk man? Hoor, Mevrouw, het meisje is +veel ryker dan zy weet. Zy kan, ik herhaal het, krygen die zy hebben +wil, mits dat zy wél kiest. + +Ja, 't is een weêrgaâs meisje! zo als gy daar schryft, is zy: en ik +ben maar bly, dat zy by zulk eene allerbraafste Dame is, dat is goed +voor haar. Spreek toch niet van my lastig te zyn; ik wou dat uwe +brieven zo lang waren als de Engelsche Courant. Zie, ik ben geen man +van de hedendaagsche Waereld, maar een brief van zulke vrouwen, wel, +dat is een tractement voor my. + +Den ouden Heer Edeling ken ik van voor vele jaren. 't Is een eerlyke +knorrepot, een braaf man, een man, daar men op af kan, maar de +lastigste mensch, dien ik ook al ken. Pitten heeft hy, en crediet als +de Bank: maar ik heb my altoos afgehouden van twee soorten van menschen, +van allemansvrienden en van Grimbekken. De laatsten veracht ik, en de +eersten beduiden niet genoeg, om er aan te kunnen denken. Zyn Zoons ken +ik niet; maar ik heb altyd gehoort, dat het beste jongens waren, doch +die 't hart niet hadden, om hunnen Vader ooit dan met schroom toe te +spreken. Dat is toch een ellendige zaak! 't Spreekwoord zeit, de beste +Stuurlui staan aan land; maar als ik kinderen gehad had, by myn Vrouw, +ik zou eerst hunne liefde hebben zien te winnen; en dan zou ik my van +hun vertrouwen en achting gemaklyk hebben meester gemaakt. Wat zegt +gy, Mevrouw? + +Indien de jonge Heer des zyn hof aan myn Kleuter wil maken, en zy het +goedvindt, my is 't wel; als 't kind maar gelukkig is, ben ik te +vreden, en ik zal haar, met al wat zy in de waereld heeft, zelf aan +hem, met myn eigen hand, geven. Doch de Oude moest my evenwel geen +Kattesprongen maken, of denken, dat zyn Zoon haar veel eer aandeedt. +Ja, ja, 't is een misselyke knevel, die eigenste Jan Edeling; want dan +zou my 't bloed ook wat heel spoedig in de ooren kruipen. Saartje is +van zulk eene brave oude familie, als er maar weinigen in Amsterdam +zyn; haar overgrootvader was al een styl van de beurs, en een pylaar +van de kerk: en, schoon zy geen geld heeft, dat by Hendriks te pas +komt, zy is echter een schone party; en zy is een heel mooi meisje +ook; en zy heeft, mag ik zeggen, alles geleert; en zy speelt immers +kapitaal? Wees verzekert, dat ik uw verpligtent bericht voor my +onschendbaar zal houden. Zo ik u, waardige Dame, ergens in van dienst +zyn kan, beveel! gy zult my verrukken, door my in staat te stellen van +u te kunnen tonen, hoezeer ik met de grootste achting ben, + + Uw welmenende Vriend en gehoorzame Dienaar, + + ABRAHAM BLANKAART. + + + + +ACHT EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis beknort Sara om haar houding +tegenover Coos-Jacob Brunier. Foei! Is vermaak dan alles? En wèlk +vermaak! Tante Hofland zal nog gelijk krijgen! Ze mag Anna uitmaken +voor wat ze wil: _bijnamen geven is geen redeneeren_.--Willem maakt +'t goed; Smit gaat uit preeken. Hendrik Edeling is een beste jongen; +Smit kent zijn broer. + + +NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft zijn Moeder: hij +maakt het goed, doet zijn best, maar _Sara kan hij niet vergeten_. +Doet Moeder wel goed? + + +ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling richt zich tot Blankaart, over Sara. +Of er iets tegen is? _Zijn_ vader zal bezwaar maken: _Sara is niet +Luthersch_--doch dat is misschien nog te ondervangen. + + + + +EEN EN ZESTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING. + + +_Myn Heer!_ + +Ik ken genoeg van uwe omstandigheden en zedelyk karakter, om niet +weinig in myn humeur te zyn, met het voornemen, dat gy hebt omtrent +myne lieve Pupil. + +Zie, myn Heer Edeling, ik ben geen knorrepot, die altyd legt te +gnokken, en te gnutteren[1] op Jongelui; ô ho! het zat over een +zestig, zeventig jaar, ook al zo breet niet: maar dit is evenwel +hemelsch vast, dat onze jonge Heren het drok genoeg maken, en dat +Ouders of Voogden van geluk mogen spreken, als zy een aartige lieve +meid, die hun aangaat, in goede handen zien. Wel, 't is een bedroeft +ding, dat de jonge Heren zich de vryheid geven om stukjes uittevoeren, +die hen de achting van hunne meisjes onwaardig maken. Dat rydt, dat +rost, dat speelt, lichtmist voor een voor negentien, alsof men een +paardje schytgeld op stal, en nog een lyf in de kist hadt: en als men +dan eindelyk het wilde leventje wat moede is, ja! dan klungelt men +naar de Vryster, die men eene hope leugens en liflafferytjes vertelt. +Het arme schaap neemt alles voor goede munt aan; en zy krygt een man +met een verzwakt en verslonst lichaam, zonder zedelyke, 'k laat staan +Godsdienstige beginsels; zonder kunde in zyne zaken; en haar geld moet +meermaal springen om smousen en ligtekooijen te vreden te stellen. + +Zo dat ik maar zeggen wil, myn Heer Edeling, dat ik regt te spreken +ben, met uwe liefde voor het kind. Dat gy haar daar van nog geen kik +gezegt hebt, smaakt my bestig. Hoor, gy zyt een hupsch jongman, en ik +hoop, dat onze lieve Heer haar maar genoeg wysheid zal verlenen, om +u haar hart, zo wel als haar mooi zagt regtehandje te geven: mits +echter, dat myn Heer uw Vader haar die eer aandoet, waar op ydere +brave jonge Juffrouw, in zo een geval, recht heeft. + +Indien men ons, om dat wy misselyke Potentaten zyn, alles moet laaten +doen dat men wil, wel, dan zyn de redelyke menschen waaragtig te +beklagen. Hoor, myn Heer Edeling, ik zou geen Kind veröngelyken, en +myn Paard, zo min als Snap, myn Patryshond, (die al weer met my naar +Vrankryk gesjouwt is,) hadden nog ooit reden, om my voor een bullebak +van een meester te houden. Daar is nu Jan, die reeds al zes en twintig +jaar by my diende; maar ik heb nog nooit gemerkt, dat de kerel een +beter heer verlangde; want ik zeg altyd: "Abraham Blankaart! maak +toch, myn Vriend, dat je geen mensch of beest zo behandelt, als jy +niet zoudt willen behandelt worden, dan zal je wel doen, en dat is +hier de zaak." Doch myn Heer, uw Vader, voor wien ik zeer veel achting +heb, moet niet denken, dat myne Pupil ooit in zyne Familie zal komen, +indien hy my, als haren Voogd, dit niet met bescheidenheid en yver +verzoekt, 't Zou my om u schrikkelyk moeijen; maar ik heb ook op +sommige punten myne wonderlykheden; en, schoon ik niet aan de Jicht, +of het Podagra zucht, kan ik om de hagel niet veelen, dat men zich +airs zoude geven, omtrent zulk een braaf fatsoenlyk meisje. Myne +gehechtheid aan de Leerstukken der Publique Kerk is, ja al zo sterk +als de zyne aan het Luthersche geloof zyn kan, en daar hoop ik by te +leven en te sterven: amen! Maar watte malle dingen zyn dat! "dat ik +besluit om myn kind nooit buiten myne Kerk te zullen uittrouwen?" Wel, +'t is goed, dat onze lieve Heer wyzer is dan wy allemaal; 't zou hier +anders een bedroefde Winkel worden, dat zou het. Laat elk gelooven dat +hy wil, dat hy kan, en laten wy allemaal deugdzaam leven; dat zal wat +beter voor ons uitkomen, dan dit en dats hargueeren, en kieskaauwen, +over dingen, daar de wyste lui zo weinig van begrypen als ik, of een +ander eenvoudig Christenmensch. Hoor, myn Heer Edeling, ik kan zo +Satans nydig worden, als ik daar in plaats van eene stichtelyke +opwekkende Predikatie te horen;--want ik ben een stipte Kerkganger, +moet gy weten; ik ga, als ik t'huis ben, alle Zondag in de ouwe +Kerk,--niets voor myn neus kryg, dan wat scholastiek[2] Vulnis, dat, +mag ik zeggen, diept noch droogt. 't Is goed, dat zulks maar zelden +gebeurt, of Abraham Blankaart zou zo stipt niet ter Kerke gaan. Nu, +myn Heer, gy moet weten, hoe gy met uw Vader dat Boeltje reddert. Doch +hy moet niet vergen, dat myn Saartje van haar Gereformeerde Kerk +afwykt. Hoor, ik moet daar niet over gemoeit worden. 't Is onredelyk; +en is de man driftig, ik ben ook juist de grootste jaabroêr niet. Hy +moest ook niet leggen te choqueeren op myn Kerk, of hy zou zyn man aan +my vinden. Ik versta my wel niet op alle de fynheden der redeneerkunst; +maar ik denk, dat ik echter met hem geen gevaar loop om uit het veld +geslagen te worden: wy kunnen malkander op de Beurs ook wel zo eens een +aartigheidje zeggen. + +In hoop dat ik zal voldaan hebben aan uwe verwagting, hebbe ik de eer +my te noemen, + + MYN HEER! + Uw dienstwillige Dienaar en Vriend, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Vitter en bediller. +[2] Spitsvondig. + + + + +TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Willem: Sara is geen vrouw +voor hem. Een huwelijk kan even ongelukkig zijn door te veel +overeenkomst tusschen man en vrouw als door te weinig. Smit gaat +trouwen met Anna. Willem moet zich maar goedhouden en volharden in +braafheid. + + +DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna. Ze is boos. Anna beknort haar +over haar oprechtheid. Anna mag wel _genever proeven_ en zij geen gaas +koopen? Mooie grap! Anna is zoo op zich zelf verliefd, dat ze geen oog +heeft voor andersdenkenden. _En ze duldt geen aanmerkingen op Spilgoed_. +Anna draait! Jacob Brunier mag zijn wie hij wil, maar _slecht_ is hij +niet. Bemoei je met je zelf. Groet Moeder, 't beste voor Willem. Vaarwel. + + + + +VIER EN ZESTIGSTE BRIEF. + +DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Juffrouw Saartje!_ + +Nou komt myn dat beetje schryven wel te pas, dat je men nog hebt +ingestampt. Ik moet aan u schryven. Ik heb rust noch duur; van nagt +droomde ik, dat ik u op men schoot had, met je neteldoekse jurk, die +ik zelf in het Blaauwe Hoofd nog kogt, an; en dat ik met je zong dat +mooi Liedje: "Een kindje in 't water een kindje in 't water." Ja, dat +was een huur[1]! Dat was eerst een Heer en Juffrouw! Ja, Juffrouw, ik +zou nooit myn Belydenis geleert hebben, had ik niet in joului huis +gedient. Ik woon nou ook wel by brave mensen, maar het is altoos drok; +wy zyn met ons zeven Booijen, en ik heb dikwyls geen tyd om 't _Vader +Ons_ te bidden; en ik mag dat evel zo niet rabbelen; want Kaatje, onze +Kindermeid, zeit, dat het van onzen lieven Heer zelf gemaakt is. +Laatst nam ik het mee in de Kerk, en las het driemaal heel aandagtig, +om dat ik den Dominé niet zien, noch horen kon, zo vol was de Kerk, en +dat is tog mooi; en nu sla ik een reisje over, om aan u te kunnen +schryven; want wie weet, of deuze Brief in veertien dagen nog vol is. +Ik wil maar zeggen, Juffrouw, dat ik gehoort heb, dat de Juffrouw gaat +trouwen, met een Heer die een Franschen naam het, die ik niet +onthouwen kan; 't is een Broêr, zeggen zy, van een Juffrouw, die met u +in 't zelfde huis woont. Hy het een amt op 't Staten of Prinsen hof, +zie dat is al het zelfde; nou, Juffrouw zal hem wel kennen. Ik sloeg +een gat in de lucht; 't was of ik het te Keulen hoorde donderen, daar +onze Koetsier van daan is. Maar die Heer zal wel braaf zyn; anders zou +Juffrouw hem niet nemen, wil ik spreken; maar de mensen praten zo +raar; en Bregt heeft my zo veel vertelt; maar nou ze eens zo vreeslyk +van je gelogen het, geloof ik haar niet meer. Nou, God vergeef het +haar, maar ouwe Bregt zal haar loontje wel krygen, gelyk ik hoop! En +nouw was myn verzoek, of Juffrouw my weer wou inhuren; en dat Juffrouw +met men Heer Willem hadt getrouwt, dat is een Heer! en zo gemeenzaam; +wel zie, ik heb buiten u niemand zo lief, als men Heer. Toen ik daar +zo by myn Heer zat thee te drinken, dagt ik nog om je Grootvader, +Pieter Burgerhart. Die is nog by gelyks men Doop-peet: want ik hiette +maar Pieternelletje Pauwls, en ik had zo een dinsigheid[2], om ook een +_van_ te hebben; en toe zei je Grootvader; kom meid, we zullen je +_Pieternelletje Deegelyk_ noemen: 't heugt my nog klaar; ik lei het +Pampier in de eetenskast in men keuken, en Grootvader deedt zyn +schoenen nog aan, en hy lachte dat hy schudde; om dat ik zo bly was +met men _van_. Ik had het zo kostelyk by je Ouwers: en ik heb het nu +ook goed; en als ik oud word, dan denk ik, onze lieve Heer zal ouwe +Pieternel niet verlaten: daar vertrouw ik op. Zo dat ik maar wou +zeggen, dat ik altoos dagt, dat men Heer Willem je was opgeleit. Hoor, +het is my hier te drok, en daar zyn meer huizen dan kerken. Ik wou een +stil dienstje by twee eenige luidjes, daar ik men werkje zo zelf kon +betreuzelen; en wy kennen mekaer, want Juffrouw het wel duizendmaal op +men schoot gezeten, en dan kon ik ook nog eens horen van dien goejen +Heer Blankaart, die ik in velden noch op wegen ontmoet; nou ik kom +haast nooit uit. Ja, Juffrouw, zo jy en men Heer Blankaart niet in den +hemel kommen, dan versta ik my dat werk niet. Wat was hy altyd +grappig, en wat het hy my dikwyls een gulden gegeven; en ik wou +Juffrouw graag wat in haar huishouwing kopen, al was het maar een +Glazen-kasje, of een Turfbakje; maar voorlede week kwam je Tante +Hofland my tegen. Wel nou Pietje, zei zy, weetje nou wel, dat jou +Juffrouw nou in zo een slegt huis woont, en zoo waerelds gekleet gaat? +Ja Juffrouw, zei ik, die Weduw is een heel braaf mensch, dat weet ik +heel wel, en Juffrouw Saartje gaat gekleet, zo als alle ryke jonge +Juffrouwen; en, zei ik, onze lieve Heer ziet op het hart, niet op de +kleren, zei ik; nou zei zy, "Kind, je hebt geen Licht[3]". Nou +Juffrouw, als je trouwt, wat zul je dan kerjeust[4] wezen! en dat's +evel geen zonde; want je Moeder, die zo vroom was, als er een mensch +over een paar benen gaan kon, en ouwe Hille, onze Schoonmaakster, wel +zo veel goeds gedaan het, die oud en katyvig[5] wierdt; sting styf van +'t stof, toen zy trouwde; ik wou, Juffrouw Saartje, dat je dat eens +gezien hadt. Laat my tog eens weten, of je haast Bruidstranen zal +drinken. Alle menschen zeggen, dat je op je trouwen staat. Ik ben al +tweemaal aan uw huis geweest; doch Juffrouw was uit, en ik kom weinig +uit, en 't is by ons vreeslyk drok. 't Is nu net drie weken, dat ik +aan deuzen schryf; neem men stoutigheid ten besten. Was ik maar weêr +zo in men eigen gedoentetje by Juffrouw, wat zou ik bly zyn! Ja, ik +wensch nog uit Juffrouws huis gedragen te worden; wist ik dat, ik zou +zo in myn knopjes zyn, want dat was een grote gerustheid. + +Nagt lieve Juffrouw Saartje, van je ouwe Pieternel, zo pleeg je te +zeggen. + + PIETERNELLETJE DEEGELYK. + + +Noten: + +[1] Goeie dienst! +[2] Zin in. +[3] Geestelijk inzicht. +[4] Trotsch. +[5] Hier: gebrekkig. + + + + +VYF EN ZESTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK. + + +_Myne goeje beste Pieternel!_ + +Ik heb uw Brief gelezen: wel heden, ik wist niet, dat je zoo veel by +mekaêr kon stichten. Ik ben met uw Brief magtig in myn schik. Als het +eens jou uitgaans dag is, zendt my dan een kruijer[1], dan zal ik +t'huis blyven, als ik uit de Kerk kom, en wy willen weêr eens heel +veel praten; je weet, Nelle, daar hou ik wel van. Meid, wat hou ik van +je, om dat je my zo wel opgepast hebt, en zo dankbaar aan myn lieven +Vader en Moeder zyt. De Heer Blankaart is naar Frankryk; zo dat gy hem +niet ligtelyk zult tegenkomen. Ja, dat is een man, niet waar? Och, ik +heb hem zo lief! maar ik ga niet trouwen, daar is geen woord waar aan. +Wees jy gerust: al wierd jy tagtig jaar, dan zal je toch by my wonen, +als ik getrouwt, of op my zelf ben. Sterf des, als je tog sterven +moet, maar gerust voort, 't zal zo zyn. Zeker, Pieternel, als gy oud +en zwak wordt, zal ik voor u zorgen, en je zult dan zien, dat het heel +goed is, op onzen lieven Heer te vertrouwen. En zei Tante "dat je geen +licht hadt?" Heden meid, gy moest eens aan Tante gevraagt hebben, of +'t waar is, dat zy zal trouwen, en met welk een Heer; maar daar hebje +niet omgedagt. Ik zal heel graag, als ik trouw, wat in myn Huishouden +van u hebben! Maar 't hoeft juist zo veel niet te zyn, als je +voornemen was. In dit papiertje liggen twee ducaten[2], die doe ik u +present, om dat gy zo een beste meid zyt, en myn Ouwers zoo lief hebt. +Spreekt er maar niet van tegen my; koop er wat voor: zulje, Pieternel? +De Juffrouw, daar ik by in huis woon, is net zo een brave vrouw als +myne Moeder was, dan kun je eens denken. Nu ik ga niet trouwen, hoor. +Gy weet wel, wie u deezen schryft. + + S. B. + +PS. Dat joului Koetsier van Keulen is, kan ik wel denken. Nagt, +goeje meid. + + +Noten: + +[1] Met een boodschap. +[2] Plm. 6 gulden. + + + + +ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Blankaart: ze leest in den bijbel, +gaat naar de komedie en naar concerten, onderhoudt Fransch en Engelsch. +Edeling bezoekt haar dikwijls; ze heeft ook Pieternel gesproken. + + + + +ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Myn beste Meisje!_ + +Uw Brief is my zo welkom, dat ik hem ten eersten ga beantwoorden. Dank +God, myn kind, dat gy by zo eene verstandige en godvrezende vrouw +gekomen zyt: Het hadt ook heel scheef kunnen uitkomen; als gy nu eens +by slegt volk belant waart, en gy hadt eens meê moeten doen: Gy weet, +die met pek omgaat, wordt er door besmet. Ja, dat zou droevig voor u +geweest zyn, zo deeze vrouw gestorven hadt, dat begrypt gy wel. Dat +gy uw pligt omtrent haar deedt, doet my zó goed, en geeft my zó veel +vreugd, dat ik u een wisseltje zend, van honderd ducaten, van my, tot +een teken hoe content ik daar over ben. Koop er wat moois voor, en +draag het my tot gedagtenis; en doe altoôs uw pligt, zult gy? Gy moogt +héél wel met ordentelyke lieden uitgaan, als het maar niet te drok +loopt: nu, gy zyt in goede handen; daar vertrouw ik op: Want gy zyt +jong, kind; en ik weet, hoe de jonge lieden toch zyn. + +De Heer Hendrik Edeling is my zeer wel bekent: 't is een allerbest +jong Heer, en een knap kaerel ook. Ik heb somtyds, weet gy, rare +invallen; en ik mag de jonge meisjes gaarn wat kwellen: wat zegt gy, +Saar, als die Heer eens zin aan u hadt, zoudt gy daar wel veel tegen +hebben? Nu, zin of niet, als gy myn eigen Dochter waart, en die Heer +dan zin in u hadt, en my dat zeide, ik zou u aan hem geven, ten +minsten zo gy er niet tegen waart. Zie, kind, ik hoop u nog gelukkig +getrouwt te zien. Doch meisje, meisje, pas op! Gy zult een hele rist +vryers krygen; zy zullen om u dwarlen, als muggen om de kaars. Gy zyt +nu in de vrytyd; is 't zo niet? Ik eisch niet van u, dat gy my kennis +zult geven van alle beuzelpraat, die zy u komen aan 't oor piepen; +maar ik verwagt van u, indien gy aangezogt wordt door iemand, die gy +genoeg in aanmerking neemt, om hem nader te willen leren kennen, dat +gy my dit zult melden. + +Begryp, myn kind, dat van uwe keuze uw gelukkig of ongelukkig leven +zal afhangen; en dat ik, immers zo lang als gy myne Pupil zyt, u zal +beletten uwe keuze te volgen, "indien brave en verstandige lieden, die +u liefhebben, my zeggen, dat gy eene dwaze keuze doet." Ik zie niet op +geld: zo gy maar een fatzoenlyk man, die u verdient, neemt. Maar ik +denk niet, dat zo een braaf meisje zich zal vergooijen aan een jongen, +die al zyn verdiensten aan zyn Snyer en Kapper verpligt is; die, als +een regt vrouwenaapje, daar zo heen kwispelt, en twee orloges draagt, +daar ik zo satans nydig over kan worden, dat ik hen wel eens een losse +maling wou geven. + +Ik heb wel gehoort, dat vele Dames, by de Twaalf geloofsartikelen; +--die gy immers wel pront kent, hoop ik?--dit tot het dertiende maken: +"Ik geloof dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." Geloof het +niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip waar aan, geen kriezel. + +Hoe zou het my bedroeven, als ik merkte, dat gy deeze kettery toestemde! +Gy meisjes praat, (de wyste niet te na gesproken,) somwyl, als of gy in +uw harsens gepikt waart. Wat weet gy toch van lichtmissen? Een losse +malle jongen, die zyn goed verbruit, en om peper moet[1], om dat hy zyn +koorntje groen at, is geen lichtmis; hy is een gek, die men te Delft +moest gaan opsluiten. + +Een Lichtmis is een gerafineerde Deugeniet, die zyn roem en vermaak +stelt in eerlyke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven; die Gods +geboden veracht; de wetten der vriendschap schendt; met zyne eeden +speelt; met één woord, een allerverfoeilykst man, die te gevaarlyker +is, naar mate hy een minlyk figuur, en een aartig vernuft heeft; die +de welvoeglykheid zo lang in acht neemt, tot hy de onnoosle in slaap +heeft gewiegt, en die in staat is om schatten aan zyne huurlingen +uittedeelen. Gelooft gy, myn kind, dat zo een schepsel ooit de beste +Echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overyling en in gestorm der +driften begaan, maken geen Deugeniet uit, indien hy die fouten, zo +rasch hy die ziet, verfoeit en schuwt; maar een Lichtmis is zo +bedorven van smaak; zyne neigingen zyn tot heblykheden dermate +opgegroeit, dat hy nimmer een beter vrouw verdient, dan de +allerslegste uit die bende, die hy bedorven heeft. + +Een braaf, verstandig, kundig, goedaartig man, is de beste Echtgenoot. +Een man van dit karakter verdient al de liefde, al de achting van eene +vrouw, die hy zo gelukkig poogt te maken als zy ooit op deeze waereld +zyn kan. + +Ik zal hier niet meer over schryven; zo als ik zeg, gy hebt de beste +Raadsvrouw by u. Gy kunt Juffrouw Willis ook altoos om raad en +onderrigtingen vragen. Maar ik hou zo veel van u, dat ik u dit toch zo +eens schryven moest. Groet, uit mynen naam, de brave vrouw, aan wie gy +zo gehecht zyt; verzeker haar van myne byzonderste achting. Groet ook +myn Vriend Edeling. En als gy Pieternel spreekt, insgelyks: Wel, ouwe +Pieternel, denkt die nog aan my? Nu, als ik sterf, krygt zy een +Legaatje. Zeg het haar niet; zy zou huilen van blydschap, en van +droefheid ook. De oude Peterzen zal u, op uw order, het Geld bezorgen. +Die ouwe stam heeft ook wat aan my verdient, zo eerlyk en zo hupsch is +de man. + +Nagt, myn lieve kind. + + Uw liefhebbende Voogd, + + ABRAHAM BLANKAART. + +PS. Laat uw Clavier, en alles wat tot uw lyf behoort, op myn order, +van uwe Tante halen. + + +Noot: + +[1] Naar Indië. + + + + +ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog, de blauwkous, schrijft aan +Wilhelmina van Kwastama, dat zij vermoedt: Edeling _komt om háár_! Dat +het om Saartje zijn zou, komt niet in haar op. Ze noemt haar wel: Saar +_heeft Hollandsch gezongen_; Cornelia leest nooit Hollandsch. Foei! + + +NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Charlotte Rien du Tout schrijft aan Dirk +Welgezint, haar oom: ze wil verhuizen, want het tòcht zoo bij de Wed. +Sp. Vraagt ook wat zakgeld. + + +ZEVENTIGSTE BRIEF.--Oom Welgezint geeft haar den wind van voren. Ze is +precies zoo'n uil als haar vader: Fransche wind! Hij haalt haar door +en noemt haar lui. + + + + +EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Juffrouw!_ + +Ik heb onlangs eene Vriendin verloren; ze hiet, by gelyk, (zeit onze +Pieternel,) Anna Willis; kent gy haar? Ik vrees neen. Nu, dat zy zo, +weet gy ook, waar ik haar weêr kan vinden? Ei lieve, wys my den weg, +want ik verlang de kennis te hernieuwen; 't was toch, waarde Juffrouw, +een in velen opzichte braaf mensch: wy hebben een klein verschilletje +gehad, en, zo al pratent en weêr pratent, heb ik haar onder weg +verloren. Ik wil zeggen, dat ik niet twyffel, of ik zal haar wel weêr +vinden. Het Orloge onzer vriendschap staat maar wat stil, doch de eene +of andere heusche vriend zal het wel weêr opwinden, en dan zal het +weêr zo fix wyzen, en zo krek lopen als immer. Ik schryf u des maar in +voorraad. Ik zou zelf besluiten kunnen om u deezen te zenden, zo gy my +alleen beledigt hadt. Maar, dewyl de waarde vrouw, die men niet kan +kennen zonder haar hoog te achten, door u zo verkeert behandelt is, en +gy daar voor geen vergoeding aan my doet, zal ik alles opzamelen wat +ik schryf, even of ik u per post schreef. Zo dra gy my zegt: "Ik heb +Juffrouw Buigzaam beledigt; 't is my leed; ik heb slegt gedaan:" is al +myn geschryf, nevens myn vriendschap, weêr tot uwen dienst. + +Dewyl ik aan myne eenvoudige oprechtheid wil vast houden, zal ik u +weêr alles wat er omgaat schryven; en daar uit zult gy kunnen zien, +dat ik zeer gaarn met uwe meerderheid van verstand myn voordeel doen +wil, indien gy u in den styl uwer lieve Moeder, en met wat minder +airs, my die gunst aanbieden wilt. + +Volgens afspraak gingen Letje en ik, op den bepaalden dag, de taffen +zien. De drie Desmoiselles dronken thee, en wy gevolglyk ook. Onder +het thee-drinken kwamen er twee Heren in, om zyden kousen en een +hairzak. Alle welgekleedde mannen spreken één taal, als zy de _eer +hebben_ tegen jonge Dames te spreken: zo als gy weet, Naatje. + +Zy zogten koussen uit, en wy taffen stalen. Gy begrypt wél, dat zy +onzen smaak _admireerden_? Nu dan, zy gingen beide zitten. De oudste +Juffrouw vroeg naar de _Historie der Beide Indiën door Raynal_; (in +'t Fransch begrypt gy,) de Heer R. noemde het _un Chef d'Oeuvre_. Zy +spraken vervolgens over eenige _Pieces volantes _, die daaglyks +uitkomen: en zyn vriend gaf haar _le Bibliotheque des Arts_ over; naar +gewoonte, zeide hy. De heer R. sprak, dagt my, zeer wel, ofschoon hy +véél sprak; en dan is dit al een heel kunstje; niet waar? Hy sprak met +_extase_ van de dichters Pope, Thomson en Akenside; en met geene +onbevallige houding zeide hy: _Oui, ma chere Marianne_: + + _Virtue alone is Happines below_. + +Ons discours duurde wel een uur, denk ik; want ik had ook nu en dan +een woordje ingebragt, dat met attentie gehoort, en met lof +toegejuicht wierdt; zoo als dat van zelf spreekt, Naatje. De +Desmoiselles zeiden my: "Dat deeze Heren zeer ryke, zeer fatsoenlyke +lieden waren, en dat de Heer R. geparenteert was aan onze eerste +familiën. Hy hadt _une superbe Bibliotheque_, en zou ons graag dezelve +heel en al ten gebruike geven; ook dat hy aan eene der Juffrouwen +gevraagt hadt, waar ik woonde; en gezegt, dat hy de vryheid zoude +nemen, om de _Essay on men_[1], in vierderleie talen by een gedrukt, +te brengen, wyl hy gemerkt hadt, dat ik die wel eens zoude willen +zien." + +t'Huis komende, verhaalde ik ons avontuurtje aan Juffrouw Buigzaam, en +liet haar de stalen zien, die ik by my had. Juffrouw Hartog zette een +vieze tronie, en vondt de taffen zeer _commun_. "Zo, zei ik, en de +Heer R. heeft die zeer fraai gevonden." "Kent gy den Heer R., Juffrouw +Burgerhart?" "Zo als gy hoort, Juffrouw Hartog." Zy wierdt vriendelyker. +"Kent gy dien Heer? vroeg de Weduwe. "Ja, Mejuffrouw, by reputatie. +"Hy is een man van geboorte, _un homme du Ton peutêtre; mais un homme +d'Esprit_. + +Rien du Tout was uit; Hartog ging uit, en wy hadden het huis vry. Nu, +zeide ik, zullen wy eens een recht lief stil stichtelyk avondje +hebben; en dribbelde, met een half menuët pasje, de tafel om. Wy +verzogten de waarde vrouw, om voor ons wat te lezen, en kregen ons +naaijen. ô Naatje, nooit heb ik zulk lezen gehoort, en zulk een lieve +stem is er niet! zy voldeedt aan ons verzoek, en las een Boekje: "de +vrolykheid van een Godsdienstig leven;" dat gy zeker kent? De avond +vloog om. Hoe gelukkig waren wy! Halfnegen kwam onze Lotje thuis, ging +zich deshabillieeren, en in de kamer gezeten zynde, vermaakte zy zich +met Jillis, onze kat. De tafel hadt reeds drie kwartier gedekt +gestaan, toen de Sçavante binnen tradt; zy haastte zich, was minzaam, +spraakzaam zelf. Wy zagen wel, dat zy wat verlegen was; zy wist wel, +dat zy nog wat te goed hadt; maar ik beschuldig nooit iemand die zich +zelf beschuldigt; en de lieve goedaartige vrouw maakte geene remarques. + +Toen wy reeds yder in ons pavillioentje lagen, hadden Letje en ik het +nog zeer druk over het geen er gelezen was: ik zie duidelyk, dat Letje +verstand en smaak heeft; maar 't is een verwaarloost verstand, en een +nog ongeoeffende smaak: zo vergenoegt als Engelen sliepen wy in. + +Morgen zal ik deezen vervolgen, zo er iets, my betreffende, voorvalt. +Gy weet, ik leg alles by elkander, tot dat ik mijne Vriendin Willis +vinde. + + * * * * * + +Dees dag is stil en eenzelvig voor uwe Pupil afgelopen; en ik ben maar +wat aan 't haspelen geweest, om dat Letje in 't naauw was. 't Geval is +zeer verre uitziende:--zy heeft, deezen middag, het Bierglas van +Juffrouw Hartog gebroken. Hare _veel Waereld_[2] bewaarde Letje niet +voor haar misnoegen; en, dat nog erger is! ons niet voor het aanhoren +eener (geloof ik althans,) geleerde Oratie over de fraaiheid en +byzonderheid van dit glas: "'t welk zy van Lord Muffle, toen die hier +in 't land was, gekregen had; 't was naar de regels der Geometrie +gemaakt, enz. enz., en zy hadt liever, dat Juffrouw Letje haar +grootsten Spiegel gebroken hadt, dan dat Glas." "En ik niet, zeide +Lotje, want dat beduidt een dooije." Dit deedt my lachen. Letje +verzogt excuus; Juffrouw Buigzaam gaf aan Frits last, om even zo een +Bierglas te kopen; en Juffrouw Hartog hieldt hare opgelapte +meerderheid. + + * * * * * + +Al Weêr een dagje! wel Naatje, en nog al geen Brief van u. 't Zal by +my altemaal verwilderen, 't Hek is van den dam; de Schapen lopen in 't +koorn. Wat nieuws. De Heer R. heeft hier aan huis geweest, en bragt my +het Boek, waarvan ik u gemelt hebbe. Hy zat een uur by ons. Hy sprak +meest met de waarde Vrouw. Waarlyk, 't is een schoon welgemaakt man. +Ik geloof, dat hy veel geest heeft. Het gesprek ging over de _Algemene +Liefdadigheid_, by gelegenheid dat men eenen drenkeling voorby bragt, +die gelukkig geret was. Hy merkte aan: "dat, ofschoon onze deugd niets +kan verdienen, zy echter altoos iets voortreflyks blyft; en dat hy het +met de oude Romeinen hier in eens was: _het is veel schoner één Burger +te behouden, dan honderd Vyanden te doden_." + +Juffrouw Buigzaam was wel voldaan over zyne redenen. Ik plaag Letje +gruwlyk met hem, want hy schynt voor haar zéér véél attentie te +hebben; schoon hy my zyne Bibliotheek heeft aangeboden, nevens eene +keurlyk geschreven Catalogus, om te zien, wat my zoude aanstaan. Nu, +dat vind ik wél héél lief, en zal er ook myn gebruik van maken: "Zo +dra ik meer lichts omtrent dit Luchtverschynzel, 't welk nu aan onzen +Huisselyken horisont opdaagt, hebbe, zal ik u daar meer van zeggen." +Zie daar, zo zoude Juffrouw Hartog spreken. + + * * * * * + +Nog geen Brief van Rotterdam! Geduld--Maar ik moet evenwel nu zeggen, +dat gy uwe Voogdyschap slorzig laat leggen. En ik, arme ziel! kryg +onderwyl vryers als zand. 't Is of heel Amsterdam weet, dat gy my +mondig verklaart hebt. Hebt gy dan met myne Tante overleit, om my, zo +maar kort en goed, aan den Satan overtegeven? Niet dat die hier ook al +geweest is; was dit zo, Rien du Tout zou my dat wel gezegt hebben; zy +is, zegt zy, "met een Helm geboren, en kan kwaad "zien". Nu, dat +kunnen er wel meer, en ook al daar het niet is; ook Naatje? Foei, dat +gy my zo in den pekel laat zitten! Daar heb je dan voor eerst myn +kostelyke vriend Cobus; ja, die eerst komt die eerst maalt: daar heb +je dan myn allerliefste Willem, uw Broeder; daar heb je dan de Heer +R., die my een Boek brengt; ende ten vierden, daar heb je dan de zeer +ernstige, zeer stemmige, zeer verstandige Heer Edeling. Ik heb wel +geen haast om te trouwen; doch als ik nu maar wist, welk man ik moest +kiezen, als my die haast eens overviel: dat is het maar. + + * * * * * + +Nog geen _Peccavi_![3] en de dag is om. Lees ten slotte dit volgende. +Letje kwam by my. De arme Lot, zei ze, is bedroeft; en ik geloof ook, +ergens om verlegen. + +_Ik_. Dat spyt my, waar is zy? Laten wy zien, wat er scheelt. Wat +scheelt u, Juffrouw Lotje? + +_Zy_. Wel dat geloof ik ook; myn Oom Dirk is zo boos op my, om dat ik +hem iets verzogt heb; en, dat nu nog erger is, ik moet myn Kapper +betalen, en ik heb geen gulden aan geld. [_Zy schreidde als een +meisje_.] + +_Ik_. Is 't anders niet? kan ik u helpen met twee ducaten, ze zyn wel +zeer tot je dienst; kom, wees maar vrolyk: uw Oom zal 't zo niet +gemeent hebben. [_Ik gaf haar de ducaten: maar zo dankbaar als dat +mensch was_!] + +_Zy_. Ik beloof u, uw geld in de volgende week vast te betalen. + +_Ik_. Nu ja, dat's wel. + +De sloof zat te breijen zonder opkyken, aan een witte garen +kinderkousje: "dat's een veeg teken," zei Letje, tegen my. Arme meid! +'t Is waaragtig een groot kind. Ik hoop, dat ik haar toch nog zal +leren spelden[4], en wat schryven, want het eerste is elendig, immers +als zy een opschrift leest, en haar Waschbrief is een Lyst van +Toverkarakters. + + S B. + + +Noten: + +[1] Pope 1688—1744. +[2] Kennis van de "Groote Wereld". +[3] Schuldbekenning--van Anne n.l. +[4] Spellen. + + + + +TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verhaalt Anna van een bezoek van +Edeling, die in gesprek is geraakt met Corn. Hartog over: _De +Genoegzaamheid der Deugd_; de opinies loopen uiteen en Sara +critiseert; zij is 't eens met Edeling. + + +DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verzoekt tante Hofland haar mee te +deelen, wanneer ze haar _klavier, guitaar_ en _muziek_ kan laten halen. + + + + +VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Ge-eerde Heer en Voogd!_ + +Al leefde ik honderd jaar, en al deed ik niets in al dien tyd, dan u +myne erkentenis te bewyzen; dan nog zou ik geen tyds genoeg hebben, om +u zo veel daar van te tonen, als myn hart en myn pligt van my vorderen. +Uw edelmoedig geschenk streelt my te meer, om dat my dit verzekert van +de vriendelyke goedkeuring myns gedrags. Ik hoop er zo een gebruik van +te maken, dat ik u ook daar van, zo wel als van de duizend guldens, +behoorlyk rekening zal kunnen doen. + +Ik heb Tante een Briefje gezonden, waar van de Copy hier nevens gaat, +en zy heeft my laten zeggen: "dat zy order van u zelf moet hebben; +doch dat zy nog zo iets met u te verrekenen heeft." Ik had echter zo +heel graag myne Muziek, myn Clavier en Guitar. + +En nu zal ik eens eene nieuwe pen snyden; ik heb er my reeds in myn +deshabillié toe gezet, om uwen dierbaren Brief ordentelyk te +beantwoorden. Kan ook een verstandig tederlievent Vader wel meer +belang nemen in zyn gehoorzaam Kind, dan gy, myn Heer, in my neemt! +maar geen Kind zal ook my in dankbaarheid en leerzaamheid, hoop ik, +overtreffen. + +De Heer Edeling is een uitmuntent Jongman! Nooit verlaat hy ons, of wy +achten hem nog meer, dan de laatste keer dat wy hem zagen. De lieve +Vrouw spreekt van hem, zo als zy zelden spreekt. Maar, myn lieve Heer +Blankaart, zou zo een man, en die zo veel goederen bezit, immer aan my +denken! Neen, zo verwaant ben ik niet. Zo een man moet een Vrouw +hebben, die hem nader komt: nu, dat is zyn zaak. Ik heb geen den +minsten trek om van staat te veranderen. Ik heb nog nooit een man +gezien dan die ik, op zyn allermeest, alleen my ten vriend wenschte. +Wil ik u eens wat zeggen? Daar is de jonge Heer Willis; die heeft my +gezegt, dat hy my bemint. ô 't Is zulk een braaf, eerlyk, bevallig +Jongman! ik heb hem ook zó lief, als of hy myn eigen Broêr waar; doch +heb hem voor zyne liefde bedankt. ô! ô! Hy zal wel eene brave vrouw +krygen; want het is een recht lieve goedaartige Jongen: waarom zou ik +hem ophouden, daar ik toch geen zin in hem heb, en niet wil trouwen? + +De Heer R., een zeer fatsoenlyk ryk Heer, van ruim dertig jaar, denk +ik, heeft kennis met my gemaakt, en zyne heerlyke Bibliotheek my ten +gebruike aangeboden, 't Is toch goed, dat alle Heeren geen laffe +Jonkertjes zyn; "maar 't is heel iets zeldzaams, zeit de Weduwe, veel +oordeel en belezenheid by veel beschaaftheid en waereldkennis te +vinden." Zo dat wy mogen van geluk spreken. + +Ik verzeker u, myn waarde Heer, dat ik nooit tegen uwen altoos +redelyken wil trouwen zal; en dat ik, omtrent het XIIIde Geloofsartikel +van vele Dames, eene Ongelovige ben. Niets dunkt my, (en zo dunkt ook +de brave Vrouw,) geeft uw Sexe zo veel stof in de hand, om de onze met +bespotting te beschouwen, dan het beleven deezes XIIIden Artikels. Een +gek kan ik dulden, een Pedant verdragen, een Petitmaitre lyden; maar, +op een Lichtmis zie ik met schrik en versmading! Hy is de Natuurlyke +Vyand myner Sexe: Niet meer van zo een lelyk afbeeldzel des Duivels. +Wie is boven alle zwakheden? Ik ben 't niet! Maar dat ik my ooit zoude +straffen, met een Lichtmis voor myn man te nemen; verächt my, zo ik er +toe in staat ben! + +Neen, myn Heer! ik zal uw vroom gemoed nooit bedroeven! Kan ik +ondankbaar zyn? Om u, wat er ooit gebeure, te kunnen bedriegen, zoude +ik zelf eerst moeten bedrogen worden; en wie zou toch, in de wyde +waereld, dáár belang in stellen! Ik sta niemand in 't licht; ik kwel +niemand; ik wil zo graag allen zo wel doen, als in myn vermogen is. +Ik begeer niets dan uwe Vaderlyke gunst te behouden, by deze dierbare +Vrouw myn dagen te slyten, en zo al de eene zotheid voor, en de andere +malligheid na wat af te wennen. De waarde Dame groet u met de hoogste +achting, en ik ben + + Uwe liefhebbende Pupil, + + SARA BURGERHART. + +PS. Ik hoor, dat Tante zal trouwen met een Heer die er veel in zyn Japon +komt; die Heer ken ik; ô my! ô my! 't Is toch grappig ook. + + + + +VIJF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt Cornelis wat hij +zooal gedaan heeft; Sara is een engel! Hij zendt hem Blankaarts +antwoord. Maar vader Edeling blijft koppig--geen "_Noach's ark van +gelooven in zijn huis_! Nooit! + + +ZES EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling schrijft aan Blankaart; van +dat huwelijk kan niets komen. Hendrik is _Luthersch_, zij niet. +Afgeloopen. + + + + +ZEVEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. + + +_Mejuffrouw!_ + +Wel, hoe hebben wy het toch met elkâer? ryd je de witkwast, of maalt +je de geest? Denk jy, dat ik zo maar op een dag heen en weêr zo eens +over kan komen, om u te zeggen, dat gy Juffrouw Saartje haar Linnen en +Muziek zendt? Was het Briefje niet zo beleeft, als er een in heel +Amsterdam te vinden is? Wie hagel hoort er van? 't Is immers het kind +zyn eigen goed. De Guitar heb ik haar zelf uit Londen meêgebragt, toen +zy, tien jaar was; hy kost my verscheide Guinees; maar hy is ook al +wat je horen kunt, zeg ik je. Wat doe je toch met haar Clavier; speelt +Bregt met haar styve dikke stompen er somtyds eens een deuntje op, als +zy dronken is; en dans jy dan met Broêr smulpaap, als er zo een klein +verheugingje is? Wat praat gy toch van nog wat te rekenen of te +verrekenen: zwyg er maar dood stil van, of ik zal u anders spreken. +Weet je wat je krygen zult? Net twee nieten in een bodemloos mantje; +en Bregt om een oortje raakwat, voor een vervalletje: Broêr kan zo +veel knokkel oly krygen als hy t'huis kan brengen: Dan zult gy wel +_voldaan_ willen tekenen? Wat zegt gy nu van Abraham Blankaart? + +Maar wat hoor ik, Zanneke, ga je trouwen met een Heer, die alle daag +in zyn Japon by u komt? Ik kan wel denken, wie of er op u smoel +heeft[1]; wie anders dan de Broeder? Nu geluk, er is maar een paar +bedorven. Evenwel, als ik zo alle ouwe dingen overdenk, dan beklaag ik +u toch. Wy hebben immers menigmaal eens een pretje gehad, en je hoorde +my toen zo graag zingen van: "Toen onze Pau in 't Leger kwam." +Waaragtig, Zanne, de Fynen lopen op uw zak, meid! ze zullen je zo arm +maken als een Mier. De duivelsche gierigheid heeft u gefopt, en de +kweeslary zand in de oogen gestrooit. Neem dan dien Drasboek niet; ik +zal wel een ander opschommelen, als ik in de stad kom. Nu hebt gy +order van my, om Saartjes goed te zenden. Ik blyve + + _UWEd. Dienaar _, + + ABRAHAM BLANKAART, + + + +Noot: + +[1] Zin in je heeft. + + + + +ACHT EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Blankaart: Sara en +Hendrik houden haar beiden op de hoogte. Ze deelt hem nu uitvoerig een +gesprek mee over het _Buitenleven_. Sara vindt zich daar te jong voor, +Hendrik verlangt er naar. Saartje knoopt manchetten voor Blankaart; +deze moet zich van den domme houden! + + + + +NEGEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER JAN EDELING. + + +_Heer en Vriend!_ + +In antwoord op uwen, Amst. den ... passato, dient: Ik ben nu maar, die +ik maar ben, een niets beduident oud Vryer, en dat's het al; doch ik +wil je zweren, dat wy niet meer in Geloof dan in humeur verschillen. +Zie daar, ik heb het altoos zo druk en volhandig gehad, dat het +trouwen er is ingetrokken[1], maar selderdemostert, was ik Vader over +een half douzyn jongens en meisjes, wel dan zou ik myn geluk niet +kunnen overzien, als ik daar zo al die kabouters hoorde snappen, en +rabbelen; of Abraham Blankaart ook meê zou doen! En als zy dan zo +verre heen waren, dat zy op 't geen ik zeide aanmerkingen konden +maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te brengen; +wel, dan zou ik God harlyk danken, om dat ik zulke snelle[2] kinderen +had; zo als billyk is. Begrepen zy in 't vervolg eens iet beter dan +ik; bestig, zou ik zeggen, en doen het zo. + +Daar heb je nu myn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet veel +meer van de Waereld en van de Schrift als ik, en ik ben dertig jaar +ouder. Voor ik naar Vrankryk ging, zei ik: Kind, lees je jou Gebed +'s avonds wel stipt uit Mell? "Myn Heer, zei ze, ik bid uit myn eigen +hart; ik weet immers beter, wat ik nu nodig heb, dan Mell voor vyftig +jaar dat raden kon?" Wat denkt gy, dat ik toen zei? je zult, by dit en +dat, jou Gebed uit Mell lezen, om dat ik het doe? Mis mantje! ik zei, +dat's waar meisje, je heb groot gelyk; en anders zou zy denken, dat ik +haar vyand en niet haar welmenentste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gy +hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op +myn woord, je hebt mis. + +God de Heer geeft ons, zyne kinderen, wel reden van zyne bevelen: "doe +dat, op dat het u welga," staat er dat niet in den Bybel? En zullen wy +nu zo misselyk[3] en zo boos zyn, dat wy onze kinderen, in plaats van +brood, slangen en schorpioenen in den mond proppen? Hadt, by gelykenis, +Luters Vader eens gaan zeggen: "Luter, ik versta niet, dat je Luters +wordt, jy zult Paaps blyven, want wy zyn van 't begin van de waereld af +allemaal Paaps geweest; en zo jy 't in den kop krygt, om van ons oud +geloof aftegaan, zullen wy eens wat anders by de hand vatten." En was +Luters Vader evenwel zo wel de Vader van Luter niet, als Jan Edeling +Vader is van zynen Zoon Hendrik; en waar was dan je hele Geloof gebleven? + +Dat je op je Kerk gestelt bent, eer heeft uw hart; dat's braaf! maar +hier, ik, zei de gek, ben ook op myn Kerk gestelt, en myn hart het ook +eer, zou ik denken. Wel zie, wy verschillen zo weinig in geloofsgronden, +wil ik spreken, dat het niet de pyne waart is, om er zo over aantegaan. +En waarom zouden onze jonge lui niet met malkander te Kerk kunnen gaan? +Hebben wy niet één Heer, één doop? Maar wat hagel hebben wy Leken met +hunne disputen en tandtrekken te doen? Zo dat tegen het Huwelyk heb ik +niet, indien er geen andre dan deeze geloofsverschillen mede gemoeit zyn. +Dat gy van 't Luters geloof zyt, is goed voor u; dat ik op zyn +Gereformeerts geloof, is ook goed voor my. Maar elk zyn vryheid: Gy zyt +immers geen Paus, al ben je Vader? Je kunt immers mis hebben? Of zyt gy +onfeilbaar? Hoe zit het? + +Kom aan, daar heb je nu Paulus, de Apostel Paulus, daar gy zo wel aan +gelooft als ik. Wel, die dagt mede al, dat hy 't byster wel hadt; en +dat onze lieve Heer magtig met zynen yver gedient was, dagt hy het +niet? Hoe! de man zeit het zelf; hoe kun je 't nader hebben? dat hy +daar zo liep razen en tieren door Damascus; en wat wil het geval? +Hy hadt het wel net mis! en de brave man heeft er altoos berouw van +gehad, toen hy beter wist. Ik heb voor dertig jaar myn Belydenis +gedaan, by onzen vromen _van der Vorm_, en ik hoop in dat geloof te +sterven; doch als ik eens mogt zien, dat andere Kristenen nader by +Gods woord blyven, fiat! dan moet ik dit licht volgen, en dat zou ik +ook gerust doen; want ik ben een eerlyk man. + +Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik het Huwlyk om die reden niet kan +afkeuren. Je moest nu evenwel je niet gaan zitten inbeelden, dat ik +met het kind zo goedkoop ben: alheel niet! maar uw Zoon is zulk een +braaf man, daar wil ik maar op komen. Neen, daar heeft zy Goddank te +veel gelds toe, en is zy van te braven familie, en 't is een mooije +Brunet ook, en ze speelt maar capitaal. Sara Burgerhart moet een zo +braaf man hebben als uw Hendrik, en zyne Ouders moeten haar met +achting en liefde in hunne familie nodigen. + +Nu, nu, 't zou geen onaartig klugtje wezen, met een Papa die zei: "zo +zal 't wezen, Dochter, want ik versta het zo." Neen man! myn Pupil is +een redelyk schepzel, en zo wil ik, dat zy zal behandelt worden. Daar +hadt men dan 't gooijen in de glazen met Papa Edeling, en myn arme +kind was aan de Joden overgelevert. Ik bedank je hartelyk, hoor. Zie +daar is myn antwoord. Ik blyve + + + Uw Dienstwillige Dienaar, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Bij ingeschoten. +[2] Vlugge. +[3] Onhebbelijk. + + + + +TACHTIGSTE BRIEF.--Sara blijft aan Anna schrijven, al zwijgt deze. +Sara blijft Sara; Jacob Brunier blijft vrijen zonder hoop; hij is +jaloersch op Edeling. Máár ... Sara _zelf voelt alleen voor zekeren +R_. Met hem gaat ze veel uit: hij is zoo knap, voornaam, ontwikkeld. +Wat zoekt die R? Háár? Maar zij wil nog geen man. Ze wil Anna dwingen +tot antwoorden en toont zich plaagziek grootmoedig. + + +EEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Hij heeft met Sara +gewandeld! Zij heeft hem niet af-, zelfs niet teruggewezen, maar _ook +niet beslist hoop gegeven_. Zij zegt niemand lief te hebben, maar wil +nog niet trouwen! Hij heeft moed. + + +TWEE EN TACHTIGSTE BRIEF.--Zuzanna aan Cornelia Slimpslamp. Zuzanna +zit in de war, want de vrome Stijntje Doorzicht heeft haar de les +gelezen, óók broeder Benjamin gelaakt. Wat moet ze nu? En Sara vraagt +haar goedje. Ach! + + +DRIE EN TACHTIGSTE BRIEF. Sara aan Anna: ze heeft een prettig avondje +gehad. Er is mooi gezongen. Hendrik _was er ook_; hij speelt mooi bas. +Cornelia Hartog _was opgewonden_! Alette Brunier was allerliefst; _net +een vrouw voor_ Willem! En Hendrik?... _net een man voor_ Spilgoed. +Zij is wat ouder, nu ja! + + +VIER EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier logeert op _Bosch en +Veldzicht_ en mist Sara. Ze heeft met genoegen Sara hooren spreken +over Edeling; ze verdienen elkaar! Sara wordt ook eens op 't buiten +verwacht. + + +VIJF EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta schrijft ook aan Spilgoed, zendt +haar vruchten. Ook zij wordt eens verwacht, met Sara. + + +ZES EN TACHTIGSTE BRIEF.--Eindelijk antwoordt Anna Willis: _zij bekent +schuld_; de Wed. Spilgoed verdient achting!--Ze wil weer vriendin zijn +met Sara! Een Geldersche dame heeft haar beter ingelicht: die dame +zal ook Sara bezoeken. + + +ZEVEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bedankt Aletta en haar +gastvrouw voor de vruchten. Sara verlangt naar Aletta, dus ze moet +maar gauw komen. + + + + +ACHT EN TACHTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER. + + +_Chere Letje!_ + +Wel kind, wat heb je me daar evenwel een lief en verstandig Briefje +geschreven! Kan ik het niet nog meer pryzen? want, al den lof, dien +ik u geef als eene puntige schryfster, kryg ik _immers_ met intrest +te rug? Van my hebt gy _immers_ alles geleert; zeide gy zo niet, +Hartje lief? + +Belieft myne Letje nu wel eens geheel aandagt, ja maar ook geheel +onderworpen te zyn? Och, ik heb myn woord gegeven! Zulk een aandrang +kon myn arm zwak hart niet weêrstaan! Gy weet, wat ik u geconfideert +heb? Gy kent myne achting voor den Heer Edeling. Gy weet, (of mooglyk +weet gy 't niet; _want weet ik juist zo de geheime historie van uw +hart_!) dat achting natuurlyker wyze in vriendschap, en vriendschap +heel gemaklyk in liefde kan overgaan? Hier uit zult gy kunnen opmaken, +dat het my onmooglyk was, onze Lotje een verzoekje te weigeren. "Daar +heb ik u schoon beet," zeit myn Voogd; en dan lacht de goede man, dat +hy schatert: Nu iets ernstigers! + +Gister voormiddag ging myne aangenomen Dochter[1] met de kousjes, die +ik onze Klaartje had laten wasschen en opstryken, naar Oom Dirk. +'s Middags niet te huis; dat's een goed teken, zei ik. Ten zeven uuren +werdt de sloof met een sleedje t'huis gebragt: zy kwam blymoedig de +zaal op. Naauwelyks hadt zy ons gegroet, of aan 't uithalen van haar +zakken. Oud en nieuw kwam te voorschyn: Chocolaadjes, Ulefeltjes, +Banket, twee grote kluwens fyne wol, om voor Oom koussen te breyen, +een pakje wol, dikke breinaalden, een doosje met wissewasjes. Zy +presenteerde ons van de snoepery: wy namen elk een Chocolaadje, maar +de Scavante bedankte met een hele viese tronie: "Ik proef nooit zulk +goed." Lotje was zo raar, en hadt zulke klugtige zetten, dat Hartog +zelf lachen moest. + +Waarlyk, Lief, ik geloof dat zy meer is uitgebluscht, of overdrommelt, +dan wel dat zy van de Natuur zo geheel misdeelt is. Ziet gy wel, dat +ik veel edelmoediger ben, dan de meeste Doctoren, die de ziektens +hunner Lyders vergroten, om des te meer wonderen in het herstellen aan +den dag te brengen? Och, zo dra zy myne Patiente geworden is, heb ik +gezien, dat zy minder ver verzeilt was, dan ik gevreest had. Zy +verhaalde ons, dat zy uitnement vriendlyk was ontfangen; en dat zy de +vryheid had, om een taffen Sak te kopen, doch dat zy eene der +Juffrouwen zou verzoeken, om met haar te gaan. Zy hadt ook haar +speldegeld, en nog twee ducaten extra gekregen; nu vroeg zy my, of ik +de taf wilde kopen? dat ik met een, gaarn lieve Lotje, beantwoordde. +Toen zy met my, (want zy slaapt nu in myn Pavillioen, en ik slaap in +het uwe, tot gy weer t'huis zyt,) boven was, gaf zy my de twee +ducaten, die zy geleent hadt; ik nam die ook, doch alleen om haar eens +weer te helpen, want ik vrees, dat de duiten spoedig zullen wandelen. +Kon ik haar dat óók beduiden! Nu, alles met den tyd; ik moet niet te +veel gelyk doen. Myn Compliment aan Mevrouw uwe Tante. Hou uw Neef +maar; ik weet met al myn Vryers haast geen weg meer; voor al kom +spoedig by + + _Uwe tederliefhebbende_ + + BURGERHART. + + +Noot: + +[1] Lotje Rien du Tout, (spottend). + + + + +NEGEN EN TACHTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Willis!_ + +Victorie! Victorie! myne Vriendin is te regt. Ik heb haar weergevonden! +Frits, loop, draaf, vlieg met dit Paket ten eersten naar den Post: +--zo zal ik binnen weinig oogenblikken zeggen; Want ik sta zo met myn +handschoenen al aan, om met Lotje uittelopen. Kortjes dan. Lees de +nevensgaande een, twee, drie, vier Brieven, en oordeel, of ik misnoegt +op u ben; dit alleen nog: de waarde Dame weet niets, haar betreffende. +Ergo, zwygen is 't woord. Met ons zal 't wel schikken: hoe zeit Vader +Kats? + + _Alschoon goê Vrienden kyven_, + _Zy zullen Vrienden blyven_. + +Adieu, lieve Willis! Omhels uwe dierbare Moeder voor my, groet myn +Wimpje, en weet, dat gy geacht en bemint wordt door + + + SARA BURGERHART. + + + + + +NEGENTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER. + + +_Chere Letje!_ + +Hoe vaart gy, myne Liefde? Hoe diverteert gy u? Denkt gy wel eens aan +uwe Vriendin? Terwyl gy my deeze drie, diepen-aandagt eischende vragen, +op uw gemak oplost, of beantwoordt, zal ik, _pour passer le temps_, u +dit volgende schryven. "Dit volgende, zegt gy, wat "volgende?"--Bemoei +u met de oplossing uwer eige vragen (of myner vragen aan u, zo ge wilt,) +ik blief van u, Mejuffrouw, zo niet _ge-Harlogt_ te worden; en, in alle +geval, gy zult het, dit volgende, immers aanstonds lezen? + +Wel, 't is of Heintje Pik, niet Heintje Edeling, dat is nog zo ver +niet--Heintje, neen, deftig, zo als de hele man zelf is, myn Heer +Edeling--of Heintje er meê speelt; want geen half quartier uurs was +ik, met myne Dochter Lotje, by de Desmoisselles geweest, om een Sak +voor haar te kopen, of de Heer R. kwam in. _Mon homme_ was opgetogen +over deeze _heureuse rencontre_! Hy praat, weet gy, aangenaam genoeg; +en hy vroeg spoedig naar _mon Amie_, die hy noemde, _une charmante +Dame_. Dat's voor uw rekening, Letje. + +Vriendelyke verzoeken, om, zo ik niets verzuimde, nog wat te vertoeven, +aanhouding van myne Dochter, om nog wat te blyven, wyl zy zich niet +kon verzadigen in het kyken en gluren naar kistjes en doosjes, en +kassen, vol heerlyke Beuzelingen: alles werdt bekeken, geadmireert; met +één woord, verbeeldt u een klein meisje, dat met Moeder voor 't eerst +eens voor een poppenkraam, of daar men speelgoed verkoopt, gebragt wordt; +dat zyn oogjes wyd open doet, beide de vuistjes uitsteekt, en roept en +kraait, en hippelt, en alles wil hebben; dan hebt gy een natuurlyk +afbeeldzel van Lotje. De Heer R. deedt haar een fraaije snuifdoos +present: ik excuseerde my, met te zeggen: "dat ik niet snoof, en nimmer +presenten aannam." Lotje is somwylen nog slim óók; zy hieldt zich, als +of zy dit laatste niet hoorde; en nu is zy zo wys met die doos, dat het +zo niet te zeggen is. Alle oogenblikken wordt hy uit het papier genomen, +bekeken, met een slip van een zakdoek gevreven, en, met de beminlykste +vergenoeging op haar goedaartig grof gelaat, beschouwt! Het spyt my, dat +Oom Dirks koussen nog niet verder zyn dan het boortje: nu, 't zal wel wat +bedaren, en anders moet ik er my meê moeijen. + +Wy dronken Thee: de Heer R. en de Desmoiselles spraken van zeker Boek +van _Bitanbé_, genaamt _Jozef_, als van een der fraaiste werken, die +onlangs in 't licht gekomen waren. Hy haalde er eenige treffende +passages van aan. Dit wekte myne nieuwsgierigheid op, om het te zien: +Ik schreef de titel, om het, zo rasch ik t'huis kwam, te laten halen. +Hy merkte dit, en haalde een, in marrokein gebonden, Exemplaar, uit +zyn zak, dat hy my presenteerde: hy hadt het zo van den Binder in +passant meêgenomen. Ik vond dit wel beleeft, en oordeelde, dat het +zeer gemaakt in my zyn zoude, iets aftewyzen, waar naar ik verlangde, +en dat my zo heusch gepresenteert werdt. Ik boog en zei, dat ik het +met veel vermaak zoude lezen. Hierop stak hy het in zyn zak, zeggende: +"ik zal de eer hebben om de Dames t'huis te brengen, en dan het Boek +overgeven." Liefst had ik dit niet; maar, dewyl ik geen reden daar van +kon geven, moest ik dit zo laten doorgaan. + +Hy bragt ons t'huis, niet langs den kortsten weg: wy ontmoetten den +deftigen Edeling, die ons beleeft groette, en, horende, dat wy naar +huis gingen, ons derwaards verzelde. Zo kwamen wy dan daar aan, en +traden in de zydkamer, alwaar onze waarde Vriendin met Juffrouw Hartog +alleen zat. De laatste las, de eerste naaide, en ik geloof, dat er +niet veel woorden gewisselt waren. Hartog scheen zeer bekent met den +Heer R.; er was eene drukte nog eens zo! allemaal over onze eerste +lui, onze _Patricii_; (verstaat gy dit woord, Letje? anders zal ik het +wel eens uitleggen;) over de laatste Assemblée; over een gevalletje +aan de speeltafel met de Gravin X.; over les Belles Lettres; over +Voltaire, d'Alembert, des Clairauts, en nog wie weet waar al meer van. + +De Heer Edeling sprak nu en dan ook een woord, doch de Sçavante hadt +er geen attentie voor; en de Heer R. was te beschaaft, om haar +voorbeeld niet te volgen: hy hadt het des met haar heel druk. Onderwyl +verhaalde ik stilletjes aan onze lieve Mama, dat R. zo een fraai Boek +voor ons meêgebragt hadt; haar hetzelve noemende. "Ik wou, zei ik, dat +die babbelparty ophieldt, en dat ik het Boek maar had: 't is zo fraai! +Kom, zei Lotje, ik zal je wel helpen: ik heb dat Boek ook van Josep; +'t is heel mooi, en ik lees er veel in, als ik naar bed ga." (Hier +volgt de dialoge; ik agter de stoel van de waarde vrouw, wat over haar +heen ziende, Lotje tegen de Commode staande. Edeling zei, dat wy een +fraai groupje maakten; en kon zyn oogen, schynt het, nergens anders +werk geven.) + +_Ik_. Wat zegt gy, Lotje, hebt gy dat boek? en hebt gy er ons niets +van gezegt? foei, dat's geniepig. + +_Lotje_. Ik dagt, dat het oud vuil was by de Juffrouwen; want ik heb +het al wat[1] gehad; och Heer, anders was 't wel tot uw dienst. + +[_Juffrouw Buigzaam en ik keeken elkander aan, of wy zeggen wilden: +hoe! heeft Lotje dat Boek van Bitaubé_?"] + +_Juffrouw Buigzaam_. En wie is de Auteur, Juffrouw Lotje? + +_Lotje_. Ja, dat weet ik niet; maar het is wel het zelfde Boek van +Josep, en het is heel mooi; maar ik word nooit gelooft, en daarom zwyg +ik dikwyls. + +_Ik_. Lieve Lotje, ik bid u, haal het Boek, op dat Juffrouw Buigzaam +het aanstonds zie. En nu geef ik u, myn lieve Letje, eens in ernstig +en gemoedelyk overwegen, met welk een Boek het goeje schaap afkwam! +Doch, al hadt gy al de wysheid der Egiptische Tovenaren, die van de +Endorsche[2] Kol, die van Lodippe[3], [ons door Vader Kats zoo aartig +beschreven;] ja al hadt gy de kaart leren leggen by den Drommel op +Marken; al waart gy eene Hartog, in het oplossen van Meet- en +Stelkundige Voorstellen, gy zoudt het nog niet raden; hoor dan den +titel: "_Josephs_ Drouv, end Bli eindend Spel, niet min stichtelick, +als droev en vermakelick, om te lezen: in dry bisondere spelen vervat, +door _A.C. Crous_. Gedrukt te Groningen, 1721." NB. Op den regel: + + _All schoon de Nijd met Pylen schiet_, + _God 't all ten best te schikken wiet_. + +Het eerste _Diel_ heeft zesentwintig Personen en vyf Choren: met dit +à gouverno: [_men kan het Toneel plaatsen waar men wil, vermits men +doorgaans geen vaste plaats heeft_.] Het Boek zelf is gedrukt met +eenen zwarten, stichtelyken, regtzinnigen Predikatie-Letter. + +Wy zagen elkander aan, doch zwegen om het ander gezelschap. Onderwyl +viel myn oog op een passage, daar Josep Fransch spreekt, zeggende: +_Bonjour, Mevrouw Potifars_; en op nog een, daar Potifar tegen zynen +Hansworst zegt: _halt mi den smaul_. Toen barste ik in lachen uit, en +de goede Vrouw, die ik dit influisterde, lachte zo hartlyk, als ik nog +nooit hoorde. + +Dit trok den aandagt der overigen; Juffrouw Hartog moest lyden, dat +beide de Heren, schoon zy nog niet wisten waarom, mede lachten. + +_De Heer R_. Een nieuw amusant Werkje, Mevrouw Buigzaam? + +_Juffrouw Buigzaam_. Niet heel nieuw, maar echter ongemeen genoeg; +de _Historie van Josep, door eenen Crous_, dat stout meisje, _op my +wyzende_, heeft altoos wat potzigs. Dit deedt de lieve Vrouw, om Lotje +te sparen; maar het ging Lotjes kroon te na, schynt het; want zy zei +heel deftig: "Pardonneer my! 't Is myn Boek, en Juffrouw Burgerhart +heeft het nooit gezien." Ik gaf het aan Edeling, die wel dra ook +passages vondt, welke hem deden lachen; zo ook de Heer R., die het een +meesterstuk in zyn soort noemde, en een rol heel eigenaartig van _Mus_ +[de Gek van Joseps historie,] oplas. Enfin, Letje, wy bleven zo al +praten van 't een op 't ander; en Saartje gaf het hare in de algemene +Conversatie-uitgift, _comme il faut_. Uw Broêr kwam in; bragt een +Brief voor u, en bleef ook zitten. Eindlyk hoorden de Heren, dat Frits +de tafel dekte; zy stonden op, en marsch gingen de Leijonkers[4]. + +Is die Heer R., vroeg ik aan onze Vriendin, niet een beschaaft geestig +man? + +_Juffrouw Buigzaam_. Dat erken ik; maar, myn lieve Saartje hoe komt +het doch, dat hy my niet gevalt? ik begryp dat niet! + +_Ik_. En ik begryp het wel. De Heer Edeling is zo zeer uw gunsteling, +dat er voor geen ander bytekomen is. + +_Juffrouw Buigzaam_. Zou dat wel zo zyn? Waarom vind ik dan Brunier +niet alleen niet minder, maar beter dan voorheen? + +_Ik_. Juist, om dat uw gunsteling hem tot een beter mensch maakt; +'t is zyn werk: ergo! maar zeker, hebt gy iets tegen den Heer R. + +_Juffrouw Buigzaam_. Ja, Saartje lief, ik heb iets tegen dien man; +wat, weet ik zelf niet. + +_Ik_. Zyt gy nu wel rechtvaardig en menschlievent? + +_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt recht om my dit te vragen; want, waarlyk, +myne gewaarwording is zo duister! Ik beken, dat het een opvatting zyn +kan. Hy heeft ook al vry veel met u, aan 't vengster staande, +gesproken, en ook zeer zagt. + +_Ik_. Och, 't gewone praatje: _que vous etes belle! que je vous +adore_! en zo, wat er meer volgt. + +_Juffrouw Buigzaam_. Engel van een Meisje! zie wel toe. Hy is een man +van hoge geboorte, en heeft schatten: Laat hy u niet wat wys maken +[_Ik werd root_.] Gy wordt root, myne Liefde! + +_Ik_. Dat is ook zo; wat kan ik het helpen, dat er zulke knapen zyn, +die ons meisjes wat wysmaken? ô, Ik zie dat gy my niet kent! Denkt gy, +dat ik zulke snappers de eer aandoe, om immer in 't geheugen te +houden, wat zy my voorgonzen? + +_Juffrouw Buigzaam_. De Heer Edeling is een geheel ander man, en die +bemint u waarlyk. + +_Ik_. Beide stem ik toe; maar hoe veel achting ik ook heb voor dien +braven man, ik bemin hem niet; ik bemin geen man op de hele Waereld +dan myn Voogd: Nu, hy zal ook fraaije manchetten hebben. + +_Juffrouw Buigzaam_. Wilt gy niet eens ernstig zyn? + +_Ik_. Geheel ernst, geheel aandagt, geheel--al wat gy maar wilt. +(_Ik kuschte hare hand_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy den Heer Edeling afgewezen? + +_Ik_. Wel, niet anders dan ik u gezegt heb: maar, als de man nu op +hoop tegen hoop aan wil boegzeeren, kan ik dat beletten? + +_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy iets tegen den waardigen man? ei lieve, +zeg het my eens! + +_Ik_. Wel, zo veel zelf niet als er op de punt van een pennemes zou +kunnen liggen; maar beminnen? ô _point! point_. Ik leef hier al te +gelukkig; ik blyf by u, zo lang ik leef. + +_Juffrouw Buigzaam_. Zal de Heer Edeling u dan ongelukkig maken? + +_Ik_. Niet, ten zy ik het er naar maakte. Hoor, de Heer Edeling is in +myn oogen zulk een agtingwaardig man, dat ik hem eigentlyk niet zou +kunnen of durven beminnen: op myn woord (ik schaam het my ook haast +aan u te zeggen,) ik heb meer eerbied voor hem, dan voor myn +goedaartigen Voogd. + +_Juffrouw Buigzaam_. Hoe is dat mooglyk? Wel, me dunkt, de Heer +Edeling is een recht beminlyk man; zyn ernstig gelaat heldert gedurig +op door een zagten glimlach; en wie, denkt gy, vindt zo veel smaak in +uw vernuft? + +_Ik_. Vlei my niet! Ik ben geen vrouw voor zo een man. Zie, als ik nu +eens getrouwt was, zou ik myn man zo liefhebben, geloof ik, dat ik, +buiten hem te kwellen, en te liefkozen, niet zou kunnen leven; en op +beide zou zo een deftig man weinig gestelt zyn. Hy zou my voor een +dartel wyfje, en ik hem voor een regten Joris steiloor aanzien. ô Dat +zou een pret zyn om dol te worden! Neen: Laat hy u nemen, dan zult gy +beide even gelukkig zyn, en laat my, zonder met Cupido in eenig +verschil te raken, myn _Wegje_ (zeit Tante) zoetzappigjes af kuiëren. + +_Juffrouw Buigzaam_. Weet gy wat, Liefde? zo ik de jaren van u had, en +de Heer Hendrik beminde my, zo als hy u bemint, geloof my, dat ik hem +nemen zou. + +_Ik_. Gy zoudt niet, dan op ééne voorwaarde. + +_Juffrouw Buigzaam_. En welke voorwaarde? + +_Ik_. Dat gy, by myne jaren en zyne liefde, die wysheid bezat, die gy +nu hebt; anders zoudt gy 't niet een zier beter maken, dan ik nu. + +_Juffrouw Buigzaam_. Vindt gy ook meer behagen in den Heer R., genomen +dat hy u insgelyks beminde? + +_Ik_. Dat kan ik ook nog al zo niet zeggen: maar ik heb geen reden, +dunkt my, om met een van beide iets optehebben, om dat ik geen oogmerk +heb om van hunne overtollige beleeftheid immer gebruik te maken. De +Heer R. handelt my met eene achting, en tevens op zulk eene verpligtende +wys, dat ik, ten zy gy er iets wettigs tegen hebt, my ook geëngageert +heb, om morgen een nieuw stuk te zien spelen: hy heeft u insgelyks +verzogt, maar ik heb gezegt, dat ik niet geloofde, dat gy meê gaan zoudt. + +_Juffrouw Buigzaam_. Wel, ik weet het niet, zou ik eens van de Party +zyn? ik heb opinie, dat dit stuk schoon is: als ik redelyk wel ben, +zal ik meê gaan. + +_Ik_. O, wat zyt gy eene verpligtende Vriendin! + +_Juffrouw Buigzaam_. Myne liefde voor u doet my veel doen. + +Zeg vry myne _zorg_, viel ik haar in, haar met eerbied omhelzende, en +een kusch gevende. + +Zie daar, Letje lief, dit moest ik u schryven. Nu heb ik geen +oogenblik tyd meer. Ik moet my nog opdrillen; Blondel staat reeds naar +my te wagten, om my te kappen. Duizend groeten van + + Uwe eigene + + SAARTJE. + + +Noten: + +[1] Een poos. +[2] I Sam. XXVIII, 7. +[3] Aspasia en elders. +[4] Begeleiders. + + + + +EEN EN NEGENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER R. AAN DEN HEER G. + + +_Vriend Jan!_ + +Hoe dikwyls, dou lompen Kaerel, zal ik u dan moeten zeggen, dat my +alles verveelt, en gy met uwe weêrgaze aapenkuren, kwakzalvers +loopjes, en zotte uitnodiging, met een paar onzer Lievertjes, nog wel +het allermeest? Wat kan ik, arme duivel, doen; waarom denken, dan aan +de bevalligste meid, die ooit met een paar schone oogen de halve +waereld in oproer stelde?--Gek, ja, stapel zot ben ik na haar; en ik +moet myn rol van Huichelaar spelen, om haar ooit zo naby te komen, dat +ik haar kan inluisteren: _ik bemin u_. Vrouwen, Vrouwen! Wat staat er +niet voor uwe rekening! Nu, wy zullen afrekenen, myn trotsch Meisje! +dat: "ik snuif niet; ik neem nooit geen presenten aan:" zult gy my +betalen. Dit is de eerste oorvyg, welke myne eigenliefde, die waarlyk +tegen de uwe wel opmag, nog ooit van eene schone hand ontfing. En ben +ik niet een schone vent? Kan ik niet beuzelen met de zottinnetjes? +redeneeren met de wysneusjes? Erger ik ooit een Vrouw, die achting +verdient, door het allerminste dubbelzinnig woord? Sloeg ik ooit taal +uit, die _blozen doet_; (ook maar uit welstaans halve?) Er moet een +eind aan komen: zó leef ik eigenlyk niet. Maar welk een einde? Vraagt +gy dat, Ligtmis? Ik een man van geboorte, van middelen; zy een +Burgermeisje, met een stuiver goed? Gy zyt een driedubbelde Uilskop; +of gy wilt my aan 't praten krygen. Trouwen? Zyt gy dan razent dol? Ik +zal, denk ik, tot zulk een disperaat uiterste nooit komen. _Vryheid is +de prikkel der liefde_: dit weet gy is myne spreuk. Als myne Maitres +zal zy _Sultane Favorite_ zyn; maar myn Wyf! Wel foei! Zie daar, dat +was al reden genoeg, by _un homme de mon goût_, om haar ondraaglyk te +vinden. Trouw gy haar over een maand of vier. Zo lang, dunkt my, zal +ik haar beminnen kunnen, en gy zult myne genietingen nieuw leven +byzetten, door my die dan wat moeilyk te maken. Gy weet wèl, "dat een +Ligtmis geen recht heeft op eene eerlyke Vrouw?" + +Nu, gy hebt haar eens gezien; maar ik verdelg u van den aardbodem, zo +gy haar in 't eerste half jaar weêr ziet. ô Liefde, liefde! maar welk +een deugeniet ik ook omtrent de Vrouwen ben, ik zal myne drift, die +alleen op myn eigen vermaak uitloopt, met uw gewyden naam niet +opkwikken! Zotte vooroordelen! Krassen in de Lei door een bigotten +Praeceptor daar in gekraaut, anders niet. Hoe zeit myne Hartog: _geluk +is deugd_. Wel zie, Jan, was zy zó lelyk niet, ik gaf haar nog de een +of andere keer een kusch voor dit Zedekundig regeltje. Laten wy toch +ons Ongeloof als helden beleven, en den Duivel niet voor niets dienen. + +Nu, myne koets staat gereet; ik ga haar halen: de Dame, daar zy by +logeert, heb ik ook door haar verzogt. ô Ik weet wél, dat die niet +uitgaat op zulke partytjes! En de malle meid, die er by was, ook! nu +dat bruit nog wat heen. Ik weet al, hoe ik met haar moet omgaan. Zy +zal bukken voor my, dien zy niet vreest. Mooglyk vorder ik in deeze +laatste vyf uuren reeds merkelyk. + + _Tien uuren, des avonds_. + +Ik ben woedent, ik zoek met de hele waereld rusie; ik raas op Philips, +of ik dronken ben; en zou u zeer graag by my hebben, om u helder +afterossen. ô Gy verachtelyke slaaf myner vermaken! die, om een fraai +kleed, en een goeden maaltyd voor my kruipt. Wat is er nu weêr te +doen? vraagt gy, met het air van een berooiden verkwister: zwyg, en +luister. + +Geheel opgetogen reed ik na haar toe; werd zeer beleeft door de Weduwe +in de zydkamer begroet; zy zeide my: "dat zy van myne beleeftheid +gebruik zoude maken, dewyl zy meende, dat het Treurspel voortreffelyk +zyn zoude; de Lectuur daar van hadt haar zeer voldaan." Hier jy, +Rembrant, grote afbeelder van ons door driften bezielt gelaat! +Schilder my op dat tempo. Myn bloed steeg my naar 't hoofd; ik had +trekkingen op myne harssens. Zulk een schok ... zulk eene teleurstelling +... Zy merkte het niet; 't was alles als een blixemstraal. Ik herstelde +my zo voort: en, myne hand even aan myne lippen brengende, boog ik +eerbiedig, haar bedankende voor de eere my aangedaan. En zie daar! daar +kwam de eige Zuster der drie Gratiën, geheel vrolyk, geheel leven, geheel +ziel, keurlyk gekapt, en op eene edele wys eenvoudig gekleet, aanzweven. +Ik hielp de Dames in de koets; en, toen ik er by was, sprong haar knegt +by den mynen agteröp. Myne Loge alleen was nog ledig; alle oogen waren +op ons. De Weduwe is niet jong meer, maar waarlyk nog eene zeer schone +Vrouw. Myn Wicht? Nu, gy hebt haar gezien? En de malle meid is ook niet +lelyk. + +De drommel, Jan, wat moest ik op myn hoede zyn! De Weduwe ... ik weet +het niet, maar my dogt, dat zy, ongemerkt kwasie, alle myne bewegingen +gadesloeg. Ik durfde waaragtig geen eene dier kunstjes gebruiken, die +wy altoos eerst te werk stellen, om eens hoogte te nemen. Er was niet +op, als met deeze slegte kaart zo goed te spelen als ik kon; en hou my +voor een domkop, zo ik de Weduwe, indien die al een galg in 't oog +mogt hebben, niet bedrogen heb. Ik sprak meest met haar, en zo gelyk +ik altoos tegen fatsoenlyke Vrouwen spreek. Wy reden met myn koets +terug, en de Bevalligheid uit de koets helpende, drukte ik hare hand, +doch ik kreeg geen antwoord. Is dat te verdragen? Ik nam beleeft, en +in de zydkamer, afscheid, ootmoedig biddende, om de eer te mogen +hebben, van de Dames myn compliment te komen maken. Kent gy Hein +Edeling? Maar waar zou zulk een Jakhals, als gy, zo een styven Jorden +als hy (die echter een eerlyk man is, hoor ik,) toch ooit gezien +hebben? Hy schynt een vriend der Weduwe te zyn.... Zwyg, zeg ik u; +ik wil er niet van horen! Laat hy 't hart hebben! Maar geen nood, al +stondt Belzebub zelf naar haar Huwlyk, die duizend-kunstenaar zou my +haar niet ontnemen. Ik heb moed, Jan. En wat nu? Ik moet haar alleen +zien te krygen! Kan ik echter voor nog eene teleurstelling my +beveiligen? _Fortuin helpt den stouten_. Daar zyn weer tien ducaten, +Rekel. Kom morgen ogtend hier, zo rasch als gy deezen gelezen hebt, +en breng hem met u, of ik laat u aan u zelf over. + + R. + + + + + +TWEE EN NEGENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Myne Waardste!_ + +Ik ben tweemaal vergeefsch aan uw huis geweest. Eens waart gy met den +Heer R. naar de Comedie, en nu zeide Frits, hadt hy u en de waardige +Vrouw naar de Fransche Kerk gebragt. Hoe smart my deeze te leurstelling. +Ik moet, voor ettelyke dagen, om zaken van veel aangelegenheid van huis; +en hoe vurig verlangde ik, om in persoon afscheid te nemen van u, die +ik teder en met de grootste achting bemin; van u, die my eene my dus +lange onbekende neiging hebt ingeboezemt! Ik moet vertrekken, de paarden +worden reeds gezadelt. ô Mogt ik durven hopen op de gunst van haar, die +my dierbaarder is dan myn leven! Indien ik niet voorzag, dat wy beide +gelukkig zouden zyn, ik zou u niet lastig vallen met myne bezoeken. +Maar, helaas! ik vrees, dat ik de man uwer verkiezing niet ben!--niet +worden kan: evenwel gy verëert my met uwe achting; gy noemt my uw +vriend. Hemel! + +Wie u ook van zyne liefde moge verzekeren, en welk een brillant lot +men u moge aanbieden, uw Edeling bemint u meer, dan iemand u kan +beminnen. Ik ken uwe waarde, uw bevallig beeld zweeft my altoos voor +den geest. Wat zal myn leven, wat zullen myne goederen zyn, zonder u, +ô myne zielsbeminde? Ik zal hopen! Uw hart is immers nog vry? Zult gy +my niet verachten, als ik u zeg, dat ik den Heer R. niet meer dulden +kan? Maar eene liefde, als de myne, is zo teder als oprecht; en hoe +kan ik het denkbeeld dragen, dat hy uwe hand vat! Maar gy kent de +liefde niet.... Ik zal des niet langer _non sense_ schryven. Groet +de uitmuntende Vrouw, en geloof, dat ik met de grootste achting en +hartroerentste genegenheid ben + + + _Uwen_ + + HENDRIK EDELING. + + + + +DRIE EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier komt door H. Edeling op den +goeden weg en bericht dat aan zijn zuster Aletta. + + +VIER EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog aan Wilhelmina van +Kwastama: zij is tot de ontdekking gekomen dat Edeling niet om háár +maar om Sara komt. _O, ze haat_ Sara! _ze verfoeit_ Edeling. + + +VIJF EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp aan Zuzanna Hofland: +die Stijntje deugt niet; _dat mensch is zelfs goed voor roomschen_! +Foei! En wat Saartje betreft: _doe een valschen eed_, dat haar moeder +je het geld beloofd heeft tot aan Sara's huwelijk. Wil je dat niet, +loop dan rond! + + +ZES EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling: zij +wantrouwt R., maar heeft geen bewijzen; hij deed fatsoenlijk. +--Onverschillig is Edeling Sara niet, _want zij herleest zijn +brieven_! Vindt zich zelf voor zoo'n waardig man ongeschikt; dat is +de zaak. + + +ZEVEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Smit is heel ernstig verliefd op Anna +Willis; hij vlast op een beroep naar een dorp bij Amsterdam, en droomt +zich veel zaligheid. + + +ACHT EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Anna Willis aan Sara: zij verheft haar. +Haar _Smit_ prijst Saar ook, eveneens wed. Spilgoed, die als Sara's +moeder is. _Edeling_ is een beste jongen. Zij wenscht hem Sara toe. +Anna bemint haar Smit zeer en hoopt Sara's trouwe vriendin te blijven. + + + + +NEGEN EN NEGENTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Naatje!_ + +Hebt gy waarlyk uw woord gegeven? Dan patientie! Anders, binnen een +jaar aanvaarde _ik_ de waardigheid van _Zuster Collega_. Uw Smit! wel, +ik ben maar weinig minder verlieft op hem, dan op mynen Voogd zelf; en +zo is ook myne Minerva. Wel, Willis, 't is waarlyk al te véél voor u. +"Hou er u maar nederigjes onder;" zou tante zeggen. Nu in ernst: +geluk, duizend maal geluk met deezen lieven, deezen achtingwaardigen +man. Zo gy nu ooit weêr donker kykt, zal ik u waarlyk moeten kloppen. +Myn Cootje is nu in staat, om tamelyk gezont te redeneren over +dagelyksche voorvallen; en ik merk, dat, als hy met een ander praat +dan met my, hy zeker nog al verdient, dat men hem antwoordt. Juffrouw +Buigzaam heeft veel met den aanstaanden Eerwaardigen gesproken. Ik was +geheel gehoor, en myne Dochter insgelyks. + +'t Spyt my, dat Letje nog niet t'huis is: dat zou net haar smaak +geweest zyn. Luister eens, Naatje; hoewel ik het niet uit dankbaarheid +doe aan de Godin der Liefde, (verstaat gy dat, kind?) zo heb ik een +groot vermaak in Huwlyks-Alliantiën uit te vinden. Wat dunkt u, dat +Willem om Letje kwam, dan hadt hy zeker een Engel van een Vrouw, en zo +een verdient hy.--Letje was ook in veiligheid. Eéne bedenking is er +maar! Ik weet niet, of myne Letjes hartje wel zó vry is, als dat van +Juffrouw _Albedil Burgerhart_. + +"En was ik niet zeer opgeruimt? en zei de Eerwaardige dit?" Verbaast +nog toe! Ik weet echter niet, dat ik my ergens over benaauwt voel: zo +dat, weest gerust; maar ik heb ook zo myne denkende buitjes; en om dat +die my zo eigen niet zyn, als zy mooglyk u zyn, valt dat zo aanstonds +in 't oog. + +Edeling is uit de stad. Myn Voogd, merk ik, zou my graag met hem +getrouwt zien; en myne Mama Buigzaam meent, dat zyn voorstel myne +ernstige overweging verdient, en hoopt, dat ik, ten zynen opzichte, +een gunstig besluit nemen zal. Myn hart slaapt nog in rozen; meer kan +ik u niet zeggen. + +Of ik my ooit het Huislyk leven in zulk een zagt licht heb voorgestelt, +als Smit het u afmaalt? Nooit anders! Ik was, schoon een kind, getuige +van Huisselyk geluk, in myne altoos dierbare Ouders. Dáár zit het my +niet, Naatje. Ik heb, tot nog, geen bepaalde uitsluitende genegenheid +voor iemand; en niets zal my dezen gewigtigen staat doen aanvaarden, +dan een man, die myne liefde en achting beide waardig is. Zo dra ik den +Heer Edeling, (niemand komt buiten hem in eenige aanmerking,) zo veel +liefde als achting kan toedragen, zullen alle mindere zwarigheden my +niet beletten, om den raad myner Vrienden te volgen. + +De Heeren R. en Brunier zyn reeds in de zyd-kamer, om met Lotje en my +eens eene schone wandeling te nemen. Ik moet my eens vertreden, dunkt +my; ik ben echter zeer wel. Heb ik u al gezegt, dat Edeling uit de +stad is? Tot weêrziens! Groet uwen lieven aanstaanden Dominé, kusch +uwe Moeder, (hem ook maar,) voor + + SAARTJE BURGERHART. + + + + +HONDERDSTE BRIEF.--Papa Edeling aan zijn zoon Cornelis: hij wou +eigenlijk diens raad als advokaat eens inroepen--Cornelis is n.l. +gepromoveerd!--_Wat tegen_ Hendrik _te doen_? Hemelsche goedheid: die +jongen houdt maar vol!--Hij heeft Sara gezien met R; "neen, meisje, +jij lijkt me niet! ik bedank je hartelijk!" _Nooit_! + + + + +HONDERD-EERSTE BRIEF. + +DE HEER CORNELIS EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING. + + +_Myn Heer, hooggeachte Vader!_ + +Hartlyk dank ik u voor den Wissel; waarop my reeds betaling geschiet +is. Ik hoop, dat ik u reden tot vergenoeging geven zal: ook omtrent de +sommen, my van tyd tot tyd verstrekt. Gy hebt my in staat gestelt, om +als een fatsoenlyk Student en Candidaat te leven. Ik heb zeker geld +verteert, doch my aan geenerlei lichtmisseryen, of aan grof spel te +buiten gegaan: maar ik weet, waarde Vader, dat gy op dit point de +edelmoedigheid zelf zyt. + +Hoe leet is 't my te horen, dat gy op myn Broeder zo te onvreden zyt! +Ik weet wel, dat gy, en vooral van uwe Zoons, geen tegenspreken dulden +kunt; vergeef my deeze uitdrukking; maar, dewyl gy u wel wilt +vernederen, om myne gedagten te vragen, zal ik u die rondborstig en +in gemoede zeggen. Neen, gy kunt uw Zoon, die meerderjarig is, niet +beletten een meisje te trouwen, waar tegen gy niets, met eenige +zekerheid, hebt intebrengen, dan dat zy van de publycque Kerk is. +Onderneemt gy zulks, dan kan Hendrik u voor den Rechter roepen, en +zyt verzekert, dat hy daar de vryheid zal krygen, om haar te trouwen. + +Ken ik echter myn weldenkenden Broeder, ken ik den eerbied en de +liefde, die hy voor zynen braven Vader heeft; dan zal hy tot dit +heftig middel zyn toevlugt niet, dan daar toe gedrongen, nemen. + +Laat het my eenmaal vrystaan, myn geëerde Vader! u te vragen, of uw +mishagen in deeze jonge Dame gegront is. Hebt gy iets tegen hare +Familie, of tegen haar zedelyk karakter? Ik vertrouw, neen; myn +Broeder heeft die jaren en die bedagtzaamheid, die hem in staat +stellen, om eene goede keuze te doen. Nimmer heeft hy, in het +onërvarenste zyner jeugd, reden gegeven, om hem van de minste +losbandigheid te verdenken; en zou hy nu, nu hy dien tyd agter zich +heeft, zich zo verre vergeten, dat hy een meisje beminde, en wel met +het zuiver oogmerk, om haar te trouwen, die zyn verstand en hart beide +tot onëer strekte? Nimmer geloof ik dit. Mag ik u des bidden, maak +hem niet ongelukkig; spaar u zelf nodeloos en u zo nadelig verdriet: +Besluit er toe! Laat uw ouderdom in ruste en vrede ongestoort +voortglyden. Mag ik u ook herinneren, dat Hendrik van een eens wél +en dóórdagt besluit niet ligt is aftebrengen; voornamelyk als zyn +hart zo gezet is op de uitvoering van zyn besluit? Ik ken myn Vader, +ik waardeer hem, gelyk een dankbaren Zoon betaamt; maar hoop, dat ik +de vryheid zal hebben, om u eene Dochter aantebieden, waar tegen gy met +reden niets meerder dan tegen Juffrouw Burgerhart zult kunnen hebben. +Binnen eene maand hoop ik het genoegen te hebben, om u gezont te +omhelzen, en mondeling te betuigen, hoe zeer ik ben, + + _Uw gehoorzame Dienaar en dankbare Zoon_, + + CORNELIS EDELING. + + + + +HONDERD-TWEEDE BRIEF.--Aletta Brunier vertelt haar historie aan Sara: +_zij heeft eens lief gehad_, zekeren v. S. Die had geen geld; vader +vond dat hij eerst voor geld moest zorgen. v. S. ging naar de Oost; +'t ging hem goed, maar _hij stierf er_. Onder dien druk leeft ze nog. +Zekere Heer Helmers steunde haar na vaders dood. + + + + +HONDERD-DERDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER. + + +_Myne tederbeminde Letje!_ + +Ik weet niet, wat andere menschen _intressant_ noemen; maar voor my is +_de geheime Historie van uw hart_ zeer intressant; om dat er voor my +zeer veel stof tot overdenken, en veel leerzaams in ligt opgesloten. +Ik heb, zonder eens uwe toestemming te vragen, uw Brief aan de beste +der vrouwen voorgelezen; en zie hier, het geen zy zeide: "Het verstand +van Juffrouw Letje is my zeer toegevallen: hare liefde omtrent zulk +een Vader was alleen in staat, om haar dus te doen handelen. Indien +Letjes Vader meer vrees dan liefde in zyne Kinderen verwekt, indien hy +min redelyk omtrent een onbedagten jongeling gehandelt hadt, dan zeker +zou Letje in dat ongeluk gejaagt zyn, waar voor hy haar echter poogde +te bewaren. Ziet gy wel, myn Burgerhartje, dat men zich niet waarlyk +nuttig voor anderen kan maken, dan door reden met minzaamheid te +verëenigen? De hemel belone hare kinderlyke onderwerping aan zulk een +Vader." + +_Ik_. Wel, dat wensch ik zo sterk, dat ik hier aan graag de hand wil +lenen. Een braaf hupsch man, die ik zo lief heb of hy myn Broêr is, +en dien ik ook maar aan niemand geef dan aan myn Letje, hoop ik te +beduiden, dat hy met Letje veel beter te regt zal komen, dan met zo +eene stoute meid, als uwe dienares. + +_Juffrouw Buigzaam_. ô! Gy zyt zeer gul! een ander te geven, dat men +zelf niet verkiest! + +_Ik_. Ja! ik kan immers onmooglyk al de Borsten[1] nemen, die my nemen +willen? en doe ik dan niet recht _Economisch_, als ik het overschot zo +goed gebruik als ik kan? + +_Juffrouw Buigzaam_. En wie is die, zo als gy zegt, kostelyke Vriend? +Edeling? + +_Ik_. Edeling! neen: dien wou ik immers voor u schikken, maar myn +lieven goejen Willem Willis. Een jongen, zo braaf, en zo degelyk, dat +niemand dan Letje hem ooit, met myne toestemming, hebben zal. + +_Juffrouw Buigzaam_. Gy doet my lachen. + +_Ik_. Doen schreijen zou ik om geen duizend Waerelden; al waren er al +de Huizen Concertzalen, en al de Paleizen Schouwburgen; en dat is veel +gezeit. + +_Juffrouw Buigzaam_. Ik beken, dat dit in u inderdaad al eene ongemene +grote opöffering zyn moet. + +_Ik_. En dat ben ik met u volmaakt eens. + +_Juffrouw Buigzaam_. Het is mooglyk wat heel onderzoekent in my, als +ik u durf vragen, of gy aan den braven Heer Edeling niets het minste +schryven zult? + +_Ik_. Wel, gestelt zynde, dat de schaal, of liever de evenaar, krek in +'t huisje stondt? + +_Juffrouw Buigzaam_. Zo ik er iets aan doen konde, dan zou ik zeker er +zo veel gewigts opleggen, dat gy tot al[2] _schryven_ oversloegt. + +_Ik_. Maar wat zal ik zulk een deftig verstandig man schryven? + +_Juffrouw Buigzaam_. Wat? Ja, dat moet gy zelf beöordeelen: dit, myne +liefde, kan of mag ik u niet dicteeren. In ernst, kunt gy aan dien +deftigen verstandigen man niets melden, dat hem, in weerwil dier +hoedanigheden, aangenaam zyn zoude? Pleeg met u zelf raad. + +_Ik_. Maar ik ben het met my zelf niet eens. Somtyds wilde ik, _dat ik +niet schryven wilde_; en somtyds wilde ik, _dat ik wilde_. Gy lacht! +Heb ik u dan niet gezegt, dat ik een misselyk figuur ben? geen vrouw +voor zo een man. + +_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt vooröordeelen, myn hartje! + +_Ik_. ô Duizenden; dat sta ik u ook toe. + +_Juffrouw Buigzaam_. Maar kan zulk eene verstandige jonge Dame zich +verbeelden, dat dit toe te staan alles is, wat zy te doen heeft. + +_Ik_. Ik geloof neen: zy moet die afleggen, en zo hoop ik van tyd tot +tyd ook te doen; en zo dra ik vast weet, dat ik dien eernaam, zonder +verwaantheid, niet geheel onwaardig ben, zal dat gaan of 't gesmeert +is: maak er staat op. + +_Juffrouw Buigzaam_. Nu ik u dit herinnert hebbe, zal ik er +afscheiden. Ik bid u alleen te bedenken; dat, indien gy my eens in +vertrouwen kunt zeggen, dat de Heer Edeling uwe liefde, zo wel als uwe +achting gewonnen heeft, ik u een der beste oogenblikken van myn leven +zal verschuldigt zyn. Gaat gy uit, hartje, om dat gy zo in order +gekleet zyt? + +_Ik_. Dit was myn oogmerk: de Heer R. zal my op 't Concert brengen. + +_Juffrouw Buigzaam_. Zo! + +_Ik_. Gy zyt heel _laconicq_, maar dat _zó_ spreekt gy _zó_ deftig +uit; hadt gy 't liefst niet? + +_Juffrouw Buigzaam_. Hoeft gy my dat te vragen, daar gy weet, hoe zeer +ik uw byzyn bemin? Evenwel, ik heb geen recht om u uwe vermaken te +ontroven: indien gy liever met den Heer R. uitgaat, dan met my t'huis +blyft. Wat is er aan te doen? Ik ben uwe Vriendin, niet uwe +Gouvernante. + +_Ik_. Laat ik u omhelzen, schoon, of liever omdat gy my zeer doet! ô +Myne moederlyke Vriendin, welk een verkeert meisje zou ik zyn, indien +ik uw gezelschap niet boven alle vermaken stelde? Wil ik het laten +afzeggen? + +_Juffrouw Buigzaam_. Gy bedenkt dit wat laat: en wat zou de Heer R. +van uwe wispelturigheid zeggen? + +_Ik_. ô! Daar bekommer ik my niets het minste over. Ik hoop niet, dat +ik aan hem rekenschap moet geven van 't geen ik doe; en zo hy 't +kwalyk neemt, is hy een gek, dat is 't al. + +_Juffrouw Buigzaam_. Rekenschap geven? dat is weer wat sterk! maar ik +zie niet, dat hy geen reden zoude hebben, om misnoegt te zyn; dat +scheelt u weinig, zegt gy; goed! Ik weet, dat gy een trotsch meisje +zyt. Was het echter vroeger, ik zou u door uw t'huis blyven verpligt +zyn. Zo waar, daar is hy reeds om u. + +Uit was ons gesprek. Maar ik betuig u, dat ik, met al myn musikale +drift, naauwlyks in staat was, om my op 't Concert niet te vervelen. + +t'Huis komende was ik niet vrolyk. Zy sprak echter nergens over, want +Hartog en Lotje waren in de eetkamer. Ik zag haar nu en dan eens aan; +zy was beleeft, zy was vriendlyk,--maar ik was _Juffrouw Burgerhart_. + +Myne lieve Letje, wat was dat voor my te zeggen! ik moest of +schreijen, of met Lotje aan 't malen; tot het laatste kreeg ik rasch +gelegenheid. Zy vroeg my, of ik op het groot Concert geweest, en of +het daar niet heel plaisierig was? + +_Ik_. Al naar dat men zich zelf gestelt voelt: somtyds ja, somtyds +neen. + +_Juffrouw Hartog_. Als men uitgaat met gezelschap, dat ons behaagt, +vermaakt men zich overal. + +_Ik_. Dat is zeker, de ondervinding leert dit wel.... + +_Juffrouw Hartog_. En Juffrouw Burgerhart heeft zeker het aangenaamste +gezelschap aan den Heer R.... + +_Ik_. En Juffrouw Hartog is, niettegenstaande alle hare Geleertheid, +mooglyk niet in staat, om myn smaak juist zo wiskundig te weten. + +_Juffrouw Hartog_. Ik oordeel uit de verschynzels. + +_Ik_. En uw oordeel is mooglyk niet vry genoeg, om, wél waar te nemen. + +_Juffrouw Hartog_. En het uwe mooglyk niet eenparig genoeg, om zo veel +te observeren, als iemand, die zonder belang toekykt: of gy moest u +inbeelden, dat ik u eene eer benyde, die ik niet eens verlang. + +_Ik_. Als ik eens niets beter te doen heb, kon het gebeuren dat ik uwe +stelling wat nader zal beschouwen. + +_Juffrouw Buigzaam_. Het is dunkt my, wel een zeer armoedig vermaak, +elkander te tonen, dat men meer vernuft dan goedhartigheid heeft. + +Ik verstond dit, en zweeg; een schampere lach van Hartog zelf kon my +niet aan 't praten krygen. Lotje, zei ik, wanneer gaat gy eens by uw +Oom en Tante?--ô Als gy maar wilt, al was 't morgen.--Bestig, zei ik, +als 't goed weêr is, zullen wy er eens heen kuijeren. Zy was zeer +blyde met deeze presentatie. 't Was redelyk laat. Juffrouw Buigzaam +schelde, om 't licht op de slaapkamers optesteken, stondt op; ik neeg +zeer beleeft, en kreeg een--_nagt, lieve Juffrouw_. Lotje rammelde my +nog een hope voor; en ik hield my of ik sliep, om haar te doen zwygen. +Ei! dagt ik, die verwenschte Jongens! zie daar, zy zyn het, die ons 't +leven onaangenaam maken; Edeling zo wel als de rest. Vaarwel, myne +Beste. + + Ik ben uwe Vriendin, + + SARA BURGERHART. + + +P.S. Ik ben deezen namiddag by Oom Dirk geweest. Tante is eene lieve +Vrouw; Oom? Ja, ik kan 't u niet beduijen: Een dot garen, die allemaal +in de war zit. ô Welke mannen, Letje! en moeten wy ook trouwen? dat +ziet er gek voor ons uit. + +Noten: + +[1] Jongens. +[2] wel. + + + + +HONDERD-VIERDE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling; houd maar +moed; ze heeft uw vader gezien, _bevalt haar niet_, maar ze zal u zelf +schrijven. + + + + +HONDERD-VIJFDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING. + + +_Wel-edel Heer!_ + +Myne achting voor u moet wel zeer ongegront zyn, indien ik ooit reden +heb my te beklagen over het schryven deezes Briefs. Dit stel ik onder +het onmooglyke; ik zal des, in dit opzicht, aan uw verzoek voldoen. + +Zie my voor zo eene Beuzelaarster niet aan, dat ik my niet zoude +verëert achten met de gevoelens, die gy voor my betuigt. Waarlyk, myn +Heer Edeling, ik zie zéér wél, dat gy verdient met onderscheiding +behandelt te worden. Indien gy niets meerder begeerde dan myne +vriendschap, zeer weinig zoudt gy meer te wenschen hebben! Doch ik +zoude u onëdelmoedig behandelen, indien ik u reden gaf om te denken, +dat ik in u iets anders dan eenen Vriend beminde. Het zal my, in dat +karakter, hoogst aangenaam zyn u weêrom te zien; want ik ben met +byzondere hoogachting, + + Uwe Dienares, + + SARA BURGERHART. + + + + + +HONDERD-ZESDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Myn Heer, zeer geachte en beminde Voogd!_ + +Myn pligt eischt, dat ik u het volgende melde. De Heer Hendrik Edeling +heeft by my aanzoek gedaan. Indien ik immer van staat verander, verdient +hy my daar toe te doen overgaan, of ik verdien hem niet; maar ik heb +geen zin in voor eerst hier toe te besluiten: Nog geen twintig jaar, en +zo volmaakt gelukkig als ik nu ben! Ik heb echter billyk geöordeelt u, +die my als een Vader bemint, dit te zeggen; want van uwe goedkeuring ben +ik reeds verzekert. Myn verlangen naar uwe komst is zo groot, dat ik die +niet kan uitdrukken. De waardige Vrouw groet u met achting, en ik ben, +met een dankbaar hart, + + Uwe gehoorzame Pupil, + + SARA BURGERHART. + + + + + +HONDERD-ZEVENDE BRIEF. + +NAAMLOZE BRIEF AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Myn Heer!_ + +Myne achting voor u, en de droevige gevolgen, die ik voorzie, doen my +u het volgende schryven. Uwe Pupil gedraagt zich op eene wyze, die +haar bespot, ja veracht, en u veel verdriet moet maken. Men ziet haar +overal, en nu meest altoos met eenen Heer R.; een man van rang en +grote goederen, maar ook een onzer eerste Ligtmissen. De Dame, daar +zy, nevens nog drie Juffrouwen, logeert, ziet dit alles, en vindt +echter (schynt het,) goed, om dit onvoorzigtig ligtvaardig meisje +haren gang te laten gaan. Zy is niet ryk; en grootschheid beeft voor +niets zo zeer dan voor armoede. Meer zeg ik niet. Hoef ik meer te +zeggen? Uwe Pupil is ook zeer verkwistent in hare uitgaven; indien zy +geene presenten aanneemt; dat ik niet weet. Zeker Heer loopt haar na; +en ik geloof, dat zy dien man aanhoudt, om, ten behoorlyke tyde, hem +(mooglyk) te trouwen; indien zyne oogen nog niet bytyds open +gaan:--Doch zy heeft hem betovert;--zo doet zy elkëen. + +Dit alles smart my! Ik beöog haar welzyn, en stelle u daarom in staat, +om haar hier over, zo 't u goeddunkt, te onderhouden. Ik hoef u niet +te zeggen, wie ik ben, en van welke Sex;--dit doet er niets toe:--zo +gy wys zyt, doe uw voordeel met myn bericht; en zo gy er een goed +gebruik van maakt, kan ik u meer melden. Intusschen ben ik met achting, + + MIJN HEER! + + _Iemand, die 't wel met u meent_. + + + + + +HONDERD-AGTSTE BRIEF. + +DE HEER JAN EDELING AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK. + + +_Waarde Broeder!_ + +Wat zegt gy nu, _mon bon Pasteur_, van uw lieven Neef Hendrik? dien je +immers, met je eigen handen, zelf, in myn huis, gedoopt hebt; die, had +ik hem in myne zaken kunnen missen, volgens uw raad en zyn begeerte, +tot Predikant zoude gestudeert hebben; die wil nu met drommels geweld +trouwen met een _wilde_ meid _buiten onze Kerk_; met een _Gereformeert_ +Nufje. Nu, daar moest hy maar eens om komen! Verbruit, Pastoor, ik heb +het zo Satans op hairen en snaren gezet; want, nu myn lieve vrouw dood +en weg is, regeer ik als Koning. Uw Zuster was de beste vrouw van de +waereld: doch te mal met de Jongens. Luter zelf zou niet meer uitgevaren +zyn in zo een geval als ik. Ja! fluiten! Daar hebje nu de boel over de +reê, en hy geeft voor, dat ik hem ongelukkig zal maken, indien hy haar +niet krygt; met nog eene hele turfmand vol zulk geziegezaag, daar de +jongens zo veel meê ophebben. + +Ziet gy, Pastoor, ik zou myn hoofd daar niet meê breken, maar Hein ziet +er gansch ongedaan uit: hy kan niet tegen moeite; (ja, ik heb al rare +jongens ook!) Neen: nooit laat ik dat toe. Maar den jongen evenwel zo +maar te laten sterven, dat wil ook niet. Hy is zó bedreven in onze +affaire, dat ik gerust myn flesje kan drinken, myn pyp roken, myn +kolfje slaan, zonder dat er iets verzuimt wordt. Zo dat, dit kan ik +ook nog al niet voor God verantwoorden. Ik heb ook een Brief geschreven +aan haren Voogd; niet twyfelende of hy die zo styf _Grotekerks_ is, als +ik oud rechtzinnig Luters ben, zou even eens denken als ik op dit stuk. +Maar zie daar! daar kryg ik zo een antwoord. De drommel mogt met hem +redeneren, en ook ik versta zyn Brief niet genoeg. Het komt my vóór, dat +hy al vry grappig over 't Geloof denkt, en het zou veranderen, even als +hy zyn rok veranderde, indien hy meende, dat eens anders geloof beter +was. Hy spreekt net als uw lieve Neef van Broederschap. 'k Zeg +_Broederschap_! Het zit er op met dat Broederschap, als verguldzel op +een duits[1] balletje. Men hoeft maar eens op hoogtyden, en zo, in de +Kerken te gaan; daar zeg jelui Eerwaardens malkander hele Broederlyke +dingetjes. Nu, dat mag ik wel horen: de Kerk is er voor, om het Geloof +vast te houden. Elk moet zyn winkel voorstaan; dat is niet anders. + +Hoor, Pastoor, ik ben Luters, en dat, wil ik, zullen myn jongens ook +zyn, of 't zal er vreeslyk houden. En die Bram is nog al heel wys met +zyn Meisje! Ik zou nog, met myn beste pruik op, en den nieuwen zwarten +rok aan, heel beleeft moeten vragen, of ik de eer mogt hebben ... weg +... weg! + +Ik heb haar ook in een Herberg gezien, met nog twee wilde Knapen, en +een andere Juffrouw. Hoor, ik zal 't nooit toestaan: ik wil geen +vreemt goed in Luters erfdeel; dat's maar uit. Geef me nu raad: wat +moet ik doen? Schryf my eens, Broêrtje, hoe u dit klugtje van Heintje +bevalt? Groet de Pastoorse, die my ook altyd ligt te katechiseren: ja, +ik ben maar te goed. + + Blyve met grote achting, + + Uw Eerwaardes + + _Dienaar, Vriend, en Broeder_, + + JAN EDELING. + + + +Noot: + +[1] Van een duit waarde. + + + + +HONDERD-NEGENDE BRIEF.--Everart Redelijk antwoordt: hij is het heelemaal +met Blankaart eens en vindt de handelwijze van zijn zwager dwaas. + + +HONDERD-TIENDE BRIEF.--Broeder Benjamin aan Cornelia Slimpslamp: Suzanna +weifelt; ach Heere, help! Wij moeten ze voor ons houden. Laat Cornelia +haar vergeving vragen. + + + + +HONDERD-ELFDE BRIEF. + +MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN DEN BROEDER BENJAMIN. + + +Wie heeft ooit groter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fopje my +wat, of hoe weêrgâ zit het? Voor my veinzen? Voor my de fijne Filebout +uithangen! Laat naar je zien, zotte jongen. Wy moeten haar bedriegen; +dat's 't al. En daarom moeten wy de handen in éen slaan. Zouden wy zo +een zot dier ooit gezogt hebben was 't niet om den smul? en gy houdt +u van de mallen? Ja, Blankaart, kent ons zeer wel. + +Hoor, Ben, de frettery is uit: wy moeten haar nu nog plukken, en +dan--de hele Waereld is voor ons open. Zy moet het gelag betalen: de +jonge Juffrouw B. moet er niet by lyden. Blankaart is een Duivel van +een vent, hy liet u publiek geesselen, en ik moest in 't Spinhuis, zo +wy aan haar goed ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en +dat zy intrest moet ontfangen; alles mondeling. Toon nu, dat gy my +lief hebt: ik zal 't Briefje schryven, en morgen er gaan. Kom ook. +'t Geweten? ô dat is een bullebak voor u en my. + + _Die gy kent_. + + + + +HONDERD-TWAALFDE BRIEF. + +MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. + + +_Lieve Vriendinne!_ + +Daar heb ik, als ik alles nareeken, zo een twee dagen en drie uuren in +de magt des Satans geweest: hy gaf my die godloosheid in. Hy heeft my +verleit. + +Och Zusje, Zusje! ik ben gevallen: ik ben wanhopig, ik ben elendig. +Die duizend-konstenaar was het, die my dien gruwelyken brief deedt +schryven. Zo heb ik te veel op eigen kragtjes vertrouwt, och ja! mogt +ik er maar door geraakt zyn, en nooit weêr op my zelf vertrouwen. ô! +Het ging my, zo als de Eerwaarde van der Kwast plagt te zeggen: _de +Conscientie is de Klapperman uit de hartestraat, die de menschjes +waarschuwt voor den brand van de Hel_. Gelukkig, dat myn oude mensch +niet te diep was ingeslapen; och! dat was regt dierbaar. + +Verberg toch alles, om der Vromen wille. Gy kent de diepten des Satans. +Mag ik morgen by je komen, en dan blyven op 't geen je maar hebt? +Schryf my dit, of ik verval tot wanhoop. + + Uwe zwakke Zuster, + + CORNELIA SLIMPSLAMP. + + + + +HONDERD-DERTIENDE BRIEF. + +DE BROEDER BENJAMIN AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. + + +_Zusje Lief!_ + +Ik begryp je! Wees gerust: om u sta ik den Duivel. Ik heb het zeer +druk in myn werk, doch kom morgen; ik ben al verzogt. Alles is om het +hare, en om u. + + _Gy kent my_. + + + + +HONDERD-VEERTIENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. + + +_Keetje Zusje!_ + +Wat is er een pakje van myn hart! Neen, dat kon ik niet doen, myn +geweten wilde niet. Nu is 't weêr licht by my; ik heb alles verbrant. +Kom tog vroegjes: och! ik ben zo ontstelt geweest. Nu, Bregtje zal +_het Gemeste Kalf_ slagten, omdat ik myne Zuster heb weêr gevonden, +die in 's Duivels hol gezeten heeft. Broertje komt ook, hy is zo +gemoedelyk in zulke dingetjes. Zo komt het goed uit het kwaad; en nu +is myne ziel weêr gebonden aan uwe ziel: niet waar? + + Uwe Zuster in den Here, + + Z. HOFLAND. + + + + +HONDERD-VIJFTIENDE BRIEF.--Smit aan Willem Willis; spoedig zijn ze +zwager. Hij heeft Aletta Brunier gezien en gesproken: _net een meisje +voor Willem!_--Willem's patroon spreekt heel gunstig over hem. + + + + +HONDERD-ZESTIENDE BRIEF. + +DE HEER R. AAN DEN HEER G. + + +_Jan lief!_ + +Haal my de Satan! ik ben nog even wys! ja, ik zie het hexje nu en dan; +ik heb ook met haar op het Concert geweest; maar ik ben nog even na, +als toen ik begon. Hoe moet ik het aanleggen? _Liflaffen_?[1] dan +lachte zy my van myn stuk; haar met een stemmig bakkes zeggen, _dat ik +haar bemin_? Och! dat gaat haar niet eens aan haar koude kleêren, (zo +als de meisjes zeggen.) Had ik haar maar ergens, daar myn haan koning +kraait, dan zou 't procès spoedig aflopen: en zy zal niet zot genoeg +zyn, om zich te durven inbeelden, dat ik een Burgers Dochter zal +trouwen. _Sultane Favorite_, Jan: is dat niet dubbelt wel? als _ik_, +Frederik de eerste, haren Soliman ben. Ben ik evenwel niet een +_Opgewarmt Bier_ en _Broodskind_, gelyk myn Oom, de Kapitein, zyne +Matrozen noemt, dat ik zo een charmante meid niet tot myn vrouw maak? +Lief heb ik haar, waaragtig; dat is 't maar! Anders zou ik dus lang +niet het masker voorhouden. Zy stondt al lang op de grote lyst. Maar, +wat praat ik van liefde tegen zulk een liederlyken knaap als gy zyt? +Een vrouw is by u een vrouw--loop, gy zyt myn gebabbel niet waardig. +Ik heb echter nu een ander plan: dat zal niet missen; en, zo de Weduw +het in 't hooft krygt, om hare jonge Vriendin te geleiden, (zy ziet er +óók wel uit,) dat zal den koop niet breken. Zoudt gy niet zeggen, dat +ik al een gansch karel ben, als gy my zo hoort snoeven en pochen? + +Waarlyk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat ik +het Wicht, of ik ben razent zot naar haar; en wat denkt gy? Ik heb nog +nooit haar hand gekuscht; 't is waaragtig, Jan. Zy is onnozel[2], dit +is het, dat my zo ingetogen maakt: want, hoe vele vrouwen ik ook +bedorf, ik heb nog al reguart voor brave meisjes. Een ligtvaardige is +myn Pop niet, al was zy zo schoon als deeze meid.--Doch dit is _to +Bliktri_ voor u. + + Vaar dan wel. + + R. + +Noten: + +[1] Vleien, hofmakerijen. +[2] Onschuldig. + + + + +HONDERD-ZEVENTIENDE BRIEF.--Cornelis schrijft heel hartelijk en aardig +aan H. Edeling, maar ... raad weet hij niet: _vader blijft onvermuwbaar_. +Raadt hem aan eens aan oom Redelijk te schrijven. + + + + +HONDERD-ACHTTIENDE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING. + + +_Myn Heer, hoogst ge-eerde vader!_ + +De zaak, die my, volgens uwe altoos geëerde orders, hier zo vele dagen +gehouden heeft, is naar uwen wensch volkomen afgedaan. Ik vleije my, +dat gy genoegen zult nemen in den yver, dien ik heb aangewent, om het +dermate te dirigeren, dat ik u rekenschap van alles doen kan. + +Mag ik nogmaals de vryheid nemen, om te zeggen dat myne liefde voor +Juffrouw Burgerhart gegront is op de braafheid van haar hart, en dat +ik _volmaakt ongelukkig_ zyn zal, indien zy de myne niet wordt? Wat +men ook moge uitstrooijen, zy is, en verdient te zyn, het voorwerp +myner hoogste achting; en zy deelt nimmer in andere vermaken, dan die +betaamlyk zyn, noch verkeert met menschen, die, om een slegt karakter, +behoorden vermyt te worden. + +Gy weet, myn altoos geëerde Vader, met welk eene blymoedige onderwerping +ik alle uwe bevelen heb gevolgt. Dit was een pligt, die de Natuur en de +Godsdienst van my vorderden: Maar gy zyt Vader! gy zult my immers niet +ongelukkig maken? zo deeze wensch myner ziel my geweigert wordt, kan ik +my geen lang leven voorstellen. Ik gevoel my niet wel. De onëenigheden +met myn Vader treffen myn, door liefde vertedert, hart zeer diep! Myne +jaren en myn werkzame aart hebben my gestelt boven die dwaze drift, die +men doorgaans _liefde_ noemt. Myne liefde is wel niet _Platonisch_[1], +maar zy is echter myne reden onderschikt; zy is bedaart, sterk; zy rust op +de innerlyke waarde van haar, die myne oogen streelt; zy groeit dagelyks +in zagte aandoeningen. Moet ik het opgeven, dan zal men zien, dat myne +geliefde Burgerhart tot myn _leven_ zo nodig was, als tot myn _gelukkig +leven_. Laat ik u verbidden! Leg uwe vooröordelen af! Gy kent haar niet, +geloof my! Heb ik u, myn geëerde Vader! ooit ergens in misleit? zoude ik +het nu doen, daar de zaak niets minder is dan eene verbintenis voor myn +geheel leven? Geef my de vryheid, om voor my zelf te kiezen. ô Laat ik u, +ook voor deeze gunstige toegeventheid, mogen bedanken. Ik kies immers +eene Vrouw voor my; ik zal met haar moeten leven.--Ben ik, in myn zes-en- +twintigste jaar, nog niet in staat, om uit myn eigen oogen te zien? Kunt +gy my van eenige wuftheid in zaken van belang beschuldigen? Heb ik ooit +my tegen uwen wil gekant? Moet ik nu my zelf dat verdriet aandoen? Laat +ik u myn gansche leven mogen zegenen! Zo myne tederbeminde, als myne +Vrouw, u met my niet zegent: zo zy uwen ouderdom niet ten troost, tot +hulp, tot blydschap strekke; zo gy haar niet zult beminnen als eene lieve +Dochter, vergeet dan, dat gy ooit een Zoon hadt, die zich tekent, + + _Uw ootmoedige Dienaar, en liefhebbende Zoon_, + + HENDRIK EDELING. + + +Noot: + +[1] Zuiver geestelijk. + + + + +HONDERD-NEGENTIENDE BRIEF. Hendrik schrijft aan Redelijk, vertelt alles +uitvoerig en verzoekt zijn voorspraak bij vader. + + +HONDERD-TWINTIGSTE BRIEF.--Redelijk weet evenmin raad: vertrouw op God! +--als zoon mag Hendrik niet opstaan tegen zijn vader. + + + + +HONDERD-EEN EN TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Juffrouw Burgerhart!_ + +Ik hoor lieve historietjes van u, al hele lieve ook! Hagel en Slypsteen, +hoe kan 't zyn? daar je zó veel verstand hebt, en daar je beter je +Geloof verstaat dan ik, God betert; en daar ik altoos zo geraden heb, +dat je toch den goejen weg op zoudt. Meisje, meisje! maak my niet boos; +'t zal er anders op en over gaan; 't zal er ellements te doen zyn. Heb +je dáárom zulke kostelyke Ouwers gehad, en moest ik dáárom zó wys met +je zyn? Ik kom er blaauw af. Schaamt gy u niet zo te lopen rinkelrooijen +[1] met een overgegeven Ligtmis; en u te kleden, of je in een Fransche +Winkel stondt? En Mevrouw Buigzaam? och ja; die laat Gods watertje over +Gods akkertje lopen; zie, dat vind ik verdord gemeen van zo een' Vrouw. + +Men hadt, kwanswys, geen trek tot het huwlyk; men was nog zo jong: men +was nu zo gelukkig: zie zo; dat laat ik, ouwe gek, my maar zo op den +mou spelden. En onderwyl speelt Madame haar rol, vliegt uit, en loopt +met allerlei ploerten en ligte kwanten de godgantsche Stad door, komt +by avond en onty t'huis; ja wel, zie; ik ben zo kwaad als een spin. +Dáárom hadt gy geen zin in 't Huwlyk, met zulk een braaf man, denk ik; +dat was de zaak: dan zou dat gedraaf en geloop uit zyn, en daar bedankte +gy voor; niet waar? Myn naam zal evenwel geen Abraham Blankaart zyn, zo +ik u, zo lang gy onder myne Voogdy zyt, geef aan den een of ander +Parlevinker[2], al was hy zo ryk als de _grote Mogol_, en al was hy een +Burgemeester van zyn hals. Ik denk, dat de brave Heer Edeling u nu wel +zeer bedankt voor de eer van uw gezelschap: hy heeft gelyk; ik zou ook +zo doen. Antwoordt my maar niet, want ik kom in 't kort t'huis, en zal +dan nader met u spreken. Ik ben + + Uw Voogd, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Pierewaaien. +[2] Hier: zwendelaar. + + + + +HONDERD-TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER. + + +_Chere Letje!_ + +Ik verlang, dat gy t'huis komt. Ik heb verdriet; en ik kan het niemand +dan u toebetrouwen. Myne Willis is te statig, te deftig; onze Moederlyke +Vriendin kan ik het nog minder zeggen, want het raakt haar ook. Lees den +brief van den Heer Blankaart: elke regel is een dolksteek. Myn ziel is +beroert; myn boezem klopt van spyt, verontwaardiging, en droefheid. ô! +Ik heb vyanden, myne Letje; maar wie is de snode, die my dus mishandelt? +die my in het duister en onbekent grieft? Hemel! verdagt te zyn van +misdaden, die nooit in myn gedagten oprezen! gehoont te worden om +bedoelingen, die ik nooit had; dit is zeer hart, myne Letje. Maar wie +is die Ligtmis? de man in de maan, geloof ik; uw Broêr is een brave +Jongen; de Heer R. staat bekent voor een zeer ordentelyk man; en met wie +anders heb ik ooit (want Edeling is buiten alle bedenking,) den minsten +ommegang gehad? Och, met niemand! Nyd, die my bekladt, gooit ook zeker +dit lak op den Heer R., die my nimmer reden gaf om hem te schuwen: maar +de smart, die dat monster my aandoet, is te groot, om daar ook eenen man, +die my altoos met de grootste achting behandelde, in te doen delen. Onze +dierbare Vriendin zelf vindt hem onberispelyk; en, zo zy niet geheel in +het belang van den waardigen Edeling was, dan zou zy mooglyk zyn gedrag +een nog beter naam geven. Ik heb vermoedens.... maar neen!... dat zou +al te slegt, al te verfoeilyk zyn.--Hoe 't zy, ik heb een gerust geweten; +ik heb my van vele dwaasheden te beschuldigen; doch ondeugden zyn my +vreemt.--Ik moet geduld hebben. + +Ik ga wat spelen, om te zien of ik my zelf kan opheffen uit deeze +verslagenheid. + + * * * * * + +Daar ben ik al weêr; 't lukt niet! Ik beef, zo aangedaan ben ik. +Hemel! verdagt te worden van zulk een man.... + + * * * * * + +_'s Nagts, half twaalf._ + +Nu, myne liefde, heb ik u veel te schryven. Ik heb de goedaartige +Lotje verzogt naar bed te gaan, om dat ik noodwendig schryven moest. +De zoete ziel stonden de tranen in de oogen, "om dat zy merkte, dat ik +droevig was; en dat onze Vriendin en ik niet zo waren, (zei zy) als +altoos; och dat deedt haar zo leet." Heeft zy niet een recht lief +hart, Letje? Nu, ik zal haar ook altoos voorstaan, en te regt helpen. + +Van middag viel er niets voor, dan dat Hartog vroeg, of de Heer +Edeling hier niet meer aan huis kwam; waar op Juffrouw Buigzaam +antwoordde: dat hy, om zaken van grote aangelegenheid, uit de stad +was; er byvoegende, dat zy hem waarlyk altoos met genoegen zag. + +_Juffrouw Hartog_. Ja, 't is een zoete prater; hy weet nog zo wat +oppervlakkig meê te doen; schoon ik in 't eerst groter denkbeelden van +zyn verstand had, dan nu. + +_Juffrouw Buigzaam_. Ik geef my niet uit voor een vrouw van veel +kundigheden, om dat ik te wel weet, hoe ik er mede sta: maar my dunkt, +dat de Heer Edeling een verstandig belezen man is, en zyn gezelschap +overwaardig. + +_Ik_. Ja, ik heb misschien geen kennis van verstand, maar zo hy een +Uilskuiken is, dan moet een man van verstand een schepzel zyn, daar ik +niets van begryp; en ik zou een ducaat geven, om zo een man van +verstand eens te zien. + +_Juffrouw Lotje_. Heden, Juffrouw Hartog, je waart evenwel de laatste +reis zo in de weer, om hem tegen te spreken; was dat sop dan de kool +wel waart? Zie, ik ben nou maar een eenvoudige sloof, maar daar zou ik +my nog te wys toe rekenen. + +_Juffrouw Hartog_. Ja, Edeling weet zeker genoeg, om met onze Sex zo +wat voort te komen; doch dat hy geen vogel van de verhevenste vlugt +is, heb ik al gezien. + +_Juffrouw Buigzaam_. Mooglyk is Uwé van gedagten, dat elk, die zich +niet met het air van Ongeloof voordoet, een lagen geest is; en dan is +voor my niets raadzelagtigs in deeze uwe zeer vreemde gedagten over +deezen waardigen jongen Heer. + +_Juffrouw Hartog_, (_schamper lachende_). "Aan de vruchten zal men u +kennen," zegt de Bybel, en dat is immers waar? + +_Juffrouw Lotje_. Heer, Juffrouw, gelooft Uwé dan in den Bybel? Gy zei +laatst, weet gy? op dien Zondag, toen ik zo zat te lezen in myn nieuwe +Psalmen, dat de Bybel een mooi sprookje was; (_zy werdt root_;) ja, of +gy root wordt, 't is evenwel zo, Juffrouw. + +_Juffrouw Buigzaam_. Ei lieve, Juffrouw Lotje, moei u daar nu niet +mede, om my plaisier te doen, Liefde! Is dit zó, Mejuffrouw Hartog, +dat smart my; en ik danke Gode, dat ik nooit myne bekwaamheden heb +willen tonen, in voor te wenden, dat ik niets geloofde; daar ik my +niet in staat gestelt had, om wel te kunnen oordelen. + +_Juffrouw Hartog_. Elk zyne verkiezing, en ik verzoek die vryheid, die +ik u laat. Gy schynt zeer gecoëffert met uw Vriend; en vriendschap +vermag veel; doch dewyl ik de vriendschap van zo een eigenwys Heertje +niet begeer, is myn oordeel te vryer. + +_Ik_. Eigenwys Heertje! die uitdrukking is niet verpligtent[1]. + +_Juffrouw Hartog_. Hoe! is de Heer Edeling dan uw vriend ook? (_my +spottig aanziende_.) + +_Ik_. Mooglyk verdient gy geen antwoord, doch ik zal beleeft zyn; ja, +hy is myn vriend; en ik vind my met zyne vriendschap zeer verëert. + +_Juffrouw Hartog_. Dat kan ik wel begrypen; en die vriendschap doet +_u_ ook veel eer. + +_Ik_. Zy zou zeker u niet tot schande, en nog veel minder tot verdriet +strekken, indien _gy_ ten minsten genoeg hadt aan zyne vriendschap, +(_zij werdt bleek_.) Kent gy den Heer Blankaart, Mejuffrouw Hartog? +(_haar sterk aanziende_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. Heden; Liefde! wat vraag is dit nu ook? + +_Ik_. Juffrouw Hartog zal my, vrees ik, verstaan. + +_Juffrouw Hartog_. Nooit hoorde ik, dat men vreesde verstaan te zullen +worden: ha! ha! + +_Juffrouw Lotje_. Nu, dat's my te geleert. + +_Juffrouw Buigzaam_. En my ook, Juffrouw Lotje. + +_Ik_. Ja! wist gy wel, dat _ik_ zo eene Sçavante was? of liever, dat +ik zo t'onpas iets kon vragen? Wel nu, 't zal u geen oneer zyn myn +Voogd te kennen. Hy is wel geen geleert, maar hy is een eerlyk man; +eene hoedanigheid, die ook al zyn prys heeft. + +_Juffrouw Hartog_. Och, myn lieve kind, ik zou nooit geraden hebben, +dat er zo een man in de waereld was, zo ik u zyn naam niet wel eens +had horen noemen: neen, ik ken hem niet. + +_Ik_. Men zou u occasie kunnen geven, om hem te leren kennen; doch hy +heeft niets recommandabels dan zyn vroom eerlyk karakter. + +_Juffrouw Buigzaam_. Zullen de Dames ook nog ergens van gedient zyn? +anders zou ik verzoeken om te danken en laten afnemen: 't is my wat +heel warm in de kamer. Wy allen bogen, dankten, en gingen de een hier, +de andere daar. Hartog peinsde. Juffrouw Buigzaam ging in haar Tuin, +zag hare bloemen met blyde vergenoeging. Ik stond voor 't raam, diep +aangedaan over den ontfangen Brief. Frits had een mand spenage +gesneden, die hy haar liet zien. "Ja, zei ze, Frits, die spenage staat +my niet aan.--"Zy is evenwel, in uw Tuin gegroeit, Mejuffrouw."--"Al +was zy in myn Zydkamer gegroeit, Frits, nog staat zy my niet aan."--Ik +wou, Letje, dat ik haar toen had kunnen uitschilderen; maar nog liever +dat gy haar toen gezien hadt! Ik ging zitten spelen, en wou myn +verdriet weg zingen: 't was of myn vingers de kramp hadden; evenwel, +ik dreunde lustig door. En Lotje vondt, dat ik mooi speelde: dat zeit +al zo iets, niet waar? + +Wy kwamen allen in de zydkamer byëen, om thee te drinken: Myn hoofd +was vol, en ik kneep nu en dan een traan weg: wel naarstig aan de +zakdoeken naaijende, terwyl Lotje breide, of zy er geld meê verdiende. +--Daar kwam zo waar de Heer R. Het denkbeeld, dat hy beschuldigt was, +om dat men my benydde, maakte my veel vriendelyker dan ordinair; me +dagt, dat ik hem vergoeding doen moest; en dat denk ik nog. Hy hadt +een zeer fraaije bloem op zyn borst; hy zag, dat ik er naar keek; durf +ik u deeze aanbieden? zei hy, en ik nam die vriendlyk aan; hy was zeer +fraai. + +_Juffrouw Buigzaam_. Is myn Heer R. ook een Liefhebber van bloemen? + +_De Heer R_. Ja, Mevrouw, en ik vind, dat in deezen, zo als in alle +zaken, de Natuur de Kunst onëindig overtreft. Ik heb ook eene kleine +verzameling van vreemde gewassen, die men maar zelden vindt. + +_Ik_. De Heer Blankaart heeft my wel tienmaal belooft, my eens in den +_Hortus Medicus_ te brengen, maar 't is er nooit toegekomen; en ik +hoor, dat daar zulke fraaije Planten en Heesters zyn. + +_De Heer R_. Laat ik de eer mogen hebben, u daar eens heen te leiden: +gy zult met verrukking zulk een rykdom der Natuur beschouwen; 't is er +waarlyk fraai. + +_Ik_. 't Zou onbeleeft zyn, dit verzoek af te wyzen. + +_De Heer R_. Ik zou om die eer deezen dag zelf nog verzoeken, maar ik +ben geëngageert: mag ik morgen, als het zulk heerlyk weêr is, en zo +zonnig als nu, zo gelukkig zyn, om de Dames daar heen te brengen? + +_Juffrouw Hartog_. Ik bedank u; ik ben niet plantagtig; een bloem is +by my een bloem, meer niet. + +_De Heer R_. En wat zegt Mevrouw? + +_Juffrouw Buigzaam_. Excuseer my, myn Heer; huisselyke bezigheden, +en myne zwakheid laten my dit niet wel toe. + +_De Heer R_. Deze vriendelyke Juffrouw zal dan wel gelieven mede te +gaan? + +_Juffrouw Lotje_. Ik zou 't gaarn doen, maar ik moet morgen ogtend +tydig by myn Oom en Tante zyn, om naar den Hout te ryden. + +_De Heer R_. Zo dat, Mejuffrouw, gy zult u dan met myn gezelschap +alleen zien te vermaken? + +_Ik_. ô, Myn Heer, maak geen complimenten. + +Hy boog. Nog een kwartier gezeten hebbende, zeide hy, dat hy morgen +ten vier uuren zou maken aan huis te zyn, en vertrok. Onze Juffrouw +Sçavante las; wy spraken weinig. Elk scheen in gedachten; myn kind +zeker over haar vrolyk reisje naar den Hout; ik over den Brief; en +Juffrouw Buigzaam?--dat wist ik toen nog niet! + +Na het thee drinken stondt de lieve Vrouw op, nam een boek mede, en +ging in het Tuinhuis zitten; (zo als ik naderhand zag.) Ik zag +mistroostig, ongemaklyk[2], en stond ook op, my naar den Tuin +begevende, om ruimer adem te scheppen. Doe ik u ook belet, Juffrouw +Buigzaam? anders ga ik weêr heen. + +_Zy_. Integendeel, _uw_ gezelschap is _my_ altoos aangenaam. + +_Ik_. Dan zal ik my by u zetten. (_Zy zag onderwyl al in haar Boek_.) +Ik moet u iets vragen. Zyt gy misnoegt op my? als dat waar was, dan +zou ik zeer ongelukkig zyn. + +_Juffrouw Buigzaam_. (_Haar boek toedoende_.) Misnoegt? Hier uit moet +ik opmaken, of, dat gy my voor zeer grillig houdt, en dat hoop ik +nooit te verdienen; of, dat gy meent, my eenige reden daar toe gegeven +te hebben. + +_Ik_. Zo ik u van grilligheid verdagt hield, dan zou uw misnoegen my +niet ter harte gaan; dewyl ik begryp, dat de capritieuse vrouwen geen +meer achting verdienen dan capritieuse mannen. + +_Juffrouw Buigzaam_. En doet het u waarlyk leet, dat ik niet zo +gemeenzaam met u ben als van te voren? + +_Ik_. Ja, zeker; maar dat gy my dit vraagt, treft my niet minder. Gy +weet dan nog niet, hoe hoog ik u acht; of hoe hartlyk ik u bemin; en +hoe zal ik u daar ooit van kunnen overtuigen? (_Ik had tranen in myne +oogen_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. _Als_ gy my in dat licht beschouwt, dat ik +waarlyk uwe achting niet onwaardig ben, waarom maakt gy dan zo weinig +gebruik van myne oprechte vermaningen? + +_Ik_. _Als_, zegt gy met nadruk! + +_Juffrouw Buigzaam_. Is het zo niet? Kom aan, wy zitten hier nu onder +vier oogen. Laat ik eens met u praten: wilt gy? + +_Ik_. Niets zal my aangenamer zyn. Maar zeker, zyt gy t' onvreden? + +_Juffrouw Buigzaam_. Ja! en nog meer verdrietig: ik heb u te lief, om +niet beide te zyn. + +_Ik_. Wees nu alles wat gy maar wilt, indien gy my maar lief hebt: Mag +ik u echter vragen, wat u hier toe beweegt? + +_Juffrouw Buigzaam_. Uwe eigene onvoorzichtigheid. + +_Ik_. (_Ik werd ongemakkelyk, en zy zag het óók_.) Myne eigene +onvoorzichtigheid! + +_Juffrouw Buigzaam_. Niets anders.... Maar my dunkt, dat gy niet zeer +geschikt zyt, om thans onaangename waarheden te horen; en ik beken, +dat ik geen recht heb om u die te zeggen, ten zy de vriendschap my dat +recht geeft. Willen wy de zaak daar laten? + +_Ik_. Zo als gy verkiest: niemand hoort gaarne onaangename waarheden; +'t is des geen mirakel, dat ik er niet veel smaak in heb. (_Zy zag my +zeer bedaart, doch niet minzaam, aan_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. O myn kind, speel niet met uw eigen geluk! (_Dit +woord brak myn trotschheid; ik rees op, omhelsde haar, schreide aan +haar hals; zy kuschte myne gloeijende wang, trok een stoel naast den +haren, en zei_:) Zit, myne Liefde; waarlyk, ik meen het wel met u. +--(_Ik kon niet spreken, ik snikte_.) Zy ging voort: De Voorzienigheid, +die alles in de zedelyke en natuurlyke waereld bestuurt, die altoos voor +alle hare schepzelen het beste beöogt, heeft u, tegen uw uitzicht aan, +by my gebragt. Dat ik u lief kreeg, was zeer natuurlyk; dat gy my met +achting behandelde, ingelyks. Ik leerde u kennen, ik zag, dat gy een +voortreffelyk jong mensch waart; en dat, zo gy altoos uw schrander +oordeel volgde, zo gy altoos[3] in goede handen vielt, vooral, zo gy de +vrouw wierdt van een achtingwaardig, u beminnent man, gy een voorbeeld +in het huisselyk leven zoudt kunnen worden, om dat gy u dan zoudt +verheffen boven uwe sterke neigingen tot zulke vermaken, die nooit onze +pligten moeten uit den weg stoten, of zy worden hoogst afkeurelyk. Geen +meisje van zulk een edelen geest doet ook iets uit dwang: en mogelyk zou +ik, indien dit het eenige goede middel voor u ware, uit alle vrouwen +minst geschikt zyn, om u nuttig te zyn. + +Gy krygt gelegenheid om eene party te doen, die zelf uwe zalige Ouders, +(zyn zy nu nog vatbaar voor aandoeningen, die uit deeze beneden waereld +ontstaan; iets, dat my zo voorkomt,) moet verheugen. Elk, die belang in +u neemt, wenscht, dat gy toch moogt besluiten, om u van dat geluk te +verzekeren. De man, zo beminlyk, zo edel denkent, en zo volmaakt geschikt +voor u, als gy voor hem zyt. Wat doet gy? Dat gy hem nog niet genoeg +bemint, om hem u zelf te geven, daar op is niets te zeggen: maar gy geeft +u dermate toe in uitspanningen, die in 't oog vallen, dat de Waereld niet +nalaat, om u zó aftebeelden, als gy nooit worden kunt: men houdt u voor +_Coquet_, voor _une Dame du Ton_; voor een Meisje, dat zich, in alle hare +daden, geen ander oogmerk voorstelt dan Divertissement. Kan ik, die u als +myne eigen Dochter bemin, dit zien, zonder op u misnoegt, en over uw +gedrag zelf bedroeft te zyn? Gy weet, Liefde, dat ik geen behagen heb in +den Heer R.; ook niet, (dit volgt er uit,) dat gy met hem uitgaat. Ik kan, +dat is waar, u wel geen reden geven van deeze ongunstige aandoening; doch +gy weet echter, dat gy my veel genoegen zoudt aandoen, indien gy deeze, u +onschadelyke, opvatting in acht geliefde te nemen: dat doet gy niet; en +nog deezen namiddag geeft gy weêr uw woord. + +_Ik._ Hadt gy my maar één woord gezegt! + +_Juffrouw Buigzaam._ Wanneer moest ik u dit ééne woord gezegt hebben? +Vóór de zaak gebeurde? gy waart niet zo gehumeurt als voortyds; gy +hadt iets, dat u trof; en ik was de Confidente niet. ô Liefde! niets +ontglipt my van u; ik moet voor u zorgen, myne genegenheid gebiedt het +my, al zo zeer als myn pligt. + +_Ik._ Ik heb vyanden: ik word gelastert. + +_Juffrouw Buigzaam._ Dat kan niet anders: en zo gy voortgaat, met hen +stof te verschaffen, zullen zy u nog anders kwellen. Maar, (om ons +discours te vervolgen,) toen het voorstel geschiedde? Ei lieve, wat +recht heb ik, om u in gezelschap te behandelen of gy myne mindere +waart, aan wie ik alles mag zeggen? om, met één woord, als uwe +Gouvernante te handelen? Ik denk, dat dit u óók maar matigjes zou +hebben aangestaan. + +_Ik._ Wel, wat kwaad is er dan in, dat ik met een fatsoenlyk man den +_Hortus Medicus_ ga zien? + +_Juffrouw Buigzaam._ Net zo veel kwaad, als of gy u door Frits naar de +kerk liet brengen. Van het kwade spreken wy ook niet: al, wat dien naam +verdient, is beneden u; dat weet ik zeer zeker: maar zo gy waarlyk myne +Dochter waart, dan zou ik u, al wat u geen goed gerucht door uwe vyanden +kon geven, u volstrekt verbieden: _Het heeft immers zulk een haast niet, +zoude ik zeggen myn Heer; myne Dochter zal, met haar Voogd Blankaart, +die haar dit belooft heeft, den een of andren dag dat vermaakje wel eens +nemen._ Gy waart ook buitengemeen vriendelyk tegen hem. + +_Ik._ Hy wordt, buiten zyn weten, om mynent wil beledigt; en dat valt +my te zwaar, om hem, ook buiten zyn weten, daar geene vergoeding voor +te doen: doch, zo uw mishagen gegront is, wel, gy zyt meestresse van +uw huis; wagt hem nooit meer af. + +_Juffrouw Buigzaam._ Ik wagt hem nooit af. Hy is een fatsoenlyk man, +ik kan my, op zo eene directe wys, van myn recht als Meestresse ook +nog al zo niet bedienen: maar indien gy, ten zynen opzichte, minder +gemeenzaam waart; indien gy, als hy inkwam, opstondt, onder het een +of ander voorwendzel, en voornam, altoos te bedanken voor alle zyne +aanbiedingen, dan zou de Heer R. wel dra verdwynen, en ons geen +verschilstoffe aan de hand geven. + +_Ik._ Daar toe heb ik geen reden; en dewyl ik hem niet anders ken dan +voor een fatsoenlyk, aangenaam man, die zich een eere maakt in my +plaisier te doen, kan ik daar niet toe besluiten: indien ik den Heer +Edeling beminde, indien ik hem eenige hoop gaf op myne bezitting, dan +was het eene andere zaak; en ik zou dan juist doen, zo als gy nu van +my eischt, dat ik doe. + +_Juffrouw Buigzaam._ Ik eisch het niet van u; uw eigen geluk, uwe +achting voor u zelf, uwe achting voor den Heer Edeling, eischen dit. +_Ik_ heb niets te eischen: al wat ik doen kan, is u ten besten raden, +en dat doe ik waarlyk: gave de Hemel, dat myne zorg voor u geheel +nodeloos was! want, hoe het ook ware, uw ongeluk zou myn hart doen +bloeden. Ik bemin u, myn kind: ik zie zo veel goeds in u; uwe +dwaasheden zelf groeijen op den besten grond. (_Ik weende._) + +_Ik._ Dierbare Vrouw! vergeef my deeze eene reis myne verkeerde losse +toegeventheid! Nooit, nooit zal ik weêr bedroeven, gy zult alle myne +daaden en gedagten regelen; ik zal den Heer Edeling recht doen. Ik heb +dit alles zo niet beschouwt, ô! Wat zou ik ongelukkig zyn, zo ik u +verloor! Dat zie ik meer en meer; maar ik zal alles vergoeden; ik zal +met u, en met Letje huisselyk leven; wy zullen niet dan met Edeling, +of haar Broêr, nu en dan eens een uitvlugtje nemen; als gy 't zelf +goed vindt, anders niet. Zie daar, ik geef my, ter myner verbetering, +geheel aan u over! (_Zy drukte my aan haaren boezem_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. Myn eigen lief kind! alles is nu wel, alles is +afgedaan; ik weet, dat gy het oprechtste meisje van de waereld zyt; +en dat gy ook doen zult, méér nog dan gy my belooft. + +Na nog wat zittens en minzaam samenpratens, vroeg zy my, of wy wat +wilden gaan musiceeren? ô Zeer gaarn, zei ik. Zy droogde, met haar +eigen zakdoek, een traantje of vier af, kuschte my; haalde myn Voile +wat neêr, op dat niemand myn beschreit gelaat zien zou, (denk ik,) en +wy gingen elk voor 't Clavier. Nooit speelde zy zo verrukkelyk; al +hare tonen stemden met myn ziel, en zy zong haar favorite Air: + + _Ah! que l'amour est chose jolie_! + +zo heerlyk, dat myne vingers stil stonden. Vervolgens spraken wy van +den Heer Edeling, en over zyne t'huiskomst. Hebt gy hem, vroeg zy, +eenig gunstig onthaal toegeschikt? + +_Ik_. Wel, ik verlang waarlyk, dat hy hier is; ik weet het niet, maar +er [is] iets zo ledigs, nu hy hier niet is: dunkt u dat ook niet? me +dunkt, dat Letje en hy zo recht by ons behoren. Ik wist niet, dat ik +zó over hem denken zou, nu hy hier niet is; doch 't is echter niet +anders. (_Zy glimlachte, en noemde my Engel_.) En vraagt gy nu, +"waarom vertrouwde gy haar den Brief van uwen Voogd niet toe?" Om dat +ik, zelf voor deeze dierbare Vrouw, niet wil weten, dat zy in dit +opzicht het zo wel hadt. Dit is mooglyk verkeert; maar neen: die +vernedering is my te smartelyk. + +Ik was byzonder stil onder ons soupéetje; Juffrouw Buigzaam insgelyks; +beide mooglyk uit verdriet, dat wy verschil gehad hadden. Lotje durfde +niet spreken, dan met de Kat, en Hartog hieldt een deftig, styf, +peinsagtig air. Wy gingen vroeg naar bed, en nu schryf ik u deezen, +om hem by de eerste occasie te verzenden. Nagt Liefde. Kom spoedig by + + Uw teder liefhebbende Vriendin + + SARA BURGERHART. + +P.S. De Brief van myn Voogd sluit ik hier in. + + +Noten: + +[1] Vleiend. +[2] Ontstemd. +[3] Tenminste. + + + + +HONDERD-DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER R. AAN DEN HEER G. + + +_Vriend Jan!_ + +Uit is de klugt! de myne--de myne is zy, moet, zal zy zyn. ô! Dat lief +Bekje! En hadt gy waarlyk zin om den _Hortus Medicus_ te zien? Nu, +Schat, gy zult veel méér zien; of ik verdien voor schelm uit het +Regiment Ligtmissen gejaagt te worden. En kon Mevrouw Buigzaam niet om +huisselyke zaken? ô Ik heb achting voor _huishoudende Vrouwen_; gy doet +wel, schone Weduw! + +Bezorg, dat morgen voor den middag myn Fargon en de harddravers, _Kwast_ +en _Bles_, gereet zyn, om naar buiten, doch langs een omweg te ryden. +Hou u daar van daan: ik heb u niet noodig; zeg alleen aan den Tuinbaas, +_dat ik met een meisje kom_, dan weet hy genoeg. Hy moet my niet kennen +voor 't nodig is; en dan zal ik hem dat wel beduiden. Hy is een gaauwe +Kerel; hy moet maar niet weten, dat deeze Dame geen maitres van my is; +want hy babbelt dan maar weêr van zyn conscientie; en, schoon ik op geen +hand vol ducaten zie, als ik wellust kopen wil, zo hoef ik hem echter +niet te vroeg ryk te maken. Ik zal Buiten zyn tegen vyf uuren, of half +zes: de Fargon[1] moet in 't koetshuis, en de Paarden moeten, zo als zy +van voor 't rytuig komen, op stal gezet worden. Ik zal de rest wel +schikken. Philips moet maar te rug gaan. + +Onthou myn orders wel. Daar! daar hebt gy vyftig ducaten, om uw schulden +van eer te betalen. Ik ben flaauw van vreugd. Zo een meisje; zo een engel; +zo rein als een Kind; zo onkundig van haar gevaar; die niet eens vermoedt, +dat ik de Belsebub ben, die het op haar bederf toelegt! want trouwen, +Liefstetje, daar kan ik niet aan doen. Zie; zo praat ik al in en met my +zelf. + + R. + + +Noot: + +[1] Fourgon? Hier: gesloten wagen. + + + + +HONDERD-VIER EN TWINTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland aan Sara: Benjamin +en Slimpslamp _zijn er met bijna al haar geld van door_! Ze vraagt +vergiffenis aan Sara en voorspraak bij Blankaart. + + +HONDERD-VIJF EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara _vergeeft alles en belooft +voorspraak_. Zal zelf komen. + + +HONDERD-ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Saartje is +zoek! _Ze is met_ R. _uitgegaan en niet teruggekeerd_. Ze wachtten op +haar den dag, den nacht, in doodelijke spanning; eindelijk, _om vijf +uur, daar is_ Sara. O, o!--die vreeselijke R! Gelukkig Saartje _is +ongedeerd gebleven maar heelemaal overstuur_. Hendrik is er zelf ziek +van! + + + + +HONDERD-ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT. + + +_Lieve Vriendinne!_ + +Ik ben te beschaamt, om je onder de oogen te komen, daarom schryf ik u +deezen Brief. Och! ik ben een verloren menschje! Had ik toch naar je +gehoort; maar, wat zal ik zeggen? Ik geloof, dat myne zonden my alle +deeze elenden hebben op myn hoofd gehaald, och ja! Ik was recht +toornigjes op u, toen gy laatst by my waart: want ik meende, dat je zo +niet tot het diepste van ons wegje waart doorgekropen; dat het allegaar +zoo maar stukwerk was, om dat je zo weinig zin hadt aan Broeder Benjamin. +Wat heb ik my voor den Here vernedert, om dat ik eenigen agterdogt omtrent +dien Huichelaar plaats gaf! 't is een Belials-kind, een uitgepleisterd +graf, van binnen vol stank en doodsbeenderen. En zy is eene Jezabel. Zy +heeft my strikken gespannen; zy heeft my op myn droggrond neêrgezet. Zy +heeft my wys gemaakt, dat al myne ongerustheid ingevingen des Duivels +waren. Zy is eene Architofellinne, die my nog voor agt dagen zo een +goddelozen raad gaf, met opzicht tot myn Nichtje Burgerhart. Maar de +Here liet zyn schepzeltje niet los: en toen schreef zy my een Briefje +van berouw, in zulk een gezalfden styl, Styntje! zy kermde daar in, +dat zy nu twee dagen en drie uuren in 's Duivels magt geweest was. O, +'t was zo een dierbaar Briefje! En toen was het, dat zy tegen den +Hypocryt zei, _kom, laten wij een graf graven, ende Zanneke daar in +werpen_; want zy liet my belet vragen; zy hadt zalving voor haar +verbryzelt herte nodig, en Broeder zou dan, nu des Heren yver hem +vervulde, eens regt zielnadereade en gemoedelyk oeffenen. Wat stelde +ik my een gezegent dagje voor! ja, Styntje, ik liet het gemeste kalfje +slagten, en de zegeningen der linkerhand werden niet gespaart. Och, ik +ben toch altoos zo een Kruipertje op het genadenwegje, en was zeer +gesticht. Benjamin was eerst een regte Boanerges, en toen een Zone der +vertroosting; en Slimslamp was geheel in een afgezakten staat; doch +daarna geheel heilige vreugde, zo zei dat Ezeltje. Ik merk, zei de +goddeloze man, dat hier van avond een byzondere zegen over het werk +van myn dienst is. Uw huis is een Bethel, Zuster, een Nieuwkerk, laten +wy dan blyde zyn: drink, Vriendinnetje, je bent al te bedroeft geweest +en je leven is den Sionieten dierbaar. Nu moet je weten, Styntje, dat +ik niets verdragen kan; myn hoofdje is zo zwakjes, zo zwakjes: och ja! +en toen raadden zy my wat te gaan liggen, en dat deed ik. ô Wat +bezorgden zy my! maar ik was danig bedwelmt.--'s Ogtends ontwaakte ik +vry wel, maar ik was toch bezwaart, om dat ik onder zo vele stichting +my door het schepzeltje had laten vangen. Bregt was ook ziek, zei ze. +'t Was laat, toen wy opstonden; zy was stom dronken geweest. Daar ga +ik in myn binnenkamer, en zie myn Geldkoffertje niet, daar het plagt +te staan: "Bregtje, riep ik, heb jy 't Kistje verzet?" "Och neen, zei +ze, is 't weg? en ook 't zou my wat zwaar zyn alleen." Want Styntje, +ik had veel contant geld van afgeloste Obligatiën, en een Huis, dat ik +verkogt had, en myne Juwelen lagen er ook allegaar in; en daar hing zo +een groen kleedje over; och ja, Styntje, Bregt vertelde my toen, dat +Keetje haar wyn hadt ingedrongen, (maar dat zei ze ook eens van myn +Nichtje,) en dat zy haar toen in de keuken op kussens hadden neêrgelegt; +meer wist zy niet te zeggen. Nog dogt ik geen kwaat van die Hellewigten. +Och, dagt ik, Bregt zal de deur hebben open gelaten, en 't Kistje zal +gestolen zyn! Ik zond een kruijer naar Benjamins kamer, en naar die van +Kee; maar de Buren zeiden, dat de Kamers leeg waren, dat zy voor een dag +of agt wel meubeltjes hadden zien wegbrengen, maar wisten niet waarhenen. +Ik ging voort naar Domine P., die my raadde het in de Courant te zetten, +en zo te zien, dat zy in handen der Justitie kwamen, dat zal ik doen. Nu +ben ik wel twee derde deel van myn goedje kwyt. En al myn Nichtjes goed +hebben zy laten staan. Bregt, nu zy weet, dat ik arm ben, bejegent my +vreselyk en vreselyk. Nu zal dat jonge dartele Saartje lachen, en my +bespotten; en de Heer Blankaart, haar Voogd, komt ook t'huis. 't Water +is aan de lippen. Ja, dien man heb ik ook zo belastert; och ja! + +Hy heeft het wel gezeit! Zanneke, zei hy, dat volk loopt op je zak, ze +bedriegen je. Jy bent een regte Saulus, zei ik dan. En wat gaf Benjamin +niet voor, dat hy zo eene innerlyke dingsigheid voor my hadt: hy was jong, +moet je weten; hy hoopte, dat wy nog eens tot éénen vleesche zouden worden, +wy die twee waren van natuur. Wel heden, Styntje, het er niet een heel +praatje gegaan, dat ik één jok met den Broeder zou aantrekken; en heeft +de Heer Blankaart, heel in dat Paapsche Vrankryk, er zich niet mede +bemoeit? Als ik zo alles nadenk, zou ik myn gryze hair wel uit men hoofd +scheuren. Myn geld, myn kostelyke geldje is weg, ik ben bedrogen. Och! wat +ben ik een droevig sukkeltje! En hoe zal myn Nicht nu tot opspringens toe +blyde zyn! Nu zal zy zeggen, straft onze lieve Heer myn Tante, die my zo +kwalyk bejegent heeft. Zie, ik moest je dat zo allegaar eens schryven. +Schryf een lettertje aan + + Uwe elendige Zusje, + + ZUZANNA HOFLAND. + + +[Illustratie: ha! da's een kereltje! zei hij! +Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave +van 1782.] + + + + +HONDERD-ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. + + +_Vriendinne Hofland!_ + +Ik weet nog niet, of ik my over uw geval bedroeven of verblyden moet: +maar ik ben zeer neêrslagtig, als ik zie, dat er zulke goddeloze +menschen in de Waereld zyn, die, _onder den dekmantel der Godzaligheid_, +erger doen dan zy, die niet leven onder de indrukken van Dood en +Eeuwigheid. Gy zyt dan het slagtoffer hunner geveinstheid en godloosheid! +Wat zal ik zeggen! De wegen des Heren zyn onnaarspeurbaar, en de middelen, +die hy aanwendt, om verdoolde schapen tot de regte Kooi weêr te brengen, +aanbiddelyk. Ik verheug my, dat de Here u zo lief heeft, dat hy u juist +ontneemt, daar gy uw hart op gestelt hebt, en waardoor gy altoos in 't +goede te rug gehouden wierdt. Ik heb u lang met meêlyden beschouwt, om +dat ik zulk schuim van Oefningsvolkje kende.--Ik weet, dat men daar, met +oogen vol overspel, en een hart vol boosheid, een vrybrief naar den Hemel +krygt; en ik ben in lang voor een openbaar zondig mensch zo bang niet, als +voor zulk soort. Wel, zo de Apostel Petrus eens in uwe Oeffening gekomen +was, dan zou hy tegen Benjamin ook gezeit hebben: _ô! gy kind der Helle, +vol van alle bedrog en godloosheid_, zo als hy tegen Simon den Tovenaar +zei. + +Ik heb u, daar ik God nog voor dank, gewaarschuwt. Wat zou ik my anders +nu bezwaart gevoelen! Maar gy zaagt my aan voor hunne Vyandinne, en ik +vond geen ingang tot uw verbystert hart. De Here zelf moest u uwe zonden +voor oogen stellen. Gy waart gierig, onrechtvaardig, boosaartig, nydig; +gy deedt uw eige Zusters Dochtertje te kort. De gierigheid zou u voor +altoos bedorven hebben; want gy waart gerust in uwe ongerechtigheden; +men maakte u wys, dat dit uwe Koningszonde was; dat gy zo iets moest +hebben, om u laagjes te houden; zo een _Engel Satanas_, die u sloeg. Hoe +meer gy afweekt van het kenmerk eens waren discipels des Heren, hoe meer +men u wys maakte, dat _gy by Jezus waart_. + +Om u tot bekering te brengen, ontneemt de Here u dat goed, en wel door +uwe geveinsde Vrienden. Gy hadt met Gods oude Volk twee ongerechtigheden +begaan. _Hem, den Springader des levendigen Waters, hadt gy verlaten, en +u zelf gebroken Bakken uitgehouwen, die geen water en houden_. Is u de +Bekeering ernst, wel zie daar, ik geef u een zeer goed Toetssteentje. +Kunt gy Gode hartelyk danken, om dat hy u dat aangebeden geld ontnomen +heeft? Kunt gy u in Gode verblyden, om dat gy uit zulk een _geestlyk +Sodom_ geret zyt? Kunt gy besluiten, om aan uwe Nicht schuld te bekennen, +haar al het hare te geven? Kunt gy den Heer Blankaart om vergeving bidden; +om dat gy zyn Voogd-Kind als gedwongen hebt, om, in hare jonge jaren, de +ruime Waereld in te gaan? Ik vraag u niet, of gy uit waar berouw u voor +den Here kunt vernederen; als gy het eerste doet, zal dat wel volgen; en +kunt gy tot het eerste niet komen, het laatste zal u weinig helpen. Ja, +Vriendinne, het zal danig op den ouden mensch der zonde aankomen. Maar +dit is de ware zelfsverlochening. Dit is de Evangelische Leer. Dit is het +_Innig Christendom_. Buiten dit is alles ydelheid; _dan hebt gy geen +Godsdienst_. Doet gy dit al? dan zult gy vreugde en rust hebben, en gy +zult den Here danken, om dat hy u uwen afgod ontnomen heeft. Gy zult +zien, dat uw verlies tot winst wordt. + +Laat Bregt gaan, zo gy kunt; zy voegt beter by de Benjamins en +Slimpslamps, dan by u. Ik zal u een goed mensch bezorgen, om uw werk +te doen, tot dat wy weten wat en hoe. Vervolg de boze Huichelaars +niet; 't is geld vergeefsch uitgeven, en u zelf tot bespotting +maken.--Als ik weet, of gy mynen raad goedkeurt en opvolgt, zal ik +verder met u spreken. Beproef u aan het Heilig woord, en laat my eens +weten, hoe gy gezint zyt; want daar van zal myn gemoedshandel met u +afhangen. Beproef ook, of myn raad uit God is. Altyd gedenk ik u in +myne gebeden, want ik ben in waarheid + + Uwe Vriendinne, + + STYNTJE DOORZICHT. + + + + +HONDERD-NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Arnold Helmers, Aletta's vroegere +weldoener, schrijft haar: neem neef Pieter, _is zeer geschikt voor +je_. + + +HONDERD-DERTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland komt tot de lektuur van +_Thomas à Kempis_: Imitatio Christi. Brecht _is in een bierkroeg +verzeild_. + + +HONDERD-EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik heeft Sara gesproken; _zeer +zwak, maar beterend_. + + +HONDERD-TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.--Aletta aan Helmers; ze kent Pieter +heelemaal niet! maar haar hart is vrij, misschien.... + + +HONDERD-DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.--Stijntje Doorzicht héél wijs en +vroom aan Zuzanna Hofland: ze haat volk als Benjamin c.s.; van Sara +heeft ze een lieven indruk. + + +HONDERD-VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis bericht Sara de +thuiskomst van Moeder en haar; ze zullen veel te praten hebben. _Zij +weet van de historie met R. niets_. Zij zelf gaat binnenkort trouwen. +Is Smit eenmaal ergens beroepen, dan _blijft_ hij er; _hij is +gematigd, houdt niet van godsdiensttwist_. + + +HONDERD-VIJF EN DERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan H. Edeling; zij +houdt den zieken Hendrik op de hoogte; Sara _gevoelt zich_ H. _nu +vooral niet meer waardig_, toch verlangt ze naar Hendrik, evenals naar +Blankaart, _die al op reis is_ huiswaarts. + + + + +HONDERD-ZES EN DERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED. + + +_Ge-eerde vrouw!_ + +Gy zyt immers niet moeilyk, om dat ik uwen laatsten Brief niet +beäntwoort heb? Hoor, Mevrouw, ik ben niet al te wel te vreden op u, +en knorren op eene vrouw, dat is my onmooglyk; (op een stout meisje +bruit er nog zo wat meê heen.) Maar, zie, ik kan ongelyk hebben: nu, +wy zullen dat appeltje wel schillen; want ik kom t'huis, en 't zal er +onder en overgaan, zo Saartje maar zie zo veel op de kerfstok heeft; +en als het op de eene regent, zal het op de andere druppelen; want men +heeft my zo wat gezegt, dat my verdort en verdort weinig aanstaat. Jan +struksje! als ik evenwel eens bedrogen was? wel, dan wierd ik averegts; +en ik mogt u wel, met een strop om myn hals, en een brandende kaars in +myn hand, om vergeving bidden; zo als ik hier wel gezien heb, dat de +Papen voor de Heilige Maagd deden. + +Nu, dat zal zich wel redden! Ik zal u onderwyl maar eens verhalen, dat +ik met twee goeje, grote, lange Hollandsche Jongens t'huis kom. Ja, ik +heb al rare klugten! Daar kom ik, 's daags voor ik uit Parys gaan zal, +in een Hollandsen Logement, het eenige, dat er in de hele godgantsche +Stad te vinden is; en daar ik meermaal naar toe ga om eens Hollandsche +knap te eeten, en een schoon servet te hebben. Ik zit vredig en wel aan +myn tafeltje; met Snap, myn Patryshond, zo aan myn zy, braaf te schransen, +toen er een fraai jong Heer inkomt, die er uitzag als een bloeijende roos, +en dat neemt my aanstonds ten voordeel van zulke jonge maats in. Hy sprak +zeer goed Hollandsen: jy bent geen Fransch fatsoen, dogt ik, maar wie ben +je? Nu, ik kon dat zo niet vragen: _hei, hoor eens hier! jy, met die +groene rok daar, wie ben je_? Nog geen half kwartier daar aan, of daar +komt myn oude kennis, myn beste Willis. Ik stond op, en gaf hem, op zyn +vaderlands, de hand. Welkom, myn jongen, zei ik: kom, zit aan, en eet wat +met my; en ik vroeg hem duizend vragen te gelyk. "ô, Zei de goeje jongen, +myn Heer Blankaart, wat heb ik naar u gezogt! men zeide, dat gy vroeg +waart uitgegaan, meer niet; ik heb wel in vyftig Coffyhuizen en Logementen +geweest, gy waart er niet; eindlyk zei een Heer, die u scheen te kennen, +dat de goede Heer Blankaart zeker aan zyne Hollandsche maaltyd zat; en hier +uit besloot ik, die uwe gewoonte ken, dat gy in dit Logement waart:" Hy +vroeg my aanstonds naar het stout Dingetje; en ik zei, dat alles wel was; +wat zou ik gezeit hebben? + +Myn mooije jongen hoorde naauwlyks, dat ik Abraham Blankaart was, of hy +kwam by my, en zei, dat hy ook verzogt om de eer van met my te eeten; +"ik kan my niet beter by u recommandeeren," zei hy, "dan door u te zeggen, +dat Hendrik Edeling myn eigen Broeder is." + +Zie, Mevrouw, dat was my zo aangenaam, zo aangenaam, dat ik het niet +zeggen kan. Komt, kinderen, zei ik, zit aan, en weest myne Gasten. Zy +aten als rovers; en de wyn, die 't hart verheugt, smaakte zo goed, dat +ik myn flesje kraakte. Toen aan 't praten over Oost en West, over +negotie, over ik weet niet al waar van. Zie, onze jonge lui weten toch +veel meer dan wy; dat is niet anders; en daar ben ik blyd om. Edeling +zei, dat hy op zyn vertrek naar Holland stondt. Willem zei ook zo; +doch dat hy nog drie dagen moest vertoeven, om aan zyn Patroons order +te voldoen. Wel, zei Edeling, dan zal ik naar u wagten. Ja, zei ik zo, +jonge lui, ik meen ook te gaan. Daar hadt men 't leven gaande! "dat ik +hun toch mede nemen wilde; dat zy toch zo gaarn met my wilden reizen." +Wat zou ik doen? Ik ben een ouwe Gek; om die twee jonge vlasbaarden +werdt myn reis nu nog drie dagen uitgestelt. Nu, wie weet, hoe wel ik +er aan doe? Als 't immers myne kinderen waren, zou ik blyde zyn, dat +zy met een ordentlyk man t'huis kwamen; en ook, 't zyn lieve jongens! +Edeling is niets dan vreugd en vernuft; en Willem, wel, dat is de +beste jongen in heel Amsterdam, zeg ik u. + +Toen wy van tafel opstonden, zei ik: "Kom, jongens, nu zullen wy eens +hier en daar gaan, en het een en ander gaan zien. Die te Romen is, +moet den Paus spreken;" en ik sleepte hen ook braaf door den mostert: +Maar wat ben ik nu in myn kragt! Nu hoef ik myn schrale voorraat van +Fransch niet benaauwt uit te stallen. Dat koetert, dat koetert; 't is +of die Edeling zyn tong voor 't Fransch gemaakt is. Tegen den avond +ging ik met hun naar mynent, en zei: "komt, haal je lui je Valiezen +maar; ik moet je lui by my houden." Wel, myn hart springt op, als ik +een Hollander zie; en geen wonder, myn Snap is net al eens: en dat is +nu maar een hond, wil ik spreken; zo dat ik hield hen beide, en dogt; +"'t Is een verleidelyke plaats; en als zy by myn zyn, valt er niet op +marode[1] te gaan." De beide jongens hebben veel met elkander op; dat +is braaf: men weet niet, waar het te pas komt, een mensch zonder +vriend is een droevig schepzel. Daar was nu Saartjes Vader, wel die +was my zo een waart vriend, dat zyn plaats in myn hart maar niet kan +gevult worden. Mooglyk, als wy zo wat oudägtig worden, Mevrouw, wil +dat zo goed niet meer. _Alles_, zeit de wyze man, _heeft zyn tyd_. +En 't is ook zo; ik ondervind het zelf wel. + +Ik meen myn reis op Brussel te nemen, en het heerlyk Brabandsch +Quartier nog eens door te trekken; dan gaan wy op Antwerpen, daar ik +ook nog iets te doen heb, en denk over Rotterdam naar Amsterdam te +komen, om het overschot myner dagen buiten beslommering door te leven, +tot dat de Here God Abraham Blankaart in zyn zalig ryk zal opnemen; +want dat is toch het voornaamste, en daar by is al ons gedraaf en +gewin maar fut. Ik ben nu ruim vyftig jaar, en schoon ik, God dank! zo +gezont als een visch ben, en noch van ziekte of podagra weet, zo denk +ik, dat het best is om voor de grote reis zo onder de hand wat +klarigheid te maken; want men kan toch nooit weten, wanneer het de +Dood gelegen komt ons te bezoeken, zo dat het best is om altoos gereet +te zyn. Wat zegt gy, Mevrouw? Als ik de stoute Meid maar gelukkig in +het fuikje zie, dan is alles wel. Nu, Mevrouw, zo als ik zeg, ik ben +knorrig op u. _Men hoort verre, dat de Winter kout is: maar, als de +maan vol is, schynt zy overal_. Groet myn meisje, en geloof dat ik van +harte ben + + Uw misnoegde Vriend, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noot: + +[1] Maraudage, hier "avontuurtjes". + + + + +HONDERD-ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER WILLEM WILLIS AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS. + + +_Tederbeminde Hoogstge-eerde Moeder_! + +Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, dat er voor my gelegen is, +in u myne gedagten medetedelen, en om u, het geen my, is het van eenig +belang, ontmoet, te schryven. Uwen dierbaren Brief heb ik met de +oprechtste dankbaarheid en eerbied gelezen. Ik hoop, dat ik u niet ten +eenenmale zal hebben te leur gestelt, omtrent uw verlangen nopens de +beminnelyke Juffrouw Burgerhart. Het geen my hier is voorgekomen, +geeft my, ter bereiking van uw oogmerk, nieuwe vermogens; om dat ik +waarlyk zó wensch te doen, als uwe Moederlyke liefde van my vordert. + +Toen ik te Parys kwam, was myn eerste werk, om den Heer Blankaart op +te zoeken: dit gelukte my, na veel lopens en dravens. Ik vond hem den +zelfden man, als ik hem altoos vond. Hy was zeer verheugt my te zien, +en heeft, om met my, en nog een Amsterdams Heer, Cornelis Edeling, te +kunnen reizen, zyn reis nog drie dagen uitgestelt. Wy logeeren by hem. +Hy moet zeer ryk zyn, want hy leeft hier net als in zyn eigen huis. Gy +kunt wel denken, lieve Moeder, dat ik voort naar myne Beminde vroeg? +'t Was alles wel; zei hy. Des avonds by elkander zittende na dat wy +den maaltyd gedaan hebben, zat hy in zyn praatstoel, en vroeg ons, of +wy nog geen meisje hadden? Ik zuchtte. Edeling lachte. "Dat zou, zei +de jonge Heer, schande zyn voor ons, geen meisje, en drie vier en +twintig jaar!"--"Eer heeft uw hart," riep de goede man, en vreef in +zyne handen van genoegen. "Nu, Willem, (tegen my,) hoe zit het by +u?"--"Hopeloze liefde, myn Heer Blankaart; ik bemin Juffrouw +Burgerhart; en ben overtuigt, dat zy myne Vrouw niet worden kan." +--"Wel, voor haar dan een ander, die u beter lykt:" hervatte hy. + +_Ik_. Daar kan ik niet aan denken. + +_Hy_. Nu, 't is nog vroeg in 't Gasthuis; doch op Saartje moet gy geen +staat maken. Ik zal voor u ook wel een goeje Vrouw opschommelen, en +die voor u veel beter zyn zal; want zie, Willem, al had ik eene eige +Dochter, en gy kost er gelukkig meê zyn, ik gaf ze u, met de helft van +myn goed er by: ik hou veel van u: en ook, hier, onzen Vriends Broêr +verkeert naar haar, en zo zyn Vader my maar niet te veel malens aan +den kling maakt, zal ik haar geven: hy is de man, dien zy hebben moet; +dat zeggen alle menschen, die hem en haar kennen. Kom, je moet niet +bleek worden, Willem; ik zal u óók helpen; jy zult een Vrouw als een +geschilderde paerel hebben: laat ik zelf maar te Amsterdam zyn: ik +weet zo iets voor u, dunkt my. + +_Edeling_. Lieve, goedaartige Heer! mag ik my ook wel in uwe gunst +bevelen! + +_Hy_. Hoe, moet ik voor u ook zoeken? Neen, neen, dat niet: met Willem +is 't wat anders! ik moet hem schadeloos stellen. + +_Edeling_. Kom, ik zal alles maar opbiegten, op hoop van eene goede +absolutie te krygen: maar laten wy eerst uw gezontheid eens oud +vaderlands drinken. (_Wy deden zo, en de Heer Blankaart gloeide van +genoegen_.) + +Ik heb juist, uit vrees voor myn Vader, die de beste, de eerlykste, +maar ook in eenigen opzichte de wonderlykste man is, iets gedaan, dat +my, vrees ik, droevig zal opbreken!--Ik ben daar zo maar op myn eigen +houtje verlieft gaan worden, toen ik te Leiden studeerde. Het meisje +is al, wat men van de Goden zou kunnen wenschen, doch zy, en hare hele +familie, schynen niet zeer in de gunst van een zeker mal, blint, +capritieus, oud Wyf te staan; en zyn daarom niet meer dan burgerlyk +gegoet. + +_Blankaart_. En wie is die lelyke Torntoffel? de een of andere kwezel +van een Tante, denk ik! (_Hy lachte tegen my, of hy zeggen wou, ik +denk aan Tante Hofland_.) + +_Edeling_. Och, 't is een elendig wyf; en ze leeft met de menschen, +als de Duivel met de takkebossen. + +_Hy_. Is 't een Leidsch maakzel? + +_Edeling_. Neen; men zegt, dat zy van Amsterdam herkomstig is, en nu +durf ik, om dat hagelsche Wyf, er nog minder van kikken! want myn +Vader is niet gierig, doch hy zegt altyd, men kan van een mooije tafel +niet eeten; en, dewyl hy my op _het advocaten_ bestelt heeft, zal ik +voor eerst myn geld wel alleen tellen kunnen. + +_Hy_. Maar hoe hiet dat lelyk Vrouwmensch? + +_Edeling_. Mejuffrouw _de Fortuin_. + +_Hy_. ô Gy Platvisch! daar heb je een ouwe rot in de val; (_en hy +schaterde van lachen_.) + +_Edeling_. Wou je nu voor my ook een goed woordje spreken by Papa; +want het zal vreeslyk op myn land waaijen: en zeker, ik heb alles zo +niet bedagt. + +_Hy_. Wel, zo 't buiten dat wel is, daar is myn hand, Jongen. Ik zal +wel zien, dat je er genadiger afkomt, dan je verdient; zie, 't is uw +Vader: en jy hebt niet bon gedaan. (_Hy trok zo een potzig bakkes, dat +ik hem niet aan kon zien zonder lachen_.) + +_Edeling_. Daar is wat aan, maar hoe zal ik het nu redden? Want myn +meisje is al wat ik in de waereld begeer, zo als men zegt: dit is +waar, dat ik haar oprecht bemin, en dat zy my lief heeft: zy is wel +opgevoet, en van een oud eerlyk geslagt. Zo als ik zei, spreek een +woordje voor my, myn lieve Heer Blankaart! + +O! hoe beminnen en achten wy deezen dierbaren man! Lieve Moeder, is +'t niet jammer, dat de Heer Blankaart geen Vader is van een talrijk +huisgezin? Dat zeiden wy ook eens. "Ja, Jongens, zei hy, dat spyt my +genoeg, maar alle brave nyvere goede jonge meisjes en jongens zie ik +aan voor myne kinderen, daar ik ook wel wat goed voor moet zorgen. Ik +zeg altijd, Abraham Blankaart, een eerlyk man heeft altoos erfgenamen, +myn Vriend; en terwyl ik leef, doe ik zo veel goed, als ik maar grypen +en vangen kan. Kom aan, wat had ik nu aan al myn geld, als ik een Nero, +een Niemands-vriend was? En nu, wel ik ben overal welkom. Meisjes, +jongens, jonge Vrouwen, kleine springertjes, al dat goed is om my, als +of er goud uit my te halen is; en ik ken geen groter waerelds-genoegen, +dan bemint en gedacht te zyn van goede menschen: al 't overige is maar +waweling." + +Groet myne lieve Tante, waarde Zuster, en Vriend Smit, dien ik mondeling +hoop te feliciteren, en te bedanken voor zynen Broederlyken Brief. + +Ik ben met de tederste hoogachting, + + Uw gehoorzame Zoon, + + WILLEM WILLIS. + + + + +HONDERD-ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling aan Hendrik: hij heeft +Blankaart ontmoet; voortreffelijk!--Parijs is heerlijk, _de Franschen +zijn sympathiek_. + + + + +HONDERD-NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING. + + +_Lieve Broeder_! + +Ik ben eenige dagen zeer ongestelt geweest, en heb zelf drie dagen het +huis moeten houden. Uw laatsten, uit Parys geschreven, heb ik ook daar +op 't oogenblik ontfangen. Ik verheug my over uw kennis met dien +waarden man, als ook over de gunstige gedagten, die hy te mywaards +voedt: Den heer Willis hoop ik eens met myne byzonderste vriendschap +te beschenken, gelijk ik naar de zyne vurig verlang: ik ben voorbereit, +om hem hoog te achten, en te beminnen. + +Ik zal myn verhaal vervolgen: Zo dra ik het wagen durfde om uittegaan, +ging ik naar het Huis van Mevrouw Buigzaam, en werdt van myne Beminde +met alle tekenen van heuschheid en vriendschap ontfangen. Zy is wat +afgenomen, doch de koortzen houden op; en nu, nu heeft zy eene zagtheid +in haar gelaat, die my nog veel meer bekoort. + +Zy was alleen t'huis: Mevrouw Buigzaam was met de jonge Juffrouwen +naar de Kerk, en Juffrouw Hertog op haar gezelschap. Ik zat by haar, +en nam de vryheid van hare hand te nemen, terwyl ik my informeerde +nopens haren welstand, en zei, dat ik my veel beter gevoelde, 't geen +zy met een zeer merkbaar genoegen hoorde. Deeze gelegenheid, ging ik +voort, is te gunstig, dan dat ik die niet zoude gebruiken, om u +nogmaal van mijne liefde de sterkste verzekering te doen, ik weet wel, +dat de liefde geen vrucht van dwang is; maar ik hoop echter, dat gy my +eens met meer onderscheiding zien zult. Mijne liefde is niet romanesq[1]: +de hoop alleen is in staat, om my te doen volharden. ô! Dat gy my nog +eens beminde; nooit zoudt gy u beklagen, dat gy my den voorrang in uw +genegenheid gegeven hadt! + +_Zy_. Ben ik wel geschikt, om u zo gelukkig te maken, als gy verdient +te zyn? ô Myn Heer Edeling, laat ik, vóór ik een besluit neem, nog +eerst myn karakter beter vormen naar dat der Dame, die ik als myne +Moeder eerbiedig! Ik ben zo bedagtzaam, zo bedaart, zo bestendig niet, +als zy, die uwe liefde verdient, behoort te zyn. Ik vorm my zulke +ernstige denkbeelden van het Huwlyk! Ik vrees, dat ik nog niet geschikt +ben, om myne bespiegelingen altoos tot betrachtingen te verhogen. Ik +wagt den Heer Blankaart binnen weinige dagen; laat ik met hem alles +eens overwegen. En gy hebt immers een Vader, myn heer Edeling? +(_Ik voelde die zet_!) + +_Ik_. Dat is zo: maar kunt gy een oogenblik twyffelen, of myn Vader +zich niet vereert zoude achten met zo eene Dochter? Hy zal mooglyk +eenige bedenkingen hebben, over het geen de goede man _onderscheid van +Religie_ noemt; gy weet, ik behoor tot Lutersche Gemeente, maar de +Heer Blankaart en myn Vader zullen dat wel vinden. + +_Zy_. Indien dat nodig wordt, twijffel ik daar ook niet aan: wat my +betreft, ik zal dit omtrent u zo weinig in aanmerking nemen, als gy +omtrent my deedt. Doch het is nog zo ver niet. + +_Ik_. Uw Voogd komt (zo schryft myn Broeder my,) met den Heer Willis +en met hem t'huis, zij hebben elkander te Parys ontmoet. Hoe aangenaam +zullen deeze drie reizigers zyn! + +_Zy_. Dan krygen wy elk een Broeder t'huis? want Willis is myn Broeder; +als gy hem kent, zult gy myne keuze billyken. + +_Ik_. Dat doe ik nu reeds: ik ken Willis. + +De Kerk ging uit, en wy veranderden van discours. Mevrouw Buigzaam en +de beide Dames waren verheugt, my zo veel beter te zien. Ik bleef er +dien gehelen avond tot tien uuren, want Mevrouw deedt ons de eere aan +om te spelen. Nooit hoorde ik zulk een zielen-muziek. 't Is meer dan +kunst! Ik hoop, dat gy 't eens zult horen. + +Zy nam occasie, om my alleen te spreken, en zei: "daar, myn Heer +Edeling, lees dit geschrift; dan zult gy eerst uwe beminde Burgerhart +recht kennen: zy weet niet, dat er u iets van bekent is. Hou dit in 't +oog." Ik lei het Papier in myn brieventas; en afscheid genomen hebbende, +spoedde ik naar huis om te lezen. Ik at niet, maar ging, Vader gegroet +hebbende, naar myne kamer. Lees, en dan zult gy kunnen bezeffen, wat in +myn hart, onder het lezen, is omgegaan! Ik heb het voor u gecopiëert, +doch moet het te rug hebben, zonder dat gy er iets uittrekt.--Hier op +vertrouwende, geef ik u het + + +VERHAAL. + + +_Dierbaarste Vriendinnen_! + +Ik begin dan aan een Verhaal, dat my onmooglyk is mondeling te doen; +ik schryf dus. Geloof heilig, dat ik het onder het zegel der waarheid +schryve: ô, hoe ben ik in myne eigen oogen gedaalt! Waarom heb ik niet +meer acht gegeven op my zelf; op hen, met wie ik omging; op den raad +myner Willis, en op den uwen, ô beste der Vrouwen! Ik zal boete doen: +ik zal myne dwaasheid afwisselen, tegen de volkomenste geleidelykheid +aan uwe vermaningen; ik zal my zelf zo ver zien opteheffen, dat uwe +vermaningen in goedkeuringen zullen veranderen. En, zo dikwyls als ik +eene te grote zucht voor uitspanningen voel, zal ik in myn Kabinetje +gaan, en dit geschrift, ter myner beschaming, lezen. Laat ik beginnen: + +Ik ging met den Deugniet, gelyk gy weet, in den _Hortus Medicus_, vast +voornemende, om nooit weêr met hem uittegaan; en echter hy was dezelfde +beschaafde, aangename, fatsoenlyke man omtrent my. Hy liet my in den +_Hortus_ alles zien; leidde my veel uit van 't geen ik zag; en ziende, +dat ik zulk een groot vermaak vond in dit alles te zien, stelde hy my +voor, of ik ook plaizier had, om eene zeer fraaije Plaats te zien, van +een zyner Vrienden; de Heer en Dame, zei hy, zyn wel niet Buiten, maar +dat zegt niets, men weigert nooit een fatsoenlyk man om die te zien; er +is zeer veel uitheemsch gebloemt. Ik, die in dit voorstel niets ontwaarde, +dan genenenheid om my te verpligten, stond dit geredelyk toe. Wy gingen +des vry spoedig uit den _Hortus_, de Plantage door, de Muider-Poort uit. +Nooit had ik zo veel geest, zo veel vrolykheid, zo veel levendigs in hem +bespeurt, 't Sloeg vyf uuren, zo als wy buiten waren. "Is 't ver?" vroeg +ik. "ô! Wy zullen er binnen 't half uur zyn, als wy wat aantreden." Ik +deed zo, en 't was bykans zes, toen wy voor een laan stil hielden, die +op een zeer fraai huis liep. Het Hek stondt aan. Hy ging de Plaats met +my op, en den Tuinbaas ontmoetende, vroeg hy, is myn Heer of Mevrouw +t'huis, "neen, was 't antwoord, maar dat is het zelfde." "Wilt gy het +huis niet eens zien?" (tegen my.) "Ja, maar ik zie liever bloemhoven, +dan lambrissementen[2]." Wy traden in 't huis. + +_Hy_. (_tegen den Tuinman_.) Deeze Dame heeft geen thee gedronken; +hebt gy ook kokent Water? Toe, jongen, brengt het schielyk, met het +geen er by hoort; gy weet uw Heer en ik zyn Vrienden. (_De Kerel ging +heen; ik had geen zin aan hem, hy hadt een lelyken uitkyk_.) + +_Ik_. Gy doet te veel moeite, myn Heer, als ik maar een glas bier +mogt! + +_Hy_. Ik geef nooit bier, als de meisjes warm gegaan zyn, en dan stil +zitten. + +_Ik_. Wel, laten wy wandelen. + +_Hy_. Eerst wat uitrusten. (_De Tuinman bragt theegoed, wij dronken +spoedig een kopje_.) + +_Ik_. Kom, nu de bloemen gaan zien; het wordt al tyd. + +(_Hy stondt op, en met eene houding, die my verbaasde, zeide hy, dat +hy my beminde, dat hy smoorlyk op my verlieft was; en dat hy niet +twyffelde, of dit had ik wel gezien; hier aan schreef hy ook de +goedheid toe, die ik had gehad, om met hem te gaan, dewyl men daar in +huis zo gegeneert was. Yder woord ontstelde en vertoornde my: ik zei_: +Gy beledigt my ten hoogsten. Nooit heb ik iets, zelf schaduwachtig, +gedagt van 't geen gy zegt; en zo ik het gedagt had, geloof my, dat ik +niet met u zou gegaan zyn. (_Hy lachte, en wilde my kusschen_.) Hou +af, zei ik; gy railleert te sterk. + +_Hy_. Hoe, neemt gy het dus op? dan bedriegt gy u; want (_en hy zwoer +een duren eed_,) het is my ernst; ik bemin u: gy zult de myne zyn; +(_al weder naar my toe dringende_.) + +_Ik_. Hou u gerust! Gy bedriegt u, zie ik, omtrent my: zo gy my +beminde, zoudt gy my dus niet kunnen vernederen: Laat my gaan, ik wil +hier niet langer blyven. + +_Hy_. Laat my gaan; ik wil hier niet langer blyven! ô, Zo spreekt men +niet tegen een man, als ik ben; en dat op zyn eigen Plaats. (_Ik +bestorf als myn linnen_.) Zie, meisje, al die grote gevoelens zyn by +my niets dan meisjes beuzelaryen. Evenwel, gy zyt nog te bekoorlyker, +nu gy zo een fraai rolletje speelt. Kom, myne Saartje, laten wy +gelukkig zyn; de tyd is kostlyk, zo gy ten minsten dwaas genoeg zyt, +om naar huis te willen keeren. Myn Fagon is anders al Buiten, de +Paarden staan, met de leisels opgeknoopt, op den stal, en in weinige +uuren zyn wy ver van hier; want ik waag er myn beste hartdraver aan. +(_Hy wilde my weder kusschen_.) + +_Ik_. Schelm! Deugniet! Judas! + +_Hy_. Al wat gy maar wilt, myn Engeltje, mits dat gy my gelukkig maakt. +(_Hoe ik te moede was, kunt gy eenigzins opmaken, maar ik hield my +moedig_.) + +_Ik_. Ik ben, zie ik, in uwe magt; maar veel eerder dan uwe verfoeilyke +oogmerken te beantwoorden, zal ik het uiterste wagen; ik zal gerugt +maken, zo gy de deur niet open doet. + +_Hy_. Ik doe geen deur open, en of gy gerugt maakt of niet, het zal +niets helpen; niemand hoort u. Kom, gy hebt u genoeg verweert. Zelden +had ik zo veel werk met myne Lievertjes. Gy hebt gestreden voor uw +harssenschim; dien lof geef ik u; maar nu eisch ik uwe overgave. +(_Ik werd woedent en was door de sterke aandoeningen op 't punt van +te bezwymen; de vrees zelf gaf my kragten. Ik wilde een raam open +schuiven_.) + +_Hy_. Neen, Kindje, daar is voor gezorgt; ik hou om de dood niet van +buren-gerugt. (_Hy werdt, dagt my, kwaadaartig over zyne te leurstelling! +ô Myne Vriendinnen, heb ik my zelf dan iets te wyten, gaf ik aanleiding; +immers niet met myn weten_?) + +_Hy_. Zie zo, 't wordt mooi laat; nu, ik heb zeer goed Logement voor +u; en ik hoop, dat ik u den tyd aangenaam zal verdryven. + +_Ik_. Laat my gaan; 't is nog niet te laat, om in de stad te komen. +(_Hy lachte_.) + +_Hy_. Ziet gy my voor zo een verd... gek aan, dat ik, een prooi onder +myn bereik hebbende, die zal laten weg vliegen? + +_Ik_. Zo ik iets op u vermag, zo gy eenige menschelyke gevoelens hebt +voor een meisje, dat u nooit beledigde; dat nooit het minste oogmerk +omtrent u hadt; dat u voor een vriend, voor een eerlyk man hieldt, +laat my gaan, en ik zal u alles vergeven. (_Ik schreide bitterlyk_.) + +_Hy_. Speel vry denzelfden zang, uit eenen andren sleutel[3]; ik hoor +gaarne _Variantes_, en gy zyt uw onderwerp magtig. + +_Ik_. ô Myn Heer, bespot my niet! God weet, in welk een dodelyken +angst ik ben; ô myne waarde moederlyke Vriendin! ô myn Voogd, wat heb +ik gedaan? + +_Hy_. Wat? wel, gy zyt vry willig medegegaan met een man, die smoorlyk +op u verlieft is, en die u tot zyne _Sultane Favorite_ hoopt te maken. +Want zie, mooi Meisje, ik wend niet voor u te trouwen, ik wil u niet +bedriegen, elk moet zyn rang bewaren. (_Ik zeeg op een stoel neder, en +ik geloof, dat ik op dat oogenblik in staat zou geweest zyn, om hem +een mes in zyn schurkagtig hart te drukken: zulk tergen maakte my +zinneloos. Hy liet my eenige minuten aan my zelf over; maar wat er +toen in myn geest omging, weet ik niet! Hy naderde my weder_.) + +_Ik_. Deugeniet, lieve goede menschen ... ô God! hoort my niemand! +(_Hy nam my op, maar zweeg; doch al myne kragten zich, machinaal, +verzamelende, stootte ik hem van my af; hy beet op zyne lippen en +vloekte_). Toen smeekte ik hem weder, dat hy my gaan liet. + +_Hy_. Ja, op de Fargon. (_Ik bedagt my_.) + +_Ik_. Kom aan, als het toch zyn moet. + +_Hy_. Neen, Meisje, ik versta u. Hier moet gy blyven, geen kuren by +den weg. Ik had gemeent, dat gij goedwillig met my zoudt gegaan zyn, +doch nu is die voorzorg onnodig. + +_Ik_. Vrees voor de gevolgen; gy zyt niet boven de wetten. +(_Hy lachte hartlyk_.) + +_Hy_. Zou ik niet, Liefde? Weet gy wel, dat de Rechter geen notitie +neemt van zo een galanterietje? Kan het my schelen, waar ik ben, denkt +gy? Hadt ik kunnen vermoeden, dat gy my zo veel moeite zoudt gemaakt +hebben, ik had het wel anders overleit. (_En toen drukte hy my zo +sterk aan de hand, dat hy my zeer deed. Ik beefde zodanig, dat hy zelf +deinsde. 't Werdt schemer-avond, en myn dodelyke angst nam alle +oogenblikken toe_.) + +_Ik_. Tyger en geen mensch! Kunt gy my in zulk eene benauwtheid zien; +wat recht hebt gy op my? + +_Hy_. Dat recht, dat yder Ligtmis van myn rang op zo veel meisjes +heeft, als hy goedvindt in zyn Serail te plaatsen. Of wilt gy, (_en hy +tradt naar my toe_), dat recht, dat de sterkere heeft over de zwakke. +(_Ik viel voor hem neder, ik smeekte, ik weende, ik geloof zelf, dat +ik hem myn waarde R. noemde_). + +Ik had al reeds een groot geweld in den stal gehoort, maar 't scheen, +dat hy er geen acht op gaf. Eindlyk kwam de Tuinbaas in den gang +lopen, en riep: Myn Heer, de Paarden zyn met hunne poten in de +leiseelen geraakt; en ik kan het niet meester worden: wat moet ik +doen: Hy riep, (met een vloek,) _u gaan ophangen, voor ik u den hals +breek_. De Kerel ging weêr heen, en zei, dat, zo myn Heer de hand niet +wilde lenen, hy zyn Paarden kwyt was. Razent en scheldent ging hy +heen, en stiet my van de deur weg, die hy toesloot. Naauwlyks was hy +weg, of er ging een deur in het vertrek zagtjes open, en daar kwam een +Boerenmeisje, die my, zonder iets te zeggen, wenkte om optestaan. Ik +deed het aanstonds. Zy sloop met my uit het huis, en verstak my in +haar bed op een zoldertje, dat zy wel ter deeg sloot. Ik wist niet, of +ik droomde, dan of ik wakker was; ik wist niet, of 't bedrog of hulp +was: alles was even onbekent. Het werdt duister; en niemand kwam by +my. + +Eindelyk hoorde ik beneden lieden spreken; myn bloed stolde in myne +aderen, en ik weet niet, of ik lang in onmagt was. Doch 's middernagts +ging de deur open, en het meisje bragt my een groot glas melk met +water, my wyzende niet te spreken. Zy sloot de deur weêr toe, en, +dewyl de maan opkwam, zag ik haar zeer onderscheiden[4]. "Nu slaapt +myn Vader, zei zy, hoor hem eens ronken!" Wie zyt gy, myn goed meisje? +zei ik. + +_Zy_. Ik ben des Tuinmans Dochter, lieve Juffrouw, weest niet ongerust! +ik zal u helpen. + +_Ik_. Laat ik u omhelzen, gy zyt myn Redster. O, gy zult wel beloond +worden! en als gy wilt, kunt gy altoos by my blyven; maar door welk +geluk hebt gy my dus verre geret? + +_Zy_. Dat zal ik u zeggen: myn Vader was druk in den tuin bezig, den +helen dag, met de arbeiders, toen de knecht met de Fargon kwam, en hem +belastte zyn Heer optewagten, doch niet te laten blyken, dat hy zyn +Heer was. Lieve God, dagt ik, daar zal weêr wat agter zitten! want myn +Heer is een heel slegt Heer omtrent de meisjes; maar my heeft hy nooit +gemoeit, dat moet ik zeggen, en zo zeggen al de meiden ook. Nu althans, +ik was in de kamer, toen hy met u in huis kwam, en dewyl ik voor grote +lui wat schaamagtig ben, verstak ik my in de naaste kamer in een +kleêrkast, daar wel twintig rokken in hangen, de eene nog mooijer als +de aâre. Ik dagt, zy zullen wel gaan wandelen, en dan ik gaauw heen +lopen, en dan zien zy my niet: zo dat ik alles hoorde. Zie, Juffrouw, +ik ben Rooms-Kattelyks, en ik bad onze heilige Moeder Gods om hare +bescherming, en ik bad een vyf of zes _Aves_ en _Paters_, zo al in de +kast. Wat kon ik doen? zo als gy weet. En toen viel dat met de Paarden +voor, en toen ging hy heen, en zo haalde ik u, en verstak u in myn +bed. Ik ging voort in den moestuin zo wat wieden, maar ik hield mij +maar zo; om dat ik dan bokken kon, en alles afgluren. Het duurde wel +een half uur, eer alles in 't stal gedaan was, want de Paarden waren +als wilt, en allemaal door de strengen; dat was het maar. Myn Heer +ging in zyn huis, en Vader in 't Boerenhuis. Ik geloof, dat hy +elderments op zyn neus gekeken heeft, toen hy u niet vondt. Hy kwam in +'t Boerenhuis, en vroeg met hele lelyke woorden, waar dit en dat gy +heen waart? Myn Vader zei, dat hy dat niet kon weten, om dat hy het zo +met de Paarden te doen gehad hadt. Toen vloog hy naar 't Hek, en vondt +het open. 't Is gedaan, zei hy: daar is niet op; nu 't is myn verdiende +loon, waarom d-r-de ik het Hek niet toe. Hy liep, als een razent mensch, +al heen en weêr, en toen hy dat ook moê was, belastte hy myn Vader licht +te geven, en hem wat brood en kaas te bezorgen; die deedt dat. Ik was in +huis gegaan: Vader vroeg, waar ik geweest was; ik zei, aan 't wieden, en +dat ik toen om een praatje geweest was; dat was daar meê wel, hy zei my +niets. Wy aten schielyk onze Bry, en hy ging naar bed. Toen kwam ik boven, +en hield my stil, tot dat ik hoorde, dat hij wel vast in slaap was. Zie +daar, zo is de hele zaak, myn lieve Juffrouw. + +Myne blydschap was onbeschryflyk; maar zy verdween schielyk door de +gedagten: hoe zal ik nu door de waarde Vrouw voor een bedriegster, een +valsch meisje, een ligt jong schepzel gehouden, veracht en verfoeit +worden! Wat zal ik doen? Hoe durf ik er weêr heen gaan? Hoe zal men my +ontvangen? Wat zal de brave Edeling van my denken? 't Is mooglyk, dat +hy reeds by ons geweest is. Zal de deugdzaamste der Vrouwen hem +omtrent my misleiden? Wat zal zy kunnen zeggen? En ik had haar zo +plegtig belooft, voortaan my geheel door haar te laten leiden. Hoe zal +Hartog zich verheugen, indien dit geval ruchtbaar wordt. Kan het +verborgen blijven? Heeft my niemand gezien? Maar, 't geen my 't hart +doorboort, hoe zal het teder hart myner moederlyke Vriendin lyden! +door my lyden!... + +Ik was besluiteloos wat te doen. Evenwel, alles al weer overpeinzende, +dagt ik, 't is echter de eenige nu openstaande weg. Ik moet dit +getuigenis geven van myne onschuld! "Ach," zal ik met eene bevende +stem zeggen, "indien ik een slegt Meisje waar, indien ik het oogmerk +had om u te misleiden, zou ik dan te rug komen, ook vóór ik weet hoe +gy my ontfangen zult?" Terwyl ik in deeze gedagten als verzonken was, +zei myn trouwhartig Klaartje, (zo hiet het Boerinnetje,) "Kom, +Juffrouw, nou moest je op je kousjes my volgen, en zo stil als 't +mooglyk is; ik heb onze deur efkes aan laten staan." Ik deed zo, en zy +droeg myn schoenen in haar hand. 't Begon te regenen: de lucht werd +onweerig en donker. ô, Dat was niets! Zie daar wy buiten de deur! Het +bed van den Tuinman voorby gaande, hoorden wy hem diep en gerust +slapen. Ik deed myn schoenen weer aan, en ging met het meisje, agter +de Boerdery om, al zwygende, en aan haar hand. Ik werd doornat, en +moest wel een half kwartier door 't gras; ik vroeg niets, zelf niet, +waar brengt gy my? Toen wy digt by een Warmoezier kwamen, zei zy: +"God dank, dat 's zo ver! Hoor, Juffrouw, ik breng je hier by brave +menschen: maar ik moet, zo dra ik je daar in huis zie, naar myn +Zoldertje: ik moet er op passen, dat ik niet in de kyker raak; 't is +een boos kaerel, als hy begint." + +Zy tikte aan een glas. "Wie daar?" riep een mans stem.--"Ik, zei 't +meisje, doch met een zachte stem, toe laat my in huis; ik ben zo +benaauwt."--"Ik kom je by, kind, zei een vrouwe stem;" en zo ging de +deur open. "Aaltje Buur, zei 't Boerinnetje, ik breng je hier een +jonge Juffrouw, die verdwaalt is, maar zy zal je alles wel zeggen, ik +moet voort." Ik kuste haar, en zei haar, waar zy my vinden kon, haar +een ducaat in de hand stekende, en biddende, zo dra zy durfde, by my +te komen. + +De goede Vrouw ging met my in een agtervertrekje, stak licht op, en +zag met verbaastheid, dat ik zo wel en kostelyk gekleet was, en +Juweelen aan hadt. Ik viel op een stoel neder, en schreide bitterlyk. +Zy maakte vuur aan, lei braaf hout op, want ik trilde van koude, en +myne kleêren dropen. "Kom, lief jong mensch, zei ze, kom, schik aan 't +vuur, en warm en droogje wat, ik zal Koffy koken; maar je bent, of je +de koorts op 't lyf hebt." Zy ging met de kaars in 't voorste vertrek, +en hadt een glaasje in haar hand, "daar, zei ze, Juffrouw, drink dat +uit, ik mag niet zien, zo als je beeft." Ik deed het. Zy kreeg een +tafel met kopjes, en, zo dra 't water kookte, dronken wy Koffy. Myn +Sak, Rok en Pelise droogde zy, en ik begon door de warmte dermate te +verkwikken, dat ik haar eenvoudig, zo kort doenlyk; alles verhaalde. +Maar, zei ik, wat moest gy denken, myn goede Vrouw, toen Klaartje aan +'t vengster tikte? "Wel, lieve Juffrouw, zei zy, dat beurt wel meer. +Als Krynbaas dronken is, (en zins zyn Wyfs dood gebeurt dat maar te +dikwyls,) dan raast hy als een bezetene, en jaagt al wat onder zyn +bereik is de deur uit. Nu is onze Klaartje de Vryster van myn Zoon +Pieter; en zo wy onzen jongen wat by konden zetten, 't zou al een paar +zyn, maar 't is een slechte tyd. 't Is een deugd van een meid, en heur +Moeder was net allëens. Doch, al boodt myn Heer R. myn man duizend +gulden 's jaars, wy zouwen by zo een Dier niet weunen willen. Hy is +zo ondeugent, en daar gaat zo veel om op die Plaats! Maar wy moeten +zwygen; wy zyn maar gemene lui." + +_Ik_. Wat zal je man toch denken van my? + +_Zy_. Ik heb hem daar, met een woord, gezeit, dat ik hem morgen ogtend +alles zal vertellen, en zei, zie maar weêr in slaap te komen, want by +dag moet de man hard werken, voor my en myn vyf kinderen. En onze +Pieter past ook zo op; maar daar zyn nog zulke kleintjes onder: zy +slapen allemaal hier boven ons hoofd. + +_Ik_. Maar zou uw Zoon voor my, met het open gaan van de Poort, niet +een Koets kunnen bestellen, die my tegen kwam buiten de stad? want, +hoe wel ik het by u heb, myn goede Vrouw, ik verlang zo naar huis. + +_Zy_. Heel wel, Juffrouw, als ik denk, dat het tyd is, zal ik hem gaan +wekken, zoo als ik altoos doe: jonge lui slapen vast. Goed, zei ik, en +wy bleven by 't vuur zitten, en zy praatte zonder ophouden; zo dat de +tyd viel my nog korter, dan ik gevreest had. Om drie uuren ging zy +Pieter wekken, die, toen hy my zag, vreemt opkeek. "Kind, zei de goede +Vrouw, deeze Juffrouw is verdwaalt geraakt: en ik nam haar in huis, +toen gy al te bed waart. Ga naar de stad, en haal een Koets, die ten +eersten dit heen moet komen; ik zal met haar u tegen wandelen." +Bestig, zei Pieter, en ging de deur uit. Die Jongman staat my wel aan, +Vrouw, zeide ik. "Ja, God dank, zei ze, 't is een braaf Kind, die wel +zo veel "voor zyn moeder doet, als iemand doen kan; en zwygen Juffrouw, +daar is geen schrift van." Nu, 't zal hem geen schade zyn, zei ik. Ik +deed myn gedroogde kleêren en pelise weêr aan, en zei, daar goede Vrouw, +heb je een kleinigheid, tot een bewys van myn erkentenis. (_Ik gaf haar +vier Ducaten_.) "Zoo véél geld! zei ze, dat durf ik niet aannemen." +O, zei ik, spreek er niet van: ik zal, hoop ik, eens meer voor u doen. +Wy gingen toen de deur uit, en kwamen wel dra op den gemenen weg; de +Koets kwam, ik bedankte Moeder en Zoon, zei, waar de koetsier my brengen +moest, en haalde de gordyntjes voor de glazen. + +Nooit kan ik u beschryven, wat er in myn geest, onder het ryden, +omging. Nu vreesde ik, nu schrikte ik voor dat zelfde, dat my deeze +laatste uuren als myn grootste geluk had toegeschenen;--om thuis te +komen! En toen wy nog maar één gragt te ryden hadden, wenschte ik +byna, dat wy eenig beletzel kregen, dat den tyd rekte. ô Hoe beefde, +hoe trilde ik, toen hy stil hieldt! De klank der schel ging my door de +ziel, en, met de handen voor myne oogen, vloog ik onzen goeden knegt +voorby, naar myne kamer, zo verwart, en bedroeft, gelyk gy, myne +dierbare Vriendinnen, my hebt zien aankomen. + +Zie daar een Verhaal, dat ik met de grootste naauwkeurigheid hebbe +opgestelt. Hoe gy, na het doorlezen te hebben, over my zult oordelen, +moet ik afwagten; en, indien de Heer Edeling by aanhoudenheid my blyft +beminnen, moet hy, alëer ik hem voor my kies, dit lezen. Hy moet +kunnen zien, wie ik ben, een onvoorzichtig meisje, dat geen kwaad +vermoedde, daar zy 't niet zag; en die door haren trek tot vermaken +en uitspanningen, zich in een gevaar gebragt heeft, dat op haar bederf +konde zyn uitgelopen: een meisje, dat God met tranen dankt voor deeze +Ontkoming; en dat voortaan nog meer zich zelf dan anderen zal mistrouwen. + + SARA BURGERHART. + + +Wel nu, broeder, wat zegt gy van zo een Meisje? Moet ik haar nu nog +niet meerder achten, en tederder beminnen? Die immers zyne dwaasheden, +zo rasch hy die ziet, afkeurt, en zich zelf daar over bestraft, doet +alles, wat men eischen kan? Ik heb onder de hand laten vernemen, of de +schelm in de stad was; maar 't schynt, dat hy eerst eens wil zien, hoe +of 't afloopt. Wy bedekken alles onder een diep stilzwygen. Ik zal +voor de brave menschen zorgen, die myn Engel zo getrouw geholpen +hebben; maar dit alles mondeling. Ik verlang onuitspreeklyk naar uwe +t'huis komst: en hoop, binnen agt dagen, dat geluk te hebben. Vader is +zeer vriendlyk, en heeft zelf deernis met my. Hou den braven Blankaart +te vriend, Keesje; ik vrees anders, dat gy al zoo veel met Vader zult +te doen hebben als ik! Vaarwel, myn Broeder, + + T. T. + + HENDRIK EDELING. + + +Noten: + +[1] Hier: kunstmatig romantisch. +[2] Lambrizeeringen. +[3] Toonaard. +[4] Duidelijk. + + + + +HONDERD-VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed heeft uit Indië _een erfenis +gekregen van_ 80.000 gulden van zekeren Jan Bern, zooals blijkt uit +de Honderd-een en veertigste brief. + + +In HONDERD-TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF dankt de Wed. Spilgoed. + + +HONDERD-DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling _geeft zijn koppigen +tegenstand op_; hij is overtuigd door Blankaart. + + +HONDERD-VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis feliciteert Wed. Spilgoed +en in Honderd-vijf en veertigste brief schrijft ze heel lief aan Aletta +Brunier, ook over Sara. + + + + +HONDERD-ZES EN VEERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS. + + +_Ge-eerde Vriendin_! + +Nog spyt het my, dat ik zo weinig tyds te Rotterdam gehad heb. Nu, ik +heb uw Zoon dan veilig in uwe handen gestelt. Myne oogen liepen over, +toen ik zag, welk een Moedergek die Willem is. Wat zyn dat lompe +Heiblokken van kerels, die een man uitlachen, als hem eens een losse +traan ontvalt! Ik ben nu een man, mag ik spreken, die van een kind af +door 't kreupelbosch gejaagt is. Ik heb door menigen zuren appel +gebeten, eer ik zulk een man wierd, door den zegen van God, den Heer; +zo dat ik maar zeggen wil, dat ik harden[1] geleert heb: En als ik +echter daar zo een Goliath van een Luitenant, als een eikenboom, voor +my zie staan, en zyn Zoontje, dat hy in geen ront jaar gezien heeft, +hem in de armen zie vliegen; zonder dat het hem het minste aandoet; +dan denk ik, hoor jy grote Sinjeur, al bulkt gy als een stier, en al +blaast gy als een walvisch, jy bent by my, met al dat gesnoeshaan, +maar een bange bloodaart. Je zult wel dra in je hangmat kruipen. Wel, +wat hagel, moet je dan, om je kop voor 't Land te laten, geen liefde +voor je Land hebben? Zal zo een Bulderbast zyn benen onder zyn lyf +laten weg schieten, als of het zo maar bywerkje was, en dat voor +vreemden? Zal hy dat doen, zeg ik, dien alle de vaderlyke driften in +zyn ziel bevroren liggen? Hoor, dat is by my maar uit, _die geen +gevoelig hart heeft, kan niet dapper zyn_. + +Hoor, Vriendin, als ik u zie, dan denk ik altyd aan Naömi, de Moeder +van Ruth, uit den Bybel. _Willems land is uw land, en Willems God is +uw God_; zo als er in den Bybel staat. En hy moet maar voortaan in +Amsterdam blyven, en eene brave vrouw voor hem zien te krygen. +Tusschen ons; ik weet net zyn slag, eene mooije lieve jonge juffrouw; +en ik zal hem wel aan 't werkje helpen: 't is een aartig schoon kind. +En Tante moet ook haar milde hand maar open doen. Abraham Blankaart +zal geen troef verzaken: Och Heer! ik heb gelds genoeg; en alle brave +jonge lieden zyn myne kinderen; zo dat, zorg daar niet voor. Hy moet +zelf Koopman worden; ik zal zyn Patroon eens, buiten zyn kennis, gaan +spreken. + +Maar nu moet ik u eens een klugtje verhalen: Daar is Brôer Benjamin +met Zuster Slimpslamp met de Noorderzon verhuist, en zy hebben Tantes +Geldkistje meegenomen; (wel nu lach ik my tot een Doctor.) Die malle +Zanne! Nu, zy heeft maar verdiende loon: zy zou naar my geluisterd +hebben; ik zei dikwyls: _Tante, Tante, al dat Bruine goed loopt op je +zak; je zult nog eens van den huig geligt worden: laat ik de kit ereis +voor u schoonmaken, en al dat Jan Rap wegjagen_; maar dan was ik, (dat +Varken!) een godloos mensch, een Saulus, die de Heiligen vervolgde; +plaisierige Heiligen! zie je ze daar niet met Heintje pik, in 't huis +daar naast? + +En dat het hemelsch waar is, dat zal ik u eens gaan uitcyferen. Myn +kleine Meid is ziek, zo als gy weet; nu althans, Tante hadt haar een +Briefje geschreven, waar in zy schreef, dat zy zodanig bestolen was, +en verzogt, of zy haar niet eens zou kunnen spreken, of zy haar alles +vergeven wilde, wat zy aan haar misdaan hadt, en of zy by my een goed +woord zoude willen doen, met nog meer vyven en zessen. Wat doet myn +Sarotje? Wel! dat braaf kind schreef haar aanstonds, dat zy haar alles +vergaf; dat zy by my ten besten zou spreken, en Tante komen bezoeken; +maar zy krygt daar op zulke koortzen, dat zy niet uit kon gaan. En zo +dra ik in de stad kom, en met haar spreek, verzoekt dat lief schepzel +my, om toch eens by Tante te willen gaan, en te zien, hoe het toch +was. Wat zou ik doen? Abraham Blankaart hadt er wel niet veel trek in, +doch het Meisje kreeg er my echter naar toe, en ik begreep, dat ik de +ouwe Babbe niet in nood mogt laten. Ik ging er dan heen, met Snap, zo +by me. Tante deed zelf open, en ontstelde. Nu, zei ik, wees maar niet +ontstelt; uw Nicht heeft my by u gezonden, om dat zy zelf ziek is, en +ik kom zien, of ik u helpen kan; en zo ging ik met haar, die huilde en +balkte, den gang door, daar ik nog iemand vond, daar ik u dadelyk van +zal schryven, zo 't my niet ontschiet, want ik ben zo wat met myn +memorie gebruit. Daar hoorde ik toen van A. tot Z. Tante had +getracteert; zy hadden Tante, die niets verdragen kan, de hoogte +gegeven; en Bregt als een zwyn zo vol gegoten. Toen het ouwe Fatsoen, +die zy te bed bragten, en Bregt, die zy op kussens in de keuken gelegt +hadden, sliepen, hadden zy den aap geligt; en daar was, zeit Zanne, +wel twee derde van haar Capitaal, en al hare Juwelen in. Die malle +weêrgaê! zy hadt haar huis op den Nieuwen Dyk verkogt, en wel voor +twintig duizend Guldens aan afgeloste Obligatien in Contanten; al dat +geld was in Gouden Ryders opgewisselt, en lag in een klein kistje. Dit +wisten die Hagels-kinderen, want Zanne hadt met hen overlegt, hoe zy +dat geld best zou uitzetten. Hoe vindt gy die, Juffrouw Willis? Met +zulk bogt, zulk schuim van volk; die weten veel van geld beleggen! ja, +zie, zo zot is dat oud wyf. Had ik t'huis geweest, zie, ik ben nu een +man, die myn hond geen bedroefde snoet kan zien zetten; maar of ik dat +Paar Vromen ook reis eventjes op het Schavot zou geholpen hebben! Ik +zou die bedriegers zo veel _smeert hem Keesje_ hebben laten geven; ik +zou er eensjes zo balsemiek hebben laten rossen, dat zy zouden geweten +hebben, wat het is _den ouden mensch te kruissigen_; zie ik word zo +satans nydig, om dat zulk varkenvolk de bybelsche woorden zo +misbruikt. + +Maar nu moet ik u eens wat vragen: want zie, Juffrouw Willis, gy zyt +toch maar een _Moeder in Israël_. Wat denkt gy? fop ik my zelf, als ik +geloof, dat een vrouw van Tantes jaren, die zo een Briefje aan Saartje +kan schryven, om vergeving; die aan zo een kleuter verzoekt, om by my +een goed woord te doen, by my, die, zo als ik daar ga en sta, ook maar +een armen zondaar ben; dat zo een vrouw, laat zy zo fijn zyn als zy +wil, geen boos hart kan hebben? 't Is een malle kwezel, en zo gierig +als het Graf; maar zy kan zich nog bekêren; en ik zal haar ook al maar +helpen; zy zal in haar ouden dag geen gebrek hebben, nog in fatsoen +verminderen. Haar lekkere tant zal nog niet eens uitmoeten; want +Abraham Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. Zo dat ik maar +zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen, hoe of 't Christelyk of mooglyk +is, dat myn kleuter zo pront haar geloof verstaat. Zy vergeeft haar +Tante alles van harten, wil haar helpen, haar bezoeken. Och! toen ik +dat hoorde, scheurde ik myn kamisool los; zo was ik aangedaan: ik kon +haast geen adem scheppen, en ik dankte God, om dat ik de Voogd van zo +een meisje mogt zyn. + +Maar ik zou my zelf wel uitschelden voor al wat lelyk is, om dat ik +vrees, dat Saartje ziek is geworden van droefheid, over een +verduivelden Brief, dien ik haar geschreven heb. Zy ziet er zo naar +uit: de rozenwangetjes zyn geheel weg! Hoor, zy ziet er regt droevig +uit, maar wil het nog zo niet weten, dat goede Meisje. Ja! daar kryg +ik heel in Parys een Brief, vol met leugen en laster van Saartje, en +van Mevrouw Buigzaam; en dat Saartje zo aansprong, en dat Mevrouw +alles toeliet, en nog eene menigte lelyke dingen; zonder naam, moet gy +weten. Daar ga ik je, als zo een dolle Hartog, aan 't schryven, dat +het nergens naar leek: en nu hoor ik overal, dat Mevrouw Buigzaam de +deugd zelf, en myn Sarotje niets onbehoorlyks gedaan heeft. Zie, ik +ben zo satans nydig, en zo ik uitvind wie my zo by myn neus gehad +heeft, dan zult gy er van horen: konkels zullen er zwaaijen. + +Hoe ouwer ik word, hoe meer ik zie, dat men de deugd by de vrouwen +moet zoeken. Ja, van die Juffrouw moest ik u nu nog vertellen, die by +Tante zat. Zy hiet, zo als ik hoorde, Styntje Doorzicht; zy was heel +stemmigjes gekleet; een Samaartje, met spelden-kopjes, op een wit +grondje aan; een zedig Kuifmutsje op, daar het bakkesje van een +Heiligje uitkeek: net _Moeder Maria_, zo als ik haar in de Paapsche +Kerken heb geschildert gezien. Dat lieve mensch sprak zo waaragtig +vroom, zy betoonde zo veel eerbied voor God, zo veel liefde tot den +Naasten, zy gaf Zanne zulk een goeden raad, zy was zo minzaam, dat ik, +met myn armen over elkander geslagen, haar aanhoorde, en dagt: zie +daar eenen van die vromen, zo als God maar een om de honderd jaren +zendt, om ons te leren, hoe verre wy het evel brengen kunnen, als het +ons maar recht ernst is. Zie daar, Juffrouw Willis, nu ben ik een man, +die met een Dominé wel eens over een Kapitteltje harwar, maar ik was +stom; zo sprak dat brave Styntje Doorzicht. Eindlyk sprak ik eens +recht myn hart uit, en ik drukte haar de hand. _Myn Heer, gy zyt een +Zoon van den vromen Aartsvader Abraham; gy wandelt voor Gods +aangezichte, en zyt oprecht; een vroom Israëliet, in wien geen bedrog +is_. Och Juffrouw! zei ik, dat ik het wel meen, dat is waar, maar ik +ben van jongs af in veel slommer[2] geweest, ik heb veel gereist en +getrokken, en vele Voogdyschappen gehad. Ik zeg dikwyls, Abraham +Blankaart, Vriend, jy zult veel vergeving nodig hebben, heb toch veel +lief, man! En zo ging ik daar van daan, zo gesticht, of ik in de Kerk +geweest was. En zou een mensch geen struiken uit den grond vloeken, +als hy bedenkt, dat, om een deel Huichelaars, Benjamins en Slimpslampen, +zulke vrome Godvreezende menschen beschimt en versmaat worden. Ik +geloof waaragtig, dat als de Apostel Paulus (Paulus is _myn_ man, +weetje, en Salomon die van Saartje), als Paulus nu leefde en Styntje +Doorzicht gekent hadt, hy haar als zyn wyf zoude omleiden. 't Is nu zo +moeilyk niet, moet je weten, om een goed Christen te zyn, als toen de +man zei, _dat niet te trouwen beter was_; en ik verzoek Juffrouw Willis, +dat gy daar eens op let. Ja, zo eene Styntje zou eene Martelares +geworden zyn. Lieve God! wat zullen toch zulke misselyke stoethaspels +van mannen, zo als ik er een ben, in den Hemel bedroeft afsteken bij zo +een Styntje, by u, by Mevrouw Buigzaam en by Saartjes Moeder! Nu, ik +meen myn ziel eens braaf onderhanden te nemen, haar eens terdeeg _mores +te leren_: ô, mogt het onder uw oog geschieden; gy verstaat my immers +wel! ik wensch nog eens uw man te worden.--Nu--_is het er uit_. Zeg nu +wat gy wilt: _'t is er uit_. + +Duizend groetenissen van Saartje aan u, en aan uwe Dochter. Willem eet +alle middag by my. Ik ben + + Uw nederige Dienaar, + + ABRAHAM BLANKAART. + +Noten: + +[1] Hij is "gehard". +[2] Beslommeringen. + + + + +HONDERD-ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: hij is in +de wolken: _vader heeft_ Sara _aan_ Blankaart gevraagd voor 'm--èn: _de +lasterbrief was van_ Cornelia Hartog!--dat komt uit door Rien du Tout. + + +HONDERD-ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis _is heusch verliefd +op Aletta_; Sara behandelt hem als broer. + + + + +HONDERD-NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED. + + +_Mevrouw, zeer waarde Vriendin!_ + +Al waart gy nu, menschlyker wys gesproken, zoo heilig als een Engel; +(en dat, geloof ik voor my, zyt gy ook maar;) en al wierdt gy ook van +zeven duizend legioenen van Duivelen gelastert, dan zoudt gy evenwel +nog wel zekerlyk zo veel van den mensch hebben, als Moeder Eva, vóór +zy zo lelyk bedrogen wierdt, hadt: kort gezeit, gy zoudt nog wel wat +nieuwsgierig vallen? want vrouwtjes zyn toch niet anders. Ik loop, en +draaf, en klungel daar zo alle daag aan uw huis, puur als of ik naar +u uit vryën kwam; maar dat is zo niet; zulk een fraaije Dame kan in +Abraham Blankaarts pot niet. En 't is of ik nu maar te Amsterdam ben, +om myn tyd met manden uit te dragen: om fiolen te laten zorgen. Zo dat +ik maar zeggen wil, dat ik alle daag aan uw huis kom, om met u eens +alleen te spreken: maar ik heb zo veel te horen, te kyken en te gapen, +en zo myn spikkelatie met die drie Nufjes van meisjes, die, de een +voor, de andre na, in en uit kwispelen en kissebissen; en dan moet ik +er de vreugd in maken, en er zo eens wat meê dollen; en dan zit gy +daar als _de Roze van Saron_ in 't midden, sprekende, onderrichtende, +goedkeurende, minzaam ziende. ô Mevrouw, ik wou, dat onze Schilder +Troost nog leefde; ik liet die groupe schilderen, om er myn +Familiestuk van te maken, mits dat ik er ook in mogt, met Snap zo by +me. En zie daar! dan is de tyd om; en ik heb zelf vergeten, dat ik om +u te spreken gekomen ben. + +'t Is een regenachtige dag. Ik zei, wel heeft Abraham Blankaart er +niet den hooi[1] van, om al weer daar heen te laveren, en myn tyd te +vermallen met die Meisjes? Ik zal t'huis blyven, en schryven 't geen +ik toch aan Mevrouw niet kan vertellen, en Sarot mag er niets van +weten; 't is zulk een olyk platje! + +Dat die zuurkyk[2] weg is, is goed: 't is een verdort gemeen stukje, +voor een fatsoenlyke Juffrouw; maar ik schrijf niet graag over slegte +menschen; ik word dan maar nydig en bedroeft. + +Om dan myn vertelling te beginnen; want nu weet gy nog zo veel als +gisteren: zo dat ik maar alleen dit zeggen wou! Daar heb ik een bezoek +gehad van den Agter-agter-klein-agter-Zoon van Marten Luters ouden +vriend, Casper Edeling, van Jan Edeling! en wy hebben te saam over het +Geloof, en de zoete Meisjes, eens heldertjes gebakkeleit. Hij wagtte +my in myn zydkamer. "Zo, Marten-Broêr, zei ik, welkom."--Uw Dienaar, +myn "Heer Blankaart;" en hy keek, of schoppenboêr ook nog van zyn +Familie was; zo, dagt ik, dat zyn de oude grillen. Ik zei des, wel +fraai buigende, dat ik toch beter ken dan zo een oude podagrist: "Uw +dienaar, myn Heer Edeling;" en ik gaf hem een fauteuil. Dus begon hy, +terwyl hy de glazen uitkeek. (_Ik, niet lui, ging over 't horretje +gluren; ja, zo moet men met die wonderlyke menschen, omgaan, of zy +denken, dat de Drommel hun niet wys genoeg is_.) + +_Edeling_. Nu, daar is myn Zoon Hendrik dan verlieft op uwe Pupil. Hy +ziet er uit, of hy uit een belegerde stad komt, en mymert, en zwygt, +en ik heb gister het eens op hairen en snaren gezet, maar 't is of ik +met myn kop door dien muur wil: en hy wist my nog een hope te zeggen: +die eigenwyze jongens! Ik ben ook moeilyk[3] op hem.--Gy zegt niets? + +_Ik_. Wat heb ik met uw en uw Zoons gemor te doen? Ik zie niet, waarom +ik iets zeggen zou. 't Raakt my niet; en ik _wil_ my er niet meê +bemoeijen. + +_Hy_. Wat! raakt het u niet? En dat de jongen knapen zo met het Geloof +omspringen? Ei zeker, zou ik myn huis tot een Noachs-Ark, of een +Remonstrantsche Kerk maken? + +_Ik_. Wel, hoe satan heb ik het? Heb je niet uitgeslapen? of maalt je +de geest? Nog eens, wat bruit my uw gekibbel met uw Zoon? + +_Hy_. Wel, hy wil Juffrouw Burgerhart hebben, al is zy gereformeert. + +_Ik_. Wel, ik wil haar niet geven in eene Familie, die haar niet met +liefde en achting ontfangt. + +_Hy_. Wat moet ik dan doen? + +_Ik_. Dat's _uw_ zaak. Gy zyt Vader. Uw gezag zal zeker met verstand +gepaart gaan. + +_Hy_. En daar is nu myn Zwager, de Pastoor Redelyk, die praat even +eens als gy, en zyn Vrouw ook. + +_Ik_. Nu, als je my niets anders te vertellen hebt, kon je de moeite +wel gespaart hebben, om by my te komen. Hoe ik over den Godsdienst +denk, weet gy. Wilt gy geene Gereformeerde vrouw aan Hendrik geven; +wat geef _ik_ daaröm? + +_Hy_. Wel, waaröm laten wy onze kinderen dan yder in onze Kerk +opbrengen, en hun geloof leren, by Kategizeermeesters van onze eigen +Leer? + +_Ik_. Om dat wy--laat ik zwygen! Hoor, Paulus is myn man. Wat zeit +die? _Onderzoek de schriften_. Dat klinkt u wat anders voor den snoet, +dan _zyn Geloof te laten leren_. Weetje wat, Jan Edeling? daar is nog +maar te veel _Papery_ onder de Protestantsche Christenen. Wy razen en +duiveljagen tegen den _Antichrist_, tegen _den Gog_ en _den Magog_, +tegen den _Paus_; en ydere Dominé wil Paus zyn in zyn Kerk, en ydere +Vader Heilige Vader in zyn huis zyn. Kom aan! daar is uw Zwager (ei, +ik wist dat niet, is hy uw Zwager?) Redelyk; wel, die vrome wyze man, +zegt gy zelf, dat net denkt als ik; zo dat, ik hoef my dat niet te +schamen. Hoor, jou geloof is een enkel _toeval_; want je hebt er +magtig veel toe gedaan, hebje niet? om van Lutersche Ouders geboren te +willen worden. Wel, Jan Edeling, Jan Edeling, 't lykt nergens na: maar +dat gy uw braven Zoon, als zo een regte Nero, niemands-Vriend, van +liefde kunt zien sterven, om een deugdzaam meisje--op myn ziel, (_en +ik sloeg op de tafel_,) uw geloof is 't regte geloof niet! + +_Hy_. Hoor, Abraham Blankaart, ik zou met al myn hart u om het Meisje +voor myn Heintje verzoeken, was zy van zyn Geloof. + +_Ik_. Wel, ik wed om een Visje, dat zy van zyn Geloof is. + +_Hy_. Hoe? wat? heeft zy dan haar Kerk verzaakt, en dat om een man? + +_Ik_. Noch 't een noch 't ander; en evenwel ik wed met u. Zie, zy zyn +het immers daar in eens, en dat's wel een fondamenteel stuk van +eenigheid, dat zy met elkander gelukkig kunnen zyn, en dat gy het hen +maken kunt. (_Hy gaf my zo een knorrige meesmuil; en toen begon hy +weêr op nieuw te zagen, en van 't Geloof, en van elk in zyn Kerk, dat +my 't bloed zo al wat begon te krieuwelen_.) + +_Ik_. Nu wil ik in myn huis niet langer dat gegons verdragen. Gy zoudt +beter doen, als gy eens een Kapitteltje in Sint Jan las: die brave +Apostel zal het u zoo ouwerwets zeggen, dat gy wel voelen zult, waar +de wind van daan komt. Maar ja, de Bybel daar leest men niet in, dat +klungelt en sjouwt met Huispostillen, en Uitleggingen, die geen pyp +tabak waart zyn: en Gods heilig dierbaar woord, dat ligt, met zilveren +sloten, in het beste vertrek daar braspenningen te zweten. (_Hy +lachte_.) + +_Hy_. Daar is myn hand, Brammetje; jy bent toch een man, die my lykt. +Ik moet nu myn hele les leren. Hoe moet ik dan met myn jongens leven? +want ik heb nog ergens zo een suppliant in de wyde waereld. + +_Ik_. Wel, als ik zulke jongens had, en zy hadden liefde voor brave +meisjes van de Protestantsche Kerk, en zy verzogten my, om haar te +mogen hebben, wel, dan zou ik zeggen: ziet; Kinderen, dat staat my +bestig aan. Ik zal zien, dat ik elk zyn Vryster bezorg, en je allebei +in goeden doen stellen, om wat te beginnen; en dan zou ik met myn +jongens eens op 't goed succes drinken, en door myn gang lopen +tierelieren, als of ik zelf nog maar twintig jaar waar. Hoor, Jan +Edeling, dan zult gy vreugd en genoegen hebben, en je kunt voor je +dood nog Grootvader van een kleine kabauter of agt wezen. + +_Hy_. Gy hebt gelyk! Ik verzoek u dan om het Huwlyk; en als ik het +zeg, meen ik het waaragtig. 't Zal my tot eer zyn, Juffrouw Burgerhart +myne Dochter te mogen noemen. Zal hy ze hebben? + +_Ik_. Met al myn hart; en ik hoop, dat zo uw andre Zoon ook maar een +braaf deugdzaam meisje kiest, dat gy dan ook even redelyk zult zyn. + +_Hy_. Zie, Bram, zo ben ik nu ook weêr, als ik iets doe, doe ik het +terdeeg; ik hou niet van dat krummelwerkje. Hoor, _als ik over den +hond kan, kan ik ook over den staart_. Als Cornelis het wel maakt, +en hy een ordentelyk meisje wil, gierigheid daar aan heb ik my nooit +bezondigt; ik wil maar baas zyn, en gelyk hebben. + +_Ik_. En juist daarom hebt gy geen oogvol recht op iemands hart; +alles, wat men, als men van u afhangt, doen kan, is bang voor u te +zyn. + +_Hy_. Gy hebt waarlyk gelyk: maar ik zal zien, dat ik dien _ouden +Adam_ er uitramei. + +_Ik_. Dan zult gy de beste man van de Waereld zyn; en myn Meisje zal +geen der minsten zyn, die u 't leven aangenaam zal maken. Nu zult gy +eerst gaan ondervinden, hoe gelukkig men is, als men de _beminde_ +Vader is van brave kinderen. + +_Hy_. Ik heb meer voor myne kinderen gedaan dan duizend Vaders doen; +ik heb nagt en dag gewerkt voor hen, ik gaf altyd in de ruimte.... + +_Ik_. (_hem in de rede vallende_.) En met dit al, gy zyt wel +gehoorzaamt, wel geëerbiedigt, maar ik vrees, dat uw eigen kinderen +u niet beminnen, zo als zy u zouden bemint hebben, als gy wat min van +het meesteragtige, en wat meer van het Vaderlyke getoont hadt. + +Na nog wat pratens ging Marten Neef heen, zo wel gehumeurt, en zo +zagt, als hy zeker nog nooit, zedert hy alleen gaan kon, geweest is! +Waarlyk, 't is een goed eerlyk allerbest man; maar omtrent zyn vrouw +en kinderen was hy, en dat alleen uit grilligheid, een regte +_Bullebak_. + +Dat zit daar heel gek, en wel dubbel gek met Tante. Dat Janrap heeft +haar tot op 't gebeente uitgemergelt. Maar myne kleuter spreekt zo ten +goeden, en verzoekt zelf, om uit haar geld Tante wat te ondersteunen, +dat het een lust is om te zien. Ik ben daar eens by die beste vrome +Styntje geweest, (ja, ik leef onder en boven den grond!) en ben met +haar overeen gekomen, dat zy Tante in huis zal nemen, en onder haar +bestuur, vatje het? en dat ik het met haar wel maken zou. Maar ik wil +dat voor het ouwe wyf niet weten; wel, wat hoeft dat? Die allerliefste +vrome ziel zal myn Saartje eens bezoeken, zo een zin heeft zy in 't +meisje. + +En nu moet ik u eens aanspreken, want gy zyt _het Vrouwtje van +Thecoa_,[4] uit den Bybel. Ik wou u eens vragen, of Juffrouw Letje +t'avond of morgen niet een goede vrouw voor Willis zyn zoude? of zyn +er al Kapers op de Kust? Het meisje komt my zo wél voor, en ik zie +heel wel, dat zy ook by u twee witte voetjes heeft; en dat zou zy niet +hebben, zo zy geen goed jong kind was; en myn Saar houdt zo kragtig +veel van haar. Nu, denk er eens aan: ik zou dat graag zien. Haar Broêr +heb ik gekent als het olykste Salet-rekeltje, dat er op Gods aardbodem +was, maar hy wordt een heel ander mensch: ik ben ook zyn vriend; doch +Edeling, die my zegt, dat hy het beste hart van de waereld heeft, en +zo goedaartig is als een kind, heeft vóór, hem een beter bestaan te +bezorgen.--Ja, ik wou wel wat zeggen, maar het wil er niet uit; +evenwel het deedt my zo goed, toen ik het hoorde, dat myne oogen +overliepen! Ik kan 't niet zwygen. Hy is het, die aan Edeling uwe +verlegenheid, door een ryken schacheraar u veroorzaakt, vertrouwde[5], +er by voegende: "Myn Heer, ik heb geen geld, anders zou ik of Letje +het al afgemaakt hebben; maar zeg het de brave vrouw nooit, dat ik het +ben, die u dit zeide:" en hy sprak van u, als of gy zyne Moeder waart. +Moet zo een jongen geen goede gronden hebben? Moet hy niet beloont +worden? Wat zegt gy? Nu schei ik uit, en ben + + Uwe oprechtste Vriend, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Meer dan genoeg. +[2] Cornelia Hartog. +[3] Boos. +[4] Stad bij Bethlehem. Joz. XV. +[5] Vertelde. + + + + +HONDERD-VYFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER R. AAN DEN HEER G. + + +_Broeder Lichtmis!_ + +Razent, woedent, helsch kwaadaartig over myne mislukte onderneming! In +myne eigen strikken gevangen! Maar wie kon denken, dat er een Burger- +meisje in de waereld was, die een man, zo als ik ben, tegenstand zou +bieden? Wat moet ik denken; zou er waaragtig zo iets zyn, dat deugd +genaamt wordt? Ei, wisjewasjes! Kinderlyke vooroordelen; dat is 't al, +en anders is 't niets. Nooit heb ik my zo misrekent! En niets dan schrik +kan my haar bezorgt hebben. Zie daar! daar raken de Harddravers met een +poot of drie in een der leizels, die ik bevolen had optestrikken, om +toch gereet te zyn, zo dra zy besloot my te volgen. Er was niemand op de +plaats dan de Tuinvent. Ik moest helpen of myn beste Paarden verliezen. +Ik sluit de schone meid in de kamer, verzekert, dat zy myne gevangene +moest blyven. En in dien tyd, dat ik in den stal ben, is zy 't ontsnapt. +'t Is my volstrekt onbegrypelyk, want er was niemand op de Plaats dan +de kerel en ik. Ik kom weêr, doe de deur open, vind haar niet, sta als +een driedubbele gek, loop het huis uit, raas, stampvoet, vlieg by Kryn +in huis; alles vergeefsch; loop naar 't Hek; ja, 't Hek was open, en ik +begreep, dat het niet voor my geraden was, haar na te zetten. Waar zy +belant is, weet de Drommel; doch het scheen my hoognodig, om, vroeg in +den morgen, weg te ryden; ik ging naar Utrecht, en van daar op Arnhem; +thans ben ik op Pruisischen bodem, en laat my ligt Hofraad maken; 't +kan te pas komen. Hoort gy niets? Alles zou ik nog vergeten kunnen, +maar ik bemin haar tot myn straf. Dit maakt my dol op my zelf, en met +dit al, het is niet anders. + +Als gy niets beters te doen hebt, kom dan by my, en breng Philips +mede, op dat ik ten minsten een paar guiten heb, op wie ik al het +onweêr myner gehoonde en van liefde gemartelde ziel vryelyk mag +uitgieten. + + T. T. + + R. + + + + +HONDERD-EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis laat Blankaart _een +blauwtje loopen_. + + +HONDERD-TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Hendrik schrijft Sara een solide +liefdesbrief. + + +HONDERD-DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Sara antwoordt hem niet minder +degelijk; _er ligt haar nog iets op 't hart; ze denkt dat_ Hendrik +_nog niets weet van 't geval met_ R., maar uit de Honderd-vier en +vijftigste brief blijkt dat hij alles wist. + + +HONDERD-VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis noemt haar verloofde +Smit "waarde vriend"--deelt hem de _officiëele verloving mee_ van Sara +en Hendrik. Blankaart was zeer ontroerd, doch lachtte zijn tranen weg. + + + + +HONDERD-ZES EN VYFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Myne Tederbeminde!_ + +Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, om te schryven, in die +droefgeestige uuren, dat ik uw gezelschap moet missen. Ik weet, myne +Liefde, dat de Betaamlykheid my de wet stellen moet; dat ik myne +affaire moet benyveren, en voldoen aan die onderscheiden pligten, die +ik voor my te doen vinde: ik kan u des maar weinige uuren 's daags +zien. Al den tyd, dien ik kan uitsparen, gebruik ik echter om aan u +te schryven. + +Gy hebt u dan met welberadenheid aan my verbonden, en, schoon de +gelukkige dag nog niet bepaalt is, zo hoop ik, dat hy nu haast zal +aanbreken; iets, waarom ik vurig bid. + +Myn waarde Vader, die myn geen woord gezegt heeft van zyn voornemen, +om u te komen zien, verhaalde my onder het avondeeten, dat hy by u +geweest waar, om u veel zegen te wenschen met uwe Verjaring. "Zie, +Hendrik, zei hy, 't is een aartig meisje, maar 't is of zy bang van my +is. Zy was wel beleeft en vriendlyk, maar toch zo niet, als zy tegen +haren Voogd (die er ook inkwam,) zich gedraagt: en dat spyt my; want +ik meen het kind wel te doen; jammer, duizend jammer! dat zy niet van +ons Geloof is." + +_Ik_. Juffrouw Burgerhart zal, zo dra zy weet, dat gy vriendelyke +gemeenzaamheid niet voor kleinachting in jonge menschen aanziet, u +zeker zo behandelen, als gy wenschen kunt. + +_Hy_. Wel, dat's al een raar Compliment, Hendrik. Ben ik dan zo een +Niemands vriend, dat de jonge lieden voor my vrezen? dat zou my +spyten! + +_Ik_. Myn waarde Vader, trek er toch dit gevolg niet uit! Gy weet, hoe +pligtmatig ik altoos omtrent u gehandelt heb, en den Hemel dank voor +den braven Vader, dien hy my gaf. + +_Hy_. Ja, ik zie zelf wel, dat ik zo niet ben als uw Oom Redelyk, of +als Blankaart, maar dat is zo myn humeur. Nu, zal 't haast lukken? +Wanneer gaat het Huwlyk aan? + +_Ik_. Zo dra wy een huis hebben, denk ik. + +_Hy_. Wel, is dat de zwarigheid? wagt, met je Vrouw, de occasie hier +by my af: of wil zy niet by zo een knorrig man zo lang komen inwonen? + +_Ik_. Daar is geen woord over gesproken; maar ik ben wel verzekert, +dat myn aanstaande Vrouw over haar Mans Vader dus onheusch niet zal +oordelen; en ik bedank u by voorraad allerhartlykst voor deeze +aanbieding. + +_Hy_. Waar is uw Broeder Cornelis? + +_Ik_. Die eet by den Heer Blankaart. + +_Hy_. Wel is 't waar! alle jonge lui zyn even gaarn by hem; maar 't is +ook de beste, de braafste man van de waereld. Hy heeft my ook al zo +eens aan 't oor geweest over uw Broêr. + +_Ik_. Ja, myn lieve Vader! Keesje heeft, toen hy te Leiden studeerde, +eene Juffrouw leren kennen, die hem boven alle behaagde; en dewyl de +Heer Blankaart die familie kent, en roemt, zoo is 't niet vreemt, dat +hy een woord voor myn Broêr gesproken heeft: zy is niet ryk.... + +_Hy-. (_my in de reden vallende_.) Ben ik dan een gierige schrok? Heb +ik ooit op geld gezien? Als 't anders wel is, zal dat wel gaan; maar +al weer niet van myn Geloof, denk ik? + +_Ik_. Dit weet ik met geen zekerheid: de Heer Blankaart zal u alles +wel berichten. + +_Hy_. Nu, 't is nog zo verre niet. Hy moet eerst wat praktyk hebben. +Ik hoop, dat hy die zaak op het Oostïndische Huis, voor Mevrouw +Buigzaam, maar wel en spoedig zal afdoen: zo hy zich ooit met slegte +zaken bemoeit, ontërf ik hem; geen schelmen in myne Familie, zou ik +hopen: dan nog liever Gereformeerde meisjes tot Schoondochters! + +Zie daar de kaart van 't land, myne Liefde, indien gy den braven man +weder mogt ontmoeten. Hy zal u zeer lief hebben, maar het u nooit +zeggen; hy zal u overhopen met presenten, en zien of hy op u keef: +Beter hart dan het zyne is er niet. + +Myn Broêr praat bykans zo veel van u als van zyn meisje, en houdt niet +op van te zeggen, dat gy, uit alle meisjes, juist die geene zyt, die +my gelukkig kan maken. + +Nu zal ik u verslag doen van myn Bezoek by den Warmoezier. Ik ging er +deezen namiddag heen. De vrouw was bezig met groenten te wassen, +geholpen door een jongen knaap; de man was in den Tuin. + +_Ik_. Goejen dag Aaltje-buur, hoe gaat het al? + +_Zy_. (_Zeer verwonderd opkykende_.) Heel wel, myn Heer, maar ik ken u +niet! + +_Ik_. Gy kent evenwel, denk ik, eene jonge Juffrouw, die gy een dienst +gedaan hebt, welke ik moet trachten te belonen? Is dat uw Zoon, +Pieter? + +_Zy_. Ja myn Heer, dat's Pieter; en dat is myn man, die daar zo druk +bezig is. + +_Ik_. Myne goede vrouw, zo 't u gelegen komt, wilde ik u wel eens +spreken. + +_Zy_. Als 't je belieft, myn Heer. (_Zy ging met my onder een zwaren +Olmenboom op een Bank zitten, die wat van 't huis afstondt_.) + +_Ik_. Vrouw, gy hebt, door die jonge Juffrouw in huis te nemen, en +veilig in de stad te bezorgen, my een dienst gedaan, dien ik u niet +kan belonen; doch ik zal u echter myne erkentenis bewyzen. + +_Zy-. Wel, myn Heer! wel, myn Heer! dat is al dubbelt en dubbelt wel: +die zoete Juffrouw heeft my vier gouwen Dukaten, en myn Zoon nog een +gegeven; dat waarlyk veels te veel was. En wie, al was hy een Heiden +of een Turk, zou zo een aller liefst jong mensch niet in huis genomen +hebben, in zo een droevige omstandigheid? Wil ik u wat zeggen, myn +Heer? al had ik geen rooije duit gekregen, ik zou 't even lief gedaan +hebben; ik heb ook kinderen; en hoe bly zou ik zyn, als myne kinderen +ook in nood en verlegenheid brave menschen vonden! maar die ondeugende +R. zal zyn loon wel krygen. + +_Ik_. Gy spreekt wél; gy verdient achting. Maar zou ik dat lieve +Klaartje ook niet eens kunnen zien? gy ziet, ik weet van de geheimen. + +_Zy_. (_Zy lachte_.) Pieter toe, ga eens even by Kryn-Baas, en vraag, +of Klaartje hier niet eens kan komen; maar je moet niets van dezen +Heer zeggen. (_Pieter ging op een draf, en in een kwartier kwam hy met +Klaartje te rug_.) + +_Ik_. Wel, dag schoon kind, ik moet u de groetenis doen van zekere +jonge Juffrouw, die zeer verlangt om u eens by haar te zien. + +_Klaartje_. Zo, myn Heer; wel, ik zou gaarn eens gekomen zyn, maar ik +durfde niet om myn Vader; die moet er niet agterkomen, of 't zou er +bedroefd uitzien. 't Heerschap jaagde hem heen', en wat zouden wy dan? + +_Ik_. Gy hebt gelyk. (_Onderwyl was Moeder haar Man gaan roepen, die +ook nu by ons kwam; een ordentelyk man, dunkt my_). + +_Zy_. Zie, myn Heer, ik heb Vader zo eens een woord gezeit, maar hem +dunkt ook, dat wy wel zes-dubbelt beloont zyn. + +_Hy_. Ja, dat denk ik, en zo ik de zonde niet ontzag, ik zou zo een +deugeniet, zo een verleider van jonge meisjes kunnen kloppen, dat hy +'t opstaan vergat; dat zou ik! (_en hy zette zyn hoed in de oogen_.) + +_Ik_. Hy en zyn soort verdienen niet beter, maar laten wy van wat +anders praten: deeze jonge vrienden zyn Vryster en Vryer? + +_Pieter_. Ja, myn Heer, met God en met eeren, en ik heb haar ook +miserabel lief, ook Klaartje? (_Klaartje kreeg een kleurtje en +zweeg_). + +_Ik_. En waarom gaat het Huwlyk niet voort? + +_Klaartje_. Dat geloof ik, myn Heer, ik heb maar twee-honderd guldens +voor Moeders erf, en Albert-Baas kan niet meê geven; de menschen +hebben zeven kinders, en men kan zonder geld niets beginnen. + +_Ik_. Wel, Albert-Baas, als de jonge lui nu in staat waren om zich te +redden, zou het dan wel zyn. + +_Hy_. Dubbelt wel, want wy houwen maar elendig veul van Klaartje; ook +Wyf? + +_Ik_. Wel, kom aan. Zie naar gelegenheid uit, en als je op je slag +bent, laat het my dan weten: zie, hier is een beurs, daar genoeg in +zal zyn om te beginnen: daar, Moeder doe jy uitdeling, en geef er zo +veel van als gy goed vindt: gy zyt allen hupsche menschen. + +De vrouw was verstomt, de man keek of hy zei: "droom ik, of waak ik?" +en Pieter omhelsde zyn meisje, uitschreeuwende; "nou ben je evel de +myne, nou word ik jou man;" en hy kuschte haar, of hy haar wou +opeeten. Nou, zei hy, ik ben op dien Heer "niet jaloersch, geef hem +een zoen voor zyn goedheid." Zy deedt zo, met een ware eenvoudigheid, +die my aandeedt. Na nog wat pratens, ging ik te rug, en kwam maar +juist van pas binnen. + +Ik twyfel niet, myne Liefde, of gy zult te vreden zyn met myne wyze +van doen. ô Wat vindt men schone karakters onder zulke gemene lieden! +Laten wy, zo veel wy kunnen, die toch wel doen. + +Nu zal myn eerste bezoek by uwe Tante zyn. En dat lieve mensch, 't +welk gisteren by u was, moet ik nader leren kennen. Dit is al +Christelyke deugd! en hoewel 't gezont oordeel wel eens voor een +weinigje te vergetrokken yver schynt te wyken, dit is niets, daar een +mening zo oprecht, en het voordeel zo uitgebreit is. + +En nu, myne Liefde, bid ik u, dat gy uwen Edeling niet langer laat +reikhalzen naar een geluk, dat hy zo vurig wenscht, en dat hy met zo +weinig geduld kan afwagten. Myne Zielsbeminde! gy hebt myn koel, al +te onverschillig karakter opgevyzelt tot dien graad, die my alle myne +zedelyke en machinale verrichtingen met vuur, met deelneming, met +vaardigheid en gemaklyk doet uitoeffenen. Liefde voor een waardig +Voorwerp, veradelt den Mensch; zy leidt ons daar, daar wy, in al wat +goed, wat groot, wat nuttig, wat heilzaam is, voor ons en anderen, +komen moeten. 't Wordt middernagt. Ik moet eindigen, om u niet +ongehoorzaam te zyn. Wel dan, ik ga slapen. Rust zagt, myne Beste, +en ontwaak onder de bescherming des Algoeden. Eeuwig ben ik + + Uwen + + EDELING. + + + + +HONDERD-ZEVEN EN VYFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS. + + +_Ge-eerde Vriendin!_ + +Al heb ik nul op het request gekregen, daarom blyf ik evenwel dezelfde. +Hoe, wat? zoudt gy my tegen uw zin nemen? Wel nog mooijer! Neen, +Vriendin, ik heb u van harten gevraagt, doch het stond u vry, om my +af te wyzen: Nu zal ik al vast als een _niets beduidend oud Vryer_ +sterven. Want trouwen zal nu wel agter blyven. + +Ik zal echter nog zó veel goeds in de Waereld doen, als ik maar grypen +en vangen kan; want zo maar het leven, dat God de Heer my geeft, met +geld winnen en boekhouden te verpierewaaijen, dat was nooit te +verantwoorden: Me dunkt, dat het er schraaltjes moet uitzien, als een +Christen mensch in den Oordeelsdag evel niets kan opnemen, dat zo iets +de pyne waart is, zo als onze meeste ryke luidjes toch doen. Neen, ik +hoop te kunnen zeggen: "Here! ik ben, en dat is maar niet te ontkennen, +een zondig mensch; ik ben maar een oud Vryer; maar ik heb zo veel goeje +menschen wel gedaan, als ik maar belopen kon; ik heb kwaaje zoeken wyzer +te maken; ik ben niemand ooit hart gevallen, en ik deed dit zo alles, om +dat ik uwe geboden lief had, en uit dankbaarheid, om dat ik zo gezegent +op de waereld was, alles tot lof Uwer genade, amen;" zo dat, ik wil maar +alleen zeggen, dat gy waarde Vriendin, my niet tegen uw zin moet nemen. + +Ik ben dan eergisteren by den Heer Helmers geweest; zo als ik tegen u +zei, dat ik doen zou. Hy woont daar als een klein Prinsje, hoor! Ik +dagt: kom! myn Blesje moet ook eens met baas uit; zie, 't beest is my +zo lief als myn Snap, zo als het ook wel merken kan. Daar kwam ik als +een hele Sinjeur de Plaats opryen, maakte myn paard aan een boom vast, +en ging met Snap naar het huis. + +_Ik_. Uw dienaar, myn Heer Helmers! doet Abraham Blankaart u ook +belet? maar mooglyk ben ik niet by u bekent, en _onbekent maakt +onbemint_. + +_Hy_. In persoon ken ik u niet, myn Heer, maar in karakter wel; gy zyt +hartlyk welkom; waaraan ben ik dit aangenaam bezoek verpligt? + +_Ik_. Dat kan ik u voor de vuist, en met weinige woorden, zeggen. Ik +kom uit vryen om uw Vriends Dochter Letje:--maar, kyk zoo niet op, +niet voor my. + +_Hy_. Ik zal u met genoegen horen. + +_Ik_. Hebt gy den Heer Willis gekent? Hy was niet gelukkig in zyne +affaire. + +_Hy_. Neen, maar ik heb een Vriend gehad; die dit met hem, en even +onverdient, was; Letjes Vader. + +_Ik_. Nu althans, die man heeft een Vrouw en twee kinderen nagelaten; +(_en, toen zei ik zo veel goeds van u, dat ik het niet zeggen mag_.) +Zyn zoon is myn gunsteling, een braaf ijvrig Jongeling, by den Heer +---- op 't Kantoor; die hem als een Vader bemint. En nu kwam ik by u, +om eens te horen, of gy iets tegen een Huwlyk tusschen deeze Kinderen +zoudt hebben? Zyne moeder zal u, zo gy het bewilligt, nader verzoek +doen: want zy bemint Letje, en zou graag zien, dat haar Willem het +meisje kreeg. + +_Hy_. Heeft Letje u niets gezegt van zekeren Brief? + +_Ik_. Geen woord. Zy weet ook niet, dat ik naar u toe ben. Zie, ik wou +eerst weten, hoe gy er over denkt. Gy zyt haar weldoener, zegt zy. + +_Hy_. Myn Heer Blankaart, Letje (dat ondervind ik op nieuw,) heeft een +zeer goed eerlyk karakter. Hare vriendschap met Juffrouw Burgerhart, +haar inwonen by de brave Weduwe, hebben haar in weinige maanden +ongelooflyk veel nuts gedaan. Ja, ik had een ander oogmerk met haar; +doch ik zal haar myne weldaden niet ten koste van haar vryheid en +geluk toedelen. Indien zy myn voorslag hadt kunnen aannemen, 't zou my +lief geweest zyn; maar, zo zy liever den Heer Willis heeft, my is 't +wel; ik moet u evenwel ook voor de vuist zeggen, dat Letje niet meer +dan twintigduizend Guldens bezit: zo veel als haar Broeder, daar ik +ook zeer wel over voldaan ben: en indien Willis nu niets heeft, dan +zie ik er niet door. + +_Ik_. En ik heel wel! God heeft my gezegent, en ik ben maar een oud +Vryer, die kind noch kraai in de waereld heeft. Kom, Helmers! Letje +heeft my zo veel van u verhaalt, dat ik mag veronderstellen, dat gy +nog wel iets doen zult voor haar. Ik zal voor Willis ook wat doen. Ik +had altyd gemeent, als ik niet trouwde, myne Pupil myn goed te maken, +met zo wat Legaten aan myn oude Bedienden; maar zy doet een ryk +Huwelyk, en ik zeg: zie, Abraham Blankaart, gy moet geen water in de +zee dragen, myn Vriend. Nu moeten er andren wel van varen. Och God! +het moet hier immers alles blyven; en wel doen is de boodschap. Is dat +zo niet, myn goeje Vriend? + +_Hy_. Gy doet my aan, Blankaart. Geef my uwe vriendschap: ik denk even +als gy. + +_Ik_. Met al myn hart: nu, wat zegt gy? + +_Hy_. Ik sta de verkering toe; ik bedank u voor de eer, die gy my in +deezen aandoet; ik zal tonen, dat ik uwe achting niet onwaardig ben; +en laat voorts alles aan uwe bestiering over. + +Vervolgens vertelde hy my met aandoening, dat Letje, nog zeer jong +zynde, (nu, zy is nog maar drie en twintig jaar,) eene jeugdige liefde +had opgeöffert aan haar's Vaders redelyk bevel; en dat zy ook hier +voor moest beloont worden. Hy zei my, dat haar Broêr een goede jongen +was, daar wel wat van zou te maken zyn, zo hy in goede handen viel. +Goed, zei ik, ik zal dat knaapje ook al in 't oog houden, en helpen +waar ik kan en mag. + +Na de plaats doorgewandelt en op zyn oud Vaderlands afscheid genomen +te hebben, sprong ik te paard, en kwam, zo in my zelf tierelierende, +en zoo vrolyk als een Koning, met Snap de Stad in, at spoedig, en ging +deezen zitten schryven. Ik ben met eerbied, + + Uwe Hartvriend, + + ABRAHAM BLANKAART. + + + + +HONDERD-AGT EN VYFTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Lieve Vriendinne!_ + +Ik had dan het genoegen om u, en nog eenige jonge harten aan het huis +van de Vriendinne Buigzaam te zien! Ik was byna niet in staat, om myne +inwendige vreugd te verbergen.--'t Was of ik in een zedelyk School +was, daar men jonge menschen de eerste treden leerde zetten op den +waren weg. Toen ik t'huis kwam, moest ik zo betuigen voor den Here: +_Nu weet ik, dat by u geen aanneming des persoons is, maar dat yder, +in wat staat of rang, in wat kleding_, (_zo die der betaamlykheid maar +niet kwetst_,) _die de gerechtigheid lief heeft, u aangenaam is_? Ja, +ik voel zo eene zielenliefde voor de Vriendinne Buigzaam. In haar zie +ik zo _Maria_ en _Martha_ vereenigt. In Letje is een getrouw zaad +gevallen: de Here geve, dat het door de waereldsche beslommeringen +maar niet verstikken moge! Niet, hartje, dat men den kinderen van +Jezus alle speelgoedje moet onthouden; maar 't moet binnen de palen +van uitspanningjes zo blyven. Och, zy laten het van zelf wel varen, +als zy Maagden, Vrouwen en Moeders in den Here worden. En daar is dat +zoetaardig Lotje, die moet niet verstoten worden; zy is een kind in 't +verstand, maar ook in allerleije boosheid. Ja, Styntje, zei ik zo in +my zelf, als ik haar zo eenvoudig zag zitten breijen, gy moet in +onschuld dit Kind gelyk worden, of gy kunt in 't Ryke Gods niet +ingaan. + +Maar gy, myne jonge Vriendinne, hebt vyf talenten ontvangen, en de +Here gaf u ook de gewilligheid, om die tot winst uit te zetten. ô Myn +hartje, gy kunt nog zo veel goeds doen. En uw Bruidegom is een +_Timotheus_, die de begeerlykheden der jonkheid vliedt, in wien het +oprecht geloof woont. ô! Zo de lieve _Johannes_ eens aan hem schreef, +hy zou zeggen: _Ik schryve u, Jongeling, want gy hebt de waereld +overwonnen_. Ik spreke uit ondervinding. De Godsdienstige Edeling is +by my geweest, maar zo als hy zich omtrent uwe Tante gedroeg; ô +Vriendinne, dat was het _werkent_ Christendom! Uwe Tante weende +bitterlyk. Nu ziet zy wél, dat de Here _niet woont in 't water noch in +'t vuur_: gelyk er in het oude Verbond staat: dat is, niet in al dat +getier en gebaar van dat zo genaamde Bekérings-werk: maar dat God +woont in een ootmoedig, gezuivert, en hem geheel geheiligt hart; zoo +is het ook met uwe Bruidegom! + +Ik ben niet onder de ryken deezer Stad; maar ik heb overvloed voor my, +en kan nog wat mededelen; en zo uwe Tante niets hadt, en by my toevlugt +nam, ik zou haar gaarne van 't myne geven. Maar nu gy, en uw Vriend, +ryk zyt in goederen, ryk in de genade, en dus ook ryk in goede werken, +zou het in my eene dwaze trotschheid zyn, geen gebruik te willen maken +van 't geen uw beider liefderyke harten my aanbieden: En nu kan ik myne +stille liefdadigheid blyven beoeffenen. + +Terwyl ik deezen zo zat te schryven, kwam de Heer Blankaart in myn +huisje. Uw Tante was danig ontstelt. Hy bestrafte haar als _Joannes de +Doper_, en troostte haar, als _Joannes de lieveling des Heren_. Zy +viel in den schuld, bekende, dat zy u zeer onrechtvaardig behandelt +hadt, en u in gevaar gebragt, om op den doolweg te raken. "Nu, zei hy, +Zantje, leer nu beter toezien; er zyn, zo als ik u duizend maal zeide, +hele ondeugende sielen onder dat Fyne goedje. Jou Duivel was gierigheid, +kind, die moest uitgedreven worden; zo als de Schrift zegt, _gierigheid +is een wortel van alle kwaad_. Zie, hadt gy nu van uw geld arme sukkels +meêgedeelt; maar neen, er mogt geen duit af, zo 't niet voor dat Volk +was. Nu, 't schaadt je niet; zo je jou nu nog maar bekeert, zal 't alles +wel lukken: hoor, ouwe kennis, ik begryp niet, hoe of je zo in dien hoop +verwart geraakt zyt. Gy pleegt te wezen als alle andere deftige Burgers; +maar zedert dat je bekeert ben, zit je te zuchten en te steunen, dat de +Duivel in zyn vuist lacht, om dat je het by onzen lieven Heer zo wel niet +hebt als by hem. Denk jy, dat onze Hemelsche Vader, die uit liefde en met +blymoedigheid wil gedient zyn, het scheelt, of gy u als een _graauwe +Munnik_ toetakelt; en er uitziet, of je uit het zothuis kwaamt? dat je +dat kostlyk aangezicht weg moffelt in een malle muts? Niet dat ik wil, +dat gy u optooit als een kleuter; maar kleedt u zo als Styntje: zo een +Samaartje staat immers net en ordentelyk, en het Kuifje zindelyk en +zedig? Zy ziet er ook zo blymoedig uit, dat men niet hoeft te vragen, +of zy zich in den dienst haars Gods wel bevindt, en vrolyk leeft in +den Here. Nu, _zalig zyn zy, die zich beteren_. Wat uw bestaan aangaat, +zorg daar niet voor. Uwe lieve brave Nicht heeft my gebeden, om u uit het +hare te mogen onderhouden; en ik zou haar niet half zo liefhebben, zoo zy +niet zo wel kon goed doen als vergeven. Zie, dat is ook een Christelyke +plicht. En wy hebben allen nog zo veel te doen, eer wy waarlyk Christenen +zyn, ik voor al, dat het ons niet voegt onvergeeflyk te zyn. En jy en ik, +Zantje, mogen by Styntje nog wel een lesje halen." + +Vriend Blankaart, zeide ik, ik vinde gedurig zo stoffe, om my te +vernederen voor den Here; laten wy liever elkander leren, en opbouwen +in het goede werk. De Here zelf moet ons leren; en zo doet hy ook in +het woord der waarheid. "Dat is recht, zeide hy: maar wy doen heel +anders, wy verlaten den Sprinkader des levendigen Waters, en houwen +ons zelf gebroken bakken uit; zie, ik lees alle daag in Gods Woord, en +hou my niet op met uitleggingen, die ik niet noodig heb om het te +verstaan, voor zo verre het my raakt als een Christen mensch, wil ik +spreken. Wat kan 't my schelen, of in zo een text van den _Gog_ en den +_Magog_, of van _Constantyn den Groten_ gesproken wordt? Ik wil +_Bybels_, ik wil _practicaal_ horen preken. Daar liep ik verleden +Zondag zo eens in de Meniste Kerk by den Toren; er werdt over de +Bekéring gepredikt; 't was zo fraai, dat ik ging zitten, en luisterde +als een vink. Wel, Styntje, ik ben nu zuiver rechtzinnig, maar +waarlyk, ik kon _amen_ op alles zeggen; en ik zei het ook in my zelf. +Sticht dat niet beter, dan dat ik hoor zagen, en kaauwen en klungelen +over _Aarons baard_? en er dan nog toepassingen by te krygen, die +Spotvogels stof leveren, maar die verstandige en vrome menschen met +versmading overdenken? Toepassingen, die onze jonge Nazireërs wel +agter weeg mogen laten, zo zy zielen willen winnen; en die my danig +ergeren, om dat zy my doen lachen." + +Toen ging de Vriend Blankaart heen, en ik zei in my zelf: _dit is een +Israëliet, in wien geen bedrog is_. En nu, hartje, moet ik u nog +zegenende zegenen: _God geve u een Jozua's besluit: wat ook anderen +doen, wy en ons huis zullen den Here dienen_.--Groet uwen Bruidegom, +groet de Vriendinne Buigzaam, en de jonge Vriendinnen; en neem my in +liefde aan. Ik ben + + Uwe ware Vriendinne, + + STYNTJE DOORZICHT. + + + + +HONDERD-NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vraagt aan Mevr. +Willis, of ze de verkeering van Willem en Aletta goedvindt.--Met Sara +heeft ze ernstig gesproken: die ziet wel tegen het huwelijk op, maar +'t zal wel marcheeren. + + +HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelis schrijft aan zijn Jaantje--Adriana +Nijverhart--dat papa hun verloving ook goedkeurt. Jammer dat _hij +alléén_--naar Hendrik's bruiloft moet: Jaantje's moeder is ziek.... + + + + +HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF. + +DE HEER CORNELIS EDELING AAN MEJUFFROUW ADRIANA NYVERHART. + + +_Myn allerkostelykste kostelykheid!_ + +De knoop is gelukkig gelegt: ik ben eens even t'huis gekomen, om te +zien, of er ook een Brief van uwe Majesteit, Adriana de Eerste, was. +Neen, geen Brief. Nu, dat's weêr een schreefje op den kerfstok! Ik ga +zo vliegent weer naar 't huis van Mevrouw Buigzaam. + +ô Waarom, myne Jaantje, hebt gy gisteren niet by ons geweest? Niets +ontbrak er aan myn geluk dan uw byzyn! Ik geloof niet, dat men met +meerder betaamlykheid, met meerder blydschap, een Party als die van +gisteren zoude kunnen uitdenken en uitvoeren. Alles was naar de +onmerkbare Ordonnantie van Mevrouw Buigzaam; kon het dan anders zyn? +Myn Broeder, weet gy, is een regt schoon man, en zyne Bruid, (of nu +jonge Vrouw,) eene Bevalligheid, die nog meer bekoort dan het schone +zelf. Niemand van ons was eigenlyk opgeschikt: alles was _négligé_. +Wy geleken net één Huisgezin. Hendrik was geheel liefde, geheel vreugd: +De Bruid minder levent dan anders, en men zag, dat zy alleen uit +beleeftheid mede sprak. De voor-avond werdt musicerent gesleten. De +Eerwaarde Smit was geen der minste spelers: maar Mevrouw Buigzaam +wordt niet geëvenaart, ook niet van de jonge Vrouw, en die speelt, zo +als de Heer Blankaart zegt, evenwel "Kapitaal." De eetzaal was gereet +gemaakt, om ons Soupée te houden: het overtrof nog het Verjarings +Collation. De Heer Blankaart's knegt, die van Vader, en die der Weduwe +dienden. Men had voor hun wel degelyk gezorgt, en Blankaart hadt de +oude kindermeid van de Bruid ook verzogt, om meê in de vreugd te +delen. (Van die nog een woord.) + +De twee Weduwen werden door de twee oude Heren op hare plaatzen +geleidt; en zo dra de Getrouwden gezeten waren, voegden wy ons er by. +Op het dessert heb ik my ook gewroken; doch zy hebben my, door hun +verdriet te verbergen onder een vriendelyken lach, deerlyk te leur +gestelt. Ik zal het Vod[1] zelf hier in sluiten. 't Zal u mooglyk tot +een zoet rustmiddeltje dienen; en gevolglyk nog ergens goed voor zyn. + +Toen men vervolgens zat te praten over die kostelyke niet met allen, +die onder goede vrienden zo aangenaam zyn, zei myn Vader: "Kom een +glaasje van gelukwensching. Welkom, vervolgde hy, met een zeer ernstig +vriendlyk gelaat, daar zyn eerlyk hart in uitscheen: Welkom, lieve +Dochter, in myne Familie. Nooit moet gy u den dag beklagen, die u in +dezelve brengt; ik althans zal een goed Vader omtrent u zyn: gy zyt +het waardig. Geluk, myn Zoon, met uwe Vrouw; wees een zo goed Man, +als gy een Zoon, een Broeder, een Meester waart, en gy zult uwe Vrouw +dierbaar blyven. En gy, Cornelis, (tegen my,) geluk, jongen, met uwe +Zuster; als gy trouwt, zal ik even zeer in myn schik zyn als nu: gy +zyt beide myne Kinderen. Myn Heer Blankaart, geluk met deeze +verbintenis! dat wy beide nog lang getuigen zyn van dat heil, dat myn +Vaderlyk hart van den Almagtigen God afsmeekt." Hy kon niets meer +zeggen, maar boog tegen het gehele gezelschap, en er vielen tranen +langs zyne wangen. De Bruid stondt op, omhelsde hem; hy kuste haar; +niemand sprak: allen droogden wy onze oogen af. Hendrik, (om wat +afwendig te maken,) vroeg aan 't gezelschap, of men hem, toestondt, +om de gewezen kindermeid der Bruid binnen te verzoeken? Niets liever! +Daar op kreeg ik myn hoed en handschoenen, en marcheerde naar de +Keuken, om het ouwe schaap, dat in haar beste Zondaagsche plunje was, +en styf stond van de gouden ringen, in te leiden. "Aanstaande Zuster, +zei ik, met myn hoed onder den arm, en Pieternelletje zeer eerbiedig +aan de hand, daar heb ik myn Vryster, die gaarn de eer hadt, om by u +haar compliment van felicitatie af te leggen." De Bruid trok haar +stoel wat uit, en gaf de vrome eenvoudige Pieternel gelegenheid, om +zich te laten bekyken. "Wel, God dank! zei ze, dat ouwe Pieternel haar +jonge Juffrouws trouwdag nog beleven mogt. Heden, Juffrouw, je bent +krek alleens als je lieve Moeder, toen die trouwde. Niet waar, myn +Heer Blankaart? En toen myn Heer Blankaart even zo klugtig als deeze +myn Heer. Nu, myn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten +zegen; och, myn Heer Edeling, je krygt zulk een lief meisje; ze het +ouwe Pieternel nooit een onvertogen woord gegeven, 't was een lief +hartje van een kind, en ik was ook zo mal met haar, dat, als zy +tandjes kreeg, of zo, ik my tot water huilde; niet waar, myn Heer +Blankaart?" En toen gaf zy de Bruid en Bruigom een kusch, die klonk +als een klok. De overige Bedienden werden binnen geschelt; de Heer +Blankaart overend ryzende, nam een schoon tafelbord, waar op zes +verzegelde kleine Pakjes lagen. "Hier, Kinderen, zei hy tegen de +Bedienden, daar is voor u elk een gedagtenis van dit Huwlyk. Gelyke +munniken, gelyke kappen: Abraham Blankaart kan, en wil ook wel, +Goddank! wat missen." Hy gaf elk een pakje, en zy gingen in de keuken +zich vrolyk maken. "Vrienden, zei de brave man: zie, ik ben, wil ik +spreken, maar een oude Vryer, ik heb kind noch kraai; en God de Heer +heeft my boven alle myne begeerte gezegent: Ik weet, 't is waar, niet +wat het Vaderlyke hart is; maar dit lieve Bruidje is de waardige +Dochter van een man, dien ik my ten vriend had uitgekozen; zy is onder +myne oogen opgegroeit; duizendmaal zat zy op myn schoot met my te +snappen, of haar Poppen te kleden; (want ik ben een regte kinder-gek!) +zo dat ik maar zeggen wil, dat dit de gelukkigste dag van myn leven +is; en dat ik nu niets meer van God te wenschen hebbe, dan dat ik en +alle brave menschen gelukkig zyn." Onze Dominé besloot, op 't verzoek +der oude Heren, dit Vrienden-maal met eene dankzegging, die ons de +hoogste denkbeelden gaf van zyn Godvruchtig hart, en zyn +menschlievenden aart. Den Eerwaardigen Jongeling rolden de tranen op +de t'samen geslagen handen. Zyn stem was zielroerent, alles was diepe +aandagt. + +De Heer Blankaart luisterde my in 't oor, dat wy moesten dansen. +Willem en ik haalden twee Fiolen: Een gaf ik aan myn Vader: "Jongen, +zei hy, ik doe er niet meer aan! Ik vrees, dat het gebrekkig zyn zal." +Evenwel, de vreugd, die zyn hart overstroomde, deedt hem die aannemen; +ik presenteerde den Heer Smit ook een: die, zonder eenige kwalyk +geplaatste excusen, zei: "ik zou dit fatsoenlyk gezelschap onëer +aandoen, indien ik my onttrok, om het myne tot eene zo billyke vreugd +te doen. Wy zyn onder de Roos." De Heer Blankaart haalde de Bruid op. +Zy danste niet wel; niet zó wel, meen ik, als zy 't anders kan; en zy +verzogt hem om geëxuseert te zyn. Toen moest Letje en Willem op de +baan; beiden toonden, dagt my, dat zy elkander wilden behagen. +Bruinier was onvermoeit, en gy weet, ik val ook niet heel vies van een +cabriooltje. Eens haalde ik Mevrouw Buigzaam, en danste met haar een +zeer statige Menuët; trouwens allen waren in den goeden smaak: Na een +uur dus doorgebragt te hebben, verdwenen Mevrouw Buigzaam en het +Bruidje. Hendrik bleef nog in de kamer, doch ik geloof, dat wy alleen +zyne uitwendige tegenwoordigheid hadden: De beide oude Heren gaven hem +de hand. De Weduwe kwam niet te rug, voor myn Broeder insgelyks weg +was: de vreugd ging haren gang: ten drie uuren waren de Koetzen +gereet: elk nam even vrolyk, minzaam en even vriendlyk afscheid en +ging naar zyn eigen huis. + +Vóór ik ga zien, of de Jonge Lieden al by de hand zyn, sluit ik +deezen. Indien ik eenigszins kan, kom ik in 't laatst van deeze week; +ik heb u wel honderd millioenen van zaken te zeggen; (nu, dat kun je +wel denken;) 't is, of ik u in geen eeuw of twintig gezien heb. Myn +vader is nu zo minzaam als altoos welmenent eerlyk: en nu durven wy +hem beminnen. Blankaart doet u hartlyk groeten, en doen alle de +Vrienden en Vriendinnen, en goede bekenden, en ik omhels u, met een +hart stikkent vol liefde. Maak myn compliment aan uwe waarde Ouders, +en aan de kleine Familie. Altoos ben ik + + Uwe + + C. EDELING. + + +Noot: + +[1] Zijn "gedicht", niet veel zaaks. + + +[Illustratie: Nu, mijn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten +zegen; och, min Heer Edeling, je krijgt zulk een lief meisje; +illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave +van 1782.] + + + + +HONDERD-EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar en Hendrik zijn gelukkig! + + + + +HONDERD-TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF. + +MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Willis!_ + +Weet gy wel, dat, zo ik maar iets den slag had van te kunnen grommen, +dat ik dan braaf grommen zou op u? wat was er op te zeggen? elk zyn +beurt, dat's niet te veel; en ook, kind, gy moogt ouder en wyzer zyn, +zo veel als het u zelf maar blieft, doch ik ben zeker nu iets meer +betekenent dan gy: ik ben eene _getrouwde Vrouw_. Foei! Naatje, niet +op de Party geweest! Foei! Naatje, nog al uit blyven; en dat om dat +de Eerwaarde Smit u, en uwe Moeder verzogt, om met hem naar zyne +standplaats te gaan, ter verrigting van duizend dingen die geen +uitstel lyden. Gy hebt er 't meest by verloren. Nu hebt gy myn Oom en +Tante Redelyk niet gezien, noch Kapitein Herberts; nu weet gy niet, +hoe Vader Edeling getracteert, hoe wy jonge Lieden allen gedanst +hebben, en hoe of de oude Vrienden 't werkje aanzagen. + +Toen ik nog zeer jong, en zeer bedroeft los was, kon ik Brunier (uw +ouden Vriend,) verzoeken, om alle deze bagatelles voor my zeer keurigies +uit te schryven, en denken, hy kan nu zo goed netjes breijen als 't +behoeft; met schryven zal hy een vaste hand krygen; en kinderen moeten +niet leeg zitten. Maar nu zyn al die flinken[1] over. Ik heb zo veel +achting voor myn lieven man, dat ik iemand, dien hy zyn vriend noemt, +met geen spotterny kan behandelen. Ik heb nu ook door Edeling een trek +uit zyn karakter gehoort, waar aan ik het te danken heb, dat ik deezen +waarden man leerde kennen. + +Onze samenleving met den ouden Heer is recht aangenaam; Keesje is de +vreugd van 't huis: ik wensch, dat hy ook maar, zo als myn Voogd zeit, +_een eigen weêrspraak_ hadt. Myn nieuwe Vader is de degelykste man uit +Amsterdam; en nu dat zyne wonderlyke eenigzins grillige manieren, door +de weltevredenheid, over de zagte Noten rollen, vind ik er iets veel +meer Comiecqs dan lastigs in. Ik kan u zeggen, dat _Dochter Edeling_ +in de kas is by _Vader Edeling_: ja, dat hy my overlaadt met +gunsten.--Een staaltje van zyne denkwyze: + +Gisteren aan tafel zittende, zei hy: Ik ben boos op Blankaart. + +_Ik_. Boos op myn Voogd; dat kan niet zyn: want gy, Vaderlief, zyt +hier te redelyk, en hy veel te goedaartig toe: gy beeldt u dit maar +in. + +_Hy_. Hoe, denk je, dat ik door inbeeldingen geregeert worde? dat is +al eene aartige zet! + +_Ik_. Wy hebben allen onze luimen. Zoudt gy wel geloven, dat ik die +ook heb? ô Ik kan zo luimig zyn, dat ik met my zelf wel kyven zou, als +ik niemand by my heb. + +_Hy_. Wel zo, dat ziet er voor u, Hendrik, niet al te voordelig uit! +(_Myn man lachte_.) + +_Ik_. Wel neen! tegen zulke lieve redelyke menschen draag ik my nooit +als eene malloot, om dat ik te veel prys stel op hunne achting, met +andren, daar ik méér meê gelyk sta, mik ik het zo naauw niet. + +_Hy_. (_Half knorrig, half goedschik_.) Nu, ik ben evenwel boos op +Blankaart. + +_Ik_. (_Hem potzig in de oogen kykende_.) En om wat reden? of is Papa +ook een beetje met luimen bezet, want myn Voogd is de beste man van de +gehele waereld, myn man uitgezondert? + +_Hy_. Wel! hy heeft u zo veel kostbaarheden gekogt, en op uw verjaring +zulk een boel Juwelen gegeven, dat ik, nu het aan my toekomt, niet +eens weet, wat of ik u zo eens geven zal; en ik ben evenwel uw Vader, +je hebt alles dubbelt en dwars, en daar is nog zo een menigte goed van +myn Vrouw ook. Hy maakt my recht verlegen: want ik zie niets, of je +hebt het. + +_Ik_. Ik ben niet heel hebzugtig: en met dit al, daar is iets dat gy +my geven kunt; had ik dat!... + +_Hy_. (_My in de rede vallende_.) Wat is dat toch? je zult het hebben, +kind. + +_Ik_. Een kinderlyk deel in uw Vaderlyk hart! zo ik dat hebben mag, +dan vraag ik, of Amsterdam te koop is? (_Ik stond op en kuschte hem_.) + +_Hy_. Loop, stout dingetje; is 't anders niet, och heden! ik meende, +dat het heel wat byzonders was. + +_Ik_. Dat is het ook, lieve Vader! + +_Hy_. Nu, gy zyt een raar meisje, hoor; maar, (_in zyne Brieventas +schommelende_,) zie daar is een Wissel op myn Cassier. Neem dit dan +tot een bewys, dat gy my lief en waart zyt, en steek hem maar in uw +Almanakje. + +Hem inziende, zag ik, dat hy _fl_ 6000 beliep. Ik bedankte met +aandoening, en zei tegen myn man: daar, Edeling, neem dit van my aan. +Ik heb niets nodig, en, als ik iets van doen heb, weet ik, dat gy my +meer zult geven dan ik verzoek. + +Vader schudde zyn hoofd. Ja, zei ik, myn man en ik hebben maar één +belang, en dewyl hy veel meer verstand van geld heeft dan ik, dewyl +ik nooit speel, en alles kan krygen, wat ik begeer, is het immers +niet meer dan billyk, dat ik aan myn besten Vriend alles in bewaring +geef?--Kom, zei hy, ik verpraat, met dat drommelsche Wyfje, weêr al +myn tyd: kom, Hendrik, naar 't Kantoor.--Zy gingen weg, en ik had zo +wat te schikken en te bergen, zo als eene Huishoudende Vrouw altoos +wat heeft, Naatje. 't Was Postdag, ik was blyde, dat myn Voogd by my +kwam Thee drinken. De Heren lieten zich in kommetjes de Thee brengen. +Wy zaten als ouwe lui te snappen, en over byzondere zaken te keuvelen, +toen myn beste Willem inkwam. Hy deedt ons eene openhartige biegt: +"dat hy Letje beminde, en dat hy niets zo zeer wenschte, als eens in +staat te zyn, om voor haar te zorgen, in dien rang, waar in zy gewoon +was te leven: dat zyne Moeder zyne keuze goedkeurde, en dat hy hoopte +eens weder bemint te zullen worden." Blankaart zei: "dat hy hem in +alles raden en ook helpen zou, en met plaisier zag, dat zyn oogmerk +dus verre gelukte." Beide bleven by ons eeten. Edeling hadt Brunier op +de Beurs verzogt. Wy hadden een lieven avond. Beide de jongens waren +vrolyk en vergenoegt. Myn man! och! die is al wat een vrouw zoude +kunnen wenschen: ik vrees maar, dat hy al te goed op my zyn zal; ook +dan, als ik 't eens minder verdien dan nu; en dan zal hy my ongelukkig +maken; want hoe zou ik dit ooit aan my zelf vergeven kunnen? + +Morgen gaan wy ons nieuwe huis in order brengen; het is digt by +Mevrouw Buigzaam; dit maakt het voor my verkiesselyk; evenwel, het is +een schoon huis: ik hoop er u wel haast in te zien. Oordeel eens, hoe +druk ik het nu heb! hoe veel airs ik my geef, tegen alle die goede +menschen, die my 't hunne brengen om alles te maken, _comme il faut_. +Ik moet Letje volstrekt tot hulp hebben, of ik kom er niet door. Ik +ben met achting, + + Uwe liefhebbende Vriendin, + + SARA EDELING, + + geb. BURGERHART. + + +Noot: + +[1] Hier: grappen, streken. + + + + +HONDERD-DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar verhaalt zelf van haar geluk. + + +HONDERD-VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.--Anna Smit-Willis is eveneens heel +tevreden. Willem kan Sara vergeten en Aletta vragen. "_Alweer een +gelukkig huwelijk_!" + + +HONDERD-VIJF EN ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik vertelt van zijn geluk en +betuigt andermaal zijn dank aan de Wed. Spilgoed. + + +HONDERD-ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Wed. Spilgoed: Anna +is gelukkig getrouwd; Willem krijgt een som geld van Blankaart en gaat +met Letta trouwen; _de beide weduwen hopen samen gelukkig oud te +worden_. + + +HONDERD-ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara bericht, dat Hendrik doodziek +is!--Gelukkig komt in den brief nog de crisis; maar ze heeft wat +uitgestaan; _ze hoopt nl. spoedig moeder te zijn_. + + +HONDERD-ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vermaant Sara: denk +aan je kind! wees bedaard, beheersch je, vorm je geen schrikbeelden, +leef voorzichtig en verstandig! + + +HONDERD-NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier en Willem logeeren +bij Helmers. Willem moet op reis voor zaken. Jammer. + + +HONDERD-ZEVENTIGSTE BRIEF.--Willem aan Aletta: hij heeft haar innig +lief! Hij heeft Jacob gesproken bij Blankaart: _deze neemt Jacob bij +zich_. Hij is ook bij Hendrik en Saar geweest. Hendrik is weer beter. + + + + +HONDERD-EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +MEVROUW DE WEDUWE SPILGOED AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS. + + +_Waarde Vriendin!_ + +Geluk met een jongen Edeling!--Gister avond elf uuren, verloste onze +jonge Vriendin van een schoon gezont Kind; zy heeft het niet héél +gemaklyk gehad; maar zich zo verstandig en bedaart gedragen, dat men +dit naauwlyks dus zoude hebben kunnen verwagten. De lieve Juffrouw +Redelyk en ik waren, behalven de Baker, al de Vrouwen, die zy verkoos +by zich te hebben. Het Vrouwtje was deeze laatste agt dagen verbaast +ongemaklyk, en pynelyk; ik geloof, dat de goede Edeling immer zo veel +als zy zelf heeft uitgestaan! In den namiddag liet hy den Heer +Blankaart halen, en Vader Edeling was zo onrustig en zo bezorgt, dat +ik, hem alleen sprekende, hem verzogt, zich wat agter de schermen te +houden. De beide Heren zaten by elkander in de naaste kamer; men +hoorde hen geen woord spreken. Blankaart wandelde al heen en weêr: de +oude Edeling zat in een Vensterbank, zeer onrustig; zo als ik, eens +even in de kamer komende, zag. + +De Heer Hendrik was by ons, en verborg zynen dodelyken angst onder een +diep stilzwygen. Saartje sprak hem dikwyls moed in; (ook als zy hare +handen wrong.)--Eindelyk, zie daar, daar horen wy het Kind! 't Is een +sterken Jongen: zyn stem klonk door de kamer. De Kraamvrouw hieldt +zich stil en bedaart. In de naaste kamer hoorden wy: "God dank, God +dank! wat is er?" "Een schone Jongen," riep de Baker; nog wat geduld. +Beide hoorden wy hen elkander al snikkent zegen wenschen. De jonge Man +was, genoegzaam buiten zich zelf, op een stoel neêr gevallen. Ik +wenkte hem, en hy lei met den Vroedmeester zyne vrouw in 't Ledikant. +Juffrouw Redelyk bewaarde het Kind, dat zich braaf liet horen, en +wakker met handen en voeten schopte. Zo dra het was opgebakert, tikten +wy de Heren. Edeling gaf het aan zyn Vader. ô, Kon ik u dat toneel +schilderen! De oude Heer trilde van blydschap; maar hy noch zyn Zoon +zeiden niets: zy drukten elkanderen de hand; hunne oogen stroomden. Hy +gaf het den goeden Blankaart, en ging naar zyn Dochter; hy kuschte +haar, hy zegende haar; hy kuschte zyn Zoon, hy zegende hem: "beleef zo +veel vreugd aan dit kind, als ik aan u beleef, Hendrik, en gy zult een +zeer gelukkig Vader zyn." + +Blankaart, met het Kind in zyne armen, was geen minder schildery! De +Natuur is toch niet te overtreffen; men moet zulke dingen zien! +"Welkom, myn zoete kleine Boy:" "zei de goedaartige man:" "welkom, myn +lief kind! jongetje, je komt al in een aartig Waereldje. Nu, dat zul +je, als je tyd van leven hebt, wel ondervinden. Pas maar braaf op, en +je zult gelukkig zyn:" "(en by my komende met het kind:)" "ha! dat's +een kereltje! zei hy; zie je wel, watte heldere kykers dat hy heeft? +'t is een mooi kind, zeg ik je: precies zyn Vaders tronie; en watte +vuistjes heeft hy! nu mantje, ga jy by Moeder, die zal je beter +traktéren." Hy ging, met het kind in bei zyn armen voor zyn hart +gefommelt, naar de Kraamvrouw, gaf haar 't kind, kuschte haar; noemde +haar met alle zoete namen, die hy bedenken kon, en wy verzogten de +Heren, zich weêr naar hunne kamer te begeven. Saartje was zeer zwak, +en verlangde, dagt my, naar rust. Wy gingen vervolgens in 't naaste +vertrek eeten. Kort daar op kwam de jonge Heer t'huis, die nog niets +wist. Blankaart sloop in de Kraamkamer, haalde het Kind uit de wieg, +en liet het Cornelis zien: "He! Maatje, wat zeg je me van zo een +knaap?" Hy zag het kind, viel zyn Broeder om den hals, omhelsde zyn +Vader, nam het kind, bezag het met dat goedig gelaat, dat hem zo eigen +is, bragt het in de Kraamkamer, ging by 't Ledikant en toonde zyn +broederlyk hart in stille zegenwenschen. + +Morgen word het Kind, hier aan huis, door den Heer Redelyk gedoopt: +zyn naam is _Jan_. Beide de Grootvaders hieten zo. Evenwel het is _Jan +Edeling_; en ik geloof, dat de oude Heer, om geen waerelds goed, het +anders zou dulden. + +Alles gaat naar wensch: den gehelen nagt geslapen als een roos; het +Kind ook. Zy is reeds in allen opzichte Moeder: 't is een bekoorlyk +Kraamvrouwtje! Willis en Brunier zullen van daag den kleinen Jongen in +het naaste vertrek zien, en Grootvader trakteert al wat in zyn dienst +leven ontvangen heeft. Tot de Kruijers en Pakhuisknegts toe, krygen +Rynschen Wyn met Kaneel-Koekjes, en yder is _mantje, jongetje_; elk +maakt het _bestig_. Hemel, hoe is die man verandert! De Brief moet +weg: Ik moet ook nog aan myn Letje schryven. Schryf my haast ook zulke +goede tyding:--met haast, de Brief moet weg. + + Uwe Vriendin, + + M. BUIGZAAM + + Wed. P. SPILGOED. + + + + +HONDERD-TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA SMIT. + + +_Zeer lieve Vriendin!_ + +Niet voor van daag kreeg ik de vryheid om te schryven; en myn kleine +knol is evenwel al drie weken in de Waereld geweest: Nu, 't is goed, +dat ik met een zoet praatje te leiden ben, anders, wel heden, me +dunkt, ik had, voor den _Negenden dag_, wel kunnen schryven. Maar de +slenter moet gevolgt! Tante Redelyk houdt, zeg ik haar, niet van oude +palen te verzetten: maar de Vrouw spreekt, zo zegt zy, by ondervinding; +en dewyl zy reeds tien kindertjes gehaalt heeft, dien ik nog al op +haar zo wat te betrouwen. + +Kom meisje, gy moet den moed niet opgeven: gy plagt altyd _ouder_ en +_wyzer_ te zyn dan ik ben, en ik heb my wel gehouden, hoor ik; want +ik, arme sloof, weet niet, hoe andere Vrouwen zich gedragen. Gy kent +myn humeur! "Kom aan, Saartje, zei ik, schik u naar 't geen zo zyn +moet; gy zult er u zelf best by vinden." Zo gezeit, zo gedaan: en zie +daar! my Moeder van het liefste kind, dat gy u verbeelden kunt. +Gelooft gy my niet? vraag het dan aan het schaap zyn Grootvader; vraag +het aan den Heer Blankaart;--aan elk, die het ziet. + +En wat heb ik nu een drukte met myn kleine Prul! Ik zou hem wel altyd +op myn schoot willen hebben; maar Baker zeit: "dat hy dan wel haast +niet meer in zyn wieg zal willen, en dat dit toch best is voor hem." +Hoe, best? vroeg ik; kan _myn_ jongje ergens _zo best_ zyn, als op zyn +eige Moeders schoot? Zo ziet gy, dat elk den baas over my speelt, tot +de Baker inkluis. Wat ben ik hongerig, Naatje! Ik kan altyd wel eeten, +en neem 's avonds een trommeltje met beschuit naar bed: (nu, kind, gy +zult wat ondervinden,) ik moet myn Jantje immers voorraat bezorgen? +Myn stoute Broêr klungelt gedurig aan de Wieg, en maakt zyn Neef +wakker, die dan een brave keel open zet, en dwingt om by Mama te zyn; +dan loopt Cees de Kamer uit, en zingt zyn moffenliedje, daar gy eens +zo om moest lachen. Onze Pieternel is hier geweest; dat was een +vertoning! zy zei, "dat het kind er zo verstandig uitzag, en zo leek +op Grootvader Burgerhart, (dat is, op myn Grootvader, moet je weten;) +en zy kon niet bedenken, dat ik al zo een knappe Zeun hadt; wel heden, +het heugde haar nog, als den dag van gisteren, dat ik geboren wierd; +'t was op een Dingsdag;--neen, op een Woensdag;--toch op een Dingsdag; +want dit was haar stof- en raag-dag; en zy was net bezig met +Grootvaders slaapkamer te stoffen, toen myn Heer Blankaart, die altyd +by uw Vader was, wil ik spreken, aan den trap riep: Pieternel, kom +eens af, meid, daar hebben wy een aartig piskousje gekregen; en +Mevrouw, ik had er zulk een innerlyke dingstigheid van, dat ik over +myn handstoffer viel, al het stof op het tapyt; zo dat, ik weet het +nog heel wel. Zy beriep zich ook op den Heer Blankaart; die zou 't +niet ontkennen." Grootvader Edeling tracteerde Pieternel ook, en de +welkomst van den jongen Jan Edeling werdt gedronken: ô zulke +toneeltjes smaken my zo! Ik wou, dat ik die maar beschryven kon, zo +als het behoort. Uwe aanstaande Zuster, die nog by haren weldadigen +Vriend is, heeft my een engelagtigen Brief geschreven: Wat zal Willem +met zo een meisje gelukkig zyn! + +Een trek uit den Heer Helmers karakter, Gy weet, dat hy, voor ruim +veertig jaar, zyn Vrouw, die hy teder beminde, in 't kraambed verloor? +Nu! die indrukken zyner droefheid zyn onuitwischbaar; en hy neemt zo +veel belang in jonge kraamvrouwen, dat hy ook alle morgen een knegt te +paard zendt, om te horen hoe of het met my is, schoon zyn plaats drie +uuren rydens van Amsterdam legt; en zo, zeit Letje, doet hy omtrent +alle Vrouwen, die hy eenigzins kent. Indien gy, Naatje, niet in eene +andre Provintie waart, gy zoudt ook alle morgen een knegt te paard de +Pastorielaan zien opryden: Nu nog een woord meer in uw trant van +schryven: het geschrevene moest er eerst maar uit. + +De ondervinding alléén is in staat om u te leren, wat het is, _Moeder +te zyn_. Gy weet, ik was altoos een _kindergek_; maar, myn Hemel! wat +onderscheid! Hoe is 't mooglyk, dat er Vrouwen zyn kunnen, die +onverschillig zyn omtrent deezen Huwlyks-zegen! Nu, dunkt my, ben ik +eerst regt getrouwt. Nu is myn Edeling my nog oneindig dierbaarder. +Nu is hy door alle de zagte banden der Natuur, door alle de mogelyke +betrekkingen, aan my gehecht; en wat kan eene brave Vrouw zo verrukken, +dan de tederbeminde Vrouw te zyn van dien man, door wien zy Moeder +wierdt? De wys, waar op myn man zich gedraagt, is in zyn karakter; en +dat kent gy. Al de smarten zyn voorlang vergeten, maar de beloning +duurt, groeit aan, en maakt my tot eene der gelukkigste Vrouwen, die +er zyn kunnen. + +Nu is het nog der pyne waart om te leven. Ik heb nu werk, ik heb +pligten te voldoen, die myne ernstigste overdenkingen waardig zyn; +en nu zie ik, dat ik, alléén by gebrek van bezigheden, die voor my +berekent waren, eene losse, uithuzige, stoute meid was. Zie, Naatje, +dat hadt gy ook behoren te bedenken; wil ik spreken, zeit Pieternel. +Ik begryp wel, dat het nu maar spelen gaan is, en dat de jonge Jan +Edeling my wel eens andre druktens zal maken! Goed! ik wagt die ook, +en hoop, dat myn verstandige Man, zo ik te véél malle Moeder ben, +Moeder en Zoon beide te recht zal helpen. Ik kan wel niet zeggen, met +Pieternel, dat de Jongen er heel verstandig uitziet; maar 't is immers +een goed kind, dat naar zyn Moeder aart? en gy weet, dat Moeder stikkent +vol potzen en flinken stak, toen zy nog zeer jong en zeer los was? Myn +Brôer heeft er wel moed op, want hy zegt my in vertrouwen: "dat Jan al +naar de Meisjes begint uittekyken." "Oom en Neef hebben een goeden +smaak," zei ik. "Ja, zei hy, de Natuur gaat boven de leer." Hy hoort +ook graag muziek, want als Baker van de Moordenaartjes zingt, schreeuwt +hy als een tyger; maar als ik eenige noten aansla, kykt hy uit zyn +luijers als iemand die zegt: _Nog meer laatste woorden van bisschop T_. + +Vaarwel, myne Vriendin. Omhels voor ons uwe waarde Moeder en Dominé, +voor Edeling en my. Ik ben altoos + + Uwe Vriendin, + + SARA EDELING, + + geb. BURGERHART. + + + + +HONDERD-DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Aletta Willis-Brunier aan haar man +Willem: Sara voedt kleinen Jan verstandig-aardig op.--_Hun eigen +kinderen_ groeten papa! + + +HONDERD-VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Vader Willem aan zijn vrouw: dol +gelukkig! + + + + +HONDERD-VYF EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK. + + +_Eerwaardige Heer!_ + +Ei, wissewasjes, ik weet niet, myn lieve Dominé, waar je van spreekt. +Dat ik uw' Hendrik by een braaf Kaptein gebragt, en ten sterksten heb +aanbevolen, is dat zo veel zaaks? Wel, myn goede man, ik wou, dat ik +veel meer voor je doen kon; want ik heb zulk een achting voor u, en ik +ben zo dikwyls door uwe Predikatiën gesticht, en uw Vrouw is zulk een +best Wyf, en gy hebt daar tien kinderen, het eene nog schoonder als +'t andere; zo dat ik zeggen wil, spreek daar niet van. Wel ja, die +uitrusting wil wat zeggen; ik heb by gelyks kind noch kraai in de +waereld: Nu, de jongen ziet er uit als een Vorst, in zyn Zeemontuur. +Kyk, mantje, zei ik, toen ik hem naar boord bragt, (want ik heb den +jongen lief, en wilde hem zelf aan den Kaptein leveren.) Kyk, mantje, +nu heb ik Vader en Moeder bepraat, om u te laten varen. Je bent nu +_Monsieur Kadet_; en draagt een degen, zo wel als een Admiraal. Maar +zo je nu reis in een ploertig leven meer zin kreeg, dan in een +ordentelyk gedrag, en dagt, nu ben ik myn eigen meester, en vele +viezevazen meer, dan zou Abraham Blankaart daar staan, of hy een +schepenkennis[1] op zyn neus hadt, en dan zou Oom Jan zeggen, dat het +myn schuld was, dat ik my er niet meê gemoeit moest hebben, en dat zou +niet mooi voor my zyn. En wat denk je, Dominé, dat Heintje daar op +zei? "Myn Heer, zei hy, ik verzeker u _op myn woord van eer_; (en hy +is veertien jaar, dat stondt my wel aan,) _op myn woord van eer_, dat +ik in allen opzichte braaf zal oppassen; zou ik zoo ondankbaar zyn +omtrent u? en zou ik myn lieve Vader en Moeder ooit verdriet aan +kunnen doen? dan wou ik liever maar dood zyn, want dat was dan maar +best."--Dat was het ook, zei ik, want dan waart gy een ondeugende +Jongen: maar ik zie nu wel, dat gy een braaf kind zyt. En ik troostte +hem weêr zo wat: en zoo kwamen wy aan boord, met de sloep. Daar kwam +Janmaat en Ceesneef op de proppen: "hier, Hein, wat dit en dat! de +valreep! daar is onze Kadet Redelyk; met zyn Vader." Ja, dagt ik, +lieve God! was dat waar, dan tracteerde ik het hele Rommelzootje. Daar +kwam een Schieman [2], en noemde my Dominé, en toen luisterden al de +Pekbroeken elkander in: "Jongens, dat is een Dominé, de Kadets Vader." +Daar stond ik toen met beschaamde kaken: want ik wist wel, dat ik geen +Dominé en Heintje myn Zoon niet was. Neen; Maats, dat heb je effentjes +zo wat mis, ik ben geen Dominé, en joului Kadet is myn Zoon niet; maar +ik ben een Koopman, en een oud Vryër: nu, dat is 't zelfde. De Kadets +Vader is een Dominé, en wel een zo braaf Dominé, als er ooit voor jou +lui zielen gezorgt heeft; zo dat ik maar zeggen wil, dat gy den jongen +Heer wel moet doen; hy zal u ook wel doen, en ik hoop, dat hy zulk een +braaf man zal worden, dat jou lui nog eens met hem, als jou lui +Kaptein, aan den dans zult raken. Dat hoopten zy ook, en er werd braaf +gehouseet, want Abraham Blankaart gaf aan Janmaat een footje. Nu, het +overige zal Hendrik u wel schryven. + +Eer heeft uw hart, myn goeje Dominé; wel dat zou er bekreten uitzien, +als juist alle brave jongens zouden moeten studeren en Dominees +worden. Maar zo Satans nydig als ik worden kan op die malle fatsoenen, +die nu denken, dat het onzen lieven Heer magtig veel schelen kan, hoe +een eerlyk man door de waereld komt! Kunnen wy dan allemaal _Preken en +Bidden_? Ei lieve! En wie zou dan Negotie doen? Wie zou 't Land +Regeren? Wie zou, ja wat weet ik het. Althans uw Hein is maar regt +voor de zee geschikt. 't Is een gezonde sterke Beuker van een jongen; +en als hy niet deugen wil, kan hy al zo ondeugent op de Studie als op +de Zee worden. + +Zie zo, dat Karweitje is ook weêr besjouwt. En uw vrouw verdient, dat +zy haar Zoon nog eens Vice-Admiraal ziet; hoe lief zy hem heeft, weten +wy wel: maar de Vrouw sprak verstandig. + +Ja, Dominé, jy bent een man naar myn hart. Zie, ik hou om de dood niet +van dat falievouwen, en ik kan my zo satans nydig maken, als ik daar +zo hoor klagen en stenen, en van _Tranendal_, en van een _elendig +leven_ enz. praten. Hoor, God de Heer is maar veel te goed tegen zulke +ondankbare kniezers en zuurkykers. 't Is goed, dat zy met Abraham +Blankaart niet te doen hebben, ik zou dat bangziende Volkje wat anders +leren. Zie daar, daar ben ik nu zes en vyftig jaar oud, en als ik zo +by my zelf zit, zeg ik: wel lieve God, wat al weldaden heb ik, zondig +mensch, evenwel van u ontfangen! Ik ben met weinig begonnen, ik moest +voor een oude Moeder en een zieke Zuster het brood winnen, en zie +daar, ik ben ryk, ryker dan ik elk aan den neus hang; ik ben gezont +als een visch. Ik sta daar, als Govert in den dans, omringt van al myn +jonge lui; daar is Edeling en zyn Vrouw, daar is myn Willem met zyn +Vrouw; daar is Cobus, daar zyn ze zo allemaal om my; elk houdt meer +van my als de ander. De kleinen klimmen tegen my op, en halen de +suikerde duiten uit myn zakken; en als Abraham Blankaart maar eens +kugt, of wat stil is, dan is de drommel op stelten: 't is of elk +vreest, met my gelyk te zullen aftrekken, zo is het er te doen. Daar +zyn die brave Weduwen; wel, ik ben er als broer in huis; daar is +Dominé Smit en zyn Vrouw, op de handen zouden zy my dragen; en wat doe +ik toch, dan 't geen myn pligt is, en dat ik altoos wel te vreên ben? +want vrees God en doe wel, zo veel gy maar kunt, dat is het allemaal. +Wat zegt gy, Dominé?--Maar hoe doen nu de klagers? Altyd kyken zy +bang; altyd vrezen zy, dat zy te kort zullen komen; zy houên van +niemand, en niemand van hun. _Op zulke Watertjes vangt men zulke +Vischjes_. Maar onze lieve Heer (die maar veel te goed is,) krygt den +schuld. Dan is het te heet, dan is het te koud; dan is alles zo duur, +dan komt er geen staartje Visch aan de markt. Summa summarum, die +Lelykeis zyn nooit te voldoen: en 't zal my benieuwen, of het in Gods +hemel ook wel van passen voor hun zyn zal; maar ik denk niet, dat wy +daar met hen zullen opgescheept zyn. Wat denkt gy er van, Dominé? Kyk, +denk ik, die God niet in blijdschap dient, kan niet in den Hemel +komen, want hy doet niets uit liefde tot God. Hy loopt daar over deeze +kostelyke aarde, die zo keurlyk is opgesiert, net als zo een onguur +gnorrent Varken, dat alles maar al gromment en morrent en gnorkent +doorslokt, en nog een lelyk bakkes zet tegen een ander, die het een +stroo in den weg legt. Zyn dat geen lieve Peuzels, om op zulk een +plaats te komen, daar alles vreugd, en lof pryst den Heer is? Paulus +is myn man: _Weest altoos blijmoedig, en verblydt u in de hope_. En +dat zei hy zelf in dien bedroefden tyd, toen er wat meer halen, aan +den kling was dan nu, om een goed Christen te zyn. + +Myn Vriendinne Styntje denkt net als ik, en dat doet my zo een deugd! +Vriend Blankaart, zeit zy: als ik zo des ogstends opsta, en die lieve +Zon zo in 't Oosten zie, en hoe alles zo als herleeft, en Gode dank, +dan denk ik: Here, is het hier op deeze stoffelyke Waereld zo schoon, +hoe moet het niet in uwen zaligen Hemel zyn! en dan zing ik uit Jan +Luikens vaersjes het Liedjen op den Morgenstond. (Je moet weten, +Dominé, dat zy toen op Buitenrust, by de twee Dames gelogeert geweest +was, en dat ik de vrome ziel daar met myn rytuig van daan haalde.) + +Nu, myn Vriend, groet ik u! en wensch u met uw Vrouw en kinderen nog +lang een hemel op aarde; en als gy bid, ei lieve, bid ook voor my, +want het gebed des goeden mans vermag veel, wil ik spreken. Ik blyf +altoos, + +WAARDE DOMINÉ! + +Uw hoogachtende Vriend, + +ABRAHAM BLANKAART. + +P.S. Ik zie daar, dat ik tweemaal onzen Sinjeur weer genoemt heb! Nu, +verschoon dat, ik mag zo niet fratsen in myne brieven, anders schrapte +ik er zyn naam nog uit! + + +Noten: + +[1] Hypotheek. +[2] Onderofficier. + + + +EINDE. + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart +by Wolff en Deken + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA *** + +***** This file should be named 10400-8.txt or 10400-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/0/4/0/10400/ + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/10400-8.zip b/old/10400-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f7efffb --- /dev/null +++ b/old/10400-8.zip diff --git a/old/10400.txt b/old/10400.txt new file mode 100644 index 0000000..cb0f6ac --- /dev/null +++ b/old/10400.txt @@ -0,0 +1,8333 @@ +The Project Gutenberg EBook of Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart +by Wolff en Deken + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart + +Author: Wolff en Deken + +Release Date: December 8, 2003 [EBook #10400] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA *** + + + + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe. + + + + + +HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART + +door + +BETJE WOLFF en AAGJE DEKEN + + +MET INLEIDING VAN EN VERKORT DOOR J.B. MEERKERK + + +[Illustratie: Betje Wolff en Aagje Deken. + + + Natuur plaatst onzen geest als 't waare in 't aangezicht; +Zy doet der menschen ziel meest door zyne oogen spreken; + Wie onze werken leest herkent dra ook zeer ligt +Uyt beider Beeltenis, wie BEKKER zy, wie DEKEN. + + +Prent van A. Cardon naar teekening van W. Neering.] + + + + +INLEIDING. + + +Voor ELISABETH WOLFF-BEKKER (1738--1804) is in het buitenland zoo-nu-en +-dan wel notitie genomen van onze litteraire kunst--gezwegen natuurlijk +van de latinisten uit den renaissancetijd;--en LAROUSSE kent naast +REMBRANDT tegenwoordig ook VONDEL--doch eigenlijk tellen we pas +eenigszins mee in den vreemde na SARA BURGERHART, dat in het Fransch +werd vertaald--waar de Schrijfster niets mee ingenomen was. Ze meende +dat haar boek eigenlijk niet te vertalen was en alleen verstaanbaar voor +Hollanders. En ze had daarin volkomen gelijk, ook naar het oordeel van +BUSKEN HUET, die o.a. schreef:--"om die kunst te waardeeren moet men van +de natie zijn." + +Gaat er bij elke vertaling van een goed boek iets moois verloren, zeer +stellig, meen ik, moet dit het geval zijn met de uitstekende werken +van BETJE WOLFF. Ze zijn zoo door-en-door Hollandsch, als de _Camera +Obscura_ b.v., als heelveel van _Multatuli_, dat vreemdelingen er +gewoonlijk onverschillig voor blijven, inzonderheid als niet de +intrigue van den roman op zichzelf belangstelling wekt, als wederom +bij BETJE. + +Ik spreek hier alleen van BETJE WOLFF, echter zonder haar vriendin AAGJE +DEKEN (1741-1804) tot bloot belangstellende te willen verkleinen. Er is +over het al of niet samenwerken heelveel getwist; ikevenwel meen dat +AAGJE veel meer is geweest dan toeschouwster, al laat ik die kwestie +hier rusten en noem ik alleen BETJE'S naam. + +Wie zich nu tot het lezen zet van _Sara Burgerhart_, moet zich +tenminste eenigermate een voorstelling maken van den tijd waarin het +boek werd geschreven (1782). Wij zijn te allen tijde een volk van +theologen geweest, is er terecht gezegd, en dat zijn we gebleven; dat +waren we vooral nog in BETJE'S dagen. Doch toen inzonderheid was het +geloof verstelseld en verdogmatiseerd, het leven was verdord in den +godsdienst, veruiterlijkt, en de nieuwe denkbeelden waren nog verward: +'t was voor 't reveil, waarvan DA COSTA de dichter werd, en de +_Aufklaerung_, wier profeet KINKER worden zou, schemerde nauwelijks. +BILDERDIJK vervroegrijpte pas. + +LOCKE (1632-1704) en de oudere DESCARTES vooral (1596-1650) hadden +invloed gehad; BOILEAU (1630-1711) en VOLTAIRE (1694--1778) waren veel +gelezen; ROUSSEAU (1712--1778) was aan 't woord: _Nouvelle Heloise_, +_Julie_, _Emile_, _Contrat Social_ behoorden tot de in zekere kringen +populaire lectuur--en tot die kringen behoorde ELISABETH WOLFF. Er +bestaat een portret van haar als jong meisje met POPE'S beroemd boek: +_Essay on Man_ in haar hand. Dat lierdicht verscheen in (1733). + +FIELDING (1707--1754) beroemd door zijn _Tom Jones_ en _Richardson_ +(1689--1761) waren vertaald... Ja, veel werd er vertaald; het was zelfs +een bijzonderheid dat er een roman verscheen die niet was vertaald. +_Niet vertaalt_ liet BETJE dan ook op het titelblad drukken. De VAN +KWASTAMA'S en dergelijken--en hun aantal was talrijk--lazen nooit +Hollandsch; dat achtten ze als wijlen BARLAEUS een boerentaal, +ongeschikt voor fijnere geesten. + +Ik noemde zooeven RICHARDSON den schepper van den modernen Engelschen +roman, algemeen vermaard om zijn _Clarisse Harlowe_, _Pamela_ en +_Grandisson_, lektuur tot in POTGIETER'S jeugd. + +RICHARDSON is BETJE'S voorbeeld; van eigenlijk gezegde navolging mag +misschien sprake zijn in BETJE'S laatste werk: _Cornelia Wildschut_; +doch merkbaar is zijn voorbeeld overal. ROUSSEAU en RICHARDSON, die +twee bewondert en vereert BETJE; maar toch weer niet zoo, of ze durft +met den eerste in 't godsdienstige verschillen en door den laatste +verliest ze haar in-hollandsch karakter niet: _zij wil Hollandsche +karakters_ uitbeelden, _menschen zooals er bij ons leven_. + +En ze slaagt uitstekend: _Blankaart_, _Edeling_, _Suzanna_, _Stijntje_ +--enzoovoort zeg ik maar, om niet te reppen thans van tante _Martha de +Harde_ en haar man, in _Willem Leevend_. En zooveel anderen, +meesterlijke scheppingen. + +Als we in ons letterkundig leven terugblikken, vinden we BREDERO +(1585--1618), COSTER (1579--1658), HOOFT (1581--1647), men denke aan +diens _Warenar_, ASSELIJN (1620--1701), BERNAGIE (1656--1699), VAN EFFEN +(1684--1735) en LANGENDIJK (1683--1756), tot BETJE'S geestverwanten, en +die lijn loopt door tot BEETS (1814--1903), wiens realisme echter +gepolitoerd is, tenminste overal een grondverfje heeft: het ruige is +er af, tot zelfs in _Barend_, den tuinmansknecht,--en tot _Multatuli_, +die heel hoog liep met _Blankaart_. + +Zooals reeds vermeld is werd BETJE in (1738) geboren, te _Vlissingen_; +zij was de dochter van JAN BEKKER en JOHANNA BONDRIE, een Vlaamsche. +BETJE was van haar geboorte af teer en prikkelbaar--ze werd begaafd en +hartstochtelijk; leergierig was ze en las vroeg boeken, die anderen +pas veel later of nooit lezen.--Niet vrij te pleiten van zekere +koketterie liet ze het zoover komen, dat een zekere GARGON haar kon +ontvoeren; ze was toen pas zeventien jaar. Zij is er met den schrik +afgekomen, _ongedeert_, zooals we van _Sara_ lezen, wie iets dergelijks +overkomt. Opzettelijk historie heeft ze niet geschreven in _Sara_, +maar ongetwijfeld is die _meneer_ R. wel een heugenis aan GARGON en +SARA is niet vreemd aan BETJE. + +Ze schrijft haar boek ook _ter waarschuwing_ voor jonge meisjes als +Saartje; van _l'art pour l'art_ had ze geen idee; ze onderwijst +altijd, 't zij ze romans schrijft, of in spectatoriale geschriften, +als _De Grijsaard_, _De Denker_ of _De Borger_. Die weekblaadjes +bleven na _van Effen_ geregeld, en telkens weer onder andere titels +verschijnen. + +Na dit voorval met GARGON had BETJE in Vlissingen en in het ouderlijk +huis geen leven. Haar broer LAURENS--die iets had van broeder BENJAMIN +--maakt haar 't leven zuur. Tijdelijk vindt ze een onderkomen bij den +Amsterdamschen advocaat NOORDKERK, die haar wist te kalmeeren. Maar ze +moest weer terug naar Vlissingen. + +Het was een uitkomst voor haar, toen ze door dominee ADRIAAN WOLFF, +met wien ze door haar geschriften kennis had gemaakt, altijd +_schriftelijk_ alleen, ten huwelijk werd gevraagd. Dat ging vlug in +zijn werk: den 9den October kwam WOLFF in Vlissingen, den 23sten +ondertrouwden ze, (1759). + +WOLFF was in (1707) geboren, dus 31 jaar ouder dan de vroolijke +levenslustige BETJE. Hij was sinds (1730) dominee in de _Beemster_ +en weduwnaar van WILHELMINE KAYZER; hij was een geleerd, zelfs +dichterlijk, en een hoogstachtenswaardig man, met een ruime +wereldbeschouwing. + +De eerste huwelijksjaren waren echter niet gelukkig: Betje koketteerde +wat met dominee AMIJS. Wolff leed, als altijd ouwe mannen van jonge +vrouwtjes, aan jaloezie--en Betje maakte 't wel wat bont. Na (1770) +echter wordt het beter: Betje wordt wat stemmiger, heeft haar +verkeerdheid leeren inzien en leert haar man waardeeren. In (1772) +treedt WOLFF zelfs openlijk op om zijn vrouw te verdedigen. En dat +was noodig, want Betje had door haar vinnige en zeer vrijzinnige +geschriften vrijwat vijanden en belasteraars. + +Tot haar bestrijdsters behoorde ook AAGJE DEKEN, die zich zeer +ongunstig over Betje had uitgelaten. Ze leerden elkaar kennen bij +den Amsterdamschen fabrikant GRAVE, in (1776)--en die persoonlijke +kennismaking leidde tot ideale vriendschap--waar Betje zoo mee +dweepte--vriendschap tot aan hun dood: (1804). Kort na elkaar +overleden ze. + +AAGJE was een boerenmeisje, opgevoed in het Weeshuis "De Oranje-appel" +te Amsterdam. In (1767) was ze gezelschapsjuffrouw geworden bij de +weduwe BOSCH, wier dochter MARIA dichteres was--en ziekelijk. Maria +overleed echter al in (1773) en in (1775) gaf AAGJE hun werk uit onder +den titel van _Stichtelijke Gedichten_. Aagje was zeer ernstig en +deftig. Men zal haar in _Sara Burgerhart_ gemakkelijk herkennen in +ANNA WILLIS. + +In (1777) overleed dominee WOLFF, die in de Beemster zijn +_aspergebedden had aangelegd_. De man was, als Dominee SMIT in _Sara +Burgerhart_, veel te verdraagzaam en te ruim van blik om opgang te +maken. En toen gingen BETJE en AAGJE samenwonen en samenwerken. + +Eerst vestigden ze zich in _De Rijp_, waar ze woonden tot (1781); toen +verhuisden ze naar _Beverwijk_, waar Aagje het buitentje _Lommerlust_ +geerfd had. Tegenwoordig is dat de pastorie der R.C. kerk. + +Daar hebben ze gewoond--_Sara Burgerhart_ is er geschreven in het +beroemde Koepeltje--tot (1788). Toen kwamen de Pruisen in het land, +bij welke gelegenheid BILDERDIJK zich verdienstelijk hoopte te maken, +en de dames weken met tal van patriotten naar het buitenland, want ze +waren patriotisch gezind. + +Ze trokken naar Trevoux in Bourgondie en hebben daar gewoond tot +(1795), toen het den patriotten beter ging. Intusschen waren ze wel +wat genezen van hun vrijheidsroes: 't had maar weinig gescheeld, of +BETJE zelf was op de guillotine terechtgesteld.--Ze vestigden zich in +Den Haag en daar zijn ze blijven wonen. Ze hadden het maar armpjes: +hun kapitaaltje hadden ze toevertrouwd aan een Haarlemsch notaris en +die had het zoek gemaakt.--Ze moesten nu weer vertalen, dat "ze +kikhalsden" schreef BETJE. Wel hielpen de oude vrienden haar: LOOSJES +en VOLLENHOVEN; ze kregen nieuwe in VAN HALL en VAN DER PALM; ze +raakten heel intiem met mevrouw OVERDORP--POST, ELISABETH-MARIA, maar +ze waren erg "eergierig" en men moest het, als VAN HALL, heel kiesch +aanleggen om hen te ondersteunen. + +Ze werden ziekelijk: AAGJE leed aan jicht, BETJE aan kramp. De goeie +tijden waren voorbij--voor _Willem Leevend_ hadden ze _6000 gld_. +honorarium ontvangen; _Cornelia Wildschut_ bracht minder op. + +De beteekenis dier vrouwen voor onze algemeene volksontwikkeling en +ook voor onze letterkunde overschat men niet licht. Het is gemakkelijk +aanmerkingen op de samenstelling van _Sara Burgerhart_ te maken; men +moge den snoodaard _R_. wat al te tooneelsnood vinden; men brenge +bedenkingen in tegen den _briefvorm_, toen in de mode, door RICHARDSON +--en nog door mevrouw BOSBOOM--TOUSSAINT gebezigd in _Majoor Frans_ +--maar onsterfelijk blijven _Saartje_, _Blankaart_ en de andere reeds +aangeduiden--en nooit kan verdwijnen de geest van gezond menschenleven +dien haar werken ademen. + +Zij rusten in vrede op het kerkhof "Ter Navolging", bij Scheveningen. + + * * * * * + +SARA BURGERHART is niet alleen als roman bedoeld, 't is een _tendenz- +werk_--theologisch, paedagogisch, politiek zelfs en _apologisch_. +Daardoor is 't voor leerlingen inzonderheid te lang en te langdradig. +Eerst wanneer men er toe komt de 18de eeuw te bestudeeren, _ons_ leven +onder den invloed van den vreemde, dan wordt het _heele_ boek hoogst +belangwekkend. Misschien komen er velen toe het dan in zijn geheel te +herlezen. In deze uitgave wilden we behouden, behalve wat vanzelf bleef, +den _roman_ en _het karakteristiek Hollandsche_. Het zou ons bijzonder +aangenaam zijn als we daarin waren geslaagd. + + + Voornaamste Werken. + +Van BETJE alleen: + + Bespiegelingen over den staat der Rechtheid, + den val en den gevallen mensch,(1765). + Walcheren in 4 zangen, (1769). + Onveranderlijke Santhortsche Geloofsbelijdenis, + en De Menuet en de Domineespruik, (1774). + _Die Menuet werd zelfs door hel volk gezongen als + een kermisliedje_. + Mengelpoezie. (1785). + +Van AAGJE en BETJE samen: + + Historie van juffr. Sara Burgerhart, (1782). + Historie van den heer Willem Leevend, (1784). + Brieven van Abrah. Blankaart, (1788). + Dichterlijke wandelingen door Bourgondie, (1789). + Historie van Cornelia Wildschut, (1796). + + J. B. MEERKERK. +_Zwolle_, April '19. + + + + +EERSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + + PARYS. + + +_Lieve jonge juffrouw!_ + +Nu ja, ik heb beide uwe Brieven ontfangen, maar, wat hamer, meent gy, +dat ik tyd heb om u zo _cito_, per post, (zoo 't u blieft,) te +antwoorden; en dat wel zo dikwyls, als myne Pupil goedvindt om my met +een hoope wisjewasjes aan 't hoofd te lellen? Zie, ik ben maar een +Vryer, (een _Oude_ Vryer, zo je wilt;) ik weet echter, hoe die Nufjes +van halfwassen Vrouwen bestaan. Van daag willen zy zus, morgen willen +zy zo. Wel nu, wat zal ik ik u antwoorden? Weet ik, in hoe ver gy +gelyk hebt? Niet, Saar lief, dat ik u in staat ken om my te pieren, zo +wat op myn mouw te spelden, gelyk men zegt: Neen, gy waart altoos een +oprecht kind; maar gy zyt jong, gy hebt het maar gansch niet naar uw +zin: reden genoeg, om zulke droevige dingen aan my te schryven. + +Indien ik niet in dit verbruide Land, daar niemand my en ik niemand, +dan zeer gebrekkig, verstaan kan, buiten de Familie, waar mede ik myne +zaken heb aftedoen, en daar ik wel zakken vol complimenten, doch geen +geld krygen kan, nog vooreerst diende te blijven, en te Amsteldam kon +komen, of ik die Russische winkel by Tante eens zoude komen opschudden! +Wee, zo gy my gefopt hadt! maar wee ook het oud Wyf, indien zy myne +Pupil, de dochter myns waardsten Vriends, kwalyk behandelde! Maak van +myn vertrouwen geen misbruik, maar uwe Tante verdient niet de Zuster +uwer brave Moeder te zijn; op myn eer, dat verdient zij niet! Zy is +een geveinsde inhalige Feeks; en ik kan het nog niet in den kop +krygen, door wat middel zy uwe zalige Moeder heeft weten te bewegen, +om u, haar eenig, haar tedergelieft kind, by haar te betrouwen. Voor +honderd halve ryertjes[1] moest gy het beter hebben; (uwe kleding +betaal ik immers nog byzonder[2]). En krabt zy die echter niet zo +vrekkig naar zich, als of zy arm en gy haar wild vreemt waart. Zo gy +kunt, hou het uit; ik zal er u te liever om hebben, kind; en ik zal my +tegen u niet laten innemen. Nu, zy schryft my ook nooit. Mooglyk acht +zy my die eer onwaardig. Alles heeft zyn reden, meisje; zie, ik heb +Tante, als zy het al te erg maakte, zo wel eens doen zien, dat haar +manier van doen zeer dikwyls verbaast verre afweek van hare wyze van +zeggen, en breden ophef, als of zy, ten minsten, eene heilige van den +eersten rang ware. Gy hebt zulke brave ouders in 't graf; draag u toch +wel, kind. Ik beken, zo eene behandeling is haast niet om te verdragen; +zo zy het al te erg maakt, en gy beter kunt te recht komen, ik guarandeer +uw kostgeld; mids dat de Lieden onbesproken en hupsche menschen zyn. +--Doe deezen stap echter niet, dan in den dringentsten nood, of wy zullen +geen Vrienden blyven; ik kan niet toestaan, dat gy u zelf zoudt benadeelen; +daar heb ik u veels te lief toe. Ja, wat ik zeggen wou? Ik heb hier eene +menigte muziek voor u gekogt, en die zal ik u met een los adres[3], als +ik goederen afzend, toeschikken. Zy geven hier voor dat de Compositie +heerlyk is: ik vergeet al myn kunst met die druktens; maar ik heb zo +graag, dat zoete meisjes zich wel diverteeren; en gy zyt toch een +muziekgekje. Ik denk wel om u, en kan dikwyls wenschen, dat ik u hier +had. Hier, Saartje, zoude uwe geestige hekelzucht stoffe vinden, al +hoorde en zaagt gy niets dan dien nimmer stillen zwerm van Gouwe torren, +en Zomerkapelletjes; want zo noem ik dat lastig beslissent wel opgepronkt +Jan hagel, dat men _Petits maitres_ hiet: Ik ben zoo bang voor zo een +rekeltje, als gy voor een Aap; zy noemen my hier: _le gros Hollandais_; +wat beduidt dit Kind? mooglyk nietmetal. + +Binnen zes maanden denk ik thuis te zyn. Wat lange brief is dit? nu gy +yder een niet; maar toch, ik schryf niet graag Brieven.--Vaarwel, leef +vrolyk, wees gegroet van + + _Uwen toegenegen Voogd_, + + ABRAHAM BLANKAART. + +Noten: + +[1] Rijer = 14 gulden. +[2] Afzonderlijk. +[3] Apart pakje. + + + + +TWEEDE BRIEF.--Aletta de Brunier heeft Saartje gezien als een +"kwakerinnetje", in den winkel van Mad(elle) G. Dat is te gek, +schrijft ze aan Saartje, met wie ze vroeger heeft school gegaan, en +ze stelt haar voor bij haar te komen wonen, en pension bij de wed(e) +Spilgoed-Buigzaam--daar hebben ze 't best. Er wonen nog twee dames. + + + + +DERDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Ge-eerde Heer, zeer ge-achte Voogd!_ + +Dat was een blyde Postdag voor my. Een Brief van myn geeerden Voogd. +Waarlyk, ik heb geschreit, ziende hoe veel belang gy in my naamt: doch +dat zes maanden uit blyven! daar lag al myn vreugd in 't voetzant. +Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer +uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet +half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan. +Och, zo waar, ik heb u geen een jokkentje, hoe klein ook, op den mouw +gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? dan was ik een zeer slegt +meisje, en verdiende dat gy my bekeeft. Ik ben niet alleen de slavin +van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude +lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt. + +De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw +van een fatsoenlyk man, die niet dan ordentelyke Dames logeert. Een +myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en +pryst de Juffrouw heel zeer. Daar zyn nog twee andere Dames ook. + +Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat +berispelijk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary +wil verlagen, eene ondeugd, die allerafschuwlykst voor my is; en waar +aan ik my zeker nooit zal te buitengaan. + +Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen +te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven: +Laat my toe, dit nogmaal te zeggen. + +Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek! ik zing al in voorraad[1]. +o! Wat zal die fraai zyn: mooglyk is er wel van Rousseau's[2] Compositie +by? duizendmaal dank. Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken +van een Pypje, voor te spelen. Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart, +daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryen +[3]; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag en ik heb zulke mooije +Cantata's. Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het pakje aan Tantes huis +niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur; ik zal hier een adresje +insluiten. Ik bidde den goeden Hemel alle daag voor u, en dat ik u +gezond en vrolyk moge weder zien, my zelf gelukkig rekenende van te zyn, + +_Uwe liefhebbende Pupil en Dienares_, + +SARA BURGERHART. + +Adres: _Chez Mademoiselle G----, Marchande sur le_ ----. + + +Noten: + +[1] Bij voorbaat. +[2] Wolffje dweept met Jean Jacques. +[3] Zeurige deunen. + + + + +VIERDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLES. + + +_Ge-eerde vriendin!_ + +Hield ik my niet verzekert, dat uw hart veel beter gestelt was, dan +dat van wylen den Heer Achitofel[1], (trotscher gedagtenis), die zich, +om dat men zynen raad verwierp, maar zo eens, met een gaauwigheid, +handigies ging opknopen, ik zou zeker by u niet om raad komen, want ik +zeg u in voorraad, dat ik niet van mening ben dien te volgen; ten ware +hy, onverhoopt, met myn reeds genomen besluit overeenstemde. + +En nu, myne zeer statige, zeer hoogwaardige Vriendin, zult gy my +vragen: "waarom, indien dit zo is, of ik dan uwen raad verzoek"? Dat +zal ik u zeggen, Naatje. Ik schryf aan u, om myn hart te ontlasten; om +u in staat te stellen van te kunnen oordelen over myn lastig lot, op +dat gy, den stap dien ik ga doen, al niet goedkeurende, dien echter +zoudt kunnen inschikken. Een stap mooglyk, onvoorzichtig; doch voor my +nodig. Gy hebt al myn vertrouwen, om dat gy alle myne achting hebt, en +elk die u acht is zeker niet verachtelyk, om dat gy zulk een fraai +karakter hebt, enz. Ik moet kort zyn. Maar by Tante heb ik het zo +slegt, dat ik er niet langer blyven kan of wil. Raad my dit niet af. +'t Is wel waar, Naatje, dat gy zo wel veel wyzer als veel ouder zyt +dan ik; maar gy zyt echter niet wyzer dan Salomon, de wyze Koning +Salomon zou ik denken, ende wat zegt zyne Philosophische Majesteit +ergens? "Het is beter te wonen aan de zyde des Daks, dan by eene +kyvende "Huisvrouw". Hoe kan ik nu langer wonen by eene Tante, die, +schynt het, eene belofte gedaan heeft, om my zo veel bitterheid aan te +doen, als Vrekheid en Dweepery maar immer kunnen opbaggeren.... Daar +schreeuwt zy alweer haar keel uit het lid. "Ja Tante, ik kom." Eerst +echter deezen agter 't slot. Zo dra ik kan zal ik een tweeden Brief +beginnen, ik moet u eindelyk voldoen omtrent zaken, my, voor ik u +kende, ontmoet. Vaarwel, myne waarde. + + S.B. + + +Noot: + +[1] 2 Sam. XV, 12 vv. 2 Sam. XVI, 23. -- Vert. Kuenen c.s. + + + + +VYFDE BRIEF. + +DE ZELFDE. Ten vervolge. + + +Ik moest mynen vorigen brief, die hier nevens gaat, zo schielyk +afbreken, om dat Tante my riep, schoon zy my niets te zeggen hadt, en +slegts beval, by haar te zitten: Onze gromparty sla ik maar over, om +dat ik u nu eens ernstig moet schryven. + +Myn waarde Vader, weet gy, was Jan Burgerhart; hy negotieerde in de +Thee; zyn handel was voordeelig. Myne lieve Moeder was, zo als men dat +noemt, een bestorven meisje[1]. Zy hadt een stuiver goeds, en trouwde +zeer jong. My, het eenig kind, voedde men op als een meisje, dat van +eene goede familie is, en geld te wagten heeft, door brave Ouders +opgevoed wordt. Gy kent myn aandoenlyk hart; gy weet hoe vatbaar het +is voor de minste blyken van genegenheid; oordeel dan hoe ik deeze +myne dierbare Ouders eerde en beminde. Ouders! dat is toch een +zielroerent woord, Naatje, en kost my meermaal eene stille traan. Myne +Ouders waren gelukkig met elkander. Hun karakter was voor elkander +berekent. Meer zeg ik niet. Wie spreekt ooit dan met achting van myne +zalige Ouders? och, yder een!... Gy weet het. Hoe aangenaam was ons +zeer geregelt huishouden! Myne Ouders lazen veel, en zagen deeze zucht +in my met goedkeuring. Nog zie ik hen in onzen tuin, op de bank +zitten, als Vader zyn pypje van rust, zo als hy het noemde, rookte, en +Moeder hem iets voorlas, terwyl ik op des goedaartigen mans knie zat +te luisteren, of te spelen. Nog zie ik, hoe hy my, gevolgt door myne +glimlachende Moeder, in huis draagt. o! Dat waren gouden dagen; waren +het niet? + +Myne Moeder hadt eene Zuster, die veel ouder was, en waar by ik nu +inwoon. Die Zuster vondt maar gansch niet billyk, dat Saartje voor +haar ten huwelyk verzogt wierd, en kyk, de Juffrouw was magtig gestelt +op het _Decorum_[2]; dat was het maar: zy meende ook zeer wel te +weten, dat zy zo wel veel meer verdiensten, als jaren telde, dan myne +Moeder. Doch, of het spel sprak, daar kwamen geene Liefhebbers. Indien +onze Vriendin hadt kunnen bewogen worden, om eene _aanpryzende_ +VOORREDE voor Tante te schryven, mooglyk zou men haar gezogt hebben. +Hoe 't zy--(verschoon dien inval!) zy begreep, (Tante heeft ook haare +invallen, Naatje), dat er geen beter party voor haar opzat, dan zich +te voegen by die Lieden, die wy _fynen_, en die zich zelf _vroomen_ +noemen. Veele deezer menschen, ik spreek van de besten uit de zoo, +meenden dat haar grimmige uitkyk, haar grommig voorkomen, haar +nutteloze berisping, de zoete vrugtjes waren van eene naauw-gezette +godsvrugt. Die goede Slooven dagten, dat Tante los was van de Waereld, +om dat de wyze schikkingen der Voorzienigheid nooit de eer hadden van +haar Wel Edele te voldoen. Hoe zeer zy ook de Fyne uithing, zy beviel +evenwel meer aan de Zusjes, dan aan de Broedertjes: men moet bekennen, +dat Juffrouw Hofland juist niet heel oogelyk is. + +Met myn zesde jaar hield ik al mee Oeffening by Tante. De Vriendjes +hadden veel met my op. Men zag wat goeds in my. Ik hield ook veel van +Tantes Oeffening; want, met myn zak en peperhuizen vol Lekkers, kwam +ik altoos thuis, zie daar de genoegzame rede. Hoe zeit Wolff[3], de +_ratio sufficiens der dingen?_ + +Zoo veele middelen bleven niet ongezegent. Ik verlangde altoos naar +Tantes oeffendag. Wat zal ik meer zeggen? Gy kent my: medelydent, +meegaande, en zoo voords. Toen kon ik al geene droefheid zien zonder +ook te kryten; en er werdt ook meest altyd eens geweent, (waarom weet +Joost; want me dunkt, dat zy het nog al zoo taamlyk wel hadden). Deze +weekheid behaagde. Myne Tante zelf, of schoon ik hare gehate Zusters +dochtertje was, kreeg my, op hare wys, recht lief. Zy mydde ons huis +niet meer, om dat ik mee oeffening hield, en mee huilde. + +Twaalf jaren leefde ik zo gelukkig, als een gehoorzaam en gelieft kind +leven kan. Toen keerde myn lot. Myn waarde Vader, zich op eenen heten +dag, door het inpakken en afzenden van Thee, zeer verhit hebbende, +kreeg een pleuris, en stierf binnen drie dagen, nog geen veertig jaren +oud zynde. + +Geene VAN MERKEN[4] zou u kunnen afbeelden, hoe groot myner Moeders en +myne droefheid was. Wy verloren alles, en myne teder-lievende Moeder +voelde alles wat zy verloor; meer zeg ik niet. Oordeel nu. Myne Moeder +deedt den handel aan iemand onzer Kantoorbedienden over, vertrok naar +de ----gragt, en hielt maar eene onzer meiden; daar leefden wy stil en +proper. Maar haar verlangen naar stilte was te gunstig voor haar, om +toch onafgebroken aan haar Overledenen te denken! Myne Ouders hadden +elkander hartlyk bemint: de dood myn's Vaders stortte haar in de +allerdiepste zwaarmoedigheid. Zy sneedt alle uitspanningen af, zag +niemand, sprak weinig, zuchtte veel, en stortte veele droeve tranen. +Zy werdt ook wel dra zo ziek van lichaam als van ziel. De lieve Vrouw +hadt nu reeds de geschiktheid, om het zaad der dweepery, 't welk myne +Tante met eene voorbeeldige mildheid uitstrooide, te ontvangen; zy +ontfing het ook, helaas! + +Ik was bitter bedroeft over myne Moeder! myne zucht tot vermaak +verzwakte. Geen wonder! ik zag myne kwynende Moeder in eene sleepende +ziekte vervallen, die, zo als Docter E---- duchte, ongeneeslyk was. Ik +leed niet minder dan myne dierbare toegeeflyke Moeder. De Teering is +eene elendige kwaal, Naatje. Wat heeft de brave Vrouw geleden, en dat +zo lang; zo heel lang! Nooit verliet ik haar in het laatste jaar haars +levens. Ik sliep voor haar bed, gaf haar alle de medicynen; en zag, +buiten myne Tante en den Docter, niemand dan onze goede Pieternel; die +brave meid, welke myne Ouders reeds diende, toen ik geboren wierd, en +waar voor ik zo veel liefde heb. Nu en dan las ik voor myne zwakke +stervende Moeder; doch de Boeken, waar uit ik las, waren niet voor my, +ook niet voor haar geschikt, en werden door Tante bezorgt, akelige, +zotte geschriftjes, die myne Moeder, voor de droefheid haren geest +geheel hadt benevelt, met versmading zoude beschouwt hebben: Ik ben nu +te ernstig, anders zoude ik u eens een paar douzynen Titels opgeven, +die my by u zouden verdedigen. + +Dodelyk ongerust over myne geliefde Moeder; onpasselyk door het gestadig +zitten in eene ziekenkamer, verstoken van lucht, dien balsem des levens, +van licht, dat den geest opheft: zonder de minste afleiding; het zwarte +beeld des doods gedurig voor my warende; verdrietig over de smarten myner +Moeder, verloor ik eerst myne eetlust, toen myne gezonde kleur, en wel +dra myne werkzaamheid. Ik keek zo bang en zo zuur als Tante; zuchte, +zat leeg en lui met de hand onder myn hoofd, dat dof en zwaar werdt en +ongekapt bleef. Met een woord ik vervreemde zodanig van de jonkheid en de +natuur, dat Tante my voor een geheel _omgekeert meisje_[5] begon aan te +zien. Zy liefkoosde my, om dat zy haar eigen portret in my waande te +vinden: en ik, och! ik had vrede met Tante, om dat zy met my in haar +schik was. + +In dien staat was ik, toen gy ons uit naam uwer Moeder bezogt, die de +beleeftheid hadt, om, uit oude vriendschap met myn Vader, en uit nieuwe +Buurschap, zo als gy zeide, (want gy kwaamt eerst onlangs op de zelfde +gragt), te laten vragen, hoe of myne Moeder nu was, zynde zy begeerig om +de zieke eens te bezoeken. + +Hy, die ons in treurige omstandigheden toespreekt, met heusheid toespreekt, +is ons welkom: dit beurt ons op; het vleit ons; het verwydert ons eenige +oogenblikken van ons verdriet: Oordeel des of gy my aangenaam waart! ik +voelde nu, dat ik nog vatbaar was voor blydschap. O dierbare aandoening! +Hoe, (gy wordt immers niet knorrig, Naatje lief?) hoe staatig, hoe weinig +toeschietent, hoe geheel anders gy ook waart, dan ik, in houding, in +kleding, in gelaat, toen echter scheent gy my de voorkomenheid, de +minzaamheid zelve. + +Myne grootste, zoo niet eenigste behoefte, gy weet het nu zelf, is +lief te hebben, en gelieft te worden: myne liefde voor myne Moeder was +zo oprecht, zo teder, als die van eene dochter ooit zyn kan, maar die +liefde vervulde echter myn geheel hart niet. + +Hare onbegrypelyke zwakheid, en myn gegronde eerbied waren de oorzaken +van dit verschynsel. Die bron stroomde niet hoog genoeg voor my, en +yder uur dreigde de dood die voor altoos te verstoppen. Gy werdt voor +my noodzaaklyk. Ik zag wel, dat Naatje Willis een geheel ander +voorkomen hadt dan Saartje Burgerhart, of alle die Juffertjes, daar +ik mede om plagt te gaan, voor deze toenemende krankheid myner lieve +Moeder: maar toen stak uwe statigheid niet heel sterk af by myne +dofheid; wel verre van de oorzaak optesporen, dacht ik er niet eens +aan: ik kende u; dat was genoeg. + +Uwe achtingswaardige Moeder bezogt de myne: het afscheid was teder en +bedaart. Zy zag my schreijen, nam myne hand, sprak vriendelyk, +troostelyk, kuste my; ja, noemde my, _lief Meisje_. + +Gedurende deze ziekte hadt myne Moeder Tante tot medevoogdes, nevens +den Heer Blankaart, aangestelt; haar des jaars zevenhonderd Guldens +toeleggende, tot ik kwam te trouwen, of, tot myne meerderjarigheid +indien Tante my by haar wilde innemen. Deeze schikking zal u niet +verwonderen, als gy bedenkt, hoe verzwakt myne Moeder was; als gy +bedenkt, dat Tante en ik toen zeer wel te recht konden: Tante hadt +Nicht lief, om dat die ziek en zwaarmoedig was, en Nicht, wel, die kon +niet denken, dat 'er zulke Tantes in de geheele waereld waren! + +Weinige dagen na het bezoek uwer Moeder, storf de dierbare Lyderes, +des nagts, in 't byzyn van onze Pieternel en den Heer Blankaart, die +toen juist in de stad was, en ik bleef, nog geen zeventien jaar oud +zynde, ouderloos. Myn Voogd berustte in de dispositie myner Moeder, +doch heeft met Tante niet veel op. Zy noemt bykans nooit zyn naam, of +zy voegt er by, dat hy geen godsdienst heeft. Denk eens aan; en dat +van zo een allerbest man! Is 't geen schande? + +Aanhoudent, stil aan myn hart bytent huisselyk verdriet, heeft maar te +veel van die goede lessen, die ik ontfing, uitgewischt. O vrede! o +kalmte der ziel, waar zyt gy zedert deeze drie laatste jaren geweest? +o myne Naatje, kan ik met nimmer wankelende treden den weg der pligten +altoos bewandelen; daar men mynen weg zoo hart, zo doornig, zo ruw +maakt? Nu 't is ook uit: myn gerekt geduld is ten einde; ik zal my dus +niet langer laten plagen. Neen! vast niet. + +Ik kan u al myn verdriet niet vertellen; daar is in vele opzichten +zulk een _zweem_ van beuzelagtigheid by, dat gy, die zo gelukkig +leeft, niet kunt geloven, dat het my zo treft. Ik heb geen de minste +vryheid; komen myne Meesters, dan tiert zy als een zottin; ik mag niet +op myn Clavier spelen; ik mag my niet kleden, zo als ik gewoon ben; ik +mag niemand zien dan in haar byzyn. Gy weet dat ik altoos proper, en +eenigzins modieus gekleed wierd, maar hoe takelt zy my toe! Nu, zedert +de rouw uit is, moet ik in een grove lelyke Stoffen Japon lopen; myn +Pelise[6] is van eene ouden zyden faly myner Grootmoeder, (en is vol +vouwen en kerven,) gemaakt; zonder kap of lintje, met een tinnen haak +en oog maar vast gekonkelt. Myn linnen muts is zo groot, dat even het +puntje van myn neus er uitkykt. Ik heb dikke drommels van schoenen, en +dieren van groene kousen aan. Alle Kerkdagen moet ik gaan, en by dien +Leeraar[7] dien zy uitkiest. Maandag en Saturdag moet ik Tante, en die +Hottentot van een Bregt, na klungelen, om voor de Oeffenings-vrienden +alles gereed te zetten. Ik moet thee schenken, presenteeren, zotteklap +en lastertaal hooren ... maar genoeg. Dit evenwel nog: alle avonden +moet ik in malle Boeken lezen, die wel door verliefden in een Dolhuis +gemaakt schynen, doch die noemt myne Tante innige zielsdierbare +Schriftjes, kostelyke Pandjes, enz. By ydere zinscheiding zucht Tante, +en snurkt Bregt. Ik mag voor my zelf niets lezen, dan 't geen zy goed +keurt; uwe _Julia Mandeville_ heeft die vinnige kwezel op 't vuur +gebruit; och ja, voor myn' oogen deedt zy het. Ik beken, dat ik toen +niet heel zoetzinnig was, maar het geen kleentje roerde. Waarlyk, +Naatje, als ik hier bleef, wierd ik de grootste haneveer die er ooit +leefde, en 't is toch geheel tegen myn inborst; doch nood breekt wet. + +Ik lyde juist geen honger, maar 't scheelt niet veel. Altoos is 'er +iets voor my alleen, nu onder dit, dan weder dat voorgeven. Is dat +voor my uittestaan? Weet gy wel, dat ik hier zevenhonderd Guldentjes +verteer, kind? Meermaal gaf zy my, in heilige woede, een brave klap om +de ooren, en ik ben echter bykans twintig jaar, kind, en zou Tante, +schaamde ik my dit niet, er even goed een weerom kunnen geven. Hoor, +ik heb aan myn Voogd geschreven, en wagt een gunstig antwoord. + +Ik zal wel ergens belanden. Ik heb myne Kinderkennis vernieuwt met myn +Schoolmakkertje, Letje de Brunier. Die zegt, dat zy by eene zeer +fatsoenlyke Vrouw gelogeert is; eene Weduw, die op de Keizersgragt +woont. Juffrouw de Brunier schynt wel wat lugtig; maar dat's haar +zaak. De Weduwe zal my wel innemen; althans, Letje zal het haar +voorslaan. Ik laat my niet langer plagen: ik verteer te veel geld. Ik +ben immers niet kwaad, Naatje? maar zo te leven is my onmooglyk. Wat! +zou ik geen braaf mensch kunnen zyn, om dat ik de slavin myner Tante +niet zyn wil; om dat ik my naar myn zin wil kleden, 't geen myn Voogd +my gaarn inwilligt? Zou ik myn hair niet mogen opkappen, zonder dat +myn hart er by leedt? Vrees niet voor my, ik zal wel op de wagt staan. +Ik ken de liefde niet; denk er nooit om, breek myn hoofd nooit met +zulke snuisteryen. Ik begeer niets dan een leven, dat vry vrolyk en +schoon afloopt; goed gezelschap, aangename Boeken, en het vry gebruik +van het Clavier. + +Dit voornemen heb ik; nu weet gy alles. Bekyf my, preek, vermaan, +bestraf, vlei my, ik zal alles lezen, u liefhebben, en--myn eigen zin +doen. Antwoord my toch ten eersten[8]: wat verlang ik naar een brief +van u! geadresseert in _la Reine de France_, chez Mademoiselle G----. +Niemand acht u hooger dan + + _Uwe Vriendin_, + + SAARTJE BURGERHART. + + +Noten: + +[1] Wees. +[2] Hier: betamelijkheid. +[3] K.F. Wolff 1733--94; rat. suff. genoegz. rede. +[4] Luc. Wilh., Nut der Tegenspoeden, 1721--84. +[5] Bekeerd. +[6] 't Zelfde als faly: mantel. +[7] Dominee. +[8] Gauw. + + + + + +ZESDE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp schrijft aan Zuzanna Hofland +--Saartjes Tante, bij wie ze inwoont--hoe Saartje als jong kind al +niet deugde. Ze leest verkeerde boeken! Ze noodigt Zuzanna bij zich. + + + + +ZEVENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. + + +_Dierbare Vriendinne!_ + +Wel, wat heb ik een dag gehad, een dag gehad: och! ik vrees dat de +Boze maar te veel vat op my gehadt heeft; ik was zo toornigjes, zo +toornigjes. Och ja, zo van myn hert afgedwaalt. Dogt ik dat, toen ik +dat meisje by me nam? Ik dogt, dat er wat goeds in was; want toen haar +Moeder ziek was, was zy zo stil en zo ingetogen, en kreeg ook onze +kleur[1] al; maar 't was ook maar onze kleur, en meer niet. Zy was my +nog te waereldsgezint; zo bedroeft was zy over hare Moeder; en moest +het Hellewicht niet gedagt hebben, dat ik haar beter was dan zeven +Moeders? Wat zeg jy, Zusje? Ik, die alles doe om hare lusten te doden +en te kruizigen. Och ja! + +Ja, het stond my ook nooit wel aan, dat zy, als zy in het oude +Testament las, altyd met er neus in de Spreuken en den Prediker zat. +En ik vond het nog erger, toen Broeder Benjamin zei: "dat Salomon al +dat pligtmatige, waar van hy zo veel schreef, geschreven hadt, in den +tyds zyn's afvals; eenigjes en alleentjes om zyne Heidensche Wyven en +Bywyven te behagen, die wel zin daar aan hadden, in die blinkende +zonden, zei hy; en dat, toen Salomon zich bekeert hadt, hy ook van dat +betrachten, dat doen, zoude gezegt hebben: Ydelheid der ydelheden, dit +alles is ook ydelheid". Al dat doen, Zusje, laat de ziel maar leeg; +die draf van goeije werken zyn ook al todden en vodden van eigen +gerechtigheid, zo als de Zuster Alida met yver altoos zegt. + +Zusje, wat is die Broeder Benjamin toch een groot mannetje! Nou, ik zal +zien te komen, en dan zullen wy spreken van herte tot herte. Ik heb u +en de broeders lief. + + Z. HOFLAND. + + + PS. Het Theologiesch Verrekykertje van Zuster + Welgeleert gebruik ik met stichting: als je + weer eens een zoet Boekje hebt, hoor. + + +Noot: + +[1] Geestesrichting. + + + + +ACHTSTE BRIEF.--Sara schrijft Aletta de Brunier, dat ze komt, als de +weduwe Sp. haar wil hebben. + + +NEGENDE BRIEF.--Deze verklaart zich bereid Sara te ontvangen, tegen +billijke vergoeding. Het zal haar wel bevallen. + + + + +TIENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA DE BRUNIER. + + +_Douce et tendre amie!_ + +_Je suis enrage_, op het oud Wyf--op myne Tante; ik wil geen week +langer blyven; 't is of ik in de hel woon. Myne Tante heeft zeer veel +van zyn Satansche Majesteits karakter; en Bregt verdient wel een +schonen dienst in zyn onderaardsch ryk ... Ja! bons wat aan; ik zal +niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. Sus! daar hompelt zy, al +grommende, den trap weer af. Goeije reis naar beneden. Ik moet, +_chere_, u eens een _Scene_ tekenen, die u niet zal uit de hand +vallen. + +Woensdag voormiddag raasde zy als eene bezeetene, om dat ik eenige +nieuwe Aria's speelde. (Dat's een Wyf, ook?) Zy werd geholpen door +haar Hottentot van een meid, die my dorst zeggen, dat zy ook danig +ontsticht was. Met wordt er gebelt. Bregt, die volmaakt een zog van +een Bollebuisjeswyf[1] gelykt, waggelde naar voor; en Tante gaf my een +verbruide oorvyg, om dat ik bleef spelen.... "Juffrouw, daar is +Sinjeur Benjamin."--"Wel hede, laat Broeder maar agter komen." Daar +kwam Broeder, een luije zuipzak van een Kerel, in een paarschen Japon; +(men zou wel zeggen, wie of zo een verlopen Slagers Knegt toch een +Japon heeft leren dragen.) "Welkom Broertje, wel hoe is het nu nog al +met je?"--"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"--"Wel, dat is +droevig, maar je vergt je ook wat veel."--"Ja 't is myn Ambtsbezigheid; +en hoe vaart Zuster? Je schynt wel wat onthutst."--"Ja, dat ben ik ook, +'t is niet altyd het effen wegje, Broertje." (Tegen Bregt.) "Ei meid, +is er niet wat? dan zou Broeder hier maar familiair blyven." (Tegen my.) +"Toe, lieve Saartje, was dat uittestaan, lieve Saartje, en myn wang +gloeide nog van den slag, bak jy nou ereis schielykjes wat dunne +Pannekoekjes, Broeder lust die zo graag." Ik sloot myn Clavier, en zei: +'t is wel, Tante. Ik ging naar de Keuken, en bakte helder door: maar-ik +-at-die-al-bakkende-zelf-op. Dit is de eerste trek, die ik haar speelde, +hoe zelden ik myn genoegen kryg. + +Ik moet hier alles doen; want Bregt is een lomp schepsel, en snuift +sterk. Toen ging ik, terwyl Bregt in huis klungelde, de tafel dekken. +Bregt eet met ons, want het is Zuster Bregtje, moet je weten, Letje. +Tartuff[2] zou een goed woord spreken, maar de Vent badt, (zo noemen +zy dat gehuilebalk,) wel een kwartier lang. Het geen hy jankte, geleek +veel meer naar het morrent gegnor van ondankbaar Vee, dan naar de +zuchten van een bewogen hart, 't geen zynen God looft. + +Ik kreeg, _a l'ordinaire_[3], eeten op myn bord, twee schepjes +groente; met een slenter kout vleesch van 's daags te voren. Ik spelde +myn Servet voor: "als ik gelyk een kind eeten kryg, moet ik ook zien, +dat ik my niet bemors." "Och of gy een kind waart," zei de Smulpaap, +die onderwyl met zyn duim en vinger de boter van de _robe de +chambre_[4] eener Cottelette aflikte. "Dat zou heuchelyk zyn," zei +Tante; "ja wel heuchelyk," zei Zuster Bregitta. Toen kreeg ik nog wat +byeengeschraapte Spenage, en een stuk Cottelet. Zuster Zantje, en +Broeder namen onderwyl eens. Ik kryg nooit wyn. Tante zegt, dat het +niet goed is voor my, en dat kan wel zyn; want ik ben jong en gezont. +"Kom, Saartje, neem nou maar af; Bregtje is wat vermoeit; de sloof +wordt oud." Ik deed zo; zette het Dessertje op. "Waar bennen de +Flensjes, Saartje?" "Die bennen in myn maag, Tante." Snap myn servet +neer gegooit, (by ongeluk tegen Broeders palmhoute[5] pruik,) en het +onweer op myne Kamer ontweken. Gy weet, ik ben tamelyk vlug, dat my +toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de Hottentot +met een stuk brood en een glas zuur bier, er by voegende, "dat ik het +nooit kon verantwoorden, zo als ik een vroom mensch evel plaagde." +"Scheer je van myn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. Het +brood (het was goed op de Flensjes,) at ik op. Het bier gaoide ik weg, +en dronk eens helder uit myn Caraffe: ging vroeg te bed, en sliep als +een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom Thee, die +wel omspoelzel lykt. Tante gaat uit, en wil my voor haar oogen niet +zien. Zo zitten nu de zaken. Mooglyk geef ik u deezen wel in eigen +handen, mooglyk niet: Ik weet niet hoe 't zal uitkomen. + +Vast kom ik, de brief der goede Weduwe heeft my in dit voornemen +gesterkt. Ik zou al by u geweest zyn, maar ik wagt op een Brief; die +brief komt niet. Ik zal, voor ik dit huis verlaat, aan haar die ik +bedoel nog eens schryven ... doch dat kan ik by u evengoed doen. + +Ja, lieve meid, gy hebt wel kostelyk gelyk! Men moet maar wel doen en +vrolyk leven. He, wat? op die Fynen is toch geen staat te maken; +echter zyn er (of jy 't niet geloofde,) zulke vrome zielen onder, die, +waren de hoofden dezer brave menschen zo goed georganiseert als hunne +harten, wel zuiver en godsdienstig zyn ... enfin, kort gezeit, Letje, +Salomon, de wyze Koning Salomon, is myn man: _men moet het goede +genieten van zyn leven, ende van zyn arbeid_;--daar mee is dat maar +uit, en afgedaan. + +'t Wordt donker, en ik kryg geen licht in myn kamer; ik kan des niet +langer schryven. Hoe zal dat gaan als ik beneden kom? Ik zal eerst +Tante goeden avond zeggen, en als zy draaglyk is, by haar gaan zitten +breijen; zoo niet, dan ga ik in de zydkamer, de lantaarn brandt toch +in het voorhuis, open myn Clavier, en speel op 't gevoel maar weg. +Maak myn Compliment aan Mejuffrouw de Weduwe Spilgoed; en zeg haar zo +veel gy nodig oordeelt, zo gy deezen nog, voor ik u omhels, in handen +krygt. Nagt, lieve ziel. + + Tout a Toi, S. BURGERHART. + + +Noten: + +[1] Poffertjeswijf. +[2] Benjamin = huichelaar (Moliere). +[3] Als gewoonlijk. +[4] 't Vleezige. +[5] P.-H.-kleurige. + + + +[Illustratie: Snap mijn servet neer gegooit, (bij ongeluk tegen Broeders +palmhoute pruik,) en het onweer op mijne kamer ontweeken. +Illustratie van C. Bogerts, naar teekening van J. Buys, in de 1e uitgave +van 1782.] + + + + +ELFDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Ge-eerde Heer, zeer waarde Voogd!_ + +De steen is geworpen: ik ben 't ontvlugt, en acht het pligtmatig u +alles te melden. Gister namiddag ben ik hier in myn nieuw Logement +gearriveert: Ik zal alles vertellen. + +Ik twyffel dikwyls, of Tante my deeze laatste weken niet zo geplaagt +heeft, om my deezen stap te eerder te doen doen. Het volgende deedt +my nog te eerder tot een besluit komen. Ik ontmoette in een Fransche +winkel, daar ik een paar handschoenen kogt, eene myner School- +vriendinnetjes, zekere Letje de Brunier. Het lieve meisjes Vader was +de Heer Phillips de Brunier, geen ongeacht Commissionaris[1] op +Duitschland en Italien: Ik leg haren brief aan my, ook die der Weduwe, +daar zy by logeert, hier in; op dat gy zoudt weten al wat er my van +bekent is. Nu de Vertelling. + +Gister middag ging Tante uit eeten. Ik kleedde my aan, stak wat linnen +by my, ook myne juweelen, die ik van u gekregen heb, voor gy naar +Frankryk ging, doch die ik nooit heb aangehad, met een weinig gelds, +(want zy geeft my niets,--geen duit.) Bregt hadt de stoutheid om my te +vragen: "waar ga jy heen?"--"Dat raakt jou niet."--"Dan zel je ook in +huis blyven."--"Heb jy 't hart, en belet my dat eens." Ik kan wel boos +worden, maar niet kyven; en ziende dat Bregt haar talent te werk +stelde, bedagt ik my: "Bregt, zei ik, heeft Tante je die ordres +gegeven, dan moet ik haar de reden vragen, als zy t'huis komt; wat +zullen wy eeten?"--"Kliekjes", zei zy. "Goed, ik heb honger; maar wy +zullen Tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een fles +wyn, jy hebt zeker den sleutel."--"Ik doe niet, juffrouw Saartje: (nu +ik van putten[2] sprak, kreeg ik aanstonds deezen tytel!) "Jy jokt, +Bregt; als Tante er van spreekt, zal ik haar den wyn betalen."--"Je +Tante heeft altoos zelf den sleutel; maar als Juffrouw my niet +beklappen zou, ik kan er toch wel by."--"Ik je beklappen! wel, dan +moest ik wel gek zyn; kryg maar, toe, schielyk." Zy ging. Ik had al +lang gemerkt, dat Zuster Bregtje aan de fep was; ik tastte haar des +van de zwakke zyde aan. Doch, pasjes was zy in den Kelder, of ik, +flink de deur in slot, en de grendels er op. Toen ging ik het huis +uit, en haalde de huisdeur agter my toe. Hoe het verder met de Zuster +gegaan is, weet ik niet. + +Ik heb, op Tantes tafeltje, een kaartje laten leggen, om dat zy niet +ongerust zyn zoude. Zy heeft my schrikkelyk geplaagt: mooglyk zal zy +zich dit herinneren; en wat hoef ik haar te kwellen, nu ik uit haar +magt ben: Is 't niet waar, myn Heer? + +Wat verlang ik naar een Brief van u! De Muziek heb ik ontfangen. o Wat +zyt gy een goed man! Kon ik u mondeling zeggen, hoe zeer ik u acht, en +hoe gelukkig ik my reken van te zyn, + + MYN HEER! + + _Uwe Ootmoedige Dienaresse en Pupil_, + + SARA BURGERHART. + +PS. Myn adres zal ik hier ook by leggen. + + +Noten: + +[1] Handelsagent. +[2] Zuipen, pimpelen. + + + + + +TWAALFDE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Saartje: ze is zoo jong; +ze moet zich nogeens bedenken; misschien trouwt ze gauw; gaat 't +verkeerd, dan krijgt Sara de schuld. Bij die wed. Sp. leven ze +luchtigjes, ook Aletta is maar luchtig. Hoe denkt Blankaart erover? +Zij zal 't haar moeder vertellen: _misschien wil die Saar wel +hebben_.--Deze brief blijft wat lang uit. + + +DERTIENDE BRIEF.--Sara beklaagt er zich over en wordt boos om Anna's +koelheid. _Haat_ me desnoods, zegt ze, maar _veracht_ me niet. +Eindelijk komt Anna's brief en Sara schrijft haar. + + + + +VEERTIENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Dierbare Willis!_ + +Zoo ontfang ik den uwen. Kunt gy my nog liefhebben? Hemel, wat ben ik +ongelukkig! Zedert de dood my myne Moeder ontnam, liep my alles tegen. +Waarom ontfing ik uwen Brief niet eerder? dien voor my zo +allernodigsten Brief, o Myne voortvarentheid!... Wat meer geduld, en +wie weet hoe gelukkig ik nu zyn zoude. Maar durfde ik daar op hopen? +By u te zyn;--onder het zorgende oog uwer Moeder. Dat is nu te laat! +En ik moest nog de Zedemeestres spelen! Ik moest, zo onkundig van myn +hart, het uwe beproeven! Ik moest--och, lieve Naatje, vergeef het my; +zoek toch naar eenige verschoning voor my, ik kan niets vinden. Ik +heb, voor een jong mensch, al veel verdriets gehad, en al veel +ongelyks geleden; maar nu, nu ondervind ik voor 't eerst, dat +zelfverwyting eene zeer grievende smart veroorzaakt; alles is daar +beuzeling by. Als ons hart zegt, men doet u ongelyk, gy verdient dit +niet, dan is de belediging zelf, vreugd, by de bewustheid dat wy haar, +die ons lief heeft, kwalyk behandelen; ook terwyl zy zich bevlytigt om +ons te helpen. Dit gevoel, hoe pynlyk, troost my echter; het maakt my +uwer vergeving waardig. + +Verscheur myn laatsten Brief. Laat hy zyn als niet geschreven: ik was +moedeloos. Wat zal het my nu helpen, uwe bedenkingen te wikken? +Helaas, Naatje, de stap is gedaan! Ik ontken niet, dat ik hier zeer +vergenoegt ben; maar uw Brief, uw Brief! Ik had dan mogen hopen altoos +by u te zyn? Gy weet hoe gaarn ik by u, by uwe lieve Moeder ben! En is +Willem t'huisgekomen? (van hem eens nader.) Waarlyk, ik heb het hier +zeer wel, hoewel het is nog vroeg, eerst de vierde dag; indien ik het +vergelyk by de laatste jaren: doch by u te zyn ... 't is vrugteloos. +Dit maakt my droefgeestig, en verbetert myn lot niet; ik schrei er +van. + +Mejuffrouw de Weduwe schynt een zeer goedaartig mensch, zy ziet er +allervriendelykst uit; ik denk, dat zy byna veertig jaar oud is. Zy +heeft fraaije manieren; zy is eene Vrouw van fatsoen en opvoeding, dat +ziet men. Zy spreekt niet veel, doch 't geen zy zegt is goed gezegt. + +Zy leest veel, en in verscheidene talen; heeft de Waereld gezien; +speelt keurlyk op 't Clavier; is zindelyk over haar huishouden, +naarstig; modieus, doch niet opzichtig gekleedt; een weinig gekapt, +wel te vreden met ons, zo als wy met haar. Gezelschappen heb ik hier +nog niet gezien. Juffrouw Letje is een lief vriendelyk meisje, niet +zoo levendig als ik: zy zucht meermaal; waarom weet ik nog niet. Zy +leest gaarn, zingt fraai, en is, alles in eens gezeit, als de meeste +meisjes, die niet veel goed of kwaad bedryven. De twee andere Dames +heb ik nog maar eens aan 't middagmaal gezien: beiden hebben goede +manieren; en, schoon ik de jongste ben, behandelen ze my met veel +beleeftheid. Zy gaan veel uit, schynt het. Letje is meer t'huis nu +zy my heeft, dan van te voren, zegt de heusche Weduwe Spilgoed. + +'t Is raar! alles is zo wel naar myn zin, en echter ik ben niet +gerust. U heb ik kwalyk behandelt, en weet niet hoe of gy my +beschouwt. Acht ik u dan hoog? heb ik uwe achting voor myn geluk +nodig? + +Letje kwam daar by my; ziende dat ik geschreit had, was zy zeer met my +bewogen. "Wat scheelt er aan, Liefje," zei zy. "Och niets," zei ik, +"maar ik ben my zelf moede, o die Brief, die Brief!" Zy zag dien +leggen, maar weet te wel wat de betaamlykheid eischt, om onbescheiden +te zyn. Zy zag my aan, vatte myne hand, en 't was of zy my iets wilde +zeggen, doch, zich bedenkende: "Kom, Burgerhart," hervatte zy, "gy zyt +niet vrolyk: ik ben 't ook niet altoos, en dien wel by u te zyn om het +te wezen. Wil ik die solo eens zingen, die gy zo graag hoort? dat zal +u wat van u zelf verwyderen." Droevige toevlucht! dit toont wel dat +het hier, hier onder de borst, niet richtig is. Ik verlang en beef +teffens voor een Brief van u. Och! schryf alles wat gy maar wilt, zo +gy my maar in waarheid kunt schryven dat gy nog bemint + + _Uwe Vriendin_, + + S. BURGERHART. + + + + +VIJFTIENDE BRIEF.--Sophia Willis-Van Zon--Anna's Moeder--schrijft +Blankaart over Sara. Saartje heeft haar tante verlaten en woont nu +bij de wed. Spilgoed--wat ze _niet_ goedkeurt. Zij zelf kan Sara niet +nemen, want behalve voor achterklap vreest ze voor haar zoon Willem. +Willem is verliefd op Saar, en hij heeft geen geld, zij wel; +bovendien: _die twee passen niet voor elkaar_. Sara moet een man +hebben die haar aan kan; Willem is een lobbes. + +ZESTIENDE BRIEF.--Anna Willis schrijft een allerdeugdzaamst en +vriendelijk antwoord aan Sara: ze gevoelt zich na dien boozen brief +nog meer aangetrokken tot haar. Geeft haar den raad: "_leen nooit +geld van anderen, kom dan bij mij_." + + + + +ZEVENTIENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Myn Heer!_ + +De Apostel zegt: "dat wy allen ommegang met Zondaren niet kunnen +vermyden, want dan zouwen wy buiten de Waereld gaan moeten." En schoon +ik my zo kan vinden in de woorden van dien Heiligen sukkelaar, zo als +Broeder Benjamin Koning David wel eens noemt; zo kan vinden, zeg ik, +in de woorden daar hy zegt: "ik kome niet op den weg der Zondaren:" zo +vind ik het nu in mynen weg noodzaaklyk, myne oogen naar het Afgodisch +Vrankryk te slaan, ende my als te begeven onder hen, die het teken des +Beestes aan hun voorhoofd dragen. + +Je weet, myn Zusters man vondt het zo, om u tot eersten Voogd voor +zyne Dochter te verkiezen, en hare Moeder maakte my mede-Voogdesse, +bevelende, wil ik spreken, haar aan myne liefde en bescherming. Daar +voor kreeg ik 's Jaars een matig stuivertje van honderd halve +ryertjes; och ja! Dit was weinig genoeg; want het Meisje was +weelderigjes opgevoet: ik moest, om haar, nog al meer omslag maken, +dan ik zo in myn eigen gedoente gewoon ben; och ja! Maar, wat is 't? +men doet veel uit liefde ende tot liefde. Had ik maar vruchten mogen +zien, dan zou ik my alles nog kunnen troosten. Doch al myne moeite, al +myne zorg was te vergeefsch. De Meid heeft een Keistenen hart, geheel +voor de Waereld; en zo lang ik zoo met dat lastig Zeeschip getobt en +gewroet hebbe, ben ik zo van myn hart afgeweest. 't Is of de Zegen uit +myn huis is. Ja, ik heb van haar kwaad humeur veel verdragen; maar ze +is weg gevlugt. + +Voorleden vrydag was ik by eene hele vrome Mevrouw ten eeten, met +Broeder Benjamin en nog ettelyke vromen, om een goed woord te spreken. +Ik beval aan myne meid, onze Bregt, op Saartje te passen. Wat gebeurt +er? Ik kom 's avonds met den Broeder welletjes en vriendelykjes thuis, +ga naar 't zaaltje, roep; kryg geen antwoord. Eindelyk door myn gang +gaande, hoor ik iemand die roept: "Juffrouw, och Juffrouw! ik zit in +de kelder." Ik doe de deur open, daar zat myn meid in den donker +opgesloten, en was zo ontstelt, dat zy my pasjes kon zeggen, dat die +ondeugende Sara haar in de kelder gesloten hadt, en zelf de deur was +uitgegaan. De meid was zo bezet van den drank, dat ik wel denken kan, +dat zy haar die heeft ingeperst, en toen in de kelder gebragt, op dat +Bregtje haar niet in hare snode vlugt zoude beletten. + +Nu is zy in een godloos huis, daar gedanst en gespeelt wordt, daar de +Juffrouwen een el hoog gekapt gaan, en met alle vromen den spot +dryven. Ik zou haar wel laten weer halen; maar ik dank den Here, dat +zy maar weg is. Nu zal ik weer rust en stilte in myn hutje hebben, en +myn eigen wegje gaan. Maar jy moet haar straffen, dat is jou pligt. Ik +eisch het volle geld tot zy trouwt, of vyfentwintig jaar is; zy is uit +'er zelf weggegaan: nou, dat spreekt van zelf. Ik geef u aan u zelf, +en haar den Duivel over, wiens lievrei zy al aan heeft. Ik sny haar +af. Zy zal geen duit van myn goedje hebben. Nou, 't geld wagt ik op +den vervaldag. Hoe heuchelyk zou het zyn, indien gy ook in onzen +Wyngaart arbeidde; maar uwe vervreemding van het goede laat my niet +toe u anders te noemen dan + + MIJN HEER, + + Ik ben, uwe beterschap en bekering wenschende, + + ZUZANNA HOFLAND. + + + + +ACHTTIENDE BRIEF.--Blankaart antwoordt wed. Willis: hij is zeer +vereerd. _Zelf heeft hij vroeger een oogje op Sophia gehad_; wie weet +wat er nog gebeurt!--Hij is het met haar eens: Willem is op Saar +verliefd, dat heeft hij gemerkt. Geld was 't ergste niet, maar als ze +niet bij elkaar passen--'t zij zoo! Dan niet aanmoedigen. Laat Sophia +een oogje op Saar houden; hij wil Willem wel voorthelpen. + + + + +NEGENTIENDE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. + + +_Mejuffrouw!_ + +Wel zeit het Hollandsch spreekwoord: "Hoe later op den dag hoe +schoonder Volk." Maar wat heb ik met uw gelol en uw heilige sukkelaar +te doen? Wat geef ik om uw Broer Benjamin? Weet gy wat, Juffrouw +Hofland, uwe hele ouwe voddenwinkel van kweeslary raakt my niets, geen +oogvol. Hou uwe brieven maar t'huis, ik weet alles in 't lang en in 't +breed. Het Kind heeft deugdelyk gedaan. Zy moet meer gedulds hebben +dan ik, anders hadt zy zo lang niet eens by u gebleven; dat 's maar +uit. Waar ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klaauwen +gehaalt hebben, en in myn huis gebragt; al hadt gy en uw volk my braaf +gelastert, dat scheelt my weinig. Hoe, wat hamer! denkt gy, dat ik +niet weet hoe jy haar gedaan hebt, en dat jy haar als een zottin door +de godgantsche stad hebt laten lopen in ouwe konkelige kleeren, en dat +voor een meisje die geld heeft, en altoos proper gekleet pleeg te zyn; +iets dat ik ook byster graag zien mag: wat wilje nu daar van hebben, +he? Jy meugt waaragtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saartje +by u gehad? overgeschoten klieken, en niet half haar bekomst. Weet je +wat? Jy hebt het geld van een Wees met uw Smulbroers, en Fekel-kousen[1] +verteert, en het meisje nog gebruikt, om dat Gespuis optepassen; dat heb +je. Je meid is een dronken Tobbe, hoor! Zy komt er genadig af. Laat zy +nooit onder myne oogen komen, want ik ben wat poestig[2]; ik mag geen +onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels zwaaijen[3]. + +Wat leg jy ook te wauwelen over afgodisch Vrankryk; en van menschen, +die het teken des Beestes aan hare Voorhoofden dragen? Ik weet niet +veel van al die nieuwe snofjes en modes; noch hoe die duivelderage +hiet, die de Dames nu alweer opzetten; doch jy weet er ook niet veel +van. Maar zo zyt gy allemaal: dat gonst, en dat bromt over zottigheden, +en wezentlyke zaken laat men zo als zy zyn. Je slagt[4] de Dominees, +die, als zy haar studeertyd verkwanselt hebben, zulk tuig op den +Preekstoel brengen, daar het te pas komt als een Olykoek in een +Treurspel. En wat brust[5] het my, al droegen de Fransjes het +Zevengesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet +kom om zulke grillen, maar om myne affaire te doen, en bemoei my niet +met het teken des Beestes, of waar zy dat opplakken; doe ook zo, en je +zult wel doen. + +Wel, ik denk dat ik zo wel in den Bybel lees als jy, maar wie duivel +heeft daar ooit van heilige Sukkelaar gelezen? Broer Benjamin is een +zotte Vent, hoor! En ik zou my dood schamen, dat zou ik op myn eer, +indien ik zo met Gods woord omsprong, en het zo Satans gek toepaste, +zo als jy Fynen doet. Weetje wat? David was een held, die de Oorlogen +des Heren voerde, en een Kaerel als een boom aan dorst: den Reus +Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hy, en David ook niet lui, als +de blis er op, flink maar, zyn dikken kop afgeslagen: dat was zeker +geen sukkelaars werk, meen ik. Hy was een Groot Generaal; dat klinkt +je wat anders voor den snoet. + +Paulus? van Paulus moet je afblyven. Paulus was de beste, de +raisonnabelste man van de waereld; want hy zegt met ronde Zeeuwsche +woorden: "Gierigheid is afgodery". o He! kwam die vrome Apostel eens +hier, ik verzeker je, (voor een kwart per Cent,) dat hy uw huis een +afgodisch zou noemen. Wat praat jy van een goddeloos huis? mogen de +jonge Dames dan niet zingen, niet spelen, als zy maar wel oppassen en +braaf zyn? En ik hou veel van de Muziek, en Saartje speelt capitaal, +en ik heb haar eene hele scheepslading Muziek gezonden; doch gy zult +geen occasie hebben om ze op 't vuur te smyten. Wat zeg je; wat blief +je: weet ik van de zaak? + +Ik heb zo veel achting voor brave vrome menschen als iemand in de +Waereld, maar al je gekwaek, en al je geteem is geen snuifje waart; op +myn eer, dat is het niet. Ik weet meer van joului werk der Duisternis +dan je denkt; ik ken dat lieflyk Oeffening houden; de goeijen niet te +na gesproken; want ik wil allen niet met een kwast overstryken. Maar +gy en uwe Soci, daar heb ik de nyd op. + +Wat weet zo een luije Zuipzak van Gods Woord? Hadt hy liever voor 't +lieve Vaderland, (en alle zoete meisjes) Ossen en Schapen geslagt, hy +zou een veel nutter werk gedaan hebben. Hoe! hebben wy in Amsterdam +dan geen wyze Dominees, die werk van hunne studie maken, en kunnen wy +daar niet Kokseaansche, Voetsiaansche, en Lampiaansche Waarheden +horen[6]? maar neen: die goeije menschen klagen over yverloosheid, en +velen preken, God betert, ook voor stoelen en banken; en in je lui +kamers zitten de Vroompjes gepakt als haring in de ton: zo dat ik wil +maar zeggen, dat ik een vyand van zulke Oeffeningen ben. + +Hoor, als ik Burgemeester T., of een ander braaf Regent van onze Stad +was, ik zou Amsterdam eens terdeeg zuiveren van die onnutte +Broodeeters. Ik zou, door de stads Omroepers, met het wapen der stad +op hunne bekkens geschildert, de les van Paulus laten opklinken: +Hoort, gy brave Burgers en ingezetenen: hoort: "Die niet werkt zal +niet eeten". En zulke kwanten, als Broer Benjamin, kregen logement in +'t grote Werkhuis, dat er zal gebouwt worden op 't Wezeper Veld: wyl +hy een van die Borsten is, die by de huizen omgaande, de Vrouwtjes +gevangen nemen, die met zonden beladen zyn. Ik zou niet half zo boos +op jelui zyn, indien de stille zielen, die het zo wel met het goede +voor hebben, om zulk volkje niet bespot of veracht wierden. + +Ik heb veel gereist en getrokken, en heb veel in Roomsche Landen +verkeert, maar de Papen zyn nog beter dan jy lui; en er valt evel ook +niet veel op te roemen. Jy Saartje aan den Duivel overgeven! Weet gy +wel, dat hy een kwaaje Gek is, en dat, als gy haar niet kunt leveren, +het er wel eens heel benaauwt voor u zou kunnen uitzien? mooglyk neemt +hy Tante, om dat hy Nichtje toch niet bekomen kan. Ken jy de Weduwe, +daar zy by inwoont? Je mogt wat, een struif. Puis! Tante! is het zo +goddeloos, een menuetje te dansen; Wel dat mogt jy, en broeder, en je +dikke Bregt ook wel eens ondernemen, om de kwade humeuren, door +luiheid, en lekker smullen opgegaert, uit te dampen. Zie, wy kennen +malkander van voor dertig jaar; je plagt zo vies niet van een Dansje +te zyn. Hoor, ik ben eens door zo een Fynbaar schrikkelyk bedrogen, en +zedert gaat er een kou over myn lyf, als ik aan je lui denk. Ik spreek +niet van vrome naauw-gezette lieden; dat weet jy heel wel. Wel, wie +hoort er van, gy Vrienden gebruikt ons, zo als de Smausen de +Christenen gebruiken, om de Sabbatslampen optesteken. Ik kan 't niet +knopen[7], dat uw' lieve Zuster besloot, u haar eenig Kind toe te +betrouwen. Mooglyk hebt gy zo lang aan haar zwak hoofd liggen gonzen +en huilebalken, dat zy het moest opgeven. Alles is jelui gaaijing. En +'t was nog eene zoetigheid, honderd halve ryers voor haar kostgeld. En +durf jy nog van geld kikken! Hoe, wat hamer! denk je dat ik een schurk +of denk je dat ik razende dol ben? Ik ben haar Voogd; zy is met myne +goedkeuring heen gegaan. Jy hebt het haar moede gemaakt.--Trekken zul +je,--ja! aan een askar. Wel, je bent eene overheerlyke Tante! Je bent +immers nu veels te oud en te lelyk om nog eens te trouwen: wat zul je +met jou geld doen? Meenemen? Loop voor Joost, ontmaak het kind uw +goed, zy heeft genoeg. Procedeeren? Ei spreek eerst den Advocaat naast +den gouden ketting eens[8]. Zo die het u aanraadt; hier is je man. + +Spreek niet van haar kwaad humeur. Zy is maar al te zoet van aart, en +te toegeeffelyk. Zoo zeit de brave Weduwe Willis, en elk die het lief +kind kent. Doch wie Satan kan met zo een paar ouwe Meerkatten omgaan, +als jy en Bregt? + +Zie daar Zusje, nu heb ik ook eens gewerkt in uwen zondigen Wyngaert; +ja, ja! ik heb de ranken zo verbruit besnoeit, dat, zo er nog iets +goeds van zal komen, het volgende jaar goede vruchten zal leveren. Ik +twyffel, of Broer de Uitlegger u, voor alle uwe Smulpartytjes, wel zo +vele heilzame Waarheden gelevert heeft, dan gy hier ontvangt voor eene +Fransche Briefport. + +Om u aan den Drommel overtegeven, (in plaats van myne Pupil,) denk ik +dat nu te laat is; en ook, hoe boos ik op u ben, ik wensch uit grond +van myn hart, dat gy u verbeterde: gy zyt wel oud; doch men is nooit +te oud om iets goeds te leren: gy waart toch in uw jeugd nog al een +rare schommel; hoe kom je zo verandert? + +Ik wil geen katteschrift meer van u ontfangen, zo gy u niet bekeert; +daarom wordt alles in eens afgedaan door + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Kletskous. +[2] Kort aangebonden. +[3] Klappen vallen. +[4] Lijkt op. +[5] Kan 't me schelen. +[6] J. Coccejus, 1603--1669, G. Voetsius, 1588--1676, F.A. Lampe, + 1683--1729, godgeleerden van zeer uiteenloopende richting. +[7] Begrijpen. +[8] Bedenk dat 't geld kost. + + + + + +TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Lieve Kind!_ + +Myn Boekhouder, de oude goede Peterszen, zal u het geld brengen, dat +ik u toeschik: de Wissel bedraagt duizend Guldens. Koop er al van wat +gy nodig hebt, om in ordentelyke gezelschappen te gaan. Maak drie +Sacken, of hoe hieten die Samaartjes[1], zo als uwe Moeder en +Grootmoeder droegen. Koop alles wat er by hoort, maar niet opzichtig, +of wilt; nu ik vertrouw alles goeds van u. En doet nu niets aan je +lyf, dat je niet kunt blyven dragen: dit zou u al zo gek staan, als +die klungels die Tante u aan deedt. Gy moet het eerste half jaar in +voorraad betalen; ik wil geen verplichting op dit stuk. Leg het wel +aan, en als ik u zie, toon my dan eens hoe gy 't besteet hebt. Hoor +meid, zo je 't wel aanlegt, heb jy gelds genoeg; zoo niet, dan is 't +gaauw op. + +Ik heb zakken met klagten over u, in eenen zotten Brief van je Tante. +Doe jy maar wel, en ik zal u altoos voorstaan. Ik had gemeent t'huis +te komen, maar 't zal nog vooreerst niet lukken. Luistert toch altyd +naar de brave en wyze Juffrouw Willis, als of het uwe moeder waar; +meer eisch ik niet van u. Ga je wel in de Kerk, Kind? Dat moet je voor +al en voor al doen. Daar zit ik nou weer in een Paaps land, daar hoor +je van God, noch zyn gebod, wil ik spreken; en zo ik myn tyd niet wel +had waargenomen, hoe zou 't nu gaan met my? Als ik t'huis kom, zal ik +je alle Zondag afhalen om ter kerk te gaan, want ik ben nog zo een oud +Hollands man; en je zou niet geloven, Kind, hoe fraai de meisjes zyn, +als zy daar, gelyk zo een rei wassepoppetjes, wel gekapt en gekleet, +aandagtig zitten toe te luisteren wat de Leeraar zegt. Ik versta +weinig Fransch, maar als je evel toch altemet eens naar de Fransche +Kerk wilt, dan zal ik, uit pure inschikkelykheid, met je gaan, en +denken: zy onderhoudt er haar Fransch door; en voor my is de +penitentie kort, want die Coquette Abbeetjes maken het in een uur +knaphandig af. + +Zeg eens, Saar lief, staat er ergens in den Bybel van een _teken des +Beestes_? zy past dat toe op de menschen daar ik nu by ben. Ik heb de +vier Evangelien al eens doorgelopen, doch vind er niks van[2]. Doch +dat Fyne volk vindt zo veel in Gods woord, dat er geen Christen mensch +anders in kan vinden. Jy hebt niet veel anders te doen, lees zo lang +tot je het vindt; maar 't zal weer op niets uitkomen. Evenwel staat +het in den Bybel, dan spyt het my, Kind, dat ik het niet wist: want ik +ben een dood vyand van spotten. Och Heer! ik dagt dat zy choqueerde[3] +op de Kapsels. Zo ik iets op u vermag, bederf uw schoon bruin hair +niet ten plaisiere van eene ongevallige mode: anders moei ik my er +niet mee. Nu, zoek er eens ter deeg naar, hoor? En schryf my of gy 't +wel hebt. Vrees God, leef betaamlyk, en denk dat je daar twee Ouders +in den Hemel hebt, die u ter zyner tyd hopen weer te zien. + +Nagt beste Kind, ik ben + + _Uw toegenegene Voogd_, + + ABRAHAM BLANKAART. + + + +Noten: + +[1] Ruime japon met overkleed. +[2] Openbaringen. +[3] Hier: afgaf op. + + + + +EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara stelt Blankaart gerust; ze is niet +verkwistend, dankt voor 't geld, vraagt een paar japonnetjes; Jacob +Brunier--Aletta's broer--vindt ze een _meisjesgek_; Willem Willis +beschouwt ze als haar _broer_, diens moeder acht ze hoog; ze verlangt +naar Blankaart. + + +TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Aan Anna Willis vertelt Sara, hoe ze zich +in de bullen steekt, nogal weidsch! Ze ombert om 'n stuiver 't fiche! +wat ze niet veel vindt. Ze heeft 't best naar haar zin: Jacob Brunier +bevalt haar niet: te fatterig. + + +DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna antwoordt: ik maak me ongerust! Die +Brunier vrijt naar je, en dat zou niets zijn, als hij maar wat +beteekende. Spelen? Ook Anna speelt, maar Saar _maakt het te bont_! +Ze zal ziek worden, vermaak-ziek. Pas op, Saar! + + + + +VIER EN TWINGTIGSTE BRIEF. + +DE BROEDER BENJAMIN AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Men Heer!_ + +Jy hebt ons, ons volk, ende onzen weg beroert, en schoon de Zusters +zich alles zouwen getroosten in stille zuchten, zo voel ik my +gedrongen om het voor haar, de goede zaak, en my zelf optenemen, om +dat ik haren stichter en huisbezorger ben; al ben jy een groot Heer, +ik zal jou tonen, dat ik op de muren van ons huisselyk Sion geen +stommen hond ben; myn geblaf zal je doen zien, dat ik geen Indringer, +geen Bemoeiael ben, maar dat ik eene wettelyke Roeping heb. Nou ja; men +Vader liet me de slagery leern; 't was een waerelds man, een +schoenlapper; maar men Moeder was evel in Kerkelyke bediening; want zy +was eene der Kerke-schoonmaaksters; en hadt men Vader het niet belet, +zy zou my op de Studie gedaan hebben; doch hy vroeg altoos, "of zy dan +razende dol was;" de middelen ontbraken, en ik had eene grote mate van +ziels en lichaams vermogens, en veel meer trek tot geestelyken dan tot +slagerlyken arbeid. In mynen onoverwinbaren afkeer van allen lichaams +arbeid, hoorde ik myne roeping tot een ander amt; ik was gehoorzaam, +ik kategiseerde de kinderen en de vrouwtjes uit myn Buurt, voor een +mondvol eeten, want de arbeider is zyns loons waardig. De reuk myner +gaven verspreidde zich ook spoedig; de Groten der aarde verruilden +ook gaarn myne toelichtingen voor hunne tydelyke goederen; edoch, dit +getal is echter niet groot. Dus raakte ik ook bekent met de vrome +Juffrouw Hofland, die gy als een andre Saulus vervolgt. Ik slyt vele +opgewekte uurtjes met haar. Nu weet gy wie ik ben; maar jy bent een +Atheist, een Armiaan, een Sociniaan; ja je bent, mag ik met ruimte +zeggen, een Deist[1]. Jy bent een voorstander van alle godloosheid, jy +staat een dartel Hellewigt voor; dat doe jy; ja, dat doe jy. Jy weet +ook wel, dat Juffrouw Hofland, als eene echte dochter van Gaaijus[2], +de noden der Heiligen vervult; en jy onthouwt haar heur geld; zoo dat +jy een Kerkrover bent; ja, dat ben jy. Zo, heeft Saartje geen drie +honderd guldens verteert? Wel nou toon je alweer jou werelds hart. +'t Is waar, wy hielden het meisje in eene Christelyke soberheid, wy +kleedden haar stemmig; ik weet ook beter dan jy, hoe veel zy 's jaars +aan voedsel en deksel nodig hadt; honderd Ryksdaalders!--maar hoe veel +heeft de goede Juffrouw wel gezucht over dat baldadig kind der Zonde, +hoe vele tranen heeft zy geschreit, hoe veel gebeden heeft zy voor +haar arme ziel gedaan, hoe dikwyls is zy ziek geweest door al dat +tobben! kost dat alles geen tyd en zorg? of denk jy dat alles voor +niets te hebben? Neen, jy zult, jy moet er voor betalen. Maar zo ben +je lui: in 't aardsche kunt jy lui rekenen en cyferen; maar, in 't +geestelyke ben je lui blint; maar Juffrouw Hofland zal haar geld +hebben, ik zal u dwingen; ik--vrees voor my.... Wy hebben in deeze +godvergeten stad nog onze duizenden. Wee, wee, die den vinger tegen +ons opheft...! Wy yveren voor de vromen, en onze haat is heilig; dit +wee betekent veel, als het wordt uitgeboezemt door een man als is + + _Uw ware Vriend_ + + BENJAMIN. + + +Noten: + +[1] Gelooven aan God als Schepper--meer niet. +[2] Der Gerechtigheid? + + + + + +VYF EN TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN BROEDER BENJAMIN. + + +_Verachtelyke Kaerel!_ + +Ik reken myn knegt te goed om u te schryven; daar aan zyt gy de eer, +die ik u thans doe, schuldig. Zeg, fraaije kwant, dit aan uwe +Principale: "dat zy zich stil houde, of dat ik haar alles, wat zy 's +jaars, boven de honderd Ryksdaalders, ontfangen heeft, zal afkorten." +Ik wagt haar voor den Rechter. Laat zy daar hare Leverantie van +zuchten, tranen en gebeden inleveren, om te zien, hoe veel haar voor +elke twintig ditoos zal worden toegewezen. + +Houd u stil, of 't zal niet met u gaan. Ik meen u, en nog eenigen uws +gelyken, zo dra ik in Holland kom, voor myne rekening, aan vast werk +te helpen; en dit dreigement zegt veel in de pen van eenen man als + + ABRAHAM BLANKAART. + + + + +ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara vertelt Anna van haar leven; Aletta is +goed en lief; Cornelia Hartog, ook huisgenoote, bevalt haar niet: te +geleerd, ondichterlijk; Charlotte Rien du Tout, eveneens huisgenoote, +mist karakter, is grillig, nukkig. Ze heeft kennis gemaakt met Hendrik +Edeling: staat haar wel aan! + + +ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bericht Blankaart over Sara: +ze is lief, vroolijk, eerlijk, past goed op. + + +ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.--Anna Willis is bedroefd; haar tante te +Rotterdam is ernstig ziek; ze moet er heen met Moeder, kan vooreerst +niet schrijven. + + + + +NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW MARIA BUIGZAAM, WEDUWE + +P. SPILGOED. + + +_Mevrouw!_ + +Ik geloof waarlyk, dat het inkomen van alle myne uitstaande gelden my +niet half zo veel zou verblyden, dan ik verblyd ben door den inhoud +uws Briefs, dien gy my de eere aandeedt van te schryven. Hoe, wat! is +de lieve meid dan myn lieveling niet? Is zy de dochter niet van eenen +man, die myn eenigste hart-vriend was? Dat zou ik geloven, waaragtig! +Hoor, myne goede dame, alles is strikt waarheid, wat of de kleuter u +verhaalt heeft. Maar, haal my de Boze, indien ik aan zo eene Vrouw een +knappen Brief kan schryven: doe al wat u behaagt; och Heer, het geld +is goed, wil ik spreken; maar ik zal eene fatsoenlyke vrouw nooit +kwellen. Wat denkt gy, Mevrouw, kan ik met u kibbelen om een honderd +guldens drie vier, nu myn kind in zulke goede handen is? Ja, zie, ik +heb wat ongerustheid voor haar uitgestaan, toen zy nog by hare Tante +was; en voor ik wist, waar of zy toch belant mogt zyn. Want, hier +gezeit, en hier gebleven, het kon immers gebeurt zyn, dat het stout +Dingetje in slegte handen was gevallen, en zo al wyders, gelyk de +waarheid is. + +Wilt gy wel geloven, Mevrouw, dat uw brief my een traan of vier gekost +heeft? 't Is echter zo. Wel lieve God, zei ik, zyn de beste vrouwen +dan meest altoos in de onwaardigste handen? Dat is toch ellendig! En +daar zit Abraham Blankaart nog in zyn vyftigste jaar, als een niets +beduident oud Vryer; en ik had zo hemels vast besloten, om met myn +vyf-en-twintig jaar man en vader te zyn. Wat zal men zeggen? die eerst +komt die eerst maalt; en een weinig te laat is veel te laat. Ja, +Mevrouw, ik heb den Heer Pieter Spilgoed wel gekent, maar nooit met +hem verkeert. Hy hadt my te veel wilt hair op 't hoofd; en als de +jonge lui getrouwt zyn, moeten zy dat laten afscheeren, of de Boel zit +op zy. Ik wist wel, dat hy eene fatsoenlyke Geldersche dame getrouwt +hadt, doch meer niet; en ik bemoei my bykans nooit met de zaken van +een ander: Ik zeg altoos: "Abraham Blankaart, vrees God, en doe wel; +dat is jou zaak, myn vriend." + +Alles wat gy van Saartje zegt, is, zo veel ik daar over kan oordeelen, +waar. Wees toch zo goed en hou een wakent oog over haar; wy mans +hebben daar zo den slag niet van. Indien er iets mogt voorvallen, 't +geen u nodig schynt my te doen weten, zo verzoek ik ernstig om my met +uwe Brieven te vereeren. Ik weet heel wel, dat er geene beloning zyn +kan, die geevenredigt is aan uwe zorg en raadgevingen voor en aan een +Meisje als myn Sarotje; evenwel zal het myn pligt zyn, om uwe +edelmoedige deelneming in haar op eene waardige wys te gedenken. Kan +ik u van dienst zyn, 't zy door myn persoon, of myn beurs? Ik ken geen +groter geluk dan waardige Vrouwen myne achting te kunnen bewyzen. Ik +ben met eerbied, + + MEVROUW! + _Uw Ootmoedige Dienaar_, + + ABRAHAM BLANKAART. + + + + +DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt zijn broer Cornelis, hoe hij +Sara heeft leeren kennen; _hij is dol verliefd_. Zoo terloops sprak +hij er met z'n vader over en die had gehoord, dat Saar een dolle meid +was, die losjes leefde, wat hem speet, want haar vader was +achtenswaardig. Wil er niet van hooren en Hendrik is zeer braaf. + + +EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier schrijft een fatterig verliefd +briefje aan Sara, waarop zij onmiddellijk antwoordt. + + + + +TWEE EN DERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER. + + +_Myn Heer!_ + +Terwyl gy deezen ontfangt, zyt gy zeker nog druk bezig om uwe +Tonco-Boontjes[1] uit te zoeken. Nu, neem er uw tyd toe, want wy +blyven t'huis, en zien van daag niemand; dit _a governo_[2]; en terwyl +ik toch een verlegen uur heb, zal ik eenige regels krabbelen. Wel man, +gy hebt het vreeslyk volhandig! zo vele en zo vele gewichtige zaken; +'t is te hard. Gy zyt nog jong, gy zult u dood werken. Zoudt gy niet +een substituut in uw ampt kunnen stellen, dan waart gy ten minste van +dien kant veilig, al moest het u wat kosten. 't Zou immers jammer zyn, +dat zulk een nyver en veelbelovent jong Heer voor zyn tyd stierf. En +daar is voor u immers niet aan te denken, Brunier? Letje heeft my in +confidence, gezegt, dat gy, buiten haar zelf te rekenen, aan nog zes +Dames beursjes belooft hebt. De waarde Juffrouw Buigzaam heeft ook +reden van ongenoegen; nog hebt gy het Lint op haar Demicoeffe niet +verspelt, en gy zelf zegt, dat het zo niet meer gedragen wordt. +Juffrouw Hartog is knorrig, om dat gy haar de snuif niet bezorgt. +Juffrouw Lotje gromt alle morgen aan het ontbyt, om dat gy de +Tandpoeijer vergeet. Zie, dat zyn evenwel geen mooije dingen; en wat +zal uwe Zuster daar op toch zeggen, dan dat gy het zo volhandig hebt? +Het meisje haalt dikwyls een paar beschaamde kaken, als Juffrouw +Hartog u, in haren trant, hekelt. En hoe zeer ik ook uwe Vriendin ben, +ik zie geen redden aan die zaken: de menschen hebben gelyk. Indien gy +zo veel onderneemt, moet gy met meer orde handelen. Gy vindt immers, +als gy in den namiddag ons wat komt voorsnappen, allen bezig. De Weduw +naait. Letje breidt. Ik knoop aan myn manchetten. Juffrouw Hartog +speelt met haar hond. Juffrouw Lotje snuift, en frommelt haar zakdoek, +en gy zit er maar lui en leeg by. Waarom neemt gy uw werk niet mede, +dan kost gy als een werkent Lid onzer Societeit worden aangezien. Gy +voldeedt uwe zeven Dames; gy kost om snuif en tandpoeijers denken: gy +kost het Lint spelden _comme il faut_; en ons teffens in uwe nieuwe +denkbeelden doen delen. Dan, dunkt my, waart gy in zes maanden op een +effen bodem. Ik heb gemerkt, dat gy dikwyls in den spiegel kykt: wat +dunkt u, (zie ik wil ook voor uw vermaak zo wel, als voor uw nut +zorgen,) wat dunkt u, dat gy van Logement veranderde, en in een +Spiegelwinkel gingt wonen? Dat zou ook al tyd uitwinnen; dan zaagt gy +u ten vollen, in eens; en kon spoedig uw jabot verschikken, uw das +optrekken, de stofjes en pluisjes van uw kamizool[3] knippen. Ik zie +gaarn dat men zich wel kleedt, maar my voor een kenster in de +kledingskunst uittegeven,--daar zal ik wel afblyven. Myn geest is niet +geschikt tot het uitoeffenen van zulke verhevene zaken. Nu, zo als ik +zeg, neem het niet te zwaar op, en werk met orde. Gy weet wie ik ben? + + _Uw Zusters Vriendin_, + + ---- + + +Noten: + +[1] Zaadjes van den Toncaboom: geneesmiddel. Men maakte er o.a. + beursjes van. +[2] Tot naricht. +[3] Vest. + + + + +DRIE EN DERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. + + +_Zuster lief!_ + +Nu kom ik eindelyk op de zaak, waar over ik u wilde schryven. Daar het +onze Bregtje Sara gezien, met een jong wilt Heer; zy geloofde, dat het +een uit de Kommedie was; en zy was nog veel ligtvaerdiger opgeschikt +dan de Pop van Pieternel, daar je men eens van schreef. Zy was een el +hoog gekapt. Haar Sack, (ja, zo een duivelsch kleed heb ik ook nog in +myn natuurstaat[1] gedragen!) was opgestrikt, je leven zo niet. Ze +hadt witte zyde koussen aan; denk, Zusje, witte zyde koussen, en +kerjeusde schoenen. En ander Orlosie bungelde een hope nesten en +vodden. En ze liep net als de Hoer van Babel met dien Monsieur gearmt. +Zy luisterde, Bregt zag het duidelyk, hem wat in, en toen keek hy de +meid aan, en lachte dat het een schande was. Hoor, Kee, ik ben somtyds +nog al bezwaart over haar; maar Broertje weet my zo tot rust te +brengen. Moet jy niet ietwat hebben, Zannetje, zeit hy, om je klein te +houwen? Is het niet beter, dat je jou bezwaart voelt om je zonden, dan +dat je een Armiaansch slik-grondje hebt? of dat je ziel door eigen +gerechtigheid den Duivel als een roofgoed wierdt overgelevert? En dan +wordt het my alles zo licht, zo licht; och ja, zo licht. + +Maar Zusje, je hebt my zo dikwyls in gemoedsgevalletjes geraden, en +Salomon zeit: "twee zyn beter dan een." Ei lieve, wat moet ik doen? +Broeder Benjamin wil dat ik met Blankaart procedeer, zo hy my niet tot +een duit toe betaalt, volgens de Conditie met haar Moeder gemaakt. Al +haar goed is hier ook nog, al de kleeren, en zo voorts, van hare +Moeder, die eene pragtige Vrouw was; en al het gemaakt Zilver; maar +dat evenwel te verdonkeren, hoe zal dat gaan? Blankaart is een droevig +schepsel om mee te handelen; hy zou my, och ja! schandaal aan doen: En +evenwel het Hellewicht verdient zo veel goed niet; zy zou het ook tot +haar bederf gebruiken. Het alles over te geven is ook hart voor 't +vleesch: 't was evenwel myn Zusters goedje, wil ik spreken. Ei lieve, +zendt my nog eens het _Heilig Onrecht_ van Petrus Kwezelius. Ja, je +hebt toch dierbare schotse Boekjes. Wees gegroet, en antwoord my eens, +zul je? + + ZUZANNA HOFLAND. + + +Noot: + +[1] Voor haar bekeering n.l. + + + + +VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Sara deelt Anna Willis mee, dat ze Jacob +Brunier voor den mal houdt, zich van hem bedient om zich te vermaken +en fatsoenshalve te doen vergezellen. + +VYF EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling antwoordt zijn broer +Hendrik: Kerel, er op los! Informeer of ze vrij is en dan, vooruit! + +ZES EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Sara. Laat ze toch +geen geschenken aannemen van Jacob Brunier: hij heeft geen geld. Je +raakt op de tong, Saar!--De tante wordt beter. _Ze zendt haar de +sleutels van de linnenkast_, om wat goed op te sturen naar Rotterdam. + + + + +ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Willis!_ + +Of ik nog lees? Wel, dat zou ik gelooven! Ik ben zelf de Lezeres voor +de Familie; en onze lieve Weduw heeft een allerkeurigst Bibliotheekje. +Maar ik heb zo veel over my zelf te schryven, dat het niet aan het +schryven over Boeken komen kan. Zeg wat gy wilt, _myn_ Cootje[1] is +nogthans een goed kind; het schikt zich zo kostelyk op, om zyn Saartje +te behagen, en schommelt uit alle hoekjes en reetjes van zyn armoedig +hoofdje al het verstand, dat hy bezit, by een, om er my op te +regaleeren. + +En komt gy in geen zes weken t'huis! o dat's goed; nu kan ik met myn +Held braaf plaizier nemen, zonder van u op de vingeren te krygen; ik +vrees maar dat ik, want zo zyn de kinderen! myn eigen kwaad niet zal +kunnen zwygen. Eene conditie! zo gy ophoudt met grommen, hou ik op met +schryven. Waarom zou ik u beletten uw talent uit den doek te nemen? Gy +hebt de gaaf van bedillen, en ik die van er my mede te vermaken, en er +myn voordeel mede te doen. Nu ik er deeze flinken weer uitgegooit heb, +ga ik er my eens terdeeg toe zetten, om uwen Brief te beantwoorden. + +Brunier kan zeker nooit myn Vriend zyn, in de sublime betekenis des +woords; maar hy kan, als de Broeder van Letje, als een ordentlyk +Jongman, met my op alle plaatzen komen. "Of hy met die vriendschap te +vreden is?" dat weet ik niet, en meen er myn hoofd ook niet mee te +breken. Is het niet beter, dat ik altoos met den zelfden Jongen +wandel, dan, zo als men zegt, met elk een uitloop? Tut, tut, die +onkosten bedragen niet veel, en bewaren hem mooglyk voor duizend +kostbaarder zotternyen: nu moet hy wel zuinig zyn, of hy kan niet met +ons uitgaan. Hoe ik het goed zal maken? och, zeer gemakkelyk! als hy +trouwt, zal ik zyne Vrouw een stuk huisraad kopen, tienmaal meer waart +dan die kleine uitgaven belopen: Is 't nu wel, myne deftige Willis? +Ja, ja, ik railleer met zyne gebrekkelyke zyde; hadt hy eene slegte +zyde, dan leverde ik den Patient aan u over. Och Heer! ik heb zo maar +wat _zedelyke_ mouches, Engelsche pleister, goudvlies, balsem van +Peru, lippenpommade en soortgelyke prulletjes; doch die zyn van geene +kragt altoos tegen de gebreken van een ziekelyk hart. Maar gy, myne +Vriendin, hebt wel andre kruiden, wil ik spreken, zegt Broer Benjamin. + +Het zou een zot stukje zyn, met zo een Borstje Briefwisseling te +houden; maar, wie zegt u, dat ik dit van zins ben? 't Komt niet in my +op. Ja, ik gelyk omtrent zo veel naar de Godlyke Clarissa Harlowe[2], +als myn schaapshoofd naar den vervloekten Lovelace: Heden, Naatje, hoe +viel u dit in gedagten? + +Myn Brief laten zien? daar is hy niet mal genoeg toe; hy begrypt wel, +merk ik, dat ik hem voor een Zotje hou. In het volgende hebt gy +deugdzaam gelyk, ja het loopt drok genoeg: maar 't zal haast over zyn. +De kring is haast afgevlogen, en dan zal ik by myn eigen hart en by +myne dierbare Mama Buigzaam huisselyk t'huis zitten, en lezen, en +naaijen, en spelen, en zingen, en met een woord geschikt leven; met +Salomon uitgeeuwende: "ook-dit-alles-was-ydelheid!" Waan met dit alles +niet, dat ik in 't geheel niet meer denk. Ik denk dikwyls, en dat wel +zeer ernstig; maar, 't is of het kwaadje, zou Tantes Bregtje zeggen, +'t is of het kwaadje er altoos met zyn neus by is; want de minste +beuzeling verstrooit my. Gy weet, lieve Willis, dat ik geen grote +zoekster van vygebladen ben, doch nu moet ik my echter vrypleiten. Ik +voel, dat ik eene sterke overhelling heb tot het zwaarmoedige; om die +reden verstrooi ik my wel eens met overleg; zo bang ben ik, om toch +nooit dat gebrek voor eene Deugd aan te zien. Nog een woord over het +lezen. Onze brave Huisvrouw heeft eene fraaije collectie van +Leerredenen: Die van Solicoffer en Doddridge bevallen my ongemeen. Wy +lezen zelf in den Bybel, kind; namentlyk de lieve Buigzaam, Letje en +ik; want Juffrouw Hartog is veel te geleert, en Lotje veel te gek, om +van die party te kunnen zyn. Ik verzeker u, dat ik nooit met zo veel +smaak het Evangelie las als nu, nu ik by eene Vrouw ben, die +godsdienstig is zonder veel uitwendigheid, en ons inprent, dat die wel +doet, wel vindt. En daar mee is dat maar uit. + +_Ten slotte_, zegt onze geleerde Hartog. De stroom van zinnelyke +vermaken, (of wilt gy, van beuzelagtige uitspanningen? 't is my ook +wel,) moet eens met een springvloed over myn hart heen vloeijen, en al +dat drabbige zwaarmoedige mede spoelen, dat er in myn verdrietig leven +is op- en om- en ondergezakt; dan zal myn ernst redelyk, myne vrolykheid +helder, en myn geheel gedrag eenparig goed, nuttig en pligtmatig zyn. +Vaarwel! ik twyvel niet, of gy zult voldaan zyn over de uitvoering uwer +Commissie. De Meiden zyn wel, en de dienstpresentatie aan de Juffrouwen. +Heden, Naatje, hoe raar was het my, zo als vrouw en voogd in uw huis te +dribbelen; wat had ik een wysheid in het terdeeg schikken uwer klederen, +enz. Willem, myn beste Willem, was gevallig t'huis. Toen ik hem zeide, +dat zyne Tante wat beter was, kon hy zyne blydschap niet verbergen; maar +toen ik er byvoegde, dat zyne Moeder nog wel zes weken uitbleef, keek hy +heel droevig. Die moedergek! ik zou den Jongen een kus hebben kunnen +geven, zo wel stondt hem dat droevige; maar Willem is geen Coo Brunier. +Ik vrees, Naatje, dat uwe vermoedens waar zyn. 't Smart my, want schoon +ik niemand liever voor myn Broeder had dan Willem, ik zou hem in geen +nader betrekking gelukkig kunnen maken. Arme Willem! dit maakt my +ongemaklyk. Omhels uwe Moeder voor + + _Uwe Vriendin_, + + SARA BURGERHART. + + +Noten: + +[1] Jacob Brunier. +[2] Van Richardson: modeboek dier dagen--_sentimenteel_. + + + + +ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp ontraadt Zuzanna Hofland +te procedeeren, en schrijft haar over broeder Kwast te Rotterdam. + + +NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis, zeer verliefd, schrijft aan +Sara heel teerhartig; zij antwoordt onmiddellijk. + + + + +VEERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER WILLEM WILLIS. + + +_Myn lieve Willem!_ + +Is de man een kind geworden?--Zou ik misnoegt zyn? En om wat reden? Om +dat een braaf fatsoenlyk jong Heer, met wien ik zo veel ommegang heb, +wiens Moeder en Zuster myne hoogstgeachte Vriendinnen zyn, my, eindelyk, +op de betamelykste wys, zegt: dat ik hem niet onverschillig ben? Waarlyk, +dit zyn gruwelyke ondernemingen; vreest gy niet, dat ik u, met eene +theatrale houding, zal toevoegen: + + "_Moi, je suis femme, je ne pardonne jamais_." + +In ernst, Willem, ik dagt niet, dat gy zo dwaas, of dat ik zo eene +_Prude_ was; een van beiden moet echter zeker zyn. Ik zal u dan eens +voor altoos tonen, dat _gy_ schuld hebt, en ik niet. Verstaat gy dat, +Vriend? Ik zal aan u schryven, als aan een' Jongeling dien ik hoogacht, +om dat hy de achting waardig is van veel beter menschen, dan meisjes +van negentien jaar zyn kunnen; vertrouwende echter, dat gy deeze myne +heuschheid niet zult misbruiken. + +Geloof my dat ik, tot gistren toe, nooit er aan gedagt heb, of gy my +met andre dan de oogen eens Vriends zaagt. Myne verkeering met u was +weinig minder dan zusterlyk, en het heeft my duizendmaal gespeten, dat +gy myn Broer niet waart, ook ten koste myner halve bezitting. Ik nam +alle uwe beleeftheden aan voor beleeftheden; en, om te zeggen zo als +'t maar is, ik verwonderde my geen zier, dat gy, als ik by uwe Moeder +was, ons gezelschap hield: zie, me dunkt, dat kwam my toe; en welk +Meisje, zo vrolyk en zo achteloos, zou dit niet denken? Maar nu gy my +gezegd hebt, het geen gy my zeide, my zonder liflaffen, en met zulk +een ontroert gelaat, zeide, nu moet ik eenen anderen weg inslaan; om +dat ik het my zelf nooit zoude kunnen vergeven, een eerlyk man, die my +beminde, met ydele hoop den kap te vullen; en my te verlagen tot het +verachtelyk peil der Coquettes. 't Smert my, dat uwe genegenheid juist +gevallen is op de eenigste stoute meid, die u mooglyk eene +teleurstelling als deeze zou doen ondervinden. Wat kan ik het helpen? +Ik ken de liefde niet, en heb geen den minsten trek om zulk eene +grillige zaak te leeren kennen, om dat ik volkomen gelukkig ben in de +omstandigheden, waar in ik my bevinde. Hier uit kunt gy opmaken, dat +gy alle bedenkelyke reden hebt, om zo vriendlyk als nog ooit iemand te +groeten, dien ik nu en dan zie, en daar ik overal mee kom; ja dat gy +onreedlyk zyn zoudt, zo gy hem niet zo lief hadt als uw hart eischt. + +Wel Willem, wel Willem, moet gy u ook in het Satirique omtrent de +Vrouwen vergrypen? Wie heeft u toch gezegt, dat wy altoos Beuzelaars +voor hupsche Jongens verkiezen? De een of ander vergiftig knorrig ouwe +Vryer, denk ik, die de zonden zyner jeugd wel gaarn op eene Sex zoude +schuiven, die altoos door de beste mannen met achting behandelt wordt. +Wil ik u eens zeggen, hoe het eigenlyk zit? Wy Meisjes worden, meest +allen, op eene zeer kinderagtige wyze opgevoet. Men schynt omtrent het +bestaan onzer zielen als rechtzinnige Muzelmannen te denken. Ons +postuur, onze kleur, onze houding, trekken al de zorgvuldigheid: men +leert ons de kunst van behagen, en hierom krygen wy dans-, en +zingmeesters, en hierom moeten wy 't Fransch, 't Ombre leren, enz. Ik +beken, dat een Meisje ten minsten niet gekker zyn moet dan ik nu ben, +om, voor dat zy oud en lelyk wordt, te begrypen, dat alle deze +fraaiheden niets zyn dan bywerk, dat zy zo wel denken kan als haar +Broer Piet, haar Neef Jan, haar Oom Gerrit. Het getal dier Meisjes +is grooter, dan men gelooft dat het is; doch wat zullen wy, arme +Zieltjes, evenwel doen, als wy zien, dat onze aanstaande Heeren en +Meesters zo verheven van verstand zyn, dat zy ons _idoliseeren_[1] +om die Beuzelingen; en mooglyk, (om hun eigen zelfs wil) geredelyk +ontslaan van alles, dat in 't oog der reden verdienstlyk is. Het is +ook waar, dat velen uwer schikkelyke Borstjes al vry onaartige +Heertjes zyn; en waarom zouden wy, voor wy dat moeten doen, lastige +Druiloeoren tot ons gezelschap kiezen? Onthoudt dit lesje, en doe er +altoos naar; dan zyt gy myn beste Willem, hoor. + +Myne achting voor u is op uw goed en eerlyk karakter gegront; en myne +vriendschap hebt gy, om duizend goede hoedanigheden, die ik in u, als +Zoon en Broeder, heb opgemerkt. Hou u daar mede te vreden; want ik +verzeker u, dat er niets anders voor u te halen is. Vergeet my, en +poog u de liefde waardig te maken van eene veel betere Vrouw voor u, +dan ik ooit zyn kan. Zoo gy haar by my, om getuigenis van u te vragen, +zendt, dan zal ik haar reden geven, om over u voldaan te zyn. Gy zult +my zeer verpligten, indien gy u de smarte uitwint die gy mooglyk zoudt +gevoelen, als gy afscheid van my naamt. Ik ben + + Uwe ware Vriendin, + + S.B. + +Noot: + +[1] Verafgoden. + + + + +EEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed is erg ziek! +Zij waakt en verzorgt haar, is zeer onder den indruk, hoogst ernstig +gestemd. + + +TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft Sara: hij berust, +maar hoopt! Saartje's vroegere dienstbode uit het ouderlijk huis, +Pieternella Degelijk, heeft hij gesproken en die had de schrikkelijkste +dingen van haar gehoord! Hij heeft haar gerustgesteld. Nu gaat hij naar +Duitschland; haar portret neemt hij mee. Vaarwel! + + +DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis stuurt goeie berichten en dank +voor Sara's zorgen. Willem zal een legaat krijgen van tante!--Zij is +op bezoek geweest bij tante's buuiman en dat beschrijft ze: alles is +daar oudhollandsch degelijk en gul. Ze heeft daar kennis gemaakt met +Wijsneus, een pedant, en er ontmoet proponent Smit, een vroegeren +kennis: die bevalt haar! + + +VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed wordt beter. +Deze vertelt haar droevig leven--een roman op zichzelf. Sara is hoogst +ernstig gestemd en leert inzien, dat met liefde en huwelijk niet valt +te spotten! + + + + +VIJF EN VEERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Vriendin!_ + +Voor 't eerst ben ik na het toeval myner geeerde Juffrouw Buigzaam +uitgeweest: Niet op eene Klossen-party, niet met een Wysneus en een +aanstaanden Domine, maar met myn kostelyken Vriend, (zei Jan van Gyzen +tegen zyn Bok,) den Heer Jacob Brunier, verzelt van deszelfs Zuster +Aletta Brunier; en dat wel in de Fransche Comedie. Daar hebt gy immers +niets tegen? Ik kon u wel wys maken, dat ik er ging om myn Fransch te +onderhouen, doch dan jokte ik u wat voor. Neen, ik ging er met geen +ander oogmerk, dan om eens een Fransche Comedie te zien spelen. Wel +Naatje, ik raad u sterk aan om, voor gy van staat verandert, er ook +eens te gaan. En zo dit, gelyk myne Tante zegt, de Tente des Satans +is, dan moet ik u maar zeggen, dat hy als _un homme de Gout_, en +_comme il faut_ gelogeert is! Ik zag _les Femmes Scavantes_ spelen, +een stuk van den groten Moliere: myn genoegen was groot: alles dagt my +was natuur. Het karakter van Crisale smaakt my; maar dat _Excusez moi, +Monsieur, je n'entend pas du Grec_; hoe bekent ik daarmede ben, had al +het aantreklyke der nieuwigheid, toen het wierdt uitgesproken door +eene schone jonge Actrice, wier talenten men toejuichte. Ik was niet +weinig misnoegt over het gedrag van ettelyke Heren en Dames in drie of +vier Loges. Het spel zelf trok hun aandagt niet; dat is hunne zaak; +maar, andere fatsoenlyke Lieden te beletten om te voldoen aan het +oogmerk, waarom die naar zo eene plaats gaan, vind ik ten uitersten +onbeleeft. Zo ziet gy, kind, dat alles onvolmaakt is, of, zo als de +Heer Blankaart zegt: _alle regtertjes hebben er slinkertjes_. Zulke +onfatsoenlykheden, denk ik, kunnen niet belet worden. Wie doet den +Paus in den Ban? Cootje zegt my,--(ik noem myn auteur, om des te meer +klem aan zyne woorden en aanhalingen te geven,) dat lachen, praten, +badineeren, onder het spelen van de zielroerendste Treurspelen, thans +_du Ton_ is; en dat menig Champignon en Champignone de Fortune[1] daar +mede ontegenzeggelyk bewyzen, dat zy lieden van Rang zyn, en ten +minsten reeds deeze zes laatste jaren geweest zyn. Zeg je zo! was myn +antwoord; evenwel, al wierd ik altoos maar voor een Koopmans dochter +gehouden, ik meen deeze Certificatie van myn fatsoen niet mede te +nemen, om dat ik myne lieve Ouders niet in verdenking wil brengen, of +zy my ook wel hebben opgevoed. + +Niettegenstaande deze en nog een half douzyn ongevalligheden, moet ik +u maar zeggen, kind, dat ik verzot ben op den Schouwburg; dat ik niet +kan begrypen, wat of men toch kan inbrengen tegen eene uitspanning, +die, wel ingericht, zo veel goeds kan uitwerken. Nu, dat mogen de +Geleerden afhaspelen, ik ga er heen, en dat wel zonder dat myn hart my +iets verwyt. Juffrouw Rien du Tout was zeer uit haar humeur, om dat wy +haar niet hadden mee genomen. 't Is myn schuld; ik vreesde, dat die +Beuzelagtige Woelgeest ons maar zou gehindert hebben: als wy weer gaan +zal ik haar zien in een Loge te plakken; daar zal zy zich beter +diverteeren dan by ons, die eenvoudig komen om te horen, te zien, te +wenen, of te lachen. Apropos, weet gy wel, dat het thans voor zeer +ongemaniert gehouden wordt, te schreijen by eene _Alsire_, en te +lachen by den _Francais a Londres_? Zie, dit alles a Gouverno, het kon +u te pas komen. Ik moet u nog al meer fraais verhalen. + +Onlangs was ik met myn trouwen schildknaap op een Publiek Concert: Coo +hadt gehoort, dat er eene der eerste Zangeressen voor 't eerst zingen, +en dat Cavalini[2] het Clavier zoude tracteeren. Maar moest men geen +geduld hebben zo taai als een leren lap, (wil ik spreken,) om niet +toornigjes te worden, op de manier van doen van eenigen der Grote +Lieden? Daar snapten drie vier Dames zo luit, dat ik duidelyk hoorde, +hoe het discours ging over het Puce-Lint van een Coeffure. Ginds +stonden een paar Heertjes als een paar malle Jongens,--(zoude ik +zeggen, zo ik niet verstaan had, dat zy aanstaande Vaderen des +Vaderlands waren,) arm in arm, de heerlykste Muziek na te lollen, ons +en passant, eenige Cabriolen op de koop toe vereerende: en dat, terwyl +myn gehele ziel wegsmolt door het heerlykste Vocaal en Instrumentaal +Muziek, dat ik immer hoorde. Hoe is 't mooglyk zo ongevoelig te zyn! +ik spreek niet eens van het onvoegsame: men doet veel om du Ton te +zyn! En die zelfde Babbelaarstertjes affecteerden zich, toen de een +en ander vroeg, of zy zich den avond beklaagden, dat zy geenchanteert +waren. Ende nu nog een kort woord tot u, myne Aandagtige! 't Is waar +de overgang is wat grillig; zoo spreek ik van Comedien en Concerten, +en zo koom ik tot myne deftige Vriendinne. Nu, gy weet hoe ik ben; +los, bedroeft los. + +"Wel, zou Tante zeggen, wel kyk eens aan Nicht, daar moest de Tante +van je Vriendin juist te Rotterdam wonen, daar moest zy ziek worden; +daar moest Juffrouw Willis met haar Dochter by haar komen; daar moest +een Buurman wezen, die een klein soupeetje gaf, en daar moest juist de +Proponent Smit in de Stad zyn, om er dien avond by te wezen; Wat is +dat groot!" dus verre Tante. + +En wat zegt Nicht? Wel Nicht is zeer in haar schik met die tyding, en +Nicht hoopt nog binnen 't jaar hare Vriendin in het eerwaardig +karakter van Dominees Vrouw gelukkig te zien. Heden, Naatje, dat moest +je doen: me dunkt, dat gy met niemand een juk kunt aantrekken dat u zo +wel voegen zal, dan met eenen Eerwaardigen. o My! wat zal ik dan +dikwyls by u komen, al woonde gy aan 't einde van de Waereld of zelf +op Marken Buiten! want ik ben overtuigt, dat de man, dien gy verkiest, +waardig is dat men om hem de hele Toverlantaarn der Waereld goejen dag +zegt. + +Ziet gy niet, dat ik thans eene hele schryvige natuur over my heb? Ja +kind, Saartje gaat nu weinig op den tril, en onze dierbare Patiente is +nog te zwak, om haar met myn gerammel te vermoeijen. Doch lang vasten +is geen brood sparen. Ik moet noodzakelyk eens met Letje uit. Juffrouw +Rien du Tout heeft onlangs zulk keurlyk gaas gekogt, en dat zeer +goedkoop; ik moet, eer het stuk op raakt, er ook van hebben. Zoo +Cootje maar mee kan; want hy heeft, wurm daar hy is, ook zyne +druktens; en het schynt, dat hy voor een Heertje van de mode zyne +zaken voorbeeldig waarneemt. Wat zoudt gy een goed werk verrichten, +Naatje, als gy hem wist te beduiden, dat hy waarlyk zeer wel zou doen, +indien hy zo attent was in het verbeteren en in orde brengen zyner +denkbeelden, die nu in zyn harsenvat als een hoop stoute Jongens in +den donker herom tuimelen: Zeg wat gy wilt; maar de Borst is heel +gezeggelyk, en de geest des tegensprekens heb ik met wortel en tak +uitgeroeit. Nu uw beurt, hoor je kind. + + _Ik ben uwe Vriendin_, + + S. BURGERHART. + + +Noten: + +[1] Oweeers. +[2] Componist dier dagen. + + + + +ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna waarschuwt opnieuw tegen Jacob Brunier +en ze ijvert voor Willem. Het verhaal van de wed. Spilgoed heeft ook +haar getroffen, en ook haar Moeder. + + +ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna zet haar pleidooi voor Willem voort. +Moeder heeft Willem de zaak uit 't hoofd willen praten, maar _zy_, +Anna, vindt Willem wel geschikt voor Sara. Moeder zegt: _Sara is te +wereldsch voor Willem_. + + + + +ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SOPHIA WILLIS. + + +_Mejuffrouw, Hoogst-Geeerde Vriendin!_ + +Het zou my smarten, indien ik deezen moest schryven, om u myne +eerbiedige gevoelens en oprechte liefde bekent te maken: ik hoop, dat +gy, in alle myne woorden en daden, die gevoelens zult ontdekt hebben; +en dewyl ik my altoos door de oprechtheid laat bestieren, kan er by u, +op dit stuk, geen twyffeling overblyven. + +Dat ik des de vryheid neem om u te schryven, vloeit uit een geheel +anderen oorsprong. Het is om u uit grond myner ziel te bedanken voor +het belang, dat gy in my neemt; en om dat gy my de gelegenheid geeft +om te weten, in welk een licht gy my beschouwt. o Dierbare Juffrouw +Willis, myn hart zegt my, dat gy myne zwakke zyde kent. Daar in ontdek +ik ook de redenen, die u aanzetten om myn handelwys met uwen Zoon goed +te keuren. Ik beken, dat ik zeer gezet ben op het bywonen van +uitspanningen en dat ik er my meermaal in toegeef, om dat ik volstrekt +geen ander oogmerk heb dan my te diverteeren; maar ik vlei my toch nog +al, dat ik, voor myne jeugd verdwenen is, wyzer zal worden; nu ben ik +zo ver niet, en ik zou my tot veinzery moeten verlagen, indien ik +zeide: dat ik reeds werkelyk bezig was om die neiging in te krimpen. + +Het smart my, my te moeten voorstellen, dat uw waarde Zoon, myn lieve +goeje Willem, niet zo gelukkig is als hy verdient te zyn! en niets +troost my zo zeer, dan de bewustheid dat ik verheven ben boven de +vuige listen eener gerafineerde Coquetterie, dan gehandelt te hebben, +na hy my zyne liefde ontdekte, gelyk als de pligt eischt van yder +meisje, dat een braaf ordentelyk Jongeling niet beminnende, hem dat +met heuschheid zegt, om geene hoop aantemoedigen, die geheel ongegront +is. + +Ik hoop, in alle gevallen van myn leven het onuitsprekelyk genoegen te +hebben, dat er gelegen is in door u met liefde beschouwt te worden: +niemand is met meer eerbied + + _Uwe Dienares, dan_ + + SARA BURGERHART. + + + + +NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier verklaart Sara zijn liefde +en vraagt haar. Zij zouden samen een model-paar zijn en konden +beginnen met een reisje naar Brabant. + + +VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis verantwoordt zich bij Sara, waarvoor +zij op alle mogelijke wijze Willems plannen te keer gaat. En ze +waarschuwt Sara: leef niet te zeer voor vermaak alleen en ga niet uit +met een jonkman, dien ge niet liefhebt! Pas toch op, Saar!--Anna doet +een uitstapje ook met Smit. + + + +[Illustratie: 't kwam mij voor dat zij in zich zelf zeide; "Ei kom, om +thee te schenken is hij echter nog al vrij gebruikbaar". +Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave +van 1782.] + + + + +EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING. + + +_Waarde Broeder!_ + +Hemel! kunt gy met my nog railleeren? Maar geduld! Ik weet dat de +vrolykheid van uw aart een vrucht is van uw goed hart, en dat gy +opregtelyk deelt in alles wat my betreft. Ik zal dan, wat gy my ook +moogt antwoorden, voortgaan om u over myne omstandigheden te schryven. + +Weinig dagen na dat ik my zelf het genoegen gegeven had, om een +billyke daad omtrent eene verlegene Vrouw te doen, hoorde ik van den +Heer Brunier, (die met my de kennis onderhoudt,) dat de brave Weduwe +ziek, gevaarlyk ziek, was. Dit smartte my, en wel te meer, om dat ik +daar door berooft was van 't genoegen, om myn bezoek te herhalen. +Brunier ging er echter verscheiden maal daags, om te vernemen hoe het +was. Zyne Zuster kwam dan by hem in de zydkamer, en berichte hem 't +geen hy kwam horen. Doch de beminde van myn hart zag hy niet. Juffrouw +Brunier zeide, dat hare Vriendin de kamer der Lyderes niet verliet, en +dat zy beide allerbitterst bedroeft waren. Broer lief, wat zyn brave +meisjes toch juwelen! zy zyn de uitdeelsters van onze keurigste +vermaken, en de zoete troosteressen in de ongevallen des levens. +Oordeel, of deeze blyken van vrouwelyke meelydenheid myn hart troffen! +Binnen weinige dagen ontfingen wy bericht, dat de Doctor haar buiten +gevaar oordeelde; en deeze gunstige tyding werdt vermeerdert door de +aannaderende herstelling der waardige Vrouw. + +De eerste reis, dat Brunier vryheid kreeg om haar te komen zien, nam +ik die gelegenheid waar, om hem derwaards te verzellen. Aangedient +zynde, leidde Juffrouw Letje ons by de Weduwe in: Ik zag, tot myn +hartlyk leedwezen, dat zy zeer vervallen was, en feliciteerde haar met +hare gelukkige herstelling, vergeving vragende voor de vryheid die ik +gebruikte. Zy beantwoordde my met de grootste vriendelykheid; en dewyl +de knegt het theegoed binnen bragt, verzogt zy ons om thee te drinken. +Verbeelt u een ruim zindelyk vertrek, proper gemeubileert, dat, met +twee schuiframen, op een aartig Tuintje uitziet, en door twee zware +lindenbomen voor de zon beschaduwt wordt: aan 't hoger eind zat de +Zieke, in een keurlyk net neglige, met een neteldoeks kapertje op. +Naast haar zat de beminnelyke Burgerhart, met een boek by haar de hand +der Weduwe in de hare houdende, o Keesje lief, zy is schoon!--meer dan +schoon. Het tekenagtige van haar gelaat treft; haar oogen schitteren +van gezontheid en gerustheid. Zy is niet meer dan middelbaar van +lengte; voor eene Gratie zou zy kunnen geschildert worden, niet voor +eene Juno of Minerva, dat beken ik. Brunier maakte zich meester van de +theeketel, en zy zelf schonk thee. De jongen wagtte, mag ik zeggen, op +hare oogen, maar 't kwam my voor, dat zy in zich zelf zeide: "Ei kom, +om thee te schenken is hy echter nog al vry gebruikbaar." Ja, niet +tegenstaande hare minzame trekken, heeft zy iets zo spottig, zo +schalkagtig, zo, hoe noem ik het? 't is nog al iets anders--in haar +gelaat, als zy tot hem spreekt, dat men niet nalaten kan te zeggen, +arme Cootje. Hy legt echter met haar aan; doch komt altoos met verlies +te rug. + +Juffrouw Brunier is een zeer bevallig meisje; maar men ziet haar niet, +als zy by hare Vriendin is. Deeze twee jonge Dames beminnen elkander, +en behandelen elkander ook als welopgevoede Zusters. + +Myne Beminde was ongemeen vrolyk; en ik geloof, dat Brunier er te +erger om vaart. Toen wy in gesprek waren over de Patiente, zei zy, met +eene betoverende levendigheid: "Ik moet vrolyk zyn over de herstelling +myner Moederlyke Vriendin; ik weet, hoe veel ik zoude verloren hebben: +yder heeft zyn eige wys van doen: deeze doet de vreugd wenen, en een +ander lachen." Haar lach, Keesje, is echter de lach des vernufts, en +heeft niets van dat luidruchtige, 't welke het verstand afkeurt. Wy +spraken over verscheiden onderwerpen, en ik had gelegenheid om te +zien, dat myne Beminde dien zeldzamen schat, gezont Oordeel, bezit. Zy +heeft, merk ik, veel verkregen kundigheden, doch beroept zich nooit op +haar Auteur. Kort gezeit, ik geloof dat zy, in allen opzichte, dien +man gelukkig zal maken, dien zy zich zelf zal uitkiezen; indien zy met +aandagt eene keuze doet. + +Me dunkt, Mevrouw, zeide ik, dat deeze beide jonge Dames u met allen +eerbied en genegenheid behandelen; dit moet my gunstig over haar hart +en verstand beide doen oordeelen.... "o Myn Heer, viel zy my in, het +zyn de beste kinderen, die ik immer kende. Maar myne Gunsteling +verdient, dat ik haar met die onderscheiding behandel, die myn hart +voor haar gevoelt. Juffrouw Brunier is een meisje, dat al de +geschiktheid heeft, om eene Vrouw van verdienste te worden; en hare +liefde voor Juffrouw Burgerhart maakt haar geneigt, om, in duizend +opzichten, beter te worden. Een verwaarloost karakter, myn Heer! vroeg +ouderloos, en geheel aan haar zelf overgelaten.... Doch Saartje is de +vreugd van myn leven; en ik bemin haar, of zy myn eigen dochter was. +Zoudt gy wel geloven, dat dit luchtige bolletje, dat zo vol potzen is, +en de zonderlingste invallen heeft, somtyds zeer bedaart met my kan +spreken? dat zy de ernstige schriften met aandagt leest; ja, dat ik +haar aanmerkingen over den Godsdienst hoor maken, die geheel nieuw, en +tevens geheel waarheid zyn? God geve, dat zy altoos haren eigen weg +ga, en door haar goed hart, 't welk niet vry is van wat achteloosheid, +niet verstikt worde door eene wel overlegde loosheid." Ik was geheel +aandagt. Zy ging voort: "Dat zelfde Meisje, dat zelf in uw byzyn haar +levendigheid niet kan bedwingen, heb ik, geduurende myne ziekte, niet +dan zwygent en schrijent gezien. Zy was niet te bewegen om my, zelfs +des nagts, aan de zorg myner bedienden toe te betrouwen. Ik heb, in al +die dagen, niets dan uit hare handen gebruikt. Uuren lang lag zy op +hare knieen voor Myn Ledikant, God met opgeheven handen biddende, doch +in zich zelf, om myne herstelling. Nu, mag ik zeggen, bestiert zy de +gehele huishouding. Oordeel uit dit weinige over haar karakter. Hadt +zy wat minder zucht om de Waereld te zien; doch dit, beken ik, is vry +sterk. Zo dat, myn Heer, ik zegen het uur, waar in deeze lieve +juffrouw by my gekomen is: de vermindering van mynen staat heeft +moeten dienen, om my dat geluk te bezorgen: moet ik des niet +vergenoegt zyn in die minderheid." + +Mevrouw, zeide ik, ik geloof, dat Juffrouw Burgerhart immers zo veel +reden heeft om het uur te zegenen, waar in zy u leerde kennen. Ik +begryp levendig, dat zy aan u verpligtingen heeft, die zich alleen +door dankbare gevoelens van het geroerde hart laten betalen.... Ik +luisterde.... Is dat, vroeg ik, Juffrouw Burgerhart, die daar speelt? +"o Neen, myn Heer, zeide zy, zo slegt kan zy het Clavier niet +behandelen. 't Zyn stoute meisjes. Ik merk dat zy den goejen lobbes +weer aan het touwtje hebben. Dien armen Jongen doen zy alles doen, wat +in hare hoofden komt. Burgerhart zal hem, alleen om hem uittelachen, +gedwongen hebben te spelen; schoon zy zelf bekent, dat zy de Kat, in +weinige lessen, zoo ver ziet te brengen, dat die hem lessen kan geven, +'t Zyn jonge lui, myn Heer; en ik denk, dat het myn pligt is haar het +leven in myn huis zo aangenaam te maken, als ik immer kan. De Heer +Brunier is een goed slag van een Jongen, die, zo hy wat minder van het +petit-maitres air hadt, nog al passeeren zou." + +Onderwyl hoorden wy, dat zy recht vrolyk waren, en iets schenen te +verzetten: wat het was, weet ik niet. + +Mevrouw, zeide ik, niets kan my aangenamer zyn, dan te horen, dat zulk +een beminlyk jong mensch uwe achting verdient. Hoe gelukkig zal die +man zyn, die zy uit liefde trouwt! "Dat is zo, myn Heer, maar zy zal +nooit trouwen, zonder haren man zo wel hare hoogste achting als liefde +waardig te keuren, immers dat zegt zy dikwyls." + +En heeft zy dien man reeds gevonden, Mevrouw? (Ik vroeg dit met zulk +eene merkbare ontroering, dat de schrandere Vrouw het moet gemerkt +hebben.) "Neen, myn Heer, Juffrouw Burgerhart denkt zeker, zo weinig +aan trouwen, als aan het kloosterleven." Ik voelde, dat myne wangen +gloeiden. Ik nam de vryheid om haar hand te nemen, en die zagtelyk +drukkende, zeide ik: mooglyk ben ik onbescheiden geweest, maar het +belang dat ik heb in dit te weten.... Vergeef het my, Mevrouw.... Ik +Bemin deeze Dame: Zo als ik haar zag, beminde ik haar; en nu myne rede +myne keuze billykt, reken ik my niet ongelukkig. Het is dan mooglyk.... +Ik meende verder te gaan; doch de Vrienden kwamen binnen; ik zweeg des. +De Weduwe boog, zoetelyk glimlachende. + +"Mamaatje lief, zeide Juffrouw Burgerhart, wy hebben uwe bevelen +voldaan, en ... maar, (het drankflesje opnemende,) moet ik dan kyven? +Foei, myn Heer, gy moet op een ander tyd beter oppassen! weet gy wel, +dat deeze Dame, om duizend en tienduizend redenen, diende gezont te +worden, en zo oud ook, dat zy met een krukje in de eene hand, en my +onder den arm vasthoudende, door haar Tuintje zal moeten wandelen?" +Daar op nam zy een kopje, deedt het medicament er in, gaf het de +Patiente, en wist Brunier te bewegen, om ook eens te proeven, die al +grynzende zei, dat het lekker was. "Zo, zei Saartje, een Veinsaart ook +nog, en dat onder myne oogen." + +De beleeftheid deedt my vertrekken; na dat de weduwe my verzekert +hadt, dat het haar niet ongevallig zyn zoude, my eens weder te zien. +Afscheid genomen hebbende, vertrok ik met Brunier, hem bedankende voor +de gelegenheid, die hy my gegeven hadt, om deeze waarde Dame te leeren +kennen. + +Zie daar, Broer lief, zo is het thans gestelt. Zal ik hopen? zal ik +vrezen? Hemel, maar zou zy immer behagen kunnen hebben in my? Schryf +my spoedig. Alles is hier wel. Vader zal u per naaste post schryven; +hy weet niets van deezen. + + T.T. + + HENDRIK EDELING. + + + + + +TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER. + + +_Vriend Jacob!_ + +Gy durfde my dan nog met een half woord vragen: "of gy u niet mogt +vleijen met eenig antwoord op uwe _Missive_?" Want zo noemt gy dat +fraaije Billet, dat gy my deedt ter hand komen. Om uw eigen fatsoens +wille wenschte ik wel, dat gy er geen woord van gekikt hadt; dan kon +ik ook dit zot stukje op de grote lyst uwer overige Beuslaryen hebben +aangetekent, en, om dat ik niet geemlyk van aart ben, het u gunstig +gepardonneert hebben. Doch nu gy zo dwaas zyt, van my zulk eene +rapsodie, als 't ware, te herinneren; en gy mooglyk wel, (want het +schynt waarlyk niet al te richtig in uw harsengestel,) u zoudt kunnen +gaan inbeelden, dat ik uwe Missive niet al te wel zo spoedig dagt te +kunnen beantwoorden, zo zal ik de moeite nemen, om u, over die +Missive, eens een paar woordjes te zeggen. + +Ik zeg niet gaarn onaangename waarheden, en vooral niet aan zulken, +die ik, 't zy dan ook om wat reden, in zekeren zin wel lyden mag. Zo +lang ik u slegts voor een vry geschikt, en goed soort van een jongen +hield, hadt uwe Zuster weinig werks om my te beduiden, dat ik u als +haar Broeder behandelde, en occasie gaf om ons eenige uitspanningen te +bezorgen: Maar, nu ik merk, dat gy eenige oogmerken omtrent my hebt, +waar van ik u nooit verdagt hield, zo moet ik u openhartig zeggen, dat +gy my meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te +kunnen krygen. + +Hoe, myn Heer, heb ik u de minste aanleiding gegeven, om zulke +gedagten in u te doen opryzen? Hoe weinig kent gy my! Hoe dood vreemt +zyt gy omtrent u zelf! Ik moet of boos op u worden, en dat bevalt my +niet; of ik moet u hartelyk uitlachen. Nooit zeker las men zo eene +ongevallige mengeling van zotteklap, en dwaze inbeelding, op zeer +twyffelachtige verdiensten, dan dat schriftje bevat. Dit van stukje +tot beetje aan te tonen, is beneden myne aandagt. Ditmaal vergeef ik +u alles, op deeze voorwaarden: "dat gy my hier over nooit meer +spreekt;--zelf verbied ik u, my voor deeze gekheden om excuus te +vragen; en dat gy; is 't mooglyk, door dit geval poogt wyzer te +worden, en wat beter uwe eigen waarde te berekenen." + +Zo gy hier toe geen geneigtheid hebt, dan zult gy u moeten laten +welgevallen, dat ik u zo, en op dien afstand behandel, als een +fatsoenlyk Meisje een verwaanden, of wilt gy lastigen, knaap altoos +moet behandelen. Uwe Zuster is myne lieve vriendin, maar zy zo wel als +ik begrypt, dat dit geen reden zyn kan, waarom ik zoude moeten +geplaagt worden door een Borstje, dat geen geest genoeg heeft, om my +met zyne Missives ook slegts te diverteeren. Spreek des nergens van; +en ik zal alles vergeten: want zo gy in dit opzicht maar wyzer wordt; +zyt gy een vry draaglyk Heertje; en ik geef de hoop nog niet op, om my +eens met meer reden te kunnen noemen + + _Uwe genegene Vriendin_: + + S. B. + + + + +DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed schrijft aan Blankaart: +Saartje is allerliefst! En nu is er een meneer, zekere Hendrik +Edeling,--die de wed. zelf uit den brand geholpen heeft--een braaf +man--die naar Saartje vrijt. Hij is knap, 27 a 28 jaar, goed +gemanierd. Staat Blankaart nadere kennismaking toe? Sara spot +er wat mee en wil nog niet trouwen, maar de wed. wil zekerheid. + + +VIER EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling wenscht zijn broer succes: +geduld maar en volhouden. Gemakkelijk zal 't niet gaan, maar toch +gaan. Hij is haast jaloersch en als hijzelf zijn Jaantje niet had, +wie weet. + + +VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis vertelt van haar uitstapje met +Smit. Ze zijn o.a. in Schiedam geweest en hebben _jenever geproefd_. +Smit werd opgewonden. Schiedam is een gat. Smit heeft intusschen een +erfenis gekregen en nu zal Anna met haar besten vriend gaan trouwen. +Hun liefde berust op _achting_ en _vriendschap_. Zij raadt Sara aan +den advokaat _Fine Mouche_ te nemen, maar dan moet ze er gauw bij +zijn. Hij is zeer gewild en _ijvert voor de rechten der vrouw_. Smit +ijvert voor de _nieuwe psalmberijming_. + + + + +ZES EN VIJFTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Lieve Willis!_ + +Allemaal menschen!--dit zeide ik, toen ik uwen vrolyken en my zo regt +smakelyken Brief gelezen had. De liefde is al een grappig ding, geloof +ik. 't Schynt dat zy de peinzende vrolyk, en de ydeltuiten statig kan +maken. Mooglyk, om dat zy het levensvonkje in de dikbloedige gestellen +helder doet opflikkeren, en de zorgeloze onverschilligheid der volmaakt +gezonde meisjes iets aan de hand geeft, dat haar van belang genoeg +schynt, om er over te willen denken. Hoe het zy, 't is zeker dat +Juffrouw Willis my nu veel meer bevalt, om dat zy my wat nader komt, +dan wanneer zy met zekere ernsthaftigheid, niet altoos geheel vry van +styfheid en bedilzucht, my myne les voorzegt. Uw Vriend Smit heb ik +regt lief, zo wel om het geen gy van zyne conversatie, als om 't geen +gy my nopens zyne manier van denken omtrent u mededeelt. Ik hoop hem +spoedig wel geplaatst, wel gehuist, en wel getrouwt te zien. Ik beken +dat gy, buiten uw nadeel, een ruim hart hebt, als gy ons, eenzamen in +den lande, zulk een zegen toewenscht. Maak u vrienden, Naatje, door zo +veel gy kunt dien wensch ten uitvoer te brengen. Wat my aangaat: _Pour +moi keen warme Bier_, zei de Franschman; _Pour moi geen man_. Een +flinke bol, om my, zo als ik zeg, te brengen waar ik zyn wil; dat is +wel, doch meer niet. Uw Advocaat is des aan u; geef hem aan haar, die +zo een meubeltje nodig heeft, en laat myn devies zyn: _Vryheid, blyheid_. +Maar om u eens wat zakelykers te schryven, ik heb met Letje uit geweest, +om dat nieuwmodiesch Gaas. Het stuk was byna weg, doch men wagtte alle +daag nog fraaijer, als ook heerlyke Taffen, enz. Men heeft my verzogt +dat te komen zien: en ik heb aanstaanden maandag daar toe bepaalt. +'t Is een besloten winkel; men ziet er niets dan een modieus huis, +moderne meubelen, drie zeer wel gemanierde, taamlyk lelyke, reeds wat +bejaarde Demoiselles, die niets dan Fransch spreken: 't kwam wel, dat +ik die taal kende. + +In 't naar huis gaan, gingen wy Coos logement voorby, en spraken +Mademoiselle G---- eens toe; die zeer verblyt scheen ons te zien, en +vriendelyk innodigde. Wy voldeden ook aan haar verzoek. Letje vroeg +schielyk of haar Broer niet t'huis was; neen, zei zy, maar hy zal +weldra t'huis zyn. Kom, zei Letje, dan gaan wy zo lang op zyn kamer: +ik volgde, zeer benieuwt zynde, hoe of het toch op de kamer van een +Petitmaitre er mogt uitzien. Naatje! nooit hebt gy zo een huishouden +gezien! myn oog viel eerst op zyn toilet, dat in de volmaakste +desordre lag. Poeijer en Snuif bedekten alles. Hairkammen, +Wenkbrauwkammetjes, verscheiden Verfjes, Tandenschuijertjes, +Tand-poeijer, een glas half vol water, zo smerig als een eend, een +stuk uitgedoofde Waskaers, eenige Fransche boekjes, die niet van de +strengste zedekunde schenen te handelen, een morsige Inktkoker, een +vuile Slaapmuts en een pot Pommade, maakten de misselykste vertoning, +die ik ooit zag. Al zyn kleeren hingen over stoelen. Eenige paren +zyden kousen slingerden er tusschen. Schoenen, muilen, laerzen, een +hartsvanger, lagen door malkander: alle zyne Boeken konden wel in een +brood-mand, en zagen er vuil en smerig uit. Letje zag dit lieve +boeltje, met beschaamtheid, eens over, en ik was geheel +nieuwsgierigheid. "Kyk me zo een floddervink eens; zo een slons van +een jongen, en die altoos er uit ziet, of hy uit een doosje komt." +Kom! zei ik, hy zal er voor hebben. Daar op deden wy zo veel +kattekwaad, en naaiden zo veel mouwen en zakken en koussen toe, en +verstopten zo veel goed, als de tyd ons toeliet. Toen gingen wy naar +beneden, en zie daar, daar kwam de Vorst van Tour en Taxis, wip wip +wip den stoep op; gevolgt door nog een vlasbaard, of drie, die hier +alle logeeren. Myn Chevalier weet te wel te leven, (zoo hy meent, och +arm!) om ons vryheid te laten zo terstond te vertrekken; en dewyl +Mademoiselle G--- hier sterk op aandrong, traden wy in de eetkamer. +Terstond presenteerde men 't een en ander. De gure dag gaf Coo den +inval om een Bowl Punch te maken. Fiat Punch! Toen had hy 't op zyn +lyf! de Arak, de Citroenen, enz., alles kwam uit den hoek. De drank +was smakelyk, het gezelschap vrolyk, Mademoiselle G--- kluchtig, en +Saartje haar zelf. Enfin, Naatje, wy diverteerden ons als Vorsten; wy +raakten aan 't musiceeren, en 't was wel negen uuren, voor onze Vriend +ons t'huis bragt. + +De lieve Buigzaam wagtte reeds met eeten. De Hartog keek, als of zy +zeide: "Wat die Kleuters! moet ik daar naar wagten?" Lotje zat met een +Almenak van 't voorleden Jaar, en hield zich of zy las; doch ik weet +niet, of zy wel eens spelden kan. Wy waren zo dartel, dat de lieve +Vrouw niet wist, wat zy van ons denken moest; en Letje was ongemeen +woordenryk. Ik was niet heel gemaklyk, want Juffrouw Hartog my iets, +'t geen ik haar verzogt, wat onbeleeft aanreikende, en er by voegende: +"ei, altyd dat gelach, 't zal wat te beduiden hebben, als wy 't +wisten!" gaf ik haar een antwoord, 't welk aantoonde, dat ik haar, +schoon veel ouder, niet voor myne Voogdes begeerde. + +Ik heb u nog niet gezegt, dat de Heer Edeling hier alweer geweest is. +Juffrouw Buigzaam spreekt met de uiterste achting van hem, en met zo +veel onderscheiding, dat, zo zy tien jaar jonger was, ik zou denken, +dat hy de man zyn zoude, dien zy haar hart wilde geven: nu denk ik dat +niet. Mooglyk heeft hy zin aan Letje. Hy is door haar Broer hier +althans gebragt. 't Is een zeer fraai man: hy heeft mooije manieren, +en ik hoor, dat hy veel verstand heeft. Als hy weerkomt, zal ik hem +eens _Philosophiesch betrachten_; zeide uw Pedant Gekje zo niet? + +Omhels uwe dierbare Moeder; groet uw Vriend Smit; salueer uw Tante +voor haar, die gy weet dat is, + + Uwe hoogachtende Vriendin, + + SARA BURGERHART. + + + + +ZEVEN EN VIJFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED. + + +_Mevrouw!_ + +Voor ik iets, Saartje betreffende, aanroer, moet ik u zeggen, dat ik +God hartelyk gedankt heb voor uwe herstelling, 't Zoude al te droevig +zyn, dat zulke weergaloze Vrouwen zo klakkeloos uit de waereld gingen, +terwyl wy met hele risten van Beuzelaars en Beuzelaarsters blyven +opgescheept. Het doet my aan myn hart goed, dat ons meisje zo haar +pligt gedaan heeft; zy zal er een present extra uit myn eigen zak voor +hebben. Zie, men moet de jonge lui, als zy wel doen, ook wel doen; en +ik ben, God dank, geen vrekkige Jakhals van een Kaerl. Ik zeg altyd: +"Abraham Blankaart, God heeft u zo gezegent, je hebt kind noch kraai; +hoewel ik weet niet, of dat zo blyven zal; een mensch heeft graag een +eigen weerspraak. Kind noch kraai! wel deel mee, myn Vriend; maak dat +niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe, dat niemand wel eens +wou zien, of jy ook een mooije doode zyn zoudt. 't Moet hier toch +altemaal blyven, en als jy brave lui op de proppen helpt, dan doe je +als een hupsch Christen mensch betaamt." Nu, dat overgeslagen. + +Neen, Mevrouw, ik heb geen byzonder oogmerk omtrent Saartje. Ik zal +haar volkomen haar eigen keuze laten doen; en, zo de jongen haar +verdient te hebben, zal hy haar hebben, al had hy geen zesthalf in de +waereld; maar zo zy dwaas genoeg was, om een knaap te willen hebben, +dat een vlegel, of een bobbekop is, of die haar dood zou kniezen, of +tot gekheden brengen: Verduivelt! dan zal myn naam geen Abraham +Blankaart zyn, zo ik het ooit toesta. Hoe, wat hamer, en wat +spykerdoos, heeft haar brave Vader my niet met de dood op zyn lippen +gezeit: "Brammetje Blankaart, ik sterf; zorg gy voor dit dierbaar +Kind. Wees het geen ik voor haar zyn zoude, mogt ik leven." En heeft +hare lieve Moeder ook zo niet gesproken? En heb ik het niet heilig +belooft? En ben ik niet een eerlyk man? Hoor, Mevrouw, het meisje is +veel ryker dan zy weet. Zy kan, ik herhaal het, krygen die zy hebben +wil, mits dat zy wel kiest. + +Ja, 't is een weergaas meisje! zo als gy daar schryft, is zy: en ik +ben maar bly, dat zy by zulk eene allerbraafste Dame is, dat is goed +voor haar. Spreek toch niet van my lastig te zyn; ik wou dat uwe +brieven zo lang waren als de Engelsche Courant. Zie, ik ben geen man +van de hedendaagsche Waereld, maar een brief van zulke vrouwen, wel, +dat is een tractement voor my. + +Den ouden Heer Edeling ken ik van voor vele jaren. 't Is een eerlyke +knorrepot, een braaf man, een man, daar men op af kan, maar de +lastigste mensch, dien ik ook al ken. Pitten heeft hy, en crediet als +de Bank: maar ik heb my altoos afgehouden van twee soorten van menschen, +van allemansvrienden en van Grimbekken. De laatsten veracht ik, en de +eersten beduiden niet genoeg, om er aan te kunnen denken. Zyn Zoons ken +ik niet; maar ik heb altyd gehoort, dat het beste jongens waren, doch +die 't hart niet hadden, om hunnen Vader ooit dan met schroom toe te +spreken. Dat is toch een ellendige zaak! 't Spreekwoord zeit, de beste +Stuurlui staan aan land; maar als ik kinderen gehad had, by myn Vrouw, +ik zou eerst hunne liefde hebben zien te winnen; en dan zou ik my van +hun vertrouwen en achting gemaklyk hebben meester gemaakt. Wat zegt +gy, Mevrouw? + +Indien de jonge Heer des zyn hof aan myn Kleuter wil maken, en zy het +goedvindt, my is 't wel; als 't kind maar gelukkig is, ben ik te +vreden, en ik zal haar, met al wat zy in de waereld heeft, zelf aan +hem, met myn eigen hand, geven. Doch de Oude moest my evenwel geen +Kattesprongen maken, of denken, dat zyn Zoon haar veel eer aandeedt. +Ja, ja, 't is een misselyke knevel, die eigenste Jan Edeling; want dan +zou my 't bloed ook wat heel spoedig in de ooren kruipen. Saartje is +van zulk eene brave oude familie, als er maar weinigen in Amsterdam +zyn; haar overgrootvader was al een styl van de beurs, en een pylaar +van de kerk: en, schoon zy geen geld heeft, dat by Hendriks te pas +komt, zy is echter een schone party; en zy is een heel mooi meisje +ook; en zy heeft, mag ik zeggen, alles geleert; en zy speelt immers +kapitaal? Wees verzekert, dat ik uw verpligtent bericht voor my +onschendbaar zal houden. Zo ik u, waardige Dame, ergens in van dienst +zyn kan, beveel! gy zult my verrukken, door my in staat te stellen van +u te kunnen tonen, hoezeer ik met de grootste achting ben, + + Uw welmenende Vriend en gehoorzame Dienaar, + + ABRAHAM BLANKAART. + + + + +ACHT EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis beknort Sara om haar houding +tegenover Coos-Jacob Brunier. Foei! Is vermaak dan alles? En welk +vermaak! Tante Hofland zal nog gelijk krijgen! Ze mag Anna uitmaken +voor wat ze wil: _bijnamen geven is geen redeneeren_.--Willem maakt +'t goed; Smit gaat uit preeken. Hendrik Edeling is een beste jongen; +Smit kent zijn broer. + + +NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft zijn Moeder: hij +maakt het goed, doet zijn best, maar _Sara kan hij niet vergeten_. +Doet Moeder wel goed? + + +ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling richt zich tot Blankaart, over Sara. +Of er iets tegen is? _Zijn_ vader zal bezwaar maken: _Sara is niet +Luthersch_--doch dat is misschien nog te ondervangen. + + + + +EEN EN ZESTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING. + + +_Myn Heer!_ + +Ik ken genoeg van uwe omstandigheden en zedelyk karakter, om niet +weinig in myn humeur te zyn, met het voornemen, dat gy hebt omtrent +myne lieve Pupil. + +Zie, myn Heer Edeling, ik ben geen knorrepot, die altyd legt te +gnokken, en te gnutteren[1] op Jongelui; o ho! het zat over een +zestig, zeventig jaar, ook al zo breet niet: maar dit is evenwel +hemelsch vast, dat onze jonge Heren het drok genoeg maken, en dat +Ouders of Voogden van geluk mogen spreken, als zy een aartige lieve +meid, die hun aangaat, in goede handen zien. Wel, 't is een bedroeft +ding, dat de jonge Heren zich de vryheid geven om stukjes uittevoeren, +die hen de achting van hunne meisjes onwaardig maken. Dat rydt, dat +rost, dat speelt, lichtmist voor een voor negentien, alsof men een +paardje schytgeld op stal, en nog een lyf in de kist hadt: en als men +dan eindelyk het wilde leventje wat moede is, ja! dan klungelt men +naar de Vryster, die men eene hope leugens en liflafferytjes vertelt. +Het arme schaap neemt alles voor goede munt aan; en zy krygt een man +met een verzwakt en verslonst lichaam, zonder zedelyke, 'k laat staan +Godsdienstige beginsels; zonder kunde in zyne zaken; en haar geld moet +meermaal springen om smousen en ligtekooijen te vreden te stellen. + +Zo dat ik maar zeggen wil, myn Heer Edeling, dat ik regt te spreken +ben, met uwe liefde voor het kind. Dat gy haar daar van nog geen kik +gezegt hebt, smaakt my bestig. Hoor, gy zyt een hupsch jongman, en ik +hoop, dat onze lieve Heer haar maar genoeg wysheid zal verlenen, om +u haar hart, zo wel als haar mooi zagt regtehandje te geven: mits +echter, dat myn Heer uw Vader haar die eer aandoet, waar op ydere +brave jonge Juffrouw, in zo een geval, recht heeft. + +Indien men ons, om dat wy misselyke Potentaten zyn, alles moet laaten +doen dat men wil, wel, dan zyn de redelyke menschen waaragtig te +beklagen. Hoor, myn Heer Edeling, ik zou geen Kind veroengelyken, en +myn Paard, zo min als Snap, myn Patryshond, (die al weer met my naar +Vrankryk gesjouwt is,) hadden nog ooit reden, om my voor een bullebak +van een meester te houden. Daar is nu Jan, die reeds al zes en twintig +jaar by my diende; maar ik heb nog nooit gemerkt, dat de kerel een +beter heer verlangde; want ik zeg altyd: "Abraham Blankaart! maak +toch, myn Vriend, dat je geen mensch of beest zo behandelt, als jy +niet zoudt willen behandelt worden, dan zal je wel doen, en dat is +hier de zaak." Doch myn Heer, uw Vader, voor wien ik zeer veel achting +heb, moet niet denken, dat myne Pupil ooit in zyne Familie zal komen, +indien hy my, als haren Voogd, dit niet met bescheidenheid en yver +verzoekt, 't Zou my om u schrikkelyk moeijen; maar ik heb ook op +sommige punten myne wonderlykheden; en, schoon ik niet aan de Jicht, +of het Podagra zucht, kan ik om de hagel niet veelen, dat men zich +airs zoude geven, omtrent zulk een braaf fatsoenlyk meisje. Myne +gehechtheid aan de Leerstukken der Publique Kerk is, ja al zo sterk +als de zyne aan het Luthersche geloof zyn kan, en daar hoop ik by te +leven en te sterven: amen! Maar watte malle dingen zyn dat! "dat ik +besluit om myn kind nooit buiten myne Kerk te zullen uittrouwen?" Wel, +'t is goed, dat onze lieve Heer wyzer is dan wy allemaal; 't zou hier +anders een bedroefde Winkel worden, dat zou het. Laat elk gelooven dat +hy wil, dat hy kan, en laten wy allemaal deugdzaam leven; dat zal wat +beter voor ons uitkomen, dan dit en dats hargueeren, en kieskaauwen, +over dingen, daar de wyste lui zo weinig van begrypen als ik, of een +ander eenvoudig Christenmensch. Hoor, myn Heer Edeling, ik kan zo +Satans nydig worden, als ik daar in plaats van eene stichtelyke +opwekkende Predikatie te horen;--want ik ben een stipte Kerkganger, +moet gy weten; ik ga, als ik t'huis ben, alle Zondag in de ouwe +Kerk,--niets voor myn neus kryg, dan wat scholastiek[2] Vulnis, dat, +mag ik zeggen, diept noch droogt. 't Is goed, dat zulks maar zelden +gebeurt, of Abraham Blankaart zou zo stipt niet ter Kerke gaan. Nu, +myn Heer, gy moet weten, hoe gy met uw Vader dat Boeltje reddert. Doch +hy moet niet vergen, dat myn Saartje van haar Gereformeerde Kerk +afwykt. Hoor, ik moet daar niet over gemoeit worden. 't Is onredelyk; +en is de man driftig, ik ben ook juist de grootste jaabroer niet. Hy +moest ook niet leggen te choqueeren op myn Kerk, of hy zou zyn man aan +my vinden. Ik versta my wel niet op alle de fynheden der redeneerkunst; +maar ik denk, dat ik echter met hem geen gevaar loop om uit het veld +geslagen te worden: wy kunnen malkander op de Beurs ook wel zo eens een +aartigheidje zeggen. + +In hoop dat ik zal voldaan hebben aan uwe verwagting, hebbe ik de eer +my te noemen, + + MYN HEER! + Uw dienstwillige Dienaar en Vriend, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Vitter en bediller. +[2] Spitsvondig. + + + + +TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Willem: Sara is geen vrouw +voor hem. Een huwelijk kan even ongelukkig zijn door te veel +overeenkomst tusschen man en vrouw als door te weinig. Smit gaat +trouwen met Anna. Willem moet zich maar goedhouden en volharden in +braafheid. + + +DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna. Ze is boos. Anna beknort haar +over haar oprechtheid. Anna mag wel _genever proeven_ en zij geen gaas +koopen? Mooie grap! Anna is zoo op zich zelf verliefd, dat ze geen oog +heeft voor andersdenkenden. _En ze duldt geen aanmerkingen op Spilgoed_. +Anna draait! Jacob Brunier mag zijn wie hij wil, maar _slecht_ is hij +niet. Bemoei je met je zelf. Groet Moeder, 't beste voor Willem. Vaarwel. + + + + +VIER EN ZESTIGSTE BRIEF. + +DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Juffrouw Saartje!_ + +Nou komt myn dat beetje schryven wel te pas, dat je men nog hebt +ingestampt. Ik moet aan u schryven. Ik heb rust noch duur; van nagt +droomde ik, dat ik u op men schoot had, met je neteldoekse jurk, die +ik zelf in het Blaauwe Hoofd nog kogt, an; en dat ik met je zong dat +mooi Liedje: "Een kindje in 't water een kindje in 't water." Ja, dat +was een huur[1]! Dat was eerst een Heer en Juffrouw! Ja, Juffrouw, ik +zou nooit myn Belydenis geleert hebben, had ik niet in joului huis +gedient. Ik woon nou ook wel by brave mensen, maar het is altoos drok; +wy zyn met ons zeven Booijen, en ik heb dikwyls geen tyd om 't _Vader +Ons_ te bidden; en ik mag dat evel zo niet rabbelen; want Kaatje, onze +Kindermeid, zeit, dat het van onzen lieven Heer zelf gemaakt is. +Laatst nam ik het mee in de Kerk, en las het driemaal heel aandagtig, +om dat ik den Domine niet zien, noch horen kon, zo vol was de Kerk, en +dat is tog mooi; en nu sla ik een reisje over, om aan u te kunnen +schryven; want wie weet, of deuze Brief in veertien dagen nog vol is. +Ik wil maar zeggen, Juffrouw, dat ik gehoort heb, dat de Juffrouw gaat +trouwen, met een Heer die een Franschen naam het, die ik niet +onthouwen kan; 't is een Broer, zeggen zy, van een Juffrouw, die met u +in 't zelfde huis woont. Hy het een amt op 't Staten of Prinsen hof, +zie dat is al het zelfde; nou, Juffrouw zal hem wel kennen. Ik sloeg +een gat in de lucht; 't was of ik het te Keulen hoorde donderen, daar +onze Koetsier van daan is. Maar die Heer zal wel braaf zyn; anders zou +Juffrouw hem niet nemen, wil ik spreken; maar de mensen praten zo +raar; en Bregt heeft my zo veel vertelt; maar nou ze eens zo vreeslyk +van je gelogen het, geloof ik haar niet meer. Nou, God vergeef het +haar, maar ouwe Bregt zal haar loontje wel krygen, gelyk ik hoop! En +nouw was myn verzoek, of Juffrouw my weer wou inhuren; en dat Juffrouw +met men Heer Willem hadt getrouwt, dat is een Heer! en zo gemeenzaam; +wel zie, ik heb buiten u niemand zo lief, als men Heer. Toen ik daar +zo by myn Heer zat thee te drinken, dagt ik nog om je Grootvader, +Pieter Burgerhart. Die is nog by gelyks men Doop-peet: want ik hiette +maar Pieternelletje Pauwls, en ik had zo een dinsigheid[2], om ook een +_van_ te hebben; en toe zei je Grootvader; kom meid, we zullen je +_Pieternelletje Deegelyk_ noemen: 't heugt my nog klaar; ik lei het +Pampier in de eetenskast in men keuken, en Grootvader deedt zyn +schoenen nog aan, en hy lachte dat hy schudde; om dat ik zo bly was +met men _van_. Ik had het zo kostelyk by je Ouwers: en ik heb het nu +ook goed; en als ik oud word, dan denk ik, onze lieve Heer zal ouwe +Pieternel niet verlaten: daar vertrouw ik op. Zo dat ik maar wou +zeggen, dat ik altoos dagt, dat men Heer Willem je was opgeleit. Hoor, +het is my hier te drok, en daar zyn meer huizen dan kerken. Ik wou een +stil dienstje by twee eenige luidjes, daar ik men werkje zo zelf kon +betreuzelen; en wy kennen mekaer, want Juffrouw het wel duizendmaal op +men schoot gezeten, en dan kon ik ook nog eens horen van dien goejen +Heer Blankaart, die ik in velden noch op wegen ontmoet; nou ik kom +haast nooit uit. Ja, Juffrouw, zo jy en men Heer Blankaart niet in den +hemel kommen, dan versta ik my dat werk niet. Wat was hy altyd +grappig, en wat het hy my dikwyls een gulden gegeven; en ik wou +Juffrouw graag wat in haar huishouwing kopen, al was het maar een +Glazen-kasje, of een Turfbakje; maar voorlede week kwam je Tante +Hofland my tegen. Wel nou Pietje, zei zy, weetje nou wel, dat jou +Juffrouw nou in zo een slegt huis woont, en zoo waerelds gekleet gaat? +Ja Juffrouw, zei ik, die Weduw is een heel braaf mensch, dat weet ik +heel wel, en Juffrouw Saartje gaat gekleet, zo als alle ryke jonge +Juffrouwen; en, zei ik, onze lieve Heer ziet op het hart, niet op de +kleren, zei ik; nou zei zy, "Kind, je hebt geen Licht[3]". Nou +Juffrouw, als je trouwt, wat zul je dan kerjeust[4] wezen! en dat's +evel geen zonde; want je Moeder, die zo vroom was, als er een mensch +over een paar benen gaan kon, en ouwe Hille, onze Schoonmaakster, wel +zo veel goeds gedaan het, die oud en katyvig[5] wierdt; sting styf van +'t stof, toen zy trouwde; ik wou, Juffrouw Saartje, dat je dat eens +gezien hadt. Laat my tog eens weten, of je haast Bruidstranen zal +drinken. Alle menschen zeggen, dat je op je trouwen staat. Ik ben al +tweemaal aan uw huis geweest; doch Juffrouw was uit, en ik kom weinig +uit, en 't is by ons vreeslyk drok. 't Is nu net drie weken, dat ik +aan deuzen schryf; neem men stoutigheid ten besten. Was ik maar weer +zo in men eigen gedoentetje by Juffrouw, wat zou ik bly zyn! Ja, ik +wensch nog uit Juffrouws huis gedragen te worden; wist ik dat, ik zou +zo in myn knopjes zyn, want dat was een grote gerustheid. + +Nagt lieve Juffrouw Saartje, van je ouwe Pieternel, zo pleeg je te +zeggen. + + PIETERNELLETJE DEEGELYK. + + +Noten: + +[1] Goeie dienst! +[2] Zin in. +[3] Geestelijk inzicht. +[4] Trotsch. +[5] Hier: gebrekkig. + + + + +VYF EN ZESTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK. + + +_Myne goeje beste Pieternel!_ + +Ik heb uw Brief gelezen: wel heden, ik wist niet, dat je zoo veel by +mekaer kon stichten. Ik ben met uw Brief magtig in myn schik. Als het +eens jou uitgaans dag is, zendt my dan een kruijer[1], dan zal ik +t'huis blyven, als ik uit de Kerk kom, en wy willen weer eens heel +veel praten; je weet, Nelle, daar hou ik wel van. Meid, wat hou ik van +je, om dat je my zo wel opgepast hebt, en zo dankbaar aan myn lieven +Vader en Moeder zyt. De Heer Blankaart is naar Frankryk; zo dat gy hem +niet ligtelyk zult tegenkomen. Ja, dat is een man, niet waar? Och, ik +heb hem zo lief! maar ik ga niet trouwen, daar is geen woord waar aan. +Wees jy gerust: al wierd jy tagtig jaar, dan zal je toch by my wonen, +als ik getrouwt, of op my zelf ben. Sterf des, als je tog sterven +moet, maar gerust voort, 't zal zo zyn. Zeker, Pieternel, als gy oud +en zwak wordt, zal ik voor u zorgen, en je zult dan zien, dat het heel +goed is, op onzen lieven Heer te vertrouwen. En zei Tante "dat je geen +licht hadt?" Heden meid, gy moest eens aan Tante gevraagt hebben, of +'t waar is, dat zy zal trouwen, en met welk een Heer; maar daar hebje +niet omgedagt. Ik zal heel graag, als ik trouw, wat in myn Huishouden +van u hebben! Maar 't hoeft juist zo veel niet te zyn, als je +voornemen was. In dit papiertje liggen twee ducaten[2], die doe ik u +present, om dat gy zo een beste meid zyt, en myn Ouwers zoo lief hebt. +Spreekt er maar niet van tegen my; koop er wat voor: zulje, Pieternel? +De Juffrouw, daar ik by in huis woon, is net zo een brave vrouw als +myne Moeder was, dan kun je eens denken. Nu ik ga niet trouwen, hoor. +Gy weet wel, wie u deezen schryft. + + S. B. + +PS. Dat joului Koetsier van Keulen is, kan ik wel denken. Nagt, +goeje meid. + + +Noten: + +[1] Met een boodschap. +[2] Plm. 6 gulden. + + + + +ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Blankaart: ze leest in den bijbel, +gaat naar de komedie en naar concerten, onderhoudt Fransch en Engelsch. +Edeling bezoekt haar dikwijls; ze heeft ook Pieternel gesproken. + + + + +ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Myn beste Meisje!_ + +Uw Brief is my zo welkom, dat ik hem ten eersten ga beantwoorden. Dank +God, myn kind, dat gy by zo eene verstandige en godvrezende vrouw +gekomen zyt: Het hadt ook heel scheef kunnen uitkomen; als gy nu eens +by slegt volk belant waart, en gy hadt eens mee moeten doen: Gy weet, +die met pek omgaat, wordt er door besmet. Ja, dat zou droevig voor u +geweest zyn, zo deeze vrouw gestorven hadt, dat begrypt gy wel. Dat +gy uw pligt omtrent haar deedt, doet my zo goed, en geeft my zo veel +vreugd, dat ik u een wisseltje zend, van honderd ducaten, van my, tot +een teken hoe content ik daar over ben. Koop er wat moois voor, en +draag het my tot gedagtenis; en doe altoos uw pligt, zult gy? Gy moogt +heel wel met ordentelyke lieden uitgaan, als het maar niet te drok +loopt: nu, gy zyt in goede handen; daar vertrouw ik op: Want gy zyt +jong, kind; en ik weet, hoe de jonge lieden toch zyn. + +De Heer Hendrik Edeling is my zeer wel bekent: 't is een allerbest +jong Heer, en een knap kaerel ook. Ik heb somtyds, weet gy, rare +invallen; en ik mag de jonge meisjes gaarn wat kwellen: wat zegt gy, +Saar, als die Heer eens zin aan u hadt, zoudt gy daar wel veel tegen +hebben? Nu, zin of niet, als gy myn eigen Dochter waart, en die Heer +dan zin in u hadt, en my dat zeide, ik zou u aan hem geven, ten +minsten zo gy er niet tegen waart. Zie, kind, ik hoop u nog gelukkig +getrouwt te zien. Doch meisje, meisje, pas op! Gy zult een hele rist +vryers krygen; zy zullen om u dwarlen, als muggen om de kaars. Gy zyt +nu in de vrytyd; is 't zo niet? Ik eisch niet van u, dat gy my kennis +zult geven van alle beuzelpraat, die zy u komen aan 't oor piepen; +maar ik verwagt van u, indien gy aangezogt wordt door iemand, die gy +genoeg in aanmerking neemt, om hem nader te willen leren kennen, dat +gy my dit zult melden. + +Begryp, myn kind, dat van uwe keuze uw gelukkig of ongelukkig leven +zal afhangen; en dat ik, immers zo lang als gy myne Pupil zyt, u zal +beletten uwe keuze te volgen, "indien brave en verstandige lieden, die +u liefhebben, my zeggen, dat gy eene dwaze keuze doet." Ik zie niet op +geld: zo gy maar een fatzoenlyk man, die u verdient, neemt. Maar ik +denk niet, dat zo een braaf meisje zich zal vergooijen aan een jongen, +die al zyn verdiensten aan zyn Snyer en Kapper verpligt is; die, als +een regt vrouwenaapje, daar zo heen kwispelt, en twee orloges draagt, +daar ik zo satans nydig over kan worden, dat ik hen wel eens een losse +maling wou geven. + +Ik heb wel gehoort, dat vele Dames, by de Twaalf geloofsartikelen; +--die gy immers wel pront kent, hoop ik?--dit tot het dertiende maken: +"Ik geloof dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." Geloof het +niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip waar aan, geen kriezel. + +Hoe zou het my bedroeven, als ik merkte, dat gy deeze kettery toestemde! +Gy meisjes praat, (de wyste niet te na gesproken,) somwyl, als of gy in +uw harsens gepikt waart. Wat weet gy toch van lichtmissen? Een losse +malle jongen, die zyn goed verbruit, en om peper moet[1], om dat hy zyn +koorntje groen at, is geen lichtmis; hy is een gek, die men te Delft +moest gaan opsluiten. + +Een Lichtmis is een gerafineerde Deugeniet, die zyn roem en vermaak +stelt in eerlyke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven; die Gods +geboden veracht; de wetten der vriendschap schendt; met zyne eeden +speelt; met een woord, een allerverfoeilykst man, die te gevaarlyker +is, naar mate hy een minlyk figuur, en een aartig vernuft heeft; die +de welvoeglykheid zo lang in acht neemt, tot hy de onnoosle in slaap +heeft gewiegt, en die in staat is om schatten aan zyne huurlingen +uittedeelen. Gelooft gy, myn kind, dat zo een schepsel ooit de beste +Echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overyling en in gestorm der +driften begaan, maken geen Deugeniet uit, indien hy die fouten, zo +rasch hy die ziet, verfoeit en schuwt; maar een Lichtmis is zo +bedorven van smaak; zyne neigingen zyn tot heblykheden dermate +opgegroeit, dat hy nimmer een beter vrouw verdient, dan de +allerslegste uit die bende, die hy bedorven heeft. + +Een braaf, verstandig, kundig, goedaartig man, is de beste Echtgenoot. +Een man van dit karakter verdient al de liefde, al de achting van eene +vrouw, die hy zo gelukkig poogt te maken als zy ooit op deeze waereld +zyn kan. + +Ik zal hier niet meer over schryven; zo als ik zeg, gy hebt de beste +Raadsvrouw by u. Gy kunt Juffrouw Willis ook altoos om raad en +onderrigtingen vragen. Maar ik hou zo veel van u, dat ik u dit toch zo +eens schryven moest. Groet, uit mynen naam, de brave vrouw, aan wie gy +zo gehecht zyt; verzeker haar van myne byzonderste achting. Groet ook +myn Vriend Edeling. En als gy Pieternel spreekt, insgelyks: Wel, ouwe +Pieternel, denkt die nog aan my? Nu, als ik sterf, krygt zy een +Legaatje. Zeg het haar niet; zy zou huilen van blydschap, en van +droefheid ook. De oude Peterzen zal u, op uw order, het Geld bezorgen. +Die ouwe stam heeft ook wat aan my verdient, zo eerlyk en zo hupsch is +de man. + +Nagt, myn lieve kind. + + Uw liefhebbende Voogd, + + ABRAHAM BLANKAART. + +PS. Laat uw Clavier, en alles wat tot uw lyf behoort, op myn order, +van uwe Tante halen. + + +Noot: + +[1] Naar Indie. + + + + +ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog, de blauwkous, schrijft aan +Wilhelmina van Kwastama, dat zij vermoedt: Edeling _komt om haar_! Dat +het om Saartje zijn zou, komt niet in haar op. Ze noemt haar wel: Saar +_heeft Hollandsch gezongen_; Cornelia leest nooit Hollandsch. Foei! + + +NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Charlotte Rien du Tout schrijft aan Dirk +Welgezint, haar oom: ze wil verhuizen, want het tocht zoo bij de Wed. +Sp. Vraagt ook wat zakgeld. + + +ZEVENTIGSTE BRIEF.--Oom Welgezint geeft haar den wind van voren. Ze is +precies zoo'n uil als haar vader: Fransche wind! Hij haalt haar door +en noemt haar lui. + + + + +EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Juffrouw!_ + +Ik heb onlangs eene Vriendin verloren; ze hiet, by gelyk, (zeit onze +Pieternel,) Anna Willis; kent gy haar? Ik vrees neen. Nu, dat zy zo, +weet gy ook, waar ik haar weer kan vinden? Ei lieve, wys my den weg, +want ik verlang de kennis te hernieuwen; 't was toch, waarde Juffrouw, +een in velen opzichte braaf mensch: wy hebben een klein verschilletje +gehad, en, zo al pratent en weer pratent, heb ik haar onder weg +verloren. Ik wil zeggen, dat ik niet twyffel, of ik zal haar wel weer +vinden. Het Orloge onzer vriendschap staat maar wat stil, doch de eene +of andere heusche vriend zal het wel weer opwinden, en dan zal het +weer zo fix wyzen, en zo krek lopen als immer. Ik schryf u des maar in +voorraad. Ik zou zelf besluiten kunnen om u deezen te zenden, zo gy my +alleen beledigt hadt. Maar, dewyl de waarde vrouw, die men niet kan +kennen zonder haar hoog te achten, door u zo verkeert behandelt is, en +gy daar voor geen vergoeding aan my doet, zal ik alles opzamelen wat +ik schryf, even of ik u per post schreef. Zo dra gy my zegt: "Ik heb +Juffrouw Buigzaam beledigt; 't is my leed; ik heb slegt gedaan:" is al +myn geschryf, nevens myn vriendschap, weer tot uwen dienst. + +Dewyl ik aan myne eenvoudige oprechtheid wil vast houden, zal ik u +weer alles wat er omgaat schryven; en daar uit zult gy kunnen zien, +dat ik zeer gaarn met uwe meerderheid van verstand myn voordeel doen +wil, indien gy u in den styl uwer lieve Moeder, en met wat minder +airs, my die gunst aanbieden wilt. + +Volgens afspraak gingen Letje en ik, op den bepaalden dag, de taffen +zien. De drie Desmoiselles dronken thee, en wy gevolglyk ook. Onder +het thee-drinken kwamen er twee Heren in, om zyden kousen en een +hairzak. Alle welgekleedde mannen spreken een taal, als zy de _eer +hebben_ tegen jonge Dames te spreken: zo als gy weet, Naatje. + +Zy zogten koussen uit, en wy taffen stalen. Gy begrypt wel, dat zy +onzen smaak _admireerden_? Nu dan, zy gingen beide zitten. De oudste +Juffrouw vroeg naar de _Historie der Beide Indien door Raynal_; (in +'t Fransch begrypt gy,) de Heer R. noemde het _un Chef d'Oeuvre_. Zy +spraken vervolgens over eenige _Pieces volantes _, die daaglyks +uitkomen: en zyn vriend gaf haar _le Bibliotheque des Arts_ over; naar +gewoonte, zeide hy. De heer R. sprak, dagt my, zeer wel, ofschoon hy +veel sprak; en dan is dit al een heel kunstje; niet waar? Hy sprak met +_extase_ van de dichters Pope, Thomson en Akenside; en met geene +onbevallige houding zeide hy: _Oui, ma chere Marianne_: + + _Virtue alone is Happines below_. + +Ons discours duurde wel een uur, denk ik; want ik had ook nu en dan +een woordje ingebragt, dat met attentie gehoort, en met lof +toegejuicht wierdt; zoo als dat van zelf spreekt, Naatje. De +Desmoiselles zeiden my: "Dat deeze Heren zeer ryke, zeer fatsoenlyke +lieden waren, en dat de Heer R. geparenteert was aan onze eerste +familien. Hy hadt _une superbe Bibliotheque_, en zou ons graag dezelve +heel en al ten gebruike geven; ook dat hy aan eene der Juffrouwen +gevraagt hadt, waar ik woonde; en gezegt, dat hy de vryheid zoude +nemen, om de _Essay on men_[1], in vierderleie talen by een gedrukt, +te brengen, wyl hy gemerkt hadt, dat ik die wel eens zoude willen +zien." + +t'Huis komende, verhaalde ik ons avontuurtje aan Juffrouw Buigzaam, en +liet haar de stalen zien, die ik by my had. Juffrouw Hartog zette een +vieze tronie, en vondt de taffen zeer _commun_. "Zo, zei ik, en de +Heer R. heeft die zeer fraai gevonden." "Kent gy den Heer R., Juffrouw +Burgerhart?" "Zo als gy hoort, Juffrouw Hartog." Zy wierdt vriendelyker. +"Kent gy dien Heer? vroeg de Weduwe. "Ja, Mejuffrouw, by reputatie. +"Hy is een man van geboorte, _un homme du Ton peutetre; mais un homme +d'Esprit_. + +Rien du Tout was uit; Hartog ging uit, en wy hadden het huis vry. Nu, +zeide ik, zullen wy eens een recht lief stil stichtelyk avondje +hebben; en dribbelde, met een half menuet pasje, de tafel om. Wy +verzogten de waarde vrouw, om voor ons wat te lezen, en kregen ons +naaijen. o Naatje, nooit heb ik zulk lezen gehoort, en zulk een lieve +stem is er niet! zy voldeedt aan ons verzoek, en las een Boekje: "de +vrolykheid van een Godsdienstig leven;" dat gy zeker kent? De avond +vloog om. Hoe gelukkig waren wy! Halfnegen kwam onze Lotje thuis, ging +zich deshabillieeren, en in de kamer gezeten zynde, vermaakte zy zich +met Jillis, onze kat. De tafel hadt reeds drie kwartier gedekt +gestaan, toen de Scavante binnen tradt; zy haastte zich, was minzaam, +spraakzaam zelf. Wy zagen wel, dat zy wat verlegen was; zy wist wel, +dat zy nog wat te goed hadt; maar ik beschuldig nooit iemand die zich +zelf beschuldigt; en de lieve goedaartige vrouw maakte geene remarques. + +Toen wy reeds yder in ons pavillioentje lagen, hadden Letje en ik het +nog zeer druk over het geen er gelezen was: ik zie duidelyk, dat Letje +verstand en smaak heeft; maar 't is een verwaarloost verstand, en een +nog ongeoeffende smaak: zo vergenoegt als Engelen sliepen wy in. + +Morgen zal ik deezen vervolgen, zo er iets, my betreffende, voorvalt. +Gy weet, ik leg alles by elkander, tot dat ik mijne Vriendin Willis +vinde. + + * * * * * + +Dees dag is stil en eenzelvig voor uwe Pupil afgelopen; en ik ben maar +wat aan 't haspelen geweest, om dat Letje in 't naauw was. 't Geval is +zeer verre uitziende:--zy heeft, deezen middag, het Bierglas van +Juffrouw Hartog gebroken. Hare _veel Waereld_[2] bewaarde Letje niet +voor haar misnoegen; en, dat nog erger is! ons niet voor het aanhoren +eener (geloof ik althans,) geleerde Oratie over de fraaiheid en +byzonderheid van dit glas: "'t welk zy van Lord Muffle, toen die hier +in 't land was, gekregen had; 't was naar de regels der Geometrie +gemaakt, enz. enz., en zy hadt liever, dat Juffrouw Letje haar +grootsten Spiegel gebroken hadt, dan dat Glas." "En ik niet, zeide +Lotje, want dat beduidt een dooije." Dit deedt my lachen. Letje +verzogt excuus; Juffrouw Buigzaam gaf aan Frits last, om even zo een +Bierglas te kopen; en Juffrouw Hartog hieldt hare opgelapte +meerderheid. + + * * * * * + +Al Weer een dagje! wel Naatje, en nog al geen Brief van u. 't Zal by +my altemaal verwilderen, 't Hek is van den dam; de Schapen lopen in 't +koorn. Wat nieuws. De Heer R. heeft hier aan huis geweest, en bragt my +het Boek, waarvan ik u gemelt hebbe. Hy zat een uur by ons. Hy sprak +meest met de waarde Vrouw. Waarlyk, 't is een schoon welgemaakt man. +Ik geloof, dat hy veel geest heeft. Het gesprek ging over de _Algemene +Liefdadigheid_, by gelegenheid dat men eenen drenkeling voorby bragt, +die gelukkig geret was. Hy merkte aan: "dat, ofschoon onze deugd niets +kan verdienen, zy echter altoos iets voortreflyks blyft; en dat hy het +met de oude Romeinen hier in eens was: _het is veel schoner een Burger +te behouden, dan honderd Vyanden te doden_." + +Juffrouw Buigzaam was wel voldaan over zyne redenen. Ik plaag Letje +gruwlyk met hem, want hy schynt voor haar zeer veel attentie te +hebben; schoon hy my zyne Bibliotheek heeft aangeboden, nevens eene +keurlyk geschreven Catalogus, om te zien, wat my zoude aanstaan. Nu, +dat vind ik wel heel lief, en zal er ook myn gebruik van maken: "Zo +dra ik meer lichts omtrent dit Luchtverschynzel, 't welk nu aan onzen +Huisselyken horisont opdaagt, hebbe, zal ik u daar meer van zeggen." +Zie daar, zo zoude Juffrouw Hartog spreken. + + * * * * * + +Nog geen Brief van Rotterdam! Geduld--Maar ik moet evenwel nu zeggen, +dat gy uwe Voogdyschap slorzig laat leggen. En ik, arme ziel! kryg +onderwyl vryers als zand. 't Is of heel Amsterdam weet, dat gy my +mondig verklaart hebt. Hebt gy dan met myne Tante overleit, om my, zo +maar kort en goed, aan den Satan overtegeven? Niet dat die hier ook al +geweest is; was dit zo, Rien du Tout zou my dat wel gezegt hebben; zy +is, zegt zy, "met een Helm geboren, en kan kwaad "zien". Nu, dat +kunnen er wel meer, en ook al daar het niet is; ook Naatje? Foei, dat +gy my zo in den pekel laat zitten! Daar heb je dan voor eerst myn +kostelyke vriend Cobus; ja, die eerst komt die eerst maalt: daar heb +je dan myn allerliefste Willem, uw Broeder; daar heb je dan de Heer +R., die my een Boek brengt; ende ten vierden, daar heb je dan de zeer +ernstige, zeer stemmige, zeer verstandige Heer Edeling. Ik heb wel +geen haast om te trouwen; doch als ik nu maar wist, welk man ik moest +kiezen, als my die haast eens overviel: dat is het maar. + + * * * * * + +Nog geen _Peccavi_![3] en de dag is om. Lees ten slotte dit volgende. +Letje kwam by my. De arme Lot, zei ze, is bedroeft; en ik geloof ook, +ergens om verlegen. + +_Ik_. Dat spyt my, waar is zy? Laten wy zien, wat er scheelt. Wat +scheelt u, Juffrouw Lotje? + +_Zy_. Wel dat geloof ik ook; myn Oom Dirk is zo boos op my, om dat ik +hem iets verzogt heb; en, dat nu nog erger is, ik moet myn Kapper +betalen, en ik heb geen gulden aan geld. [_Zy schreidde als een +meisje_.] + +_Ik_. Is 't anders niet? kan ik u helpen met twee ducaten, ze zyn wel +zeer tot je dienst; kom, wees maar vrolyk: uw Oom zal 't zo niet +gemeent hebben. [_Ik gaf haar de ducaten: maar zo dankbaar als dat +mensch was_!] + +_Zy_. Ik beloof u, uw geld in de volgende week vast te betalen. + +_Ik_. Nu ja, dat's wel. + +De sloof zat te breijen zonder opkyken, aan een witte garen +kinderkousje: "dat's een veeg teken," zei Letje, tegen my. Arme meid! +'t Is waaragtig een groot kind. Ik hoop, dat ik haar toch nog zal +leren spelden[4], en wat schryven, want het eerste is elendig, immers +als zy een opschrift leest, en haar Waschbrief is een Lyst van +Toverkarakters. + + S B. + + +Noten: + +[1] Pope 1688--1744. +[2] Kennis van de "Groote Wereld". +[3] Schuldbekenning--van Anne n.l. +[4] Spellen. + + + + +TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verhaalt Anna van een bezoek van +Edeling, die in gesprek is geraakt met Corn. Hartog over: _De +Genoegzaamheid der Deugd_; de opinies loopen uiteen en Sara +critiseert; zij is 't eens met Edeling. + + +DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verzoekt tante Hofland haar mee te +deelen, wanneer ze haar _klavier, guitaar_ en _muziek_ kan laten halen. + + + + +VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Ge-eerde Heer en Voogd!_ + +Al leefde ik honderd jaar, en al deed ik niets in al dien tyd, dan u +myne erkentenis te bewyzen; dan nog zou ik geen tyds genoeg hebben, om +u zo veel daar van te tonen, als myn hart en myn pligt van my vorderen. +Uw edelmoedig geschenk streelt my te meer, om dat my dit verzekert van +de vriendelyke goedkeuring myns gedrags. Ik hoop er zo een gebruik van +te maken, dat ik u ook daar van, zo wel als van de duizend guldens, +behoorlyk rekening zal kunnen doen. + +Ik heb Tante een Briefje gezonden, waar van de Copy hier nevens gaat, +en zy heeft my laten zeggen: "dat zy order van u zelf moet hebben; +doch dat zy nog zo iets met u te verrekenen heeft." Ik had echter zo +heel graag myne Muziek, myn Clavier en Guitar. + +En nu zal ik eens eene nieuwe pen snyden; ik heb er my reeds in myn +deshabillie toe gezet, om uwen dierbaren Brief ordentelyk te +beantwoorden. Kan ook een verstandig tederlievent Vader wel meer +belang nemen in zyn gehoorzaam Kind, dan gy, myn Heer, in my neemt! +maar geen Kind zal ook my in dankbaarheid en leerzaamheid, hoop ik, +overtreffen. + +De Heer Edeling is een uitmuntent Jongman! Nooit verlaat hy ons, of wy +achten hem nog meer, dan de laatste keer dat wy hem zagen. De lieve +Vrouw spreekt van hem, zo als zy zelden spreekt. Maar, myn lieve Heer +Blankaart, zou zo een man, en die zo veel goederen bezit, immer aan my +denken! Neen, zo verwaant ben ik niet. Zo een man moet een Vrouw +hebben, die hem nader komt: nu, dat is zyn zaak. Ik heb geen den +minsten trek om van staat te veranderen. Ik heb nog nooit een man +gezien dan die ik, op zyn allermeest, alleen my ten vriend wenschte. +Wil ik u eens wat zeggen? Daar is de jonge Heer Willis; die heeft my +gezegt, dat hy my bemint. o 't Is zulk een braaf, eerlyk, bevallig +Jongman! ik heb hem ook zo lief, als of hy myn eigen Broer waar; doch +heb hem voor zyne liefde bedankt. o! o! Hy zal wel eene brave vrouw +krygen; want het is een recht lieve goedaartige Jongen: waarom zou ik +hem ophouden, daar ik toch geen zin in hem heb, en niet wil trouwen? + +De Heer R., een zeer fatsoenlyk ryk Heer, van ruim dertig jaar, denk +ik, heeft kennis met my gemaakt, en zyne heerlyke Bibliotheek my ten +gebruike aangeboden, 't Is toch goed, dat alle Heeren geen laffe +Jonkertjes zyn; "maar 't is heel iets zeldzaams, zeit de Weduwe, veel +oordeel en belezenheid by veel beschaaftheid en waereldkennis te +vinden." Zo dat wy mogen van geluk spreken. + +Ik verzeker u, myn waarde Heer, dat ik nooit tegen uwen altoos +redelyken wil trouwen zal; en dat ik, omtrent het XIIIde Geloofsartikel +van vele Dames, eene Ongelovige ben. Niets dunkt my, (en zo dunkt ook +de brave Vrouw,) geeft uw Sexe zo veel stof in de hand, om de onze met +bespotting te beschouwen, dan het beleven deezes XIIIden Artikels. Een +gek kan ik dulden, een Pedant verdragen, een Petitmaitre lyden; maar, +op een Lichtmis zie ik met schrik en versmading! Hy is de Natuurlyke +Vyand myner Sexe: Niet meer van zo een lelyk afbeeldzel des Duivels. +Wie is boven alle zwakheden? Ik ben 't niet! Maar dat ik my ooit zoude +straffen, met een Lichtmis voor myn man te nemen; veraecht my, zo ik er +toe in staat ben! + +Neen, myn Heer! ik zal uw vroom gemoed nooit bedroeven! Kan ik +ondankbaar zyn? Om u, wat er ooit gebeure, te kunnen bedriegen, zoude +ik zelf eerst moeten bedrogen worden; en wie zou toch, in de wyde +waereld, daar belang in stellen! Ik sta niemand in 't licht; ik kwel +niemand; ik wil zo graag allen zo wel doen, als in myn vermogen is. +Ik begeer niets dan uwe Vaderlyke gunst te behouden, by deze dierbare +Vrouw myn dagen te slyten, en zo al de eene zotheid voor, en de andere +malligheid na wat af te wennen. De waarde Dame groet u met de hoogste +achting, en ik ben + + Uwe liefhebbende Pupil, + + SARA BURGERHART. + +PS. Ik hoor, dat Tante zal trouwen met een Heer die er veel in zyn Japon +komt; die Heer ken ik; o my! o my! 't Is toch grappig ook. + + + + +VIJF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt Cornelis wat hij +zooal gedaan heeft; Sara is een engel! Hij zendt hem Blankaarts +antwoord. Maar vader Edeling blijft koppig--geen "_Noach's ark van +gelooven in zijn huis_! Nooit! + + +ZES EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling schrijft aan Blankaart; van +dat huwelijk kan niets komen. Hendrik is _Luthersch_, zij niet. +Afgeloopen. + + + + +ZEVEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. + + +_Mejuffrouw!_ + +Wel, hoe hebben wy het toch met elkaer? ryd je de witkwast, of maalt +je de geest? Denk jy, dat ik zo maar op een dag heen en weer zo eens +over kan komen, om u te zeggen, dat gy Juffrouw Saartje haar Linnen en +Muziek zendt? Was het Briefje niet zo beleeft, als er een in heel +Amsterdam te vinden is? Wie hagel hoort er van? 't Is immers het kind +zyn eigen goed. De Guitar heb ik haar zelf uit Londen meegebragt, toen +zy, tien jaar was; hy kost my verscheide Guinees; maar hy is ook al +wat je horen kunt, zeg ik je. Wat doe je toch met haar Clavier; speelt +Bregt met haar styve dikke stompen er somtyds eens een deuntje op, als +zy dronken is; en dans jy dan met Broer smulpaap, als er zo een klein +verheugingje is? Wat praat gy toch van nog wat te rekenen of te +verrekenen: zwyg er maar dood stil van, of ik zal u anders spreken. +Weet je wat je krygen zult? Net twee nieten in een bodemloos mantje; +en Bregt om een oortje raakwat, voor een vervalletje: Broer kan zo +veel knokkel oly krygen als hy t'huis kan brengen: Dan zult gy wel +_voldaan_ willen tekenen? Wat zegt gy nu van Abraham Blankaart? + +Maar wat hoor ik, Zanneke, ga je trouwen met een Heer, die alle daag +in zyn Japon by u komt? Ik kan wel denken, wie of er op u smoel +heeft[1]; wie anders dan de Broeder? Nu geluk, er is maar een paar +bedorven. Evenwel, als ik zo alle ouwe dingen overdenk, dan beklaag ik +u toch. Wy hebben immers menigmaal eens een pretje gehad, en je hoorde +my toen zo graag zingen van: "Toen onze Pau in 't Leger kwam." +Waaragtig, Zanne, de Fynen lopen op uw zak, meid! ze zullen je zo arm +maken als een Mier. De duivelsche gierigheid heeft u gefopt, en de +kweeslary zand in de oogen gestrooit. Neem dan dien Drasboek niet; ik +zal wel een ander opschommelen, als ik in de stad kom. Nu hebt gy +order van my, om Saartjes goed te zenden. Ik blyve + + _UWEd. Dienaar _, + + ABRAHAM BLANKAART, + + + +Noot: + +[1] Zin in je heeft. + + + + +ACHT EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Blankaart: Sara en +Hendrik houden haar beiden op de hoogte. Ze deelt hem nu uitvoerig een +gesprek mee over het _Buitenleven_. Sara vindt zich daar te jong voor, +Hendrik verlangt er naar. Saartje knoopt manchetten voor Blankaart; +deze moet zich van den domme houden! + + + + +NEGEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER JAN EDELING. + + +_Heer en Vriend!_ + +In antwoord op uwen, Amst. den ... passato, dient: Ik ben nu maar, die +ik maar ben, een niets beduident oud Vryer, en dat's het al; doch ik +wil je zweren, dat wy niet meer in Geloof dan in humeur verschillen. +Zie daar, ik heb het altoos zo druk en volhandig gehad, dat het +trouwen er is ingetrokken[1], maar selderdemostert, was ik Vader over +een half douzyn jongens en meisjes, wel dan zou ik myn geluk niet +kunnen overzien, als ik daar zo al die kabouters hoorde snappen, en +rabbelen; of Abraham Blankaart ook mee zou doen! En als zy dan zo +verre heen waren, dat zy op 't geen ik zeide aanmerkingen konden +maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te brengen; +wel, dan zou ik God harlyk danken, om dat ik zulke snelle[2] kinderen +had; zo als billyk is. Begrepen zy in 't vervolg eens iet beter dan +ik; bestig, zou ik zeggen, en doen het zo. + +Daar heb je nu myn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet veel +meer van de Waereld en van de Schrift als ik, en ik ben dertig jaar +ouder. Voor ik naar Vrankryk ging, zei ik: Kind, lees je jou Gebed +'s avonds wel stipt uit Mell? "Myn Heer, zei ze, ik bid uit myn eigen +hart; ik weet immers beter, wat ik nu nodig heb, dan Mell voor vyftig +jaar dat raden kon?" Wat denkt gy, dat ik toen zei? je zult, by dit en +dat, jou Gebed uit Mell lezen, om dat ik het doe? Mis mantje! ik zei, +dat's waar meisje, je heb groot gelyk; en anders zou zy denken, dat ik +haar vyand en niet haar welmenentste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gy +hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op +myn woord, je hebt mis. + +God de Heer geeft ons, zyne kinderen, wel reden van zyne bevelen: "doe +dat, op dat het u welga," staat er dat niet in den Bybel? En zullen wy +nu zo misselyk[3] en zo boos zyn, dat wy onze kinderen, in plaats van +brood, slangen en schorpioenen in den mond proppen? Hadt, by gelykenis, +Luters Vader eens gaan zeggen: "Luter, ik versta niet, dat je Luters +wordt, jy zult Paaps blyven, want wy zyn van 't begin van de waereld af +allemaal Paaps geweest; en zo jy 't in den kop krygt, om van ons oud +geloof aftegaan, zullen wy eens wat anders by de hand vatten." En was +Luters Vader evenwel zo wel de Vader van Luter niet, als Jan Edeling +Vader is van zynen Zoon Hendrik; en waar was dan je hele Geloof gebleven? + +Dat je op je Kerk gestelt bent, eer heeft uw hart; dat's braaf! maar +hier, ik, zei de gek, ben ook op myn Kerk gestelt, en myn hart het ook +eer, zou ik denken. Wel zie, wy verschillen zo weinig in geloofsgronden, +wil ik spreken, dat het niet de pyne waart is, om er zo over aantegaan. +En waarom zouden onze jonge lui niet met malkander te Kerk kunnen gaan? +Hebben wy niet een Heer, een doop? Maar wat hagel hebben wy Leken met +hunne disputen en tandtrekken te doen? Zo dat tegen het Huwelyk heb ik +niet, indien er geen andre dan deeze geloofsverschillen mede gemoeit zyn. +Dat gy van 't Luters geloof zyt, is goed voor u; dat ik op zyn +Gereformeerts geloof, is ook goed voor my. Maar elk zyn vryheid: Gy zyt +immers geen Paus, al ben je Vader? Je kunt immers mis hebben? Of zyt gy +onfeilbaar? Hoe zit het? + +Kom aan, daar heb je nu Paulus, de Apostel Paulus, daar gy zo wel aan +gelooft als ik. Wel, die dagt mede al, dat hy 't byster wel hadt; en +dat onze lieve Heer magtig met zynen yver gedient was, dagt hy het +niet? Hoe! de man zeit het zelf; hoe kun je 't nader hebben? dat hy +daar zo liep razen en tieren door Damascus; en wat wil het geval? +Hy hadt het wel net mis! en de brave man heeft er altoos berouw van +gehad, toen hy beter wist. Ik heb voor dertig jaar myn Belydenis +gedaan, by onzen vromen _van der Vorm_, en ik hoop in dat geloof te +sterven; doch als ik eens mogt zien, dat andere Kristenen nader by +Gods woord blyven, fiat! dan moet ik dit licht volgen, en dat zou ik +ook gerust doen; want ik ben een eerlyk man. + +Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik het Huwlyk om die reden niet kan +afkeuren. Je moest nu evenwel je niet gaan zitten inbeelden, dat ik +met het kind zo goedkoop ben: alheel niet! maar uw Zoon is zulk een +braaf man, daar wil ik maar op komen. Neen, daar heeft zy Goddank te +veel gelds toe, en is zy van te braven familie, en 't is een mooije +Brunet ook, en ze speelt maar capitaal. Sara Burgerhart moet een zo +braaf man hebben als uw Hendrik, en zyne Ouders moeten haar met +achting en liefde in hunne familie nodigen. + +Nu, nu, 't zou geen onaartig klugtje wezen, met een Papa die zei: "zo +zal 't wezen, Dochter, want ik versta het zo." Neen man! myn Pupil is +een redelyk schepzel, en zo wil ik, dat zy zal behandelt worden. Daar +hadt men dan 't gooijen in de glazen met Papa Edeling, en myn arme +kind was aan de Joden overgelevert. Ik bedank je hartelyk, hoor. Zie +daar is myn antwoord. Ik blyve + + + Uw Dienstwillige Dienaar, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Bij ingeschoten. +[2] Vlugge. +[3] Onhebbelijk. + + + + +TACHTIGSTE BRIEF.--Sara blijft aan Anna schrijven, al zwijgt deze. +Sara blijft Sara; Jacob Brunier blijft vrijen zonder hoop; hij is +jaloersch op Edeling. Maar ... Sara _zelf voelt alleen voor zekeren +R_. Met hem gaat ze veel uit: hij is zoo knap, voornaam, ontwikkeld. +Wat zoekt die R? Haar? Maar zij wil nog geen man. Ze wil Anna dwingen +tot antwoorden en toont zich plaagziek grootmoedig. + + +EEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Hij heeft met Sara +gewandeld! Zij heeft hem niet af-, zelfs niet teruggewezen, maar _ook +niet beslist hoop gegeven_. Zij zegt niemand lief te hebben, maar wil +nog niet trouwen! Hij heeft moed. + + +TWEE EN TACHTIGSTE BRIEF.--Zuzanna aan Cornelia Slimpslamp. Zuzanna +zit in de war, want de vrome Stijntje Doorzicht heeft haar de les +gelezen, ook broeder Benjamin gelaakt. Wat moet ze nu? En Sara vraagt +haar goedje. Ach! + + +DRIE EN TACHTIGSTE BRIEF. Sara aan Anna: ze heeft een prettig avondje +gehad. Er is mooi gezongen. Hendrik _was er ook_; hij speelt mooi bas. +Cornelia Hartog _was opgewonden_! Alette Brunier was allerliefst; _net +een vrouw voor_ Willem! En Hendrik?... _net een man voor_ Spilgoed. +Zij is wat ouder, nu ja! + + +VIER EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier logeert op _Bosch en +Veldzicht_ en mist Sara. Ze heeft met genoegen Sara hooren spreken +over Edeling; ze verdienen elkaar! Sara wordt ook eens op 't buiten +verwacht. + + +VIJF EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta schrijft ook aan Spilgoed, zendt +haar vruchten. Ook zij wordt eens verwacht, met Sara. + + +ZES EN TACHTIGSTE BRIEF.--Eindelijk antwoordt Anna Willis: _zij bekent +schuld_; de Wed. Spilgoed verdient achting!--Ze wil weer vriendin zijn +met Sara! Een Geldersche dame heeft haar beter ingelicht: die dame +zal ook Sara bezoeken. + + +ZEVEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bedankt Aletta en haar +gastvrouw voor de vruchten. Sara verlangt naar Aletta, dus ze moet +maar gauw komen. + + + + +ACHT EN TACHTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER. + + +_Chere Letje!_ + +Wel kind, wat heb je me daar evenwel een lief en verstandig Briefje +geschreven! Kan ik het niet nog meer pryzen? want, al den lof, dien +ik u geef als eene puntige schryfster, kryg ik _immers_ met intrest +te rug? Van my hebt gy _immers_ alles geleert; zeide gy zo niet, +Hartje lief? + +Belieft myne Letje nu wel eens geheel aandagt, ja maar ook geheel +onderworpen te zyn? Och, ik heb myn woord gegeven! Zulk een aandrang +kon myn arm zwak hart niet weerstaan! Gy weet, wat ik u geconfideert +heb? Gy kent myne achting voor den Heer Edeling. Gy weet, (of mooglyk +weet gy 't niet; _want weet ik juist zo de geheime historie van uw +hart_!) dat achting natuurlyker wyze in vriendschap, en vriendschap +heel gemaklyk in liefde kan overgaan? Hier uit zult gy kunnen opmaken, +dat het my onmooglyk was, onze Lotje een verzoekje te weigeren. "Daar +heb ik u schoon beet," zeit myn Voogd; en dan lacht de goede man, dat +hy schatert: Nu iets ernstigers! + +Gister voormiddag ging myne aangenomen Dochter[1] met de kousjes, die +ik onze Klaartje had laten wasschen en opstryken, naar Oom Dirk. +'s Middags niet te huis; dat's een goed teken, zei ik. Ten zeven uuren +werdt de sloof met een sleedje t'huis gebragt: zy kwam blymoedig de +zaal op. Naauwelyks hadt zy ons gegroet, of aan 't uithalen van haar +zakken. Oud en nieuw kwam te voorschyn: Chocolaadjes, Ulefeltjes, +Banket, twee grote kluwens fyne wol, om voor Oom koussen te breyen, +een pakje wol, dikke breinaalden, een doosje met wissewasjes. Zy +presenteerde ons van de snoepery: wy namen elk een Chocolaadje, maar +de Scavante bedankte met een hele viese tronie: "Ik proef nooit zulk +goed." Lotje was zo raar, en hadt zulke klugtige zetten, dat Hartog +zelf lachen moest. + +Waarlyk, Lief, ik geloof dat zy meer is uitgebluscht, of overdrommelt, +dan wel dat zy van de Natuur zo geheel misdeelt is. Ziet gy wel, dat +ik veel edelmoediger ben, dan de meeste Doctoren, die de ziektens +hunner Lyders vergroten, om des te meer wonderen in het herstellen aan +den dag te brengen? Och, zo dra zy myne Patiente geworden is, heb ik +gezien, dat zy minder ver verzeilt was, dan ik gevreest had. Zy +verhaalde ons, dat zy uitnement vriendlyk was ontfangen; en dat zy de +vryheid had, om een taffen Sak te kopen, doch dat zy eene der +Juffrouwen zou verzoeken, om met haar te gaan. Zy hadt ook haar +speldegeld, en nog twee ducaten extra gekregen; nu vroeg zy my, of ik +de taf wilde kopen? dat ik met een, gaarn lieve Lotje, beantwoordde. +Toen zy met my, (want zy slaapt nu in myn Pavillioen, en ik slaap in +het uwe, tot gy weer t'huis zyt,) boven was, gaf zy my de twee +ducaten, die zy geleent hadt; ik nam die ook, doch alleen om haar eens +weer te helpen, want ik vrees, dat de duiten spoedig zullen wandelen. +Kon ik haar dat ook beduiden! Nu, alles met den tyd; ik moet niet te +veel gelyk doen. Myn Compliment aan Mevrouw uwe Tante. Hou uw Neef +maar; ik weet met al myn Vryers haast geen weg meer; voor al kom +spoedig by + + _Uwe tederliefhebbende_ + + BURGERHART. + + +Noot: + +[1] Lotje Rien du Tout, (spottend). + + + + +NEGEN EN TACHTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Willis!_ + +Victorie! Victorie! myne Vriendin is te regt. Ik heb haar weergevonden! +Frits, loop, draaf, vlieg met dit Paket ten eersten naar den Post: +--zo zal ik binnen weinig oogenblikken zeggen; Want ik sta zo met myn +handschoenen al aan, om met Lotje uittelopen. Kortjes dan. Lees de +nevensgaande een, twee, drie, vier Brieven, en oordeel, of ik misnoegt +op u ben; dit alleen nog: de waarde Dame weet niets, haar betreffende. +Ergo, zwygen is 't woord. Met ons zal 't wel schikken: hoe zeit Vader +Kats? + + _Alschoon goe Vrienden kyven_, + _Zy zullen Vrienden blyven_. + +Adieu, lieve Willis! Omhels uwe dierbare Moeder voor my, groet myn +Wimpje, en weet, dat gy geacht en bemint wordt door + + + SARA BURGERHART. + + + + + +NEGENTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER. + + +_Chere Letje!_ + +Hoe vaart gy, myne Liefde? Hoe diverteert gy u? Denkt gy wel eens aan +uwe Vriendin? Terwyl gy my deeze drie, diepen-aandagt eischende vragen, +op uw gemak oplost, of beantwoordt, zal ik, _pour passer le temps_, u +dit volgende schryven. "Dit volgende, zegt gy, wat "volgende?"--Bemoei +u met de oplossing uwer eige vragen (of myner vragen aan u, zo ge wilt,) +ik blief van u, Mejuffrouw, zo niet _ge-Harlogt_ te worden; en, in alle +geval, gy zult het, dit volgende, immers aanstonds lezen? + +Wel, 't is of Heintje Pik, niet Heintje Edeling, dat is nog zo ver +niet--Heintje, neen, deftig, zo als de hele man zelf is, myn Heer +Edeling--of Heintje er mee speelt; want geen half quartier uurs was +ik, met myne Dochter Lotje, by de Desmoisselles geweest, om een Sak +voor haar te kopen, of de Heer R. kwam in. _Mon homme_ was opgetogen +over deeze _heureuse rencontre_! Hy praat, weet gy, aangenaam genoeg; +en hy vroeg spoedig naar _mon Amie_, die hy noemde, _une charmante +Dame_. Dat's voor uw rekening, Letje. + +Vriendelyke verzoeken, om, zo ik niets verzuimde, nog wat te vertoeven, +aanhouding van myne Dochter, om nog wat te blyven, wyl zy zich niet +kon verzadigen in het kyken en gluren naar kistjes en doosjes, en +kassen, vol heerlyke Beuzelingen: alles werdt bekeken, geadmireert; met +een woord, verbeeldt u een klein meisje, dat met Moeder voor 't eerst +eens voor een poppenkraam, of daar men speelgoed verkoopt, gebragt wordt; +dat zyn oogjes wyd open doet, beide de vuistjes uitsteekt, en roept en +kraait, en hippelt, en alles wil hebben; dan hebt gy een natuurlyk +afbeeldzel van Lotje. De Heer R. deedt haar een fraaije snuifdoos +present: ik excuseerde my, met te zeggen: "dat ik niet snoof, en nimmer +presenten aannam." Lotje is somwylen nog slim ook; zy hieldt zich, als +of zy dit laatste niet hoorde; en nu is zy zo wys met die doos, dat het +zo niet te zeggen is. Alle oogenblikken wordt hy uit het papier genomen, +bekeken, met een slip van een zakdoek gevreven, en, met de beminlykste +vergenoeging op haar goedaartig grof gelaat, beschouwt! Het spyt my, dat +Oom Dirks koussen nog niet verder zyn dan het boortje: nu, 't zal wel wat +bedaren, en anders moet ik er my mee moeijen. + +Wy dronken Thee: de Heer R. en de Desmoiselles spraken van zeker Boek +van _Bitanbe_, genaamt _Jozef_, als van een der fraaiste werken, die +onlangs in 't licht gekomen waren. Hy haalde er eenige treffende +passages van aan. Dit wekte myne nieuwsgierigheid op, om het te zien: +Ik schreef de titel, om het, zo rasch ik t'huis kwam, te laten halen. +Hy merkte dit, en haalde een, in marrokein gebonden, Exemplaar, uit +zyn zak, dat hy my presenteerde: hy hadt het zo van den Binder in +passant meegenomen. Ik vond dit wel beleeft, en oordeelde, dat het +zeer gemaakt in my zyn zoude, iets aftewyzen, waar naar ik verlangde, +en dat my zo heusch gepresenteert werdt. Ik boog en zei, dat ik het +met veel vermaak zoude lezen. Hierop stak hy het in zyn zak, zeggende: +"ik zal de eer hebben om de Dames t'huis te brengen, en dan het Boek +overgeven." Liefst had ik dit niet; maar, dewyl ik geen reden daar van +kon geven, moest ik dit zo laten doorgaan. + +Hy bragt ons t'huis, niet langs den kortsten weg: wy ontmoetten den +deftigen Edeling, die ons beleeft groette, en, horende, dat wy naar +huis gingen, ons derwaards verzelde. Zo kwamen wy dan daar aan, en +traden in de zydkamer, alwaar onze waarde Vriendin met Juffrouw Hartog +alleen zat. De laatste las, de eerste naaide, en ik geloof, dat er +niet veel woorden gewisselt waren. Hartog scheen zeer bekent met den +Heer R.; er was eene drukte nog eens zo! allemaal over onze eerste +lui, onze _Patricii_; (verstaat gy dit woord, Letje? anders zal ik het +wel eens uitleggen;) over de laatste Assemblee; over een gevalletje +aan de speeltafel met de Gravin X.; over les Belles Lettres; over +Voltaire, d'Alembert, des Clairauts, en nog wie weet waar al meer van. + +De Heer Edeling sprak nu en dan ook een woord, doch de Scavante hadt +er geen attentie voor; en de Heer R. was te beschaaft, om haar +voorbeeld niet te volgen: hy hadt het des met haar heel druk. Onderwyl +verhaalde ik stilletjes aan onze lieve Mama, dat R. zo een fraai Boek +voor ons meegebragt hadt; haar hetzelve noemende. "Ik wou, zei ik, dat +die babbelparty ophieldt, en dat ik het Boek maar had: 't is zo fraai! +Kom, zei Lotje, ik zal je wel helpen: ik heb dat Boek ook van Josep; +'t is heel mooi, en ik lees er veel in, als ik naar bed ga." (Hier +volgt de dialoge; ik agter de stoel van de waarde vrouw, wat over haar +heen ziende, Lotje tegen de Commode staande. Edeling zei, dat wy een +fraai groupje maakten; en kon zyn oogen, schynt het, nergens anders +werk geven.) + +_Ik_. Wat zegt gy, Lotje, hebt gy dat boek? en hebt gy er ons niets +van gezegt? foei, dat's geniepig. + +_Lotje_. Ik dagt, dat het oud vuil was by de Juffrouwen; want ik heb +het al wat[1] gehad; och Heer, anders was 't wel tot uw dienst. + +[_Juffrouw Buigzaam en ik keeken elkander aan, of wy zeggen wilden: +hoe! heeft Lotje dat Boek van Bitaube_?"] + +_Juffrouw Buigzaam_. En wie is de Auteur, Juffrouw Lotje? + +_Lotje_. Ja, dat weet ik niet; maar het is wel het zelfde Boek van +Josep, en het is heel mooi; maar ik word nooit gelooft, en daarom zwyg +ik dikwyls. + +_Ik_. Lieve Lotje, ik bid u, haal het Boek, op dat Juffrouw Buigzaam +het aanstonds zie. En nu geef ik u, myn lieve Letje, eens in ernstig +en gemoedelyk overwegen, met welk een Boek het goeje schaap afkwam! +Doch, al hadt gy al de wysheid der Egiptische Tovenaren, die van de +Endorsche[2] Kol, die van Lodippe[3], [ons door Vader Kats zoo aartig +beschreven;] ja al hadt gy de kaart leren leggen by den Drommel op +Marken; al waart gy eene Hartog, in het oplossen van Meet- en +Stelkundige Voorstellen, gy zoudt het nog niet raden; hoor dan den +titel: "_Josephs_ Drouv, end Bli eindend Spel, niet min stichtelick, +als droev en vermakelick, om te lezen: in dry bisondere spelen vervat, +door _A.C. Crous_. Gedrukt te Groningen, 1721." NB. Op den regel: + + _All schoon de Nijd met Pylen schiet_, + _God 't all ten best te schikken wiet_. + +Het eerste _Diel_ heeft zesentwintig Personen en vyf Choren: met dit +a gouverno: [_men kan het Toneel plaatsen waar men wil, vermits men +doorgaans geen vaste plaats heeft_.] Het Boek zelf is gedrukt met +eenen zwarten, stichtelyken, regtzinnigen Predikatie-Letter. + +Wy zagen elkander aan, doch zwegen om het ander gezelschap. Onderwyl +viel myn oog op een passage, daar Josep Fransch spreekt, zeggende: +_Bonjour, Mevrouw Potifars_; en op nog een, daar Potifar tegen zynen +Hansworst zegt: _halt mi den smaul_. Toen barste ik in lachen uit, en +de goede Vrouw, die ik dit influisterde, lachte zo hartlyk, als ik nog +nooit hoorde. + +Dit trok den aandagt der overigen; Juffrouw Hartog moest lyden, dat +beide de Heren, schoon zy nog niet wisten waarom, mede lachten. + +_De Heer R_. Een nieuw amusant Werkje, Mevrouw Buigzaam? + +_Juffrouw Buigzaam_. Niet heel nieuw, maar echter ongemeen genoeg; +de _Historie van Josep, door eenen Crous_, dat stout meisje, _op my +wyzende_, heeft altoos wat potzigs. Dit deedt de lieve Vrouw, om Lotje +te sparen; maar het ging Lotjes kroon te na, schynt het; want zy zei +heel deftig: "Pardonneer my! 't Is myn Boek, en Juffrouw Burgerhart +heeft het nooit gezien." Ik gaf het aan Edeling, die wel dra ook +passages vondt, welke hem deden lachen; zo ook de Heer R., die het een +meesterstuk in zyn soort noemde, en een rol heel eigenaartig van _Mus_ +[de Gek van Joseps historie,] oplas. Enfin, Letje, wy bleven zo al +praten van 't een op 't ander; en Saartje gaf het hare in de algemene +Conversatie-uitgift, _comme il faut_. Uw Broer kwam in; bragt een +Brief voor u, en bleef ook zitten. Eindlyk hoorden de Heren, dat Frits +de tafel dekte; zy stonden op, en marsch gingen de Leijonkers[4]. + +Is die Heer R., vroeg ik aan onze Vriendin, niet een beschaaft geestig +man? + +_Juffrouw Buigzaam_. Dat erken ik; maar, myn lieve Saartje hoe komt +het doch, dat hy my niet gevalt? ik begryp dat niet! + +_Ik_. En ik begryp het wel. De Heer Edeling is zo zeer uw gunsteling, +dat er voor geen ander bytekomen is. + +_Juffrouw Buigzaam_. Zou dat wel zo zyn? Waarom vind ik dan Brunier +niet alleen niet minder, maar beter dan voorheen? + +_Ik_. Juist, om dat uw gunsteling hem tot een beter mensch maakt; +'t is zyn werk: ergo! maar zeker, hebt gy iets tegen den Heer R. + +_Juffrouw Buigzaam_. Ja, Saartje lief, ik heb iets tegen dien man; +wat, weet ik zelf niet. + +_Ik_. Zyt gy nu wel rechtvaardig en menschlievent? + +_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt recht om my dit te vragen; want, waarlyk, +myne gewaarwording is zo duister! Ik beken, dat het een opvatting zyn +kan. Hy heeft ook al vry veel met u, aan 't vengster staande, +gesproken, en ook zeer zagt. + +_Ik_. Och, 't gewone praatje: _que vous etes belle! que je vous +adore_! en zo, wat er meer volgt. + +_Juffrouw Buigzaam_. Engel van een Meisje! zie wel toe. Hy is een man +van hoge geboorte, en heeft schatten: Laat hy u niet wat wys maken +[_Ik werd root_.] Gy wordt root, myne Liefde! + +_Ik_. Dat is ook zo; wat kan ik het helpen, dat er zulke knapen zyn, +die ons meisjes wat wysmaken? o, Ik zie dat gy my niet kent! Denkt gy, +dat ik zulke snappers de eer aandoe, om immer in 't geheugen te +houden, wat zy my voorgonzen? + +_Juffrouw Buigzaam_. De Heer Edeling is een geheel ander man, en die +bemint u waarlyk. + +_Ik_. Beide stem ik toe; maar hoe veel achting ik ook heb voor dien +braven man, ik bemin hem niet; ik bemin geen man op de hele Waereld +dan myn Voogd: Nu, hy zal ook fraaije manchetten hebben. + +_Juffrouw Buigzaam_. Wilt gy niet eens ernstig zyn? + +_Ik_. Geheel ernst, geheel aandagt, geheel--al wat gy maar wilt. +(_Ik kuschte hare hand_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy den Heer Edeling afgewezen? + +_Ik_. Wel, niet anders dan ik u gezegt heb: maar, als de man nu op +hoop tegen hoop aan wil boegzeeren, kan ik dat beletten? + +_Juffrouw Buigzaam_. Hebt gy iets tegen den waardigen man? ei lieve, +zeg het my eens! + +_Ik_. Wel, zo veel zelf niet als er op de punt van een pennemes zou +kunnen liggen; maar beminnen? o _point! point_. Ik leef hier al te +gelukkig; ik blyf by u, zo lang ik leef. + +_Juffrouw Buigzaam_. Zal de Heer Edeling u dan ongelukkig maken? + +_Ik_. Niet, ten zy ik het er naar maakte. Hoor, de Heer Edeling is in +myn oogen zulk een agtingwaardig man, dat ik hem eigentlyk niet zou +kunnen of durven beminnen: op myn woord (ik schaam het my ook haast +aan u te zeggen,) ik heb meer eerbied voor hem, dan voor myn +goedaartigen Voogd. + +_Juffrouw Buigzaam_. Hoe is dat mooglyk? Wel, me dunkt, de Heer +Edeling is een recht beminlyk man; zyn ernstig gelaat heldert gedurig +op door een zagten glimlach; en wie, denkt gy, vindt zo veel smaak in +uw vernuft? + +_Ik_. Vlei my niet! Ik ben geen vrouw voor zo een man. Zie, als ik nu +eens getrouwt was, zou ik myn man zo liefhebben, geloof ik, dat ik, +buiten hem te kwellen, en te liefkozen, niet zou kunnen leven; en op +beide zou zo een deftig man weinig gestelt zyn. Hy zou my voor een +dartel wyfje, en ik hem voor een regten Joris steiloor aanzien. o Dat +zou een pret zyn om dol te worden! Neen: Laat hy u nemen, dan zult gy +beide even gelukkig zyn, en laat my, zonder met Cupido in eenig +verschil te raken, myn _Wegje_ (zeit Tante) zoetzappigjes af kuieren. + +_Juffrouw Buigzaam_. Weet gy wat, Liefde? zo ik de jaren van u had, en +de Heer Hendrik beminde my, zo als hy u bemint, geloof my, dat ik hem +nemen zou. + +_Ik_. Gy zoudt niet, dan op eene voorwaarde. + +_Juffrouw Buigzaam_. En welke voorwaarde? + +_Ik_. Dat gy, by myne jaren en zyne liefde, die wysheid bezat, die gy +nu hebt; anders zoudt gy 't niet een zier beter maken, dan ik nu. + +_Juffrouw Buigzaam_. Vindt gy ook meer behagen in den Heer R., genomen +dat hy u insgelyks beminde? + +_Ik_. Dat kan ik ook nog al zo niet zeggen: maar ik heb geen reden, +dunkt my, om met een van beide iets optehebben, om dat ik geen oogmerk +heb om van hunne overtollige beleeftheid immer gebruik te maken. De +Heer R. handelt my met eene achting, en tevens op zulk eene verpligtende +wys, dat ik, ten zy gy er iets wettigs tegen hebt, my ook geengageert +heb, om morgen een nieuw stuk te zien spelen: hy heeft u insgelyks +verzogt, maar ik heb gezegt, dat ik niet geloofde, dat gy mee gaan zoudt. + +_Juffrouw Buigzaam_. Wel, ik weet het niet, zou ik eens van de Party +zyn? ik heb opinie, dat dit stuk schoon is: als ik redelyk wel ben, +zal ik mee gaan. + +_Ik_. O, wat zyt gy eene verpligtende Vriendin! + +_Juffrouw Buigzaam_. Myne liefde voor u doet my veel doen. + +Zeg vry myne _zorg_, viel ik haar in, haar met eerbied omhelzende, en +een kusch gevende. + +Zie daar, Letje lief, dit moest ik u schryven. Nu heb ik geen +oogenblik tyd meer. Ik moet my nog opdrillen; Blondel staat reeds naar +my te wagten, om my te kappen. Duizend groeten van + + Uwe eigene + + SAARTJE. + + +Noten: + +[1] Een poos. +[2] I Sam. XXVIII, 7. +[3] Aspasia en elders. +[4] Begeleiders. + + + + +EEN EN NEGENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER R. AAN DEN HEER G. + + +_Vriend Jan!_ + +Hoe dikwyls, dou lompen Kaerel, zal ik u dan moeten zeggen, dat my +alles verveelt, en gy met uwe weergaze aapenkuren, kwakzalvers +loopjes, en zotte uitnodiging, met een paar onzer Lievertjes, nog wel +het allermeest? Wat kan ik, arme duivel, doen; waarom denken, dan aan +de bevalligste meid, die ooit met een paar schone oogen de halve +waereld in oproer stelde?--Gek, ja, stapel zot ben ik na haar; en ik +moet myn rol van Huichelaar spelen, om haar ooit zo naby te komen, dat +ik haar kan inluisteren: _ik bemin u_. Vrouwen, Vrouwen! Wat staat er +niet voor uwe rekening! Nu, wy zullen afrekenen, myn trotsch Meisje! +dat: "ik snuif niet; ik neem nooit geen presenten aan:" zult gy my +betalen. Dit is de eerste oorvyg, welke myne eigenliefde, die waarlyk +tegen de uwe wel opmag, nog ooit van eene schone hand ontfing. En ben +ik niet een schone vent? Kan ik niet beuzelen met de zottinnetjes? +redeneeren met de wysneusjes? Erger ik ooit een Vrouw, die achting +verdient, door het allerminste dubbelzinnig woord? Sloeg ik ooit taal +uit, die _blozen doet_; (ook maar uit welstaans halve?) Er moet een +eind aan komen: zo leef ik eigenlyk niet. Maar welk een einde? Vraagt +gy dat, Ligtmis? Ik een man van geboorte, van middelen; zy een +Burgermeisje, met een stuiver goed? Gy zyt een driedubbelde Uilskop; +of gy wilt my aan 't praten krygen. Trouwen? Zyt gy dan razent dol? Ik +zal, denk ik, tot zulk een disperaat uiterste nooit komen. _Vryheid is +de prikkel der liefde_: dit weet gy is myne spreuk. Als myne Maitres +zal zy _Sultane Favorite_ zyn; maar myn Wyf! Wel foei! Zie daar, dat +was al reden genoeg, by _un homme de mon gout_, om haar ondraaglyk te +vinden. Trouw gy haar over een maand of vier. Zo lang, dunkt my, zal +ik haar beminnen kunnen, en gy zult myne genietingen nieuw leven +byzetten, door my die dan wat moeilyk te maken. Gy weet wel, "dat een +Ligtmis geen recht heeft op eene eerlyke Vrouw?" + +Nu, gy hebt haar eens gezien; maar ik verdelg u van den aardbodem, zo +gy haar in 't eerste half jaar weer ziet. o Liefde, liefde! maar welk +een deugeniet ik ook omtrent de Vrouwen ben, ik zal myne drift, die +alleen op myn eigen vermaak uitloopt, met uw gewyden naam niet +opkwikken! Zotte vooroordelen! Krassen in de Lei door een bigotten +Praeceptor daar in gekraaut, anders niet. Hoe zeit myne Hartog: _geluk +is deugd_. Wel zie, Jan, was zy zo lelyk niet, ik gaf haar nog de een +of andere keer een kusch voor dit Zedekundig regeltje. Laten wy toch +ons Ongeloof als helden beleven, en den Duivel niet voor niets dienen. + +Nu, myne koets staat gereet; ik ga haar halen: de Dame, daar zy by +logeert, heb ik ook door haar verzogt. o Ik weet wel, dat die niet +uitgaat op zulke partytjes! En de malle meid, die er by was, ook! nu +dat bruit nog wat heen. Ik weet al, hoe ik met haar moet omgaan. Zy +zal bukken voor my, dien zy niet vreest. Mooglyk vorder ik in deeze +laatste vyf uuren reeds merkelyk. + + _Tien uuren, des avonds_. + +Ik ben woedent, ik zoek met de hele waereld rusie; ik raas op Philips, +of ik dronken ben; en zou u zeer graag by my hebben, om u helder +afterossen. o Gy verachtelyke slaaf myner vermaken! die, om een fraai +kleed, en een goeden maaltyd voor my kruipt. Wat is er nu weer te +doen? vraagt gy, met het air van een berooiden verkwister: zwyg, en +luister. + +Geheel opgetogen reed ik na haar toe; werd zeer beleeft door de Weduwe +in de zydkamer begroet; zy zeide my: "dat zy van myne beleeftheid +gebruik zoude maken, dewyl zy meende, dat het Treurspel voortreffelyk +zyn zoude; de Lectuur daar van hadt haar zeer voldaan." Hier jy, +Rembrant, grote afbeelder van ons door driften bezielt gelaat! +Schilder my op dat tempo. Myn bloed steeg my naar 't hoofd; ik had +trekkingen op myne harssens. Zulk een schok ... zulk eene teleurstelling +... Zy merkte het niet; 't was alles als een blixemstraal. Ik herstelde +my zo voort: en, myne hand even aan myne lippen brengende, boog ik +eerbiedig, haar bedankende voor de eere my aangedaan. En zie daar! daar +kwam de eige Zuster der drie Gratien, geheel vrolyk, geheel leven, geheel +ziel, keurlyk gekapt, en op eene edele wys eenvoudig gekleet, aanzweven. +Ik hielp de Dames in de koets; en, toen ik er by was, sprong haar knegt +by den mynen agteroep. Myne Loge alleen was nog ledig; alle oogen waren +op ons. De Weduwe is niet jong meer, maar waarlyk nog eene zeer schone +Vrouw. Myn Wicht? Nu, gy hebt haar gezien? En de malle meid is ook niet +lelyk. + +De drommel, Jan, wat moest ik op myn hoede zyn! De Weduwe ... ik weet +het niet, maar my dogt, dat zy, ongemerkt kwasie, alle myne bewegingen +gadesloeg. Ik durfde waaragtig geen eene dier kunstjes gebruiken, die +wy altoos eerst te werk stellen, om eens hoogte te nemen. Er was niet +op, als met deeze slegte kaart zo goed te spelen als ik kon; en hou my +voor een domkop, zo ik de Weduwe, indien die al een galg in 't oog +mogt hebben, niet bedrogen heb. Ik sprak meest met haar, en zo gelyk +ik altoos tegen fatsoenlyke Vrouwen spreek. Wy reden met myn koets +terug, en de Bevalligheid uit de koets helpende, drukte ik hare hand, +doch ik kreeg geen antwoord. Is dat te verdragen? Ik nam beleeft, en +in de zydkamer, afscheid, ootmoedig biddende, om de eer te mogen +hebben, van de Dames myn compliment te komen maken. Kent gy Hein +Edeling? Maar waar zou zulk een Jakhals, als gy, zo een styven Jorden +als hy (die echter een eerlyk man is, hoor ik,) toch ooit gezien +hebben? Hy schynt een vriend der Weduwe te zyn.... Zwyg, zeg ik u; +ik wil er niet van horen! Laat hy 't hart hebben! Maar geen nood, al +stondt Belzebub zelf naar haar Huwlyk, die duizend-kunstenaar zou my +haar niet ontnemen. Ik heb moed, Jan. En wat nu? Ik moet haar alleen +zien te krygen! Kan ik echter voor nog eene teleurstelling my +beveiligen? _Fortuin helpt den stouten_. Daar zyn weer tien ducaten, +Rekel. Kom morgen ogtend hier, zo rasch als gy deezen gelezen hebt, +en breng hem met u, of ik laat u aan u zelf over. + + R. + + + + + +TWEE EN NEGENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Myne Waardste!_ + +Ik ben tweemaal vergeefsch aan uw huis geweest. Eens waart gy met den +Heer R. naar de Comedie, en nu zeide Frits, hadt hy u en de waardige +Vrouw naar de Fransche Kerk gebragt. Hoe smart my deeze te leurstelling. +Ik moet, voor ettelyke dagen, om zaken van veel aangelegenheid van huis; +en hoe vurig verlangde ik, om in persoon afscheid te nemen van u, die +ik teder en met de grootste achting bemin; van u, die my eene my dus +lange onbekende neiging hebt ingeboezemt! Ik moet vertrekken, de paarden +worden reeds gezadelt. o Mogt ik durven hopen op de gunst van haar, die +my dierbaarder is dan myn leven! Indien ik niet voorzag, dat wy beide +gelukkig zouden zyn, ik zou u niet lastig vallen met myne bezoeken. +Maar, helaas! ik vrees, dat ik de man uwer verkiezing niet ben!--niet +worden kan: evenwel gy vereert my met uwe achting; gy noemt my uw +vriend. Hemel! + +Wie u ook van zyne liefde moge verzekeren, en welk een brillant lot +men u moge aanbieden, uw Edeling bemint u meer, dan iemand u kan +beminnen. Ik ken uwe waarde, uw bevallig beeld zweeft my altoos voor +den geest. Wat zal myn leven, wat zullen myne goederen zyn, zonder u, +o myne zielsbeminde? Ik zal hopen! Uw hart is immers nog vry? Zult gy +my niet verachten, als ik u zeg, dat ik den Heer R. niet meer dulden +kan? Maar eene liefde, als de myne, is zo teder als oprecht; en hoe +kan ik het denkbeeld dragen, dat hy uwe hand vat! Maar gy kent de +liefde niet.... Ik zal des niet langer _non sense_ schryven. Groet +de uitmuntende Vrouw, en geloof, dat ik met de grootste achting en +hartroerentste genegenheid ben + + + _Uwen_ + + HENDRIK EDELING. + + + + +DRIE EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier komt door H. Edeling op den +goeden weg en bericht dat aan zijn zuster Aletta. + + +VIER EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog aan Wilhelmina van +Kwastama: zij is tot de ontdekking gekomen dat Edeling niet om haar +maar om Sara komt. _O, ze haat_ Sara! _ze verfoeit_ Edeling. + + +VIJF EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp aan Zuzanna Hofland: +die Stijntje deugt niet; _dat mensch is zelfs goed voor roomschen_! +Foei! En wat Saartje betreft: _doe een valschen eed_, dat haar moeder +je het geld beloofd heeft tot aan Sara's huwelijk. Wil je dat niet, +loop dan rond! + + +ZES EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling: zij +wantrouwt R., maar heeft geen bewijzen; hij deed fatsoenlijk. +--Onverschillig is Edeling Sara niet, _want zij herleest zijn +brieven_! Vindt zich zelf voor zoo'n waardig man ongeschikt; dat is +de zaak. + + +ZEVEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Smit is heel ernstig verliefd op Anna +Willis; hij vlast op een beroep naar een dorp bij Amsterdam, en droomt +zich veel zaligheid. + + +ACHT EN NEGENTIGSTE BRIEF.--Anna Willis aan Sara: zij verheft haar. +Haar _Smit_ prijst Saar ook, eveneens wed. Spilgoed, die als Sara's +moeder is. _Edeling_ is een beste jongen. Zij wenscht hem Sara toe. +Anna bemint haar Smit zeer en hoopt Sara's trouwe vriendin te blijven. + + + + +NEGEN EN NEGENTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Naatje!_ + +Hebt gy waarlyk uw woord gegeven? Dan patientie! Anders, binnen een +jaar aanvaarde _ik_ de waardigheid van _Zuster Collega_. Uw Smit! wel, +ik ben maar weinig minder verlieft op hem, dan op mynen Voogd zelf; en +zo is ook myne Minerva. Wel, Willis, 't is waarlyk al te veel voor u. +"Hou er u maar nederigjes onder;" zou tante zeggen. Nu in ernst: +geluk, duizend maal geluk met deezen lieven, deezen achtingwaardigen +man. Zo gy nu ooit weer donker kykt, zal ik u waarlyk moeten kloppen. +Myn Cootje is nu in staat, om tamelyk gezont te redeneren over +dagelyksche voorvallen; en ik merk, dat, als hy met een ander praat +dan met my, hy zeker nog al verdient, dat men hem antwoordt. Juffrouw +Buigzaam heeft veel met den aanstaanden Eerwaardigen gesproken. Ik was +geheel gehoor, en myne Dochter insgelyks. + +'t Spyt my, dat Letje nog niet t'huis is: dat zou net haar smaak +geweest zyn. Luister eens, Naatje; hoewel ik het niet uit dankbaarheid +doe aan de Godin der Liefde, (verstaat gy dat, kind?) zo heb ik een +groot vermaak in Huwlyks-Alliantien uit te vinden. Wat dunkt u, dat +Willem om Letje kwam, dan hadt hy zeker een Engel van een Vrouw, en zo +een verdient hy.--Letje was ook in veiligheid. Eene bedenking is er +maar! Ik weet niet, of myne Letjes hartje wel zo vry is, als dat van +Juffrouw _Albedil Burgerhart_. + +"En was ik niet zeer opgeruimt? en zei de Eerwaardige dit?" Verbaast +nog toe! Ik weet echter niet, dat ik my ergens over benaauwt voel: zo +dat, weest gerust; maar ik heb ook zo myne denkende buitjes; en om dat +die my zo eigen niet zyn, als zy mooglyk u zyn, valt dat zo aanstonds +in 't oog. + +Edeling is uit de stad. Myn Voogd, merk ik, zou my graag met hem +getrouwt zien; en myne Mama Buigzaam meent, dat zyn voorstel myne +ernstige overweging verdient, en hoopt, dat ik, ten zynen opzichte, +een gunstig besluit nemen zal. Myn hart slaapt nog in rozen; meer kan +ik u niet zeggen. + +Of ik my ooit het Huislyk leven in zulk een zagt licht heb voorgestelt, +als Smit het u afmaalt? Nooit anders! Ik was, schoon een kind, getuige +van Huisselyk geluk, in myne altoos dierbare Ouders. Daar zit het my +niet, Naatje. Ik heb, tot nog, geen bepaalde uitsluitende genegenheid +voor iemand; en niets zal my dezen gewigtigen staat doen aanvaarden, +dan een man, die myne liefde en achting beide waardig is. Zo dra ik den +Heer Edeling, (niemand komt buiten hem in eenige aanmerking,) zo veel +liefde als achting kan toedragen, zullen alle mindere zwarigheden my +niet beletten, om den raad myner Vrienden te volgen. + +De Heeren R. en Brunier zyn reeds in de zyd-kamer, om met Lotje en my +eens eene schone wandeling te nemen. Ik moet my eens vertreden, dunkt +my; ik ben echter zeer wel. Heb ik u al gezegt, dat Edeling uit de +stad is? Tot weerziens! Groet uwen lieven aanstaanden Domine, kusch +uwe Moeder, (hem ook maar,) voor + + SAARTJE BURGERHART. + + + + +HONDERDSTE BRIEF.--Papa Edeling aan zijn zoon Cornelis: hij wou +eigenlijk diens raad als advokaat eens inroepen--Cornelis is n.1. +gepromoveerd!--_Wat tegen_ Hendrik _te doen_? Hemelsche goedheid: die +jongen houdt maar vol!--Hij heeft Sara gezien met R; "neen, meisje, +jij lijkt me niet! ik bedank je hartelijk!" _Nooit_! + + + + +HONDERD-EERSTE BRIEF. + +DE HEER CORNELIS EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING. + + +_Myn Heer, hooggeachte Vader!_ + +Hartlyk dank ik u voor den Wissel; waarop my reeds betaling geschiet +is. Ik hoop, dat ik u reden tot vergenoeging geven zal: ook omtrent de +sommen, my van tyd tot tyd verstrekt. Gy hebt my in staat gestelt, om +als een fatsoenlyk Student en Candidaat te leven. Ik heb zeker geld +verteert, doch my aan geenerlei lichtmisseryen, of aan grof spel te +buiten gegaan: maar ik weet, waarde Vader, dat gy op dit point de +edelmoedigheid zelf zyt. + +Hoe leet is 't my te horen, dat gy op myn Broeder zo te onvreden zyt! +Ik weet wel, dat gy, en vooral van uwe Zoons, geen tegenspreken dulden +kunt; vergeef my deeze uitdrukking; maar, dewyl gy u wel wilt +vernederen, om myne gedagten te vragen, zal ik u die rondborstig en +in gemoede zeggen. Neen, gy kunt uw Zoon, die meerderjarig is, niet +beletten een meisje te trouwen, waar tegen gy niets, met eenige +zekerheid, hebt intebrengen, dan dat zy van de publycque Kerk is. +Onderneemt gy zulks, dan kan Hendrik u voor den Rechter roepen, en +zyt verzekert, dat hy daar de vryheid zal krygen, om haar te trouwen. + +Ken ik echter myn weldenkenden Broeder, ken ik den eerbied en de +liefde, die hy voor zynen braven Vader heeft; dan zal hy tot dit +heftig middel zyn toevlugt niet, dan daar toe gedrongen, nemen. + +Laat het my eenmaal vrystaan, myn geeerde Vader! u te vragen, of uw +mishagen in deeze jonge Dame gegront is. Hebt gy iets tegen hare +Familie, of tegen haar zedelyk karakter? Ik vertrouw, neen; myn +Broeder heeft die jaren en die bedagtzaamheid, die hem in staat +stellen, om eene goede keuze te doen. Nimmer heeft hy, in het +onervarenste zyner jeugd, reden gegeven, om hem van de minste +losbandigheid te verdenken; en zou hy nu, nu hy dien tyd agter zich +heeft, zich zo verre vergeten, dat hy een meisje beminde, en wel met +het zuiver oogmerk, om haar te trouwen, die zyn verstand en hart beide +tot oneer strekte? Nimmer geloof ik dit. Mag ik u des bidden, maak +hem niet ongelukkig; spaar u zelf nodeloos en u zo nadelig verdriet: +Besluit er toe! Laat uw ouderdom in ruste en vrede ongestoort +voortglyden. Mag ik u ook herinneren, dat Hendrik van een eens wel +en doordagt besluit niet ligt is aftebrengen; voornamelyk als zyn +hart zo gezet is op de uitvoering van zyn besluit? Ik ken myn Vader, +ik waardeer hem, gelyk een dankbaren Zoon betaamt; maar hoop, dat ik +de vryheid zal hebben, om u eene Dochter aantebieden, waar tegen gy met +reden niets meerder dan tegen Juffrouw Burgerhart zult kunnen hebben. +Binnen eene maand hoop ik het genoegen te hebben, om u gezont te +omhelzen, en mondeling te betuigen, hoe zeer ik ben, + + _Uw gehoorzame Dienaar en dankbare Zoon_, + + CORNELIS EDELING. + + + + +HONDERD-TWEEDE BRIEF.--Aletta Brunier vertelt haar historie aan Sara: +_zij heeft eens lief gehad_, zekeren v. S. Die had geen geld; vader +vond dat hij eerst voor geld moest zorgen. v. S. ging naar de Oost; +'t ging hem goed, maar _hij stierf er_. Onder dien druk leeft ze nog. +Zekere Heer Helmers steunde haar na vaders dood. + + + + +HONDERD-DERDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER. + + +_Myne tederbeminde Letje!_ + +Ik weet niet, wat andere menschen _intressant_ noemen; maar voor my is +_de geheime Historie van uw hart_ zeer intressant; om dat er voor my +zeer veel stof tot overdenken, en veel leerzaams in ligt opgesloten. +Ik heb, zonder eens uwe toestemming te vragen, uw Brief aan de beste +der vrouwen voorgelezen; en zie hier, het geen zy zeide: "Het verstand +van Juffrouw Letje is my zeer toegevallen: hare liefde omtrent zulk +een Vader was alleen in staat, om haar dus te doen handelen. Indien +Letjes Vader meer vrees dan liefde in zyne Kinderen verwekt, indien hy +min redelyk omtrent een onbedagten jongeling gehandelt hadt, dan zeker +zou Letje in dat ongeluk gejaagt zyn, waar voor hy haar echter poogde +te bewaren. Ziet gy wel, myn Burgerhartje, dat men zich niet waarlyk +nuttig voor anderen kan maken, dan door reden met minzaamheid te +vereenigen? De hemel belone hare kinderlyke onderwerping aan zulk een +Vader." + +_Ik_. Wel, dat wensch ik zo sterk, dat ik hier aan graag de hand wil +lenen. Een braaf hupsch man, die ik zo lief heb of hy myn Broer is, +en dien ik ook maar aan niemand geef dan aan myn Letje, hoop ik te +beduiden, dat hy met Letje veel beter te regt zal komen, dan met zo +eene stoute meid, als uwe dienares. + +_Juffrouw Buigzaam_. o! Gy zyt zeer gul! een ander te geven, dat men +zelf niet verkiest! + +_Ik_. Ja! ik kan immers onmooglyk al de Borsten[1] nemen, die my nemen +willen? en doe ik dan niet recht _Economisch_, als ik het overschot zo +goed gebruik als ik kan? + +_Juffrouw Buigzaam_. En wie is die, zo als gy zegt, kostelyke Vriend? +Edeling? + +_Ik_. Edeling! neen: dien wou ik immers voor u schikken, maar myn +lieven goejen Willem Willis. Een jongen, zo braaf, en zo degelyk, dat +niemand dan Letje hem ooit, met myne toestemming, hebben zal. + +_Juffrouw Buigzaam_. Gy doet my lachen. + +_Ik_. Doen schreijen zou ik om geen duizend Waerelden; al waren er al +de Huizen Concertzalen, en al de Paleizen Schouwburgen; en dat is veel +gezeit. + +_Juffrouw Buigzaam_. Ik beken, dat dit in u inderdaad al eene ongemene +grote opoeffering zyn moet. + +_Ik_. En dat ben ik met u volmaakt eens. + +_Juffrouw Buigzaam_. Het is mooglyk wat heel onderzoekent in my, als +ik u durf vragen, of gy aan den braven Heer Edeling niets het minste +schryven zult? + +_Ik_. Wel, gestelt zynde, dat de schaal, of liever de evenaar, krek in +'t huisje stondt? + +_Juffrouw Buigzaam_. Zo ik er iets aan doen konde, dan zou ik zeker er +zo veel gewigts opleggen, dat gy tot al[2] _schryven_ oversloegt. + +_Ik_. Maar wat zal ik zulk een deftig verstandig man schryven? + +_Juffrouw Buigzaam_. Wat? Ja, dat moet gy zelf beoeordeelen: dit, myne +liefde, kan of mag ik u niet dicteeren. In ernst, kunt gy aan dien +deftigen verstandigen man niets melden, dat hem, in weerwil dier +hoedanigheden, aangenaam zyn zoude? Pleeg met u zelf raad. + +_Ik_. Maar ik ben het met my zelf niet eens. Somtyds wilde ik, _dat ik +niet schryven wilde_; en somtyds wilde ik, _dat ik wilde_. Gy lacht! +Heb ik u dan niet gezegt, dat ik een misselyk figuur ben? geen vrouw +voor zo een man. + +_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt vooroeordeelen, myn hartje! + +_Ik_. o Duizenden; dat sta ik u ook toe. + +_Juffrouw Buigzaam_. Maar kan zulk eene verstandige jonge Dame zich +verbeelden, dat dit toe te staan alles is, wat zy te doen heeft. + +_Ik_. Ik geloof neen: zy moet die afleggen, en zo hoop ik van tyd tot +tyd ook te doen; en zo dra ik vast weet, dat ik dien eernaam, zonder +verwaantheid, niet geheel onwaardig ben, zal dat gaan of 't gesmeert +is: maak er staat op. + +_Juffrouw Buigzaam_. Nu ik u dit herinnert hebbe, zal ik er +afscheiden. Ik bid u alleen te bedenken; dat, indien gy my eens in +vertrouwen kunt zeggen, dat de Heer Edeling uwe liefde, zo wel als uwe +achting gewonnen heeft, ik u een der beste oogenblikken van myn leven +zal verschuldigt zyn. Gaat gy uit, hartje, om dat gy zo in order +gekleet zyt? + +_Ik_. Dit was myn oogmerk: de Heer R. zal my op 't Concert brengen. + +_Juffrouw Buigzaam_. Zo! + +_Ik_. Gy zyt heel _laconicq_, maar dat _zo_ spreekt gy _zo_ deftig +uit; hadt gy 't liefst niet? + +_Juffrouw Buigzaam_. Hoeft gy my dat te vragen, daar gy weet, hoe zeer +ik uw byzyn bemin? Evenwel, ik heb geen recht om u uwe vermaken te +ontroven: indien gy liever met den Heer R. uitgaat, dan met my t'huis +blyft. Wat is er aan te doen? Ik ben uwe Vriendin, niet uwe +Gouvernante. + +_Ik_. Laat ik u omhelzen, schoon, of liever omdat gy my zeer doet! o +Myne moederlyke Vriendin, welk een verkeert meisje zou ik zyn, indien +ik uw gezelschap niet boven alle vermaken stelde? Wil ik het laten +afzeggen? + +_Juffrouw Buigzaam_. Gy bedenkt dit wat laat: en wat zou de Heer R. +van uwe wispelturigheid zeggen? + +_Ik_. o! Daar bekommer ik my niets het minste over. Ik hoop niet, dat +ik aan hem rekenschap moet geven van 't geen ik doe; en zo hy 't +kwalyk neemt, is hy een gek, dat is 't al. + +_Juffrouw Buigzaam_. Rekenschap geven? dat is weer wat sterk! maar ik +zie niet, dat hy geen reden zoude hebben, om misnoegt te zyn; dat +scheelt u weinig, zegt gy; goed! Ik weet, dat gy een trotsch meisje +zyt. Was het echter vroeger, ik zou u door uw t'huis blyven verpligt +zyn. Zo waar, daar is hy reeds om u. + +Uit was ons gesprek. Maar ik betuig u, dat ik, met al myn musikale +drift, naauwlyks in staat was, om my op 't Concert niet te vervelen. + +t'Huis komende was ik niet vrolyk. Zy sprak echter nergens over, want +Hartog en Lotje waren in de eetkamer. Ik zag haar nu en dan eens aan; +zy was beleeft, zy was vriendlyk,--maar ik was _Juffrouw Burgerhart_. + +Myne lieve Letje, wat was dat voor my te zeggen! ik moest of +schreijen, of met Lotje aan 't malen; tot het laatste kreeg ik rasch +gelegenheid. Zy vroeg my, of ik op het groot Concert geweest, en of +het daar niet heel plaisierig was? + +_Ik_. Al naar dat men zich zelf gestelt voelt: somtyds ja, somtyds +neen. + +_Juffrouw Hartog_. Als men uitgaat met gezelschap, dat ons behaagt, +vermaakt men zich overal. + +_Ik_. Dat is zeker, de ondervinding leert dit wel.... + +_Juffrouw Hartog_. En Juffrouw Burgerhart heeft zeker het aangenaamste +gezelschap aan den Heer R.... + +_Ik_. En Juffrouw Hartog is, niettegenstaande alle hare Geleertheid, +mooglyk niet in staat, om myn smaak juist zo wiskundig te weten. + +_Juffrouw Hartog_. Ik oordeel uit de verschynzels. + +_Ik_. En uw oordeel is mooglyk niet vry genoeg, om, wel waar te nemen. + +_Juffrouw Hartog_. En het uwe mooglyk niet eenparig genoeg, om zo veel +te observeren, als iemand, die zonder belang toekykt: of gy moest u +inbeelden, dat ik u eene eer benyde, die ik niet eens verlang. + +_Ik_. Als ik eens niets beter te doen heb, kon het gebeuren dat ik uwe +stelling wat nader zal beschouwen. + +_Juffrouw Buigzaam_. Het is dunkt my, wel een zeer armoedig vermaak, +elkander te tonen, dat men meer vernuft dan goedhartigheid heeft. + +Ik verstond dit, en zweeg; een schampere lach van Hartog zelf kon my +niet aan 't praten krygen. Lotje, zei ik, wanneer gaat gy eens by uw +Oom en Tante?--o Als gy maar wilt, al was 't morgen.--Bestig, zei ik, +als 't goed weer is, zullen wy er eens heen kuijeren. Zy was zeer +blyde met deeze presentatie, 't Was redelyk laat. Juffrouw Buigzaam +schelde, om 't licht op de slaapkamers optesteken, stondt op; ik neeg +zeer beleeft, en kreeg een--_nagt, lieve Juffrouw_. Lotje rammelde my +nog een hope voor; en ik hield my of ik sliep, om haar te doen zwygen. +Ei! dagt ik, die verwenschte Jongens! zie daar, zy zyn het, die ons 't +leven onaangenaam maken; Edeling zo wel als de rest. Vaarwel, myne +Beste. + + Ik ben uwe Vriendin, + + SARA BURGERHART. + + +P.S. Ik ben deezen namiddag by Oom Dirk geweest. Tante is eene lieve +Vrouw; Oom? Ja, ik kan 't u niet beduijen: Een dot garen, die allemaal +in de war zit. o Welke mannen, Letje! en moeten wy ook trouwen? dat +ziet er gek voor ons uit. + +Noten: + +[1] Jongens. +[2] wel. + + + + +HONDERD-VIERDE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling; houd maar +moed; ze heeft uw vader gezien, _bevalt haar niet_, maar ze zal u zelf +schrijven. + + + + +HONDERD-VIJFDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING. + + +_Wel-edel Heer!_ + +Myne achting voor u moet wel zeer ongegront zyn, indien ik ooit reden +heb my te beklagen over het schryven deezes Briefs. Dit stel ik onder +het onmooglyke; ik zal des, in dit opzicht, aan uw verzoek voldoen. + +Zie my voor zo eene Beuzelaarster niet aan, dat ik my niet zoude +vereert achten met de gevoelens, die gy voor my betuigt. Waarlyk, myn +Heer Edeling, ik zie zeer wel, dat gy verdient met onderscheiding +behandelt te worden. Indien gy niets meerder begeerde dan myne +vriendschap, zeer weinig zoudt gy meer te wenschen hebben! Doch ik +zoude u onedelmoedig behandelen, indien ik u reden gaf om te denken, +dat ik in u iets anders dan eenen Vriend beminde. Het zal my, in dat +karakter, hoogst aangenaam zyn u weerom te zien; want ik ben met +byzondere hoogachting, + + Uwe Dienares, + + SARA BURGERHART. + + + + + +HONDERD-ZESDE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Myn Heer, zeer geachte en beminde Voogd!_ + +Myn pligt eischt, dat ik u het volgende melde. De Heer Hendrik Edeling +heeft by my aanzoek gedaan. Indien ik immer van staat verander, verdient +hy my daar toe te doen overgaan, of ik verdien hem niet; maar ik heb +geen zin in voor eerst hier toe te besluiten: Nog geen twintig jaar, en +zo volmaakt gelukkig als ik nu ben! Ik heb echter billyk geoeordeelt u, +die my als een Vader bemint, dit te zeggen; want van uwe goedkeuring ben +ik reeds verzekert. Myn verlangen naar uwe komst is zo groot, dat ik die +niet kan uitdrukken. De waardige Vrouw groet u met achting, en ik ben, +met een dankbaar hart, + + Uwe gehoorzame Pupil, + + SARA BURGERHART. + + + + + +HONDERD-ZEVENDE BRIEF. + +NAAMLOZE BRIEF AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART. + + +_Myn Heer!_ + +Myne achting voor u, en de droevige gevolgen, die ik voorzie, doen my +u het volgende schryven. Uwe Pupil gedraagt zich op eene wyze, die +haar bespot, ja veracht, en u veel verdriet moet maken. Men ziet haar +overal, en nu meest altoos met eenen Heer R.; een man van rang en +grote goederen, maar ook een onzer eerste Ligtmissen. De Dame, daar +zy, nevens nog drie Juffrouwen, logeert, ziet dit alles, en vindt +echter (schynt het,) goed, om dit onvoorzigtig ligtvaardig meisje +haren gang te laten gaan. Zy is niet ryk; en grootschheid beeft voor +niets zo zeer dan voor armoede. Meer zeg ik niet. Hoef ik meer te +zeggen? Uwe Pupil is ook zeer verkwistent in hare uitgaven; indien zy +geene presenten aanneemt; dat ik niet weet. Zeker Heer loopt haar na; +en ik geloof, dat zy dien man aanhoudt, om, ten behoorlyke tyde, hem +(mooglyk) te trouwen; indien zyne oogen nog niet bytyds open +gaan:--Doch zy heeft hem betovert;--zo doet zy elkeen. + +Dit alles smart my! Ik beoeog haar welzyn, en stelle u daarom in staat, +om haar hier over, zo 't u goeddunkt, te onderhouden. Ik hoef u niet +te zeggen, wie ik ben, en van welke Sex;--dit doet er niets toe:--zo +gy wys zyt, doe uw voordeel met myn bericht; en zo gy er een goed +gebruik van maakt, kan ik u meer melden. Intusschen ben ik met achting, + + MIJN HEER! + + _Iemand, die 't wel met u meent_. + + + + + +HONDERD-AGTSTE BRIEF. + +DE HEER JAN EDELING AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK. + + +_Waarde Broeder!_ + +Wat zegt gy nu, _mon bon Pasteur_, van uw lieven Neef Hendrik? dien je +immers, met je eigen handen, zelf, in myn huis, gedoopt hebt; die, had +ik hem in myne zaken kunnen missen, volgens uw raad en zyn begeerte, +tot Predikant zoude gestudeert hebben; die wil nu met drommels geweld +trouwen met een _wilde_ meid _buiten onze Kerk_; met een _Gereformeert_ +Nufje. Nu, daar moest hy maar eens om komen! Verbruit, Pastoor, ik heb +het zo Satans op hairen en snaren gezet; want, nu myn lieve vrouw dood +en weg is, regeer ik als Koning. Uw Zuster was de beste vrouw van de +waereld: doch te mal met de Jongens. Luter zelf zou niet meer uitgevaren +zyn in zo een geval als ik. Ja! fluiten! Daar hebje nu de boel over de +ree, en hy geeft voor, dat ik hem ongelukkig zal maken, indien hy haar +niet krygt; met nog eene hele turfmand vol zulk geziegezaag, daar de +jongens zo veel mee ophebben. + +Ziet gy, Pastoor, ik zou myn hoofd daar niet mee breken, maar Hein ziet +er gansch ongedaan uit: hy kan niet tegen moeite; (ja, ik heb al rare +jongens ook!) Neen: nooit laat ik dat toe. Maar den jongen evenwel zo +maar te laten sterven, dat wil ook niet. Hy is zo bedreven in onze +affaire, dat ik gerust myn flesje kan drinken, myn pyp roken, myn +kolfje slaan, zonder dat er iets verzuimt wordt. Zo dat, dit kan ik +ook nog al niet voor God verantwoorden. Ik heb ook een Brief geschreven +aan haren Voogd; niet twyfelende of hy die zo styf _Grotekerks_ is, als +ik oud rechtzinnig Luters ben, zou even eens denken als ik op dit stuk. +Maar zie daar! daar kryg ik zo een antwoord. De drommel mogt met hem +redeneren, en ook ik versta zyn Brief niet genoeg. Het komt my voor, dat +hy al vry grappig over 't Geloof denkt, en het zou veranderen, even als +hy zyn rok veranderde, indien hy meende, dat eens anders geloof beter +was. Hy spreekt net als uw lieve Neef van Broederschap, 'k Zeg +_Broederschap_! Het zit er op met dat Broederschap, als verguldzel op +een duits[1] balletje. Men hoeft maar eens op hoogtyden, en zo, in de +Kerken te gaan; daar zeg jelui Eerwaardens malkander hele Broederlyke +dingetjes. Nu, dat mag ik wel horen: de Kerk is er voor, om het Geloof +vast te houden. Elk moet zyn winkel voorstaan; dat is niet anders. + +Hoor, Pastoor, ik ben Luters, en dat, wil ik, zullen myn jongens ook +zyn, of 't zal er vreeslyk houden. En die Bram is nog al heel wys met +zyn Meisje! Ik zou nog, met myn beste pruik op, en den nieuwen zwarten +rok aan, heel beleeft moeten vragen, of ik de eer mogt hebben ... weg +... weg! + +Ik heb haar ook in een Herberg gezien, met nog twee wilde Knapen, en +een andere Juffrouw. Hoor, ik zal 't nooit toestaan: ik wil geen +vreemt goed in Luters erfdeel; dat's maar uit. Geef me nu raad: wat +moet ik doen? Schryf my eens, Broertje, hoe u dit klugtje van Heintje +bevalt? Groet de Pastoorse, die my ook altyd ligt te katechiseren: ja, +ik ben maar te goed. + + Blyve met grote achting, + + Uw Eerwaardes + + _Dienaar, Vriend, en Broeder_, + + JAN EDELING. + + + +Noot: + +[1] Van een duit waarde. + + + + +HONDERD-NEGENDE BRIEF.--Everart Redelijk antwoordt: hij is het heelemaal +met Blankaart eens en vindt de handelwijze van zijn zwager dwaas. + + +HONDERD-TIENDE BRIEF.--Broeder Benjamin aan Cornelia Slimpslamp: Suzanna +weifelt; ach Heere, help! Wij moeten ze voor ons houden. Laat Cornelia +haar vergeving vragen. + + + + +HONDERD-ELFDE BRIEF. + +MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN DEN BROEDER BENJAMIN. + + +Wie heeft ooit groter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fopje my +wat, of hoe weerga zit het? Voor my veinzen? Voor my de fijne Filebout +uithangen! Laat naar je zien, zotte jongen. Wy moeten haar bedriegen; +dat's 't al. En daarom moeten wy de handen in een slaan. Zouden wy zo +een zot dier ooit gezogt hebben was 't niet om den smul? en gy houdt +u van de mallen? Ja, Blankaart, kent ons zeer wel. + +Hoor, Ben, de frettery is uit: wy moeten haar nu nog plukken, en +dan--de hele Waereld is voor ons open. Zy moet het gelag betalen: de +jonge Juffrouw B. moet er niet by lyden. Blankaart is een Duivel van +een vent, hy liet u publiek geesselen, en ik moest in 't Spinhuis, zo +wy aan haar goed ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en +dat zy intrest moet ontfangen; alles mondeling. Toon nu, dat gy my +lief hebt: ik zal 't Briefje schryven, en morgen er gaan. Kom ook. +'t Geweten? o dat is een bullebak voor u en my. + + _Die gy kent_. + + + + +HONDERD-TWAALFDE BRIEF. + +MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. + + +_Lieve Vriendinne!_ + +Daar heb ik, als ik alles nareeken, zo een twee dagen en drie uuren in +de magt des Satans geweest: hy gaf my die godloosheid in. Hy heeft my +verleit. + +Och Zusje, Zusje! ik ben gevallen: ik ben wanhopig, ik ben elendig. +Die duizend-konstenaar was het, die my dien gruwelyken brief deedt +schryven. Zo heb ik te veel op eigen kragtjes vertrouwt, och ja! mogt +ik er maar door geraakt zyn, en nooit weer op my zelf vertrouwen. o! +Het ging my, zo als de Eerwaarde van der Kwast plagt te zeggen: _de +Conscientie is de Klapperman uit de hartestraat, die de menschjes +waarschuwt voor den brand van de Hel_. Gelukkig, dat myn oude mensch +niet te diep was ingeslapen; och! dat was regt dierbaar. + +Verberg toch alles, om der Vromen wille. Gy kent de diepten des Satans. +Mag ik morgen by je komen, en dan blyven op 't geen je maar hebt? +Schryf my dit, of ik verval tot wanhoop. + + Uwe zwakke Zuster, + + CORNELIA SLIMPSLAMP. + + + + +HONDERD-DERTIENDE BRIEF. + +DE BROEDER BENJAMIN AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. + + +_Zusje Lief!_ + +Ik begryp je! Wees gerust: om u sta ik den Duivel. Ik heb het zeer +druk in myn werk, doch kom morgen; ik ben al verzogt. Alles is om het +hare, en om u. + + _Gy kent my_. + + + + +HONDERD-VEERTIENDE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP. + + +_Keetje Zusje!_ + +Wat is er een pakje van myn hart! Neen, dat kon ik niet doen, myn +geweten wilde niet. Nu is 't weer licht by my; ik heb alles verbrant. +Kom tog vroegjes: och! ik ben zo ontstelt geweest. Nu, Bregtje zal +_het Gemeste Kalf_ slagten, omdat ik myne Zuster heb weer gevonden, +die in 's Duivels hol gezeten heeft. Broertje komt ook, hy is zo +gemoedelyk in zulke dingetjes. Zo komt het goed uit het kwaad; en nu +is myne ziel weer gebonden aan uwe ziel: niet waar? + + Uwe Zuster in den Here, + + Z. HOFLAND. + + + + +HONDERD-VIJFTIENDE BRIEF.--Smit aan Willem Willis; spoedig zijn ze +zwager. Hij heeft Aletta Brunier gezien en gesproken: _net een meisje +voor Willem!_--Willem's patroon spreekt heel gunstig over hem. + + + + +HONDERD-ZESTIENDE BRIEF. + +DE HEER R. AAN DEN HEER G. + + +_Jan lief!_ + +Haal my de Satan! ik ben nog even wys! ja, ik zie het hexje nu en dan; +ik heb ook met haar op het Concert geweest; maar ik ben nog even na, +als toen ik begon. Hoe moet ik het aanleggen? _Liflaffen_?[1] dan +lachte zy my van myn stuk; haar met een stemmig bakkes zeggen, _dat ik +haar bemin_? Och! dat gaat haar niet eens aan haar koude kleeren, (zo +als de meisjes zeggen.) Had ik haar maar ergens, daar myn haan koning +kraait, dan zou 't proces spoedig aflopen: en zy zal niet zot genoeg +zyn, om zich te durven inbeelden, dat ik een Burgers Dochter zal +trouwen. _Sultane Favorite_, Jan: is dat niet dubbelt wel? als _ik_, +Frederik de eerste, haren Soliman ben. Ben ik evenwel niet een +_Opgewarmt Bier_ en _Broodskind_, gelyk myn Oom, de Kapitein, zyne +Matrozen noemt, dat ik zo een charmante meid niet tot myn vrouw maak? +Lief heb ik haar, waaragtig; dat is 't maar! Anders zou ik dus lang +niet het masker voorhouden. Zy stondt al lang op de grote lyst. Maar, +wat praat ik van liefde tegen zulk een liederlyken knaap als gy zyt? +Een vrouw is by u een vrouw--loop, gy zyt myn gebabbel niet waardig. +Ik heb echter nu een ander plan: dat zal niet missen; en, zo de Weduw +het in 't hooft krygt, om hare jonge Vriendin te geleiden, (zy ziet er +ook wel uit,) dat zal den koop niet breken. Zoudt gy niet zeggen, dat +ik al een gansch karel ben, als gy my zo hoort snoeven en pochen? + +Waarlyk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat ik +het Wicht, of ik ben razent zot naar haar; en wat denkt gy? Ik heb nog +nooit haar hand gekuscht; 't is waaragtig, Jan. Zy is onnozel[2], dit +is het, dat my zo ingetogen maakt: want, hoe vele vrouwen ik ook +bedorf, ik heb nog al reguart voor brave meisjes. Een ligtvaardige is +myn Pop niet, al was zy zo schoon als deeze meid.--Doch dit is _to +Bliktri_ voor u. + + Vaar dan wel. + + R. + +Noten: + +[1] Vleien, hofmakerijen. +[2] Onschuldig. + + + + +HONDERD-ZEVENTIENDE BRIEF.--Cornelis schrijft heel hartelijk en aardig +aan H. Edeling, maar ... raad weet hij niet: _vader blijft onvermuwbaar_. +Raadt hem aan eens aan oom Redelijk te schrijven. + + + + +HONDERD-ACHTTIENDE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING. + + +_Myn Heer, hoogst ge-eerde vader!_ + +De zaak, die my, volgens uwe altoos geeerde orders, hier zo vele dagen +gehouden heeft, is naar uwen wensch volkomen afgedaan. Ik vleije my, +dat gy genoegen zult nemen in den yver, dien ik heb aangewent, om het +dermate te dirigeren, dat ik u rekenschap van alles doen kan. + +Mag ik nogmaals de vryheid nemen, om te zeggen dat myne liefde voor +Juffrouw Burgerhart gegront is op de braafheid van haar hart, en dat +ik _volmaakt ongelukkig_ zyn zal, indien zy de myne niet wordt? Wat +men ook moge uitstrooijen, zy is, en verdient te zyn, het voorwerp +myner hoogste achting; en zy deelt nimmer in andere vermaken, dan die +betaamlyk zyn, noch verkeert met menschen, die, om een slegt karakter, +behoorden vermyt te worden. + +Gy weet, myn altoos geeerde Vader, met welk eene blymoedige onderwerping +ik alle uwe bevelen heb gevolgt. Dit was een pligt, die de Natuur en de +Godsdienst van my vorderden: Maar gy zyt Vader! gy zult my immers niet +ongelukkig maken? zo deeze wensch myner ziel my geweigert wordt, kan ik +my geen lang leven voorstellen. Ik gevoel my niet wel. De oneenigheden +met myn Vader treffen myn, door liefde vertedert, hart zeer diep! Myne +jaren en myn werkzame aart hebben my gestelt boven die dwaze drift, die +men doorgaans _liefde_ noemt. Myne liefde is wel niet _Platonisch_[1], +maar zy is echter myne reden onderschikt; zy is bedaart, sterk; zy rust op +de innerlyke waarde van haar, die myne oogen streelt; zy groeit dagelyks +in zagte aandoeningen. Moet ik het opgeven, dan zal men zien, dat myne +geliefde Burgerhart tot myn _leven_ zo nodig was, als tot myn _gelukkig +leven_. Laat ik u verbidden! Leg uwe vooroeordelen af! Gy kent haar niet, +geloof my! Heb ik u, myn geeerde Vader! ooit ergens in misleit? zoude ik +het nu doen, daar de zaak niets minder is dan eene verbintenis voor myn +geheel leven? Geef my de vryheid, om voor my zelf te kiezen. o Laat ik u, +ook voor deeze gunstige toegeventheid, mogen bedanken. Ik kies immers +eene Vrouw voor my; ik zal met haar moeten leven.--Ben ik, in myn zes-en- +twintigste jaar, nog niet in staat, om uit myn eigen oogen te zien? Kunt +gy my van eenige wuftheid in zaken van belang beschuldigen? Heb ik ooit +my tegen uwen wil gekant? Moet ik nu my zelf dat verdriet aandoen? Laat +ik u myn gansche leven mogen zegenen! Zo myne tederbeminde, als myne +Vrouw, u met my niet zegent: zo zy uwen ouderdom niet ten troost, tot +hulp, tot blydschap strekke; zo gy haar niet zult beminnen als eene lieve +Dochter, vergeet dan, dat gy ooit een Zoon hadt, die zich tekent, + + _Uw ootmoedige Dienaar, en liefhebbende Zoon_, + + HENDRIK EDELING. + + +Noot: + +[1] Zuiver geestelijk. + + + + +HONDERD-NEGENTIENDE BRIEF. Hendrik schrijft aan Redelijk, vertelt alles +uitvoerig en verzoekt zijn voorspraak bij vader. + + +HONDERD-TWINTIGSTE BRIEF.--Redelijk weet evenmin raad: vertrouw op God! +--als zoon mag Hendrik niet opstaan tegen zijn vader. + + + + +HONDERD-EEN EN TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Juffrouw Burgerhart!_ + +Ik hoor lieve historietjes van u, al hele lieve ook! Hagel en Slypsteen, +hoe kan 't zyn? daar je zo veel verstand hebt, en daar je beter je +Geloof verstaat dan ik, God betert; en daar ik altoos zo geraden heb, +dat je toch den goejen weg op zoudt. Meisje, meisje! maak my niet boos; +'t zal er anders op en over gaan; 't zal er ellements te doen zyn. Heb +je daarom zulke kostelyke Ouwers gehad, en moest ik daarom zo wys met +je zyn? Ik kom er blaauw af. Schaamt gy u niet zo te lopen rinkelrooijen +[1] met een overgegeven Ligtmis; en u te kleden, of je in een Fransche +Winkel stondt? En Mevrouw Buigzaam? och ja; die laat Gods watertje over +Gods akkertje lopen; zie, dat vind ik verdord gemeen van zo een' Vrouw. + +Men hadt, kwanswys, geen trek tot het huwlyk; men was nog zo jong: men +was nu zo gelukkig: zie zo; dat laat ik, ouwe gek, my maar zo op den +mou spelden. En onderwyl speelt Madame haar rol, vliegt uit, en loopt +met allerlei ploerten en ligte kwanten de godgantsche Stad door, komt +by avond en onty t'huis; ja wel, zie; ik ben zo kwaad als een spin. +Daarom hadt gy geen zin in 't Huwlyk, met zulk een braaf man, denk ik; +dat was de zaak: dan zou dat gedraaf en geloop uit zyn, en daar bedankte +gy voor; niet waar? Myn naam zal evenwel geen Abraham Blankaart zyn, zo +ik u, zo lang gy onder myne Voogdy zyt, geef aan den een of ander +Parlevinker[2], al was hy zo ryk als de _grote Mogol_, en al was hy een +Burgemeester van zyn hals. Ik denk, dat de brave Heer Edeling u nu wel +zeer bedankt voor de eer van uw gezelschap: hy heeft gelyk; ik zou ook +zo doen. Antwoordt my maar niet, want ik kom in 't kort t'huis, en zal +dan nader met u spreken. Ik ben + + Uw Voogd, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Pierewaaien. +[2] Hier: zwendelaar. + + + + +HONDERD-TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER. + + +_Chere Letje!_ + +Ik verlang, dat gy t'huis komt. Ik heb verdriet; en ik kan het niemand +dan u toebetrouwen. Myne Willis is te statig, te deftig; onze Moederlyke +Vriendin kan ik het nog minder zeggen, want het raakt haar ook. Lees den +brief van den Heer Blankaart: elke regel is een dolksteek. Myn ziel is +beroert; myn boezem klopt van spyt, verontwaardiging, en droefheid. o! +Ik heb vyanden, myne Letje; maar wie is de snode, die my dus mishandelt? +die my in het duister en onbekent grieft? Hemel! verdagt te zyn van +misdaden, die nooit in myn gedagten oprezen! gehoont te worden om +bedoelingen, die ik nooit had; dit is zeer hart, myne Letje. Maar wie +is die Ligtmis? de man in de maan, geloof ik; uw Broer is een brave +Jongen; de Heer R. staat bekent voor een zeer ordentelyk man; en met wie +anders heb ik ooit (want Edeling is buiten alle bedenking,) den minsten +ommegang gehad? Och, met niemand! Nyd, die my bekladt, gooit ook zeker +dit lak op den Heer R., die my nimmer reden gaf om hem te schuwen: maar +de smart, die dat monster my aandoet, is te groot, om daar ook eenen man, +die my altoos met de grootste achting behandelde, in te doen delen. Onze +dierbare Vriendin zelf vindt hem onberispelyk; en, zo zy niet geheel in +het belang van den waardigen Edeling was, dan zou zy mooglyk zyn gedrag +een nog beter naam geven. Ik heb vermoedens.... maar neen!... dat zou +al te slegt, al te verfoeilyk zyn.--Hoe 't zy, ik heb een gerust geweten; +ik heb my van vele dwaasheden te beschuldigen; doch ondeugden zyn my +vreemt.--Ik moet geduld hebben. + +Ik ga wat spelen, om te zien of ik my zelf kan opheffen uit deeze +verslagenheid. + + * * * * * + +Daar ben ik al weer; 't lukt niet! Ik beef, zo aangedaan ben ik. +Hemel! verdagt te worden van zulk een man.... + + * * * * * + +_'s Nagts, half twaalf._ + +Nu, myne liefde, heb ik u veel te schryven. Ik heb de goedaartige +Lotje verzogt naar bed te gaan, om dat ik noodwendig schryven moest. +De zoete ziel stonden de tranen in de oogen, "om dat zy merkte, dat ik +droevig was; en dat onze Vriendin en ik niet zo waren, (zei zy) als +altoos; och dat deedt haar zo leet." Heeft zy niet een recht lief +hart, Letje? Nu, ik zal haar ook altoos voorstaan, en te regt helpen. + +Van middag viel er niets voor, dan dat Hartog vroeg, of de Heer +Edeling hier niet meer aan huis kwam; waar op Juffrouw Buigzaam +antwoordde: dat hy, om zaken van grote aangelegenheid, uit de stad +was; er byvoegende, dat zy hem waarlyk altoos met genoegen zag. + +_Juffrouw Hartog_. Ja, 't is een zoete prater; hy weet nog zo wat +oppervlakkig mee te doen; schoon ik in 't eerst groter denkbeelden van +zyn verstand had, dan nu. + +_Juffrouw Buigzaam_. Ik geef my niet uit voor een vrouw van veel +kundigheden, om dat ik te wel weet, hoe ik er mede sta: maar my dunkt, +dat de Heer Edeling een verstandig belezen man is, en zyn gezelschap +overwaardig. + +_Ik_. Ja, ik heb misschien geen kennis van verstand, maar zo hy een +Uilskuiken is, dan moet een man van verstand een schepzel zyn, daar ik +niets van begryp; en ik zou een ducaat geven, om zo een man van +verstand eens te zien. + +_Juffrouw Lotje_. Heden, Juffrouw Hartog, je waart evenwel de laatste +reis zo in de weer, om hem tegen te spreken; was dat sop dan de kool +wel waart? Zie, ik ben nou maar een eenvoudige sloof, maar daar zou ik +my nog te wys toe rekenen. + +_Juffrouw Hartog_. Ja, Edeling weet zeker genoeg, om met onze Sex zo +wat voort te komen; doch dat hy geen vogel van de verhevenste vlugt +is, heb ik al gezien. + +_Juffrouw Buigzaam_. Mooglyk is Uwe van gedagten, dat elk, die zich +niet met het air van Ongeloof voordoet, een lagen geest is; en dan is +voor my niets raadzelagtigs in deeze uwe zeer vreemde gedagten over +deezen waardigen jongen Heer. + +_Juffrouw Hartog_, (_schamper lachende_). "Aan de vruchten zal men u +kennen," zegt de Bybel, en dat is immers waar? + +_Juffrouw Lotje_. Heer, Juffrouw, gelooft Uwe dan in den Bybel? Gy zei +laatst, weet gy? op dien Zondag, toen ik zo zat te lezen in myn nieuwe +Psalmen, dat de Bybel een mooi sprookje was; (_zy werdt root_;) ja, of +gy root wordt, 't is evenwel zo, Juffrouw. + +_Juffrouw Buigzaam_. Ei lieve, Juffrouw Lotje, moei u daar nu niet +mede, om my plaisier te doen, Liefde! Is dit zo, Mejuffrouw Hartog, +dat smart my; en ik danke Gode, dat ik nooit myne bekwaamheden heb +willen tonen, in voor te wenden, dat ik niets geloofde; daar ik my +niet in staat gestelt had, om wel te kunnen oordelen. + +_Juffrouw Hartog_. Elk zyne verkiezing, en ik verzoek die vryheid, die +ik u laat. Gy schynt zeer gecoeffert met uw Vriend; en vriendschap +vermag veel; doch dewyl ik de vriendschap van zo een eigenwys Heertje +niet begeer, is myn oordeel te vryer. + +_Ik_. Eigenwys Heertje! die uitdrukking is niet verpligtent[1]. + +_Juffrouw Hartog_. Hoe! is de Heer Edeling dan uw vriend ook? (_my +spottig aanziende_.) + +_Ik_. Mooglyk verdient gy geen antwoord, doch ik zal beleeft zyn; ja, +hy is myn vriend; en ik vind my met zyne vriendschap zeer vereert. + +_Juffrouw Hartog_. Dat kan ik wel begrypen; en die vriendschap doet +_u_ ook veel eer. + +_Ik_. Zy zou zeker u niet tot schande, en nog veel minder tot verdriet +strekken, indien _gy_ ten minsten genoeg hadt aan zyne vriendschap, +(_zij werdt bleek_.) Kent gy den Heer Blankaart, Mejuffrouw Hartog? +(_haar sterk aanziende_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. Heden; Liefde! wat vraag is dit nu ook? + +_Ik_. Juffrouw Hartog zal my, vrees ik, verstaan. + +_Juffrouw Hartog_. Nooit hoorde ik, dat men vreesde verstaan te zullen +worden: ha! ha! + +_Juffrouw Lotje_. Nu, dat's my te geleert. + +_Juffrouw Buigzaam_. En my ook, Juffrouw Lotje. + +_Ik_. Ja! wist gy wel, dat _ik_ zo eene Scavante was? of liever, dat +ik zo t'onpas iets kon vragen? Wel nu, 't zal u geen oneer zyn myn +Voogd te kennen. Hy is wel geen geleert, maar hy is een eerlyk man; +eene hoedanigheid, die ook al zyn prys heeft. + +_Juffrouw Hartog_. Och, myn lieve kind, ik zou nooit geraden hebben, +dat er zo een man in de waereld was, zo ik u zyn naam niet wel eens +had horen noemen: neen, ik ken hem niet. + +_Ik_. Men zou u occasie kunnen geven, om hem te leren kennen; doch hy +heeft niets recommandabels dan zyn vroom eerlyk karakter. + +_Juffrouw Buigzaam_. Zullen de Dames ook nog ergens van gedient zyn? +anders zou ik verzoeken om te danken en laten afnemen: 't is my wat +heel warm in de kamer. Wy allen bogen, dankten, en gingen de een hier, +de andere daar. Hartog peinsde. Juffrouw Buigzaam ging in haar Tuin, +zag hare bloemen met blyde vergenoeging. Ik stond voor 't raam, diep +aangedaan over den ontfangen Brief. Frits had een mand spenage +gesneden, die hy haar liet zien. "Ja, zei ze, Frits, die spenage staat +my niet aan.--"Zy is evenwel, in uw Tuin gegroeit, Mejuffrouw."--"Al +was zy in myn Zydkamer gegroeit, Frits, nog staat zy my niet aan."--Ik +wou, Letje, dat ik haar toen had kunnen uitschilderen; maar nog liever +dat gy haar toen gezien hadt! Ik ging zitten spelen, en wou myn +verdriet weg zingen: 't was of myn vingers de kramp hadden; evenwel, +ik dreunde lustig door. En Lotje vondt, dat ik mooi speelde: dat zeit +al zo iets, niet waar? + +Wy kwamen allen in de zydkamer byeen, om thee te drinken: Myn hoofd +was vol, en ik kneep nu en dan een traan weg: wel naarstig aan de +zakdoeken naaijende, terwyl Lotje breide, of zy er geld mee verdiende. +--Daar kwam zo waar de Heer R. Het denkbeeld, dat hy beschuldigt was, +om dat men my benydde, maakte my veel vriendelyker dan ordinair; me +dagt, dat ik hem vergoeding doen moest; en dat denk ik nog. Hy hadt +een zeer fraaije bloem op zyn borst; hy zag, dat ik er naar keek; durf +ik u deeze aanbieden? zei hy, en ik nam die vriendlyk aan; hy was zeer +fraai. + +_Juffrouw Buigzaam_. Is myn Heer R. ook een Liefhebber van bloemen? + +_De Heer R_. Ja, Mevrouw, en ik vind, dat in deezen, zo als in alle +zaken, de Natuur de Kunst oneindig overtreft. Ik heb ook eene kleine +verzameling van vreemde gewassen, die men maar zelden vindt. + +_Ik_. De Heer Blankaart heeft my wel tienmaal belooft, my eens in den +_Hortus Medicus_ te brengen, maar 't is er nooit toegekomen; en ik +hoor, dat daar zulke fraaije Planten en Heesters zyn. + +_De Heer R_. Laat ik de eer mogen hebben, u daar eens heen te leiden: +gy zult met verrukking zulk een rykdom der Natuur beschouwen; 't is er +waarlyk fraai. + +_Ik_. 't Zou onbeleeft zyn, dit verzoek af te wyzen. + +_De Heer R_. Ik zou om die eer deezen dag zelf nog verzoeken, maar ik +ben geengageert: mag ik morgen, als het zulk heerlyk weer is, en zo +zonnig als nu, zo gelukkig zyn, om de Dames daar heen te brengen? + +_Juffrouw Hartog_. Ik bedank u; ik ben niet plantagtig; een bloem is +by my een bloem, meer niet. + +_De Heer R_. En wat zegt Mevrouw? + +_Juffrouw Buigzaam_. Excuseer my, myn Heer; huisselyke bezigheden, +en myne zwakheid laten my dit niet wel toe. + +_De Heer R_. Deze vriendelyke Juffrouw zal dan wel gelieven mede te +gaan? + +_Juffrouw Lotje_. Ik zou 't gaarn doen, maar ik moet morgen ogtend +tydig by myn Oom en Tante zyn, om naar den Hout te ryden. + +_De Heer R_. Zo dat, Mejuffrouw, gy zult u dan met myn gezelschap +alleen zien te vermaken? + +_Ik_. o, Myn Heer, maak geen complimenten. + +Hy boog. Nog een kwartier gezeten hebbende, zeide hy, dat hy morgen +ten vier uuren zou maken aan huis te zyn, en vertrok. Onze Juffrouw +Scavante las; wy spraken weinig. Elk scheen in gedachten; myn kind +zeker over haar vrolyk reisje naar den Hout; ik over den Brief; en +Juffrouw Buigzaam?--dat wist ik toen nog niet! + +Na het thee drinken stondt de lieve Vrouw op, nam een boek mede, en +ging in het Tuinhuis zitten; (zo als ik naderhand zag.) Ik zag +mistroostig, ongemaklyk[2], en stond ook op, my naar den Tuin +begevende, om ruimer adem te scheppen. Doe ik u ook belet, Juffrouw +Buigzaam? anders ga ik weer heen. + +_Zy_. Integendeel, _uw_ gezelschap is _my_ altoos aangenaam. + +_Ik_. Dan zal ik my by u zetten. (_Zy zag onderwyl al in haar Boek_.) +Ik moet u iets vragen. Zyt gy misnoegt op my? als dat waar was, dan +zou ik zeer ongelukkig zyn. + +_Juffrouw Buigzaam_. (_Haar boek toedoende_.) Misnoegt? Hier uit moet +ik opmaken, of, dat gy my voor zeer grillig houdt, en dat hoop ik +nooit te verdienen; of, dat gy meent, my eenige reden daar toe gegeven +te hebben. + +_Ik_. Zo ik u van grilligheid verdagt hield, dan zou uw misnoegen my +niet ter harte gaan; dewyl ik begryp, dat de capritieuse vrouwen geen +meer achting verdienen dan capritieuse mannen. + +_Juffrouw Buigzaam_. En doet het u waarlyk leet, dat ik niet zo +gemeenzaam met u ben als van te voren? + +_Ik_. Ja, zeker; maar dat gy my dit vraagt, treft my niet minder. Gy +weet dan nog niet, hoe hoog ik u acht; of hoe hartlyk ik u bemin; en +hoe zal ik u daar ooit van kunnen overtuigen? (_Ik had tranen in myne +oogen_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. _Als_ gy my in dat licht beschouwt, dat ik +waarlyk uwe achting niet onwaardig ben, waarom maakt gy dan zo weinig +gebruik van myne oprechte vermaningen? + +_Ik_. _Als_, zegt gy met nadruk! + +_Juffrouw Buigzaam_. Is het zo niet? Kom aan, wy zitten hier nu onder +vier oogen. Laat ik eens met u praten: wilt gy? + +_Ik_. Niets zal my aangenamer zyn. Maar zeker, zyt gy t' onvreden? + +_Juffrouw Buigzaam_. Ja! en nog meer verdrietig: ik heb u te lief, om +niet beide te zyn. + +_Ik_. Wees nu alles wat gy maar wilt, indien gy my maar lief hebt: Mag +ik u echter vragen, wat u hier toe beweegt? + +_Juffrouw Buigzaam_. Uwe eigene onvoorzichtigheid. + +_Ik_. (_Ik werd ongemakkelyk, en zy zag het ook_.) Myne eigene +onvoorzichtigheid! + +_Juffrouw Buigzaam_. Niets anders.... Maar my dunkt, dat gy niet zeer +geschikt zyt, om thans onaangename waarheden te horen; en ik beken, +dat ik geen recht heb om u die te zeggen, ten zy de vriendschap my dat +recht geeft. Willen wy de zaak daar laten? + +_Ik_. Zo als gy verkiest: niemand hoort gaarne onaangename waarheden; +'t is des geen mirakel, dat ik er niet veel smaak in heb. (_Zy zag my +zeer bedaart, doch niet minzaam, aan_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. O myn kind, speel niet met uw eigen geluk! (_Dit +woord brak myn trotschheid; ik rees op, omhelsde haar, schreide aan +haar hals; zy kuschte myne gloeijende wang, trok een stoel naast den +haren, en zei_:) Zit, myne Liefde; waarlyk, ik meen het wel met u. +--(_Ik kon niet spreken, ik snikte_.) Zy ging voort: De Voorzienigheid, +die alles in de zedelyke en natuurlyke waereld bestuurt, die altoos voor +alle hare schepzelen het beste beoeogt, heeft u, tegen uw uitzicht aan, +by my gebragt. Dat ik u lief kreeg, was zeer natuurlyk; dat gy my met +achting behandelde, ingelyks. Ik leerde u kennen, ik zag, dat gy een +voortreffelyk jong mensch waart; en dat, zo gy altoos uw schrander +oordeel volgde, zo gy altoos[3] in goede handen vielt, vooral, zo gy de +vrouw wierdt van een achtingwaardig, u beminnent man, gy een voorbeeld +in het huisselyk leven zoudt kunnen worden, om dat gy u dan zoudt +verheffen boven uwe sterke neigingen tot zulke vermaken, die nooit onze +pligten moeten uit den weg stoten, of zy worden hoogst afkeurelyk. Geen +meisje van zulk een edelen geest doet ook iets uit dwang: en mogelyk zou +ik, indien dit het eenige goede middel voor u ware, uit alle vrouwen +minst geschikt zyn, om u nuttig te zyn. + +Gy krygt gelegenheid om eene party te doen, die zelf uwe zalige Ouders, +(zyn zy nu nog vatbaar voor aandoeningen, die uit deeze beneden waereld +ontstaan; iets, dat my zo voorkomt,) moet verheugen. Elk, die belang in +u neemt, wenscht, dat gy toch moogt besluiten, om u van dat geluk te +verzekeren. De man, zo beminlyk, zo edel denkent, en zo volmaakt geschikt +voor u, als gy voor hem zyt. Wat doet gy? Dat gy hem nog niet genoeg +bemint, om hem u zelf te geven, daar op is niets te zeggen: maar gy geeft +u dermate toe in uitspanningen, die in 't oog vallen, dat de Waereld niet +nalaat, om u zo aftebeelden, als gy nooit worden kunt: men houdt u voor +_Coquet_, voor _une Dame du Ton_; voor een Meisje, dat zich, in alle hare +daden, geen ander oogmerk voorstelt dan Divertissement. Kan ik, die u als +myne eigen Dochter bemin, dit zien, zonder op u misnoegt, en over uw +gedrag zelf bedroeft te zyn? Gy weet, Liefde, dat ik geen behagen heb in +den Heer R.; ook niet, (dit volgt er uit,) dat gy met hem uitgaat. Ik kan, +dat is waar, u wel geen reden geven van deeze ongunstige aandoening; doch +gy weet echter, dat gy my veel genoegen zoudt aandoen, indien gy deeze, u +onschadelyke, opvatting in acht geliefde te nemen: dat doet gy niet; en +nog deezen namiddag geeft gy weer uw woord. + +_Ik._ Hadt gy my maar een woord gezegt! + +_Juffrouw Buigzaam._ Wanneer moest ik u dit eene woord gezegt hebben? +Voor de zaak gebeurde? gy waart niet zo gehumeurt als voortyds; gy +hadt iets, dat u trof; en ik was de Confidente niet. o Liefde! niets +ontglipt my van u; ik moet voor u zorgen, myne genegenheid gebiedt het +my, al zo zeer als myn pligt. + +_Ik._ Ik heb vyanden: ik word gelastert. + +_Juffrouw Buigzaam._ Dat kan niet anders: en zo gy voortgaat, met hen +stof te verschaffen, zullen zy u nog anders kwellen. Maar, (om ons +discours te vervolgen,) toen het voorstel geschiedde? Ei lieve, wat +recht heb ik, om u in gezelschap te behandelen of gy myne mindere +waart, aan wie ik alles mag zeggen? om, met een woord, als uwe +Gouvernante te handelen? Ik denk, dat dit u ook maar matigjes zou +hebben aangestaan. + +_Ik._ Wel, wat kwaad is er dan in, dat ik met een fatsoenlyk man den +_Hortus Medicus_ ga zien? + +_Juffrouw Buigzaam._ Net zo veel kwaad, als of gy u door Frits naar de +kerk liet brengen. Van het kwade spreken wy ook niet: al, wat dien naam +verdient, is beneden u; dat weet ik zeer zeker: maar zo gy waarlyk myne +Dochter waart, dan zou ik u, a1 wat u geen goed gerucht door uwe vyanden +kon geven, u volstrekt verbieden: _Het heeft immers zulk een haast niet, +zoude ik zeggen myn Heer; myne Dochter zal, met haar Voogd Blankaart, +die haar dit belooft heeft, den een of andren dag dat vermaakje wel eens +nemen._ Gy waart ook buitengemeen vriendelyk tegen hem. + +_Ik._ Hy wordt, buiten zyn weten, om mynent wil beledigt; en dat valt +my te zwaar, om hem, ook buiten zyn weten, daar geene vergoeding voor +te doen: doch, zo uw mishagen gegront is, wel, gy zyt meestresse van +uw huis; wagt hem nooit meer af. + +_Juffrouw Buigzaam._ Ik wagt hem nooit af. Hy is een fatsoenlyk man, +ik kan my, op zo eene directe wys, van myn recht als Meestresse ook +nog al zo niet bedienen: maar indien gy, ten zynen opzichte, minder +gemeenzaam waart; indien gy, als hy inkwam, opstondt, onder het een +of ander voorwendzel, en voornam, altoos te bedanken voor alle zyne +aanbiedingen, dan zou de Heer R. wel dra verdwynen, en ons geen +verschilstoffe aan de hand geven. + +_Ik._ Daar toe heb ik geen reden; en dewyl ik hem niet anders ken dan +voor een fatsoenlyk, aangenaam man, die zich een eere maakt in my +plaisier te doen, kan ik daar niet toe besluiten: indien ik den Heer +Edeling beminde, indien ik hem eenige hoop gaf op myne bezitting, dan +was het eene andere zaak; en ik zou dan juist doen, zo als gy nu van +my eischt, dat ik doe. + +_Juffrouw Buigzaam._ Ik eisch het niet van u; uw eigen geluk, uwe +achting voor u zelf, uwe achting voor den Heer Edeling, eischen dit. +_Ik_ heb niets te eischen: al wat ik doen kan, is u ten besten raden, +en dat doe ik waarlyk: gave de Hemel, dat myne zorg voor u geheel +nodeloos was! want, hoe het ook ware, uw ongeluk zou myn hart doen +bloeden. Ik bemin u, myn kind: ik zie zo veel goeds in u; uwe +dwaasheden zelf groeijen op den besten grond. (_Ik weende._) + +_Ik._ Dierbare Vrouw! vergeef my deeze eene reis myne verkeerde losse +toegeventheid! Nooit, nooit zal ik weer bedroeven, gy zult alle myne +daaden en gedagten regelen; ik zal den Heer Edeling recht doen. Ik heb +dit alles zo niet beschouwt, o! Wat zou ik ongelukkig zyn, zo ik u +verloor! Dat zie ik meer en meer; maar ik zal alles vergoeden; ik zal +met u, en met Letje huisselyk leven; wy zullen niet dan met Edeling, +of haar Broer, nu en dan eens een uitvlugtje nemen; als gy 't zelf +goed vindt, anders niet. Zie daar, ik geef my, ter myner verbetering, +geheel aan u over! (_Zy drukte my aan haaren boezem_.) + +_Juffrouw Buigzaam_. Myn eigen lief kind! alles is nu wel, alles is +afgedaan; ik weet, dat gy het oprechtste meisje van de waereld zyt; +en dat gy ook doen zult, meer nog dan gy my belooft. + +Na nog wat zittens en minzaam samenpratens, vroeg zy my, of wy wat +wilden gaan musiceeren? o Zeer gaarn, zei ik. Zy droogde, met haar +eigen zakdoek, een traantje of vier af, kuschte my; haalde myn Voile +wat neer, op dat niemand myn beschreit gelaat zien zou, (denk ik,) en +wy gingen elk voor 't Clavier. Nooit speelde zy zo verrukkelyk; al +hare tonen stemden met myn ziel, en zy zong haar favorite Air: + + _Ah! que l'amour est chose jolie_! + +zo heerlyk, dat myne vingers stil stonden. Vervolgens spraken wy van +den Heer Edeling, en over zyne t'huiskomst. Hebt gy hem, vroeg zy, +eenig gunstig onthaal toegeschikt? + +_Ik_. Wel, ik verlang waarlyk, dat hy hier is; ik weet het niet, maar +er [is] iets zo ledigs, nu hy hier niet is: dunkt u dat ook niet? me +dunkt, dat Letje en hy zo recht by ons behoren. Ik wist niet, dat ik +zo over hem denken zou, nu hy hier niet is; doch 't is echter niet +anders. (_Zy glimlachte, en noemde my Engel_.) En vraagt gy nu, +"waarom vertrouwde gy haar den Brief van uwen Voogd niet toe?" Om dat +ik, zelf voor deeze dierbare Vrouw, niet wil weten, dat zy in dit +opzicht het zo wel hadt. Dit is mooglyk verkeert; maar neen: die +vernedering is my te smartelyk. + +Ik was byzonder stil onder ons soupeetje; Juffrouw Buigzaam insgelyks; +beide mooglyk uit verdriet, dat wy verschil gehad hadden. Lotje durfde +niet spreken, dan met de Kat, en Hartog hieldt een deftig, styf, +peinsagtig air. Wy gingen vroeg naar bed, en nu schryf ik u deezen, +om hem by de eerste occasie te verzenden. Nagt Liefde. Kom spoedig by + + Uw teder liefhebbende Vriendin + + SARA BURGERHART. + +P.S. De Brief van myn Voogd sluit ik hier in. + + +Noten: + +[1] Vleiend. +[2] Ontstemd. +[3] Tenminste. + + + + +HONDERD-DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF. + +DE HEER R. AAN DEN HEER G. + + +_Vriend Jan!_ + +Uit is de klugt! de myne--de myne is zy, moet, zal zy zyn. o! Dat lief +Bekje! En hadt gy waarlyk zin om den _Hortus Medicus_ te zien? Nu, +Schat, gy zult veel meer zien; of ik verdien voor schelm uit het +Regiment Ligtmissen gejaagt te worden. En kon Mevrouw Buigzaam niet om +huisselyke zaken? o Ik heb achting voor _huishoudende Vrouwen_; gy doet +wel, schone Weduw! + +Bezorg, dat morgen voor den middag myn Fargon en de harddravers, _Kwast_ +en _Bles_, gereet zyn, om naar buiten, doch langs een omweg te ryden. +Hou u daar van daan: ik heb u niet noodig; zeg alleen aan den Tuinbaas, +_dat ik met een meisje kom_, dan weet hy genoeg. Hy moet my niet kennen +voor 't nodig is; en dan zal ik hem dat wel beduiden. Hy is een gaauwe +Kerel; hy moet maar niet weten, dat deeze Dame geen maitres van my is; +want hy babbelt dan maar weer van zyn conscientie; en, schoon ik op geen +hand vol ducaten zie, als ik wellust kopen wil, zo hoef ik hem echter +niet te vroeg ryk te maken. Ik zal Buiten zyn tegen vyf uuren, of half +zes: de Fargon[1] moet in 't koetshuis, en de Paarden moeten, zo als zy +van voor 't rytuig komen, op stal gezet worden. Ik zal de rest wel +schikken. Philips moet maar te rug gaan. + +Onthou myn orders wel. Daar! daar hebt gy vyftig ducaten, om uw schulden +van eer te betalen. Ik ben flaauw van vreugd. Zo een meisje; zo een engel; +zo rein als een Kind; zo onkundig van haar gevaar; die niet eens vermoedt, +dat ik de Belsebub ben, die het op haar bederf toelegt! want trouwen, +Liefstetje, daar kan ik niet aan doen. Zie; zo praat ik al in en met my +zelf. + + R. + + +Noot: + +[1] Fourgon? Hier: gesloten wagen. + + + + +HONDERD-VIER EN TWINTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland aan Sara: Benjamin +en Slimpslamp _zijn er met bijna al haar geld van door_! Ze vraagt +vergiffenis aan Sara en voorspraak bij Blankaart. + + +HONDERD-VIJF EN TWINTIGSTE BRIEF.--Sara _vergeeft alles en belooft +voorspraak_. Zal zelf komen. + + +HONDERD-ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Saartje is +zoek! _Ze is met_ R. _uitgegaan en niet teruggekeerd_. Ze wachtten op +haar den dag, den nacht, in doodelijke spanning; eindelijk, _om vijf +uur, daar is_ Sara. O, o!--die vreeselijke R! Gelukkig Saartje _is +ongedeerd gebleven maar heelemaal overstuur_. Hendrik is er zelf ziek +van! + + + + +HONDERD-ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT. + + +_Lieve Vriendinne!_ + +Ik ben te beschaamt, om je onder de oogen te komen, daarom schryf ik u +deezen Brief. Och! ik ben een verloren menschje! Had ik toch naar je +gehoort; maar, wat zal ik zeggen? Ik geloof, dat myne zonden my alle +deeze elenden hebben op myn hoofd gehaald, och ja! Ik was recht +toornigjes op u, toen gy laatst by my waart: want ik meende, dat je zo +niet tot het diepste van ons wegje waart doorgekropen; dat het allegaar +zoo maar stukwerk was, om dat je zo weinig zin hadt aan Broeder Benjamin. +Wat heb ik my voor den Here vernedert, om dat ik eenigen agterdogt omtrent +dien Huichelaar plaats gaf! 't is een Belials-kind, een uitgepleisterd +graf, van binnen vol stank en doodsbeenderen. En zy is eene Jezabel. Zy +heeft my strikken gespannen; zy heeft my op myn droggrond neergezet. Zy +heeft my wys gemaakt, dat al myne ongerustheid ingevingen des Duivels +waren. Zy is eene Architofellinne, die my nog voor agt dagen zo een +goddelozen raad gaf, met opzicht tot myn Nichtje Burgerhart. Maar de +Here liet zyn schepzeltje niet los: en toen schreef zy my een Briefje +van berouw, in zulk een gezalfden styl, Styntje! zy kermde daar in, +dat zy nu twee dagen en drie uuren in 's Duivels magt geweest was. O, +'t was zo een dierbaar Briefje! En toen was het, dat zy tegen den +Hypocryt zei, _kom, laten wij een graf graven, ende Zanneke daar in +werpen_; want zy liet my belet vragen; zy hadt zalving voor haar +verbryzelt herte nodig, en Broeder zou dan, nu des Heren yver hem +vervulde, eens regt zielnadereade en gemoedelyk oeffenen. Wat stelde +ik my een gezegent dagje voor! ja, Styntje, ik liet het gemeste kalfje +slagten, en de zegeningen der linkerhand werden niet gespaart. Och, ik +ben toch altoos zo een Kruipertje op het genadenwegje, en was zeer +gesticht. Benjamin was eerst een regte Boanerges, en toen een Zone der +vertroosting; en Slimslamp was geheel in een afgezakten staat; doch +daarna geheel heilige vreugde, zo zei dat Ezeltje. Ik merk, zei de +goddeloze man, dat hier van avond een byzondere zegen over het werk +van myn dienst is. Uw huis is een Bethel, Zuster, een Nieuwkerk, laten +wy dan blyde zyn: drink, Vriendinnetje, je bent al te bedroeft geweest +en je leven is den Sionieten dierbaar. Nu moet je weten, Styntje, dat +ik niets verdragen kan; myn hoofdje is zo zwakjes, zo zwakjes: och ja! +en toen raadden zy my wat te gaan liggen, en dat deed ik. o Wat +bezorgden zy my! maar ik was danig bedwelmt.--'s Ogtends ontwaakte ik +vry wel, maar ik was toch bezwaart, om dat ik onder zo vele stichting +my door het schepzeltje had laten vangen. Bregt was ook ziek, zei ze. +'t Was laat, toen wy opstonden; zy was stom dronken geweest. Daar ga +ik in myn binnenkamer, en zie myn Geldkoffertje niet, daar het plagt +te staan: "Bregtje, riep ik, heb jy 't Kistje verzet?" "Och neen, zei +ze, is 't weg? en ook 't zou my wat zwaar zyn alleen." Want Styntje, +ik had veel contant geld van afgeloste Obligatien, en een Huis, dat ik +verkogt had, en myne Juwelen lagen er ook allegaar in; en daar hing zo +een groen kleedje over; och ja, Styntje, Bregt vertelde my toen, dat +Keetje haar wyn hadt ingedrongen, (maar dat zei ze ook eens van myn +Nichtje,) en dat zy haar toen in de keuken op kussens hadden neergelegt; +meer wist zy niet te zeggen. Nog dogt ik geen kwaat van die Hellewigten. +Och, dagt ik, Bregt zal de deur hebben open gelaten, en 't Kistje zal +gestolen zyn! Ik zond een kruijer naar Benjamins kamer, en naar die van +Kee; maar de Buren zeiden, dat de Kamers leeg waren, dat zy voor een dag +of agt wel meubeltjes hadden zien wegbrengen, maar wisten niet waarhenen. +Ik ging voort naar Domine P., die my raadde het in de Courant te zetten, +en zo te zien, dat zy in handen der Justitie kwamen, dat zal ik doen. Nu +ben ik wel twee derde deel van myn goedje kwyt. En al myn Nichtjes goed +hebben zy laten staan. Bregt, nu zy weet, dat ik arm ben, bejegent my +vreselyk en vreselyk. Nu zal dat jonge dartele Saartje lachen, en my +bespotten; en de Heer Blankaart, haar Voogd, komt ook t'huis. 't Water +is aan de lippen. Ja, dien man heb ik ook zo belastert; och ja! + +Hy heeft het wel gezeit! Zanneke, zei hy, dat volk loopt op je zak, ze +bedriegen je. Jy bent een regte Saulus, zei ik dan. En wat gaf Benjamin +niet voor, dat hy zo eene innerlyke dingsigheid voor my hadt: hy was jong, +moet je weten; hy hoopte, dat wy nog eens tot eenen vleesche zouden worden, +wy die twee waren van natuur. Wel heden, Styntje, het er niet een heel +praatje gegaan, dat ik een jok met den Broeder zou aantrekken; en heeft +de Heer Blankaart, heel in dat Paapsche Vrankryk, er zich niet mede +bemoeit? Als ik zo alles nadenk, zou ik myn gryze hair wel uit men hoofd +scheuren. Myn geld, myn kostelyke geldje is weg, ik ben bedrogen. Och! wat +ben ik een droevig sukkeltje! En hoe zal myn Nicht nu tot opspringens toe +blyde zyn! Nu zal zy zeggen, straft onze lieve Heer myn Tante, die my zo +kwalyk bejegent heeft. Zie, ik moest je dat zo allegaar eens schryven. +Schryf een lettertje aan + + Uwe elendige Zusje, + + ZUZANNA HOFLAND. + + +[Illustratie: ha! da's een kereltje! zei hij! +Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave +van 1782.] + + + + +HONDERD-ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND. + + +_Vriendinne Hofland!_ + +Ik weet nog niet, of ik my over uw geval bedroeven of verblyden moet: +maar ik ben zeer neerslagtig, als ik zie, dat er zulke goddeloze +menschen in de Waereld zyn, die, _onder den dekmantel der Godzaligheid_, +erger doen dan zy, die niet leven onder de indrukken van Dood en +Eeuwigheid. Gy zyt dan het slagtoffer hunner geveinstheid en godloosheid! +Wat zal ik zeggen! De wegen des Heren zyn onnaarspeurbaar, en de middelen, +die hy aanwendt, om verdoolde schapen tot de regte Kooi weer te brengen, +aanbiddelyk. Ik verheug my, dat de Here u zo lief heeft, dat hy u juist +ontneemt, daar gy uw hart op gestelt hebt, en waardoor gy altoos in 't +goede te rug gehouden wierdt. Ik heb u lang met meelyden beschouwt, om +dat ik zulk schuim van Oefningsvolkje kende.--Ik weet, dat men daar, met +oogen vol overspel, en een hart vol boosheid, een vrybrief naar den Hemel +krygt; en ik ben in lang voor een openbaar zondig mensch zo bang niet, als +voor zulk soort. Wel, zo de Apostel Petrus eens in uwe Oeffening gekomen +was, dan zou hy tegen Benjamin ook gezeit hebben: _o! gy kind der Helle, +vol van alle bedrog en godloosheid_, zo als hy tegen Simon den Tovenaar +zei. + +Ik heb u, daar ik God nog voor dank, gewaarschuwt. Wat zou ik my anders +nu bezwaart gevoelen! Maar gy zaagt my aan voor hunne Vyandinne, en ik +vond geen ingang tot uw verbystert hart. De Here zelf moest u uwe zonden +voor oogen stellen. Gy waart gierig, onrechtvaardig, boosaartig, nydig; +gy deedt uw eige Zusters Dochtertje te kort. De gierigheid zou u voor +altoos bedorven hebben; want gy waart gerust in uwe ongerechtigheden; +men maakte u wys, dat dit uwe Koningszonde was; dat gy zo iets moest +hebben, om u laagjes te houden; zo een _Engel Satanas_, die u sloeg. Hoe +meer gy afweekt van het kenmerk eens waren discipels des Heren, hoe meer +men u wys maakte, dat _gy by Jezus waart_. + +Om u tot bekering te brengen, ontneemt de Here u dat goed, en wel door +uwe geveinsde Vrienden. Gy hadt met Gods oude Volk twee ongerechtigheden +begaan. _Hem, den Springader des levendigen Waters, hadt gy verlaten, en +u zelf gebroken Bakken uitgehouwen, die geen water en houden_. Is u de +Bekeering ernst, wel zie daar, ik geef u een zeer goed Toetssteentje. +Kunt gy Gode hartelyk danken, om dat hy u dat aangebeden geld ontnomen +heeft? Kunt gy u in Gode verblyden, om dat gy uit zulk een _geestlyk +Sodom_ geret zyt? Kunt gy besluiten, om aan uwe Nicht schuld te bekennen, +haar al het hare te geven? Kunt gy den Heer Blankaart om vergeving bidden; +om dat gy zyn Voogd-Kind als gedwongen hebt, om, in hare jonge jaren, de +ruime Waereld in te gaan? Ik vraag u niet, of gy uit waar berouw u voor +den Here kunt vernederen; als gy het eerste doet, zal dat wel volgen; en +kunt gy tot het eerste niet komen, het laatste zal u weinig helpen. Ja, +Vriendinne, het zal danig op den ouden mensch der zonde aankomen. Maar +dit is de ware zelfsverlochening. Dit is de Evangelische Leer. Dit is het +_Innig Christendom_. Buiten dit is alles ydelheid; _dan hebt gy geen +Godsdienst_. Doet gy dit al? dan zult gy vreugde en rust hebben, en gy +zult den Here danken, om dat hy u uwen afgod ontnomen heeft. Gy zult +zien, dat uw verlies tot winst wordt. + +Laat Bregt gaan, zo gy kunt; zy voegt beter by de Benjamins en +Slimpslamps, dan by u. Ik zal u een goed mensch bezorgen, om uw werk +te doen, tot dat wy weten wat en hoe. Vervolg de boze Huichelaars +niet; 't is geld vergeefsch uitgeven, en u zelf tot bespotting +maken.--Als ik weet, of gy mynen raad goedkeurt en opvolgt, zal ik +verder met u spreken. Beproef u aan het Heilig woord, en laat my eens +weten, hoe gy gezint zyt; want daar van zal myn gemoedshandel met u +afhangen. Beproef ook, of myn raad uit God is. Altyd gedenk ik u in +myne gebeden, want ik ben in waarheid + + Uwe Vriendinne, + + STYNTJE DOORZICHT. + + + + +HONDERD-NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.--Arnold Helmers, Aletta's vroegere +weldoener, schrijft haar: neem neef Pieter, _is zeer geschikt voor +je_. + + +HONDERD-DERTIGSTE BRIEF.--Zuzanna Hofland komt tot de lektuur van +_Thomas a Kempis_: Imitatio Christi. Brecht _is in een bierkroeg +verzeild_. + + +HONDERD-EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik heeft Sara gesproken; _zeer +zwak, maar beterend_. + + +HONDERD-TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.--Aletta aan Helmers; ze kent Pieter +heelemaal niet! maar haar hart is vrij, misschien.... + + +HONDERD-DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.--Stijntje Doorzicht heel wijs en +vroom aan Zuzanna Hofland: ze haat volk als Benjamin c.s.; van Sara +heeft ze een lieven indruk. + + +HONDERD-VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis bericht Sara de +thuiskomst van Moeder en haar; ze zullen veel te praten hebben. _Zij +weet van de historie met R. niets_. Zij zelf gaat binnenkort trouwen. +Is Smit eenmaal ergens beroepen, dan _blijft_ hij er; _hij is +gematigd, houdt niet van godsdiensttwist_. + + +HONDERD-VIJF EN DERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan H. Edeling; zij +houdt den zieken Hendrik op de hoogte; Sara _gevoelt zich_ H. _nu +vooral niet meer waardig_, toch verlangt ze naar Hendrik, evenals naar +Blankaart, _die al op reis is_ huiswaarts. + + + + +HONDERD-ZES EN DERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED. + + +_Ge-eerde vrouw!_ + +Gy zyt immers niet moeilyk, om dat ik uwen laatsten Brief niet +beaentwoort heb? Hoor, Mevrouw, ik ben niet al te wel te vreden op u, +en knorren op eene vrouw, dat is my onmooglyk; (op een stout meisje +bruit er nog zo wat mee heen.) Maar, zie, ik kan ongelyk hebben: nu, +wy zullen dat appeltje wel schillen; want ik kom t'huis, en 't zal er +onder en overgaan, zo Saartje maar zie zo veel op de kerfstok heeft; +en als het op de eene regent, zal het op de andere druppelen; want men +heeft my zo wat gezegt, dat my verdort en verdort weinig aanstaat. Jan +struksje! als ik evenwel eens bedrogen was? wel, dan wierd ik averegts; +en ik mogt u wel, met een strop om myn hals, en een brandende kaars in +myn hand, om vergeving bidden; zo als ik hier wel gezien heb, dat de +Papen voor de Heilige Maagd deden. + +Nu, dat zal zich wel redden! Ik zal u onderwyl maar eens verhalen, dat +ik met twee goeje, grote, lange Hollandsche Jongens t'huis kom. Ja, ik +heb al rare klugten! Daar kom ik, 's daags voor ik uit Parys gaan zal, +in een Hollandsen Logement, het eenige, dat er in de hele godgantsche +Stad te vinden is; en daar ik meermaal naar toe ga? om eens Hollandsche +nap te eeten, en een schoon servet te hebben. Ik zit vredig en wel aan +myn tafeltje; met Snap, myn Patryshond, zo aan myn zy, braaf te schransen, +toen er een fraai jong Heer inkomt, die er uitzag als een bloeijende roos, +en dat neemt my aanstonds ten voordeel van zulke jonge maats in. Hy sprak +zeer goed Hollandsen: jy bent geen Fransch fatsoen, dogt ik, maar wie ben +je? Nu, ik kon dat zo niet vragen: _hei, hoor eens hier! jy, met die +groene rok daar, wie ben je_? Nog geen half kwartier daar aan, of daar +komt myn oude kennis, myn beste Willis. Ik stond op, en gaf hem, op zyn +vaderlands, de hand. Welkom, myn jongen, zei ik: kom, zit aan, en eet wat +met my; en ik vroeg hem duizend vragen te gelyk. "o, Zei de goeje jongen, +myn Heer Blankaart, wat heb ik naar u gezogt! men zeide, dat gy vroeg +waart uitgegaan, meer niet; ik heb wel in vyftig Coffyhuizen en Logementen +geweest, gy waart er niet; eindlyk zei een Heer, die u scheen te kennen, +dat de goede Heer Blankaart zeker aan zyne Hollandsche maaltyd zat; en hier +uit besloot ik, die uwe gewoonte ken, dat gy in dit Logement waart:" Hy +vroeg my aanstonds naar het stout Dingetje; en ik zei, dat alles wel was; +wat zou ik gezeit hebben? + +Myn mooije jongen hoorde naauwlyks, dat ik Abraham Blankaart was, of hy +kwam by my, en zei, dat hy ook verzogt om de eer van met my te eeten; +"ik kan my niet beter by u recommandeeren," zei hy, "dan door u te zeggen, +dat Hendrik Edeling myn eigen Broeder is." + +Zie, Mevrouw, dat was my zo aangenaam, zo aangenaam, dat ik het niet +zeggen kan. Komt, kinderen, zei ik, zit aan, en weest myne Gasten. Zy +aten als rovers; en de wyn, die 't hart verheugt, smaakte zo goed, dat +ik myn flesje kraakte. Toen aan 't praten over Oost en West, over +negotie, over ik weet niet al waar van. Zie, onze jonge lui weten toch +veel meer dan wy; dat is niet anders; en daar ben ik blyd om. Edeling +zei, dat hy op zyn vertrek naar Holland stondt. Willem zei ook zo; +doch dat hy nog drie dagen moest vertoeven, om aan zyn Patroons order +te voldoen. Wel, zei Edeling, dan zal ik naar u wagten. Ja, zei ik zo, +jonge lui, ik meen ook te gaan. Daar hadt men 't leven gaande! "dat ik +hun toch mede nemen wilde; dat zy toch zo gaarn met my wilden reizen." +Wat zou ik doen? Ik ben een ouwe Gek; om die twee jonge vlasbaarden +werdt myn reis nu nog drie dagen uitgestelt. Nu, wie weet, hoe wel ik +er aan doe? Als 't immers myne kinderen waren, zou ik blyde zyn, dat +zy met een ordentlyk man t'huis kwamen; en ook, 't zyn lieve jongens! +Edeling is niets dan vreugd en vernuft; en Willem, wel, dat is de +beste jongen in heel Amsterdam, zeg ik u. + +Toen wy van tafel opstonden, zei ik: "Kom, jongens, nu zullen wy eens +hier en daar gaan, en het een en ander gaan zien. Die te Romen is, +moet den Paus spreken;" en ik sleepte hen ook braaf door den mostert: +Maar wat ben ik nu in myn kragt! Nu hoef ik myn schrale voorraat van +Fransch niet benaauwt uit te stallen. Dat koetert, dat koetert; 't is +of die Edeling zyn tong voor 't Fransch gemaakt is. Tegen den avond +ging ik met hun naar mynent, en zei: "komt, haal je lui je Valiezen +maar; ik moet je lui by my houden." Wel, myn hart springt op, als ik +een Hollander zie; en geen wonder, myn Snap is net al eens: en dat is +nu maar een hond, wil ik spreken; zo dat ik hield hen beide, en dogt; +"'t Is een verleidelyke plaats; en als zy by myn zyn, valt er niet op +marode[1] te gaan." De beide jongens hebben veel met elkander op; dat +is braaf: men weet niet, waar het te pas komt, een mensch zonder +vriend is een droevig schepzel. Daar was nu Saartjes Vader, wel die +was my zo een waart vriend, dat zyn plaats in myn hart maar niet kan +gevult worden. Mooglyk, als wy zo wat oudaegtig worden, Mevrouw, wil +dat zo goed niet meer. _Alles_, zeit de wyze man, _heeft zyn tyd_. +En 't is ook zo; ik ondervind het zelf wel. + +Ik meen myn reis op Brussel te nemen, en het heerlyk Brabandsch +Quartier nog eens door te trekken; dan gaan wy op Antwerpen, daar ik +ook nog iets te doen heb, en denk over Rotterdam naar Amsterdam te +komen, om het overschot myner dagen buiten beslommering door te leven, +tot dat de Here God Abraham Blankaart in zyn zalig ryk zal opnemen; +want dat is toch het voornaamste, en daar by is al ons gedraaf en +gewin maar fut. Ik ben nu ruim vyftig jaar, en schoon ik, God dank! zo +gezont als een visch ben, en noch van ziekte of podagra weet, zo denk +ik, dat het best is om voor de grote reis zo onder de hand wat +klarigheid te maken; want men kan toch nooit weten, wanneer het de +Dood gelegen komt ons te bezoeken, zo dat het best is om altoos gereet +te zyn. Wat zegt gy, Mevrouw? Als ik de stoute Meid maar gelukkig in +het fuikje zie, dan is alles wel. Nu, Mevrouw, zo als ik zeg, ik ben +knorrig op u. _Men hoort verre, dat de Winter kout is: maar, als de +maan vol is, schynt zy overal_. Groet myn meisje, en geloof dat ik van +harte ben + + Uw misnoegde Vriend, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noot: + +[1] Maraudage, hier "avontuurtjes". + + + + +HONDERD-ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER WILLEM WILLIS AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS. + + +_Tederbeminde Hoogstge-eerde Moeder_! + +Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, dat er voor my gelegen is, +in u myne gedagten medetedelen, en om u, het geen my, is het van eenig +belang, ontmoet, te schryven. Uwen dierbaren Brief heb ik met de +oprechtste dankbaarheid en eerbied gelezen. Ik hoop, dat ik u niet ten +eenenmale zal hebben te leur gestelt, omtrent uw verlangen nopens de +beminnelyke Juffrouw Burgerhart. Het geen my hier is voorgekomen, +geeft my, ter bereiking van uw oogmerk, nieuwe vermogens; om dat ik +waarlyk zo wensch te doen, als uwe Moederlyke liefde van my vordert. + +Toen ik te Parys kwam, was myn eerste werk, om den Heer Blankaart op +te zoeken: dit gelukte my, na veel lopens en dravens. Ik vond hem den +zelfden man, als ik hem altoos vond. Hy was zeer verheugt my te zien, +en heeft, om met my, en nog een Amsterdams Heer, Cornelis Edeling, te +kunnen reizen, zyn reis nog drie dagen uitgestelt. Wy logeeren by hem. +Hy moet zeer ryk zyn, want hy leeft hier net als in zyn eigen huis. Gy +kunt wel denken, lieve Moeder, dat ik voort naar myne Beminde vroeg? +'t Was alles wel; zei hy. Des avonds by elkander zittende na dat wy +den maaltyd gedaan hebben, zat hy in zyn praatstoel, en vroeg ons, of +wy nog geen meisje hadden? Ik zuchtte. Edeling lachte. "Dat zou, zei +de jonge Heer, schande zyn voor ons, geen meisje, en drie vier en +twintig jaar!"--"Eer heeft uw hart," riep de goede man, en vreef in +zyne handen van genoegen. "Nu, Willem, (tegen my,) hoe zit het by +u?"--"Hopeloze liefde, myn Heer Blankaart; ik bemin Juffrouw +Burgerhart; en ben overtuigt, dat zy myne Vrouw niet worden kan." +--"Wel, voor haar dan een ander, die u beter lykt:" hervatte hy. + +_Ik_. Daar kan ik niet aan denken. + +_Hy_. Nu, 't is nog vroeg in 't Gasthuis; doch op Saartje moet gy geen +staat maken. Ik zal voor u ook wel een goeje Vrouw opschommelen, en +die voor u veel beter zyn zal; want zie, Willem, al had ik eene eige +Dochter, en gy kost er gelukkig mee zyn, ik gaf ze u, met de helft van +myn goed er by: ik hou veel van u: en ook, hier, onzen Vriends Broer +verkeert naar haar, en zo zyn Vader my maar niet te veel malens aan +den kling maakt, zal ik haar geven: hy is de man, dien zy hebben moet; +dat zeggen alle menschen, die hem en haar kennen. Kom, je moet niet +bleek worden, Willem; ik zal u ook helpen; jy zult een Vrouw als een +geschilderde paerel hebben: laat ik zelf maar te Amsterdam zyn: ik +weet zo iets voor u, dunkt my. + +_Edeling_. Lieve, goedaartige Heer! mag ik my ook wel in uwe gunst +bevelen! + +_Hy_. Hoe, moet ik voor u ook zoeken? Neen, neen, dat niet: met Willem +is 't wat anders! ik moet hem schadeloos stellen. + +_Edeling_. Kom, ik zal alles maar opbiegten, op hoop van eene goede +absolutie te krygen: maar laten wy eerst uw gezontheid eens oud +vaderlands drinken. (_Wy deden zo, en de Heer Blankaart gloeide van +genoegen_.) + +Ik heb juist, uit vrees voor myn Vader, die de beste, de eerlykste, +maar ook in eenigen opzichte de wonderlykste man is, iets gedaan, dat +my, vrees ik, droevig zal opbreken!--Ik ben daar zo maar op myn eigen +houtje verlieft gaan worden, toen ik te Leiden studeerde. Het meisje +is al, wat men van de Goden zou kunnen wenschen, doch zy, en hare hele +familie, schynen niet zeer in de gunst van een zeker mal, blint, +capritieus, oud Wyf te staan; en zyn daarom niet meer dan burgerlyk +gegoet. + +_Blankaart_. En wie is die lelyke Torntoffel? de een of andere kwezel +van een Tante, denk ik! (_Hy lachte tegen my, of hy zeggen wou, ik +denk aan Tante Hofland_.) + +_Edeling_. Och, 't is een elendig wyf; en ze leeft met de menschen, +als de Duivel met de takkebossen. + +_Hy_. Is 't een Leidsch maakzel? + +_Edeling_. Neen; men zegt, dat zy van Amsterdam herkomstig is, en nu +durf ik, om dat hagelsche Wyf, er nog minder van kikken! want myn +Vader is niet gierig, doch hy zegt altyd, men kan van een mooije tafel +niet eeten; en, dewyl hy my op _het advocaten_ bestelt heeft, zal ik +voor eerst myn geld wel alleen tellen kunnen. + +_Hy_. Maar hoe hiet dat lelyk Vrouwmensch? + +_Edeling_. Mejuffrouw _de Fortuin_. + +_Hy_. o Gy Platvisch! daar heb je een ouwe rot in de val; (_en hy +schaterde van lachen_.) + +_Edeling_. Wou je nu voor my ook een goed woordje spreken by Papa; +want het zal vreeslyk op myn land waaijen: en zeker, ik heb alles zo +niet bedagt. + +_Hy_. Wel, zo 't buiten dat wel is, daar is myn hand, Jongen. Ik zal +wel zien, dat je er genadiger afkomt, dan je verdient; zie, 't is uw +Vader: en jy hebt niet bon gedaan. (_Hy trok zo een potzig bakkes, dat +ik hem niet aan kon zien zonder lachen_.) + +_Edeling_. Daar is wat aan, maar hoe zal ik het nu redden? Want myn +meisje is al wat ik in de waereld begeer, zo als men zegt: dit is +waar, dat ik haar oprecht bemin, en dat zy my lief heeft: zy is wel +opgevoet, en van een oud eerlyk geslagt. Zo als ik zei, spreek een +woordje voor my, myn lieve Heer Blankaart! + +O! hoe beminnen en achten wy deezen dierbaren man! Lieve Moeder, is +'t niet jammer, dat de Heer Blankaart geen Vader is van een talrijk +huisgezin? Dat zeiden wy ook eens. "Ja, Jongens, zei hy, dat spyt my +genoeg, maar alle brave nyvere goede jonge meisjes en jongens zie ik +aan voor myne kinderen, daar ik ook wel wat goed voor moet zorgen. Ik +zeg altijd, Abraham Blankaart, een eerlyk man heeft altoos erfgenamen, +myn Vriend; en terwyl ik leef, doe ik zo veel goed, als ik maar grypen +en vangen kan. Kom aan, wat had ik nu aan al myn geld, als ik een Nero, +een Niemands-vriend was? En nu, wel ik ben overal welkom. Meisjes, +jongens, jonge Vrouwen, kleine springertjes, al dat goed is om my, als +of er goud uit my te halen is; en ik ken geen groter waerelds-genoegen, +dan bemint en gedacht te zyn van goede menschen: al 't overige is maar +waweling." + +Groet myne lieve Tante, waarde Zuster, en Vriend Smit, dien ik mondeling +hoop te feliciteren, en te bedanken voor zynen Broederlyken Brief. + +Ik ben met de tederste hoogachting, + + Uw gehoorzame Zoon, + + WILLEM WILLIS. + + + + +HONDERD-ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling aan Hendrik: hij heeft +Blankaart ontmoet; voortreffelijk!--Parijs is heerlijk, _de Franschen +zijn sympathiek_. + + + + +HONDERD-NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING. + + +_Lieve Broeder_! + +Ik ben eenige dagen zeer ongestelt geweest, en heb zelf drie dagen het +huis moeten houden. Uw laatsten, uit Parys geschreven, heb ik ook daar +op 't oogenblik ontfangen. Ik verheug my over uw kennis met dien +waarden man, als ook over de gunstige gedagten, die hy te mywaards +voedt: Den heer Willis hoop ik eens met myne byzonderste vriendschap +te beschenken, gelijk ik naar de zyne vurig verlang: ik ben voorbereit, +om hem hoog te achten, en te beminnen. + +Ik zal myn verhaal vervolgen: Zo dra ik het wagen durfde om uittegaan, +ging ik naar het Huis van Mevrouw Buigzaam, en werdt van myne Beminde +met alle tekenen van heuschheid en vriendschap ontfangen. Zy is wat +afgenomen, doch de koortzen houden op; en nu, nu heeft zy eene zagtheid +in haar gelaat, die my nog veel meer bekoort. + +Zy was alleen t'huis: Mevrouw Buigzaam was met de jonge Juffrouwen +naar de Kerk, en Juffrouw Hertog op haar gezelschap. Ik zat by haar, +en nam de vryheid van hare hand te nemen, terwyl ik my informeerde +nopens haren welstand, en zei, dat ik my veel beter gevoelde, 't geen +zy met een zeer merkbaar genoegen hoorde. Deeze gelegenheid, ging ik +voort, is te gunstig, dan dat ik die niet zoude gebruiken, om u +nogmaal van mijne liefde de sterkste verzekering te doen, ik weet wel, +dat de liefde geen vrucht van dwang is; maar ik hoop echter, dat gy my +eens met meer onderscheiding zien zult. Mijne liefde is niet romanesq[1]: +de hoop alleen is in staat, om my te doen volharden. o! Dat gy my nog +eens beminde; nooit zoudt gy u beklagen, dat gy my den voorrang in uw +genegenheid gegeven hadt! + +_Zy_. Ben ik wel geschikt, om u zo gelukkig te maken, als gy verdient +te zyn? o Myn Heer Edeling, laat ik, voor ik een besluit neem, nog +eerst myn karakter beter vormen naar dat der Dame, die ik als myne +Moeder eerbiedig! Ik ben zo bedagtzaam, zo bedaart, zo bestendig niet, +als zy, die uwe liefde verdient, behoort te zyn. Ik vorm my zulke +ernstige denkbeelden van het Huwlyk! Ik vrees, dat ik nog niet geschikt +ben, om myne bespiegelingen altoos tot betrachtingen te verhogen. Ik +wagt den Heer Blankaart binnen weinige dagen; laat ik met hem alles +eens overwegen. En gy hebt immers een Vader, myn heer Edeling? +(_Ik voelde die zet_!) + +_Ik_. Dat is zo: maar kunt gy een oogenblik twyffelen, of myn Vader +zich niet vereert zoude achten met zo eene Dochter? Hy zal mooglyk +eenige bedenkingen hebben, over het geen de goede man _onderscheid van +Religie_ noemt; gy weet, ik behoor tot Lutersche Gemeente, maar de +Heer Blankaart en myn Vader zullen dat wel vinden. + +_Zy_. Indien dat nodig wordt, twijffel ik daar ook niet aan: wat my +betreft, ik zal dit omtrent u zo weinig in aanmerking nemen, als gy +omtrent my deedt. Doch het is nog zo ver niet. + +_Ik_. Uw Voogd komt (zo schryft myn Broeder my,) met den Heer Willis +en met hem t'huis, zij hebben elkander te Parys ontmoet. Hoe aangenaam +zullen deeze drie reizigers zyn! + +_Zy_. Dan krygen wy elk een Broeder t'huis? want Willis is myn Broeder; +als gy hem kent, zult gy myne keuze billyken. + +_Ik_. Dat doe ik nu reeds: ik ken Willis. + +De Kerk ging uit, en wy veranderden van discours. Mevrouw Buigzaam en +de beide Dames waren verheugt, my zo veel beter te zien. Ik bleef er +dien gehelen avond tot tien uuren, want Mevrouw deedt ons de eere aan +om te spelen. Nooit hoorde ik zulk een zielen-muziek. 't Is meer dan +kunst! Ik hoop, dat gy 't eens zult horen. + +Zy nam occasie, om my alleen te spreken, en zei: "daar, myn Heer +Edeling, lees dit geschrift; dan zult gy eerst uwe beminde Burgerhart +recht kennen: zy weet niet, dat er u iets van bekent is. Hou dit in 't +oog." Ik lei het Papier in myn brieventas; en afscheid genomen hebbende, +spoedde ik naar huis om te lezen. Ik at niet, maar ging, Vader gegroet +hebbende, naar myne kamer. Lees, en dan zult gy kunnen bezeffen, wat in +myn hart, onder het lezen, is omgegaan! Ik heb het voor u gecopieert, +doch moet het te rug hebben, zonder dat gy er iets uittrekt.--Hier op +vertrouwende, geef ik u het + + +VERHAAL. + + +_Dierbaarste Vriendinnen_! + +Ik begin dan aan een Verhaal, dat my onmooglyk is mondeling te doen; +ik schryf dus. Geloof heilig, dat ik het onder het zegel der waarheid +schryve: o, hoe ben ik in myne eigen oogen gedaalt! Waarom heb ik niet +meer acht gegeven op my zelf; op hen, met wie ik omging; op den raad +myner Willis, en op den uwen, o beste der Vrouwen! Ik zal boete doen: +ik zal myne dwaasheid afwisselen, tegen de volkomenste geleidelykheid +aan uwe vermaningen; ik zal my zelf zo ver zien opteheffen, dat uwe +vermaningen in goedkeuringen zullen veranderen. En, zo dikwyls als ik +eene te grote zucht voor uitspanningen voel, zal ik in myn Kabinetje +gaan, en dit geschrift, ter myner beschaming, lezen. Laat ik beginnen: + +Ik ging met den Deugniet, gelyk gy weet, in den _Hortus Medicus_, vast +voornemende, om nooit weer met hem uittegaan; en echter hy was dezelfde +beschaafde, aangename, fatsoenlyke man omtrent my. Hy liet my in den +_Hortus_ alles zien; leidde my veel uit van 't geen ik zag; en ziende, +dat ik zulk een groot vermaak vond in dit alles te zien, stelde hy my +voor, of ik ook plaizier had, om eene zeer fraaije Plaats te zien, van +een zyner Vrienden; de Heer en Dame, zei hy, zyn wel niet Buiten, maar +dat zegt niets, men weigert nooit een fatsoenlyk man om die te zien; er +is zeer veel uitheemsch gebloemt. Ik, die in dit voorstel niets ontwaarde, +dan genenenheid om my te verpligten, stond dit geredelyk toe. Wy gingen +des vry spoedig uit den _Hortus_, de Plantage door, de Muider-Poort uit. +Nooit had ik zo veel geest, zo veel vrolykheid, zo veel levendigs in hem +bespeurt, 't Sloeg vyf uuren, zo als wy buiten waren. "Is 't ver?" vroeg +ik. "o! Wy zullen er binnen 't half uur zyn, als wy wat aantreden." Ik +deed zo, en 't was bykans zes, toen wy voor een laan stil hielden, die +op een zeer fraai huis liep. Het Hek stondt aan. Hy ging de Plaats met +my op, en den Tuinbaas ontmoetende, vroeg hy, is myn Heer of Mevrouw +t'huis, "neen, was 't antwoord, maar dat is het zelfde." "Wilt gy het +huis niet eens zien?" (tegen my.) "Ja, maar ik zie liever bloemhoven, +dan lambrissementen[2]." Wy traden in 't huis. + +_Hy_. (_tegen den Tuinman_.) Deeze Dame heeft geen thee gedronken; +hebt gy ook kokent Water? Toe, jongen, brengt het schielyk, met het +geen er by hoort; gy weet uw Heer en ik zyn Vrienden. (_De Kerel ging +heen; ik had geen zin aan hem, hy hadt een lelyken uitkyk_.) + +_Ik_. Gy doet te veel moeite, myn Heer, als ik maar een glas bier +mogt! + +_Hy_. Ik geef nooit bier, als de meisjes warm gegaan zyn, en dan stil +zitten. + +_Ik_. Wel, laten wy wandelen. + +_Hy_. Eerst wat uitrusten. (_De Tuinman bragt theegoed, wij dronken +spoedig een kopje_.) + +_Ik_. Kom, nu de bloemen gaan zien; het wordt al tyd. + +(_Hy stondt op, en met eene houding, die my verbaasde, zeide hy, dat +hy my beminde, dat hy smoorlyk op my verlieft was; en dat hy niet +twyffelde, of dit had ik wel gezien; hier aan schreef hy ook de +goedheid toe, die ik had gehad, om met hem te gaan, dewyl men daar in +huis zo gegeneert was. Yder woord ontstelde en vertoornde my: ik zei_: +Gy beledigt my ten hoogsten. Nooit heb ik iets, zelf schaduwachtig, +gedagt van 't geen gy zegt; en zo ik het gedagt had, geloof my, dat ik +niet met u zou gegaan zyn. (_Hy lachte, en wilde my kusschen_.) Hou +af, zei ik; gy railleert te sterk. + +_Hy_. Hoe, neemt gy het dus op? dan bedriegt gy u; want (_en hy zwoer +een duren eed_,) het is my ernst; ik bemin u: gy zult de myne zyn; +(_al weder naar my toe dringende_.) + +_Ik_. Hou u gerust! Gy bedriegt u, zie ik, omtrent my: zo gy my +beminde, zoudt gy my dus niet kunnen vernederen: Laat my gaan, ik wil +hier niet langer blyven. + +_Hy_. Laat my gaan; ik wil hier niet langer blyven! o, Zo spreekt men +niet tegen een man, als ik ben; en dat op zyn eigen Plaats. (_Ik +bestorf als myn linnen_.) Zie, meisje, al die grote gevoelens zyn by +my niets dan meisjes beuzelaryen. Evenwel, gy zyt nog te bekoorlyker, +nu gy zo een fraai rolletje speelt. Kom, myne Saartje, laten wy +gelukkig zyn; de tyd is kostlyk, zo gy ten minsten dwaas genoeg zyt, +om naar huis te willen keeren. Myn Fagon is anders al Buiten, de +Paarden staan, met de leisels opgeknoopt, op den stal, en in weinige +uuren zyn wy ver van hier; want ik waag er myn beste hartdraver aan. +(_Hy wilde my weder kusschen_.) + +_Ik_. Schelm! Deugniet! Judas! + +_Hy_. Al wat gy maar wilt, myn Engeltje, mits dat gy my gelukkig maakt. +(_Hoe ik te moede was, kunt gy eenigzins opmaken, maar ik hield my +moedig_.) + +_Ik_. Ik ben, zie ik, in uwe magt; maar veel eerder dan uwe verfoeilyke +oogmerken te beantwoorden, zal ik het uiterste wagen; ik zal gerugt +maken, zo gy de deur niet open doet. + +_Hy_. Ik doe geen deur open, en of gy gerugt maakt of niet, het zal +niets helpen; niemand hoort u. Kom, gy hebt u genoeg verweert. Zelden +had ik zo veel werk met myne Lievertjes. Gy hebt gestreden voor uw +harssenschim; dien lof geef ik u; maar nu eisch ik uwe overgave. +(_Ik werd woedent en was door de sterke aandoeningen op 't punt van +te bezwymen; de vrees zelf gaf my kragten. Ik wilde een raam open +schuiven_.) + +_Hy_. Neen, Kindje, daar is voor gezorgt; ik hou om de dood niet van +buren-gerugt. (_Hy werdt, dagt my, kwaadaartig over zyne te leurstelling! +o Myne Vriendinnen, heb ik my zelf dan iets te wyten, gaf ik aanleiding; +immers niet met myn weten_?) + +_Hy_. Zie zo, 't wordt mooi laat; nu, ik heb zeer goed Logement voor +u; en ik hoop, dat ik u den tyd aangenaam zal verdryven. + +_Ik_. Laat my gaan; 't is nog niet te laat, om in de stad te komen. +(_Hy lachte_.) + +_Hy_. Ziet gy my voor zo een verd... gek aan, dat ik, een prooi onder +myn bereik hebbende, die zal laten weg vliegen? + +_Ik_. Zo ik iets op u vermag, zo gy eenige menschelyke gevoelens hebt +voor een meisje, dat u nooit beledigde; dat nooit het minste oogmerk +omtrent u hadt; dat u voor een vriend, voor een eerlyk man hieldt, +laat my gaan, en ik zal u alles vergeven. (_Ik schreide bitterlyk_.) + +_Hy_. Speel vry denzelfden zang, uit eenen andren sleutel[3]; ik hoor +gaarne _Variantes_, en gy zyt uw onderwerp magtig. + +_Ik_. o Myn Heer, bespot my niet! God weet, in welk een dodelyken +angst ik ben; o myne waarde moederlyke Vriendin! o myn Voogd, wat heb +ik gedaan? + +_Hy_. Wat? wel, gy zyt vry willig medegegaan met een man, die smoorlyk +op u verlieft is, en die u tot zyne _Sultane Favorite_ hoopt te maken. +Want zie, mooi Meisje, ik wend niet voor u te trouwen, ik wil u niet +bedriegen, elk moet zyn rang bewaren. (_Ik zeeg op een stoel neder, en +ik geloof, dat ik op dat oogenblik in staat zou geweest zyn, om hem +een mes in zyn schurkagtig hart te drukken: zulk tergen maakte my +zinneloos. Hy liet my eenige minuten aan my zelf over; maar wat er +toen in myn geest omging, weet ik niet! Hy naderde my weder_.) + +_Ik_. Deugeniet, lieve goede menschen ... o God! hoort my niemand! +(_Hy nam my op, maar zweeg; doch al myne kragten zich, machinaal, +verzamelende, stootte ik hem van my af; hy beet op zyne lippen en +vloekte_). Toen smeekte ik hem weder, dat hy my gaan liet. + +_Hy_. Ja, op de Fargon. (_Ik bedagt my_.) + +_Ik_. Kom aan, als het toch zyn moet. + +_Hy_. Neen, Meisje, ik versta u. Hier moet gy blyven, geen kuren by +den weg. Ik had gemeent, dat gij goedwillig met my zoudt gegaan zyn, +doch nu is die voorzorg onnodig. + +_Ik_. Vrees voor de gevolgen; gy zyt niet boven de wetten. +(_Hy lachte hartlyk_.) + +_Hy_. Zou ik niet, Liefde? Weet gy wel, dat de Rechter geen notitie +neemt van zo een galanterietje? Kan het my schelen, waar ik ben, denkt +gy? Hadt ik kunnen vermoeden, dat gy my zo veel moeite zoudt gemaakt +hebben, ik had het wel anders overleit. (_En toen drukte hy my zo +sterk aan de hand, dat hy my zeer deed. Ik beefde zodanig, dat hy zelf +deinsde. 't Werdt schemer-avond, en myn dodelyke angst nam alle +oogenblikken toe_.) + +_Ik_. Tyger en geen mensch! Kunt gy my in zulk eene benauwtheid zien; +wat recht hebt gy op my? + +_Hy_. Dat recht, dat yder Ligtmis van myn rang op zo veel meisjes +heeft, als hy goedvindt in zyn Serail te plaatsen. Of wilt gy, (_en hy +tradt naar my toe_), dat recht, dat de sterkere heeft over de zwakke. +(_Ik viel voor hem neder, ik smeekte, ik weende, ik geloof zelf, dat +ik hem myn waarde R. noemde_). + +Ik had al reeds een groot geweld in den stal gehoort, maar 't scheen, +dat hy er geen acht op gaf. Eindlyk kwam de Tuinbaas in den gang +lopen, en riep: Myn Heer, de Paarden zyn met hunne poten in de +leiseelen geraakt; en ik kan het niet meester worden: wat moet ik +doen: Hy riep, (met een vloek,) _u gaan ophangen, voor ik u den hals +breek_. De Kerel ging weer heen, en zei, dat, zo myn Heer de hand niet +wilde lenen, hy zyn Paarden kwyt was. Razent en scheldent ging hy +heen, en stiet my van de deur weg, die hy toesloot. Naauwlyks was hy +weg, of er ging een deur in het vertrek zagtjes open, en daar kwam een +Boerenmeisje, die my, zonder iets te zeggen, wenkte om optestaan. Ik +deed het aanstonds. Zy sloop met my uit het huis, en verstak my in +haar bed op een zoldertje, dat zy wel ter deeg sloot. Ik wist niet, of +ik droomde, dan of ik wakker was; ik wist niet, of 't bedrog of hulp +was: alles was even onbekent. Het werdt duister; en niemand kwam by +my. + +Eindelyk hoorde ik beneden lieden spreken; myn bloed stolde in myne +aderen, en ik weet niet, of ik lang in onmagt was. Doch 's middernagts +ging de deur open, en het meisje bragt my een groot glas melk met +water, my wyzende niet te spreken. Zy sloot de deur weer toe, en, +dewyl de maan opkwam, zag ik haar zeer onderscheiden[4]. "Nu slaapt +myn Vader, zei zy, hoor hem eens ronken!" Wie zyt gy, myn goed meisje? +zei ik. + +_Zy_. Ik ben des Tuinmans Dochter, lieve Juffrouw, weest niet ongerust! +ik zal u helpen. + +_Ik_. Laat ik u omhelzen, gy zyt myn Redster. O, gy zult wel beloond +worden! en als gy wilt, kunt gy altoos by my blyven; maar door welk +geluk hebt gy my dus verre geret? + +_Zy_. Dat zal ik u zeggen: myn Vader was druk in den tuin bezig, den +helen dag, met de arbeiders, toen de knecht met de Fargon kwam, en hem +belastte zyn Heer optewagten, doch niet te laten blyken, dat hy zyn +Heer was. Lieve God, dagt ik, daar zal weer wat agter zitten! want myn +Heer is een heel slegt Heer omtrent de meisjes; maar my heeft hy nooit +gemoeit, dat moet ik zeggen, en zo zeggen al de meiden ook. Nu althans, +ik was in de kamer, toen hy met u in huis kwam, en dewyl ik voor grote +lui wat schaamagtig ben, verstak ik my in de naaste kamer in een +kleerkast, daar wel twintig rokken in hangen, de eene nog mooijer als +de aare. Ik dagt, zy zullen wel gaan wandelen, en dan ik gaauw heen +lopen, en dan zien zy my niet: zo dat ik alles hoorde. Zie, Juffrouw, +ik ben Rooms-Kattelyks, en ik bad onze heilige Moeder Gods om hare +bescherming, en ik bad een vyf of zes _Aves_ en _Paters_, zo al in de +kast. Wat kon ik doen? zo als gy weet. En toen viel dat met de Paarden +voor, en toen ging hy heen, en zo haalde ik u, en verstak u in myn +bed. Ik ging voort in den moestuin zo wat wieden, maar ik hield mij +maar zo; om dat ik dan bokken kon, en alles afgluren. Het duurde wel +een half uur, eer alles in 't stal gedaan was, want de Paarden waren +als wilt, en allemaal door de strengen; dat was het maar. Myn Heer +ging in zyn huis, en Vader in 't Boerenhuis. Ik geloof, dat hy +elderments op zyn neus gekeken heeft, toen hy u niet vondt. Hy kwam in +'t Boerenhuis, en vroeg met hele lelyke woorden, waar dit en dat gy +heen waart? Myn Vader zei, dat hy dat niet kon weten, om dat hy het zo +met de Paarden te doen gehad hadt. Toen vloog hy naar 't Hek, en vondt +het open. 't Is gedaan, zei hy: daar is niet op; nu 't is myn verdiende +loon, waarom d-r-de ik het Hek niet toe. Hy liep, als een razent mensch, +al heen en weer, en toen hy dat ook moe was, belastte hy myn Vader licht +te geven, en hem wat brood en kaas te bezorgen; die deedt dat. Ik was in +huis gegaan: Vader vroeg, waar ik geweest was; ik zei, aan 't wieden, en +dat ik toen om een praatje geweest was; dat was daar mee wel, hy zei my +niets. Wy aten schielyk onze Bry, en hy ging naar bed. Toen kwam ik boven, +en hield my stil, tot dat ik hoorde, dat hij wel vast in slaap was. Zie +daar, zo is de hele zaak, myn lieve Juffrouw. + +Myne blydschap was onbeschryflyk; maar zy verdween schielyk door de +gedagten: hoe zal ik nu door de waarde Vrouw voor een bedriegster, een +valsch meisje, een ligt jong schepzel gehouden, veracht en verfoeit +worden! Wat zal ik doen? Hoe durf ik er weer heen gaan? Hoe zal men my +ontvangen? Wat zal de brave Edeling van my denken? 't Is mooglyk, dat +hy reeds by ons geweest is. Zal de deugdzaamste der Vrouwen hem +omtrent my misleiden? Wat zal zy kunnen zeggen? En ik had haar zo +plegtig belooft, voortaan my geheel door haar te laten leiden. Hoe zal +Hartog zich verheugen, indien dit geval ruchtbaar wordt. Kan het +verborgen blijven? Heeft my niemand gezien? Maar, 't geen my 't hart +doorboort, hoe zal het teder hart myner moederlyke Vriendin lyden! +door my lyden!... + +Ik was besluiteloos wat te doen. Evenwel, alles al weer overpeinzende, +dagt ik, 't is echter de eenige nu openstaande weg. Ik moet dit +getuigenis geven van myne onschuld! "Ach," zal ik met eene bevende +stem zeggen, "indien ik een slegt Meisje waar, indien ik het oogmerk +had om u te misleiden, zou ik dan te rug komen, ook voor ik weet hoe +gy my ontfangen zult?" Terwyl ik in deeze gedagten als verzonken was, +zei myn trouwhartig Klaartje, (zo hiet het Boerinnetje,) "Kom, +Juffrouw, nou moest je op je kousjes my volgen, en zo stil als 't +mooglyk is; ik heb onze deur efkes aan laten staan." Ik deed zo, en zy +droeg myn schoenen in haar hand. 't Begon te regenen: de lucht werd +onweerig en donker. o, Dat was niets! Zie daar wy buiten de deur! Het +bed van den Tuinman voorby gaande, hoorden wy hem diep en gerust +slapen. Ik deed myn schoenen weer aan, en ging met het meisje, agter +de Boerdery om, al zwygende, en aan haar hand. Ik werd doornat, en +moest wel een half kwartier door 't gras; ik vroeg niets, zelf niet, +waar brengt gy my? Toen wy digt by een Warmoezier kwamen, zei zy: +"God dank, dat 's zo ver! Hoor, Juffrouw, ik breng je hier by brave +menschen: maar ik moet, zo dra ik je daar in huis zie, naar myn +Zoldertje: ik moet er op passen, dat ik niet in de kyker raak; 't is +een boos kaerel, als hy begint." + +Zy tikte aan een glas. "Wie daar?" riep een mans stem.--"Ik, zei 't +meisje, doch met een zachte stem, toe laat my in huis; ik ben zo +benaauwt."--"Ik kom je by, kind, zei een vrouwe stem;" en zo ging de +deur open. "Aaltje Buur, zei 't Boerinnetje, ik breng je hier een +jonge Juffrouw, die verdwaalt is, maar zy zal je alles wel zeggen, ik +moet voort." Ik kuste haar, en zei haar, waar zy my vinden kon, haar +een ducaat in de hand stekende, en biddende, zo dra zy durfde, by my +te komen. + +De goede Vrouw ging met my in een agtervertrekje, stak licht op, en +zag met verbaastheid, dat ik zo wel en kostelyk gekleet was, en +Juweelen aan hadt. Ik viel op een stoel neder, en schreide bitterlyk. +Zy maakte vuur aan, lei braaf hout op, want ik trilde van koude, en +myne kleeren dropen. "Kom, lief jong mensch, zei ze, kom, schik aan 't +vuur, en warm en droogje wat, ik zal Koffy koken; maar je bent, of je +de koorts op 't lyf hebt." Zy ging met de kaars in 't voorste vertrek, +en hadt een glaasje in haar hand, "daar, zei ze, Juffrouw, drink dat +uit, ik mag niet zien, zo als je beeft." Ik deed het. Zy kreeg een +tafel met kopjes, en, zo dra 't water kookte, dronken wy Koffy. Myn +Sak, Rok en Pelise droogde zy, en ik begon door de warmte dermate te +verkwikken, dat ik haar eenvoudig, zo kort doenlyk; alles verhaalde. +Maar, zei ik, wat moest gy denken, myn goede Vrouw, toen Klaartje aan +'t vengster tikte? "Wel, lieve Juffrouw, zei zy, dat beurt wel meer. +Als Krynbaas dronken is, (en zins zyn Wyfs dood gebeurt dat maar te +dikwyls,) dan raast hy als een bezetene, en jaagt al wat onder zyn +bereik is de deur uit. Nu is onze Klaartje de Vryster van myn Zoon +Pieter; en zo wy onzen jongen wat by konden zetten, 't zou al een paar +zyn, maar 't is een slechte tyd. 't Is een deugd van een meid, en heur +Moeder was net alleens. Doch, al boodt myn Heer R. myn man duizend +gulden 's jaars, wy zouwen by zo een Dier niet weunen willen. Hy is +zo ondeugent, en daar gaat zo veel om op die Plaats! Maar wy moeten +zwygen; wy zyn maar gemene lui." + +_Ik_. Wat zal je man toch denken van my? + +_Zy_. Ik heb hem daar, met een woord, gezeit, dat ik hem morgen ogtend +alles zal vertellen, en zei, zie maar weer in slaap te komen, want by +dag moet de man hard werken, voor my en myn vyf kinderen. En onze +Pieter past ook zo op; maar daar zyn nog zulke kleintjes onder: zy +slapen allemaal hier boven ons hoofd. + +_Ik_. Maar zou uw Zoon voor my, met het open gaan van de Poort, niet +een Koets kunnen bestellen, die my tegen kwam buiten de stad? want, +hoe wel ik het by u heb, myn goede Vrouw, ik verlang zo naar huis. + +_Zy_. Heel wel, Juffrouw, als ik denk, dat het tyd is, zal ik hem gaan +wekken, zoo als ik altoos doe: jonge lui slapen vast. Goed, zei ik, en +wy bleven by 't vuur zitten, en zy praatte zonder ophouden; zo dat de +tyd viel my nog korter, dan ik gevreest had. Om drie uuren ging zy +Pieter wekken, die, toen hy my zag, vreemt opkeek. "Kind, zei de goede +Vrouw, deeze Juffrouw is verdwaalt geraakt: en ik nam haar in huis, +toen gy al te bed waart. Ga naar de stad, en haal een Koets, die ten +eersten dit heen moet komen; ik zal met haar u tegen wandelen." +Bestig, zei Pieter, en ging de deur uit. Die Jongman staat my wel aan, +Vrouw, zeide ik. "Ja, God dank, zei ze, 't is een braaf Kind, die wel +zo veel "voor zyn moeder doet, als iemand doen kan; en zwygen Juffrouw, +daar is geen schrift van." Nu, 't zal hem geen schade zyn, zei ik. Ik +deed myn gedroogde kleeren en pelise weer aan, en zei, daar goede Vrouw, +heb je een kleinigheid, tot een bewys van myn erkentenis. (_Ik gaf haar +vier Ducaten_.) "Zoo veel geld! zei ze, dat durf ik niet aannemen." +O, zei ik, spreek er niet van: ik zal, hoop ik, eens meer voor u doen. +Wy gingen toen de deur uit, en kwamen wel dra op den gemenen weg; de +Koets kwam, ik bedankte Moeder en Zoon, zei, waar de koetsier my brengen +moest, en haalde de gordyntjes voor de glazen. + +Nooit kan ik u beschryven, wat er in myn geest, onder het ryden, +omging. Nu vreesde ik, nu schrikte ik voor dat zelfde, dat my deeze +laatste uuren als myn grootste geluk had toegeschenen;--om thuis te +komen! En toen wy nog maar een gragt te ryden hadden, wenschte ik +byna, dat wy eenig beletzel kregen, dat den tyd rekte. o Hoe beefde, +hoe trilde ik, toen hy stil hieldt! De klank der schel ging my door de +ziel, en, met de handen voor myne oogen, vloog ik onzen goeden knegt +voorby, naar myne kamer, zo verwart, en bedroeft, gelyk gy, myne +dierbare Vriendinnen, my hebt zien aankomen. + +Zie daar een Verhaal, dat ik met de grootste naauwkeurigheid hebbe +opgestelt. Hoe gy, na het doorlezen te hebben, over my zult oordelen, +moet ik afwagten; en, indien de Heer Edeling by aanhoudenheid my blyft +beminnen, moet hy, aleer ik hem voor my kies, dit lezen. Hy moet +kunnen zien, wie ik ben, een onvoorzichtig meisje, dat geen kwaad +vermoedde, daar zy 't niet zag; en die door haren trek tot vermaken +en uitspanningen, zich in een gevaar gebragt heeft, dat op haar bederf +konde zyn uitgelopen: een meisje, dat God met tranen dankt voor deeze +Ontkoming; en dat voortaan nog meer zich zelf dan anderen zal mistrouwen. + + SARA BURGERHART. + + +Wel nu, broeder, wat zegt gy van zo een Meisje? Moet ik haar nu nog +niet meerder achten, en tederder beminnen? Die immers zyne dwaasheden, +zo rasch hy die ziet, afkeurt, en zich zelf daar over bestraft, doet +alles, wat men eischen kan? Ik heb onder de hand laten vernemen, of de +schelm in de stad was; maar 't schynt, dat hy eerst eens wil zien, hoe +of 't afloopt. Wy bedekken alles onder een diep stilzwygen. Ik zal +voor de brave menschen zorgen, die myn Engel zo getrouw geholpen +hebben; maar dit alles mondeling. Ik verlang onuitspreeklyk naar uwe +t'huis komst: en hoop, binnen agt dagen, dat geluk te hebben. Vader is +zeer vriendlyk, en heeft zelf deernis met my. Hou den braven Blankaart +te vriend, Keesje; ik vrees anders, dat gy al zoo veel met Vader zult +te doen hebben als ik! Vaarwel, myn Broeder, + + T. T. + + HENDRIK EDELING. + + +Noten: + +[1] Hier: kunstmatig romantisch. +[2] Lambrizeeringen. +[3] Toonaard. +[4] Duidelijk. + + + + +HONDERD-VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed heeft uit Indie _een erfenis +gekregen van_ 80.000 gulden van zekeren Jan Bern, zooals blijkt uit +de Honderd-een en veertigste brief. + + +In HONDERD-TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF dankt de Wed. Spilgoed. + + +HONDERD-DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling _geeft zijn koppigen +tegenstand op_; hij is overtuigd door Blankaart. + + +HONDERD-VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis feliciteert Wed. Spilgoed +en in Honderd-vijf en veertigste brief schrijft ze heel lief aan Aletta +Brunier, ook over Sara. + + + + +HONDERD-ZES EN VEERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS. + + +_Ge-eerde Vriendin_! + +Nog spyt het my, dat ik zo weinig tyds te Rotterdam gehad heb. Nu, ik +heb uw Zoon dan veilig in uwe handen gestelt. Myne oogen liepen over, +toen ik zag, welk een Moedergek die Willem is. Wat zyn dat lompe +Heiblokken van kerels, die een man uitlachen, als hem eens een losse +traan ontvalt! Ik ben nu een man, mag ik spreken, die van een kind af +door 't kreupelbosch gejaagt is. Ik heb door menigen zuren appel +gebeten, eer ik zulk een man wierd, door den zegen van God, den Heer; +zo dat ik maar zeggen wil, dat ik harden[1] geleert heb: En als ik +echter daar zo een Goliath van een Luitenant, als een eikenboom, voor +my zie staan, en zyn Zoontje, dat hy in geen ront jaar gezien heeft, +hem in de armen zie vliegen; zonder dat het hem het minste aandoet; +dan denk ik, hoor jy grote Sinjeur, al bulkt gy als een stier, en al +blaast gy als een walvisch, jy bent by my, met al dat gesnoeshaan, +maar een bange bloodaart. Je zult wel dra in je hangmat kruipen. Wel, +wat hagel, moet je dan, om je kop voor 't Land te laten, geen liefde +voor je Land hebben? Zal zo een Bulderbast zyn benen onder zyn lyf +laten weg schieten, als of het zo maar bywerkje was, en dat voor +vreemden? Zal hy dat doen, zeg ik, dien alle de vaderlyke driften in +zyn ziel bevroren liggen? Hoor, dat is by my maar uit, _die geen +gevoelig hart heeft, kan niet dapper zyn_. + +Hoor, Vriendin, als ik u zie, dan denk ik altyd aan Naoemi, de Moeder +van Ruth, uit den Bybel. _Willems land is uw land, en Willems God is +uw God_; zo als er in den Bybel staat. En hy moet maar voortaan in +Amsterdam blyven, en eene brave vrouw voor hem zien te krygen. +Tusschen ons; ik weet net zyn slag, eene mooije lieve jonge juffrouw; +en ik zal hem wel aan 't werkje helpen: 't is een aartig schoon kind. +En Tante moet ook haar milde hand maar open doen. Abraham Blankaart +zal geen troef verzaken: Och Heer! ik heb gelds genoeg; en alle brave +jonge lieden zyn myne kinderen; zo dat, zorg daar niet voor. Hy moet +zelf Koopman worden; ik zal zyn Patroon eens, buiten zyn kennis, gaan +spreken. + +Maar nu moet ik u eens een klugtje verhalen: Daar is Broer Benjamin +met Zuster Slimpslamp met de Noorderzon verhuist, en zy hebben Tantes +Geldkistje meegenomen; (wel nu lach ik my tot een Doctor.) Die malle +Zanne! Nu, zy heeft maar verdiende loon: zy zou naar my geluisterd +hebben; ik zei dikwyls: _Tante, Tante, al dat Bruine goed loopt op je +zak; je zult nog eens van den huig geligt worden: laat ik de kit ereis +voor u schoonmaken, en al dat Jan Rap wegjagen_; maar dan was ik, (dat +Varken!) een godloos mensch, een Saulus, die de Heiligen vervolgde; +plaisierige Heiligen! zie je ze daar niet met Heintje pik, in 't huis +daar naast? + +En dat het hemelsch waar is, dat zal ik u eens gaan uitcyferen. Myn +kleine Meid is ziek, zo als gy weet; nu althans, Tante hadt haar een +Briefje geschreven, waar in zy schreef, dat zy zodanig bestolen was, +en verzogt, of zy haar niet eens zou kunnen spreken, of zy haar alles +vergeven wilde, wat zy aan haar misdaan hadt, en of zy by my een goed +woord zoude willen doen, met nog meer vyven en zessen. Wat doet myn +Sarotje? Wel! dat braaf kind schreef haar aanstonds, dat zy haar alles +vergaf; dat zy by my ten besten zou spreken, en Tante komen bezoeken; +maar zy krygt daar op zulke koortzen, dat zy niet uit kon gaan. En zo +dra ik in de stad kom, en met haar spreek, verzoekt dat lief schepzel +my, om toch eens by Tante te willen gaan, en te zien, hoe het toch +was. Wat zou ik doen? Abraham Blankaart hadt er wel niet veel trek in, +doch het Meisje kreeg er my echter naar toe, en ik begreep, dat ik de +ouwe Babbe niet in nood mogt laten. Ik ging er dan heen, met Snap, zo +by me. Tante deed zelf open, en ontstelde. Nu, zei ik, wees maar niet +ontstelt; uw Nicht heeft my by u gezonden, om dat zy zelf ziek is, en +ik kom zien, of ik u helpen kan; en zo ging ik met haar, die huilde en +balkte, den gang door, daar ik nog iemand vond, daar ik u dadelyk van +zal schryven, zo 't my niet ontschiet, want ik ben zo wat met myn +memorie gebruit. Daar hoorde ik toen van A. tot Z. Tante had +getracteert; zy hadden Tante, die niets verdragen kan, de hoogte +gegeven; en Bregt als een zwyn zo vol gegoten. Toen het ouwe Fatsoen, +die zy te bed bragten, en Bregt, die zy op kussens in de keuken gelegt +hadden, sliepen, hadden zy den aap geligt; en daar was, zeit Zanne, +wel twee derde van haar Capitaal, en al hare Juwelen in. Die malle +weergae! zy hadt haar huis op den Nieuwen Dyk verkogt, en wel voor +twintig duizend Guldens aan afgeloste Obligatien in Contanten; al dat +geld was in Gouden Ryders opgewisselt, en lag in een klein kistje. Dit +wisten die Hagels-kinderen, want Zanne hadt met hen overlegt, hoe zy +dat geld best zou uitzetten. Hoe vindt gy die, Juffrouw Willis? Met +zulk bogt, zulk schuim van volk; die weten veel van geld beleggen! ja, +zie, zo zot is dat oud wyf. Had ik t'huis geweest, zie, ik ben nu een +man, die myn hond geen bedroefde snoet kan zien zetten; maar of ik dat +Paar Vromen ook reis eventjes op het Schavot zou geholpen hebben! Ik +zou die bedriegers zo veel _smeert hem Keesje_ hebben laten geven; ik +zou er eensjes zo balsemiek hebben laten rossen, dat zy zouden geweten +hebben, wat het is _den ouden mensch te kruissigen_; zie ik word zo +satans nydig, om dat zulk varkenvolk de bybelsche woorden zo +misbruikt. + +Maar nu moet ik u eens wat vragen: want zie, Juffrouw Willis, gy zyt +toch maar een _Moeder in Israel_. Wat denkt gy? fop ik my zelf, als ik +geloof, dat een vrouw van Tantes jaren, die zo een Briefje aan Saartje +kan schryven, om vergeving; die aan zo een kleuter verzoekt, om by my +een goed woord te doen, by my, die, zo als ik daar ga en sta, ook maar +een armen zondaar ben; dat zo een vrouw, laat zy zo fijn zyn als zy +wil, geen boos hart kan hebben? 't Is een malle kwezel, en zo gierig +als het Graf; maar zy kan zich nog bekeren; en ik zal haar ook al maar +helpen; zy zal in haar ouden dag geen gebrek hebben, nog in fatsoen +verminderen. Haar lekkere tant zal nog niet eens uitmoeten; want +Abraham Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. Zo dat ik maar +zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen, hoe of 't Christelyk of mooglyk +is, dat myn kleuter zo pront haar geloof verstaat. Zy vergeeft haar +Tante alles van harten, wil haar helpen, haar bezoeken. Och! toen ik +dat hoorde, scheurde ik myn kamisool los; zo was ik aangedaan: ik kon +haast geen adem scheppen, en ik dankte God, om dat ik de Voogd van zo +een meisje mogt zyn. + +Maar ik zou my zelf wel uitschelden voor al wat lelyk is, om dat ik +vrees, dat Saartje ziek is geworden van droefheid, over een +verduivelden Brief, dien ik haar geschreven heb. Zy ziet er zo naar +uit: de rozenwangetjes zyn geheel weg! Hoor, zy ziet er regt droevig +uit, maar wil het nog zo niet weten, dat goede Meisje. Ja! daar kryg +ik heel in Parys een Brief, vol met leugen en laster van Saartje, en +van Mevrouw Buigzaam; en dat Saartje zo aansprong, en dat Mevrouw +alles toeliet, en nog eene menigte lelyke dingen; zonder naam, moet gy +weten. Daar ga ik je, als zo een dolle Hartog, aan 't schryven, dat +het nergens naar leek: en nu hoor ik overal, dat Mevrouw Buigzaam de +deugd zelf, en myn Sarotje niets onbehoorlyks gedaan heeft. Zie, ik +ben zo satans nydig, en zo ik uitvind wie my zo by myn neus gehad +heeft, dan zult gy er van horen: konkels zullen er zwaaijen. + +Hoe ouwer ik word, hoe meer ik zie, dat men de deugd by de vrouwen +moet zoeken. Ja, van die Juffrouw moest ik u nu nog vertellen, die by +Tante zat. Zy hiet, zo als ik hoorde, Styntje Doorzicht; zy was heel +stemmigjes gekleet; een Samaartje, met spelden-kopjes, op een wit +grondje aan; een zedig Kuifmutsje op, daar het bakkesje van een +Heiligje uitkeek: net _Moeder Maria_, zo als ik haar in de Paapsche +Kerken heb geschildert gezien. Dat lieve mensch sprak zo waaragtig +vroom, zy betoonde zo veel eerbied voor God, zo veel liefde tot den +Naasten, zy gaf Zanne zulk een goeden raad, zy was zo minzaam, dat ik, +met myn armen over elkander geslagen, haar aanhoorde, en dagt: zie +daar eenen van die vromen, zo als God maar een om de honderd jaren +zendt, om ons te leren, hoe verre wy het evel brengen kunnen, als het +ons maar recht ernst is. Zie daar, Juffrouw Willis, nu ben ik een man, +die met een Domine wel eens over een Kapitteltje harwar, maar ik was +stom; zo sprak dat brave Styntje Doorzicht. Eindlyk sprak ik eens +recht myn hart uit, en ik drukte haar de hand. _Myn Heer, gy zyt een +Zoon van den vromen Aartsvader Abraham; gy wandelt voor Gods +aangezichte, en zyt oprecht; een vroom Israeliet, in wien geen bedrog +is_. Och Juffrouw! zei ik, dat ik het wel meen, dat is waar, maar ik +ben van jongs af in veel slommer[2] geweest, ik heb veel gereist en +getrokken, en vele Voogdyschappen gehad. Ik zeg dikwyls, Abraham +Blankaart, Vriend, jy zult veel vergeving nodig hebben, heb toch veel +lief, man! En zo ging ik daar van daan, zo gesticht, of ik in de Kerk +geweest was. En zou een mensch geen struiken uit den grond vloeken, +als hy bedenkt, dat, om een deel Huichelaars, Benjamins en Slimpslampen, +zulke vrome Godvreezende menschen beschimt en versmaat worden. Ik +geloof waaragtig, dat als de Apostel Paulus (Paulus is _myn_ man, +weetje, en Salomon die van Saartje), als Paulus nu leefde en Styntje +Doorzicht gekent hadt, hy haar als zyn wyf zoude omleiden, 't Is nu zo +moeilyk niet, moet je weten, om een goed Christen te zyn, als toen de +man zei, _dat niet te trouwen beter was_; en ik verzoek Juffrouw Willis, +dat gy daar eens op let. Ja, zo eene Styntje zou eene Martelares +geworden zyn. Lieve God! wat zullen toch zulke misselyke stoethaspels +van mannen, zo als ik er een ben, in den Hemel bedroeft afsteken bij zo +een Styntje, by u, by Mevrouw Buigzaam en by Saartjes Moeder! Nu, ik +meen myn ziel eens braaf onderhanden te nemen, haar eens terdeeg _mores +te leren_: o, mogt het onder uw oog geschieden; gy verstaat my immers +wel! ik wensch nog eens uw man te worden.--Nu--_is het er uit_. Zeg nu +wat gy wilt: _'t is er uit_. + +Duizend groetenissen van Saartje aan u, en aan uwe Dochter. Willem eet +alle middag by my. Ik ben + + Uw nederige Dienaar, + + ABRAHAM BLANKAART. + +Noten: + +[1] Hij is "gehard". +[2] Beslommeringen. + + + + +HONDERD-ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: hij is in +de wolken: _vader heeft_ Sara _aan_ Blankaart gevraagd voor 'm--en: _de +lasterbrief was van_ Cornelia Hartog!--dat komt uit door Rien du Tout. + + +HONDERD-ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis _is heusch verliefd +op Aletta_; Sara behandelt hem als broer. + + + + +HONDERD-NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED. + + +_Mevrouw, zeer waarde Vriendin!_ + +Al waart gy nu, menschlyker wys gesproken, zoo heilig als een Engel; +(en dat, geloof ik voor my, zyt gy ook maar;) en al wierdt gy ook van +zeven duizend legioenen van Duivelen gelastert, dan zoudt gy evenwel +nog wel zekerlyk zo veel van den mensch hebben, als Moeder Eva, voor +zy zo lelyk bedrogen wierdt, hadt: kort gezeit, gy zoudt nog wel wat +nieuwsgierig vallen? want vrouwtjes zyn toch niet anders. Ik loop, en +draaf, en klungel daar zo alle daag aan uw huis, puur als of ik naar +u uit vryen kwam; maar dat is zo niet; zulk een fraaije Dame kan in +Abraham Blankaarts pot niet. En 't is of ik nu maar te Amsterdam ben, +om myn tyd met manden uit te dragen: om fiolen te laten zorgen. Zo dat +ik maar zeggen wil, dat ik alle daag aan uw huis kom, om met u eens +alleen te spreken: maar ik heb zo veel te horen, te kyken en te gapen, +en zo myn spikkelatie met die drie Nufjes van meisjes, die, de een +voor, de andre na, in en uit kwispelen en kissebissen; en dan moet ik +er de vreugd in maken, en er zo eens wat mee dollen; en dan zit gy +daar als _de Roze van Saron_ in 't midden, sprekende, onderrichtende, +goedkeurende, minzaam ziende. o Mevrouw, ik wou, dat onze Schilder +Troost nog leefde; ik liet die groupe schilderen, om er myn +Familiestuk van te maken, mits dat ik er ook in mogt, met Snap zo by +me. En zie daar! dan is de tyd om; en ik heb zelf vergeten, dat ik om +u te spreken gekomen ben. + +'t Is een regenachtige dag. Ik zei, wel heeft Abraham Blankaart er +niet den hooi[1] van, om al weer daar heen te laveren, en myn tyd te +vermallen met die Meisjes? Ik zal t'huis blyven, en schryven 't geen +ik toch aan Mevrouw niet kan vertellen, en Sarot mag er niets van +weten; 't is zulk een olyk platje! + +Dat die zuurkyk[2] weg is, is goed: 't is een verdort gemeen stukje, +voor een fatsoenlyke Juffrouw; maar ik schrijf niet graag over slegte +menschen; ik word dan maar nydig en bedroeft. + +Om dan myn vertelling te beginnen; want nu weet gy nog zo veel als +gisteren: zo dat ik maar alleen dit zeggen wou! Daar heb ik een bezoek +gehad van den Agter-agter-klein-agter-Zoon van Marten Luters ouden +vriend, Casper Edeling, van Jan Edeling! en wy hebben te saam over het +Geloof, en de zoete Meisjes, eens heldertjes gebakkeleit. Hij wagtte +my in myn zydkamer. "Zo, Marten-Broer, zei ik, welkom."--Uw Dienaar, +myn "Heer Blankaart;" en hy keek, of schoppenboer ook nog van zyn +Familie was; zo, dagt ik, dat zyn de oude grillen. Ik zei des, wel +fraai buigende, dat ik toch beter ken dan zo een oude podagrist: "Uw +dienaar, myn Heer Edeling;" en ik gaf hem een fauteuil. Dus begon hy, +terwyl hy de glazen uitkeek. (_Ik, niet lui, ging over 't horretje +gluren; ja, zo moet men met die wonderlyke menschen, omgaan, of zy +denken, dat de Drommel hun niet wys genoeg is_.) + +_Edeling_. Nu, daar is myn Zoon Hendrik dan verlieft op uwe Pupil. Hy +ziet er uit, of hy uit een belegerde stad komt, en mymert, en zwygt, +en ik heb gister het eens op hairen en snaren gezet, maar 't is of ik +met myn kop door dien muur wil: en hy wist my nog een hope te zeggen: +die eigenwyze jongens! Ik ben ook moeilyk[3] op hem.--Gy zegt niets? + +_Ik_. Wat heb ik met uw en uw Zoons gemor te doen? Ik zie niet, waarom +ik iets zeggen zou. 't Raakt my niet; en ik _wil_ my er niet mee +bemoeijen. + +_Hy_. Wat! raakt het u niet? En dat de jongen knapen zo met het Geloof +omspringen? Ei zeker, zou ik myn huis tot een Noachs-Ark, of een +Remonstrantsche Kerk maken? + +_Ik_. Wel, hoe satan heb ik het? Heb je niet uitgeslapen? of maalt je +de geest? Nog eens, wat bruit my uw gekibbel met uw Zoon? + +_Hy_. Wel, hy wil Juffrouw Burgerhart hebben, al is zy gereformeert. + +-Ik_. Wel, ik wil haar niet geven in eene Familie, die haar niet met +liefde en achting ontfangt. + +_Hy_. Wat moet ik dan doen? + +_Ik_. Dat's _uw_ zaak. Gy zyt Vader. Uw gezag zal zeker met verstand +gepaart gaan. + +_Hy_. En daar is nu myn Zwager, de Pastoor Redelyk, die praat even +eens als gy, en zyn Vrouw ook. + +_Ik_. Nu, als je my niets anders te vertellen hebt, kon je de moeite +wel gespaart hebben, om by my te komen. Hoe ik over den Godsdienst +denk, weet gy. Wilt gy geene Gereformeerde vrouw aan Hendrik geven; +wat geef _ik_ daaroem? + +_Hy_. Wel, waaroem laten wy onze kinderen dan yder in onze Kerk +opbrengen, en hun geloof leren, by Kategizeermeesters van onze eigen +Leer? + +_Ik_. Om dat wy--laat ik zwygen! Hoor, Paulus is myn man. Wat zeit +die? _Onderzoek de schriften_. Dat klinkt u wat anders voor den snoet, +dan _zyn Geloof te laten leren_. Weetje wat, Jan Edeling? daar is nog +maar te veel _Papery_ onder de Protestantsche Christenen. Wy razen en +duiveljagen tegen den _Antichrist_, tegen _den Gog_ en _den Magog_, +tegen den _Paus_; en ydere Domine wil Paus zyn in zyn Kerk, en ydere +Vader Heilige Vader in zyn huis zyn. Kom aan! daar is uw Zwager (ei, +ik wist dat niet, is hy uw Zwager?) Redelyk; wel, die vrome wyze man, +zegt gy zelf, dat net denkt als ik; zo dat, ik hoef my dat niet te +schamen. Hoor, jou geloof is een enkel _toeval_; want je hebt er +magtig veel toe gedaan, hebje niet? om van Lutersche Ouders geboren te +willen worden. Wel, Jan Edeling, Jan Edeling, 't lykt nergens na: maar +dat gy uw braven Zoon, als zo een regte Nero, niemands-Vriend, van +liefde kunt zien sterven, om een deugdzaam meisje--op myn ziel, (_en +ik sloeg op de tafel_,) uw geloof is 't regte geloof niet! + +_Hy_. Hoor, Abraham Blankaart, ik zou met al myn hart u om het Meisje +voor myn Heintje verzoeken, was zy van zyn Geloof. + +_Ik_. Wel, ik wed om een Visje, dat zy van zyn Geloof is. + +_Hy_. Hoe? wat? heeft zy dan haar Kerk verzaakt, en dat om een man? + +_Ik_. Noch 't een noch 't ander; en evenwel ik wed met u. Zie, zy zyn +het immers daar in eens, en dat's wel een fondamenteel stuk van +eenigheid, dat zy met elkander gelukkig kunnen zyn, en dat gy het hen +maken kunt. (_Hy gaf my zo een knorrige meesmuil; en toen begon hy +weer op nieuw te zagen, en van 't Geloof, en van elk in zyn Kerk, dat +my 't bloed zo al wat begon te krieuwelen_.) + +_Ik_. Nu wil ik in myn huis niet langer dat gegons verdragen. Gy zoudt +beter doen, als gy eens een Kapitteltje in Sint Jan las: die brave +Apostel zal het u zoo ouwerwets zeggen, dat gy wel voelen zult, waar +de wind van daan komt. Maar ja, de Bybel daar leest men niet in, dat +klungelt en sjouwt met Huispostillen, en Uitleggingen, die geen pyp +tabak waart zyn: en Gods heilig dierbaar woord, dat ligt, met zilveren +sloten, in het beste vertrek daar braspenningen te zweten. (_Hy +lachte_.) + +_Hy_. Daar is myn hand, Brammetje; jy bent toch een man, die my lykt. +Ik moet nu myn hele les leren. Hoe moet ik dan met myn jongens leven? +want ik heb nog ergens zo een suppliant in de wyde waereld. + +_Ik_. Wel, als ik zulke jongens had, en zy hadden liefde voor brave +meisjes van de Protestantsche Kerk, en zy verzogten my, om haar te +mogen hebben, wel, dan zou ik zeggen: ziet; Kinderen, dat staat my +bestig aan. Ik zal zien, dat ik elk zyn Vryster bezorg, en je allebei +in goeden doen stellen, om wat te beginnen; en dan zou ik met myn +jongens eens op 't goed succes drinken, en door myn gang lopen +tierelieren, als of ik zelf nog maar twintig jaar waar. Hoor, Jan +Edeling, dan zult gy vreugd en genoegen hebben, en je kunt voor je +dood nog Grootvader van een kleine kabauter of agt wezen. + +_Hy_. Gy hebt gelyk! Ik verzoek u dan om het Huwlyk; en als ik het +zeg, meen ik het waaragtig. 't Zal my tot eer zyn, Juffrouw Burgerhart +myne Dochter te mogen noemen. Zal hy ze hebben? + +_Ik_. Met al myn hart; en ik hoop, dat zo uw andre Zoon ook maar een +braaf deugdzaam meisje kiest, dat gy dan ook even redelyk zult zyn. + +_Hy_. Zie, Bram, zo ben ik nu ook weer, als ik iets doe, doe ik het +terdeeg; ik hou niet van dat krummelwerkje. Hoor, _als ik over den +hond kan, kan ik ook over den staart_. Als Cornelis het wel maakt, +en hy een ordentelyk meisje wil, gierigheid daar aan heb ik my nooit +bezondigt; ik wil maar baas zyn, en gelyk hebben. + +_Ik_. En juist daarom hebt gy geen oogvol recht op iemands hart; +alles, wat men, als men van u afhangt, doen kan, is bang voor u te +zyn. + +_Hy_. Gy hebt waarlyk gelyk: maar ik zal zien, dat ik dien _ouden +Adam_ er uitramei. + +_Ik_. Dan zult gy de beste man van de Waereld zyn; en myn Meisje zal +geen der minsten zyn, die u 't leven aangenaam zal maken. Nu zult gy +eerst gaan ondervinden, hoe gelukkig men is, als men de _beminde_ +Vader is van brave kinderen. + +_Hy_. Ik heb meer voor myne kinderen gedaan dan duizend Vaders doen; +ik heb nagt en dag gewerkt voor hen, ik gaf altyd in de ruimte.... + +_Ik_. (_hem in de rede vallende_.) En met dit al, gy zyt wel +gehoorzaamt, wel geeerbiedigt, maar ik vrees, dat uw eigen kinderen +u niet beminnen, zo als zy u zouden bemint hebben, als gy wat min van +het meesteragtige, en wat meer van het Vaderlyke getoont hadt. + +Na nog wat pratens ging Marten Neef heen, zo wel gehumeurt, en zo +zagt, als hy zeker nog nooit, zedert hy alleen gaan kon, geweest is! +Waarlyk, 't is een goed eerlyk allerbest man; maar omtrent zyn vrouw +en kinderen was hy, en dat alleen uit grilligheid, een regte +_Bullebak_. + +Dat zit daar heel gek, en wel dubbel gek met Tante. Dat Janrap heeft +haar tot op 't gebeente uitgemergelt. Maar myne kleuter spreekt zo ten +goeden, en verzoekt zelf, om uit haar geld Tante wat te ondersteunen, +dat het een lust is om te zien. Ik ben daar eens by die beste vrome +Styntje geweest, (ja, ik leef onder en boven den grond!) en ben met +haar overeen gekomen, dat zy Tante in huis zal nemen, en onder haar +bestuur, vatje het? en dat ik het met haar wel maken zou. Maar ik wil +dat voor het ouwe wyf niet weten; wel, wat hoeft dat? Die allerliefste +vrome ziel zal myn Saartje eens bezoeken, zo een zin heeft zy in 't +meisje. + +En nu moet ik u eens aanspreken, want gy zyt _het Vrouwtje van +Thecoa_,[4] uit den Bybel. Ik wou u eens vragen, of Juffrouw Letje +t'avond of morgen niet een goede vrouw voor Willis zyn zoude? of zyn +er al Kapers op de Kust? Het meisje komt my zo wel voor, en ik zie +heel wel, dat zy ook by u twee witte voetjes heeft; en dat zou zy niet +hebben, zo zy geen goed jong kind was; en myn Saar houdt zo kragtig +veel van haar. Nu, denk er eens aan: ik zou dat graag zien. Haar Broer +heb ik gekent als het olykste Salet-rekeltje, dat er op Gods aardbodem +was, maar hy wordt een heel ander mensch: ik ben ook zyn vriend; doch +Edeling, die my zegt, dat hy het beste hart van de waereld heeft, en +zo goedaartig is als een kind, heeft voor, hem een beter bestaan te +bezorgen.--Ja, ik wou wel wat zeggen, maar het wil er niet uit; +evenwel het deedt my zo goed, toen ik het hoorde, dat myne oogen +overliepen! Ik kan 't niet zwygen. Hy is het, die aan Edeling uwe +verlegenheid, door een ryken schacheraar u veroorzaakt, vertrouwde[5], +er by voegende: "Myn Heer, ik heb geen geld, anders zou ik of Letje +het al afgemaakt hebben; maar zeg het de brave vrouw nooit, dat ik het +ben, die u dit zeide:" en hy sprak van u, als of gy zyne Moeder waart. +Moet zo een jongen geen goede gronden hebben? Moet hy niet beloont +worden? Wat zegt gy? Nu schei ik uit, en ben + + Uwe oprechtste Vriend, + + ABRAHAM BLANKAART. + + +Noten: + +[1] Meer dan genoeg. +[2] Cornelia Hartog. +[3] Boos. +[4] Stad bij Bethlehem. Joz. XV. +[5] Vertelde. + + + + +HONDERD-VYFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER R. AAN DEN HEER G. + + +_Broeder Lichtmis!_ + +Razent, woedent, helsch kwaadaartig over myne mislukte onderneming! In +myne eigen strikken gevangen! Maar wie kon denken, dat er een Burger- +meisje in de waereld was, die een man, zo als ik ben, tegenstand zou +bieden? Wat moet ik denken; zou er waaragtig zo iets zyn, dat deugd +genaamt wordt? Ei, wisjewasjes! Kinderlyke vooroordelen; dat is 't al, +en anders is 't niets. Nooit heb ik my zo misrekent! En niets dan schrik +kan my haar bezorgt hebben. Zie daar! daar raken de Harddravers met een +poot of drie in een der leizels, die ik bevolen had optestrikken, om +toch gereet te zyn, zo dra zy besloot my te volgen. Er was niemand op de +plaats dan de Tuinvent. Ik moest helpen of myn beste Paarden verliezen. +Ik sluit de schone meid in de kamer, verzekert, dat zy myne gevangene +moest blyven. En in dien tyd, dat ik in den stal ben, is zy 't ontsnapt. +'t Is my volstrekt onbegrypelyk, want er was niemand op de Plaats dan +de kerel en ik. Ik kom weer, doe de deur open, vind haar niet, sta als +een driedubbele gek, loop het huis uit, raas, stampvoet, vlieg by Kryn +in huis; alles vergeefsch; loop naar 't Hek; ja, 't Hek was open, en ik +begreep, dat het niet voor my geraden was, haar na te zetten. Waar zy +belant is, weet de Drommel; doch het scheen my hoognodig, om, vroeg in +den morgen, weg te ryden; ik ging naar Utrecht, en van daar op Arnhem; +thans ben ik op Pruisischen bodem, en laat my ligt Hofraad maken; 't +kan te pas komen. Hoort gy niets? Alles zou ik nog vergeten kunnen, +maar ik bemin haar tot myn straf. Dit maakt my dol op my zelf, en met +dit al, het is niet anders. + +Als gy niets beters te doen hebt, kom dan by my, en breng Philips +mede, op dat ik ten minsten een paar guiten heb, op wie ik al het +onweer myner gehoonde en van liefde gemartelde ziel vryelyk mag +uitgieten. + + T. T. + + R. + + + + +HONDERD-EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis laat Blankaart _een +blauwtje loopen_. + + +HONDERD-TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Hendrik schrijft Sara een solide +liefdesbrief. + + +HONDERD-DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Sara antwoordt hem niet minder +degelijk; _er ligt haar nog iets op 't hart; ze denkt dat_ Hendrik +_nog niets weet van 't geval met_ R., maar uit de Honderd-vier en +vijftigste brief blijkt dat hij alles wist. + + +HONDERD-VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis noemt haar verloofde +Smit "waarde vriend"--deelt hem de _officieele verloving mee_ van Sara +en Hendrik. Blankaart was zeer ontroerd, doch lachtte zijn tranen weg. + + + + +HONDERD-ZES EN VYFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Myne Tederbeminde!_ + +Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, om te schryven, in die +droefgeestige uuren, dat ik uw gezelschap moet missen. Ik weet, myne +Liefde, dat de Betaamlykheid my de wet stellen moet; dat ik myne +affaire moet benyveren, en voldoen aan die onderscheiden pligten, die +ik voor my te doen vinde: ik kan u des maar weinige uuren 's daags +zien. Al den tyd, dien ik kan uitsparen, gebruik ik echter om aan u +te schryven. + +Gy hebt u dan met welberadenheid aan my verbonden, en, schoon de +gelukkige dag nog niet bepaalt is, zo hoop ik, dat hy nu haast zal +aanbreken; iets, waarom ik vurig bid. + +Myn waarde Vader, die myn geen woord gezegt heeft van zyn voornemen, +om u te komen zien, verhaalde my onder het avondeeten, dat hy by u +geweest waar, om u veel zegen te wenschen met uwe Verjaring. "Zie, +Hendrik, zei hy, 't is een aartig meisje, maar 't is of zy bang van my +is. Zy was wel beleeft en vriendlyk, maar toch zo niet, als zy tegen +haren Voogd (die er ook inkwam,) zich gedraagt: en dat spyt my; want +ik meen het kind wel te doen; jammer, duizend jammer! dat zy niet van +ons Geloof is." + +_Ik_. Juffrouw Burgerhart zal, zo dra zy weet, dat gy vriendelyke +gemeenzaamheid niet voor kleinachting in jonge menschen aanziet, u +zeker zo behandelen, als gy wenschen kunt. + +_Hy_. Wel, dat's al een raar Compliment, Hendrik. Ben ik dan zo een +Niemands vriend, dat de jonge lieden voor my vrezen? dat zou my +spyten! + +_Ik_. Myn waarde Vader, trek er toch dit gevolg niet uit! Gy weet, hoe +pligtmatig ik altoos omtrent u gehandelt heb, en den Hemel dank voor +den braven Vader, dien hy my gaf. + +_Hy_. Ja, ik zie zelf wel, dat ik zo niet ben als uw Oom Redelyk, of +als Blankaart, maar dat is zo myn humeur. Nu, zal 't haast lukken? +Wanneer gaat het Huwlyk aan? + +_Ik_. Zo dra wy een huis hebben, denk ik. + +_Hy_. Wel, is dat de zwarigheid? wagt, met je Vrouw, de occasie hier +by my af: of wil zy niet by zo een knorrig man zo lang komen inwonen? + +_Ik_. Daar is geen woord over gesproken; maar ik ben wel verzekert, +dat myn aanstaande Vrouw over haar Mans Vader dus onheusch niet zal +oordelen; en ik bedank u by voorraad allerhartlykst voor deeze +aanbieding. + +_Hy_. Waar is uw Broeder Cornelis? + +_Ik_. Die eet by den Heer Blankaart. + +_Hy_. Wel is 't waar! alle jonge lui zyn even gaarn by hem; maar 't is +ook de beste, de braafste man van de waereld. Hy heeft my ook al zo +eens aan 't oor geweest over uw Broer. + +_Ik_. Ja, myn lieve Vader! Keesje heeft, toen hy te Leiden studeerde, +eene Juffrouw leren kennen, die hem boven alle behaagde; en dewyl de +Heer Blankaart die familie kent, en roemt, zoo is 't niet vreemt, dat +hy een woord voor myn Broer gesproken heeft: zy is niet ryk.... + +_Hy-. (_my in de reden vallende_.) Ben ik dan een gierige schrok? Heb +ik ooit op geld gezien? Als 't anders wel is, zal dat wel gaan; maar +al weer niet van myn Geloof, denk ik? + +_Ik_. Dit weet ik met geen zekerheid: de Heer Blankaart zal u alles +wel berichten. + +_Hy_. Nu, 't is nog zo verre niet. Hy moet eerst wat praktyk hebben. +Ik hoop, dat hy die zaak op het Oostindische Huis, voor Mevrouw +Buigzaam, maar wel en spoedig zal afdoen: zo hy zich ooit met slegte +zaken bemoeit, onterf ik hem; geen schelmen in myne Familie, zou ik +hopen: dan nog liever Gereformeerde meisjes tot Schoondochters! + +Zie daar de kaart van 't land, myne Liefde, indien gy den braven man +weder mogt ontmoeten. Hy zal u zeer lief hebben, maar het u nooit +zeggen; hy zal u overhopen met presenten, en zien of hy op u keef: +Beter hart dan het zyne is er niet. + +Myn Broer praat bykans zo veel van u als van zyn meisje, en houdt niet +op van te zeggen, dat gy, uit alle meisjes, juist die geene zyt, die +my gelukkig kan maken. + +Nu zal ik u verslag doen van myn Bezoek by den Warmoezier. Ik ging er +deezen namiddag heen. De vrouw was bezig met groenten te wassen, +geholpen door een jongen knaap; de man was in den Tuin. + +_Ik_. Goejen dag Aaltje-buur, hoe gaat het al? + +_Zy_. (_Zeer verwonderd opkykende_.) Heel wel, myn Heer, maar ik ken u +niet! + +_Ik_. Gy kent evenwel, denk ik, eene jonge Juffrouw, die gy een dienst +gedaan hebt, welke ik moet trachten te belonen? Is dat uw Zoon, +Pieter? + +_Zy_. Ja myn Heer, dat's Pieter; en dat is myn man, die daar zo druk +bezig is. + +_Ik_. Myne goede vrouw, zo 't u gelegen komt, wilde ik u wel eens +spreken. + +_Zy_. Als 't je belieft, myn Heer. (_Zy ging met my onder een zwaren +Olmenboom op een Bank zitten, die wat van 't huis afstondt_.) + +_Ik_. Vrouw, gy hebt, door die jonge Juffrouw in huis te nemen, en +veilig in de stad te bezorgen, my een dienst gedaan, dien ik u niet +kan belonen; doch ik zal u echter myne erkentenis bewyzen. + +_Zy-. Wel, myn Heer! wel, myn Heer! dat is al dubbelt en dubbelt wel: +die zoete Juffrouw heeft my vier gouwen Dukaten, en myn Zoon nog een +gegeven; dat waarlyk veels te veel was. En wie, al was hy een Heiden +of een Turk, zou zo een aller liefst jong mensch niet in huis genomen +hebben, in zo een droevige omstandigheid? Wil ik u wat zeggen, myn +Heer? al had ik geen rooije duit gekregen, ik zou 't even lief gedaan +hebben; ik heb ook kinderen; en hoe bly zou ik zyn, als myne kinderen +ook in nood en verlegenheid brave menschen vonden! maar die ondeugende +R. zal zyn loon wel krygen. + +_Ik_. Gy spreekt wel; gy verdient achting. Maar zou ik dat lieve +Klaartje ook niet eens kunnen zien? gy ziet, ik weet van de geheimen. + +_Zy_. (_Zy lachte_.) Pieter toe, ga eens even by Kryn-Baas, en vraag, +of Klaartje hier niet eens kan komen; maar je moet niets van dezen +Heer zeggen. (_Pieter ging op een draf, en in een kwartier kwam hy met +Klaartje te rug_.) + +_Ik_. Wel, dag schoon kind, ik moet u de groetenis doen van zekere +jonge Juffrouw, die zeer verlangt om u eens by haar te zien. + +_Klaartje_. Zo, myn Heer; wel, ik zou gaarn eens gekomen zyn, maar ik +durfde niet om myn Vader; die moet er niet agterkomen, of 't zou er +bedroefd uitzien. 't Heerschap jaagde hem heen', en wat zouden wy dan? + +_Ik_. Gy hebt gelyk. (_Onderwyl was Moeder haar Man gaan roepen, die +ook nu by ons kwam; een ordentelyk man, dunkt my_). + +_Zy_. Zie, myn Heer, ik heb Vader zo eens een woord gezeit, maar hem +dunkt ook, dat wy wel zes-dubbelt beloont zyn. + +_Hy_. Ja, dat denk ik, en zo ik de zonde niet ontzag, ik zou zo een +deugeniet, zo een verleider van jonge meisjes kunnen kloppen, dat hy +'t opstaan vergat; dat zou ik! (_en hy zette zyn hoed in de oogen_.) + +_Ik_. Hy en zyn soort verdienen niet beter, maar laten wy van wat +anders praten: deeze jonge vrienden zyn Vryster en Vryer? + +_Pieter_. Ja, myn Heer, met God en met eeren, en ik heb haar ook +miserabel lief, ook Klaartje? (_Klaartje kreeg een kleurtje en +zweeg_). + +_Ik_. En waarom gaat het Huwlyk niet voort? + +_Klaartje_. Dat geloof ik, myn Heer, ik heb maar twee-honderd guldens +voor Moeders erf, en Albert-Baas kan niet mee geven; de menschen +hebben zeven kinders, en men kan zonder geld niets beginnen. + +_Ik_. Wel, Albert-Baas, als de jonge lui nu in staat waren om zich te +redden, zou het dan wel zyn. + +_Hy_. Dubbelt wel, want wy houwen maar elendig veul van Klaartje; ook +Wyf? + +_Ik_. Wel, kom aan. Zie naar gelegenheid uit, en als je op je slag +bent, laat het my dan weten: zie, hier is een beurs, daar genoeg in +zal zyn om te beginnen: daar, Moeder doe jy uitdeling, en geef er zo +veel van als gy goed vindt: gy zyt allen hupsche menschen. + +De vrouw was verstomt, de man keek of hy zei: "droom ik, of waak ik?" +en Pieter omhelsde zyn meisje, uitschreeuwende; "nou ben je evel de +myne, nou word ik jou man;" en hy kuschte haar, of hy haar wou +opeeten. Nou, zei hy, ik ben op dien Heer "niet jaloersch, geef hem +een zoen voor zyn goedheid." Zy deedt zo, met een ware eenvoudigheid, +die my aandeedt. Na nog wat pratens, ging ik te rug, en kwam maar +juist van pas binnen. + +Ik twyfel niet, myne Liefde, of gy zult te vreden zyn met myne wyze +van doen. o Wat vindt men schone karakters onder zulke gemene lieden! +Laten wy, zo veel wy kunnen, die toch wel doen. + +Nu zal myn eerste bezoek by uwe Tante zyn. En dat lieve mensch, 't +welk gisteren by u was, moet ik nader leren kennen. Dit is al +Christelyke deugd! en hoewel 't gezont oordeel wel eens voor een +weinigje te vergetrokken yver schynt te wyken, dit is niets, daar een +mening zo oprecht, en het voordeel zo uitgebreit is. + +En nu, myne Liefde, bid ik u, dat gy uwen Edeling niet langer laat +reikhalzen naar een geluk, dat hy zo vurig wenscht, en dat hy met zo +weinig geduld kan afwagten. Myne Zielsbeminde! gy hebt myn koel, al +te onverschillig karakter opgevyzelt tot dien graad, die my alle myne +zedelyke en machinale verrichtingen met vuur, met deelneming, met +vaardigheid en gemaklyk doet uitoeffenen. Liefde voor een waardig +Voorwerp, veradelt den Mensch; zy leidt ons daar, daar wy, in al wat +goed, wat groot, wat nuttig, wat heilzaam is, voor ons en anderen, +komen moeten. 't Wordt middernagt. Ik moet eindigen, om u niet +ongehoorzaam te zyn. Wel dan, ik ga slapen. Rust zagt, myne Beste, +en ontwaak onder de bescherming des Algoeden. Eeuwig ben ik + + Uwen + + EDELING. + + + + +HONDERD-ZEVEN EN VYFTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS. + + +_Ge-eerde Vriendin!_ + +Al heb ik nul op het request gekregen, daarom blyf ik evenwel dezelfde. +Hoe, wat? zoudt gy my tegen uw zin nemen? Wel nog mooijer! Neen, +Vriendin, ik heb u van harten gevraagt, doch het stond u vry, om my +af te wyzen: Nu zal ik al vast als een _niets beduidend oud Vryer_ +sterven. Want trouwen zal nu wel agter blyven. + +Ik zal echter nog zo veel goeds in de Waereld doen, als ik maar grypen +en vangen kan; want zo maar het leven, dat God de Heer my geeft, met +geld winnen en boekhouden te verpierewaaijen, dat was nooit te +verantwoorden: Me dunkt, dat het er schraaltjes moet uitzien, als een +Christen mensch in den Oordeelsdag evel niets kan opnemen, dat zo iets +de pyne waart is, zo als onze meeste ryke luidjes toch doen. Neen, ik +hoop te kunnen zeggen: "Here! ik ben, en dat is maar niet te ontkennen, +een zondig mensch; ik ben maar een oud Vryer; maar ik heb zo veel goeje +menschen wel gedaan, als ik maar belopen kon; ik heb kwaaje zoeken wyzer +te maken; ik ben niemand ooit hart gevallen, en ik deed dit zo alles, om +dat ik uwe geboden lief had, en uit dankbaarheid, om dat ik zo gezegent +op de waereld was, alles tot lof Uwer genade, amen;" zo dat, ik wil maar +alleen zeggen, dat gy waarde Vriendin, my niet tegen uw zin moet nemen. + +Ik ben dan eergisteren by den Heer Helmers geweest; zo als ik tegen u +zei, dat ik doen zou. Hy woont daar als een klein Prinsje, hoor! Ik +dagt: kom! myn Blesje moet ook eens met baas uit; zie, 't beest is my +zo lief als myn Snap, zo als het ook wel merken kan. Daar kwam ik als +een hele Sinjeur de Plaats opryen, maakte myn paard aan een boom vast, +en ging met Snap naar het huis. + +_Ik_. Uw dienaar, myn Heer Helmers! doet Abraham Blankaart u ook +belet? maar mooglyk ben ik niet by u bekent, en _onbekent maakt +onbemint_. + +_Hy_. In persoon ken ik u niet, myn Heer, maar in karakter wel; gy zyt +hartlyk welkom; waaraan ben ik dit aangenaam bezoek verpligt? + +_Ik_. Dat kan ik u voor de vuist, en met weinige woorden, zeggen. Ik +kom uit vryen om uw Vriends Dochter Letje:--maar, kyk zoo niet op, +niet voor my. + +_Hy_. Ik zal u met genoegen horen. + +_Ik_. Hebt gy den Heer Willis gekent? Hy was niet gelukkig in zyne +affaire. + +_Hy_. Neen, maar ik heb een Vriend gehad; die dit met hem, en even +onverdient, was; Letjes Vader. + +_Ik_. Nu althans, die man heeft een Vrouw en twee kinderen nagelaten; +(_en, toen zei ik zo veel goeds van u, dat ik het niet zeggen mag_.) +Zyn zoon is myn gunsteling, een braaf ijvrig Jongeling, by den Heer +---- op 't Kantoor; die hem als een Vader bemint. En nu kwam ik by u, +om eens te horen, of gy iets tegen een Huwlyk tusschen deeze Kinderen +zoudt hebben? Zyne moeder zal u, zo gy het bewilligt, nader verzoek +doen: want zy bemint Letje, en zou graag zien, dat haar Willem het +meisje kreeg. + +_Hy_. Heeft Letje u niets gezegt van zekeren Brief? + +_Ik_. Geen woord. Zy weet ook niet, dat ik naar u toe ben. Zie, ik wou +eerst weten, hoe gy er over denkt. Gy zyt haar weldoener, zegt zy. + +_Hy_. Myn Heer Blankaart, Letje (dat ondervind ik op nieuw,) heeft een +zeer goed eerlyk karakter. Hare vriendschap met Juffrouw Burgerhart, +haar inwonen by de brave Weduwe, hebben haar in weinige maanden +ongelooflyk veel nuts gedaan. Ja, ik had een ander oogmerk met haar; +doch ik zal haar myne weldaden niet ten koste van haar vryheid en +geluk toedelen. Indien zy myn voorslag hadt kunnen aannemen, 't zou my +lief geweest zyn; maar, zo zy liever den Heer Willis heeft, my is 't +wel; ik moet u evenwel ook voor de vuist zeggen, dat Letje niet meer +dan twintigduizend Guldens bezit: zo veel als haar Broeder, daar ik +ook zeer wel over voldaan ben: en indien Willis nu niets heeft, dan +zie ik er niet door. + +_Ik_. En ik heel wel! God heeft my gezegent, en ik ben maar een oud +Vryer, die kind noch kraai in de waereld heeft. Kom, Helmers! Letje +heeft my zo veel van u verhaalt, dat ik mag veronderstellen, dat gy +nog wel iets doen zult voor haar. Ik zal voor Willis ook wat doen. Ik +had altyd gemeent, als ik niet trouwde, myne Pupil myn goed te maken, +met zo wat Legaten aan myn oude Bedienden; maar zy doet een ryk +Huwelyk, en ik zeg: zie, Abraham Blankaart, gy moet geen water in de +zee dragen, myn Vriend. Nu moeten er andren wel van varen. Och God! +het moet hier immers alles blyven; en wel doen is de boodschap. Is dat +zo niet, myn goeje Vriend? + +_Hy_. Gy doet my aan, Blankaart. Geef my uwe vriendschap: ik denk even +als gy. + +_Ik_. Met al myn hart: nu, wat zegt gy? + +_Hy_. Ik sta de verkering toe; ik bedank u voor de eer, die gy my in +deezen aandoet; ik zal tonen, dat ik uwe achting niet onwaardig ben; +en laat voorts alles aan uwe bestiering over. + +Vervolgens vertelde hy my met aandoening, dat Letje, nog zeer jong +zynde, (nu, zy is nog maar drie en twintig jaar,) eene jeugdige liefde +had opgeoeffert aan haar's Vaders redelyk bevel; en dat zy ook hier +voor moest beloont worden. Hy zei my, dat haar Broer een goede jongen +was, daar wel wat van zou te maken zyn, zo hy in goede handen viel. +Goed, zei ik, ik zal dat knaapje ook al in 't oog houden, en helpen +waar ik kan en mag. + +Na de plaats doorgewandelt en op zyn oud Vaderlands afscheid genomen +te hebben, sprong ik te paard, en kwam, zo in my zelf tierelierende, +en zoo vrolyk als een Koning, met Snap de Stad in, at spoedig, en ging +deezen zitten schryven. Ik ben met eerbied, + + Uwe Hartvriend, + + ABRAHAM BLANKAART. + + + + +HONDERD-AGT EN VYFTIGSTE BRIEF. + +MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. + + +_Lieve Vriendinne!_ + +Ik had dan het genoegen om u, en nog eenige jonge harten aan het huis +van de Vriendinne Buigzaam te zien! Ik was byna niet in staat, om myne +inwendige vreugd te verbergen.--'t Was of ik in een zedelyk School +was, daar men jonge menschen de eerste treden leerde zetten op den +waren weg. Toen ik t'huis kwam, moest ik zo betuigen voor den Here: +_Nu weet ik, dat by u geen aanneming des persoons is, maar dat yder, +in wat staat of rang, in wat kleding_, (_zo die der betaamlykheid maar +niet kwetst_,) _die de gerechtigheid lief heeft, u aangenaam is_? Ja, +ik voel zo eene zielenliefde voor de Vriendinne Buigzaam. In haar zie +ik zo _Maria_ en _Martha_ vereenigt. In Letje is een getrouw zaad +gevallen: de Here geve, dat het door de waereldsche beslommeringen +maar niet verstikken moge! Niet, hartje, dat men den kinderen van +Jezus alle speelgoedje moet onthouden; maar 't moet binnen de palen +van uitspanningjes zo blyven. Och, zy laten het van zelf wel varen, +als zy Maagden, Vrouwen en Moeders in den Here worden. En daar is dat +zoetaardig Lotje, die moet niet verstoten worden; zy is een kind in 't +verstand, maar ook in allerleije boosheid. Ja, Styntje, zei ik zo in +my zelf, als ik haar zo eenvoudig zag zitten breijen, gy moet in +onschuld dit Kind gelyk worden, of gy kunt in 't Ryke Gods niet +ingaan. + +Maar gy, myne jonge Vriendinne, hebt vyf talenten ontvangen, en de +Here gaf u ook de gewilligheid, om die tot winst uit te zetten. o Myn +hartje, gy kunt nog zo veel goeds doen. En uw Bruidegom is een +_Timotheus_, die de begeerlykheden der jonkheid vliedt, in wien het +oprecht geloof woont. o! Zo de lieve _Johannes_ eens aan hem schreef, +hy zou zeggen: _Ik schryve u, Jongeling, want gy hebt de waereld +overwonnen_. Ik spreke uit ondervinding. De Godsdienstige Edeling is +by my geweest, maar zo als hy zich omtrent uwe Tante gedroeg; o +Vriendinne, dat was het _werkent_ Christendom! Uwe Tante weende +bitterlyk. Nu ziet zy wel, dat de Here _niet woont in 't water noch in +'t vuur_: gelyk er in het oude Verbond staat: dat is, niet in al dat +getier en gebaar van dat zo genaamde Bekerings-werk: maar dat God +woont in een ootmoedig, gezuivert, en hem geheel geheiligt hart; zoo +is het ook met uwe Bruidegom! + +Ik ben niet onder de ryken deezer Stad; maar ik heb overvloed voor my, +en kan nog wat mededelen; en zo uwe Tante niets hadt, en by my toevlugt +nam, ik zou haar gaarne van 't myne geven. Maar nu gy, en uw Vriend, +ryk zyt in goederen, ryk in de genade, en dus ook ryk in goede werken, +zou het in my eene dwaze trotschheid zyn, geen gebruik te willen maken +van 't geen uw beider liefderyke harten my aanbieden: En nu kan ik myne +stille liefdadigheid blyven beoeffenen. + +Terwyl ik deezen zo zat te schryven, kwam de Heer Blankaart in myn +huisje. Uw Tante was danig ontstelt. Hy bestrafte haar als _Joannes de +Doper_, en troostte haar, als _Joannes de lieveling des Heren_. Zy +viel in den schuld, bekende, dat zy u zeer onrechtvaardig behandelt +hadt, en u in gevaar gebragt, om op den doolweg te raken. "Nu, zei hy, +Zantje, leer nu beter toezien; er zyn, zo als ik u duizend maal zeide, +hele ondeugende sielen onder dat Fyne goedje. Jou Duivel was gierigheid, +kind, die moest uitgedreven worden; zo als de Schrift zegt, _gierigheid +is een wortel van alle kwaad_. Zie, hadt gy nu van uw geld arme sukkels +meegedeelt; maar neen, er mogt geen duit af, zo 't niet voor dat Volk +was. Nu, 't schaadt je niet; zo je jou nu nog maar bekeert, zal 't alles +wel lukken: hoor, ouwe kennis, ik begryp niet, hoe of je zo in dien hoop +verwart geraakt zyt. Gy pleegt te wezen als alle andere deftige Burgers; +maar zedert dat je bekeert ben, zit je te zuchten en te steunen, dat de +Duivel in zyn vuist lacht, om dat je het by onzen lieven Heer zo wel niet +hebt als by hem. Denk jy, dat onze Hemelsche Vader, die uit liefde en met +blymoedigheid wil gedient zyn, het scheelt, of gy u als een _graauwe +Munnik_ toetakelt; en er uitziet, of je uit het zothuis kwaamt? dat je +dat kostlyk aangezicht weg moffelt in een malle muts? Niet dat ik wil, +dat gy u optooit als een kleuter; maar kleedt u zo als Styntje: zo een +Samaartje staat immers net en ordentelyk, en het Kuifje zindelyk en +zedig? Zy ziet er ook zo blymoedig uit, dat men niet hoeft te vragen, +of zy zich in den dienst haars Gods wel bevindt, en vrolyk leeft in +den Here. Nu, _zalig zyn zy, die zich beteren_. Wat uw bestaan aangaat, +zorg daar niet voor. Uwe lieve brave Nicht heeft my gebeden, om u uit het +hare te mogen onderhouden; en ik zou haar niet half zo liefhebben, zoo zy +niet zo wel kon goed doen als vergeven. Zie, dat is ook een Christelyke +plicht. En wy hebben allen nog zo veel te doen, eer wy waarlyk Christenen +zyn, ik voor al, dat het ons niet voegt onvergeeflyk te zyn. En jy en ik, +Zantje, mogen by Styntje nog wel een lesje halen." + +Vriend Blankaart, zeide ik, ik vinde gedurig zo stoffe, om my te +vernederen voor den Here; laten wy liever elkander leren, en opbouwen +in het goede werk. De Here zelf moet ons leren; en zo doet hy ook in +het woord der waarheid. "Dat is recht, zeide hy: maar wy doen heel +anders, wy verlaten den Sprinkader des levendigen Waters, en houwen +ons zelf gebroken bakken uit; zie, ik lees alle daag in Gods Woord, en +hou my niet op met uitleggingen, die ik niet noodig heb om het te +verstaan, voor zo verre het my raakt als een Christen mensch, wil ik +spreken. Wat kan 't my schelen, of in zo een text van den _Gog_ en den +_Magog_, of van _Constantyn den Groten_ gesproken wordt? Ik wil +_Bybels_, ik wil _practicaal_ horen preken. Daar liep ik verleden +Zondag zo eens in de Meniste Kerk by den Toren; er werdt over de +Bekering gepredikt; 't was zo fraai, dat ik ging zitten, en luisterde +als een vink. Wel, Styntje, ik ben nu zuiver rechtzinnig, maar +waarlyk, ik kon _amen_ op alles zeggen; en ik zei het ook in my zelf. +Sticht dat niet beter, dan dat ik hoor zagen, en kaauwen en klungelen +over _Aarons baard_? en er dan nog toepassingen by te krygen, die +Spotvogels stof leveren, maar die verstandige en vrome menschen met +versmading overdenken? Toepassingen, die onze jonge Nazireers wel +agter weeg mogen laten, zo zy zielen willen winnen; en die my danig +ergeren, om dat zy my doen lachen." + +Toen ging de Vriend Blankaart heen, en ik zei in my zelf: _dit is een +Israeliet, in wien geen bedrog is_. En nu, hartje, moet ik u nog +zegenende zegenen: _God geve u een Jozua's besluit: wat ook anderen +doen, wy en ons huis zullen den Here dienen_.--Groet uwen Bruidegom, +groet de Vriendinne Buigzaam, en de jonge Vriendinnen; en neem my in +liefde aan. Ik ben + + Uwe ware Vriendinne, + + STYNTJE DOORZICHT. + + + + +HONDERD-NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vraagt aan Mevr. +Willis, of ze de verkeering van Willem en Aletta goedvindt.--Met Sara +heeft ze ernstig gesproken: die ziet wel tegen het huwelijk op, maar +'t zal wel marcheeren. + + +HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelis schrijft aan zijn Jaantje--Adriana +Nijverhart--dat papa hun verloving ook goedkeurt. Jammer dat _hij +alleen_--naar Hendrik's bruiloft moet: Jaantje's moeder is ziek.... + + + + +HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF. + +DE HEER CORNELIS EDELING AAN MEJUFFROUW ADRIANA NYVERHART. + + +_Myn allerkostelykste kostelykheid!_ + +De knoop is gelukkig gelegt: ik ben eens even t'huis gekomen, om te +zien, of er ook een Brief van uwe Majesteit, Adriana de Eerste, was. +Neen, geen Brief. Nu, dat's weer een schreefje op den kerfstok! Ik ga +zo vliegent weer naar 't huis van Mevrouw Buigzaam. + +o Waarom, myne Jaantje, hebt gy gisteren niet by ons geweest? Niets +ontbrak er aan myn geluk dan uw byzyn! Ik geloof niet, dat men met +meerder betaamlykheid, met meerder blydschap, een Party als die van +gisteren zoude kunnen uitdenken en uitvoeren. Alles was naar de +onmerkbare Ordonnantie van Mevrouw Buigzaam; kon het dan anders zyn? +Myn Broeder, weet gy, is een regt schoon man, en zyne Bruid, (of nu +jonge Vrouw,) eene Bevalligheid, die nog meer bekoort dan het schone +zelf. Niemand van ons was eigenlyk opgeschikt: alles was _neglige_. +Wy geleken net een Huisgezin. Hendrik was geheel liefde, geheel vreugd: +De Bruid minder levent dan anders, en men zag, dat zy alleen uit +beleeftheid mede sprak. De voor-avond werdt musicerent gesleten. De +Eerwaarde Smit was geen der minste spelers: maar Mevrouw Buigzaam +wordt niet geevenaart, ook niet van de jonge Vrouw, en die speelt, zo +als de Heer Blankaart zegt, evenwel "Kapitaal." De eetzaal was gereet +gemaakt, om ons Soupee te houden: het overtrof nog het Verjarings +Collation. De Heer Blankaart's knegt, die van Vader, en die der Weduwe +dienden. Men had voor hun wel degelyk gezorgt, en Blankaart hadt de +oude kindermeid van de Bruid ook verzogt, om mee in de vreugd te +delen. (Van die nog een woord.) + +De twee Weduwen werden door de twee oude Heren op hare plaatzen +geleidt; en zo dra de Getrouwden gezeten waren, voegden wy ons er by. +Op het dessert heb ik my ook gewroken; doch zy hebben my, door hun +verdriet te verbergen onder een vriendelyken lach, deerlyk te leur +gestelt. Ik zal het Vod[1] zelf hier in sluiten, 't Zal u mooglyk tot +een zoet rustmiddeltje dienen; en gevolglyk nog ergens goed voor zyn. + +Toen men vervolgens zat te praten over die kostelyke niet met allen, +die onder goede vrienden zo aangenaam zyn, zei myn Vader: "Kom een +glaasje van gelukwensching. Welkom, vervolgde hy, met een zeer ernstig +vriendlyk gelaat, daar zyn eerlyk hart in uitscheen: Welkom, lieve +Dochter, in myne Familie. Nooit moet gy u den dag beklagen, die u in +dezelve brengt; ik althans zal een goed Vader omtrent u zyn: gy zyt +het waardig. Geluk, myn Zoon, met uwe Vrouw; wees een zo goed Man, +als gy een Zoon, een Broeder, een Meester waart, en gy zult uwe Vrouw +dierbaar blyven. En gy, Cornelis, (tegen my,) geluk, jongen, met uwe +Zuster; als gy trouwt, zal ik even zeer in myn schik zyn als nu: gy +zyt beide myne Kinderen. Myn Heer Blankaart, geluk met deeze +verbintenis! dat wy beide nog lang getuigen zyn van dat heil, dat myn +Vaderlyk hart van den Almagtigen God afsmeekt." Hy kon niets meer +zeggen, maar boog tegen het gehele gezelschap, en er vielen tranen +langs zyne wangen. De Bruid stondt op, omhelsde hem; hy kuste haar; +niemand sprak: allen droogden wy onze oogen af. Hendrik, (om wat +afwendig te maken,) vroeg aan 't gezelschap, of men hem, toestondt, +om de gewezen kindermeid der Bruid binnen te verzoeken? Niets liever! +Daar op kreeg ik myn hoed en handschoenen, en marcheerde naar de +Keuken, om het ouwe schaap, dat in haar beste Zondaagsche plunje was, +en styf stond van de gouden ringen, in te leiden. "Aanstaande Zuster, +zei ik, met myn hoed onder den arm, en Pieternelletje zeer eerbiedig +aan de hand, daar heb ik myn Vryster, die gaarn de eer hadt, om by u +haar compliment van felicitatie af te leggen." De Bruid trok haar +stoel wat uit, en gaf de vrome eenvoudige Pieternel gelegenheid, om +zich te laten bekyken. "Wel, God dank! zei ze, dat ouwe Pieternel haar +jonge Juffrouws trouwdag nog beleven mogt. Heden, Juffrouw, je bent +krek alleens als je lieve Moeder, toen die trouwde. Niet waar, myn +Heer Blankaart? En toen myn Heer Blankaart even zo klugtig als deeze +myn Heer. Nu, myn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten +zegen; och, myn Heer Edeling, je krygt zulk een lief meisje; ze het +ouwe Pieternel nooit een onvertogen woord gegeven, 't was een lief +hartje van een kind, en ik was ook zo mal met haar, dat, als zy +tandjes kreeg, of zo, ik my tot water huilde; niet waar, myn Heer +Blankaart?" En toen gaf zy de Bruid en Bruigom een kusch, die klonk +als een klok. De overige Bedienden werden binnen geschelt; de Heer +Blankaart overend ryzende, nam een schoon tafelbord, waar op zes +verzegelde kleine Pakjes lagen. "Hier, Kinderen, zei hy tegen de +Bedienden, daar is voor u elk een gedagtenis van dit Huwlyk. Gelyke +munniken, gelyke kappen: Abraham Blankaart kan, en wil ook wel, +Goddank! wat missen." Hy gaf elk een pakje, en zy gingen in de keuken +zich vrolyk maken. "Vrienden, zei de brave man: zie, ik ben, wil ik +spreken, maar een oude Vryer, ik heb kind noch kraai; en God de Heer +heeft my boven alle myne begeerte gezegent: Ik weet, 't is waar, niet +wat het Vaderlyke hart is; maar dit lieve Bruidje is de waardige +Dochter van een man, dien ik my ten vriend had uitgekozen; zy is onder +myne oogen opgegroeit; duizendmaal zat zy op myn schoot met my te +snappen, of haar Poppen te kleden; (want ik ben een regte kinder-gek!) +zo dat ik maar zeggen wil, dat dit de gelukkigste dag van myn leven +is; en dat ik nu niets meer van God te wenschen hebbe, dan dat ik en +alle brave menschen gelukkig zyn." Onze Domine besloot, op 't verzoek +der oude Heren, dit Vrienden-maal met eene dankzegging, die ons de +hoogste denkbeelden gaf van zyn Godvruchtig hart, en zyn +menschlievenden aart. Den Eerwaardigen Jongeling rolden de tranen op +de t'samen geslagen handen. Zyn stem was zielroerent, alles was diepe +aandagt. + +De Heer Blankaart luisterde my in 't oor, dat wy moesten dansen. +Willem en ik haalden twee Fiolen: Een gaf ik aan myn Vader: "Jongen, +zei hy, ik doe er niet meer aan! Ik vrees, dat het gebrekkig zyn zal." +Evenwel, de vreugd, die zyn hart overstroomde, deedt hem die aannemen; +ik presenteerde den Heer Smit ook een: die, zonder eenige kwalyk +geplaatste excusen, zei: "ik zou dit fatsoenlyk gezelschap oneer +aandoen, indien ik my onttrok, om het myne tot eene zo billyke vreugd +te doen. Wy zyn onder de Roos." De Heer Blankaart haalde de Bruid op. +Zy danste niet wel; niet zo wel, meen ik, als zy 't anders kan; en zy +verzogt hem om geexuseert te zyn. Toen moest Letje en Willem op de +baan; beiden toonden, dagt my, dat zy elkander wilden behagen. +Bruinier was onvermoeit, en gy weet, ik val ook niet heel vies van een +cabriooltje. Eens haalde ik Mevrouw Buigzaam, en danste met haar een +zeer statige Menuet; trouwens allen waren in den goeden smaak: Na een +uur dus doorgebragt te hebben, verdwenen Mevrouw Buigzaam en het +Bruidje. Hendrik bleef nog in de kamer, doch ik geloof, dat wy alleen +zyne uitwendige tegenwoordigheid hadden: De beide oude Heren gaven hem +de hand. De Weduwe kwam niet te rug, voor myn Broeder insgelyks weg +was: de vreugd ging haren gang: ten drie uuren waren de Koetzen +gereet: elk nam even vrolyk, minzaam en even vriendlyk afscheid en +ging naar zyn eigen huis. + +Voor ik ga zien, of de Jonge Lieden al by de hand zyn, sluit ik +deezen. Indien ik eenigszins kan, kom ik in 't laatst van deeze week; +ik heb u wel honderd millioenen van zaken te zeggen; (nu, dat kun je +wel denken;) 't is, of ik u in geen eeuw of twintig gezien heb. Myn +vader is nu zo minzaam als altoos welmenent eerlyk: en nu durven wy +hem beminnen. Blankaart doet u hartlyk groeten, en doen alle de +Vrienden en Vriendinnen, en goede bekenden, en ik omhels u, met een +hart stikkent vol liefde. Maak myn compliment aan uwe waarde Ouders, +en aan de kleine Familie. Altoos ben ik + + Uwe + + C. EDELING. + + +Noot: + +[1] Zijn "gedicht", niet veel zaaks. + + +[Illustratie: Nu, mijn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten +zegen; och, min Heer Edeling, je krijgt zulk een lief meisje; +illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave +van 1782.] + + + + +HONDERD-EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar en Hendrik zijn gelukkig! + + + + +HONDERD-TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF. + +MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS. + + +_Waarde Willis!_ + +Weet gy wel, dat, zo ik maar iets den slag had van te kunnen grommen, +dat ik dan braaf grommen zou op u? wat was er op te zeggen? elk zyn +beurt, dat's niet te veel; en ook, kind, gy moogt ouder en wyzer zyn, +zo veel als het u zelf maar blieft, doch ik ben zeker nu iets meer +betekenent dan gy: ik ben eene _getrouwde Vrouw_. Foei! Naatje, niet +op de Party geweest! Foei! Naatje, nog al uit blyven; en dat om dat +de Eerwaarde Smit u, en uwe Moeder verzogt, om met hem naar zyne +standplaats te gaan, ter verrigting van duizend dingen die geen +uitstel lyden. Gy hebt er 't meest by verloren. Nu hebt gy myn Oom en +Tante Redelyk niet gezien, noch Kapitein Herberts; nu weet gy niet, +hoe Vader Edeling getracteert, hoe wy jonge Lieden allen gedanst +hebben, en hoe of de oude Vrienden 't werkje aanzagen. + +Toen ik nog zeer jong, en zeer bedroeft los was, kon ik Brunier (uw +ouden Vriend,) verzoeken, om alle deze bagatelles voor my zeer keurigies +uit te schryven, en denken, hy kan nu zo goed netjes breijen als 't +behoeft; met schryven zal hy een vaste hand krygen; en kinderen moeten +niet leeg zitten. Maar nu zyn al die flinken[1] over. Ik heb zo veel +achting voor myn lieven man, dat ik iemand, dien hy zyn vriend noemt, +met geen spotterny kan behandelen. Ik heb nu ook door Edeling een trek +uit zyn karakter gehoort, waar aan ik het te danken heb, dat ik deezen +waarden man leerde kennen. + +Onze samenleving met den ouden Heer is recht aangenaam; Keesje is de +vreugd van 't huis: ik wensch, dat hy ook maar, zo als myn Voogd zeit, +_een eigen weerspraak_ hadt. Myn nieuwe Vader is de degelykste man uit +Amsterdam; en nu dat zyne wonderlyke eenigzins grillige manieren, door +de weltevredenheid, over de zagte Noten rollen, vind ik er iets veel +meer Comiecqs dan lastigs in. Ik kan u zeggen, dat _Dochter Edeling_ +in de kas is by _Vader Edeling_: ja, dat hy my overlaadt met +gunsten.--Een staaltje van zyne denkwyze: + +Gisteren aan tafel zittende, zei hy: Ik ben boos op Blankaart. + +_Ik_. Boos op myn Voogd; dat kan niet zyn: want gy, Vaderlief, zyt +hier te redelyk, en hy veel te goedaartig toe: gy beeldt u dit maar +in. + +_Hy_. Hoe, denk je, dat ik door inbeeldingen geregeert worde? dat is +al eene aartige zet! + +_Ik_. Wy hebben allen onze luimen. Zoudt gy wel geloven, dat ik die +ook heb? o Ik kan zo luimig zyn, dat ik met my zelf wel kyven zou, als +ik niemand by my heb. + +_Hy_. Wel zo, dat ziet er voor u, Hendrik, niet al te voordelig uit! +(_Myn man lachte_.) + +_Ik_. Wel neen! tegen zulke lieve redelyke menschen draag ik my nooit +als eene malloot, om dat ik te veel prys stel op hunne achting, met +andren, daar ik meer mee gelyk sta, mik ik het zo naauw niet. + +_Hy_. (_Half knorrig, half goedschik_.) Nu, ik ben evenwel boos op +Blankaart. + +_Ik_. (_Hem potzig in de oogen kykende_.) En om wat reden? of is Papa +ook een beetje met luimen bezet, want myn Voogd is de beste man van de +gehele waereld, myn man uitgezondert? + +_Hy_. Wel! hy heeft u zo veel kostbaarheden gekogt, en op uw verjaring +zulk een boel Juwelen gegeven, dat ik, nu het aan my toekomt, niet +eens weet, wat of ik u zo eens geven zal; en ik ben evenwel uw Vader, +je hebt alles dubbelt en dwars, en daar is nog zo een menigte goed van +myn Vrouw ook. Hy maakt my recht verlegen: want ik zie niets, of je +hebt het. + +_Ik_. Ik ben niet heel hebzugtig: en met dit al, daar is iets dat gy +my geven kunt; had ik dat!... + +_Hy_. (_My in de rede vallende_.) Wat is dat toch? je zult het hebben, +kind. + +_Ik_. Een kinderlyk deel in uw Vaderlyk hart! zo ik dat hebben mag, +dan vraag ik, of Amsterdam te koop is? (_Ik stond op en kuschte hem_.) + +_Hy_. Loop, stout dingetje; is 't anders niet, och heden! ik meende, +dat het heel wat byzonders was. + +_Ik_. Dat is het ook, lieve Vader! + +_Hy_. Nu, gy zyt een raar meisje, hoor; maar, (_in zyne Brieventas +schommelende_,) zie daar is een Wissel op myn Cassier. Neem dit dan +tot een bewys, dat gy my lief en waart zyt, en steek hem maar in uw +Almanakje. + +Hem inziende, zag ik, dat hy _fl_ 6000 beliep. Ik bedankte met +aandoening, en zei tegen myn man: daar, Edeling, neem dit van my aan. +Ik heb niets nodig, en, als ik iets van doen heb, weet ik, dat gy my +meer zult geven dan ik verzoek. + +Vader schudde zyn hoofd. Ja, zei ik, myn man en ik hebben maar een +belang, en dewyl hy veel meer verstand van geld heeft dan ik, dewyl +ik nooit speel, en alles kan krygen, wat ik begeer, is het immers +niet meer dan billyk, dat ik aan myn besten Vriend alles in bewaring +geef?--Kom, zei hy, ik verpraat, met dat drommelsche Wyfje, weer al +myn tyd: kom, Hendrik, naar 't Kantoor.--Zy gingen weg, en ik had zo +wat te schikken en te bergen, zo als eene Huishoudende Vrouw altoos +wat heeft, Naatje. 't Was Postdag, ik was blyde, dat myn Voogd by my +kwam Thee drinken. De Heren lieten zich in kommetjes de Thee brengen. +Wy zaten als ouwe lui te snappen, en over byzondere zaken te keuvelen, +toen myn beste Willem inkwam. Hy deedt ons eene openhartige biegt: +"dat hy Letje beminde, en dat hy niets zo zeer wenschte, als eens in +staat te zyn, om voor haar te zorgen, in dien rang, waar in zy gewoon +was te leven: dat zyne Moeder zyne keuze goedkeurde, en dat hy hoopte +eens weder bemint te zullen worden." Blankaart zei: "dat hy hem in +alles raden en ook helpen zou, en met plaisier zag, dat zyn oogmerk +dus verre gelukte." Beide bleven by ons eeten. Edeling hadt Brunier op +de Beurs verzogt. Wy hadden een lieven avond. Beide de jongens waren +vrolyk en vergenoegt. Myn man! och! die is al wat een vrouw zoude +kunnen wenschen: ik vrees maar, dat hy al te goed op my zyn zal; ook +dan, als ik 't eens minder verdien dan nu; en dan zal hy my ongelukkig +maken; want hoe zou ik dit ooit aan my zelf vergeven kunnen? + +Morgen gaan wy ons nieuwe huis in order brengen; het is digt by +Mevrouw Buigzaam; dit maakt het voor my verkiesselyk; evenwel, het is +een schoon huis: ik hoop er u wel haast in te zien. Oordeel eens, hoe +druk ik het nu heb! hoe veel airs ik my geef, tegen alle die goede +menschen, die my 't hunne brengen om alles te maken, _comme il faut_. +Ik moet Letje volstrekt tot hulp hebben, of ik kom er niet door. Ik +ben met achting, + + Uwe liefhebbende Vriendin, + + SARA EDELING, + + geb. BURGERHART. + + +Noot: + +[1] Hier: grappen, streken. + + + + +HONDERD-DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar verhaalt zelf van haar geluk. + + +HONDERD-VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.--Anna Smit-Willis is eveneens heel +tevreden. Willem kan Sara vergeten en Aletta vragen. "_Alweer een +gelukkig huwelijk_!" + + +HONDERD-VIJF EN ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik vertelt van zijn geluk en +betuigt andermaal zijn dank aan de Wed. Spilgoed. + + +HONDERD-ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Wed. Spilgoed: Anna +is gelukkig getrouwd; Willem krijgt een som geld van Blankaart en gaat +met Letta trouwen; _de beide weduwen hopen samen gelukkig oud te +worden_. + + +HONDERD-ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara bericht, dat Hendrik doodziek +is!--Gelukkig komt in den brief nog de crisis; maar ze heeft wat +uitgestaan; _ze hoopt nl. spoedig moeder te zijn_. + + +HONDERD-ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vermaant Sara: denk +aan je kind! wees bedaard, beheersch je, vorm je geen schrikbeelden, +leef voorzichtig en verstandig! + + +HONDERD-NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier en Willem logeeren +bij Helmers. Willem moet op reis voor zaken. Jammer. + + +HONDERD-ZEVENTIGSTE BRIEF.--Willem aan Aletta: hij heeft haar innig +lief! Hij heeft Jacob gesproken bij Blankaart: _deze neemt Jacob bij +zich_. Hij is ook bij Hendrik en Saar geweest. Hendrik is weer beter. + + + + +HONDERD-EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +MEVROUW DE WEDUWE SPILGOED AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS. + + +_Waarde Vriendin!_ + +Geluk met een jongen Edeling!--Gister avond elf uuren, verloste onze +jonge Vriendin van een schoon gezont Kind; zy heeft het niet heel +gemaklyk gehad; maar zich zo verstandig en bedaart gedragen, dat men +dit naauwlyks dus zoude hebben kunnen verwagten. De lieve Juffrouw +Redelyk en ik waren, behalven de Baker, al de Vrouwen, die zy verkoos +by zich te hebben. Het Vrouwtje was deeze laatste agt dagen verbaast +ongemaklyk, en pynelyk; ik geloof, dat de goede Edeling immer zo veel +als zy zelf heeft uitgestaan! In den namiddag liet hy den Heer +Blankaart halen, en Vader Edeling was zo onrustig en zo bezorgt, dat +ik, hem alleen sprekende, hem verzogt, zich wat agter de schermen te +houden. De beide Heren zaten by elkander in de naaste kamer; men +hoorde hen geen woord spreken. Blankaart wandelde al heen en weer: de +oude Edeling zat in een Vensterbank, zeer onrustig; zo als ik, eens +even in de kamer komende, zag. + +De Heer Hendrik was by ons, en verborg zynen dodelyken angst onder een +diep stilzwygen. Saartje sprak hem dikwyls moed in; (ook als zy hare +handen wrong.)--Eindelyk, zie daar, daar horen wy het Kind! 't Is een +sterken Jongen: zyn stem klonk door de kamer. De Kraamvrouw hieldt +zich stil en bedaart. In de naaste kamer hoorden wy: "God dank, God +dank! wat is er?" "Een schone Jongen," riep de Baker; nog wat geduld. +Beide hoorden wy hen elkander al snikkent zegen wenschen. De jonge Man +was, genoegzaam buiten zich zelf, op een stoel neer gevallen. Ik +wenkte hem, en hy lei met den Vroedmeester zyne vrouw in 't Ledikant. +Juffrouw Redelyk bewaarde het Kind, dat zich braaf liet horen, en +wakker met handen en voeten schopte. Zo dra het was opgebakert, tikten +wy de Heren. Edeling gaf het aan zyn Vader. o, Kon ik u dat toneel +schilderen! De oude Heer trilde van blydschap; maar hy noch zyn Zoon +zeiden niets: zy drukten elkanderen de hand; hunne oogen stroomden. Hy +gaf het den goeden Blankaart, en ging naar zyn Dochter; hy kuschte +haar, hy zegende haar; hy kuschte zyn Zoon, hy zegende hem: "beleef zo +veel vreugd aan dit kind, als ik aan u beleef, Hendrik, en gy zult een +zeer gelukkig Vader zyn." + +Blankaart, met het Kind in zyne armen, was geen minder schildery! De +Natuur is toch niet te overtreffen; men moet zulke dingen zien! +"Welkom, myn zoete kleine Boy:" "zei de goedaartige man:" "welkom, myn +lief kind! jongetje, je komt al in een aartig Waereldje. Nu, dat zul +je, als je tyd van leven hebt, wel ondervinden. Pas maar braaf op, en +je zult gelukkig zyn:" "(en by my komende met het kind:)" "ha! dat's +een kereltje! zei hy; zie je wel, watte heldere kykers dat hy heeft? +'t is een mooi kind, zeg ik je: precies zyn Vaders tronie; en watte +vuistjes heeft hy! nu mantje, ga jy by Moeder, die zal je beter +trakteren." Hy ging, met het kind in bei zyn armen voor zyn hart +gefommelt, naar de Kraamvrouw, gaf haar 't kind, kuschte haar; noemde +haar met alle zoete namen, die hy bedenken kon, en wy verzogten de +Heren, zich weer naar hunne kamer te begeven. Saartje was zeer zwak, +en verlangde, dagt my, naar rust. Wy gingen vervolgens in 't naaste +vertrek eeten. Kort daar op kwam de jonge Heer t'huis, die nog niets +wist. Blankaart sloop in de Kraamkamer, haalde het Kind uit de wieg, +en liet het Cornelis zien: "He! Maatje, wat zeg je me van zo een +knaap?" Hy zag het kind, viel zyn Broeder om den hals, omhelsde zyn +Vader, nam het kind, bezag het met dat goedig gelaat, dat hem zo eigen +is, bragt het in de Kraamkamer, ging by 't Ledikant en toonde zyn +broederlyk hart in stille zegenwenschen. + +Morgen word het Kind, hier aan huis, door den Heer Redelyk gedoopt: +zyn naam is _Jan_. Beide de Grootvaders hieten zo. Evenwel het is _Jan +Edeling_; en ik geloof, dat de oude Heer, om geen waerelds goed, het +anders zou dulden. + +Alles gaat naar wensch: den gehelen nagt geslapen als een roos; het +Kind ook. Zy is reeds in allen opzichte Moeder: 't is een bekoorlyk +Kraamvrouwtje! Willis en Brunier zullen van daag den kleinen Jongen in +het naaste vertrek zien, en Grootvader trakteert al wat in zyn dienst +leven ontvangen heeft. Tot de Kruijers en Pakhuisknegts toe, krygen +Rynschen Wyn met Kaneel-Koekjes, en yder is _mantje, jongetje_; elk +maakt het _bestig_. Hemel, hoe is die man verandert! De Brief moet +weg: Ik moet ook nog aan myn Letje schryven. Schryf my haast ook zulke +goede tyding:--met haast, de Brief moet weg. + + Uwe Vriendin, + + M. BUIGZAAM + + Wed. P. SPILGOED. + + + + +HONDERD-TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA SMIT. + + +_Zeer lieve Vriendin!_ + +Niet voor van daag kreeg ik de vryheid om te schryven; en myn kleine +knol is evenwel al drie weken in de Waereld geweest: Nu, 't is goed, +dat ik met een zoet praatje te leiden ben, anders, wel heden, me +dunkt, ik had, voor den _Negenden dag_, wel kunnen schryven. Maar de +slenter moet gevolgt! Tante Redelyk houdt, zeg ik haar, niet van oude +palen te verzetten: maar de Vrouw spreekt, zo zegt zy, by ondervinding; +en dewyl zy reeds tien kindertjes gehaalt heeft, dien ik nog al op +haar zo wat te betrouwen. + +Kom meisje, gy moet den moed niet opgeven: gy plagt altyd _ouder_ en +_wyzer_ te zyn dan ik ben, en ik heb my wel gehouden, hoor ik; want +ik, arme sloof, weet niet, hoe andere Vrouwen zich gedragen. Gy kent +myn humeur! "Kom aan, Saartje, zei ik, schik u naar 't geen zo zyn +moet; gy zult er u zelf best by vinden." Zo gezeit, zo gedaan: en zie +daar! my Moeder van het liefste kind, dat gy u verbeelden kunt. +Gelooft gy my niet? vraag het dan aan het schaap zyn Grootvader; vraag +het aan den Heer Blankaart;--aan elk, die het ziet. + +En wat heb ik nu een drukte met myn kleine Prul! Ik zou hem wel altyd +op myn schoot willen hebben; maar Baker zeit: "dat hy dan wel haast +niet meer in zyn wieg zal willen, en dat dit toch best is voor hem." +Hoe, best? vroeg ik; kan _myn_ jongje ergens _zo best_ zyn, als op zyn +eige Moeders schoot? Zo ziet gy, dat elk den baas over my speelt, tot +de Baker inkluis. Wat ben ik hongerig, Naatje! Ik kan altyd wel eeten, +en neem 's avonds een trommeltje met beschuit naar bed: (nu, kind, gy +zult wat ondervinden,) ik moet myn Jantje immers voorraat bezorgen? +Myn stoute Broer klungelt gedurig aan de Wieg, en maakt zyn Neef +wakker, die dan een brave keel open zet, en dwingt om by Mama te zyn; +dan loopt Cees de Kamer uit, en zingt zyn moffenliedje, daar gy eens +zo om moest lachen. Onze Pieternel is hier geweest; dat was een +vertoning! zy zei, "dat het kind er zo verstandig uitzag, en zo leek +op Grootvader Burgerhart, (dat is, op myn Grootvader, moet je weten;) +en zy kon niet bedenken, dat ik al zo een knappe Zeun hadt; wel heden, +het heugde haar nog, als den dag van gisteren, dat ik geboren wierd; +'t was op een Dingsdag;--neen, op een Woensdag;--toch op een Dingsdag; +want dit was haar stof- en raag-dag; en zy was net bezig met +Grootvaders slaapkamer te stoffen, toen myn Heer Blankaart, die altyd +by uw Vader was, wil ik spreken, aan den trap riep: Pieternel, kom +eens af, meid, daar hebben wy een aartig piskousje gekregen; en +Mevrouw, ik had er zulk een innerlyke dingstigheid van, dat ik over +myn handstoffer viel, al het stof op het tapyt; zo dat, ik weet het +nog heel wel. Zy beriep zich ook op den Heer Blankaart; die zou 't +niet ontkennen." Grootvader Edeling tracteerde Pieternel ook, en de +welkomst van den jongen Jan Edeling werdt gedronken: o zulke +toneeltjes smaken my zo! Ik wou, dat ik die maar beschryven kon, zo +als het behoort. Uwe aanstaande Zuster, die nog by haren weldadigen +Vriend is, heeft my een engelagtigen Brief geschreven: Wat zal Willem +met zo een meisje gelukkig zyn! + +Een trek uit den Heer Helmers karakter, Gy weet, dat hy, voor ruim +veertig jaar, zyn Vrouw, die hy teder beminde, in 't kraambed verloor? +Nu! die indrukken zyner droefheid zyn onuitwischbaar; en hy neemt zo +veel belang in jonge kraamvrouwen, dat hy ook alle morgen een knegt te +paard zendt, om te horen hoe of het met my is, schoon zyn plaats drie +uuren rydens van Amsterdam legt; en zo, zeit Letje, doet hy omtrent +alle Vrouwen, die hy eenigzins kent. Indien gy, Naatje, niet in eene +andre Provintie waart, gy zoudt ook alle morgen een knegt te paard de +Pastorielaan zien opryden: Nu nog een woord meer in uw trant van +schryven: het geschrevene moest er eerst maar uit. + +De ondervinding alleen is in staat om u te leren, wat het is, _Moeder +te zyn_. Gy weet, ik was altoos een _kindergek_; maar, myn Hemel! wat +onderscheid! Hoe is 't mooglyk, dat er Vrouwen zyn kunnen, die +onverschillig zyn omtrent deezen Huwlyks-zegen! Nu, dunkt my, ben ik +eerst regt getrouwt. Nu is myn Edeling my nog oneindig dierbaarder. +Nu is hy door alle de zagte banden der Natuur, door alle de mogelyke +betrekkingen, aan my gehecht; en wat kan eene brave Vrouw zo verrukken, +dan de tederbeminde Vrouw te zyn van dien man, door wien zy Moeder +wierdt? De wys, waar op myn man zich gedraagt, is in zyn karakter; en +dat kent gy. Al de smarten zyn voorlang vergeten, maar de beloning +duurt, groeit aan, en maakt my tot eene der gelukkigste Vrouwen, die +er zyn kunnen. + +Nu is het nog der pyne waart om te leven. Ik heb nu werk, ik heb +pligten te voldoen, die myne ernstigste overdenkingen waardig zyn; +en nu zie ik, dat ik, alleen by gebrek van bezigheden, die voor my +berekent waren, eene losse, uithuzige, stoute meid was. Zie, Naatje, +dat hadt gy ook behoren te bedenken; wil ik spreken, zeit Pieternel. +Ik begryp wel, dat het nu maar spelen gaan is, en dat de jonge Jan +Edeling my wel eens andre druktens zal maken! Goed! ik wagt die ook, +en hoop, dat myn verstandige Man, zo ik te veel malle Moeder ben, +Moeder en Zoon beide te recht zal helpen. Ik kan wel niet zeggen, met +Pieternel, dat de Jongen er heel verstandig uitziet; maar 't is immers +een goed kind, dat naar zyn Moeder aart? en gy weet, dat Moeder stikkent +vol potzen en flinken stak, toen zy nog zeer jong en zeer los was? Myn +Broer heeft er wel moed op, want hy zegt my in vertrouwen: "dat Jan al +naar de Meisjes begint uittekyken." "Oom en Neef hebben een goeden +smaak," zei ik. "Ja, zei hy, de Natuur gaat boven de leer." Hy hoort +ook graag muziek, want als Baker van de Moordenaartjes zingt, schreeuwt +hy als een tyger; maar als ik eenige noten aansla, kykt hy uit zyn +luijers als iemand die zegt: _Nog meer laatste woorden van bisschop T_. + +Vaarwel, myne Vriendin. Omhels voor ons uwe waarde Moeder en Domine, +voor Edeling en my. Ik ben altoos + + Uwe Vriendin, + + SARA EDELING, + + geb. BURGERHART. + + + + +HONDERD-DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Aletta Willis-Brunier aan haar man +Willem: Sara voedt kleinen Jan verstandig-aardig op.--_Hun eigen +kinderen_ groeten papa! + + +HONDERD-VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Vader Willem aan zijn vrouw: dol +gelukkig! + + + + +HONDERD-VYF EN ZEVENTIGSTE BRIEF. + +DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK. + + +_Eerwaardige Heer!_ + +Ei, wissewasjes, ik weet niet, myn lieve Domine, waar je van spreekt. +Dat ik uw' Hendrik by een braaf Kaptein gebragt, en ten sterksten heb +aanbevolen, is dat zo veel zaaks? Wel, myn goede man, ik wou, dat ik +veel meer voor je doen kon; want ik heb zulk een achting voor u, en ik +ben zo dikwyls door uwe Predikatien gesticht, en uw Vrouw is zulk een +best Wyf, en gy hebt daar tien kinderen, het eene nog schoonder als +'t andere; zo dat ik zeggen wil, spreek daar niet van. Wel ja, die +uitrusting wil wat zeggen; ik heb by gelyks kind noch kraai in de +waereld: Nu, de jongen ziet er uit als een Vorst, in zyn Zeemontuur. +Kyk, mantje, zei ik, toen ik hem naar boord bragt, (want ik heb den +jongen lief, en wilde hem zelf aan den Kaptein leveren.) Kyk, mantje, +nu heb ik Vader en Moeder bepraat, om u te laten varen. Je bent nu +_Monsieur Kadet_; en draagt een degen, zo wel als een Admiraal. Maar +zo je nu reis in een ploertig leven meer zin kreeg, dan in een +ordentelyk gedrag, en dagt, nu ben ik myn eigen meester, en vele +viezevazen meer, dan zou Abraham Blankaart daar staan, of hy een +schepenkennis[1] op zyn neus hadt, en dan zou Oom Jan zeggen, dat het +myn schuld was, dat ik my er niet mee gemoeit moest hebben, en dat zou +niet mooi voor my zyn. En wat denk je, Domine, dat Heintje daar op +zei? "Myn Heer, zei hy, ik verzeker u _op myn woord van eer_; (en hy +is veertien jaar, dat stondt my wel aan,) _op myn woord van eer_, dat +ik in allen opzichte braaf zal oppassen; zou ik zoo ondankbaar zyn +omtrent u? en zou ik myn lieve Vader en Moeder ooit verdriet aan +kunnen doen? dan wou ik liever maar dood zyn, want dat was dan maar +best."--Dat was het ook, zei ik, want dan waart gy een ondeugende +Jongen: maar ik zie nu wel, dat gy een braaf kind zyt. En ik troostte +hem weer zo wat: en zoo kwamen wy aan boord, met de sloep. Daar kwam +Janmaat en Ceesneef op de proppen: "hier, Hein, wat dit en dat! de +valreep! daar is onze Kadet Redelyk; met zyn Vader." Ja, dagt ik, +lieve God! was dat waar, dan tracteerde ik het hele Rommelzootje. Daar +kwam een Schieman [2], en noemde my Domine, en toen luisterden al de +Pekbroeken elkander in: "Jongens, dat is een Domine, de Kadets Vader." +Daar stond ik toen met beschaamde kaken: want ik wist wel, dat ik geen +Domine en Heintje myn Zoon niet was. Neen; Maats, dat heb je effentjes +zo wat mis, ik ben geen Domine, en joului Kadet is myn Zoon niet; maar +ik ben een Koopman, en een oud Vryer: nu, dat is 't zelfde. De Kadets +Vader is een Domine, en wel een zo braaf Domine, als er ooit voor jou +lui zielen gezorgt heeft; zo dat ik maar zeggen wil, dat gy den jongen +Heer wel moet doen; hy zal u ook wel doen, en ik hoop, dat hy zulk een +braaf man zal worden, dat jou lui nog eens met hem, als jou lui +Kaptein, aan den dans zult raken. Dat hoopten zy ook, en er werd braaf +gehouseet, want Abraham Blankaart gaf aan Janmaat een footje. Nu, het +overige zal Hendrik u wel schryven. + +Eer heeft uw hart, myn goeje Domine; wel dat zou er bekreten uitzien, +als juist alle brave jongens zouden moeten studeren en Dominees +worden. Maar zo Satans nydig als ik worden kan op die malle fatsoenen, +die nu denken, dat het onzen lieven Heer magtig veel schelen kan, hoe +een eerlyk man door de waereld komt! Kunnen wy dan allemaal _Preken en +Bidden_? Ei lieve! En wie zou dan Negotie doen? Wie zou 't Land +Regeren? Wie zou, ja wat weet ik het. Althans uw Hein is maar regt +voor de zee geschikt. 't Is een gezonde sterke Beuker van een jongen; +en als hy niet deugen wil, kan hy al zo ondeugent op de Studie als op +de Zee worden. + +Zie zo, dat Karweitje is ook weer besjouwt. En uw vrouw verdient, dat +zy haar Zoon nog eens Vice-Admiraal ziet; hoe lief zy hem heeft, weten +wy wel: maar de Vrouw sprak verstandig. + +Ja, Domine, jy bent een man naar myn hart. Zie, ik hou om de dood niet +van dat falievouwen, en ik kan my zo satans nydig maken, als ik daar +zo hoor klagen en stenen, en van _Tranendal_, en van een _elendig +leven_ enz. praten. Hoor, God de Heer is maar veel te goed tegen zulke +ondankbare kniezers en zuurkykers. 't Is goed, dat zy met Abraham +Blankaart niet te doen hebben, ik zou dat bangziende Volkje wat anders +leren. Zie daar, daar ben ik nu zes en vyftig jaar oud, en als ik zo +by my zelf zit, zeg ik: wel lieve God, wat al weldaden heb ik, zondig +mensch, evenwel van u ontfangen! Ik ben met weinig begonnen, ik moest +voor een oude Moeder en een zieke Zuster het brood winnen, en zie +daar, ik ben ryk, ryker dan ik elk aan den neus hang; ik ben gezont +als een visch. Ik sta daar, als Govert in den dans, omringt van al myn +jonge lui; daar is Edeling en zyn Vrouw, daar is myn Willem met zyn +Vrouw; daar is Cobus, daar zyn ze zo allemaal om my; elk houdt meer +van my als de ander. De kleinen klimmen tegen my op, en halen de +suikerde duiten uit myn zakken; en als Abraham Blankaart maar eens +kugt, of wat stil is, dan is de drommel op stelten: 't is of elk +vreest, met my gelyk te zullen aftrekken, zo is het er te doen. Daar +zyn die brave Weduwen; wel, ik ben er als broer in huis; daar is +Domine Smit en zyn Vrouw, op de handen zouden zy my dragen; en wat doe +ik toch, dan 't geen myn pligt is, en dat ik altoos wel te vreen ben? +want vrees God en doe wel, zo veel gy maar kunt, dat is het allemaal. +Wat zegt gy, Domine?--Maar hoe doen nu de klagers? Altyd kyken zy +bang; altyd vrezen zy, dat zy te kort zullen komen; zy houen van +niemand, en niemand van hun. _Op zulke Watertjes vangt men zulke +Vischjes_. Maar onze lieve Heer (die maar veel te goed is,) krygt den +schuld. Dan is het te heet, dan is het te koud; dan is alles zo duur, +dan komt er geen staartje Visch aan de markt. Summa summarum, die +Lelykeis zyn nooit te voldoen: en 't zal my benieuwen, of het in Gods +hemel ook wel van passen voor hun zyn zal; maar ik denk niet, dat wy +daar met hen zullen opgescheept zyn. Wat denkt gy er van, Domine? Kyk, +denk ik, die God niet in blijdschap dient, kan niet in den Hemel +komen, want hy doet niets uit liefde tot God. Hy loopt daar over deeze +kostelyke aarde, die zo keurlyk is opgesiert, net als zo een onguur +gnorrent Varken, dat alles maar al gromment en morrent en gnorkent +doorslokt, en nog een lelyk bakkes zet tegen een ander, die het een +stroo in den weg legt. Zyn dat geen lieve Peuzels, om op zulk een +plaats te komen, daar alles vreugd, en lof pryst den Heer is? Paulus +is myn man: _Weest altoos blijmoedig, en verblydt u in de hope_. En +dat zei hy zelf in dien bedroefden tyd, toen er wat meer halen, aan +den kling was dan nu, om een goed Christen te zyn. + +Myn Vriendinne Styntje denkt net als ik, en dat doet my zo een deugd! +Vriend Blankaart, zeit zy: als ik zo des ogstends opsta, en die lieve +Zon zo in 't Oosten zie, en hoe alles zo als herleeft, en Gode dank, +dan denk ik: Here, is het hier op deeze stoffelyke Waereld zo schoon, +hoe moet het niet in uwen zaligen Hemel zyn! en dan zing ik uit Jan +Luikens vaersjes het Liedjen op den Morgenstond. (Je moet weten, +Domine, dat zy toen op Buitenrust, by de twee Dames gelogeert geweest +was, en dat ik de vrome ziel daar met myn rytuig van daan haalde.) + +Nu, myn Vriend, groet ik u! en wensch u met uw Vrouw en kinderen nog +lang een hemel op aarde; en als gy bid, ei lieve, bid ook voor my, +want het gebed des goeden mans vermag veel, wil ik spreken. Ik blyf +altoos, + +WAARDE DOMINE! + +Uw hoogachtende Vriend, + +ABRAHAM BLANKAART. + +P.S. Ik zie daar, dat ik tweemaal onzen Sinjeur weer genoemt heb! Nu, +verschoon dat, ik mag zo niet fratsen in myne brieven, anders schrapte +ik er zyn naam nog uit! + + +Noten: + +[1] Hypotheek. +[2] Onderofficier. + + + +EINDE. + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart +by Wolff en Deken + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA *** + +***** This file should be named 10400.txt or 10400.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/0/4/0/10400/ + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/10400.zip b/old/10400.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5dd9626 --- /dev/null +++ b/old/10400.zip |
