diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 37789-0.txt | 8083 | ||||
| -rw-r--r-- | 37789-0.zip | bin | 0 -> 131330 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-8.txt | 8080 | ||||
| -rw-r--r-- | 37789-8.zip | bin | 0 -> 130686 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h.zip | bin | 0 -> 610140 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/37789-h.htm | 9499 | ||||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/achter.jpg | bin | 0 -> 44503 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 91346 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/ill01.jpg | bin | 0 -> 9681 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/ill02.jpg | bin | 0 -> 73379 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/ill03.jpg | bin | 0 -> 72648 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/ill04.jpg | bin | 0 -> 79925 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/ill05.jpg | bin | 0 -> 71058 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/rug.jpg | bin | 0 -> 25793 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37789-h/images/streepje.gif | bin | 0 -> 54 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
18 files changed, 25678 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/37789-0.txt b/37789-0.txt new file mode 100644 index 0000000..762cb28 --- /dev/null +++ b/37789-0.txt @@ -0,0 +1,8083 @@ +The Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Wilde Bob + +Author: Cornelis Johannes Kieviet + +Illustrator: Willem Steelink + +Release Date: October 18, 2011 [EBook #37789] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB *** + + + + +Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + + + WILDE BOB + + + + +[Illustration: Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over +den weg heen en weer,.... (pag. 50).] + + + + + WILDE BOB + + DOOR + + C. JOH. KIEVIET + + GEÏLLUSTREERD DOOR WM. STEELINK + + AMSTERDAM + VAN HOLKEMA & WARENDORF + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + Welke streken Bob uithaalde + en hoe hij ten slotte overijld het hazenpad koos. + + +»Dorus!» + +Dat was de stem van Moe. Zij stond aan de trap en ik zat mijn huiswerk +te maken op de bovenkamer. + +»Ja, Moe! Wat wil U?» + +»Dorus, ginds komt Wilde Bob aan. Laat je nu niet door hem van je werk +meêtroonen, voordat je het afhebt. Zul je niet?» + +»Neen, Moe, ik zal eerst mijn werk in orde brengen, dat beloof ik U.» + +»Goed, mijn jongen. Eigenlijk zag ik nog veel liever, dat je in het +geheel met dien Bob niet omging, want ik houd hem voor een heel slecht +kameraad.» + +»Heusch niet, Moe, echt niet! 't Is toch zoo'n aardige jongen. Wij +houden allen evenveel van hem en hij is wel goed ook. Slecht althans in +geen geval.» + +»Nu, ik wil het hopen. Dus eerst je werk af, denk daar om.» + +»Ja, Moe!» + +'t Was Zaterdagmorgen, tien uur ongeveer, toen Moe mij dit toeriep. +'s Zaterdags hadden wij nooit school, daarentegen wel op Woensdagmiddag, +welken de kinderen tegenwoordig meestal vrij-af hebben. + +Eigenlijk was Moe's waarschuwing niet noodig geweest, want ten eerste +was het mijn vaste voornemen, niet te gaan spelen, voordat ik mijn werk +afhad, en ten tweede had ik mijn vriend Bob, of Wilden Bob, zooals hij +gemeenlijk genoemd werd, al zien aankomen. »Eerst leeren en dan spelen,» +zei onze meester altoos, en ik was dat volkomen met hem eens. Niet omdat +ik studeeren zoo prettig vond, o neen, maar ik was al een paar malen +naar mijne kameraden gegaan, vóór ik mijn werk afhad, en dat had mij +even zooveel malen berouwd. Want als mijn vrije Zaterdag eindelijk +al spelende voorbij gegaan was, kon ik mijn Zondag besteden, om den +verloren tijd in te halen, en dat viel mij dubbel hard, want op dien +dag werkt niemand. + +Bob en ik woonden tegenover elkander, elk aan eene zijde van de beek +die ons dorp doorsneed. 't Was dus geen wonder, dat ik hem had zien +aankomen, te meer daar mijn raam, waarvoor ik zat te werken, precies op +zijn huis uitzicht gaf. Al ongeveer tien minuten geleden had ik hem op +zijne stelten, want het was juist in den steltentijd, den tuin uit- en +den weg zien opstappen, en ik twijfelde niet, of zijn weg voerde naar +mij. Want Karel Holm en ik, Dorus Volmaar, waren het meest met hem +bevriend, hoewel ik moet zeggen, dat alle jongens veel van hem hielden. + +Toch kon ik mij wel begrijpen, dat onze ouders niet zoo bijster met die +vriendschap waren ingenomen, want hij verdiende zijn bijnaam van Wilden +Bob volkomen, en hij deed veel meer kattekwaad in eene week dan alle +andere jongens te zamen in een jaar. Zoo pas nog zag ik hem bij dokter +Doreman van zijne stelten stappen en zich vlug als een kat meester maken +van de glazenspuit, die in een emmer vol water onbeheerd voor het huis +stond. Mina, de meid, was zeker iets uit de keuken gaan halen, dat zij +vergeten had. En was het er hem nu nog maar om te doen geweest, zich op +de hoogte te stellen, hoe zoo'n perspompje toch eigenlijk werkt, dan was +het niet erg geweest. Maar dat wist ik wel beter, want daar kende ik +Bobje te goed voor. Neen, hij zon natuurlijk weer op iets grappigs, en +dat grappige bleef niet uit, toen de niets kwaads vermoedende Mina om +den hoek van het huis verscheen, en plotseling de volle laag kreeg. Ik +zag hoe zij van schrik de armen omhoog sloeg en in minder dan geen tijd +droop van het water. + +Maar Mina is lang geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. In +plaats van op de vlucht te gaan, zooals Bob natuurlijk van haar verwacht +had, kwam zij heel onnatuurlijk in ijlende vaart op hem af, zoodat +hij zich genoodzaakt zag, zich met achterlating van zijne stelten zoo +spoedig mogelijk uit de voeten te maken. En het ergste kwam nog voor +hem aan, want in zijne haast liep hij met geweld tegen een dikken boom +aan, waarvan een blauwe plek op zijn voorhoofd het directe gevolg was. +En het indirecte gevolg was een nat pak, want door den schok viel hij +achterover op den grond en kreeg van de dankbare Mina al het water over +zijn lichaam, dat hij nog in den emmer gelaten had. Die grap was dus ons +Bobje slecht bekomen. En zijne stelten was hij kwijt, want Mina nam ze +op en bracht ze achter het huis in veiligheid. + +Ik zag uit mijn raam, hoe Bob overeind scharrelde en op een eerbiedigen +afstand bleef wachten, of het de beleedigde Mina ook behagen mocht, hem +zijne houten onderdanen terug te geven. Maar Mina maakte bedaard haar +werk af, stak daarna dreigend de vuist tegen Bob op en ging naar binnen. + +Toen beschouwde Bob de zaak blijkbaar als afgedaan, want hij stak zijne +handen in zijne broekzakken en vervolgde zonder stelten zijn weg naar +mij. + +Dergelijke ontmoetingen had Bob den geheelen dag door, van den morgen +tot den avond. Maar zijn humeur leed er niet erg onder. Hij was daarvoor +aan zulke afstraffingen te zeer gewoon en het was zijne gewoonte, als +hij hier of daar min of meer onaangename ervaringen had opgedaan, te +zeggen: »Wie kaatst moet den bal verwachten.» 't Was alleen maar jammer, +dat dit kaatsen bij hem nooit eens ophield, want hij was in zijn hart +werkelijk een goede jongen. Er waren er wel op het dorp, die lang +zoo berucht niet waren als hij, jongens met wie wij van onze ouders +volgaarne mochten omgaan en die toch inderdaad veel slechter waren dan +Bob. In elk geval, wij, jongens, hielden dol veel van hem, en als hij, +naar wij meenden, onverdiend beschuldigd werd, zooals Moe straks deed, +dan achtten wij het onzen plicht, hem met al de kracht te verdedigen, +waarover wij beschikken konden. + +Bob was de zoon van onzen nieuwen notaris, en hij woonde nog maar een +paar maanden op het dorp. De vorige notaris was in den verschenen herfst +overleden, en Bob's vader was diens opvolger. Eigenlijk heette hij +Robert Adrianus de Wild, maar thuis noemden zij hem nooit anders dan +Bob, en wij, jongens, hadden van Bob de Wild al spoedig Wilden Bob +gemaakt, welke naam volkomen bij hem paste. + +Enkele minuten na Moe's waarschuwing hoorde ik zijn bekend fluitje op +den weg. Want wij schelden nooit bij elkander aan. Karel Holm, Bob en +ik hadden afgesproken, dat wij dit nooit doen zouden, want het was +veel aardiger om een zeker signaal te hebben, waarmede wij elkander +konden roepen, zonder dat anderen daar nu juist altoos erg in moesten +hebben, en bovendien scheen het ons iets bijzonder geheimzinnigs en +rooverachtigs toe, wat ons verbazend interesseerde. Zoo hadden wij dan +een bepaald signaal afgesproken, wat door ons gefloten werd. Al spoedig +konden wij zelfs in het donker wel onderscheiden, wiens fluitje gehoord +werd. Want al floten wij dezelfde reeks van tonen, ieder van ons had +toch weer zijne bijzondere manier, waaraan hij herkenbaar was. + +Ik stak mijn hoofd uit het raam, want daar wij al Juni schreven en het +prachtig weêr was, had ik het zoover opengeschoven als ik kon, en zei: + +»Zoo Bobbertje. Wat ben je nat!» + +»Dag Dorus! Ga je mee? Er zijn al verscheidene jongens op het +schoolplein.» + +»Eerst mijn werk af, mannetje. Ben jij er al mede klaar?» + +»O heden ja, een uur geleden al. Maar ik was om vijf uur al op en ben +toen dadelijk aan het werk gegaan. Iedereen slaapt zoo lang niet als +jij!» + +»Dank je voor het compliment. Maar zeg, wat ben je nat?» + +Ik zei dit natuurlijk alleen maar om hem te plagen, want ik wist er +alles van; hij behoefde mij niets te vertellen. + +»O ja,» zei hij kortaf, »een beetje water, anders niet. Dat zal wel weer +drogen in het warme zonnetje. Dus je gaat niet meê?» + +»Maar hoe kom-je zoo nat?» hield ik vol. »'t Heeft toch niet geregend?» + +»Wel neen, 't zijn maar enkele spatjes water.....» + +»En waar zijn je stelten?» vroeg ik, want hij moest den steek op mijn +lange slapen terug hebben. + +»Och jongen, wat zeur je toch! Ik kan toch wel eens uitgaan zonder mijne +stelten.» + +»Ja, zeker, -- natuurlijk. Maar straks had-je ze toch, toen ik je aan +den overkant zag loopen. En nu heb je ze niet meer.» + +»Och, Mina, de meid van den dokter, heeft ze mij afgenomen. Zeg Dorus, +ik wou dat je dàt eens gezien hadt!» + +»Wat? Dat ze jou de stelten afnam?» + +»Neen, -- zeg jô, 't was toch zoo leuk! Ze had de glazenspuit vóór het +huis laten staan, en juist toen ze om den hoek verscheen, gaf ik haar +een stortbad, dat het een lust was om te zien. Ha-ha-ha! Wat keek ze +leelijk!» + +»Zoo, dat wil ik wel gelooven. En toen kwam ze op Bobje af, en Bobje +ging op de vlucht, en hij zat zóó in den angst, dat hij niet eens den +dikken boom zag, dien hij tegenkwam, en hij bonsde er zoo hard tegenop, +dat hij een blauwen plek op zijn voorhoofd kreeg, en op den grond +tuimelde, en toen kreeg hij van de vertoornde Mina zóóveel water over +zijn baadje, dat het wel een zondvloed geleek.» + +»O -- zoo! dus je hebt alles gezien? 't Staat je fraai, om het mij dan +nog te laten vertellen. Dus je gaat niet meê?» + +»Neen, nog niet. -- En toen pakte Mina snel de stelten van den jongeheer +en verdween er mede achter het huis. Zeg Bob, je hadt bij slot van +rekening toch niet zooveel pleizier van de grap als Mina.» + +»Dat is waar. Ze is goed bij de pinken, dat moet ik zeggen. Ik wou, dat +ik mijne stelten maar terug had. Zeg, Dorus, weet jij geen middeltje, om +ze weer in handen te krijgen?» + +»Wel ja, jongen. Je gaat er doodeenvoudig naar toe, en vraagt ze met een +deemoedig gezicht terug. Dan krijg je ze wel.» + +»Ik zou je danken. Pas op, Mina is niet pluis. Maar nu krijg ik een +plannetje. Zeg Dorus, als jij ze eens voor me gingt vragen! Jou zal ze +niets doen, want jij bent heelemaal onschuldig aan dit zaakje.» + +»Juist, en daarom zal ze mij zeker de stelten ook niet geven. Neen Bob, +'t is er haar natuurlijk om te doen, dat je zelf komt. En dan zal ze wel +niet bijzonder vriendelijk wezen, vrees ik.» + +»Dat denk ik ook. -- Wacht Dorus, daar komt Mietje de Veer aan met eene +stroopkan in haar hand. Daar moet ik toch eens eene grap mede hebben.» + +»Och, laat haar loopen, dat domme wicht!» + +Maar Bob luisterde al niet meer naar me. Hij trok zijn mond in den +allervriendelijksten plooi en wachtte op de komst van zijn slachtoffer. +Zijne oogen tintelden van plaaglust en blijkbaar was hij zoowel Mina en +zijn natte pak als zijne stelten vergeten. + +Mietje de Veer was een dochtertje van den schoenmaker, en een van de +domste kinderen van de geheele school. Idioot was ze niet, want ze wist +wel wat ze deed, maar leeren kon zij niet. Nu zou ik in Bobs geval +Mietje rustig hebben laten passeeren, want ik hield er niet van om zulke +onnoozele wichten voor den gek te houden, ten minste niet erg, maar Bob +dacht daar niet over. + +»Dag Mietje!» zei hij op zijn vriendelijksten toon. »Moet je van middag +pannekoek eten!» + +»Ja Bob, dat heb je geraden.» + +»En lust je die graag?» + +»Dat zou ik meenen. Jij niet?» + +»Of ik. Ik zou wel je gast willen wezen, als ik mocht. Dan bleef er voor +jou geen pannekoek over, Mie.» + +»Waarom niet?» vroeg Mietje, die niet vlug genoeg van begrip was om te +snappen, wat hij bedoelde. + +»Omdat ik ze dan allemaal zou opeten!» zei Bob. »Allemaal, hoor; +misschien liet ik een halfje over voor jou, omdat ik zooveel van je +houd.» + +Bij die woorden boog hij zich een weinig voorover en keek met alle +aandacht in de kan. Opeens zag hij Mie met een heel vies gezicht aan, en +zeide: + +»O neen, -- dank je. Ik zou er nu geen pannekoek meer van willen hebben. +Dank je feestelijk, Mie, eet jij ze maar op. Akkebà!» + +»Akkebà -- waarom?» vroeg Mietje in de grootste verbazing, daar zij +onmogelijk kon begrijpen, waaraan die snelle omkeering bij Bob te wijten +was. + +Nu, ik moet zeggen, dat ik er ook niets van begreep. + +»Moet +die+ stroop er op?» vroeg Bob, op de kan wijzende, en steeds met +denzelfden opgetrokken neus. + +»Ja zeker, -- waarom zou die stroop er niet op moeten?» + +»Je bent een dom kind, hoor Mietje. Kijk dan eens even in die kan!» + +Mietje deed het, maar zag natuurlijk niets dan de ondoorzichtige +bruin-zwarte massa. + +»Zie je niets?» + +»Ik niet!» zei Mie. »Alleen de stroop.» + +»Onder op den bodem, -- zie je daar ook niets?» + +»Neen, niets, Bob, maar wat is er dan?» + +»Zie je daar met allebei je oogen dan die tor niet, die er onder in +ligt?» + +Mie keek met alle aandacht. + +»Neen, ik zie geen tor, en -- 't is niet waar ook. Er zit geen tor in.» + +»Nu, ik wèl!» zei Bob met overtuiging. »Maar jij kunt het beest ook niet +zien, omdat je er niet doorheen kunt kijken. +Ik+ zeg je, dat er een tor +in zit.» + +»'t Is niet!» zei Mie ongeloovig. + +»'t Is wèl!» hield Bob vol. »Ik wil wedden, dat jij het smerige dier op +je pannekoek krijgt.» + +»'t Is niet!» + +»'t Is wèl waar! Houd dan de kan maar onderste-boven, dan zul-je het +zelf zien!» raadde Bob met het ernstigste gezicht van de wereld aan. + +»'t Is toch niet waar!» zei Mie. »Je houdt me voor den gek!» + +»Nu, keer de kan dan maar om, dan zullen we zien, wie er gelijk heeft.» + +En waarlijk, daar liep Mietje in de val. Doodbedaard hield zij de kan +onderste-boven, natuurlijk met het gevolg, dat de stroop op den grond +terecht kwam. Bob en zij keken met alle aandacht, of eindelijk de +bewuste tor niet volgen zou. + +Doch neen, toen alle stroop er uit was, bleef het torretje absent. + +»Zie je nu wel!» riep Mie triomfantelijk uit. »Zie je nu wel, dat ik +gelijk had?» + +»Waarlijk, er zit er geen in!» zei Bob hoofdschuddend. »Ik dacht het +toch stellig, want 't was net, of ik het beest zag. Neen, jij hebt toch +gelijk gehad. Nu, dag Mietje, breng jij nu de stroop maar naar huis en +eet lekker!» + +Nu pas ging ons Mieke een licht op. Met schrik keek zij beurtelings de +ledige kan en den strooperigen weg aan, tot zich plotseling hare oogen +met tranen vulden en zij luid schreeuwende naar huis ging. Op grooten +afstand konden wij haar nog hooren. + +Maar Bob schaterde het uit van de pret. + +»Zeg Dorus, hoe vind je nu zoo'n domme meid? Ha-ha-ha-ha, ik kon mijn +lachen haast niet bedwingen toen zij de kan omkeerde, en wat keek zij +ernstig. Ha-ha-ha-ha! Zóó dom heb ik het nog nooit gezien.» + +»Dom is het, dat is waar. Doch jou raad ik aan, om den eersten tijd en +vandaag vooral niet in de buurt van den schoenmaker te komen, want je +weet, dat hij zijn spanriem alleraardigst weet te hanteeren. Als hij je +kreeg, zou ik je mijne broek niet graag willen leenen.» + +Maar Bob deed niet anders dan lachen. Hij vond het geval +allervermakelijkst en was ten volle overtuigd, dat hij veel meer +succes had gehad, dan hij met reden had mogen verwachten. + +Eindelijk kwam hij tot bedaren. + +»Wat zei je ook weêr?» vroeg hij. »O ja, die schoenmaker, hé? Nu ja, hij +heeft me nog niet! Ik kan harder loopen dan hij.» + +»Nu, ik waarschuw je, want hij zal meer dan kwaad zijn.» + +»Och kom, dat zal zoo'n vaart niet loopen. Dus je gaat niet meê? Toe +zeg, kom maar! Je werk komt nog wel af, en 't is zulk prachtig weêr. +Hoor de jongens eens joelen. Toe, zeg, kom nu!» + +»O neen, stellig niet. Ik maak eerst al mijn werk af want anders moet ik +het vanmiddag of morgen nog doen, en dat is veel onpleizieriger. Over +een paar uren ben ik klaar.» + +»Een paar uren nog? Wat moet je dan nog wel doen? Ik heb er in 't geheel +maar twee uur over gewerkt.» + +»O ja, maar jij kunt het ook zoo vlug, veel vlugger dan ik. Eerst moet +ik nog een kaartje van Frankrijk teekenen en dan moet ik nog drie +kwartier orgelspelen. Vóór twaalf uur ben ik dus stellig niet gereed. En +hoe eerder je nu gaat, hoe eerder ik beginnen kan, -- tot straks dus.» + +Deze wenk was duidelijk genoeg, naar mij dacht. Maar Bob bleef nog +staan. + +»Toe Dorus, wees nu niet zoo flauw en ga meê. Dan zal ik je vanmiddag +wel aan je kaartje helpen.» + +»Neen, ik doe het niet; ga dus maar gerust heen. En als je +niet+ gaat, +schuif ik het raam dicht. Ga naar Karel Holm; die zal met zijn werk wel +niet zooveel haast maken.» + +»Karel is niet thuis. Hij is naar Haarlem en komt eerst om twee +uur terug. Ga je orgelspelen in de kerk, Dorus? En heb-je al een +orgeltrapper? Zeg, dat wil ik wel voor je doen. Willen we dat +afspreken?» + +Nu, dat mocht ik in geen geval, want de meester, die tevens organist +in de kerk was en mij in piano- en orgelmuziek les gaf, had mij ten +strengste verboden, ooit Bob de Wild mede te nemen, om voor mij lucht +te maken. Want Bob zat overal aan, in en op. Klom hij niet in den +preekstoel, dan stond hij den voorzanger op diens plaats in de kerk na +te apen, en dat kon hij wat koddig, -- en als hij dàt niet deed, dan +klom hij zoo hoog in den toren als hem mogelijk was. En nergens deed hij +eenig goeds, maar wel veel kwaads. + +Nu had de meester wel voor mij verlof gekregen om mij op het kerkorgel +te mogen oefenen, maar natuurlijk moest ik een bedaarden jongen +medebrengen om den blaasbalg te trappen, want het was een groot orgel. +En Wilde Bob mocht mij in geen geval vergezellen. Hieruit kan blijken, +dat mijne reputatie onder de groote menschen vrij wat beter was dan die +van mijn vriend Bob, want werkelijk werd mij door dat verlof zeer veel +vertrouwen geschonken. Natuurlijk had de onderwijzer van mij getuigd, +dat ik een bedaarde, stille jongen was, die zulk een groot vertrouwen +wel verdiende. Of ik het echter nooit beschaamd heb, zal later blijken. + +Dus Bob mocht in geen geval mede, wat hij zelf niet wist, daar ik het +hem nooit gezegd had. + +»Ik heb al een trapper,» zei ik daarom. + +»Ja, -- wie dan?» + +»Jan van der Vliet. Je weet wel, dat die altijd medegaat en dat mijne +ouders en de meester niet willen, dat ik andere jongens meêneem. Maar ga +nu, want anders krijg ik mijn werk nooit af en kan ik zelfs van middag +niet meêspelen.» + +Maar Bob was boos, omdat ik hem niet medenam naar het kerkorgel. + +»En als ik nu eens niet wegging?» vroeg hij plagend. + +»Dan schuif ik het raam dicht!» zei ik beslist. + +»Doe dat dan maar, want ik blijf!» klonk het antwoord. Maar nauwelijks +had Bobje dat gezegd, of ik zag hem schichtig omkijken en plotseling het +hazenpad kiezen. Jongen, jongen, wat liep hij! Hij keek op noch om, en +liep als een hazewind. + +Van zooveel veranderlijkheid had ik geen flauw begrip en ik boog mij wat +verder het raam uit om te zien, of ik de oplossing van dit raadsel ook +zou kunnen ontdekken. + +En waarlijk, die was spoedig gevonden in de gedaante van den +schoenmaker, die met den spanriem in de hand met groote schreden +naderde. O, o, wat keek hij kwaad, en wat liep hij hard. Maar het eene +baatte hem evenmin als het andere, want Bob liep harder dan hij en was +spoedig in veiligheid. De schoenmaker gaf de vervolging op, juist op de +plaats, waar de kostelijke stroop op den grond lag, en nauwelijk kreeg +de brave man den vuilen plek in het oog, of hij hief de vuist tegen den +vluchteling op en riep hem na, dat hij den deugniet wel krijgen zou. +Maar nù had hij hem toch nog niet. Onverrichter zake moest hij naar huis +terugkeeren. + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + Waarin Bob naar de kerk gaat, een uilennest vindt, als + voorzanger fungeert en leelijk in de perikelen geraakt. + + +Zie zoo! Nu was mijn verleider eindelijk vertrokken en kon ik aan mijn +werk voortgaan. Alles had ik af, behalve mijn kaartje van Frankrijk. +Ik nam mijn atlas uit de kast en een vel teekenpapier, zette mijne +passerdoos gereed en begon. Ik herinner mij nog levendig hoe prettig ik +het vond, dat juist de vrede tusschen Frankrijk en Duitschland geteekend +was, niet zoozeer omdat daardoor aan een bloedigen oorlog een einde was +gemaakt en het bloedvergieten was opgehouden, als wel omdat ik nu Elzas +en Lotharingen niet behoefde uit te teekenen daar die beide provinciën +bij het sluiten van den vrede aan Duitschland waren afgestaan. Alleen om +dat feit koesterde ik een diepen eerbied voor de staatsmanswijsheid van +Bismarck. + +De lijst was spoedig getrokken en nu begon ik de ligging van de +voornaamste punten op mijn teekenpapier aan te geven. Als dat gedaan +was, had ik de grenzen spoedig in orde, dat wist ik bij ondervinding. +Den meesten last veroorzaakten mij altijd de gebergten, omdat het mijne +gewoonte was, daar altoos bijzonder veel werk van te maken. Juist zou ik +met dat fijne werk beginnen, toen mij weer het signaal van mijn vriend +Bob in de ooren klonk. Ik zag op en jawel, daar was hij al weer. + +Lachend keek hij naar boven. + +»Wat was hij kwaad!» riep hij me toe. + +»Geen wonder!» was mijn antwoord. »Pas maar op, dat hij je niet krijgt, +want hij is tamelijk hardhandig.» + +»En ik snelvoetig!» riep hij terug. »Maar ik begrijp toch waarlijk +niet, waarom hij zoo boos is. Als ik er goed over nadenk, heb ik toch +feitelijk niets gedaan, dat niet goed was. Mietje heeft uit eigen +beweging de kan onderste-boven gehouden en de stroop er uit laten +loopen. Ik heb de kan zelfs niet aangeraakt. Je moet me toch toegeven, +dat ìk het niet helpen kan, als Mietje domme dingen doet?» + +»Dat is wel mogelijk, Bob, en je weet je baantje mooi schoon te praten. +Maar ik vrees, dat De Veer er zoo diep niet over zal nadenken, en je +eenvoudig een pak slaag zal geven, zoodra hij je te pakken heeft.» + +»Dat denk ik ook. Nu, gedane zaken nemen geen keer, zal ik maar denken. +Ga-je nu meê?» + +»O, neen -- ik heb nog maar alleen de lijst en de grenzen af, en zou +juist aan de gebergten beginnen. Ga maar gerust heen, want ik kom toch +niet voor nà den middag; dan ontmoet ik je wel.» + +»'t Is mooi flauw van je, om me den geheelen morgen alleen te laten. Nu, +dan ga ik maar. Atjuus!» + +»Atjuus, en denk om den schoenmaker!» + +Nu ging Bob dan eindelijk voor goed heen en zette ik mij weer aan den +arbeid. Wel moest ik af en toe eens lachen als ik aan Bob en zijne +avonturen van dezen morgen dacht, maar ik schoot toch flink op. Om kwart +over elven was ik met mijn werk gereed. Ik flapte mijn atlas dicht, +bekeek nog eenmaal met welgevallen mijne kaart, die er werkelijk keurig +netjes uitzag, zette er met zwierige krullen mijn naam onder en borg +toen alles behoorlijk in de kast. + +Met innige vreugde, dat ik met mijn werk zoo goed opgeschoten was, ging +ik naar beneden, wat voor mij maar een oogenblik werk was, daar ik nooit +van de treden gebruik maakte, doch mij eenvoudig langs de leuning naar +beneden liet glijden, en stapte de woonkamer binnen. Daar nam ik mijn +orgelmuziek uit het muziekkastje, welke bestond uit een enkel dik boek, +bevattende de psalmen en de evangelische gezangen, en wilde juist de +deur uitstappen, toen Moe mij toeriep: + +»Voorzichtig wezen met het orgel, hoor Dorus. Ik sta doodsangsten uit, +dat je er wat aan bederven zult.» + +»Geen nood, Moe, ik ben werkelijk zeer voorzichtig en doe er niets aan, +dat schaden kan. Ik ben er zelf veel te bang voor.» + +»Dat is wel gelukkig. En dien Wilden Bob neem je toch niet mede? Dat wil +ik volstrekt niet hebben, hoor!» + +»Neen Moe, hij heeft het mij straks wel gevraagd, maar ik heb hem +gezegd, dat het niet mocht en dat Jan van der Vliet altijd met mij +meêging. Bob is wel een goede jongen, Moe, maar op het orgel zou ik hem +toch ook in het geheel niet vertrouwen.» + +»Nu, dan is het goed. Ga nu maar dadelijk, dan ben je uiterlijk half een +weer thuis om te eten.» + +»Dag Moe!» + +»Dag Dorus! Hier heb-je een stuiver voor Jan.» + +Wij aten altoos vroeg, omdat Pa bloemist was en den geheelen dag bij +de werklieden op de tuinen moest zijn. Daar dezen allen om twaalf uur +aten, was dat ook voor ons verreweg het gemakkelijkst. Ik ging dus op +weg naar de kerk, maar sloeg halverwege gekomen een zijweg in, om Jan +af te halen. Want Jan woonde niet aan de hoofdstraat, doch in een +achterbuurtje. + +Hij was de zoon van een werkman, die een gebrek aan zijn voet had en +dientengevolge meestal zonder werk was. De boeren hadden liever een +flinken, stevigen kerel dan den gebrekkigen Kees, zooals hij altoos +genoemd werd, zoodat hij alleen in den druksten tijd in het genot van +verdienste was. Tengevolge van zijne gestadige werkeloosheid moest +Trijntje, zijne vrouw, eigenlijk het brood verdienen voor het geheele +gezin, dat gelukkig niet groot was, daar Jan alleen nog maar een klein +zusje had. Dat meisje was toen ongeveer twee jaar oud. En daar de +menschen op het dorp medelijden met het arme gezin hadden, kreeg zij nog +al vrij wat werkhuizen, zoodat zij inderdaad een niet onaardig sommetje +per week verdiende. Was Trijn hier of daar uit werken en Jan naar +school, dan paste vader Kees op kleine zus, wat hem wel toevertrouwd +was. Ook moest hij dan voor het middageten zorgen, wat tengevolge had, +dat sommige spotvogels op het dorp hem wel Jan den Wasscher noemden. +Toch hadden zij vrij goed hun brood, wat wel voornamelijk aan de +flinkheid van Trijntje te danken was, want zij was eene handige werkster +en eene zindelijke waschvrouw. + +Weldra had ik de eenvoudige woning bereikt. Eene schel was er natuurlijk +niet te vinden; wie de bewoners spreken wilde, had eenvoudig maar naar +binnen te gaan. Onder den werkmansstand houdt men zich niet met vele +complimenten op. Ik drukte dus den ijzeren beugel naar beneden, waardoor +aan de binnenzijde de klink werd opgelicht, opende de deur en stapte +weldra het eenige vertrek, dat zij bezaten, binnen. Ik trof daar alleen +Jan aan, die op den grond bezig was met zijn zusje te spelen. + +»Dag Dorus!» zei hij. + +»Zoo Jan. Ben jij maar alleen thuis?» vroeg ik, de kleine meid niet +meêtellende. »Ik kom je halen om mede te gaan naar het orgel.» + +»Dat zal moeilijk gaan, want Vader en Moeder zijn geen van beiden +thuis,» klonk het antwoord. + +Dat was eene groote teleurstelling voor me, want orgelspelen vond ik +heel pleizierig en zonder Jan kon er niets van komen. + +»Dat spijt me,» zei ik dan ook. »Je moeder is zeker uit werken?» + +»Ja, bij den postdirecteur; daar is ze Zaterdags altijd, zooals je +weet. En Vader is er nu toevallig ook, omdat de tuin eens eene flinke +beurt moest hebben. Mijnheer Valk tuint zelf nooit en Vader kan het zoo +netjes doen.» + +Die laatste woorden werden door Jan met niet weinig trots uitgesproken, +en ik herinner mij nu nog het gewichtige gelaat, waarmede hij mij +aanzag. + +»Ja, dat weet ik. Je vader heeft daar goed den slag van. Maar wat moet +ik nu beginnen? Bob de Wild heeft mij wel gevraagd of hij meê mocht +gaan, maar hem mag ik niet meênemen, omdat hij zoo wild en onvoorzichtig +is. Moe heeft mij vijf centen voor je gegeven.» + +»Is het waar? Nu, weet je wat? Dan zal ik buurvrouw vragen, of zij op +kleine zus wil passen. Moeder zegt altoos, dat wij geen verdiensten +verzuimen moeten. Wil jij even op zus passen, terwijl ik naar buurvrouw +ga?» + +Ja, dat wilde ik wel, maar ik had er al spoedig berouw van, want +nauwelijk was Jan de deur uit en zag zus zich alleen met een vreemden +jongen, of zij begon zoo geweldig te schreeuwen, dat het huis er bijna +van dreunde. Ik begreep, dat ik iets doen moest, om haar gerust te +stellen, maar ik wist niets te bedenken. Daarom ging ik naar de kleine +meid toe, voortdurend met het hoofd knikkende, en zeide bij elken knik: +»dà! -- dà! -- dà!» Doch hoe dichter ik bij haar kwam, hoe harder zij +begon te schreeuwen. Ik werd werkelijk bang, dat zij er een ongeluk van +zou kunnen krijgen, en begon daarom steeds harder te knikken en riep uit +alle macht: »dà! -- dà! -- dà!» + +Maar niets baatte, zoodat ik teneinde raad het vertrek uit liep en naar +buiten ging, om Jan te hulp te roepen. Gelukkig kwam hij juist al terug. +Hij riep mij toe: + +»'t Is in orde, zus kan bij buurvrouw komen!» + +Nu, ik vond dat voor buurvrouw een buitenkansje, dat moet ik zeggen, en +ik stelde mij voor, dat zij met schreeuwende zus niet veel genoegen van +hare vriendelijkheid zou beleven. Doch 't was toch voor mij althans eene +prettige boodschap, want nu kon Jan met mij meêgaan. + +Zus werd, schreeuwend en wel, naar buurvrouw gebracht, de deur werd +gesloten, en wij togen samen op weg naar de kerk. + +Eerst moesten wij bij den koster aan, om de sleutels te halen. Hij +woonde schuin achter de kerk in een heel net huisje. Hij noch zijne +vrouw waren thuis, doch dat was geen bezwaar, daar zijn neef ons het +verlangde kon geven. Die neef was een zusterskind van den koster. Hij +heette Arie de Zwaan. Daar hij vroeg zijne ouders had verloren, was hij +als klein kind bij den koster en diens vrouw in huis gekomen, welke +brave menschen hem geheel als hun eigen zoon beschouwden. Zelf hadden +zij geen kinderen. O, wat omringden zij den kleinen Arie al met bewijzen +hunner liefde, wat deden zij hun best een braven jongen, een flinken man +van hem te maken. Doch wat werden zij bitter in hunne verwachtingen +teleurgesteld, want Arie werd een rechte deugniet, die zijn grootste +genoegen vond in luieren, naar de herberg gaan en het geld opmaken van +zijne brave pleegouders. Zelden werd eene goede daad met meer ondank +beloond. Zij hadden er ontzaglijk veel verdriet van, dat Arie zoo +slecht oppaste, maar toch hadden zij hem nog altijd lief, zelfs nu nog, +nu hij twintig jaar oud geworden was en nooit iets deed, dat hun vreugde +gaf. Hij volgde altijd zijn eigen zin, en wanneer zij hem ten beste +raadden, werd hij zoo brutaal mogelijk. Wanneer de menschen over Arie +van den koster, want zoo werd hij gewoonlijk genoemd, spraken, zeiden ze +altoos, dat zijne pleegouders het »eindje» met hem nog niet beleefd +hadden, waarmede ze natuurlijk bedoelden, dat het nog eens slecht met +Arie zou afloopen. + +Wij vonden hem lang-uit achter het huis op het bleekveld liggen, met den +stroohoed over het gelaat, om geen last te hebben van de insecten. +Blijkbaar had hij geslapen, maar nu werd hij wakker door onze komst. + +»Wat moet jelui hebben?» vroeg hij op norschen toon, daar hij het +onaangenaam vond in zijn slaapje gestoord te worden. + +»Mag ik de sleutels van de kerk en het orgel hebben, Arie?» vroeg ik zoo +beleefd mogelijk, want ik had het niet erg op hem begrepen. Hij kon +iemand soms zóó leelijk aankijken, dat men er bang van werd. + +»De sleutels? -- Wat moet jij met de sleutels doen?» bromde hij terug, +zonder in het minst blijk te geven, dat hij van plan was op te staan. + +Nu wist hij zeer goed, dat ik elken Zaterdag op het orgel speelde. Hij +vroeg dus naar den bekenden weg. De zaak was echter, dat hij te lui was, +om op te staan, ten einde ze voor mij te halen. + +»'t Is bespottelijk, om zoo'n kostbaar orgel aan zulke kwâjongens toe +te vertrouwen,» vervolgde hij. En op beslisten toon voegde hij er aan +toe: »Neen, kort en goed, neen! Van mij krijg-je de sleutels niet. Als +je orgel wilt spelen moet je maar terugkomen, als oom thuis is.» + +»Is die dan niet thuis?» vroeg ik. + +»Neen.» + +»En je tante ook niet?» + +»Ook niet!» klonk het kortaf terug. »Ga maar gerust heen, jongen, want +van mij krijg-je de sleutels niet. Ik wil daarvan de verantwoording niet +op mij nemen.» + +»Maar je weet toch wel, dat ik elken Zaterdag in de kerk kom spelen, en +dat ik daartoe vergunning heb van de kerkvoogden? Waarom mag ik dan nu +niet?» + +Geen antwoord volgde. Arie draaide zijn hoofd van ons af en sloot de +oogen weer. + +»Ik weet ze wel te hangen, Arie. Mag ik ze zelf even halen, dan behoef +je er in het geheel geen moeite voor te doen,» hield ik vol. + +»Ja, vooruit maar, en maak dat je wegkomt!» klonk het barsch terug. + +Dat liet ik mij geen tweemaal zeggen en weldra waren wij mèt de sleutels +vertrokken. + +»Hè -- hè, dat kostte moeite!» zeide Jan. »Hij was weer in eene booze +bui. Ik was bang van hem.» + +»In eene luie bui, meen je!» zei ik. »Hij was te lui om op te staan, dat +was de voornaamste reden van zijne knorrigheid. Ik wed, dat hij ons nu +al vergeten is.» + +Wij waren nu de kerk genaderd en openden de hoofddeur. Want onze kerk +had drie deuren, waarvan er twee naar de galerijen voerden, die voor de +arme menschen bestemd waren. De hoofddeur voerde naar het schip van de +kerk, maar gaf toch ook toegang tot de trap, die naar het orgel leidde. +Dat orgel was geplaatst op eene geheel vrije ruimte, waar niemand plaats +mocht nemen dan de organist en de orgeltrapper. Natuurlijk mocht onze +meester medenemen, wien hij wilde. Er was dan ook ruimte genoeg, althans +achter het orgel, waar een geheel vrij vak was. Van uit de kerk kon +niemand zien, wie zich op het orgel bevonden, daar de ruimte aan +weerskanten van dat instrument door groene gordijnen was afgezet. Wij +spraken altijd van »op» het orgel, en dan bedoelden we de plaats, waar +het orgel stond. Bovenop dat instrument was voor niemand plaats, zooals +ieder begrijpen zal. Alleen stond in het midden het beeld van koning +David, op de harp spelende, en aan de beide kanten een engel met een +bazuin aan den mond, welke beelden ik altoos bijzonder mooi vond, vooral +de engelen. + +Zoodra wij boven gekomen waren, ontsloot ik de trappers van den +blaasbalg, nam het mahoniehouten deksel van het klavier en zette mij +tot spelen. Jan nam op de trappers plaats en maakte lucht. Verbazend +vermakelijk vonden wij dan altijd het dalen en het stijgen van het +gewichtje, dat aan den blaasbalg bevestigd was en niet lager dalen mocht +dan tot aan een zeker teeken, want dan was de balg vol en zou hij, +wanneer met trappen werd voortgegaan, kunnen barsten. + +Ik zette mij voor het klavier en begon te spelen. Om de waarheid te +zeggen gevoelde ik mij altijd nog al gewichtig, als ik daar zat, waarvan +de reden was, dat ik nog al klein en het orgel verbazend groot was. +Bovendien werd ik door Jan van der Vliet altijd buitengewoon geprezen, +want in zijn oog was ik een rechte duizendkunstenaar en kon ik moeilijk +door anderen in het orgelspel worden overtroffen. Zijne bewondering voor +mij was werkelijk ongeveinsd en streelde mijne ijdelheid niet weinig. +Zoodra hij den balg »vol» had, kwam hij altoos naast mij staan, om mijne +kunststukken te bewonderen, wat er mij gewoonlijk toe verleidde, alle +registers uit te trekken en dientengevolge een oorverdoovend geluid aan +het instrument te ontlokken. En ik moet er dadelijk bijvoegen, dat Jan +dit prachtig vond, al moest hij dan ook tweemaal zoo hard trappen als +anders. Van zachte muziek hield hij niet. Het meest bewonderde hij nog +mijne vaardigheid in het gebruiken van het voet-pedaal, daar hij er maar +geen hoogte van kon krijgen, hoe iemand met zijne voeten muziek kon +maken en dan nog wel, zonder er naar te kijken. + +Wij konden ongeveer een kwartiertje aan den gang geweest zijn, toen +plotseling de deur van ons vertrek, als ik het zoo noemen mag, langzaam +geopend werd, en het lachende gelaat van Wilden Bob om den hoek +verscheen. + +Ik hield midden in mijn spel op, zoo schrikte ik van zijne komst. Ik +wist te goed, hoe hij altoos vol kattekwaad zat, om niet te vreezen, dat +hij zich ook hier niet rustig zou kunnen houden. Bovendien was het mij +ten strengste verboden hem mede te nemen, en, dat durf ik zeggen: ik +was een gehoorzame jongen. Nu weet ik wel, dat hij uit eigen beweging +kwam en dat zijne komst mijne schuld niet was, -- maar zoover dacht ik +op dat oogenblik niet. Zoodra ik hem zag begreep ik, dat ik al het +mogelijke moest doen, om hem weer weg te krijgen. + +Ik moet er zeker niet erg vroolijk uitgezien hebben, want hij kwam +lachend naar mij toe, en zeide: + +»Wel, wel, wat kijk-je vriendelijk! Toe zeg, speel eens een vroolijk +deuntje. Kan-je niet spelen: „Hij moppert alweer, Hij moppert alweer, +Hij moppert alweer, kiek, kiek!”» wat in die dagen een bekend +straatdeuntje was. + +Jan van der Vliet begon te lachen, en ik van den weeromstuit ook. + +»Neen,» zeide ik, »zulke deuntjes speel ik hier niet. Toe Bob, ga nu +heen, want je houdt mij van mijn werk af.» + +»Heusch niet, Dorus. Speel jij maar, dan zal ik zingen. Zeg, ga eens +eventjes van die bank af, en laat mij eens spelen. Ik kan er ook wel wat +van.» + +Nu, dat was niet waar. + +»Bob!» zei ik ernstig. »Jij blijft van het orgel af, of ik doe het +direct op slot. Ik heb moeten beloven, dat ik niemand zou toestaan, hier +gekheid te verkoopen, en daarom kun-je mij een groot pleizier doen, door +dadelijk op te hoepelen.» + +»Eerst eens spelen, Dorus!» zei Bob. + +»Er afblijven!» was mijn antwoord. En ik liet er op volgen: + +»Hoor eens, Bob, je bent mijn vriend, maar als je aan de toetsen komt, +krijgen we ruzie, daarvoor sta ik je borg. Ik wil het bepaald niet +hebben. Toe Bob, ga nu heen.» + +»Wat heb-je een praats! 't Is jou orgel toch niet? Ik heb er evenveel +over te zeggen als jij, zou ik meenen.» + +»Dat spreek ik niet tegen, maar als er iets ergs mede gebeurt, krijg ik +er natuurlijk de schuld van. Toe Bob, ga nu heen.» + +»Neen, -- ik laat me niet wegjagen. Doch speel jij maar; ik beloof je, +dat ik overal zal afblijven. Ik vind je zeldzaam flauw.» + +Daar ik geen kans zag, Bob tot heengaan te bewegen, zette ik mijn spel +voort, in de hoop, dat mijn ijver hem vervelen en tot vertrekken bewegen +zou. Doch ik had het mis, want weldra bemerkte ik, dat er tusschen Bob +en Jan eene worsteling ontstaan was, zoo hevig dat het orgel ervan +dreunde. + +Natuurlijk hield ik dadelijk op om te zien, wat er aan de hand was, en +nu zag ik Bobje bezig om Jan van de trappers te dringen, ten einde er +zelf op te gaan staan. + +»Bob!» zei ik, »als je nu niet heengaat sluit ik het orgel, maar dan +speel ik ook den geheelen dag niet met je. Of wil je bepaald twist met +me hebben?» + +Ik nam het deksel en legde het op het klavier, vast besloten er nu een +einde aan te maken. + +Bob keek me eventjes lachend aan, en zeide toen: + +»Maak je niet dik, Dorus, want dun is de mode. Adie, ik wil je +groeten.» + +Met die woorden verliet hij het orgel. Hij deed de deur achter zich +dicht en wij hoorden hem de trap afgaan. + +»Zie zoo, dat ruimt op!» zei Jan, die niet erg op Bob gesteld was. »Ik +liet er mij toch lekker niet afdringen, al is hij grooter dan ik. Hij +moet niet denken, dat ik bang van hem ben.» + +»Och, hij meent het zoo kwaad niet,» zei ik. »Toe Jan, trappen, dan ga +ik weer spelen.» + +Ik zette mijne studie nu voort en was Bob weldra geheel vergeten, tot +hij plotseling als een wervelwind kwam binnenstormen en ons toeriep: + +»Toe jongens, ga je eens even meê; ik heb een uilennest gevonden. Gauw +zeg, er liggen eieren in!» + +»Een uilennest?» vroeg ik verwonderd. »Waar is dat dan?» + +»In den toren!» lachte Bob. »Of dacht je, dat ik naar huis gegaan was? +Mis mannetje, ik blijf net zoo lang als jij. Kom, ga je meê naar boven? +O, het ligt zoo hoog, -- dicht bij de galmgaten!» + +In een oogenblik had ik mijne zitplaats verlaten en was ik gereed, hem +te volgen, want voor een uilennest geloof ik, dat ik zelfs mijne +boterham had laten staan. + +»Kom Jan,» riep ik den orgeltrapper toe, »ga je meê? Dat moeten we +zien.» + +»Er zat een uil op te broeiën!» zei Bob. »Zeg jô, wat schrikte ik van +hem, want toen ik met mijn hoofd boven de trap kwam, had ik zijn krommen +snavel en zijne groote ronde oogen vlak voor me. Eerst wist ik niet wat +ik zag, maar al spoedig bemerkte ik, dat het een kerkuil was. En wat +kraste hij leelijk tegen me, toen hij wegvloog.» + +In een wip waren wij de trap opgeklommen tot bij het uurwerk, doch toen +moesten wij nog hooger. Eerst duwden wij een luik omhoog en kwamen toen +op een volgende trap. Bob ging vooraan. + +Wat was het daar in dien toren overal vuil en stoffig; de spinnewebben +waren haast ontelbaar. En wat woei ons een koude wind in het gelaat. Het +was duidelijk dat wij de galmgaten naderden. Spoedig kwamen wij boven, +bij de groote bel, en daar -- zagen wij het nest, met drie eieren er in! +Maar de uil was weg; wij zagen hem nergens, hoe wij ook zochten. + +»Zeg jongens, de eieren laten liggen!» riep Bob. »Dan gaan we later +kijken, of er jonge uilen in het nest zitten.» + +»Ja, laten we dat doen,» zei ik. »Dan gaan we nu stil heen, en komen +over een week of drie nog eens terug. Willen we nu weer weggaan?» + +»Ja, -- maar kijk eerst eens naar buiten! Zie eens, wat Haarlem nu +dichtbij schijnt te liggen! En ginds zie ik Heemstede en daar verder +Hillegom en Lisse. Wat hebben we hier een mooi gezicht, hê?» + +»En dit is zeker het touw, waaraan de koster trekt als hij moet luiden?» +zei Jan. + +»Natuurlijk, trek er maar eens aan,» antwoordde Bob. »Dan begint het +bom-bam! bom-bam! Toe dan, Jan.» + +»O neen, neen!» riep ik uit, want nu begon me mijn gevoel van +verantwoordelijkheid weer te drukken. »Niet doen, -- Jan, wat zouden de +menschen wel zeggen?» + +»Ze zouden denken, dat er brand was!» lachte Bob. »Zeg jongens, willen +we die grap eens hebben?» + +»Daar komt de koster naar boven!» riep ik plotseling op verschrikten +toon uit, en tegelijkertijd liet ik mij pijlsnel naar beneden glijden. +En wat waren Bob en Jan mij kort op de hielen, want de koster liet niet +met zich spotten. In minder dan geen tijd waren we weer beneden, waar +van den koster natuurlijk niets te zien was, daar het eenvoudig een +krijgslist van me was geweest, om Bob van de bel weg te krijgen. Ik +vertrouwde hem daar in het geheel niet, vooral niet, toen hij brandje +wilde gaan spelen. + +»Waar is de koster nu?» vroeg hij, toen wij beneden waren. + +»In Haarlem,» zei ik lachend. »Maar Bob, ga jij nu heen, dan ben ik des +te spoediger klaar.» + +»In Haarlem? Is hij dan niet thuis?» vroeg Bob. + +»Neen,» zei Jan, die er om lachen moest, dat ik hem zoo leuk te pakken +had. »Wat wist Bob van beenen maken!» + +»Geen wonder. Nu, ik ga heen! Tot van middag dan.» + +Bob vertrok en ik zette mij weer aan het spelen. Maar nauwelijks had ik +weer eene bladzijde gespeeld en zweeg het orgel een oogenblik, of daar +hoorde ik van uit de kerk een geluid, dat precies op de stem van den +voorzanger geleek. + +»O jé, dat is Bob weer!» dacht ik dadelijk. Ik schoof het gordijn open, +en jawel -- daar stond hij met een hoogst ernstig gezicht voor den +lessenaar van den voorzanger. Hij trok een paar malen aan zijn boordje, +zooals de goede man ook altijd deed als hij beginnen zou, humde en +kuchte een paar malen, en mompelde toen bijna onverstaanbaar: + +»De gemeente gelieve te zingen».... + +En daarna verhief hij plotseling zijne stem, juist zooals de voorzanger +dat altoos deed, en galmde plechtig: »Den honderdnegentienden psalm van +het eerste tot het laatste vers!» + +Hij galmde zoo luid, dat hij niet eens bemerkte, hoe er eene deur achter +hem geopend werd en de dominee stil de kerk binnentrad. + +Ik had natuurlijk om de dwaasheid van Bob eerst gelachen, want de +honderdnegentiende psalm telt niet minder dan acht en tachtig verzen, +maar nu lachte ik niet meer. Ik werd zoo wit als een doek van den schrik +en gaf Bob snel een teeken om hem te waarschuwen, maar hij zag het niet. +Hij verhief zijne stem nog hooger en galmde: + +»Ik herzeg den honderdnegentienden psalm van het eerste tot het laatste +vers!» + +»Wel jou ondeugende bengel!» klonk het plotseling op gestrengen toon +achter hem. In een wip was Bob van zijne verhevenheid af en stond tot +zijn grooten schrik van aangezicht tot aangezicht tegenover den dominee. +Deze was een doodgoed man, die wel van een grapje hield, doch nu scheen +hij zeer boos te zijn. Hij keek mij gestreng aan, en zeide: + +»Jij gaat onmiddellijk naar je huis. Foei, schaam je je niet, om +dergelijke dingen in de kerk te doen? Hebben we je dáárvoor het gebruik +van het orgel toegestaan? Pas op, dat zulke dingen niet weer gebeuren, +of het verlof wordt ingetrokken en de toegang tot het orgel wordt je +voor goed verboden. Je kunt dadelijk vertrekken. Wees gewaarschuwd.» + +Daarna keerde hij zich tot Bob, en zeide: + +»Jij gaat met mij mede naar de pastorie. Dergelijke spotternij kan ik +niet ongestraft laten passeeren!» + +»Maar dominee, -- ik -- ik -- ik» -- stotterde Bob. + +»Ik was een ondeugende bengel!» wil je zeker zeggen, niet waar?» viel de +dominee hem in de rede. »Daarom juist ga je mede naar de pastorie, waar +ik je zulke streken wel zal afleeren.» + +»Maar dominee, ik -- ik beloof u....» + +»Belofte maakt schuld, Bob! Beloof daarom niet lichtvaardig, wat je niet +van plan bent te volbrengen.» + +»Ik beloof u, dominee, dat ik het niet weer zal doen,» zei Bob, wien het +allerminst kon toelachen, eene gedwongen visite in de pastorie af te +leggen. O, o, wat zat Bobje in de perikelen! + +»Ik herhaal het, Bob: Belofte maakt schuld! Wat je niet van plan bent te +volbrengen, moet je ook niet beloven.» + +»Maar dominee, ik zal mijne belofte wel houden,» mompelde Bob. »Ik +beloof het u!» + +»Geef me daar je hand op, Bob.» + +Bob deed het. + +»Zoo, dan zal ik je voor dezen keer ongestraft laten vertrekken. Maar +zeg mij eens, wat moet jij hier eigenlijk doen? Mij dunkt, jij hebt hier +heel geen boodschap!» + +»Neen, dominee, maar ik wist, dat Dorus hier op het orgel speelde en +toen kwam ik even kijken.» + +»En kwaad doen!» viel de dominee in. »Dus Dorus heeft je niet mede +genomen?» + +»Neen dominee, ik ben uit eigen beweging gekomen,» zei Bob, die +werkelijk een vijand van liegen was. + +»Ga nu maar spoedig heen en kom alleen terug als het kerk is, -- +begrepen?» + +»Ja, dominee. -- Dag, dominee!» + +De hoed vloog Bob van 't hoofd en in een snap was hij de kerk uit. Ik +had middelerwijl het orgel gesloten en volgde met Jan, na den dominee +gegroet te hebben, zijn voorbeeld. Spoedig waren we op weg naar huis. + +Eerst liepen we zwijgend naast elkander voort. Ik bracht de sleutels +naar Arie de Zwaan, die nog op het bleekveld lag te slapen en niet +weinig bromde, toen ik hem wakker maakte. Maar daar lette ik niet veel +op, want ik was te zeer onder den indruk van het gebeurde, om er veel om +te geven. + +»'t Is alles jou schuld!» zei ik tegen Bob onder het naar huis gaan. +»Wat doe jij ook in de kerk te komen! Nu krijg ik er de schuld nog van +en als Pa en Moe het hooren, volgt er nog straf op den koop toe. Ik vind +het flauw van je, -- erg flauw!» + +Bob zei niets. Hij was er ongetwijfeld van overtuigd, dat ik gelijk had. + +»En als de meester het hoort, is het nog erger. Je weet, hoe streng hij +is. Wat moet ik nu zeggen, als hij er over begint?» + +Bob antwoordde nog niet. Zwijgend liep hij naast ons voort. Maar op eens +zei hij: + +»Als de meester er van spreekt, geef je alle schuld aan mij, Dorus, want +jou schuld is het niet.» + +»Dan zeggen alle jongens, dat ik klik! En dat wil ik niet,» was mijn +antwoord. + +»Goed, dan zal ik het zelf wel zeggen. Ik wil niet, dat jij in mijne +plaats straf krijgt. Maar ik spreek er niet van, voordat ik zeker weet, +dat de meester er van gehoord heeft. Dat begrijp je wel, he? Nu, ik ga +naar huis, hier langs den achterweg, want anders moet ik den schoenmaker +voorbij, en dat doe ik liever niet. Tot van middag!» + +Hij sloeg met Jan het achterwegje in en ik ging den hoofdweg langs naar +huis, waar men al met het eten op mij wachtte. Gelukkig vroeg niemand +mij naar mijn orgelspel en de meester sprak later ook niet over het +geval. Zeker heeft de dominee het gebeurde voor hem verzwegen, of zoo +hij dat niet heeft gedaan, als zijn gevoelen te kennen gegeven, dat ik +er geen schuld aan had. + +Eén voordeel was er aan verbonden, en wel dit -- dat Bob mij, den +eersten tijd althans, in vrede naar de kerk liet gaan, wanneer ik mij +op het orgel ging oefenen. Wel was de grootste schrik spoedig bij hem +vergeten, maar hij wist, dat hij de pastorie voorbij moest gaan om in de +kerk te komen, en dat durfde hij toch niet, althans niet, als hij wist, +dat de dominee thuis was. Want dan had hij veel kans, dat hij opgemerkt +zou worden, en hij twijfelde er niet aan, of den tweeden keer zou hij er +niet zoo gemakkelijk afkomen als den eersten. + +»Verbeeld je eens,» zei hij later tegen me, »dat de dominee mij voor +straf den geheelen honderdnegentienden psalm had laten uitschrijven. Dat +zou me eene geschiedenis geweest zijn -- acht en tachtig verzen!» + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + Waarin Bob eene uitnoodiging ontvangt van den Heer + Denappel, zijne stelten terug wil hebben en + van den regen in den drop komt. De + krijgslist van Karel Holm en mij. + + +Bob keerde dus langs den achterweg naar huis terug, wat voor hem slechts +een omweg was van ongeveer tien minuten. + +»Op deze manier kan ik den schoenmaker mooi ontwijken,» mompelde hij +vergenoegd, terwijl hij zich de handen wreef van plezier. »Maar toch,» +liet hij er op volgen, »toch val ik hem den eenen of anderen keer +beslist in handen, dat kan niet uitblijven. Op een dorp ontmoeten de +menschen elkander dagelijks, en dus zal ik den schoenmaker ook wel eens +onverwachts voor mij zien. Och ja, -- ik had ook veel wijzer gedaan, als +ik dat domme kind doodbedaard pannekoeken met stroop had laten eten in +plaats van pannekoeken alleen, -- maar daar is nu niets meer aan te +doen. En bovendien -- als ik eenmaal den schoenmaker tegen 't lijf +loop, is hij het heele historietje misschien al vergeten. Wel ja, een +mensch kan toch alles niet zijn leven lang onthouden!» + +Die laatste gedachte scheen Bob zoo gerust te stellen, dat hij de +toekomst plotseling niet donker meer inzag, en van pret een deuntje ging +fluiten. Hij was nu Bos' bruggetje genaderd, en wilde er juist overgaan, +toen hij zich bij zijn naam hoorde roepen. + +De Heer Bos had een winkel in allerlei ijzerwaren aan het einde van het +dorp, eigenlijk op een bijzonder ongelegen plaats, daar hij aan den +overkant van het water woonde aan den achterweg en dientengevolge +moeilijk te bereiken was. Hij had dat zelf zeer goed ingezien en daarom +een bruggetje over het water laten leggen, dat zijn persoonlijk eigendom +was en geheel door hem werd onderhouden. Die brug werd altijd Bos' +bruggetje genoemd, en was ten algemeenen nutte. De zaak in ijzerwaren en +landbouwgereedschappen werd eigenlijk niet door hem alleen gedreven; hij +had een compagnon, een vrijgezel, die bij hem in pension was. Hij was +ongetrouwd, vroolijk van aard, overal een welkom gast en -- een man met +een echt jongenshart, waarmede ik bedoel, dat hij veel van jongens hield +en hun dikwijls een genoegen deed. De heer Denappel, (zoo heette hij) +had nooit grooter vermaak, dan als hij ons, jongens, eens een groot +genoegen kon doen, waarvoor hij zich dikwijls zeer veel moeite +getroostte. + +Deze heer Denappel nu was het, die Bob geroepen had. + +»Dag mijnheer!» riep Bob, toen hij hem zag. + +»Zoo, Wild Bobje, -- kom jij eens hieg!» + +Bob kwam. Dat de Heer Denappel onmogelijk de r kon uitspreken en er +altijd eene g van maakte, hoorden wij al niet eens meer, zooveel hielden +wij van hem. Hij brouwde anders wel buitengewoon erg. + +»Waag zijn je stelten, Bobje?» vroeg hij lachend, want hij mocht Bob +graag lijden. + +»Die heeft de meid van dokter Doreman, mijnheer,» zei Bob. + +»Zoo? -- Waagom? -- Hè-hè-hè-hè! Moet Mina ook stelten leegen loopen? +Hè-hè-hè-hè!» + +Mijnheer Denappel had een verbazend leelijk lachje over zich, want hij +lachte altijd met eene è-klank, en bovendien sprak hij sterk door zijn +neus. Geloof ook maar gerust, dat wij hem dikwijls uitgelachen zouden +hebben, als hij -- niet zoo aardig jegens ons geweest was. Nu hielden +wij veel te veel van hem, om zoo iets te doen. + +»Dat weet ik niet, mijnheer, maar ik ben ze kwijt, en ik zie geen kans +om ze terug te krijgen.» + +»Dat is leelijkeg voog je, Bob, want ik wou je juist vgagen of je lust +hebt, om mede te doen aan eene hagdloopegij op stelten. Zou je dat niet +willen?» + +»Niet willen! O ja, mijnheer, -- asjeblieft, heel graag. Wanneer doen we +het?» + +»Vandaag oveg eene week, dus op Zategdag, 's middags om één uug. De +pgijs is een pgachtig boek van Gobinson Cgusoë, in een mooien blauwen +band, en de tweede pgijs is de Bagon van Munchhausen, ook een mooi boek. +De degde pgijs is een pogtemonnaie, maag ik houd het gecht, die te +geven aan wien ik wil. Nu, hoe bevalt het je?» + +»Heerlijk, mijnheer, prachtig! En mag iedereen meêdoen? En waar is het?» + +»Hieg, op den achtegweg, en iedegeen mag meedoen. Noodig jij alle +jongens maag uit in mijn naam, wil je dat doen?» + +»Met alle genoegen, mijnheer!» + +»En zouden ze eg lust in hebben?» + +»Of ze, dat kan u begrijpen!» + +»Mooi, mooi. Maak jij nu maag, dat je je stelten tegug kgijgt, want +andegs gaat de pget jou neus voogbij, hè-hè-hè-hè! Dag Bob!» + +»Ja mijnheer, wist ik maar hoè!» + +»O, Bob, zeg maag, dat je haag wel eens een pleizieg zal doen, doog bij +voogbeeld de glazen eens te helpen wasschen, als ze dat doen moet, -- +hè-hè-hè-hè? -- dan zal ze je misschien je kwaad wel veggeven, +hè-hè-hè-hè!» + +Ha zoo! Mijnheer Denappel wist er dus alles al van! Zeker had hij eene +visite bij den dokter gemaakt en daar het gebeurde vernomen. En nu moest +hij natuurlijk Bob eens goed plagen. + +»Dag Bob, tot Zategdag dus! Maak maag, dat je den pgijs wint, hoog!» + +Bob groette en vervolgde zijn weg, natuurlijk recht in zijne nopjes over +het aanstaande feestje. + +»En mijne stelten zal ik wel terugkrijgen,» mompelde hij. »Ik mòèt ze +terughebben, -- dat spreekt van zelf!» + +Toen ik 's middags gegeten had, ging ik dadelijk naar Bob en vernam van +hem, wat de heer Denappel gezegd had. Dat ik mijne stelten medegenomen +had, behoef ik niet te zeggen, want in den steltentijd liepen wij er +zelfs op, als we even eene boodschap in den winkel moesten halen. Alleen +naar de kerk mocht ik ze nooit meênemen. + +Bob en ik waren in den tuin. + +»Zeg Dorus,» zei hij op den toon van volslagen wanhoop, »bedenk jij nu +toch eens een middel, om ze terug te krijgen. Als ik me niet oefenen +kan, heb ik natuurlijk in het geheel geen kans om den prijs te winnen. +Had ik die spuit ook maar met rust gelaten. 't Komt alles van dat +leelijke ding.» + +»Ja, -- en ook van je idée, om Mina nat te spuiten in plaats van de +ramen.» + +»Nu ja, -- dat is waar, -- maar hoe krijg ik ze terug? Zie je, dat is op +dit oogenblik de hoofdzaak.» + +»Wel, ga ze terugvragen.» + +»Dank je, Dorus! Wat zou ik er van langs krijgen! Ik wed, dat ze me +kopje onder in eene waschtobbe stopte!» + +»Best mogelijk. Zeg Bob, kunnen we van uit dat dakvenster van jelui huis +niet in den tuin van den dokter kijken?» + +Opeens klaarde Bobs gezicht heelemaal op. Hij nam zijn stroohoed van +zijn hoofd en zwaaide er lustig meê in het rond. Toen wierp hij hem hoog +in de lucht en ving hem weer netjes op zijn krullebol op, een +kunststukje waar ik erg jaloersch op was en dat ik hem maar niet kon +nadoen, niettegenstaande ik het wel al honderdmaal geprobeerd had. + +»Hiep-hiep-hoera! Gevonden! -- Gevonden! Dorus! Jij bent een slimmerd, +hoor! Kom jò, dan gaan we dadelijk naar boven. Hoe dom, dat ik daar niet +eerder aan gedacht heb. Zeg Dorus, dan neem ik mijn verrekijker mede.» + +»Ja, doe dat!» + +In een wip waren we de beide trappen opgeklommen, want het huis van +mijnheer de Wild had twee verdiepingen, en nu kwamen we gewapend met den +verrekijker op den zolder. + +»Zeg jò, nog niet kijken!» zei Bob. »Eerst den kijker goed uit elkaar +halen.» + +Blijkbaar was hij bang, dat ik de stelten met het ongewapende oog reeds +zou ontdekt hebben, voordat hij nog met zijn instrument gereed was, en +dan zou de helft van het genoegen verdwenen zijn, wat ook precies mijn +idée was. + +Spoedig stonden we nu voor het raam, dat over een land, een tuin en een +paar hagen heen, uitzicht gaf op den tuin van den dokter. Bob hield den +kijker voor het oog en doorzocht met het gewichtig gevoel van een +soldaat, die een vijandelijk kamp verkent, het terrein. + +»Mis hoor!» zei Bob terneergeslagen. »Ik zie ze nergens. Ze heeft ze +zeker hier of daar weggestopt.» + +»Misschien wel in de keuken,» zei ik. + +»Ja, -- of in het schuurtje. Ik althans zie ze niet. Zoo'n akelige meid, +-- 't zijn hààr stelten toch niet?» + +»Zeker niet! Laat mij ook eens kijken, Bob?» + +»Dààr!» + +Bob gaf mij den kijker en ik keek overal rond. Nu was dat instrument +bijna geheel niet noodig, want de tuin lag zoo dicht bij ons, dat wij +met het bloote oog alles best konden onderscheiden. Maar die kijker +bracht, naar wij meenden, iets eigenaardigs aan onzen verkenningstocht. + +Eindelijk gaf ik het op. + +»'k Zie ze niet!» zei ik met een zucht. »Je bent je stelten kwijt, +Bobbertje.» + +»'t Is wat moois! Hoe moet ik nu met den wedstrijd meêdoen, als ik geen +stelten heb? Ik vind het erg flauw van Mina. Laat mij nog eens kijken?» + +Maar Bob had evenmin succes als ik. Opeens echter ontdekte ik ze met het +bloote oog, waar wij ze met den kijker niet hadden gezien. + +»Kijk eens, dáár, Bob, -- dáár, vlak onder het keukenraam, op den grond! +Daar liggen ze!» + +Bob zette den kijker van zijn oog -- want zonder dat voorwerp zagen wij +veel beter, hoewel wij dat natuurlijk voor geen honderd gulden hadden +willen bekennen, -- en nu zag hij ze ook. + +»'t Zijn ze, Dorus! Die aap! Ze heeft ze vlak onder het keukenraam +gelegd om ze goed onder haar bereik te hebben.» + +Bob zette nu den kijker weer voor het oog en richtte hem op de stelten. + +»Ja hoor, nu zie ik ze duidelijk; 't zijn ze! Kijk maar, jò, nu kan je +ze pas goed zien.» + +Nu, dat was waar. + +»Maar hoe ze nu terug te krijgen, Bob?» + +»Dat zal ik je zeggen, -- ik ga ze doodeenvoudig halen. Ik ga over het +slootje achter onzen tuin, kruip langs den slootkant het land over, +spring over de sloot van den dokter, kruip langs de besseboomen daar +ginds naar het keukenraam en pak ze dan vlug weg. Kijk, het bovenraam +staat open. Ik wed, dat Mina boven aan het werk is, want het is Zaterdag +en dan hebben de meiden het altoos druk. Juist, ik doe het.» + +»'t Is een waagstuk, Bob,» meende ik te moeten opmerken. »Als ze je +snapt, ben je er bij.» + +»Gloeiend, dat is zeker,» stemde Bob toe. + +»Of als de dokter je ziet.....» + +»Die is uit! Ik heb hem zien uitrijden.» + +»Of mevrouw! Die is toch in elk geval thuis.» + +»Ja, dat is waar. Nu hoor, ik waag het er toch op. Mijne stelten moet ik +terug hebben, dat begrijp je, vooral nu mijnheer Denappel dien wedstrijd +organiseert. Zeg Dorus, houd jij hier met den verrekijker de wacht voor +het raam, en als je onraad ziet, laat je ons gewone signaal hooren, dan +kies ik dadelijk het hazepad. Doe je het?» + +»Natuurlijk, dat spreekt van zelf.» + +»Goed! Dan ga ik. Goed uitkijken, hoor! En zoodra je maar den band van +eene vrouwenmuts ziet, waarschuw je. Kan ik daarop rekenen?» + +»Volkomen.» + +»Tot straks dan!» + +Bob vertrok, en ik bleef in groote spanning achter. Den kijker hield ik +voortdurend op het keukenraam gericht, hoewel Bob het ons beschermende +dak nog niet eens verlaten kon hebben. + +Een oogenblik later hoorde ik zijn signaal beneden in den tuin, hetwelk +ik onmiddellijk beantwoordde. Nu kon ik hem zien gaan. In gebogen +houding sloop hij den tuin door, hoewel daar natuurlijk niet het minste +gevaar dreigde. Hij sprong behendig over het slootje en kroop langs den +kant langzaam verder. Ik volgde hem met mijn kijker. Nu was hij den tuin +van den dokter genaderd. Hij behoefde maar eene sloot over te springen +om er in te komen. Doch juist op het oogenblik dat hij den sprong wilde +doen, zag ik de achterdeur opengaan en Mina buiten verschijnen. Zij +bleef een oogenblik stilstaan, keek eens naar de lucht, nam een paar +frambozen van een struik, raapte toen de stelten op en bracht ze in het +schuurtje. + +Zoodra zij verschenen was, liet ik mijn waarschuwend signaal hooren. +Dadelijk maakte Bob zich zoo klein mogelijk en hield zich onbeweeglijk +aan den kant van de sloot, tot Mina weer vertrokken was. Zelfs toen +bleef hij nog eenigen tijd zitten. + +Ik vertrouwde de zaak nu echter in het geheel niet meer, en liet mijn +signaal hooren, wat door Bob beantwoord werd. Even later zag ik hem den +terugtocht aanvaarden, en weldra was hij weer bij me op den zolder. + +»Dat was toevallig, hè?» zei hij ernstig. + +»Al te toevallig, Bob,» meende ik. »Geloof gerust, dat zij lont geroken +heeft. 't Is toch een slimmerd.» + +»Ja, -- maar toch kan het best zijn, dat zij geen erg in mij heeft +gehad en alleen maar trek kreeg in een paar framboosjes. Zij heeft mij +onmogelijk kunnen zien, zou ik zeggen.» + +»Dat is waar. Bovendien zag ze er heel onverschillig uit, volstrekt +niet, of zij iets kwaads in den zin had. 't Is alleen maar zoo +buitengewoon opmerkelijk, dat zij nù juist buiten kwam en de stelten in +het schuurtje bracht.» + +»Alles goed en wèl, maar ik moet ze terug hebben,» zei Bob. »Over een +kwartier waag ik het weer.» + +Wij begonnen nu geduldig te wachten, tot er tijd genoeg verloopen zou +zijn om met eenige kans op succes den tocht voor de tweede maal te +ondernemen. + +Eindelijk ging Bob. + +Weer klonk in den tuin zijn signaal, -- weer sprong hij over de sloot en +sloop hij langs den slootkant verder, weer had hij den tuin van den +dokter bereikt. Hij keek even op naar mij, als om te vragen, of alles +veilig was. Ik nam het terrein op en -- zweeg, want alleen in geval van +nood zou ik mijn signaal doen hooren. + +Wip! -- daar sprong hij over de sloot in den tuin van den dokter, en +behoedzaam zag ik hem verder kruipen onder de besseboomen door, die hem +bijna geheel aan het gezicht onttrokken. Ik zeg bijna, want soms moest +hij eene plek oversteken, waar geen boomen stonden. Hij kroop dan bijna +op zijn buik over den grond. + +Alles ging goed. Met arendsblikken volgde ik hem in al zijne bewegingen, +tevens goed oplettende, of er ook onraad dreigde. Ha! nu had hij het +schuurtje bereikt. Langzaam zag ik de deur ervan opengaan, doch slechts +zoover als noodig was, om Bob door te laten. Nu verdween Bob in het +schuurtje..... + +O heden! Nauwelijks was hij daarbinnen geslopen, of de keukendeur ging +snel open en daar verscheen plotseling de vijand -- Mina. + +Met kracht liet ik mijn signaal hooren, hoewel mijn gewone toonreeks mij +mislukte van den schrik. + +Mina ijlde naar het schuurtje! + +Ik verzamelde mijne tegenwoordigheid van geest en floot zoo hard ik kon. + +Mina had de deur bereikt. + +Maar Bob had mijn signaal gehoord. Ik zag de deur opengaan. Nog een +oogenblik en hij zou gered zijn. + +Flap! Daar sloeg Mina de deur met kracht toe en schoof er den grendel +voor. + +Bob was gevangen. + +Ik zag Mina schateren van de pret, ja ik hoorde haar zelfs lachen. Zoo'n +akelige meid! + +In de grootste verslagenheid zag ik het aan, hoe zij in de keuken +verdween, ongetwijfeld met het stellige voornemen Bob niet voor den +laten avond uit zijne gevangenis te ontslaan. + +Doch hij moest gered worden, dat stond bij mij vast. De vraag was alleen +maar, hoe dat gedaan moest worden. + +Hoe ik evenwel peinsde, ik zag er geen kans toe, en besloot daarom ten +einde raad naar mijn vriend Karel Holm te gaan, die nu ongetwijfeld wel +uit Haarlem thuisgekomen zou zijn. + +Ik verliet daarom het huis van mijnheer de Wild en ging op weg naar +Karels huis. Hij was de zoon van den architect, en wel diens eenig kind. +Wij hielden allen bijzonder veel van hem, wat geen wonder was, daar hij +een echt fideel karakter bezat. Ik twijfelde dan ook niet, of hij zou +niet rusten, voor het ons gelukt was, Bob in vrijheid te stellen. Een +kameraad in den steek laten zou hij nooit doen. + +Het bleek mij al spoedig dat ik mij niet vergist had, want nog had ik +zijne woning niet bereikt, toen ik hem reeds tegenkwam. + +»Zoo Dorus!» klonk zijn groet. + +»Zoo Karel! Al terug?» + +»Zooals je ziet. Ik kwam juist naar je toe.» + +»En ik naar jou. Zeg Karel, er is iets aan de hand. Bob zit opgesloten +in het schuurtje van den dokter.» + +»Bob opgesloten? -- In het schuurtje van den dokter?» zei Karel in de +grootste verbazing. »Wie heeft dat gedaan?» + +»Mina, de meid.» + +Nu vertelde ik hem in geuren en kleuren, wat er gebeurd was. Eerst moest +hij er om lachen, maar later keek hij ernstig. + +»Ja, zie je,» zeide hij, »dan is het ook zijn eigen schuld. Maar enfin, +dat doet er niet toe, geholpen mòèt hij worden. Wij kunnen hem niet aan +zijn lot overlaten.» + +»Juist, Karel, precies mijn idée, -- maar hoe?» + +»Ja, dat is de moeilijkheid. Zeg Dorus, wij moesten den vijand van twee +kanten kunnen bestoken. Wisten wij maar eene boodschap bij den dokter te +bedenken, dan waren wij klaar. Want als er een van ons daar aanbelde +was Mina gedwongen om open te doen. Middelerwijl kon de ander het +schuurtje ontsluiten en Bob verlossen.» + +»Daar zeg je zoo iets, Karel. Jongen, dat is een prachtig idée. Hadden +wij maar eene boodschap!» + +»Ja, maar die hebben we niet. -- Maar wacht eens -- ha, daar bedenk ik +wat. Je weet, dat Pa van 't voorjaar zoo lang ziek geweest is en +geruimen tijd onder behandeling van den dokter was?» + +»Zeker, dat herinner ik mij nog heel goed.» + +Nu -- en toen heeft Pa wel een twintig drankjes gebruikt, waarvan alle +ledige fleschjes nog bij ons in het schuurtje staan. Onlangs heb ik ze +alle moeten omspoelen, en heeft Moe tegen me gezegd, dat ze eens naar +den dokter teruggebracht moesten worden. Zeg jò, niets belet ons, om dat +nu te doen.» + +»Uitstekend! Zeg Karel, dan bel jij aan en terwijl Mina dan aan de +voordeur is, sluip ik den tuin in en maak het schuurtje open. Dat wordt +eene leuke historie, Karel!» + +»Of het. Kom, laten we dadelijk gaan.» + +Wij deden de fleschjes in eene ledige mand en Karel vroeg zijne Moe +verlof, ze weg te brengen, wat heel goed gevonden werd. + +Samen gingen wij met ons vrachtje op weg, tot aan de brug, waar onze +wegen scheidden. + +»Nu ga jij door den tuin van den notaris naar het schuurtje en als je +achter het huis van den dokter gekomen bent, laat je het signaal hooren. +Tot zoolang zal ik met aanbellen wachten. Is dat afgesproken?» + +»Best,» zei ik. »Maar zouden wij het fluiten van elkander kunnen +hooren? Het huis en de tuin van den dokter liggen tusschen ons.» + +»O ja, gemakkelijk! Hallo, jò, vooruit maar! Ik krijg er zin in. +Voorzichtig, hoor!» + +»Dat spreekt, en jij niet te vroeg bellen.» + +»Niet, voordat ik je signaal gehoord heb.» + +»Houd je goed, tot straks dan! En houd Mina wat aan den praat, als je +kunt.» + +»Laat dat maar aan mij over. Ga nu, Dorus!» + +Ik ging, en volgde natuurlijk denzelfden weg, die ons Bobje zoo +noodlottig geworden was. + +Zoodra ik de sloot achter dokters tuin bereikt had, liet ik het +afgesproken teeken hooren, wat dadelijk van twee kanten beantwoord werd, +namelijk van de zijde der voordeur, waar Karel gereed stond aan te +bellen, en door Bob uit het schuurtje. + +Ik wachtte nu nog een oogenblik, ten einde Karel de gelegenheid te geven +om aan te bellen en Mina naar de voordeur te lokken, en sprong over de +sloot. IJlings en in gebogen houding spoedde ik mij naar het schuurtje. +Mijn hart klopte hoorbaar, zoo verkeerde ik in angst, dat onze +krijgslist mislukken zou, en schichtig keek ik naar alle zijden om +mij heen. + +Bij het schuurtje gekomen richtte ik mij vlug als eene kat op, schoof +den grendel weg, en opende de deur. + +Op hetzelfde oogenblik stond Bob naast me, met zijne stelten in de hand. +Maar o jé, daar had me de bengel zoo waarlijk eene oude muts van Mina +opgezet en een boezeltje van haar voorgedaan. + +»Dáár, pak aan!» zei hij, terwijl hij me zijn stroohoed toewierp. En in +plaats van weer over de sloot te springen en denzelfden weg terug te +gaan, dien hij gekomen was, stapte hij doodbedaard op zijne stelten en +ging met groote schreden den tuin door, langs den stal en zoo den weg +op. + +Ik ijlde hem vooruit. + +O, o, wat leverde hij een dwaas gezicht op, met dien boezelaar voor en +die muts op, en dan op stelten. + +Karel stond nog aan de voordeur met Mina te redeneeren, toen hij ons zag +aankomen. Hij proestte het uit van lachen, en o, wat keek Mina boos, +toen zij bemerkte, wat er gebeurd was. + +»O, jullie ondeugende bengels! Dat is afgesproken werk! Wil jij wel eens +gauw mijne muts afzetten en dien boezelaar afdoen!» + +Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg heen en +weer, en hij zette het ernstigste gezicht van de wereld. + +Een oogenblik later kwam Mina den hoek van het huis om, met den stoffer +in de hand. Ze was meer dan boos. Toen werd het hoog tijd voor Bob om +het hazenpad te kiezen, wat hij dan ook deed. + +Mina keerde naar hare keuken terug, rood van boosheid, en wij raadden +Bob aan, de beide kleedingstukken terug te geven. Eerst had hij daar +niet veel lust in, maar toen wij zeiden, dat hij verplicht was het te +doen, maakte hij er een klein pakje van en bracht ze aan Mina terug. +Dat durfde hij gerust doen, daar hij overtuigd was, dat hij toch veel +harder loopen kon dan zij. Hij deed de keukendeur open en wierp het +pakje naar binnen. In hetzelfde oogenblik nam hij overhaast den +terugtocht aan, zoodat Mina zelfs geen tijd had hem een enkel woord +toe te voegen. + +Och, och, wat hadden wij een pret over dit voorval. + +»'t Was goed, dat jelui me verloste,» zei Bob, »want ze had me beloofd, +dat ik er tot donker in zou blijven. Maar dat had zij toch mis!» + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + Waarin Bob eerst voor mijnheer Denappel + en daarna voor visch speelt. + + +Wij gingen eerst met Karel Holm meê naar zijn huis, om zijne stelten te +halen, en begaven ons toen naar het marktplein, dat midden in het dorp +gelegen was, en waar wij zeker waren, eenige jongens te vinden om mede +te spelen. + +Eerst had Bob niet bijzonder veel lust, om naar de markt te gaan, omdat +de schoenmaker daar wel wat te dichtbij woonde voor het mooi, naar hij +zeide. + +Maar toen wij er inderdaad eenige jongens van onze klasse aantroffen, +was hij het gevaar, dat hij van den kant van den schoenmaker liep, +weldra geheel vergeten. Nu was het waar, dat deze er heel dicht bij +zijne woning had en menige jongen zou in Bobs geval zich wel tweemaal +bedacht hebben, eer hij zich daar waagde, maar het moet gezegd worden: +Bob kende geen vrees en hij was bijna voor niets bang. + +Toen wij pas op de markt waren, keek hij eerst wel een paar malen +voorzichtig uit, of de gevreesde vijand ook naderde, doch toen zijne +vrees ongegrond bleek te zijn, vergat hij weldra zijn voorzorgsmaatregel +geheel en wijdde hij zich geheel aan het spel. + +Zooals ik zeide troffen wij op het marktplein reeds eenige jongens aan, +met wie wij dikwijls speelden. Zoo zagen wij daar Dirk Langeraar, den +zoon van den metselaar, Cor Valk, van den directeur van het post- en +telegraafkantoor, Karel Buurs, van den timmerman, Tines Wobbe, Adriaan +Bolt, Arie Kooi, die evenals ik zoons van bloemisten waren en Huibert de +Leeuw, van den korenmolenaar. Allen hadden zij hunne stelten bij zich. + +Met een luid hoera werden wij bij onze komst begroet, en dat wij +dadelijk begonnen te vertellen, wat wij beleefd hadden, spreekt van +zelf. Wat hadden de andere jongens er een pret in. + +»Zeg Bob, je hadt dien boezelaar en die muts moeten houden,» zei Tines +Wobbe, »dan hadden wij er nu nog eens lekker pret mede gemaakt.» + +»'t Was al mooi genoeg!» zei Karel Holm. »Mina was nu al genoeg +geplaagd.» + +»Je kunt ze nooit genoeg plagen,» zei Tines met een grijnslachje, dat +wij nooit goed van hem konden uitstaan. Eigenlijk hielden wij geen +van allen van hem, want hij ging nooit recht door zee en was ver van +eerlijk. Wij vertrouwden hem nooit, en als wij eens eene grap gingen +uithalen, die wij voor anderen niet weten wilden, hielden we hem altoos +buiten het geheim. Nu weet ik wel, dat wij ook zulke erg brave jongens +niet waren, maar klikken zouden wij van elkander nooit doen, -- en dat +deed hij wel. Als hij kwaad tusschen ons kon stoken, zoodat wij er +eindelijk twist door kregen, had hij de grootste pret, en dan lachte hij +in zijn vuistje. Maar zelf was hij alles behalve een held. Neen, wij +hielden niet van hem, en als we hem een poets konden bakken, zouden we +het nooit nalaten. + +»Jongens! Ik heb nieuws!» viel Bob de anderen in de rede. + +»Goed nieuws?» klonk het terug. + +»Luisteg!» zei Bob, die nu plotseling de spraak van den Heer Denappel +ging nabootsen, waar hij bijzonder goed slag van had. »Ik noodig alle +jongens van het dogp uit, vandaag oveg eene week hieg op den achtegweg +te komen, 's middags om één uug, tot het houden van een wedstgijd in het +hagdloopen op stelten.» + +»Echt waar? Zeg Bob, is het echt waar?» vielen de jongens hem vroolijk +in de rede, niet weinig lachende om den toon, waarop hij sprak. Als +iemand, die het niet wist, hem gehoord had, zou hij stellig gemeend +hebben, dat het de Heer Denappel was, zoo precies bootste Bob hem na. +Hij sprak geweldig door den neus en brouwde zoo sterk mogelijk. + +»'t Is waag, hoog, volkomen waag!» zei Bob op zijn grappigsten toon. + +»Hoera! Hoera! Leve mijnheer Denappel!» klonk het opeens uit aller mond. + +»Sssssss! stilte!» gebood Bob. »Luisteg, jongens, ik ben nog niet +uitgespgoken. De eegste pgijs zal bestaan in een fgaai boek in +pgachtband, genaamd Gobinson Cgusoë...» + +»Hoera! Hoera! Lang zal hij leven!» + +»Bedaag, vgiendjes, bedaag!» zei Bob met een kalmeerend gebaar van zijne +beide handen. »Eg is nog meeg. De tweede pgijs, of zooals wij altijd +zeggen de pgemie is de Bagon van Munchhausen, ook een pgachtig boek, +maag niet in een fgaaien band.» + +»Hoera! Hoera! Dat wordt een mooie wedstrijd!» + +»Dat zou ik meenen, lieve vgienden,» vervolgde Bob. »En dan heb ik nog +een degden prijs, bestaande uit eene fgaaie pogte-monnaie, maag -- ik +behoud het gecht, om die te geven, aan wien ik wil. Heb je dat goed +beggepen?» + +»Uitstekend, mijnheer Denappel! Uitstekend!» klonk het lachend rondom +Bob, die kolossaal veel pret had, dat de anderen zoo om hem moesten +lachen. + +»En waarom houdt u dat recht aan u, mijnheer Denappel!» vroeg Dirk +Langeraar aan Bob. + +»Mijn bgave Digk, nu vgaag je meeg, dan ik je beantwoogden kan.» En heel +vaderlijk liet hij er op volgen: »Kleine jongetjes moeten niet naag +alles vgagen, hoog kegeltje?» + +»Bob, daar komt de schoenmaker om den hoek!» + +Als een pijl uit den boog ging Bob er vandoor. Jongen, jongen, wat liep +hij. Zijne voeten raakten bijna den grond niet. + +En wij lachten, dat we schaterden, want er was niets van waar. De +schoenmaker zat hoogstwaarschijnlijk druk schoenen te lappen, want de +Zaterdag was gewoonlijk zijn drukste dag, daar vele menschen dan vóór +den Zondag hunne schoenen terug wilden hebben. Ik had het alleen maar +uit de grap gezegd, omdat hij zoo verbazend veel praats had. Bob gunde +zich geen tijd om te kijken, of het wel waar was. Trouwens, daar +twijfelde hij ook niet aan. + +Toen hij ons echter zoo verbazend hoorde lachen, begon hij lont te +ruiken. Hij bleef even staan en keek achter zich om, en toen hij nu +bemerkte, dat er niets van waar was, kwam hij weer terug. + +»Heb jij me dat koopje geleverd, Dorus?» vroeg hij. + +»Om u te dienen, mijnheer Denappel!» zei ik. + +»Ben je bang voor den schoenmaker?» vroeg Tines Wobbe. »Wat heb je hem +gedaan?» + +»Och, ik heb gemaakt, dat hij geen stroop op zijn pannekoek had, van +middag,» zei Bob, tot groot vermaak van de anderen. En nu vertelde hij +wat hij gedaan had. + +»Zoo'n dom kind,» zei Cor Valk. »Maar wacht je nu voor den schoenmaker, +Bob, want er blijft geen stuk van je heel, als hij je te pakken krijgt. +'t Is een gevaarlijke, wat ik je zeg.» + +»Hij heeft me nog niet!» zei Bob met een overmoedig lachje. »En hij zal +me niet gemakkelijk krijgen ook. Zeg Dorus, willen wij nu eens om het +hardst steltloopen?» + +»Goed!» zei ik. + +Wij gingen naar den eersten paal en zouden loopen tot den laatsten. + +»En dan wij?» vroeg Tines Wobbe aan Karel Holm. + +»Ja -- laten we allen twee aan twee gaan, precies als op den wedstrijd. +Adriaan Bolt met Karel Buurs, Huib de Leeuw met Arie Kooi, Dirk +Langeraar met Cor Valk, en zoo verder. Vooruit, jongens, daar gaan we!» + +Ja, daar gingen we, en vlug ook, maar niet bijzonder verstandig. Want we +konden zeer vlug steltloopen, al zeg ik het zelf, en we vielen niet zeer +dikwijls. Maar nu kwam Bob met zijne stelt in een gat terecht, dat hij +niet gezien had, en flap, daar viel hij tegen mij aan, zoodat wij beiden +op den grond tuimelden. En wat er toen gebeurde, is licht te begrijpen. +De andere jongens volgden ons op den voet, en voordat zij nog goed +wisten, wat er met hen plaats greep, duikelden zij op en over ons heen! + +Of dat pijn deed! Ik kreeg Tines Wobbe dwars over mijn hoofd en Huib de +Leeuw lang uit over mijne beenen, en van Bob was in het geheel niets te +zien. Hij lag totaal onder de anderen bedolven. Dirk Langeraar kwam +boven op al de anderen terecht, en zat daar als Spinoza op zijn +voetstuk, welk standbeeld in den Haag ik gezien had, toen ik eens met Pa +in die stad was. Allerlei klaagtonen stegen uit den levenden warhoop op. + +»Hè-hè!» + +»Au! Ga toch weg!» + +»Rijs op, zeg ik je!» + +»Wil-je wel eens van mijn hoofd gaan?» + +»Ik stik! Ik stik!» + +»Au, mijn arm!» + +»Mijne beenen breken!» + +»Je zit op mijn rug!» + +Spoedig evenwel waren wij opgestaan, en wonder boven wonder, niemand +van ons had zich erg bezeerd. Bob alleen was met zijn voorhoofd tegen +een steen terecht gekomen. + +»'t Hindert niet erg,» zei hij, »ik had er toch al een buil op. 't Doet +me anders wel pijn.» + +Nu, pijn hadden we allen, de een hier, de ander daar. + +»Hoe kwam dat toch?» vroeg er een. + +»Omdat je lui allen een schapennatuur hebt,» zei Bob. + +»'t Spreekwoord zegt: »Als er één schaap over den dam is, volgen alle +anderen,» en zoo ging het met jelui ook. Toen ik viel, ging je het mij +allen nadoen, net als de schapen.» + +»Laten wij het overdoen.» stelde Karel voor. + +»Ja, overdoen! Overdoen!» + +»Maar niet allen vlak achter elkaar!» zei Huib. + +»Dat spreekt van zelf,» zei een ander. »Een ezel stoot zich niet +tweemaal aan denzelfden steen.» + +Wij begonnen den wedstrijd nu opnieuw, en kwamen tot de slotsom, dat Bob +en Tines Wobbe de vlugste steltloopers waren, zoodat zij waarschijnlijk +de prijzen wel zouden winnen. + +»Ik doe niet meê!» zei Cor Valk. »Wij kunnen het van Bob en Tines toch +niet winnen, en dan blijf ik liever stilletjes thuis.» + +»Dat is kinderachtig,» zei Karel Holm. »Wij doen mede om een prettigen +middag te hebben, en natuurlijk ook om wat te winnen. Maar de pret is +toch de hoofdzaak.» + +»Bovendien kan Bob of Tines vallen, en daardoor niets winnen,» zei ik. + +»Ook mogelijk! Ook kunnen zij opvolgende nummers trekken, zoodat zij +tegen elkander moeten loopen. Daar is vooruit niets van te zeggen.» zei +Huib de Leeuw. + +»Zeg, jongens, willen wij nu eens wat anders gaan spelen?» vroeg Bob. + +»Ja, -- wat dan?» + +»Verstoppertje?» + +»Ja, ja, verstoppertje! Dat is goed! Wie zal hem wezen?» + +»Ik wel!» zei Karel Holm. »De eikeboom is honk, en wij mogen niet verder +dan tot aan den schoenmaker aan de eene en de brug aan de andere zijde. +Is dat afgesproken?» + +»Goed, niet verder dan de brug en den schoenmaker! Niet kijken, Karel, +-- over drie honderd tellen heb je het recht om te komen.» + +Karel ging met de beide handen voor de oogen tegen den dikken boom +staan, die midden op het marktplein stond, en begon te tellen. Hij +hoorde de jongens in alle richtingen verdwijnen, maar kijken deed hij +natuurlijk niet. Dat zou hij niet gedaan hebben, al had hij er een +gulden mede kunnen verdienen, want daarvoor was hij veel te eerlijk. + +Toen hij tot driehonderd geteld had, gaf hij zijne nadering door een +luiden kreet te kennen en ging zoeken. Zoodra hij iemand zoo nabij +gekomen was, dat hij hem tikken kon, was die de zoeker voor het volgende +spel, maar wij zorgden wel, dat dit niet gebeurde. Als wij bemerkten, +dat hij ons ontdekt had, sprongen wij vlug te voorschijn en trachtten +eerder dan hij den boom te bereiken, waardoor wij het recht verkregen, +bij het volgende spel weer schuil te gaan. + +Het gelukte hem Dirk Langeraar te tikken, waardoor deze aangewezen werd, +om tweede zoeker te worden. Wij vermaakten ons kostelijk met dit spel, +vooral toen de avond langzamerhand begon te vallen en het donker werd. +Het zoeken ging toen ver van gemakkelijk, en wij wisten uitstekende +schuilhoeken te vinden. + +Ook Bob begon zich toen vrijer te bewegen, want daar hij het huis van +den schoenmaker niet durfde naderen, uit vrees van gesnapt te worden, +kon hij zich tot nog toe maar alleen in de richting van de brug +verschuilen. En juist aan den anderen kant waren de mooiste plekjes. +Maar nu was het grootste gevaar voor hem voorbij, en langzamerhand begon +hij zich minder in de richting van de brug en meer in die van des +schoenmakers woning te begeven. Wat was daar eene heerlijke gelegenheid +om zich te verschuilen! In de eerste plaats lag er op een erf eene +omgekeerde schuit, die door den scheepmaker op de helling getrokken was +om gekalefaat te worden. Bob had zich daar al driemaal verscholen, eer +hij ontdekt werd en eene nieuwe plaats op moest zoeken. Toen vond hij +een prachtig plaatsje bij het schuthok, waar hij met zijne gewone +brutaliteit midden tusschen een boschje brandnetels ging zitten, die +daar reeds eene flinke hoogte hadden bereikt. Dáár zocht niemand hem, +zooals van zelf spreekt, want al meende de zoeker soms, dat hij zich +daar wel verscholen kon hebben, dan ontbrak hem nog meestal de moed, om +zich een pad door die lastige planten te banen. Bob had dit wel gedaan, +maar het had hem ook een flink aantal blaren bezorgd, die hem niet +weinig pijn deden. In elk geval had hij de voldoening, dat niemand hem +vinden kon, al liepen zij ook vlak langs hem heen. Dat amuseerde hem +buitengewoon. Eindelijk werd hij gevonden door Karel Holm, die stellig +niet minder moed bezat dan Bob. Toen deze hem overal gezocht en nergens +gevonden had, zei hij tot de andere jongens: + +»Wil ik jelui eens wat zeggen? Hij mòet hier in dat brandnetelboschje +zitten, want geen enkele plaats dan deze heb ik ondoorzocht gelaten.» + +»Ga kijken, -- dan weet je het!» raadde ik hem aan met een leuk gezicht. +Want ik dacht aan de brandnetels, die zeer dicht op elkander gegroeid +waren. Als Bob er zich tusschen verscholen had, moest hij er naar mijne +meening even nauw door ingesloten zijn als de bewoners van Luilekkerland +door den rijstebrijberg. + +»Welnu, -- denk je, dat ik niet durf, Dorus?» vroeg hij met een +overmoedig lachje. + +»Ik weet het niet, Karel, maar -- jij liever dan ik!» zei ik lachend. + +»Wat Bob kan, kan ik ook!» zei Karel. »Hij moet hier zitten! Vooruit, +daar gaat hij!» + +En waarlijk! Daar ging Karel met de ellebogen vooruit de brandnetels in. +Links en rechts bogen de stengels op zijde en met groote schreden drong +Karel er tusschen door. Het moet hem ongetwijfeld veel pijn gedaan +hebben, en wij stonden gereed om een luid hoera aan te heffen, zoodra +wij hem hoorden kermen. Maar neen, daar hadden wij geen kans van, want +Kareltje gaf geen kik, wel een weinig tot onze teleurstelling, tot +opeens zijne stem van uit het midden der brandnetels tot ons doordrong +en wij hem hoorden roepen: + +»Gevonden! Ha, ha, baasje, dat had je niet gedacht. Nu is het jou beurt +om te zoeken. Jou slimme rot!» + +Een geweldig kraken van stengels die platgetrapt worden werd nu +hoorbaar, en toen verscheen Karel, gevolgd door Bob, aan den rand van +het boschje. + +»Wat zat ik daar heerlijk!» zei Bob op triomfantelijken toon. »Wel +driemaal ben jelui vlak langs mij heengegaan, zonder mij te vinden!» + +»'t Is ook aangenaam, om vol blaren te komen,» zei Tines Wobbe. »Ik gun +je de pret.» + +»Pret had ik, Tines, vooral toen ik zag, dat je er zoo graag in wilde +kijken en toch niet durfde. Kom jongens, verbergt je; ik zal je zoeken.» + +Fffft! Als de wind vlogen wij weg en in korten tijd hadden wij allen +een schuilhoek gevonden. Bob liet een schellen kreet hooren en begon te +zoeken. Nu was hij een behendig zoeker en een vlug looper. Ik geloof +wel, dat hij de vlugste was van ons allen, behalve Tines Wobbe, die ook +een echte snelvoeter was. En Karel Holm was de derde van den bond. Als +die drie jongens voor de aardigheid eens om het hardst liepen, wist men +nooit wie het winnen zou, vóór zij den eindpaal hadden bereikt. Het +kleinste ongelukje was voor ieder van hen voldoende, om het te +verliezen. + +'t Was dus geen wonder, dat Bob er weldra een getikt had. Dezen keer was +Cor Valk de zoeker. + +En nu gelukte het Bob een plaatsje te vinden, waar men hem, naar hij +dacht, stellig nooit zoeken zou. 't Was wel eene gewaagde, ja, zelfs +zeer gewaagde onderneming van hem, maar -- het gevaar dat hem dreigde +van den kant van den schoenmaker was hij nu al geheel vergeten. En als +hij er nog aan dacht, zocht hij zich diets te maken, dat dit zoo erg +niet was. + +Welk plaatsje had hij dan gevonden? + +De schoenmaker was een groot liefhebber van visschen, niet met +den hengel, maar met netten. Eigenlijk was hij zoowel visscherman +als schoenmaker. Als hij het met schoenlappen niet druk had en +dientengevolge over veel vrijen tijd beschikken kon, ging hij altijd +uit visschen, en zocht daarmede in het onderhoud van zich en zijn groot +gezin te voorzien. Menigmaal trok hij er nog laat in den avond op uit, +om nog een stuivertje te verdienen. Hij had een eigen bootje, geheel +voor dat doel ingericht, en was ook in het bezit van een flink aantal +netten, waarmede hij menig vischje verschalkte. + +Vóór zijn huis, aan den kant van het water had hij ook nog een groote +vischkaar, waar hij de gevangen visch in bewaren kon. Die kaar was niet +anders dan een groote bak, rondom van gaatjes voorzien, zoodat het water +er in doordringen kon. Midden in de grootste zijde was een plank of +luik, dat hij er uit kon nemen, om er de gevangen visch in te doen. Door +den bak in het water te leggen, drong dit door de vele gaatjes naar +binnen, en bleef de visch in leven. Eens in de week verkocht hij den +gevangen voorraad aan een opkooper, die gewoonlijk Zaterdags bij de +visschers rondging, om zijne levende koopwaar in ontvangst te nemen. + +Zooals te begrijpen is, was nu dus de vischkaar ledig en lag zij op het +droge. Dat had Bob al lang opgemerkt, maar zoolang het nog licht was, +had hij zich niet zoo dicht bij zijn vijand durven wagen. Nu evenwel +meende hij door de schemering genoeg beschut te zijn, om het waagstuk +te kunnen ondernemen. + +Hij deed het dan ook. + +Zoo voorzichtig mogelijk, en bijna langs den kant van den weg +voortkruipende, wist hij, zonder iets verdachts te bespeuren, de kaar te +bereiken. Hij hoorde den schoenmaker nog druk aan den arbeid bezig, want +het kloppen van den hamer op de harde zool drong duidelijk tot hem door. + +Behendig liet hij zich naar den onderkant van den wal afglijden, +want dáár lag de kaar, draaide de beide wervels los, die het luikje +vasthielden, lichtte de plank er uit, en kroop er zelf in. Bijna was hem +dit mislukt, omdat de opening wat nauw voor hem was, maar met eenig +wringen gelukte het hem toch. Toen hij zoover gevorderd was, legde hij +met zijne beide handen de plank weer op hare plaats, zoodat niets +verried, welk een kostbaren inhoud de kaar thans bevatte. + +»Zie zoo,» mompelde Bob, terwijl hij het zich zoo gemakkelijk mogelijk +zocht te maken in zijne kleine gevangenis. »Zie zoo, -- laat ze nu +maar zoeken. Dit is nog veel mooier plaatsje dan zoo even tusschen de +brandnetels. Daar zat ik ook wel prachtig, maar kon me niet bewegen, +zonder me aan alle kanten te prikken, en hier lig ik zoo heerlijk als +een koningskind. Wie zal me hier zoeken? En wat een leuke kijkgaatjes +heb ik hier rondom me. De vischjes hebben het nog zoo kwaad niet, als ze +zich hier bevinden. 't Is alleen maar jammer, dat het einde voor hen een +wreede dood is. -- O jé, als de schoenmaker eens wist dat ik hier in +zijne kaar zat, -- wat zou dan wel mijn einde zijn? De dood niet, -- +natuurlijk, maar -- enfin, 't doet er niet toe, want hij weet er niets +van, en bovendien, zoodra ik hem hoor naderen, ga ik er van door! Als +een windhond, hoor! Wat zal Cor Valk loopen zoeken! Maar vinden, ho +maar, geen sprake van! Al zocht hij een heelen dag!» + +Zoo lag ons Bobje te denken en te mijmeren en van pret wreef hij zich de +handen. Maar als hij geweten had, dat de Veer op dat oogenblik heel +voorzichtig, ja zelfs onhoorbaar naar buiten sloop en voetje voor voetje +zich naar den waterkant begaf, -- wat zou hij vlug uit zijn schuilhoek +te voorschijn gesprongen en op de vlucht geslagen zijn! O, hadden wij +het maar gemerkt, welk gevaar hem dreigde, dan zouden wij hem wel +gewaarschuwd hebben, -- maar wij wisten er niets van, want wij zaten +rustig in onze schuilhoeken verborgen en dachten aan geen schoenmaker. + +Op zijne teenen sloop de beleedigde man nader, met een spotlachje op de +lippen. Nu had hij den kant van de beek bereikt. Bob hoorde hem niet; +hij dacht aan geen gevaar. + +Nu liet de Veer zich vlug naar beneden glijden, en vóór Bob, die hem nu +wel hooren moest, gelegenheid had kunnen vinden om op te rijzen, sprong +hij met zijne beide knieën op het luik en draaide de wervels over. + +»Ha, ha, jou aartsrakker!» riep hij zijn gevangene toe. »Nu ben je +gesnapt. Nu zal ik jou eens pannekoeken met stroop laten eten, deugniet, +met stroop versta je, stroop, veel meer stroop, dan je oplust! Wat denk +jij wel, straatbengel, dat jij maar alles moogt doen?....» + +»Neen, de Veer, ik dacht.....» + +»Denken? Jij denken? Jij behoeft niet te denken, dat zal ik nu wel voor +je doen.....» + +»O, de Veer, ik verzoek u, laat mij asjeblieft gaan....» + +»Zeker, mijn jongen, zal ik je laten gaan! Wacht maar een oogenblik, dan +zal ik de kaar aan den paal vastbinden, anders drijf je misschien te ver +weg, en daarna zal ik je laten gaan, hoor, dat beloof ik je.» + +»Ach de Veer, asjeblieft, ik zal het nooit weer doen......» + +»Dat is ook niet noodig, jongen, ìk zal het nu wel doen.» + +»O toe, laat me er asjeblieft uit, de Veer, heusch, ik heb er spijt van +en ik zal de schade wel betalen.....» + +»Eerst zal ik jou betalen, mijn beste jongen; denk je, dat ik den gek +met me laat steken? 't Is juist Zaterdagavond, Bob, een bad zal je +opfrisschen. Ha-ha-ha! Mooier kon je al niet in de fuik geloopen zijn; +'t is bepaald grappig, 't is vermakelijk!» + +»Voor mij niet, de Veer, toe, laat me voor dezen keer vrij, +asjeblieft!» + +»Een oogenblik geduld, Bob, dadelijk ga-je, hoor! Zie zoo, nu nog een +lus, en dan zijn we klaar.» + +Bob, die nu begon te merken, dat zijn cipier onvermurwbaar was, ging uit +alle macht tegen de wanden van zijne gevangenis trappen, in de flauwe +hoop, dat het hem gelukken zou nog te ontsnappen. O, o, wat had hij er +op dat oogenblik een spijt van, dat hij Mietje maar niet ongemoeid haars +weegs had laten gaan, doch zijn berouw kwam nu, evenals altoos, te laat. +En zijne pogingen om de wanden los te trappen, waren vruchteloos. De +kaar zat stevig in elkander. + +»Klaar, Bob! Ha-ha, daar ga-je, hoor! Een, twee, drie, hoepla!» + +Maar dat hoepla kwam te vroeg, want hoeveel moeite de schoenmaker ook +deed, Bob was te zwaar om maar zoo luchtig in het water geworpen te +kunnen worden. + +»Ho, dat gaat niet, ik zal je moeten kantelen, Bob! Houd je goed vast, +hoor, mijn jongen, anders doe ik je pijn en dat zou me spijten! +Ha-ha-ha, hoe bespottelijk dom van je, om in dit ding te kruipen! Dat +vergeet ik mijn leven lang niet!» + +»Ik ook niet, de Veer!» zei Bob op zijn deemoedigsten toon. »Och toe, +laat me er asjeblieft uit. Ik beloof je, dat ik het nooit weer zal +doen.» + +»Wat zul-je niet weer doen, Bob? Nooit weer in deze kaar kruipen?» + +»Dat ook niet, -- och toe, ik....» + +O hé, daar ging de kaar aan de eene zijde omhoog. De schoenmaker zette +haar op de korte zijde, bij ongeluk juist op den kant, waar Bobs hoofd +lag, zoodat hij nu een verbazend ongemakkelijke houding kreeg, namelijk +met de beenen omhoog. + +Bob had zich tot nog toe zeer goed gehouden, maar nu werd het hem toch +te erg. Door de luchtgaatjes, die weldra watergaatjes zouden worden, zag +hij, dat de kaar vlak aan den kant stond. + +Plotseling verhief hij zijne stem met zooveel kracht, dat wij hem allen +te gelijk om hulp hoorden roepen. + +»Help! -- Help! -- Moord! -- Moord!» gilde hij. + +»En brand!» voegde de schoenmaker er bij. »Wacht maar, mijn jongen, wij +zullen den brand wel blusschen. Een, twee -- hoepla!» + +Flap! Daar sloeg de kaar om en ging te water. + +Och, och, wat lachte die schoenmaker. + +Wij stonden allen op den oever, op een eerbiedigen afstand, want hoewel +wij geen kwaad hadden gedaan, durfden wij toch niet bij den vertoornden +man te komen. Deze zag er echter niet bijzonder boos uit, want hij deed +niet anders dan lachen, -- lachen zonder ophouden. + +»Help! -- Ik -- verdrink! -- Help -- O -- o! Help!» Bob kroop +ongetwijfeld vrij raar in zijn vaartuig rond, want het dobberde wild op +en neer. Soms ging het aan den eenen kant geheel onder water, en dan +hoorden wij van Bob niets meer, maar dan volgde er weder een geweldig +dobberen, zoodat de golven tot aan de overzijde van de beek gingen, en +dan hoorden wij hem weer om hulp roepen. + +»O, -- help toch! Genade! Help! Ik verdrink! Ik stik! Brrr! Brrr! Ik.... +brrr! + +Nu kwam ook de vrouw van den schoenmaker naar buiten, om te zien, wat er +toch aan de hand was. Ook de buren verlieten hunne huizen, zoodat er +weldra een groote oploop ontstond. + +Maar toen zij vernamen, hoe Bob daar in die kaar alle pogingen deed, om +zich boven water te houden, ging er een onbedaarlijk gelach op en scheen +niemand medelijden met hem te hebben, dan alleen vrouw de Veer. Eerst +lachte zij ook, maar spoedig ging zij naar haar man, en begon de kaar op +het droge te trekken. + +»Toe, Jaap, nu is 't genoeg, laat er den jongen nu uit. Hij heeft nu +straf genoeg gehad.» + +»Help! Brrr! Brrr! O, ik verdrink! Brrr!» klonk het uit de kaar. + +»Zoo'n grooten visch heb je er nog nooit in gehad!» riep een van de +omstanders lachend den schoenmaker toe. + +»Neen, daar heb je gelijk aan! Ha-ha-ha-ha! Wat vermakelijk! Kijk dat +ding eens dobberen! Ha-ha-ha!» + +»'t Bevalt hem er niet!» riep een ander. + +»Brrr! Help toch, menschen, help! Brrr! Brrr!» + +»Toe man, haal er den jongen nu uit! 't Is nu mooi genoeg, toe!» + +»Nu, vooruit dan maar!» zei de schoenmaker, die het nu ook tijd begon +te vinden, om er een einde aan te maken. Nog altijd schuddende van het +lachen trok hij de kaar op het droge. Wij zagen, hoe het water door de +gaatjes in alle richtingen wegvloeide. + +Vrouw de Veer deed de wervels los -- en daar wipte Bob er uit, onder +luid gejuich van de omstanders. Het water droop hem uit de kleeren. +Schuw keek hij een oogenblik om zich heen, en toen glitste hij door het +volk heen, -- naar zijn huis toe. + +Wat hadden de menschen een pret, en wat schaamde Bob zich. Hij moest +ongetwijfeld geweldig veel angst hebben uitgestaan, want gewoonlijk was +hij niet zoo heel gauw bang of zenuwachtig. Maar nu lazen wij den angst +op zijn gelaat. + +Dat wij hem naliepen, spreekt van zelf. Maar hij wilde ons niet +ontmoeten. Hij snelde regelrecht naar zijn huis, waarin hij door de +keukendeur verdween. Wat daar nog met hem voorgevallen is, hebben wij +nooit vernomen. + +Daar het al laat begon te worden, begaven ook wij ons naar huis. Toen +ik 's avonds op bed nog eens aan het voorgevallene dacht, schoot ik +onwillekeurig nog in den lach om het zotte figuur, dat de dappere Bob +gemaakt had. Toch moest ik toegeven, dat hij loon naar werken had +gehad. + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + Waarin verteld wordt van een Zondag, die veel stof tot + spreken en voor de Van der Vliets ook veel stof + tot treurigheid gaf. + + +De Zondag, die nu volgde, was voor de familie Van der Vliet een dag van +groote droefheid en voor het geheele dorp een van groote ontsteltenis. +Eerst scheen het voor de genoemde familie een geluksdag te zullen +worden, want reeds vroeg in den morgen deden zij eene gelukkige vondst, +maar al spoedig veranderde de blijdschap in groote treurigheid. + +Doch laat ik u geregeld vertellen, wat er gebeurde. + +'t Zal ongeveer half zes in den morgen geweest zijn, toen Trijn, de +vrouw van Kees van der Vliet, ontwaakte. Nu verliep er bij haar tusschen +ontwaken en opstaan nooit meer dan een enkel oogenblik, want zij was +ijverig van aard, en hield er niet van, Zondags nog minder dan in +de week, om laat met haar werk gereed te zijn. Integendeel, hare +lijfspreuk was steeds: »Hoe eerder gegaan, hoe eerder gedaan,» en die +spreuk bracht zij zooveel mogelijk in toepassing. Zoo ook nu op dezen +Zondagmorgen. Zij stapte haar bed uit, wiesch en kleedde zich, en begon +daarna met ijver aan hare gewone huiselijke bezigheden. Eerst werd de +tafel opgeknapt en waschte zij de kopjes, en daarna nam zij stoffer en +blik en begon den vloer aan te vegen. Kees en de kinderen lagen nog in +bed. Wie beschrijft echter hare verbazing, toen zij bij de deur drie +goudstukken zag liggen, die daar blijkbaar onderdoor waren geschoven. +Eerst wist zij niet, of zij hare oogen wel kon gelooven, of zij wakker +was of droomde, en zonder eene hand uit te steken om ze op te rapen, +staarde zij met groote oogen op den schat, die zoo onverwachts haar deel +geworden was. Want drie gouden tientjes vertegenwoordigden voor de arme +ziel een kapitaal, waarvoor zij den diepsten eerbied koesterde. Zij was +zoo gewoon hare inkomsten slechts bij stuivers en centen te ontvangen, +dat dertig gulden voor haar een schat vertegenwoordigde, waarmede zij +bijna zoo rijk werd als een koning. + +Wel een paar minuten bleef zij zoo onbeweeglijk op hare knieën voor het +geld zitten, zonder het aan te raken, maar toen begon zij langzamerhand +tot kalmte te komen. Zij raapte de geldstukken op en riep: + +»Kees! -- Kees! --» + +Een dof gebrom uit de bedstede was het eenige antwoord. + +»Kees! -- Kees dan toch!» herhaalde zij met verheffing van stem. »Kees! +Word dan toch wakker! Kijk eens, wat ik hier gevonden heb. -- Een +schat, Kees, drie gouden tientjes!» + +»Hé? -- Wat?» vroeg Kees, die bij het hooren van die woorden geheel +wakker werd en zijn geslaapmutst hoofd tusschen de bedgordijnen +doorstak. »Gevonden? Drie gouden tientjes? Maar dat is onmogelijk, +Trijn, dat kan niet.» + +»Kan dat niet? Kijk dan maar eens hier, op mijne hand, daar liggen ze. +Drie echte, gouden tientjes, wat ik je zeg!» + +In een wip was Kees nu zijn bed uit. Haastig trok hij zijne kousen en +wat kleeren aan, en zeide: + +»Waarlijk! Dat zijn drie gouden tientjes! Geef eens hier, Trijn, laat +eens hooren, of ze echt zijn. Er is tegenwoordig zooveel bedrog in de +wereld, dat je haast niet te voorzichtig kunt wezen. Geef ze eens hier.» + +Trijn gaf ze aan haar man en deze liet ze van eene tamelijke hoogte +op de tafel neervallen, waar ze met zulk een helderen metaalklank op +neerrinkelden, dat Jan van het ongewone geluid wakker werd. Dat ook hij +niet weinig verbaasd was, behoeft niet te worden gezegd. + +In geuren en kleuren vertelde Trijn, hoe zij aan het werk was gegaan, +precies zooals ze altoos gewoon was te doen, eerst de kopjes, toen de +tafel, en daarna den vloer eene beurt gevende, tot zij plotseling het +geld voor de deur vond liggen, blijkbaar door de hand van een weldoener, +die onbekend wenschte te blijven, daar onderdoor geschoven. + +»Ja vrouw, dat mag-je zeggen: een weldoener, wien wij niet dankbaar +genoeg kunnen zijn. O, als ik wist wie hij was, ik ging dadelijk naar +hem toe, om hem te bedanken voor zulk eene milde gift, die ons tot +allerlei dingen in staat stelt, waarover wij vroeger wel eens mochten +denken, maar waartoe wij nooit konden komen, omdat wij te arm waren. Nu +gaan wij een winkeltje beginnen, Trijn.» + +»Een winkeltje? Dunkt je dat, Kees?» + +»Ja, een winkeltje, zeg ik. O, Trijn, wat heerlijk. Nu kan ik toch ook +wat gaan verdienen, als jij uit werken bent, want er moet toch iemand +zijn, die op den winkel past. Ik kan je niet zeggen, hoe het mij altoos +tegen de borst heeft gestuit, dat jij eigenlijk den kost voor ons allen +moest verdienen, Trijn, en dat ik altoos maar werkeloos moest blijven +toezien, hoe jij je aftobde. Maar daar komt nu een einde aan. Voortaan +zal ook ik geregeld mijn werk hebben, en als Jan van school gaat, dan +kan hij gaan venten. Van zelf komen de klanten niet naar je toe, we +moeten ze geregeld bezoeken. O Trijn, nu zullen voor ons de goede dagen +eindelijk ook gaan komen.» + +Trijn antwoordde niet. Zij stond in gedachten verzonken. Eindelijk zeide +ze: + +»Ja Kees, dat is alles goed en wel, en 't is een mooi idée van je, maar +zie je, ik kan me maar niet begrijpen, wie het toch kan zijn, die ons +zulk een groot cadeau geeft. Als er maar niet iets slechts achter +schuilt. Nu ik er goed over ga nadenken, is het me precies, of we dat +geld eigenlijk niet moesten aannemen. Ik ben er niet geheel en al gerust +over.» + +»Niet gerust? -- Niet aannemen?» vroeg Kees vol verwondering. »En waarom +zouden wij het niet aannemen? 't Is ons toch gegeven en we hebben het +niet gestolen!» + +»Ja, dat is waar.» + +»En toen er den vorigen winter op een avond aan de deur geklopt werd, en +wij bij het opendoen niets vonden dan eene mand vol levensmiddelen, die +daar was neergezet, hebben wij toen een oogenblik getwijfeld, of wij dat +wel zouden aannemen? Ik weet nog best, hoe blij je toen waart, Trijn.» + +»Geen wonder! We hadden ook geen kruimel meer in huis. En die mand werd +ons thuisbezorgd.» + +»Juist, -- 't ging er precies mede als met dit geld. Een of ander +weldadig mensch heeft het in alle stilte onder de deur doorgeschoven, +wel wetende, dat wij het van morgen zouden vinden. Wie weet, of het niet +van denzelfden gever komt, als die mand met levensmiddelen.» + +»Ja moeder,» zeide Jan, »of als dat lekkers, dat ons op St. +Nicolaasavond door een onbekende werd thuisgezonden.» + +»Jelui hebt gelijk,» zeide Trijn hoofdschuddend. »Toch zou ik er voor +zijn, er in elk geval den burgemeester kennis van te geven. 't Is zoo'n +groote som.» + +»Voor òns is het eene groote som, dat is waar, maar wie weet, welk eene +kleinigheid het voor den gever is, wie weet, over hoe grooten rijkdom +hij te beschikken heeft. Neen, Trijn, ik ben er juist voor, om er tegen +niemand van te spreken, en -- --.» + +»Dus geheim houden?» + +»Juist, als niemand het weet, kan niemand het er ons lastig over maken. +'t Is eene eerlijke zaak, waar niemand mede noodig heeft. Wij huren een +huisje dat geschikt is, om er een winkeltje in op te zetten, en slaan +voor dit geld onzen noodigen voorraad in. Je zult zien, Trijn, hoe aan +onze armoede nu een einde komt.» + +»Nu, 't is mij goed, -- hoewel ik er toch eigenlijk in mijn hart geen +vrede meê heb. Wie zou ons dat geld nu toch geschonken hebben? Ik kan +het mij maar niet begrijpen! Dertig gulden! 't Is toch waarlijk geen +kleinigheid, om die zoo maar weg te geven.» + +»Ja vrouw, 't is een raadsel, waarvan wij de oplossing niet weten. +'t Zal echter wel eenmaal uitkomen, wie zoo goed voor ons geweest is, +daar twijfel ik niet aan.» + +»Wist ik het maar, Kees, dan zou ik mij veel rustiger gevoelen. 't Is me +nu precies, of er met dit geld iets is, dat niet richtig is.» + +»Gekheid! Dwaasheid, Trijn. Omdat het zulk een rijk cadeau is, maakt ge +je zenuwachtig en angstig, doch geloof maar gerust, dat het voor ons +bedoeld is. Hoe zou het hier anders in huis komen?» + +»Ja, ja, -- dat is waar; ik kan er niets tegen inbrengen.» + +»Dus we zullen er tegen niemand over spreken? Jan, jij houdt je ook +stil, hoor!» + +»Ja, vader.» + +»Niemand behoeft er zijn neus in te steken, zeg ik maar; en 't is niet +noodig, dat het heele dorp er zich mede bemoeit. De menschen babbelen +altijd zooveel, veel meer, dan ze verantwoorden kunnen, -- en dat is nu +niet noodig. Wat niet weet, deert ook niet.» + +Met dit laatste stopwoord maakte Kees van der Vliet een einde aan de +zaak. Het geld werd opgeborgen in een klein doosje, dat in de linnenkast +werd gezet, en moeder Trijn ging met hare bezigheden voort. Dat de +rijke vondst evenwel geen oogenblik uit hare gedachten was, en dat zij +er onophoudelijk met haren man over sprak, behoeft niet te worden +gezegd. En wat al plannen voor de toekomst werden er gesmeed, wat al +luchtkasteelen gebouwd! + +Helaas, op hoe droevige wijze zouden al die illusien worden verstoord, +en hoe zou de vreugde dezer arme lieden weldra verkeeren in droefheid. +Hadden zij maar dadelijk van hunne vondst kennis gegeven aan den +burgemeester, zooals Trijn dat had gewild, wat zouden zij dan voor veel +ellende gespaard zijn gebleven, die nu hun deel werd. + +Want er was dien nacht in het dorp diefstal gepleegd. 's Morgens om elf +uur, toen de kerk uit was, ging het gerucht daarvan als een loopend +vuurtje door het dorp rond. + +'t Zal ongeveer half tien in den morgen geweest zijn, toen de Heer Valk, +de directeur van het post- en telegraafkantoor, zijne woonkamer verliet, +om zich naar het kantoor te begeven. Eerst ging hij nog een oogenblik +in den tuin, om wat frissche lucht te happen, zooals hij dat noemde, +hetgeen hij bij goed weêr elken morgen gewoon was te doen. Na eenige +oogenblikken rondwandelens echter werd zijne aandacht getrokken door +het zijraam van het kantoor, dat half openstond, iets wat op dezen tijd +van den dag nooit het geval was. Er was nog niemand op het kantoor +aanwezig, dus òf hij moest het den vorigen dag vergeten hebben te +sluiten, òf er had zich iemand toegang tot het kantoor verschaft, door +het raam open te schuiven. Indien deze laatste veronderstelling juist +was, moest er gestolen zijn. + +De Heer Valk spoedde zich dus naar binnen en vroeg in het voorbijloopen +aan Geertje, de meid: + +»Ben je van morgen al in het kantoor geweest?» + +»Neen, mijnheer.» + +»Weet je het zeker?» + +»Ja mijnheer, zoo zeker als twee maal twee vier is.» + +Daarna opende hij de deur van de woonkamer, en vroeg aan zijne vrouw: + +»Lize, ben jij al op 't kantoor geweest van morgen?» + +»Neen, waarom vraag je dat?» + +»Omdat het zijraam opengeschoven is. Jij dan, misschien, Cor?» + +»Neen pa, ik ook niet.» + +»Dan is de zaak niet in orde!» riep de Heer Valk, terwijl hij zich met +groote schreden verwijderde. Zijne vrouw en Cor volgden hem op den voet. + +Hij ontsloot de kantoordeur, waarvan hij den sleutel altoos bij zich +droeg, en genadige hemel, -- ja, een enkele blik was voldoende om hem +te overtuigen, dat zijn vermoeden juist was geweest. Er moest een dief +geweest zijn. Het raam was opengeschoven, de sloten van zijn bureau +waren geforceerd en een ijzeren geldkistje, dat daarin geborgen was +geweest, was met geweld opengebroken. Het geld daaruit was verdwenen! + +Half verbrande lucifers lagen over den vloer verspreid, en uit enkele +vetdruppels kon men opmaken, dat de dief zich van een eindje vetkaars +had bediend. + +»Wel verschrikkelijk!» riep mevrouw Valk uit. »Wie kan dat nu toch +gedaan hebben? Hoeveel geld is er gestolen, Eduard? Toch niet veel, hoop +ik?» + +»'k Weet het niet, maar ik zal het even nazien,» antwoordde de +directeur, die doodsbleek zag, binnensmonds. »Wie had dàt nu ooit kunnen +denken! Zoo'n brutale dief. Wacht, hier is het boek. Laat zien: honderd, +tien, twintig, dertig, en dertig is zestig en veertig -- 't is precies +twee honderd gulden. Ja juist, nu herinner ik het mij: 't is twee +honderd gulden, waarvan tien gouden tientjes, een bankje van zestig en +een van veertig.» + +»Kijk pa, de postzegelkast is ook opengebroken.» + +»Waarlijk, -- dat ook nog! Dat moest er nog bijkomen! Zie eens aan, er +is geen zegeltje overgebleven. Ook nog eene schade van een vijftig +gulden ongeveer. Dat is een fraaie geschiedenis!» + +»'t Is verregaand brutaal!» zei mevrouw, terwijl zij de handen van +verbazing in elkaar sloeg. »Ik zou dadelijk om den burgemeester sturen, +lieve. Er moet direct werk van deze zaak gemaakt worden.» + +»Dat is waar, -- je hebt gelijk. Toe, Cor, ga dadelijk naar den +burgemeester en verzoek hem hier te komen. Maar spreek tegen niemand een +woord, van hetgeen hier voorgevallen is, begrepen?» + +»Ja, pa!» + +»En vlug, -- als de wind, hoor!» + +»Ja, pa!» + +Cor vloog naar den burgemeester, en dat deze niet weinig ophoorde van +hetgeen hij vernam, kan ieder begrijpen als ik vertel, dat er al sedert +vele jaren iets dergelijks in ons dorp niet was voorgevallen. + +Hij begaf zich onmiddellijk met Cor naar het postkantoor, waar de +directeur en zijne vrouw nog, doodsbleek van ontsteltenis, bezig waren, +alle laden en kasten na te zien. Het bleek hun, dat alles van waarde +verdwenen was, terwijl daarentegen de waardelooze papieren wel +doorgesnuffeld maar verder ongeschonden gebleven waren. + +Dadelijk begon de burgemeester, geholpen door den directeur, een +nauwkeurig onderzoek in te stellen naar hetgeen er gebeurd was, wat hij +alles uitvoerig opschreef. Toen hij daarmede gereed was, vroeg hij: + +»En zeg mij nu eens, mijnheer Valk, wien verdenkt gij nu eigenlijk van +dezen diefstal? Of hebt gij tegen niemand eenig kwaad vermoeden?» + +»Neen, burgemeester, tegen niemand. Ik zou werkelijk niet weten, wien +ik noemen moest. Een klerk heb ik niet, en onze dienstbode is de +eerlijkheid in eigen persoon. Zij kan het niet gedaan hebben. Trouwens, +u kunt u daarvan persoonlijk overtuigen door haar te ondervragen. Zij is +op dit oogenblik nog geheel onbekend met hetgeen er gebeurd is. Hoor, +zij zingt in de keuken als een lijster.» + +»Dat hebben er meer gedaan, die bij slot van rekening toch schuldig +bleken te zijn. Vergun mij, dat ik haar een oogenblik ga spreken.» + +De burgemeester verliet het kantoor en begaf zich regelrecht naar de +keuken, waar Geertje bezig was met koffie malen. Zij zong daarbij het +hoogste lied. + +Maar zoodra de burgemeester binnenstapte, op wiens komst zij allerminst +voorbereid was, hield zij dadelijk met zingen op, en stamelde met een +verlegen lachje: + +»Gut, mijnheer de burgemeester, komt u in de keuken? Mijnheer en mevrouw +zijn in de kamer, geloof ik, dus als u ze spreken wil....» + +»Neen, meisje, 't is mij om u te doen!» sprak de burgemeester op +gestrengen toon, terwijl hij haar diep in de oogen keek. Maar Geertje +keek hem zoo onbevangen aan, dat hij dadelijk overtuigd was van hare +onschuld. + +»Om mij?» vroeg zij: »Wat is er van uw dienst, burgemeester?» + +»Waar ben jij van nacht geweest, meisje?» + +»Van nacht?» vroeg Geertje lachend, want zij scheen die vraag zeer +grappig te vinden. En op vroolijken toon liet zij er op volgen: »Wel, op +bed, burgemeester! Waarom vraagt u dat aan me?» + +»Omdat er dezen nacht hier in het kantoor ingebroken en gestolen is, +Geertje!» zei de burgemeester. + +»Ingebroken! -- Gestolen!» riep Geertje doodsbleek uit. »Wel, +verschrikkelijk!» + +En zonder een oogenblik langer om den burgemeester te denken, verliet +zij de keuken en ijlde naar het kantoor, waar zij, louter van +ontsteltenis, luid begon te schreien. Het kostte mevrouw zelfs niet +weinig moeite, haar tot bedaren te brengen. + +De burgemeester twijfelde nu geen oogenblik langer aan hare onschuld. Na +enkele minuten verzocht hij haar zich weer naar de keuken te begeven, en +zeide, toen zij vertrokken was: + +»Zij is beslist onschuldig.» + +»Zooals wij u reeds vooruit gezegd hebben,» viel mevrouw in. »Neen, wij +moeten den dief ergens anders zoeken.» + +»Dat merkt u terecht op, mevrouw; wij moeten hem ergens elders zoeken. +Heeft u gisteren misschien andere menschen in uw dienst gehad?» + +»Gisteren? -- Neen, -- o ja, toch, kreupelen Kees en zijne vrouw; hij +heeft den tuin opgeknapt, en zij werkt hier geregeld elken Zaterdag. +Maar dat zijn ook doodeerlijke lieden, die tot diefstal, en dan nog wel +gepaard met inbraak, allerminst in staat zijn.» + +De burgemeester was dat blijkbaar niet geheel met haar eens, want hij +zeide: + +»Zoo, -- Kees van der Vliet en zijne vrouw. Ja, dat zijn wel eerlijke +lieden, maar toch -- iemand moet het gedaan hebben, niet waar? Wanneer +wij den dief willen snappen, schijnt het mij noodzakelijk toe, van +niemand te denken, dat hij eerlijk is. Die menschen hebben immers geen +gelegenheid gehad, zich hier gisteravond te laten insluiten?» + +»O neen,» zei mijnheer Valk op beslisten toon, »daar is geen sprake van. +Zij zijn geen van beiden in het kantoor geweest en ik heb het zelf +gesloten. Bovendien schijnt het mij bespottelijk toe, die menschen van +diefstal te verdenken.» + +»Dat heeft u geheel en al mis, mijnheer Valk. In politiezaken is +eene dergelijke gedachte in het geheel niet bespottelijk. Kan de +brievenbesteller zich wellicht hebben laten insluiten? Of is er +misschien iemand anders nog laat in het kantoor geweest?» + +»De postlooper komt hier nooit binnen, dan in heel enkele gevallen. +Gisteren is hij niet verder geweest dan de deur. En bezoek heb ik niet +gehad dan alleen van Arie de Zwaan, den neef van den koster, die hier +alle avonden komt vragen, hoe laat het is. Zooals u weet, houdt de +koster de kerkklok steeds gelijk met den tijd van het kantoor.» + +»Zoo, -- ja, juist, dat weet ik. Nu, wat dien Arie de Zwaan betreft, hem +zou ik voor eene daad als deze niet te goed houden, -- en u?» + +»Ik ook niet, burgemeester. 't Is, geloof ik, een jongmensch, dat +nergens te goed voor is. En nu ik mij goed bedenk, herinner ik mij, dat +hij nog een poosje bij mij binnen is geweest, en dat wij een kwartiertje +met elkaar hebben staan praten over koetjes en kalfjes. Het zal ongeveer +acht uren geweest zijn, toen hij vertrok.» + +»Kan u mij nog meer inlichtingen geven?» vroeg de burgemeester. »U moet +wel bedenken, dat van de kleinste kleinigheid soms het vinden van den +dief kan afhangen.» + +»Ik heb u verder niets te zeggen.» + +»Dan is mijn werk hier afgeloopen. Ik geloof, dat het mijn plicht is, +eerst een onderzoek in te stellen bij Kees van der Vliet en daarna bij +Arie de Zwaan. En het zou mij niet verwonderen, als ik den dief vandaag +nog snapte. Mevrouw, uw dienaar! Adieu, mijnheer Valk!» + +Met eene buiging en een handdruk verliet het hoofd der gemeente de +woning. + +Onmiddellijk daarop was de burgemeester, vergezeld van Tip, den +veldwachter, naar het huisje van Kees van der Vliet gegaan, die met +zijne vrouw aan de tafel zat. Zij dronken koffie, en waren bezig plannen +te maken over hetgeen zij zouden doen met de gevonden goudstukken. Ook +Jan was thuis, en Zus speelde op den grond. Zoodra Trijn de beide mannen +zag naderen, werd zij zoo wit als een doek en begon zij te beven over al +hare leden. Van den diefstal hadden zij nog niets vernomen. + +»Daar is de burgemeester met den veldwachter,» zeide ze tot Kees. »O +God, -- daar heb je 't al. Hadden wij het toch dadelijk maar gezegd!» + +»Waarom? -- Wij hebben het toch niet gestolen!» zei Kees binnensmonds. +Maar toch verbleekte ook hij. + +Op dit oogenblik werd de deur geopend en traden de beide mannen binnen. + +»Goeden morgen!» klonk hun groet kortaf. + +Kees stond eerbiedig op en nam zijne pet af, die hij ook in huis steeds +ophad. + +»Goeden morgen, mijnheer de Burgemeester! Goeden morgen, Tip!» + +Hij schoof twee stoelen bij de tafel, en vervolgde: + +»Wil u niet gaan zitten?» + +De burgemeester scheen die uitnoodiging niet eens te hooren. Hij bleef +midden in de kamer staan en nam met scherpen blik het geheele vertrek in +oogenschouw. Nu was daar niet veel in te zien, want behalve eene tafel, +enkele oude stoelen, eene groote staartklok en twee bedsteden was er +niets dan een eenvoudig geverfd linnenkastje, dat Trijn indertijd +gekocht had, toen zij als dienstmeisje een klein spaarpotje had gemaakt. +Op dat kastje bleef eindelijk 's burgemeesters blik rusten, en het met +den vinger aanwijzende, zeide hij tot den veldwachter: + +»Tip, haal dat kastje eens leeg, en bekijk alles goed. Leg den inhoud +hier uitgespreid op den grond.» + +Tip begon reeds het bevel uit te voeren, toen Trijn een stap vooruit +kwam, en zeide: + +»Maar mijnheer de Burgemeester, dat lijkt wel huiszoeking. U denkt toch +niet, dat we gestolen hebben, -- dat we dieven zijn?» + +»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer de Burgemeester,» voegde Kees er +bij, terwijl hij zich bij de linnenkast plaatste, alsof hij Tip beletten +wilde, het ontvangen bevel uit te voeren. + +»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer, die nog nooit iemand een cent te +kort hebben gedaan.» + +»En daarom durven wij gerust iedereen in de oogen zien, want wij hebben +ons voor niets of niemand te schamen,» zei weêr Trijn, terwijl haar de +tranen in de oogen kwamen. + +»En nu deze schande te moeten ondervinden. Wat zullen de menschen wel +zeggen, als zij het hooren? Wie had nu ooit kunnen denken, dat ik dìt +nog eens beleven zou!» + +»Doe wat ik je gezegd heb, Tip,» gebood de burgemeester. »En gij, goede +menschen,» -- vervolgde hij tot Kees en diens vrouw, »ik raad u aan, +kalm en bedaard te blijven. Ik geloof inderdaad, dat gij eerlijke +menschen zijt, en ben overtuigd, dat gij u voor niemand behoeft te +schamen. 't Is dan ook slechts toeval, dat ik juist bij u huiszoeking +kom doen. Doch daarin steekt volstrekt geen schande. Integendeel, +wanneer ik straks van hier ga, zonder te hebben gevonden wat ik zoek, +is dat het duidelijkste bewijs, dat gij onschuldig zijt!» + +»Maar wat is er dan toch gebeurd?» vroeg Trijn. »Want ik voel me in het +geheel niet gerust, burgemeester. Nu u eenmaal hier is en dit onderzoek +instelt, wil ik het u, -- neen, kàn en 'màg ik het u niet langer +verzwijgen, wat er van morgen hier gebeurd is.» + +»Hier iets gebeurd?» vroeg de burgemeester. En tot Tip zeide hij: + +»Niets dan kleeren; leg ze hier maar op den grond, en zoek bedaard +verder. -- En wàt is hier dan wel gebeurd, vrouw Van der Vliet?» + +»Wel burgemeester, toen ik van morgen den vloer aanveegde, vond ik dààr +onder de deur doorgeschoven, niet minder dan drie gouden tientjes, -- +hier, op deze zelfde plek, burgemeester, zoo waar als ik 't u zeg.» + +»Wat? -- Hé, wat zegt u? -- Drie gouden tientjes? En hebt ge die daar +gevonden, op den vloer? Dat is al heel toevallig, moet ik zeggen.» + +»Ja, mijnheer de Burgemeester,» zei Kees, »ik lag nog rustig te slapen, +ziet u, omdat het Zondagmorgen was, want dan slaap ik altoos wat langer +dan in de week, toen Trijn me wakker schreeuwde en me drie gouden +tientjes liet zien, die ze daar gevonden had.» + +»'t Is wel opmerkelijk, Trijn!» zei de burgemeester met een ongeloovig +gezicht, daar het geheele verhaal hem wat onwaarschijnlijk klonk. »Er is +dezen nacht inbraak gepleegd, gevolgd door diefstal, Trijn. Vind-je het +nu zelf niet wat heel vreemd, dat hier drie gouden tientjes onder de +deur doorgeschoven worden?» + +»'t Is wèl kaseweel,» zei Kees hoofdschuddend. »Wonder kaseweel[1]. Dat +moet ik zeggen.» + + [1] Casueel, bedoelde Kees. + +Doch Trijn begon te schreien. Zij was vrij wat schranderder dan haar +echtvriend, en doorzag veel beter dan hij de treurige gevolgen, die deze +zaak voor hen kon hebben. + +»Zoek goed, hoor Tip. Me dunkt, dat we hier meer zullen vinden, dan we +ons voorgesteld hebben.» + +»Hier vind ik een klein doosje, burgemeester, weggestopt achter een +stapeltje kleêren. Wil u het openen?» + +»Geef maar hier.» + +De burgemeester ontdeed het van het deksel, en ontwaarde de drie +goudstukken, die Trijn daar enkele uren geleden ingelegd had. + +»Ha, ha! Het raadsel begint opgelost te worden,» zei hij, terwijl hij +Trijn scherp onderzoekend aankeek. »Dat had ik niet van u gedacht, vrouw +van der Vliet; ik heb u altoos voor eene door en door eerlijke vrouw +gehouden, niet in staat tot iets, dat slecht was. En moet ik nu bij u +gestolen geld vinden? Kom, arme ziel, want ik heb medelijden met u, maak +de zaak niet erger dan zij al is, en zeg mij de volle waarheid. Wie +weet, wat ik dan wellicht nog voor u doen kan. Gij hebt het geld +weggenomen, niet waar? Spreek de waarheid, vrouw, en bezwaar uw geweten +niet door nog te liegen.» + +Trijn barstte in zenuwachtig snikken uit, zoo hevig, dat het haar het +spreken belette. Doch toen zij zichzelve meester geworden was, riep ze +uit, terwijl ze hare rechterhand ophief, als om den hemel tot getuige te +roepen: + +»Zoo waarachtig als er een Heer in den Hemel is, ik ben onschuldig, +mijnheer de burgemeester!» + +Bij het hooren van die plechtige woorden barstte ook Jan in tranen uit, +en toen Zus moeder en broeder zag schreien, verhief ook zij hare stem. +'t Was een treurig tooneel. + +De burgemeester haalde de schouders op en gaf den veldwachter een wenk, +met zijn onderzoek voort te gaan, wat deze dan ook deed. + +Vrouw Van der Vliet viel op een stoel neder, bij de tafel, en bedekte +haar gelaat met haar boezelaar. + +»Ik ben onschuldig!» riep zij door hare tranen heen. »Ik ben onschuldig, +zoo onschuldig als dit kleine kind! Maar u gelooft me niet, u luistert +niet eens naar me. O, had ik het u toch dezen morgen maar dadelijk +gezegd!» + +Zij nam kleine Zus op haar schoot, en kuste haar. + +»Arm, onschuldig kind, arme lieveling!» schreide ze. »Nu zullen ze je +moeder nog van je weghalen en in de gevangenis zetten, -- en wie zal er +dan voor jou zorgen...» + +»'t Zàl niet gebeuren! Moeder, ik zal.....» + +Zoo riep Jan schreiend uit, terwijl hij zich met gebalde vuisten naast +zijne moeder plaatste, als om haar te verdedigen. + +»Stil, kind, stil! Wij kunnen er niets tegen doen. O, burgemeester, zoek +toch maar niet langer, want gij zult niets meer vinden, dat bezweer ik +u, dan de enkele stuivers, die Kees en ik gisteren bij mijnheer Valk +hebben verdiend. Waarachtig, mijnheer, 't is de waarheid -- ik lieg u +niets voor, niets --» + +De kast was nu doorzocht, en de veldwachter begon nu de beide bedsteden +te inspecteeren; daarna kwam de provisiekast aan de beurt, die al +bijzonder weinig bevatte, en toen werd zelfs de groote klok doorzocht, +maar tevergeefs; het overige geld werd niet gevonden. + +De burgemeester deed nog eenmaal eene poging, om Trijn tot bekentenis te +brengen, doch zij volhardde bij hetgeen zij gezegd had. Het geld had zij +gevonden op den vloer van hare kamer, vlak bij de deur, en hare eenige +fout was, dat zij er niet dadelijk kennis van gegeven had. O, had zij +het maar gedaan. + +Ook Kees werd scherp ondervraagd, doch hij kon niets anders zeggen, dan +hetgeen zijne vrouw had verklaard. Zelfs Jan werd onder handen genomen, +doch met hetzelfde gevolg. De burgemeester maakte van zijne bevindingen +proces-verbaal op, en ging heen, het arme gezin in de grootste +verslagenheid achterlatende. + +Nu werd eene huiszoeking gedaan ten huize van den koster, den oom van +Arie de Zwaan. Doch hoe zorgvuldig het geheele huis ook werd doorzocht, +er werd niets verdachts gevonden. Arie leidde den burgemeester zelf +overal rond en eigenhandig opende hij alle laden en kasten, om het +onderzoek gemakkelijker te maken, waarbij voortdurend een eigenaardig +lachje zijn gelaat ontsierde, hetgeen den burgemeester niet ontging en +hem onaangenaam stemde. + +»Wat een schurkengezicht heeft hij toch!» dacht hij bij zichzelven, maar +hij wachtte zich wel, die gedachte onder woorden te brengen. + +Onder het naar huis gaan, zeide de veldwachter tot zijn meester: + +»Op het uiterlijk afgaande zou ik den dader eerder hier zoeken, dan bij +Van der Vliet, burgemeester.» + +»Ja, ik ook -- maar Tip, schijn bedriegt, zooals je weet.» + +»Juist burgemeester, -- zou dat ook nu niet het geval zijn?» + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + Wat er alzoo op een regenachtigen Zondagmiddag gebeurde. + Hoe Bob in een Woesten Gier veranderde, voor Pieter + een kuil groef en er ten slotte zelf in viel. + + +Het verhaal van hetgeen ik u in het vorige hoofdstuk verteld heb, ging, +zooals ik zeide, als een loopend vuurtje door het dorp rond. Pa vertelde +het ons in geuren en kleuren toen hij uit de kerk kwam, en hij wist het +uit eene goede bron, want hij was den burgemeester tegengekomen, en deze +had het hem verteld. + +Wat was er toen op ons dorp veel stof tot spreken, en wat hadden sommige +menschen verbazend veel te zeggen van de Van der Vliets, wier naam +plotseling op aller tong zweefde. Sommigen beweerden zelfs, dat zij ze +nooit hadden vertrouwd, dat zij altoos wel gedacht hadden, dat het +slecht met hen zou afloopen en dat zij ze voortaan zelfs voor geen +halven cent vertrouwen zouden schenken. 't Was eene echte dievenfamilie, +waarin geen greintje goeds stak. + +Toen ik dat thuis vertelde, keek pa me vrij boos aan en zeide op +gestrengen toon: + +»Jij denkt toch zeker zoo niet, Dorus? Wees toch, wat ik je bidden +mag, nooit voorbarig in je oordeel. 't Kan nog best uitkomen, dat die +menschen even onschuldig zijn als jij of ik. Maar de wereld oordeelt +altoos verbazend oppervlakkig en onbarmhartig. 't Is eene schande!» + +Nu, dat vond ik ook, maar wààr is het toch, dat maar weinig menschen +spraken zooals pa. Iedereen, dien ik er over hoorde, zeide: »'t Is toch +maar slecht volk, die Kees en zijne vrouw, en 't is maar goed, als ze +achter slot en grendel worden gezet. Zulk volk is gevaarlijk!» + +Zij bleven den geheelen dag binnenshuis, zelfs Jan, die anders altoos +bij zijne kameraden was, kwam niet buiten. Wat moeten die menschen zich +hebben geschaamd, vooral toen 's middags zich veel meer wandelaars op +hun achterweg vertoonden dan in gewone omstandigheden. Blijkbaar wilde +iedereen eens zien, hoe zij zich wel hielden, maar niemand had er +pleizier van, want de gordijntjes waren dichtgeschoven en er was +dientengevolge niemand te zien. + +Ik had innig veel medelijden met hen, en Karel Holm, met wien ik +'s middags wandelde, evenzoo. Het ergerde ons te zien, hoe de menschen +allen juist voorbij het huisje van gebrekkigen Kees gingen wandelen, en +wij waren er blij om, toen het 's middags vrij erg begon te regenen, +zoodat iedereen huiswaarts moest keeren. Na eenig weifelens besloten +Karel en ik Bob een bezoek te gaan brengen, dien wij nog niet gezien +hadden na zijn onvrijwillig bad in de vischkaar. Als wij daarover +spraken, moesten wij telkens nog lachen, dat het schaterde. + +Bob schaamde zich zeker, want gewoonlijk was hij in huis niet te houden. +En nu was hij in geen velden of wegen te zien. Wij besloten hem eens +geducht te plagen. + +Nauwelijks hadden wij aangebeld, of Bob deed ons zelf open. + +»Dag Dorus! Dag Karel! Kom binnen. Zeg jongens, wat zit ik akelig +opgescheept met een neef van me, die gisteravond onverwachts met zijne +Moe bij ons is komen logeeren. Bah, 't is zoo'n vervelende jongen. Hij +ziet er uit als een zeemlap en hij zit op zijn stoel, of hij een stok +heeft doorgeslikt. Ga-je meê, dan zal ik je hem eens laten zien. Maar +niet lachen, hoor!» + +Nu, die raad had een verkeerd gevolg, want nu moesten wij juist lachen, +toen wij binnen kwamen. Maar wij wisten ons te bedwingen. Wij gaven +mijnheer en mevrouw de Wild de hand en bogen zoo deftig als wij konden +voor Bobs tante, die wij mevrouw Van Koorde hoorden noemen. Daarna gaven +wij ook neef eene hand, die door Bob aan ons werd voorgesteld als Piet +van Koorde. + +»Met uw verlof, lieve neef,» klonk het afgemeten uit den mond der tante, +»mijn zoon heet Pieter, en geen Piet. Ik verzoek u wel, zijn naam voluit +te noemen. Ik houd niet van dergelijke afkortingen.» + +»Juist, tante, dat meende ik ook te zeggen: Pieter van Koorde. Neem me +niet kwalijk, als 't u belieft.» + +Wij keken Bobs tante eens aan, en zagen dat zij eene buitengewoon +statige dame was, die zoo recht als eene kaars op haar stoel zat. Zij +scheen ons bijna te deftig toe, om zich te bewegen. En haar zoontje, die +evenals zij lang, bleek en mager was, geleek in alle opzichten op zijne +deftige moeder. + +»Rechtop zitten, Pieter! Hoe dikwijls heb ik u dat al niet gezegd!» +zeide mevrouw van Koorde, met een gestrengen blik op haar zoon. + +»Ja, Mama!» klonk het antwoord, en Pieter rekte zich nog langer uit, dan +hij al deed. + +Bob keek ons van ter zijde aan en knipoogde tegen ons met een leuk +gezicht, zoodat wij ons lachen bijna niet konden houden. + +Mijnheer de Wild merkte dat gelukkig op en kwam ons te hulp. + +»Wel jongens,» vroeg hij ons lachend, »heb jelui gisterenavond ook in de +vischkaar van den schoenmaker gezeten, evenals Bob?» + +Wij lachten nu eens ferm uit, en Karel zeide: + +»Neen, mijnheer, -- dank u! Dat laten we aan Bob over.» + +Plotseling klonk het uit den mond der tante: + +»Maar broeder Marinus, hoe kunt ge nu toch uw zoon bij zulk een +vreeselijken naam laten noemen? Hij heet toch immers geen Bob, -- wat +ik afschuwelijk vind, maar Robert.» + +»Ja Tante,» zei Bob, »ik heet Robert Adrianus de Wild, maar de jongens +noemen mij altijd Wilden Bob. Vind u dat zoo'n leelijken naam?» + +»Rechtop zitten, Pieter! -- Wilden Bob! O, verschrikkelijk! 'k Wou niet +graag, dat mijn jongen zoo genoemd werd. Bob is al erg genoeg, maar +Wilde Bob! 't Is afschuwelijk, -- ik zou het niet dulden, broeder +Marinus!» + +»Wat zal ik er van zeggen?» zei mijnheer de Wild met een licht +schouderophalen. »De jongens noemen hem nu eenmaal zoo, en ik kan er +weinig aan veranderen.» + +»Zeg Bobbertje!» viel Karel Holm in. »Hoe beviel het je gisteren in die +vischkaar?» + +Mevrouw van Koorde sloeg hare oogen van ontzetting ten hemel. + +»Bobbertje!» mompelde zij, »Bobbertje! 't Wordt waarlijk nog erger! +Mijne ooren doen er pijn van. Zit toch rechtop, Pieter, en houd den mond +gesloten, zooals het behoort.» + +»Ja, Mama!» zei Pieter, die onbeweeglijk op zijn stoel zat, met het +hoofd in volslagen rust boven zijn staand boortje. + +»En wat praat ge toch van eene vischkaar?» vroeg tante aan mevrouw de +Wild, die met een glimlachje naar het gesprek zat te luisteren. + +»Och, Bob -- Robert wil ik zeggen, -- is gisteren bij het verstoppertje +spelen in eene vischkaar gekropen, die aan den kant van het water lag, +en toen is de schoenmaker gekomen en heeft hem in het water geworpen.» + +»Dat is eene beleediging van dien man, lieve,» hernam Tante met +verontwaardiging. »Ik zou dien man aanklagen bij het gerecht. Hoe durft +zoo'n schepsel zoo iets doen? Hoewel ik moet zeggen, dat het van Robert +ook eene vrij zonderlinge keuze was, om in eene vischkaar te kruipen. Ik +zou mijn jongen, als ik hier woonde, zoo maar niet met Jan en alleman +op de straat laten spelen. Niet waar, Pieter, jij houdt niet van +dergelijke spelletjes?» + +»Neen, Mama!» + +»En jij gaat liever met mij wandelen, niet waar?» + +»Veel liever, Mama!» + +Tante keek met een triomfantelijken glimlach om zich heen. O, zij wist +het wel, dat haar Pieter een door en door fatsoenlijke jongen was. + +»Ja, lieve,» vervolgde zij tot hare schoonzuster, »dat is nu +zijn liefste werk. En dan moest u eens zien, hoe lief hem zijn +glacé-handschoentjes staan en hoe zwierig hij met zijn wandelstokje +zwaait. Toe Pieter, haal je rottinkje eens uit de porte-manteau en laat +hem eens zien.» + +»Ja, Mama!» + +Pieter stond op en kwam weldra met zijn rotting terug, die nu natuurlijk +van hand tot hand ging, en door iedereen bewonderd werd, wat van zelf +spreekt. + +»Hij zwiept lekker!» zei Bob, die hem zoo krom mogelijk maakte en toen +plotseling aan den eenen kant losliet, wat het gevolg had, dat het losse +eindje met kracht tegen het linkerbeen van Pieter terecht kwam. 't Deed +hem zeker nog al pijn, want hij sprong wel een halven meter in de +hoogte, en riep: + +»Au! Au!» + +»Excuseer! Excuseer!» riep Bob, quasi ontsteld uit, want de deugniet had +het met voordacht gedaan. »Dat spijt me, neef Pieter. Doet het erg +pijn?» + +»Au! Au!» zei Pieter nog eens, terwijl hij het pijnlijke deel zonder +ophouden wreef. + +»Ga zitten, Pieter!» zeide mevrouw van Koorde. »Neef Robert kon het niet +helpen, zegt hij immers.» + +Bij die woorden keek zij neef Robert echter in het geheel niet +vriendelijk aan. + +»Het zwiept veel erger, dan ik dacht,» zei Bob. + +»Het zweept, moet je zeggen, lieve neef!» zei Tante. »Zwiepen is geen +woord; dat zeggen koetsiers.» + +Mijnheer de Wild vond het tijd een einde aan het gesprek te maken. +Misschien was hij wel bang, dat Bob nog meer dergelijke grappen zou +uithalen. Hij zeide daarom: + +»'t Blijft maar regenen, jongens. Dat is jammer voor jelui, want nu heb +je huisarrest.» + +»Wat ik zeer goed acht, lieve broeder,» zei Tante op haar deftigsten +toon. »Ik zou niet graag zien, dat mijn Pieter hier ook met Jan en +alleman ging spelen en misschien eindelijk ook nog in eene vischkaar +kroop. 'k Heb liever, dat hij binnen blijft.» + +»Juist, dat bedoel ik ook. Zou jelui niet naar de speelkamer gaan? Daar +heb je allerlei speelgoed en een tal van boeken tot je dienst.» + +»Ja jongens, ga je meê?» vroeg Bob opstaande. + +Karel en ik volgden zijn voorbeeld, maar Pieter bleef zitten. Blijkbaar +wist hij niet, of zijne Mama het wel goedvond, of misschien wel ontbrak +hem de lust. + +»Ga jij niet meê?» vroeg mijnheer de Wild, toen hij zag, dat hij bleef +zitten. + +»Je moogt medegaan, Pieter,» zeide zijne Mama met een genadig knikje. + +»Jawel, Mama!» + +Pieter stond op en volgde ons de trap op, naar Bobs kamer, waar Karel, +Bob en ik weldra als drie gekken over den vloer lagen te rollen, daarbij +schuddende van het lachen. + +Pieter stond ons in de grootste verbazing aan te staren. + +»Waarom lach-jelui zoo?» vroeg hij min of meer beleedigd. + +»Om je mooie boordje!» grinnikte Karel. + +»En om je prachtigen wandelstok!» lachte Bob. + +»Omdat je er zoo aardig uitziet!» zei ik. + +»Jelui bent niet wijzer!» zei Pieter. »In de stad zijn wij natuurlijk +anders gekleed, dan hier op dit dorpje, en dat ook onze manieren fijner +zijn, dan hier, spreekt van zelf. Je moest eerder huilen dan lachen.» + +»Kan jij boksen?» vroeg Bob, die plotseling voor zijn neef kwam staan, +en hem met zijne beide vuisten op zijne borst ging stompen. + +»Au! Neen, -- boksen -- au -- kan ik niet. Au! -- Au!» + +»Dan zal ik het je leeren! Toe jô, stomp terug, of jij krijgt alles +alleen. Zóó moet je doen!» + +»Au! -- Au!» riep Pieter, die niet wist, waar hij zich bergen zou. +»Houd-op, Robert, au! Ik doe -- au! -- jou immers -- au! -- ook niets!» + +»Neen, dat doe je juist niet, en dat is dom van je. Je moet terugboksen, +neef, of er blijft niets van je heel, zelfs je boordje niet!» + +»Houd maar op, Bobbertje,» riep Karel zijn vriend toe. »Zoo is er toch +geen aardigheid aan; hij verroert geen vin. Wat zullen we eens gaan +doen?» + +Bob hield met boksen op. + +»Een mooi spelletje?» vroeg hij. »'t Is jammer, dat het zoo regent, +anders konden we in den tuin om het hardst gaan loopen op onze stelten. +Maar nu weet ik niets. Wat wil jij graag doen, neef Pieter?» + +Bob drukte vooral sterk op de laatste lettergreep. + +»Je houdt me voor den gek, Robert,» zei hij. + +»Zeg jij maar gerust Bob, hoor!» klonk het terug. »Maar weet jij geen +mooi spelletje?» + +»Ik niet; wij spelen nooit.» + +»Zoo, -- zeg jongens, ik weet wat. Wacht maar even, dan zal ik je eens +laten zien, wat ik vanmorgen in eene oude kist op den zolder gevonden +heb. 't Is wat prachtigs!» + +»Wat dan?» vroegen wij. + +»Ja, wacht maar, -- dan zal ik het je laten zien. 't Is bepaald nog iets +uit den jongen tijd van Pa, want tegenwoordig doet hij er niet meer +aan.» + +Bob ging naar de kast, waarin hij al zijne schatten bewaarde, en kwam +weldra te voorschijn met eene prachtige pijp. Deze bestond uit een +mooien kop, die het model had van een Turk, met een langen baard en een +breeden tulband, en daarin was een lange steel van bamboes gestoken. +'t Was werkelijk eene bijzonder mooie pijp, die indertijd stellig veel +geld moest gekost hebben. De steel bestond uit wel vijf deelen, die in +elkander geschroefd konden worden. Ik had nog nooit zoo'n lange pijp +gezien. + +»Vind-je haar niet prachtig?» riep hij ons toe, terwijl hij het mondstuk +tusschen de lippen nam en smakte als een oude smoker. + +»Bijzonder mooi, Bob. Zou die van je Pa geweest zijn?» + +»Ik denk het wèl, want Pa rookte vroeger eene pijp. Tegenwoordig niet +meer, omdat hij er niet goed tegen kan. Zeg, jongens, willen we eens +rooken?» + +»Bah, rooken!» zei neef Pieter met een vies gezicht, waarop de diepste +minachting te lezen stond. »Wat zou Mama wel zeggen, als zij het zag?» + +»Mama ziet het niet!» zei Bob leuk. »En als jij het niet verklapt, komt +niemand het te weten. Je bent toch geen klikspaan, hoop ik?» + +»Neen, -- klikken doe ik niet.» + +»Dat is de eerste deugd, die ik in je opmerk,» zei Bob, met zijn bekend +knipoogje tegen ons. »Willen we het doen, jongens?» + +»Heb-je tabak?» vroeg ik. + +»Dat zou ik meenen, -- een ons fijne tabak, van de fijnste, die ik +krijgen kon. Zie maar eens hier.» + +Bob verdween weer in de kast en kwam met een zakje tabak terug, hetwelk +hij met een trotsch gebaar omhoog hield. + +»Dat is portorico!» zei Karel. »Zwaardere tabak bestaat er niet.» + +»Best mogelijk,» zei Bob, »maar ze rookt uitstekend.» Hij begon nu de +pijp te stoppen, wat hem nog ver van handig afging. Hij had er al zijne +aandacht en zijne beide handen voor noodig, en het duurde wel driemaal +zoo lang als noodig was. + +»Zie zoo,» zei hij, toen hij eindelijk klaar was, »nu gaan we met ons +vieren op den vloer in een kring zitten, en rooken als Turksche pacha's. +Hier heb ik een doosje lucifers.» + +»Maar ik doe niet meê,» zei Pieter. »Rooken is vergif en staat bovendien +in het geheel niet fatsoenlijk.» + +»Dan zullen wij het onfatsoenlijk doen, Pietje!» zei Bob. »Weet je, wat +jij intusschen wel kunt doen?» + +»Nu, wat dan?» + +»Wel, trek je glacé-handschoentjes aan, neem je stokje in de hand en +wandel dan met een heel trotsch gezicht om ons heen. Dan ben jij de +heer en wij stellen de arme duivels voor, op wie jij dan uit de hoogte +neerziet. Dat kan prachtig worden. Kom Dorus en Karel, het spel gaat +beginnen. Wij nemen een lucifer,» -- Bob voegde de daad bij het woord, +-- »schrappen hem aan, -- en pmmm, pmmm, pmmm, wat drommel, die tabak +wil niet! Hoe kan dat nu wezen? Vanmorgen ging het zoo best.» + +»Laat mij eens probeeren!» zei Karel. + +Bob gaf hem de pijp. + +Maar Karel, die er veel verstand van had, want als zijn Pa en zijne Moe +het niet zagen, rookte hij wel eens een cigaretje, -- Karel kon het ook +niet. + +»De pijp zit verstopt. Je hebt er de tabak veel te vast ingedrukt,» zei +hij. + +»Dan moet ze er weer uit,» zei Bob. + +Hij nam zijn mesje en maakte den kop weer leeg. Piet, die intusschen wat +rondgeloopen en ons met een schuin oog bespied had, kwam langzamerhand +wat naderbij en nam eindelijk ook in den kring plaats. + +Bob knikte hem goedkeurend toe, stopte de pijp opnieuw, schrapte +nogmaals een lucifer aan, en ha -- daar dwarrelden de rookwolken +omhoog. + +Wij staarden het bedrijf van onzen vriend Bob met bewondering aan, +hetgeen hij, geloof ik, zelf ook deed. + +»Nu zijn we Indianen, die de vredespijp rooken!» riep hij ons +opgetogen toe, want hij was in het gelukkige bezit van eene sterke +verbeeldingskracht. + +»Ooah!» riep hij uit. »Wat wil mijn bleeke broeder?» + +Bij die woorden keek hij neef Piet met groote oogen aan en blies +hem dichte rookwolken in het gelaat, zoodat de bleeke broeder begon +te hoesten en te proesten van belang. Nu was de gegeven naam op +Piet volkomen van toepassing, want hij had eene verbazend bleeke +gelaatskleur, iets wat van Karel of mij niet gezegd kon worden. Wij +hadden kleuren als boeien! + +Piet antwoordde niet op Bobs vraag, wat tengevolge had, dat hem eene +tweede groote rookwolk werd toegeblazen en het Indianen-opperhoofd hem +nogmaal toevoegde: + +»Ooah! Waarom zwijgt mijn bleeke broeder? Wat wenscht hij? Mijn bleeke +broeder spreke!» + +»Kuche -- kuche -- kuche -- niets -- ik -- kuche ik wensch niemendal! -- +Hè, je doet me bijna stikken!» riep Piet, terwijl hij met zijne beide +handen den rook van zich afweerde. + +Karel en ik gierden het uit van de pret. Doch Bob bleef onverstoorbaar +doorrooken. + +»Ooah!» zeide hij, »mijn bleeke broeder is verstandig; hij is geen +klapachtige vrouw, die zijne geheimen verraadt. Mijn broeder is een +groot opperhoofd en een wijs man. Pffff!» + +Bij dit pfff blies hij den armen Piet weer zulk eene geduchte rookwolk +toe, dat bijna niets meer van hem te zien was. Daarna reikte hij hem de +pijp toe en zeide op plechtigen toon: + +»Dat mijn broeder de pijp des vredes rooke!» + +»Wat? -- Ik rooken?» riep Piet verschrikt uit, maar toch keek hij de +pijp met begeerige blikken aan. »O, neen, dat doe ik niet -- dat heb ik +nog nooit gedaan!» + +»Verlangt mijn broeder den strijd?» riep Bob met woedende blikken uit, +terwijl hij de vuisten balde en ze zijn neef vlak onder den neus hield. + +»Strijd? O neen, -- geen strijd!» zei Piet, die nog aan de bokskunst van +Bob dacht. + +»De Woeste Gier is een groot opperhoofd!» zei Bob, op zichzelven +wijzende. »Hij heeft vele scalpen en de jonge krijgslieden zingen zijn +lof. Hij wenscht met zijn bleeken broeder de vredespijp te rooken.» + +Nogmaals hield hij Piet de pijp voor. Deze greep hem aan en -- rookte, +tot groot vermaak van ons alle drie, want wij begrepen heel goed, wat +Bob in zijn schild voerde. En al hadden wij het niet begrepen, dan zou +zijn geheimzinnig knipoogen het ons wel verraden hebben. + +Het scheen Piet, nu hij eenmaal aan den gang was, uitstekend te +bevallen, want hij dampte, dat het een lust was, om te zien. Hij werd nu +zelfs grappig, want hij blies Bob groote rookwolken in het gelaat en +zeide: + +»Het bleeke opperhoofd groet zijn broeder den Woesten Gier, wiens +dapperheid over de geheele wereld bekend is. Het bleeke opperhoofd biedt +hem zijn vriendschap aan.» + +Nu, dat viel ons mede van Piet. Wij hadden niet gedacht, dat hij zoo +goed mede kon doen. Wij knikten hem daarom goedkeurend toe, wat hem +blijkbaar niet onwelgevallig was, althans, hij begon nog veel sterker +te dampen, zoodat de kamer wel een rookhol geleek, en vervolgde: + +»Wanneer keert mijn roode broeder naar zijne wigwam weder?» + +En plotseling uit zijn rol vallende, zeide hij: + +»Zeg Bob, dat rooken valt me bijzonder meê. 't Gaat heel gemakkelijk, en +'t smaakt goed. Volstrekt niet erg bitter, zooals ik altijd dacht.» + +»Zoo, is 't waar? En wanneer wordt het onze beurt?» vroeg Karel. »Of ben +je van plan, de heele pijp leeg te rooken?» + +»Ik heb tabak genoeg, Karel,» zei Bob. »Als de pijp leeg is, stoppen we +haar weer, en dan kan-je zooveel rooken als je wilt.» + +En plotseling zijne knieën optrekkende en het hoofd daarop doende +rusten, vervolgde hij weer als Indianen-opperhoofd: + +»Als de zon driemaal in de zee zal zijn neergedaald, zal de Woeste Gier +terugkeeren naar zijn wigwam; dan zullen de jonge krijgers hunne +oorlogsliederen zingen.» + +»Gaat mijn broeder ten strijde?» vroeg Piet, steeds voortdampende. + +»De bleeke mannen hebben onze jachtvelden betreden en hebben mijne roode +kinderen gedood!» zei Bob somber. + +»O, dat zij vreezen voor onze wraak! De roode mannen zijn dapper. Zij +vreezen den dood niet.» + +»Zeg Bob,» zei Piet opeens, en zijne oogen stonden ver van vroolijk. »Ik +geloof nooit, dat dit beste tabak is. Er komt zulk een vreemde smaak +aan.» + +»Malligheid! De tabak is wel goed, maar de rooker deugt niet. Je kunt er +niet tegen, neefje, denk ik.» + +»Of ik!» zei Piet, die weer dapper begon te trekken, en nogmaals ons +allen de rookwolken in het gelaat blies. Maar spoedig hield hij er mede +op. + +»Ah bah!» zeide hij, terwijl hij de pijp met alle teekenen van afkeer +neerwierp. »Wat smaakt dat leelijk!» + +»En eerst vond je het zoo lekker?» zei Karel lachend. + +»Eerst, -- o ja, maar 't wordt hoe langer hoe leelijker. Bah, wat word +ik akelig.» + +Piet stond op en begon onrustig door de kamer te loopen. Hij was nu in +den volsten zin van het woord een bleekgezicht, want hij had geen kleur +meer op zijn gelaat. En wat stonden zijne oogen flets! + +Voortdurend hoorden wij hem diepe zuchten slaken. Blijkbaar werd hij +meer en meer onpasselijk. Nu moet ik eerlijk zeggen, dat wij niet veel +medelijden met hem hadden, en dat wij hem geducht voor den gek hielden. + +»Wat doet mijn bleeke broeder vreemd!» zei Bob plagend. »Zoekt mijn +bleeke broeder iets?» + +»Hij zoekt eene pijp!» zei Karel. »Hij wenscht de vredespijp te rooken.» + +»Loop rond!» zei Piet nijdig, »als jelui voeldet, wat ik voel, hier -- +in mijne maag, dan zou je zoo grappig niet zijn. Ah bah, wat word ik +misselijk!» + +»Pas dan op je schoone boordje, Pieter,» was de vriendelijke raad van +Bob, die de pijp opnieuw stopte, en haar aan Karel en mij gaf, opdat ook +wij gelegenheid zouden hebben, er van te genieten. + +»Trek je handschoenen aan, Pieter, en neem je rotting in de hand, dan +maak je een prachtig figuur,» zei Karel dampende. + +»O, -- wat ben ik ziek,» zuchtte Pieter, die onrustig de kamer op- en +neerliep. »Die ellendige tabak! Ik wou, dat ik ze nooit gezien had.» + +»'t Smaakt heerlijk!» zei Karel, groote rookwolken uitblazende. + +»Dat schijnt wel,» zei ik. »Wanneer kom ik nu aan de beurt?» + +»Asjeblieft, hier heb je haar. Je moet flink doortrekken, Dorus, dan +gaat het 't best.» + +Dien raad volgde ik getrouw op, en Bob en Karel knikten mij goedkeurend +toe. + +»Je doet het best,» zei Bob. »Echt lekker, hè?» + +»Ja, -- maar een beetje bitter,» merkte ik op. Eigenlijk vond ik het +afschuwelijk, maar wijl mijne kameraden het zoo heerlijk vonden, ontbrak +mij de moed, om dat te bekennen. Dus rookte ik dapper voort. + +Toch speet het mij niets, toen Bob zeide: + +»Nu ben ik weer aan de beurt!» + +Ik reikte hem de pijp over, en weldra dampte mijn vriend als een +fabrieksschoorsteen. + +»Wel neef Pieter,» vroeg hij, »hoe gaat het je nu?» + +»Ik ga dood, -- ik ben doodziek. O, -- ach, -- hê -- wat ben ik +ellendig.» + +»Jongetjes als jij moeten ook niet rooken,» spotte Bob. + +»En wat zit je krom, Pieter. Rechtop zitten, mijn jongen.» + +Wat hadden wij eene pret om de benauwde gezichten, die Pieter trok. Wij +schaterden soms van 't lachen. + +»Hier, Karel, jou beurt!» zei Bob opeens, veel spoediger dan wij +dachten. En het scheen mij toe, of hij een klein weinigje bleek werd. + +»Neen, Bob,» zei Karel, »dat is te vroeg. Ga gerust je gang nog een +poosje.» + +»Pak aan,» zei Bob kortaf. »'t Is eerlijk jou beurt.» + +»O, -- ik weet geen raad!» zuchtte Pieter. »Als Mama nu toch eens hier +kwam.» + +»Pak aan, Karel, 't is jou beurt,» herhaalde Bob, daar Karel er +edelmoedig op bleef aandringen, dat Bob nog een poosje genieten zou. + +Schoorvoetend nam Karel de pijp aan, en rookte, maar och, hij trok lang +zoo hard niet meer als eenige oogenblikken geleden, en hij zag er in het +geheel niet opgewekt uit. + +Opeens ging mij een licht op. Bob en Karel hadden, evenals neef Pieter, +te veel gerookt en begonnen er de gevolgen van te ondervinden. + +»Nu jij weer, Dorus,» zei Karel op zijn gulsten toon, terwijl hij mij de +pijp toereikte, maar och, wat begon hij bleek te zien. + +»Die zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht,» zegt het +spreekwoord,» zei ik leuk. »Als ik mij niet bedrieg, hebben Karel en Bob +een even naar gevoel in hunne maag als neef Pieter, en daar ik mij nog +heel lekker bevind, zal ik zoo vrij zijn, mijne beurt te laten +voorbijgaan. Ha-ha-ha-, nu wordt de zaak bepaald grappig.» + +»Ook ziek?» vroeg Pieter met een zuur-zoeten glimlach. »Dat doet me +pleizier. Wil jij nu mijne handschoenen te leen, Bob, dan kan Karel mijn +rotting krijgen.» + +»Dank je!» zei Bob. »Bah, wat word ik draaierig.». + +»Ik ook!» zuchtte Karel. »Ik ben -- ik voel me erg onpasselijk. Ik ga +naar buiten.» + +»Dan ga ik meê,» zuchtte Bob. »O foei, wat is het hier benauwd.» + +»Naar buiten? Ik ga ook,» zei Pieter. »Hier weet ik me geen raad.» + +»Dan zal ik jelui gezelschap houden,» zei ik lachend, want daar ik +minder gerookt had dan de anderen, was ik vrij wel in orde. En och, wat +had ik een pret over Bob, die zoo mooi een kuil gegraven had voor neef +Pieter, en geëindigd was, met er zelf in te vallen. + +'t Regende nog, dat het goot, dus moesten wij onze toevlucht nemen tot +het priëel, wat wij ook deden. Maar nauwelijks hadden mijn drie vrienden +zich van benauwdheid op de banken uitgestrekt, waar zij lagen te zuchten +en te stenen, om zelfs een bevroren hart te doen smelten, -- o heden, +daar kwam mevrouw van Koorde aan, die eens kwam zien, wat haar zoontje +uitvoerde. + +»Wel Pieter,» klonk het streng uit haar mond, »wat lig je daar +onbehoorlijk op die bank. Ga recht-op zitten, dadelijk!» + +Pieter gehoorzaamde. + +»Maar kind, wat zie je doodsbleek! Scheelt er iets aan?» + +»Ja Mama! -- ik ben ziek, och, toch zoo ziek!» + +»En jij ook, Karel, en jij Robert, je ziet allen doodsbleek! Je hebt +toch niets gegeten, dat verkeerd was?» + +»Neen tante, heusch niet! Pfff, wat ben ik benauwd!» + +»Goede hemel! Hier moet iets gebeurd zijn, iets vreeselijks. De dokter +moet komen, dadelijk, vóór het te laat is. Pieter, mijn lieveling, wordt +het iets beter?» + +»Neen Mama, nog niets. 't Wordt nog veel erger!» + +Mevrouw ijlde naar binnen, maar weldra kwam zij terug, gevolgd door +mevrouw en mijnheer de Wild. + +»Wat is hier aan de hand, Bob?» vroeg de laatste. »De volle waarheid, +hoor jongen, zooals ik dat van je gewoon ben.» + +»Ja, Bob, spoedig, spreek, eer het te laat is!» zei zijne Moe, wie ook +de angst op het gelaat te lezen stond. + +»Pa, -- wij hebben -- de vredespijp gerookt,» zei Bob. »Pfff, wat ben ik +ziek.» + +Mijnheer de Wild begon onbedaarlijk te lachen. + +»Gerookt? De vredespijp gerookt? Ha-ha-ha! Dat is vermakelijk! Je wist +toch, dat je niet rooken mocht? Mooi zoo, 't kon niet beter. Die pijp, +die vredespijp heeft je mooi te pakken. Dat ding past zelf de straf toe, +die bij het misdrijf behoort. 't Is niets, vrouw, en beste zuster, maak +je ook maar niet ongerust, 't zal van zelf wel beter worden! Ha-ha-ha! +'t Is meer dan grappig!» + +»Foei, Pieter, foei» zei zijne Mama, »hoe kon je je zelven zoozeer +verlagen, om te gaan rooken? Je moest je schamen!» + +»Ja Mama!» zei Pieter met een diepen zucht. + +»Kom, kom!» sprak mijnheer de Wild. »Zij hebben straf genoeg. Heusch, +vooreerst zullen zij die vredespijp wel met vrede laten. Kom, laten we +naar binnen gaan.» + +Karel Holm stond ook op. + +»Ik ga naar huis,» zei hij, toen de familie weg was. + +»Adieu! Tot morgen!» + +»En ik -- ik ga naar bed!» zei Pieter. »Ik ben doodziek.» + +»En wat doet de Woeste Gier?» vroeg ik plagend aan Bob. + +»Loop naar de Mookerheide!» duwde Bob mij toe. + +»Dank je, dan ga ik liever naar huis,» was mijn antwoord. + +Zoo gingen wij ieder onzes weegs. + +Maar pret had ik, dat moet ik zeggen. + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + Hoe ons viertal uit zwemmen ging en doornat thuiskwam. + Een vechtpartijtje en eene vreeselijke spookgeschiedenis. + + +Een paar dagen later liep ik na schooltijd op mijne stelten door het +dorp, toen ik Karel Holm ontmoette, die ook zijne houten onderdanen bij +zich had. Samen gingen wij Bob afhalen, die, zooals hij dat noemde, nog +altoos met neef Pieter opgescheept zat. + +»Kom je niet spelen?» vroegen we. + +»Spelen, -- dat mag Pieter niet; zijne Mama wil het niet hebben. Maar +hij mag wel wandelen.» + +»Nu, laten we dan gaan wandelen,» zei ik. + +»Ja, dat is goed,» merkte Karel op, »maar zeg, Pieter, dan moet je je +rotting thuislaten, hoor. Anders ga ik niet meê!» + +Dat vond Pieter goed, en daar hij geen stelten had, besloten wij, de +onze ook maar bij Bob te laten en te voet onze reis door het leven te +vervolgen. + +Maar dat wandelen begon ons al spoedig te vervelen, en Karel zeide: + +»Zeg jongens, -- ik weet wat. Laten we gaan zwemmen. 't Is mooi weer, +warm zelfs, al is het nog vroeg in het jaar (we schreven, zooals ik +zeide, begin Juni), en een bad zal ons goed doen.» + +»Best,» zei ik. »Waar gaan we het doen?» + +»Bij de hut, achter in het land,» zei Bob. »Daar gaan we immers altijd!» + +»Afgesproken!» zei Karel. »Dezen kant op, jongens.» + +»Dat is te zeggen,» zei Pieter, »zwemmen kan ik niet, en ik weet niet, +of Mama het wel hebben wil.» + +»Ga het dan eerst vragen,» raadde Karel aan. + +»Neen, Pieter, niet vragen!» zei Bob. »Ik zou in jou geval maar niet +gaan zwemmen en toeschouwer blijven.» + +»Ja, dat is ook goed,» zei Pieter, die al niet zoo vervelend meer was +als eerst. Hij was bij Bob onder goede leiding. + +Wij gingen dus naar de ons bekende plaats achter in het land. Een smal +pad voerde daarheen. 't Was er zeer eenzaam, want er stond slechts eene +enkele hut, die bewoond werd door een arbeidersgezin, bestaande uit man, +vrouw en drie jongens. 't Was eene zeer onzindelijke familie, en de +jongens zagen er altoos zóó vuil uit, dat niemand met hen spelen wilde. +Zij kwamen zeer ongeregeld ter school, soms kwamen zij zelfs wel in geen +maand. Tengevolge daarvan waren zij natuurlijk zeer achterlijk, wat +hunne vorderingen betrof. Op het schoolplein beleefden zij ook niet +veel genoegen, want zij werden door ons allen voor den gek gehouden en +geplaagd, zoodat er dikwijls vechtpartijen tusschen de andere jongens en +hen ontstonden. Wij leefden altoos met hen op den voet van oorlog. + +Toen wij nu de hut voorbijliepen zagen wij de jongens van Visbeen, zoo +heetten zij, achter in hun tuin spelen, en zij zagen ons ook, maar zij +lieten ons ongemoeid voorbijgaan. Trouwens, dat was hun ook geraden, +want wij waren met ons vieren tegen hen met hun drieën. Zij liepen dus +veel kans, het onderspit te moeten delven. + +Een paar minuten verder lag de beek, waar wij in den zomer gewoon waren +ons bad te nemen. + +Karel, Bob en ik begonnen ons te ontkleeden, wat ons maar een minimum +van tijd kostte, en sprongen toen vlug te water. Diep was het er niet, +want het water kwam ons niet hooger dan de borst, zelfs op de diepste +plaats. + +Neef Pieter zat aan den oever naast onze kleêren, en volgde met +belangstelling onze evolutiën in het natte element. Die waren inderdaad +ook wel bezienswaardig. Wij hoosden elkander met water, dat er geen +haartje van ons droog bleef, of wij sloegen met onze vlakke handen zoo +geweldig op watervlak, dat de droppels hoog boven onze hoofden spatten. +Dan weer deden we krijgertje, en hadden nooit grooter pret, dan als wij +een ander bij de beenen konden pakken, waarvan het steêvaste gevolg was, +dat hij voor-over kopje-onder gedompeld werd. Soms sprong Bob op mijn +rug en klauterde Karel op dien van Bob, wat een heel vrachtje was, dat +kan ik verzekeren. Ik was dan »het fundament, waarop het geheele gebouw +rustte,» zei Karel dan, wiens vader architect was. Maar o jé, als dan +het fundament instortte! Dan zonk het geheele gebouw onder water en +kwamen wij alle drie even later weer hoestende en proestende boven. + +»Wat gaat dat heerlijk!» riep Pieter ons toe, terwijl hij opstond en +zich van zijne kleêren begon te ontdoen. »Ik kom er ook in; hier verveel +ik me, en 't schijnt me zóó prettig toe. Jelui komt er toch nog niet +uit?» + +»O neen,» zei Bob, terwijl hij met eene behendige beweging Karels voet +greep en hem eene duikeling liet maken, »nog lang niet, Pieter, kom er +maar bij! Er is nog ruimte genoeg hier, en water ook.» + +Het duurde dan ook maar kort, of Pieter stapte met zijn rechterbeen in +het water, en hij deed het angstvallig genoeg, om ons te doen zien, dat +het voor hem een zeer ongewoon werk was. + +»Hê,» zei hij, zijn voet weer schielijk terugtrekkende, »wat is dat +koud!» + +»O jô, stap er maar flink in, des te spoediger is dat voorbij. Wij +voelen geene koude meer, nietwaar, jongens?» + +»Geen sprake van!» klonk ons antwoord. »Stap er maar in, Pietje. Heusch, +het zal je meêvallen.» + +»Maar 't is zoo koud,» zei Piet weifelend. + +»Niet zoo koud, als ongekleed aan den oever te staan,» zei Bob. »Maar je +moet het zelf weten, hoor.» + +Pieter stak opnieuw zijn voet in het water, en toen eenmaal zijn eene +been tot aan de knie verdwenen was, volgde schoorvoetend zijn andere. + +»Brrr,» zei hij. »Wat is het koud.» + +Hij beefde inderdaad over zijn geheele lichaam. + +Karel en Bob besloten aan zijn weifelen een kort einde te maken. Snel +liepen zij op hem toe en grepen hem, vóór hij de vlucht had kunnen +nemen, ieder bij een arm. Toen werd hij met geweld meêgetrokken. + +»Brrr -- hè -- hè -- hè -- brrr!» rilde hij. »Lh-ha-ha-haat me lho-hos!» +zei hij smeekend. »Ik verdrink!» + +»Geen nood, Pieter, we zullen je wel vasthouden,» zei Bob. En toen zij +midden in de beek waren, vervolgde hij tot Karel, met een geheimzinnig +knipoogje: + +»Nu moet hij gedoopt worden, Karel. Eén, twee -- drie, daar gaat +Pieter!» + +»O nh -- he -- heen! Niet onder-dompelen!» smeekte Piet. Maar dat baatte +hem niet. Door vier sterke armen aangegrepen, dook hij plotseling +kopje-onder. En nauwelijks kwam zijn hoofd als een natte poedel weer +boven water, of daar ging hij voor de tweede maal, nog vóór hij +gelegenheid had gehad, een enkel woord te uiten. + +»Driemaal is scheepsrecht!» riep Bob. + +En daar ging Pietje voor de derde maal. + +»Zie zoo, dat zal hem goed doen,» zei Bob. »Nu ben-je hier burger +geworden, Pietje!» + +»Brrr -- pfff -- o -- wat -- nat! Brrr! Pfff!» kermde Piet, die nu zijne +vrijheid terug kreeg en hulpeloos midden in de beek bleef staan. Hij +durfde zich blijkbaar niet bewegen en gevoelde zich te midden van +zooveel vloeistof in het geheel niet op zijn gemak. + +Dat duurde echter maar kort, want wij ontzagen hem niet. Pof, daar +werden hem door Karel, die ongemerkt onder water naar hem toegeloopen +was, plotseling de beide beenen onder het lichaam weggetrokken, en +verdween Piet, zonder een kik te geven en volgens mijne vaste +overtuiging zonder het zelf te weten, totaal onder water. + +»Wat was dat? Brrr, pfff! Wat was dat?» vroeg hij ontsteld. »Er trok me +iets aan de beenen!» + +»'k Weet het niet!» zei Karel, die zich al weer een heel eind verder +bevond. + +»Wat kan dat toch geweest.....» + +O hé, daar verdween Piet alweer! Nu had Bob hem denzelfden dienst +bewezen. Och, och, wat moesten wij toch lachen. Maar nu begon Pietje +toch te begrijpen, dat wij een loopje met hem namen. Hij vroeg niets +meer, maar begon zich langzaam te bewegen. En nu hij bemerkte, dat hij +dit zeer gemakkelijk kon doen, kreeg hij er zelfs schik in. Nu duurde +het nog maar kort, of hij danste in het water van pleizier. + +»Wat is men licht in het water, zoo licht als een veêrtje,» zei hij. »'k +Vind het hier heerlijk.» + +»Krijgertje doen?» vroeg ik. + +»Ja wel, ik ben hem!» zei Bob. + +Nu werd het een loopen, draven en zwemmen, van wat ben je me! De golven +liepen hoog tegen den wal op, zooveel drukte maakten we. En in het vuur +van ons spel verwijderden we ons veel verder van onze kleeren, dan +voorzichtig genoemd mocht worden. Trouwens, we dachten aan geen gevaar +en allerminst aan de Visbeentjes, met wie wij toch steeds op een +vijandigen voet stonden. + +Wij dachten pas aan hen, toen wij hen aan den oever zagen verschijnen, +-- maar toen was het laat. + +»Gooi in het water -- die kleeren!» hoorden wij een van hen zeggen. + +»Durf je niet?» vroeg een ander. »Ik wèl!» + +»En dan graszoden er bovenop, dan zinken ze!» zei de derde met een +grijnslach. »Maar vlug dan, want ze komen al terug!» + +Ja, dat deden we juist, en wel zoo snel als we konden, want we begrepen +zeer goed, welk gevaar ons dreigde. Die jongens waren tot alles in +staat. + +Bob meende ze nog angst aan te jagen, door hen te bedreigen met alles, +wat onpleizierig is, of althans ze daardoor een oogenblik op te houden, +ten einde tijd te winnen. + +»Als je 't hart hebt, om onze kleêren aan te raken!» riep hij hun toe. +»Wacht je dan voor de gevolgen!» + +Maar zij waren onvermurwbaar. + +Met eene vlugge beweging werden al onze kleeren in het water geworpen en +groote graszoden daarop gegooid, om ze te doen zinken. + +In een oogenblik waren Bob, Karel en ik op den wal, om ons zoo mogelijk +te wreken, maar helaas, tot onze groote spijt zetten de plaaggeesten het +op een loopen en brachten zich in hun huis in veiligheid. Wat waren wij +kwaad! + +»Als ik ze in handen krijg, wrijf ik ze tot mosterd!» + +»Dan gooi ik ze te water met kleêren en al aan!» voorspelde Karel. »Die +apen!» + +»Waren het maar apen!» zei ik. »Dan konden wij ze naar Artis sturen en +dan hadden wij er geen last aan. 't Is eene mooie geschiedenis: al ons +goed is door- en doornat. Wat moeten we nu doen?» + +»En wat zal Mama wel zeggen,» kreunde Pieter, die niet zwemmen mocht. +Wij hadden daar geen zorg over, want wij hadden permissie. »Al mijne +kleeren zijn gezonken! Wat moet ik nu beginnen?» + +»Ze opvisschen, jô,» zei Bob. »Dat is het eenige, wat ons overschiet.» + +»En dan?» + +»Ze aantrekken!» + +»Maar ze zijn slijknat!» steende Pieter, wien het huilen nader stond dan +het lachen. + +Wij stapten in het water en begonnen onze eigendommen op te duiken. + +»Hier heb ik mijn hemd al vast!» zei ik, met iets wits boven de +oppervlakte verschijnende. + +»Dat zou je wel willen,» zei Bob grinnekend. »'t Is het mijne, Kareltje. +Hier heb ik een borstrok! Van wien is die? Van mij is hij niet, dat zie +ik wel.» + +»O, 't is de mijne,» snikte Pieter, die hoe langer hoe bedroefder werd. + +»Leg hem maar op den kant,» zei Bob. + +»Ik heb twee schoenen!» riep Karel. + +»En ik eene kous!» juichte ik. + +»Gooi alles maar op een hoop,» zei Bob, »dan kunnen we het straks wel +sorteeren.» + +»Eene broek!» + +»Nog eene!» + +»En eene blouse! Weer twee schoenen!» + +»Hier is een hemd!» + +Al dergelijke kreten wisselden elkander af. Over het geheel bekeken +wij de zaak nog al van den vroolijken kant. Trouwens, het was ook onze +schuld niet, en wij zouden er stellig geen straf voor oploopen. Alleen +Pieter kon er het vroolijke niet van inzien. De tranen liepen hem +eindelijk langs de wangen, en hij stond aan den oever te midden van onze +natte kleeren, als het beeld der wanhoop. + +»Och, och, wat moet ik toch beginnen?» jammerde hij. »Was ik maar niet +met jelui meêgegaan en had ik maar niet gezwommen!» + +»Kom Pietje, zeur nu niet, asjeblieft, want daar komen we niet verder +meê. Help liever de kleêren uitzoeken, want alles ligt door elkaar.» + +»En moeten we dat nu zoo nat en wel aantrekken?» vroeg Piet op +schreiënden toon, terwijl hij zijn flanellen hemd tusschen vinger en +duim omhoog hield, om ons te doen zien, hoe het water er uitdroop. + +»We zullen je wel helpen, wacht maar even. Kijk, neem jij nu het +ondereinde, dan zal ik den anderen kant nemen,» zei Bob, die medelijden +met hem begon te krijgen. »Mooi zoo, nu draai jij van links naar rechts +en ik in de tegenovergestelde richting. Ferm zoo, -- toe maar, zoo stijf +als je kunt. Zie je, zoo wringen wij er al het water uit, tot er bijna +geen droppeltje inblijft.» + +»Dat is een goed voorbeeld, Karel!» zei ik. »Laten wij het ook doen. +Droog worden onze kleeren er wel niet door, maar het meeste water raken +wij er toch door kwijt.» + +»Accoord, Dorus!» zei Karel. »Ik ben tot je dienst. Hier heb ik eene +pantalon. Pak aan, jij de pijpen en ik het boveneinde. En nu -- draaien +maar. Ha, wat loopt dat water er uit! Toe maar, Dorus, draaien, draaien, +zoo hard je kunt. Zoo gaat het goed!» + +»Jammer, dat we geen mangel hebben!» riep Bob. + +»Of een strijkijzer!» zei ik. + +»Dat hindert niet!» zei Karel. »Als het maar droog wordt!» + +»Ja, -- zoo droog, dat Mama er niets van merkt!» + +»Neen Piet, daar behoef je niet op te rekenen, hoor. Of je moet je een +paar uren te bleeken leggen!» + +»Nu de kousen!» zei ik, toen we de pantalon weer in haar fatsoen +gebracht hadden, althans voor zoover ons mogelijk was. + +Zoo kreeg elk kleedingstuk eene beurt, en ten laatste waren we zoover +gevorderd, dat we ons weer konden aankleeden. Brrr, wat was dat natte +goed koud! Piet had het er 't kwaadst mede. Hij rilde, dat de Visbeenen +hem bij de hut wel hooren konden, en die akelige jongens stonden ons in +den tuin nog uit te lachen op den koop toe. + +»Hoe wou ik, dat ik ze eens te pakken kon krijgen,» zei Bob met gebalde +vuisten. »Wat zou ik ze trakteeren!» + +»En ik!» riepen Karel en ik. »Niets liever dan dat!» + +»Kom jongens, zijn we klaar? Laten we dan gaan!» zei Bob. + +»Ja,» zei Karel, -- »en we moeten hard loopen, om warm te worden. Ik ben +door en door koud!» + +»Uitstekend! Vooruit, -- daar gaan we!» + +Ja, daar gingen we, zoo hard we konden. Eerst was het wel een zeer +onaangenaam gevoel, al die natte kleêren, maar daar was nu eenmaal niets +aan te veranderen. + +In gestrekten draf, en zonder de hut en hare bewoners met een enkelen +blik te verwaardigen, keerden we huiswaarts, door en door boos op de +laffe jongens, die ons deze poets gespeeld hadden. Wij vonden het eene +verbazend flauwe aardigheid, waartoe wij ons nooit zouden geleend +hebben. + +Plotseling hoorden wij een luid gejuich achter ons, dat aangeheven +werd door de Visbeentjes, en weldra bemerkten wij, dat we door hen +achtervolgd werden. Ook scholden zij ons uit, voor alles wat leelijk +was, wat wij ook nooit deden. Schelden vonden wij een kinderachtig +vermaak, waarboven wij ons verheven achtten. + +Uit een en ander maakten wij op, dat de Visbeenen aan onzen snellen +aftocht eene geheel verkeerde uitlegging gaven. Blijkbaar verkeerden zij +in den waan, dat wij bang voor hen waren en daarom overijld het hazenpad +kozen. + +»Ik geloof, dat zij ons achtervolgen!» zei ik. + +»Hoor ze eens schelden, die dappere Visbeenen!» smaalde Karel, die erg +boos op hen was. + +»Au!» zei Piet, zich haastig bukkende, »daar krijg ik een steen op mijn +hoofd! Ze gooien!» + +»Laat ze hun gang maar gaan!» raadde Bob aan. »Ze schijnen te meenen, +dat wij bang voor hen zijn. Niet te hard loopen, jongens, opdat ze wat +naderbij komen. Als ze dan dicht genoeg bij ons zijn, draaiën we ons +eenklaps om, en geven hun de straf, die hun eerlijk toekomt.» + +Die raad was goud waard. Wij namen den schijn aan, alsof we bang waren +en aan onze vervolgers trachtten te ontkomen, die daardoor hun moed +voelden wassen en niet ophielden met schelden en gooien. + +»Nog eventjes!» zei Bob. »Ik zal tot drie tellen, hoor. Bij den derden +tel keeren we ons eensklaps om en overvallen hen. Wat zullen ze vreemd +opkijken. Nu, -- daar gaat hij!» + +»Een!» + +Bob wachtte een oogenblik. + +»Twee!» + +Wij hielden onze vaart wat in, en waren gereed om te zwenken. + +»Drie! Valt aan!» + +Eensklaps maakten wij rechtsomkeert en ijlden onze vervolgers tegemoet, +die iets dergelijks in het geheel niet verwacht hadden en ons bijna in +de armen vlogen. Wat was dat een leuk gezicht. + +O, wat hadden zij nu graag den dans willen ontspringen, en wat deden zij +daartoe hun best, -- maar 't was te laat. + +In minder dan geen tijd hadden Bob, Karel en ik ieder een van de +vijanden te pakken, terwijl Pieter toeschouwer bleef en niet ophield, +ons aan te moedigen. Dat laatste was echter niet noodig, want wij waren +boos genoeg, om hen niet te ontzien. Och, och, wat hebben we die jongens +toen een zeldzaam pak slaag gegeven. Nu, ze hadden het dubbel en dwars +verdiend. Telkens probeerden zij om te ontvluchten, maar dat ging +niet. Wij sloegen hen links en rechts om de ooren, zoodat zij het +uitschreeuwden van pijn en angst. + +»Dáár! Dáár!» riep Bob bij elke versnapering, die hij zijn vijand +toediende. »Als je nog meer wilt hebben, moet je het maar zeggen. Ik heb +eene gulle bui vandaag!» + +Eindelijk gelukte het aan twee van de drie aan onze handen te +ontsnappen en hun heil in de vlucht te zoeken. Maar de derde kwam +er het allerslechtst af. Eerst had Karel hem een geducht pak slaag +gegeven, zoo erg, dat de jeugdige Visbeen er de sterretjes van voor de +oogen kreeg, en toen pakte Karel hem met zijne krachtige armen beet en +wierp hem pardoes in eene sloot, die langs het landpad liep. Het gaf +een plomp van belang en het water spatte ons om de ooren. Karel had +gedurende de geheele afstraffing geen woord gesproken, maar toen zijn +vijand weer met zijn hoofd boven den kant van den sloot uitkwam, +knikte hij hem vriendelijk toe, en zeide tot hem: + +»Dat had ik je in mijne gedachten beloofd, weet je?» + +»Hê, 't spijt me, dat ik het ook niet gedaan heb!» zei Bob. + +Schreeuwende ging de jongen naar zijn huis, en wij vervolgden onzen +tocht. Wij waren van dat vechtpartijtje heerlijk warm geworden en waren +zeer tevreden over onszelven. + +»Daar hebben we ze lekker te pakken gehad!» lachte Bob. + +»Ze hadden het dubbel verdiend!» sprak Karel. »Ik denk, dat ze ons +voortaan wel met rust zullen laten, als we weer gaan zwemmen.» + +»Dat zullen ze ongetwijfeld!» meende ik. + +Wij waren nu het dorp genaderd en sloegen na een korten groet ieder +den weg in naar onze woning. Daar Bob, Karel en ik van onze ouders +toestemming hadden om in de beek te gaan zwemmen, behoefden wij niet te +vreezen, dat wij straf zouden krijgen. Eerst had het wel eenige moeite +gekost, om die toestemming te verwerven, maar nadat Pa de bewuste plaats +zelf onderzocht had en tot de slotsom gekomen was, dat daar geen gevaar +te vreezen was, hadden wij het gevraagde verlof verkregen. Voor Pieter +evenwel was de zaak veel erger, want zijne Mama was vreeselijk bang voor +dergelijke vermaken en bovendien -- hij had het gedaan, zonder verlof te +vragen, iets, wat wij nooit deden. + +'t Was dus geen wonder, dat zijne Mama zeer boos was, en hem tot straf +dadelijk naar bed zond. Bovendien mocht hij den volgenden avond niet +naar buiten, tot groote ergernis van Bob, die nu ook verplicht was, +thuis te blijven. Nu hadden Karel en ik wel naar hen kunnen gaan, maar +-- wij werden niet toegelaten. Bob en Pieter moesten dus elkander maar +zien te troosten. Dat deed Bob dan ook op eene heel vreemde manier. Daar +hij gemerkt had, dat Pieter 's avonds in het donker nog al bang was, +maakte Bob zich meester van een zwavelstok en ging daarmede naar de +slaapkamer van Pieter. Daar teekende hij met het gezwavelde einde, +juist op eene plaats, waar Pieter het wel moest zien, een groot +doodshoofd op het behangsel. Zoolang het licht was, bleef dat +vriendelijke beeld onzichtbaar, maar in het donker grijnsde het den +toeschouwer allerakeligst aan. + +Bob stelde zich daar heel wat genoegen van voor, en vond het alleen maar +jammer, dat Karel en ik niets van die grap zouden genieten. + +Den geheelen avond vermaakten hij en Pieter zich samen in den tuin. Nu +eens tolden zij, of waren zij aan het knikkeren, dan weer vingen zij +vlinders, of trachtten zich meester te maken van de weinige meikevers, +die al te voorschijn waren gekomen. + +Pieter had die diertjes nog nooit gezien en stelde zich voor, er in +Amsterdam veel genoegen van te kunnen beleven, als hij ze daar had. Wie +weet, hoe 'n voordeeligen handel hij misschien nog wel in dat artikel +zou kunnen drijven, want hij twijfelde niet, of al zijne schoolkennissen +zouden er graag een willen hebben. + +»Zeg Bob, zou je er mij eenige willen zenden, als ik weer thuis ben? Je +zoudt me daar een bijzonder groot genoegen mede doen.» + +»Meikevers zenden?» vroeg Bob, met eene ondeugende flikkering in zijne +oogen, want hij dacht er aan, welk een vreeselijken afkeer zijne deftige +Tante van die onschuldige diertjes had. »Aan jou?» + +»Ja, aan mij. Ik zou er graag eenige van je hebben, als 't mogelijk is.» + +»'k Beloof het je, hoor! Je kunt er op rekenen. Ik zal ze je sturen met +den looper. Die gaat toch elken Zaterdag naar Amsterdam, dan komt het +niet zoo duur. Voor een dubbeltje of drie stuivers heb-je ze thuis.» + +»Dat is dan afgesproken,» zei Pieter. + +Eindelijk begon de avond te vallen en werd het tijd om naar binnen te +gaan. En na nog een poosje in de huiskamer te hebben vertoefd, gingen +zij naar bed. Hunne slaapkamers lagen naast elkander, en de ledikanten +waren slechts door een houten beschot gescheiden. + +Eerst maakten zij nog wat grappen op Pieters slaapkamer, omdat daar +licht aangestoken was. Bob ging zomers altijd in donker naar bed. + +»Zeg Pietje, willen wij nog eens eene pijp rooken?» vroeg Bob lachend. +»Ik heb nog wel tabak.» + +»Dank je hartelijk,» zei Piet met alle teekenen van den grootsten +afkeer. »Die eerste pijp zal ik niet licht vergeten. Och, och, als ik er +aan denk, word ik nu nog ziek.» + +»Wel te rusten dan!» zei Bob. + +»Slaap lekker!» was Pieters wensch. + +Bob lag spoedig in bed, afwachtende de dingen, die komen zouden. +Eindelijk hoorde hij in de andere kamer beweging aan de lamp, want het +was erg gehoorig, en daarna het kraken van Pieters ledikant. + +Het bleef geruimen tijd stil. Zou Piet het doodshoofd misschien niet +zien? Maar neen, dat kon niet; als hij zijne oogen open had, mòèst hij +het zien. Doch wellicht had hij zijne oogen gesloten, en dan kwam er +van de grap niets. Opeens hoorde hij het ledikant van Pieter weer zacht +kraken. Hij hoorde ook, hoe zijn neef zich langzaam, uiterst langzaam +oprichtte in bed. In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de +oogen stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld, en hij lag te +schudden in zijn bed van 't lachen. + +[Illustration: In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen +stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag. 127).] + +Hoor, daar werd zacht, bijna onhoorbaar tegen het schot getikt. Hij +tikte zacht terug. + +»Bob!» werd er gefluisterd. »Bob!» + +»Wat is er?» riep Bob tamelijk luid terug. + +»Ssss! -- Ssss! -- 't Is hier niet -- in orde, Bob!» hoorde hij Piet +fluisteren. + +»Dieven?» vroeg Bob terug. + +»Neen -- erger, Bob. Een -- spook.» + +»Kom dan hier!» zei Bob zacht. »Wat zie je?» + +»Een gloeiend doodshoofd! Hu -- zoo akelig. Ik durf niet, Bob. Kom jij +hier!» + +»Dank je!» zei Bob. »Ik blijf liever hier!» + +'t Werd weer stil in Pieters kamer. + +Maar die stilte duurde niet lang. Bob, die moeite had, om niet in een +schaterlach uit te barsten, hoorde opnieuw een heel zacht kraken van het +ledikant, daarna een schuifelen over den vloer, en toen werd zijne deur +geopend en kwam Piet binnensluipen. + +»O Bob,» zei hij, en zijn plaaggeest hoorde, hoe hij beefde van angst, +»wat afschuwelijk. Een doodshoofd is er, een gloeiend doodshoofd, dat +mij voortdurend aangrijnst. O, Bob, wat moet ik nu beginnen? Ik beef van +angst.» + +»Kruip diep onder de dekens, Piet, en laat hem grijnzen,» was Bobs +hardvochtige raad. »Wat doe je ook je oogen open te houden, als je op +bed ligt; dan behooren zij gesloten te zijn.» + +»O neen, dáár durf ik niet weer heen!» zuchtte Pieter; »voor geen geld +ga ik dáár slapen! 't Is afschuwelijk, Bob.» + +»Wat wil je dan?» + +»Kan ik niet bij jou slapen, Bob? Toe maar, asjeblieft.» + +»Onmogelijk, Piet. Dit is maar een één-persoons ledikant. We kunnen er +onmogelijk met ons beiden in.» + +»Toe maar, Bob, ik zal me zoo klein maken als ik maar kan; toe Bob, +asjeblieft?» + +»Onmogelijk. Maar ga naar Pa; die is stellig nog op, en zal ongetwijfeld +een onderzoek instellen.» + +»O, -- maar dan moet ik alleen de trap af!» zuchtte Piet, bevende van +ontsteltenis bij de gedachte, dat hij zich alleen en in donker naar +beneden moest begeven. + +»Jij bent ook overal bang voor,» zei Bob. »Ik wed, dat er niet eens iets +op je kamer is, om bang voor te wezen.» + +»O ja, Bob, echt waar, ga dan zelf maar kijken, dan zul-je het zien. Een +afschuwelijk doodshoofd! Hu, 't is om te rillen.» + +Bob vond, dat de grap nu lang genoeg geduurd had. + +»Ga dan maar meê, bang Pietje,» zei hij, terwijl hij lachend uit zijn +bed sprong. + +Hij liep regelrecht naar Pieters slaapkamer, tot groote verbazing van +zijn neef, die zich maar niet begrijpen kon, waar hij al dien moed +vandaan haalde. + +»Waar is nu het spook?» vroeg hij. + +»Aan den muur!» klonk het benauwd uit Piets mond. + +»'t Is niets, hoor Piet, kom maar hier,» zei Bob lachend. »Je hebt je +weer eens leelijk te pakken laten nemen, neefje. Ha-ha-ha-ha!» + +Pieter kwam behoedzaam nader. + +»Dáár is het, -- dáár, vlak voor je!» zei hij huiverend, toen hij om den +hoek van de deur keek. + +»Och, bange Piet, dat prentje heb ik er van middag opgeteekend met een +zwavelstok. Kijk, hier heb-je nog een tweede spook!» + +Bob nam den zwavelstok, dien hij op den grond had neergelegd, en +teekende met enkele strepen een tweede doodshoofd, niet weinig lachende +om de vrees van Pieter-neef. Deze kwam nu ook naderbij en zeide, niet +zonder schaamte: + +»Hé Bob, doe je dat met een zwavelstok? Dat is een aardig kunstje, +waarvan ik nog nooit gehoord had. Dat moet ik ook eens leeren.» + +»Ben je nu nog bang, Pietje?» vroeg Bob. »Of wil ik Pa roepen?» + +»O neen, dank je! Maar waarom plaag jij me toch altoos zoo, Bob?» + +»Omdat ik het bij Karel of Dorus niet behoef te probeeren, Piet; zij +zijn er niet vatbaar voor, zie je, en jij wel. Dat is de reden. Slaap +lekker, Piet!» + +»Goeden nacht!» + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + Hoe Bob uit hengelen ging en door de verschijning van + twee vreemdelingen zijn tijd bijna vergat. Hoe hij in + figuurlijken zin steentjes moest gaan tellen en het in + eigenlijken zin deed. De berenleider en zijn metgezel. + + +Een paar dagen later had Bob zijn tijd bijna verhengeld. Hij was +bijzonder vroeg opgestaan, had inderhaast ontbeten, en was met zijn +hengel over den schouder even buiten het dorp gewandeld, om eens prettig +vóór schooltijd nog een paar uurtjes te visschen. Pieter lag nog te bed. +Die stond nooit voor half acht op. Eerst had Bob nog wel eens moeite +gedaan, om hem ook tot opstaan te bewegen, maar toen hij bemerkte, dat +Piet 's morgens veel liever op bed bleef, had hij die moeite gestaakt. + +Bob hengelde dus geheel alleen, en vermaakte zich kostelijk, want de +baars wilde dien morgen buitengewoon goed bijten, en het gelukte hem, +menig vischje te verschalken. Hij vermaakte zich zóó goed, dat hij zijn +tijd geheel vergat en niet aan de school dacht, vóór het bijna te laat +was. Om negen uur ging de school aan, en de torenklok wees al tien +minuten voor negenen, eer hij er aan dacht. + +»O heden!» mompelde hij. »'t Is al bijna te laat, maar als ik hard loop, +kan ik er nog juist op tijd zijn. 't Is echt jammer, dat ik nu moet +ophouden, want de baars bijt van morgen bijzonder goed.» + +Hij slingerde zijn snoer om den stok en wilde zich juist naar school +begeven, toen zijne aandacht getrokken werd door een kermiswagen, die +langzaam het dorp naderde. + +Bob bleef staan. + +Een kermiswagen was een voorwerp, dat hem altoos buitengemeen boeide. +Hij vond dat een zeer belangwekkend vervoermiddel. Toch zou hij er de +school niet om vergeten hebben, -- want de meester was erg streng, +dat wist hij bij ondervinding, -- indien hij niet had opgemerkt, dat +naast dien wagen een groot, log dier liep, een dier, dat nog veel +belangwekkender was dan de wagen, want het was niets meer of minder dan +een groote, bruine beer. Bij de verschijning van dat beest vergat Bob +de geheele school. + +Zoodra de berenleider het eerste huis van dorp bereikt had, begon hij +op eene dwarsfluit te spelen en verhief bruintje zich op hetzelfde +oogenblik op zijne achterpooten. Het logge beest scheen zoo waar te +dansen, tot groot vermaak van Bob. De kermiswagen was doorgereden. Dat +onzen Bob het scheiden moeilijk viel, behoef ik niet te zeggen. Wij +zaten allen al op de schoolbanken, en waren al begonnen te lezen, toen +zijne plaats nog ledig bleef. + +»Waar blijft Bob de Wild van morgen?» vroeg de meester. Doch wij wisten +het niet. + +»Hij is toch niet ziek?» klonk weer 's meesters vraag. Weer moesten wij +het antwoord schuldig blijven. + +»Lees maar door, Anna!» + +Juist begon Anna het bevel op te volgen, toen de deur geopend werd en +Bob, rood van het harde loopen, binnen kwam. + +»Dag meester,» klonk het zacht van zijne lippen. + +»Dag Bob. Waar kom jij zoo laat vandaan?» + +»Van buiten, meester.» + +»Ja, dat spreekt vanzelf. Maar waarom kom je zoo laat?» + +Bob keek zwijgend voor zich op den grond. + +»Ik hoor niets, Bob. Kun-je niet spreken?» + +»Ik was aan het hengelen, meester, en.....» + +»Ha zoo, heb jij je tijd verhengeld? Dat is ferm van je, niet waar, +Bob?» + +Bob mompelde zoo iets van: »Kon 't niet helpen,» maar veel verstonden +wij er niet van. + +»Niet helpen?» vroeg de meester gestreng. »Dat is eene kinderachtige +uitvlucht, Bob, waar zich alleen flauwe zielen achter verschuilen. Je +kunt gaan zitten, maar moet om twaalf uur nablijven. 't Spijt me wel, +maar ik kan er niets aan doen.» + +Bob nam plaats. Hij en ik zaten dicht bij elkander. Eerst deed hij, of +hij met aandacht las, maar weldra gaf hij ons door allerlei teekens te +kennen, dat er iets bijzonders aan de hand was. + +»Daar kwam ik goed af. Ik was bang, dat ik steentjes zou moeten tellen,» +fluisterde hij ons toe. Wij deden ook, of wij de les geregeld volgden, +maar inderdaad ontging ons geen woord, van hetgeen Bob zeide. + +Wij wisten wel, wat hij met »steentjes tellen» bedoelde. In het portaal +was geen planken vloer; die bestond daar uit mooie glimmende tegels, +welke aan elkander gemetseld waren. Nu had de meester de gewoonte, als +hij heel boos op een van de leerlingen was, hem in het portaal te +zetten, wat hij den patiënt gewoonlijk beval met de woorden: + +»Ik kan je hier vanmorgen niet langer gebruiken, jongen. Ga jij maar +steentjes tellen.» + +Dat was eene zware straf voor ons, want wie eenmaal in het portaal +terecht kwam, moest er den geheelen morgen blijven, en kreeg dan nog +zooveel strafwerk na schooltijd, dat er van zijn speeluur niets +overschoot. + +Bob was er dus van overtuigd, dat de meester hem zeer genadig behandeld +had, door hem geen steentjes te laten tellen, alias in het portaal te +zetten. + +»Die volgt!» zei de meester. »Bob, ik geloof, dat je slecht oplet. Pas +op, dat ik je niet nog meer straf moet geven.» + +Bob keek strak in zijn boek, en de volgende leerling begon te lezen. +Maar Bobs aandacht was in het geheel niet bij zijn werk. Onophoudelijk +moest hij aan den beer en diens eigenaar denken, en zijn nieuws brandde +hem op de tong. Naar het lezen luisterde hij niet; hij hoorde bijna niet +eens, dat er gelezen werd. + +»Jongens!» fluisterde hij Karel en mij toe. + +Wij waren geheel oor, maar zorgden wèl, niet uit ons boek op te zien. + +»'k Heb nieuws!» fluisterde Bob weer. + +»Bob de Wild, lees verder!» gebood de meester. + +O heden, dat was mis voor Bob. Zijne oogen dwaalden van boven tot +beneden op de bladzijde, waar wij aan het lezen waren, maar hij vond den +laatsten zin, dien hij gehoord had, niet. + +»Je krijgt eene slechte aanteekening, Bob de Wild,» klonk het gestreng +uit 's meesters mond. »Je straf om twaalf uur wordt verdubbeld. Lees +verder, Jacob de Haas.» + +Jacob de Haas, het eenige joodje, dat wij op school hadden, ging met +lezen voort, en Bob keek stijf in zijn boek. + +»Waarom leest dat Joodje (want zoo noemden wij Jacob de Haas altijd) ook +niet wat harder?» mompelde hij. »Dan zou ik het wel geweten hebben. +Wacht maar, dat zal ik hem om twaalf uur wel betaald zetten. -- O jé, +waar is het nu ook al weer? Wacht, dáár!» + +»Die volgt!» klonk het weer. + +Nu was een meisje aan de beurt. Anna van Egge heette zij en zij las een +weinig binnensmonds. Wij moesten altoos goed toeluisteren, om haar te +kunnen volgen. Maar Bob luisterde dien morgen al bijzonder slecht. +Zooals hij ons later vertelde, moest hij onophoudelijk aan dien beer +denken. Ook brandde hij van verlangen, om het ons te vertellen, want hij +wist, dat het voor ons een belangwekkend nieuwtje was. + +»Jongens!» fluisterde hij weer. + +Wij knikten bijna onmerkbaar, ten teeken, dat wij luisterden, maar wij +zagen niet op. + +»Er is een berenleider op het dorp,» hoorden wij Bob lispelen. + +Dat was nieuws naar ons hart. Ook wij begonnen onoplettend te worden, +wat het lezen betrof, maar niet wat het nieuws van Bob aanging. + +»Met een beer?» vroeg Karel Holm zacht, terwijl zijne oogen flikkerden +van pleizier. + +»Ja, -- een grooten, bruinen beer.» + +»Waar is hij?» waagde Karel nog eens te fluisteren. + +»Bij den ontvanger zag ik hem. Hij kan dansen.» + +»Ho!» beval op dat oogenblik de meester, en Anna van Egge hield met +lezen op. »Bob! Je let in het geheel niet op, en ik zie mij genoodzaakt +je streng te straffen. Vervolg eens, waar Anna gebleven is!» + +'t Was doodstil in de klasse. Van ganscher harte hoopten wij, dat Bob +een gelukkig oogenblik in zijn leven zou hebben en toevallig bij het +goede woord zou beginnen, want wij hoorden aan de stem van den meester, +dat hij slechts met moeite zijne drift kon bedwingen. Eene geduchte +straf zou anders stellig Bobs deel zijn. + +Doch Bob had zulk een gelukkig moment in zijn leven niet, en dat kòn ook +niet, omdat hij de verkeerde bladzijde voor zich had. Hij had vergeten, +om te slaan, omdat hij niet oplette. Eerst zocht hij overal, om het +goede woord te vinden, doch toen zijne zoekende blikken het nergens +ontmoetten, begon hij maar op goed geluk af. Och, och, wat had hij het +ver mis! + +»Daar is het niet, ondeugd!» zei de meester boos. »Je bent waarlijk +niet eens op de goede bladzijde. Welke geest is er dezen morgen in je +gevaren? Eerst kom je te laat op school, en dan gedraag je je zóó, dat +je zelfs den zachtmoedigsten mensch driftig zoudt maken!» + +Nu, dat was niet waar, want onze meester was ver van zachtmoedig. +Integendeel, hij was algemeen bij ons gevreesd om zijne strengheid. Wij +hoorden, hoe hij hoe langer hoe driftiger werd, en eindelijk gebeurde, +wat wij al sedert lang hadden zien aankomen. Daar verhief 's meesters +rechterarm zich in de hoogte en strekte hij zijne hand gebiedend uit +naar de deur. + +»Ga uit de klasse, jongen, ik kan je hier niet langer gebruiken. Ga +steentjes tellen!» + +Bob bleef zwijgend zitten. + +»Hoor je me niet, Bob? Ga steentjes tellen, zeg ik.» + +»Meester, ik zal beter opletten,» zei Bob. + +»Te laat, Bob! Ten derden male zeg ik: ga steentjes tellen!» + +Die laatste uitdrukking was oorspronkelijk als eene grap bedoeld, maar +wij vonden haar in het geheel niet grappig. Bob ook niet, want hij moest +allerminst lachen op dit oogenblik. Hij stapte de bank uit en ging met +neergeslagen oogen naar het portaal. Hij deed de deur achter zich dicht. + +'t Werd weer stil, nu zelfs doodstil in de klasse. De meester keek erg +boos. + +»Ga voort, Anna van Egge!» gebood hij. + +En korten tijd daarna was het weer: + +»Die volgt!» + +Zoo las de geheele klas. Toen werden de boeken opgeborgen en begon de +rekenles. + +Wij deden onze uiterste best, uit vrees, dat ook wij straf zouden +oploopen. En toen nu de meester zag, hoe flink wij opletten, begon zijn +gelaat ook wat vriendelijker plooi aan te nemen. Hij was wel streng, +maar niet onbillijk, en tot zijne eer moet ik zeggen, dat hij zulke +zware straffen altoos met grooten tegenzin oplegde. Wij konden altoos +aan hem zelf zien, dat het hem pijn deed. + +Intusschen stond Bob diep verslagen in het portaal. Weg was ineens al +de pret, die hij zich van het middaguur voorgesteld had, als de beer +althans dan nog niet vertrokken zou zijn. Daarvoor behoefde evenwel niet +bijzonder veel vrees te bestaan, want ons dorp was te groot, om door een +berenleider op een enkelen morgen »afgewerkt» te kunnen worden. + +»En dan kan ik hier in die nare school blijven en strafwerk maken, +terwijl alle jongens de grootste pret hebben,» morde Bob, die erg boos +was op den meester. »Hij is ook altoos zoo streng. Maar ik weet, wat ik +doe: ik loop weg, ja, dat doe ik. De meester kan schoolhouden, wien hij +wil, maar mij snapt hij niet, want den beer moet ik zien, het koste wat +het wil!» + +Toen Bob over dit besluit echter een weinig dieper doordacht, waarmede +hij eigenlijk had moeten aanvangen, begon hij hoe langer hoe meer te +beseffen, dat hij daar toch ook zeer weinig genoegen van zou beleven, +want de meester zou hem stellig voorbeeldeloos straffen en bovendien +zou zijn Pa hem ook terdege onderhanden nemen. + +Neen, dat ging toch niet, zooals hij zelf zeer goed inzag. + +»Ik wou, dat de meester mij voor dezen keer maar eens vrijliet,» +mompelde Bob, »maar dat zal hij wel niet doen, want dat doet hij bijna +nooit. Enfin, 't is eenmaal zoo; er zit niet anders op, dan mijn lot met +gelatenheid te dragen. Waar zou de beer nu zijn? Wacht, misschien kan ik +hem zien, -- door het raam. Laat ik kijken!» + +Bob deed, wat hij zeide, en waarlijk -- na eenig zoeken ontwaarde hij +bruintje voor het huis van dokter Doreman. Hij zag, hoe vele menschen +naar het verscheurende dier stonden te kijken. + +»Ha! Wat wou ik graag daarbij zijn,» zuchtte Bob. »En nu steentjes te +moeten tellen! 't Is afschuwelijk! Kijk, nu gaat hij verder. Zou hij den +achterweg opgaan? Dan kan ik hem niet meer zien. Ja -- neen, -- ja toch, +daar gaat hij den hoek om. Nu is hij weg. Dat is jammer. -- Steentjes +tellen! Hoe komt de meester daar toch aan? 't Is toch eigenlijk eene +gekke uitdrukking. Meester zeide niet, dat ik in het portaal moest gaan +staan; hij gebood alleen maar: ga steentjes tellen. Als ik dat dus deed +en hem straks ging zeggen, hoeveel er waren, zou ik precies gedaan +hebben, wat meester bevolen had. Dat zou leuk wezen. Weet je wat, ik doe +het! Zou ik mijn decimetertje in den zak hebben? Laat eens voelen -- ja, +daar is het. Wacht, nu zal ik het eens netjes uitrekenen. Eerst meten, +hoe lang de gang is.» + +Bob knielde op de tegeltjes neer en mat de lengte van zijn kerker. +Weldra wist hij, wat hij weten wilde. + +»Dus twintig meter. Laat ik dat goed onthouden.» + +»Nu de breedte.» + +Bob mat weer. + +»Breed twee meter, precies op den kop,» zeide hij. »De gang heeft dus +eene oppervlakte van twintig maal twee vierkante meter, of veertig +vierkante meters. Mooi, dat schiet al aardig op. Nu elk tegeltje meten. +Kijk, precies twintig centimeters lang en breed. Dat geeft dus eene +oppervlakte van vierhonderd vierkante centimeters. De gang is groot +veertig vierkante meter, of vier maal honderd duizend vierkante +centimeters. Dat gedeeld door vierhonderd, -- wel, kijk -- dat is +precies duizend tegeltjes. Dat is een mooi getal. Kom, nu ga ik het den +meester zeggen; hij heeft mij bevolen de steentjes te tellen en dat heb +ik gedaan, dus ik ben zoo gehoorzaam geweest, als maar verlangd kan +worden.» + +Tot ons aller verbazing ging plotseling de deur open en trad Bob binnen. +Ook de meester kon er blijkbaar geen begrip van krijgen, wat er aan de +hand was. Hij staarde Bob met groote oogen aan. + +»Wat moet jij hier doen?» vroeg hij op gestrengen toon. + +Bob stak beleefd den wijsvinger op en zeide doodleuk: + +»Meester, ik ben klaar! Er zijn er duizend.» + +Eerst begrepen wij geen van allen, wat hij bedoelde, en de meester +begreep het ook niet. + +»Klaar?» vroeg hij. -- »Er zijn er duizend? Wat -- duizend?» + +»Meester,» zei Bob doodleuk, »ik heb de steentjes geteld, zooals u +bevolen had. Er zijn er duizend.» + +Plotseling schoten wij allen (alleen Bob en de meester uitgezonderd) in +een schaterlach om die leuke grap, en toen wij zagen, hoe de meester +zich vergeefs inspande, om zijn gelaat in een ernstige plooi te houden, +want hij wilde niet lachen, werd het met ons nog erger. Wij konden niet +tot bedaren komen. + +Opeens gaf de meester het op, en begon ook hij te lachen, bijna even +smakelijk als wij. En toen wij eindelijk wat tot stilte kwamen, zei hij +gul, zoodat het duidelijk was, dat hij Bob zijne misdaden vergaf: + +»Zoo Bob, zijn er duizend? Heb-je ze goed geteld?» + +»Uitgerekend, meester,» zei Bob. »De vloer heeft eene oppervlakte van +veertig vierkante meters en elk tegeltje is vierhonderd vierkante +centimeters groot. Er moeten er dus duizend zijn.» + +»Heel goed, Bob,» zei de meester, die telkens weer in den lach schoot, +»dat sluit. Dank-je wel voor de moeite. Ga nu maar zitten, doch -- let +beter op.» + +»Ja meester,» zei Bob, niet weinig in zijne nopjes, dat hij zoo mooi van +zijne zwaarste straf ontheven was. Hij lette verder dan ook zeer goed op +en gaf den meester in het geheel geen reden tot klagen meer. + +Zoo werd het twaalf uur, en wij kregen verlof om naar huis terug te +keeren. 't Is te begrijpen, dat wij ons dat geen tweemaal lieten zeggen, +want het bericht van den beer had, ondanks 's meesters strengheid, al +sedert lang de ronde door de geheele klas gedaan. Nauwelijks waren wij +het portaal uit, of onder een luid gejuich trokken wij op den beer af. + +Maar Bob bleef zitten, om zijn strafwerk te maken. + +»Wat moet ik doen, meester?» vroeg hij met een berouwvol gelaat. + +De meester keek hem vriendelijk aan, want hij hield bijzonder veel van +den wilden Bob. + +»Mij beloven, dat je voortaan beter op je tijd zult passen, Bob,» zei +hij, den deugniet op den schouder kloppende. + +»Dat beloof ik, meester,» zei Bob, die lont begon te ruiken en wiens +hartje klopte van hoop, dat hij ontslagen zou worden. + +»Ga dan maar heen, Bob.» + +»Asjeblieft meester. Dag meester.» + +En weg vloog Bob! Hij had ons al ingehaald, vóór wij den beer bereikt +hadden. + +»Ik mocht vrij!» juichte hij al in de verte. »Hij is op den achterweg!» + +Met die laatste woorden bedoelde hij den beer natuurlijk, en met ons +allen begaven wij ons daarheen. + +Ha, daar zagen wij hem! + +'t Is te begrijpen, dat wij op een eerbiedigen afstand bleven! Wat had +dat dier geduchte klauwen, en wat zagen wij een sterk gebit, als hij den +grooten muil opende. Gelukkig dat hij een stevigen leeren muilband aan +had; dat stelde ons eenigszins gerust. + +De berenleider viel ons niet meê, want wij hadden gehoopt, dat hij +iemand zou zijn, dien wij niet verstaan konden, een Italiaan of een +Zigeuner of zoo iemand. Maar hij bleek een echte Hollander te zijn, die +onze taal evengoed sprak als wij zelf. Dat konden wij hooren aan +hetgeen hij af en toe tot den beer zeide. + +»Hallo! Op! Op!» gebood hij telkens, als de beer zijn tocht op vier +voeten wilde voortzetten. En dan ging het logge beest weer overeind en +huppelde zoo bevallig als een jonge olifant. Dan kreeg hij van zijn +meester een stok over den schouder en moest marcheeren als een soldaat. +Zijn geleider blies voortdurend op de dwarsfluit verschillende +dansdeuntjes en -- maakte goede zaken, naar wij opmerkten. Want bijna +nergens werd hij voorbij gestuurd, zonder dat men hem iets gaf. Nu was +een beer op ons dorp eene te zeldzame verschijning, om niet de algemeene +bewondering op te wekken. + +Het spreekt van zelf, dat wij de twee vreemdelingen zoolang volgden, als +ons mogelijk was, -- anderhalf uur laat zich niet lang plagen, wanneer +men in dien tijd nog middagmalen moet, wat met mij althans het geval +was. En om half twee moesten wij weer present zijn, wilden we geen straf +oploopen. + +Wij waren er dan ook allen op onzen tijd, Bob incluis! + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + Hoe wij den beer plaagden, toen Flip uit was, en + hoe de beer wraak nam. De heldendaden van + Pieter-neef en van Tip, den veldwachter. + Hoe Bob berenleider werd. + + +Bob had niet zulk eene vrees behoeven te koesteren, dat hij den beer +niet weer ontmoeten zou, want het beest en diens meester vertoefden nog +wel langer dan eene geheele week op ons dorp. Och, och, wat hebben wij +eene pret met dat dier gehad. + +In den kermis wagen woonde eene familie, die door het vertoonen van de +poppenkast het dagelijksch brood trachtte te verdienen. Eerst meenden +wij, dat de berenleider ook tot de familie behoorde, maar daarin hadden +wij ons vergist. Wel was hij zooals ons al spoedig bleek zeer met den +poppenkastman bevriend, en reisden zij zooveel mogelijk in elkanders +gezelschap ons vaderland door. + +Elken dag deed de poppenkast de ronde door het dorp of bezocht zij een +van de omliggende plaatsen, en trok ook de berenleider er op uit met +zijn viervoetigen makker, om een stuivertje te verdienen, maar den +wagen lieten zij staan, en 's avonds keerden allen weer naar het +marktplein terug, waar het voertuig stond. Dan werd de beer aan een van +de palen op het marktplein met een vrij lang, naar het scheen zeer sterk +touw vastgebonden, zoodat hij zich eenige beweging kon veroorloven. Wij +vroegen ons menigmaal af, waar toch de berenleider 's nachts wel mocht +slapen, daar hij bij niemand op het dorp om een onderkomen had verzocht, +doch eindelijk hoorden wij vertellen, dat eene groote mand, die wel +bijna eene manslengte had en overdag onder den wagen was vastgebonden, +hem tot ledikant diende. 's Avonds maakte hij die mand los, legde zijn +beddegoed (wat niet van de fijnste qualiteit was) wat terecht, en -- +begaf zich dan ter ruste. Voor dieven behoefde hij om twee redenen niet +te vreezen, want ten eerste had hij zoo weinig eigendommen, dat het wel +niemand in de gedachten zou komen, hem te gaan bestelen, en in de tweede +plaats had hij een schildwacht voor zijn bed, die niet licht door een +anderen zou worden overtroffen. De beer namelijk ging elken avond vlak +voor de mand liggen en liet, zoodra hij maar iets hoorde, een +vervaarlijk gebrom hooren. + +Dat brommen, -- o, wat waren wij er eerst bang voor. Want het spreekt +van zelf, dat alle jongens van het dorp 's avonds bij bruintje te vinden +waren. Onze stelten zelfs lieten wij er voor liggen. Ge begrijpt, dat +we eerst op een eerbiedigen afstand bleven, uit vrees dat hij ons +aangrijpen, verscheuren en verslinden zou. Maar toen wij zagen, hoe +vertrouwelijk zijn meester met hem omging, en hoe bedaard en goedig het +dier er uitzag, begon onze vrees van lieverlede te bedaren en onze moed +te klimmen. + +Bob was de eerste, die hem wat naderbij durfde komen, hoewel hij +natuurlijk zorg droeg, dat de beer hem niet grijpen kon. Hij wierp hem +een stuk brood toe, dat door het dier gretig werd verslonden. + +Toen wij dat eenmaal gezien hadden, overstelpten wij bruintje bijna met +onze weldaden, en werden wij meer en meer vertrouwd met het dier, hoewel +wij toch zorgden, niet te dicht in zijne nabijheid te komen. + +Maar langzamerhand ontaardde onze moed in overmoed en begonnen wij hem +te plagen. Wij sarden hem, als zijn meester er niet bij was, met lange +stokken, waarmede wij hem op den kop of op de ruige vacht tikten, wat +hij eerst eenige oogenblikken goedig toeliet, doch daarna plotseling met +een woest gebrom beantwoordde. Och, och, wat wisten wij van beenen +maken. Pieter-neef, die ook in ons gezelschap was, zag doodsbleek van +den schrik en liep, of de dood hem op de hielen zat. Nu, zoo erg was het +met ons niet, maar -- wij kozen toch ook het hazenpad. + +»Hè, wat bromde hij daar!» zei Bob, die het eerst stilstond. »Gelukkig, +dat hij aan een touw lag, want anders had hij stellig een van ons allen +verscheurd!» + +De boosheid van den beer duurde echter niet lang; hij keerde weer in +zijn vorigen toestand van vadsige rust terug, en wij gingen voort met +plagen. + +»Wil jelui dat wel eens laten, jongens!» gebood ons de vrouw, die in +den wagen woonde, -- doch daar wij wisten, dat haar man zoowel als de +berenleider niet thuis waren, toonden wij ons vrij ongezeggelijk, wat +ons heel leelijk stond, dat moet ik zelf bekennen. + +Toch hielden wij na een poosje met ons plagen op, niet omdat wij +medelijden met bruintje hadden, o neen, maar omdat de burgemeester het +marktplein opkwam, om te zien, of de beer ook gevaar kon opleveren voor +de eerzame burgers en burgeressen, die hij onder zijne hoede had. + +Natuurlijk bleef ook hij op een eerbiedigen afstand van het lieve dier +staan. + +»Zeg eens, vrouwtje!» riep hij de vrouw uit den kermiswagen toe. »Waar +is de berenleider?» + +»Hij is met mijn man naar Haarlem, mijnheer de burgemeester,» klonk het +antwoord. + +»En moet dat ongure beest dan al den tijd, dien zijn meester afwezig is, +zonder toezicht blijven?» zei de burgemeester op gestrengen toon. + +»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Flip is niet thuis.» + +»Flip -- wie is dat?» + +»Dat is de man van den beer, mijnheer de burgemeester. Maar hij is niet +thuis.» + +»Zoo, -- ja, dat heb je zooeven al gezegd. Maar kan dat dier zoo geen +kwaad?» + +»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester,» zei de vrouw, die het +buskruit niet scheen uitgevonden te hebben, »Flip is niet thuis.» + +»Zoo, hm! hm!» kuchte de burgemeester. »Ik bedoel, vrouw, of dat touw +sterk genoeg is, om den beer te houden, als hij soms boos mocht +worden.» + +»Ik zou het u niet kunnen zeggen, mijnheer de burgemeester, maar straks +komt Flip wel thuis, dan kan u het hemzelven vragen. Hij is nu met mijn +man naar Haarlem.» + +»Zoo, ja -- dat weet ik al. Dus je denkt, dat het touw sterk genoeg is?» + +»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Als Flip straks thuiskomt, +zal ik het hem vragen. Of u zou het zelf kunnen probeeren.» + +»Dank je,» zei de burgemeester, die blijkbaar niet veel lust had, +bruintje zoo nabij te komen. + +»Nu, het ziet er nog al sterk uit, maar als Flip, of hoe die man heeten +mag, aanstonds terug komt, moet je hem zeggen, dat hij dadelijk bij me +moet komen.» + +»Ik zal het hem zeggen, mijnheer de burgemeester!» + +Zoodra het hoofd onzer gemeente vertrokken was, begonnen wij den beer +weer te plagen, ja zelfs te sarren, en 't was verbazend hoe hevig hij +dan soms kon gaan brullen. Als wij het al te erg maakten, rukte hij aan +zijn touw, om los te komen, en dan wisten wij van beenen maken. + +Het touw bleek echter heel sterk te zijn, zoodat wij eindelijk al niet +eens meer op de vlucht gingen, al was hij ook nog zoo woedend. Wij +bleven doodkalm staan, natuurlijk buiten het bereik van zijne klauwen, +maar toch dicht genoeg bij, om met sarren voort te kunnen gaan. Zelfs +Pieter-neef begon, nu hij zag, dat het beest toch niet los kon komen, +dapper te worden en plaagde den beer het meest van allen. + +Hij sloeg hem met een langen stok op zijn kop, en als het beest dan +tegen hem bromde en met geopenden muil aan zijn touw rukte, stak hij hem +den stok tusschen de geweldige tanden. Dan had hij geen grooter pret, +dan als de beer op den stok beet, en hem al brommende heen en weder +schudde. Wat trok en rukte Pieter dan aan den stok, om hem weer los te +krijgen, maar de beer hield vast. + +Bob haalde eene leuke grap met hem uit. Hij haalde uit de schuur een +vaatje, waarin de bodem niet al te stevig meer bevestigd zat, en schoof +dat bruintje toe. Toen nam hij eene kleine occarino uit den zak, en +begon daar eenige deuntjes op te spelen. O, wat moesten wij lachen, toen +de beer zich plotseling op zijne achterpooten verhief en op zijne gewone +bevallige manier begon te huppelen, precies, zooals hij dat bij zijn +meester gewoon was. En toen Bob hem een paar stukjes brood toewierp, +konden wij duidelijk opmerken, dat hij Bob als een goed vriend begon te +beschouwen, want hij volgde hem overal, waar hij liep, althans voor +zoover zijn touw hem dat toeliet. + +Maar het was er Bob om te doen, dat hij op het vaatje zou gaan staan, +wat hij voor zijn meester somtijds ook moest doen. + +»Allo! Ho -- hop! Op! Op!» riep hij den beer toe, en weer begon hij op +de occarino te spelen. Eerst huppelde de beer nog eenigen tijd rond, en +toen, waarlijk, daar naderde hij het vaatje en zette er een poot op. +Toen den tweeden poot, daarna voorzichtig den derden en eindelijk stond +hij er geheel op. + +Een uitbundig gejuich uit wel vijftig jongensmonden was zijn loon, en +de beer, die zich daardoor naar het scheen, gestreeld gevoelde, begon op +de maat van Bobs muziek, zoo goed en zoo kwaad dat ging, op het vaatje +te dansen. Dat had hij niet moeten doen, want daarvoor was de bodem te +zwak. Plotseling hoorden wij een gekraak, de vier pooten zakten naar +beneden, en daar rolde de beer onderste-boven. Och, och, wat maakte hij +eene vreemde buiteling, en wat deed hij wanhopige pogingen, om zijne +pooten uit hun kluister te bevrijden. Doch dat gelukte hem niet, want +zij zaten in de kleine ruimte stijf tegen elkander gedrukt. Hij kon er +geen beweging in krijgen. + +Wat hadden wij verbazend veel pret. Ons joelen klonk over het geheele +dorp! + +De beer werd hoe langer hoe wilder, en toen het arme dier daar zoo +hulpeloos lag, werd Pieter-neef hoe langer, hoe moediger. Hij ging vlak +bij den beer staan en sloeg hem met zijn stok. + +Maar o hemel, daar vlogen de duigen van het tonnetje opeens krakend uit +elkander, en sprong de beer onder luid gebrom overeind, vlak voor +Pieter-neef, die van angst en schrik zijne bezinning geheel kwijt raakte +en stokstijf bleef staan. + +»Ga achteruit! Ga achteruit!» schreeuwden wij hem toe, want wij dachten +niet anders of hij zou verscheurd worden. + +Hij gehoorzaamde werktuiglijk. Zonder zijn starenden blik van het dier +af te wenden, liep hij voetje voor voetje achteruit, gevolgd door het +beest, dat met wijd geopenden muil een vervaarlijk gebrom uitstiet. De +haren rezen ons ten berge van schrik. + +Opeens kon Pieter-neef niet verder, want hij werd gestuit door een +lantaarnpaal, waar hij met den rug tegen terecht kwam. De beer kon niet +verder van het touw. Toen sprong hij met reuzenkracht op en krak -- het +touw brak en de beer was los. Dat gaf een ontzettenden schrik onder den +jongenstroep. Onder den kreet »De beer is los! De beer is los! De beer +is los!» sloegen allen op de vlucht. + +Neen, allen niet, want Pieter-neef kon niet. Hij stond met den rug tegen +den lantaarnpaal en durfde geen voet verzetten. De beer liep brommend om +hem heen. En Bob ook niet. Die meende eens heel slim te handelen, door +met zijne gewone behendigheid in den grooten eikeboom te klimmen, die +midden op het marktplein stond. + +Och, och, wat zag die Pieter doodsbleek. Wij zagen, hoe hij beefde van +schrik en ontsteltenis. En de beer liep voortdurend met kleine pasjes om +hem heen, terwijl hij hem aan alle kanten besnuffelde. + +Ik geloof, dat Pieter op dat oogenblik wel voor hem op de knieën had +willen vallen, als dat had kunnen baten. + +»Help! Help!» klonk de kreet van de verschrikte jongens, die op een +eerbiedigen afstand stonden af te wachten, wat er verder gebeuren zou. +Niemand van hen twijfelde er aan, of Pieter zou straks door het +geplaagde dier worden aangegrepen en -- opgepeuzeld. + +Alleen Bob gevoelde zich boven in den top van den eikeboom volkomen +veilig en zeer goed op zijn gemak. + +»Ga op de vlucht!» riep hij Pieter toe, die nog altijd tegen den +lantaarnpaal stond. + +»'k Durf -- niet -- o -- help!» kreunde Piet. + +»Stel hem voor, de vredespijp met je te rooken,» plaagde Bob, die schik +in het geval begon te krijgen. + +»O -- Bob!» was alles, wat Piet antwoordde. + +»Of sla hem met je stok op zijn kop, als zoo even!» ging zijn plaaggeest +voort. + +Nu hield de beer stand, vlak voor Pieter. Wij zagen, hoe hij hem vlak in +het bleeke gezicht keek. Pieter staarde wederkeerig bruintje wezenloos +in het gelaat. De beer zag er op dat oogenblik inderdaad veel +verstandiger uit dan zijn slachtoffer. + +Och, wat beefde Pieter. De ruitjes van de lantaarn hoorden wij er van +rinkelen. + +O hemel! + +Daar verhief de beer zich, vlak voor Pieter, plotseling op de +achterpooten en wilde zijne klauwen op Pieters schouders leggen. + +Van den schrik maakte Piet eene driftige beweging met zijn hoofd in +achterwaartsche richting, maar daar stond de lantaarnpaal, en nu stootte +hij zijn hoofd zoo hevig, dat hij van den weeromstuit voorover buitelde +en terecht kwam -- in de harige armen van den beer. Daar stonden zij om +zoo te zeggen snoet tegen snoet! 't Was zulk een bespottelijk gezicht, +die twee elkander daar zoo innig te zien omarmen, dat Bob van het lachen +bijna uit den boom buitelde. + +Pieter-neef gaf een schreeuw, die ons door merg en been drong, en wij +twijfdelden niet, of nu zou de beer hem verslinden. O, welk een +vreeselijk drama stelden wij ons daar reeds van voor. Griezelig in +hooge mate, -- maar toch uiterst belangwekkend. + +Maar neen, wij hadden het mis. Pieters kreet wekte in het teedere gemoed +van den beer zeker zachtere aandoeningen, dan waarvoor wij hem vatbaar +achtten, want hij keek hem even aan, liet hem daarna los, ging weer op +vier pooten staan en begon zich langzaam te verwijderen. Pieter +verwaardigde hij met geen enkelen blik meer. + +Meer dood dan levend bracht deze zich, struikelend en strompelend, bijna +zonder te weten wat hij deed, in veiligheid, en toen hij ver genoeg van +den beer verwijderd was, om hem niet meer te vreezen, zette hij het op +een loopen, zoo snel zijne voeten hem konden dragen. Loopen -- loopen, +dat hij deed, o, 't was potsierlijk. Wij schaterden van het lachen, maar +hij keek niet op of om. Hij holde voort, de brug over, -- naar huis. Wij +hebben hem den geheelen avond niet terug gezien. + +Intusschen ontstond er een verbazende oploop op het marktplein, want het +gerucht, dat de beer losgebroken en de berenleider niet thuis was (voor +zoover wij bij een man als Flip van »thuis zijn» kunnen spreken) ging +als een loopend vuurtje door het dorp rond. Zelfs Jan van der Vliet, +dien wij na de treurige gebeurtenis van den laatsten Zondagmorgen nog +niet buiten hadden gezien, kwam ook toeloopen. Maar tot mijne ergernis +moest ik opmerken, dat de meeste jongens niets met hem te maken wilden +hebben en hem alleen lieten staan. Ik zag, dat hij de tranen in de oogen +kreeg, en had veel medelijden met hem. Ik ging daarom naast hem staan +en zeide: + +»Kijk eens, Jan, de beer is los, en Bob zit in den eikeboom.» + +»Waar is zijn baas, Dorus?» vroeg Jan met een blijden lach, omdat ik +even vriendelijk jegens hem was als altoos, en hij pinkte tersluiks de +tranen weg, die zijn beide oogen verduisterden. + +»Die is naar Haarlem,» zei ik. »Zie eens, wat komt er een oploop.» + +»Ja, -- geen wonder; maar waarom komt Bob den boom niet uit? Een beer +kan immers klimmen?» + +Hemel, ja, daar had ik niet aan gedacht. Als Bob nu maar in vredesnaam +stil bleef zitten, zoodat de beer geen erg in hem kreeg, want anders kon +het wel eens bitter slecht met hem afloopen. + +»Je hebt gelijk, Jan,» zei ik angstig. »Maar hoe zou Bob er uit moeten +komen? Je ziet toch wel, dat de beer voortdurend onder den boom heen en +weer loopt?» + +»Ja, dat is waar. 't Is een benauwd half elfje voor hem, en ik zou niet +graag in zijne plaats willen zijn.» + +»Ik ook niet, Jan.» + +»Kijk, daar komt Tip ook, de veldwachter. Hij heeft waarlijk eene +revolver in de hand. Zou hij hem dood gaan schieten?» + +»Ik weet het niet. Dat zou jammer wezen van het arme dier, want hij doet +tot nog toe niemand kwaad.» + +»Ja, -- en ook voor zijn meester, want die zou met hem meteen zijne +broodwinning verliezen,» merkte Jan op. + +Intusschen werd de oploop met de minuut grooter. + +Wel honderden menschen vormden een grooten cirkel om het beweegbare +middelpunt, dat gevormd werd door den beer, die doodkalm onder den boom +heen en weer bleef loopen. 't Was aardig te zien, welk eene golving er +onder al die menschen kwam, als de beer zich eens wat verder van den +boom verwijderde. + +Dan ontstond er eene geweldige opschudding en onder den kreet: »De beer +komt! De beer komt!» sloegen zij op de vlucht. + +Eindelijk verscheen ook de burgemeester op het marktplein. Hij ging +regelrecht naar Tip, dien hij met gefronste wenkbrauwen en een toornigen +blik aanzag, en zeide op boozen toon: + +»Daar hebben wij het leven nu al gaande, Tip. 't Is me wat moois, -- dat +afschuwelijke beest hier midden op het dorp.» + +»Ja burgemeester!» zei Tip, die er met zijne revolver in de hand +verbazend krijgshaftig en moorddadig uitzag. + +»Is die man nog niet thuis?» + +»'k Weet het niet, burgemeester. Wil ik het even vragen? De beer is er +nu niet dichtbij.» + +»Ja, -- ga het vragen!» gebood de burgemeester, doch opeens van +gedachten veranderende, vervolgde hij: + +»Of neen, wacht even, ik zal het zelf doen. Houd jij intusschen dat +beest goed in het oog, terwijl ik bij den wagen sta. Begrepen?» + +Tip sloeg aan en zeide dapper: + +»Verlaat u op mij, burgemeester. Ik zal over u waken. Ga gerust.» + +De burgemeester, die aan de menschen eens wilde toonen, dat hij +volstrekt niet bang was, baande zich een weg door den kring en ging +met groote schreden op den wagen af. Maar zie, daar kreeg plotseling +bruintje het in zijn hoofd, om ook naar den wagen te gaan, wat voor den +burgemeester een allesbehalve aangenaam voornemen was. Inderdaad was hij +niet bang van aard, maar om ongewapend een beer tegemoet te gaan als dat +strikt genomen niet noodig is, achtte hij te veel gevergd, en hij keerde +daarom, tot groot vermaak van de omstanders, naar Tip terug. + +Nu klonk dat lachen den burgemeester in het geheel niet aangenaam in de +ooren, want het scheen wel, of de menschen hem uitlachten, en die +gedachte maakte hem erg boos. + +»Tip!» gebood hij kortaf, »ga dat beest grijpen en vastbinden!» + +»Jawel, burgemeester,» zei Tip, op militaire wijze de hand aan de pet +brengende. + +Maar Tip was vlugger met beloven dan met doen; hij talmde zoo lang, dat +de burgemeester kortaf tot hem zeide: + +»Je hebt mijn bevel toch verstaan, Tip?» + +Tip krabde zich verlegen achter het oor en hield den blik met eene +eigenaardige uitdrukking, die veel op angst geleek, op den beer gericht. +Nu durfde hij in het geheel niet bekennen, dat hij bang was, maar tevens +was hij vast besloten, het bevel van zijn meester in geen geval op te +volgen. Om tijd te winnen, zeide hij, bij wijze van waarschuwing: + +»Ik ga, burgemeester, -- maar als hij nu eens voor mij op de vlucht gaat +en zich op de menschen werpt? Wat dan, burgemeester? Ik zou in een +dergelijk geval niet voor de gevolgen durven instaan. Niet dat ik bang +ben, in het geheel niet, burgemeester, maar ziet u, we moeten toch +altoos zorgen, dat de openbare veiligheid geen gevaar loopt.» + +»Je hebt gelijk, Tip. Dat die akelige Flip nu ook juist niet thuis is. +Tip! Ik wil dat beest niet langer hier midden in het dorp hebben, -- +begrepen, Tip!» + +»Ik zal er voor zorgen, burgemeester,» zei Tip, die verbazend in zijne +nopjes was, dat hij van de opdracht, om den beer te vangen, ontslagen +was. + +»Zie Tip, daar gaat hij weer naar den boom. Ga jij nu naar den wagen, en +vraag aan die vrouw, of Flip nog niet haast thuis komt.» + +»Ja wel, burgemeester.» + +Tip stapte uit den kring en ging, met zijne revolver gewapend, op den +wagen af. O, wat nam hij groote stappen, en wat keek hij schuin naar +bruintje. De menschen schoten allen in een lach, tot groote ergernis van +Tip. + +Om eens duidelijk te toonen, dat hij volstrekt niet bang was, zette +hij een verbazend hooge borst, en bleef een oogenblik doodkalm, naar +het scheen, in den kring staan, spelende met het wapentuig, dat hij +in de hand hield. Bijna was het hem gelukt, den menschen in den waan +te brengen, dat hij een buitengewone held was, die zich door eene +kleinigheid als een losgebroken beer volstrekt geen angst liet aanjagen, +toen plotseling het beest hem in het oog kreeg en met hooge sprongen +spelende op hem af kwam. + +O hé, daar zakte de hooge borst in en verdween de moedige trek op Tips +gelaat. Op het volgende oogenblik zette Tip, met revolver en al, het +op een loopen, zoo hard hij kon. De beer keerde bedaard naar den boom +terug. Wat werd die arme Tip uitgelachen! En toch was hij niets banger +dan iemand van de omstanders, want allen hielden zich op een eerbiedigen +afstand. + +Bob, die zich in den top van den hoogen boom volkomen veilig achtte, had +er ook niet weinig pret in, en begon te zingen: + + „O moeder, de beer is los; + Hoor dat beest eens brullen! + Snijd hem neus en ooren af, + Dan hebben wij wat te smullen!” + +Wij hoorden hem nauwelijks, of wij begonnen dapper meê te zingen, tot +groote pret van Bob. Maar de beer had ons Bobje nu ook opgemerkt en -- +vlug als eene kat klauterde hij den boom in. + +Dat vond Bob allesbehalve prettig, en wij zagen het allen ook met angst +aan. + +»Hij klimt in den boom! Hij klimt in den boom! Hij zal Bob verscheuren!» +klonk het van alle kanten, en de burgemeester vond het meer dan tijd, om +een einde aan de zaak te maken. + +»Tip, schiet dat beest dood!» gebood hij. »Spoedig, of het kost een +menschenleven.» + +»Jawel, burgemeester,» zei Tip. + +Beiden begaven zich nu onder den boom. De beer klauterde rustig steeds +hooger, tot grooten schrik van Bob, die het hoogste punt al had bereikt. + +»Schiet hem dood!» herhaalde de burgemeester. + +Maar Tip had niet veel lust om te schieten, want hij wist, dat hij op de +revolver volstrekt geen meester was. + +»Als ik misschiet, komt het beest stellig op mij af,» dacht hij bij +zichzelven, maar hij zeide het niet en zag er weer zeer dapper uit. + +»Schiet dan!» gebood de burgemeester. »Straks heeft hij dien jongen +bereikt, en dan is het te laat! Schiet!» + +Tip legde aan, maar het wapen beefde hem in de hand en hij durfde niet +schieten. + +»Je beeft, Tip! Je bent een lafaard!» zei de burgemeester. + +»Maar -- als ik misschiet, mijnheer de burgemeester, en in plaats van +den beer den jongen tref -- wat dan?» + +»Je bent een lafaard, Tip!» herhaalde de burgemeester. + +»Klim in den boom en snel den jongen te hulp! Dadelijk! Ik gebied het +je, Tip!» + +Tip begon te klimmen, maar of de stam te dik voor hem was, of dat hij al +wat stijf begon te worden, weet ik niet; zeker is het, dat Tip bleef +waar hij was, aan den voet van den boom. + +Intusschen volgden honderden oogen in den grootsten angst den beer op +zijn tocht naar boven. Bob kon zich onmogelijk redden. Hij kon niet +hooger -- en niet lager ook. Zooals hij ons later vertelde, verkeerde +hij op dat oogenblik in doodsangst, tot hem plotseling een eenvoudig +middel tot redding in de gedachten kwam. + +De beer had thans den tak bereikt, waarop Bob zich bevond. Bob meende +dat zijn laatste oogenblik gekomen was, toen hij opeens bemerkte, dat +de beer hem in het geheel niet onvriendelijk aankeek. Daar herinnerde +Bob zich dat hij nog een stuk brood voor den beer in den zak had; en +nauwelijks had hij dat bedacht, of hij haalde het te voorschijn en stak +het hem toe. Bruintje at het met graagte op en liet een zacht gesnor +hooren, als om hem te bedanken. + +Bob begreep, dat hij van dit oogenblik gebruik moest maken, om zich in +veiligheid te brengen. »Die waagt, die wint!» mompelde hij. Hij greep +den beer bij het afgebroken touw, blies een kort deuntje op zijne +occarino, en zei toen met gebiedende stem: + +»Hallo! Hop! Terug! Hallo! Terug! Hallo!» Meteen rukte hij aan het touw, +zooals hij den berenleider had zien doen, als hij den beer iets gebood. + +Inderdaad -- het beest gehoorzaamde, zooals hij dat bij zijn meester +gewoon was. En nauwelijks bemerkte Bob, dat de beer ontzag voor hem had, +of hij klom naar omlaag, den beer steeds bij het touw vasthoudende. + +»Hallo! Hallo! Hop! Hop!» klonk het uit den boom, en alle menschen +hielden zich doodstil, om te zien, hoe dit af zou loopen. + +Daar kwam bruintje naar beneden klauteren, gevolgd door Bob, die niet +weinig trotsch op zijne heldendaad was. Nu hadden zij den grond weer +bereikt. + +Bob blies op zijne occarino. + +»Hallo! Op! -- Op!» gebood hij. + +En zie, onder een daverend gejuich van de toeschouwers ging bruintje op +zijne achterpooten staan en begon te dansen. Bob voerde den dansenden +kolos langzaam naar den wagen, bond vlug de einden van het touw stevig +aan elkander, wierp den beer het laatste stukje van zijn brood toe, -- +en ging bedaard heen. + +»Hoera voor Bob,» riep ik vol bewondering uit. + +En plotseling klonk het over het geheele marktplein, en ik moet zeggen, +dat oud en jong meêdeden, uit volle borst: + +»Hoera! Hoera voor Wilden Bob! Hoera voor Bob!» + +Juist op dat oogenblik kwam de berenleider uit de stad terug. De +burgemeester trad dadelijk op hem toe. + +»Kunt ge dat beest niet beter vastleggen? Hij brengt het geheele dorp in +beroering en maakt het hier in hooge mate onveilig.» + +Flip nam eerbiedig de pet van het hoofd, en zeide: + +»'t Beest is niet gevaarlijk, mijnheer de burgemeester.» + +»Niet gevaarlijk! Wilt ge nu praatjes gaan verkoopen? 't Is toch een +verscheurend dier?» + +»In naam, ja burgemeester, maar inderdaad heeft hij nog nooit vleesch +geproefd. Ik heb hem zelf opgefokt, mijnheer de burgemeester, maar hij +heeft nooit anders dan brood van me gehad. Dat is de waarheid!» + +»Zoo, -- nu, dat kan mij niet schelen. 't Is een gevaarlijk dier, een +hoogst gevaarlijk dier. Indien ge hem niet beter kunt vastleggen, moet +ge morgen bij zonsopgang uit het dorp vertrekken. Dan kan ik u hier +geen langer verblijf toestaan. Hebt ge dat goed begrepen?» + +»Ik zal hem aan den ketting leggen, mijnheer de burgemeester, en ik sta +er u borg voor, dat hij niet meer loskomt.» + +»Doe dat, -- en wees gewaarschuwd,» zei de burgemeester heengaande. Tip +volgde hem met lang geen opgeruimd gelaat. Hij begreep wel, dat hij in +het geheel geen kranig figuur gemaakt had. + +Maar Bob was onder ons, jongens, een held geworden van het zuiverste +water. Wij hadden den diepsten eerbied voor hem gekregen en achtten hem +tot de grootste heldendaden in staat. + +En heel ver hadden we dat niet mis. Maar Pieter-neef hebben we den +volgenden dag geducht uitgelachen, en dat had hij ook wel verdiend. + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + Een Zaterdag, die voor Jan van der Vliet verdrietig begon + en prettig eindigde. Hoe mijnheer Denappel ons onthaalde, + Bob eene edelmoedige daad verrichtte en + Tines Wobbe met een pijnlijk oorbelletje + getooid werd. + + +Den volgenden dag was het Zaterdag, -- de Zaterdag waarop wij onzen +wedstrijd op stelten zouden houden bij den Heer Denappel. Wat stelden +wij ons veel genot van dat feestje voor. + +'s Morgens moest ik natuurlijk eerst mijn huiswerk afmaken en mijn +gewonen tocht naar het orgel doen. Bob liet mij gelukkig dezen keer met +rust, want hij vermaakte zich met Karel Holm en Pieter-neef (die van +zijne Mama meer en meer verlof begon te krijgen, om met de dorpsjongens +om te gaan) op de markt bij den kermiswagen. + +Toen ik met mijn huiswerk gereed was, ging ik Jan van der Vliet afhalen, +die als gewoonlijk, den blaasbalg voor mij zou trappen. Ik vond Kees en +Trijn aan de tafel zitten, moedeloos en bleek. Ik zag, dat Trijn tranen +in de oogen had en dat zij in dien korten tijd zeer afgevallen was. Ik +groette beleefd en vriendelijk, zooals altoos, en zei, dat het mooi +weertje was, want iets anders wist ik niet te zeggen, en Kees zei ook, +dat het mooi weertje was. Verder werd er niet gesproken, want Jan was +spoedig gereed om mij te vergezellen. + +Eerst sprak Jan ook niet, maar toen wij dicht bij den koster waren, zei +hij op eens: + +»Ik wou, dat ik dood was!» + +En meteen begon hij te schreiën. + +Ik wist niet, wat ik zeggen moest, en zei daarom niets. + +»Ja, -- dood!» herhaalde Jan. »O Dorus, je weet niet hoe treurig het bij +ons in huis is. Vader zit den ganschen, langen dag stil bij de tafel, +zonder een woord te spreken, en Moeder doet niets dan schreien, -- +schreien van den morgen tot den avond. En als ik 's nachts wakker word, +hoor ik haar ook nog dikwijls snikken. En toch zijn Vader zoowel als +Moeder onschuldig, Dorus! Als zij dat niet waren, zou ik het toch moeten +weten, niet waar?» + +»Ja, dat denk ik ook, Jan,» zei ik. + +»Zeker, dat zou ik,» vervolgde Jan. »Dan zou ik het weten. Maar Vader en +Moeder zeggen, dat zij het niet gedaan hebben, en ik hoor hen er samen +wel over praten, als ik op bed lig en als zij denken, dat ik slaap. En +dan hoor ik het ook, dat zij onschuldig zijn, en dat het geld bepaald +met voordracht onder onze deur geschoven is, om zoo de verdenking op ons +te doen vallen. O, 't is afschuwelijk, Dorus, en ik kan het bijna niet +langer aanzien, dat Moeder wegkwijnt van verdriet. Ik wou, dat ik dood +was, Dorus.» + +Wij stonden beiden stil, dicht bij het kostershuis. + +»Dood zijn, Jan?» zei ik. »Dat is het ergste van alles. Neen, je moet +den moed niet laten zakken, en probeeren je ouders te troosten. Als zij +onschuldig zijn, zal dat eenmaal blijken.» + +»Ach ja, 't is wel vriendelijk van je, Dorus, om dat te zeggen, maar +eergisteren zijn Vader en Moeder voor den Officier van Justitie geweest, +en die heeft hen ondervraagd, en zij konden best aan hem merken, dat hij +niet aan hunne onschuld geloofde. En 't is ook waar, dat zij den schijn +tegen zich hebben, -- dat moet ik zelf zeggen. Ik geloof, dat het slecht +zal afloopen, Dorus.» + +»Je kunt niet weten, hoe het nog uitkomt,» zei ik. »Maar willen we nu de +sleutels gaan halen?» + +Zwijgend gingen wij verder. De koster was in den tuin aan het werk, en +Arie de Zwaan zat op een bankje achter het huis. + +»Zoo, kom je de sleutels halen?» vroeg hij aan mij. En Jan aanziende +vervolgde hij met een grijnslachje, dat hem erg leelijk maakte: + +»Wel kijk, daar hebben we Jan van de dievenfamilie ook. Je moogt wel op +je porte-monnaie passen, Dorus.» + +Ik zag, dat Jan doodsbleek werd en de vuisten balde. + +»Dat is laster, -- gemeene laster!» siste hem tusschen de lippen door. + +»Kijk, kijk zoo'n klein kereltje zich al eens boos maken,» lachte Arie +sarrend. »Niets uit de kerk meênemen, hoor kleine langvinger.» + +»Kom Jan, laten we gaan,» zei ik, want ik had medelijden met hem. + +Maar Jan wilde niet. Zonder een woord te spreken vloog hij op Arie toe, +krabde hem in het gelaat, en schopte en sloeg hem overal, waar hij hem +raken kon. De arme jongen huilde van verontwaardiging, nu hij zóó over +zijne ouders hoorde spreken. + +Dat viel Arie tegen en het deed hem zeker veel pijn. Want hij stond +driftig op en wierp Jan met een ruk achterover op de straat, en hij keek +heel boos. + +»Jou kleine adder!» riep hij Jan toe, »die grappen zal ik je afleeren!» + +Hij kwam met groote schreden op Jan af, maar ik plaatste mij tusschen +hen en duwde Jan voort. De strijd was veel te ongelijk. Hoe zou Jan het +kunnen uithouden tegen een volwassen man als Arie de Zwaan? + +»We zullen op je letten, kleine langvinger, pas op, dat je niets mee +neemt uit de kerk!» riep Arie hem nog na. »Wij weten te goed, dat het +muist wat van de katten komt.» + +»Laat hem praten, Jan, en stoor er je niet aan,» zei ik, om Jan te +troosten. + +»De valschaard! Wat denkt hij wel? Maar bang ben ik niet van hem!» zei +Jan schreiend om den hoon, die zijn ouders was aangedaan. + +Wij gingen nu de kerk binnen, en ik begon te spelen. Maar Jan kwam niet +bij me staan, zooals hij gewoonlijk deed. Hij bleef op de trappers en +telkens hoorde ik hem snikken. Hij was geheel en al in de war. + +Ook mijne aandacht was niet bij het spel. Telkens moest ik aan die arme +menschen denken, die onder zoo ontzaglijk veel verdriet gebukt gingen en +toch geheel onschuldig waren. Want daaraan twijfelde ik, na Jans +woorden, niet langer. + +Ik was blij, toen mijn studietijd om was en ik naar huis kon gaan. De +sleutels bracht ik alleen terug, want ik vond het beter, dat Jan maar +niet meeging. Dat vond hij trouwens zelf ook beter. + +»Doe je straks mede aan den wedstrijd?» vroeg ik hem onder het naar huis +gaan. + +»Ik moest maar thuisblijven,» zei hij met een diepen zucht. »Veel lust +heb ik er nu toch niet in, nu wij zooveel narigheid hebben, en de +jongens zien mij liever niet dan wel.» + +»Dat geloof ik niet,» zei ik, om hem te troosten, maar ik wist, dat het +waar was. + +»Zeg dat niet, Dorus, ik heb het gisteren zelf gezien. Jij alleen bent +net als altijd, Dorus, en dat vind ik mooi van je. Dat zal ik nooit +vergeten.» + +»En Bob dan? -- En Karel Holm?» vroeg ik. »Zij zullen je ook niet uit +den weg gaan.» + +»Neen hoor, -- daar kun je op rekenen, Jan!» hoorden wij plotseling eene +stem zeggen van achter eene haag, die langs den weg stond. En toen we +goed toekeken, zagen we Bob, die daar stil was weggekropen, om ons af te +wachten. Hij kwam nu te voorschijn. + +»Kom jij maar gerust, hoor Jan, en als er één jongen is, die het je +lastig maakt, krijgt hij met mij te doen!» + +Die woorden kwamen er zoo gul uit, dat het mij in mijn hart goed deed. +En Jan klaarde er ook heelemaal van op. + +»Zou ik het doen?» vroeg hij weifelend, en wij zagen duidelijk, hoe +graag hij wilde. + +»Zeker, -- doen!» zei Bob op zijn beslisten toon. »Als je het niet doet, +dan ben ik boos op je. Ik kom je afhalen, hoor Jantje, tot straks!» + +Dat was fideel van Bob. + +»Ik ook!» riep ik Jan nog na, die al op den Achterweg liep. + +»Goed. -- Ik doe meê!» klonk zijn antwoord. + +Wij hielden woord. + +Bob en ik haalden Jan af en met ons drieën stapten we, op stelten +natuurlijk, den Achterweg op, waar wij de jongens in de verte al hoorden +joelen. + +Ha, de vlaggen wapperden vroolijk in den wind! Wat was dat een mooi +gezicht. Wij huppelden bijna op onze stelten van pleizier, en zelfs Jan +werd er vroolijk van. + +»Wat is mijnheer Denappel toch vriendelijk!» zei hij opgetogen. »'t Is +een man, zooals er maar weinig zijn.» + +Dat waren wij volkomen met hem eens. Wij zagen hem in de verte al druk +rondloopen, om alles in orde te brengen. + +»Aan elk einde van de baan staat zeker eene vlag,» zei Bob. »Jongens, +wat ben ik nieuwsgierig, wie den prijs zal winnen.» + +»Jij natuurlijk,» zei Jan. + +»Ja, of Tines Wobbe,» zei Bob. »Die kan het ook vlug.» + +»Doet Pieter niet meê?» vroeg ik. + +»Ja, hij is er al. Pa heeft hem een paar nieuwe stelten cadeau gegeven, +waar hij heel blij mede was. Maar winnen zal hij het wel niet, want hij +kan het nog niet vlug. Doch dat hindert niets; hoe meer zieltjes, hoe +meer vreugd, zeg ik maar.» + +Wij hadden nu de kampplaats bereikt, waar eene buitengewone drukte +heerschte. Zoo doodsch en stil als het gewoonlijk op dit gedeelte van +den Achterweg was, zoo levendig was het er thans. De jongens, allen op +stelten, liepen en sprongen door elkander heen; hun lachen en joelen +klonk ver in het rond en de vlaggen wapperden vroolijk. + +Opeens werd het stil onder den troep, want Tines Wobbe zei op luiden +toon, zoodat iedereen het verstaan kon, en met een minachtenden trek op +het gelaat: + +»Moet hij ook meêdoen?» + +Bij die woorden wees hij op Jan van der Vliet, en de wijze, waarop hij +dat woordje _hij_ uitsprak, deed ons allen pijn. Ik zag, hoe Jans +vroolijkheid ineens verdween en dat hij bleek werd van schaamte. Juist +wilde ik voor hem in de bres springen, toen Bob van zijne stelten stapte +en vlak voor Tines ging staan. + +»Ja, Tines Wobbe, hij zal ook meêdoen. Ik wil hopen dat je daar niets +tegen hebt?» + +»Als hij meêdoet, ga ik naar huis!» zei Tines, en smalend liet hij er op +volgen: »Met zulk volk houd ik mij niet op. Ik denk, dat mijnheer +Denappel er ook niet op gesteld zal zijn, dat hij aan den wedstrijd +deelneemt.» + +»Dus als Jan meedoet, zullen we van jou gezelschap verstoken zijn, Tines +Wobbe?» vroeg Bob. »Wel, jongen, ga dan maar dadelijk naar huis, want +Jan blijft hier en doet ongetwijfeld meê. Ik ben het overigens volkomen +met je eens, dat jij veel te goed voor hem zijt, dus -- dag Tines!» + +Bob nam zijn hoed voor Tines af en maakte eene diepe buiging voor hem, +waarom wij allen moesten lachen. + +»Dat zou jij wel willen, hê Bob?» zei Tines, die er toch eigenlijk niet +veel lust in had, om den wedstrijd in den steek te laten. »Dan was jij +vrij zeker van den prijs!» + +»Juist, Tines. Praat nu maar niet langer, en ga heen. Dag Tines!» + +»Voor jou ga ik niet, Bobbertje. Jij hebt hier niets te zeggen, voor +zoover ik weet.» + +Nu was Bobbertje een naam, dien Bob alleen maar door zijne beste +vrienden kon hooren uitspreken. Zoodra het een scheldnaam werd, ergerde +hij er zich vreeselijk aan. + +»Bobbertje!» zei hij driftig. »Zeg dat nog eens, als je durft!» + +»Dat durf ik wel, Bobbertje!» zei Tines sarrend. + +Flap! Daar kreeg hij een klap om zijne ooren, dat het klonk als eene +klok. + +Flap! Daar kreeg Bob er een terug, die ook niet mis was. + +'t Werd eene formeele vechtpartij. Gelukkig, dat juist op dit oogenblik +mijnheer Denappel verscheen en de vechtenden scheidde. + +»Ho, ho, vgiendjes, wat is hieg te doen?» vroeg hij vriendelijk. »Mag +ik eg jelui aan heginnegen, dat ik je niet uitgenoodigd heb, om hieg te +komen vechten? Je bent abuis, vgiendjes, geheel abuis. We zijn hieg bij +elkandeg gekomen, om een pgettigen wedstgijd op stelten te houden. Was +je dat veggeten?» + +Bob en Tines lieten elkander los, en Bob zeide: + +»Ja mijnheer, dat weet ik wel, maar Tines....» + +»Wel kijk, daag hebben wij onzen vgiend van deg Vliet ook. Daag ben ik +zeeg blij om, zeeg blij. Geef mij de hand, jongen.» + +O, wat werd Jan verheugd bij die hartelijke woorden, en wat keek Tines +Wobbe leelijk op zijn neus. Wij hadden er groote pret van. + +»En nu niet meeg vechten, hoog. Komt, jongens, 't is tijd om te loten. +Maag eegst mag ik jelui zekeg wel tgakteegen op een glaasje heeglijken +appelwijn?» + +»Wat graag, mijnheer, wat graag!» klonk het rondom, en allen gingen wij +mede naar den tuin, waar een paar tafeltjes en eenige banken voor ons +gereed stonden. Ook was daar een groote glazen kom, waarin mijnheer +Denappel de nummers deed, netjes opgerold en in een ringetje gestoken, +opdat alles eerlijk in zijn werk zou gaan. Zoodra wij den appelwijn +genoten hadden, begon de loting. Dat was een gewichtig oogenblik, want +van de loting hing heel veel af. Wij waren met ons twaalven; niet, dat +het aantal jongens niet grooter was; o ja, er waren er wel vijftig, maar +de anderen waren nog te jong, om aan den wedstrijd deel te nemen. Zij +waren alleen maar toeschouwers, en verhoogden als zoodanig de +feestvreugde niet weinig. Ook waren zij wel terdege de gasten van +mijnheer Denappel, evengoed als wij. Als er appelwijn geschonken werd, +of als er taartjes gepresenteerd werden, waren zij er bij als de +kippetjes. + +Hier volgt het lijstje van de nummers, die getrokken werden: + + 1. Pieter van Koorde. + 2. Jan van der Vliet. + 3. Adriaan Bolt. + 4. Tines Wobbe. + 5. Huibert de Leeuw. + 6. Dorus Volmaar. + 7. Karel Holm. + 8. Bob de Wild. + 9. Cor Valk. + 10. Dirk Langeraar. + 11. Arie Kooy. + 12. Karel Buurs. + +Ik had het vrij goed getroffen, want Huibert de Leeuw was niet bijzonder +vlug op de stelten, zoodat ik het gemakkelijk van hem winnen kon. Maar +Jan van der Vliet was nog veel gelukkiger geweest, want Pieter van +Koorde kon er maar weinig van, terwijl Jan er juist tamelijk vlug op +was. Voor Bob en Karel was het erg jammer, dat zij juist tegen elkander +moesten loopen, hoewel het moeilijk vooruit te zeggen was, wie van hen +het winnen zou. Bob was er iets vlugger op dan Karel, dat is waar, maar +als Bob het ongeluk had te vallen, was hij verloren. + +»Komt jongens, we gaan beginnen!» riep mijnheer Denappel, toen hij onze +namen in volgorde opgeschreven had. »Wie twee gitten veglogen heeft, is +dood, -- goed begepen?» + +»Best begrepen, mijnheer. Wij zijn klaar.» + +»Numego 1 en 2!» riep mijnheer Denappel, zich bij de vlag plaatsende aan +het begin van de baan. Aan het andere einde, waar de vlag een seinpaal +vormde, stond een van zijne bedienden, die na elken rit de vlag zou doen +zwenken naar den kant van den winner. + +Pieter van Koorde en Jan van der Vliet stonden gereed. + +»Een -- twee -- dgie!» riep mijnheer Denappel, en bij den derden tel +ging het voorwaarts. + +Och, och, wat huppelde Pieter nog raar op die stelten, en wij moesten er +smakelijk om lachen, maar toch vonden wij het flink van hem, dat hij +meedeed. + +»Pieter-neef is zoo kwaad nog niet,» zei Bob vrij eigenwijs, »als hij +lang bij ons blijft, zal hij wel opknappen.» + +Een oogenblik later ging de vlag over naar de zijde van Jan. Deze had +het dus gewonnen, en Pieter kreeg een streepje. + +»Numego dgie en vieg!» klonk het nu. + +Adriaan Bolt en Tines Wobbe waren nu aan de beurt. + +Nu, wij konden wel vooruit zeggen, wie van deze twee het winnen zou, +want tegen Tines Wobbe kon bijna niemand loopen. De vlag maakte even +later bekend, dat wij goed gezien hadden, en Adriaan Bolt kreeg ook een +streepje. + +»Numego vijf en zes!» + +Nu was ik aan de beurt. + +»Niet al te hard, Dorus!» zei Huibert, »want dan lachen ze me uit, als +ik het zoo ver verlies.» + +»Je zult er met eere afkomen!» riep ik hem toe, en inderdaad won ik het +met slechts een kleinen voorsprong, maar ik had ook bij lange na zoo +hard niet geloopen, als ik kon. + +Nu volgden Bob en Karel. Dat beloofde een mooien toer, want zij konden +het beiden best. + +»Een -- twee -- dgie!» riep mijnheer Denappel, en daar gingen ze. O, o +wat liepen die twee. 't Scheen bijna, of zij geen stelten onder de +voeten hadden, en langen tijd bleven zij precies gelijk. 't Was +prachtig, om te zien. + +Tik, daar sloegen opeens de stelten van Bob tegen elkander, Bob maakte +eene buiteling, -- en kreeg een streepje. + +Toen kwamen Cor Valk en Dirk Langeraar, ook een paar, dat aan elkander +gewaagd was. Maar Cor Valk won het toch, en van de laatste twee was +Karel Buurs de baas. Nu hadden wij allen èèn loop gedaan, en we zouden +aan den tweeden beginnen. + +»Maag eegst een taartje en een kleine vegfgissching.» riep mijnheer +Denappel ons toe. Ik geloof, dat de brave man evenveel pret had als wij. +En wat kwamen er een toeschouwers. 't Werd een feest van belang! + +Nu begon de wedstrijd nog belangwekkender te worden, want wie thans weer +een streepje kreeg, mocht niet meer meêdoen. + +Pieter van Koorde was de eerste doode, en wij omringden hem met ernstige +gezichten, om hem te condoleeren. Toen volgde Adriaan Bolt, en daarna +Huibert de Leeuw. Bob won den tweeden rit, zoodat hij en Karel Holm +er nu ieder een gewonnen hadden; zij moesten dus nog eenmaal kampen. +Datzelfde was het geval met Cor Valk en Dirk Langeraar. Eindelijk kreeg +ook Arie Kooy zijn tweede streepje. + +Nu volgden de kampritten. Allen waren wij nieuwsgierig naar den uitslag. + +»Numego acht en negen!» riep mijnheer Denappel. + +Karel en Bob stonden gereed, en nauwelijks hoorden zij het woordje +»dgie», of daar gingen zij. Ha, 't was een lust hen te zien gaan! Langen +tijd bleven zij gelijk, tot eindelijk Karel Holm een klein weinigje +begon te winnen. Wij rekten de halzen uit, om te zien, wie het eerst bij +den eindpaal zou zijn. Bob spande zich bovenmatig in, maar Karel bleef +voor, tot hij opeens struikelde en viel. En nog vóor hij kon opstaan had +Bob de vlag bereikt en was Karel dood. + +Vijf minuten later trof Dirk Langeraar hetzelfde lot en trad Cor Valk +als overwinnaar uit het strijdperk. + +Op dit oogenblik gingen de zes dooden dicht bij elkander zitten, en +hieven een jammerlijk gehuil aan. Mijnheer Denappel schrikte er van en +spoedde zich dadelijk naar de plaats, vanwaar het misbaar opging. + +»Wel vgiendjes, -- wel vgiendjes, wat scheelt eg aan, wat is eg?» vroeg +hij ontsteld. + +En toen jammerde de geheele troep in koor: + +»We zijn dood! -- We zijn dood! O, o, we zijn dood!» Wij moesten +geweldig lachen om die dwaasheid, en mijnheer Denappel niet het minst. + +»Agme jongens,» zei hij op medelijdenden toon, »wat is dat jammeg, +want ik meende juist nog een glaasje appelwijn en een taagtje te +pgesenteegen. Maag nu behoef ik dat bij jelui niet te doen.» + +»We zijn al weer levend!» klonk het dadelijk uit zes monden tegelijk, en +de zes dooden liepen om het hardst naar de tafel in den tuin, waar de +versnaperingen rondgedeeld werden. + +Wij waren nu nog met ons zessen overgeschoten, in deze volgorde: + + 1. Jan van der Vliet. + 2. Tines Wobbe. + 3. Dorus Volmaar. + 4. Bob de Wild. + 5. Cor Valk. + 6. Karel Buurs. + +Jan en Tines waren nu dus het eerst aan de beurt, en wij durfden +gerust voorspellen, dat Jan het verliezen zou. Hij was wel een goed +steltlooper, maar Tines was de vlugste van ons allen. Toch hadden wij +ons vergist, want beide keeren had Tines het ongeluk te vallen, terwijl +Jan harder scheen te loopen, dan wij ooit van hem gezien hadden. + +»Numego dgie en vieg!» riep mijnheer Denappel, en nu moest ik tegen Bob +draven. + +»Houd je goed, Dorus!» riepen sommigen mij toe. Vooral Tines Wobbe, die +nu ook dood was, scheen Bob de overwinning in het geheel niet te gunnen. +Hij moedigde mij met luider stem aan, mijn leven zoo duur mogelijk te +verkoopen. + +Bob keek hem eens met een schuin oog aan, en zei: + +»Hij gunt mij niet veel goeds, Dorus. Wat zou hij lachen als ik het +verloor.» + +»Laat hem, Bob. Wij zullen er eerlijk om kampen, en elkaar niet boos +aankijken, als het straks beslist is, hoe die beslissing ook zijn moge.» + +»Natuurlijk,» was het eenvoudige antwoord. + +»Klaag?» riep mijnheer Denappel. »Vooguit dan. Eén-twee-dgie!» + +Ik liep, wat ik loopen kon, en maakte naast Bob lang geen gek figuur, +want ik bleef hem kort op de hielen. + +Tines Wobbe riep mij voortdurend toe: + +»Houd vol, Dorus! Je wint! Je wint! Houd vol!» + +Maar het mocht niet baten. Twee keeren achtereen werd ik door Bob +verslagen. Ik was dood. + +Van het laatste tweetal bleef Cor Valk de baas, zoodat er nu nog maar +drie overbleven, en wel Jan van der Vliet, Bob de Wild en Cor Valk. + +Eerst moesten Jan en Bob loopen. + +»Nu zal Jan den prijs winnen,» fluisterde Bob mij toe. »Als ik het tegen +hem verlies, schieten hij en Cor Valk alleen over en van Cor kan hij het +wel winnen.» + +»Dus je wilt het hem laten winnen?» + +»Ja,» zei Bob, »ik zou zoo graag willen, dat hij den eersten prijs won, +al was het alleen maar, om Tines Wobbe te plagen.» + +»Maar dan win jij niets?» zei ik. »En je loopt het hardst.» + +»Dat hindert niet. Ik wil Tines nu eens echt boos zien worden.» + +»Neen Bob, dat weet ik wel beter. 't Is volstrekt niet, omdat je Tines +kwaad wilt maken, maar omdat je medelijden met Jan hebt. Dàt is de +reden.» + +»Gekheid!» zei Bob heengaande. »Je hebt het mis, hoor Dorus, heelemaal +mis!» + +Jan en Bob stonden gereed, en na de gewone drie tellen staken zij af. +Jan liep wat hij loopen kon, al was het dan ook niet, om te winnen, want +hij wist wel, dat Bob sneller liep dan hij. Zijne verbazing kende dus +bijna geen grenzen, toen hij bemerkte, dat Bob wel dicht bij hem, maar +toch steeds achter hem bleef en het maar niet scheen te kunnen winnen. + +»Kijk eens,» riepen de jongens, die zich verwonderden over hetgeen zij +zagen, »kijk eens, Jan wint het van Bob! Houd je goed, Bob, houd je +goed. -- Kijk, Bob verliest -- nog een oogenblik -- wel heb ik van mijn +leven, Bob heeft het verloren! Hoe is dat mogelijk?» + +»Ik lijk wel moede te worden,» zei Bob, toen de jongens hem bestormden +met de vraag, hoe dit mogelijk was. + +»Dat is vreemd» zei Jan, »want ik ben in het geheel niet moê.» + +Nu volgde de tweede rit, en -- met denzelfden uitslag. Bob had twee +streepjes en was dus dood. + +Thans moesten na eene kleine pauze Jan en Cor Valk om den eersten en den +tweeden prijs kampen, en de uitkomst was, zooals Bob die voorspeld had. +Jan won den eersten en Cor den tweeden; zoodat alles heel anders was +afgeloopen, dan wij gedacht hadden. + +Wat was Jan van der Vliet blij! + +»Toch kan ik het mij niet begrijpen, Bob,» zei hij, »want jij loopt toch +veel beter dan ik.» + +»Wacht maar, Jantje,» zei Bob, die er ook zeer verheugd uitzag, nu zijn +list zoo goed gelukt was, »ik zal het later wel eens beter overdoen, dat +beloof ik je!» + +»Nu naag den tuin,» zei mijnheer Denappel. En wij volgden hem allen, om +getuigen te zijn van de prijsuitdeeling. + +Hij plaatste zich achter de tafel en liet Jan en Cor tegenover hem +staan. Daarachter stonden wij allen op een hoop gedrongen. 't Werd nu +stil, en mijnheer Denappel zeide: + +»Waagde Vgiendjes! Ik heb een gecht pgettigen middag gehad en met +vgeugde heb ik gezien, dat je op de stelten gechte bazen bent. 't Spijt +me wel, dat ik voog iedeg van jelui geen pgijs beschikbaag heb, want ik +zou eg je gaag allen een geven. Dat kan nu eenmaal niet. Hieg heb ik een +pgachtig boek in een fgaaien band, en dat boek geef ik jou, Jan van deg +Vliet, omdat ik tot mijne vgeugde gezien heb, dat jij vlugste van allen +zijt. Hieg, mijn jongen, lees eg pgettig in! Het heet Gobinson Cgusoë.» + +Met een hoog rood gelaat van blijdschap nam Jan het prachtige boek aan. + +Mijnheer Denappel drukte hem de hand en Jan betuigde zijn dank. + +»En hieg heb ik den tweeden pgijs, Cog Valk, een boek, waagin je de +avontugen kunt lezen van den Bagon van Munchhausen. Dat boek heb jij +eeglijk gewonnen; ziedaag, neem het van mij aan, en lees het met +pleizieg.» + +Ook Cor nam onder dankbetuiging zijn prijs in bezit. + +»En nu heb ik hieg nog een fgaaie pogte-monnaie,» vervolgde mijnheer +Denappel, »en ik beggijp, dat je nieuwsgiegig zijt, aan wien ik die zal +geven. Dit voogwegp is geen pgijs, vgiendjes, die doog dezen of genen +gewonnen is, neen, -- 't is een cadeau, dat ik geef, aan wien ik wil. En +nu geef ik haag aan Bob de Wild, omdat die agme jongen zóó bijzondeg +moede gewogden is dezen middag, dat hij op het laatst lang zoo hagd niet +meeg kon loopen als in het eegst. 't Is dus uit medelijden, dat hij dit +geschenk van mij kgijgt.» + +Hij reikte de porte-monnaie aan Bob over en knipoogde bijna onmerkbaar +tegen hem. Ik zag het en begreep nu zeer goed, dat hij opgemerkt had, +hoe Bob met voordacht Jan den prijs had laten winnen, wat hij zeker eene +mooie daad van Bob vond. + +Bob bedankte hartelijk voor het mooie geschenk en was er zeer blijde +mede. Hij deed de beugels open en dicht, en zeide tegen ons: + +»'t Is eene beste, hoor haar maar eens flink dichtknippen.» En haar +Tines bij het oor houdende zeide hij: »Luister maar, Tines, je kunt het +best hooren.» + +Tines luisterde, maar hoorde niets. Wel voelde hij plotseling eene +hevige pijn in zijn oorlelletje, en dat was geen wonder, want Bob had +zijn cadeau er zoo dicht bijgehouden, dat het vel er tusschen geknipt +zat. O, o, wat schreeuwde Tines benauwd, en met de porte-monnaie aan het +oor, sprong hij als een wilde door den tuin rond. + +'t Was een dwaas gezicht, waarover wij verbazend veel pret hadden. Bob +stond te schudden van het lachen, en ik geloof zelfs op dit oogenblik +nog, dat de ondeugd het er om gedaan had. + +Mijnheer Denappel verloste Tines van het pijnlijke oorbelletje en gaf +het Bob terug, daarbij dreigend den vinger tegen hem opstekende. + +Wij bleven nu nog prettig een paar uren in den tuin spelen, en +vertrokken pas toen het al donker begon te worden. Ons luid: Lang zal +hij leven! Hoezee! Hoezee! ter eere van mijnheer Denappel, weerklonk +over het geheele dorp. + +'t Was een heerlijke middag geweest. + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + Van een klein bakkertje en een grooten wagen. Hoe wij + eene wandeling door het bosch maakten en Burts ontmoetten. + Onze vlucht en de gevolgen daarvan. + Pieter komt tot de ontdekking, dat het in + het bosch spookt. + + +'t Zal een dag of drie later geweest zijn, toen wij met ons vieren, Bob +en zijn neef Pieter, Karel Holm en ik, eene wandeling maakten door het +dorp. Pieter zou den volgenden dag weer met zijne Mama naar Amsterdam +terug keeren. Ik zeg, dat wij eene wandeling maakten, maar dat is +eigenlijk niet geheel juist, want we stonden heel dikwijls stil, b.v. +als Bob zich verbeeldde, een grooten visch aan de oppervlakte van het +water te zien zwemmen, of als Karel dacht, in het kreupelhout langs den +weg een egel te zien, of als wij een meikever meenden te hooren brommen +en vruchteloos naar het onschuldige diertje uitzagen, met het vaste +voornemen, om hem te vangen, als ons dat mogelijk was. Soms ook zaten +wij vertrouwelijk aan den kant der beek, en staarden naar de kabbelende +golfjes en luisterden naar het suizelen van het riet, of maakten kleine +scheepjes van de bladen daarvan, die wij op het water lieten drijven. + +Opeens begon Bob te lachen, zonder dat wij de reden daarvan konden +bevroeden. + +»Waar heb jij zoo'n pret over, Bob?» vroeg ik. + +»Ach,» zei hij, »zie je ginds dien grooten broodwagen wel, daar bij het +huis van Wobbe?» + +»Ja wel,» zei Karel, »maar het grappige daarvan zie ik nog niet in.» + +»Neen, ik ook niet,» zei ik. + +»Dat wil ik wel gelooven,» hernam Bob. »Nu moet je straks eens kijken, +als de bakker terugkomt. Dat mannetje is zoo klein als de wagen groot +is, en als hij nu brood uit dien wagen moet krijgen, gaat hij op de +ijzeren trede staan, die je daar ziet, en duikt bijna geheel in zijne +kar weg.» + +»En is dat nu zoo grappig?» vroeg ik. + +»Kijk,» zei Bob, »daar komt hij weer. Flap! Het deksel doet hij open, en +wip -- nu staat hij op de trede. Ha-ha, daar gaat hij weer voorover, den +wagen in. Zie je nu wel, hoe grappig! Hij verliest bijna zijn evenwicht. +Je zoudt zeggen, wat moet zoo'n klein manneke nu met zoo'n grooten wagen +doen? Als hij een klein beetje hulp krijgt, wipt hij voorover op zijne +bollen en stoeten. Ha-ha-ha!» + +Nu, 't was inderdaad wel grappig te zien, hoe het kleine bakkertje zijne +brooden uit den wagen opdiepte. Maar bijzonder sterk interesseerde de +zaak ons toch niet. Alleen Bob vond het verbazend grappig. + +»Zeg jongens,» riep hij ons toe, »ik kan het heusch niet laten, hoor. Ik +moet hem een handje helpen!» + +»Om eene duikeling in de wagen te maken?» vroeg Karel, wien het plan ook +wel min of meer toelachte. + +»Natuurlijk!» zei Bob. + +»Ik zou het je afraden,» zei Pieter. »Ik acht het eene gevaarlijke +onderneming.» + +»Gevaarlijk is ze nooit, want als ik het deksel dicht doe, kan hij er +nooit meer uit!» zei Bob. »Dan is het Hugo de Groot in de boekenkist! Ik +ga, jongens, die grap moet ik hebben.» + +Wij stonden op, om te zien, hoe het zou afloopen. + +Bob ging regelrecht op den wagen af. De bakker was weer bij een huis +aangegaan, om zijne waar te verkoopen, maar weldra kwam hij terug. + +Ja, daar ging het deksel weer open en stapte hij op de trede. Een +oogenblik later verdween zijn bovenlijf in de kar. Zie, hij moest zelfs +op de teenen gaan staan, om in alle hoeken te kunnen komen. + +Dit oogenblik had Bob afgewacht. Vlug als de wind gaf hij den braven man +een duwtje -- en, o heden, wat was het een bespottelijk gezicht -- daar +duikelde de bakker voorover in zijn wagen. In het volgende oogenblik was +het deksel dicht. + +Och, och, wat moest die Bob geweldig lachen! Een paar vrouwtjes, die het +tooneeltje van achter hare ramen, waar zij kousen zaten te stoppen, +hadden aangezien, kwamen verontwaardigd naar buiten snellen. Wij vonden +het ook wel grappig -- maar toch zouden wij ons nog wel eens bedacht +hebben, eer wij het gedaan hadden. + +Bob zette het op een loopen, zooals van zelf spreekt. Hij behoefde niet +bang te wezen, dat de bakker niet uit zijne gevangenis verlost zou +worden, want het gebeurde midden in het dorp, zoodat verscheidene +menschen het hadden gezien. Bovendien steeg er zulk een jammerlijk +gehuil uit den wagen op, dat men het wel hooren moest. + +»Wel, wel, wat een portale jongen!» zei een van de vrouwtjes, die naar +buiten gekomen waren. »Je zoudt zeggen, waar haalt de jongen de +portaligheid vandaan?» + +Zij zette hare handen in de zijden en schudde bedenkelijk met het hoofd. + +»Ja buurvrouw,» was het antwoord, »dat mag je zeggen, m'n lieve mensch. +Wil je wel gelooven, dat ik er beduusd van ben? De schrik zit me nog +door me heele lijf, zoowaar als ik hier voor je sta.» + +»Hoor me dien man eens aangaan!» zei weer de eerste, zonder evenwel eene +hand uit te steken, om hem te helpen. + +»'t Is eene schande, dat zeg ik maar, en die jongen groeit op voor galg +en rad. Help maar eens kijken!» + +»'t Is zeker wilde Bob wel weer geweest?» vroeg de andere. + +»Help! Help!» klonk het onophoudelijk uit den wagen, uit welke +noodkreten wij duidelijk konden opmaken, dat het den kleinen bakker +volstrekt niet beviel in zijn Luilekkerland. + +Op dit oogenblik kwam Bob zoo brutaal mogelijk terugloopen. De +aardigheid scheen hem lang genoeg geduurd te hebben, want met eene +behendige beweging maakte hij het deksel los en lichtte het een weinig +op. Op hetzelfde oogenblik verscheen het verschrikte hoofd van den +bakker boven den rand, daarna zijn bovenlijf -- en nu zette Bob het voor +de tweede maal op een loopen, zoo snel als hij kon. Hij vloog langs ons +heen. + +»Komt jongens!» riep hij ons toe. »Loopen, hoor, want als hij je krijgt, +zal het je niet bevallen.» + +Nu, wij waren doodonschuldig aan de geheele zaak, dat kan niemand +ontkennen, maar toen wij zagen, welke booze blikken de bakker op ons +wierp en hoe hij naar zijne zweep zocht, vonden wij het geraden, ook het +hazenpad te kiezen. Wij volgden daarom Bob meer overhaast dan eervol en +hadden hem weldra ingehaald. + +Het laatste huis van het dorp hadden wij spoedig achter ons en zonder +een bepaald plan te hebben sloegen wij een smal pad in, dat naar het +bosch van Baron van den Kasteele voerde. Dat de bakker ons niet meer +vervolgde, hadden wij al sedert lang opgemerkt. Wij vertraagden dus +onzen gang en liepen doelloos verder. + +Zoo kwamen wij aan den ingang van het bosch, waar op een bordje, dat aan +een hoogen iep was getimmerd, de woorden »Verboden Toegang» te lezen +stonden. + +»Willen wij er ingaan?» vroeg Karel. »'t Ziet er daar zoo echt prettig +uit.» + +»Mij goed!» zeiden Bob en ik. + +»Maar er staat »Verboden Toegang!» op dat bordje,» zei Pieter, op de +waarschuwende woorden wijzende. »Zouden we er geen kwaad mede kunnen?» + +»Och kom, wees wijzer,» zei Bob. »Dat bordje doelt alleen op stroopers, +die hier wel eens komen. Wij gaan er geen kwaad doen.» + +Pieter keek zijn neef Bob met een wantrouwigen blik aan. Blijkbaar was +hij daarvan niet erg zeker. + +»Kom, Pieter, niet zeuren,» zei Karel. »Als we den boschwachter tegen +komen, waarvan wij natuurlijk niet veel gevaar loopen, omdat het bosch +zoo groot is, zullen wij er ons zonder murmereeren weer uit laten jagen, +dat is alles. Dan heeft de goede man alle redenen tot tevredenheid en +kan hij niet anders getuigen, dan dat wij brave jongens zijn.» + +Die woorden van Karel kwamen ons zeer juist voor, en ook Pieter scheen +er door overtuigd te zijn, want na enige weifeling volgde hij ons het +bosch in. + +Wat was het daar heerlijk. De boomen verhieven hunne zacht wuivende +kruinen hoog in de lucht en wij baadden ons als het ware in de geur +van het jonge groen, dat ons omgaf. Wat stak dat lichte voorjaarsgroen +prachtig af tegen den donkeren achtergrond van de sparren en dennen, die +daar in grooten getale werden gevonden. Wij hoorden de nachtegalen slaan +en de ooievaars klepperen. O, 't was er verrukkelijk! + +Manmoedig stapten wij in het bosch voort, doch -- al hielden wij ons +zeer heldhaftig en al riepen wij Pieter om 't hardst toe, dat hij gerust +meê kon gaan en geen vrees behoefde te koesteren, toch waren wij zelf +ook niet geheel op ons gemak, want de Baron was een lastig man, en zijn +boschwachter, die Burts heette, was zelfs algemeen gevreesd. + +Al spoedig begon het terrein heuvelachtig te worden, zoodat wij berg-op, +berg-af gingen. Nu eens zaten wij op den top van een hooge duin, vanwaar +wij een prachtig gezicht hadden op de omgeving, dan weer lagen wij te +rusten in eene vallei, die aan alle zijden door heuvels ingesloten was. +In een van die valleiën vonden wij een pas gegraven kuil, die zoo diep +was, dat het water er wel ruim een meter hoog in stond. Over den kuil +lag eene plank. + +»Wat zou dat zijn? Waartoe zou de Baron dien kuil gegraven hebben?» +vroeg Bob, die midden op de plank stond en met een langen tak van een +boom peilde, hoe diep het gat wel zou zijn. + +»Ik weet het niet,» zei ik. + +»Ik geloof, dat de Baron eene waterleiding wil aanleggen naar zijne +villa,» zei Karel. »Het zou best kunnen zijn, dat die hier gemaakt +wordt.» + +»Wel mogelijk,» zei Bob. »Pas op, Karel, niet zoo dringen, want als ik +van de plank val, ben ik doornat.» + +Maar Karel hield niet op, en nu begonnen die twee eene stoeipartij, +waaraan wij weldra allen meêdeden. Wij waren evenwel zoo verstandig de +plank te verlaten, want niemand van ons had lust een nat pak te halen. +Al stoeiende werden wij hoe langer, hoe wilder. Wij zaten elkander na +tegen de hoogten op en lieten ons dan weer van boven-af neerrollen, +wat wij buitengewoon vermakelijk vonden. Soms renden wij, zoo hard wij +loopen konden, van de hoogte af naar omlaag, de plank over en dan +weer tegen den tegenoverliggenden heuvel op, zoodat wij zwoegden van +inspanning. Wij vermaakten ons kostelijk en waren weldra zoowel den +baron als zijn boschwachter vergeten. + +Kwaad deden wij niet, althans in het eerst niet, maar dat zou +veranderen. Bob kon nooit ergens afblijven, en zoo ook nu niet. Toen +wij eenige keeren in vollen draf over de plank gegaan waren, begon Bob +de plank van den kuil te trekken en sleepte haar tegen de helling op. +Daar zette hij haar op het einde en liet haar balanceeren. Het is te +begrijpen, dat zij telkens omviel en dan met geweld tegen den grond +terecht kwam. Dat spelletje werd zoo dikwijls herhaald, tot wij een +hevig gekraak hoorden, waardoor het ons allen duidelijk werd, dat zij +gebroken was. + +»Stuk!» zei Bob. + +»Ja, stuk, Bobbertje!» zei Karel op leuken toon. »Daar heb je eer van.» + +»Laten we vluchten,» zei Pieter in grooten angst. »Als de baron komt en +ziet, wat we gedaan hebben, zal het nog slecht met ons afloopen.» + +»Niet zoo bang wezen, Pieter,» zei Bob. »Zeg jongens, die plank is niet +stuk, kijkt maar.» + +»Hij is niet in twee stukken gevallen, dat is waar,» zei ik. »Maar toch +is ze stuk, Bob. Je kunt het duidelijk zien.» + +»Ja, dat kan ik niet ontkennen. Nu, gedane zaken nemen geen keer, en +met den besten wil is het mij niet mogelijk, deze plank weer heel te +maken. Toe Dorus, help mij eens, door het andere einde op te nemen. Dan +leggen wij haar weer netjes over den kuil en niemand kan zien, dat zij +stuk is.» + +»En als er nu iemand komt en er over loopt?» vroeg Karel. + +»Dan breekt de plank en krijgt hij een nat pak,» zei Bob. »Dat lijdt +geen twijfel.» + +»Maar dat is een leelijke streek,» zei Karel. »Je moet dat niet doen, +Bob, -- ik heb het liever niet.» + +»Maar wat dan?» vroeg Bob. »Wij kunnen de plank toch niet hier laten +liggen?» + +»Ik weet er wat op,» zei Pieter. »Hier heb ik een stukje krijt. Laten +wij er aan de beide einden opschrijven dat ze stuk is. Wanneer dan +iemand komt om er over te loopen, wordt hij gewaarschuwd.» + +»Als het ten minste niet gaat regenen,» meende Karel. »Maar je hebt +gelijk, Pieter, -- laten wij het er duidelijk opschrijven.» + +Bob nam nu het stukje krijt, en schreef aan elk einde met duidelijke +letters: + +»Deze plank is gebroken.» + +»Zie zoo,» zei hij vol zelfvoldoening over zijne daad, »dat is +duidelijk, dunkt me. Wie er nu toch nog over loopt, moet er zelf de +gevolgen maar van dragen. Toe Dorus, help eens even een handje.» + +Wij droegen de plank nu naar beneden en legden haar weer precies, zooals +we haar gevonden hadden. + +»Willen we nu verder gaan?» vroeg Pieter, die zich in het bosch nog in +het geheel niet op zijn gemak gevoelde. + +Wij vonden zijn voorstel goed, en klommen over den heuvel. Daarna kwamen +wij weer in eene vallei, die rondom diep was uitgespit en klommen aan +den anderen kant tegen eene zeer steile helling op, zóó steil, dat wij +ons aan het kreupelhout moesten ophijschen om er tegen op te komen. + +En nauwelijks was Bob met zijn hoofd boven den top, of hij fluisterde +ons toe, dat wij geen gedruisch moesten maken, en heel zacht naar boven +klimmen. + +»Daar zijn konijnen aan het spelen,» zei hij zacht. + +Wij bereikten nu ook de hoogte, die zoo smal was, dat wij ons moesten +vasthouden, om niet achteruit naar beneden te glijden. + +»Wat zijn ze vlug, he? Kijk die dingen eens springen!» + +'t Was inderdaad een aardig gezicht, die diertjes zoo geheel in vrijheid +te zien huppelen en spelen. Er waren er zeker wel twintig. + +»'t Is hier het konijnenland,» zei Karel. »Kijk, die groote, daar ginds +achter de struiken, is zeker de koning.» + +»En die heuvel is hunne stad,» zei Bob. »Zie je die holen daar wel? Dat +zijn de poorten, die toegang tot de stad verleenen. 't Is toch wel +grappig, zulk eene konijnen-kolonie.» + +»Ik wou, dat ik een geweer had,» zei Pieter. »Wat zou ik ze raken!» + +»Jij?» zei Bob lachend. »Misschien schoot je ons wel dood en jezelven er +bij, maar een konijn raakte je niet, zou ik durven voorspellen.» + +»Jij ook niet,» zei Pieter boos. »Jij kunt evenmin schieten als ik.» + +»Had ik maar pijl en boog bij me,» zei Karel. »Dan zou ik het toch eens +probeeren. Een geweer maakt te veel leven. Het zou onze tegenwoordigheid +verraden; maar met pijlen konden we het wagen.» + +»Zouden we geen boog kunnen maken?» vroeg Bob. + +»Niet doen, Bob, niet doen!» zei Pieter. »Laten we nu verder gaan. +'t Wordt hoog tijd.» + +»Nog eventjes,» zei Bob. »We zitten hier nog zoo prettig.» + +»Zitten?» vroeg Karel. »Hangen zou beter gezegd zijn, want ik word moe +van het vasthouden. Kijk, daar komen nog meer konijnen uit de holen. Hoe +komen er zooveel bij elkaar, zou je zeggen.» + +»'t Is geen wonder, dat hier wel eens stroopers komen,» merkte ik op. +»Zij kunnen hier altoos op eene goede vangst rekenen.» + +»Hoe vangen zij die dieren?» vroeg Pieter. + +»Ze graven de holen uit en kruipen er in, zoover ze kunnen. Dan grijpen +zij ze met de handen.» + +»En die ontsnappen langs nevengangen komen in de stroppen terecht, +waarmede de uitgangen afgezet zijn,» vulde Karel aan. »'t Moet wel een +aardig werkje zijn, dunkt me.» + +»Aardig wel, maar gevaarlijk, want als de heuvel instort, wordt de +strooper onder het zand bedolven en moet sterven.» + +»Ook kan hij gesnapt worden door Burts, den boschwachter, zei Bob. »En +dat is ook niet bijzonder prettig, want dan is gevangenisstraf het +einde.» + +»Pang!» klonk plotseling een zwaar schot in onze onmiddellijke +nabijheid. »Pang!» daar viel een tweede schot. + +Een geweldige schrik overviel ons, want wij waren er in het geheel +niet op voorbereid. Drie van ons, Bob, Karel en ik sprongen van schrik +overeind en stonden plotseling in de onmiddellijke nabijheid van den +gevreesden Burts. Maar de vierde, onze waarde Pieter-neef, was van den +schrik als het ware verlamd. Hij had geen kracht meer om zich aan de +struiken vast te houden en onder het slaken van een akeligen kreet rolde +hij hals over kop naar beneden. + +»Ha-ha, knaapjes!» bulderde de boschwachter ons toe. »Daar heb je +jezelven leelijk verraden. Was maar stil blijven zitten, dan had ik je +stellig niet opgemerkt, maar nu ben je in mijne macht. Hoe heet je?» + +Burts haalde een boekje uit zijn zak te voorschijn, om onze namen op te +schrijven. + +»Hoe heet je?» vroeg hij op gestrengen toon, en hij keek Bob strak in de +oogen. Wat zag die man er barsch uit. Zijne knevels schenen mij toe om +te krullen van boosheid. + +»Hoor je me niet? Hoe heet je?» herhaalde hij zoo barsch mogelijk. + +»Vluchten, jongens!» + +Dat was het eenige antwoord, hetwelk aan Bobs mond ontsnapte. En hij +voegde de daad bij het woord. Met eene vlugge beweging liet hij zich +naar beneden rollen, waar hij dicht bij Pieter-neef terecht kwam, die +nog kermend van ontsteltenis in het zand lag te spartelen. + +»Wat is er?» vroeg Bob, die nooit een makker in den steek liet, en +haastig bij hem neerknielde. + +»O, ik ben getroffen,» steunde Pieter. + +»Waar? -- Zeg, Pieter, -- waar?» vroeg Bob angstig. + +»Is hij weg, Bob?» vroeg Pieter, schuw om zich heen ziende. + +»Neen, -- maar jij moet maken, dat je wegkomt!» antwoordde Bob. »Zeg +Pieter, -- wáár ben je getroffen?» + +»Dat weet ik niet, -- o dat weet ik niet!» jammerde Piet. + +»Dan is het ook niet waar! Vooruit, vlucht, daar komt de boschwachter +aan! Vooruit, Pieter, gauw?» + +»De boschwachter? O -- O!» steunde Pieter, overeind krabbelende. »Waar +-- waar is hij, Bob?» + +»Loopen!» zei Bob. »Als een haas! Ik zal hem wel een oogenblik ophouden! +Maar haast je!» + +Pieter begon nu te begrijpen, dat het ernst was, en dat was trouwens te +zien ook, want de boschwachter verscheen nu boven op den heuvel. Eerst +had hij Karel en mij een oogenblik achtervolgd, maar toen hij bemerkte, +dat wij hem te vlug waren, keerde hij terug en trachtte Bob in zijne +macht te krijgen. + +Pieter klom aan de andere zijde tegen de helling op en verdween uit het +gezicht. Bob vreesde echter, dat Burts hem spoedig achterhalen zou, want +Pieter was niet erg bij de hand in dergelijke zaken. Hij besloot daarom, +den boschwachter eenigen tijd op te houden, ten einde zijn neef en ook +ons gelegenheid te geven, een goed heenkomen te zoeken. + +Hij bleef dus in de vallei rondloopen, tot Burts hem vrij dicht genaderd +was. Nu moest zijne bekende vlugheid hem redden. + +»Ha, deugniet, daar heb ik je nu!» hoorde hij Burts zeggen. + +»Mis, man, nog niet,» dacht Bob, maar hij zeide niets. Als een haas zoo +vlug klauterde hij tegen de hoogte op. Hij raakte bijna den grond niet +aan. Maar Burts was vlugger, dan hij dacht, zoodat hij duidelijk merkte, +dat deze hem begon in te halen. + +»Krijgen zàl ik je!» hoorde hij hem zeggen. + +Nu had Bob den top bereikt, en hij bemerkte, dat hij thans de vallei +weer genaderd was, waar de nieuwe waterleiding moest komen. + +Als een bal liet hij zich naar beneden rollen, en hij had het geen +oogenblik later moeten doen, want reeds strekte Burts de hand uit, om +hem bij de beenen te grijpen. Nu ontsnapte Bob hem. + +Deze liep op den put toe, die midden in de vallei lag, met het +voornemen, de plank over te loopen en aan den overkant weer omhoog te +klauteren. Dat de plank stuk was, herinnerde hij zich al niet meer, en +juist wilde hij er den voet op zetten, toen hem de met krijt geschreven +letters in het oog vielen. + +»O ja, omloopen!» mompelde Bob. Hij hoorde Burts met groote schreden +naderen, maar durfde zich geen oogenblik tijd gunnen, om eens achter +zich te kijken. + +»Nu ontsnap je mij niet meer, kleine schelm!» hoorde hij zijn vervolger +roepen, en deze voorspelling stemde onzen Bob verre van aangenaam. + +[Illustration: Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak.... +(pag. 195).] + +Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak achter zich, welk gekraak +gevolgd werd door een geweldigen plons, als van iemand, die in het water +viel. En plotseling ging Bob een licht op. Ongetwijfeld was Burts, om +hem den pas af te snijden, op de plank gestapt, niet wetende, dat deze +gebroken was. En nu moest zonder twijfel de lange Burts er doorgezakt en +in den kuil gevallen zijn. Bob hoorde, hoe er in het water geplast werd, +en hoe de boschwachter pogingen deed, om tegen den hoogen kant op te +springen. + +Nu durfde Bob wel een oogenblik stilstaan, en omkijken. Ja waarlijk, +daar zag hij het hoofd van den vertoornden boschwachter boven den rand +van den put uitkomen, en hij zag ook, hoe diens beide handen zich aan +den rand vastklemden en hoe hij poogde, er uit te springen. Wel een paar +malen mislukte hem dit en zakte de man, die hoe langer hoe toorniger +werd, tot aan zijn middel in het water terug. + +'t Was zoo'n koddig gezicht, dat Bob het uitschaterde van de pret. En +dat lachen maakte Burts nog boozer. Hij spande al zijne krachten in, +sprong nogmaals omhoog en ja, nu gelukte het hem, zich op den kant te +werken. O, o, wat droop het water hem uit de kleêren! Bob kon niet tot +bedaren komen van het lachen. + +Maar nu kwam Burts met groote schreden op hem af; het was den man aan te +zien, dat zijne woede geen grenzen kende. + +»Nu wordt het mijne beurt!» riep hij Bob met beide vuisten dreigend toe. +Maar Bob wachtte hem niet af. Vlug als eene kat klauterde hij omhoog en +was weldra verdwenen. En Burts klauterde hem wel na, maar och, doornat +als hij was, viel dat werkje hem erg moeilijk, en toen hij, eindelijk op +de hoogte gekomen, van Bob geen spoor meer kon ontdekken, gaf hij de +vervolging geheel en al op. Hij keerde naar huis terug, om droge kleêren +te gaan aantrekken. + +En Bob verliet zoo spoedig mogelijk het bosch langs denzelfden weg, dien +hij het ingekomen was. Aan den uitgang werd hij aangenaam verrast, door +daar Karel en mij te vinden. Wij zaten daar al enkele minuten op hem en +Pieter te wachten. + +Wel, wel, wat moesten wij lachen, toen Bob ons vertelde, wat er met +Burts gebeurd was. 't Is misschien wel niet mooi van ons, maar wij +verheugden ons toch buitengewoon in de poets, die hem gespeeld was. +'t Was dan ook een akelige man, van wien niemand hield. + +»En nu is hij doornat naar huis gegaan, denk ik,» zoo besloot Bob, +grinnekend van pret, zijn relaas. »Neen jongens, 't zou me wat waard +geweest zijn, als jelui het had kunnen zien, want het was een eenig +schouwspel. Ik zal het mijn leven lang niet vergeten. Maar apropos, waar +is Pieter-neef?» + +»Die is er nog niet,» zei ik. »Wij dachten, dat hij gelijk met jou zou +komen. Heb-je hem niet gezien?» + +»Neen, die malle jongen lag aan den voet van den heuvel te jammeren, dat +hij getroffen was door die schoten van Burts, en dat werd bijna mijn +ongeluk. Want ik heb hem gezegd, dat hij het totaal mis had en zoo snel +mogelijk beenen moest maken, om uit de handen van Burts te blijven. Maar +dat alles hield mij zoo lang op, dat ik zelf bijna het kind van de +rekening werd. Waar zou hij nu blijven?» + +»Vermoedelijk in het bosch,» zei Karel leuk. »Hij zal wel komen, maak je +maar niet ongerust. Kom een poosje op je gemak bij ons zitten, en laten +wij geduldig afwachten. Misschien is hij wel hier of daar weggekropen.» + +Bob deed het en nu bleven wij eenige minuten wachten, maar Pieter-neef +bleef onzichtbaar. Wij begonnen ons eindelijk een beetje ongerust te +maken, want de avond begon te vallen en de zon zou weldra ondergaan. Dat +laatste juist was het, wat wij vreesden, want dan zou het in het bosch +al spoedig zeer donker worden, zoodat het iemand als Pieter moeilijk zou +vallen, den rechten weg te vinden om er uit te komen. + +»Wil ik jelui eens wat zeggen?» zei Bob eindelijk. »Ik geloof, dat +Pieter-neef verdwaald is.» + +»Dat zou erger zijn,» vond Karel. + +»Het ergste, wat hem overkomen kon,» meende ik. + +»Als het waar is, wat ik vermoed, zal hij doodsangsten uitstaan, vrees +ik,» hernam Bob. + +»Ongetwijfeld!» zei Karel. »Het loopt hem hier in 't bosch ook in het +geheel niet meê. Ik denk, dat hij van middag zijn pleizier wel op kan.» + +»Ja, -- hij treft het slecht. Maar zeg, wij kunnen hem niet aan zijn +lot overlaten, niet waar?» + +»Neen, dat gaat niet!» stemde Karel toe. + +»Natuurlijk niet!» zei ik. »Wij moeten hem trachten op te sporen.» + +»Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan,» zei Bob. »'t Bosch is heel +groot en er zijn een tal van paden en lanen in. Wie weet, hoe ver hij in +zijn angst al afgedwaald is.» + +»Laten we gaan,» stelde ik voor. »We moeten langer geen tijd verliezen.» + +»En Burts dan?» vroeg Karel. + +»Burts zal van avond wel thuis blijven. Hij gaat bepaald vroeg naar bed, +want na een bad is men altijd slaperig,» zei Bob. »Ga je mede?» + +Wij sprongen op en volgden Bob ten tweeden male het bosch in. + +»Zou het niet noodig zijn, dat wij ieder een verschillenden kant +uitgingen?» vroeg ik. »Dan hebben wij veel meer kans, om hem spoedig te +vinden.» + +»Laten wij eerst eenigen tijd bij elkander blijven, want als wij +scheiden, kunnen wij elkander ook niet meer terug vinden,» zei Karel. + +»Zou ik hem durven roepen?» vroeg Bob. »Of zou dat met het oog op Burts +gevaarlijk zijn?» + +»Dat is het zeker,» zei ik. »Hoe harder je roept, hoe meer kans om +gesnapt te worden.» + +»Nog niet roepen,» vond Karel. »Dat kunnen we wel doen, als het geheel +donker is, maar nu is het nog te gevaarlijk. Wat wordt het al duister +hier in het bosch, vindt-je niet?» + +»Over een half uur is het geheel donker,» zei Bob. + +»'t Is te hopen, dat wij hem voor dien tijd gevonden hebben.» + +»'t Is eene mooie geschiedenis,» zei ik, wel een beetje onrustig, nu het +zoo laat werd, eer ik thuis kon zijn. Want het was een vaste regel bij +ons, dat wij vóór donker binnen moesten zijn. Pa hield daar streng de +hand aan. + +Wij brachten nog ruim een half uur zoekende door, zonder evenwel eenig +spoor van Pieter te ontdekken. + +Het werd thans hoog tijd om naar huis terug te keeren, waar men zeker +al ongerust over ons lange uitblijven begon te worden. Maar daar stond +tegenover, dat het hoogst onaangenaam voor ons was, zonder Pieter naar +huis te moeten gaan. + +Bob was daartoe dan ook in het geheel niet te bewegen. + +»Ik blijf hier,» zei hij op zijn gewonen beslisten toon. »Ga gij beiden +maar naar huis terug en zeg aan Pa, wat er gebeurd is. Vraag hem, eenige +menschen te zenden, om mij bij het zoeken te helpen. Of weet je iets +beters?» + +Neen, dat wisten wij niet, maar om op deze wijze terug te keeren, vonden +wij ook onaangenaam. + +»Laten wij eerst eens boven op een heuvel gaan staan en zoo hard roepen +als we kunnen,» zei Karel. »Of de boschwachter ons hoort of niet, is mij +thans geheel onverschillig. Wij kunnen Pieter niet aan zijn lot +overlaten.» + +»Je hebt gelijk,» zei Bob. »Laten we gaan.» + +Wij beklommen den top van eene hooge duin en verhieven in koor onze +stemmen. 't Was gelukkig zeer stil in de natuur, zoodat men ons ver in +den omtrek moest kunnen hooren. + +»Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter!» weerklonk het uit drie monden +tegelijk, en onze stemmen klonken ons daar van dien top des heuvels +en in de stille duisternis van den vallenden nacht geheimzinnig in de +ooren. De vogels in de takken der boomen schrikten er van wakker en +vluchtten ijlings heen. Nachtuilen deden hun gekras hooren en sommigen +van hen lachten op eene allerakeligste manier, precies als menschen, +maar op een vreemden toon. Ik moet eerlijk bekennen, dat mij bij het +hooren daarvan eene rilling door de leden voer. + +Nogmaals lieten wij ons krachtig geroep hooren. Daarna bleven wij stil +staan, om te luisteren. Hoe hoopten wij, dat eenig antwoord onze +gehoorvliezen zou doen trillen. + +Doch wij luisterden tevergeefs. + +»Nog eens roepen, jongens,» zei Bob. »Den moed nog niet opgeven.» + +Weer klonk ons roepen door de nachtelijke stilte, en weer luisterden +wij, of wij iets mochten vernemen. + +Opeens zei Bob: + +»Luister, jongens, ik hoor iets!» + +Wij luisterden. + +»Hoor, -- daar is het weer!» fluisterde Bob ons toe. + +»Ja, -- ik hoor het ook,» zei ik. »Dat moet Pieter zijn. 't Komt van +dien kant.» + +Bij die woorden wees ik naar den uitgang van het bosch. + +»Laten we hem tegemoet loopen,» zei Karel, »en dan straks nog eens +roepen. Dan hooren we hem misschien reeds beter.» + +Dat deden we, en na enkele minuten geloopen te hebben beklommen wij +opnieuw een heuvel en lieten weer ons geroep hooren. + +»Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter!» + +Wij schreeuwden met bijna bovenmenschelijke kracht, en luisterden +daarna, of we Pieters antwoord hoorden. + +Ja, daar vernamen wij het reeds vrij duidelijk. Ongetwijfeld waren wij +elkander tegemoet geloopen. Dat gaf moed! + +»Voorwaarts, jongens, we bewegen ons in de goede richting!» riep Bob ons +opgetogen toe. »'t Is toch wel aardig, hê, zoo'n nachtelijk tochtje door +een bosch. 't Is zoo geheimzinnig!» + +Met moed gingen wij thans verder, steeds roepende, om Pieter de +gelegenheid te geven, ons tegemoet te komen. + +Nu werd zijn geluid voortdurend duidelijker, en eindelijk -- ha, daar +vonden wij hem. O, wat zag hij bleek van den doorgestanen angst. Hij +beefde over zijn geheele lichaam. + +»Goddank! Goddank!» fluisterde hij ons toe. »O, wat ben ik blij, dat +jelui me niet aan mijn lot hebt overgelaten.» + +»Nu dadelijk naar huis!» zei ik. »Er zal toch al wat voor me opzitten, +als ik thuis kom.» + +Met vluggen pas zochten wij den uitgang van het bosch op en weldra +hadden wij het dorp bereikt. + +Pieter begon meer en meer tot zichzelven te komen, maar wij merkten toch +duidelijk, dat hij een vreeselijken angst had uitgestaan. + +»'t Was verschrikkelijk, daar in het bosch,» zeide hij zacht en met eene +huivering, »en wat was het er donker, griezelig donker. En het spookt +er ook, want telkens hoorde ik menschen, die mij op eene allerakeligste +wijze uitlachten. O, als ik dat geluid weer hoorde, was het of ik door +den grond heenging van schrik. Ik ga nooit, nooit weer met jelui mede, +als je weer naar het bosch gaat.» + +»Och, -- dat waren uilen!» zei Bob. »Wees wijzer, jongen!» + +Wij waren nu de brug genaderd, waar onze wegen scheidden. Met een +haastigen groet begaven wij ons ieder naar onze woning, waar Pa mij +alles behalve vriendelijk ontving. Wel knikte hij goedkeurend, toen ik +vertelde, dat wij niet zonder Pieter naar huis wilden terugkeeren, maar +hij zeide gestreng: + +»Wat moest je in dat bosch doen? Je weet immers, dat de toegang daar +verboden is? Als de boschwachter jelui opgepakt en achter slot en +grendel gezet had, zou je naar behooren gestraft geweest zijn.» + +»Och,» zei Moe, die een goed woordje voor mij wilde doen: »'t Komt alles +van dien wilden Bob. Dat is ook in het geheel geen goed kameraad voor +hem. Ga naar bed, Dorus!» + +Ik ging, maar toch was ik het niet geheel met Moe eens wat Bob betrof. + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + + Het vertrek van Pieter, en hoe wij hem met ons drieën + een cadeautje en een gedicht stuurden. Hoe Mevrouw + van Koorde en haar dienstmeisje op de vlucht + werden gejaagd en Pieter het verloren + terrein heroverde. + + +Den volgenden morgen al vroeg kwam Pieter bij ons, om afscheid te nemen. +Bob vergezelde hem en vertelde mij, dat Pieters Mama wel zeer ongerust +was geweest, maar dat zij toch geen straf hadden ontvangen. + +Ik ging met hen mede terug, want het werd spoedig schooltijd en dan +dienden Bob en ik present te zijn. Bij het afscheid nemen zei Pieter: + +»Dus je denkt er om, Bob, mij eenige meikevers te zenden? Je zult me +daar een groot genoegen mede doen.» + +»Je kunt er vast op rekenen.» + +Wij gingen nog even naar binnen, om ook Mevrouw van Koorde goede reis te +wenschen. + +»Dag Robert,» zei ze, hem op de beide wangen kussende. »Kom je nu ook +eens bij ons in Amsterdam logeeren? Maar daar zijn geen bosschen en +losloopende beren, hoor neefje.» + +Bob lachte eens. + +»Ik wil heel graag, Tante,» zeide hij. »Mag ik dan komen als het +vacantie is? Ik stel me daar heel wat jool van voor.» + +»Jool?» herhaalde Tante. »Pret moet je zeggen, Robert, dat is veel +fatsoenlijker. Dag Dorus, adieu!» + +Bob en ik begaven ons nu regelrecht naar school, want het werd hoog +tijd. Maar wij kwamen toch nog vroeg genoeg. Op het schoolplein spraken +wij nog even met Jan van der Vliet, die er zeer treurig uitzag. + +»Is er slecht nieuws?» vroegen wij hem. + +»Zeer slecht, -- 't kon niet slechter,» zei Jan met een diepen zucht. +»We hebben vanmorgen een brief ontvangen, waarin Vader en Moeder beiden +gedagvaard worden, om voor de rechtbank te verschijnen. 't Is +verschrikkelijk!» + +»Dat is het,» zei Bob, »maar Jan, zij kunnen toch immers nog +vrijgesproken worden?» + +»Kunnen, ja, dat is waar, -- maar dat zal niet gebeuren, jongens. Zij +hebben den schijn tegen zich, en uit de dagvaarding blijkt, dat de +Officier van Justitie hen voor schuldig houdt. De kans op vrijspraak is +zeer gering.» + +Op dit oogenblik ging de schoolbel en moesten wij naar binnen. Maar +wij zagen al spoedig, dat er iets bijzonders aan de hand was, want de +hoofdonderwijzer was nog niet aanwezig en meester de Jong, die altijd +in een ander lokaal les gaf, stond voor onze klasse. Nu gebeurde het +hoogst zelden, dat de hoofdonderwijzer afwezig was, maar die enkele +keeren waren voor ons feestdagen. Meester de Jong zal het echter wel +geen prettige dagen gevonden hebben, want wij konden hem dan geducht +plagen. + +Wij hadden nog maar pas op onze banken plaats genomen, of de +hoofdonderwijzer trad binnen. Het was echter duidelijk aan zijne +kleeding te zien, dat hij uitging. Hij was zelfs geheel in het zwart +gekleed, alsof hij naar eene begrafenis moest. + +»Dorus, kom eens even hier,» riep hij me toe. + +Hij nam mij mede naar een hoek van het lokaal en zeide: »Dorus, ik moet +voor enkele dagen op reis. Er is eene zuster van mij overleden. Wil jij +nu Zondag het orgel voor mij bespelen in de kerk.» + +»Zeker, meester, met genoegen.» + +»Dank je, Dorus. En kan ik er op aan, dat er niets onbehoorlijks zal +geschieden.» + +»Ja meester, daar kan u op aan.» + +»En dat je geen jongens meê zult nemen naar het orgel?» + +»Ik beloof het u, meester.» + +»Uitstekend. Ik twijfel niet, of het zal wel goed gaan. Je speelt maar +bedaard en rustig, hoor Dorus, en laat je niet in de war brengen. Trek +ook vooral niet te veel registers uit.» + +Even later vertrok de meester, na den onderwijzer de hand te hebben +gegeven en een groet tot ons allen te hebben gericht. En nog geen +kwartier later moest Bob al schoolblijven. + +Het ligt evenwel niet in mijne bedoeling, te vertellen hoe wij dien +schooldag passeerden. Genoeg zij het te weten, dat Bob zoowel 's morgens +als om vier uur na moest blijven, en geen klein poosje, dat beloof +ik je. Ik ben er zeker van, dat meester de Jong blij was, toen de +schooluren voorbij waren, en ik moet zeggen, dat dit voor ons geen +groote eer was. Want meester de Jong was een doodgoed man, die ons veel +te zacht behandelde. Als hij wat strenger voor ons geweest was, zouden +wij het hem lang zoo lastig niet gemaakt hebben. + +»Wat zullen we gaan doen?» vroeg Karel Holm, toen Bob, hij en ik +'s avonds bij elkander waren. + +»Meikevers voor Pieter-neef vangen?» vroeg Bob. + +»Dat is goed. Er vliegen er nog in overvloed. Hoeveel moet hij er +hebben?» + +»Een twintig is genoeg,» zei Bob, »maar ik zou het leuk vinden, als wij +er hem een paar honderd konden sturen. O, o, wat zou ik er graag bij +willen zijn, als hij die ontvangt.» + +»Doen?» vroeg Karel Holm, en zelf het antwoord gevende, liet hij er op +volgen: »Ja, -- doen.» + +Wij gingen met eene leege sigarenkist naar den tuin van den notaris, +wapenden ons met ragebollen en dergelijke werktuigen en begonnen onze +jachtpartij, wat we in het geheel niet onaardig vonden. En hoe meer +kevertjes we vingen, hoe grooter onze lust werd. + +Eindelijk was onze kist vol; er zaten niet minder dan driehonderd +gevangenen in. + +»Morgen gaat de looper,» zei Bob. »Dan zullen we Pieter zijn cadeautje +sturen.» + +»Maar hoe?» zei Bob. »In dat kistje gaan ze spoedig dood.» + +»Dat is waar. Weet je wat, in een mandje dan. Wij hebben wel een mandje, +dat daarvoor heel geschikt is, in het schuurtje staan. Dan kunnen ze +onmogelijk doodgaan door gebrek aan lucht. En zeg, jongens, nu moesten +we er een gedichtje bij kunnen doen. Wat zou dat leuk wezen.» + +»Dat kan wel,» zei Karel. »We kunnen toch met ons drieën wel een versje +maken. Zoo bijzonder mooi behoeft het ook niet te wezen.» + +»Goed! Afgesproken! Eerst zullen we de kevers in de mand doen, en dan +het gedicht fabriceeren. Laten we gaan.» + +Ha, wat gonsden en bromden die beestjes, toen we ze uit de kist in de +mand deden. 't Was goed, dat er geen jongejuffrouw bij ons was, want zij +zou het zeker buitengewoon griezelig gevonden hebben, al die torren! + +Nu namen we een dichten doek en bonden dien er zorgvuldig omheen, zoodat +er geen enkele ontsnappen kon. + +»Mooi zoo,» zei Bob met een tevreden knikje, »dat zaakje is in orde. Nu +ons gedicht nog, en dan brengen wij ze naar den looper. Kom maar meê, +dan gaan we naar de speelkamer.» + +Zoo gezegd, zoo gedaan. + +Bob nam een vel papier en een potlood en ging tusschen ons aan de tafel +zitten. + +»Begin nu maar, jongens,» zei hij. »Ik ben klaar.» + +»Begin nu maar?» herhaalde Karel lachend. »Alsof dat zoo gemakkelijk is? +Ik weet geen begin.» + +»Ik ook niet!» zei ik. + +»Dat is flauw,» zei Bob. »Eerst zeg je, dat je het best kunt doen, en nu +het er op aankomt, trek je je terug.» + +»Nu, hier heb ik al vast één regel,» zei Karel. »Schrijf maar op, +Bobbertje, en mopper niet zoo.» + + „Zie Pieter, wat ik zenden zal!” + +»Dat is een beste regel!» riep Bob opgetogen uit. »Zie je wel; dat je +het wel kunt? 't Kon niet beter. Nu den tweeden regel; toe Dorus, jou +beurt.» + + „Driehonderd roovers in getal!” + +zei ik. »Dat rijmt immers?» + +»Prachtig, Dorus, prachtig! Driehonderd roovers in getal, dat komt er +uitstekend bij. 't Zijn ook echte roovers.» + +»Nu jij een regel, Bob! Ieder op de beurt.» + +»Ja,» zei Bob, »je kunt ze niet uit je mouw schudden. Ik weet geen +regel.» + +»'t Is anders gemakkelijk genoeg, want jij behoeft nergens op te +rijmen,» zei ik. + +»Daar heb je gelijk aan; nu, dan weet ik er wel een. Luister maar: + + „'t Geschenk is wel niet heel veel waard.” + +»Is die goed?» + +»Heel goed,» zei Karel peinzende om een rijmwoord op »waard» te vinden. + +»Waard -- wat rijmt daar zoo al op?» vroeg hij. »O ja, waard, paard, +staart, taart, haard, baard, aard, gaard, er zijn rijmwoorden genoeg. +Ha, ik weet er al een: + + „'t Is een geschenk uit onzen gaard.” + +Dat rijmt goed, hè?» + +»Heel goed,» zei Bob schrijvende. »Gaat maar door, jongens, 't gaat +best. Jou beurt, Dorus.» + +»Ik ben klaar,» zei ik. »Luister maar: + + „Zij vliegen vroolijk in het rond.” + +»Dat is waar,» zei Karel. »En dan kan dus volgen: + + „Of kruipen langzaam op den grond,” + +want dat doen ze ook dikwijls.» + + „En brommen haast den heelen nacht,” + +vervolgde Karel, die het weer gemakkelijk had, daar hij geen rijmwoord +behoefde te zoeken. + + „Zeg Pieter, had je dat gedacht?” + +zei ik, want deze regel schoot mij opeens te binnen. + +»Dat zijn nu al twee coupletten, en alle goede dingen bestaan in drieën, +dus nu het laatste nog. 't Is mijne beurt, niet waar?» zei Bob. + +»Ja, jou beurt,» zei Karel. + +»Wist ik nu nog maar wat,» vervolgde Bob. »Wacht, laat mij eens even +bedenken. Misschien komt het wel.» + +En na een oogenblik toevens vervolgde hij: + +»Ha, ik ben klaar. Luister: + + „Wel neefje, ben je nu tevreê?” + +»Goed gedaan, Bob. Nu moet ik weer. Wat rijmt er zoo al op vreê? Wacht: +wee, meê, zee, thee, dat zijn er wel al genoeg. In orde, hoor. + + „En valt het aantal je niet meê?” + +»Goed zoo!» zei Bob, die elken regel opschreef. »Nu nog twee regeltjes +en we zijn klaar. Jou beurt, Dorus.» + +»Ja wel, je hebt goed praten. Ik weet heusch niet meer op 't oogenblik. +Jelui moet me helpen denken. Wacht, ik weet er al een: + + „Me dunkt, je hebt nu overvloed.” + +»Nu jij weer, Bobbertje, den laatsten regel.» + +»Ja, dat komt mooi uit, Dorus, met dat woord overvloed, want dat rijmt +op gegroet. De laatste regel kan dus zijn: + + „Ontvang ten slotte onzen groet.” + +Is dat niet een prachtig slot? Wacht, nu zal ik het in het net +overschrijven en het jelui eens voorlezen.» + +Bob deed het, en las: + + Waarde Pieter! + + „Zie Pieter, wat ik zenden zal: + Driehonderd roovers in getal. + 't Geschenk is wel niet heel veel waard, + 't Is een cadeau uit onzen gaard. + + Zij vliegen vroolijk in het rond, + Of kruipen langzaam op den grond, + En brommen haast den heelen nacht. + Zeg Pieter, had-je dat gedacht? + + Wel neefje, ben je nu tevreê? + En valt het aantal je niet meê? + Me dunkt, je hebt nu overvloed. + Ontvang ten slotte onzen groet.” + + KAREL HOLM. + DORUS VOLMAAR. + BOB DE WILD. + +»Wat is dat best gegaan, hé?» vervolgde Bob, die het vers in eene +enveloppe deed en deze dichtplakte. »Dichten schijnt me toch niet erg +moeilijk toe. Me dunkt, als we het wat meer deden, zouden we het spoedig +tot eene groote hoogte brengen. Ik vind dit gedicht althans uitmuntend +geslaagd. En jelui?» + +Nu, wij waren dat volkomen met hem eens. Wij bonden de enveloppe, met de +proeve onzer kunst, met een touwtje aan de beide ooren van de mand vast, +zoodat het adres netjes bovenop kwam te liggen, en brachten ons geschenk +gezamenlijk naar den looper. Deze bekeek het adres, en las overluid: + + »Jongeheer Pieter van Koorde, + Keizersgracht No. 234 + Amsterdam.» + +»In orde Bob,» zei hij. »Dat adres is mij bekend; ik heb er voor je Pa +al meer dan eens wat moeten bestellen. Is het franco?» + +»De geadresseerde zal de vracht betalen,» zei Bob deftig, en na gegroet +te hebben gingen wij het dorp in. + +Weinig konden wij op dat oogenblik vermoeden, dat diezelfde meikevertjes +in Amsterdam zooveel moeite en ontsteltenis zouden veroorzaken, zooals +wij later hoorden, dat zij gedaan hadden. + +Want toen de looper het mandje met zijn levenden inhoud in de beste orde +aan het opgegeven adres had afgeleverd, was Pieter-neef niet thuis, +omdat het onder schooltijd was. De meid bracht het dus bij Mevrouw Van +Koorde, die de boven-voorkamer als woonkamer gebruikte. + +»Binnen,» zei Mevrouw, toen Mientje had aangetikt. + +»Mevrouw, hier is een mandje van den looper. 't Kost een dubbeltje +vracht, Mevrouw.» + +»O, -- ziehier het geld. Zet het mandje maar hier op de tafel.» + +Mientje gehoorzaamde. + +»Zeker van mijn broeder,» zei Mevrouw. »Wat kan hij mij te sturen +hebben? Maar neen, -- ik ben abuis. 't Is voor Pieter, zie ik. Daar +staat duidelijk: Jongeheer Pieter van Koorde. Jammer, dat hij naar +school is. Wat kan daar toch inzitten?» + +Mevrouw tilde het mandje eens op en vond, dat het erg licht was. + +»En een brief in de enveloppe,» zeide ze, na deze met de vingers betast +te hebben. »Ik ben nieuwsgierig, wat hem gezonden kan worden. Weet je +wat? Ik kon best het mandje openen en eens zien, wat het bevat. Den +brief moet Pieter zelf maar openmaken. Dat is wèl zoo aardig voor +hem. Wel, ik moet zeggen, dat de mand goed dichtgemaakt is, -- heel +zorgvuldig zelfs. Ik zal het touwtje maar losknippen.» + +Zij ging naar hare werkmand en kwam met de schaar terug. + +»Knip-knip!» ging het en het touwtje viel aan stukken op de tafel. +Mevrouw nam den doek en lichtte dien op. + +Genadige hemel! Wie beschrijft haar schrik bij het zien van die +honderden wriemelende, gonzende en brommende meikevers! Van ontsteltenis +gaf zij een hevigen gil en vlug ijlde zij naar het schelkoord, waaraan +zij zenuwachtig begon te rukken. Zonder ophouden, met den blik stijf op +de noodlottige mand gericht, bleef zij doorschellen. + +De beestjes, die nu de vrijheid zoo onverwacht terug gekregen hadden, +begonnen daar dadelijk gebruik van te maken, door tegen de mand op te +klauteren en over den rand te gaan loopen. Zij spreidden af en toe de +vleugeltjes uit met het vaste voornemen, straks het luchtruim in te +snellen. Sommige begonnen zelfs al te vliegen, en het was een gegons +en gebrom, dat Mevrouw Van Koorde het bijna op hare zenuwen kreeg van +angst. Zij durfde geen voet naderbij komen en deed niets dan schellen. + +Nu ging de deur open en trad Mientje, ook al verschrikt door het bellen, +haastig binnen. + +»O, Mevrouw, wat is er?» vroeg zij angstig. »Is er brand, Mevrouw?» + +»Neen, neen, nog erger! Toe Mientje, spoedig, neem die mand en breng +haar dadelijk weg -- naar buiten. Dadelijk, asjeblief.» + +Nu was Mientje gewoon, de bevelen harer meesteres stipt uit te voeren; +zij liep dus naar het mandje, op welks ongewonen inhoud zij in het +geheel niet verdacht was, en greep het bij de ooren. Maar op hetzelfde +oogenblik begonnen een paar meikevers tegen hare bloote armen op te +kruipen, zoodat zij thans de beestjes wel moest opmerken. Doodsbleek van +schrik uitte zij een hevigen angstkreet en liet plotseling de mand met +alles, wat daarin was, op den grond vallen. Zelf vluchtte zij tot in +den versten hoek van de kamer, waar zij in stomme verbazing de gevolgen +van hare daad stond aan te staren. + +[Illustration: .... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin +was, op den grond vallen. (pag. 213).] + +De meikevers, door den schok verschrikt, spreidden thans de vleugels uit +en begonnen, gonzende en brommende, door de kamer te vliegen, tot +ontzetting van de beide vrouwen, die het niet durfden wagen, hunne +hoeken te verlaten. + +Wat maakten die diertjes, die vruchteloos zochten naar een groen +blaadje, want zij hadden gedurende de reis geduchten honger gekregen, +eene ongewone drukte in die deftige kamer! Er was weldra geen plaatsje +meer, waar geen kever te vinden was. + +»O mevrouw, die afschuwelijke torren!» riep Mientje, die beefde als een +espenblad. + +Mevrouw stond met beide armen te zwaaien, om zich de ongenoode gasten +van het lijf te houden, want zelfs op de linten van hare muts schenen +zij het gemunt te hebben. Wel drie hadden zich daar een plaatsje weten +te veroveren, en zaten er gezellig de vleugeltjes uit te spreiden en +weer dicht te slaan. Eén liep er haar op den schouder en vier kropen +tegen haar boezelaar op. + +»Domme meid! -- Ga weg, afschuwelijk dier! -- Hoe kon je nu zoo dom -- +koest, beest, koest, -- zijn, om die mand, -- sss -- sss; -- te laten +vallen!» + +»O mevrouw, -- ga weg -- ga weg, -- bah, wat afschuwelijke dieren! -- +kijk eens, ze kruipen tegen den spiegel op -- o foei, hu, er zit er een +in mijn hals, -- en tegen de lamp -- en o, mevrouw, de gordijnen -- +ksss, ksss -- zitten vol! 't Is afschuwelijk.» + +»Mientje, hier houd ik het niet langer uit -- o foei, ze zitten me op +mijn hoofd, en ah bah, daar kruipt er een in mijn mouw. Mientje, hu, hu, +haal dat beest er uit! -- Haal het er uit, zeg ik!» + +»Ik durf niet, -- dat durf ik niet!» + +En op een draf, met haar boezelaar over het hoofd, nam Mientje, +schreiende van schrik, de vlucht, de kamer uit en naar beneden. + +Een oogenblik daarna werd zij gevolgd door Mevrouw, die echter zoo +verstandig was, de deur achter zich dicht te trekken. + +Daar stonden ze, bleek van ontsteltenis, zonder te weten, wat zij +moesten doen, om van deze meikeverplaag verlost te worden. + +Maar ook hier waren zij niet vrij, want in de vlucht hadden zij er +enkele medegenomen, die op hare kleeren zaten. + +»O Mientje, -- wat voel ik daar in mijn hals?» riep Mevrouw huiverend +uit, nu zij daar een eigenaardig gekriewel opmerkte, -- »wat voel ik +daar, Mientje!» + +»O Mevrouw, dat is er weer een! Maar ik haal er hem niet af, Mevrouw, -- +voor duizend gulden niet! -- Hu, wat een akelige beesten!» + +Met eene weergaloos vlugge beweging streek Mevrouw nu zelf met hare hand +langs den hals, en in hetzelfde oogenblik verhief zich het kevertje +vroolijk gonzend omhoog, regelrecht op Mientje af. Deze wist niet waar +ze zich bergen zou, en liep wel twintigmaal om de tafel heen. + +»Mientje, ga den kruier halen! Hij moet al die beesten vangen. Hoe komt +die nare Robert er toe, om die torren naar ons te zenden? Maar wacht, ik +zal hem een brief schrijven, die hem niet bevallen zal, dien stouten +bengel. Mientje, spoedig, zeg dat de kruier direct moet komen!» + +Maar dat was niet noodig, want op dit oogenblik werd er gescheld. + +»Ha, dat zal Pieter zijn,» riep Mevrouw verheugd uit. »Hij zal ons +misschien wel van die beesten kunnen verlossen.» + +Inderdaad, zij had goed geraden; het was Pieter, en deze was niet weinig +uit zijn humeur toen hij hoorde, wat er gebeurd was. + +»Maar Mama,» riep hij teleurgesteld uit, »dat zijn geen torren, het zijn +meikevers, die Bob mij gestuurd heeft, omdat ik hem dat verzocht had. En +nu zijn ze alle weg!» + +»Weg?» herhaalde zijne Mama. »Weg? De hemel gave, dat het waar was. Weg? +De voorkamer boven zit vol; er is geen plaatsje te zoeken, waar niet van +die beesten zitten. Ik zag er zelfs een in de melkkan vallen.» + +»En in den suikerpot, Mevrouw,» zei Mientje, »daar zaten er ook in! Hu, +ik ga niet meê, hoor jongeheer, voor geen geld! Ik moet er niets, +niemendal van hebben.» + +»Dat is ook niet noodig!» bromde Pieter. »Geef mij den langen stoffer +maar, dan zal ik ze wel vangen. En Mama, heeft u geen kistje voor me? +Een sigarenkistje, of zoo iets?» + +»Waarvoor?» vroeg Mevrouw. »Toch niet, hoop ik, om er die akelige +beesten in te doen? Ik wil het volstrekt niet hebben, Pieter, volstrekt +niet, heb je mij goed verstaan? Schuif de ramen open en jaag ze naar +buiten. Ik wil die beesten onder mijne oogen niet meer hebben.» + +»Maar Mama, Bob heeft ze toch voor mij gestuurd?» + +»Zeker, dat heeft hij en ze hebben mij nog een dubbeltje aan den looper +gekost ook. Doch dat verandert aan de zaak niets, Pieter. Gooi die +beesten het raam uit! En nu geen woord meer, asjeblief!» + +Pieter begreep, dat het zijne mama ernst was, en met tranen in de oogen +ging hij, gewapend met een langen stoffer, naar boven, om de ontsnapte +diertjes te vangen. + +Toch moest hij lachen, toen hij zag, hoe de geheele kamer als het ware +met meikevers bevolkt was. Geen plekje zag hij, of er was een meikever. +'t Was zulk een bespottelijk gezicht, dat hij het uitschaterde van het +lachen. De deur had hij achter zich gesloten en hij hoorde, hoe zijne +Mama en Mientje daar achter stonden te wachten op het oogenblik, dat de +kamer weer vrij zou zijn. + +Eerst las Pieter op zijn gemak het gedicht van zijne drie vrienden, +stak het na de lezing in zijn zak, en ging daarna op de jacht. De ramen +had hij open geschoven, en weldra zag hij, hoe de gejaagde kevers bij +drommen naar buiten vlogen. Het was nog lang geen gemakkelijk werkje, +om ze naar buiten te krijgen, want telkens, als hij dacht, dat hij +nu eindelijk den laatsten had gehad, kwamen er uit de plooien van de +gordijnen weer andere te voorschijn. Ja, zelfs vele dagen daarna werd +Mevrouw telkens nog opgeschrikt door de onverwachte verschijning van +een meikever, die haar onmiddellijk de vlucht deed nemen naar Mientje, +maar deze was niet te bewegen, om hem te vangen. + +Nog jaren daarna kon Mevrouw haar neef Bob niet ontmoeten, of zij begon +telkens weer over die meikevers te spreken en dan kon zij geen woorden +genoeg vinden, om haar schrik en ontsteltenis te beschrijven. + +Maar Pieter was, tot zijne innige spijt, slecht van zijne meikevers +afgekomen. + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + + Hoe ik mijne betrekking als organist vervulde en wat + Bob in den toren vond. Hoe in het eene huis + vreugde en in het andere droefheid kon + heerschen om eenzelfde gebeurtenis. + + +'t Werd Zondagmorgen. Ik was al vroeg wakker, want de enkele malen, dat +ik voor den meester het orgel moest bespelen als er dienst was, sliep +ik nooit bijzonder rustig. De wetenschap, dat ik als organist moest +optreden, stemde mij altoos min of meer zenuwachtig en deed mij ook nu +vroeg ontwaken. + +Spijt behoefde ik daar echter niet over te gevoelen, want het was +bijzonder prachtig weêr. De dauw lag als een luchtig gaas over het veld +en deed blad en twijg schitteren in de gulden ochtendstralen van de +zon. Een heerlijke geur vervulde de lucht en ik vond het verrukkelijk, +langzaam rond te wandelen door onzen tuin, waar de glinsterende +dauwdroppels wel diamanten schenen. De vogels sjilpten zoo vroolijk op +het dak, de hanen kraaiden elkander zoo gezellig hun morgengroet toe, +het zonnetje scheen zoo heerlijk. 't Was een genot, buiten te zijn. + +'t Werd langzamerhand drukker en levendiger om mij heen. De huizen +werden meer en meer geopend, als om te bewijzen, dat de bewoners waren +opgestaan, en hier en daar klonk uit de mij omringende tuinen een +lied of een vroolijke lach. De hanen werden kalmer, het zonnetje rees +langzaam hooger en verdreef met hare stralenbundels den dauw, die niet +dan onwillig scheen op te trekken, de vogels fladderden van boom tot +boom, en de bijtjes bewogen zich al gonzende van de eene bloem naar de +andere. + +Hoor, daar was de melkboer reeds. Van huis tot huis kon ik hem volgen, +want overal opende hij de achterdeur en riep: »Mel-lek!» En de laatste +lettergreep rekte hij wel tweemaal zoo lang uit als noodig was. + +Nu waren ook mijne broertjes en zusjes ontwaakt. Ik hoorde hun gesnap en +gebabbel zelfs in den tuin, dien zij weldra onder vroolijk gejuich +binnenstormden. + +»Je moet komen ontbijten, Dorus!» klonk het mij toe. »Moe heeft het +gezegd.» + +Nu, dat bericht behoefde niet herhaald te worden, want eene flinke +boterham was mij nooit onwelkom. En toen het ontbijt afgeloopen was, +ging ik weer in den tuin om het eerste gelui af te wachten. Bij ons werd +er altoos tweemaal geluid, den eersten keer om halfnegen, en den tweeden +keer een uur later, als de kerk aanging. + +Hoe meer het uur van aanvang naderde, des te minder begon ik mij op mijn +gemak te gevoelen. Niet, omdat ik bang was, dat ik het er niet goed zou +afbrengen, o neen, in het geheel niet, want ik speelde toen de psalmen +en de gezangen al vrij vast. Ik weet zelf niet, waarom ik er altoos zoo +tegen opzag; ik denk, dat het gevoel van verantwoordelijkheid mij +drukte. + +Eindelijk drongen de klokketonen tot mij door. Dat gelui stemde mij +altoos, zoo jong als ik was, min of meer ernstig, en wanneer het de +doodsklok was, die geluid werd, huiverde ik zelfs dikwijls. + +Een kwartiertje later nam ik mijne muziekboeken uit het kastje en zei +tegen Pa en Moe, dat ik vast vooruitging, om alles in gereedheid te +brengen. + +»Hoor eens, Dorus,» zei Pa, »geen grappen maken daarboven, hoor, en geen +jongens meênemen. Zorg er voor, dat niemand merkt, dat de meester er +niet is. Laat alles ordelijk en naar behooren gaan.» + +»Ja Pa!» was mijn antwoord, en toen ging ik. + +»Zorg, dat ik mij niet over je behoef te schamen!» riep Pa mij nog na. + +Onderweg kwam ik Bob tegen. + +»Zoo Dorus,» zei hij, »ga je naar de kerk?» + +»Ja, ik ga naar de kerk.» + +Dat ik dien morgen als organist moest optreden, verzweeg ik hem, want +dan wist ik zeker, dat hij ook boven zou komen. Maar Bobje wist het al. +Hij vervolgde: + +»Ik kom ook, Dorus. De meester is er immers niet?» + +Ik had veel lust om te zeggen, dat de meester er wèl zou zijn, maar van +liegen en veinzen had ik een onoverwinnelijken afkeer, dus zeide ik het +niet. + +»Ik ben van morgen organist, Bob,» zei ik op beslisten toon, »en de +meester komt niet! Ik heb eerst den meester en nu nog mijn Pa moeten +beloven, dat ik geen jongens zou meênemen, en ik doe het niet ook. Als +je komt, zal ik den koster verzoeken, je te verwijderen.» + +»Erg vriendelijk van je, Dorus,» zei Bob knorrig, »erg +vriendschappelijk, dat moet ik zeggen.» + +»Waarom ga je niet beneden zitten? Daar heb je immers eene plaats?» + +»Ja, maar ik zit veel liever boven. Daar kan ik nog eens heen en weer +loopen, weet je, en dat kan ik in de kerk niet doen. Dus mag ik niet?» + +»Neen, je moogt niet. Ik heb het beloofd en die belofte zal ik houden. +Je doet ook altijd zulke dwaze dingen. Maar nu moet ik gaan, of ik ben +niet op tijd gereed. Tot van middag!» + +Bob scheen echter boos, want hij ging zonder groeten verder. Nu, dat +hinderde niet. Hij was wel eens meer boos, maar dat ging vanzelf weer +over. Hij zou mijne weigering ook nu wel spoedig vergeten zijn. + +Ik had nu de kerk bereikt en ging naar boven, waar de koster de sleutels +van het orgel al had neergelegd. Eenige minuten later kwam hij mij het +orgelbriefje brengen, waarop te lezen stond, welke liederen er dien +morgen gezongen zouden worden. + +Uit dat briefje bleek mij, dat alles zou zijn, zooals gewoonlijk. Er +stond althans niets bijzonders op vermeld, en er zou ook nu, volgens den +gewonen gang van zaken, viermaal gezongen worden. Dat de melodiën niet +bijzonder moeilijk waren, zag ik al met een enkelen oogopslag, want het +waren alle bekende gezangen, die dikwijls opgegeven werden. + +Toen alles gereed stond, kwam Potman, de orgeltrapper boven. Potman was +een oude sukkel, die door de diakonie onderhouden werd en er nog een +duitje bijverdiende met orgeltrappen. + +»Zoo Dorus,» zei hij, »moet jij van morgen spelen? Komt de meester +niet?» + +»De meester is uit,» zei ik, »en nu moet ik spelen.» + +»Zoo, zoo, nu, dat is je toevertrouwd. Er zal wel veel volk ter kerk +komen, denk ik, want het is prachtig weêr. Kom, ik zal maar gaan +zitten.» + +Potman ging naar de andere zijde van het orgel, waar zijn stoel stond, +en nauwelijks was hij weggegaan, of Jan van der Vliet kwam binnen. Die +had eene vaste plaats bij ons, en als de meester zeide, dat er geen +jongens boven mochten komen, was Jan daarvan stilzwijgend uitgezonderd. +Trouwens, Jan zou ook geen dwaze dingen gaan doen, zooals Bob. Als deze +boven zat, wierp hij altoos propjes papier naar beneden, die dan op de +hoofden der menschen terecht kwamen, of hij maakte grappen tegen de +jongens, die op de galerijen zaten, want gij moet weten, dat het eene +groote kerk was met twee galerijen, die op dezelfde hoogte van het orgel +waren aangebracht. Wanneer de collectanten van de eene galerij naar de +andere moesten gaan, kwamen zij altoos onze afdeeling over en namen dan +meteen onze giften in ontvangst. + +»Morgen Dorus!» zei Jan. + +»Morgen Jan!» was mijn antwoord, en ik zag, dat zijn gelaat droevig +stond. Hij schoof de gordijntjes een weinig ter zijde, zoodat hij in de +kerk kon zien, en staarde op de bank, waar 's Zondags altoos zijne +ouders zaten, want zij waren trouwe kerkgangers. Hunne plaatsen bleven +nu evenwel ledig, en toen ik Jan aanzag, ontdekte ik tranen in zijne +oogen. Onze blikken ontmoetten elkander, en wij schenen daarin elkanders +gedachten te kunnen lezen. + +»Ze durven niet. Ze schamen zich!» fluisterde hij mij toe, en zijn mond +plooide zich zenuwachtig. Ik zag, dat hij moeite deed, om niet te +schreien. + +Ik antwoordde niets, want ik wist niet, wat ik zeggen moest. Hoe kon ik +den armen jongen troosten, nu morgen de rechtbank wellicht het schuldig +over hen zou uitspreken? Hoe kon ik hem troosten, nu binnen korten tijd +de gevangenisdeur wellicht achter hen zou worden gesloten en Jan alleen +met zijn zusje in de armelijke woning achterbleef? + +Neen, ik kon hem niet troosten, want iedereen zeide, dat zij wel +veroordeeld zouden worden. + +»En dan toch onschuldig?» dacht ik, terwijl ik Jan vol medelijden +aanzag. »Maar -- dat zou verschrikkelijk zijn.» + +Op dit oogenblik begon de koster voor de tweede maal te luiden, en werd +het drukker in de kerk. + +Daar kwam dokter Doreman binnen, die bijna nooit verzuimde, maar ook +bijna nooit tot aan het einde van den dienst bleef, omdat hij gewoonlijk +midden onder de preek bij een patient geroepen werd, want hij had een +verbazend drukke praktijk. + +En daar kwam notaris de Wild binnen, met zijne vrouw. Of Bob ook +meegekomen was? Hoe ik ook keek, ik ontdekte hem nergens. Misschien was +hij nog boos op me? + +De drukte beneden werd nog grooter, want het was nu half tien. En de +meeste menschen komen precies op tijd of te laat. + +Nu kwam ook de voorzanger in de kerk. Ik zag hem weldra plaats nemen +voor zijn lessenaar en opzoeken, wat er gezongen moest worden. Het +luiden hield op, de voorzanger kuchte, trok zijn das recht, hoewel deze +volstrekt niet scheef zat, en daar begon hij, zacht en onduidelijk: + +»De gemeente gelieve te zingen --» maar nu verhief zijne stem zich, +zooals de man dat gewoon was te doen, plotseling wel eene quinte hooger, +en klonk het helder en duidelijk, zoodat iedereen hem kon verstaan: »van +den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» Hij zei altoos veers +en nooit vers; waarom hij dat deed, weet ik niet. + +»Ik herzeg: van den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» En nu +begon hij op een galmenden toon, dien niemand mooi vond, het opgegeven +vers voor te lezen. Ik zat gereed om te gaan spelen, dat spreekt +vanzelf, en de orgeltrapper was evenzoo op zijne post. Jan stond achter +mij, om te zien wat ik deed. Zoodra de voorzanger geëindigd had, speelde +ik mijn preludium, wat heel goed ging, trok daarna eenige registers uit +en speelde het koraal, waarmede de gemeente instemde. Jan, die anders +altoos uit volle borst meêzong, scheen nu geen zingenslust te hebben, +althans hij deed niet mede, en het scheen mij toe, dat hij zuchtte. + +Eerst beefde ik wel een beetje, toen ik begon te spelen, maar dat +bedaarde spoedig en ik gevoelde mij verder goed op mijn gemak. Het ging +dan ook tot het einde toe zeer goed. + +Nu las de voorzanger een gedeelte uit den bijbel voor, en toen nam de +dominee, die onder het zingen den kansel beklommen had, het woord. + +Spoedig werd het tweede gezang opgegeven. Ik speelde het zoo goed, dat +ik er niet aan twijfelde, of er zouden maar weinig menschen zijn, die +opmerkten, dat de gewone organist niet tegenwoordig was. Dat stemde mij +recht prettig. + +Midden onder het gezang evenwel verdween plotseling al mijne vreugde, +want de deur werd geopend, en zonder eenig gedruisch te maken trad Bob +binnen. Dat vond ik flauw van hem. Hij wist, dat zijne tegenwoordigheid +bij het orgel in het geheel niet gewenscht, ja, zelfs verboden was, en +nu kwam hij toch. Wat moest nu de meester wel van mij denken, als hij +het hoorde? En wat zou Pa zeggen, als ik thuis kwam? Want deze zou het +ongetwijfeld wel te weten komen. En bovendien, welke dwaze dingen zou +Bob misschien weer gaan uithalen, -- want dat deed hij immers altijd? + +Toch kon ik er niets aan veranderen. Hij was er nu eenmaal, en hoe moest +ik hem tot heengaan bewegen? O ja, ik kon naar beneden gaan en den +koster waarschuwen, maar dan zagen alle menschen mij; wat zou dat dus +eene opschudding veroorzaken. Neen, ik kon er niets aan doen, en dat +wist Bob wel. Juist daarom had hij zoo lang gewacht. + +Hij kwam doodbedaard achter mij staan en keek naar mijn spel. Maar +plotseling stak hij de hand uit, om ook een of twee toetsen neer te +drukken, wat afschuwelijk geklonken zou hebben. Ik schrikte er van. + +»Niet doen! -- Niet doen!» riep ik hem haastig toe, en gelukkig was Bob +zoo vriendelijk, dezen keer mijn zin eens te doen. Lachend trok hij +zijne hand terug. Maar nu begon hij met zijn voet op het pedaal te +drukken, wat mij duidelijk werd, daar de bas plotseling door eene +onbekende oorzaak vreeselijk valsch begon te klinken. Ik onderzocht +dadelijk, of ik mij ook vergist en een verkeerden toets neergedrukt kon +hebben, maar dat was niet zoo. Mijn spel was goed. Toen ontdekte ik, +dat Bob het deed, en weer fluisterde ik hem toe: + +»Laat het dan toch, Bob. Je maakt me in de war!» + +Wat was ik blij, toen ook het tweede gezang ten einde was. Ik maakte +alles gereed voor het derde en wendde mij daarna tot Bob, die +doodbedaard op een stoel was gaan zitten. + +»Zoo,» zei ik zacht, maar daarom niet minder boos, »ben je daar toch?» + +»Zooals je ziet,» zei Bob. »En ik ga niet weg ook, al kijk je me nog zoo +nijdig aan.» + +»Ik vind het leelijk van je, Bob -- erg leelijk!» zei ik weer. »Als ik +den koster roep, word je dadelijk weggestuurd.» + +»Ja, dat weet ik wel, maar je haalt hem niet, Dorus. Doch wees nu maar +bedaard, -- ik beloof je, dat ik in het geheel geen kwaad zal doen en +stil zal blijven zitten. Is het nu goed?» + +Hij lachte mij vriendelijk toe, terwijl hij dat zeide. De oolijkerd wist +wel, dat hij gelijk had. Ik draaide mij boos van hem af en ging voor +mijne muziek zitten, om die nog eens door te zien. + +Inderdaad hield Bob zich eenigen tijd zeer bedaard, zoodat ik volstrekt +geen reden had, om ontevreden over hem te wezen. Toch deed ik nog net, +of ik erg boos op hem was en bleef met mijn rug naar hem toezitten. Want +ik wilde mij volstrekt niet met hem bemoeien, daar ik wist, dat hij +direct de geheele hand zou nemen, als ik hem maar een vinger toestak. Ik +wilde hem in het geheel niet aanmoedigen. + +Na een klein kwartier echter begon de stoel, waarop hij plaats genomen +had, verdachte geluiden voort te brengen en telkens geducht te kraken, +wat mij het duidelijke bewijs was, dat Bob onmogelijk langer stil kon +zitten. + +»Nu zal het lieve leventje beginnen,» dacht ik, doch ik bleef op mijne +muziek turen en verwaardigde hem met geen blik. + +Het gekraak werd evenwel telkens erger, zoodat ik wel omkijken moest, +en nu zag ik Bobje boven op de leuning zitten met zijne voeten op de +zitting, en hij maakte allerlei leelijke grimassen tegen den ouden +Potman, die hem heel boos zat aan te kijken. + +»Bob, wees toch stil!» gebood ik, want ik twijfelde niet, of men zou +beneden in de kerk het leven kunnen hooren, dat hij maakte. + +»Houd je kalm, Dorus,» zei Bob. »Kijk dien ouden Potman eens boos wezen! +Ik geloof, dat hij me wel zou willen opeten.» + +En weer begon hij grimassen te maken en op de leuning heen en weer te +schommelen, zoodat de stoel er van kraakte. + +»Bob, houd nu op en ga heen. Toe, asjeblief, Bob!» + +Nu mijn dreigen niet hielp, begon ik hem te smeeken, want ik twijfelde +niet langer, of hij zou me in groote ongelegenheid brengen. »Aanstonds +breekt de stoel nog,» zei ik er waarschuwend bij. En nauwelijks had ik +die woorden uitgesproken, of krak, krak! daar brak de leuning middendoor +en viel Bob met een slag op den grond. Het bloed steeg mij naar het +hoofd van den schrik en ik keek snel naar beneden, of de menschen in de +kerk het hadden gehoord. Ja, een enkele zag even naar boven, maar daar +het orgel boven de groote vestibule stond, had men er daar minder van +gehoord, dan ik vreesde. + +Toch had het gebeurde een gevolg, waarover ik mij zeer verheugde, want +Bob had in allerijl het hazenpad gekozen; zeker vreesde hij, dat de +koster naar boven zou komen. + +Nu werd het zoo rustig boven als ik maar wenschen kon, want Jan van der +Vliet zat doodbedaard op een stoel achter mij te luisteren naar de preek +van den dominee, hetgeen ik nu ook ging doen. Want tot nog toe had mijn +vriend Bob mijne aandacht daar totaal van afgeleid. En de oude Potman +ging, als gewoonlijk, zijn slaapje doen. Bob was nog geen drie minuten +weg, of de oude man zat al te knikkebollen. + +Het duurde echter maar kort, of ik hoorde iemand met groot gedruisch de +trap afklimmen, die naar den toren voerde. Dat moest Bob wezen, het kon +niet anders. Zeker was hij weer naar het uilennest wezen kijken. Maar +hoe kwam hij er nu toch toe, om zoo hard naar beneden te komen stormen? +Hij wist toch, dat er kerk was? Of wilde hij mij met voordacht in +ongelegenheid brengen? Dat vond ik slecht van hem. + +Daar werd de deur driftig opengeworpen en kwam Bob met niet weinig +gedruisch binnenstappen. Zijn gelaat was hoogrood gekleurd en hij maakte +ontzaglijk veel leven. Blijkbaar was hij zoowel den dominee als alle +kerkgangers vergeten. + +»Ssst! Ssst!» fluisterde ik hem toe, met mijn vingers tegen den mond. + +»Jan, ga mee! Dorus, jij ook!» zei hij gejaagd. »Ik heb het geld +gevonden van den diefstal, -- al het geld!» + +In een oogwenk stonden wij naast hem, en Jan werd doodsbleek. + +»Het geld! -- Van den diefstal?» stamelde hij. »Spot er niet mede, Bob, +want dat zou laag en laf wezen.» + +»Ik spot niet! Gerust niet! Gaat maar mede. 't Ligt boven in den toren, +onder het uilennest, je weet wel, dat nest, dat we onlangs hebben +gevonden. Komt, dan zal ik het je wijzen!» + +Bob ging ons voor, en zonder meer aan het orgel te denken volgde ik +hem. Dat ook Jan naar boven ging, behoeft niet te worden gezegd. + +Halverwege de trap dacht ik echter aan het derde gezang, dat nu volgen +moest, maar naar mijne berekening was het daarvoor nog te vroeg. Ik zou +toch spoedig weer naar beneden komen, maar eerst moest ik dat geld eens +zien. + +Vlug klommen wij de trap op. Wij gingen de klok voorbij, die regelmatig +tikte, en hadden weldra het nest bereikt. + +»Kijk, -- hier onder!» zei Bob. »Zie je wel, dat de eieren er nog +precies zoo liggen als toen? De vogels zijn ongetwijfeld gestoord door +den dief, want zie maar, hier ligt het geld!» + +Bob lichtte nu het nest op, en waarlijk, -- daar lag het gestolene; een +briefje van zestig gulden, een van veertig, en zeven gouden tientjes. +Alleen de drie gouden tientjes, die bij Van der Vliet onder de deur door +geschoven waren, ontbraken er aan. En bovendien lagen daar nog eenige +honderden postzegels van verschillende waarde, zoodat wij niet behoefden +te twijfelen, of dit het geld van den diefstal was. + +Jan schreide en lachte tegelijk. De goede jongen was geheel in de war. + +»Daar is het! Daar is het!» juichte hij. »Nu zal de onschuld van mijne +ouders aan het licht komen. O Bob, dat heb ik aan jou te danken!» + +»Maar wat moeten we nu doen?» vroeg Bob. + +»Alles precies laten liggen, zooals het ligt, en dadelijk den +burgemeester gaan waarschuwen,» zei ik. »En spreek er tegen +niemand......» + +Maar eensklaps bestierven de woorden mij op de lippen, want -- daar +klonk mij plotseling gezang in de ooren. Eerst begreep ik niet, wat er +gebeurde, maar weldra ging mij een licht op. 't Was kerkgezang -- en dat +nog wel zonder orgelbegeleiding. Door de verrassing van het gebeurde, +had ik het orgel vergeten, en nu -- was het te laat! + +Van schrik kon ik niet spreken, en met open mond staarde ik mijne beide +vrienden aan. + +»Mooi zoo, Dorus!» zei Bob. »Dat ziet er pleizierig voor je uit. 't Is +zeker het derde gezang?» + +Ik knikte toestemmend en kreeg de tranen in de oogen, tranen van spijt +en berouw. Zonder een oogenblik langer te dralen ijlde ik naar beneden, +naar het orgel, -- maar wat kon ik er doen? De menschen zongen reeds +onder leiding van den voorzanger, en ik kon onmogelijk zoo maar +invallen. Potman keek mij aan en schudde bedenkelijk met het hoofd. +Hij vond mij zeker erg slecht. + +En ik -- schreide tranen van verdriet. + +Nu werd de deur geopend en trad Pa binnen. Hij had de kerk onder het +zingen verlaten, en kwam kijken, wat er gebeurd was. + +Zijn gelaat stond zeer ernstig. + +»Waarom speel-je niet, Dorus?» vroeg hij. + +Vol schaamte hield ik mijne oogen op den grond gericht, maar ik +antwoordde niet. + +»Waarom speel je niet, Dorus?» herhaalde Pa zacht, maar dringend. + +»Ik was er niet, Pa.» + +Ik zag, dat mijn antwoord Pa bedroefde. + +»Dat spijt me van je, Dorus!» zei hij zacht. »Dat spijt me meer, dan je +wellicht vermoedt. Ik vertrouwde je zoo geheel, Dorus.» + +Ach, wat speet het mij, Pa zoo teleurgesteld te hebben. + +»Waar was je dan?» vroeg hij even later. + +»Pa, ik was in den toren. Bob......» + +»Bob? Ik had je immers verboden, jongens mede te nemen? Dorus, -- Dorus! +Wat val je me tegen.» + +»Ik heb hem niet meegenomen, Pa!» zei ik schreiende. »Hij is zelfs +gekomen ondanks mijn verbod. En ik kon hem niet weg krijgen.» + +»En wat moest je in den toren doen? Het was je plicht hier te blijven. +'t Is niet alleen stout van je geweest, maar ook dom, erg dom, Dorus.» + +»Ach Pa, u weet alles niet. Bob was in den toren gegaan, en daar heeft +hij al het geld gevonden en de postzegels, die bij mijnheer Valk +gestolen zijn. En toen hij ons dat kwam zeggen, zijn Jan en ik met hem +naar boven geklommen, om het te zien. En Pa, toen -- toen was ik het +derde gezang vergeten, -- ik dacht er in het geheel niet meer aan, +totdat ik opeens hoorde zingen.» + +»Het geld gevonden en de postzegels?» zei Pa, die een en al verbazing +was. »Dat zeg je immers?» + +»Ja, Pa.» + +»En waar zijn die jongens nu?» + +»Nog in den toren, Pa. Toe, ga er als het u belieft dadelijk heen, want +zij weten niet, wat zij er mede moeten doen.» + +Ik deed de deur voor Pa open en meende hem voor te gaan. Maar Pa zeide: + +»Jij blijft hier op je post, -- begrepen, Dorus?» + +»Ja, Pa.» + +Beschaamd keerde ik naar mijn klavier terug, dat ik zoo schandelijk +verlaten had. Het gezang was nu geëindigd, en ik zocht de muziek gereed +voor het laatste zingen. De dominee begon aan het tweede gedeelte van +zijne predikatie. + +Wat had ik een flater begaan! En wat zou ook de meester boos op mij +zijn. Eerst moest ik daar onophoudelijk over denken, doch al spoedig +gingen mijne gedachten zich bezig houden met hetgeen in den toren +gevonden was, en ik bedacht, hoe heerlijk dat moest zijn voor Van der +Vliet en zijne vrouw, wier onschuld nu zoo duidelijk aan het licht +gekomen was. Want het was niet aan te nemen, dat zij dat geld daar +zouden hebben verstopt. Zij kwamen immers nooit in den toren? + +Maar wie kon dan de dader geweest zijn? Vruchteloos spande ik mij in, om +het antwoord op die vraag te vinden. Tot mij opeens in de gedachten +schoot, dat dit niemand anders kon zijn dan Arie de Zwaan, de neef van +den koster, bij wien al eenmaal huiszoeking was gedaan. + +Ik hoorde, hoe iemand de trap afkwam. De deur ging open en Bobs gelaat +verscheen om den hoek. + +»Wees maar niet bang, Dorus, 't zal best voor je afloopen, hoor. Nu dat +geld hier gevonden is, zullen de menschen over het orgel bijna niet +denken. En je Pa is niets boos. Dag! Ik ga den burgemeester halen. Je Pa +heeft het mij bevolen.» + +En weg was hij. Ja, hij had gelijk. Nu dat geld ontdekt was, zou mijne +domme daad spoedig op den achtergrond gedrongen zijn. Maar dat nam niet +weg, dat ik toch het vertrouwen van mijne ouders en den onderwijzer +ernstig moest hebben geschokt, en dat deed mij veel verdriet. Van de +preek hoorde ik dien morgen weinig of niets, want mijne gedachten kon ik +er onmogelijk bijhouden. Ik hoorde bijna niet eens, dat de dominee amen +zeide. + +Eindelijk werd de slotzang opgegeven. + +Ik speelde dien zoo goed ik kon, om mijne fout zooveel mogelijk te +herstellen, en terwijl de menschen de kerk verlieten, gaf ik mijn +mooiste stuk ten beste. + +Juist op dat oogenblik kwam Bob terug in gezelschap van den burgemeester +en van Tip, die heel gewichtig keken en met groote schreden door eene +zijdeur de kerk binnenstapten. O, wat waren de kerkgangers nieuwsgierig +naar hetgeen zij daar gingen doen, maar niemand werd daarbinnen +toegelaten. Dat ik naar boven in plaats van naar huis gegaan was, +spreekt vanzelf. + +Zoodra de burgemeester bij het uilennest aangekomen was, moest Bob alles +vertellen, wat er gebeurd was. En hij was tot mijne vreugde zoo eerlijk, +om zelfs te zeggen, dat hij tegen mijn zin bij het orgel gekomen was en +daar een stoel had gebroken; dat hij daarna de vlucht had genomen, +uit vrees, dat de koster komen zou om hem weg te jagen, en naar boven +geklommen was, om nog eens naar het uilennest te kijken, dat wij daar +voor eenigen tijd ontdekt hadden. + +»Is dat alles waar?» vroeg de burgemeester. + +»Ja mijnheer, volkomen waar!» stemden wij toe. + +Pa gaf mij stilzwijgend eene hand, ten bewijze, dat hij mijne fout +vergaf. + +Maar Bob zag het, en hij zeide tegen Pa: + +»Ja mijnheer, Dorus heeft in het geheel geen schuld, want hij had mij +verboden te komen. Maar toen ik zag,» aldus vervolgde hij tot den +burgemeester, »dat de vogels weggegaan waren, zeker omdat zij door +iemand waren opgejaagd, kreeg ik lust, om het nest eens van onderen te +bekijken en daar ontdekte ik dat geld en de zegels. Arie de Zwaan heeft +dat alles daar zeker verstopt.» + +»Stil jongen,» zei de burgemeester. »Ik vraag je geen namen, want daar +weet je immers niets van?» + +Maar ik zag, dat hij knipoogde tegen Pa, en dat die beide heeren een +bijna onzichtbaar glimlachje niet bedwingen konden. + +»Hoe wist je, dat de vogels gestoord waren in het broeien?» vroeg de +burgemeester. + +»Omdat ik voelde, dat de eieren koud waren, mijnheer,» antwoordde Bob. +»Arie de Zwaan -- o, ik bedoel, de dief is hier zeker dikwijls geweest, +want anders zouden de uilen niet zoo bang geworden zijn, dat zij de +eieren in den steek lieten.» + +»Zoo, -- hm, ja, dat kan wel zijn. Nu, ik heb alles hier gezien en zal +er proces-verbaal van opmaken. Jelui moet van middag om één uur bij me +op het raadhuis komen, alle drie, goed begrepen?» + +»Ja burgemeester.» + +»Je kunt nu gaan, maar vergeet het niet, hoor: om één uur. Het gevondene +zal ik meênemen.» + +Wij verlieten den toren en gingen in druk gesprek huiswaarts. Toen wij +voorbij de kosterswoning kwamen, zagen wij, hoe Arie de Zwaan, die zeker +den burgemeester en den veldwachter voorbij en in den toren had zien +gaan, onrustig voor het huis heen en weer liep. Zoodra hij ons zag, +vroeg hij: + +»Wat is er in den toren te doen, jongens?» + +»Daar heb je den dief, geloof dat gerust,» fluisterde Bob ons toe. »Wat +ziet hij bleek!» + +En luid antwoordde hij: + +»In den toren? Op dit oogenblik niets.» + +Dat was volkomen waar, want wij zagen den burgemeester, Pa en Tip juist +naar buiten komen. + +De burgemeester gaf Pa de hand en begaf zich, door den veldwachter +gevolgd, regelrecht naar de kosterswoning, waar Arie hen in zenuwachtige +spanning afwachtte. Dat hij zenuwachtig was, konden wij best aan zijne +gejaagde bewegingen zien. + +De koster en diens vrouw kwamen juist uit hun huis, toen de burgemeester +Arie genaderd was. Wij zagen, hoe hij hem de hand op den schouder legde, +en wij hoorden hem zeggen: »In naam der wet, Arie de Zwaan, neem ik u +gevangen.» + +Verschrikkelijk, wat vonden wij dat pijnlijk. Wij zagen hoe Arie's +tante haar gelaat met de handen bedekte en in tranen uitbarstte. + +»Komt, jongens,» zei Pa zacht, want die was ons nu genaderd, »komt, +laten we naar huis gaan. Dat is een treurig schouwspel, niet waar?» + +Zonder spreken vervolgden wij onzen weg. Maar Jan ijlde ons vooruit, om +zijne ouders de blijde boodschap te brengen. Wat zal in de eenvoudige +woning groote vreugde hebben geheerscht! + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +Besluit. + + +Het geheele dorp was dien dag verder in rep en roer, over hetgeen er +gebeurd was. Er werd bijna over niets anders gesproken dan over Bobs +vondst en de gevolgen daarvan. Dat die vooral voor de Van der Vliets +hoogst gewichtig waren, is gemakkelijk te begrijpen. + +En wat bracht de gevangenneming van Arie de Zwaan eene geweldige +opschudding teweeg. Overal zag men de menschen voor de ramen of op de +straat verschijnen, toen hij tusschen den burgemeester en den +veldwachter naar het raadhuis werd gevoerd, waar hij voorloopig in het +gevangenhok werd opgesloten. Met neergeslagen oogen liep hij tusschen +zijne bewakers voort, ongeboeid, dat is waar, maar toch scherp bewaakt. + +'s Middags maakte Kees van der Vliet met zijne vrouw eene wandeling door +het dorp. Hun gelaat straalde van vreugde, en zij liepen met het hoofd +fier omhoog. Ieder die hen tegenkwam, maakte een praatje met hen, en +allen féliciteerden hen met de gunstige wending, die de zaak genomen +had. + +'t Was grappig te hooren, hoe de menschen zeiden, dat zij altoos wel aan +hun onschuld hadden geloofd, en die vroeger het meeste van hen te zeggen +hadden gehad, waren nu de eersten, die het tegenovergestelde betuigden. + +Arie de Zwaan ontkende tegenover den burgemeester met groote +beslistheid, dat hij den diefstal had gepleegd, en wat de burgemeester +ook deed, hij bleef halsstarrig bij die verklaring. + +'s Middags om twee uur, nadat wij op het raadhuis waren geweest, waar de +burgemeester ons het proces-verbaal had voorgelezen, werd Arie de Zwaan +per rijtuig en onder strenge bewaking naar Haarlem gevoerd, waar hij in +de gevangenis werd opgesloten. En toen hij den volgenden dag voor den +Officier van Justitie werd gebracht legde hij eene volledige bekentenis +af. Ja, hij had 's nachts het raam weten open te schuiven en al het +aanwezige geld gestolen, en om de verdenking van zich af te werpen, +had hij de drie gouden tientjes bij Van der Vliet onder de deur +doorgeschoven, daar hij gezien had, dat deze met zijne vrouw dien dag +bij den Directeur hadden gewerkt. + +De rechtbank veroordeelde hem tot eene langdurige gevangenisstraf. +Zijn oom en tante, de koster en diens vrouw, waren zeer bedroefd over +het slechte gedrag van hun neef. Toen hij later uit de gevangenis +terugkeerde, hebben zij hem voortgeholpen om naar Amerika te emigreeren. +Hier wisten zij geen raad meer met hem. + +Over de slechte wijze, waarop ik mijne taak als organist had +waargenomen, werd zeer weinig gesproken. Bob had het goed geraden: +door het vinden van het geld werd over mijne afwezigheid op dat +gedenkwaardige oogenblik niet meer gedacht. Zelfs de meester liet er +niets van blijken, toen hij teruggekeerd was, en later heeft hij mij +nog meer dan eens verzocht, als hij weer eens van huis moest, zijne +betrekking voor hem waar te nemen. Daaruit kon ik tot mijne groote +vreugde opmaken, dat hij mij zijn vertrouwen niet onwaardig keurde. + +Maar Bob ging nooit weer met mij mede. + +Dat kon hij ook niet, want korten tijd daarna heeft hij tot onze groote +spijt het dorp verlaten. De reden daarvan was, dat zijne Moe ernstig +ziek werd, zoodat men voor het behoud van haar leven vreesde. Dokter +Doreman deed alles, wat in zijn vermogen was om haar beter te maken, +doch zijne pogingen waren vruchteloos. Eindelijk werd er besloten, een +professor te raadplegen. Deze kwam en raadde na een ernstig onderzoek +aan, naar eene andere woonplaats te verhuizen, liefst naar een hoog +gelegen dorp in Gelderland. Hij twijfelde niet, of daar zou zij hare +verloren gezondheid terugvinden. + +Och, wat was Bob in dien tijd stil en bedaard, want hij had zijne Moe +innig lief. Wij zagen hem bijna niet meer op de straat en van spelen met +ons was geen sprake. Hij was altoos thuis, waar hij de geliefde zieke +met de teederste zorgen omringde. + +Zijn Pa besloot, den raad van den professor op te volgen. Hij kon er +echter niet toe besluiten, de lieve patiente alleen naar het vreemde +oord te laten gaan. Daarom nam hij zijn ontslag als notaris en vestigde +zich metterwoon te Oosterbeek. + +Het speet ons meer, dan ik zeggen kan, dat Bob ons ging verlaten. Hij +had nog geen vol jaar bij ons op het dorp gewoond, maar toch hielden wij +allen innig veel van hem. Dat bleek het duidelijkst bij zijn vertrek. +Sommige jongens stortten er zelfs tranen om. + +Maar Karel Holm en mij speet het 't meest van allen, want wij hadden het +meest met hem omgegaan. + +»Dag Bob,» zeiden we bij het afscheid nemen, en onze oogen waren +vochtig, evenals de zijne: »Het ga je goed, jô. 't Spijt me, dat je +heengaat.» + +»Mij niet minder; dag Dorus! dag Karel! Maar 't is om Moe, weet je. Als +ik haar maar behouden mag.» + +En hij mocht haar behouden; de professor had het goed ingezien. Van +het oogenblik af, dat zij de Geldersche lucht inademde, begon zij te +herstellen, en nog geen drie maanden daarna schreef Bob ons, dat zij +volkomen beter was en hare krachten bijna geheel had teruggekregen. + + »En jongens,» zoo eindigde hij zijn brief, »in de volgende + zomervacantie mag je beiden hier komen logeeren, zeggen Pa en + Moe. Vindt je dat niet heerlijk? Ik kan je niet zeggen, hoe + blij ik ben. Zeg jongens, dan zullen wij nog eens echt pret + maken. + Adieu! + Je vriend + BOB.» + + + + +KAPITEIN MARRYAT's Jongensboeken. + + +De Geïllustreerde Werken van KAPITEIN MARRYAT. + +De meest aanbevolen, meest boeiende en fraaiste boeken voor onze +Jongens. + +KAPITEIN MARRYAT is de Jongens-auteur bij uitnemendheid. + + _Het Handelsblad_ zegt: + „met gejuich worden zijne boeken steeds begroet. Slechts + bewondering, geen critiek wordt zijn deel.” + + _Het Vaderland_ zegt: + „MARRYAT veroudert niet en blijft steeds even aantrekkelijk.” + + _De Portefeuille_ noemt deze boeken: + Gezonde en zeer gewilde jongenslectuur. MARRYAT was een onderhoudend + verteller, die nooit iets aanstootelijks schreef, maar voortdurend + wist te boeien. + +De werken van KAPITEIN MARRYAT zijn verschenen in 2 uitgaven. + +A. De =groote geïllustreerde uitgave met twaalf platen=, geteekend door +JOHAN BRAAKENSIEK en JOS. SCHEIDEL. Hierin zijn nog voorhanden: + +=De zoon van den Strooper= -- =Snarley Yow= -- =Frank Mildmay= -- =Onder +de Hottentotten= -- =Stuurman Flink= -- =Rattlin de Zeeman= -- =Japhet +de Vondeling= -- =Het Spookschip= -- =Jack Rustig=. + +Prijs in geïllustreerd omslag ƒ 1.50, gebonden ƒ 1.90. + + +B. De =goedkoope geïllustreerde uitgave=. Elk deel in groot formaat +hiervan is versierd met 8 platen en bevat ruim 350 bladzijden druks. -- +Verschenen zijn: + +=Pieter Simpel= -- =Het Koningskind= -- =Arme Jaap= -- =Jacob Eerlijk= +-- =De Kinderen van het Woud= -- =De Landverhuizers van Canada= -- =De +Zwerver= -- =De Kaper uit de vorige eeuw= en =Percival Keene=. + +Prijs van ieder deel in een door JOHAN BRAAKENSIEK geteekend omslag +ƒ 0.90, prachtig gebonden ƒ 1.25. + + + + +Geïllustreerde Werken van MARK TWAIN. + + + De Lotgevallen van Tom Sawyer, + 6e herziene druk met platen van JOHAN BRAAKENSIEK. + + De Lotgevallen van Huckleberry Finn + (TOM SAWYER'S MAKKER). + 2e druk met ruim 50 illustratiën. + + De Reisavonturen van Tom Sawyer, + met 30 fraaie platen. + + Prins en Bedelknaap. + 2e druk met ruim 50 illustratiën. + + + _Het Handelsblad_ zegt: + De boeken van MARK TWAIN wemelen van leuke zetten, die ook ouderen + met plezier kunnen lezen. + +De prijs van bovenstaande vier werken van MARK TWAIN is ingenaaid +ƒ 1.50, geb. ƒ 1.90 per deel. + + + Jongensboeken van G. A. Henty, + vertaald door H. Th. CHAPPUIS. + + +Goedkoope geïllustreerde uitgave. + +Als Nihilist naar Siberië, Roodhuiden en Grensroovers, Cowboys en +Goudzoekers. + +Alle geïllustreerd. Prijs ingen. ƒ 0.90, geb. ƒ 1.25. + + +Historische Werken van C. Joh. Kieviet. + + +FULCO DE MINSTREEL. + +Een verhaal uit den tijd van Graaf JAN I. + +Met platen van JOH. BRAAKENSIEK. + + Prijs in geïll. omsl. ƒ 1.50, + in prachtband ƒ 1.90. + + +IN WOELIGE DAGEN. + +Een verhaal uit de jaren 1345-1351. + +Met platen van L. R. W. WENCKEBACH. + + Prijs in geïll. omsl. ƒ 1.50, + in prachtband ƒ 1.90. + + + + +Opmerkingen van de bewerker: + +Er komen in dit boek drie soorten nadruk voor: _cursief_, =vet= en ++gespatieerd+. + +Duidelijke drukfouten zijn gecorrigeerd, zoals b.v. “mêe” i.p.v. “meê”, +en “stellen” i.p.v. “stelten”. + +Geneste dubbele aanhalingstekens zijn gestandaardiseerd tot »„...”», +waar dat nodig was voor de duidelijkheid. + +Overigens is de originele spelling en interpunctie ongewijzigd +overgenomen, ook ongebruikelijke woordvormen en inconsequent gebruik +van trema's en accenten. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB *** + +***** This file should be named 37789-0.txt or 37789-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/7/7/8/37789/ + +Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/37789-0.zip b/37789-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7e6c2cd --- /dev/null +++ b/37789-0.zip diff --git a/37789-8.txt b/37789-8.txt new file mode 100644 index 0000000..45c7f2b --- /dev/null +++ b/37789-8.txt @@ -0,0 +1,8080 @@ +The Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Wilde Bob + +Author: Cornelis Johannes Kieviet + +Illustrator: Willem Steelink + +Release Date: October 18, 2011 [EBook #37789] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB *** + + + + +Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + WILDE BOB + + + + +[Illustration: Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over +den weg heen en weer,.... (pag.50).] + + + + + WILDE BOB + + DOOR + + C. JOH. KIEVIET + + GELLUSTREERD DOOR WM. STEELINK + + AMSTERDAM + VAN HOLKEMA & WARENDORF + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + Welke streken Bob uithaalde + en hoe hij ten slotte overijld het hazenpad koos. + + +Dorus! + +Dat was de stem van Moe. Zij stond aan de trap en ik zat mijn huiswerk +te maken op de bovenkamer. + +Ja, Moe! Wat wil U? + +Dorus, ginds komt Wilde Bob aan. Laat je nu niet door hem van je werk +metroonen, voordat je het afhebt. Zul je niet? + +Neen, Moe, ik zal eerst mijn werk in orde brengen, dat beloof ik U. + +Goed, mijn jongen. Eigenlijk zag ik nog veel liever, dat je in het +geheel met dien Bob niet omging, want ik houd hem voor een heel slecht +kameraad. + +Heusch niet, Moe, echt niet! 't Is toch zoo'n aardige jongen. Wij +houden allen evenveel van hem en hij is wel goed ook. Slecht althans in +geen geval. + +Nu, ik wil het hopen. Dus eerst je werk af, denk daar om. + +Ja, Moe! + +'t Was Zaterdagmorgen, tien uur ongeveer, toen Moe mij dit toeriep. +'s Zaterdags hadden wij nooit school, daarentegen wel op Woensdagmiddag, +welken de kinderen tegenwoordig meestal vrij-af hebben. + +Eigenlijk was Moe's waarschuwing niet noodig geweest, want ten eerste +was het mijn vaste voornemen, niet te gaan spelen, voordat ik mijn werk +afhad, en ten tweede had ik mijn vriend Bob, of Wilden Bob, zooals hij +gemeenlijk genoemd werd, al zien aankomen. Eerst leeren en dan spelen, +zei onze meester altoos, en ik was dat volkomen met hem eens. Niet omdat +ik studeeren zoo prettig vond, o neen, maar ik was al een paar malen +naar mijne kameraden gegaan, vr ik mijn werk afhad, en dat had mij +even zooveel malen berouwd. Want als mijn vrije Zaterdag eindelijk +al spelende voorbij gegaan was, kon ik mijn Zondag besteden, om den +verloren tijd in te halen, en dat viel mij dubbel hard, want op dien +dag werkt niemand. + +Bob en ik woonden tegenover elkander, elk aan eene zijde van de beek +die ons dorp doorsneed. 't Was dus geen wonder, dat ik hem had zien +aankomen, te meer daar mijn raam, waarvoor ik zat te werken, precies op +zijn huis uitzicht gaf. Al ongeveer tien minuten geleden had ik hem op +zijne stelten, want het was juist in den steltentijd, den tuin uit- en +den weg zien opstappen, en ik twijfelde niet, of zijn weg voerde naar +mij. Want Karel Holm en ik, Dorus Volmaar, waren het meest met hem +bevriend, hoewel ik moet zeggen, dat alle jongens veel van hem hielden. + +Toch kon ik mij wel begrijpen, dat onze ouders niet zoo bijster met die +vriendschap waren ingenomen, want hij verdiende zijn bijnaam van Wilden +Bob volkomen, en hij deed veel meer kattekwaad in eene week dan alle +andere jongens te zamen in een jaar. Zoo pas nog zag ik hem bij dokter +Doreman van zijne stelten stappen en zich vlug als een kat meester maken +van de glazenspuit, die in een emmer vol water onbeheerd voor het huis +stond. Mina, de meid, was zeker iets uit de keuken gaan halen, dat zij +vergeten had. En was het er hem nu nog maar om te doen geweest, zich op +de hoogte te stellen, hoe zoo'n perspompje toch eigenlijk werkt, dan was +het niet erg geweest. Maar dat wist ik wel beter, want daar kende ik +Bobje te goed voor. Neen, hij zon natuurlijk weer op iets grappigs, en +dat grappige bleef niet uit, toen de niets kwaads vermoedende Mina om +den hoek van het huis verscheen, en plotseling de volle laag kreeg. Ik +zag hoe zij van schrik de armen omhoog sloeg en in minder dan geen tijd +droop van het water. + +Maar Mina is lang geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. In +plaats van op de vlucht te gaan, zooals Bob natuurlijk van haar verwacht +had, kwam zij heel onnatuurlijk in ijlende vaart op hem af, zoodat +hij zich genoodzaakt zag, zich met achterlating van zijne stelten zoo +spoedig mogelijk uit de voeten te maken. En het ergste kwam nog voor +hem aan, want in zijne haast liep hij met geweld tegen een dikken boom +aan, waarvan een blauwe plek op zijn voorhoofd het directe gevolg was. +En het indirecte gevolg was een nat pak, want door den schok viel hij +achterover op den grond en kreeg van de dankbare Mina al het water over +zijn lichaam, dat hij nog in den emmer gelaten had. Die grap was dus ons +Bobje slecht bekomen. En zijne stelten was hij kwijt, want Mina nam ze +op en bracht ze achter het huis in veiligheid. + +Ik zag uit mijn raam, hoe Bob overeind scharrelde en op een eerbiedigen +afstand bleef wachten, of het de beleedigde Mina ook behagen mocht, hem +zijne houten onderdanen terug te geven. Maar Mina maakte bedaard haar +werk af, stak daarna dreigend de vuist tegen Bob op en ging naar binnen. + +Toen beschouwde Bob de zaak blijkbaar als afgedaan, want hij stak zijne +handen in zijne broekzakken en vervolgde zonder stelten zijn weg naar +mij. + +Dergelijke ontmoetingen had Bob den geheelen dag door, van den morgen +tot den avond. Maar zijn humeur leed er niet erg onder. Hij was daarvoor +aan zulke afstraffingen te zeer gewoon en het was zijne gewoonte, als +hij hier of daar min of meer onaangename ervaringen had opgedaan, te +zeggen: Wie kaatst moet den bal verwachten. 't Was alleen maar jammer, +dat dit kaatsen bij hem nooit eens ophield, want hij was in zijn hart +werkelijk een goede jongen. Er waren er wel op het dorp, die lang +zoo berucht niet waren als hij, jongens met wie wij van onze ouders +volgaarne mochten omgaan en die toch inderdaad veel slechter waren dan +Bob. In elk geval, wij, jongens, hielden dol veel van hem, en als hij, +naar wij meenden, onverdiend beschuldigd werd, zooals Moe straks deed, +dan achtten wij het onzen plicht, hem met al de kracht te verdedigen, +waarover wij beschikken konden. + +Bob was de zoon van onzen nieuwen notaris, en hij woonde nog maar een +paar maanden op het dorp. De vorige notaris was in den verschenen herfst +overleden, en Bob's vader was diens opvolger. Eigenlijk heette hij +Robert Adrianus de Wild, maar thuis noemden zij hem nooit anders dan +Bob, en wij, jongens, hadden van Bob de Wild al spoedig Wilden Bob +gemaakt, welke naam volkomen bij hem paste. + +Enkele minuten na Moe's waarschuwing hoorde ik zijn bekend fluitje op +den weg. Want wij schelden nooit bij elkander aan. Karel Holm, Bob en +ik hadden afgesproken, dat wij dit nooit doen zouden, want het was +veel aardiger om een zeker signaal te hebben, waarmede wij elkander +konden roepen, zonder dat anderen daar nu juist altoos erg in moesten +hebben, en bovendien scheen het ons iets bijzonder geheimzinnigs en +rooverachtigs toe, wat ons verbazend interesseerde. Zoo hadden wij dan +een bepaald signaal afgesproken, wat door ons gefloten werd. Al spoedig +konden wij zelfs in het donker wel onderscheiden, wiens fluitje gehoord +werd. Want al floten wij dezelfde reeks van tonen, ieder van ons had +toch weer zijne bijzondere manier, waaraan hij herkenbaar was. + +Ik stak mijn hoofd uit het raam, want daar wij al Juni schreven en het +prachtig wer was, had ik het zoover opengeschoven als ik kon, en zei: + +Zoo Bobbertje. Wat ben je nat! + +Dag Dorus! Ga je mee? Er zijn al verscheidene jongens op het +schoolplein. + +Eerst mijn werk af, mannetje. Ben jij er al mede klaar? + +O heden ja, een uur geleden al. Maar ik was om vijf uur al op en ben +toen dadelijk aan het werk gegaan. Iedereen slaapt zoo lang niet als +jij! + +Dank je voor het compliment. Maar zeg, wat ben je nat? + +Ik zei dit natuurlijk alleen maar om hem te plagen, want ik wist er +alles van; hij behoefde mij niets te vertellen. + +O ja, zei hij kortaf, een beetje water, anders niet. Dat zal wel weer +drogen in het warme zonnetje. Dus je gaat niet me? + +Maar hoe kom-je zoo nat? hield ik vol. 't Heeft toch niet geregend? + +Wel neen, 't zijn maar enkele spatjes water..... + +En waar zijn je stelten? vroeg ik, want hij moest den steek op mijn +lange slapen terug hebben. + +Och jongen, wat zeur je toch! Ik kan toch wel eens uitgaan zonder mijne +stelten. + +Ja, zeker, -- natuurlijk. Maar straks had-je ze toch, toen ik je aan +den overkant zag loopen. En nu heb je ze niet meer. + +Och, Mina, de meid van den dokter, heeft ze mij afgenomen. Zeg Dorus, +ik wou dat je dt eens gezien hadt! + +Wat? Dat ze jou de stelten afnam? + +Neen, -- zeg j, 't was toch zoo leuk! Ze had de glazenspuit vr het +huis laten staan, en juist toen ze om den hoek verscheen, gaf ik haar +een stortbad, dat het een lust was om te zien. Ha-ha-ha! Wat keek ze +leelijk! + +Zoo, dat wil ik wel gelooven. En toen kwam ze op Bobje af, en Bobje +ging op de vlucht, en hij zat z in den angst, dat hij niet eens den +dikken boom zag, dien hij tegenkwam, en hij bonsde er zoo hard tegenop, +dat hij een blauwen plek op zijn voorhoofd kreeg, en op den grond +tuimelde, en toen kreeg hij van de vertoornde Mina zveel water over +zijn baadje, dat het wel een zondvloed geleek. + +O -- zoo! dus je hebt alles gezien? 't Staat je fraai, om het mij dan +nog te laten vertellen. Dus je gaat niet me? + +Neen, nog niet. -- En toen pakte Mina snel de stelten van den jongeheer +en verdween er mede achter het huis. Zeg Bob, je hadt bij slot van +rekening toch niet zooveel pleizier van de grap als Mina. + +Dat is waar. Ze is goed bij de pinken, dat moet ik zeggen. Ik wou, dat +ik mijne stelten maar terug had. Zeg, Dorus, weet jij geen middeltje, om +ze weer in handen te krijgen? + +Wel ja, jongen. Je gaat er doodeenvoudig naar toe, en vraagt ze met een +deemoedig gezicht terug. Dan krijg je ze wel. + +Ik zou je danken. Pas op, Mina is niet pluis. Maar nu krijg ik een +plannetje. Zeg Dorus, als jij ze eens voor me gingt vragen! Jou zal ze +niets doen, want jij bent heelemaal onschuldig aan dit zaakje. + +Juist, en daarom zal ze mij zeker de stelten ook niet geven. Neen Bob, +'t is er haar natuurlijk om te doen, dat je zelf komt. En dan zal ze wel +niet bijzonder vriendelijk wezen, vrees ik. + +Dat denk ik ook. -- Wacht Dorus, daar komt Mietje de Veer aan met eene +stroopkan in haar hand. Daar moet ik toch eens eene grap mede hebben. + +Och, laat haar loopen, dat domme wicht! + +Maar Bob luisterde al niet meer naar me. Hij trok zijn mond in den +allervriendelijksten plooi en wachtte op de komst van zijn slachtoffer. +Zijne oogen tintelden van plaaglust en blijkbaar was hij zoowel Mina en +zijn natte pak als zijne stelten vergeten. + +Mietje de Veer was een dochtertje van den schoenmaker, en een van de +domste kinderen van de geheele school. Idioot was ze niet, want ze wist +wel wat ze deed, maar leeren kon zij niet. Nu zou ik in Bobs geval +Mietje rustig hebben laten passeeren, want ik hield er niet van om zulke +onnoozele wichten voor den gek te houden, ten minste niet erg, maar Bob +dacht daar niet over. + +Dag Mietje! zei hij op zijn vriendelijksten toon. Moet je van middag +pannekoek eten! + +Ja Bob, dat heb je geraden. + +En lust je die graag? + +Dat zou ik meenen. Jij niet? + +Of ik. Ik zou wel je gast willen wezen, als ik mocht. Dan bleef er voor +jou geen pannekoek over, Mie. + +Waarom niet? vroeg Mietje, die niet vlug genoeg van begrip was om te +snappen, wat hij bedoelde. + +Omdat ik ze dan allemaal zou opeten! zei Bob. Allemaal, hoor; +misschien liet ik een halfje over voor jou, omdat ik zooveel van je +houd. + +Bij die woorden boog hij zich een weinig voorover en keek met alle +aandacht in de kan. Opeens zag hij Mie met een heel vies gezicht aan, en +zeide: + +O neen, -- dank je. Ik zou er nu geen pannekoek meer van willen hebben. +Dank je feestelijk, Mie, eet jij ze maar op. Akkeb! + +Akkeb -- waarom? vroeg Mietje in de grootste verbazing, daar zij +onmogelijk kon begrijpen, waaraan die snelle omkeering bij Bob te wijten +was. + +Nu, ik moet zeggen, dat ik er ook niets van begreep. + +Moet +die+ stroop er op? vroeg Bob, op de kan wijzende, en steeds met +denzelfden opgetrokken neus. + +Ja zeker, -- waarom zou die stroop er niet op moeten? + +Je bent een dom kind, hoor Mietje. Kijk dan eens even in die kan! + +Mietje deed het, maar zag natuurlijk niets dan de ondoorzichtige +bruin-zwarte massa. + +Zie je niets? + +Ik niet! zei Mie. Alleen de stroop. + +Onder op den bodem, -- zie je daar ook niets? + +Neen, niets, Bob, maar wat is er dan? + +Zie je daar met allebei je oogen dan die tor niet, die er onder in +ligt? + +Mie keek met alle aandacht. + +Neen, ik zie geen tor, en -- 't is niet waar ook. Er zit geen tor in. + +Nu, ik wl! zei Bob met overtuiging. Maar jij kunt het beest ook niet +zien, omdat je er niet doorheen kunt kijken. +Ik+ zeg je, dat er een tor +in zit. + +'t Is niet! zei Mie ongeloovig. + +'t Is wl! hield Bob vol. Ik wil wedden, dat jij het smerige dier op +je pannekoek krijgt. + +'t Is niet! + +'t Is wl waar! Houd dan de kan maar onderste-boven, dan zul-je het +zelf zien! raadde Bob met het ernstigste gezicht van de wereld aan. + +'t Is toch niet waar! zei Mie. Je houdt me voor den gek! + +Nu, keer de kan dan maar om, dan zullen we zien, wie er gelijk heeft. + +En waarlijk, daar liep Mietje in de val. Doodbedaard hield zij de kan +onderste-boven, natuurlijk met het gevolg, dat de stroop op den grond +terecht kwam. Bob en zij keken met alle aandacht, of eindelijk de +bewuste tor niet volgen zou. + +Doch neen, toen alle stroop er uit was, bleef het torretje absent. + +Zie je nu wel! riep Mie triomfantelijk uit. Zie je nu wel, dat ik +gelijk had? + +Waarlijk, er zit er geen in! zei Bob hoofdschuddend. Ik dacht het +toch stellig, want 't was net, of ik het beest zag. Neen, jij hebt toch +gelijk gehad. Nu, dag Mietje, breng jij nu de stroop maar naar huis en +eet lekker! + +Nu pas ging ons Mieke een licht op. Met schrik keek zij beurtelings de +ledige kan en den strooperigen weg aan, tot zich plotseling hare oogen +met tranen vulden en zij luid schreeuwende naar huis ging. Op grooten +afstand konden wij haar nog hooren. + +Maar Bob schaterde het uit van de pret. + +Zeg Dorus, hoe vind je nu zoo'n domme meid? Ha-ha-ha-ha, ik kon mijn +lachen haast niet bedwingen toen zij de kan omkeerde, en wat keek zij +ernstig. Ha-ha-ha-ha! Z dom heb ik het nog nooit gezien. + +Dom is het, dat is waar. Doch jou raad ik aan, om den eersten tijd en +vandaag vooral niet in de buurt van den schoenmaker te komen, want je +weet, dat hij zijn spanriem alleraardigst weet te hanteeren. Als hij je +kreeg, zou ik je mijne broek niet graag willen leenen. + +Maar Bob deed niet anders dan lachen. Hij vond het geval +allervermakelijkst en was ten volle overtuigd, dat hij veel meer +succes had gehad, dan hij met reden had mogen verwachten. + +Eindelijk kwam hij tot bedaren. + +Wat zei je ook wer? vroeg hij. O ja, die schoenmaker, h? Nu ja, hij +heeft me nog niet! Ik kan harder loopen dan hij. + +Nu, ik waarschuw je, want hij zal meer dan kwaad zijn. + +Och kom, dat zal zoo'n vaart niet loopen. Dus je gaat niet me? Toe +zeg, kom maar! Je werk komt nog wel af, en 't is zulk prachtig wer. +Hoor de jongens eens joelen. Toe, zeg, kom nu! + +O neen, stellig niet. Ik maak eerst al mijn werk af want anders moet ik +het vanmiddag of morgen nog doen, en dat is veel onpleizieriger. Over +een paar uren ben ik klaar. + +Een paar uren nog? Wat moet je dan nog wel doen? Ik heb er in 't geheel +maar twee uur over gewerkt. + +O ja, maar jij kunt het ook zoo vlug, veel vlugger dan ik. Eerst moet +ik nog een kaartje van Frankrijk teekenen en dan moet ik nog drie +kwartier orgelspelen. Vr twaalf uur ben ik dus stellig niet gereed. En +hoe eerder je nu gaat, hoe eerder ik beginnen kan, -- tot straks dus. + +Deze wenk was duidelijk genoeg, naar mij dacht. Maar Bob bleef nog +staan. + +Toe Dorus, wees nu niet zoo flauw en ga me. Dan zal ik je vanmiddag +wel aan je kaartje helpen. + +Neen, ik doe het niet; ga dus maar gerust heen. En als je +niet+ gaat, +schuif ik het raam dicht. Ga naar Karel Holm; die zal met zijn werk wel +niet zooveel haast maken. + +Karel is niet thuis. Hij is naar Haarlem en komt eerst om twee +uur terug. Ga je orgelspelen in de kerk, Dorus? En heb-je al een +orgeltrapper? Zeg, dat wil ik wel voor je doen. Willen we dat +afspreken? + +Nu, dat mocht ik in geen geval, want de meester, die tevens organist +in de kerk was en mij in piano- en orgelmuziek les gaf, had mij ten +strengste verboden, ooit Bob de Wild mede te nemen, om voor mij lucht +te maken. Want Bob zat overal aan, in en op. Klom hij niet in den +preekstoel, dan stond hij den voorzanger op diens plaats in de kerk na +te apen, en dat kon hij wat koddig, -- en als hij dt niet deed, dan +klom hij zoo hoog in den toren als hem mogelijk was. En nergens deed hij +eenig goeds, maar wel veel kwaads. + +Nu had de meester wel voor mij verlof gekregen om mij op het kerkorgel +te mogen oefenen, maar natuurlijk moest ik een bedaarden jongen +medebrengen om den blaasbalg te trappen, want het was een groot orgel. +En Wilde Bob mocht mij in geen geval vergezellen. Hieruit kan blijken, +dat mijne reputatie onder de groote menschen vrij wat beter was dan die +van mijn vriend Bob, want werkelijk werd mij door dat verlof zeer veel +vertrouwen geschonken. Natuurlijk had de onderwijzer van mij getuigd, +dat ik een bedaarde, stille jongen was, die zulk een groot vertrouwen +wel verdiende. Of ik het echter nooit beschaamd heb, zal later blijken. + +Dus Bob mocht in geen geval mede, wat hij zelf niet wist, daar ik het +hem nooit gezegd had. + +Ik heb al een trapper, zei ik daarom. + +Ja, -- wie dan? + +Jan van der Vliet. Je weet wel, dat die altijd medegaat en dat mijne +ouders en de meester niet willen, dat ik andere jongens meneem. Maar ga +nu, want anders krijg ik mijn werk nooit af en kan ik zelfs van middag +niet mespelen. + +Maar Bob was boos, omdat ik hem niet medenam naar het kerkorgel. + +En als ik nu eens niet wegging? vroeg hij plagend. + +Dan schuif ik het raam dicht! zei ik beslist. + +Doe dat dan maar, want ik blijf! klonk het antwoord. Maar nauwelijks +had Bobje dat gezegd, of ik zag hem schichtig omkijken en plotseling het +hazenpad kiezen. Jongen, jongen, wat liep hij! Hij keek op noch om, en +liep als een hazewind. + +Van zooveel veranderlijkheid had ik geen flauw begrip en ik boog mij wat +verder het raam uit om te zien, of ik de oplossing van dit raadsel ook +zou kunnen ontdekken. + +En waarlijk, die was spoedig gevonden in de gedaante van den +schoenmaker, die met den spanriem in de hand met groote schreden +naderde. O, o, wat keek hij kwaad, en wat liep hij hard. Maar het eene +baatte hem evenmin als het andere, want Bob liep harder dan hij en was +spoedig in veiligheid. De schoenmaker gaf de vervolging op, juist op de +plaats, waar de kostelijke stroop op den grond lag, en nauwelijk kreeg +de brave man den vuilen plek in het oog, of hij hief de vuist tegen den +vluchteling op en riep hem na, dat hij den deugniet wel krijgen zou. +Maar n had hij hem toch nog niet. Onverrichter zake moest hij naar huis +terugkeeren. + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + Waarin Bob naar de kerk gaat, een uilennest vindt, als + voorzanger fungeert en leelijk in de perikelen geraakt. + + +Zie zoo! Nu was mijn verleider eindelijk vertrokken en kon ik aan mijn +werk voortgaan. Alles had ik af, behalve mijn kaartje van Frankrijk. +Ik nam mijn atlas uit de kast en een vel teekenpapier, zette mijne +passerdoos gereed en begon. Ik herinner mij nog levendig hoe prettig ik +het vond, dat juist de vrede tusschen Frankrijk en Duitschland geteekend +was, niet zoozeer omdat daardoor aan een bloedigen oorlog een einde was +gemaakt en het bloedvergieten was opgehouden, als wel omdat ik nu Elzas +en Lotharingen niet behoefde uit te teekenen daar die beide provincin +bij het sluiten van den vrede aan Duitschland waren afgestaan. Alleen om +dat feit koesterde ik een diepen eerbied voor de staatsmanswijsheid van +Bismarck. + +De lijst was spoedig getrokken en nu begon ik de ligging van de +voornaamste punten op mijn teekenpapier aan te geven. Als dat gedaan +was, had ik de grenzen spoedig in orde, dat wist ik bij ondervinding. +Den meesten last veroorzaakten mij altijd de gebergten, omdat het mijne +gewoonte was, daar altoos bijzonder veel werk van te maken. Juist zou ik +met dat fijne werk beginnen, toen mij weer het signaal van mijn vriend +Bob in de ooren klonk. Ik zag op en jawel, daar was hij al weer. + +Lachend keek hij naar boven. + +Wat was hij kwaad! riep hij me toe. + +Geen wonder! was mijn antwoord. Pas maar op, dat hij je niet krijgt, +want hij is tamelijk hardhandig. + +En ik snelvoetig! riep hij terug. Maar ik begrijp toch waarlijk +niet, waarom hij zoo boos is. Als ik er goed over nadenk, heb ik toch +feitelijk niets gedaan, dat niet goed was. Mietje heeft uit eigen +beweging de kan onderste-boven gehouden en de stroop er uit laten +loopen. Ik heb de kan zelfs niet aangeraakt. Je moet me toch toegeven, +dat k het niet helpen kan, als Mietje domme dingen doet? + +Dat is wel mogelijk, Bob, en je weet je baantje mooi schoon te praten. +Maar ik vrees, dat De Veer er zoo diep niet over zal nadenken, en je +eenvoudig een pak slaag zal geven, zoodra hij je te pakken heeft. + +Dat denk ik ook. Nu, gedane zaken nemen geen keer, zal ik maar denken. +Ga-je nu me? + +O, neen -- ik heb nog maar alleen de lijst en de grenzen af, en zou +juist aan de gebergten beginnen. Ga maar gerust heen, want ik kom toch +niet voor n den middag; dan ontmoet ik je wel. + +'t Is mooi flauw van je, om me den geheelen morgen alleen te laten. Nu, +dan ga ik maar. Atjuus! + +Atjuus, en denk om den schoenmaker! + +Nu ging Bob dan eindelijk voor goed heen en zette ik mij weer aan den +arbeid. Wel moest ik af en toe eens lachen als ik aan Bob en zijne +avonturen van dezen morgen dacht, maar ik schoot toch flink op. Om kwart +over elven was ik met mijn werk gereed. Ik flapte mijn atlas dicht, +bekeek nog eenmaal met welgevallen mijne kaart, die er werkelijk keurig +netjes uitzag, zette er met zwierige krullen mijn naam onder en borg +toen alles behoorlijk in de kast. + +Met innige vreugde, dat ik met mijn werk zoo goed opgeschoten was, ging +ik naar beneden, wat voor mij maar een oogenblik werk was, daar ik nooit +van de treden gebruik maakte, doch mij eenvoudig langs de leuning naar +beneden liet glijden, en stapte de woonkamer binnen. Daar nam ik mijn +orgelmuziek uit het muziekkastje, welke bestond uit een enkel dik boek, +bevattende de psalmen en de evangelische gezangen, en wilde juist de +deur uitstappen, toen Moe mij toeriep: + +Voorzichtig wezen met het orgel, hoor Dorus. Ik sta doodsangsten uit, +dat je er wat aan bederven zult. + +Geen nood, Moe, ik ben werkelijk zeer voorzichtig en doe er niets aan, +dat schaden kan. Ik ben er zelf veel te bang voor. + +Dat is wel gelukkig. En dien Wilden Bob neem je toch niet mede? Dat wil +ik volstrekt niet hebben, hoor! + +Neen Moe, hij heeft het mij straks wel gevraagd, maar ik heb hem +gezegd, dat het niet mocht en dat Jan van der Vliet altijd met mij +meging. Bob is wel een goede jongen, Moe, maar op het orgel zou ik hem +toch ook in het geheel niet vertrouwen. + +Nu, dan is het goed. Ga nu maar dadelijk, dan ben je uiterlijk half een +weer thuis om te eten. + +Dag Moe! + +Dag Dorus! Hier heb-je een stuiver voor Jan. + +Wij aten altoos vroeg, omdat Pa bloemist was en den geheelen dag bij +de werklieden op de tuinen moest zijn. Daar dezen allen om twaalf uur +aten, was dat ook voor ons verreweg het gemakkelijkst. Ik ging dus op +weg naar de kerk, maar sloeg halverwege gekomen een zijweg in, om Jan +af te halen. Want Jan woonde niet aan de hoofdstraat, doch in een +achterbuurtje. + +Hij was de zoon van een werkman, die een gebrek aan zijn voet had en +dientengevolge meestal zonder werk was. De boeren hadden liever een +flinken, stevigen kerel dan den gebrekkigen Kees, zooals hij altoos +genoemd werd, zoodat hij alleen in den druksten tijd in het genot van +verdienste was. Tengevolge van zijne gestadige werkeloosheid moest +Trijntje, zijne vrouw, eigenlijk het brood verdienen voor het geheele +gezin, dat gelukkig niet groot was, daar Jan alleen nog maar een klein +zusje had. Dat meisje was toen ongeveer twee jaar oud. En daar de +menschen op het dorp medelijden met het arme gezin hadden, kreeg zij nog +al vrij wat werkhuizen, zoodat zij inderdaad een niet onaardig sommetje +per week verdiende. Was Trijn hier of daar uit werken en Jan naar +school, dan paste vader Kees op kleine zus, wat hem wel toevertrouwd +was. Ook moest hij dan voor het middageten zorgen, wat tengevolge had, +dat sommige spotvogels op het dorp hem wel Jan den Wasscher noemden. +Toch hadden zij vrij goed hun brood, wat wel voornamelijk aan de +flinkheid van Trijntje te danken was, want zij was eene handige werkster +en eene zindelijke waschvrouw. + +Weldra had ik de eenvoudige woning bereikt. Eene schel was er natuurlijk +niet te vinden; wie de bewoners spreken wilde, had eenvoudig maar naar +binnen te gaan. Onder den werkmansstand houdt men zich niet met vele +complimenten op. Ik drukte dus den ijzeren beugel naar beneden, waardoor +aan de binnenzijde de klink werd opgelicht, opende de deur en stapte +weldra het eenige vertrek, dat zij bezaten, binnen. Ik trof daar alleen +Jan aan, die op den grond bezig was met zijn zusje te spelen. + +Dag Dorus! zei hij. + +Zoo Jan. Ben jij maar alleen thuis? vroeg ik, de kleine meid niet +metellende. Ik kom je halen om mede te gaan naar het orgel. + +Dat zal moeilijk gaan, want Vader en Moeder zijn geen van beiden +thuis, klonk het antwoord. + +Dat was eene groote teleurstelling voor me, want orgelspelen vond ik +heel pleizierig en zonder Jan kon er niets van komen. + +Dat spijt me, zei ik dan ook. Je moeder is zeker uit werken? + +Ja, bij den postdirecteur; daar is ze Zaterdags altijd, zooals je +weet. En Vader is er nu toevallig ook, omdat de tuin eens eene flinke +beurt moest hebben. Mijnheer Valk tuint zelf nooit en Vader kan het zoo +netjes doen. + +Die laatste woorden werden door Jan met niet weinig trots uitgesproken, +en ik herinner mij nu nog het gewichtige gelaat, waarmede hij mij +aanzag. + +Ja, dat weet ik. Je vader heeft daar goed den slag van. Maar wat moet +ik nu beginnen? Bob de Wild heeft mij wel gevraagd of hij me mocht +gaan, maar hem mag ik niet menemen, omdat hij zoo wild en onvoorzichtig +is. Moe heeft mij vijf centen voor je gegeven. + +Is het waar? Nu, weet je wat? Dan zal ik buurvrouw vragen, of zij op +kleine zus wil passen. Moeder zegt altoos, dat wij geen verdiensten +verzuimen moeten. Wil jij even op zus passen, terwijl ik naar buurvrouw +ga? + +Ja, dat wilde ik wel, maar ik had er al spoedig berouw van, want +nauwelijk was Jan de deur uit en zag zus zich alleen met een vreemden +jongen, of zij begon zoo geweldig te schreeuwen, dat het huis er bijna +van dreunde. Ik begreep, dat ik iets doen moest, om haar gerust te +stellen, maar ik wist niets te bedenken. Daarom ging ik naar de kleine +meid toe, voortdurend met het hoofd knikkende, en zeide bij elken knik: +d! -- d! -- d! Doch hoe dichter ik bij haar kwam, hoe harder zij +begon te schreeuwen. Ik werd werkelijk bang, dat zij er een ongeluk van +zou kunnen krijgen, en begon daarom steeds harder te knikken en riep uit +alle macht: d! -- d! -- d! + +Maar niets baatte, zoodat ik teneinde raad het vertrek uit liep en naar +buiten ging, om Jan te hulp te roepen. Gelukkig kwam hij juist al terug. +Hij riep mij toe: + +'t Is in orde, zus kan bij buurvrouw komen! + +Nu, ik vond dat voor buurvrouw een buitenkansje, dat moet ik zeggen, en +ik stelde mij voor, dat zij met schreeuwende zus niet veel genoegen van +hare vriendelijkheid zou beleven. Doch 't was toch voor mij althans eene +prettige boodschap, want nu kon Jan met mij megaan. + +Zus werd, schreeuwend en wel, naar buurvrouw gebracht, de deur werd +gesloten, en wij togen samen op weg naar de kerk. + +Eerst moesten wij bij den koster aan, om de sleutels te halen. Hij +woonde schuin achter de kerk in een heel net huisje. Hij noch zijne +vrouw waren thuis, doch dat was geen bezwaar, daar zijn neef ons het +verlangde kon geven. Die neef was een zusterskind van den koster. Hij +heette Arie de Zwaan. Daar hij vroeg zijne ouders had verloren, was hij +als klein kind bij den koster en diens vrouw in huis gekomen, welke +brave menschen hem geheel als hun eigen zoon beschouwden. Zelf hadden +zij geen kinderen. O, wat omringden zij den kleinen Arie al met bewijzen +hunner liefde, wat deden zij hun best een braven jongen, een flinken man +van hem te maken. Doch wat werden zij bitter in hunne verwachtingen +teleurgesteld, want Arie werd een rechte deugniet, die zijn grootste +genoegen vond in luieren, naar de herberg gaan en het geld opmaken van +zijne brave pleegouders. Zelden werd eene goede daad met meer ondank +beloond. Zij hadden er ontzaglijk veel verdriet van, dat Arie zoo +slecht oppaste, maar toch hadden zij hem nog altijd lief, zelfs nu nog, +nu hij twintig jaar oud geworden was en nooit iets deed, dat hun vreugde +gaf. Hij volgde altijd zijn eigen zin, en wanneer zij hem ten beste +raadden, werd hij zoo brutaal mogelijk. Wanneer de menschen over Arie +van den koster, want zoo werd hij gewoonlijk genoemd, spraken, zeiden ze +altoos, dat zijne pleegouders het eindje met hem nog niet beleefd +hadden, waarmede ze natuurlijk bedoelden, dat het nog eens slecht met +Arie zou afloopen. + +Wij vonden hem lang-uit achter het huis op het bleekveld liggen, met den +stroohoed over het gelaat, om geen last te hebben van de insecten. +Blijkbaar had hij geslapen, maar nu werd hij wakker door onze komst. + +Wat moet jelui hebben? vroeg hij op norschen toon, daar hij het +onaangenaam vond in zijn slaapje gestoord te worden. + +Mag ik de sleutels van de kerk en het orgel hebben, Arie? vroeg ik zoo +beleefd mogelijk, want ik had het niet erg op hem begrepen. Hij kon +iemand soms z leelijk aankijken, dat men er bang van werd. + +De sleutels? -- Wat moet jij met de sleutels doen? bromde hij terug, +zonder in het minst blijk te geven, dat hij van plan was op te staan. + +Nu wist hij zeer goed, dat ik elken Zaterdag op het orgel speelde. Hij +vroeg dus naar den bekenden weg. De zaak was echter, dat hij te lui was, +om op te staan, ten einde ze voor mij te halen. + +'t Is bespottelijk, om zoo'n kostbaar orgel aan zulke kwjongens toe +te vertrouwen, vervolgde hij. En op beslisten toon voegde hij er aan +toe: Neen, kort en goed, neen! Van mij krijg-je de sleutels niet. Als +je orgel wilt spelen moet je maar terugkomen, als oom thuis is. + +Is die dan niet thuis? vroeg ik. + +Neen. + +En je tante ook niet? + +Ook niet! klonk het kortaf terug. Ga maar gerust heen, jongen, want +van mij krijg-je de sleutels niet. Ik wil daarvan de verantwoording niet +op mij nemen. + +Maar je weet toch wel, dat ik elken Zaterdag in de kerk kom spelen, en +dat ik daartoe vergunning heb van de kerkvoogden? Waarom mag ik dan nu +niet? + +Geen antwoord volgde. Arie draaide zijn hoofd van ons af en sloot de +oogen weer. + +Ik weet ze wel te hangen, Arie. Mag ik ze zelf even halen, dan behoef +je er in het geheel geen moeite voor te doen, hield ik vol. + +Ja, vooruit maar, en maak dat je wegkomt! klonk het barsch terug. + +Dat liet ik mij geen tweemaal zeggen en weldra waren wij mt de sleutels +vertrokken. + +H -- h, dat kostte moeite! zeide Jan. Hij was weer in eene booze +bui. Ik was bang van hem. + +In eene luie bui, meen je! zei ik. Hij was te lui om op te staan, dat +was de voornaamste reden van zijne knorrigheid. Ik wed, dat hij ons nu +al vergeten is. + +Wij waren nu de kerk genaderd en openden de hoofddeur. Want onze kerk +had drie deuren, waarvan er twee naar de galerijen voerden, die voor de +arme menschen bestemd waren. De hoofddeur voerde naar het schip van de +kerk, maar gaf toch ook toegang tot de trap, die naar het orgel leidde. +Dat orgel was geplaatst op eene geheel vrije ruimte, waar niemand plaats +mocht nemen dan de organist en de orgeltrapper. Natuurlijk mocht onze +meester medenemen, wien hij wilde. Er was dan ook ruimte genoeg, althans +achter het orgel, waar een geheel vrij vak was. Van uit de kerk kon +niemand zien, wie zich op het orgel bevonden, daar de ruimte aan +weerskanten van dat instrument door groene gordijnen was afgezet. Wij +spraken altijd van op het orgel, en dan bedoelden we de plaats, waar +het orgel stond. Bovenop dat instrument was voor niemand plaats, zooals +ieder begrijpen zal. Alleen stond in het midden het beeld van koning +David, op de harp spelende, en aan de beide kanten een engel met een +bazuin aan den mond, welke beelden ik altoos bijzonder mooi vond, vooral +de engelen. + +Zoodra wij boven gekomen waren, ontsloot ik de trappers van den +blaasbalg, nam het mahoniehouten deksel van het klavier en zette mij +tot spelen. Jan nam op de trappers plaats en maakte lucht. Verbazend +vermakelijk vonden wij dan altijd het dalen en het stijgen van het +gewichtje, dat aan den blaasbalg bevestigd was en niet lager dalen mocht +dan tot aan een zeker teeken, want dan was de balg vol en zou hij, +wanneer met trappen werd voortgegaan, kunnen barsten. + +Ik zette mij voor het klavier en begon te spelen. Om de waarheid te +zeggen gevoelde ik mij altijd nog al gewichtig, als ik daar zat, waarvan +de reden was, dat ik nog al klein en het orgel verbazend groot was. +Bovendien werd ik door Jan van der Vliet altijd buitengewoon geprezen, +want in zijn oog was ik een rechte duizendkunstenaar en kon ik moeilijk +door anderen in het orgelspel worden overtroffen. Zijne bewondering voor +mij was werkelijk ongeveinsd en streelde mijne ijdelheid niet weinig. +Zoodra hij den balg vol had, kwam hij altoos naast mij staan, om mijne +kunststukken te bewonderen, wat er mij gewoonlijk toe verleidde, alle +registers uit te trekken en dientengevolge een oorverdoovend geluid aan +het instrument te ontlokken. En ik moet er dadelijk bijvoegen, dat Jan +dit prachtig vond, al moest hij dan ook tweemaal zoo hard trappen als +anders. Van zachte muziek hield hij niet. Het meest bewonderde hij nog +mijne vaardigheid in het gebruiken van het voet-pedaal, daar hij er maar +geen hoogte van kon krijgen, hoe iemand met zijne voeten muziek kon +maken en dan nog wel, zonder er naar te kijken. + +Wij konden ongeveer een kwartiertje aan den gang geweest zijn, toen +plotseling de deur van ons vertrek, als ik het zoo noemen mag, langzaam +geopend werd, en het lachende gelaat van Wilden Bob om den hoek +verscheen. + +Ik hield midden in mijn spel op, zoo schrikte ik van zijne komst. Ik +wist te goed, hoe hij altoos vol kattekwaad zat, om niet te vreezen, dat +hij zich ook hier niet rustig zou kunnen houden. Bovendien was het mij +ten strengste verboden hem mede te nemen, en, dat durf ik zeggen: ik +was een gehoorzame jongen. Nu weet ik wel, dat hij uit eigen beweging +kwam en dat zijne komst mijne schuld niet was, -- maar zoover dacht ik +op dat oogenblik niet. Zoodra ik hem zag begreep ik, dat ik al het +mogelijke moest doen, om hem weer weg te krijgen. + +Ik moet er zeker niet erg vroolijk uitgezien hebben, want hij kwam +lachend naar mij toe, en zeide: + +Wel, wel, wat kijk-je vriendelijk! Toe zeg, speel eens een vroolijk +deuntje. Kan-je niet spelen: "Hij moppert alweer, Hij moppert alweer, +Hij moppert alweer, kiek, kiek!" wat in die dagen een bekend +straatdeuntje was. + +Jan van der Vliet begon te lachen, en ik van den weeromstuit ook. + +Neen, zeide ik, zulke deuntjes speel ik hier niet. Toe Bob, ga nu +heen, want je houdt mij van mijn werk af. + +Heusch niet, Dorus. Speel jij maar, dan zal ik zingen. Zeg, ga eens +eventjes van die bank af, en laat mij eens spelen. Ik kan er ook wel wat +van. + +Nu, dat was niet waar. + +Bob! zei ik ernstig. Jij blijft van het orgel af, of ik doe het +direct op slot. Ik heb moeten beloven, dat ik niemand zou toestaan, hier +gekheid te verkoopen, en daarom kun-je mij een groot pleizier doen, door +dadelijk op te hoepelen. + +Eerst eens spelen, Dorus! zei Bob. + +Er afblijven! was mijn antwoord. En ik liet er op volgen: + +Hoor eens, Bob, je bent mijn vriend, maar als je aan de toetsen komt, +krijgen we ruzie, daarvoor sta ik je borg. Ik wil het bepaald niet +hebben. Toe Bob, ga nu heen. + +Wat heb-je een praats! 't Is jou orgel toch niet? Ik heb er evenveel +over te zeggen als jij, zou ik meenen. + +Dat spreek ik niet tegen, maar als er iets ergs mede gebeurt, krijg ik +er natuurlijk de schuld van. Toe Bob, ga nu heen. + +Neen, -- ik laat me niet wegjagen. Doch speel jij maar; ik beloof je, +dat ik overal zal afblijven. Ik vind je zeldzaam flauw. + +Daar ik geen kans zag, Bob tot heengaan te bewegen, zette ik mijn spel +voort, in de hoop, dat mijn ijver hem vervelen en tot vertrekken bewegen +zou. Doch ik had het mis, want weldra bemerkte ik, dat er tusschen Bob +en Jan eene worsteling ontstaan was, zoo hevig dat het orgel ervan +dreunde. + +Natuurlijk hield ik dadelijk op om te zien, wat er aan de hand was, en +nu zag ik Bobje bezig om Jan van de trappers te dringen, ten einde er +zelf op te gaan staan. + +Bob! zei ik, als je nu niet heengaat sluit ik het orgel, maar dan +speel ik ook den geheelen dag niet met je. Of wil je bepaald twist met +me hebben? + +Ik nam het deksel en legde het op het klavier, vast besloten er nu een +einde aan te maken. + +Bob keek me eventjes lachend aan, en zeide toen: + +Maak je niet dik, Dorus, want dun is de mode. Adie, ik wil je +groeten. + +Met die woorden verliet hij het orgel. Hij deed de deur achter zich +dicht en wij hoorden hem de trap afgaan. + +Zie zoo, dat ruimt op! zei Jan, die niet erg op Bob gesteld was. Ik +liet er mij toch lekker niet afdringen, al is hij grooter dan ik. Hij +moet niet denken, dat ik bang van hem ben. + +Och, hij meent het zoo kwaad niet, zei ik. Toe Jan, trappen, dan ga +ik weer spelen. + +Ik zette mijne studie nu voort en was Bob weldra geheel vergeten, tot +hij plotseling als een wervelwind kwam binnenstormen en ons toeriep: + +Toe jongens, ga je eens even me; ik heb een uilennest gevonden. Gauw +zeg, er liggen eieren in! + +Een uilennest? vroeg ik verwonderd. Waar is dat dan? + +In den toren! lachte Bob. Of dacht je, dat ik naar huis gegaan was? +Mis mannetje, ik blijf net zoo lang als jij. Kom, ga je me naar boven? +O, het ligt zoo hoog, -- dicht bij de galmgaten! + +In een oogenblik had ik mijne zitplaats verlaten en was ik gereed, hem +te volgen, want voor een uilennest geloof ik, dat ik zelfs mijne +boterham had laten staan. + +Kom Jan, riep ik den orgeltrapper toe, ga je me? Dat moeten we +zien. + +Er zat een uil op te broein! zei Bob. Zeg j, wat schrikte ik van +hem, want toen ik met mijn hoofd boven de trap kwam, had ik zijn krommen +snavel en zijne groote ronde oogen vlak voor me. Eerst wist ik niet wat +ik zag, maar al spoedig bemerkte ik, dat het een kerkuil was. En wat +kraste hij leelijk tegen me, toen hij wegvloog. + +In een wip waren wij de trap opgeklommen tot bij het uurwerk, doch toen +moesten wij nog hooger. Eerst duwden wij een luik omhoog en kwamen toen +op een volgende trap. Bob ging vooraan. + +Wat was het daar in dien toren overal vuil en stoffig; de spinnewebben +waren haast ontelbaar. En wat woei ons een koude wind in het gelaat. Het +was duidelijk dat wij de galmgaten naderden. Spoedig kwamen wij boven, +bij de groote bel, en daar -- zagen wij het nest, met drie eieren er in! +Maar de uil was weg; wij zagen hem nergens, hoe wij ook zochten. + +Zeg jongens, de eieren laten liggen! riep Bob. Dan gaan we later +kijken, of er jonge uilen in het nest zitten. + +Ja, laten we dat doen, zei ik. Dan gaan we nu stil heen, en komen +over een week of drie nog eens terug. Willen we nu weer weggaan? + +Ja, -- maar kijk eerst eens naar buiten! Zie eens, wat Haarlem nu +dichtbij schijnt te liggen! En ginds zie ik Heemstede en daar verder +Hillegom en Lisse. Wat hebben we hier een mooi gezicht, h? + +En dit is zeker het touw, waaraan de koster trekt als hij moet luiden? +zei Jan. + +Natuurlijk, trek er maar eens aan, antwoordde Bob. Dan begint het +bom-bam! bom-bam! Toe dan, Jan. + +O neen, neen! riep ik uit, want nu begon me mijn gevoel van +verantwoordelijkheid weer te drukken. Niet doen, -- Jan, wat zouden de +menschen wel zeggen? + +Ze zouden denken, dat er brand was! lachte Bob. Zeg jongens, willen +we die grap eens hebben? + +Daar komt de koster naar boven! riep ik plotseling op verschrikten +toon uit, en tegelijkertijd liet ik mij pijlsnel naar beneden glijden. +En wat waren Bob en Jan mij kort op de hielen, want de koster liet niet +met zich spotten. In minder dan geen tijd waren we weer beneden, waar +van den koster natuurlijk niets te zien was, daar het eenvoudig een +krijgslist van me was geweest, om Bob van de bel weg te krijgen. Ik +vertrouwde hem daar in het geheel niet, vooral niet, toen hij brandje +wilde gaan spelen. + +Waar is de koster nu? vroeg hij, toen wij beneden waren. + +In Haarlem, zei ik lachend. Maar Bob, ga jij nu heen, dan ben ik des +te spoediger klaar. + +In Haarlem? Is hij dan niet thuis? vroeg Bob. + +Neen, zei Jan, die er om lachen moest, dat ik hem zoo leuk te pakken +had. Wat wist Bob van beenen maken! + +Geen wonder. Nu, ik ga heen! Tot van middag dan. + +Bob vertrok en ik zette mij weer aan het spelen. Maar nauwelijks had ik +weer eene bladzijde gespeeld en zweeg het orgel een oogenblik, of daar +hoorde ik van uit de kerk een geluid, dat precies op de stem van den +voorzanger geleek. + +O j, dat is Bob weer! dacht ik dadelijk. Ik schoof het gordijn open, +en jawel -- daar stond hij met een hoogst ernstig gezicht voor den +lessenaar van den voorzanger. Hij trok een paar malen aan zijn boordje, +zooals de goede man ook altijd deed als hij beginnen zou, humde en +kuchte een paar malen, en mompelde toen bijna onverstaanbaar: + +De gemeente gelieve te zingen.... + +En daarna verhief hij plotseling zijne stem, juist zooals de voorzanger +dat altoos deed, en galmde plechtig: Den honderdnegentienden psalm van +het eerste tot het laatste vers! + +Hij galmde zoo luid, dat hij niet eens bemerkte, hoe er eene deur achter +hem geopend werd en de dominee stil de kerk binnentrad. + +Ik had natuurlijk om de dwaasheid van Bob eerst gelachen, want de +honderdnegentiende psalm telt niet minder dan acht en tachtig verzen, +maar nu lachte ik niet meer. Ik werd zoo wit als een doek van den schrik +en gaf Bob snel een teeken om hem te waarschuwen, maar hij zag het niet. +Hij verhief zijne stem nog hooger en galmde: + +Ik herzeg den honderdnegentienden psalm van het eerste tot het laatste +vers! + +Wel jou ondeugende bengel! klonk het plotseling op gestrengen toon +achter hem. In een wip was Bob van zijne verhevenheid af en stond tot +zijn grooten schrik van aangezicht tot aangezicht tegenover den dominee. +Deze was een doodgoed man, die wel van een grapje hield, doch nu scheen +hij zeer boos te zijn. Hij keek mij gestreng aan, en zeide: + +Jij gaat onmiddellijk naar je huis. Foei, schaam je je niet, om +dergelijke dingen in de kerk te doen? Hebben we je drvoor het gebruik +van het orgel toegestaan? Pas op, dat zulke dingen niet weer gebeuren, +of het verlof wordt ingetrokken en de toegang tot het orgel wordt je +voor goed verboden. Je kunt dadelijk vertrekken. Wees gewaarschuwd. + +Daarna keerde hij zich tot Bob, en zeide: + +Jij gaat met mij mede naar de pastorie. Dergelijke spotternij kan ik +niet ongestraft laten passeeren! + +Maar dominee, -- ik -- ik -- ik -- stotterde Bob. + +Ik was een ondeugende bengel! wil je zeker zeggen, niet waar? viel de +dominee hem in de rede. Daarom juist ga je mede naar de pastorie, waar +ik je zulke streken wel zal afleeren. + +Maar dominee, ik -- ik beloof u.... + +Belofte maakt schuld, Bob! Beloof daarom niet lichtvaardig, wat je niet +van plan bent te volbrengen. + +Ik beloof u, dominee, dat ik het niet weer zal doen, zei Bob, wien het +allerminst kon toelachen, eene gedwongen visite in de pastorie af te +leggen. O, o, wat zat Bobje in de perikelen! + +Ik herhaal het, Bob: Belofte maakt schuld! Wat je niet van plan bent te +volbrengen, moet je ook niet beloven. + +Maar dominee, ik zal mijne belofte wel houden, mompelde Bob. Ik +beloof het u! + +Geef me daar je hand op, Bob. + +Bob deed het. + +Zoo, dan zal ik je voor dezen keer ongestraft laten vertrekken. Maar +zeg mij eens, wat moet jij hier eigenlijk doen? Mij dunkt, jij hebt hier +heel geen boodschap! + +Neen, dominee, maar ik wist, dat Dorus hier op het orgel speelde en +toen kwam ik even kijken. + +En kwaad doen! viel de dominee in. Dus Dorus heeft je niet mede +genomen? + +Neen dominee, ik ben uit eigen beweging gekomen, zei Bob, die +werkelijk een vijand van liegen was. + +Ga nu maar spoedig heen en kom alleen terug als het kerk is, -- +begrepen? + +Ja, dominee. -- Dag, dominee! + +De hoed vloog Bob van 't hoofd en in een snap was hij de kerk uit. Ik +had middelerwijl het orgel gesloten en volgde met Jan, na den dominee +gegroet te hebben, zijn voorbeeld. Spoedig waren we op weg naar huis. + +Eerst liepen we zwijgend naast elkander voort. Ik bracht de sleutels +naar Arie de Zwaan, die nog op het bleekveld lag te slapen en niet +weinig bromde, toen ik hem wakker maakte. Maar daar lette ik niet veel +op, want ik was te zeer onder den indruk van het gebeurde, om er veel om +te geven. + +'t Is alles jou schuld! zei ik tegen Bob onder het naar huis gaan. +Wat doe jij ook in de kerk te komen! Nu krijg ik er de schuld nog van +en als Pa en Moe het hooren, volgt er nog straf op den koop toe. Ik vind +het flauw van je, -- erg flauw! + +Bob zei niets. Hij was er ongetwijfeld van overtuigd, dat ik gelijk had. + +En als de meester het hoort, is het nog erger. Je weet, hoe streng hij +is. Wat moet ik nu zeggen, als hij er over begint? + +Bob antwoordde nog niet. Zwijgend liep hij naast ons voort. Maar op eens +zei hij: + +Als de meester er van spreekt, geef je alle schuld aan mij, Dorus, want +jou schuld is het niet. + +Dan zeggen alle jongens, dat ik klik! En dat wil ik niet, was mijn +antwoord. + +Goed, dan zal ik het zelf wel zeggen. Ik wil niet, dat jij in mijne +plaats straf krijgt. Maar ik spreek er niet van, voordat ik zeker weet, +dat de meester er van gehoord heeft. Dat begrijp je wel, he? Nu, ik ga +naar huis, hier langs den achterweg, want anders moet ik den schoenmaker +voorbij, en dat doe ik liever niet. Tot van middag! + +Hij sloeg met Jan het achterwegje in en ik ging den hoofdweg langs naar +huis, waar men al met het eten op mij wachtte. Gelukkig vroeg niemand +mij naar mijn orgelspel en de meester sprak later ook niet over het +geval. Zeker heeft de dominee het gebeurde voor hem verzwegen, of zoo +hij dat niet heeft gedaan, als zijn gevoelen te kennen gegeven, dat ik +er geen schuld aan had. + +En voordeel was er aan verbonden, en wel dit -- dat Bob mij, den +eersten tijd althans, in vrede naar de kerk liet gaan, wanneer ik mij +op het orgel ging oefenen. Wel was de grootste schrik spoedig bij hem +vergeten, maar hij wist, dat hij de pastorie voorbij moest gaan om in de +kerk te komen, en dat durfde hij toch niet, althans niet, als hij wist, +dat de dominee thuis was. Want dan had hij veel kans, dat hij opgemerkt +zou worden, en hij twijfelde er niet aan, of den tweeden keer zou hij er +niet zoo gemakkelijk afkomen als den eersten. + +Verbeeld je eens, zei hij later tegen me, dat de dominee mij voor +straf den geheelen honderdnegentienden psalm had laten uitschrijven. Dat +zou me eene geschiedenis geweest zijn -- acht en tachtig verzen! + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + Waarin Bob eene uitnoodiging ontvangt van den Heer + Denappel, zijne stelten terug wil hebben en + van den regen in den drop komt. De + krijgslist van Karel Holm en mij. + + +Bob keerde dus langs den achterweg naar huis terug, wat voor hem slechts +een omweg was van ongeveer tien minuten. + +Op deze manier kan ik den schoenmaker mooi ontwijken, mompelde hij +vergenoegd, terwijl hij zich de handen wreef van plezier. Maar toch, +liet hij er op volgen, toch val ik hem den eenen of anderen keer +beslist in handen, dat kan niet uitblijven. Op een dorp ontmoeten de +menschen elkander dagelijks, en dus zal ik den schoenmaker ook wel eens +onverwachts voor mij zien. Och ja, -- ik had ook veel wijzer gedaan, als +ik dat domme kind doodbedaard pannekoeken met stroop had laten eten in +plaats van pannekoeken alleen, -- maar daar is nu niets meer aan te +doen. En bovendien -- als ik eenmaal den schoenmaker tegen 't lijf +loop, is hij het heele historietje misschien al vergeten. Wel ja, een +mensch kan toch alles niet zijn leven lang onthouden! + +Die laatste gedachte scheen Bob zoo gerust te stellen, dat hij de +toekomst plotseling niet donker meer inzag, en van pret een deuntje ging +fluiten. Hij was nu Bos' bruggetje genaderd, en wilde er juist overgaan, +toen hij zich bij zijn naam hoorde roepen. + +De Heer Bos had een winkel in allerlei ijzerwaren aan het einde van het +dorp, eigenlijk op een bijzonder ongelegen plaats, daar hij aan den +overkant van het water woonde aan den achterweg en dientengevolge +moeilijk te bereiken was. Hij had dat zelf zeer goed ingezien en daarom +een bruggetje over het water laten leggen, dat zijn persoonlijk eigendom +was en geheel door hem werd onderhouden. Die brug werd altijd Bos' +bruggetje genoemd, en was ten algemeenen nutte. De zaak in ijzerwaren en +landbouwgereedschappen werd eigenlijk niet door hem alleen gedreven; hij +had een compagnon, een vrijgezel, die bij hem in pension was. Hij was +ongetrouwd, vroolijk van aard, overal een welkom gast en -- een man met +een echt jongenshart, waarmede ik bedoel, dat hij veel van jongens hield +en hun dikwijls een genoegen deed. De heer Denappel, (zoo heette hij) +had nooit grooter vermaak, dan als hij ons, jongens, eens een groot +genoegen kon doen, waarvoor hij zich dikwijls zeer veel moeite +getroostte. + +Deze heer Denappel nu was het, die Bob geroepen had. + +Dag mijnheer! riep Bob, toen hij hem zag. + +Zoo, Wild Bobje, -- kom jij eens hieg! + +Bob kwam. Dat de Heer Denappel onmogelijk de r kon uitspreken en er +altijd eene g van maakte, hoorden wij al niet eens meer, zooveel hielden +wij van hem. Hij brouwde anders wel buitengewoon erg. + +Waag zijn je stelten, Bobje? vroeg hij lachend, want hij mocht Bob +graag lijden. + +Die heeft de meid van dokter Doreman, mijnheer, zei Bob. + +Zoo? -- Waagom? -- H-h-h-h! Moet Mina ook stelten leegen loopen? +H-h-h-h! + +Mijnheer Denappel had een verbazend leelijk lachje over zich, want hij +lachte altijd met eene -klank, en bovendien sprak hij sterk door zijn +neus. Geloof ook maar gerust, dat wij hem dikwijls uitgelachen zouden +hebben, als hij -- niet zoo aardig jegens ons geweest was. Nu hielden +wij veel te veel van hem, om zoo iets te doen. + +Dat weet ik niet, mijnheer, maar ik ben ze kwijt, en ik zie geen kans +om ze terug te krijgen. + +Dat is leelijkeg voog je, Bob, want ik wou je juist vgagen of je lust +hebt, om mede te doen aan eene hagdloopegij op stelten. Zou je dat niet +willen? + +Niet willen! O ja, mijnheer, -- asjeblieft, heel graag. Wanneer doen we +het? + +Vandaag oveg eene week, dus op Zategdag, 's middags om n uug. De +pgijs is een pgachtig boek van Gobinson Cguso, in een mooien blauwen +band, en de tweede pgijs is de Bagon van Munchhausen, ook een mooi boek. +De degde pgijs is een pogtemonnaie, maag ik houd het gecht, die te +geven aan wien ik wil. Nu, hoe bevalt het je? + +Heerlijk, mijnheer, prachtig! En mag iedereen medoen? En waar is het? + +Hieg, op den achtegweg, en iedegeen mag meedoen. Noodig jij alle +jongens maag uit in mijn naam, wil je dat doen? + +Met alle genoegen, mijnheer! + +En zouden ze eg lust in hebben? + +Of ze, dat kan u begrijpen! + +Mooi, mooi. Maak jij nu maag, dat je je stelten tegug kgijgt, want +andegs gaat de pget jou neus voogbij, h-h-h-h! Dag Bob! + +Ja mijnheer, wist ik maar ho! + +O, Bob, zeg maag, dat je haag wel eens een pleizieg zal doen, doog bij +voogbeeld de glazen eens te helpen wasschen, als ze dat doen moet, -- +h-h-h-h? -- dan zal ze je misschien je kwaad wel veggeven, +h-h-h-h! + +Ha zoo! Mijnheer Denappel wist er dus alles al van! Zeker had hij eene +visite bij den dokter gemaakt en daar het gebeurde vernomen. En nu moest +hij natuurlijk Bob eens goed plagen. + +Dag Bob, tot Zategdag dus! Maak maag, dat je den pgijs wint, hoog! + +Bob groette en vervolgde zijn weg, natuurlijk recht in zijne nopjes over +het aanstaande feestje. + +En mijne stelten zal ik wel terugkrijgen, mompelde hij. Ik mt ze +terughebben, -- dat spreekt van zelf! + +Toen ik 's middags gegeten had, ging ik dadelijk naar Bob en vernam van +hem, wat de heer Denappel gezegd had. Dat ik mijne stelten medegenomen +had, behoef ik niet te zeggen, want in den steltentijd liepen wij er +zelfs op, als we even eene boodschap in den winkel moesten halen. Alleen +naar de kerk mocht ik ze nooit menemen. + +Bob en ik waren in den tuin. + +Zeg Dorus, zei hij op den toon van volslagen wanhoop, bedenk jij nu +toch eens een middel, om ze terug te krijgen. Als ik me niet oefenen +kan, heb ik natuurlijk in het geheel geen kans om den prijs te winnen. +Had ik die spuit ook maar met rust gelaten. 't Komt alles van dat +leelijke ding. + +Ja, -- en ook van je ide, om Mina nat te spuiten in plaats van de +ramen. + +Nu ja, -- dat is waar, -- maar hoe krijg ik ze terug? Zie je, dat is op +dit oogenblik de hoofdzaak. + +Wel, ga ze terugvragen. + +Dank je, Dorus! Wat zou ik er van langs krijgen! Ik wed, dat ze me +kopje onder in eene waschtobbe stopte! + +Best mogelijk. Zeg Bob, kunnen we van uit dat dakvenster van jelui huis +niet in den tuin van den dokter kijken? + +Opeens klaarde Bobs gezicht heelemaal op. Hij nam zijn stroohoed van +zijn hoofd en zwaaide er lustig me in het rond. Toen wierp hij hem hoog +in de lucht en ving hem weer netjes op zijn krullebol op, een +kunststukje waar ik erg jaloersch op was en dat ik hem maar niet kon +nadoen, niettegenstaande ik het wel al honderdmaal geprobeerd had. + +Hiep-hiep-hoera! Gevonden! -- Gevonden! Dorus! Jij bent een slimmerd, +hoor! Kom j, dan gaan we dadelijk naar boven. Hoe dom, dat ik daar niet +eerder aan gedacht heb. Zeg Dorus, dan neem ik mijn verrekijker mede. + +Ja, doe dat! + +In een wip waren we de beide trappen opgeklommen, want het huis van +mijnheer de Wild had twee verdiepingen, en nu kwamen we gewapend met den +verrekijker op den zolder. + +Zeg j, nog niet kijken! zei Bob. Eerst den kijker goed uit elkaar +halen. + +Blijkbaar was hij bang, dat ik de stelten met het ongewapende oog reeds +zou ontdekt hebben, voordat hij nog met zijn instrument gereed was, en +dan zou de helft van het genoegen verdwenen zijn, wat ook precies mijn +ide was. + +Spoedig stonden we nu voor het raam, dat over een land, een tuin en een +paar hagen heen, uitzicht gaf op den tuin van den dokter. Bob hield den +kijker voor het oog en doorzocht met het gewichtig gevoel van een +soldaat, die een vijandelijk kamp verkent, het terrein. + +Mis hoor! zei Bob terneergeslagen. Ik zie ze nergens. Ze heeft ze +zeker hier of daar weggestopt. + +Misschien wel in de keuken, zei ik. + +Ja, -- of in het schuurtje. Ik althans zie ze niet. Zoo'n akelige meid, +-- 't zijn hr stelten toch niet? + +Zeker niet! Laat mij ook eens kijken, Bob? + +Dr! + +Bob gaf mij den kijker en ik keek overal rond. Nu was dat instrument +bijna geheel niet noodig, want de tuin lag zoo dicht bij ons, dat wij +met het bloote oog alles best konden onderscheiden. Maar die kijker +bracht, naar wij meenden, iets eigenaardigs aan onzen verkenningstocht. + +Eindelijk gaf ik het op. + +'k Zie ze niet! zei ik met een zucht. Je bent je stelten kwijt, +Bobbertje. + +'t Is wat moois! Hoe moet ik nu met den wedstrijd medoen, als ik geen +stelten heb? Ik vind het erg flauw van Mina. Laat mij nog eens kijken? + +Maar Bob had evenmin succes als ik. Opeens echter ontdekte ik ze met het +bloote oog, waar wij ze met den kijker niet hadden gezien. + +Kijk eens, dr, Bob, -- dr, vlak onder het keukenraam, op den grond! +Daar liggen ze! + +Bob zette den kijker van zijn oog -- want zonder dat voorwerp zagen wij +veel beter, hoewel wij dat natuurlijk voor geen honderd gulden hadden +willen bekennen, -- en nu zag hij ze ook. + +'t Zijn ze, Dorus! Die aap! Ze heeft ze vlak onder het keukenraam +gelegd om ze goed onder haar bereik te hebben. + +Bob zette nu den kijker weer voor het oog en richtte hem op de stelten. + +Ja hoor, nu zie ik ze duidelijk; 't zijn ze! Kijk maar, j, nu kan je +ze pas goed zien. + +Nu, dat was waar. + +Maar hoe ze nu terug te krijgen, Bob? + +Dat zal ik je zeggen, -- ik ga ze doodeenvoudig halen. Ik ga over het +slootje achter onzen tuin, kruip langs den slootkant het land over, +spring over de sloot van den dokter, kruip langs de besseboomen daar +ginds naar het keukenraam en pak ze dan vlug weg. Kijk, het bovenraam +staat open. Ik wed, dat Mina boven aan het werk is, want het is Zaterdag +en dan hebben de meiden het altoos druk. Juist, ik doe het. + +'t Is een waagstuk, Bob, meende ik te moeten opmerken. Als ze je +snapt, ben je er bij. + +Gloeiend, dat is zeker, stemde Bob toe. + +Of als de dokter je ziet..... + +Die is uit! Ik heb hem zien uitrijden. + +Of mevrouw! Die is toch in elk geval thuis. + +Ja, dat is waar. Nu hoor, ik waag het er toch op. Mijne stelten moet ik +terug hebben, dat begrijp je, vooral nu mijnheer Denappel dien wedstrijd +organiseert. Zeg Dorus, houd jij hier met den verrekijker de wacht voor +het raam, en als je onraad ziet, laat je ons gewone signaal hooren, dan +kies ik dadelijk het hazepad. Doe je het? + +Natuurlijk, dat spreekt van zelf. + +Goed! Dan ga ik. Goed uitkijken, hoor! En zoodra je maar den band van +eene vrouwenmuts ziet, waarschuw je. Kan ik daarop rekenen? + +Volkomen. + +Tot straks dan! + +Bob vertrok, en ik bleef in groote spanning achter. Den kijker hield ik +voortdurend op het keukenraam gericht, hoewel Bob het ons beschermende +dak nog niet eens verlaten kon hebben. + +Een oogenblik later hoorde ik zijn signaal beneden in den tuin, hetwelk +ik onmiddellijk beantwoordde. Nu kon ik hem zien gaan. In gebogen +houding sloop hij den tuin door, hoewel daar natuurlijk niet het minste +gevaar dreigde. Hij sprong behendig over het slootje en kroop langs den +kant langzaam verder. Ik volgde hem met mijn kijker. Nu was hij den tuin +van den dokter genaderd. Hij behoefde maar eene sloot over te springen +om er in te komen. Doch juist op het oogenblik dat hij den sprong wilde +doen, zag ik de achterdeur opengaan en Mina buiten verschijnen. Zij +bleef een oogenblik stilstaan, keek eens naar de lucht, nam een paar +frambozen van een struik, raapte toen de stelten op en bracht ze in het +schuurtje. + +Zoodra zij verschenen was, liet ik mijn waarschuwend signaal hooren. +Dadelijk maakte Bob zich zoo klein mogelijk en hield zich onbeweeglijk +aan den kant van de sloot, tot Mina weer vertrokken was. Zelfs toen +bleef hij nog eenigen tijd zitten. + +Ik vertrouwde de zaak nu echter in het geheel niet meer, en liet mijn +signaal hooren, wat door Bob beantwoord werd. Even later zag ik hem den +terugtocht aanvaarden, en weldra was hij weer bij me op den zolder. + +Dat was toevallig, h? zei hij ernstig. + +Al te toevallig, Bob, meende ik. Geloof gerust, dat zij lont geroken +heeft. 't Is toch een slimmerd. + +Ja, -- maar toch kan het best zijn, dat zij geen erg in mij heeft +gehad en alleen maar trek kreeg in een paar framboosjes. Zij heeft mij +onmogelijk kunnen zien, zou ik zeggen. + +Dat is waar. Bovendien zag ze er heel onverschillig uit, volstrekt +niet, of zij iets kwaads in den zin had. 't Is alleen maar zoo +buitengewoon opmerkelijk, dat zij n juist buiten kwam en de stelten in +het schuurtje bracht. + +Alles goed en wl, maar ik moet ze terug hebben, zei Bob. Over een +kwartier waag ik het weer. + +Wij begonnen nu geduldig te wachten, tot er tijd genoeg verloopen zou +zijn om met eenige kans op succes den tocht voor de tweede maal te +ondernemen. + +Eindelijk ging Bob. + +Weer klonk in den tuin zijn signaal, -- weer sprong hij over de sloot en +sloop hij langs den slootkant verder, weer had hij den tuin van den +dokter bereikt. Hij keek even op naar mij, als om te vragen, of alles +veilig was. Ik nam het terrein op en -- zweeg, want alleen in geval van +nood zou ik mijn signaal doen hooren. + +Wip! -- daar sprong hij over de sloot in den tuin van den dokter, en +behoedzaam zag ik hem verder kruipen onder de besseboomen door, die hem +bijna geheel aan het gezicht onttrokken. Ik zeg bijna, want soms moest +hij eene plek oversteken, waar geen boomen stonden. Hij kroop dan bijna +op zijn buik over den grond. + +Alles ging goed. Met arendsblikken volgde ik hem in al zijne bewegingen, +tevens goed oplettende, of er ook onraad dreigde. Ha! nu had hij het +schuurtje bereikt. Langzaam zag ik de deur ervan opengaan, doch slechts +zoover als noodig was, om Bob door te laten. Nu verdween Bob in het +schuurtje..... + +O heden! Nauwelijks was hij daarbinnen geslopen, of de keukendeur ging +snel open en daar verscheen plotseling de vijand -- Mina. + +Met kracht liet ik mijn signaal hooren, hoewel mijn gewone toonreeks mij +mislukte van den schrik. + +Mina ijlde naar het schuurtje! + +Ik verzamelde mijne tegenwoordigheid van geest en floot zoo hard ik kon. + +Mina had de deur bereikt. + +Maar Bob had mijn signaal gehoord. Ik zag de deur opengaan. Nog een +oogenblik en hij zou gered zijn. + +Flap! Daar sloeg Mina de deur met kracht toe en schoof er den grendel +voor. + +Bob was gevangen. + +Ik zag Mina schateren van de pret, ja ik hoorde haar zelfs lachen. Zoo'n +akelige meid! + +In de grootste verslagenheid zag ik het aan, hoe zij in de keuken +verdween, ongetwijfeld met het stellige voornemen Bob niet voor den +laten avond uit zijne gevangenis te ontslaan. + +Doch hij moest gered worden, dat stond bij mij vast. De vraag was alleen +maar, hoe dat gedaan moest worden. + +Hoe ik evenwel peinsde, ik zag er geen kans toe, en besloot daarom ten +einde raad naar mijn vriend Karel Holm te gaan, die nu ongetwijfeld wel +uit Haarlem thuisgekomen zou zijn. + +Ik verliet daarom het huis van mijnheer de Wild en ging op weg naar +Karels huis. Hij was de zoon van den architect, en wel diens eenig kind. +Wij hielden allen bijzonder veel van hem, wat geen wonder was, daar hij +een echt fideel karakter bezat. Ik twijfelde dan ook niet, of hij zou +niet rusten, voor het ons gelukt was, Bob in vrijheid te stellen. Een +kameraad in den steek laten zou hij nooit doen. + +Het bleek mij al spoedig dat ik mij niet vergist had, want nog had ik +zijne woning niet bereikt, toen ik hem reeds tegenkwam. + +Zoo Dorus! klonk zijn groet. + +Zoo Karel! Al terug? + +Zooals je ziet. Ik kwam juist naar je toe. + +En ik naar jou. Zeg Karel, er is iets aan de hand. Bob zit opgesloten +in het schuurtje van den dokter. + +Bob opgesloten? -- In het schuurtje van den dokter? zei Karel in de +grootste verbazing. Wie heeft dat gedaan? + +Mina, de meid. + +Nu vertelde ik hem in geuren en kleuren, wat er gebeurd was. Eerst moest +hij er om lachen, maar later keek hij ernstig. + +Ja, zie je, zeide hij, dan is het ook zijn eigen schuld. Maar enfin, +dat doet er niet toe, geholpen mt hij worden. Wij kunnen hem niet aan +zijn lot overlaten. + +Juist, Karel, precies mijn ide, -- maar hoe? + +Ja, dat is de moeilijkheid. Zeg Dorus, wij moesten den vijand van twee +kanten kunnen bestoken. Wisten wij maar eene boodschap bij den dokter te +bedenken, dan waren wij klaar. Want als er een van ons daar aanbelde +was Mina gedwongen om open te doen. Middelerwijl kon de ander het +schuurtje ontsluiten en Bob verlossen. + +Daar zeg je zoo iets, Karel. Jongen, dat is een prachtig ide. Hadden +wij maar eene boodschap! + +Ja, maar die hebben we niet. -- Maar wacht eens -- ha, daar bedenk ik +wat. Je weet, dat Pa van 't voorjaar zoo lang ziek geweest is en +geruimen tijd onder behandeling van den dokter was? + +Zeker, dat herinner ik mij nog heel goed. + +Nu -- en toen heeft Pa wel een twintig drankjes gebruikt, waarvan alle +ledige fleschjes nog bij ons in het schuurtje staan. Onlangs heb ik ze +alle moeten omspoelen, en heeft Moe tegen me gezegd, dat ze eens naar +den dokter teruggebracht moesten worden. Zeg j, niets belet ons, om dat +nu te doen. + +Uitstekend! Zeg Karel, dan bel jij aan en terwijl Mina dan aan de +voordeur is, sluip ik den tuin in en maak het schuurtje open. Dat wordt +eene leuke historie, Karel! + +Of het. Kom, laten we dadelijk gaan. + +Wij deden de fleschjes in eene ledige mand en Karel vroeg zijne Moe +verlof, ze weg te brengen, wat heel goed gevonden werd. + +Samen gingen wij met ons vrachtje op weg, tot aan de brug, waar onze +wegen scheidden. + +Nu ga jij door den tuin van den notaris naar het schuurtje en als je +achter het huis van den dokter gekomen bent, laat je het signaal hooren. +Tot zoolang zal ik met aanbellen wachten. Is dat afgesproken? + +Best, zei ik. Maar zouden wij het fluiten van elkander kunnen +hooren? Het huis en de tuin van den dokter liggen tusschen ons. + +O ja, gemakkelijk! Hallo, j, vooruit maar! Ik krijg er zin in. +Voorzichtig, hoor! + +Dat spreekt, en jij niet te vroeg bellen. + +Niet, voordat ik je signaal gehoord heb. + +Houd je goed, tot straks dan! En houd Mina wat aan den praat, als je +kunt. + +Laat dat maar aan mij over. Ga nu, Dorus! + +Ik ging, en volgde natuurlijk denzelfden weg, die ons Bobje zoo +noodlottig geworden was. + +Zoodra ik de sloot achter dokters tuin bereikt had, liet ik het +afgesproken teeken hooren, wat dadelijk van twee kanten beantwoord werd, +namelijk van de zijde der voordeur, waar Karel gereed stond aan te +bellen, en door Bob uit het schuurtje. + +Ik wachtte nu nog een oogenblik, ten einde Karel de gelegenheid te geven +om aan te bellen en Mina naar de voordeur te lokken, en sprong over de +sloot. IJlings en in gebogen houding spoedde ik mij naar het schuurtje. +Mijn hart klopte hoorbaar, zoo verkeerde ik in angst, dat onze +krijgslist mislukken zou, en schichtig keek ik naar alle zijden om +mij heen. + +Bij het schuurtje gekomen richtte ik mij vlug als eene kat op, schoof +den grendel weg, en opende de deur. + +Op hetzelfde oogenblik stond Bob naast me, met zijne stelten in de hand. +Maar o j, daar had me de bengel zoo waarlijk eene oude muts van Mina +opgezet en een boezeltje van haar voorgedaan. + +Dr, pak aan! zei hij, terwijl hij me zijn stroohoed toewierp. En in +plaats van weer over de sloot te springen en denzelfden weg terug te +gaan, dien hij gekomen was, stapte hij doodbedaard op zijne stelten en +ging met groote schreden den tuin door, langs den stal en zoo den weg +op. + +Ik ijlde hem vooruit. + +O, o, wat leverde hij een dwaas gezicht op, met dien boezelaar voor en +die muts op, en dan op stelten. + +Karel stond nog aan de voordeur met Mina te redeneeren, toen hij ons zag +aankomen. Hij proestte het uit van lachen, en o, wat keek Mina boos, +toen zij bemerkte, wat er gebeurd was. + +O, jullie ondeugende bengels! Dat is afgesproken werk! Wil jij wel eens +gauw mijne muts afzetten en dien boezelaar afdoen! + +Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg heen en +weer, en hij zette het ernstigste gezicht van de wereld. + +Een oogenblik later kwam Mina den hoek van het huis om, met den stoffer +in de hand. Ze was meer dan boos. Toen werd het hoog tijd voor Bob om +het hazenpad te kiezen, wat hij dan ook deed. + +Mina keerde naar hare keuken terug, rood van boosheid, en wij raadden +Bob aan, de beide kleedingstukken terug te geven. Eerst had hij daar +niet veel lust in, maar toen wij zeiden, dat hij verplicht was het te +doen, maakte hij er een klein pakje van en bracht ze aan Mina terug. +Dat durfde hij gerust doen, daar hij overtuigd was, dat hij toch veel +harder loopen kon dan zij. Hij deed de keukendeur open en wierp het +pakje naar binnen. In hetzelfde oogenblik nam hij overhaast den +terugtocht aan, zoodat Mina zelfs geen tijd had hem een enkel woord +toe te voegen. + +Och, och, wat hadden wij een pret over dit voorval. + +'t Was goed, dat jelui me verloste, zei Bob, want ze had me beloofd, +dat ik er tot donker in zou blijven. Maar dat had zij toch mis! + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + Waarin Bob eerst voor mijnheer Denappel + en daarna voor visch speelt. + + +Wij gingen eerst met Karel Holm me naar zijn huis, om zijne stelten te +halen, en begaven ons toen naar het marktplein, dat midden in het dorp +gelegen was, en waar wij zeker waren, eenige jongens te vinden om mede +te spelen. + +Eerst had Bob niet bijzonder veel lust, om naar de markt te gaan, omdat +de schoenmaker daar wel wat te dichtbij woonde voor het mooi, naar hij +zeide. + +Maar toen wij er inderdaad eenige jongens van onze klasse aantroffen, +was hij het gevaar, dat hij van den kant van den schoenmaker liep, +weldra geheel vergeten. Nu was het waar, dat deze er heel dicht bij +zijne woning had en menige jongen zou in Bobs geval zich wel tweemaal +bedacht hebben, eer hij zich daar waagde, maar het moet gezegd worden: +Bob kende geen vrees en hij was bijna voor niets bang. + +Toen wij pas op de markt waren, keek hij eerst wel een paar malen +voorzichtig uit, of de gevreesde vijand ook naderde, doch toen zijne +vrees ongegrond bleek te zijn, vergat hij weldra zijn voorzorgsmaatregel +geheel en wijdde hij zich geheel aan het spel. + +Zooals ik zeide troffen wij op het marktplein reeds eenige jongens aan, +met wie wij dikwijls speelden. Zoo zagen wij daar Dirk Langeraar, den +zoon van den metselaar, Cor Valk, van den directeur van het post- en +telegraafkantoor, Karel Buurs, van den timmerman, Tines Wobbe, Adriaan +Bolt, Arie Kooi, die evenals ik zoons van bloemisten waren en Huibert de +Leeuw, van den korenmolenaar. Allen hadden zij hunne stelten bij zich. + +Met een luid hoera werden wij bij onze komst begroet, en dat wij +dadelijk begonnen te vertellen, wat wij beleefd hadden, spreekt van +zelf. Wat hadden de andere jongens er een pret in. + +Zeg Bob, je hadt dien boezelaar en die muts moeten houden, zei Tines +Wobbe, dan hadden wij er nu nog eens lekker pret mede gemaakt. + +'t Was al mooi genoeg! zei Karel Holm. Mina was nu al genoeg +geplaagd. + +Je kunt ze nooit genoeg plagen, zei Tines met een grijnslachje, dat +wij nooit goed van hem konden uitstaan. Eigenlijk hielden wij geen +van allen van hem, want hij ging nooit recht door zee en was ver van +eerlijk. Wij vertrouwden hem nooit, en als wij eens eene grap gingen +uithalen, die wij voor anderen niet weten wilden, hielden we hem altoos +buiten het geheim. Nu weet ik wel, dat wij ook zulke erg brave jongens +niet waren, maar klikken zouden wij van elkander nooit doen, -- en dat +deed hij wel. Als hij kwaad tusschen ons kon stoken, zoodat wij er +eindelijk twist door kregen, had hij de grootste pret, en dan lachte hij +in zijn vuistje. Maar zelf was hij alles behalve een held. Neen, wij +hielden niet van hem, en als we hem een poets konden bakken, zouden we +het nooit nalaten. + +Jongens! Ik heb nieuws! viel Bob de anderen in de rede. + +Goed nieuws? klonk het terug. + +Luisteg! zei Bob, die nu plotseling de spraak van den Heer Denappel +ging nabootsen, waar hij bijzonder goed slag van had. Ik noodig alle +jongens van het dogp uit, vandaag oveg eene week hieg op den achtegweg +te komen, 's middags om n uug, tot het houden van een wedstgijd in het +hagdloopen op stelten. + +Echt waar? Zeg Bob, is het echt waar? vielen de jongens hem vroolijk +in de rede, niet weinig lachende om den toon, waarop hij sprak. Als +iemand, die het niet wist, hem gehoord had, zou hij stellig gemeend +hebben, dat het de Heer Denappel was, zoo precies bootste Bob hem na. +Hij sprak geweldig door den neus en brouwde zoo sterk mogelijk. + +'t Is waag, hoog, volkomen waag! zei Bob op zijn grappigsten toon. + +Hoera! Hoera! Leve mijnheer Denappel! klonk het opeens uit aller mond. + +Sssssss! stilte! gebood Bob. Luisteg, jongens, ik ben nog niet +uitgespgoken. De eegste pgijs zal bestaan in een fgaai boek in +pgachtband, genaamd Gobinson Cguso... + +Hoera! Hoera! Lang zal hij leven! + +Bedaag, vgiendjes, bedaag! zei Bob met een kalmeerend gebaar van zijne +beide handen. Eg is nog meeg. De tweede pgijs, of zooals wij altijd +zeggen de pgemie is de Bagon van Munchhausen, ook een pgachtig boek, +maag niet in een fgaaien band. + +Hoera! Hoera! Dat wordt een mooie wedstrijd! + +Dat zou ik meenen, lieve vgienden, vervolgde Bob. En dan heb ik nog +een degden prijs, bestaande uit eene fgaaie pogte-monnaie, maag -- ik +behoud het gecht, om die te geven, aan wien ik wil. Heb je dat goed +beggepen? + +Uitstekend, mijnheer Denappel! Uitstekend! klonk het lachend rondom +Bob, die kolossaal veel pret had, dat de anderen zoo om hem moesten +lachen. + +En waarom houdt u dat recht aan u, mijnheer Denappel! vroeg Dirk +Langeraar aan Bob. + +Mijn bgave Digk, nu vgaag je meeg, dan ik je beantwoogden kan. En heel +vaderlijk liet hij er op volgen: Kleine jongetjes moeten niet naag +alles vgagen, hoog kegeltje? + +Bob, daar komt de schoenmaker om den hoek! + +Als een pijl uit den boog ging Bob er vandoor. Jongen, jongen, wat liep +hij. Zijne voeten raakten bijna den grond niet. + +En wij lachten, dat we schaterden, want er was niets van waar. De +schoenmaker zat hoogstwaarschijnlijk druk schoenen te lappen, want de +Zaterdag was gewoonlijk zijn drukste dag, daar vele menschen dan vr +den Zondag hunne schoenen terug wilden hebben. Ik had het alleen maar +uit de grap gezegd, omdat hij zoo verbazend veel praats had. Bob gunde +zich geen tijd om te kijken, of het wel waar was. Trouwens, daar +twijfelde hij ook niet aan. + +Toen hij ons echter zoo verbazend hoorde lachen, begon hij lont te +ruiken. Hij bleef even staan en keek achter zich om, en toen hij nu +bemerkte, dat er niets van waar was, kwam hij weer terug. + +Heb jij me dat koopje geleverd, Dorus? vroeg hij. + +Om u te dienen, mijnheer Denappel! zei ik. + +Ben je bang voor den schoenmaker? vroeg Tines Wobbe. Wat heb je hem +gedaan? + +Och, ik heb gemaakt, dat hij geen stroop op zijn pannekoek had, van +middag, zei Bob, tot groot vermaak van de anderen. En nu vertelde hij +wat hij gedaan had. + +Zoo'n dom kind, zei Cor Valk. Maar wacht je nu voor den schoenmaker, +Bob, want er blijft geen stuk van je heel, als hij je te pakken krijgt. +'t Is een gevaarlijke, wat ik je zeg. + +Hij heeft me nog niet! zei Bob met een overmoedig lachje. En hij zal +me niet gemakkelijk krijgen ook. Zeg Dorus, willen wij nu eens om het +hardst steltloopen? + +Goed! zei ik. + +Wij gingen naar den eersten paal en zouden loopen tot den laatsten. + +En dan wij? vroeg Tines Wobbe aan Karel Holm. + +Ja -- laten we allen twee aan twee gaan, precies als op den wedstrijd. +Adriaan Bolt met Karel Buurs, Huib de Leeuw met Arie Kooi, Dirk +Langeraar met Cor Valk, en zoo verder. Vooruit, jongens, daar gaan we! + +Ja, daar gingen we, en vlug ook, maar niet bijzonder verstandig. Want we +konden zeer vlug steltloopen, al zeg ik het zelf, en we vielen niet zeer +dikwijls. Maar nu kwam Bob met zijne stelt in een gat terecht, dat hij +niet gezien had, en flap, daar viel hij tegen mij aan, zoodat wij beiden +op den grond tuimelden. En wat er toen gebeurde, is licht te begrijpen. +De andere jongens volgden ons op den voet, en voordat zij nog goed +wisten, wat er met hen plaats greep, duikelden zij op en over ons heen! + +Of dat pijn deed! Ik kreeg Tines Wobbe dwars over mijn hoofd en Huib de +Leeuw lang uit over mijne beenen, en van Bob was in het geheel niets te +zien. Hij lag totaal onder de anderen bedolven. Dirk Langeraar kwam +boven op al de anderen terecht, en zat daar als Spinoza op zijn +voetstuk, welk standbeeld in den Haag ik gezien had, toen ik eens met Pa +in die stad was. Allerlei klaagtonen stegen uit den levenden warhoop op. + +H-h! + +Au! Ga toch weg! + +Rijs op, zeg ik je! + +Wil-je wel eens van mijn hoofd gaan? + +Ik stik! Ik stik! + +Au, mijn arm! + +Mijne beenen breken! + +Je zit op mijn rug! + +Spoedig evenwel waren wij opgestaan, en wonder boven wonder, niemand +van ons had zich erg bezeerd. Bob alleen was met zijn voorhoofd tegen +een steen terecht gekomen. + +'t Hindert niet erg, zei hij, ik had er toch al een buil op. 't Doet +me anders wel pijn. + +Nu, pijn hadden we allen, de een hier, de ander daar. + +Hoe kwam dat toch? vroeg er een. + +Omdat je lui allen een schapennatuur hebt, zei Bob. + +'t Spreekwoord zegt: Als er n schaap over den dam is, volgen alle +anderen, en zoo ging het met jelui ook. Toen ik viel, ging je het mij +allen nadoen, net als de schapen. + +Laten wij het overdoen. stelde Karel voor. + +Ja, overdoen! Overdoen! + +Maar niet allen vlak achter elkaar! zei Huib. + +Dat spreekt van zelf, zei een ander. Een ezel stoot zich niet +tweemaal aan denzelfden steen. + +Wij begonnen den wedstrijd nu opnieuw, en kwamen tot de slotsom, dat Bob +en Tines Wobbe de vlugste steltloopers waren, zoodat zij waarschijnlijk +de prijzen wel zouden winnen. + +Ik doe niet me! zei Cor Valk. Wij kunnen het van Bob en Tines toch +niet winnen, en dan blijf ik liever stilletjes thuis. + +Dat is kinderachtig, zei Karel Holm. Wij doen mede om een prettigen +middag te hebben, en natuurlijk ook om wat te winnen. Maar de pret is +toch de hoofdzaak. + +Bovendien kan Bob of Tines vallen, en daardoor niets winnen, zei ik. + +Ook mogelijk! Ook kunnen zij opvolgende nummers trekken, zoodat zij +tegen elkander moeten loopen. Daar is vooruit niets van te zeggen. zei +Huib de Leeuw. + +Zeg, jongens, willen wij nu eens wat anders gaan spelen? vroeg Bob. + +Ja, -- wat dan? + +Verstoppertje? + +Ja, ja, verstoppertje! Dat is goed! Wie zal hem wezen? + +Ik wel! zei Karel Holm. De eikeboom is honk, en wij mogen niet verder +dan tot aan den schoenmaker aan de eene en de brug aan de andere zijde. +Is dat afgesproken? + +Goed, niet verder dan de brug en den schoenmaker! Niet kijken, Karel, +-- over drie honderd tellen heb je het recht om te komen. + +Karel ging met de beide handen voor de oogen tegen den dikken boom +staan, die midden op het marktplein stond, en begon te tellen. Hij +hoorde de jongens in alle richtingen verdwijnen, maar kijken deed hij +natuurlijk niet. Dat zou hij niet gedaan hebben, al had hij er een +gulden mede kunnen verdienen, want daarvoor was hij veel te eerlijk. + +Toen hij tot driehonderd geteld had, gaf hij zijne nadering door een +luiden kreet te kennen en ging zoeken. Zoodra hij iemand zoo nabij +gekomen was, dat hij hem tikken kon, was die de zoeker voor het volgende +spel, maar wij zorgden wel, dat dit niet gebeurde. Als wij bemerkten, +dat hij ons ontdekt had, sprongen wij vlug te voorschijn en trachtten +eerder dan hij den boom te bereiken, waardoor wij het recht verkregen, +bij het volgende spel weer schuil te gaan. + +Het gelukte hem Dirk Langeraar te tikken, waardoor deze aangewezen werd, +om tweede zoeker te worden. Wij vermaakten ons kostelijk met dit spel, +vooral toen de avond langzamerhand begon te vallen en het donker werd. +Het zoeken ging toen ver van gemakkelijk, en wij wisten uitstekende +schuilhoeken te vinden. + +Ook Bob begon zich toen vrijer te bewegen, want daar hij het huis van +den schoenmaker niet durfde naderen, uit vrees van gesnapt te worden, +kon hij zich tot nog toe maar alleen in de richting van de brug +verschuilen. En juist aan den anderen kant waren de mooiste plekjes. +Maar nu was het grootste gevaar voor hem voorbij, en langzamerhand begon +hij zich minder in de richting van de brug en meer in die van des +schoenmakers woning te begeven. Wat was daar eene heerlijke gelegenheid +om zich te verschuilen! In de eerste plaats lag er op een erf eene +omgekeerde schuit, die door den scheepmaker op de helling getrokken was +om gekalefaat te worden. Bob had zich daar al driemaal verscholen, eer +hij ontdekt werd en eene nieuwe plaats op moest zoeken. Toen vond hij +een prachtig plaatsje bij het schuthok, waar hij met zijne gewone +brutaliteit midden tusschen een boschje brandnetels ging zitten, die +daar reeds eene flinke hoogte hadden bereikt. Dr zocht niemand hem, +zooals van zelf spreekt, want al meende de zoeker soms, dat hij zich +daar wel verscholen kon hebben, dan ontbrak hem nog meestal de moed, om +zich een pad door die lastige planten te banen. Bob had dit wel gedaan, +maar het had hem ook een flink aantal blaren bezorgd, die hem niet +weinig pijn deden. In elk geval had hij de voldoening, dat niemand hem +vinden kon, al liepen zij ook vlak langs hem heen. Dat amuseerde hem +buitengewoon. Eindelijk werd hij gevonden door Karel Holm, die stellig +niet minder moed bezat dan Bob. Toen deze hem overal gezocht en nergens +gevonden had, zei hij tot de andere jongens: + +Wil ik jelui eens wat zeggen? Hij met hier in dat brandnetelboschje +zitten, want geen enkele plaats dan deze heb ik ondoorzocht gelaten. + +Ga kijken, -- dan weet je het! raadde ik hem aan met een leuk gezicht. +Want ik dacht aan de brandnetels, die zeer dicht op elkander gegroeid +waren. Als Bob er zich tusschen verscholen had, moest hij er naar mijne +meening even nauw door ingesloten zijn als de bewoners van Luilekkerland +door den rijstebrijberg. + +Welnu, -- denk je, dat ik niet durf, Dorus? vroeg hij met een +overmoedig lachje. + +Ik weet het niet, Karel, maar -- jij liever dan ik! zei ik lachend. + +Wat Bob kan, kan ik ook! zei Karel. Hij moet hier zitten! Vooruit, +daar gaat hij! + +En waarlijk! Daar ging Karel met de ellebogen vooruit de brandnetels in. +Links en rechts bogen de stengels op zijde en met groote schreden drong +Karel er tusschen door. Het moet hem ongetwijfeld veel pijn gedaan +hebben, en wij stonden gereed om een luid hoera aan te heffen, zoodra +wij hem hoorden kermen. Maar neen, daar hadden wij geen kans van, want +Kareltje gaf geen kik, wel een weinig tot onze teleurstelling, tot +opeens zijne stem van uit het midden der brandnetels tot ons doordrong +en wij hem hoorden roepen: + +Gevonden! Ha, ha, baasje, dat had je niet gedacht. Nu is het jou beurt +om te zoeken. Jou slimme rot! + +Een geweldig kraken van stengels die platgetrapt worden werd nu +hoorbaar, en toen verscheen Karel, gevolgd door Bob, aan den rand van +het boschje. + +Wat zat ik daar heerlijk! zei Bob op triomfantelijken toon. Wel +driemaal ben jelui vlak langs mij heengegaan, zonder mij te vinden! + +'t Is ook aangenaam, om vol blaren te komen, zei Tines Wobbe. Ik gun +je de pret. + +Pret had ik, Tines, vooral toen ik zag, dat je er zoo graag in wilde +kijken en toch niet durfde. Kom jongens, verbergt je; ik zal je zoeken. + +Fffft! Als de wind vlogen wij weg en in korten tijd hadden wij allen +een schuilhoek gevonden. Bob liet een schellen kreet hooren en begon te +zoeken. Nu was hij een behendig zoeker en een vlug looper. Ik geloof +wel, dat hij de vlugste was van ons allen, behalve Tines Wobbe, die ook +een echte snelvoeter was. En Karel Holm was de derde van den bond. Als +die drie jongens voor de aardigheid eens om het hardst liepen, wist men +nooit wie het winnen zou, vr zij den eindpaal hadden bereikt. Het +kleinste ongelukje was voor ieder van hen voldoende, om het te +verliezen. + +'t Was dus geen wonder, dat Bob er weldra een getikt had. Dezen keer was +Cor Valk de zoeker. + +En nu gelukte het Bob een plaatsje te vinden, waar men hem, naar hij +dacht, stellig nooit zoeken zou. 't Was wel eene gewaagde, ja, zelfs +zeer gewaagde onderneming van hem, maar -- het gevaar dat hem dreigde +van den kant van den schoenmaker was hij nu al geheel vergeten. En als +hij er nog aan dacht, zocht hij zich diets te maken, dat dit zoo erg +niet was. + +Welk plaatsje had hij dan gevonden? + +De schoenmaker was een groot liefhebber van visschen, niet met +den hengel, maar met netten. Eigenlijk was hij zoowel visscherman +als schoenmaker. Als hij het met schoenlappen niet druk had en +dientengevolge over veel vrijen tijd beschikken kon, ging hij altijd +uit visschen, en zocht daarmede in het onderhoud van zich en zijn groot +gezin te voorzien. Menigmaal trok hij er nog laat in den avond op uit, +om nog een stuivertje te verdienen. Hij had een eigen bootje, geheel +voor dat doel ingericht, en was ook in het bezit van een flink aantal +netten, waarmede hij menig vischje verschalkte. + +Vr zijn huis, aan den kant van het water had hij ook nog een groote +vischkaar, waar hij de gevangen visch in bewaren kon. Die kaar was niet +anders dan een groote bak, rondom van gaatjes voorzien, zoodat het water +er in doordringen kon. Midden in de grootste zijde was een plank of +luik, dat hij er uit kon nemen, om er de gevangen visch in te doen. Door +den bak in het water te leggen, drong dit door de vele gaatjes naar +binnen, en bleef de visch in leven. Eens in de week verkocht hij den +gevangen voorraad aan een opkooper, die gewoonlijk Zaterdags bij de +visschers rondging, om zijne levende koopwaar in ontvangst te nemen. + +Zooals te begrijpen is, was nu dus de vischkaar ledig en lag zij op het +droge. Dat had Bob al lang opgemerkt, maar zoolang het nog licht was, +had hij zich niet zoo dicht bij zijn vijand durven wagen. Nu evenwel +meende hij door de schemering genoeg beschut te zijn, om het waagstuk +te kunnen ondernemen. + +Hij deed het dan ook. + +Zoo voorzichtig mogelijk, en bijna langs den kant van den weg +voortkruipende, wist hij, zonder iets verdachts te bespeuren, de kaar te +bereiken. Hij hoorde den schoenmaker nog druk aan den arbeid bezig, want +het kloppen van den hamer op de harde zool drong duidelijk tot hem door. + +Behendig liet hij zich naar den onderkant van den wal afglijden, +want dr lag de kaar, draaide de beide wervels los, die het luikje +vasthielden, lichtte de plank er uit, en kroop er zelf in. Bijna was hem +dit mislukt, omdat de opening wat nauw voor hem was, maar met eenig +wringen gelukte het hem toch. Toen hij zoover gevorderd was, legde hij +met zijne beide handen de plank weer op hare plaats, zoodat niets +verried, welk een kostbaren inhoud de kaar thans bevatte. + +Zie zoo, mompelde Bob, terwijl hij het zich zoo gemakkelijk mogelijk +zocht te maken in zijne kleine gevangenis. Zie zoo, -- laat ze nu +maar zoeken. Dit is nog veel mooier plaatsje dan zoo even tusschen de +brandnetels. Daar zat ik ook wel prachtig, maar kon me niet bewegen, +zonder me aan alle kanten te prikken, en hier lig ik zoo heerlijk als +een koningskind. Wie zal me hier zoeken? En wat een leuke kijkgaatjes +heb ik hier rondom me. De vischjes hebben het nog zoo kwaad niet, als ze +zich hier bevinden. 't Is alleen maar jammer, dat het einde voor hen een +wreede dood is. -- O j, als de schoenmaker eens wist dat ik hier in +zijne kaar zat, -- wat zou dan wel mijn einde zijn? De dood niet, -- +natuurlijk, maar -- enfin, 't doet er niet toe, want hij weet er niets +van, en bovendien, zoodra ik hem hoor naderen, ga ik er van door! Als +een windhond, hoor! Wat zal Cor Valk loopen zoeken! Maar vinden, ho +maar, geen sprake van! Al zocht hij een heelen dag! + +Zoo lag ons Bobje te denken en te mijmeren en van pret wreef hij zich de +handen. Maar als hij geweten had, dat de Veer op dat oogenblik heel +voorzichtig, ja zelfs onhoorbaar naar buiten sloop en voetje voor voetje +zich naar den waterkant begaf, -- wat zou hij vlug uit zijn schuilhoek +te voorschijn gesprongen en op de vlucht geslagen zijn! O, hadden wij +het maar gemerkt, welk gevaar hem dreigde, dan zouden wij hem wel +gewaarschuwd hebben, -- maar wij wisten er niets van, want wij zaten +rustig in onze schuilhoeken verborgen en dachten aan geen schoenmaker. + +Op zijne teenen sloop de beleedigde man nader, met een spotlachje op de +lippen. Nu had hij den kant van de beek bereikt. Bob hoorde hem niet; +hij dacht aan geen gevaar. + +Nu liet de Veer zich vlug naar beneden glijden, en vr Bob, die hem nu +wel hooren moest, gelegenheid had kunnen vinden om op te rijzen, sprong +hij met zijne beide knien op het luik en draaide de wervels over. + +Ha, ha, jou aartsrakker! riep hij zijn gevangene toe. Nu ben je +gesnapt. Nu zal ik jou eens pannekoeken met stroop laten eten, deugniet, +met stroop versta je, stroop, veel meer stroop, dan je oplust! Wat denk +jij wel, straatbengel, dat jij maar alles moogt doen?.... + +Neen, de Veer, ik dacht..... + +Denken? Jij denken? Jij behoeft niet te denken, dat zal ik nu wel voor +je doen..... + +O, de Veer, ik verzoek u, laat mij asjeblieft gaan.... + +Zeker, mijn jongen, zal ik je laten gaan! Wacht maar een oogenblik, dan +zal ik de kaar aan den paal vastbinden, anders drijf je misschien te ver +weg, en daarna zal ik je laten gaan, hoor, dat beloof ik je. + +Ach de Veer, asjeblieft, ik zal het nooit weer doen...... + +Dat is ook niet noodig, jongen, k zal het nu wel doen. + +O toe, laat me er asjeblieft uit, de Veer, heusch, ik heb er spijt van +en ik zal de schade wel betalen..... + +Eerst zal ik jou betalen, mijn beste jongen; denk je, dat ik den gek +met me laat steken? 't Is juist Zaterdagavond, Bob, een bad zal je +opfrisschen. Ha-ha-ha! Mooier kon je al niet in de fuik geloopen zijn; +'t is bepaald grappig, 't is vermakelijk! + +Voor mij niet, de Veer, toe, laat me voor dezen keer vrij, +asjeblieft! + +Een oogenblik geduld, Bob, dadelijk ga-je, hoor! Zie zoo, nu nog een +lus, en dan zijn we klaar. + +Bob, die nu begon te merken, dat zijn cipier onvermurwbaar was, ging uit +alle macht tegen de wanden van zijne gevangenis trappen, in de flauwe +hoop, dat het hem gelukken zou nog te ontsnappen. O, o, wat had hij er +op dat oogenblik een spijt van, dat hij Mietje maar niet ongemoeid haars +weegs had laten gaan, doch zijn berouw kwam nu, evenals altoos, te laat. +En zijne pogingen om de wanden los te trappen, waren vruchteloos. De +kaar zat stevig in elkander. + +Klaar, Bob! Ha-ha, daar ga-je, hoor! Een, twee, drie, hoepla! + +Maar dat hoepla kwam te vroeg, want hoeveel moeite de schoenmaker ook +deed, Bob was te zwaar om maar zoo luchtig in het water geworpen te +kunnen worden. + +Ho, dat gaat niet, ik zal je moeten kantelen, Bob! Houd je goed vast, +hoor, mijn jongen, anders doe ik je pijn en dat zou me spijten! +Ha-ha-ha, hoe bespottelijk dom van je, om in dit ding te kruipen! Dat +vergeet ik mijn leven lang niet! + +Ik ook niet, de Veer! zei Bob op zijn deemoedigsten toon. Och toe, +laat me er asjeblieft uit. Ik beloof je, dat ik het nooit weer zal +doen. + +Wat zul-je niet weer doen, Bob? Nooit weer in deze kaar kruipen? + +Dat ook niet, -- och toe, ik.... + +O h, daar ging de kaar aan de eene zijde omhoog. De schoenmaker zette +haar op de korte zijde, bij ongeluk juist op den kant, waar Bobs hoofd +lag, zoodat hij nu een verbazend ongemakkelijke houding kreeg, namelijk +met de beenen omhoog. + +Bob had zich tot nog toe zeer goed gehouden, maar nu werd het hem toch +te erg. Door de luchtgaatjes, die weldra watergaatjes zouden worden, zag +hij, dat de kaar vlak aan den kant stond. + +Plotseling verhief hij zijne stem met zooveel kracht, dat wij hem allen +te gelijk om hulp hoorden roepen. + +Help! -- Help! -- Moord! -- Moord! gilde hij. + +En brand! voegde de schoenmaker er bij. Wacht maar, mijn jongen, wij +zullen den brand wel blusschen. Een, twee -- hoepla! + +Flap! Daar sloeg de kaar om en ging te water. + +Och, och, wat lachte die schoenmaker. + +Wij stonden allen op den oever, op een eerbiedigen afstand, want hoewel +wij geen kwaad hadden gedaan, durfden wij toch niet bij den vertoornden +man te komen. Deze zag er echter niet bijzonder boos uit, want hij deed +niet anders dan lachen, -- lachen zonder ophouden. + +Help! -- Ik -- verdrink! -- Help -- O -- o! Help! Bob kroop +ongetwijfeld vrij raar in zijn vaartuig rond, want het dobberde wild op +en neer. Soms ging het aan den eenen kant geheel onder water, en dan +hoorden wij van Bob niets meer, maar dan volgde er weder een geweldig +dobberen, zoodat de golven tot aan de overzijde van de beek gingen, en +dan hoorden wij hem weer om hulp roepen. + +O, -- help toch! Genade! Help! Ik verdrink! Ik stik! Brrr! Brrr! Ik.... +brrr! + +Nu kwam ook de vrouw van den schoenmaker naar buiten, om te zien, wat er +toch aan de hand was. Ook de buren verlieten hunne huizen, zoodat er +weldra een groote oploop ontstond. + +Maar toen zij vernamen, hoe Bob daar in die kaar alle pogingen deed, om +zich boven water te houden, ging er een onbedaarlijk gelach op en scheen +niemand medelijden met hem te hebben, dan alleen vrouw de Veer. Eerst +lachte zij ook, maar spoedig ging zij naar haar man, en begon de kaar op +het droge te trekken. + +Toe, Jaap, nu is 't genoeg, laat er den jongen nu uit. Hij heeft nu +straf genoeg gehad. + +Help! Brrr! Brrr! O, ik verdrink! Brrr! klonk het uit de kaar. + +Zoo'n grooten visch heb je er nog nooit in gehad! riep een van de +omstanders lachend den schoenmaker toe. + +Neen, daar heb je gelijk aan! Ha-ha-ha-ha! Wat vermakelijk! Kijk dat +ding eens dobberen! Ha-ha-ha! + +'t Bevalt hem er niet! riep een ander. + +Brrr! Help toch, menschen, help! Brrr! Brrr! + +Toe man, haal er den jongen nu uit! 't Is nu mooi genoeg, toe! + +Nu, vooruit dan maar! zei de schoenmaker, die het nu ook tijd begon +te vinden, om er een einde aan te maken. Nog altijd schuddende van het +lachen trok hij de kaar op het droge. Wij zagen, hoe het water door de +gaatjes in alle richtingen wegvloeide. + +Vrouw de Veer deed de wervels los -- en daar wipte Bob er uit, onder +luid gejuich van de omstanders. Het water droop hem uit de kleeren. +Schuw keek hij een oogenblik om zich heen, en toen glitste hij door het +volk heen, -- naar zijn huis toe. + +Wat hadden de menschen een pret, en wat schaamde Bob zich. Hij moest +ongetwijfeld geweldig veel angst hebben uitgestaan, want gewoonlijk was +hij niet zoo heel gauw bang of zenuwachtig. Maar nu lazen wij den angst +op zijn gelaat. + +Dat wij hem naliepen, spreekt van zelf. Maar hij wilde ons niet +ontmoeten. Hij snelde regelrecht naar zijn huis, waarin hij door de +keukendeur verdween. Wat daar nog met hem voorgevallen is, hebben wij +nooit vernomen. + +Daar het al laat begon te worden, begaven ook wij ons naar huis. Toen +ik 's avonds op bed nog eens aan het voorgevallene dacht, schoot ik +onwillekeurig nog in den lach om het zotte figuur, dat de dappere Bob +gemaakt had. Toch moest ik toegeven, dat hij loon naar werken had +gehad. + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + Waarin verteld wordt van een Zondag, die veel stof tot + spreken en voor de Van der Vliets ook veel stof + tot treurigheid gaf. + + +De Zondag, die nu volgde, was voor de familie Van der Vliet een dag van +groote droefheid en voor het geheele dorp een van groote ontsteltenis. +Eerst scheen het voor de genoemde familie een geluksdag te zullen +worden, want reeds vroeg in den morgen deden zij eene gelukkige vondst, +maar al spoedig veranderde de blijdschap in groote treurigheid. + +Doch laat ik u geregeld vertellen, wat er gebeurde. + +'t Zal ongeveer half zes in den morgen geweest zijn, toen Trijn, de +vrouw van Kees van der Vliet, ontwaakte. Nu verliep er bij haar tusschen +ontwaken en opstaan nooit meer dan een enkel oogenblik, want zij was +ijverig van aard, en hield er niet van, Zondags nog minder dan in +de week, om laat met haar werk gereed te zijn. Integendeel, hare +lijfspreuk was steeds: Hoe eerder gegaan, hoe eerder gedaan, en die +spreuk bracht zij zooveel mogelijk in toepassing. Zoo ook nu op dezen +Zondagmorgen. Zij stapte haar bed uit, wiesch en kleedde zich, en begon +daarna met ijver aan hare gewone huiselijke bezigheden. Eerst werd de +tafel opgeknapt en waschte zij de kopjes, en daarna nam zij stoffer en +blik en begon den vloer aan te vegen. Kees en de kinderen lagen nog in +bed. Wie beschrijft echter hare verbazing, toen zij bij de deur drie +goudstukken zag liggen, die daar blijkbaar onderdoor waren geschoven. +Eerst wist zij niet, of zij hare oogen wel kon gelooven, of zij wakker +was of droomde, en zonder eene hand uit te steken om ze op te rapen, +staarde zij met groote oogen op den schat, die zoo onverwachts haar deel +geworden was. Want drie gouden tientjes vertegenwoordigden voor de arme +ziel een kapitaal, waarvoor zij den diepsten eerbied koesterde. Zij was +zoo gewoon hare inkomsten slechts bij stuivers en centen te ontvangen, +dat dertig gulden voor haar een schat vertegenwoordigde, waarmede zij +bijna zoo rijk werd als een koning. + +Wel een paar minuten bleef zij zoo onbeweeglijk op hare knien voor het +geld zitten, zonder het aan te raken, maar toen begon zij langzamerhand +tot kalmte te komen. Zij raapte de geldstukken op en riep: + +Kees! -- Kees!-- + +Een dof gebrom uit de bedstede was het eenige antwoord. + +Kees! -- Kees dan toch! herhaalde zij met verheffing van stem. Kees! +Word dan toch wakker! Kijk eens, wat ik hier gevonden heb. -- Een +schat, Kees, drie gouden tientjes! + +H? -- Wat? vroeg Kees, die bij het hooren van die woorden geheel +wakker werd en zijn geslaapmutst hoofd tusschen de bedgordijnen +doorstak. Gevonden? Drie gouden tientjes? Maar dat is onmogelijk, +Trijn, dat kan niet. + +Kan dat niet? Kijk dan maar eens hier, op mijne hand, daar liggen ze. +Drie echte, gouden tientjes, wat ik je zeg! + +In een wip was Kees nu zijn bed uit. Haastig trok hij zijne kousen en +wat kleeren aan, en zeide: + +Waarlijk! Dat zijn drie gouden tientjes! Geef eens hier, Trijn, laat +eens hooren, of ze echt zijn. Er is tegenwoordig zooveel bedrog in de +wereld, dat je haast niet te voorzichtig kunt wezen. Geef ze eens hier. + +Trijn gaf ze aan haar man en deze liet ze van eene tamelijke hoogte +op de tafel neervallen, waar ze met zulk een helderen metaalklank op +neerrinkelden, dat Jan van het ongewone geluid wakker werd. Dat ook hij +niet weinig verbaasd was, behoeft niet te worden gezegd. + +In geuren en kleuren vertelde Trijn, hoe zij aan het werk was gegaan, +precies zooals ze altoos gewoon was te doen, eerst de kopjes, toen de +tafel, en daarna den vloer eene beurt gevende, tot zij plotseling het +geld voor de deur vond liggen, blijkbaar door de hand van een weldoener, +die onbekend wenschte te blijven, daar onderdoor geschoven. + +Ja vrouw, dat mag-je zeggen: een weldoener, wien wij niet dankbaar +genoeg kunnen zijn. O, als ik wist wie hij was, ik ging dadelijk naar +hem toe, om hem te bedanken voor zulk eene milde gift, die ons tot +allerlei dingen in staat stelt, waarover wij vroeger wel eens mochten +denken, maar waartoe wij nooit konden komen, omdat wij te arm waren. Nu +gaan wij een winkeltje beginnen, Trijn. + +Een winkeltje? Dunkt je dat, Kees? + +Ja, een winkeltje, zeg ik. O, Trijn, wat heerlijk. Nu kan ik toch ook +wat gaan verdienen, als jij uit werken bent, want er moet toch iemand +zijn, die op den winkel past. Ik kan je niet zeggen, hoe het mij altoos +tegen de borst heeft gestuit, dat jij eigenlijk den kost voor ons allen +moest verdienen, Trijn, en dat ik altoos maar werkeloos moest blijven +toezien, hoe jij je aftobde. Maar daar komt nu een einde aan. Voortaan +zal ook ik geregeld mijn werk hebben, en als Jan van school gaat, dan +kan hij gaan venten. Van zelf komen de klanten niet naar je toe, we +moeten ze geregeld bezoeken. O Trijn, nu zullen voor ons de goede dagen +eindelijk ook gaan komen. + +Trijn antwoordde niet. Zij stond in gedachten verzonken. Eindelijk zeide +ze: + +Ja Kees, dat is alles goed en wel, en 't is een mooi ide van je, maar +zie je, ik kan me maar niet begrijpen, wie het toch kan zijn, die ons +zulk een groot cadeau geeft. Als er maar niet iets slechts achter +schuilt. Nu ik er goed over ga nadenken, is het me precies, of we dat +geld eigenlijk niet moesten aannemen. Ik ben er niet geheel en al gerust +over. + +Niet gerust? -- Niet aannemen? vroeg Kees vol verwondering. En waarom +zouden wij het niet aannemen? 't Is ons toch gegeven en we hebben het +niet gestolen! + +Ja, dat is waar. + +En toen er den vorigen winter op een avond aan de deur geklopt werd, en +wij bij het opendoen niets vonden dan eene mand vol levensmiddelen, die +daar was neergezet, hebben wij toen een oogenblik getwijfeld, of wij dat +wel zouden aannemen? Ik weet nog best, hoe blij je toen waart, Trijn. + +Geen wonder! We hadden ook geen kruimel meer in huis. En die mand werd +ons thuisbezorgd. + +Juist, -- 't ging er precies mede als met dit geld. Een of ander +weldadig mensch heeft het in alle stilte onder de deur doorgeschoven, +wel wetende, dat wij het van morgen zouden vinden. Wie weet, of het niet +van denzelfden gever komt, als die mand met levensmiddelen. + +Ja moeder, zeide Jan, of als dat lekkers, dat ons op St. +Nicolaasavond door een onbekende werd thuisgezonden. + +Jelui hebt gelijk, zeide Trijn hoofdschuddend. Toch zou ik er voor +zijn, er in elk geval den burgemeester kennis van te geven. 't Is zoo'n +groote som. + +Voor ns is het eene groote som, dat is waar, maar wie weet, welk eene +kleinigheid het voor den gever is, wie weet, over hoe grooten rijkdom +hij te beschikken heeft. Neen, Trijn, ik ben er juist voor, om er tegen +niemand van te spreken, en -- --. + +Dus geheim houden? + +Juist, als niemand het weet, kan niemand het er ons lastig over maken. +'t Is eene eerlijke zaak, waar niemand mede noodig heeft. Wij huren een +huisje dat geschikt is, om er een winkeltje in op te zetten, en slaan +voor dit geld onzen noodigen voorraad in. Je zult zien, Trijn, hoe aan +onze armoede nu een einde komt. + +Nu, 't is mij goed, -- hoewel ik er toch eigenlijk in mijn hart geen +vrede me heb. Wie zou ons dat geld nu toch geschonken hebben? Ik kan +het mij maar niet begrijpen! Dertig gulden! 't Is toch waarlijk geen +kleinigheid, om die zoo maar weg te geven. + +Ja vrouw, 't is een raadsel, waarvan wij de oplossing niet weten. +'t Zal echter wel eenmaal uitkomen, wie zoo goed voor ons geweest is, +daar twijfel ik niet aan. + +Wist ik het maar, Kees, dan zou ik mij veel rustiger gevoelen. 't Is me +nu precies, of er met dit geld iets is, dat niet richtig is. + +Gekheid! Dwaasheid, Trijn. Omdat het zulk een rijk cadeau is, maakt ge +je zenuwachtig en angstig, doch geloof maar gerust, dat het voor ons +bedoeld is. Hoe zou het hier anders in huis komen? + +Ja, ja, -- dat is waar; ik kan er niets tegen inbrengen. + +Dus we zullen er tegen niemand over spreken? Jan, jij houdt je ook +stil, hoor! + +Ja, vader. + +Niemand behoeft er zijn neus in te steken, zeg ik maar; en 't is niet +noodig, dat het heele dorp er zich mede bemoeit. De menschen babbelen +altijd zooveel, veel meer, dan ze verantwoorden kunnen, -- en dat is nu +niet noodig. Wat niet weet, deert ook niet. + +Met dit laatste stopwoord maakte Kees van der Vliet een einde aan de +zaak. Het geld werd opgeborgen in een klein doosje, dat in de linnenkast +werd gezet, en moeder Trijn ging met hare bezigheden voort. Dat de +rijke vondst evenwel geen oogenblik uit hare gedachten was, en dat zij +er onophoudelijk met haren man over sprak, behoeft niet te worden +gezegd. En wat al plannen voor de toekomst werden er gesmeed, wat al +luchtkasteelen gebouwd! + +Helaas, op hoe droevige wijze zouden al die illusien worden verstoord, +en hoe zou de vreugde dezer arme lieden weldra verkeeren in droefheid. +Hadden zij maar dadelijk van hunne vondst kennis gegeven aan den +burgemeester, zooals Trijn dat had gewild, wat zouden zij dan voor veel +ellende gespaard zijn gebleven, die nu hun deel werd. + +Want er was dien nacht in het dorp diefstal gepleegd. 's Morgens om elf +uur, toen de kerk uit was, ging het gerucht daarvan als een loopend +vuurtje door het dorp rond. + +'t Zal ongeveer half tien in den morgen geweest zijn, toen de Heer Valk, +de directeur van het post- en telegraafkantoor, zijne woonkamer verliet, +om zich naar het kantoor te begeven. Eerst ging hij nog een oogenblik +in den tuin, om wat frissche lucht te happen, zooals hij dat noemde, +hetgeen hij bij goed wer elken morgen gewoon was te doen. Na eenige +oogenblikken rondwandelens echter werd zijne aandacht getrokken door +het zijraam van het kantoor, dat half openstond, iets wat op dezen tijd +van den dag nooit het geval was. Er was nog niemand op het kantoor +aanwezig, dus f hij moest het den vorigen dag vergeten hebben te +sluiten, f er had zich iemand toegang tot het kantoor verschaft, door +het raam open te schuiven. Indien deze laatste veronderstelling juist +was, moest er gestolen zijn. + +De Heer Valk spoedde zich dus naar binnen en vroeg in het voorbijloopen +aan Geertje, de meid: + +Ben je van morgen al in het kantoor geweest? + +Neen, mijnheer. + +Weet je het zeker? + +Ja mijnheer, zoo zeker als twee maal twee vier is. + +Daarna opende hij de deur van de woonkamer, en vroeg aan zijne vrouw: + +Lize, ben jij al op 't kantoor geweest van morgen? + +Neen, waarom vraag je dat? + +Omdat het zijraam opengeschoven is. Jij dan, misschien, Cor? + +Neen pa, ik ook niet. + +Dan is de zaak niet in orde! riep de Heer Valk, terwijl hij zich met +groote schreden verwijderde. Zijne vrouw en Cor volgden hem op den voet. + +Hij ontsloot de kantoordeur, waarvan hij den sleutel altoos bij zich +droeg, en genadige hemel, -- ja, een enkele blik was voldoende om hem +te overtuigen, dat zijn vermoeden juist was geweest. Er moest een dief +geweest zijn. Het raam was opengeschoven, de sloten van zijn bureau +waren geforceerd en een ijzeren geldkistje, dat daarin geborgen was +geweest, was met geweld opengebroken. Het geld daaruit was verdwenen! + +Half verbrande lucifers lagen over den vloer verspreid, en uit enkele +vetdruppels kon men opmaken, dat de dief zich van een eindje vetkaars +had bediend. + +Wel verschrikkelijk! riep mevrouw Valk uit. Wie kan dat nu toch +gedaan hebben? Hoeveel geld is er gestolen, Eduard? Toch niet veel, hoop +ik? + +'k Weet het niet, maar ik zal het even nazien, antwoordde de +directeur, die doodsbleek zag, binnensmonds. Wie had dt nu ooit kunnen +denken! Zoo'n brutale dief. Wacht, hier is het boek. Laat zien: honderd, +tien, twintig, dertig, en dertig is zestig en veertig -- 't is precies +twee honderd gulden. Ja juist, nu herinner ik het mij: 't is twee +honderd gulden, waarvan tien gouden tientjes, een bankje van zestig en +een van veertig. + +Kijk pa, de postzegelkast is ook opengebroken. + +Waarlijk, -- dat ook nog! Dat moest er nog bijkomen! Zie eens aan, er +is geen zegeltje overgebleven. Ook nog eene schade van een vijftig +gulden ongeveer. Dat is een fraaie geschiedenis! + +'t Is verregaand brutaal! zei mevrouw, terwijl zij de handen van +verbazing in elkaar sloeg. Ik zou dadelijk om den burgemeester sturen, +lieve. Er moet direct werk van deze zaak gemaakt worden. + +Dat is waar, -- je hebt gelijk. Toe, Cor, ga dadelijk naar den +burgemeester en verzoek hem hier te komen. Maar spreek tegen niemand een +woord, van hetgeen hier voorgevallen is, begrepen? + +Ja, pa! + +En vlug, -- als de wind, hoor! + +Ja, pa! + +Cor vloog naar den burgemeester, en dat deze niet weinig ophoorde van +hetgeen hij vernam, kan ieder begrijpen als ik vertel, dat er al sedert +vele jaren iets dergelijks in ons dorp niet was voorgevallen. + +Hij begaf zich onmiddellijk met Cor naar het postkantoor, waar de +directeur en zijne vrouw nog, doodsbleek van ontsteltenis, bezig waren, +alle laden en kasten na te zien. Het bleek hun, dat alles van waarde +verdwenen was, terwijl daarentegen de waardelooze papieren wel +doorgesnuffeld maar verder ongeschonden gebleven waren. + +Dadelijk begon de burgemeester, geholpen door den directeur, een +nauwkeurig onderzoek in te stellen naar hetgeen er gebeurd was, wat hij +alles uitvoerig opschreef. Toen hij daarmede gereed was, vroeg hij: + +En zeg mij nu eens, mijnheer Valk, wien verdenkt gij nu eigenlijk van +dezen diefstal? Of hebt gij tegen niemand eenig kwaad vermoeden? + +Neen, burgemeester, tegen niemand. Ik zou werkelijk niet weten, wien +ik noemen moest. Een klerk heb ik niet, en onze dienstbode is de +eerlijkheid in eigen persoon. Zij kan het niet gedaan hebben. Trouwens, +u kunt u daarvan persoonlijk overtuigen door haar te ondervragen. Zij is +op dit oogenblik nog geheel onbekend met hetgeen er gebeurd is. Hoor, +zij zingt in de keuken als een lijster. + +Dat hebben er meer gedaan, die bij slot van rekening toch schuldig +bleken te zijn. Vergun mij, dat ik haar een oogenblik ga spreken. + +De burgemeester verliet het kantoor en begaf zich regelrecht naar de +keuken, waar Geertje bezig was met koffie malen. Zij zong daarbij het +hoogste lied. + +Maar zoodra de burgemeester binnenstapte, op wiens komst zij allerminst +voorbereid was, hield zij dadelijk met zingen op, en stamelde met een +verlegen lachje: + +Gut, mijnheer de burgemeester, komt u in de keuken? Mijnheer en mevrouw +zijn in de kamer, geloof ik, dus als u ze spreken wil.... + +Neen, meisje, 't is mij om u te doen! sprak de burgemeester op +gestrengen toon, terwijl hij haar diep in de oogen keek. Maar Geertje +keek hem zoo onbevangen aan, dat hij dadelijk overtuigd was van hare +onschuld. + +Om mij? vroeg zij: Wat is er van uw dienst, burgemeester? + +Waar ben jij van nacht geweest, meisje? + +Van nacht? vroeg Geertje lachend, want zij scheen die vraag zeer +grappig te vinden. En op vroolijken toon liet zij er op volgen: Wel, op +bed, burgemeester! Waarom vraagt u dat aan me? + +Omdat er dezen nacht hier in het kantoor ingebroken en gestolen is, +Geertje! zei de burgemeester. + +Ingebroken! -- Gestolen! riep Geertje doodsbleek uit. Wel, +verschrikkelijk! + +En zonder een oogenblik langer om den burgemeester te denken, verliet +zij de keuken en ijlde naar het kantoor, waar zij, louter van +ontsteltenis, luid begon te schreien. Het kostte mevrouw zelfs niet +weinig moeite, haar tot bedaren te brengen. + +De burgemeester twijfelde nu geen oogenblik langer aan hare onschuld. Na +enkele minuten verzocht hij haar zich weer naar de keuken te begeven, en +zeide, toen zij vertrokken was: + +Zij is beslist onschuldig. + +Zooals wij u reeds vooruit gezegd hebben, viel mevrouw in. Neen, wij +moeten den dief ergens anders zoeken. + +Dat merkt u terecht op, mevrouw; wij moeten hem ergens elders zoeken. +Heeft u gisteren misschien andere menschen in uw dienst gehad? + +Gisteren? -- Neen, -- o ja, toch, kreupelen Kees en zijne vrouw; hij +heeft den tuin opgeknapt, en zij werkt hier geregeld elken Zaterdag. +Maar dat zijn ook doodeerlijke lieden, die tot diefstal, en dan nog wel +gepaard met inbraak, allerminst in staat zijn. + +De burgemeester was dat blijkbaar niet geheel met haar eens, want hij +zeide: + +Zoo, -- Kees van der Vliet en zijne vrouw. Ja, dat zijn wel eerlijke +lieden, maar toch -- iemand moet het gedaan hebben, niet waar? Wanneer +wij den dief willen snappen, schijnt het mij noodzakelijk toe, van +niemand te denken, dat hij eerlijk is. Die menschen hebben immers geen +gelegenheid gehad, zich hier gisteravond te laten insluiten? + +O neen, zei mijnheer Valk op beslisten toon, daar is geen sprake van. +Zij zijn geen van beiden in het kantoor geweest en ik heb het zelf +gesloten. Bovendien schijnt het mij bespottelijk toe, die menschen van +diefstal te verdenken. + +Dat heeft u geheel en al mis, mijnheer Valk. In politiezaken is +eene dergelijke gedachte in het geheel niet bespottelijk. Kan de +brievenbesteller zich wellicht hebben laten insluiten? Of is er +misschien iemand anders nog laat in het kantoor geweest? + +De postlooper komt hier nooit binnen, dan in heel enkele gevallen. +Gisteren is hij niet verder geweest dan de deur. En bezoek heb ik niet +gehad dan alleen van Arie de Zwaan, den neef van den koster, die hier +alle avonden komt vragen, hoe laat het is. Zooals u weet, houdt de +koster de kerkklok steeds gelijk met den tijd van het kantoor. + +Zoo, -- ja, juist, dat weet ik. Nu, wat dien Arie de Zwaan betreft, hem +zou ik voor eene daad als deze niet te goed houden, -- en u? + +Ik ook niet, burgemeester. 't Is, geloof ik, een jongmensch, dat +nergens te goed voor is. En nu ik mij goed bedenk, herinner ik mij, dat +hij nog een poosje bij mij binnen is geweest, en dat wij een kwartiertje +met elkaar hebben staan praten over koetjes en kalfjes. Het zal ongeveer +acht uren geweest zijn, toen hij vertrok. + +Kan u mij nog meer inlichtingen geven? vroeg de burgemeester. U moet +wel bedenken, dat van de kleinste kleinigheid soms het vinden van den +dief kan afhangen. + +Ik heb u verder niets te zeggen. + +Dan is mijn werk hier afgeloopen. Ik geloof, dat het mijn plicht is, +eerst een onderzoek in te stellen bij Kees van der Vliet en daarna bij +Arie de Zwaan. En het zou mij niet verwonderen, als ik den dief vandaag +nog snapte. Mevrouw, uw dienaar! Adieu, mijnheer Valk! + +Met eene buiging en een handdruk verliet het hoofd der gemeente de +woning. + +Onmiddellijk daarop was de burgemeester, vergezeld van Tip, den +veldwachter, naar het huisje van Kees van der Vliet gegaan, die met +zijne vrouw aan de tafel zat. Zij dronken koffie, en waren bezig plannen +te maken over hetgeen zij zouden doen met de gevonden goudstukken. Ook +Jan was thuis, en Zus speelde op den grond. Zoodra Trijn de beide mannen +zag naderen, werd zij zoo wit als een doek en begon zij te beven over al +hare leden. Van den diefstal hadden zij nog niets vernomen. + +Daar is de burgemeester met den veldwachter, zeide ze tot Kees. O +God, -- daar heb je 't al. Hadden wij het toch dadelijk maar gezegd! + +Waarom? -- Wij hebben het toch niet gestolen! zei Kees binnensmonds. +Maar toch verbleekte ook hij. + +Op dit oogenblik werd de deur geopend en traden de beide mannen binnen. + +Goeden morgen! klonk hun groet kortaf. + +Kees stond eerbiedig op en nam zijne pet af, die hij ook in huis steeds +ophad. + +Goeden morgen, mijnheer de Burgemeester! Goeden morgen, Tip! + +Hij schoof twee stoelen bij de tafel, en vervolgde: + +Wil u niet gaan zitten? + +De burgemeester scheen die uitnoodiging niet eens te hooren. Hij bleef +midden in de kamer staan en nam met scherpen blik het geheele vertrek in +oogenschouw. Nu was daar niet veel in te zien, want behalve eene tafel, +enkele oude stoelen, eene groote staartklok en twee bedsteden was er +niets dan een eenvoudig geverfd linnenkastje, dat Trijn indertijd +gekocht had, toen zij als dienstmeisje een klein spaarpotje had gemaakt. +Op dat kastje bleef eindelijk 's burgemeesters blik rusten, en het met +den vinger aanwijzende, zeide hij tot den veldwachter: + +Tip, haal dat kastje eens leeg, en bekijk alles goed. Leg den inhoud +hier uitgespreid op den grond. + +Tip begon reeds het bevel uit te voeren, toen Trijn een stap vooruit +kwam, en zeide: + +Maar mijnheer de Burgemeester, dat lijkt wel huiszoeking. U denkt toch +niet, dat we gestolen hebben, -- dat we dieven zijn? + +Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer de Burgemeester, voegde Kees er +bij, terwijl hij zich bij de linnenkast plaatste, alsof hij Tip beletten +wilde, het ontvangen bevel uit te voeren. + +Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer, die nog nooit iemand een cent te +kort hebben gedaan. + +En daarom durven wij gerust iedereen in de oogen zien, want wij hebben +ons voor niets of niemand te schamen, zei wer Trijn, terwijl haar de +tranen in de oogen kwamen. + +En nu deze schande te moeten ondervinden. Wat zullen de menschen wel +zeggen, als zij het hooren? Wie had nu ooit kunnen denken, dat ik dt +nog eens beleven zou! + +Doe wat ik je gezegd heb, Tip, gebood de burgemeester. En gij, goede +menschen, -- vervolgde hij tot Kees en diens vrouw, ik raad u aan, +kalm en bedaard te blijven. Ik geloof inderdaad, dat gij eerlijke +menschen zijt, en ben overtuigd, dat gij u voor niemand behoeft te +schamen. 't Is dan ook slechts toeval, dat ik juist bij u huiszoeking +kom doen. Doch daarin steekt volstrekt geen schande. Integendeel, +wanneer ik straks van hier ga, zonder te hebben gevonden wat ik zoek, +is dat het duidelijkste bewijs, dat gij onschuldig zijt! + +Maar wat is er dan toch gebeurd? vroeg Trijn. Want ik voel me in het +geheel niet gerust, burgemeester. Nu u eenmaal hier is en dit onderzoek +instelt, wil ik het u, -- neen, kn en 'mg ik het u niet langer +verzwijgen, wat er van morgen hier gebeurd is. + +Hier iets gebeurd? vroeg de burgemeester. En tot Tip zeide hij: + +Niets dan kleeren; leg ze hier maar op den grond, en zoek bedaard +verder. -- En wt is hier dan wel gebeurd, vrouw Van der Vliet? + +Wel burgemeester, toen ik van morgen den vloer aanveegde, vond ik dr +onder de deur doorgeschoven, niet minder dan drie gouden tientjes, -- +hier, op deze zelfde plek, burgemeester, zoo waar als ik 't u zeg. + +Wat? -- H, wat zegt u? -- Drie gouden tientjes? En hebt ge die daar +gevonden, op den vloer? Dat is al heel toevallig, moet ik zeggen. + +Ja, mijnheer de Burgemeester, zei Kees, ik lag nog rustig te slapen, +ziet u, omdat het Zondagmorgen was, want dan slaap ik altoos wat langer +dan in de week, toen Trijn me wakker schreeuwde en me drie gouden +tientjes liet zien, die ze daar gevonden had. + +'t Is wel opmerkelijk, Trijn! zei de burgemeester met een ongeloovig +gezicht, daar het geheele verhaal hem wat onwaarschijnlijk klonk. Er is +dezen nacht inbraak gepleegd, gevolgd door diefstal, Trijn. Vind-je het +nu zelf niet wat heel vreemd, dat hier drie gouden tientjes onder de +deur doorgeschoven worden? + +'t Is wl kaseweel, zei Kees hoofdschuddend. Wonder kaseweel[1]. Dat +moet ik zeggen. + + [1] Casueel, bedoelde Kees. + +Doch Trijn begon te schreien. Zij was vrij wat schranderder dan haar +echtvriend, en doorzag veel beter dan hij de treurige gevolgen, die deze +zaak voor hen kon hebben. + +Zoek goed, hoor Tip. Me dunkt, dat we hier meer zullen vinden, dan we +ons voorgesteld hebben. + +Hier vind ik een klein doosje, burgemeester, weggestopt achter een +stapeltje kleren. Wil u het openen? + +Geef maar hier. + +De burgemeester ontdeed het van het deksel, en ontwaarde de drie +goudstukken, die Trijn daar enkele uren geleden ingelegd had. + +Ha, ha! Het raadsel begint opgelost te worden, zei hij, terwijl hij +Trijn scherp onderzoekend aankeek. Dat had ik niet van u gedacht, vrouw +van der Vliet; ik heb u altoos voor eene door en door eerlijke vrouw +gehouden, niet in staat tot iets, dat slecht was. En moet ik nu bij u +gestolen geld vinden? Kom, arme ziel, want ik heb medelijden met u, maak +de zaak niet erger dan zij al is, en zeg mij de volle waarheid. Wie +weet, wat ik dan wellicht nog voor u doen kan. Gij hebt het geld +weggenomen, niet waar? Spreek de waarheid, vrouw, en bezwaar uw geweten +niet door nog te liegen. + +Trijn barstte in zenuwachtig snikken uit, zoo hevig, dat het haar het +spreken belette. Doch toen zij zichzelve meester geworden was, riep ze +uit, terwijl ze hare rechterhand ophief, als om den hemel tot getuige te +roepen: + +Zoo waarachtig als er een Heer in den Hemel is, ik ben onschuldig, +mijnheer de burgemeester! + +Bij het hooren van die plechtige woorden barstte ook Jan in tranen uit, +en toen Zus moeder en broeder zag schreien, verhief ook zij hare stem. +'t Was een treurig tooneel. + +De burgemeester haalde de schouders op en gaf den veldwachter een wenk, +met zijn onderzoek voort te gaan, wat deze dan ook deed. + +Vrouw Van der Vliet viel op een stoel neder, bij de tafel, en bedekte +haar gelaat met haar boezelaar. + +Ik ben onschuldig! riep zij door hare tranen heen. Ik ben onschuldig, +zoo onschuldig als dit kleine kind! Maar u gelooft me niet, u luistert +niet eens naar me. O, had ik het u toch dezen morgen maar dadelijk +gezegd! + +Zij nam kleine Zus op haar schoot, en kuste haar. + +Arm, onschuldig kind, arme lieveling! schreide ze. Nu zullen ze je +moeder nog van je weghalen en in de gevangenis zetten, -- en wie zal er +dan voor jou zorgen... + +'t Zl niet gebeuren! Moeder, ik zal..... + +Zoo riep Jan schreiend uit, terwijl hij zich met gebalde vuisten naast +zijne moeder plaatste, als om haar te verdedigen. + +Stil, kind, stil! Wij kunnen er niets tegen doen. O, burgemeester, zoek +toch maar niet langer, want gij zult niets meer vinden, dat bezweer ik +u, dan de enkele stuivers, die Kees en ik gisteren bij mijnheer Valk +hebben verdiend. Waarachtig, mijnheer, 't is de waarheid -- ik lieg u +niets voor, niets-- + +De kast was nu doorzocht, en de veldwachter begon nu de beide bedsteden +te inspecteeren; daarna kwam de provisiekast aan de beurt, die al +bijzonder weinig bevatte, en toen werd zelfs de groote klok doorzocht, +maar tevergeefs; het overige geld werd niet gevonden. + +De burgemeester deed nog eenmaal eene poging, om Trijn tot bekentenis te +brengen, doch zij volhardde bij hetgeen zij gezegd had. Het geld had zij +gevonden op den vloer van hare kamer, vlak bij de deur, en hare eenige +fout was, dat zij er niet dadelijk kennis van gegeven had. O, had zij +het maar gedaan. + +Ook Kees werd scherp ondervraagd, doch hij kon niets anders zeggen, dan +hetgeen zijne vrouw had verklaard. Zelfs Jan werd onder handen genomen, +doch met hetzelfde gevolg. De burgemeester maakte van zijne bevindingen +proces-verbaal op, en ging heen, het arme gezin in de grootste +verslagenheid achterlatende. + +Nu werd eene huiszoeking gedaan ten huize van den koster, den oom van +Arie de Zwaan. Doch hoe zorgvuldig het geheele huis ook werd doorzocht, +er werd niets verdachts gevonden. Arie leidde den burgemeester zelf +overal rond en eigenhandig opende hij alle laden en kasten, om het +onderzoek gemakkelijker te maken, waarbij voortdurend een eigenaardig +lachje zijn gelaat ontsierde, hetgeen den burgemeester niet ontging en +hem onaangenaam stemde. + +Wat een schurkengezicht heeft hij toch! dacht hij bij zichzelven, maar +hij wachtte zich wel, die gedachte onder woorden te brengen. + +Onder het naar huis gaan, zeide de veldwachter tot zijn meester: + +Op het uiterlijk afgaande zou ik den dader eerder hier zoeken, dan bij +Van der Vliet, burgemeester. + +Ja, ik ook -- maar Tip, schijn bedriegt, zooals je weet. + +Juist burgemeester, -- zou dat ook nu niet het geval zijn? + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + Wat er alzoo op een regenachtigen Zondagmiddag gebeurde. + Hoe Bob in een Woesten Gier veranderde, voor Pieter + een kuil groef en er ten slotte zelf in viel. + + +Het verhaal van hetgeen ik u in het vorige hoofdstuk verteld heb, ging, +zooals ik zeide, als een loopend vuurtje door het dorp rond. Pa vertelde +het ons in geuren en kleuren toen hij uit de kerk kwam, en hij wist het +uit eene goede bron, want hij was den burgemeester tegengekomen, en deze +had het hem verteld. + +Wat was er toen op ons dorp veel stof tot spreken, en wat hadden sommige +menschen verbazend veel te zeggen van de Van der Vliets, wier naam +plotseling op aller tong zweefde. Sommigen beweerden zelfs, dat zij ze +nooit hadden vertrouwd, dat zij altoos wel gedacht hadden, dat het +slecht met hen zou afloopen en dat zij ze voortaan zelfs voor geen +halven cent vertrouwen zouden schenken. 't Was eene echte dievenfamilie, +waarin geen greintje goeds stak. + +Toen ik dat thuis vertelde, keek pa me vrij boos aan en zeide op +gestrengen toon: + +Jij denkt toch zeker zoo niet, Dorus? Wees toch, wat ik je bidden +mag, nooit voorbarig in je oordeel. 't Kan nog best uitkomen, dat die +menschen even onschuldig zijn als jij of ik. Maar de wereld oordeelt +altoos verbazend oppervlakkig en onbarmhartig. 't Is eene schande! + +Nu, dat vond ik ook, maar wr is het toch, dat maar weinig menschen +spraken zooals pa. Iedereen, dien ik er over hoorde, zeide: 't Is toch +maar slecht volk, die Kees en zijne vrouw, en 't is maar goed, als ze +achter slot en grendel worden gezet. Zulk volk is gevaarlijk! + +Zij bleven den geheelen dag binnenshuis, zelfs Jan, die anders altoos +bij zijne kameraden was, kwam niet buiten. Wat moeten die menschen zich +hebben geschaamd, vooral toen 's middags zich veel meer wandelaars op +hun achterweg vertoonden dan in gewone omstandigheden. Blijkbaar wilde +iedereen eens zien, hoe zij zich wel hielden, maar niemand had er +pleizier van, want de gordijntjes waren dichtgeschoven en er was +dientengevolge niemand te zien. + +Ik had innig veel medelijden met hen, en Karel Holm, met wien ik +'s middags wandelde, evenzoo. Het ergerde ons te zien, hoe de menschen +allen juist voorbij het huisje van gebrekkigen Kees gingen wandelen, en +wij waren er blij om, toen het 's middags vrij erg begon te regenen, +zoodat iedereen huiswaarts moest keeren. Na eenig weifelens besloten +Karel en ik Bob een bezoek te gaan brengen, dien wij nog niet gezien +hadden na zijn onvrijwillig bad in de vischkaar. Als wij daarover +spraken, moesten wij telkens nog lachen, dat het schaterde. + +Bob schaamde zich zeker, want gewoonlijk was hij in huis niet te houden. +En nu was hij in geen velden of wegen te zien. Wij besloten hem eens +geducht te plagen. + +Nauwelijks hadden wij aangebeld, of Bob deed ons zelf open. + +Dag Dorus! Dag Karel! Kom binnen. Zeg jongens, wat zit ik akelig +opgescheept met een neef van me, die gisteravond onverwachts met zijne +Moe bij ons is komen logeeren. Bah, 't is zoo'n vervelende jongen. Hij +ziet er uit als een zeemlap en hij zit op zijn stoel, of hij een stok +heeft doorgeslikt. Ga-je me, dan zal ik je hem eens laten zien. Maar +niet lachen, hoor! + +Nu, die raad had een verkeerd gevolg, want nu moesten wij juist lachen, +toen wij binnen kwamen. Maar wij wisten ons te bedwingen. Wij gaven +mijnheer en mevrouw de Wild de hand en bogen zoo deftig als wij konden +voor Bobs tante, die wij mevrouw Van Koorde hoorden noemen. Daarna gaven +wij ook neef eene hand, die door Bob aan ons werd voorgesteld als Piet +van Koorde. + +Met uw verlof, lieve neef, klonk het afgemeten uit den mond der tante, +mijn zoon heet Pieter, en geen Piet. Ik verzoek u wel, zijn naam voluit +te noemen. Ik houd niet van dergelijke afkortingen. + +Juist, tante, dat meende ik ook te zeggen: Pieter van Koorde. Neem me +niet kwalijk, als 't u belieft. + +Wij keken Bobs tante eens aan, en zagen dat zij eene buitengewoon +statige dame was, die zoo recht als eene kaars op haar stoel zat. Zij +scheen ons bijna te deftig toe, om zich te bewegen. En haar zoontje, die +evenals zij lang, bleek en mager was, geleek in alle opzichten op zijne +deftige moeder. + +Rechtop zitten, Pieter! Hoe dikwijls heb ik u dat al niet gezegd! +zeide mevrouw van Koorde, met een gestrengen blik op haar zoon. + +Ja, Mama! klonk het antwoord, en Pieter rekte zich nog langer uit, dan +hij al deed. + +Bob keek ons van ter zijde aan en knipoogde tegen ons met een leuk +gezicht, zoodat wij ons lachen bijna niet konden houden. + +Mijnheer de Wild merkte dat gelukkig op en kwam ons te hulp. + +Wel jongens, vroeg hij ons lachend, heb jelui gisterenavond ook in de +vischkaar van den schoenmaker gezeten, evenals Bob? + +Wij lachten nu eens ferm uit, en Karel zeide: + +Neen, mijnheer, -- dank u! Dat laten we aan Bob over. + +Plotseling klonk het uit den mond der tante: + +Maar broeder Marinus, hoe kunt ge nu toch uw zoon bij zulk een +vreeselijken naam laten noemen? Hij heet toch immers geen Bob, -- wat +ik afschuwelijk vind, maar Robert. + +Ja Tante, zei Bob, ik heet Robert Adrianus de Wild, maar de jongens +noemen mij altijd Wilden Bob. Vind u dat zoo'n leelijken naam? + +Rechtop zitten, Pieter! -- Wilden Bob! O, verschrikkelijk! 'k Wou niet +graag, dat mijn jongen zoo genoemd werd. Bob is al erg genoeg, maar +Wilde Bob! 't Is afschuwelijk, -- ik zou het niet dulden, broeder +Marinus! + +Wat zal ik er van zeggen? zei mijnheer de Wild met een licht +schouderophalen. De jongens noemen hem nu eenmaal zoo, en ik kan er +weinig aan veranderen. + +Zeg Bobbertje! viel Karel Holm in. Hoe beviel het je gisteren in die +vischkaar? + +Mevrouw van Koorde sloeg hare oogen van ontzetting ten hemel. + +Bobbertje! mompelde zij, Bobbertje! 't Wordt waarlijk nog erger! +Mijne ooren doen er pijn van. Zit toch rechtop, Pieter, en houd den mond +gesloten, zooals het behoort. + +Ja, Mama! zei Pieter, die onbeweeglijk op zijn stoel zat, met het +hoofd in volslagen rust boven zijn staand boortje. + +En wat praat ge toch van eene vischkaar? vroeg tante aan mevrouw de +Wild, die met een glimlachje naar het gesprek zat te luisteren. + +Och, Bob -- Robert wil ik zeggen, -- is gisteren bij het verstoppertje +spelen in eene vischkaar gekropen, die aan den kant van het water lag, +en toen is de schoenmaker gekomen en heeft hem in het water geworpen. + +Dat is eene beleediging van dien man, lieve, hernam Tante met +verontwaardiging. Ik zou dien man aanklagen bij het gerecht. Hoe durft +zoo'n schepsel zoo iets doen? Hoewel ik moet zeggen, dat het van Robert +ook eene vrij zonderlinge keuze was, om in eene vischkaar te kruipen. Ik +zou mijn jongen, als ik hier woonde, zoo maar niet met Jan en alleman +op de straat laten spelen. Niet waar, Pieter, jij houdt niet van +dergelijke spelletjes? + +Neen, Mama! + +En jij gaat liever met mij wandelen, niet waar? + +Veel liever, Mama! + +Tante keek met een triomfantelijken glimlach om zich heen. O, zij wist +het wel, dat haar Pieter een door en door fatsoenlijke jongen was. + +Ja, lieve, vervolgde zij tot hare schoonzuster, dat is nu +zijn liefste werk. En dan moest u eens zien, hoe lief hem zijn +glac-handschoentjes staan en hoe zwierig hij met zijn wandelstokje +zwaait. Toe Pieter, haal je rottinkje eens uit de porte-manteau en laat +hem eens zien. + +Ja, Mama! + +Pieter stond op en kwam weldra met zijn rotting terug, die nu natuurlijk +van hand tot hand ging, en door iedereen bewonderd werd, wat van zelf +spreekt. + +Hij zwiept lekker! zei Bob, die hem zoo krom mogelijk maakte en toen +plotseling aan den eenen kant losliet, wat het gevolg had, dat het losse +eindje met kracht tegen het linkerbeen van Pieter terecht kwam. 't Deed +hem zeker nog al pijn, want hij sprong wel een halven meter in de +hoogte, en riep: + +Au! Au! + +Excuseer! Excuseer! riep Bob, quasi ontsteld uit, want de deugniet had +het met voordacht gedaan. Dat spijt me, neef Pieter. Doet het erg +pijn? + +Au! Au! zei Pieter nog eens, terwijl hij het pijnlijke deel zonder +ophouden wreef. + +Ga zitten, Pieter! zeide mevrouw van Koorde. Neef Robert kon het niet +helpen, zegt hij immers. + +Bij die woorden keek zij neef Robert echter in het geheel niet +vriendelijk aan. + +Het zwiept veel erger, dan ik dacht, zei Bob. + +Het zweept, moet je zeggen, lieve neef! zei Tante. Zwiepen is geen +woord; dat zeggen koetsiers. + +Mijnheer de Wild vond het tijd een einde aan het gesprek te maken. +Misschien was hij wel bang, dat Bob nog meer dergelijke grappen zou +uithalen. Hij zeide daarom: + +'t Blijft maar regenen, jongens. Dat is jammer voor jelui, want nu heb +je huisarrest. + +Wat ik zeer goed acht, lieve broeder, zei Tante op haar deftigsten +toon. Ik zou niet graag zien, dat mijn Pieter hier ook met Jan en +alleman ging spelen en misschien eindelijk ook nog in eene vischkaar +kroop. 'k Heb liever, dat hij binnen blijft. + +Juist, dat bedoel ik ook. Zou jelui niet naar de speelkamer gaan? Daar +heb je allerlei speelgoed en een tal van boeken tot je dienst. + +Ja jongens, ga je me? vroeg Bob opstaande. + +Karel en ik volgden zijn voorbeeld, maar Pieter bleef zitten. Blijkbaar +wist hij niet, of zijne Mama het wel goedvond, of misschien wel ontbrak +hem de lust. + +Ga jij niet me? vroeg mijnheer de Wild, toen hij zag, dat hij bleef +zitten. + +Je moogt medegaan, Pieter, zeide zijne Mama met een genadig knikje. + +Jawel, Mama! + +Pieter stond op en volgde ons de trap op, naar Bobs kamer, waar Karel, +Bob en ik weldra als drie gekken over den vloer lagen te rollen, daarbij +schuddende van het lachen. + +Pieter stond ons in de grootste verbazing aan te staren. + +Waarom lach-jelui zoo? vroeg hij min of meer beleedigd. + +Om je mooie boordje! grinnikte Karel. + +En om je prachtigen wandelstok! lachte Bob. + +Omdat je er zoo aardig uitziet! zei ik. + +Jelui bent niet wijzer! zei Pieter. In de stad zijn wij natuurlijk +anders gekleed, dan hier op dit dorpje, en dat ook onze manieren fijner +zijn, dan hier, spreekt van zelf. Je moest eerder huilen dan lachen. + +Kan jij boksen? vroeg Bob, die plotseling voor zijn neef kwam staan, +en hem met zijne beide vuisten op zijne borst ging stompen. + +Au! Neen, -- boksen -- au -- kan ik niet. Au! -- Au! + +Dan zal ik het je leeren! Toe j, stomp terug, of jij krijgt alles +alleen. Z moet je doen! + +Au! -- Au! riep Pieter, die niet wist, waar hij zich bergen zou. +Houd-op, Robert, au! Ik doe -- au! -- jou immers -- au! -- ook niets! + +Neen, dat doe je juist niet, en dat is dom van je. Je moet terugboksen, +neef, of er blijft niets van je heel, zelfs je boordje niet! + +Houd maar op, Bobbertje, riep Karel zijn vriend toe. Zoo is er toch +geen aardigheid aan; hij verroert geen vin. Wat zullen we eens gaan +doen? + +Bob hield met boksen op. + +Een mooi spelletje? vroeg hij. 't Is jammer, dat het zoo regent, +anders konden we in den tuin om het hardst gaan loopen op onze stelten. +Maar nu weet ik niets. Wat wil jij graag doen, neef Pieter? + +Bob drukte vooral sterk op de laatste lettergreep. + +Je houdt me voor den gek, Robert, zei hij. + +Zeg jij maar gerust Bob, hoor! klonk het terug. Maar weet jij geen +mooi spelletje? + +Ik niet; wij spelen nooit. + +Zoo, -- zeg jongens, ik weet wat. Wacht maar even, dan zal ik je eens +laten zien, wat ik vanmorgen in eene oude kist op den zolder gevonden +heb. 't Is wat prachtigs! + +Wat dan? vroegen wij. + +Ja, wacht maar, -- dan zal ik het je laten zien. 't Is bepaald nog iets +uit den jongen tijd van Pa, want tegenwoordig doet hij er niet meer +aan. + +Bob ging naar de kast, waarin hij al zijne schatten bewaarde, en kwam +weldra te voorschijn met eene prachtige pijp. Deze bestond uit een +mooien kop, die het model had van een Turk, met een langen baard en een +breeden tulband, en daarin was een lange steel van bamboes gestoken. +'t Was werkelijk eene bijzonder mooie pijp, die indertijd stellig veel +geld moest gekost hebben. De steel bestond uit wel vijf deelen, die in +elkander geschroefd konden worden. Ik had nog nooit zoo'n lange pijp +gezien. + +Vind-je haar niet prachtig? riep hij ons toe, terwijl hij het mondstuk +tusschen de lippen nam en smakte als een oude smoker. + +Bijzonder mooi, Bob. Zou die van je Pa geweest zijn? + +Ik denk het wl, want Pa rookte vroeger eene pijp. Tegenwoordig niet +meer, omdat hij er niet goed tegen kan. Zeg, jongens, willen we eens +rooken? + +Bah, rooken! zei neef Pieter met een vies gezicht, waarop de diepste +minachting te lezen stond. Wat zou Mama wel zeggen, als zij het zag? + +Mama ziet het niet! zei Bob leuk. En als jij het niet verklapt, komt +niemand het te weten. Je bent toch geen klikspaan, hoop ik? + +Neen, -- klikken doe ik niet. + +Dat is de eerste deugd, die ik in je opmerk, zei Bob, met zijn bekend +knipoogje tegen ons. Willen we het doen, jongens? + +Heb-je tabak? vroeg ik. + +Dat zou ik meenen, -- een ons fijne tabak, van de fijnste, die ik +krijgen kon. Zie maar eens hier. + +Bob verdween weer in de kast en kwam met een zakje tabak terug, hetwelk +hij met een trotsch gebaar omhoog hield. + +Dat is portorico! zei Karel. Zwaardere tabak bestaat er niet. + +Best mogelijk, zei Bob, maar ze rookt uitstekend. Hij begon nu de +pijp te stoppen, wat hem nog ver van handig afging. Hij had er al zijne +aandacht en zijne beide handen voor noodig, en het duurde wel driemaal +zoo lang als noodig was. + +Zie zoo, zei hij, toen hij eindelijk klaar was, nu gaan we met ons +vieren op den vloer in een kring zitten, en rooken als Turksche pacha's. +Hier heb ik een doosje lucifers. + +Maar ik doe niet me, zei Pieter. Rooken is vergif en staat bovendien +in het geheel niet fatsoenlijk. + +Dan zullen wij het onfatsoenlijk doen, Pietje! zei Bob. Weet je, wat +jij intusschen wel kunt doen? + +Nu, wat dan? + +Wel, trek je glac-handschoentjes aan, neem je stokje in de hand en +wandel dan met een heel trotsch gezicht om ons heen. Dan ben jij de +heer en wij stellen de arme duivels voor, op wie jij dan uit de hoogte +neerziet. Dat kan prachtig worden. Kom Dorus en Karel, het spel gaat +beginnen. Wij nemen een lucifer, -- Bob voegde de daad bij het woord, +-- schrappen hem aan, -- en pmmm, pmmm, pmmm, wat drommel, die tabak +wil niet! Hoe kan dat nu wezen? Vanmorgen ging het zoo best. + +Laat mij eens probeeren! zei Karel. + +Bob gaf hem de pijp. + +Maar Karel, die er veel verstand van had, want als zijn Pa en zijne Moe +het niet zagen, rookte hij wel eens een cigaretje, -- Karel kon het ook +niet. + +De pijp zit verstopt. Je hebt er de tabak veel te vast ingedrukt, zei +hij. + +Dan moet ze er weer uit, zei Bob. + +Hij nam zijn mesje en maakte den kop weer leeg. Piet, die intusschen wat +rondgeloopen en ons met een schuin oog bespied had, kwam langzamerhand +wat naderbij en nam eindelijk ook in den kring plaats. + +Bob knikte hem goedkeurend toe, stopte de pijp opnieuw, schrapte +nogmaals een lucifer aan, en ha -- daar dwarrelden de rookwolken +omhoog. + +Wij staarden het bedrijf van onzen vriend Bob met bewondering aan, +hetgeen hij, geloof ik, zelf ook deed. + +Nu zijn we Indianen, die de vredespijp rooken! riep hij ons +opgetogen toe, want hij was in het gelukkige bezit van eene sterke +verbeeldingskracht. + +Ooah! riep hij uit. Wat wil mijn bleeke broeder? + +Bij die woorden keek hij neef Piet met groote oogen aan en blies +hem dichte rookwolken in het gelaat, zoodat de bleeke broeder begon +te hoesten en te proesten van belang. Nu was de gegeven naam op +Piet volkomen van toepassing, want hij had eene verbazend bleeke +gelaatskleur, iets wat van Karel of mij niet gezegd kon worden. Wij +hadden kleuren als boeien! + +Piet antwoordde niet op Bobs vraag, wat tengevolge had, dat hem eene +tweede groote rookwolk werd toegeblazen en het Indianen-opperhoofd hem +nogmaal toevoegde: + +Ooah! Waarom zwijgt mijn bleeke broeder? Wat wenscht hij? Mijn bleeke +broeder spreke! + +Kuche -- kuche -- kuche -- niets -- ik -- kuche ik wensch niemendal! -- +H, je doet me bijna stikken! riep Piet, terwijl hij met zijne beide +handen den rook van zich afweerde. + +Karel en ik gierden het uit van de pret. Doch Bob bleef onverstoorbaar +doorrooken. + +Ooah! zeide hij, mijn bleeke broeder is verstandig; hij is geen +klapachtige vrouw, die zijne geheimen verraadt. Mijn broeder is een +groot opperhoofd en een wijs man. Pffff! + +Bij dit pfff blies hij den armen Piet weer zulk eene geduchte rookwolk +toe, dat bijna niets meer van hem te zien was. Daarna reikte hij hem de +pijp toe en zeide op plechtigen toon: + +Dat mijn broeder de pijp des vredes rooke! + +Wat? -- Ik rooken? riep Piet verschrikt uit, maar toch keek hij de +pijp met begeerige blikken aan. O, neen, dat doe ik niet -- dat heb ik +nog nooit gedaan! + +Verlangt mijn broeder den strijd? riep Bob met woedende blikken uit, +terwijl hij de vuisten balde en ze zijn neef vlak onder den neus hield. + +Strijd? O neen, -- geen strijd! zei Piet, die nog aan de bokskunst van +Bob dacht. + +De Woeste Gier is een groot opperhoofd! zei Bob, op zichzelven +wijzende. Hij heeft vele scalpen en de jonge krijgslieden zingen zijn +lof. Hij wenscht met zijn bleeken broeder de vredespijp te rooken. + +Nogmaals hield hij Piet de pijp voor. Deze greep hem aan en -- rookte, +tot groot vermaak van ons alle drie, want wij begrepen heel goed, wat +Bob in zijn schild voerde. En al hadden wij het niet begrepen, dan zou +zijn geheimzinnig knipoogen het ons wel verraden hebben. + +Het scheen Piet, nu hij eenmaal aan den gang was, uitstekend te +bevallen, want hij dampte, dat het een lust was, om te zien. Hij werd nu +zelfs grappig, want hij blies Bob groote rookwolken in het gelaat en +zeide: + +Het bleeke opperhoofd groet zijn broeder den Woesten Gier, wiens +dapperheid over de geheele wereld bekend is. Het bleeke opperhoofd biedt +hem zijn vriendschap aan. + +Nu, dat viel ons mede van Piet. Wij hadden niet gedacht, dat hij zoo +goed mede kon doen. Wij knikten hem daarom goedkeurend toe, wat hem +blijkbaar niet onwelgevallig was, althans, hij begon nog veel sterker +te dampen, zoodat de kamer wel een rookhol geleek, en vervolgde: + +Wanneer keert mijn roode broeder naar zijne wigwam weder? + +En plotseling uit zijn rol vallende, zeide hij: + +Zeg Bob, dat rooken valt me bijzonder me. 't Gaat heel gemakkelijk, en +'t smaakt goed. Volstrekt niet erg bitter, zooals ik altijd dacht. + +Zoo, is 't waar? En wanneer wordt het onze beurt? vroeg Karel. Of ben +je van plan, de heele pijp leeg te rooken? + +Ik heb tabak genoeg, Karel, zei Bob. Als de pijp leeg is, stoppen we +haar weer, en dan kan-je zooveel rooken als je wilt. + +En plotseling zijne knien optrekkende en het hoofd daarop doende +rusten, vervolgde hij weer als Indianen-opperhoofd: + +Als de zon driemaal in de zee zal zijn neergedaald, zal de Woeste Gier +terugkeeren naar zijn wigwam; dan zullen de jonge krijgers hunne +oorlogsliederen zingen. + +Gaat mijn broeder ten strijde? vroeg Piet, steeds voortdampende. + +De bleeke mannen hebben onze jachtvelden betreden en hebben mijne roode +kinderen gedood! zei Bob somber. + +O, dat zij vreezen voor onze wraak! De roode mannen zijn dapper. Zij +vreezen den dood niet. + +Zeg Bob, zei Piet opeens, en zijne oogen stonden ver van vroolijk. Ik +geloof nooit, dat dit beste tabak is. Er komt zulk een vreemde smaak +aan. + +Malligheid! De tabak is wel goed, maar de rooker deugt niet. Je kunt er +niet tegen, neefje, denk ik. + +Of ik! zei Piet, die weer dapper begon te trekken, en nogmaals ons +allen de rookwolken in het gelaat blies. Maar spoedig hield hij er mede +op. + +Ah bah! zeide hij, terwijl hij de pijp met alle teekenen van afkeer +neerwierp. Wat smaakt dat leelijk! + +En eerst vond je het zoo lekker? zei Karel lachend. + +Eerst, -- o ja, maar 't wordt hoe langer hoe leelijker. Bah, wat word +ik akelig. + +Piet stond op en begon onrustig door de kamer te loopen. Hij was nu in +den volsten zin van het woord een bleekgezicht, want hij had geen kleur +meer op zijn gelaat. En wat stonden zijne oogen flets! + +Voortdurend hoorden wij hem diepe zuchten slaken. Blijkbaar werd hij +meer en meer onpasselijk. Nu moet ik eerlijk zeggen, dat wij niet veel +medelijden met hem hadden, en dat wij hem geducht voor den gek hielden. + +Wat doet mijn bleeke broeder vreemd! zei Bob plagend. Zoekt mijn +bleeke broeder iets? + +Hij zoekt eene pijp! zei Karel. Hij wenscht de vredespijp te rooken. + +Loop rond! zei Piet nijdig, als jelui voeldet, wat ik voel, hier -- +in mijne maag, dan zou je zoo grappig niet zijn. Ah bah, wat word ik +misselijk! + +Pas dan op je schoone boordje, Pieter, was de vriendelijke raad van +Bob, die de pijp opnieuw stopte, en haar aan Karel en mij gaf, opdat ook +wij gelegenheid zouden hebben, er van te genieten. + +Trek je handschoenen aan, Pieter, en neem je rotting in de hand, dan +maak je een prachtig figuur, zei Karel dampende. + +O, -- wat ben ik ziek, zuchtte Pieter, die onrustig de kamer op- en +neerliep. Die ellendige tabak! Ik wou, dat ik ze nooit gezien had. + +'t Smaakt heerlijk! zei Karel, groote rookwolken uitblazende. + +Dat schijnt wel, zei ik. Wanneer kom ik nu aan de beurt? + +Asjeblieft, hier heb je haar. Je moet flink doortrekken, Dorus, dan +gaat het 't best. + +Dien raad volgde ik getrouw op, en Bob en Karel knikten mij goedkeurend +toe. + +Je doet het best, zei Bob. Echt lekker, h? + +Ja, -- maar een beetje bitter, merkte ik op. Eigenlijk vond ik het +afschuwelijk, maar wijl mijne kameraden het zoo heerlijk vonden, ontbrak +mij de moed, om dat te bekennen. Dus rookte ik dapper voort. + +Toch speet het mij niets, toen Bob zeide: + +Nu ben ik weer aan de beurt! + +Ik reikte hem de pijp over, en weldra dampte mijn vriend als een +fabrieksschoorsteen. + +Wel neef Pieter, vroeg hij, hoe gaat het je nu? + +Ik ga dood, -- ik ben doodziek. O, -- ach, -- h -- wat ben ik +ellendig. + +Jongetjes als jij moeten ook niet rooken, spotte Bob. + +En wat zit je krom, Pieter. Rechtop zitten, mijn jongen. + +Wat hadden wij eene pret om de benauwde gezichten, die Pieter trok. Wij +schaterden soms van 't lachen. + +Hier, Karel, jou beurt! zei Bob opeens, veel spoediger dan wij +dachten. En het scheen mij toe, of hij een klein weinigje bleek werd. + +Neen, Bob, zei Karel, dat is te vroeg. Ga gerust je gang nog een +poosje. + +Pak aan, zei Bob kortaf. 't Is eerlijk jou beurt. + +O, -- ik weet geen raad! zuchtte Pieter. Als Mama nu toch eens hier +kwam. + +Pak aan, Karel, 't is jou beurt, herhaalde Bob, daar Karel er +edelmoedig op bleef aandringen, dat Bob nog een poosje genieten zou. + +Schoorvoetend nam Karel de pijp aan, en rookte, maar och, hij trok lang +zoo hard niet meer als eenige oogenblikken geleden, en hij zag er in het +geheel niet opgewekt uit. + +Opeens ging mij een licht op. Bob en Karel hadden, evenals neef Pieter, +te veel gerookt en begonnen er de gevolgen van te ondervinden. + +Nu jij weer, Dorus, zei Karel op zijn gulsten toon, terwijl hij mij de +pijp toereikte, maar och, wat begon hij bleek te zien. + +Die zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht, zegt het +spreekwoord, zei ik leuk. Als ik mij niet bedrieg, hebben Karel en Bob +een even naar gevoel in hunne maag als neef Pieter, en daar ik mij nog +heel lekker bevind, zal ik zoo vrij zijn, mijne beurt te laten +voorbijgaan. Ha-ha-ha-, nu wordt de zaak bepaald grappig. + +Ook ziek? vroeg Pieter met een zuur-zoeten glimlach. Dat doet me +pleizier. Wil jij nu mijne handschoenen te leen, Bob, dan kan Karel mijn +rotting krijgen. + +Dank je! zei Bob. Bah, wat word ik draaierig.. + +Ik ook! zuchtte Karel. Ik ben -- ik voel me erg onpasselijk. Ik ga +naar buiten. + +Dan ga ik me, zuchtte Bob. O foei, wat is het hier benauwd. + +Naar buiten? Ik ga ook, zei Pieter. Hier weet ik me geen raad. + +Dan zal ik jelui gezelschap houden, zei ik lachend, want daar ik +minder gerookt had dan de anderen, was ik vrij wel in orde. En och, wat +had ik een pret over Bob, die zoo mooi een kuil gegraven had voor neef +Pieter, en geindigd was, met er zelf in te vallen. + +'t Regende nog, dat het goot, dus moesten wij onze toevlucht nemen tot +het priel, wat wij ook deden. Maar nauwelijks hadden mijn drie vrienden +zich van benauwdheid op de banken uitgestrekt, waar zij lagen te zuchten +en te stenen, om zelfs een bevroren hart te doen smelten, -- o heden, +daar kwam mevrouw van Koorde aan, die eens kwam zien, wat haar zoontje +uitvoerde. + +Wel Pieter, klonk het streng uit haar mond, wat lig je daar +onbehoorlijk op die bank. Ga recht-op zitten, dadelijk! + +Pieter gehoorzaamde. + +Maar kind, wat zie je doodsbleek! Scheelt er iets aan? + +Ja Mama! -- ik ben ziek, och, toch zoo ziek! + +En jij ook, Karel, en jij Robert, je ziet allen doodsbleek! Je hebt +toch niets gegeten, dat verkeerd was? + +Neen tante, heusch niet! Pfff, wat ben ik benauwd! + +Goede hemel! Hier moet iets gebeurd zijn, iets vreeselijks. De dokter +moet komen, dadelijk, vr het te laat is. Pieter, mijn lieveling, wordt +het iets beter? + +Neen Mama, nog niets. 't Wordt nog veel erger! + +Mevrouw ijlde naar binnen, maar weldra kwam zij terug, gevolgd door +mevrouw en mijnheer de Wild. + +Wat is hier aan de hand, Bob? vroeg de laatste. De volle waarheid, +hoor jongen, zooals ik dat van je gewoon ben. + +Ja, Bob, spoedig, spreek, eer het te laat is! zei zijne Moe, wie ook +de angst op het gelaat te lezen stond. + +Pa, -- wij hebben -- de vredespijp gerookt, zei Bob. Pfff, wat ben ik +ziek. + +Mijnheer de Wild begon onbedaarlijk te lachen. + +Gerookt? De vredespijp gerookt? Ha-ha-ha! Dat is vermakelijk! Je wist +toch, dat je niet rooken mocht? Mooi zoo, 't kon niet beter. Die pijp, +die vredespijp heeft je mooi te pakken. Dat ding past zelf de straf toe, +die bij het misdrijf behoort. 't Is niets, vrouw, en beste zuster, maak +je ook maar niet ongerust, 't zal van zelf wel beter worden! Ha-ha-ha! +'t Is meer dan grappig! + +Foei, Pieter, foei zei zijne Mama, hoe kon je je zelven zoozeer +verlagen, om te gaan rooken? Je moest je schamen! + +Ja Mama! zei Pieter met een diepen zucht. + +Kom, kom! sprak mijnheer de Wild. Zij hebben straf genoeg. Heusch, +vooreerst zullen zij die vredespijp wel met vrede laten. Kom, laten we +naar binnen gaan. + +Karel Holm stond ook op. + +Ik ga naar huis, zei hij, toen de familie weg was. + +Adieu! Tot morgen! + +En ik -- ik ga naar bed! zei Pieter. Ik ben doodziek. + +En wat doet de Woeste Gier? vroeg ik plagend aan Bob. + +Loop naar de Mookerheide! duwde Bob mij toe. + +Dank je, dan ga ik liever naar huis, was mijn antwoord. + +Zoo gingen wij ieder onzes weegs. + +Maar pret had ik, dat moet ik zeggen. + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + Hoe ons viertal uit zwemmen ging en doornat thuiskwam. + Een vechtpartijtje en eene vreeselijke spookgeschiedenis. + + +Een paar dagen later liep ik na schooltijd op mijne stelten door het +dorp, toen ik Karel Holm ontmoette, die ook zijne houten onderdanen bij +zich had. Samen gingen wij Bob afhalen, die, zooals hij dat noemde, nog +altoos met neef Pieter opgescheept zat. + +Kom je niet spelen? vroegen we. + +Spelen, -- dat mag Pieter niet; zijne Mama wil het niet hebben. Maar +hij mag wel wandelen. + +Nu, laten we dan gaan wandelen, zei ik. + +Ja, dat is goed, merkte Karel op, maar zeg, Pieter, dan moet je je +rotting thuislaten, hoor. Anders ga ik niet me! + +Dat vond Pieter goed, en daar hij geen stelten had, besloten wij, de +onze ook maar bij Bob te laten en te voet onze reis door het leven te +vervolgen. + +Maar dat wandelen begon ons al spoedig te vervelen, en Karel zeide: + +Zeg jongens, -- ik weet wat. Laten we gaan zwemmen. 't Is mooi weer, +warm zelfs, al is het nog vroeg in het jaar (we schreven, zooals ik +zeide, begin Juni), en een bad zal ons goed doen. + +Best, zei ik. Waar gaan we het doen? + +Bij de hut, achter in het land, zei Bob. Daar gaan we immers altijd! + +Afgesproken! zei Karel. Dezen kant op, jongens. + +Dat is te zeggen, zei Pieter, zwemmen kan ik niet, en ik weet niet, +of Mama het wel hebben wil. + +Ga het dan eerst vragen, raadde Karel aan. + +Neen, Pieter, niet vragen! zei Bob. Ik zou in jou geval maar niet +gaan zwemmen en toeschouwer blijven. + +Ja, dat is ook goed, zei Pieter, die al niet zoo vervelend meer was +als eerst. Hij was bij Bob onder goede leiding. + +Wij gingen dus naar de ons bekende plaats achter in het land. Een smal +pad voerde daarheen. 't Was er zeer eenzaam, want er stond slechts eene +enkele hut, die bewoond werd door een arbeidersgezin, bestaande uit man, +vrouw en drie jongens. 't Was eene zeer onzindelijke familie, en de +jongens zagen er altoos z vuil uit, dat niemand met hen spelen wilde. +Zij kwamen zeer ongeregeld ter school, soms kwamen zij zelfs wel in geen +maand. Tengevolge daarvan waren zij natuurlijk zeer achterlijk, wat +hunne vorderingen betrof. Op het schoolplein beleefden zij ook niet +veel genoegen, want zij werden door ons allen voor den gek gehouden en +geplaagd, zoodat er dikwijls vechtpartijen tusschen de andere jongens en +hen ontstonden. Wij leefden altoos met hen op den voet van oorlog. + +Toen wij nu de hut voorbijliepen zagen wij de jongens van Visbeen, zoo +heetten zij, achter in hun tuin spelen, en zij zagen ons ook, maar zij +lieten ons ongemoeid voorbijgaan. Trouwens, dat was hun ook geraden, +want wij waren met ons vieren tegen hen met hun drien. Zij liepen dus +veel kans, het onderspit te moeten delven. + +Een paar minuten verder lag de beek, waar wij in den zomer gewoon waren +ons bad te nemen. + +Karel, Bob en ik begonnen ons te ontkleeden, wat ons maar een minimum +van tijd kostte, en sprongen toen vlug te water. Diep was het er niet, +want het water kwam ons niet hooger dan de borst, zelfs op de diepste +plaats. + +Neef Pieter zat aan den oever naast onze kleren, en volgde met +belangstelling onze evolutin in het natte element. Die waren inderdaad +ook wel bezienswaardig. Wij hoosden elkander met water, dat er geen +haartje van ons droog bleef, of wij sloegen met onze vlakke handen zoo +geweldig op watervlak, dat de droppels hoog boven onze hoofden spatten. +Dan weer deden we krijgertje, en hadden nooit grooter pret, dan als wij +een ander bij de beenen konden pakken, waarvan het stevaste gevolg was, +dat hij voor-over kopje-onder gedompeld werd. Soms sprong Bob op mijn +rug en klauterde Karel op dien van Bob, wat een heel vrachtje was, dat +kan ik verzekeren. Ik was dan het fundament, waarop het geheele gebouw +rustte, zei Karel dan, wiens vader architect was. Maar o j, als dan +het fundament instortte! Dan zonk het geheele gebouw onder water en +kwamen wij alle drie even later weer hoestende en proestende boven. + +Wat gaat dat heerlijk! riep Pieter ons toe, terwijl hij opstond en +zich van zijne kleren begon te ontdoen. Ik kom er ook in; hier verveel +ik me, en 't schijnt me z prettig toe. Jelui komt er toch nog niet +uit? + +O neen, zei Bob, terwijl hij met eene behendige beweging Karels voet +greep en hem eene duikeling liet maken, nog lang niet, Pieter, kom er +maar bij! Er is nog ruimte genoeg hier, en water ook. + +Het duurde dan ook maar kort, of Pieter stapte met zijn rechterbeen in +het water, en hij deed het angstvallig genoeg, om ons te doen zien, dat +het voor hem een zeer ongewoon werk was. + +H, zei hij, zijn voet weer schielijk terugtrekkende, wat is dat +koud! + +O j, stap er maar flink in, des te spoediger is dat voorbij. Wij +voelen geene koude meer, nietwaar, jongens? + +Geen sprake van! klonk ons antwoord. Stap er maar in, Pietje. Heusch, +het zal je mevallen. + +Maar 't is zoo koud, zei Piet weifelend. + +Niet zoo koud, als ongekleed aan den oever te staan, zei Bob. Maar je +moet het zelf weten, hoor. + +Pieter stak opnieuw zijn voet in het water, en toen eenmaal zijn eene +been tot aan de knie verdwenen was, volgde schoorvoetend zijn andere. + +Brrr, zei hij. Wat is het koud. + +Hij beefde inderdaad over zijn geheele lichaam. + +Karel en Bob besloten aan zijn weifelen een kort einde te maken. Snel +liepen zij op hem toe en grepen hem, vr hij de vlucht had kunnen +nemen, ieder bij een arm. Toen werd hij met geweld megetrokken. + +Brrr -- h -- h -- h -- brrr! rilde hij. Lh-ha-ha-haat me lho-hos! +zei hij smeekend. Ik verdrink! + +Geen nood, Pieter, we zullen je wel vasthouden, zei Bob. En toen zij +midden in de beek waren, vervolgde hij tot Karel, met een geheimzinnig +knipoogje: + +Nu moet hij gedoopt worden, Karel. En, twee -- drie, daar gaat +Pieter! + +O nh -- he -- heen! Niet onder-dompelen! smeekte Piet. Maar dat baatte +hem niet. Door vier sterke armen aangegrepen, dook hij plotseling +kopje-onder. En nauwelijks kwam zijn hoofd als een natte poedel weer +boven water, of daar ging hij voor de tweede maal, nog vr hij +gelegenheid had gehad, een enkel woord te uiten. + +Driemaal is scheepsrecht! riep Bob. + +En daar ging Pietje voor de derde maal. + +Zie zoo, dat zal hem goed doen, zei Bob. Nu ben-je hier burger +geworden, Pietje! + +Brrr -- pfff -- o -- wat -- nat! Brrr! Pfff! kermde Piet, die nu zijne +vrijheid terug kreeg en hulpeloos midden in de beek bleef staan. Hij +durfde zich blijkbaar niet bewegen en gevoelde zich te midden van +zooveel vloeistof in het geheel niet op zijn gemak. + +Dat duurde echter maar kort, want wij ontzagen hem niet. Pof, daar +werden hem door Karel, die ongemerkt onder water naar hem toegeloopen +was, plotseling de beide beenen onder het lichaam weggetrokken, en +verdween Piet, zonder een kik te geven en volgens mijne vaste +overtuiging zonder het zelf te weten, totaal onder water. + +Wat was dat? Brrr, pfff! Wat was dat? vroeg hij ontsteld. Er trok me +iets aan de beenen! + +'k Weet het niet! zei Karel, die zich al weer een heel eind verder +bevond. + +Wat kan dat toch geweest..... + +O h, daar verdween Piet alweer! Nu had Bob hem denzelfden dienst +bewezen. Och, och, wat moesten wij toch lachen. Maar nu begon Pietje +toch te begrijpen, dat wij een loopje met hem namen. Hij vroeg niets +meer, maar begon zich langzaam te bewegen. En nu hij bemerkte, dat hij +dit zeer gemakkelijk kon doen, kreeg hij er zelfs schik in. Nu duurde +het nog maar kort, of hij danste in het water van pleizier. + +Wat is men licht in het water, zoo licht als een vertje, zei hij. 'k +Vind het hier heerlijk. + +Krijgertje doen? vroeg ik. + +Ja wel, ik ben hem! zei Bob. + +Nu werd het een loopen, draven en zwemmen, van wat ben je me! De golven +liepen hoog tegen den wal op, zooveel drukte maakten we. En in het vuur +van ons spel verwijderden we ons veel verder van onze kleeren, dan +voorzichtig genoemd mocht worden. Trouwens, we dachten aan geen gevaar +en allerminst aan de Visbeentjes, met wie wij toch steeds op een +vijandigen voet stonden. + +Wij dachten pas aan hen, toen wij hen aan den oever zagen verschijnen, +-- maar toen was het laat. + +Gooi in het water -- die kleeren! hoorden wij een van hen zeggen. + +Durf je niet? vroeg een ander. Ik wl! + +En dan graszoden er bovenop, dan zinken ze! zei de derde met een +grijnslach. Maar vlug dan, want ze komen al terug! + +Ja, dat deden we juist, en wel zoo snel als we konden, want we begrepen +zeer goed, welk gevaar ons dreigde. Die jongens waren tot alles in +staat. + +Bob meende ze nog angst aan te jagen, door hen te bedreigen met alles, +wat onpleizierig is, of althans ze daardoor een oogenblik op te houden, +ten einde tijd te winnen. + +Als je 't hart hebt, om onze kleren aan te raken! riep hij hun toe. +Wacht je dan voor de gevolgen! + +Maar zij waren onvermurwbaar. + +Met eene vlugge beweging werden al onze kleeren in het water geworpen en +groote graszoden daarop gegooid, om ze te doen zinken. + +In een oogenblik waren Bob, Karel en ik op den wal, om ons zoo mogelijk +te wreken, maar helaas, tot onze groote spijt zetten de plaaggeesten het +op een loopen en brachten zich in hun huis in veiligheid. Wat waren wij +kwaad! + +Als ik ze in handen krijg, wrijf ik ze tot mosterd! + +Dan gooi ik ze te water met kleren en al aan! voorspelde Karel. Die +apen! + +Waren het maar apen! zei ik. Dan konden wij ze naar Artis sturen en +dan hadden wij er geen last aan. 't Is eene mooie geschiedenis: al ons +goed is door- en doornat. Wat moeten we nu doen? + +En wat zal Mama wel zeggen, kreunde Pieter, die niet zwemmen mocht. +Wij hadden daar geen zorg over, want wij hadden permissie. Al mijne +kleeren zijn gezonken! Wat moet ik nu beginnen? + +Ze opvisschen, j, zei Bob. Dat is het eenige, wat ons overschiet. + +En dan? + +Ze aantrekken! + +Maar ze zijn slijknat! steende Pieter, wien het huilen nader stond dan +het lachen. + +Wij stapten in het water en begonnen onze eigendommen op te duiken. + +Hier heb ik mijn hemd al vast! zei ik, met iets wits boven de +oppervlakte verschijnende. + +Dat zou je wel willen, zei Bob grinnekend. 't Is het mijne, Kareltje. +Hier heb ik een borstrok! Van wien is die? Van mij is hij niet, dat zie +ik wel. + +O, 't is de mijne, snikte Pieter, die hoe langer hoe bedroefder werd. + +Leg hem maar op den kant, zei Bob. + +Ik heb twee schoenen! riep Karel. + +En ik eene kous! juichte ik. + +Gooi alles maar op een hoop, zei Bob, dan kunnen we het straks wel +sorteeren. + +Eene broek! + +Nog eene! + +En eene blouse! Weer twee schoenen! + +Hier is een hemd! + +Al dergelijke kreten wisselden elkander af. Over het geheel bekeken +wij de zaak nog al van den vroolijken kant. Trouwens, het was ook onze +schuld niet, en wij zouden er stellig geen straf voor oploopen. Alleen +Pieter kon er het vroolijke niet van inzien. De tranen liepen hem +eindelijk langs de wangen, en hij stond aan den oever te midden van onze +natte kleeren, als het beeld der wanhoop. + +Och, och, wat moet ik toch beginnen? jammerde hij. Was ik maar niet +met jelui megegaan en had ik maar niet gezwommen! + +Kom Pietje, zeur nu niet, asjeblieft, want daar komen we niet verder +me. Help liever de kleren uitzoeken, want alles ligt door elkaar. + +En moeten we dat nu zoo nat en wel aantrekken? vroeg Piet op +schreinden toon, terwijl hij zijn flanellen hemd tusschen vinger en +duim omhoog hield, om ons te doen zien, hoe het water er uitdroop. + +We zullen je wel helpen, wacht maar even. Kijk, neem jij nu het +ondereinde, dan zal ik den anderen kant nemen, zei Bob, die medelijden +met hem begon te krijgen. Mooi zoo, nu draai jij van links naar rechts +en ik in de tegenovergestelde richting. Ferm zoo, -- toe maar, zoo stijf +als je kunt. Zie je, zoo wringen wij er al het water uit, tot er bijna +geen droppeltje inblijft. + +Dat is een goed voorbeeld, Karel! zei ik. Laten wij het ook doen. +Droog worden onze kleeren er wel niet door, maar het meeste water raken +wij er toch door kwijt. + +Accoord, Dorus! zei Karel. Ik ben tot je dienst. Hier heb ik eene +pantalon. Pak aan, jij de pijpen en ik het boveneinde. En nu -- draaien +maar. Ha, wat loopt dat water er uit! Toe maar, Dorus, draaien, draaien, +zoo hard je kunt. Zoo gaat het goed! + +Jammer, dat we geen mangel hebben! riep Bob. + +Of een strijkijzer! zei ik. + +Dat hindert niet! zei Karel. Als het maar droog wordt! + +Ja, -- zoo droog, dat Mama er niets van merkt! + +Neen Piet, daar behoef je niet op te rekenen, hoor. Of je moet je een +paar uren te bleeken leggen! + +Nu de kousen! zei ik, toen we de pantalon weer in haar fatsoen +gebracht hadden, althans voor zoover ons mogelijk was. + +Zoo kreeg elk kleedingstuk eene beurt, en ten laatste waren we zoover +gevorderd, dat we ons weer konden aankleeden. Brrr, wat was dat natte +goed koud! Piet had het er 't kwaadst mede. Hij rilde, dat de Visbeenen +hem bij de hut wel hooren konden, en die akelige jongens stonden ons in +den tuin nog uit te lachen op den koop toe. + +Hoe wou ik, dat ik ze eens te pakken kon krijgen, zei Bob met gebalde +vuisten. Wat zou ik ze trakteeren! + +En ik! riepen Karel en ik. Niets liever dan dat! + +Kom jongens, zijn we klaar? Laten we dan gaan! zei Bob. + +Ja, zei Karel, -- en we moeten hard loopen, om warm te worden. Ik ben +door en door koud! + +Uitstekend! Vooruit, -- daar gaan we! + +Ja, daar gingen we, zoo hard we konden. Eerst was het wel een zeer +onaangenaam gevoel, al die natte kleren, maar daar was nu eenmaal niets +aan te veranderen. + +In gestrekten draf, en zonder de hut en hare bewoners met een enkelen +blik te verwaardigen, keerden we huiswaarts, door en door boos op de +laffe jongens, die ons deze poets gespeeld hadden. Wij vonden het eene +verbazend flauwe aardigheid, waartoe wij ons nooit zouden geleend +hebben. + +Plotseling hoorden wij een luid gejuich achter ons, dat aangeheven +werd door de Visbeentjes, en weldra bemerkten wij, dat we door hen +achtervolgd werden. Ook scholden zij ons uit, voor alles wat leelijk +was, wat wij ook nooit deden. Schelden vonden wij een kinderachtig +vermaak, waarboven wij ons verheven achtten. + +Uit een en ander maakten wij op, dat de Visbeenen aan onzen snellen +aftocht eene geheel verkeerde uitlegging gaven. Blijkbaar verkeerden zij +in den waan, dat wij bang voor hen waren en daarom overijld het hazenpad +kozen. + +Ik geloof, dat zij ons achtervolgen! zei ik. + +Hoor ze eens schelden, die dappere Visbeenen! smaalde Karel, die erg +boos op hen was. + +Au! zei Piet, zich haastig bukkende, daar krijg ik een steen op mijn +hoofd! Ze gooien! + +Laat ze hun gang maar gaan! raadde Bob aan. Ze schijnen te meenen, +dat wij bang voor hen zijn. Niet te hard loopen, jongens, opdat ze wat +naderbij komen. Als ze dan dicht genoeg bij ons zijn, draain we ons +eenklaps om, en geven hun de straf, die hun eerlijk toekomt. + +Die raad was goud waard. Wij namen den schijn aan, alsof we bang waren +en aan onze vervolgers trachtten te ontkomen, die daardoor hun moed +voelden wassen en niet ophielden met schelden en gooien. + +Nog eventjes! zei Bob. Ik zal tot drie tellen, hoor. Bij den derden +tel keeren we ons eensklaps om en overvallen hen. Wat zullen ze vreemd +opkijken. Nu, -- daar gaat hij! + +Een! + +Bob wachtte een oogenblik. + +Twee! + +Wij hielden onze vaart wat in, en waren gereed om te zwenken. + +Drie! Valt aan! + +Eensklaps maakten wij rechtsomkeert en ijlden onze vervolgers tegemoet, +die iets dergelijks in het geheel niet verwacht hadden en ons bijna in +de armen vlogen. Wat was dat een leuk gezicht. + +O, wat hadden zij nu graag den dans willen ontspringen, en wat deden zij +daartoe hun best, -- maar 't was te laat. + +In minder dan geen tijd hadden Bob, Karel en ik ieder een van de +vijanden te pakken, terwijl Pieter toeschouwer bleef en niet ophield, +ons aan te moedigen. Dat laatste was echter niet noodig, want wij waren +boos genoeg, om hen niet te ontzien. Och, och, wat hebben we die jongens +toen een zeldzaam pak slaag gegeven. Nu, ze hadden het dubbel en dwars +verdiend. Telkens probeerden zij om te ontvluchten, maar dat ging +niet. Wij sloegen hen links en rechts om de ooren, zoodat zij het +uitschreeuwden van pijn en angst. + +Dr! Dr! riep Bob bij elke versnapering, die hij zijn vijand +toediende. Als je nog meer wilt hebben, moet je het maar zeggen. Ik heb +eene gulle bui vandaag! + +Eindelijk gelukte het aan twee van de drie aan onze handen te +ontsnappen en hun heil in de vlucht te zoeken. Maar de derde kwam +er het allerslechtst af. Eerst had Karel hem een geducht pak slaag +gegeven, zoo erg, dat de jeugdige Visbeen er de sterretjes van voor de +oogen kreeg, en toen pakte Karel hem met zijne krachtige armen beet en +wierp hem pardoes in eene sloot, die langs het landpad liep. Het gaf +een plomp van belang en het water spatte ons om de ooren. Karel had +gedurende de geheele afstraffing geen woord gesproken, maar toen zijn +vijand weer met zijn hoofd boven den kant van den sloot uitkwam, +knikte hij hem vriendelijk toe, en zeide tot hem: + +Dat had ik je in mijne gedachten beloofd, weet je? + +H, 't spijt me, dat ik het ook niet gedaan heb! zei Bob. + +Schreeuwende ging de jongen naar zijn huis, en wij vervolgden onzen +tocht. Wij waren van dat vechtpartijtje heerlijk warm geworden en waren +zeer tevreden over onszelven. + +Daar hebben we ze lekker te pakken gehad! lachte Bob. + +Ze hadden het dubbel verdiend! sprak Karel. Ik denk, dat ze ons +voortaan wel met rust zullen laten, als we weer gaan zwemmen. + +Dat zullen ze ongetwijfeld! meende ik. + +Wij waren nu het dorp genaderd en sloegen na een korten groet ieder +den weg in naar onze woning. Daar Bob, Karel en ik van onze ouders +toestemming hadden om in de beek te gaan zwemmen, behoefden wij niet te +vreezen, dat wij straf zouden krijgen. Eerst had het wel eenige moeite +gekost, om die toestemming te verwerven, maar nadat Pa de bewuste plaats +zelf onderzocht had en tot de slotsom gekomen was, dat daar geen gevaar +te vreezen was, hadden wij het gevraagde verlof verkregen. Voor Pieter +evenwel was de zaak veel erger, want zijne Mama was vreeselijk bang voor +dergelijke vermaken en bovendien -- hij had het gedaan, zonder verlof te +vragen, iets, wat wij nooit deden. + +'t Was dus geen wonder, dat zijne Mama zeer boos was, en hem tot straf +dadelijk naar bed zond. Bovendien mocht hij den volgenden avond niet +naar buiten, tot groote ergernis van Bob, die nu ook verplicht was, +thuis te blijven. Nu hadden Karel en ik wel naar hen kunnen gaan, maar +-- wij werden niet toegelaten. Bob en Pieter moesten dus elkander maar +zien te troosten. Dat deed Bob dan ook op eene heel vreemde manier. Daar +hij gemerkt had, dat Pieter 's avonds in het donker nog al bang was, +maakte Bob zich meester van een zwavelstok en ging daarmede naar de +slaapkamer van Pieter. Daar teekende hij met het gezwavelde einde, +juist op eene plaats, waar Pieter het wel moest zien, een groot +doodshoofd op het behangsel. Zoolang het licht was, bleef dat +vriendelijke beeld onzichtbaar, maar in het donker grijnsde het den +toeschouwer allerakeligst aan. + +Bob stelde zich daar heel wat genoegen van voor, en vond het alleen maar +jammer, dat Karel en ik niets van die grap zouden genieten. + +Den geheelen avond vermaakten hij en Pieter zich samen in den tuin. Nu +eens tolden zij, of waren zij aan het knikkeren, dan weer vingen zij +vlinders, of trachtten zich meester te maken van de weinige meikevers, +die al te voorschijn waren gekomen. + +Pieter had die diertjes nog nooit gezien en stelde zich voor, er in +Amsterdam veel genoegen van te kunnen beleven, als hij ze daar had. Wie +weet, hoe 'n voordeeligen handel hij misschien nog wel in dat artikel +zou kunnen drijven, want hij twijfelde niet, of al zijne schoolkennissen +zouden er graag een willen hebben. + +Zeg Bob, zou je er mij eenige willen zenden, als ik weer thuis ben? Je +zoudt me daar een bijzonder groot genoegen mede doen. + +Meikevers zenden? vroeg Bob, met eene ondeugende flikkering in zijne +oogen, want hij dacht er aan, welk een vreeselijken afkeer zijne deftige +Tante van die onschuldige diertjes had. Aan jou? + +Ja, aan mij. Ik zou er graag eenige van je hebben, als 't mogelijk is. + +'k Beloof het je, hoor! Je kunt er op rekenen. Ik zal ze je sturen met +den looper. Die gaat toch elken Zaterdag naar Amsterdam, dan komt het +niet zoo duur. Voor een dubbeltje of drie stuivers heb-je ze thuis. + +Dat is dan afgesproken, zei Pieter. + +Eindelijk begon de avond te vallen en werd het tijd om naar binnen te +gaan. En na nog een poosje in de huiskamer te hebben vertoefd, gingen +zij naar bed. Hunne slaapkamers lagen naast elkander, en de ledikanten +waren slechts door een houten beschot gescheiden. + +Eerst maakten zij nog wat grappen op Pieters slaapkamer, omdat daar +licht aangestoken was. Bob ging zomers altijd in donker naar bed. + +Zeg Pietje, willen wij nog eens eene pijp rooken? vroeg Bob lachend. +Ik heb nog wel tabak. + +Dank je hartelijk, zei Piet met alle teekenen van den grootsten +afkeer. Die eerste pijp zal ik niet licht vergeten. Och, och, als ik er +aan denk, word ik nu nog ziek. + +Wel te rusten dan! zei Bob. + +Slaap lekker! was Pieters wensch. + +Bob lag spoedig in bed, afwachtende de dingen, die komen zouden. +Eindelijk hoorde hij in de andere kamer beweging aan de lamp, want het +was erg gehoorig, en daarna het kraken van Pieters ledikant. + +Het bleef geruimen tijd stil. Zou Piet het doodshoofd misschien niet +zien? Maar neen, dat kon niet; als hij zijne oogen open had, mst hij +het zien. Doch wellicht had hij zijne oogen gesloten, en dan kwam er +van de grap niets. Opeens hoorde hij het ledikant van Pieter weer zacht +kraken. Hij hoorde ook, hoe zijn neef zich langzaam, uiterst langzaam +oprichtte in bed. In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de +oogen stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld, en hij lag te +schudden in zijn bed van 't lachen. + +[Illustration: In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen +stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag.127).] + +Hoor, daar werd zacht, bijna onhoorbaar tegen het schot getikt. Hij +tikte zacht terug. + +Bob! werd er gefluisterd. Bob! + +Wat is er? riep Bob tamelijk luid terug. + +Ssss! -- Ssss! -- 't Is hier niet -- in orde, Bob! hoorde hij Piet +fluisteren. + +Dieven? vroeg Bob terug. + +Neen -- erger, Bob. Een -- spook. + +Kom dan hier! zei Bob zacht. Wat zie je? + +Een gloeiend doodshoofd! Hu -- zoo akelig. Ik durf niet, Bob. Kom jij +hier! + +Dank je! zei Bob. Ik blijf liever hier! + +'t Werd weer stil in Pieters kamer. + +Maar die stilte duurde niet lang. Bob, die moeite had, om niet in een +schaterlach uit te barsten, hoorde opnieuw een heel zacht kraken van het +ledikant, daarna een schuifelen over den vloer, en toen werd zijne deur +geopend en kwam Piet binnensluipen. + +O Bob, zei hij, en zijn plaaggeest hoorde, hoe hij beefde van angst, +wat afschuwelijk. Een doodshoofd is er, een gloeiend doodshoofd, dat +mij voortdurend aangrijnst. O, Bob, wat moet ik nu beginnen? Ik beef van +angst. + +Kruip diep onder de dekens, Piet, en laat hem grijnzen, was Bobs +hardvochtige raad. Wat doe je ook je oogen open te houden, als je op +bed ligt; dan behooren zij gesloten te zijn. + +O neen, dr durf ik niet weer heen! zuchtte Pieter; voor geen geld +ga ik dr slapen! 't Is afschuwelijk, Bob. + +Wat wil je dan? + +Kan ik niet bij jou slapen, Bob? Toe maar, asjeblieft. + +Onmogelijk, Piet. Dit is maar een n-persoons ledikant. We kunnen er +onmogelijk met ons beiden in. + +Toe maar, Bob, ik zal me zoo klein maken als ik maar kan; toe Bob, +asjeblieft? + +Onmogelijk. Maar ga naar Pa; die is stellig nog op, en zal ongetwijfeld +een onderzoek instellen. + +O, -- maar dan moet ik alleen de trap af! zuchtte Piet, bevende van +ontsteltenis bij de gedachte, dat hij zich alleen en in donker naar +beneden moest begeven. + +Jij bent ook overal bang voor, zei Bob. Ik wed, dat er niet eens iets +op je kamer is, om bang voor te wezen. + +O ja, Bob, echt waar, ga dan zelf maar kijken, dan zul-je het zien. Een +afschuwelijk doodshoofd! Hu, 't is om te rillen. + +Bob vond, dat de grap nu lang genoeg geduurd had. + +Ga dan maar me, bang Pietje, zei hij, terwijl hij lachend uit zijn +bed sprong. + +Hij liep regelrecht naar Pieters slaapkamer, tot groote verbazing van +zijn neef, die zich maar niet begrijpen kon, waar hij al dien moed +vandaan haalde. + +Waar is nu het spook? vroeg hij. + +Aan den muur! klonk het benauwd uit Piets mond. + +'t Is niets, hoor Piet, kom maar hier, zei Bob lachend. Je hebt je +weer eens leelijk te pakken laten nemen, neefje. Ha-ha-ha-ha! + +Pieter kwam behoedzaam nader. + +Dr is het, -- dr, vlak voor je! zei hij huiverend, toen hij om den +hoek van de deur keek. + +Och, bange Piet, dat prentje heb ik er van middag opgeteekend met een +zwavelstok. Kijk, hier heb-je nog een tweede spook! + +Bob nam den zwavelstok, dien hij op den grond had neergelegd, en +teekende met enkele strepen een tweede doodshoofd, niet weinig lachende +om de vrees van Pieter-neef. Deze kwam nu ook naderbij en zeide, niet +zonder schaamte: + +H Bob, doe je dat met een zwavelstok? Dat is een aardig kunstje, +waarvan ik nog nooit gehoord had. Dat moet ik ook eens leeren. + +Ben je nu nog bang, Pietje? vroeg Bob. Of wil ik Pa roepen? + +O neen, dank je! Maar waarom plaag jij me toch altoos zoo, Bob? + +Omdat ik het bij Karel of Dorus niet behoef te probeeren, Piet; zij +zijn er niet vatbaar voor, zie je, en jij wel. Dat is de reden. Slaap +lekker, Piet! + +Goeden nacht! + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + Hoe Bob uit hengelen ging en door de verschijning van + twee vreemdelingen zijn tijd bijna vergat. Hoe hij in + figuurlijken zin steentjes moest gaan tellen en het in + eigenlijken zin deed. De berenleider en zijn metgezel. + + +Een paar dagen later had Bob zijn tijd bijna verhengeld. Hij was +bijzonder vroeg opgestaan, had inderhaast ontbeten, en was met zijn +hengel over den schouder even buiten het dorp gewandeld, om eens prettig +vr schooltijd nog een paar uurtjes te visschen. Pieter lag nog te bed. +Die stond nooit voor half acht op. Eerst had Bob nog wel eens moeite +gedaan, om hem ook tot opstaan te bewegen, maar toen hij bemerkte, dat +Piet 's morgens veel liever op bed bleef, had hij die moeite gestaakt. + +Bob hengelde dus geheel alleen, en vermaakte zich kostelijk, want de +baars wilde dien morgen buitengewoon goed bijten, en het gelukte hem, +menig vischje te verschalken. Hij vermaakte zich z goed, dat hij zijn +tijd geheel vergat en niet aan de school dacht, vr het bijna te laat +was. Om negen uur ging de school aan, en de torenklok wees al tien +minuten voor negenen, eer hij er aan dacht. + +O heden! mompelde hij. 't Is al bijna te laat, maar als ik hard loop, +kan ik er nog juist op tijd zijn. 't Is echt jammer, dat ik nu moet +ophouden, want de baars bijt van morgen bijzonder goed. + +Hij slingerde zijn snoer om den stok en wilde zich juist naar school +begeven, toen zijne aandacht getrokken werd door een kermiswagen, die +langzaam het dorp naderde. + +Bob bleef staan. + +Een kermiswagen was een voorwerp, dat hem altoos buitengemeen boeide. +Hij vond dat een zeer belangwekkend vervoermiddel. Toch zou hij er de +school niet om vergeten hebben, -- want de meester was erg streng, +dat wist hij bij ondervinding, -- indien hij niet had opgemerkt, dat +naast dien wagen een groot, log dier liep, een dier, dat nog veel +belangwekkender was dan de wagen, want het was niets meer of minder dan +een groote, bruine beer. Bij de verschijning van dat beest vergat Bob +de geheele school. + +Zoodra de berenleider het eerste huis van dorp bereikt had, begon hij +op eene dwarsfluit te spelen en verhief bruintje zich op hetzelfde +oogenblik op zijne achterpooten. Het logge beest scheen zoo waar te +dansen, tot groot vermaak van Bob. De kermiswagen was doorgereden. Dat +onzen Bob het scheiden moeilijk viel, behoef ik niet te zeggen. Wij +zaten allen al op de schoolbanken, en waren al begonnen te lezen, toen +zijne plaats nog ledig bleef. + +Waar blijft Bob de Wild van morgen? vroeg de meester. Doch wij wisten +het niet. + +Hij is toch niet ziek? klonk weer 's meesters vraag. Weer moesten wij +het antwoord schuldig blijven. + +Lees maar door, Anna! + +Juist begon Anna het bevel op te volgen, toen de deur geopend werd en +Bob, rood van het harde loopen, binnen kwam. + +Dag meester, klonk het zacht van zijne lippen. + +Dag Bob. Waar kom jij zoo laat vandaan? + +Van buiten, meester. + +Ja, dat spreekt vanzelf. Maar waarom kom je zoo laat? + +Bob keek zwijgend voor zich op den grond. + +Ik hoor niets, Bob. Kun-je niet spreken? + +Ik was aan het hengelen, meester, en..... + +Ha zoo, heb jij je tijd verhengeld? Dat is ferm van je, niet waar, +Bob? + +Bob mompelde zoo iets van: Kon 't niet helpen, maar veel verstonden +wij er niet van. + +Niet helpen? vroeg de meester gestreng. Dat is eene kinderachtige +uitvlucht, Bob, waar zich alleen flauwe zielen achter verschuilen. Je +kunt gaan zitten, maar moet om twaalf uur nablijven. 't Spijt me wel, +maar ik kan er niets aan doen. + +Bob nam plaats. Hij en ik zaten dicht bij elkander. Eerst deed hij, of +hij met aandacht las, maar weldra gaf hij ons door allerlei teekens te +kennen, dat er iets bijzonders aan de hand was. + +Daar kwam ik goed af. Ik was bang, dat ik steentjes zou moeten tellen, +fluisterde hij ons toe. Wij deden ook, of wij de les geregeld volgden, +maar inderdaad ontging ons geen woord, van hetgeen Bob zeide. + +Wij wisten wel, wat hij met steentjes tellen bedoelde. In het portaal +was geen planken vloer; die bestond daar uit mooie glimmende tegels, +welke aan elkander gemetseld waren. Nu had de meester de gewoonte, als +hij heel boos op een van de leerlingen was, hem in het portaal te +zetten, wat hij den patint gewoonlijk beval met de woorden: + +Ik kan je hier vanmorgen niet langer gebruiken, jongen. Ga jij maar +steentjes tellen. + +Dat was eene zware straf voor ons, want wie eenmaal in het portaal +terecht kwam, moest er den geheelen morgen blijven, en kreeg dan nog +zooveel strafwerk na schooltijd, dat er van zijn speeluur niets +overschoot. + +Bob was er dus van overtuigd, dat de meester hem zeer genadig behandeld +had, door hem geen steentjes te laten tellen, alias in het portaal te +zetten. + +Die volgt! zei de meester. Bob, ik geloof, dat je slecht oplet. Pas +op, dat ik je niet nog meer straf moet geven. + +Bob keek strak in zijn boek, en de volgende leerling begon te lezen. +Maar Bobs aandacht was in het geheel niet bij zijn werk. Onophoudelijk +moest hij aan den beer en diens eigenaar denken, en zijn nieuws brandde +hem op de tong. Naar het lezen luisterde hij niet; hij hoorde bijna niet +eens, dat er gelezen werd. + +Jongens! fluisterde hij Karel en mij toe. + +Wij waren geheel oor, maar zorgden wl, niet uit ons boek op te zien. + +'k Heb nieuws! fluisterde Bob weer. + +Bob de Wild, lees verder! gebood de meester. + +O heden, dat was mis voor Bob. Zijne oogen dwaalden van boven tot +beneden op de bladzijde, waar wij aan het lezen waren, maar hij vond den +laatsten zin, dien hij gehoord had, niet. + +Je krijgt eene slechte aanteekening, Bob de Wild, klonk het gestreng +uit 's meesters mond. Je straf om twaalf uur wordt verdubbeld. Lees +verder, Jacob de Haas. + +Jacob de Haas, het eenige joodje, dat wij op school hadden, ging met +lezen voort, en Bob keek stijf in zijn boek. + +Waarom leest dat Joodje (want zoo noemden wij Jacob de Haas altijd) ook +niet wat harder? mompelde hij. Dan zou ik het wel geweten hebben. +Wacht maar, dat zal ik hem om twaalf uur wel betaald zetten. -- O j, +waar is het nu ook al weer? Wacht, dr! + +Die volgt! klonk het weer. + +Nu was een meisje aan de beurt. Anna van Egge heette zij en zij las een +weinig binnensmonds. Wij moesten altoos goed toeluisteren, om haar te +kunnen volgen. Maar Bob luisterde dien morgen al bijzonder slecht. +Zooals hij ons later vertelde, moest hij onophoudelijk aan dien beer +denken. Ook brandde hij van verlangen, om het ons te vertellen, want hij +wist, dat het voor ons een belangwekkend nieuwtje was. + +Jongens! fluisterde hij weer. + +Wij knikten bijna onmerkbaar, ten teeken, dat wij luisterden, maar wij +zagen niet op. + +Er is een berenleider op het dorp, hoorden wij Bob lispelen. + +Dat was nieuws naar ons hart. Ook wij begonnen onoplettend te worden, +wat het lezen betrof, maar niet wat het nieuws van Bob aanging. + +Met een beer? vroeg Karel Holm zacht, terwijl zijne oogen flikkerden +van pleizier. + +Ja, -- een grooten, bruinen beer. + +Waar is hij? waagde Karel nog eens te fluisteren. + +Bij den ontvanger zag ik hem. Hij kan dansen. + +Ho! beval op dat oogenblik de meester, en Anna van Egge hield met +lezen op. Bob! Je let in het geheel niet op, en ik zie mij genoodzaakt +je streng te straffen. Vervolg eens, waar Anna gebleven is! + +'t Was doodstil in de klasse. Van ganscher harte hoopten wij, dat Bob +een gelukkig oogenblik in zijn leven zou hebben en toevallig bij het +goede woord zou beginnen, want wij hoorden aan de stem van den meester, +dat hij slechts met moeite zijne drift kon bedwingen. Eene geduchte +straf zou anders stellig Bobs deel zijn. + +Doch Bob had zulk een gelukkig moment in zijn leven niet, en dat kn ook +niet, omdat hij de verkeerde bladzijde voor zich had. Hij had vergeten, +om te slaan, omdat hij niet oplette. Eerst zocht hij overal, om het +goede woord te vinden, doch toen zijne zoekende blikken het nergens +ontmoetten, begon hij maar op goed geluk af. Och, och, wat had hij het +ver mis! + +Daar is het niet, ondeugd! zei de meester boos. Je bent waarlijk +niet eens op de goede bladzijde. Welke geest is er dezen morgen in je +gevaren? Eerst kom je te laat op school, en dan gedraag je je z, dat +je zelfs den zachtmoedigsten mensch driftig zoudt maken! + +Nu, dat was niet waar, want onze meester was ver van zachtmoedig. +Integendeel, hij was algemeen bij ons gevreesd om zijne strengheid. Wij +hoorden, hoe hij hoe langer hoe driftiger werd, en eindelijk gebeurde, +wat wij al sedert lang hadden zien aankomen. Daar verhief 's meesters +rechterarm zich in de hoogte en strekte hij zijne hand gebiedend uit +naar de deur. + +Ga uit de klasse, jongen, ik kan je hier niet langer gebruiken. Ga +steentjes tellen! + +Bob bleef zwijgend zitten. + +Hoor je me niet, Bob? Ga steentjes tellen, zeg ik. + +Meester, ik zal beter opletten, zei Bob. + +Te laat, Bob! Ten derden male zeg ik: ga steentjes tellen! + +Die laatste uitdrukking was oorspronkelijk als eene grap bedoeld, maar +wij vonden haar in het geheel niet grappig. Bob ook niet, want hij moest +allerminst lachen op dit oogenblik. Hij stapte de bank uit en ging met +neergeslagen oogen naar het portaal. Hij deed de deur achter zich dicht. + +'t Werd weer stil, nu zelfs doodstil in de klasse. De meester keek erg +boos. + +Ga voort, Anna van Egge! gebood hij. + +En korten tijd daarna was het weer: + +Die volgt! + +Zoo las de geheele klas. Toen werden de boeken opgeborgen en begon de +rekenles. + +Wij deden onze uiterste best, uit vrees, dat ook wij straf zouden +oploopen. En toen nu de meester zag, hoe flink wij opletten, begon zijn +gelaat ook wat vriendelijker plooi aan te nemen. Hij was wel streng, +maar niet onbillijk, en tot zijne eer moet ik zeggen, dat hij zulke +zware straffen altoos met grooten tegenzin oplegde. Wij konden altoos +aan hem zelf zien, dat het hem pijn deed. + +Intusschen stond Bob diep verslagen in het portaal. Weg was ineens al +de pret, die hij zich van het middaguur voorgesteld had, als de beer +althans dan nog niet vertrokken zou zijn. Daarvoor behoefde evenwel niet +bijzonder veel vrees te bestaan, want ons dorp was te groot, om door een +berenleider op een enkelen morgen afgewerkt te kunnen worden. + +En dan kan ik hier in die nare school blijven en strafwerk maken, +terwijl alle jongens de grootste pret hebben, morde Bob, die erg boos +was op den meester. Hij is ook altoos zoo streng. Maar ik weet, wat ik +doe: ik loop weg, ja, dat doe ik. De meester kan schoolhouden, wien hij +wil, maar mij snapt hij niet, want den beer moet ik zien, het koste wat +het wil! + +Toen Bob over dit besluit echter een weinig dieper doordacht, waarmede +hij eigenlijk had moeten aanvangen, begon hij hoe langer hoe meer te +beseffen, dat hij daar toch ook zeer weinig genoegen van zou beleven, +want de meester zou hem stellig voorbeeldeloos straffen en bovendien +zou zijn Pa hem ook terdege onderhanden nemen. + +Neen, dat ging toch niet, zooals hij zelf zeer goed inzag. + +Ik wou, dat de meester mij voor dezen keer maar eens vrijliet, +mompelde Bob, maar dat zal hij wel niet doen, want dat doet hij bijna +nooit. Enfin, 't is eenmaal zoo; er zit niet anders op, dan mijn lot met +gelatenheid te dragen. Waar zou de beer nu zijn? Wacht, misschien kan ik +hem zien, -- door het raam. Laat ik kijken! + +Bob deed, wat hij zeide, en waarlijk -- na eenig zoeken ontwaarde hij +bruintje voor het huis van dokter Doreman. Hij zag, hoe vele menschen +naar het verscheurende dier stonden te kijken. + +Ha! Wat wou ik graag daarbij zijn, zuchtte Bob. En nu steentjes te +moeten tellen! 't Is afschuwelijk! Kijk, nu gaat hij verder. Zou hij den +achterweg opgaan? Dan kan ik hem niet meer zien. Ja -- neen, -- ja toch, +daar gaat hij den hoek om. Nu is hij weg. Dat is jammer. -- Steentjes +tellen! Hoe komt de meester daar toch aan? 't Is toch eigenlijk eene +gekke uitdrukking. Meester zeide niet, dat ik in het portaal moest gaan +staan; hij gebood alleen maar: ga steentjes tellen. Als ik dat dus deed +en hem straks ging zeggen, hoeveel er waren, zou ik precies gedaan +hebben, wat meester bevolen had. Dat zou leuk wezen. Weet je wat, ik doe +het! Zou ik mijn decimetertje in den zak hebben? Laat eens voelen -- ja, +daar is het. Wacht, nu zal ik het eens netjes uitrekenen. Eerst meten, +hoe lang de gang is. + +Bob knielde op de tegeltjes neer en mat de lengte van zijn kerker. +Weldra wist hij, wat hij weten wilde. + +Dus twintig meter. Laat ik dat goed onthouden. + +Nu de breedte. + +Bob mat weer. + +Breed twee meter, precies op den kop, zeide hij. De gang heeft dus +eene oppervlakte van twintig maal twee vierkante meter, of veertig +vierkante meters. Mooi, dat schiet al aardig op. Nu elk tegeltje meten. +Kijk, precies twintig centimeters lang en breed. Dat geeft dus eene +oppervlakte van vierhonderd vierkante centimeters. De gang is groot +veertig vierkante meter, of vier maal honderd duizend vierkante +centimeters. Dat gedeeld door vierhonderd, -- wel, kijk -- dat is +precies duizend tegeltjes. Dat is een mooi getal. Kom, nu ga ik het den +meester zeggen; hij heeft mij bevolen de steentjes te tellen en dat heb +ik gedaan, dus ik ben zoo gehoorzaam geweest, als maar verlangd kan +worden. + +Tot ons aller verbazing ging plotseling de deur open en trad Bob binnen. +Ook de meester kon er blijkbaar geen begrip van krijgen, wat er aan de +hand was. Hij staarde Bob met groote oogen aan. + +Wat moet jij hier doen? vroeg hij op gestrengen toon. + +Bob stak beleefd den wijsvinger op en zeide doodleuk: + +Meester, ik ben klaar! Er zijn er duizend. + +Eerst begrepen wij geen van allen, wat hij bedoelde, en de meester +begreep het ook niet. + +Klaar? vroeg hij. -- Er zijn er duizend? Wat -- duizend? + +Meester, zei Bob doodleuk, ik heb de steentjes geteld, zooals u +bevolen had. Er zijn er duizend. + +Plotseling schoten wij allen (alleen Bob en de meester uitgezonderd) in +een schaterlach om die leuke grap, en toen wij zagen, hoe de meester +zich vergeefs inspande, om zijn gelaat in een ernstige plooi te houden, +want hij wilde niet lachen, werd het met ons nog erger. Wij konden niet +tot bedaren komen. + +Opeens gaf de meester het op, en begon ook hij te lachen, bijna even +smakelijk als wij. En toen wij eindelijk wat tot stilte kwamen, zei hij +gul, zoodat het duidelijk was, dat hij Bob zijne misdaden vergaf: + +Zoo Bob, zijn er duizend? Heb-je ze goed geteld? + +Uitgerekend, meester, zei Bob. De vloer heeft eene oppervlakte van +veertig vierkante meters en elk tegeltje is vierhonderd vierkante +centimeters groot. Er moeten er dus duizend zijn. + +Heel goed, Bob, zei de meester, die telkens weer in den lach schoot, +dat sluit. Dank-je wel voor de moeite. Ga nu maar zitten, doch -- let +beter op. + +Ja meester, zei Bob, niet weinig in zijne nopjes, dat hij zoo mooi van +zijne zwaarste straf ontheven was. Hij lette verder dan ook zeer goed op +en gaf den meester in het geheel geen reden tot klagen meer. + +Zoo werd het twaalf uur, en wij kregen verlof om naar huis terug te +keeren. 't Is te begrijpen, dat wij ons dat geen tweemaal lieten zeggen, +want het bericht van den beer had, ondanks 's meesters strengheid, al +sedert lang de ronde door de geheele klas gedaan. Nauwelijks waren wij +het portaal uit, of onder een luid gejuich trokken wij op den beer af. + +Maar Bob bleef zitten, om zijn strafwerk te maken. + +Wat moet ik doen, meester? vroeg hij met een berouwvol gelaat. + +De meester keek hem vriendelijk aan, want hij hield bijzonder veel van +den wilden Bob. + +Mij beloven, dat je voortaan beter op je tijd zult passen, Bob, zei +hij, den deugniet op den schouder kloppende. + +Dat beloof ik, meester, zei Bob, die lont begon te ruiken en wiens +hartje klopte van hoop, dat hij ontslagen zou worden. + +Ga dan maar heen, Bob. + +Asjeblieft meester. Dag meester. + +En weg vloog Bob! Hij had ons al ingehaald, vr wij den beer bereikt +hadden. + +Ik mocht vrij! juichte hij al in de verte. Hij is op den achterweg! + +Met die laatste woorden bedoelde hij den beer natuurlijk, en met ons +allen begaven wij ons daarheen. + +Ha, daar zagen wij hem! + +'t Is te begrijpen, dat wij op een eerbiedigen afstand bleven! Wat had +dat dier geduchte klauwen, en wat zagen wij een sterk gebit, als hij den +grooten muil opende. Gelukkig dat hij een stevigen leeren muilband aan +had; dat stelde ons eenigszins gerust. + +De berenleider viel ons niet me, want wij hadden gehoopt, dat hij +iemand zou zijn, dien wij niet verstaan konden, een Italiaan of een +Zigeuner of zoo iemand. Maar hij bleek een echte Hollander te zijn, die +onze taal evengoed sprak als wij zelf. Dat konden wij hooren aan +hetgeen hij af en toe tot den beer zeide. + +Hallo! Op! Op! gebood hij telkens, als de beer zijn tocht op vier +voeten wilde voortzetten. En dan ging het logge beest weer overeind en +huppelde zoo bevallig als een jonge olifant. Dan kreeg hij van zijn +meester een stok over den schouder en moest marcheeren als een soldaat. +Zijn geleider blies voortdurend op de dwarsfluit verschillende +dansdeuntjes en -- maakte goede zaken, naar wij opmerkten. Want bijna +nergens werd hij voorbij gestuurd, zonder dat men hem iets gaf. Nu was +een beer op ons dorp eene te zeldzame verschijning, om niet de algemeene +bewondering op te wekken. + +Het spreekt van zelf, dat wij de twee vreemdelingen zoolang volgden, als +ons mogelijk was, -- anderhalf uur laat zich niet lang plagen, wanneer +men in dien tijd nog middagmalen moet, wat met mij althans het geval +was. En om half twee moesten wij weer present zijn, wilden we geen straf +oploopen. + +Wij waren er dan ook allen op onzen tijd, Bob incluis! + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + Hoe wij den beer plaagden, toen Flip uit was, en + hoe de beer wraak nam. De heldendaden van + Pieter-neef en van Tip, den veldwachter. + Hoe Bob berenleider werd. + + +Bob had niet zulk eene vrees behoeven te koesteren, dat hij den beer +niet weer ontmoeten zou, want het beest en diens meester vertoefden nog +wel langer dan eene geheele week op ons dorp. Och, och, wat hebben wij +eene pret met dat dier gehad. + +In den kermis wagen woonde eene familie, die door het vertoonen van de +poppenkast het dagelijksch brood trachtte te verdienen. Eerst meenden +wij, dat de berenleider ook tot de familie behoorde, maar daarin hadden +wij ons vergist. Wel was hij zooals ons al spoedig bleek zeer met den +poppenkastman bevriend, en reisden zij zooveel mogelijk in elkanders +gezelschap ons vaderland door. + +Elken dag deed de poppenkast de ronde door het dorp of bezocht zij een +van de omliggende plaatsen, en trok ook de berenleider er op uit met +zijn viervoetigen makker, om een stuivertje te verdienen, maar den +wagen lieten zij staan, en 's avonds keerden allen weer naar het +marktplein terug, waar het voertuig stond. Dan werd de beer aan een van +de palen op het marktplein met een vrij lang, naar het scheen zeer sterk +touw vastgebonden, zoodat hij zich eenige beweging kon veroorloven. Wij +vroegen ons menigmaal af, waar toch de berenleider 's nachts wel mocht +slapen, daar hij bij niemand op het dorp om een onderkomen had verzocht, +doch eindelijk hoorden wij vertellen, dat eene groote mand, die wel +bijna eene manslengte had en overdag onder den wagen was vastgebonden, +hem tot ledikant diende. 's Avonds maakte hij die mand los, legde zijn +beddegoed (wat niet van de fijnste qualiteit was) wat terecht, en -- +begaf zich dan ter ruste. Voor dieven behoefde hij om twee redenen niet +te vreezen, want ten eerste had hij zoo weinig eigendommen, dat het wel +niemand in de gedachten zou komen, hem te gaan bestelen, en in de tweede +plaats had hij een schildwacht voor zijn bed, die niet licht door een +anderen zou worden overtroffen. De beer namelijk ging elken avond vlak +voor de mand liggen en liet, zoodra hij maar iets hoorde, een +vervaarlijk gebrom hooren. + +Dat brommen, -- o, wat waren wij er eerst bang voor. Want het spreekt +van zelf, dat alle jongens van het dorp 's avonds bij bruintje te vinden +waren. Onze stelten zelfs lieten wij er voor liggen. Ge begrijpt, dat +we eerst op een eerbiedigen afstand bleven, uit vrees dat hij ons +aangrijpen, verscheuren en verslinden zou. Maar toen wij zagen, hoe +vertrouwelijk zijn meester met hem omging, en hoe bedaard en goedig het +dier er uitzag, begon onze vrees van lieverlede te bedaren en onze moed +te klimmen. + +Bob was de eerste, die hem wat naderbij durfde komen, hoewel hij +natuurlijk zorg droeg, dat de beer hem niet grijpen kon. Hij wierp hem +een stuk brood toe, dat door het dier gretig werd verslonden. + +Toen wij dat eenmaal gezien hadden, overstelpten wij bruintje bijna met +onze weldaden, en werden wij meer en meer vertrouwd met het dier, hoewel +wij toch zorgden, niet te dicht in zijne nabijheid te komen. + +Maar langzamerhand ontaardde onze moed in overmoed en begonnen wij hem +te plagen. Wij sarden hem, als zijn meester er niet bij was, met lange +stokken, waarmede wij hem op den kop of op de ruige vacht tikten, wat +hij eerst eenige oogenblikken goedig toeliet, doch daarna plotseling met +een woest gebrom beantwoordde. Och, och, wat wisten wij van beenen +maken. Pieter-neef, die ook in ons gezelschap was, zag doodsbleek van +den schrik en liep, of de dood hem op de hielen zat. Nu, zoo erg was het +met ons niet, maar -- wij kozen toch ook het hazenpad. + +H, wat bromde hij daar! zei Bob, die het eerst stilstond. Gelukkig, +dat hij aan een touw lag, want anders had hij stellig een van ons allen +verscheurd! + +De boosheid van den beer duurde echter niet lang; hij keerde weer in +zijn vorigen toestand van vadsige rust terug, en wij gingen voort met +plagen. + +Wil jelui dat wel eens laten, jongens! gebood ons de vrouw, die in +den wagen woonde, -- doch daar wij wisten, dat haar man zoowel als de +berenleider niet thuis waren, toonden wij ons vrij ongezeggelijk, wat +ons heel leelijk stond, dat moet ik zelf bekennen. + +Toch hielden wij na een poosje met ons plagen op, niet omdat wij +medelijden met bruintje hadden, o neen, maar omdat de burgemeester het +marktplein opkwam, om te zien, of de beer ook gevaar kon opleveren voor +de eerzame burgers en burgeressen, die hij onder zijne hoede had. + +Natuurlijk bleef ook hij op een eerbiedigen afstand van het lieve dier +staan. + +Zeg eens, vrouwtje! riep hij de vrouw uit den kermiswagen toe. Waar +is de berenleider? + +Hij is met mijn man naar Haarlem, mijnheer de burgemeester, klonk het +antwoord. + +En moet dat ongure beest dan al den tijd, dien zijn meester afwezig is, +zonder toezicht blijven? zei de burgemeester op gestrengen toon. + +Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Flip is niet thuis. + +Flip -- wie is dat? + +Dat is de man van den beer, mijnheer de burgemeester. Maar hij is niet +thuis. + +Zoo, -- ja, dat heb je zooeven al gezegd. Maar kan dat dier zoo geen +kwaad? + +Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester, zei de vrouw, die het +buskruit niet scheen uitgevonden te hebben, Flip is niet thuis. + +Zoo, hm! hm! kuchte de burgemeester. Ik bedoel, vrouw, of dat touw +sterk genoeg is, om den beer te houden, als hij soms boos mocht +worden. + +Ik zou het u niet kunnen zeggen, mijnheer de burgemeester, maar straks +komt Flip wel thuis, dan kan u het hemzelven vragen. Hij is nu met mijn +man naar Haarlem. + +Zoo, ja -- dat weet ik al. Dus je denkt, dat het touw sterk genoeg is? + +Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Als Flip straks thuiskomt, +zal ik het hem vragen. Of u zou het zelf kunnen probeeren. + +Dank je, zei de burgemeester, die blijkbaar niet veel lust had, +bruintje zoo nabij te komen. + +Nu, het ziet er nog al sterk uit, maar als Flip, of hoe die man heeten +mag, aanstonds terug komt, moet je hem zeggen, dat hij dadelijk bij me +moet komen. + +Ik zal het hem zeggen, mijnheer de burgemeester! + +Zoodra het hoofd onzer gemeente vertrokken was, begonnen wij den beer +weer te plagen, ja zelfs te sarren, en 't was verbazend hoe hevig hij +dan soms kon gaan brullen. Als wij het al te erg maakten, rukte hij aan +zijn touw, om los te komen, en dan wisten wij van beenen maken. + +Het touw bleek echter heel sterk te zijn, zoodat wij eindelijk al niet +eens meer op de vlucht gingen, al was hij ook nog zoo woedend. Wij +bleven doodkalm staan, natuurlijk buiten het bereik van zijne klauwen, +maar toch dicht genoeg bij, om met sarren voort te kunnen gaan. Zelfs +Pieter-neef begon, nu hij zag, dat het beest toch niet los kon komen, +dapper te worden en plaagde den beer het meest van allen. + +Hij sloeg hem met een langen stok op zijn kop, en als het beest dan +tegen hem bromde en met geopenden muil aan zijn touw rukte, stak hij hem +den stok tusschen de geweldige tanden. Dan had hij geen grooter pret, +dan als de beer op den stok beet, en hem al brommende heen en weder +schudde. Wat trok en rukte Pieter dan aan den stok, om hem weer los te +krijgen, maar de beer hield vast. + +Bob haalde eene leuke grap met hem uit. Hij haalde uit de schuur een +vaatje, waarin de bodem niet al te stevig meer bevestigd zat, en schoof +dat bruintje toe. Toen nam hij eene kleine occarino uit den zak, en +begon daar eenige deuntjes op te spelen. O, wat moesten wij lachen, toen +de beer zich plotseling op zijne achterpooten verhief en op zijne gewone +bevallige manier begon te huppelen, precies, zooals hij dat bij zijn +meester gewoon was. En toen Bob hem een paar stukjes brood toewierp, +konden wij duidelijk opmerken, dat hij Bob als een goed vriend begon te +beschouwen, want hij volgde hem overal, waar hij liep, althans voor +zoover zijn touw hem dat toeliet. + +Maar het was er Bob om te doen, dat hij op het vaatje zou gaan staan, +wat hij voor zijn meester somtijds ook moest doen. + +Allo! Ho -- hop! Op! Op! riep hij den beer toe, en weer begon hij op +de occarino te spelen. Eerst huppelde de beer nog eenigen tijd rond, en +toen, waarlijk, daar naderde hij het vaatje en zette er een poot op. +Toen den tweeden poot, daarna voorzichtig den derden en eindelijk stond +hij er geheel op. + +Een uitbundig gejuich uit wel vijftig jongensmonden was zijn loon, en +de beer, die zich daardoor naar het scheen, gestreeld gevoelde, begon op +de maat van Bobs muziek, zoo goed en zoo kwaad dat ging, op het vaatje +te dansen. Dat had hij niet moeten doen, want daarvoor was de bodem te +zwak. Plotseling hoorden wij een gekraak, de vier pooten zakten naar +beneden, en daar rolde de beer onderste-boven. Och, och, wat maakte hij +eene vreemde buiteling, en wat deed hij wanhopige pogingen, om zijne +pooten uit hun kluister te bevrijden. Doch dat gelukte hem niet, want +zij zaten in de kleine ruimte stijf tegen elkander gedrukt. Hij kon er +geen beweging in krijgen. + +Wat hadden wij verbazend veel pret. Ons joelen klonk over het geheele +dorp! + +De beer werd hoe langer hoe wilder, en toen het arme dier daar zoo +hulpeloos lag, werd Pieter-neef hoe langer, hoe moediger. Hij ging vlak +bij den beer staan en sloeg hem met zijn stok. + +Maar o hemel, daar vlogen de duigen van het tonnetje opeens krakend uit +elkander, en sprong de beer onder luid gebrom overeind, vlak voor +Pieter-neef, die van angst en schrik zijne bezinning geheel kwijt raakte +en stokstijf bleef staan. + +Ga achteruit! Ga achteruit! schreeuwden wij hem toe, want wij dachten +niet anders of hij zou verscheurd worden. + +Hij gehoorzaamde werktuiglijk. Zonder zijn starenden blik van het dier +af te wenden, liep hij voetje voor voetje achteruit, gevolgd door het +beest, dat met wijd geopenden muil een vervaarlijk gebrom uitstiet. De +haren rezen ons ten berge van schrik. + +Opeens kon Pieter-neef niet verder, want hij werd gestuit door een +lantaarnpaal, waar hij met den rug tegen terecht kwam. De beer kon niet +verder van het touw. Toen sprong hij met reuzenkracht op en krak -- het +touw brak en de beer was los. Dat gaf een ontzettenden schrik onder den +jongenstroep. Onder den kreet De beer is los! De beer is los! De beer +is los! sloegen allen op de vlucht. + +Neen, allen niet, want Pieter-neef kon niet. Hij stond met den rug tegen +den lantaarnpaal en durfde geen voet verzetten. De beer liep brommend om +hem heen. En Bob ook niet. Die meende eens heel slim te handelen, door +met zijne gewone behendigheid in den grooten eikeboom te klimmen, die +midden op het marktplein stond. + +Och, och, wat zag die Pieter doodsbleek. Wij zagen, hoe hij beefde van +schrik en ontsteltenis. En de beer liep voortdurend met kleine pasjes om +hem heen, terwijl hij hem aan alle kanten besnuffelde. + +Ik geloof, dat Pieter op dat oogenblik wel voor hem op de knien had +willen vallen, als dat had kunnen baten. + +Help! Help! klonk de kreet van de verschrikte jongens, die op een +eerbiedigen afstand stonden af te wachten, wat er verder gebeuren zou. +Niemand van hen twijfelde er aan, of Pieter zou straks door het +geplaagde dier worden aangegrepen en -- opgepeuzeld. + +Alleen Bob gevoelde zich boven in den top van den eikeboom volkomen +veilig en zeer goed op zijn gemak. + +Ga op de vlucht! riep hij Pieter toe, die nog altijd tegen den +lantaarnpaal stond. + +'k Durf -- niet -- o -- help! kreunde Piet. + +Stel hem voor, de vredespijp met je te rooken, plaagde Bob, die schik +in het geval begon te krijgen. + +O -- Bob! was alles, wat Piet antwoordde. + +Of sla hem met je stok op zijn kop, als zoo even! ging zijn plaaggeest +voort. + +Nu hield de beer stand, vlak voor Pieter. Wij zagen, hoe hij hem vlak in +het bleeke gezicht keek. Pieter staarde wederkeerig bruintje wezenloos +in het gelaat. De beer zag er op dat oogenblik inderdaad veel +verstandiger uit dan zijn slachtoffer. + +Och, wat beefde Pieter. De ruitjes van de lantaarn hoorden wij er van +rinkelen. + +O hemel! + +Daar verhief de beer zich, vlak voor Pieter, plotseling op de +achterpooten en wilde zijne klauwen op Pieters schouders leggen. + +Van den schrik maakte Piet eene driftige beweging met zijn hoofd in +achterwaartsche richting, maar daar stond de lantaarnpaal, en nu stootte +hij zijn hoofd zoo hevig, dat hij van den weeromstuit voorover buitelde +en terecht kwam -- in de harige armen van den beer. Daar stonden zij om +zoo te zeggen snoet tegen snoet! 't Was zulk een bespottelijk gezicht, +die twee elkander daar zoo innig te zien omarmen, dat Bob van het lachen +bijna uit den boom buitelde. + +Pieter-neef gaf een schreeuw, die ons door merg en been drong, en wij +twijfdelden niet, of nu zou de beer hem verslinden. O, welk een +vreeselijk drama stelden wij ons daar reeds van voor. Griezelig in +hooge mate, -- maar toch uiterst belangwekkend. + +Maar neen, wij hadden het mis. Pieters kreet wekte in het teedere gemoed +van den beer zeker zachtere aandoeningen, dan waarvoor wij hem vatbaar +achtten, want hij keek hem even aan, liet hem daarna los, ging weer op +vier pooten staan en begon zich langzaam te verwijderen. Pieter +verwaardigde hij met geen enkelen blik meer. + +Meer dood dan levend bracht deze zich, struikelend en strompelend, bijna +zonder te weten wat hij deed, in veiligheid, en toen hij ver genoeg van +den beer verwijderd was, om hem niet meer te vreezen, zette hij het op +een loopen, zoo snel zijne voeten hem konden dragen. Loopen -- loopen, +dat hij deed, o, 't was potsierlijk. Wij schaterden van het lachen, maar +hij keek niet op of om. Hij holde voort, de brug over, -- naar huis. Wij +hebben hem den geheelen avond niet terug gezien. + +Intusschen ontstond er een verbazende oploop op het marktplein, want het +gerucht, dat de beer losgebroken en de berenleider niet thuis was (voor +zoover wij bij een man als Flip van thuis zijn kunnen spreken) ging +als een loopend vuurtje door het dorp rond. Zelfs Jan van der Vliet, +dien wij na de treurige gebeurtenis van den laatsten Zondagmorgen nog +niet buiten hadden gezien, kwam ook toeloopen. Maar tot mijne ergernis +moest ik opmerken, dat de meeste jongens niets met hem te maken wilden +hebben en hem alleen lieten staan. Ik zag, dat hij de tranen in de oogen +kreeg, en had veel medelijden met hem. Ik ging daarom naast hem staan +en zeide: + +Kijk eens, Jan, de beer is los, en Bob zit in den eikeboom. + +Waar is zijn baas, Dorus? vroeg Jan met een blijden lach, omdat ik +even vriendelijk jegens hem was als altoos, en hij pinkte tersluiks de +tranen weg, die zijn beide oogen verduisterden. + +Die is naar Haarlem, zei ik. Zie eens, wat komt er een oploop. + +Ja, -- geen wonder; maar waarom komt Bob den boom niet uit? Een beer +kan immers klimmen? + +Hemel, ja, daar had ik niet aan gedacht. Als Bob nu maar in vredesnaam +stil bleef zitten, zoodat de beer geen erg in hem kreeg, want anders kon +het wel eens bitter slecht met hem afloopen. + +Je hebt gelijk, Jan, zei ik angstig. Maar hoe zou Bob er uit moeten +komen? Je ziet toch wel, dat de beer voortdurend onder den boom heen en +weer loopt? + +Ja, dat is waar. 't Is een benauwd half elfje voor hem, en ik zou niet +graag in zijne plaats willen zijn. + +Ik ook niet, Jan. + +Kijk, daar komt Tip ook, de veldwachter. Hij heeft waarlijk eene +revolver in de hand. Zou hij hem dood gaan schieten? + +Ik weet het niet. Dat zou jammer wezen van het arme dier, want hij doet +tot nog toe niemand kwaad. + +Ja, -- en ook voor zijn meester, want die zou met hem meteen zijne +broodwinning verliezen, merkte Jan op. + +Intusschen werd de oploop met de minuut grooter. + +Wel honderden menschen vormden een grooten cirkel om het beweegbare +middelpunt, dat gevormd werd door den beer, die doodkalm onder den boom +heen en weer bleef loopen. 't Was aardig te zien, welk eene golving er +onder al die menschen kwam, als de beer zich eens wat verder van den +boom verwijderde. + +Dan ontstond er eene geweldige opschudding en onder den kreet: De beer +komt! De beer komt! sloegen zij op de vlucht. + +Eindelijk verscheen ook de burgemeester op het marktplein. Hij ging +regelrecht naar Tip, dien hij met gefronste wenkbrauwen en een toornigen +blik aanzag, en zeide op boozen toon: + +Daar hebben wij het leven nu al gaande, Tip. 't Is me wat moois, -- dat +afschuwelijke beest hier midden op het dorp. + +Ja burgemeester! zei Tip, die er met zijne revolver in de hand +verbazend krijgshaftig en moorddadig uitzag. + +Is die man nog niet thuis? + +'k Weet het niet, burgemeester. Wil ik het even vragen? De beer is er +nu niet dichtbij. + +Ja, -- ga het vragen! gebood de burgemeester, doch opeens van +gedachten veranderende, vervolgde hij: + +Of neen, wacht even, ik zal het zelf doen. Houd jij intusschen dat +beest goed in het oog, terwijl ik bij den wagen sta. Begrepen? + +Tip sloeg aan en zeide dapper: + +Verlaat u op mij, burgemeester. Ik zal over u waken. Ga gerust. + +De burgemeester, die aan de menschen eens wilde toonen, dat hij +volstrekt niet bang was, baande zich een weg door den kring en ging +met groote schreden op den wagen af. Maar zie, daar kreeg plotseling +bruintje het in zijn hoofd, om ook naar den wagen te gaan, wat voor den +burgemeester een allesbehalve aangenaam voornemen was. Inderdaad was hij +niet bang van aard, maar om ongewapend een beer tegemoet te gaan als dat +strikt genomen niet noodig is, achtte hij te veel gevergd, en hij keerde +daarom, tot groot vermaak van de omstanders, naar Tip terug. + +Nu klonk dat lachen den burgemeester in het geheel niet aangenaam in de +ooren, want het scheen wel, of de menschen hem uitlachten, en die +gedachte maakte hem erg boos. + +Tip! gebood hij kortaf, ga dat beest grijpen en vastbinden! + +Jawel, burgemeester, zei Tip, op militaire wijze de hand aan de pet +brengende. + +Maar Tip was vlugger met beloven dan met doen; hij talmde zoo lang, dat +de burgemeester kortaf tot hem zeide: + +Je hebt mijn bevel toch verstaan, Tip? + +Tip krabde zich verlegen achter het oor en hield den blik met eene +eigenaardige uitdrukking, die veel op angst geleek, op den beer gericht. +Nu durfde hij in het geheel niet bekennen, dat hij bang was, maar tevens +was hij vast besloten, het bevel van zijn meester in geen geval op te +volgen. Om tijd te winnen, zeide hij, bij wijze van waarschuwing: + +Ik ga, burgemeester, -- maar als hij nu eens voor mij op de vlucht gaat +en zich op de menschen werpt? Wat dan, burgemeester? Ik zou in een +dergelijk geval niet voor de gevolgen durven instaan. Niet dat ik bang +ben, in het geheel niet, burgemeester, maar ziet u, we moeten toch +altoos zorgen, dat de openbare veiligheid geen gevaar loopt. + +Je hebt gelijk, Tip. Dat die akelige Flip nu ook juist niet thuis is. +Tip! Ik wil dat beest niet langer hier midden in het dorp hebben, -- +begrepen, Tip! + +Ik zal er voor zorgen, burgemeester, zei Tip, die verbazend in zijne +nopjes was, dat hij van de opdracht, om den beer te vangen, ontslagen +was. + +Zie Tip, daar gaat hij weer naar den boom. Ga jij nu naar den wagen, en +vraag aan die vrouw, of Flip nog niet haast thuis komt. + +Ja wel, burgemeester. + +Tip stapte uit den kring en ging, met zijne revolver gewapend, op den +wagen af. O, wat nam hij groote stappen, en wat keek hij schuin naar +bruintje. De menschen schoten allen in een lach, tot groote ergernis van +Tip. + +Om eens duidelijk te toonen, dat hij volstrekt niet bang was, zette +hij een verbazend hooge borst, en bleef een oogenblik doodkalm, naar +het scheen, in den kring staan, spelende met het wapentuig, dat hij +in de hand hield. Bijna was het hem gelukt, den menschen in den waan +te brengen, dat hij een buitengewone held was, die zich door eene +kleinigheid als een losgebroken beer volstrekt geen angst liet aanjagen, +toen plotseling het beest hem in het oog kreeg en met hooge sprongen +spelende op hem af kwam. + +O h, daar zakte de hooge borst in en verdween de moedige trek op Tips +gelaat. Op het volgende oogenblik zette Tip, met revolver en al, het +op een loopen, zoo hard hij kon. De beer keerde bedaard naar den boom +terug. Wat werd die arme Tip uitgelachen! En toch was hij niets banger +dan iemand van de omstanders, want allen hielden zich op een eerbiedigen +afstand. + +Bob, die zich in den top van den hoogen boom volkomen veilig achtte, had +er ook niet weinig pret in, en begon te zingen: + + "O moeder, de beer is los; + Hoor dat beest eens brullen! + Snijd hem neus en ooren af, + Dan hebben wij wat te smullen!" + +Wij hoorden hem nauwelijks, of wij begonnen dapper me te zingen, tot +groote pret van Bob. Maar de beer had ons Bobje nu ook opgemerkt en -- +vlug als eene kat klauterde hij den boom in. + +Dat vond Bob allesbehalve prettig, en wij zagen het allen ook met angst +aan. + +Hij klimt in den boom! Hij klimt in den boom! Hij zal Bob verscheuren! +klonk het van alle kanten, en de burgemeester vond het meer dan tijd, om +een einde aan de zaak te maken. + +Tip, schiet dat beest dood! gebood hij. Spoedig, of het kost een +menschenleven. + +Jawel, burgemeester, zei Tip. + +Beiden begaven zich nu onder den boom. De beer klauterde rustig steeds +hooger, tot grooten schrik van Bob, die het hoogste punt al had bereikt. + +Schiet hem dood! herhaalde de burgemeester. + +Maar Tip had niet veel lust om te schieten, want hij wist, dat hij op de +revolver volstrekt geen meester was. + +Als ik misschiet, komt het beest stellig op mij af, dacht hij bij +zichzelven, maar hij zeide het niet en zag er weer zeer dapper uit. + +Schiet dan! gebood de burgemeester. Straks heeft hij dien jongen +bereikt, en dan is het te laat! Schiet! + +Tip legde aan, maar het wapen beefde hem in de hand en hij durfde niet +schieten. + +Je beeft, Tip! Je bent een lafaard! zei de burgemeester. + +Maar -- als ik misschiet, mijnheer de burgemeester, en in plaats van +den beer den jongen tref -- wat dan? + +Je bent een lafaard, Tip! herhaalde de burgemeester. + +Klim in den boom en snel den jongen te hulp! Dadelijk! Ik gebied het +je, Tip! + +Tip begon te klimmen, maar of de stam te dik voor hem was, of dat hij al +wat stijf begon te worden, weet ik niet; zeker is het, dat Tip bleef +waar hij was, aan den voet van den boom. + +Intusschen volgden honderden oogen in den grootsten angst den beer op +zijn tocht naar boven. Bob kon zich onmogelijk redden. Hij kon niet +hooger -- en niet lager ook. Zooals hij ons later vertelde, verkeerde +hij op dat oogenblik in doodsangst, tot hem plotseling een eenvoudig +middel tot redding in de gedachten kwam. + +De beer had thans den tak bereikt, waarop Bob zich bevond. Bob meende +dat zijn laatste oogenblik gekomen was, toen hij opeens bemerkte, dat +de beer hem in het geheel niet onvriendelijk aankeek. Daar herinnerde +Bob zich dat hij nog een stuk brood voor den beer in den zak had; en +nauwelijks had hij dat bedacht, of hij haalde het te voorschijn en stak +het hem toe. Bruintje at het met graagte op en liet een zacht gesnor +hooren, als om hem te bedanken. + +Bob begreep, dat hij van dit oogenblik gebruik moest maken, om zich in +veiligheid te brengen. Die waagt, die wint! mompelde hij. Hij greep +den beer bij het afgebroken touw, blies een kort deuntje op zijne +occarino, en zei toen met gebiedende stem: + +Hallo! Hop! Terug! Hallo! Terug! Hallo! Meteen rukte hij aan het touw, +zooals hij den berenleider had zien doen, als hij den beer iets gebood. + +Inderdaad -- het beest gehoorzaamde, zooals hij dat bij zijn meester +gewoon was. En nauwelijks bemerkte Bob, dat de beer ontzag voor hem had, +of hij klom naar omlaag, den beer steeds bij het touw vasthoudende. + +Hallo! Hallo! Hop! Hop! klonk het uit den boom, en alle menschen +hielden zich doodstil, om te zien, hoe dit af zou loopen. + +Daar kwam bruintje naar beneden klauteren, gevolgd door Bob, die niet +weinig trotsch op zijne heldendaad was. Nu hadden zij den grond weer +bereikt. + +Bob blies op zijne occarino. + +Hallo! Op! -- Op! gebood hij. + +En zie, onder een daverend gejuich van de toeschouwers ging bruintje op +zijne achterpooten staan en begon te dansen. Bob voerde den dansenden +kolos langzaam naar den wagen, bond vlug de einden van het touw stevig +aan elkander, wierp den beer het laatste stukje van zijn brood toe, -- +en ging bedaard heen. + +Hoera voor Bob, riep ik vol bewondering uit. + +En plotseling klonk het over het geheele marktplein, en ik moet zeggen, +dat oud en jong mededen, uit volle borst: + +Hoera! Hoera voor Wilden Bob! Hoera voor Bob! + +Juist op dat oogenblik kwam de berenleider uit de stad terug. De +burgemeester trad dadelijk op hem toe. + +Kunt ge dat beest niet beter vastleggen? Hij brengt het geheele dorp in +beroering en maakt het hier in hooge mate onveilig. + +Flip nam eerbiedig de pet van het hoofd, en zeide: + +'t Beest is niet gevaarlijk, mijnheer de burgemeester. + +Niet gevaarlijk! Wilt ge nu praatjes gaan verkoopen? 't Is toch een +verscheurend dier? + +In naam, ja burgemeester, maar inderdaad heeft hij nog nooit vleesch +geproefd. Ik heb hem zelf opgefokt, mijnheer de burgemeester, maar hij +heeft nooit anders dan brood van me gehad. Dat is de waarheid! + +Zoo, -- nu, dat kan mij niet schelen. 't Is een gevaarlijk dier, een +hoogst gevaarlijk dier. Indien ge hem niet beter kunt vastleggen, moet +ge morgen bij zonsopgang uit het dorp vertrekken. Dan kan ik u hier +geen langer verblijf toestaan. Hebt ge dat goed begrepen? + +Ik zal hem aan den ketting leggen, mijnheer de burgemeester, en ik sta +er u borg voor, dat hij niet meer loskomt. + +Doe dat, -- en wees gewaarschuwd, zei de burgemeester heengaande. Tip +volgde hem met lang geen opgeruimd gelaat. Hij begreep wel, dat hij in +het geheel geen kranig figuur gemaakt had. + +Maar Bob was onder ons, jongens, een held geworden van het zuiverste +water. Wij hadden den diepsten eerbied voor hem gekregen en achtten hem +tot de grootste heldendaden in staat. + +En heel ver hadden we dat niet mis. Maar Pieter-neef hebben we den +volgenden dag geducht uitgelachen, en dat had hij ook wel verdiend. + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + Een Zaterdag, die voor Jan van der Vliet verdrietig begon + en prettig eindigde. Hoe mijnheer Denappel ons onthaalde, + Bob eene edelmoedige daad verrichtte en + Tines Wobbe met een pijnlijk oorbelletje + getooid werd. + + +Den volgenden dag was het Zaterdag, -- de Zaterdag waarop wij onzen +wedstrijd op stelten zouden houden bij den Heer Denappel. Wat stelden +wij ons veel genot van dat feestje voor. + +'s Morgens moest ik natuurlijk eerst mijn huiswerk afmaken en mijn +gewonen tocht naar het orgel doen. Bob liet mij gelukkig dezen keer met +rust, want hij vermaakte zich met Karel Holm en Pieter-neef (die van +zijne Mama meer en meer verlof begon te krijgen, om met de dorpsjongens +om te gaan) op de markt bij den kermiswagen. + +Toen ik met mijn huiswerk gereed was, ging ik Jan van der Vliet afhalen, +die als gewoonlijk, den blaasbalg voor mij zou trappen. Ik vond Kees en +Trijn aan de tafel zitten, moedeloos en bleek. Ik zag, dat Trijn tranen +in de oogen had en dat zij in dien korten tijd zeer afgevallen was. Ik +groette beleefd en vriendelijk, zooals altoos, en zei, dat het mooi +weertje was, want iets anders wist ik niet te zeggen, en Kees zei ook, +dat het mooi weertje was. Verder werd er niet gesproken, want Jan was +spoedig gereed om mij te vergezellen. + +Eerst sprak Jan ook niet, maar toen wij dicht bij den koster waren, zei +hij op eens: + +Ik wou, dat ik dood was! + +En meteen begon hij te schrein. + +Ik wist niet, wat ik zeggen moest, en zei daarom niets. + +Ja, -- dood! herhaalde Jan. O Dorus, je weet niet hoe treurig het bij +ons in huis is. Vader zit den ganschen, langen dag stil bij de tafel, +zonder een woord te spreken, en Moeder doet niets dan schreien, -- +schreien van den morgen tot den avond. En als ik 's nachts wakker word, +hoor ik haar ook nog dikwijls snikken. En toch zijn Vader zoowel als +Moeder onschuldig, Dorus! Als zij dat niet waren, zou ik het toch moeten +weten, niet waar? + +Ja, dat denk ik ook, Jan, zei ik. + +Zeker, dat zou ik, vervolgde Jan. Dan zou ik het weten. Maar Vader en +Moeder zeggen, dat zij het niet gedaan hebben, en ik hoor hen er samen +wel over praten, als ik op bed lig en als zij denken, dat ik slaap. En +dan hoor ik het ook, dat zij onschuldig zijn, en dat het geld bepaald +met voordracht onder onze deur geschoven is, om zoo de verdenking op ons +te doen vallen. O, 't is afschuwelijk, Dorus, en ik kan het bijna niet +langer aanzien, dat Moeder wegkwijnt van verdriet. Ik wou, dat ik dood +was, Dorus. + +Wij stonden beiden stil, dicht bij het kostershuis. + +Dood zijn, Jan? zei ik. Dat is het ergste van alles. Neen, je moet +den moed niet laten zakken, en probeeren je ouders te troosten. Als zij +onschuldig zijn, zal dat eenmaal blijken. + +Ach ja, 't is wel vriendelijk van je, Dorus, om dat te zeggen, maar +eergisteren zijn Vader en Moeder voor den Officier van Justitie geweest, +en die heeft hen ondervraagd, en zij konden best aan hem merken, dat hij +niet aan hunne onschuld geloofde. En 't is ook waar, dat zij den schijn +tegen zich hebben, -- dat moet ik zelf zeggen. Ik geloof, dat het slecht +zal afloopen, Dorus. + +Je kunt niet weten, hoe het nog uitkomt, zei ik. Maar willen we nu de +sleutels gaan halen? + +Zwijgend gingen wij verder. De koster was in den tuin aan het werk, en +Arie de Zwaan zat op een bankje achter het huis. + +Zoo, kom je de sleutels halen? vroeg hij aan mij. En Jan aanziende +vervolgde hij met een grijnslachje, dat hem erg leelijk maakte: + +Wel kijk, daar hebben we Jan van de dievenfamilie ook. Je moogt wel op +je porte-monnaie passen, Dorus. + +Ik zag, dat Jan doodsbleek werd en de vuisten balde. + +Dat is laster, -- gemeene laster! siste hem tusschen de lippen door. + +Kijk, kijk zoo'n klein kereltje zich al eens boos maken, lachte Arie +sarrend. Niets uit de kerk menemen, hoor kleine langvinger. + +Kom Jan, laten we gaan, zei ik, want ik had medelijden met hem. + +Maar Jan wilde niet. Zonder een woord te spreken vloog hij op Arie toe, +krabde hem in het gelaat, en schopte en sloeg hem overal, waar hij hem +raken kon. De arme jongen huilde van verontwaardiging, nu hij z over +zijne ouders hoorde spreken. + +Dat viel Arie tegen en het deed hem zeker veel pijn. Want hij stond +driftig op en wierp Jan met een ruk achterover op de straat, en hij keek +heel boos. + +Jou kleine adder! riep hij Jan toe, die grappen zal ik je afleeren! + +Hij kwam met groote schreden op Jan af, maar ik plaatste mij tusschen +hen en duwde Jan voort. De strijd was veel te ongelijk. Hoe zou Jan het +kunnen uithouden tegen een volwassen man als Arie de Zwaan? + +We zullen op je letten, kleine langvinger, pas op, dat je niets mee +neemt uit de kerk! riep Arie hem nog na. Wij weten te goed, dat het +muist wat van de katten komt. + +Laat hem praten, Jan, en stoor er je niet aan, zei ik, om Jan te +troosten. + +De valschaard! Wat denkt hij wel? Maar bang ben ik niet van hem! zei +Jan schreiend om den hoon, die zijn ouders was aangedaan. + +Wij gingen nu de kerk binnen, en ik begon te spelen. Maar Jan kwam niet +bij me staan, zooals hij gewoonlijk deed. Hij bleef op de trappers en +telkens hoorde ik hem snikken. Hij was geheel en al in de war. + +Ook mijne aandacht was niet bij het spel. Telkens moest ik aan die arme +menschen denken, die onder zoo ontzaglijk veel verdriet gebukt gingen en +toch geheel onschuldig waren. Want daaraan twijfelde ik, na Jans +woorden, niet langer. + +Ik was blij, toen mijn studietijd om was en ik naar huis kon gaan. De +sleutels bracht ik alleen terug, want ik vond het beter, dat Jan maar +niet meeging. Dat vond hij trouwens zelf ook beter. + +Doe je straks mede aan den wedstrijd? vroeg ik hem onder het naar huis +gaan. + +Ik moest maar thuisblijven, zei hij met een diepen zucht. Veel lust +heb ik er nu toch niet in, nu wij zooveel narigheid hebben, en de +jongens zien mij liever niet dan wel. + +Dat geloof ik niet, zei ik, om hem te troosten, maar ik wist, dat het +waar was. + +Zeg dat niet, Dorus, ik heb het gisteren zelf gezien. Jij alleen bent +net als altijd, Dorus, en dat vind ik mooi van je. Dat zal ik nooit +vergeten. + +En Bob dan? -- En Karel Holm? vroeg ik. Zij zullen je ook niet uit +den weg gaan. + +Neen hoor, -- daar kun je op rekenen, Jan! hoorden wij plotseling eene +stem zeggen van achter eene haag, die langs den weg stond. En toen we +goed toekeken, zagen we Bob, die daar stil was weggekropen, om ons af te +wachten. Hij kwam nu te voorschijn. + +Kom jij maar gerust, hoor Jan, en als er n jongen is, die het je +lastig maakt, krijgt hij met mij te doen! + +Die woorden kwamen er zoo gul uit, dat het mij in mijn hart goed deed. +En Jan klaarde er ook heelemaal van op. + +Zou ik het doen? vroeg hij weifelend, en wij zagen duidelijk, hoe +graag hij wilde. + +Zeker, -- doen! zei Bob op zijn beslisten toon. Als je het niet doet, +dan ben ik boos op je. Ik kom je afhalen, hoor Jantje, tot straks! + +Dat was fideel van Bob. + +Ik ook! riep ik Jan nog na, die al op den Achterweg liep. + +Goed. -- Ik doe me! klonk zijn antwoord. + +Wij hielden woord. + +Bob en ik haalden Jan af en met ons drien stapten we, op stelten +natuurlijk, den Achterweg op, waar wij de jongens in de verte al hoorden +joelen. + +Ha, de vlaggen wapperden vroolijk in den wind! Wat was dat een mooi +gezicht. Wij huppelden bijna op onze stelten van pleizier, en zelfs Jan +werd er vroolijk van. + +Wat is mijnheer Denappel toch vriendelijk! zei hij opgetogen. 't Is +een man, zooals er maar weinig zijn. + +Dat waren wij volkomen met hem eens. Wij zagen hem in de verte al druk +rondloopen, om alles in orde te brengen. + +Aan elk einde van de baan staat zeker eene vlag, zei Bob. Jongens, +wat ben ik nieuwsgierig, wie den prijs zal winnen. + +Jij natuurlijk, zei Jan. + +Ja, of Tines Wobbe, zei Bob. Die kan het ook vlug. + +Doet Pieter niet me? vroeg ik. + +Ja, hij is er al. Pa heeft hem een paar nieuwe stelten cadeau gegeven, +waar hij heel blij mede was. Maar winnen zal hij het wel niet, want hij +kan het nog niet vlug. Doch dat hindert niets; hoe meer zieltjes, hoe +meer vreugd, zeg ik maar. + +Wij hadden nu de kampplaats bereikt, waar eene buitengewone drukte +heerschte. Zoo doodsch en stil als het gewoonlijk op dit gedeelte van +den Achterweg was, zoo levendig was het er thans. De jongens, allen op +stelten, liepen en sprongen door elkander heen; hun lachen en joelen +klonk ver in het rond en de vlaggen wapperden vroolijk. + +Opeens werd het stil onder den troep, want Tines Wobbe zei op luiden +toon, zoodat iedereen het verstaan kon, en met een minachtenden trek op +het gelaat: + +Moet hij ook medoen? + +Bij die woorden wees hij op Jan van der Vliet, en de wijze, waarop hij +dat woordje _hij_ uitsprak, deed ons allen pijn. Ik zag, hoe Jans +vroolijkheid ineens verdween en dat hij bleek werd van schaamte. Juist +wilde ik voor hem in de bres springen, toen Bob van zijne stelten stapte +en vlak voor Tines ging staan. + +Ja, Tines Wobbe, hij zal ook medoen. Ik wil hopen dat je daar niets +tegen hebt? + +Als hij medoet, ga ik naar huis! zei Tines, en smalend liet hij er op +volgen: Met zulk volk houd ik mij niet op. Ik denk, dat mijnheer +Denappel er ook niet op gesteld zal zijn, dat hij aan den wedstrijd +deelneemt. + +Dus als Jan meedoet, zullen we van jou gezelschap verstoken zijn, Tines +Wobbe? vroeg Bob. Wel, jongen, ga dan maar dadelijk naar huis, want +Jan blijft hier en doet ongetwijfeld me. Ik ben het overigens volkomen +met je eens, dat jij veel te goed voor hem zijt, dus -- dag Tines! + +Bob nam zijn hoed voor Tines af en maakte eene diepe buiging voor hem, +waarom wij allen moesten lachen. + +Dat zou jij wel willen, h Bob? zei Tines, die er toch eigenlijk niet +veel lust in had, om den wedstrijd in den steek te laten. Dan was jij +vrij zeker van den prijs! + +Juist, Tines. Praat nu maar niet langer, en ga heen. Dag Tines! + +Voor jou ga ik niet, Bobbertje. Jij hebt hier niets te zeggen, voor +zoover ik weet. + +Nu was Bobbertje een naam, dien Bob alleen maar door zijne beste +vrienden kon hooren uitspreken. Zoodra het een scheldnaam werd, ergerde +hij er zich vreeselijk aan. + +Bobbertje! zei hij driftig. Zeg dat nog eens, als je durft! + +Dat durf ik wel, Bobbertje! zei Tines sarrend. + +Flap! Daar kreeg hij een klap om zijne ooren, dat het klonk als eene +klok. + +Flap! Daar kreeg Bob er een terug, die ook niet mis was. + +'t Werd eene formeele vechtpartij. Gelukkig, dat juist op dit oogenblik +mijnheer Denappel verscheen en de vechtenden scheidde. + +Ho, ho, vgiendjes, wat is hieg te doen? vroeg hij vriendelijk. Mag +ik eg jelui aan heginnegen, dat ik je niet uitgenoodigd heb, om hieg te +komen vechten? Je bent abuis, vgiendjes, geheel abuis. We zijn hieg bij +elkandeg gekomen, om een pgettigen wedstgijd op stelten te houden. Was +je dat veggeten? + +Bob en Tines lieten elkander los, en Bob zeide: + +Ja mijnheer, dat weet ik wel, maar Tines.... + +Wel kijk, daag hebben wij onzen vgiend van deg Vliet ook. Daag ben ik +zeeg blij om, zeeg blij. Geef mij de hand, jongen. + +O, wat werd Jan verheugd bij die hartelijke woorden, en wat keek Tines +Wobbe leelijk op zijn neus. Wij hadden er groote pret van. + +En nu niet meeg vechten, hoog. Komt, jongens, 't is tijd om te loten. +Maag eegst mag ik jelui zekeg wel tgakteegen op een glaasje heeglijken +appelwijn? + +Wat graag, mijnheer, wat graag! klonk het rondom, en allen gingen wij +mede naar den tuin, waar een paar tafeltjes en eenige banken voor ons +gereed stonden. Ook was daar een groote glazen kom, waarin mijnheer +Denappel de nummers deed, netjes opgerold en in een ringetje gestoken, +opdat alles eerlijk in zijn werk zou gaan. Zoodra wij den appelwijn +genoten hadden, begon de loting. Dat was een gewichtig oogenblik, want +van de loting hing heel veel af. Wij waren met ons twaalven; niet, dat +het aantal jongens niet grooter was; o ja, er waren er wel vijftig, maar +de anderen waren nog te jong, om aan den wedstrijd deel te nemen. Zij +waren alleen maar toeschouwers, en verhoogden als zoodanig de +feestvreugde niet weinig. Ook waren zij wel terdege de gasten van +mijnheer Denappel, evengoed als wij. Als er appelwijn geschonken werd, +of als er taartjes gepresenteerd werden, waren zij er bij als de +kippetjes. + +Hier volgt het lijstje van de nummers, die getrokken werden: + + 1. Pieter van Koorde. + 2. Jan van der Vliet. + 3. Adriaan Bolt. + 4. Tines Wobbe. + 5. Huibert de Leeuw. + 6. Dorus Volmaar. + 7. Karel Holm. + 8. Bob de Wild. + 9. Cor Valk. + 10. Dirk Langeraar. + 11. Arie Kooy. + 12. Karel Buurs. + +Ik had het vrij goed getroffen, want Huibert de Leeuw was niet bijzonder +vlug op de stelten, zoodat ik het gemakkelijk van hem winnen kon. Maar +Jan van der Vliet was nog veel gelukkiger geweest, want Pieter van +Koorde kon er maar weinig van, terwijl Jan er juist tamelijk vlug op +was. Voor Bob en Karel was het erg jammer, dat zij juist tegen elkander +moesten loopen, hoewel het moeilijk vooruit te zeggen was, wie van hen +het winnen zou. Bob was er iets vlugger op dan Karel, dat is waar, maar +als Bob het ongeluk had te vallen, was hij verloren. + +Komt jongens, we gaan beginnen! riep mijnheer Denappel, toen hij onze +namen in volgorde opgeschreven had. Wie twee gitten veglogen heeft, is +dood, -- goed begepen? + +Best begrepen, mijnheer. Wij zijn klaar. + +Numego 1 en 2! riep mijnheer Denappel, zich bij de vlag plaatsende aan +het begin van de baan. Aan het andere einde, waar de vlag een seinpaal +vormde, stond een van zijne bedienden, die na elken rit de vlag zou doen +zwenken naar den kant van den winner. + +Pieter van Koorde en Jan van der Vliet stonden gereed. + +Een -- twee -- dgie! riep mijnheer Denappel, en bij den derden tel +ging het voorwaarts. + +Och, och, wat huppelde Pieter nog raar op die stelten, en wij moesten er +smakelijk om lachen, maar toch vonden wij het flink van hem, dat hij +meedeed. + +Pieter-neef is zoo kwaad nog niet, zei Bob vrij eigenwijs, als hij +lang bij ons blijft, zal hij wel opknappen. + +Een oogenblik later ging de vlag over naar de zijde van Jan. Deze had +het dus gewonnen, en Pieter kreeg een streepje. + +Numego dgie en vieg! klonk het nu. + +Adriaan Bolt en Tines Wobbe waren nu aan de beurt. + +Nu, wij konden wel vooruit zeggen, wie van deze twee het winnen zou, +want tegen Tines Wobbe kon bijna niemand loopen. De vlag maakte even +later bekend, dat wij goed gezien hadden, en Adriaan Bolt kreeg ook een +streepje. + +Numego vijf en zes! + +Nu was ik aan de beurt. + +Niet al te hard, Dorus! zei Huibert, want dan lachen ze me uit, als +ik het zoo ver verlies. + +Je zult er met eere afkomen! riep ik hem toe, en inderdaad won ik het +met slechts een kleinen voorsprong, maar ik had ook bij lange na zoo +hard niet geloopen, als ik kon. + +Nu volgden Bob en Karel. Dat beloofde een mooien toer, want zij konden +het beiden best. + +Een -- twee -- dgie! riep mijnheer Denappel, en daar gingen ze. O, o +wat liepen die twee. 't Scheen bijna, of zij geen stelten onder de +voeten hadden, en langen tijd bleven zij precies gelijk. 't Was +prachtig, om te zien. + +Tik, daar sloegen opeens de stelten van Bob tegen elkander, Bob maakte +eene buiteling, -- en kreeg een streepje. + +Toen kwamen Cor Valk en Dirk Langeraar, ook een paar, dat aan elkander +gewaagd was. Maar Cor Valk won het toch, en van de laatste twee was +Karel Buurs de baas. Nu hadden wij allen n loop gedaan, en we zouden +aan den tweeden beginnen. + +Maag eegst een taartje en een kleine vegfgissching. riep mijnheer +Denappel ons toe. Ik geloof, dat de brave man evenveel pret had als wij. +En wat kwamen er een toeschouwers. 't Werd een feest van belang! + +Nu begon de wedstrijd nog belangwekkender te worden, want wie thans weer +een streepje kreeg, mocht niet meer medoen. + +Pieter van Koorde was de eerste doode, en wij omringden hem met ernstige +gezichten, om hem te condoleeren. Toen volgde Adriaan Bolt, en daarna +Huibert de Leeuw. Bob won den tweeden rit, zoodat hij en Karel Holm +er nu ieder een gewonnen hadden; zij moesten dus nog eenmaal kampen. +Datzelfde was het geval met Cor Valk en Dirk Langeraar. Eindelijk kreeg +ook Arie Kooy zijn tweede streepje. + +Nu volgden de kampritten. Allen waren wij nieuwsgierig naar den uitslag. + +Numego acht en negen! riep mijnheer Denappel. + +Karel en Bob stonden gereed, en nauwelijks hoorden zij het woordje +dgie, of daar gingen zij. Ha, 't was een lust hen te zien gaan! Langen +tijd bleven zij gelijk, tot eindelijk Karel Holm een klein weinigje +begon te winnen. Wij rekten de halzen uit, om te zien, wie het eerst bij +den eindpaal zou zijn. Bob spande zich bovenmatig in, maar Karel bleef +voor, tot hij opeens struikelde en viel. En nog vor hij kon opstaan had +Bob de vlag bereikt en was Karel dood. + +Vijf minuten later trof Dirk Langeraar hetzelfde lot en trad Cor Valk +als overwinnaar uit het strijdperk. + +Op dit oogenblik gingen de zes dooden dicht bij elkander zitten, en +hieven een jammerlijk gehuil aan. Mijnheer Denappel schrikte er van en +spoedde zich dadelijk naar de plaats, vanwaar het misbaar opging. + +Wel vgiendjes, -- wel vgiendjes, wat scheelt eg aan, wat is eg? vroeg +hij ontsteld. + +En toen jammerde de geheele troep in koor: + +We zijn dood! -- We zijn dood! O, o, we zijn dood! Wij moesten +geweldig lachen om die dwaasheid, en mijnheer Denappel niet het minst. + +Agme jongens, zei hij op medelijdenden toon, wat is dat jammeg, +want ik meende juist nog een glaasje appelwijn en een taagtje te +pgesenteegen. Maag nu behoef ik dat bij jelui niet te doen. + +We zijn al weer levend! klonk het dadelijk uit zes monden tegelijk, en +de zes dooden liepen om het hardst naar de tafel in den tuin, waar de +versnaperingen rondgedeeld werden. + +Wij waren nu nog met ons zessen overgeschoten, in deze volgorde: + + 1. Jan van der Vliet. + 2. Tines Wobbe. + 3. Dorus Volmaar. + 4. Bob de Wild. + 5. Cor Valk. + 6. Karel Buurs. + +Jan en Tines waren nu dus het eerst aan de beurt, en wij durfden +gerust voorspellen, dat Jan het verliezen zou. Hij was wel een goed +steltlooper, maar Tines was de vlugste van ons allen. Toch hadden wij +ons vergist, want beide keeren had Tines het ongeluk te vallen, terwijl +Jan harder scheen te loopen, dan wij ooit van hem gezien hadden. + +Numego dgie en vieg! riep mijnheer Denappel, en nu moest ik tegen Bob +draven. + +Houd je goed, Dorus! riepen sommigen mij toe. Vooral Tines Wobbe, die +nu ook dood was, scheen Bob de overwinning in het geheel niet te gunnen. +Hij moedigde mij met luider stem aan, mijn leven zoo duur mogelijk te +verkoopen. + +Bob keek hem eens met een schuin oog aan, en zei: + +Hij gunt mij niet veel goeds, Dorus. Wat zou hij lachen als ik het +verloor. + +Laat hem, Bob. Wij zullen er eerlijk om kampen, en elkaar niet boos +aankijken, als het straks beslist is, hoe die beslissing ook zijn moge. + +Natuurlijk, was het eenvoudige antwoord. + +Klaag? riep mijnheer Denappel. Vooguit dan. En-twee-dgie! + +Ik liep, wat ik loopen kon, en maakte naast Bob lang geen gek figuur, +want ik bleef hem kort op de hielen. + +Tines Wobbe riep mij voortdurend toe: + +Houd vol, Dorus! Je wint! Je wint! Houd vol! + +Maar het mocht niet baten. Twee keeren achtereen werd ik door Bob +verslagen. Ik was dood. + +Van het laatste tweetal bleef Cor Valk de baas, zoodat er nu nog maar +drie overbleven, en wel Jan van der Vliet, Bob de Wild en Cor Valk. + +Eerst moesten Jan en Bob loopen. + +Nu zal Jan den prijs winnen, fluisterde Bob mij toe. Als ik het tegen +hem verlies, schieten hij en Cor Valk alleen over en van Cor kan hij het +wel winnen. + +Dus je wilt het hem laten winnen? + +Ja, zei Bob, ik zou zoo graag willen, dat hij den eersten prijs won, +al was het alleen maar, om Tines Wobbe te plagen. + +Maar dan win jij niets? zei ik. En je loopt het hardst. + +Dat hindert niet. Ik wil Tines nu eens echt boos zien worden. + +Neen Bob, dat weet ik wel beter. 't Is volstrekt niet, omdat je Tines +kwaad wilt maken, maar omdat je medelijden met Jan hebt. Dt is de +reden. + +Gekheid! zei Bob heengaande. Je hebt het mis, hoor Dorus, heelemaal +mis! + +Jan en Bob stonden gereed, en na de gewone drie tellen staken zij af. +Jan liep wat hij loopen kon, al was het dan ook niet, om te winnen, want +hij wist wel, dat Bob sneller liep dan hij. Zijne verbazing kende dus +bijna geen grenzen, toen hij bemerkte, dat Bob wel dicht bij hem, maar +toch steeds achter hem bleef en het maar niet scheen te kunnen winnen. + +Kijk eens, riepen de jongens, die zich verwonderden over hetgeen zij +zagen, kijk eens, Jan wint het van Bob! Houd je goed, Bob, houd je +goed. -- Kijk, Bob verliest -- nog een oogenblik -- wel heb ik van mijn +leven, Bob heeft het verloren! Hoe is dat mogelijk? + +Ik lijk wel moede te worden, zei Bob, toen de jongens hem bestormden +met de vraag, hoe dit mogelijk was. + +Dat is vreemd zei Jan, want ik ben in het geheel niet mo. + +Nu volgde de tweede rit, en -- met denzelfden uitslag. Bob had twee +streepjes en was dus dood. + +Thans moesten na eene kleine pauze Jan en Cor Valk om den eersten en den +tweeden prijs kampen, en de uitkomst was, zooals Bob die voorspeld had. +Jan won den eersten en Cor den tweeden; zoodat alles heel anders was +afgeloopen, dan wij gedacht hadden. + +Wat was Jan van der Vliet blij! + +Toch kan ik het mij niet begrijpen, Bob, zei hij, want jij loopt toch +veel beter dan ik. + +Wacht maar, Jantje, zei Bob, die er ook zeer verheugd uitzag, nu zijn +list zoo goed gelukt was, ik zal het later wel eens beter overdoen, dat +beloof ik je! + +Nu naag den tuin, zei mijnheer Denappel. En wij volgden hem allen, om +getuigen te zijn van de prijsuitdeeling. + +Hij plaatste zich achter de tafel en liet Jan en Cor tegenover hem +staan. Daarachter stonden wij allen op een hoop gedrongen. 't Werd nu +stil, en mijnheer Denappel zeide: + +Waagde Vgiendjes! Ik heb een gecht pgettigen middag gehad en met +vgeugde heb ik gezien, dat je op de stelten gechte bazen bent. 't Spijt +me wel, dat ik voog iedeg van jelui geen pgijs beschikbaag heb, want ik +zou eg je gaag allen een geven. Dat kan nu eenmaal niet. Hieg heb ik een +pgachtig boek in een fgaaien band, en dat boek geef ik jou, Jan van deg +Vliet, omdat ik tot mijne vgeugde gezien heb, dat jij vlugste van allen +zijt. Hieg, mijn jongen, lees eg pgettig in! Het heet Gobinson Cguso. + +Met een hoog rood gelaat van blijdschap nam Jan het prachtige boek aan. + +Mijnheer Denappel drukte hem de hand en Jan betuigde zijn dank. + +En hieg heb ik den tweeden pgijs, Cog Valk, een boek, waagin je de +avontugen kunt lezen van den Bagon van Munchhausen. Dat boek heb jij +eeglijk gewonnen; ziedaag, neem het van mij aan, en lees het met +pleizieg. + +Ook Cor nam onder dankbetuiging zijn prijs in bezit. + +En nu heb ik hieg nog een fgaaie pogte-monnaie, vervolgde mijnheer +Denappel, en ik beggijp, dat je nieuwsgiegig zijt, aan wien ik die zal +geven. Dit voogwegp is geen pgijs, vgiendjes, die doog dezen of genen +gewonnen is, neen, -- 't is een cadeau, dat ik geef, aan wien ik wil. En +nu geef ik haag aan Bob de Wild, omdat die agme jongen z bijzondeg +moede gewogden is dezen middag, dat hij op het laatst lang zoo hagd niet +meeg kon loopen als in het eegst. 't Is dus uit medelijden, dat hij dit +geschenk van mij kgijgt. + +Hij reikte de porte-monnaie aan Bob over en knipoogde bijna onmerkbaar +tegen hem. Ik zag het en begreep nu zeer goed, dat hij opgemerkt had, +hoe Bob met voordacht Jan den prijs had laten winnen, wat hij zeker eene +mooie daad van Bob vond. + +Bob bedankte hartelijk voor het mooie geschenk en was er zeer blijde +mede. Hij deed de beugels open en dicht, en zeide tegen ons: + +'t Is eene beste, hoor haar maar eens flink dichtknippen. En haar +Tines bij het oor houdende zeide hij: Luister maar, Tines, je kunt het +best hooren. + +Tines luisterde, maar hoorde niets. Wel voelde hij plotseling eene +hevige pijn in zijn oorlelletje, en dat was geen wonder, want Bob had +zijn cadeau er zoo dicht bijgehouden, dat het vel er tusschen geknipt +zat. O, o, wat schreeuwde Tines benauwd, en met de porte-monnaie aan het +oor, sprong hij als een wilde door den tuin rond. + +'t Was een dwaas gezicht, waarover wij verbazend veel pret hadden. Bob +stond te schudden van het lachen, en ik geloof zelfs op dit oogenblik +nog, dat de ondeugd het er om gedaan had. + +Mijnheer Denappel verloste Tines van het pijnlijke oorbelletje en gaf +het Bob terug, daarbij dreigend den vinger tegen hem opstekende. + +Wij bleven nu nog prettig een paar uren in den tuin spelen, en +vertrokken pas toen het al donker begon te worden. Ons luid: Lang zal +hij leven! Hoezee! Hoezee! ter eere van mijnheer Denappel, weerklonk +over het geheele dorp. + +'t Was een heerlijke middag geweest. + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + Van een klein bakkertje en een grooten wagen. Hoe wij + eene wandeling door het bosch maakten en Burts ontmoetten. + Onze vlucht en de gevolgen daarvan. + Pieter komt tot de ontdekking, dat het in + het bosch spookt. + + +'t Zal een dag of drie later geweest zijn, toen wij met ons vieren, Bob +en zijn neef Pieter, Karel Holm en ik, eene wandeling maakten door het +dorp. Pieter zou den volgenden dag weer met zijne Mama naar Amsterdam +terug keeren. Ik zeg, dat wij eene wandeling maakten, maar dat is +eigenlijk niet geheel juist, want we stonden heel dikwijls stil, b.v. +als Bob zich verbeeldde, een grooten visch aan de oppervlakte van het +water te zien zwemmen, of als Karel dacht, in het kreupelhout langs den +weg een egel te zien, of als wij een meikever meenden te hooren brommen +en vruchteloos naar het onschuldige diertje uitzagen, met het vaste +voornemen, om hem te vangen, als ons dat mogelijk was. Soms ook zaten +wij vertrouwelijk aan den kant der beek, en staarden naar de kabbelende +golfjes en luisterden naar het suizelen van het riet, of maakten kleine +scheepjes van de bladen daarvan, die wij op het water lieten drijven. + +Opeens begon Bob te lachen, zonder dat wij de reden daarvan konden +bevroeden. + +Waar heb jij zoo'n pret over, Bob? vroeg ik. + +Ach, zei hij, zie je ginds dien grooten broodwagen wel, daar bij het +huis van Wobbe? + +Ja wel, zei Karel, maar het grappige daarvan zie ik nog niet in. + +Neen, ik ook niet, zei ik. + +Dat wil ik wel gelooven, hernam Bob. Nu moet je straks eens kijken, +als de bakker terugkomt. Dat mannetje is zoo klein als de wagen groot +is, en als hij nu brood uit dien wagen moet krijgen, gaat hij op de +ijzeren trede staan, die je daar ziet, en duikt bijna geheel in zijne +kar weg. + +En is dat nu zoo grappig? vroeg ik. + +Kijk, zei Bob, daar komt hij weer. Flap! Het deksel doet hij open, en +wip -- nu staat hij op de trede. Ha-ha, daar gaat hij weer voorover, den +wagen in. Zie je nu wel, hoe grappig! Hij verliest bijna zijn evenwicht. +Je zoudt zeggen, wat moet zoo'n klein manneke nu met zoo'n grooten wagen +doen? Als hij een klein beetje hulp krijgt, wipt hij voorover op zijne +bollen en stoeten. Ha-ha-ha! + +Nu, 't was inderdaad wel grappig te zien, hoe het kleine bakkertje zijne +brooden uit den wagen opdiepte. Maar bijzonder sterk interesseerde de +zaak ons toch niet. Alleen Bob vond het verbazend grappig. + +Zeg jongens, riep hij ons toe, ik kan het heusch niet laten, hoor. Ik +moet hem een handje helpen! + +Om eene duikeling in de wagen te maken? vroeg Karel, wien het plan ook +wel min of meer toelachte. + +Natuurlijk! zei Bob. + +Ik zou het je afraden, zei Pieter. Ik acht het eene gevaarlijke +onderneming. + +Gevaarlijk is ze nooit, want als ik het deksel dicht doe, kan hij er +nooit meer uit! zei Bob. Dan is het Hugo de Groot in de boekenkist! Ik +ga, jongens, die grap moet ik hebben. + +Wij stonden op, om te zien, hoe het zou afloopen. + +Bob ging regelrecht op den wagen af. De bakker was weer bij een huis +aangegaan, om zijne waar te verkoopen, maar weldra kwam hij terug. + +Ja, daar ging het deksel weer open en stapte hij op de trede. Een +oogenblik later verdween zijn bovenlijf in de kar. Zie, hij moest zelfs +op de teenen gaan staan, om in alle hoeken te kunnen komen. + +Dit oogenblik had Bob afgewacht. Vlug als de wind gaf hij den braven man +een duwtje -- en, o heden, wat was het een bespottelijk gezicht -- daar +duikelde de bakker voorover in zijn wagen. In het volgende oogenblik was +het deksel dicht. + +Och, och, wat moest die Bob geweldig lachen! Een paar vrouwtjes, die het +tooneeltje van achter hare ramen, waar zij kousen zaten te stoppen, +hadden aangezien, kwamen verontwaardigd naar buiten snellen. Wij vonden +het ook wel grappig -- maar toch zouden wij ons nog wel eens bedacht +hebben, eer wij het gedaan hadden. + +Bob zette het op een loopen, zooals van zelf spreekt. Hij behoefde niet +bang te wezen, dat de bakker niet uit zijne gevangenis verlost zou +worden, want het gebeurde midden in het dorp, zoodat verscheidene +menschen het hadden gezien. Bovendien steeg er zulk een jammerlijk +gehuil uit den wagen op, dat men het wel hooren moest. + +Wel, wel, wat een portale jongen! zei een van de vrouwtjes, die naar +buiten gekomen waren. Je zoudt zeggen, waar haalt de jongen de +portaligheid vandaan? + +Zij zette hare handen in de zijden en schudde bedenkelijk met het hoofd. + +Ja buurvrouw, was het antwoord, dat mag je zeggen, m'n lieve mensch. +Wil je wel gelooven, dat ik er beduusd van ben? De schrik zit me nog +door me heele lijf, zoowaar als ik hier voor je sta. + +Hoor me dien man eens aangaan! zei weer de eerste, zonder evenwel eene +hand uit te steken, om hem te helpen. + +'t Is eene schande, dat zeg ik maar, en die jongen groeit op voor galg +en rad. Help maar eens kijken! + +'t Is zeker wilde Bob wel weer geweest? vroeg de andere. + +Help! Help! klonk het onophoudelijk uit den wagen, uit welke +noodkreten wij duidelijk konden opmaken, dat het den kleinen bakker +volstrekt niet beviel in zijn Luilekkerland. + +Op dit oogenblik kwam Bob zoo brutaal mogelijk terugloopen. De +aardigheid scheen hem lang genoeg geduurd te hebben, want met eene +behendige beweging maakte hij het deksel los en lichtte het een weinig +op. Op hetzelfde oogenblik verscheen het verschrikte hoofd van den +bakker boven den rand, daarna zijn bovenlijf -- en nu zette Bob het voor +de tweede maal op een loopen, zoo snel als hij kon. Hij vloog langs ons +heen. + +Komt jongens! riep hij ons toe. Loopen, hoor, want als hij je krijgt, +zal het je niet bevallen. + +Nu, wij waren doodonschuldig aan de geheele zaak, dat kan niemand +ontkennen, maar toen wij zagen, welke booze blikken de bakker op ons +wierp en hoe hij naar zijne zweep zocht, vonden wij het geraden, ook het +hazenpad te kiezen. Wij volgden daarom Bob meer overhaast dan eervol en +hadden hem weldra ingehaald. + +Het laatste huis van het dorp hadden wij spoedig achter ons en zonder +een bepaald plan te hebben sloegen wij een smal pad in, dat naar het +bosch van Baron van den Kasteele voerde. Dat de bakker ons niet meer +vervolgde, hadden wij al sedert lang opgemerkt. Wij vertraagden dus +onzen gang en liepen doelloos verder. + +Zoo kwamen wij aan den ingang van het bosch, waar op een bordje, dat aan +een hoogen iep was getimmerd, de woorden Verboden Toegang te lezen +stonden. + +Willen wij er ingaan? vroeg Karel. 't Ziet er daar zoo echt prettig +uit. + +Mij goed! zeiden Bob en ik. + +Maar er staat Verboden Toegang! op dat bordje, zei Pieter, op de +waarschuwende woorden wijzende. Zouden we er geen kwaad mede kunnen? + +Och kom, wees wijzer, zei Bob. Dat bordje doelt alleen op stroopers, +die hier wel eens komen. Wij gaan er geen kwaad doen. + +Pieter keek zijn neef Bob met een wantrouwigen blik aan. Blijkbaar was +hij daarvan niet erg zeker. + +Kom, Pieter, niet zeuren, zei Karel. Als we den boschwachter tegen +komen, waarvan wij natuurlijk niet veel gevaar loopen, omdat het bosch +zoo groot is, zullen wij er ons zonder murmereeren weer uit laten jagen, +dat is alles. Dan heeft de goede man alle redenen tot tevredenheid en +kan hij niet anders getuigen, dan dat wij brave jongens zijn. + +Die woorden van Karel kwamen ons zeer juist voor, en ook Pieter scheen +er door overtuigd te zijn, want na enige weifeling volgde hij ons het +bosch in. + +Wat was het daar heerlijk. De boomen verhieven hunne zacht wuivende +kruinen hoog in de lucht en wij baadden ons als het ware in de geur +van het jonge groen, dat ons omgaf. Wat stak dat lichte voorjaarsgroen +prachtig af tegen den donkeren achtergrond van de sparren en dennen, die +daar in grooten getale werden gevonden. Wij hoorden de nachtegalen slaan +en de ooievaars klepperen. O, 't was er verrukkelijk! + +Manmoedig stapten wij in het bosch voort, doch -- al hielden wij ons +zeer heldhaftig en al riepen wij Pieter om 't hardst toe, dat hij gerust +me kon gaan en geen vrees behoefde te koesteren, toch waren wij zelf +ook niet geheel op ons gemak, want de Baron was een lastig man, en zijn +boschwachter, die Burts heette, was zelfs algemeen gevreesd. + +Al spoedig begon het terrein heuvelachtig te worden, zoodat wij berg-op, +berg-af gingen. Nu eens zaten wij op den top van een hooge duin, vanwaar +wij een prachtig gezicht hadden op de omgeving, dan weer lagen wij te +rusten in eene vallei, die aan alle zijden door heuvels ingesloten was. +In een van die vallein vonden wij een pas gegraven kuil, die zoo diep +was, dat het water er wel ruim een meter hoog in stond. Over den kuil +lag eene plank. + +Wat zou dat zijn? Waartoe zou de Baron dien kuil gegraven hebben? +vroeg Bob, die midden op de plank stond en met een langen tak van een +boom peilde, hoe diep het gat wel zou zijn. + +Ik weet het niet, zei ik. + +Ik geloof, dat de Baron eene waterleiding wil aanleggen naar zijne +villa, zei Karel. Het zou best kunnen zijn, dat die hier gemaakt +wordt. + +Wel mogelijk, zei Bob. Pas op, Karel, niet zoo dringen, want als ik +van de plank val, ben ik doornat. + +Maar Karel hield niet op, en nu begonnen die twee eene stoeipartij, +waaraan wij weldra allen mededen. Wij waren evenwel zoo verstandig de +plank te verlaten, want niemand van ons had lust een nat pak te halen. +Al stoeiende werden wij hoe langer, hoe wilder. Wij zaten elkander na +tegen de hoogten op en lieten ons dan weer van boven-af neerrollen, +wat wij buitengewoon vermakelijk vonden. Soms renden wij, zoo hard wij +loopen konden, van de hoogte af naar omlaag, de plank over en dan +weer tegen den tegenoverliggenden heuvel op, zoodat wij zwoegden van +inspanning. Wij vermaakten ons kostelijk en waren weldra zoowel den +baron als zijn boschwachter vergeten. + +Kwaad deden wij niet, althans in het eerst niet, maar dat zou +veranderen. Bob kon nooit ergens afblijven, en zoo ook nu niet. Toen +wij eenige keeren in vollen draf over de plank gegaan waren, begon Bob +de plank van den kuil te trekken en sleepte haar tegen de helling op. +Daar zette hij haar op het einde en liet haar balanceeren. Het is te +begrijpen, dat zij telkens omviel en dan met geweld tegen den grond +terecht kwam. Dat spelletje werd zoo dikwijls herhaald, tot wij een +hevig gekraak hoorden, waardoor het ons allen duidelijk werd, dat zij +gebroken was. + +Stuk! zei Bob. + +Ja, stuk, Bobbertje! zei Karel op leuken toon. Daar heb je eer van. + +Laten we vluchten, zei Pieter in grooten angst. Als de baron komt en +ziet, wat we gedaan hebben, zal het nog slecht met ons afloopen. + +Niet zoo bang wezen, Pieter, zei Bob. Zeg jongens, die plank is niet +stuk, kijkt maar. + +Hij is niet in twee stukken gevallen, dat is waar, zei ik. Maar toch +is ze stuk, Bob. Je kunt het duidelijk zien. + +Ja, dat kan ik niet ontkennen. Nu, gedane zaken nemen geen keer, en +met den besten wil is het mij niet mogelijk, deze plank weer heel te +maken. Toe Dorus, help mij eens, door het andere einde op te nemen. Dan +leggen wij haar weer netjes over den kuil en niemand kan zien, dat zij +stuk is. + +En als er nu iemand komt en er over loopt? vroeg Karel. + +Dan breekt de plank en krijgt hij een nat pak, zei Bob. Dat lijdt +geen twijfel. + +Maar dat is een leelijke streek, zei Karel. Je moet dat niet doen, +Bob, -- ik heb het liever niet. + +Maar wat dan? vroeg Bob. Wij kunnen de plank toch niet hier laten +liggen? + +Ik weet er wat op, zei Pieter. Hier heb ik een stukje krijt. Laten +wij er aan de beide einden opschrijven dat ze stuk is. Wanneer dan +iemand komt om er over te loopen, wordt hij gewaarschuwd. + +Als het ten minste niet gaat regenen, meende Karel. Maar je hebt +gelijk, Pieter, -- laten wij het er duidelijk opschrijven. + +Bob nam nu het stukje krijt, en schreef aan elk einde met duidelijke +letters: + +Deze plank is gebroken. + +Zie zoo, zei hij vol zelfvoldoening over zijne daad, dat is +duidelijk, dunkt me. Wie er nu toch nog over loopt, moet er zelf de +gevolgen maar van dragen. Toe Dorus, help eens even een handje. + +Wij droegen de plank nu naar beneden en legden haar weer precies, zooals +we haar gevonden hadden. + +Willen we nu verder gaan? vroeg Pieter, die zich in het bosch nog in +het geheel niet op zijn gemak gevoelde. + +Wij vonden zijn voorstel goed, en klommen over den heuvel. Daarna kwamen +wij weer in eene vallei, die rondom diep was uitgespit en klommen aan +den anderen kant tegen eene zeer steile helling op, z steil, dat wij +ons aan het kreupelhout moesten ophijschen om er tegen op te komen. + +En nauwelijks was Bob met zijn hoofd boven den top, of hij fluisterde +ons toe, dat wij geen gedruisch moesten maken, en heel zacht naar boven +klimmen. + +Daar zijn konijnen aan het spelen, zei hij zacht. + +Wij bereikten nu ook de hoogte, die zoo smal was, dat wij ons moesten +vasthouden, om niet achteruit naar beneden te glijden. + +Wat zijn ze vlug, he? Kijk die dingen eens springen! + +'t Was inderdaad een aardig gezicht, die diertjes zoo geheel in vrijheid +te zien huppelen en spelen. Er waren er zeker wel twintig. + +'t Is hier het konijnenland, zei Karel. Kijk, die groote, daar ginds +achter de struiken, is zeker de koning. + +En die heuvel is hunne stad, zei Bob. Zie je die holen daar wel? Dat +zijn de poorten, die toegang tot de stad verleenen. 't Is toch wel +grappig, zulk eene konijnen-kolonie. + +Ik wou, dat ik een geweer had, zei Pieter. Wat zou ik ze raken! + +Jij? zei Bob lachend. Misschien schoot je ons wel dood en jezelven er +bij, maar een konijn raakte je niet, zou ik durven voorspellen. + +Jij ook niet, zei Pieter boos. Jij kunt evenmin schieten als ik. + +Had ik maar pijl en boog bij me, zei Karel. Dan zou ik het toch eens +probeeren. Een geweer maakt te veel leven. Het zou onze tegenwoordigheid +verraden; maar met pijlen konden we het wagen. + +Zouden we geen boog kunnen maken? vroeg Bob. + +Niet doen, Bob, niet doen! zei Pieter. Laten we nu verder gaan. +'t Wordt hoog tijd. + +Nog eventjes, zei Bob. We zitten hier nog zoo prettig. + +Zitten? vroeg Karel. Hangen zou beter gezegd zijn, want ik word moe +van het vasthouden. Kijk, daar komen nog meer konijnen uit de holen. Hoe +komen er zooveel bij elkaar, zou je zeggen. + +'t Is geen wonder, dat hier wel eens stroopers komen, merkte ik op. +Zij kunnen hier altoos op eene goede vangst rekenen. + +Hoe vangen zij die dieren? vroeg Pieter. + +Ze graven de holen uit en kruipen er in, zoover ze kunnen. Dan grijpen +zij ze met de handen. + +En die ontsnappen langs nevengangen komen in de stroppen terecht, +waarmede de uitgangen afgezet zijn, vulde Karel aan. 't Moet wel een +aardig werkje zijn, dunkt me. + +Aardig wel, maar gevaarlijk, want als de heuvel instort, wordt de +strooper onder het zand bedolven en moet sterven. + +Ook kan hij gesnapt worden door Burts, den boschwachter, zei Bob. En +dat is ook niet bijzonder prettig, want dan is gevangenisstraf het +einde. + +Pang! klonk plotseling een zwaar schot in onze onmiddellijke +nabijheid. Pang! daar viel een tweede schot. + +Een geweldige schrik overviel ons, want wij waren er in het geheel +niet op voorbereid. Drie van ons, Bob, Karel en ik sprongen van schrik +overeind en stonden plotseling in de onmiddellijke nabijheid van den +gevreesden Burts. Maar de vierde, onze waarde Pieter-neef, was van den +schrik als het ware verlamd. Hij had geen kracht meer om zich aan de +struiken vast te houden en onder het slaken van een akeligen kreet rolde +hij hals over kop naar beneden. + +Ha-ha, knaapjes! bulderde de boschwachter ons toe. Daar heb je +jezelven leelijk verraden. Was maar stil blijven zitten, dan had ik je +stellig niet opgemerkt, maar nu ben je in mijne macht. Hoe heet je? + +Burts haalde een boekje uit zijn zak te voorschijn, om onze namen op te +schrijven. + +Hoe heet je? vroeg hij op gestrengen toon, en hij keek Bob strak in de +oogen. Wat zag die man er barsch uit. Zijne knevels schenen mij toe om +te krullen van boosheid. + +Hoor je me niet? Hoe heet je? herhaalde hij zoo barsch mogelijk. + +Vluchten, jongens! + +Dat was het eenige antwoord, hetwelk aan Bobs mond ontsnapte. En hij +voegde de daad bij het woord. Met eene vlugge beweging liet hij zich +naar beneden rollen, waar hij dicht bij Pieter-neef terecht kwam, die +nog kermend van ontsteltenis in het zand lag te spartelen. + +Wat is er? vroeg Bob, die nooit een makker in den steek liet, en +haastig bij hem neerknielde. + +O, ik ben getroffen, steunde Pieter. + +Waar? -- Zeg, Pieter, -- waar? vroeg Bob angstig. + +Is hij weg, Bob? vroeg Pieter, schuw om zich heen ziende. + +Neen, -- maar jij moet maken, dat je wegkomt! antwoordde Bob. Zeg +Pieter, -- wr ben je getroffen? + +Dat weet ik niet, -- o dat weet ik niet! jammerde Piet. + +Dan is het ook niet waar! Vooruit, vlucht, daar komt de boschwachter +aan! Vooruit, Pieter, gauw? + +De boschwachter? O -- O! steunde Pieter, overeind krabbelende. Waar +-- waar is hij, Bob? + +Loopen! zei Bob. Als een haas! Ik zal hem wel een oogenblik ophouden! +Maar haast je! + +Pieter begon nu te begrijpen, dat het ernst was, en dat was trouwens te +zien ook, want de boschwachter verscheen nu boven op den heuvel. Eerst +had hij Karel en mij een oogenblik achtervolgd, maar toen hij bemerkte, +dat wij hem te vlug waren, keerde hij terug en trachtte Bob in zijne +macht te krijgen. + +Pieter klom aan de andere zijde tegen de helling op en verdween uit het +gezicht. Bob vreesde echter, dat Burts hem spoedig achterhalen zou, want +Pieter was niet erg bij de hand in dergelijke zaken. Hij besloot daarom, +den boschwachter eenigen tijd op te houden, ten einde zijn neef en ook +ons gelegenheid te geven, een goed heenkomen te zoeken. + +Hij bleef dus in de vallei rondloopen, tot Burts hem vrij dicht genaderd +was. Nu moest zijne bekende vlugheid hem redden. + +Ha, deugniet, daar heb ik je nu! hoorde hij Burts zeggen. + +Mis, man, nog niet, dacht Bob, maar hij zeide niets. Als een haas zoo +vlug klauterde hij tegen de hoogte op. Hij raakte bijna den grond niet +aan. Maar Burts was vlugger, dan hij dacht, zoodat hij duidelijk merkte, +dat deze hem begon in te halen. + +Krijgen zl ik je! hoorde hij hem zeggen. + +Nu had Bob den top bereikt, en hij bemerkte, dat hij thans de vallei +weer genaderd was, waar de nieuwe waterleiding moest komen. + +Als een bal liet hij zich naar beneden rollen, en hij had het geen +oogenblik later moeten doen, want reeds strekte Burts de hand uit, om +hem bij de beenen te grijpen. Nu ontsnapte Bob hem. + +Deze liep op den put toe, die midden in de vallei lag, met het +voornemen, de plank over te loopen en aan den overkant weer omhoog te +klauteren. Dat de plank stuk was, herinnerde hij zich al niet meer, en +juist wilde hij er den voet op zetten, toen hem de met krijt geschreven +letters in het oog vielen. + +O ja, omloopen! mompelde Bob. Hij hoorde Burts met groote schreden +naderen, maar durfde zich geen oogenblik tijd gunnen, om eens achter +zich te kijken. + +Nu ontsnap je mij niet meer, kleine schelm! hoorde hij zijn vervolger +roepen, en deze voorspelling stemde onzen Bob verre van aangenaam. + +[Illustration: Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak.... +(pag.195).] + +Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak achter zich, welk gekraak +gevolgd werd door een geweldigen plons, als van iemand, die in het water +viel. En plotseling ging Bob een licht op. Ongetwijfeld was Burts, om +hem den pas af te snijden, op de plank gestapt, niet wetende, dat deze +gebroken was. En nu moest zonder twijfel de lange Burts er doorgezakt en +in den kuil gevallen zijn. Bob hoorde, hoe er in het water geplast werd, +en hoe de boschwachter pogingen deed, om tegen den hoogen kant op te +springen. + +Nu durfde Bob wel een oogenblik stilstaan, en omkijken. Ja waarlijk, +daar zag hij het hoofd van den vertoornden boschwachter boven den rand +van den put uitkomen, en hij zag ook, hoe diens beide handen zich aan +den rand vastklemden en hoe hij poogde, er uit te springen. Wel een paar +malen mislukte hem dit en zakte de man, die hoe langer hoe toorniger +werd, tot aan zijn middel in het water terug. + +'t Was zoo'n koddig gezicht, dat Bob het uitschaterde van de pret. En +dat lachen maakte Burts nog boozer. Hij spande al zijne krachten in, +sprong nogmaals omhoog en ja, nu gelukte het hem, zich op den kant te +werken. O, o, wat droop het water hem uit de kleren! Bob kon niet tot +bedaren komen van het lachen. + +Maar nu kwam Burts met groote schreden op hem af; het was den man aan te +zien, dat zijne woede geen grenzen kende. + +Nu wordt het mijne beurt! riep hij Bob met beide vuisten dreigend toe. +Maar Bob wachtte hem niet af. Vlug als eene kat klauterde hij omhoog en +was weldra verdwenen. En Burts klauterde hem wel na, maar och, doornat +als hij was, viel dat werkje hem erg moeilijk, en toen hij, eindelijk op +de hoogte gekomen, van Bob geen spoor meer kon ontdekken, gaf hij de +vervolging geheel en al op. Hij keerde naar huis terug, om droge kleren +te gaan aantrekken. + +En Bob verliet zoo spoedig mogelijk het bosch langs denzelfden weg, dien +hij het ingekomen was. Aan den uitgang werd hij aangenaam verrast, door +daar Karel en mij te vinden. Wij zaten daar al enkele minuten op hem en +Pieter te wachten. + +Wel, wel, wat moesten wij lachen, toen Bob ons vertelde, wat er met +Burts gebeurd was. 't Is misschien wel niet mooi van ons, maar wij +verheugden ons toch buitengewoon in de poets, die hem gespeeld was. +'t Was dan ook een akelige man, van wien niemand hield. + +En nu is hij doornat naar huis gegaan, denk ik, zoo besloot Bob, +grinnekend van pret, zijn relaas. Neen jongens, 't zou me wat waard +geweest zijn, als jelui het had kunnen zien, want het was een eenig +schouwspel. Ik zal het mijn leven lang niet vergeten. Maar apropos, waar +is Pieter-neef? + +Die is er nog niet, zei ik. Wij dachten, dat hij gelijk met jou zou +komen. Heb-je hem niet gezien? + +Neen, die malle jongen lag aan den voet van den heuvel te jammeren, dat +hij getroffen was door die schoten van Burts, en dat werd bijna mijn +ongeluk. Want ik heb hem gezegd, dat hij het totaal mis had en zoo snel +mogelijk beenen moest maken, om uit de handen van Burts te blijven. Maar +dat alles hield mij zoo lang op, dat ik zelf bijna het kind van de +rekening werd. Waar zou hij nu blijven? + +Vermoedelijk in het bosch, zei Karel leuk. Hij zal wel komen, maak je +maar niet ongerust. Kom een poosje op je gemak bij ons zitten, en laten +wij geduldig afwachten. Misschien is hij wel hier of daar weggekropen. + +Bob deed het en nu bleven wij eenige minuten wachten, maar Pieter-neef +bleef onzichtbaar. Wij begonnen ons eindelijk een beetje ongerust te +maken, want de avond begon te vallen en de zon zou weldra ondergaan. Dat +laatste juist was het, wat wij vreesden, want dan zou het in het bosch +al spoedig zeer donker worden, zoodat het iemand als Pieter moeilijk zou +vallen, den rechten weg te vinden om er uit te komen. + +Wil ik jelui eens wat zeggen? zei Bob eindelijk. Ik geloof, dat +Pieter-neef verdwaald is. + +Dat zou erger zijn, vond Karel. + +Het ergste, wat hem overkomen kon, meende ik. + +Als het waar is, wat ik vermoed, zal hij doodsangsten uitstaan, vrees +ik, hernam Bob. + +Ongetwijfeld! zei Karel. Het loopt hem hier in 't bosch ook in het +geheel niet me. Ik denk, dat hij van middag zijn pleizier wel op kan. + +Ja, -- hij treft het slecht. Maar zeg, wij kunnen hem niet aan zijn +lot overlaten, niet waar? + +Neen, dat gaat niet! stemde Karel toe. + +Natuurlijk niet! zei ik. Wij moeten hem trachten op te sporen. + +Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan, zei Bob. 't Bosch is heel +groot en er zijn een tal van paden en lanen in. Wie weet, hoe ver hij in +zijn angst al afgedwaald is. + +Laten we gaan, stelde ik voor. We moeten langer geen tijd verliezen. + +En Burts dan? vroeg Karel. + +Burts zal van avond wel thuis blijven. Hij gaat bepaald vroeg naar bed, +want na een bad is men altijd slaperig, zei Bob. Ga je mede? + +Wij sprongen op en volgden Bob ten tweeden male het bosch in. + +Zou het niet noodig zijn, dat wij ieder een verschillenden kant +uitgingen? vroeg ik. Dan hebben wij veel meer kans, om hem spoedig te +vinden. + +Laten wij eerst eenigen tijd bij elkander blijven, want als wij +scheiden, kunnen wij elkander ook niet meer terug vinden, zei Karel. + +Zou ik hem durven roepen? vroeg Bob. Of zou dat met het oog op Burts +gevaarlijk zijn? + +Dat is het zeker, zei ik. Hoe harder je roept, hoe meer kans om +gesnapt te worden. + +Nog niet roepen, vond Karel. Dat kunnen we wel doen, als het geheel +donker is, maar nu is het nog te gevaarlijk. Wat wordt het al duister +hier in het bosch, vindt-je niet? + +Over een half uur is het geheel donker, zei Bob. + +'t Is te hopen, dat wij hem voor dien tijd gevonden hebben. + +'t Is eene mooie geschiedenis, zei ik, wel een beetje onrustig, nu het +zoo laat werd, eer ik thuis kon zijn. Want het was een vaste regel bij +ons, dat wij vr donker binnen moesten zijn. Pa hield daar streng de +hand aan. + +Wij brachten nog ruim een half uur zoekende door, zonder evenwel eenig +spoor van Pieter te ontdekken. + +Het werd thans hoog tijd om naar huis terug te keeren, waar men zeker +al ongerust over ons lange uitblijven begon te worden. Maar daar stond +tegenover, dat het hoogst onaangenaam voor ons was, zonder Pieter naar +huis te moeten gaan. + +Bob was daartoe dan ook in het geheel niet te bewegen. + +Ik blijf hier, zei hij op zijn gewonen beslisten toon. Ga gij beiden +maar naar huis terug en zeg aan Pa, wat er gebeurd is. Vraag hem, eenige +menschen te zenden, om mij bij het zoeken te helpen. Of weet je iets +beters? + +Neen, dat wisten wij niet, maar om op deze wijze terug te keeren, vonden +wij ook onaangenaam. + +Laten wij eerst eens boven op een heuvel gaan staan en zoo hard roepen +als we kunnen, zei Karel. Of de boschwachter ons hoort of niet, is mij +thans geheel onverschillig. Wij kunnen Pieter niet aan zijn lot +overlaten. + +Je hebt gelijk, zei Bob. Laten we gaan. + +Wij beklommen den top van eene hooge duin en verhieven in koor onze +stemmen. 't Was gelukkig zeer stil in de natuur, zoodat men ons ver in +den omtrek moest kunnen hooren. + +Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter! weerklonk het uit drie monden +tegelijk, en onze stemmen klonken ons daar van dien top des heuvels +en in de stille duisternis van den vallenden nacht geheimzinnig in de +ooren. De vogels in de takken der boomen schrikten er van wakker en +vluchtten ijlings heen. Nachtuilen deden hun gekras hooren en sommigen +van hen lachten op eene allerakeligste manier, precies als menschen, +maar op een vreemden toon. Ik moet eerlijk bekennen, dat mij bij het +hooren daarvan eene rilling door de leden voer. + +Nogmaals lieten wij ons krachtig geroep hooren. Daarna bleven wij stil +staan, om te luisteren. Hoe hoopten wij, dat eenig antwoord onze +gehoorvliezen zou doen trillen. + +Doch wij luisterden tevergeefs. + +Nog eens roepen, jongens, zei Bob. Den moed nog niet opgeven. + +Weer klonk ons roepen door de nachtelijke stilte, en weer luisterden +wij, of wij iets mochten vernemen. + +Opeens zei Bob: + +Luister, jongens, ik hoor iets! + +Wij luisterden. + +Hoor, -- daar is het weer! fluisterde Bob ons toe. + +Ja, -- ik hoor het ook, zei ik. Dat moet Pieter zijn. 't Komt van +dien kant. + +Bij die woorden wees ik naar den uitgang van het bosch. + +Laten we hem tegemoet loopen, zei Karel, en dan straks nog eens +roepen. Dan hooren we hem misschien reeds beter. + +Dat deden we, en na enkele minuten geloopen te hebben beklommen wij +opnieuw een heuvel en lieten weer ons geroep hooren. + +Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter! + +Wij schreeuwden met bijna bovenmenschelijke kracht, en luisterden +daarna, of we Pieters antwoord hoorden. + +Ja, daar vernamen wij het reeds vrij duidelijk. Ongetwijfeld waren wij +elkander tegemoet geloopen. Dat gaf moed! + +Voorwaarts, jongens, we bewegen ons in de goede richting! riep Bob ons +opgetogen toe. 't Is toch wel aardig, h, zoo'n nachtelijk tochtje door +een bosch. 't Is zoo geheimzinnig! + +Met moed gingen wij thans verder, steeds roepende, om Pieter de +gelegenheid te geven, ons tegemoet te komen. + +Nu werd zijn geluid voortdurend duidelijker, en eindelijk -- ha, daar +vonden wij hem. O, wat zag hij bleek van den doorgestanen angst. Hij +beefde over zijn geheele lichaam. + +Goddank! Goddank! fluisterde hij ons toe. O, wat ben ik blij, dat +jelui me niet aan mijn lot hebt overgelaten. + +Nu dadelijk naar huis! zei ik. Er zal toch al wat voor me opzitten, +als ik thuis kom. + +Met vluggen pas zochten wij den uitgang van het bosch op en weldra +hadden wij het dorp bereikt. + +Pieter begon meer en meer tot zichzelven te komen, maar wij merkten toch +duidelijk, dat hij een vreeselijken angst had uitgestaan. + +'t Was verschrikkelijk, daar in het bosch, zeide hij zacht en met eene +huivering, en wat was het er donker, griezelig donker. En het spookt +er ook, want telkens hoorde ik menschen, die mij op eene allerakeligste +wijze uitlachten. O, als ik dat geluid weer hoorde, was het of ik door +den grond heenging van schrik. Ik ga nooit, nooit weer met jelui mede, +als je weer naar het bosch gaat. + +Och, -- dat waren uilen! zei Bob. Wees wijzer, jongen! + +Wij waren nu de brug genaderd, waar onze wegen scheidden. Met een +haastigen groet begaven wij ons ieder naar onze woning, waar Pa mij +alles behalve vriendelijk ontving. Wel knikte hij goedkeurend, toen ik +vertelde, dat wij niet zonder Pieter naar huis wilden terugkeeren, maar +hij zeide gestreng: + +Wat moest je in dat bosch doen? Je weet immers, dat de toegang daar +verboden is? Als de boschwachter jelui opgepakt en achter slot en +grendel gezet had, zou je naar behooren gestraft geweest zijn. + +Och, zei Moe, die een goed woordje voor mij wilde doen: 't Komt alles +van dien wilden Bob. Dat is ook in het geheel geen goed kameraad voor +hem. Ga naar bed, Dorus! + +Ik ging, maar toch was ik het niet geheel met Moe eens wat Bob betrof. + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + + Het vertrek van Pieter, en hoe wij hem met ons drien + een cadeautje en een gedicht stuurden. Hoe Mevrouw + van Koorde en haar dienstmeisje op de vlucht + werden gejaagd en Pieter het verloren + terrein heroverde. + + +Den volgenden morgen al vroeg kwam Pieter bij ons, om afscheid te nemen. +Bob vergezelde hem en vertelde mij, dat Pieters Mama wel zeer ongerust +was geweest, maar dat zij toch geen straf hadden ontvangen. + +Ik ging met hen mede terug, want het werd spoedig schooltijd en dan +dienden Bob en ik present te zijn. Bij het afscheid nemen zei Pieter: + +Dus je denkt er om, Bob, mij eenige meikevers te zenden? Je zult me +daar een groot genoegen mede doen. + +Je kunt er vast op rekenen. + +Wij gingen nog even naar binnen, om ook Mevrouw van Koorde goede reis te +wenschen. + +Dag Robert, zei ze, hem op de beide wangen kussende. Kom je nu ook +eens bij ons in Amsterdam logeeren? Maar daar zijn geen bosschen en +losloopende beren, hoor neefje. + +Bob lachte eens. + +Ik wil heel graag, Tante, zeide hij. Mag ik dan komen als het +vacantie is? Ik stel me daar heel wat jool van voor. + +Jool? herhaalde Tante. Pret moet je zeggen, Robert, dat is veel +fatsoenlijker. Dag Dorus, adieu! + +Bob en ik begaven ons nu regelrecht naar school, want het werd hoog +tijd. Maar wij kwamen toch nog vroeg genoeg. Op het schoolplein spraken +wij nog even met Jan van der Vliet, die er zeer treurig uitzag. + +Is er slecht nieuws? vroegen wij hem. + +Zeer slecht, -- 't kon niet slechter, zei Jan met een diepen zucht. +We hebben vanmorgen een brief ontvangen, waarin Vader en Moeder beiden +gedagvaard worden, om voor de rechtbank te verschijnen. 't Is +verschrikkelijk! + +Dat is het, zei Bob, maar Jan, zij kunnen toch immers nog +vrijgesproken worden? + +Kunnen, ja, dat is waar, -- maar dat zal niet gebeuren, jongens. Zij +hebben den schijn tegen zich, en uit de dagvaarding blijkt, dat de +Officier van Justitie hen voor schuldig houdt. De kans op vrijspraak is +zeer gering. + +Op dit oogenblik ging de schoolbel en moesten wij naar binnen. Maar +wij zagen al spoedig, dat er iets bijzonders aan de hand was, want de +hoofdonderwijzer was nog niet aanwezig en meester de Jong, die altijd +in een ander lokaal les gaf, stond voor onze klasse. Nu gebeurde het +hoogst zelden, dat de hoofdonderwijzer afwezig was, maar die enkele +keeren waren voor ons feestdagen. Meester de Jong zal het echter wel +geen prettige dagen gevonden hebben, want wij konden hem dan geducht +plagen. + +Wij hadden nog maar pas op onze banken plaats genomen, of de +hoofdonderwijzer trad binnen. Het was echter duidelijk aan zijne +kleeding te zien, dat hij uitging. Hij was zelfs geheel in het zwart +gekleed, alsof hij naar eene begrafenis moest. + +Dorus, kom eens even hier, riep hij me toe. + +Hij nam mij mede naar een hoek van het lokaal en zeide: Dorus, ik moet +voor enkele dagen op reis. Er is eene zuster van mij overleden. Wil jij +nu Zondag het orgel voor mij bespelen in de kerk. + +Zeker, meester, met genoegen. + +Dank je, Dorus. En kan ik er op aan, dat er niets onbehoorlijks zal +geschieden. + +Ja meester, daar kan u op aan. + +En dat je geen jongens me zult nemen naar het orgel? + +Ik beloof het u, meester. + +Uitstekend. Ik twijfel niet, of het zal wel goed gaan. Je speelt maar +bedaard en rustig, hoor Dorus, en laat je niet in de war brengen. Trek +ook vooral niet te veel registers uit. + +Even later vertrok de meester, na den onderwijzer de hand te hebben +gegeven en een groet tot ons allen te hebben gericht. En nog geen +kwartier later moest Bob al schoolblijven. + +Het ligt evenwel niet in mijne bedoeling, te vertellen hoe wij dien +schooldag passeerden. Genoeg zij het te weten, dat Bob zoowel 's morgens +als om vier uur na moest blijven, en geen klein poosje, dat beloof +ik je. Ik ben er zeker van, dat meester de Jong blij was, toen de +schooluren voorbij waren, en ik moet zeggen, dat dit voor ons geen +groote eer was. Want meester de Jong was een doodgoed man, die ons veel +te zacht behandelde. Als hij wat strenger voor ons geweest was, zouden +wij het hem lang zoo lastig niet gemaakt hebben. + +Wat zullen we gaan doen? vroeg Karel Holm, toen Bob, hij en ik +'s avonds bij elkander waren. + +Meikevers voor Pieter-neef vangen? vroeg Bob. + +Dat is goed. Er vliegen er nog in overvloed. Hoeveel moet hij er +hebben? + +Een twintig is genoeg, zei Bob, maar ik zou het leuk vinden, als wij +er hem een paar honderd konden sturen. O, o, wat zou ik er graag bij +willen zijn, als hij die ontvangt. + +Doen? vroeg Karel Holm, en zelf het antwoord gevende, liet hij er op +volgen: Ja, -- doen. + +Wij gingen met eene leege sigarenkist naar den tuin van den notaris, +wapenden ons met ragebollen en dergelijke werktuigen en begonnen onze +jachtpartij, wat we in het geheel niet onaardig vonden. En hoe meer +kevertjes we vingen, hoe grooter onze lust werd. + +Eindelijk was onze kist vol; er zaten niet minder dan driehonderd +gevangenen in. + +Morgen gaat de looper, zei Bob. Dan zullen we Pieter zijn cadeautje +sturen. + +Maar hoe? zei Bob. In dat kistje gaan ze spoedig dood. + +Dat is waar. Weet je wat, in een mandje dan. Wij hebben wel een mandje, +dat daarvoor heel geschikt is, in het schuurtje staan. Dan kunnen ze +onmogelijk doodgaan door gebrek aan lucht. En zeg, jongens, nu moesten +we er een gedichtje bij kunnen doen. Wat zou dat leuk wezen. + +Dat kan wel, zei Karel. We kunnen toch met ons drien wel een versje +maken. Zoo bijzonder mooi behoeft het ook niet te wezen. + +Goed! Afgesproken! Eerst zullen we de kevers in de mand doen, en dan +het gedicht fabriceeren. Laten we gaan. + +Ha, wat gonsden en bromden die beestjes, toen we ze uit de kist in de +mand deden. 't Was goed, dat er geen jongejuffrouw bij ons was, want zij +zou het zeker buitengewoon griezelig gevonden hebben, al die torren! + +Nu namen we een dichten doek en bonden dien er zorgvuldig omheen, zoodat +er geen enkele ontsnappen kon. + +Mooi zoo, zei Bob met een tevreden knikje, dat zaakje is in orde. Nu +ons gedicht nog, en dan brengen wij ze naar den looper. Kom maar me, +dan gaan we naar de speelkamer. + +Zoo gezegd, zoo gedaan. + +Bob nam een vel papier en een potlood en ging tusschen ons aan de tafel +zitten. + +Begin nu maar, jongens, zei hij. Ik ben klaar. + +Begin nu maar? herhaalde Karel lachend. Alsof dat zoo gemakkelijk is? +Ik weet geen begin. + +Ik ook niet! zei ik. + +Dat is flauw, zei Bob. Eerst zeg je, dat je het best kunt doen, en nu +het er op aankomt, trek je je terug. + +Nu, hier heb ik al vast n regel, zei Karel. Schrijf maar op, +Bobbertje, en mopper niet zoo. + + "Zie Pieter, wat ik zenden zal!" + +Dat is een beste regel! riep Bob opgetogen uit. Zie je wel; dat je +het wel kunt? 't Kon niet beter. Nu den tweeden regel; toe Dorus, jou +beurt. + + "Driehonderd roovers in getal!" + +zei ik. Dat rijmt immers? + +Prachtig, Dorus, prachtig! Driehonderd roovers in getal, dat komt er +uitstekend bij. 't Zijn ook echte roovers. + +Nu jij een regel, Bob! Ieder op de beurt. + +Ja, zei Bob, je kunt ze niet uit je mouw schudden. Ik weet geen +regel. + +'t Is anders gemakkelijk genoeg, want jij behoeft nergens op te +rijmen, zei ik. + +Daar heb je gelijk aan; nu, dan weet ik er wel een. Luister maar: + + "'t Geschenk is wel niet heel veel waard." + +Is die goed? + +Heel goed, zei Karel peinzende om een rijmwoord op waard te vinden. + +Waard -- wat rijmt daar zoo al op? vroeg hij. O ja, waard, paard, +staart, taart, haard, baard, aard, gaard, er zijn rijmwoorden genoeg. +Ha, ik weet er al een: + + "'t Is een geschenk uit onzen gaard." + +Dat rijmt goed, h? + +Heel goed, zei Bob schrijvende. Gaat maar door, jongens, 't gaat +best. Jou beurt, Dorus. + +Ik ben klaar, zei ik. Luister maar: + + "Zij vliegen vroolijk in het rond." + +Dat is waar, zei Karel. En dan kan dus volgen: + + "Of kruipen langzaam op den grond," + +want dat doen ze ook dikwijls. + + "En brommen haast den heelen nacht," + +vervolgde Karel, die het weer gemakkelijk had, daar hij geen rijmwoord +behoefde te zoeken. + + "Zeg Pieter, had je dat gedacht?" + +zei ik, want deze regel schoot mij opeens te binnen. + +Dat zijn nu al twee coupletten, en alle goede dingen bestaan in drien, +dus nu het laatste nog. 't Is mijne beurt, niet waar? zei Bob. + +Ja, jou beurt, zei Karel. + +Wist ik nu nog maar wat, vervolgde Bob. Wacht, laat mij eens even +bedenken. Misschien komt het wel. + +En na een oogenblik toevens vervolgde hij: + +Ha, ik ben klaar. Luister: + + "Wel neefje, ben je nu tevre?" + +Goed gedaan, Bob. Nu moet ik weer. Wat rijmt er zoo al op vre? Wacht: +wee, me, zee, thee, dat zijn er wel al genoeg. In orde, hoor. + + "En valt het aantal je niet me?" + +Goed zoo! zei Bob, die elken regel opschreef. Nu nog twee regeltjes +en we zijn klaar. Jou beurt, Dorus. + +Ja wel, je hebt goed praten. Ik weet heusch niet meer op 't oogenblik. +Jelui moet me helpen denken. Wacht, ik weet er al een: + + "Me dunkt, je hebt nu overvloed." + +Nu jij weer, Bobbertje, den laatsten regel. + +Ja, dat komt mooi uit, Dorus, met dat woord overvloed, want dat rijmt +op gegroet. De laatste regel kan dus zijn: + + "Ontvang ten slotte onzen groet." + +Is dat niet een prachtig slot? Wacht, nu zal ik het in het net +overschrijven en het jelui eens voorlezen. + +Bob deed het, en las: + + Waarde Pieter! + + "Zie Pieter, wat ik zenden zal: + Driehonderd roovers in getal. + 't Geschenk is wel niet heel veel waard, + 't Is een cadeau uit onzen gaard. + + Zij vliegen vroolijk in het rond, + Of kruipen langzaam op den grond, + En brommen haast den heelen nacht. + Zeg Pieter, had-je dat gedacht? + + Wel neefje, ben je nu tevre? + En valt het aantal je niet me? + Me dunkt, je hebt nu overvloed. + Ontvang ten slotte onzen groet." + + KAREL HOLM. + DORUS VOLMAAR. + BOB DE WILD. + +Wat is dat best gegaan, h? vervolgde Bob, die het vers in eene +enveloppe deed en deze dichtplakte. Dichten schijnt me toch niet erg +moeilijk toe. Me dunkt, als we het wat meer deden, zouden we het spoedig +tot eene groote hoogte brengen. Ik vind dit gedicht althans uitmuntend +geslaagd. En jelui? + +Nu, wij waren dat volkomen met hem eens. Wij bonden de enveloppe, met de +proeve onzer kunst, met een touwtje aan de beide ooren van de mand vast, +zoodat het adres netjes bovenop kwam te liggen, en brachten ons geschenk +gezamenlijk naar den looper. Deze bekeek het adres, en las overluid: + + Jongeheer Pieter van Koorde, + Keizersgracht No. 234 + Amsterdam. + +In orde Bob, zei hij. Dat adres is mij bekend; ik heb er voor je Pa +al meer dan eens wat moeten bestellen. Is het franco? + +De geadresseerde zal de vracht betalen, zei Bob deftig, en na gegroet +te hebben gingen wij het dorp in. + +Weinig konden wij op dat oogenblik vermoeden, dat diezelfde meikevertjes +in Amsterdam zooveel moeite en ontsteltenis zouden veroorzaken, zooals +wij later hoorden, dat zij gedaan hadden. + +Want toen de looper het mandje met zijn levenden inhoud in de beste orde +aan het opgegeven adres had afgeleverd, was Pieter-neef niet thuis, +omdat het onder schooltijd was. De meid bracht het dus bij Mevrouw Van +Koorde, die de boven-voorkamer als woonkamer gebruikte. + +Binnen, zei Mevrouw, toen Mientje had aangetikt. + +Mevrouw, hier is een mandje van den looper. 't Kost een dubbeltje +vracht, Mevrouw. + +O, -- ziehier het geld. Zet het mandje maar hier op de tafel. + +Mientje gehoorzaamde. + +Zeker van mijn broeder, zei Mevrouw. Wat kan hij mij te sturen +hebben? Maar neen, -- ik ben abuis. 't Is voor Pieter, zie ik. Daar +staat duidelijk: Jongeheer Pieter van Koorde. Jammer, dat hij naar +school is. Wat kan daar toch inzitten? + +Mevrouw tilde het mandje eens op en vond, dat het erg licht was. + +En een brief in de enveloppe, zeide ze, na deze met de vingers betast +te hebben. Ik ben nieuwsgierig, wat hem gezonden kan worden. Weet je +wat? Ik kon best het mandje openen en eens zien, wat het bevat. Den +brief moet Pieter zelf maar openmaken. Dat is wl zoo aardig voor +hem. Wel, ik moet zeggen, dat de mand goed dichtgemaakt is, -- heel +zorgvuldig zelfs. Ik zal het touwtje maar losknippen. + +Zij ging naar hare werkmand en kwam met de schaar terug. + +Knip-knip! ging het en het touwtje viel aan stukken op de tafel. +Mevrouw nam den doek en lichtte dien op. + +Genadige hemel! Wie beschrijft haar schrik bij het zien van die +honderden wriemelende, gonzende en brommende meikevers! Van ontsteltenis +gaf zij een hevigen gil en vlug ijlde zij naar het schelkoord, waaraan +zij zenuwachtig begon te rukken. Zonder ophouden, met den blik stijf op +de noodlottige mand gericht, bleef zij doorschellen. + +De beestjes, die nu de vrijheid zoo onverwacht terug gekregen hadden, +begonnen daar dadelijk gebruik van te maken, door tegen de mand op te +klauteren en over den rand te gaan loopen. Zij spreidden af en toe de +vleugeltjes uit met het vaste voornemen, straks het luchtruim in te +snellen. Sommige begonnen zelfs al te vliegen, en het was een gegons +en gebrom, dat Mevrouw Van Koorde het bijna op hare zenuwen kreeg van +angst. Zij durfde geen voet naderbij komen en deed niets dan schellen. + +Nu ging de deur open en trad Mientje, ook al verschrikt door het bellen, +haastig binnen. + +O, Mevrouw, wat is er? vroeg zij angstig. Is er brand, Mevrouw? + +Neen, neen, nog erger! Toe Mientje, spoedig, neem die mand en breng +haar dadelijk weg -- naar buiten. Dadelijk, asjeblief. + +Nu was Mientje gewoon, de bevelen harer meesteres stipt uit te voeren; +zij liep dus naar het mandje, op welks ongewonen inhoud zij in het +geheel niet verdacht was, en greep het bij de ooren. Maar op hetzelfde +oogenblik begonnen een paar meikevers tegen hare bloote armen op te +kruipen, zoodat zij thans de beestjes wel moest opmerken. Doodsbleek van +schrik uitte zij een hevigen angstkreet en liet plotseling de mand met +alles, wat daarin was, op den grond vallen. Zelf vluchtte zij tot in +den versten hoek van de kamer, waar zij in stomme verbazing de gevolgen +van hare daad stond aan te staren. + +[Illustration: .... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin +was, op den grond vallen. (pag.213).] + +De meikevers, door den schok verschrikt, spreidden thans de vleugels uit +en begonnen, gonzende en brommende, door de kamer te vliegen, tot +ontzetting van de beide vrouwen, die het niet durfden wagen, hunne +hoeken te verlaten. + +Wat maakten die diertjes, die vruchteloos zochten naar een groen +blaadje, want zij hadden gedurende de reis geduchten honger gekregen, +eene ongewone drukte in die deftige kamer! Er was weldra geen plaatsje +meer, waar geen kever te vinden was. + +O mevrouw, die afschuwelijke torren! riep Mientje, die beefde als een +espenblad. + +Mevrouw stond met beide armen te zwaaien, om zich de ongenoode gasten +van het lijf te houden, want zelfs op de linten van hare muts schenen +zij het gemunt te hebben. Wel drie hadden zich daar een plaatsje weten +te veroveren, en zaten er gezellig de vleugeltjes uit te spreiden en +weer dicht te slaan. En liep er haar op den schouder en vier kropen +tegen haar boezelaar op. + +Domme meid! -- Ga weg, afschuwelijk dier! -- Hoe kon je nu zoo dom -- +koest, beest, koest, -- zijn, om die mand, -- sss -- sss; -- te laten +vallen! + +O mevrouw, -- ga weg -- ga weg, -- bah, wat afschuwelijke dieren! -- +kijk eens, ze kruipen tegen den spiegel op -- o foei, hu, er zit er een +in mijn hals, -- en tegen de lamp -- en o, mevrouw, de gordijnen -- +ksss, ksss -- zitten vol! 't Is afschuwelijk. + +Mientje, hier houd ik het niet langer uit -- o foei, ze zitten me op +mijn hoofd, en ah bah, daar kruipt er een in mijn mouw. Mientje, hu, hu, +haal dat beest er uit! -- Haal het er uit, zeg ik! + +Ik durf niet, -- dat durf ik niet! + +En op een draf, met haar boezelaar over het hoofd, nam Mientje, +schreiende van schrik, de vlucht, de kamer uit en naar beneden. + +Een oogenblik daarna werd zij gevolgd door Mevrouw, die echter zoo +verstandig was, de deur achter zich dicht te trekken. + +Daar stonden ze, bleek van ontsteltenis, zonder te weten, wat zij +moesten doen, om van deze meikeverplaag verlost te worden. + +Maar ook hier waren zij niet vrij, want in de vlucht hadden zij er +enkele medegenomen, die op hare kleeren zaten. + +O Mientje, -- wat voel ik daar in mijn hals? riep Mevrouw huiverend +uit, nu zij daar een eigenaardig gekriewel opmerkte, -- wat voel ik +daar, Mientje! + +O Mevrouw, dat is er weer een! Maar ik haal er hem niet af, Mevrouw, -- +voor duizend gulden niet! -- Hu, wat een akelige beesten! + +Met eene weergaloos vlugge beweging streek Mevrouw nu zelf met hare hand +langs den hals, en in hetzelfde oogenblik verhief zich het kevertje +vroolijk gonzend omhoog, regelrecht op Mientje af. Deze wist niet waar +ze zich bergen zou, en liep wel twintigmaal om de tafel heen. + +Mientje, ga den kruier halen! Hij moet al die beesten vangen. Hoe komt +die nare Robert er toe, om die torren naar ons te zenden? Maar wacht, ik +zal hem een brief schrijven, die hem niet bevallen zal, dien stouten +bengel. Mientje, spoedig, zeg dat de kruier direct moet komen! + +Maar dat was niet noodig, want op dit oogenblik werd er gescheld. + +Ha, dat zal Pieter zijn, riep Mevrouw verheugd uit. Hij zal ons +misschien wel van die beesten kunnen verlossen. + +Inderdaad, zij had goed geraden; het was Pieter, en deze was niet weinig +uit zijn humeur toen hij hoorde, wat er gebeurd was. + +Maar Mama, riep hij teleurgesteld uit, dat zijn geen torren, het zijn +meikevers, die Bob mij gestuurd heeft, omdat ik hem dat verzocht had. En +nu zijn ze alle weg! + +Weg? herhaalde zijne Mama. Weg? De hemel gave, dat het waar was. Weg? +De voorkamer boven zit vol; er is geen plaatsje te zoeken, waar niet van +die beesten zitten. Ik zag er zelfs een in de melkkan vallen. + +En in den suikerpot, Mevrouw, zei Mientje, daar zaten er ook in! Hu, +ik ga niet me, hoor jongeheer, voor geen geld! Ik moet er niets, +niemendal van hebben. + +Dat is ook niet noodig! bromde Pieter. Geef mij den langen stoffer +maar, dan zal ik ze wel vangen. En Mama, heeft u geen kistje voor me? +Een sigarenkistje, of zoo iets? + +Waarvoor? vroeg Mevrouw. Toch niet, hoop ik, om er die akelige +beesten in te doen? Ik wil het volstrekt niet hebben, Pieter, volstrekt +niet, heb je mij goed verstaan? Schuif de ramen open en jaag ze naar +buiten. Ik wil die beesten onder mijne oogen niet meer hebben. + +Maar Mama, Bob heeft ze toch voor mij gestuurd? + +Zeker, dat heeft hij en ze hebben mij nog een dubbeltje aan den looper +gekost ook. Doch dat verandert aan de zaak niets, Pieter. Gooi die +beesten het raam uit! En nu geen woord meer, asjeblief! + +Pieter begreep, dat het zijne mama ernst was, en met tranen in de oogen +ging hij, gewapend met een langen stoffer, naar boven, om de ontsnapte +diertjes te vangen. + +Toch moest hij lachen, toen hij zag, hoe de geheele kamer als het ware +met meikevers bevolkt was. Geen plekje zag hij, of er was een meikever. +'t Was zulk een bespottelijk gezicht, dat hij het uitschaterde van het +lachen. De deur had hij achter zich gesloten en hij hoorde, hoe zijne +Mama en Mientje daar achter stonden te wachten op het oogenblik, dat de +kamer weer vrij zou zijn. + +Eerst las Pieter op zijn gemak het gedicht van zijne drie vrienden, +stak het na de lezing in zijn zak, en ging daarna op de jacht. De ramen +had hij open geschoven, en weldra zag hij, hoe de gejaagde kevers bij +drommen naar buiten vlogen. Het was nog lang geen gemakkelijk werkje, +om ze naar buiten te krijgen, want telkens, als hij dacht, dat hij +nu eindelijk den laatsten had gehad, kwamen er uit de plooien van de +gordijnen weer andere te voorschijn. Ja, zelfs vele dagen daarna werd +Mevrouw telkens nog opgeschrikt door de onverwachte verschijning van +een meikever, die haar onmiddellijk de vlucht deed nemen naar Mientje, +maar deze was niet te bewegen, om hem te vangen. + +Nog jaren daarna kon Mevrouw haar neef Bob niet ontmoeten, of zij begon +telkens weer over die meikevers te spreken en dan kon zij geen woorden +genoeg vinden, om haar schrik en ontsteltenis te beschrijven. + +Maar Pieter was, tot zijne innige spijt, slecht van zijne meikevers +afgekomen. + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + + Hoe ik mijne betrekking als organist vervulde en wat + Bob in den toren vond. Hoe in het eene huis + vreugde en in het andere droefheid kon + heerschen om eenzelfde gebeurtenis. + + +'t Werd Zondagmorgen. Ik was al vroeg wakker, want de enkele malen, dat +ik voor den meester het orgel moest bespelen als er dienst was, sliep +ik nooit bijzonder rustig. De wetenschap, dat ik als organist moest +optreden, stemde mij altoos min of meer zenuwachtig en deed mij ook nu +vroeg ontwaken. + +Spijt behoefde ik daar echter niet over te gevoelen, want het was +bijzonder prachtig wer. De dauw lag als een luchtig gaas over het veld +en deed blad en twijg schitteren in de gulden ochtendstralen van de +zon. Een heerlijke geur vervulde de lucht en ik vond het verrukkelijk, +langzaam rond te wandelen door onzen tuin, waar de glinsterende +dauwdroppels wel diamanten schenen. De vogels sjilpten zoo vroolijk op +het dak, de hanen kraaiden elkander zoo gezellig hun morgengroet toe, +het zonnetje scheen zoo heerlijk. 't Was een genot, buiten te zijn. + +'t Werd langzamerhand drukker en levendiger om mij heen. De huizen +werden meer en meer geopend, als om te bewijzen, dat de bewoners waren +opgestaan, en hier en daar klonk uit de mij omringende tuinen een +lied of een vroolijke lach. De hanen werden kalmer, het zonnetje rees +langzaam hooger en verdreef met hare stralenbundels den dauw, die niet +dan onwillig scheen op te trekken, de vogels fladderden van boom tot +boom, en de bijtjes bewogen zich al gonzende van de eene bloem naar de +andere. + +Hoor, daar was de melkboer reeds. Van huis tot huis kon ik hem volgen, +want overal opende hij de achterdeur en riep: Mel-lek! En de laatste +lettergreep rekte hij wel tweemaal zoo lang uit als noodig was. + +Nu waren ook mijne broertjes en zusjes ontwaakt. Ik hoorde hun gesnap en +gebabbel zelfs in den tuin, dien zij weldra onder vroolijk gejuich +binnenstormden. + +Je moet komen ontbijten, Dorus! klonk het mij toe. Moe heeft het +gezegd. + +Nu, dat bericht behoefde niet herhaald te worden, want eene flinke +boterham was mij nooit onwelkom. En toen het ontbijt afgeloopen was, +ging ik weer in den tuin om het eerste gelui af te wachten. Bij ons werd +er altoos tweemaal geluid, den eersten keer om halfnegen, en den tweeden +keer een uur later, als de kerk aanging. + +Hoe meer het uur van aanvang naderde, des te minder begon ik mij op mijn +gemak te gevoelen. Niet, omdat ik bang was, dat ik het er niet goed zou +afbrengen, o neen, in het geheel niet, want ik speelde toen de psalmen +en de gezangen al vrij vast. Ik weet zelf niet, waarom ik er altoos zoo +tegen opzag; ik denk, dat het gevoel van verantwoordelijkheid mij +drukte. + +Eindelijk drongen de klokketonen tot mij door. Dat gelui stemde mij +altoos, zoo jong als ik was, min of meer ernstig, en wanneer het de +doodsklok was, die geluid werd, huiverde ik zelfs dikwijls. + +Een kwartiertje later nam ik mijne muziekboeken uit het kastje en zei +tegen Pa en Moe, dat ik vast vooruitging, om alles in gereedheid te +brengen. + +Hoor eens, Dorus, zei Pa, geen grappen maken daarboven, hoor, en geen +jongens menemen. Zorg er voor, dat niemand merkt, dat de meester er +niet is. Laat alles ordelijk en naar behooren gaan. + +Ja Pa! was mijn antwoord, en toen ging ik. + +Zorg, dat ik mij niet over je behoef te schamen! riep Pa mij nog na. + +Onderweg kwam ik Bob tegen. + +Zoo Dorus, zei hij, ga je naar de kerk? + +Ja, ik ga naar de kerk. + +Dat ik dien morgen als organist moest optreden, verzweeg ik hem, want +dan wist ik zeker, dat hij ook boven zou komen. Maar Bobje wist het al. +Hij vervolgde: + +Ik kom ook, Dorus. De meester is er immers niet? + +Ik had veel lust om te zeggen, dat de meester er wl zou zijn, maar van +liegen en veinzen had ik een onoverwinnelijken afkeer, dus zeide ik het +niet. + +Ik ben van morgen organist, Bob, zei ik op beslisten toon, en de +meester komt niet! Ik heb eerst den meester en nu nog mijn Pa moeten +beloven, dat ik geen jongens zou menemen, en ik doe het niet ook. Als +je komt, zal ik den koster verzoeken, je te verwijderen. + +Erg vriendelijk van je, Dorus, zei Bob knorrig, erg +vriendschappelijk, dat moet ik zeggen. + +Waarom ga je niet beneden zitten? Daar heb je immers eene plaats? + +Ja, maar ik zit veel liever boven. Daar kan ik nog eens heen en weer +loopen, weet je, en dat kan ik in de kerk niet doen. Dus mag ik niet? + +Neen, je moogt niet. Ik heb het beloofd en die belofte zal ik houden. +Je doet ook altijd zulke dwaze dingen. Maar nu moet ik gaan, of ik ben +niet op tijd gereed. Tot van middag! + +Bob scheen echter boos, want hij ging zonder groeten verder. Nu, dat +hinderde niet. Hij was wel eens meer boos, maar dat ging vanzelf weer +over. Hij zou mijne weigering ook nu wel spoedig vergeten zijn. + +Ik had nu de kerk bereikt en ging naar boven, waar de koster de sleutels +van het orgel al had neergelegd. Eenige minuten later kwam hij mij het +orgelbriefje brengen, waarop te lezen stond, welke liederen er dien +morgen gezongen zouden worden. + +Uit dat briefje bleek mij, dat alles zou zijn, zooals gewoonlijk. Er +stond althans niets bijzonders op vermeld, en er zou ook nu, volgens den +gewonen gang van zaken, viermaal gezongen worden. Dat de melodin niet +bijzonder moeilijk waren, zag ik al met een enkelen oogopslag, want het +waren alle bekende gezangen, die dikwijls opgegeven werden. + +Toen alles gereed stond, kwam Potman, de orgeltrapper boven. Potman was +een oude sukkel, die door de diakonie onderhouden werd en er nog een +duitje bijverdiende met orgeltrappen. + +Zoo Dorus, zei hij, moet jij van morgen spelen? Komt de meester +niet? + +De meester is uit, zei ik, en nu moet ik spelen. + +Zoo, zoo, nu, dat is je toevertrouwd. Er zal wel veel volk ter kerk +komen, denk ik, want het is prachtig wer. Kom, ik zal maar gaan +zitten. + +Potman ging naar de andere zijde van het orgel, waar zijn stoel stond, +en nauwelijks was hij weggegaan, of Jan van der Vliet kwam binnen. Die +had eene vaste plaats bij ons, en als de meester zeide, dat er geen +jongens boven mochten komen, was Jan daarvan stilzwijgend uitgezonderd. +Trouwens, Jan zou ook geen dwaze dingen gaan doen, zooals Bob. Als deze +boven zat, wierp hij altoos propjes papier naar beneden, die dan op de +hoofden der menschen terecht kwamen, of hij maakte grappen tegen de +jongens, die op de galerijen zaten, want gij moet weten, dat het eene +groote kerk was met twee galerijen, die op dezelfde hoogte van het orgel +waren aangebracht. Wanneer de collectanten van de eene galerij naar de +andere moesten gaan, kwamen zij altoos onze afdeeling over en namen dan +meteen onze giften in ontvangst. + +Morgen Dorus! zei Jan. + +Morgen Jan! was mijn antwoord, en ik zag, dat zijn gelaat droevig +stond. Hij schoof de gordijntjes een weinig ter zijde, zoodat hij in de +kerk kon zien, en staarde op de bank, waar 's Zondags altoos zijne +ouders zaten, want zij waren trouwe kerkgangers. Hunne plaatsen bleven +nu evenwel ledig, en toen ik Jan aanzag, ontdekte ik tranen in zijne +oogen. Onze blikken ontmoetten elkander, en wij schenen daarin elkanders +gedachten te kunnen lezen. + +Ze durven niet. Ze schamen zich! fluisterde hij mij toe, en zijn mond +plooide zich zenuwachtig. Ik zag, dat hij moeite deed, om niet te +schreien. + +Ik antwoordde niets, want ik wist niet, wat ik zeggen moest. Hoe kon ik +den armen jongen troosten, nu morgen de rechtbank wellicht het schuldig +over hen zou uitspreken? Hoe kon ik hem troosten, nu binnen korten tijd +de gevangenisdeur wellicht achter hen zou worden gesloten en Jan alleen +met zijn zusje in de armelijke woning achterbleef? + +Neen, ik kon hem niet troosten, want iedereen zeide, dat zij wel +veroordeeld zouden worden. + +En dan toch onschuldig? dacht ik, terwijl ik Jan vol medelijden +aanzag. Maar -- dat zou verschrikkelijk zijn. + +Op dit oogenblik begon de koster voor de tweede maal te luiden, en werd +het drukker in de kerk. + +Daar kwam dokter Doreman binnen, die bijna nooit verzuimde, maar ook +bijna nooit tot aan het einde van den dienst bleef, omdat hij gewoonlijk +midden onder de preek bij een patient geroepen werd, want hij had een +verbazend drukke praktijk. + +En daar kwam notaris de Wild binnen, met zijne vrouw. Of Bob ook +meegekomen was? Hoe ik ook keek, ik ontdekte hem nergens. Misschien was +hij nog boos op me? + +De drukte beneden werd nog grooter, want het was nu half tien. En de +meeste menschen komen precies op tijd of te laat. + +Nu kwam ook de voorzanger in de kerk. Ik zag hem weldra plaats nemen +voor zijn lessenaar en opzoeken, wat er gezongen moest worden. Het +luiden hield op, de voorzanger kuchte, trok zijn das recht, hoewel deze +volstrekt niet scheef zat, en daar begon hij, zacht en onduidelijk: + +De gemeente gelieve te zingen-- maar nu verhief zijne stem zich, +zooals de man dat gewoon was te doen, plotseling wel eene quinte hooger, +en klonk het helder en duidelijk, zoodat iedereen hem kon verstaan: van +den twee en veertigsten psalm, het eerste veers. Hij zei altoos veers +en nooit vers; waarom hij dat deed, weet ik niet. + +Ik herzeg: van den twee en veertigsten psalm, het eerste veers. En nu +begon hij op een galmenden toon, dien niemand mooi vond, het opgegeven +vers voor te lezen. Ik zat gereed om te gaan spelen, dat spreekt +vanzelf, en de orgeltrapper was evenzoo op zijne post. Jan stond achter +mij, om te zien wat ik deed. Zoodra de voorzanger geindigd had, speelde +ik mijn preludium, wat heel goed ging, trok daarna eenige registers uit +en speelde het koraal, waarmede de gemeente instemde. Jan, die anders +altoos uit volle borst mezong, scheen nu geen zingenslust te hebben, +althans hij deed niet mede, en het scheen mij toe, dat hij zuchtte. + +Eerst beefde ik wel een beetje, toen ik begon te spelen, maar dat +bedaarde spoedig en ik gevoelde mij verder goed op mijn gemak. Het ging +dan ook tot het einde toe zeer goed. + +Nu las de voorzanger een gedeelte uit den bijbel voor, en toen nam de +dominee, die onder het zingen den kansel beklommen had, het woord. + +Spoedig werd het tweede gezang opgegeven. Ik speelde het zoo goed, dat +ik er niet aan twijfelde, of er zouden maar weinig menschen zijn, die +opmerkten, dat de gewone organist niet tegenwoordig was. Dat stemde mij +recht prettig. + +Midden onder het gezang evenwel verdween plotseling al mijne vreugde, +want de deur werd geopend, en zonder eenig gedruisch te maken trad Bob +binnen. Dat vond ik flauw van hem. Hij wist, dat zijne tegenwoordigheid +bij het orgel in het geheel niet gewenscht, ja, zelfs verboden was, en +nu kwam hij toch. Wat moest nu de meester wel van mij denken, als hij +het hoorde? En wat zou Pa zeggen, als ik thuis kwam? Want deze zou het +ongetwijfeld wel te weten komen. En bovendien, welke dwaze dingen zou +Bob misschien weer gaan uithalen, -- want dat deed hij immers altijd? + +Toch kon ik er niets aan veranderen. Hij was er nu eenmaal, en hoe moest +ik hem tot heengaan bewegen? O ja, ik kon naar beneden gaan en den +koster waarschuwen, maar dan zagen alle menschen mij; wat zou dat dus +eene opschudding veroorzaken. Neen, ik kon er niets aan doen, en dat +wist Bob wel. Juist daarom had hij zoo lang gewacht. + +Hij kwam doodbedaard achter mij staan en keek naar mijn spel. Maar +plotseling stak hij de hand uit, om ook een of twee toetsen neer te +drukken, wat afschuwelijk geklonken zou hebben. Ik schrikte er van. + +Niet doen! -- Niet doen! riep ik hem haastig toe, en gelukkig was Bob +zoo vriendelijk, dezen keer mijn zin eens te doen. Lachend trok hij +zijne hand terug. Maar nu begon hij met zijn voet op het pedaal te +drukken, wat mij duidelijk werd, daar de bas plotseling door eene +onbekende oorzaak vreeselijk valsch begon te klinken. Ik onderzocht +dadelijk, of ik mij ook vergist en een verkeerden toets neergedrukt kon +hebben, maar dat was niet zoo. Mijn spel was goed. Toen ontdekte ik, +dat Bob het deed, en weer fluisterde ik hem toe: + +Laat het dan toch, Bob. Je maakt me in de war! + +Wat was ik blij, toen ook het tweede gezang ten einde was. Ik maakte +alles gereed voor het derde en wendde mij daarna tot Bob, die +doodbedaard op een stoel was gaan zitten. + +Zoo, zei ik zacht, maar daarom niet minder boos, ben je daar toch? + +Zooals je ziet, zei Bob. En ik ga niet weg ook, al kijk je me nog zoo +nijdig aan. + +Ik vind het leelijk van je, Bob -- erg leelijk! zei ik weer. Als ik +den koster roep, word je dadelijk weggestuurd. + +Ja, dat weet ik wel, maar je haalt hem niet, Dorus. Doch wees nu maar +bedaard, -- ik beloof je, dat ik in het geheel geen kwaad zal doen en +stil zal blijven zitten. Is het nu goed? + +Hij lachte mij vriendelijk toe, terwijl hij dat zeide. De oolijkerd wist +wel, dat hij gelijk had. Ik draaide mij boos van hem af en ging voor +mijne muziek zitten, om die nog eens door te zien. + +Inderdaad hield Bob zich eenigen tijd zeer bedaard, zoodat ik volstrekt +geen reden had, om ontevreden over hem te wezen. Toch deed ik nog net, +of ik erg boos op hem was en bleef met mijn rug naar hem toezitten. Want +ik wilde mij volstrekt niet met hem bemoeien, daar ik wist, dat hij +direct de geheele hand zou nemen, als ik hem maar een vinger toestak. Ik +wilde hem in het geheel niet aanmoedigen. + +Na een klein kwartier echter begon de stoel, waarop hij plaats genomen +had, verdachte geluiden voort te brengen en telkens geducht te kraken, +wat mij het duidelijke bewijs was, dat Bob onmogelijk langer stil kon +zitten. + +Nu zal het lieve leventje beginnen, dacht ik, doch ik bleef op mijne +muziek turen en verwaardigde hem met geen blik. + +Het gekraak werd evenwel telkens erger, zoodat ik wel omkijken moest, +en nu zag ik Bobje boven op de leuning zitten met zijne voeten op de +zitting, en hij maakte allerlei leelijke grimassen tegen den ouden +Potman, die hem heel boos zat aan te kijken. + +Bob, wees toch stil! gebood ik, want ik twijfelde niet, of men zou +beneden in de kerk het leven kunnen hooren, dat hij maakte. + +Houd je kalm, Dorus, zei Bob. Kijk dien ouden Potman eens boos wezen! +Ik geloof, dat hij me wel zou willen opeten. + +En weer begon hij grimassen te maken en op de leuning heen en weer te +schommelen, zoodat de stoel er van kraakte. + +Bob, houd nu op en ga heen. Toe, asjeblief, Bob! + +Nu mijn dreigen niet hielp, begon ik hem te smeeken, want ik twijfelde +niet langer, of hij zou me in groote ongelegenheid brengen. Aanstonds +breekt de stoel nog, zei ik er waarschuwend bij. En nauwelijks had ik +die woorden uitgesproken, of krak, krak! daar brak de leuning middendoor +en viel Bob met een slag op den grond. Het bloed steeg mij naar het +hoofd van den schrik en ik keek snel naar beneden, of de menschen in de +kerk het hadden gehoord. Ja, een enkele zag even naar boven, maar daar +het orgel boven de groote vestibule stond, had men er daar minder van +gehoord, dan ik vreesde. + +Toch had het gebeurde een gevolg, waarover ik mij zeer verheugde, want +Bob had in allerijl het hazenpad gekozen; zeker vreesde hij, dat de +koster naar boven zou komen. + +Nu werd het zoo rustig boven als ik maar wenschen kon, want Jan van der +Vliet zat doodbedaard op een stoel achter mij te luisteren naar de preek +van den dominee, hetgeen ik nu ook ging doen. Want tot nog toe had mijn +vriend Bob mijne aandacht daar totaal van afgeleid. En de oude Potman +ging, als gewoonlijk, zijn slaapje doen. Bob was nog geen drie minuten +weg, of de oude man zat al te knikkebollen. + +Het duurde echter maar kort, of ik hoorde iemand met groot gedruisch de +trap afklimmen, die naar den toren voerde. Dat moest Bob wezen, het kon +niet anders. Zeker was hij weer naar het uilennest wezen kijken. Maar +hoe kwam hij er nu toch toe, om zoo hard naar beneden te komen stormen? +Hij wist toch, dat er kerk was? Of wilde hij mij met voordacht in +ongelegenheid brengen? Dat vond ik slecht van hem. + +Daar werd de deur driftig opengeworpen en kwam Bob met niet weinig +gedruisch binnenstappen. Zijn gelaat was hoogrood gekleurd en hij maakte +ontzaglijk veel leven. Blijkbaar was hij zoowel den dominee als alle +kerkgangers vergeten. + +Ssst! Ssst! fluisterde ik hem toe, met mijn vingers tegen den mond. + +Jan, ga mee! Dorus, jij ook! zei hij gejaagd. Ik heb het geld +gevonden van den diefstal, -- al het geld! + +In een oogwenk stonden wij naast hem, en Jan werd doodsbleek. + +Het geld! -- Van den diefstal? stamelde hij. Spot er niet mede, Bob, +want dat zou laag en laf wezen. + +Ik spot niet! Gerust niet! Gaat maar mede. 't Ligt boven in den toren, +onder het uilennest, je weet wel, dat nest, dat we onlangs hebben +gevonden. Komt, dan zal ik het je wijzen! + +Bob ging ons voor, en zonder meer aan het orgel te denken volgde ik +hem. Dat ook Jan naar boven ging, behoeft niet te worden gezegd. + +Halverwege de trap dacht ik echter aan het derde gezang, dat nu volgen +moest, maar naar mijne berekening was het daarvoor nog te vroeg. Ik zou +toch spoedig weer naar beneden komen, maar eerst moest ik dat geld eens +zien. + +Vlug klommen wij de trap op. Wij gingen de klok voorbij, die regelmatig +tikte, en hadden weldra het nest bereikt. + +Kijk, -- hier onder! zei Bob. Zie je wel, dat de eieren er nog +precies zoo liggen als toen? De vogels zijn ongetwijfeld gestoord door +den dief, want zie maar, hier ligt het geld! + +Bob lichtte nu het nest op, en waarlijk, -- daar lag het gestolene; een +briefje van zestig gulden, een van veertig, en zeven gouden tientjes. +Alleen de drie gouden tientjes, die bij Van der Vliet onder de deur door +geschoven waren, ontbraken er aan. En bovendien lagen daar nog eenige +honderden postzegels van verschillende waarde, zoodat wij niet behoefden +te twijfelen, of dit het geld van den diefstal was. + +Jan schreide en lachte tegelijk. De goede jongen was geheel in de war. + +Daar is het! Daar is het! juichte hij. Nu zal de onschuld van mijne +ouders aan het licht komen. O Bob, dat heb ik aan jou te danken! + +Maar wat moeten we nu doen? vroeg Bob. + +Alles precies laten liggen, zooals het ligt, en dadelijk den +burgemeester gaan waarschuwen, zei ik. En spreek er tegen +niemand...... + +Maar eensklaps bestierven de woorden mij op de lippen, want -- daar +klonk mij plotseling gezang in de ooren. Eerst begreep ik niet, wat er +gebeurde, maar weldra ging mij een licht op. 't Was kerkgezang -- en dat +nog wel zonder orgelbegeleiding. Door de verrassing van het gebeurde, +had ik het orgel vergeten, en nu -- was het te laat! + +Van schrik kon ik niet spreken, en met open mond staarde ik mijne beide +vrienden aan. + +Mooi zoo, Dorus! zei Bob. Dat ziet er pleizierig voor je uit. 't Is +zeker het derde gezang? + +Ik knikte toestemmend en kreeg de tranen in de oogen, tranen van spijt +en berouw. Zonder een oogenblik langer te dralen ijlde ik naar beneden, +naar het orgel, -- maar wat kon ik er doen? De menschen zongen reeds +onder leiding van den voorzanger, en ik kon onmogelijk zoo maar +invallen. Potman keek mij aan en schudde bedenkelijk met het hoofd. +Hij vond mij zeker erg slecht. + +En ik -- schreide tranen van verdriet. + +Nu werd de deur geopend en trad Pa binnen. Hij had de kerk onder het +zingen verlaten, en kwam kijken, wat er gebeurd was. + +Zijn gelaat stond zeer ernstig. + +Waarom speel-je niet, Dorus? vroeg hij. + +Vol schaamte hield ik mijne oogen op den grond gericht, maar ik +antwoordde niet. + +Waarom speel je niet, Dorus? herhaalde Pa zacht, maar dringend. + +Ik was er niet, Pa. + +Ik zag, dat mijn antwoord Pa bedroefde. + +Dat spijt me van je, Dorus! zei hij zacht. Dat spijt me meer, dan je +wellicht vermoedt. Ik vertrouwde je zoo geheel, Dorus. + +Ach, wat speet het mij, Pa zoo teleurgesteld te hebben. + +Waar was je dan? vroeg hij even later. + +Pa, ik was in den toren. Bob...... + +Bob? Ik had je immers verboden, jongens mede te nemen? Dorus, -- Dorus! +Wat val je me tegen. + +Ik heb hem niet meegenomen, Pa! zei ik schreiende. Hij is zelfs +gekomen ondanks mijn verbod. En ik kon hem niet weg krijgen. + +En wat moest je in den toren doen? Het was je plicht hier te blijven. +'t Is niet alleen stout van je geweest, maar ook dom, erg dom, Dorus. + +Ach Pa, u weet alles niet. Bob was in den toren gegaan, en daar heeft +hij al het geld gevonden en de postzegels, die bij mijnheer Valk +gestolen zijn. En toen hij ons dat kwam zeggen, zijn Jan en ik met hem +naar boven geklommen, om het te zien. En Pa, toen -- toen was ik het +derde gezang vergeten, -- ik dacht er in het geheel niet meer aan, +totdat ik opeens hoorde zingen. + +Het geld gevonden en de postzegels? zei Pa, die een en al verbazing +was. Dat zeg je immers? + +Ja, Pa. + +En waar zijn die jongens nu? + +Nog in den toren, Pa. Toe, ga er als het u belieft dadelijk heen, want +zij weten niet, wat zij er mede moeten doen. + +Ik deed de deur voor Pa open en meende hem voor te gaan. Maar Pa zeide: + +Jij blijft hier op je post, -- begrepen, Dorus? + +Ja, Pa. + +Beschaamd keerde ik naar mijn klavier terug, dat ik zoo schandelijk +verlaten had. Het gezang was nu geindigd, en ik zocht de muziek gereed +voor het laatste zingen. De dominee begon aan het tweede gedeelte van +zijne predikatie. + +Wat had ik een flater begaan! En wat zou ook de meester boos op mij +zijn. Eerst moest ik daar onophoudelijk over denken, doch al spoedig +gingen mijne gedachten zich bezig houden met hetgeen in den toren +gevonden was, en ik bedacht, hoe heerlijk dat moest zijn voor Van der +Vliet en zijne vrouw, wier onschuld nu zoo duidelijk aan het licht +gekomen was. Want het was niet aan te nemen, dat zij dat geld daar +zouden hebben verstopt. Zij kwamen immers nooit in den toren? + +Maar wie kon dan de dader geweest zijn? Vruchteloos spande ik mij in, om +het antwoord op die vraag te vinden. Tot mij opeens in de gedachten +schoot, dat dit niemand anders kon zijn dan Arie de Zwaan, de neef van +den koster, bij wien al eenmaal huiszoeking was gedaan. + +Ik hoorde, hoe iemand de trap afkwam. De deur ging open en Bobs gelaat +verscheen om den hoek. + +Wees maar niet bang, Dorus, 't zal best voor je afloopen, hoor. Nu dat +geld hier gevonden is, zullen de menschen over het orgel bijna niet +denken. En je Pa is niets boos. Dag! Ik ga den burgemeester halen. Je Pa +heeft het mij bevolen. + +En weg was hij. Ja, hij had gelijk. Nu dat geld ontdekt was, zou mijne +domme daad spoedig op den achtergrond gedrongen zijn. Maar dat nam niet +weg, dat ik toch het vertrouwen van mijne ouders en den onderwijzer +ernstig moest hebben geschokt, en dat deed mij veel verdriet. Van de +preek hoorde ik dien morgen weinig of niets, want mijne gedachten kon ik +er onmogelijk bijhouden. Ik hoorde bijna niet eens, dat de dominee amen +zeide. + +Eindelijk werd de slotzang opgegeven. + +Ik speelde dien zoo goed ik kon, om mijne fout zooveel mogelijk te +herstellen, en terwijl de menschen de kerk verlieten, gaf ik mijn +mooiste stuk ten beste. + +Juist op dat oogenblik kwam Bob terug in gezelschap van den burgemeester +en van Tip, die heel gewichtig keken en met groote schreden door eene +zijdeur de kerk binnenstapten. O, wat waren de kerkgangers nieuwsgierig +naar hetgeen zij daar gingen doen, maar niemand werd daarbinnen +toegelaten. Dat ik naar boven in plaats van naar huis gegaan was, +spreekt vanzelf. + +Zoodra de burgemeester bij het uilennest aangekomen was, moest Bob alles +vertellen, wat er gebeurd was. En hij was tot mijne vreugde zoo eerlijk, +om zelfs te zeggen, dat hij tegen mijn zin bij het orgel gekomen was en +daar een stoel had gebroken; dat hij daarna de vlucht had genomen, +uit vrees, dat de koster komen zou om hem weg te jagen, en naar boven +geklommen was, om nog eens naar het uilennest te kijken, dat wij daar +voor eenigen tijd ontdekt hadden. + +Is dat alles waar? vroeg de burgemeester. + +Ja mijnheer, volkomen waar! stemden wij toe. + +Pa gaf mij stilzwijgend eene hand, ten bewijze, dat hij mijne fout +vergaf. + +Maar Bob zag het, en hij zeide tegen Pa: + +Ja mijnheer, Dorus heeft in het geheel geen schuld, want hij had mij +verboden te komen. Maar toen ik zag, aldus vervolgde hij tot den +burgemeester, dat de vogels weggegaan waren, zeker omdat zij door +iemand waren opgejaagd, kreeg ik lust, om het nest eens van onderen te +bekijken en daar ontdekte ik dat geld en de zegels. Arie de Zwaan heeft +dat alles daar zeker verstopt. + +Stil jongen, zei de burgemeester. Ik vraag je geen namen, want daar +weet je immers niets van? + +Maar ik zag, dat hij knipoogde tegen Pa, en dat die beide heeren een +bijna onzichtbaar glimlachje niet bedwingen konden. + +Hoe wist je, dat de vogels gestoord waren in het broeien? vroeg de +burgemeester. + +Omdat ik voelde, dat de eieren koud waren, mijnheer, antwoordde Bob. +Arie de Zwaan -- o, ik bedoel, de dief is hier zeker dikwijls geweest, +want anders zouden de uilen niet zoo bang geworden zijn, dat zij de +eieren in den steek lieten. + +Zoo, -- hm, ja, dat kan wel zijn. Nu, ik heb alles hier gezien en zal +er proces-verbaal van opmaken. Jelui moet van middag om n uur bij me +op het raadhuis komen, alle drie, goed begrepen? + +Ja burgemeester. + +Je kunt nu gaan, maar vergeet het niet, hoor: om n uur. Het gevondene +zal ik menemen. + +Wij verlieten den toren en gingen in druk gesprek huiswaarts. Toen wij +voorbij de kosterswoning kwamen, zagen wij, hoe Arie de Zwaan, die zeker +den burgemeester en den veldwachter voorbij en in den toren had zien +gaan, onrustig voor het huis heen en weer liep. Zoodra hij ons zag, +vroeg hij: + +Wat is er in den toren te doen, jongens? + +Daar heb je den dief, geloof dat gerust, fluisterde Bob ons toe. Wat +ziet hij bleek! + +En luid antwoordde hij: + +In den toren? Op dit oogenblik niets. + +Dat was volkomen waar, want wij zagen den burgemeester, Pa en Tip juist +naar buiten komen. + +De burgemeester gaf Pa de hand en begaf zich, door den veldwachter +gevolgd, regelrecht naar de kosterswoning, waar Arie hen in zenuwachtige +spanning afwachtte. Dat hij zenuwachtig was, konden wij best aan zijne +gejaagde bewegingen zien. + +De koster en diens vrouw kwamen juist uit hun huis, toen de burgemeester +Arie genaderd was. Wij zagen, hoe hij hem de hand op den schouder legde, +en wij hoorden hem zeggen: In naam der wet, Arie de Zwaan, neem ik u +gevangen. + +Verschrikkelijk, wat vonden wij dat pijnlijk. Wij zagen hoe Arie's +tante haar gelaat met de handen bedekte en in tranen uitbarstte. + +Komt, jongens, zei Pa zacht, want die was ons nu genaderd, komt, +laten we naar huis gaan. Dat is een treurig schouwspel, niet waar? + +Zonder spreken vervolgden wij onzen weg. Maar Jan ijlde ons vooruit, om +zijne ouders de blijde boodschap te brengen. Wat zal in de eenvoudige +woning groote vreugde hebben geheerscht! + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +Besluit. + + +Het geheele dorp was dien dag verder in rep en roer, over hetgeen er +gebeurd was. Er werd bijna over niets anders gesproken dan over Bobs +vondst en de gevolgen daarvan. Dat die vooral voor de Van der Vliets +hoogst gewichtig waren, is gemakkelijk te begrijpen. + +En wat bracht de gevangenneming van Arie de Zwaan eene geweldige +opschudding teweeg. Overal zag men de menschen voor de ramen of op de +straat verschijnen, toen hij tusschen den burgemeester en den +veldwachter naar het raadhuis werd gevoerd, waar hij voorloopig in het +gevangenhok werd opgesloten. Met neergeslagen oogen liep hij tusschen +zijne bewakers voort, ongeboeid, dat is waar, maar toch scherp bewaakt. + +'s Middags maakte Kees van der Vliet met zijne vrouw eene wandeling door +het dorp. Hun gelaat straalde van vreugde, en zij liepen met het hoofd +fier omhoog. Ieder die hen tegenkwam, maakte een praatje met hen, en +allen fliciteerden hen met de gunstige wending, die de zaak genomen +had. + +'t Was grappig te hooren, hoe de menschen zeiden, dat zij altoos wel aan +hun onschuld hadden geloofd, en die vroeger het meeste van hen te zeggen +hadden gehad, waren nu de eersten, die het tegenovergestelde betuigden. + +Arie de Zwaan ontkende tegenover den burgemeester met groote +beslistheid, dat hij den diefstal had gepleegd, en wat de burgemeester +ook deed, hij bleef halsstarrig bij die verklaring. + +'s Middags om twee uur, nadat wij op het raadhuis waren geweest, waar de +burgemeester ons het proces-verbaal had voorgelezen, werd Arie de Zwaan +per rijtuig en onder strenge bewaking naar Haarlem gevoerd, waar hij in +de gevangenis werd opgesloten. En toen hij den volgenden dag voor den +Officier van Justitie werd gebracht legde hij eene volledige bekentenis +af. Ja, hij had 's nachts het raam weten open te schuiven en al het +aanwezige geld gestolen, en om de verdenking van zich af te werpen, +had hij de drie gouden tientjes bij Van der Vliet onder de deur +doorgeschoven, daar hij gezien had, dat deze met zijne vrouw dien dag +bij den Directeur hadden gewerkt. + +De rechtbank veroordeelde hem tot eene langdurige gevangenisstraf. +Zijn oom en tante, de koster en diens vrouw, waren zeer bedroefd over +het slechte gedrag van hun neef. Toen hij later uit de gevangenis +terugkeerde, hebben zij hem voortgeholpen om naar Amerika te emigreeren. +Hier wisten zij geen raad meer met hem. + +Over de slechte wijze, waarop ik mijne taak als organist had +waargenomen, werd zeer weinig gesproken. Bob had het goed geraden: +door het vinden van het geld werd over mijne afwezigheid op dat +gedenkwaardige oogenblik niet meer gedacht. Zelfs de meester liet er +niets van blijken, toen hij teruggekeerd was, en later heeft hij mij +nog meer dan eens verzocht, als hij weer eens van huis moest, zijne +betrekking voor hem waar te nemen. Daaruit kon ik tot mijne groote +vreugde opmaken, dat hij mij zijn vertrouwen niet onwaardig keurde. + +Maar Bob ging nooit weer met mij mede. + +Dat kon hij ook niet, want korten tijd daarna heeft hij tot onze groote +spijt het dorp verlaten. De reden daarvan was, dat zijne Moe ernstig +ziek werd, zoodat men voor het behoud van haar leven vreesde. Dokter +Doreman deed alles, wat in zijn vermogen was om haar beter te maken, +doch zijne pogingen waren vruchteloos. Eindelijk werd er besloten, een +professor te raadplegen. Deze kwam en raadde na een ernstig onderzoek +aan, naar eene andere woonplaats te verhuizen, liefst naar een hoog +gelegen dorp in Gelderland. Hij twijfelde niet, of daar zou zij hare +verloren gezondheid terugvinden. + +Och, wat was Bob in dien tijd stil en bedaard, want hij had zijne Moe +innig lief. Wij zagen hem bijna niet meer op de straat en van spelen met +ons was geen sprake. Hij was altoos thuis, waar hij de geliefde zieke +met de teederste zorgen omringde. + +Zijn Pa besloot, den raad van den professor op te volgen. Hij kon er +echter niet toe besluiten, de lieve patiente alleen naar het vreemde +oord te laten gaan. Daarom nam hij zijn ontslag als notaris en vestigde +zich metterwoon te Oosterbeek. + +Het speet ons meer, dan ik zeggen kan, dat Bob ons ging verlaten. Hij +had nog geen vol jaar bij ons op het dorp gewoond, maar toch hielden wij +allen innig veel van hem. Dat bleek het duidelijkst bij zijn vertrek. +Sommige jongens stortten er zelfs tranen om. + +Maar Karel Holm en mij speet het 't meest van allen, want wij hadden het +meest met hem omgegaan. + +Dag Bob, zeiden we bij het afscheid nemen, en onze oogen waren +vochtig, evenals de zijne: Het ga je goed, j. 't Spijt me, dat je +heengaat. + +Mij niet minder; dag Dorus! dag Karel! Maar 't is om Moe, weet je. Als +ik haar maar behouden mag. + +En hij mocht haar behouden; de professor had het goed ingezien. Van +het oogenblik af, dat zij de Geldersche lucht inademde, begon zij te +herstellen, en nog geen drie maanden daarna schreef Bob ons, dat zij +volkomen beter was en hare krachten bijna geheel had teruggekregen. + + En jongens, zoo eindigde hij zijn brief, in de volgende + zomervacantie mag je beiden hier komen logeeren, zeggen Pa en + Moe. Vindt je dat niet heerlijk? Ik kan je niet zeggen, hoe + blij ik ben. Zeg jongens, dan zullen wij nog eens echt pret + maken. + Adieu! + Je vriend + BOB. + + + + +KAPITEIN MARRYAT's Jongensboeken. + + +De Gellustreerde Werken van KAPITEIN MARRYAT. + +De meest aanbevolen, meest boeiende en fraaiste boeken voor onze +Jongens. + +KAPITEIN MARRYAT is de Jongens-auteur bij uitnemendheid. + + _Het Handelsblad_ zegt: + "met gejuich worden zijne boeken steeds begroet. Slechts + bewondering, geen critiek wordt zijn deel." + + _Het Vaderland_ zegt: + "MARRYAT veroudert niet en blijft steeds even aantrekkelijk." + + _De Portefeuille_ noemt deze boeken: + Gezonde en zeer gewilde jongenslectuur. MARRYAT was een onderhoudend + verteller, die nooit iets aanstootelijks schreef, maar voortdurend + wist te boeien. + +De werken van KAPITEIN MARRYAT zijn verschenen in 2 uitgaven. + +A. De =groote gellustreerde uitgave met twaalf platen=, geteekend door +JOHAN BRAAKENSIEK en JOS. SCHEIDEL. Hierin zijn nog voorhanden: + +=De zoon van den Strooper= -- =Snarley Yow= -- =Frank Mildmay= -- =Onder +de Hottentotten= -- =Stuurman Flink= -- =Rattlin de Zeeman= -- =Japhet +de Vondeling= -- =Het Spookschip= -- =Jack Rustig=. + +Prijs in gellustreerd omslag [f]1.50, gebonden [f]1.90. + + +B. De =goedkoope gellustreerde uitgave=. Elk deel in groot formaat +hiervan is versierd met 8 platen en bevat ruim 350 bladzijden druks. -- +Verschenen zijn: + +=Pieter Simpel= -- =Het Koningskind= -- =Arme Jaap= -- =Jacob Eerlijk= +-- =De Kinderen van het Woud= -- =De Landverhuizers van Canada= -- =De +Zwerver= -- =De Kaper uit de vorige eeuw= en =Percival Keene=. + +Prijs van ieder deel in een door JOHAN BRAAKENSIEK geteekend omslag +[f]0.90, prachtig gebonden [f]1.25. + + + + +Gellustreerde Werken van MARK TWAIN. + + + De Lotgevallen van Tom Sawyer, + 6e herziene druk met platen van JOHAN BRAAKENSIEK. + + De Lotgevallen van Huckleberry Finn + (TOM SAWYER'S MAKKER). + 2e druk met ruim 50 illustratin. + + De Reisavonturen van Tom Sawyer, + met 30 fraaie platen. + + Prins en Bedelknaap. + 2e druk met ruim 50 illustratin. + + + _Het Handelsblad_ zegt: + De boeken van MARK TWAIN wemelen van leuke zetten, die ook ouderen + met plezier kunnen lezen. + +De prijs van bovenstaande vier werken van MARK TWAIN is ingenaaid +[f]1.50, geb. [f]1.90 per deel. + + + Jongensboeken van G. A. Henty, + vertaald door H. Th. CHAPPUIS. + + +Goedkoope gellustreerde uitgave. + +Als Nihilist naar Siberi, Roodhuiden en Grensroovers, Cowboys en +Goudzoekers. + +Alle gellustreerd. Prijs ingen. [f]0.90, geb. [f]1.25. + + +Historische Werken van C. Joh. Kieviet. + + +FULCO DE MINSTREEL. + +Een verhaal uit den tijd van Graaf JAN I. + +Met platen van JOH. BRAAKENSIEK. + + Prijs in gell. omsl. [f]1.50, + in prachtband [f]1.90. + + +IN WOELIGE DAGEN. + +Een verhaal uit de jaren 1345-1351. + +Met platen van L. R. W. WENCKEBACH. + + Prijs in gell. omsl. [f]1.50, + in prachtband [f]1.90. + + + + +Opmerkingen van de bewerker: + +Er komen in dit boek drie soorten nadruk voor: _cursief_, =vet= en ++gespatieerd+. + +Duidelijke drukfouten zijn gecorrigeerd, zoals b.v. "me" i.p.v. "me", +en "stellen" i.p.v. "stelten". + +Geneste dubbele aanhalingstekens zijn gestandaardiseerd tot "...", +waar dat nodig was voor de duidelijkheid. + +Overigens is de originele spelling en interpunctie ongewijzigd +overgenomen, ook ongebruikelijke woordvormen en inconsequent gebruik +van trema's en accenten. + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB *** + +***** This file should be named 37789-8.txt or 37789-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/7/7/8/37789/ + +Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + diff --git a/37789-8.zip b/37789-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..697bdd8 --- /dev/null +++ b/37789-8.zip diff --git a/37789-h.zip b/37789-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3364bba --- /dev/null +++ b/37789-h.zip diff --git a/37789-h/37789-h.htm b/37789-h/37789-h.htm new file mode 100644 index 0000000..caa23ca --- /dev/null +++ b/37789-h/37789-h.htm @@ -0,0 +1,9499 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl"> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Wilde Bob, by C. Joh. Kieviet. + </title> + <style type="text/css"> + +body { margin-left: 10%; margin-right: 10%;} + +h1,h2 {text-align: center; clear: both; font-weight: normal;} + +h1 {line-height: 180%; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em;} +h2 {font-size: 100%; font-variant: small-caps; + margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;} + +p {margin-top: .75em; text-align: justify; margin-bottom: .75em;} + +p.tp {text-align: center; font-weight: normal; line-height: 160%; + margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;} +p.ot {font-size: 110%; font-weight: normal; text-align: center; + margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; white-space: nowrap;} + +hr.l1 {width: 60%; margin-top: 4em; margin-bottom: 4em; + margin-left: auto; margin-right: auto; clear: both;} +hr.l2 {width: 30%; margin-top: 4em; margin-bottom: 4em; + margin-left: auto; margin-right: auto; clear: both;} +hr.l3 {width: 5em;} +p.str {background: url("images/streepje.gif") repeat-x; + margin-left: auto; margin-right: auto; + margin-top: 4em; margin-bottom: 4em;} +p.str2 {background: url("images/streepje.gif") repeat-x; + margin: auto; width: 10em;} +p.str3 {background: url("images/streepje.gif") repeat-x; + margin: auto; width: 5em;} + +table {margin-left: auto; margin-right: auto; font-size: 90%; max-width: 90%;} +td.col1 {text-align: center; white-space: nowrap;} +td.col2 {text-align: center; font-size: 110%; white-space: nowrap;} +td.col3 {text-align: center; font-size: 90%; white-space: nowrap;} + +.pagenum {position: absolute; left: 94%; font-size: 60%; text-align: right; + color: #999999; letter-spacing: 0; font-style: normal; font-weight: normal;} + +.blockquot {margin-top: 1.4em; margin-bottom: 1.4em; margin-left: 10%;} + +ol {margin-top: 0; margin-bottom: 0;} +dd, li {margin-top: 0.25em; margin-bottom: 0; line-height: 1.2em; + text-align: left;} + +.rght {float: right;} +.rght1 {float: right; margin-right: 12em;} +.rght2 {float: right; margin-right: 6em;} +.rght3 {float: right; margin-right: 3em;} + +.lft2 {padding-left: 5em;} +.lft3 {padding-left: 6em;} + +.smcap {font-variant: small-caps;} + +.center {text-align: center;} + +.caption {font-size: 90%; font-weight: normal; text-align: left; + display: table; padding-left: 1em; padding-right: 1em;} +.caption1 {font-size: 90%; font-weight: normal;} + +em.g {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -.2em; font-style: normal;} + +.f7 {font-size: 70%;} +.f8 {font-size: 80%;} +.f9 {font-size: 90%;} +.f11 {font-size: 110%;} +.f12 {font-size: 120%;} +.f14 {font-size: 140%;} + +.figcenter {margin: auto; text-align: center; + padding-top: 1em; padding-bottom: 1em;} +.figcenter1 {margin: auto; text-align: center; max-width: 400px; + padding-top: 1em; padding-bottom: 1em;} + +.centered {text-align: center; margin: auto; display: table;} +.poem {text-align: left; font-size: 90%;} +.poem br {display: none;} +.poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} +.poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; + padding-left: 3em; text-indent: -3em;} +.poem span.i14 {display: block; margin-left: 8.4em; + padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + +.footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 80%;} +.footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right; + font-size: 80%} +.fnanchor {vertical-align: top; font-size: 70%; text-decoration: none;} + +.tnote {border: dashed 1px; margin-left: 10%; margin-right: 10%; + margin-top: 2em; padding: .5em 1em .5em 1em; font-size: 80%;} + + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Wilde Bob + +Author: Cornelis Johannes Kieviet + +Illustrator: Willem Steelink + +Release Date: October 18, 2011 [EBook #37789] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB *** + + + + +Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + +<div class="figcenter"> +<img src="images/cover.jpg" width="426" height="600" alt="Cover" title="Omslag" /> +</div> + +<hr class="l2"/> + +<div class="figcenter"> +<img src="images/ill01.jpg" width="314" height="73" alt="C. M. Hoogenboom, +Sint-Nicolaasfeest. 1904." title="Met de hand geschreven op de eerste bladzij" /> +</div> + +<hr class="l2"/> + +<h1>WILDE BOB</h1> + +<hr class="l2"/> + +<div class="figcenter1"><a name="ill02" id="ill02"></a> +<img src="images/ill02.jpg" width="400" height="548" alt="Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg +heen en weer,.... (pag. 50)." title="" /> +<br /><span class="caption">Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg +heen en weer,.... (pag. <a href="#Page_50">50</a>).</span> +</div> + +<hr class="l2"/> + +<h1><big>WILDE BOB</big></h1> + +<p class="tp"><span class="f7">DOOR</span><br /> +<br /> +<span class="f14">C. JOH. KIEVIET</span></p> + +<hr class="l3"/> + +<p class="tp"> +<span class="smcap">Gellustreerd door Wm. Steelink</span></p> + +<p> </p> + +<p class="tp">AMSTERDAM<br /> +<span class="f12">VAN HOLKEMA & WARENDORF</span><br /></p> + + +<p><span class="pagenum"><a name="Page_1" id="Page_1">[1]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Eerste Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Welke streken Bob uithaalde<br /> +en hoe hij ten slotte overijld het hazenpad koos.</p> + + +<p>»Dorus!»</p> + +<p>Dat was de stem van Moe. Zij stond aan de trap en +ik zat mijn huiswerk te maken op de bovenkamer.</p> + +<p>»Ja, Moe! Wat wil U?»</p> + +<p>»Dorus, ginds komt Wilde Bob aan. Laat je nu niet +door hem van je werk metroonen, voordat je het afhebt. +Zul je niet?»</p> + +<p>»Neen, Moe, ik zal eerst mijn werk in orde brengen, +dat beloof ik U.»</p> + +<p>»Goed, mijn jongen. Eigenlijk zag ik nog veel liever, +dat je in het geheel met dien Bob niet omging, want ik +houd hem voor een heel slecht kameraad.»</p> + +<p>»Heusch niet, Moe, echt niet! ’t Is toch zoo’n aardige +jongen. Wij houden allen evenveel van hem en hij is +wel goed ook. Slecht althans in geen geval.»<span class="pagenum"><a name="Page_2" id="Page_2">[2]</a></span></p> + +<p>»Nu, ik wil het hopen. Dus eerst je werk af, denk +daar om.»</p> + +<p>»Ja, Moe!»</p> + +<p>’t Was Zaterdagmorgen, tien uur ongeveer, toen Moe +mij dit toeriep. ’s Zaterdags hadden wij nooit school, +daarentegen wel op Woensdagmiddag, welken de kinderen +tegenwoordig meestal vrij-af hebben.</p> + +<p>Eigenlijk was Moe’s waarschuwing niet noodig geweest, +want ten eerste was het mijn vaste voornemen, niet te +gaan spelen, voordat ik mijn werk afhad, en ten tweede +had ik mijn vriend Bob, of Wilden Bob, zooals hij gemeenlijk +genoemd werd, al zien aankomen. »Eerst leeren +en dan spelen,» zei onze meester altoos, en ik was dat +volkomen met hem eens. Niet omdat ik studeeren zoo +prettig vond, o neen, maar ik was al een paar malen +naar mijne kameraden gegaan, vr ik mijn werk afhad, +en dat had mij even zooveel malen berouwd. Want als +mijn vrije Zaterdag eindelijk al spelende voorbij gegaan +was, kon ik mijn Zondag besteden, om den verloren tijd +in te halen, en dat viel mij dubbel hard, want op dien +dag werkt niemand.</p> + +<p>Bob en ik woonden tegenover elkander, elk aan +eene zijde van de beek die ons dorp doorsneed. ’t +Was dus geen wonder, dat ik hem had zien aankomen, +te meer daar mijn raam, waarvoor ik zat te werken, +precies op zijn huis uitzicht gaf. Al ongeveer tien minuten +geleden had ik hem op zijne stelten, want het was juist +in den steltentijd, den tuin uit- en den weg zien opstappen, +en ik twijfelde niet, of zijn weg voerde naar<span class="pagenum"><a name="Page_3" id="Page_3">[3]</a></span> +mij. Want Karel Holm en ik, Dorus Volmaar, waren het +meest met hem bevriend, hoewel ik moet zeggen, dat +alle jongens veel van hem hielden.</p> + +<p>Toch kon ik mij wel begrijpen, dat onze ouders niet +zoo bijster met die vriendschap waren ingenomen, want +hij verdiende zijn bijnaam van Wilden Bob volkomen, +en hij deed veel meer kattekwaad in eene week dan alle +andere jongens te zamen in een jaar. Zoo pas nog zag +ik hem bij dokter Doreman van zijne stelten stappen en +zich vlug als een kat meester maken van de glazenspuit, +die in een emmer vol water onbeheerd voor het huis +stond. Mina, de meid, was zeker iets uit de keuken +gaan halen, dat zij vergeten had. En was het er hem +nu nog maar om te doen geweest, zich op de hoogte +te stellen, hoe zoo’n perspompje toch eigenlijk werkt, +dan was het niet erg geweest. Maar dat wist ik wel +beter, want daar kende ik Bobje te goed voor. Neen, hij +zon natuurlijk weer op iets grappigs, en dat grappige +bleef niet uit, toen de niets kwaads vermoedende Mina +om den hoek van het huis verscheen, en plotseling de +volle laag kreeg. Ik zag hoe zij van schrik de armen +omhoog sloeg en in minder dan geen tijd droop van het +water.</p> + +<p>Maar Mina is lang geen katje om zonder handschoenen +aan te pakken. In plaats van op de vlucht te gaan, +zooals Bob natuurlijk van haar verwacht had, kwam zij +heel onnatuurlijk in ijlende vaart op hem af, zoodat hij +zich genoodzaakt zag, zich met achterlating van zijne +stelten zoo spoedig mogelijk uit de voeten te maken.<span class="pagenum"><a name="Page_4" id="Page_4">[4]</a></span> +En het ergste kwam nog voor hem aan, want in zijne +haast liep hij met geweld tegen een dikken boom aan, +waarvan een blauwe plek op zijn voorhoofd het directe +gevolg was. En het indirecte gevolg was een nat pak, +want door den schok viel hij achterover op den grond +en kreeg van de dankbare Mina al het water over zijn +lichaam, dat hij nog in den emmer gelaten had. Die grap +was dus ons Bobje slecht bekomen. En zijne stelten was +hij kwijt, want Mina nam ze op en bracht ze achter +het huis in veiligheid.</p> + +<p>Ik zag uit mijn raam, hoe Bob overeind scharrelde en +op een eerbiedigen afstand bleef wachten, of het de +beleedigde Mina ook behagen mocht, hem zijne houten +onderdanen terug te geven. Maar Mina maakte bedaard +haar werk af, stak daarna dreigend de vuist tegen Bob +op en ging naar binnen.</p> + +<p>Toen beschouwde Bob de zaak blijkbaar als afgedaan, +want hij stak zijne handen in zijne broekzakken en vervolgde +zonder stelten zijn weg naar mij.</p> + +<p>Dergelijke ontmoetingen had Bob den geheelen dag +door, van den morgen tot den avond. Maar zijn humeur +leed er niet erg onder. Hij was daarvoor aan zulke +afstraffingen te zeer gewoon en het was zijne gewoonte, +als hij hier of daar min of meer onaangename ervaringen +had opgedaan, te zeggen: »Wie kaatst moet den bal +verwachten.» ’t Was alleen maar jammer, dat dit kaatsen +bij hem nooit eens ophield, want hij was in zijn hart +werkelijk een goede jongen. Er waren er wel op het +dorp, die lang zoo berucht niet waren als hij, jongens<span class="pagenum"><a name="Page_5" id="Page_5">[5]</a></span> +met wie wij van onze ouders volgaarne mochten omgaan +en die toch inderdaad veel slechter waren dan Bob. In +elk geval, wij, jongens, hielden dol veel van hem, en als +hij, naar wij meenden, onverdiend beschuldigd werd, +zooals Moe straks deed, dan achtten wij het onzen plicht, +hem met al de kracht te verdedigen, waarover wij +beschikken konden.</p> + +<p>Bob was de zoon van onzen nieuwen notaris, en hij +woonde nog maar een paar maanden op het dorp. De +vorige notaris was in den verschenen herfst overleden, +en Bob’s vader was diens opvolger. Eigenlijk heette hij +Robert Adrianus de Wild, maar thuis noemden zij hem +nooit anders dan Bob, en wij, jongens, hadden van Bob +de Wild al spoedig Wilden Bob gemaakt, welke naam +volkomen bij hem paste.</p> + +<p>Enkele minuten na Moe’s waarschuwing hoorde ik zijn +bekend fluitje op den weg. Want wij schelden nooit bij +elkander aan. Karel Holm, Bob en ik hadden afgesproken, +dat wij dit nooit doen zouden, want het was veel aardiger +om een zeker signaal te hebben, waarmede wij elkander +konden roepen, zonder dat anderen daar nu juist altoos +erg in moesten hebben, en bovendien scheen het ons +iets bijzonder geheimzinnigs en rooverachtigs toe, wat +ons verbazend interesseerde. Zoo hadden wij dan een +bepaald signaal afgesproken, wat door ons gefloten werd. +Al spoedig konden wij zelfs in het donker wel onderscheiden, +wiens fluitje gehoord werd. Want al floten wij dezelfde +reeks van tonen, ieder van ons had toch weer zijne +bijzondere manier, waaraan hij herkenbaar was.<span class="pagenum"><a name="Page_6" id="Page_6">[6]</a></span></p> + +<p>Ik stak mijn hoofd uit het raam, want daar wij al +Juni schreven en het prachtig wer was, had ik het +zoover opengeschoven als ik kon, en zei:</p> + +<p>»Zoo Bobbertje. Wat ben je nat!»</p> + +<p>»Dag Dorus! Ga je mee? Er zijn al verscheidene +jongens op het schoolplein.»</p> + +<p>»Eerst mijn werk af, mannetje. Ben jij er al mede klaar?»</p> + +<p>»O heden ja, een uur geleden al. Maar ik was om +vijf uur al op en ben toen dadelijk aan het werk gegaan. +Iedereen slaapt zoo lang niet als jij!»</p> + +<p>»Dank je voor het compliment. Maar zeg, wat ben je nat?»</p> + +<p>Ik zei dit natuurlijk alleen maar om hem te plagen, +want ik wist er alles van; hij behoefde mij niets te vertellen.</p> + +<p>»O ja,» zei hij kortaf, »een beetje water, anders niet. +Dat zal wel weer drogen in het warme zonnetje. Dus je +gaat niet me?»</p> + +<p>»Maar hoe kom-je zoo nat?» hield ik vol. »’t Heeft +toch niet geregend?»</p> + +<p>»Wel neen, ’t zijn maar enkele spatjes water.....»</p> + +<p>»En waar zijn je stelten?» vroeg ik, want hij moest +den steek op mijn lange slapen terug hebben.</p> + +<p>»Och jongen, wat zeur je toch! Ik kan toch wel eens +uitgaan zonder mijne stelten.»</p> + +<p>»Ja, zeker, — natuurlijk. Maar straks had-je ze toch, +toen ik je aan den overkant zag loopen. En nu heb je +ze niet meer.»</p> + +<p>»Och, Mina, de meid van den dokter, heeft ze mij afgenomen. +Zeg Dorus, ik wou dat je dt eens gezien hadt!»</p> + +<p>»Wat? Dat ze jou de stelten afnam?»<span class="pagenum"><a name="Page_7" id="Page_7">[7]</a></span></p> + +<p>»Neen, — zeg j, ’t was toch zoo leuk! Ze had de +glazenspuit vr het huis laten staan, en juist toen ze om +den hoek verscheen, gaf ik haar een stortbad, dat het +een lust was om te zien. Ha-ha-ha! Wat keek ze leelijk!»</p> + +<p>»Zoo, dat wil ik wel gelooven. En toen kwam ze op +Bobje af, en Bobje ging op de vlucht, en hij zat z in +den angst, dat hij niet eens den dikken boom zag, dien +hij tegenkwam, en hij bonsde er zoo hard tegenop, dat +hij een blauwen plek op zijn voorhoofd kreeg, en op den +grond tuimelde, en toen kreeg hij van de vertoornde +Mina zveel water over zijn baadje, dat het wel een +zondvloed geleek.»</p> + +<p>»O — zoo! dus je hebt alles gezien? ’t Staat je fraai, om +het mij dan nog te laten vertellen. Dus je gaat niet me?»</p> + +<p>»Neen, nog niet. — En toen pakte Mina snel de stelten +van den jongeheer en verdween er mede achter het huis. +Zeg Bob, je hadt bij slot van rekening toch niet zooveel +pleizier van de grap als Mina.»</p> + +<p>»Dat is waar. Ze is goed bij de pinken, dat moet ik +zeggen. Ik wou, dat ik mijne stelten maar terug had. +Zeg, Dorus, weet jij geen middeltje, om ze weer in +handen te krijgen?»</p> + +<p>»Wel ja, jongen. Je gaat er doodeenvoudig naar toe, +en vraagt ze met een deemoedig gezicht terug. Dan krijg +je ze wel.»</p> + +<p>»Ik zou je danken. Pas op, Mina is niet pluis. Maar +nu krijg ik een plannetje. Zeg Dorus, als jij ze eens voor +me gingt vragen! Jou zal ze niets doen, want jij bent +heelemaal onschuldig aan dit zaakje.»<span class="pagenum"><a name="Page_8" id="Page_8">[8]</a></span></p> + +<p>»Juist, en daarom zal ze mij zeker de stelten ook niet +geven. Neen Bob, ’t is er haar natuurlijk om te doen, +dat je zelf komt. En dan zal ze wel niet bijzonder +vriendelijk wezen, vrees ik.»</p> + +<p>»Dat denk ik ook. — Wacht Dorus, daar komt Mietje +de Veer aan met eene stroopkan in haar hand. Daar moet +ik toch eens eene grap mede hebben.»</p> + +<p>»Och, laat haar loopen, dat domme wicht!»</p> + +<p>Maar Bob luisterde al niet meer naar me. Hij trok +zijn mond in den allervriendelijksten plooi en wachtte +op de komst van zijn slachtoffer. Zijne oogen tintelden +van plaaglust en blijkbaar was hij zoowel Mina en zijn +natte pak als zijne stelten vergeten.</p> + +<p>Mietje de Veer was een dochtertje van den schoenmaker, +en een van de domste kinderen van de geheele +school. Idioot was ze niet, want ze wist wel wat ze +deed, maar leeren kon zij niet. Nu zou ik in Bobs geval +Mietje rustig hebben laten passeeren, want ik hield er niet +van om zulke onnoozele wichten voor den gek te houden, +ten minste niet erg, maar Bob dacht daar niet over.</p> + +<p>»Dag Mietje!» zei hij op zijn vriendelijksten toon. +»Moet je van middag pannekoek eten!»</p> + +<p>»Ja Bob, dat heb je geraden.»</p> + +<p>»En lust je die graag?»</p> + +<p>»Dat zou ik meenen. Jij niet?»</p> + +<p>»Of ik. Ik zou wel je gast willen wezen, als ik mocht. +Dan bleef er voor jou geen pannekoek over, Mie.»</p> + +<p>»Waarom niet?» vroeg Mietje, die niet vlug genoeg +van begrip was om te snappen, wat hij bedoelde.<span class="pagenum"><a name="Page_9" id="Page_9">[9]</a></span></p> + +<p>»Omdat ik ze dan allemaal zou opeten!» zei Bob. +»Allemaal, hoor; misschien liet ik een halfje over voor +jou, omdat ik zooveel van je houd.»</p> + +<p>Bij die woorden boog hij zich een weinig voorover en +keek met alle aandacht in de kan. Opeens zag hij Mie +met een heel vies gezicht aan, en zeide:</p> + +<p>»O neen, — dank je. Ik zou er nu geen pannekoek +meer van willen hebben. Dank je feestelijk, Mie, eet jij +ze maar op. Akkeb!»</p> + +<p>»Akkeb — waarom?» vroeg Mietje in de grootste +verbazing, daar zij onmogelijk kon begrijpen, waaraan +die snelle omkeering bij Bob te wijten was.</p> + +<p>Nu, ik moet zeggen, dat ik er ook niets van begreep.</p> + +<p>»Moet <em class="g">die</em> stroop er op?» vroeg Bob, op de kan +wijzende, en steeds met denzelfden opgetrokken neus.</p> + +<p>»Ja zeker, — waarom zou die stroop er niet op moeten?»</p> + +<p>»Je bent een dom kind, hoor Mietje. Kijk dan eens +even in die kan!»</p> + +<p>Mietje deed het, maar zag natuurlijk niets dan de +ondoorzichtige bruin-zwarte massa.</p> + +<p>»Zie je niets?»</p> + +<p>»Ik niet!» zei Mie. »Alleen de stroop.»</p> + +<p>»Onder op den bodem, — zie je daar ook niets?»</p> + +<p>»Neen, niets, Bob, maar wat is er dan?»</p> + +<p>»Zie je daar met allebei je oogen dan die tor niet, +die er onder in ligt?»</p> + +<p>Mie keek met alle aandacht.</p> + +<p>»Neen, ik zie geen tor, en — ’t is niet waar ook. Er +zit geen tor in.»<span class="pagenum"><a name="Page_10" id="Page_10">[10]</a></span></p> + +<p>»Nu, ik wl!» zei Bob met overtuiging. »Maar jij kunt +het beest ook niet zien, omdat je er niet doorheen kunt +kijken. <em class="g">Ik</em> zeg je, dat er een tor in zit.»</p> + +<p>»’t Is niet!» zei Mie ongeloovig.</p> + +<p>»’t Is wl!» hield Bob vol. »Ik wil wedden, dat jij +het smerige dier op je pannekoek krijgt.»</p> + +<p>»’t Is niet!»</p> + +<p>»’t Is wl waar! Houd dan de kan maar onderste-boven, +dan zul-je het zelf zien!» raadde Bob met het +ernstigste gezicht van de wereld aan.</p> + +<p>»’t Is toch niet waar!» zei Mie. »Je houdt me voor +den gek!»</p> + +<p>»Nu, keer de kan dan maar om, dan zullen we zien, +wie er gelijk heeft.»</p> + +<p>En waarlijk, daar liep Mietje in de val. Doodbedaard +hield zij de kan onderste-boven, natuurlijk met het gevolg, +dat de stroop op den grond terecht kwam. Bob en +zij keken met alle aandacht, of eindelijk de bewuste tor +niet volgen zou.</p> + +<p>Doch neen, toen alle stroop er uit was, bleef het torretje +absent.</p> + +<p>»Zie je nu wel!» riep Mie triomfantelijk uit. »Zie je +nu wel, dat ik gelijk had?»</p> + +<p>»Waarlijk, er zit er geen in!» zei Bob hoofdschuddend. +»Ik dacht het toch stellig, want ’t was net, +of ik het beest zag. Neen, jij hebt toch gelijk gehad. +Nu, dag Mietje, breng jij nu de stroop maar naar huis +en eet lekker!»</p> + +<p>Nu pas ging ons Mieke een licht op. Met schrik keek<span class="pagenum"><a name="Page_11" id="Page_11">[11]</a></span> +zij beurtelings de ledige kan en den strooperigen weg +aan, tot zich plotseling hare oogen met tranen vulden +en zij luid schreeuwende naar huis ging. Op grooten +afstand konden wij haar nog hooren.</p> + +<p>Maar Bob schaterde het uit van de pret.</p> + +<p>»Zeg Dorus, hoe vind je nu zoo’n domme meid? Ha-ha-ha-ha, +ik kon mijn lachen haast niet bedwingen toen +zij de kan omkeerde, en wat keek zij ernstig. Ha-ha-ha-ha! +Z dom heb ik het nog nooit gezien.»</p> + +<p>»Dom is het, dat is waar. Doch jou raad ik aan, om +den eersten tijd en vandaag vooral niet in de buurt van +den schoenmaker te komen, want je weet, dat hij zijn +spanriem alleraardigst weet te hanteeren. Als hij je +kreeg, zou ik je mijne broek niet graag willen leenen.»</p> + +<p>Maar Bob deed niet anders dan lachen. Hij vond het +geval allervermakelijkst en was ten volle overtuigd, dat +hij veel meer succes had gehad, dan hij met reden had +mogen verwachten.</p> + +<p>Eindelijk kwam hij tot bedaren.</p> + +<p>»Wat zei je ook wer?» vroeg hij. »O ja, die schoenmaker, +h? Nu ja, hij heeft me nog niet! Ik kan harder +loopen dan hij.»</p> + +<p>»Nu, ik waarschuw je, want hij zal meer dan kwaad zijn.»</p> + +<p>»Och kom, dat zal zoo’n vaart niet loopen. Dus je +gaat niet me? Toe zeg, kom maar! Je werk komt nog +wel af, en ’t is zulk prachtig wer. Hoor de jongens +eens joelen. Toe, zeg, kom nu!»</p> + +<p>»O neen, stellig niet. Ik maak eerst al mijn werk af +want anders moet ik het vanmiddag of morgen nog doen,<span class="pagenum"><a name="Page_12" id="Page_12">[12]</a></span> +en dat is veel onpleizieriger. Over een paar uren ben +ik klaar.»</p> + +<p>»Een paar uren nog? Wat moet je dan nog wel doen? +Ik heb er in ’t geheel maar twee uur over gewerkt.»</p> + +<p>»O ja, maar jij kunt het ook zoo vlug, veel vlugger +dan ik. Eerst moet ik nog een kaartje van Frankrijk +teekenen en dan moet ik nog drie kwartier orgelspelen. +Vr twaalf uur ben ik dus stellig niet gereed. En hoe +eerder je nu gaat, hoe eerder ik beginnen kan, — tot +straks dus.»</p> + +<p>Deze wenk was duidelijk genoeg, naar mij dacht. Maar +Bob bleef nog staan.</p> + +<p>»Toe Dorus, wees nu niet zoo flauw en ga me. Dan +zal ik je vanmiddag wel aan je kaartje helpen.»</p> + +<p>»Neen, ik doe het niet; ga dus maar gerust heen. En +als je <em class="g">niet</em> gaat, schuif ik het raam dicht. Ga naar +Karel Holm; die zal met zijn werk wel niet zooveel +haast maken.»</p> + +<p>»Karel is niet thuis. Hij is naar Haarlem en komt +eerst om twee uur terug. Ga je orgelspelen in de kerk, +Dorus? En heb-je al een orgeltrapper? Zeg, dat wil ik wel +voor je doen. Willen we dat afspreken?»</p> + +<p>Nu, dat mocht ik in geen geval, want de meester, +die tevens organist in de kerk was en mij in piano- en +orgelmuziek les gaf, had mij ten strengste verboden, ooit +Bob de Wild mede te nemen, om voor mij lucht te +maken. Want Bob zat overal aan, in en op. Klom hij +niet in den preekstoel, dan stond hij den voorzanger op +diens plaats in de kerk na te apen, en dat kon hij wat<span class="pagenum"><a name="Page_13" id="Page_13">[13]</a></span> +koddig, — en als hij dt niet deed, dan klom hij zoo +hoog in den toren als hem mogelijk was. En nergens +deed hij eenig goeds, maar wel veel kwaads.</p> + +<p>Nu had de meester wel voor mij verlof gekregen om +mij op het kerkorgel te mogen oefenen, maar natuurlijk +moest ik een bedaarden jongen medebrengen om den +blaasbalg te trappen, want het was een groot orgel. En +Wilde Bob mocht mij in geen geval vergezellen. Hieruit +kan blijken, dat mijne reputatie onder de groote menschen +vrij wat beter was dan die van mijn vriend Bob, want +werkelijk werd mij door dat verlof zeer veel vertrouwen +geschonken. Natuurlijk had de onderwijzer van mij getuigd, +dat ik een bedaarde, stille jongen was, die zulk +een groot vertrouwen wel verdiende. Of ik het echter +nooit beschaamd heb, zal later blijken.</p> + +<p>Dus Bob mocht in geen geval mede, wat hij zelf niet +wist, daar ik het hem nooit gezegd had.</p> + +<p>»Ik heb al een trapper,» zei ik daarom.</p> + +<p>»Ja, — wie dan?»</p> + +<p>»Jan van der Vliet. Je weet wel, dat die altijd medegaat +en dat mijne ouders en de meester niet willen, dat +ik andere jongens meneem. Maar ga nu, want anders +krijg ik mijn werk nooit af en kan ik zelfs van middag +niet mespelen.»</p> + +<p>Maar Bob was boos, omdat ik hem niet medenam +naar het kerkorgel.</p> + +<p>»En als ik nu eens niet wegging?» vroeg hij plagend.</p> + +<p>»Dan schuif ik het raam dicht!» zei ik beslist.</p> + +<p>»Doe dat dan maar, want ik blijf!» klonk het antwoord.<span class="pagenum"><a name="Page_14" id="Page_14">[14]</a></span> +Maar nauwelijks had Bobje dat gezegd, of ik zag +hem schichtig omkijken en plotseling het hazenpad kiezen. +Jongen, jongen, wat liep hij! Hij keek op noch om, en +liep als een hazewind.</p> + +<p>Van zooveel veranderlijkheid had ik geen flauw begrip +en ik boog mij wat verder het raam uit om te zien, of +ik de oplossing van dit raadsel ook zou kunnen ontdekken.</p> + +<p>En waarlijk, die was spoedig gevonden in de gedaante +van den schoenmaker, die met den spanriem in de hand +met groote schreden naderde. O, o, wat keek hij kwaad, +en wat liep hij hard. Maar het eene baatte hem evenmin +als het andere, want Bob liep harder dan hij en was +spoedig in veiligheid. De schoenmaker gaf de vervolging +op, juist op de plaats, waar de kostelijke stroop op den +grond lag, en nauwelijk kreeg de brave man den vuilen +plek in het oog, of hij hief de vuist tegen den vluchteling +op en riep hem na, dat hij den deugniet wel krijgen +zou. Maar n had hij hem toch nog niet. Onverrichter +zake moest hij naar huis terugkeeren.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="Page_15" id="Page_15">[15]</a></span></p> +<p class="str"> </p> + +<h2>Tweede Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Waarin Bob naar de kerk gaat, een uilennest vindt, als<br /> +voorzanger fungeert en leelijk in de perikelen geraakt.</p> + + +<p>Zie zoo! Nu was mijn verleider eindelijk vertrokken +en kon ik aan mijn werk voortgaan. Alles had ik af, +behalve mijn kaartje van Frankrijk. Ik nam mijn atlas +uit de kast en een vel teekenpapier, zette mijne passerdoos +gereed en begon. Ik herinner mij nog levendig hoe +prettig ik het vond, dat juist de vrede tusschen Frankrijk +en Duitschland geteekend was, niet zoozeer omdat daardoor +aan een bloedigen oorlog een einde was gemaakt +en het bloedvergieten was opgehouden, als wel omdat +ik nu Elzas en Lotharingen niet behoefde uit te teekenen +daar die beide provincin bij het sluiten van den vrede +aan Duitschland waren afgestaan. Alleen om dat feit +koesterde ik een diepen eerbied voor de staatsmanswijsheid +van Bismarck.</p> + +<p>De lijst was spoedig getrokken en nu begon ik de +ligging van de voornaamste punten op mijn teekenpapier<span class="pagenum"><a name="Page_16" id="Page_16">[16]</a></span> +aan te geven. Als dat gedaan was, had ik de grenzen +spoedig in orde, dat wist ik bij ondervinding. Den meesten +last veroorzaakten mij altijd de gebergten, omdat het +mijne gewoonte was, daar altoos bijzonder veel werk van +te maken. Juist zou ik met dat fijne werk beginnen, +toen mij weer het signaal van mijn vriend Bob in de +ooren klonk. Ik zag op en jawel, daar was hij al weer.</p> + +<p>Lachend keek hij naar boven.</p> + +<p>»Wat was hij kwaad!» riep hij me toe.</p> + +<p>»Geen wonder!» was mijn antwoord. »Pas maar op, +dat hij je niet krijgt, want hij is tamelijk hardhandig.»</p> + +<p>»En ik snelvoetig!» riep hij terug. »Maar ik begrijp +toch waarlijk niet, waarom hij zoo boos is. Als ik er +goed over nadenk, heb ik toch feitelijk niets gedaan, +dat niet goed was. Mietje heeft uit eigen beweging de +kan onderste-boven gehouden en de stroop er uit laten +loopen. Ik heb de kan zelfs niet aangeraakt. Je moet me +toch toegeven, dat k het niet helpen kan, als Mietje +domme dingen doet?»</p> + +<p>»Dat is wel mogelijk, Bob, en je weet je baantje mooi +schoon te praten. Maar ik vrees, dat De Veer er zoo +diep niet over zal nadenken, en je eenvoudig een pak +slaag zal geven, zoodra hij je te pakken heeft.»</p> + +<p>»Dat denk ik ook. Nu, gedane zaken nemen geen keer, +zal ik maar denken. Ga-je nu me?»</p> + +<p>»O, neen — ik heb nog maar alleen de lijst en de +grenzen af, en zou juist aan de gebergten beginnen. Ga +maar gerust heen, want ik kom toch niet voor n den +middag; dan ontmoet ik je wel.»<span class="pagenum"><a name="Page_17" id="Page_17">[17]</a></span></p> + +<p>»’t Is mooi flauw van je, om me den geheelen morgen +alleen te laten. Nu, dan ga ik maar. Atjuus!»</p> + +<p>»Atjuus, en denk om den schoenmaker!»</p> + +<p>Nu ging Bob dan eindelijk voor goed heen en zette +ik mij weer aan den arbeid. Wel moest ik af en toe eens +lachen als ik aan Bob en zijne avonturen van dezen +morgen dacht, maar ik schoot toch flink op. Om kwart +over elven was ik met mijn werk gereed. Ik flapte mijn +atlas dicht, bekeek nog eenmaal met welgevallen mijne +kaart, die er werkelijk keurig netjes uitzag, zette er met +zwierige krullen mijn naam onder en borg toen alles +behoorlijk in de kast.</p> + +<p>Met innige vreugde, dat ik met mijn werk zoo goed +opgeschoten was, ging ik naar beneden, wat voor mij +maar een oogenblik werk was, daar ik nooit van de +treden gebruik maakte, doch mij eenvoudig langs de +leuning naar beneden liet glijden, en stapte de woonkamer +binnen. Daar nam ik mijn orgelmuziek uit het +muziekkastje, welke bestond uit een enkel dik boek, +bevattende de psalmen en de evangelische gezangen, en +wilde juist de deur uitstappen, toen Moe mij toeriep:</p> + +<p>»Voorzichtig wezen met het orgel, hoor Dorus. Ik sta +doodsangsten uit, dat je er wat aan bederven zult.»</p> + +<p>»Geen nood, Moe, ik ben werkelijk zeer voorzichtig en +doe er niets aan, dat schaden kan. Ik ben er zelf veel +te bang voor.»</p> + +<p>»Dat is wel gelukkig. En dien Wilden Bob neem je +toch niet mede? Dat wil ik volstrekt niet hebben, hoor!»</p> + +<p>»Neen Moe, hij heeft het mij straks wel gevraagd,<span class="pagenum"><a name="Page_18" id="Page_18">[18]</a></span> +maar ik heb hem gezegd, dat het niet mocht en dat Jan +van der Vliet altijd met mij meging. Bob is wel een +goede jongen, Moe, maar op het orgel zou ik hem toch +ook in het geheel niet vertrouwen.»</p> + +<p>»Nu, dan is het goed. Ga nu maar dadelijk, dan ben +je uiterlijk half een weer thuis om te eten.»</p> + +<p>»Dag Moe!»</p> + +<p>»Dag Dorus! Hier heb-je een stuiver voor Jan.»</p> + +<p>Wij aten altoos vroeg, omdat Pa bloemist was en den +geheelen dag bij de werklieden op de tuinen moest zijn. +Daar dezen allen om twaalf uur aten, was dat ook voor +ons verreweg het gemakkelijkst. Ik ging dus op weg +naar de kerk, maar sloeg halverwege gekomen een zijweg +in, om Jan af te halen. Want Jan woonde niet aan +de hoofdstraat, doch in een achterbuurtje.</p> + +<p>Hij was de zoon van een werkman, die een gebrek +aan zijn voet had en dientengevolge meestal zonder werk +was. De boeren hadden liever een flinken, stevigen kerel +dan den gebrekkigen Kees, zooals hij altoos genoemd +werd, zoodat hij alleen in den druksten tijd in het genot +van verdienste was. Tengevolge van zijne gestadige +werkeloosheid moest Trijntje, zijne vrouw, eigenlijk het +brood verdienen voor het geheele gezin, dat gelukkig +niet groot was, daar Jan alleen nog maar een klein +zusje had. Dat meisje was toen ongeveer twee jaar oud. +En daar de menschen op het dorp medelijden met het +arme gezin hadden, kreeg zij nog al vrij wat werkhuizen, +zoodat zij inderdaad een niet onaardig sommetje per week +verdiende. Was Trijn hier of daar uit werken en Jan<span class="pagenum"><a name="Page_19" id="Page_19">[19]</a></span> +naar school, dan paste vader Kees op kleine zus, wat hem +wel toevertrouwd was. Ook moest hij dan voor het +middageten zorgen, wat tengevolge had, dat sommige +spotvogels op het dorp hem wel Jan den Wasscher +noemden. Toch hadden zij vrij goed hun brood, wat wel +voornamelijk aan de flinkheid van Trijntje te danken was, +want zij was eene handige werkster en eene zindelijke +waschvrouw.</p> + +<p>Weldra had ik de eenvoudige woning bereikt. Eene +schel was er natuurlijk niet te vinden; wie de bewoners +spreken wilde, had eenvoudig maar naar binnen te +gaan. Onder den werkmansstand houdt men zich niet met +vele complimenten op. Ik drukte dus den ijzeren beugel +naar beneden, waardoor aan de binnenzijde de klink werd +opgelicht, opende de deur en stapte weldra het eenige +vertrek, dat zij bezaten, binnen. Ik trof daar alleen Jan +aan, die op den grond bezig was met zijn zusje te spelen.</p> + +<p>»Dag Dorus!» zei hij.</p> + +<p>»Zoo Jan. Ben jij maar alleen thuis?» vroeg ik, de +kleine meid niet metellende. »Ik kom je halen om mede +te gaan naar het orgel.»</p> + +<p>»Dat zal moeilijk gaan, want Vader en Moeder zijn +geen van beiden thuis,» klonk het antwoord.</p> + +<p>Dat was eene groote teleurstelling voor me, want +orgelspelen vond ik heel pleizierig en zonder Jan kon er +niets van komen.</p> + +<p>»Dat spijt me,» zei ik dan ook. »Je moeder is zeker +uit werken?»</p> + +<p>»Ja, bij den postdirecteur; daar is ze Zaterdags altijd,<span class="pagenum"><a name="Page_20" id="Page_20">[20]</a></span> +zooals je weet. En Vader is er nu toevallig ook, omdat +de tuin eens eene flinke beurt moest hebben. Mijnheer +Valk tuint zelf nooit en Vader kan het zoo netjes doen.»</p> + +<p>Die laatste woorden werden door Jan met niet weinig +trots uitgesproken, en ik herinner mij nu nog het +gewichtige gelaat, waarmede hij mij aanzag.</p> + +<p>»Ja, dat weet ik. Je vader heeft daar goed den slag +van. Maar wat moet ik nu beginnen? Bob de Wild +heeft mij wel gevraagd of hij me mocht gaan, maar hem +mag ik niet menemen, omdat hij zoo wild en onvoorzichtig +is. Moe heeft mij vijf centen voor je gegeven.»</p> + +<p>»Is het waar? Nu, weet je wat? Dan zal ik buurvrouw +vragen, of zij op kleine zus wil passen. Moeder +zegt altoos, dat wij geen verdiensten verzuimen moeten. +Wil jij even op zus passen, terwijl ik naar buurvrouw ga?»</p> + +<p>Ja, dat wilde ik wel, maar ik had er al spoedig +berouw van, want nauwelijk was Jan de deur uit en zag +zus zich alleen met een vreemden jongen, of zij begon +zoo geweldig te schreeuwen, dat het huis er bijna van +dreunde. Ik begreep, dat ik iets doen moest, om haar +gerust te stellen, maar ik wist niets te bedenken. Daarom +ging ik naar de kleine meid toe, voortdurend met het +hoofd knikkende, en zeide bij elken knik: »d! — d! — d!» +Doch hoe dichter ik bij haar kwam, hoe harder zij +begon te schreeuwen. Ik werd werkelijk bang, dat zij er +een ongeluk van zou kunnen krijgen, en begon daarom +steeds harder te knikken en riep uit alle macht: »d! — d! — d!»</p> + +<p>Maar niets baatte, zoodat ik teneinde raad het vertrek<span class="pagenum"><a name="Page_21" id="Page_21">[21]</a></span> +uit liep en naar buiten ging, om Jan te hulp te roepen. +Gelukkig kwam hij juist al terug. Hij riep mij toe:</p> + +<p>»’t Is in orde, zus kan bij buurvrouw komen!»</p> + +<p>Nu, ik vond dat voor buurvrouw een buitenkansje, +dat moet ik zeggen, en ik stelde mij voor, dat zij met +schreeuwende zus niet veel genoegen van hare vriendelijkheid +zou beleven. Doch ’t was toch voor mij althans +eene prettige boodschap, want nu kon Jan met mij megaan.</p> + +<p>Zus werd, schreeuwend en wel, naar buurvrouw gebracht, +de deur werd gesloten, en wij togen samen op weg +naar de kerk.</p> + +<p>Eerst moesten wij bij den koster aan, om de sleutels +te halen. Hij woonde schuin achter de kerk in een +heel net huisje. Hij noch zijne vrouw waren thuis, doch +dat was geen bezwaar, daar zijn neef ons het verlangde +kon geven. Die neef was een zusterskind van den koster. +Hij heette Arie de Zwaan. Daar hij vroeg zijne ouders +had verloren, was hij als klein kind bij den koster en +diens vrouw in huis gekomen, welke brave menschen +hem geheel als hun eigen zoon beschouwden. Zelf hadden +zij geen kinderen. O, wat omringden zij den kleinen Arie +al met bewijzen hunner liefde, wat deden zij hun best +een braven jongen, een flinken man van hem te maken. +Doch wat werden zij bitter in hunne verwachtingen +teleurgesteld, want Arie werd een rechte deugniet, die +zijn grootste genoegen vond in luieren, naar de herberg +gaan en het geld opmaken van zijne brave pleegouders. +Zelden werd eene goede daad met meer ondank beloond. +Zij hadden er ontzaglijk veel verdriet van, dat Arie zoo<span class="pagenum"><a name="Page_22" id="Page_22">[22]</a></span> +slecht oppaste, maar toch hadden zij hem nog altijd lief, +zelfs nu nog, nu hij twintig jaar oud geworden was en +nooit iets deed, dat hun vreugde gaf. Hij volgde altijd +zijn eigen zin, en wanneer zij hem ten beste raadden, +werd hij zoo brutaal mogelijk. Wanneer de menschen +over Arie van den koster, want zoo werd hij gewoonlijk +genoemd, spraken, zeiden ze altoos, dat zijne pleegouders +het »eindje» met hem nog niet beleefd hadden, waarmede +ze natuurlijk bedoelden, dat het nog eens slecht +met Arie zou afloopen.</p> + +<p>Wij vonden hem lang-uit achter het huis op het bleekveld +liggen, met den stroohoed over het gelaat, om geen +last te hebben van de insecten. Blijkbaar had hij geslapen, +maar nu werd hij wakker door onze komst.</p> + +<p>»Wat moet jelui hebben?» vroeg hij op norschen toon, +daar hij het onaangenaam vond in zijn slaapje gestoord +te worden.</p> + +<p>»Mag ik de sleutels van de kerk en het orgel hebben, +Arie?» vroeg ik zoo beleefd mogelijk, want ik had het +niet erg op hem begrepen. Hij kon iemand soms z +leelijk aankijken, dat men er bang van werd.</p> + +<p>»De sleutels? — Wat moet jij met de sleutels doen?» +bromde hij terug, zonder in het minst blijk te geven, +dat hij van plan was op te staan.</p> + +<p>Nu wist hij zeer goed, dat ik elken Zaterdag op het +orgel speelde. Hij vroeg dus naar den bekenden weg. +De zaak was echter, dat hij te lui was, om op te staan, +ten einde ze voor mij te halen.</p> + +<p>»’t Is bespottelijk, om zoo’n kostbaar orgel aan zulke<span class="pagenum"><a name="Page_23" id="Page_23">[23]</a></span> +kwjongens toe te vertrouwen,» vervolgde hij. En op +beslisten toon voegde hij er aan toe: »Neen, kort en +goed, neen! Van mij krijg-je de sleutels niet. Als je orgel +wilt spelen moet je maar terugkomen, als oom thuis is.»</p> + +<p>»Is die dan niet thuis?» vroeg ik.</p> + +<p>»Neen.»</p> + +<p>»En je tante ook niet?»</p> + +<p>»Ook niet!» klonk het kortaf terug. »Ga maar gerust +heen, jongen, want van mij krijg-je de sleutels niet. Ik +wil daarvan de verantwoording niet op mij nemen.»</p> + +<p>»Maar je weet toch wel, dat ik elken Zaterdag in de +kerk kom spelen, en dat ik daartoe vergunning heb van +de kerkvoogden? Waarom mag ik dan nu niet?»</p> + +<p>Geen antwoord volgde. Arie draaide zijn hoofd van +ons af en sloot de oogen weer.</p> + +<p>»Ik weet ze wel te hangen, Arie. Mag ik ze zelf even +halen, dan behoef je er in het geheel geen moeite voor +te doen,» hield ik vol.</p> + +<p>»Ja, vooruit maar, en maak dat je wegkomt!» klonk +het barsch terug.</p> + +<p>Dat liet ik mij geen tweemaal zeggen en weldra waren +wij mt de sleutels vertrokken.</p> + +<p>»H — h, dat kostte moeite!» zeide Jan. »Hij was +weer in eene booze bui. Ik was bang van hem.»</p> + +<p>»In eene luie bui, meen je!» zei ik. »Hij was te lui +om op te staan, dat was de voornaamste reden van zijne +knorrigheid. Ik wed, dat hij ons nu al vergeten is.»</p> + +<p>Wij waren nu de kerk genaderd en openden de hoofddeur. +Want onze kerk had drie deuren, waarvan er twee<span class="pagenum"><a name="Page_24" id="Page_24">[24]</a></span> +naar de galerijen voerden, die voor de arme menschen +bestemd waren. De hoofddeur voerde naar het schip van +de kerk, maar gaf toch ook toegang tot de trap, die +naar het orgel leidde. Dat orgel was geplaatst op eene +geheel vrije ruimte, waar niemand plaats mocht nemen +dan de organist en de orgeltrapper. Natuurlijk mocht +onze meester medenemen, wien hij wilde. Er was dan +ook ruimte genoeg, althans achter het orgel, waar een +geheel vrij vak was. Van uit de kerk kon niemand zien, +wie zich op het orgel bevonden, daar de ruimte aan +weerskanten van dat instrument door groene gordijnen +was afgezet. Wij spraken altijd van »op» het orgel, +en dan bedoelden we de plaats, waar het orgel stond. +Bovenop dat instrument was voor niemand plaats, zooals +ieder begrijpen zal. Alleen stond in het midden het beeld +van koning David, op de harp spelende, en aan de beide +kanten een engel met een bazuin aan den mond, welke +beelden ik altoos bijzonder mooi vond, vooral de engelen.</p> + +<p>Zoodra wij boven gekomen waren, ontsloot ik de trappers +van den blaasbalg, nam het mahoniehouten deksel van +het klavier en zette mij tot spelen. Jan nam op de trappers +plaats en maakte lucht. Verbazend vermakelijk vonden wij +dan altijd het dalen en het stijgen van het gewichtje, dat +aan den blaasbalg bevestigd was en niet lager dalen +mocht dan tot aan een zeker teeken, want dan was de +balg vol en zou hij, wanneer met trappen werd voortgegaan, +kunnen barsten.</p> + +<p>Ik zette mij voor het klavier en begon te spelen. Om +de waarheid te zeggen gevoelde ik mij altijd nog al<span class="pagenum"><a name="Page_25" id="Page_25">[25]</a></span> +gewichtig, als ik daar zat, waarvan de reden was, dat +ik nog al klein en het orgel verbazend groot was. Bovendien +werd ik door Jan van der Vliet altijd buitengewoon +geprezen, want in zijn oog was ik een rechte duizendkunstenaar +en kon ik moeilijk door anderen in het orgelspel +worden overtroffen. Zijne bewondering voor mij was +werkelijk ongeveinsd en streelde mijne ijdelheid niet weinig. +Zoodra hij den balg »vol» had, kwam hij altoos naast +mij staan, om mijne kunststukken te bewonderen, wat +er mij gewoonlijk toe verleidde, alle registers uit te +trekken en dientengevolge een oorverdoovend geluid aan +het instrument te ontlokken. En ik moet er dadelijk +bijvoegen, dat Jan dit prachtig vond, al moest hij dan +ook tweemaal zoo hard trappen als anders. Van zachte +muziek hield hij niet. Het meest bewonderde hij nog +mijne vaardigheid in het gebruiken van het voet-pedaal, +daar hij er maar geen hoogte van kon krijgen, hoe iemand +met zijne voeten muziek kon maken en dan nog wel, +zonder er naar te kijken.</p> + +<p>Wij konden ongeveer een kwartiertje aan den gang +geweest zijn, toen plotseling de deur van ons vertrek, +als ik het zoo noemen mag, langzaam geopend werd, en +het lachende gelaat van Wilden Bob om den hoek verscheen.</p> + +<p>Ik hield midden in mijn spel op, zoo schrikte ik van +zijne komst. Ik wist te goed, hoe hij altoos vol kattekwaad +zat, om niet te vreezen, dat hij zich ook hier +niet rustig zou kunnen houden. Bovendien was het mij +ten strengste verboden hem mede te nemen, en, dat<span class="pagenum"><a name="Page_26" id="Page_26">[26]</a></span> +durf ik zeggen: ik was een gehoorzame jongen. Nu weet +ik wel, dat hij uit eigen beweging kwam en dat zijne +komst mijne schuld niet was, — maar zoover dacht ik +op dat oogenblik niet. Zoodra ik hem zag begreep ik, +dat ik al het mogelijke moest doen, om hem weer weg +te krijgen.</p> + +<p>Ik moet er zeker niet erg vroolijk uitgezien hebben, +want hij kwam lachend naar mij toe, en zeide:</p> + +<p>»Wel, wel, wat kijk-je vriendelijk! Toe zeg, speel eens +een vroolijk deuntje. Kan-je niet spelen: „Hij moppert +alweer, Hij moppert alweer, Hij moppert alweer, kiek, +kiek!”» wat in die dagen een bekend straatdeuntje was.</p> + +<p>Jan van der Vliet begon te lachen, en ik van den +weeromstuit ook.</p> + +<p>»Neen,» zeide ik, »zulke deuntjes speel ik hier niet. +Toe Bob, ga nu heen, want je houdt mij van mijn +werk af.»</p> + +<p>»Heusch niet, Dorus. Speel jij maar, dan zal ik zingen. +Zeg, ga eens eventjes van die bank af, en laat +mij eens spelen. Ik kan er ook wel wat van.»</p> + +<p>Nu, dat was niet waar.</p> + +<p>»Bob!» zei ik ernstig. »Jij blijft van het orgel af, of +ik doe het direct op slot. Ik heb moeten beloven, dat ik +niemand zou toestaan, hier gekheid te verkoopen, en +daarom kun-je mij een groot pleizier doen, door dadelijk +op te hoepelen.»</p> + +<p>»Eerst eens spelen, Dorus!» zei Bob.</p> + +<p>»Er afblijven!» was mijn antwoord. En ik liet er op +volgen:<span class="pagenum"><a name="Page_27" id="Page_27">[27]</a></span></p> + +<p>»Hoor eens, Bob, je bent mijn vriend, maar als je aan +de toetsen komt, krijgen we ruzie, daarvoor sta ik je +borg. Ik wil het bepaald niet hebben. Toe Bob, ga nu +heen.»</p> + +<p>»Wat heb-je een praats! ’t Is jou orgel toch niet? Ik +heb er evenveel over te zeggen als jij, zou ik meenen.»</p> + +<p>»Dat spreek ik niet tegen, maar als er iets ergs mede +gebeurt, krijg ik er natuurlijk de schuld van. Toe Bob, +ga nu heen.»</p> + +<p>»Neen, — ik laat me niet wegjagen. Doch speel jij +maar; ik beloof je, dat ik overal zal afblijven. Ik vind +je zeldzaam flauw.»</p> + +<p>Daar ik geen kans zag, Bob tot heengaan te bewegen, +zette ik mijn spel voort, in de hoop, dat mijn ijver hem +vervelen en tot vertrekken bewegen zou. Doch ik had +het mis, want weldra bemerkte ik, dat er tusschen Bob +en Jan eene worsteling ontstaan was, zoo hevig dat het +orgel ervan dreunde.</p> + +<p>Natuurlijk hield ik dadelijk op om te zien, wat er aan +de hand was, en nu zag ik Bobje bezig om Jan van de +trappers te dringen, ten einde er zelf op te gaan staan.</p> + +<p>»Bob!» zei ik, »als je nu niet heengaat sluit ik het +orgel, maar dan speel ik ook den geheelen dag niet met +je. Of wil je bepaald twist met me hebben?»</p> + +<p>Ik nam het deksel en legde het op het klavier, vast +besloten er nu een einde aan te maken.</p> + +<p>Bob keek me eventjes lachend aan, en zeide toen:</p> + +<p>»Maak je niet dik, Dorus, want dun is de mode. Adie, +ik wil je groeten.»<span class="pagenum"><a name="Page_28" id="Page_28">[28]</a></span></p> + +<p>Met die woorden verliet hij het orgel. Hij deed de +deur achter zich dicht en wij hoorden hem de trap afgaan.</p> + +<p>»Zie zoo, dat ruimt op!» zei Jan, die niet erg op Bob +gesteld was. »Ik liet er mij toch lekker niet afdringen, +al is hij grooter dan ik. Hij moet niet denken, dat ik +bang van hem ben.»</p> + +<p>»Och, hij meent het zoo kwaad niet,» zei ik. »Toe Jan, +trappen, dan ga ik weer spelen.»</p> + +<p>Ik zette mijne studie nu voort en was Bob weldra +geheel vergeten, tot hij plotseling als een wervelwind +kwam binnenstormen en ons toeriep:</p> + +<p>»Toe jongens, ga je eens even me; ik heb een uilennest +gevonden. Gauw zeg, er liggen eieren in!»</p> + +<p>»Een uilennest?» vroeg ik verwonderd. »Waar is dat +dan?»</p> + +<p>»In den toren!» lachte Bob. »Of dacht je, dat ik naar +huis gegaan was? Mis mannetje, ik blijf net zoo lang +als jij. Kom, ga je me naar boven? O, het ligt zoo +hoog, — dicht bij de galmgaten!»</p> + +<p>In een oogenblik had ik mijne zitplaats verlaten en +was ik gereed, hem te volgen, want voor een uilennest +geloof ik, dat ik zelfs mijne boterham had laten staan.</p> + +<p>»Kom Jan,» riep ik den orgeltrapper toe, »ga je me? +Dat moeten we zien.»</p> + +<p>»Er zat een uil op te broein!» zei Bob. »Zeg j, wat +schrikte ik van hem, want toen ik met mijn hoofd boven +de trap kwam, had ik zijn krommen snavel en zijne groote +ronde oogen vlak voor me. Eerst wist ik niet wat ik zag, +maar al spoedig bemerkte ik, dat het een kerkuil was.<span class="pagenum"><a name="Page_29" id="Page_29">[29]</a></span> +En wat kraste hij leelijk tegen me, toen hij wegvloog.»</p> + +<p>In een wip waren wij de trap opgeklommen tot bij +het uurwerk, doch toen moesten wij nog hooger. Eerst +duwden wij een luik omhoog en kwamen toen op een +volgende trap. Bob ging vooraan.</p> + +<p>Wat was het daar in dien toren overal vuil en stoffig; +de spinnewebben waren haast ontelbaar. En wat woei +ons een koude wind in het gelaat. Het was duidelijk +dat wij de galmgaten naderden. Spoedig kwamen wij +boven, bij de groote bel, en daar — zagen wij het nest, +met drie eieren er in! Maar de uil was weg; wij zagen +hem nergens, hoe wij ook zochten.</p> + +<p>»Zeg jongens, de eieren laten liggen!» riep Bob. »Dan +gaan we later kijken, of er jonge uilen in het nest zitten.»</p> + +<p>»Ja, laten we dat doen,» zei ik. »Dan gaan we nu +stil heen, en komen over een week of drie nog eens terug. +Willen we nu weer weggaan?»</p> + +<p>»Ja, — maar kijk eerst eens naar buiten! Zie eens, +wat Haarlem nu dichtbij schijnt te liggen! En ginds +zie ik Heemstede en daar verder Hillegom en Lisse. Wat +hebben we hier een mooi gezicht, h?»</p> + +<p>»En dit is zeker het touw, waaraan de koster trekt +als hij moet luiden?» zei Jan.</p> + +<p>»Natuurlijk, trek er maar eens aan,» antwoordde +Bob. »Dan begint het bom-bam! bom-bam! Toe dan, +Jan.»</p> + +<p>»O neen, neen!» riep ik uit, want nu begon me mijn +gevoel van verantwoordelijkheid weer te drukken. »Niet +doen, — Jan, wat zouden de menschen wel zeggen?»<span class="pagenum"><a name="Page_30" id="Page_30">[30]</a></span></p> + +<p>»Ze zouden denken, dat er brand was!» lachte Bob. +»Zeg jongens, willen we die grap eens hebben?»</p> + +<p>»Daar komt de koster naar boven!» riep ik plotseling +op verschrikten toon uit, en tegelijkertijd liet ik mij +pijlsnel naar beneden glijden. En wat waren Bob en Jan +mij kort op de hielen, want de koster liet niet met zich +spotten. In minder dan geen tijd waren we weer beneden, +waar van den koster natuurlijk niets te zien was, daar +het eenvoudig een krijgslist van me was geweest, om +Bob van de bel weg te krijgen. Ik vertrouwde hem daar +in het geheel niet, vooral niet, toen hij brandje wilde +gaan spelen.</p> + +<p>»Waar is de koster nu?» vroeg hij, toen wij beneden +waren.</p> + +<p>»In Haarlem,» zei ik lachend. »Maar Bob, ga jij nu +heen, dan ben ik des te spoediger klaar.»</p> + +<p>»In Haarlem? Is hij dan niet thuis?» vroeg Bob.</p> + +<p>»Neen,» zei Jan, die er om lachen moest, dat ik hem +zoo leuk te pakken had. »Wat wist Bob van beenen +maken!»</p> + +<p>»Geen wonder. Nu, ik ga heen! Tot van middag dan.»</p> + +<p>Bob vertrok en ik zette mij weer aan het spelen. Maar +nauwelijks had ik weer eene bladzijde gespeeld en zweeg +het orgel een oogenblik, of daar hoorde ik van uit de +kerk een geluid, dat precies op de stem van den voorzanger +geleek.</p> + +<p>»O j, dat is Bob weer!» dacht ik dadelijk. Ik schoof +het gordijn open, en jawel — daar stond hij met een +hoogst ernstig gezicht voor den lessenaar van den voorzanger.<span class="pagenum"><a name="Page_31" id="Page_31">[31]</a></span> +Hij trok een paar malen aan zijn boordje, zooals +de goede man ook altijd deed als hij beginnen zou, humde +en kuchte een paar malen, en mompelde toen bijna onverstaanbaar:</p> + +<p>»De gemeente gelieve te zingen»....</p> + +<p>En daarna verhief hij plotseling zijne stem, juist zooals +de voorzanger dat altoos deed, en galmde plechtig: »Den +honderdnegentienden psalm van het eerste tot het laatste +vers!»</p> + +<p>Hij galmde zoo luid, dat hij niet eens bemerkte, hoe +er eene deur achter hem geopend werd en de dominee +stil de kerk binnentrad.</p> + +<p>Ik had natuurlijk om de dwaasheid van Bob eerst gelachen, +want de honderdnegentiende psalm telt niet +minder dan acht en tachtig verzen, maar nu lachte ik +niet meer. Ik werd zoo wit als een doek van den schrik +en gaf Bob snel een teeken om hem te waarschuwen, +maar hij zag het niet. Hij verhief zijne stem nog hooger +en galmde:</p> + +<p>»Ik herzeg den honderdnegentienden psalm van het +eerste tot het laatste vers!»</p> + +<p>»Wel jou ondeugende bengel!» klonk het plotseling op +gestrengen toon achter hem. In een wip was Bob van +zijne verhevenheid af en stond tot zijn grooten schrik +van aangezicht tot aangezicht tegenover den dominee. +Deze was een doodgoed man, die wel van een grapje hield, +doch nu scheen hij zeer boos te zijn. Hij keek mij +gestreng aan, en zeide:</p> + +<p>»Jij gaat onmiddellijk naar je huis. Foei, schaam je<span class="pagenum"><a name="Page_32" id="Page_32">[32]</a></span> +je niet, om dergelijke dingen in de kerk te doen? Hebben +we je drvoor het gebruik van het orgel toegestaan? +Pas op, dat zulke dingen niet weer gebeuren, of het verlof +wordt ingetrokken en de toegang tot het orgel wordt je +voor goed verboden. Je kunt dadelijk vertrekken. Wees +gewaarschuwd.»</p> + +<p>Daarna keerde hij zich tot Bob, en zeide:</p> + +<p>»Jij gaat met mij mede naar de pastorie. Dergelijke +spotternij kan ik niet ongestraft laten passeeren!»</p> + +<p>»Maar dominee, — ik — ik — ik» — stotterde Bob.</p> + +<p>»Ik was een ondeugende bengel!» wil je zeker zeggen, +niet waar?» viel de dominee hem in de rede. »Daarom +juist ga je mede naar de pastorie, waar ik je zulke streken +wel zal afleeren.»</p> + +<p>»Maar dominee, ik — ik beloof u....»</p> + +<p>»Belofte maakt schuld, Bob! Beloof daarom niet lichtvaardig, +wat je niet van plan bent te volbrengen.»</p> + +<p>»Ik beloof u, dominee, dat ik het niet weer zal doen,» +zei Bob, wien het allerminst kon toelachen, eene gedwongen +visite in de pastorie af te leggen. O, o, wat zat Bobje in +de perikelen!</p> + +<p>»Ik herhaal het, Bob: Belofte maakt schuld! Wat +je niet van plan bent te volbrengen, moet je ook niet +beloven.»</p> + +<p>»Maar dominee, ik zal mijne belofte wel houden,» +mompelde Bob. »Ik beloof het u!»</p> + +<p>»Geef me daar je hand op, Bob.»</p> + +<p>Bob deed het.</p> + +<p>»Zoo, dan zal ik je voor dezen keer ongestraft laten<span class="pagenum"><a name="Page_33" id="Page_33">[33]</a></span> +vertrekken. Maar zeg mij eens, wat moet jij hier eigenlijk +doen? Mij dunkt, jij hebt hier heel geen boodschap!»</p> + +<p>»Neen, dominee, maar ik wist, dat Dorus hier op het +orgel speelde en toen kwam ik even kijken.»</p> + +<p>»En kwaad doen!» viel de dominee in. »Dus Dorus +heeft je niet mede genomen?»</p> + +<p>»Neen dominee, ik ben uit eigen beweging gekomen,» +zei Bob, die werkelijk een vijand van liegen was.</p> + +<p>»Ga nu maar spoedig heen en kom alleen terug als het +kerk is, — begrepen?»</p> + +<p>»Ja, dominee. — Dag, dominee!»</p> + +<p>De hoed vloog Bob van ’t hoofd en in een snap was +hij de kerk uit. Ik had middelerwijl het orgel gesloten +en volgde met Jan, na den dominee gegroet te hebben, +zijn voorbeeld. Spoedig waren we op weg naar huis.</p> + +<p>Eerst liepen we zwijgend naast elkander voort. Ik +bracht de sleutels naar Arie de Zwaan, die nog op het +bleekveld lag te slapen en niet weinig bromde, toen ik +hem wakker maakte. Maar daar lette ik niet veel op, +want ik was te zeer onder den indruk van het gebeurde, +om er veel om te geven.</p> + +<p>»’t Is alles jou schuld!» zei ik tegen Bob onder het naar +huis gaan. »Wat doe jij ook in de kerk te komen! Nu +krijg ik er de schuld nog van en als Pa en Moe het hooren, +volgt er nog straf op den koop toe. Ik vind het flauw +van je, — erg flauw!»</p> + +<p>Bob zei niets. Hij was er ongetwijfeld van overtuigd, +dat ik gelijk had.</p> + +<p>»En als de meester het hoort, is het nog erger. Je<span class="pagenum"><a name="Page_34" id="Page_34">[34]</a></span> +weet, hoe streng hij is. Wat moet ik nu zeggen, als hij +er over begint?»</p> + +<p>Bob antwoordde nog niet. Zwijgend liep hij naast ons +voort. Maar op eens zei hij:</p> + +<p>»Als de meester er van spreekt, geef je alle schuld aan +mij, Dorus, want jou schuld is het niet.»</p> + +<p>»Dan zeggen alle jongens, dat ik klik! En dat wil ik +niet,» was mijn antwoord.</p> + +<p>»Goed, dan zal ik het zelf wel zeggen. Ik wil niet, +dat jij in mijne plaats straf krijgt. Maar ik spreek er +niet van, voordat ik zeker weet, dat de meester er van +gehoord heeft. Dat begrijp je wel, he? Nu, ik ga naar +huis, hier langs den achterweg, want anders moet ik den +schoenmaker voorbij, en dat doe ik liever niet. Tot van +middag!»</p> + +<p>Hij sloeg met Jan het achterwegje in en ik ging den +hoofdweg langs naar huis, waar men al met het eten op +mij wachtte. Gelukkig vroeg niemand mij naar mijn orgelspel +en de meester sprak later ook niet over het geval. +Zeker heeft de dominee het gebeurde voor hem verzwegen, +of zoo hij dat niet heeft gedaan, als zijn gevoelen te kennen +gegeven, dat ik er geen schuld aan had.</p> + +<p>En voordeel was er aan verbonden, en wel dit — dat +Bob mij, den eersten tijd althans, in vrede naar de +kerk liet gaan, wanneer ik mij op het orgel ging oefenen. +Wel was de grootste schrik spoedig bij hem vergeten, +maar hij wist, dat hij de pastorie voorbij moest gaan om +in de kerk te komen, en dat durfde hij toch niet, althans +niet, als hij wist, dat de dominee thuis was. Want dan<span class="pagenum"><a name="Page_35" id="Page_35">[35]</a></span> +had hij veel kans, dat hij opgemerkt zou worden, en hij +twijfelde er niet aan, of den tweeden keer zou hij er niet +zoo gemakkelijk afkomen als den eersten.</p> + +<p>»Verbeeld je eens,» zei hij later tegen me, »dat de +dominee mij voor straf den geheelen honderdnegentienden +psalm had laten uitschrijven. Dat zou me eene geschiedenis +geweest zijn — acht en tachtig verzen!»</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_36" id="Page_36">[36]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Derde Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Waarin Bob eene uitnoodiging ontvangt van den Heer<br /> +Denappel, zijne stelten terug wil hebben en<br /> +van den regen in den drop komt. De<br /> +krijgslist van Karel Holm en mij.</p> + + +<p>Bob keerde dus langs den achterweg naar huis terug, +wat voor hem slechts een omweg was van ongeveer tien +minuten.</p> + +<p>»Op deze manier kan ik den schoenmaker mooi ontwijken,» +mompelde hij vergenoegd, terwijl hij zich de +handen wreef van plezier. »Maar toch,» liet hij er op +volgen, »toch val ik hem den eenen of anderen keer beslist +in handen, dat kan niet uitblijven. Op een dorp +ontmoeten de menschen elkander dagelijks, en dus zal ik +den schoenmaker ook wel eens onverwachts voor mij zien. +Och ja, — ik had ook veel wijzer gedaan, als ik dat domme +kind doodbedaard pannekoeken met stroop had laten eten +in plaats van pannekoeken alleen, — maar daar is nu +niets meer aan te doen. En bovendien — als ik eenmaal<span class="pagenum"><a name="Page_37" id="Page_37">[37]</a></span> +den schoenmaker tegen ’t lijf loop, is hij het heele +historietje misschien al vergeten. Wel ja, een mensch +kan toch alles niet zijn leven lang onthouden!»</p> + +<p>Die laatste gedachte scheen Bob zoo gerust te stellen, +dat hij de toekomst plotseling niet donker meer inzag, +en van pret een deuntje ging fluiten. Hij was nu Bos’ +bruggetje genaderd, en wilde er juist overgaan, toen hij +zich bij zijn naam hoorde roepen.</p> + +<p>De Heer Bos had een winkel in allerlei ijzerwaren aan +het einde van het dorp, eigenlijk op een bijzonder ongelegen +plaats, daar hij aan den overkant van het water +woonde aan den achterweg en dientengevolge moeilijk te +bereiken was. Hij had dat zelf zeer goed ingezien en +daarom een bruggetje over het water laten leggen, dat +zijn persoonlijk eigendom was en geheel door hem werd +onderhouden. Die brug werd altijd Bos’ bruggetje genoemd, +en was ten algemeenen nutte. De zaak in ijzerwaren +en landbouwgereedschappen werd eigenlijk niet +door hem alleen gedreven; hij had een compagnon, een +vrijgezel, die bij hem in pension was. Hij was ongetrouwd, +vroolijk van aard, overal een welkom gast en — een man +met een echt jongenshart, waarmede ik bedoel, dat hij +veel van jongens hield en hun dikwijls een genoegen +deed. De heer Denappel, (zoo heette hij) had nooit grooter +vermaak, dan als hij ons, jongens, eens een groot genoegen +kon doen, waarvoor hij zich dikwijls zeer veel moeite getroostte.</p> + +<p>Deze heer Denappel nu was het, die Bob geroepen had.</p> + +<p>»Dag mijnheer!» riep Bob, toen hij hem zag.<span class="pagenum"><a name="Page_38" id="Page_38">[38]</a></span></p> + +<p>»Zoo, Wild Bobje, — kom jij eens hieg!»</p> + +<p>Bob kwam. Dat de Heer Denappel onmogelijk de r +kon uitspreken en er altijd eene g van maakte, hoorden +wij al niet eens meer, zooveel hielden wij van hem. Hij +brouwde anders wel buitengewoon erg.</p> + +<p>»Waag zijn je stelten, Bobje?» vroeg hij lachend, want +hij mocht Bob graag lijden.</p> + +<p>»Die heeft de meid van dokter Doreman, mijnheer,» +zei Bob.</p> + +<p>»Zoo? — Waagom? — H-h-h-h! Moet Mina ook +stelten leegen loopen? H-h-h-h!»</p> + +<p>Mijnheer Denappel had een verbazend leelijk lachje over +zich, want hij lachte altijd met eene -klank, en bovendien +sprak hij sterk door zijn neus. Geloof ook maar +gerust, dat wij hem dikwijls uitgelachen zouden hebben, +als hij — niet zoo aardig jegens ons geweest was. Nu +hielden wij veel te veel van hem, om zoo iets te doen.</p> + +<p>»Dat weet ik niet, mijnheer, maar ik ben ze kwijt, en +ik zie geen kans om ze terug te krijgen.»</p> + +<p>»Dat is leelijkeg voog je, Bob, want ik wou je juist +vgagen of je lust hebt, om mede te doen aan eene hagdloopegij +op stelten. Zou je dat niet willen?»</p> + +<p>»Niet willen! O ja, mijnheer, — asjeblieft, heel graag. +Wanneer doen we het?»</p> + +<p>»Vandaag oveg eene week, dus op Zategdag, ’s middags +om n uug. De pgijs is een pgachtig boek van +Gobinson Cguso, in een mooien blauwen band, en de +tweede pgijs is de Bagon van Munchhausen, ook een +mooi boek. De degde pgijs is een pogtemonnaie, maag<span class="pagenum"><a name="Page_39" id="Page_39">[39]</a></span> +ik houd het gecht, die te geven aan wien ik wil. Nu, +hoe bevalt het je?»</p> + +<p>»Heerlijk, mijnheer, prachtig! En mag iedereen medoen? +En waar is het?»</p> + +<p>»Hieg, op den achtegweg, en iedegeen mag meedoen. +Noodig jij alle jongens maag uit in mijn naam, wil je +dat doen?»</p> + +<p>»Met alle genoegen, mijnheer!»</p> + +<p>»En zouden ze eg lust in hebben?»</p> + +<p>»Of ze, dat kan u begrijpen!»</p> + +<p>»Mooi, mooi. Maak jij nu maag, dat je je stelten tegug +kgijgt, want andegs gaat de pget jou neus voogbij, h-h-h-h! +Dag Bob!»</p> + +<p>»Ja mijnheer, wist ik maar ho!»</p> + +<p>»O, Bob, zeg maag, dat je haag wel eens een pleizieg +zal doen, doog bij voogbeeld de glazen eens te helpen +wasschen, als ze dat doen moet, — h-h-h-h? — dan +zal ze je misschien je kwaad wel veggeven, h-h-h-h!»</p> + +<p>Ha zoo! Mijnheer Denappel wist er dus alles al van! +Zeker had hij eene visite bij den dokter gemaakt en +daar het gebeurde vernomen. En nu moest hij natuurlijk +Bob eens goed plagen.</p> + +<p>»Dag Bob, tot Zategdag dus! Maak maag, dat je den +pgijs wint, hoog!»</p> + +<p>Bob groette en vervolgde zijn weg, natuurlijk recht +in zijne nopjes over het aanstaande feestje.</p> + +<p>»En mijne stelten zal ik wel terugkrijgen,» mompelde +hij. »Ik mt ze terughebben, — dat spreekt van zelf!»</p> + +<p>Toen ik ’s middags gegeten had, ging ik dadelijk naar<span class="pagenum"><a name="Page_40" id="Page_40">[40]</a></span> +Bob en vernam van hem, wat de heer Denappel gezegd +had. Dat ik mijne stelten medegenomen had, behoef ik +niet te zeggen, want in den steltentijd liepen wij er zelfs +op, als we even eene boodschap in den winkel moesten +halen. Alleen naar de kerk mocht ik ze nooit menemen.</p> + +<p>Bob en ik waren in den tuin.</p> + +<p>»Zeg Dorus,» zei hij op den toon van volslagen wanhoop, +»bedenk jij nu toch eens een middel, om ze terug +te krijgen. Als ik me niet oefenen kan, heb ik natuurlijk +in het geheel geen kans om den prijs te winnen. Had +ik die spuit ook maar met rust gelaten. ’t Komt alles +van dat leelijke ding.»</p> + +<p>»Ja, — en ook van je ide, om Mina nat te spuiten +in plaats van de ramen.»</p> + +<p>»Nu ja, — dat is waar, — maar hoe krijg ik ze terug? +Zie je, dat is op dit oogenblik de hoofdzaak.»</p> + +<p>»Wel, ga ze terugvragen.»</p> + +<p>»Dank je, Dorus! Wat zou ik er van langs krijgen! Ik +wed, dat ze me kopje onder in eene waschtobbe stopte!»</p> + +<p>»Best mogelijk. Zeg Bob, kunnen we van uit dat dakvenster +van jelui huis niet in den tuin van den dokter +kijken?»</p> + +<p>Opeens klaarde Bobs gezicht heelemaal op. Hij nam +zijn stroohoed van zijn hoofd en zwaaide er lustig me +in het rond. Toen wierp hij hem hoog in de lucht en +ving hem weer netjes op zijn krullebol op, een kunststukje +waar ik erg jaloersch op was en dat ik hem maar +niet kon nadoen, niettegenstaande ik het wel al honderdmaal +geprobeerd had.<span class="pagenum"><a name="Page_41" id="Page_41">[41]</a></span></p> + +<p>»Hiep-hiep-hoera! Gevonden! — Gevonden! Dorus! +Jij bent een slimmerd, hoor! Kom j, dan gaan we +dadelijk naar boven. Hoe dom, dat ik daar niet eerder +aan gedacht heb. Zeg Dorus, dan neem ik mijn verrekijker +mede.»</p> + +<p>»Ja, doe dat!»</p> + +<p>In een wip waren we de beide trappen opgeklommen, +want het huis van mijnheer de Wild had twee verdiepingen, +en nu kwamen we gewapend met den verrekijker +op den zolder.</p> + +<p>»Zeg j, nog niet kijken!» zei Bob. »Eerst den kijker +goed uit elkaar halen.»</p> + +<p>Blijkbaar was hij bang, dat ik de stelten met het +ongewapende oog reeds zou ontdekt hebben, voordat hij +nog met zijn instrument gereed was, en dan zou de helft +van het genoegen verdwenen zijn, wat ook precies mijn +ide was.</p> + +<p>Spoedig stonden we nu voor het raam, dat over een +land, een tuin en een paar hagen heen, uitzicht gaf op +den tuin van den dokter. Bob hield den kijker voor het +oog en doorzocht met het gewichtig gevoel van een +soldaat, die een vijandelijk kamp verkent, het terrein.</p> + +<p>»Mis hoor!» zei Bob terneergeslagen. »Ik zie ze nergens. +Ze heeft ze zeker hier of daar weggestopt.»</p> + +<p>»Misschien wel in de keuken,» zei ik.</p> + +<p>»Ja, — of in het schuurtje. Ik althans zie ze niet. +Zoo’n akelige meid, — ’t zijn hr stelten toch niet?»</p> + +<p>»Zeker niet! Laat mij ook eens kijken, Bob?»</p> + +<p>»Dr!»<span class="pagenum"><a name="Page_42" id="Page_42">[42]</a></span></p> + +<p>Bob gaf mij den kijker en ik keek overal rond. Nu +was dat instrument bijna geheel niet noodig, want de +tuin lag zoo dicht bij ons, dat wij met het bloote oog +alles best konden onderscheiden. Maar die kijker bracht, +naar wij meenden, iets eigenaardigs aan onzen verkenningstocht.</p> + +<p>Eindelijk gaf ik het op.</p> + +<p>»’k Zie ze niet!» zei ik met een zucht. »Je bent je +stelten kwijt, Bobbertje.»</p> + +<p>»’t Is wat moois! Hoe moet ik nu met den wedstrijd +medoen, als ik geen stelten heb? Ik vind het erg flauw +van Mina. Laat mij nog eens kijken?»</p> + +<p>Maar Bob had evenmin succes als ik. Opeens echter +ontdekte ik ze met het bloote oog, waar wij ze met den +kijker niet hadden gezien.</p> + +<p>»Kijk eens, dr, Bob, — dr, vlak onder het keukenraam, +op den grond! Daar liggen ze!»</p> + +<p>Bob zette den kijker van zijn oog — want zonder dat +voorwerp zagen wij veel beter, hoewel wij dat natuurlijk +voor geen honderd gulden hadden willen bekennen, — en +nu zag hij ze ook.</p> + +<p>»’t Zijn ze, Dorus! Die aap! Ze heeft ze vlak onder +het keukenraam gelegd om ze goed onder haar bereik +te hebben.»</p> + +<p>Bob zette nu den kijker weer voor het oog en richtte +hem op de stelten.</p> + +<p>»Ja hoor, nu zie ik ze duidelijk; ’t zijn ze! Kijk maar, +j, nu kan je ze pas goed zien.»</p> + +<p>Nu, dat was waar.<span class="pagenum"><a name="Page_43" id="Page_43">[43]</a></span></p> + +<p>»Maar hoe ze nu terug te krijgen, Bob?»</p> + +<p>»Dat zal ik je zeggen, — ik ga ze doodeenvoudig +halen. Ik ga over het slootje achter onzen tuin, kruip +langs den slootkant het land over, spring over de sloot +van den dokter, kruip langs de besseboomen daar ginds +naar het keukenraam en pak ze dan vlug weg. Kijk, het +bovenraam staat open. Ik wed, dat Mina boven aan het +werk is, want het is Zaterdag en dan hebben de meiden +het altoos druk. Juist, ik doe het.»</p> + +<p>»’t Is een waagstuk, Bob,» meende ik te moeten +opmerken. »Als ze je snapt, ben je er bij.»</p> + +<p>»Gloeiend, dat is zeker,» stemde Bob toe.</p> + +<p>»Of als de dokter je ziet.....»</p> + +<p>»Die is uit! Ik heb hem zien uitrijden.»</p> + +<p>»Of mevrouw! Die is toch in elk geval thuis.»</p> + +<p>»Ja, dat is waar. Nu hoor, ik waag het er toch op. +Mijne stelten moet ik terug hebben, dat begrijp je, vooral +nu mijnheer Denappel dien wedstrijd organiseert. Zeg +Dorus, houd jij hier met den verrekijker de wacht voor +het raam, en als je onraad ziet, laat je ons gewone signaal +hooren, dan kies ik dadelijk het hazepad. Doe je het?»</p> + +<p>»Natuurlijk, dat spreekt van zelf.»</p> + +<p>»Goed! Dan ga ik. Goed uitkijken, hoor! En zoodra +je maar den band van eene vrouwenmuts ziet, waarschuw +je. Kan ik daarop rekenen?»</p> + +<p>»Volkomen.»</p> + +<p>»Tot straks dan!»</p> + +<p>Bob vertrok, en ik bleef in groote spanning achter. +Den kijker hield ik voortdurend op het keukenraam<span class="pagenum"><a name="Page_44" id="Page_44">[44]</a></span> +gericht, hoewel Bob het ons beschermende dak nog niet +eens verlaten kon hebben.</p> + +<p>Een oogenblik later hoorde ik zijn signaal beneden in +den tuin, hetwelk ik onmiddellijk beantwoordde. Nu kon +ik hem zien gaan. In gebogen houding sloop hij den +tuin door, hoewel daar natuurlijk niet het minste gevaar +dreigde. Hij sprong behendig over het slootje en kroop +langs den kant langzaam verder. Ik volgde hem met +mijn kijker. Nu was hij den tuin van den dokter genaderd. +Hij behoefde maar eene sloot over te springen om +er in te komen. Doch juist op het oogenblik dat hij den +sprong wilde doen, zag ik de achterdeur opengaan en +Mina buiten verschijnen. Zij bleef een oogenblik stilstaan, +keek eens naar de lucht, nam een paar frambozen van +een struik, raapte toen de stelten op en bracht ze in +het schuurtje.</p> + +<p>Zoodra zij verschenen was, liet ik mijn waarschuwend +signaal hooren. Dadelijk maakte Bob zich zoo klein +mogelijk en hield zich onbeweeglijk aan den kant van de +sloot, tot Mina weer vertrokken was. Zelfs toen bleef +hij nog eenigen tijd zitten.</p> + +<p>Ik vertrouwde de zaak nu echter in het geheel niet +meer, en liet mijn signaal hooren, wat door Bob beantwoord +werd. Even later zag ik hem den terugtocht +aanvaarden, en weldra was hij weer bij me op den zolder.</p> + +<p>»Dat was toevallig, h?» zei hij ernstig.</p> + +<p>»Al te toevallig, Bob,» meende ik. »Geloof gerust, dat +zij lont geroken heeft. ’t Is toch een slimmerd.»</p> + +<p>»Ja, — maar toch kan het best zijn, dat zij geen erg<span class="pagenum"><a name="Page_45" id="Page_45">[45]</a></span> +in mij heeft gehad en alleen maar trek kreeg in een +paar framboosjes. Zij heeft mij onmogelijk kunnen zien, +zou ik zeggen.»</p> + +<p>»Dat is waar. Bovendien zag ze er heel onverschillig +uit, volstrekt niet, of zij iets kwaads in den zin had. +’t Is alleen maar zoo buitengewoon opmerkelijk, dat zij n +juist buiten kwam en de stelten in het schuurtje bracht.»</p> + +<p>»Alles goed en wl, maar ik moet ze terug hebben,» +zei Bob. »Over een kwartier waag ik het weer.»</p> + +<p>Wij begonnen nu geduldig te wachten, tot er tijd +genoeg verloopen zou zijn om met eenige kans op succes +den tocht voor de tweede maal te ondernemen.</p> + +<p>Eindelijk ging Bob.</p> + +<p>Weer klonk in den tuin zijn signaal, — weer sprong +hij over de sloot en sloop hij langs den slootkant verder, +weer had hij den tuin van den dokter bereikt. Hij keek +even op naar mij, als om te vragen, of alles veilig was. +Ik nam het terrein op en — zweeg, want alleen in geval +van nood zou ik mijn signaal doen hooren.</p> + +<p>Wip! — daar sprong hij over de sloot in den tuin van +den dokter, en behoedzaam zag ik hem verder kruipen +onder de besseboomen door, die hem bijna geheel aan het +gezicht onttrokken. Ik zeg bijna, want soms moest hij +eene plek oversteken, waar geen boomen stonden. Hij +kroop dan bijna op zijn buik over den grond.</p> + +<p>Alles ging goed. Met arendsblikken volgde ik hem in +al zijne bewegingen, tevens goed oplettende, of er ook +onraad dreigde. Ha! nu had hij het schuurtje bereikt. +Langzaam zag ik de deur ervan opengaan, doch slechts<span class="pagenum"><a name="Page_46" id="Page_46">[46]</a></span> +zoover als noodig was, om Bob door te laten. Nu verdween +Bob in het schuurtje.....</p> + +<p>O heden! Nauwelijks was hij daarbinnen geslopen, of +de keukendeur ging snel open en daar verscheen plotseling +de vijand — Mina.</p> + +<p>Met kracht liet ik mijn signaal hooren, hoewel mijn +gewone toonreeks mij mislukte van den schrik.</p> + +<p>Mina ijlde naar het schuurtje!</p> + +<p>Ik verzamelde mijne tegenwoordigheid van geest en +floot zoo hard ik kon.</p> + +<p>Mina had de deur bereikt.</p> + +<p>Maar Bob had mijn signaal gehoord. Ik zag de deur +opengaan. Nog een oogenblik en hij zou gered zijn.</p> + +<p>Flap! Daar sloeg Mina de deur met kracht toe en +schoof er den grendel voor.</p> + +<p>Bob was gevangen.</p> + +<p>Ik zag Mina schateren van de pret, ja ik hoorde haar +zelfs lachen. Zoo’n akelige meid!</p> + +<p>In de grootste verslagenheid zag ik het aan, hoe zij in +de keuken verdween, ongetwijfeld met het stellige voornemen +Bob niet voor den laten avond uit zijne gevangenis +te ontslaan.</p> + +<p>Doch hij moest gered worden, dat stond bij mij vast. +De vraag was alleen maar, hoe dat gedaan moest worden.</p> + +<p>Hoe ik evenwel peinsde, ik zag er geen kans toe, en +besloot daarom ten einde raad naar mijn vriend Karel +Holm te gaan, die nu ongetwijfeld wel uit Haarlem +thuisgekomen zou zijn.</p> + +<p>Ik verliet daarom het huis van mijnheer de Wild en<span class="pagenum"><a name="Page_47" id="Page_47">[47]</a></span> +ging op weg naar Karels huis. Hij was de zoon van den +architect, en wel diens eenig kind. Wij hielden allen +bijzonder veel van hem, wat geen wonder was, daar hij +een echt fideel karakter bezat. Ik twijfelde dan ook niet, +of hij zou niet rusten, voor het ons gelukt was, Bob in +vrijheid te stellen. Een kameraad in den steek laten zou +hij nooit doen.</p> + +<p>Het bleek mij al spoedig dat ik mij niet vergist had, +want nog had ik zijne woning niet bereikt, toen ik hem +reeds tegenkwam.</p> + +<p>»Zoo Dorus!» klonk zijn groet.</p> + +<p>»Zoo Karel! Al terug?»</p> + +<p>»Zooals je ziet. Ik kwam juist naar je toe.»</p> + +<p>»En ik naar jou. Zeg Karel, er is iets aan de hand. +Bob zit opgesloten in het schuurtje van den dokter.»</p> + +<p>»Bob opgesloten? — In het schuurtje van den dokter?» +zei Karel in de grootste verbazing. »Wie heeft dat gedaan?»</p> + +<p>»Mina, de meid.»</p> + +<p>Nu vertelde ik hem in geuren en kleuren, wat er +gebeurd was. Eerst moest hij er om lachen, maar later +keek hij ernstig.</p> + +<p>»Ja, zie je,» zeide hij, »dan is het ook zijn eigen schuld. +Maar enfin, dat doet er niet toe, geholpen mt hij +worden. Wij kunnen hem niet aan zijn lot overlaten.»</p> + +<p>»Juist, Karel, precies mijn ide, — maar hoe?»</p> + +<p>»Ja, dat is de moeilijkheid. Zeg Dorus, wij moesten +den vijand van twee kanten kunnen bestoken. Wisten +wij maar eene boodschap bij den dokter te bedenken, +dan waren wij klaar. Want als er een van ons daar aanbelde<span class="pagenum"><a name="Page_48" id="Page_48">[48]</a></span> +was Mina gedwongen om open te doen. Middelerwijl +kon de ander het schuurtje ontsluiten en Bob verlossen.»</p> + +<p>»Daar zeg je zoo iets, Karel. Jongen, dat is een prachtig +ide. Hadden wij maar eene boodschap!»</p> + +<p>»Ja, maar die hebben we niet. — Maar wacht eens — ha, +daar bedenk ik wat. Je weet, dat Pa van ’t voorjaar +zoo lang ziek geweest is en geruimen tijd onder +behandeling van den dokter was?»</p> + +<p>»Zeker, dat herinner ik mij nog heel goed.»</p> + +<p>Nu — en toen heeft Pa wel een twintig drankjes +gebruikt, waarvan alle ledige fleschjes nog bij ons in het +schuurtje staan. Onlangs heb ik ze alle moeten omspoelen, +en heeft Moe tegen me gezegd, dat ze eens naar den +dokter teruggebracht moesten worden. Zeg j, niets +belet ons, om dat nu te doen.»</p> + +<p>»Uitstekend! Zeg Karel, dan bel jij aan en terwijl Mina +dan aan de voordeur is, sluip ik den tuin in en maak +het schuurtje open. Dat wordt eene leuke historie, Karel!»</p> + +<p>»Of het. Kom, laten we dadelijk gaan.»</p> + +<p>Wij deden de fleschjes in eene ledige mand en Karel +vroeg zijne Moe verlof, ze weg te brengen, wat heel +goed gevonden werd.</p> + +<p>Samen gingen wij met ons vrachtje op weg, tot aan +de brug, waar onze wegen scheidden.</p> + +<p>»Nu ga jij door den tuin van den notaris naar het +schuurtje en als je achter het huis van den dokter gekomen +bent, laat je het signaal hooren. Tot zoolang zal +ik met aanbellen wachten. Is dat afgesproken?»</p> + +<p>»Best,» zei ik. »Maar zouden wij het fluiten van elkander<span class="pagenum"><a name="Page_49" id="Page_49">[49]</a></span> +kunnen hooren? Het huis en de tuin van den dokter +liggen tusschen ons.»</p> + +<p>»O ja, gemakkelijk! Hallo, j, vooruit maar! Ik krijg +er zin in. Voorzichtig, hoor!»</p> + +<p>»Dat spreekt, en jij niet te vroeg bellen.»</p> + +<p>»Niet, voordat ik je signaal gehoord heb.»</p> + +<p>»Houd je goed, tot straks dan! En houd Mina wat +aan den praat, als je kunt.»</p> + +<p>»Laat dat maar aan mij over. Ga nu, Dorus!»</p> + +<p>Ik ging, en volgde natuurlijk denzelfden weg, die ons +Bobje zoo noodlottig geworden was.</p> + +<p>Zoodra ik de sloot achter dokters tuin bereikt had, +liet ik het afgesproken teeken hooren, wat dadelijk van +twee kanten beantwoord werd, namelijk van de zijde der +voordeur, waar Karel gereed stond aan te bellen, en door +Bob uit het schuurtje.</p> + +<p>Ik wachtte nu nog een oogenblik, ten einde Karel de +gelegenheid te geven om aan te bellen en Mina naar de +voordeur te lokken, en sprong over de sloot. IJlings en +in gebogen houding spoedde ik mij naar het schuurtje. +Mijn hart klopte hoorbaar, zoo verkeerde ik in angst, +dat onze krijgslist mislukken zou, en schichtig keek ik +naar alle zijden om mij heen.</p> + +<p>Bij het schuurtje gekomen richtte ik mij vlug als +eene kat op, schoof den grendel weg, en opende de deur.</p> + +<p>Op hetzelfde oogenblik stond Bob naast me, met zijne +stelten in de hand. Maar o j, daar had me de bengel +zoo waarlijk eene oude muts van Mina opgezet en een +boezeltje van haar voorgedaan.<span class="pagenum"><a name="Page_50" id="Page_50">[50]</a></span></p> + +<p>»Dr, pak aan!» zei hij, terwijl hij me zijn stroohoed +toewierp. En in plaats van weer over de sloot te springen +en denzelfden weg terug te gaan, dien hij gekomen was, +stapte hij doodbedaard op zijne stelten en ging met +groote schreden den tuin door, langs den stal en zoo den +weg op.</p> + +<p>Ik ijlde hem vooruit.</p> + +<p>O, o, wat leverde hij een dwaas gezicht op, met dien +boezelaar voor en die muts op, en dan op stelten.</p> + +<p>Karel stond nog aan de voordeur met Mina te redeneeren, +toen hij ons zag aankomen. Hij proestte het uit +van lachen, en o, wat keek Mina boos, toen zij bemerkte, +wat er gebeurd was.</p> + +<p>»O, jullie ondeugende bengels! Dat is afgesproken +werk! Wil jij wel eens gauw mijne muts afzetten en +dien boezelaar afdoen!»</p> + +<p><a href="#ill02">Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen +over den weg heen en weer</a>, en hij zette het ernstigste +gezicht van de wereld.</p> + +<p>Een oogenblik later kwam Mina den hoek van het +huis om, met den stoffer in de hand. Ze was meer dan +boos. Toen werd het hoog tijd voor Bob om het hazenpad +te kiezen, wat hij dan ook deed.</p> + +<p>Mina keerde naar hare keuken terug, rood van boosheid, +en wij raadden Bob aan, de beide kleedingstukken +terug te geven. Eerst had hij daar niet veel lust in, maar +toen wij zeiden, dat hij verplicht was het te doen, +maakte hij er een klein pakje van en bracht ze aan +Mina terug. Dat durfde hij gerust doen, daar hij overtuigd<span class="pagenum"><a name="Page_51" id="Page_51">[51]</a></span> +was, dat hij toch veel harder loopen kon dan zij. +Hij deed de keukendeur open en wierp het pakje naar +binnen. In hetzelfde oogenblik nam hij overhaast den +terugtocht aan, zoodat Mina zelfs geen tijd had hem een +enkel woord toe te voegen.</p> + +<p>Och, och, wat hadden wij een pret over dit voorval.</p> + +<p>»’t Was goed, dat jelui me verloste,» zei Bob, »want +ze had me beloofd, dat ik er tot donker in zou blijven. +Maar dat had zij toch mis!»</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_52" id="Page_52">[52]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Vierde Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Waarin Bob eerst voor mijnheer Denappel<br /> +en daarna voor visch speelt.</p> + + +<p>Wij gingen eerst met Karel Holm me naar zijn huis, +om zijne stelten te halen, en begaven ons toen naar het +marktplein, dat midden in het dorp gelegen was, en waar +wij zeker waren, eenige jongens te vinden om mede te +spelen.</p> + +<p>Eerst had Bob niet bijzonder veel lust, om naar de +markt te gaan, omdat de schoenmaker daar wel wat te +dichtbij woonde voor het mooi, naar hij zeide.</p> + +<p>Maar toen wij er inderdaad eenige jongens van onze +klasse aantroffen, was hij het gevaar, dat hij van den +kant van den schoenmaker liep, weldra geheel vergeten. +Nu was het waar, dat deze er heel dicht bij zijne woning +had en menige jongen zou in Bobs geval zich wel tweemaal +bedacht hebben, eer hij zich daar waagde, maar het +moet gezegd worden: Bob kende geen vrees en hij was +bijna voor niets bang.<span class="pagenum"><a name="Page_53" id="Page_53">[53]</a></span></p> + +<p>Toen wij pas op de markt waren, keek hij eerst wel +een paar malen voorzichtig uit, of de gevreesde vijand +ook naderde, doch toen zijne vrees ongegrond bleek te +zijn, vergat hij weldra zijn voorzorgsmaatregel geheel en +wijdde hij zich geheel aan het spel.</p> + +<p>Zooals ik zeide troffen wij op het marktplein reeds +eenige jongens aan, met wie wij dikwijls speelden. Zoo +zagen wij daar Dirk Langeraar, den zoon van den metselaar, +Cor Valk, van den directeur van het post- en telegraafkantoor, +Karel Buurs, van den timmerman, Tines +Wobbe, Adriaan Bolt, Arie Kooi, die evenals ik zoons +van bloemisten waren en Huibert de Leeuw, van den +korenmolenaar. Allen hadden zij hunne stelten bij zich.</p> + +<p>Met een luid hoera werden wij bij onze komst begroet, +en dat wij dadelijk begonnen te vertellen, wat wij beleefd +hadden, spreekt van zelf. Wat hadden de andere jongens +er een pret in.</p> + +<p>»Zeg Bob, je hadt dien boezelaar en die muts moeten +houden,» zei Tines Wobbe, »dan hadden wij er nu nog +eens lekker pret mede gemaakt.»</p> + +<p>»’t Was al mooi genoeg!» zei Karel Holm. »Mina was +nu al genoeg geplaagd.»</p> + +<p>»Je kunt ze nooit genoeg plagen,» zei Tines met een +grijnslachje, dat wij nooit goed van hem konden uitstaan. +Eigenlijk hielden wij geen van allen van hem, want hij +ging nooit recht door zee en was ver van eerlijk. Wij +vertrouwden hem nooit, en als wij eens eene grap gingen +uithalen, die wij voor anderen niet weten wilden, hielden +we hem altoos buiten het geheim. Nu weet ik wel, dat<span class="pagenum"><a name="Page_54" id="Page_54">[54]</a></span> +wij ook zulke erg brave jongens niet waren, maar klikken +zouden wij van elkander nooit doen, — en dat deed hij +wel. Als hij kwaad tusschen ons kon stoken, zoodat wij +er eindelijk twist door kregen, had hij de grootste pret, +en dan lachte hij in zijn vuistje. Maar zelf was hij alles +behalve een held. Neen, wij hielden niet van hem, en +als we hem een poets konden bakken, zouden we het +nooit nalaten.</p> + +<p>»Jongens! Ik heb nieuws!» viel Bob de anderen in +de rede.</p> + +<p>»Goed nieuws?» klonk het terug.</p> + +<p>»Luisteg!» zei Bob, die nu plotseling de spraak van +den Heer Denappel ging nabootsen, waar hij bijzonder +goed slag van had. »Ik noodig alle jongens van het dogp +uit, vandaag oveg eene week hieg op den achtegweg te +komen, ’s middags om n uug, tot het houden van een +wedstgijd in het hagdloopen op stelten.»</p> + +<p>»Echt waar? Zeg Bob, is het echt waar?» vielen de +jongens hem vroolijk in de rede, niet weinig lachende +om den toon, waarop hij sprak. Als iemand, die het niet +wist, hem gehoord had, zou hij stellig gemeend hebben, +dat het de Heer Denappel was, zoo precies bootste Bob +hem na. Hij sprak geweldig door den neus en brouwde +zoo sterk mogelijk.</p> + +<p>»’t Is waag, hoog, volkomen waag!» zei Bob op zijn +grappigsten toon.</p> + +<p>»Hoera! Hoera! Leve mijnheer Denappel!» klonk het +opeens uit aller mond.</p> + +<p>»Sssssss! stilte!» gebood Bob. »Luisteg, jongens, ik ben<span class="pagenum"><a name="Page_55" id="Page_55">[55]</a></span> +nog niet uitgespgoken. De eegste pgijs zal bestaan in een +fgaai boek in pgachtband, genaamd Gobinson Cguso...»</p> + +<p>»Hoera! Hoera! Lang zal hij leven!»</p> + +<p>»Bedaag, vgiendjes, bedaag!» zei Bob met een kalmeerend +gebaar van zijne beide handen. »Eg is nog meeg. +De tweede pgijs, of zooals wij altijd zeggen de pgemie +is de Bagon van Munchhausen, ook een pgachtig boek, +maag niet in een fgaaien band.»</p> + +<p>»Hoera! Hoera! Dat wordt een mooie wedstrijd!»</p> + +<p>»Dat zou ik meenen, lieve vgienden,» vervolgde Bob. +»En dan heb ik nog een degden prijs, bestaande uit eene +fgaaie pogte-monnaie, maag — ik behoud het gecht, om +die te geven, aan wien ik wil. Heb je dat goed beggepen?»</p> + +<p>»Uitstekend, mijnheer Denappel! Uitstekend!» klonk +het lachend rondom Bob, die kolossaal veel pret had, dat +de anderen zoo om hem moesten lachen.</p> + +<p>»En waarom houdt u dat recht aan u, mijnheer Denappel!» +vroeg Dirk Langeraar aan Bob.</p> + +<p>»Mijn bgave Digk, nu vgaag je meeg, dan ik je beantwoogden +kan.» En heel vaderlijk liet hij er op volgen: +»Kleine jongetjes moeten niet naag alles vgagen, hoog +kegeltje?»</p> + +<p>»Bob, daar komt de schoenmaker om den hoek!»</p> + +<p>Als een pijl uit den boog ging Bob er vandoor. Jongen, +jongen, wat liep hij. Zijne voeten raakten bijna den +grond niet.</p> + +<p>En wij lachten, dat we schaterden, want er was niets +van waar. De schoenmaker zat hoogstwaarschijnlijk druk +schoenen te lappen, want de Zaterdag was gewoonlijk<span class="pagenum"><a name="Page_56" id="Page_56">[56]</a></span> +zijn drukste dag, daar vele menschen dan vr den Zondag +hunne schoenen terug wilden hebben. Ik had het alleen +maar uit de grap gezegd, omdat hij zoo verbazend veel +praats had. Bob gunde zich geen tijd om te kijken, of het +wel waar was. Trouwens, daar twijfelde hij ook niet aan.</p> + +<p>Toen hij ons echter zoo verbazend hoorde lachen, begon +hij lont te ruiken. Hij bleef even staan en keek achter +zich om, en toen hij nu bemerkte, dat er niets van waar +was, kwam hij weer terug.</p> + +<p>»Heb jij me dat koopje geleverd, Dorus?» vroeg hij.</p> + +<p>»Om u te dienen, mijnheer Denappel!» zei ik.</p> + +<p>»Ben je bang voor den schoenmaker?» vroeg Tines +Wobbe. »Wat heb je hem gedaan?»</p> + +<p>»Och, ik heb gemaakt, dat hij geen stroop op zijn pannekoek +had, van middag,» zei Bob, tot groot vermaak +van de anderen. En nu vertelde hij wat hij gedaan had.</p> + +<p>»Zoo’n dom kind,» zei Cor Valk. »Maar wacht je nu +voor den schoenmaker, Bob, want er blijft geen stuk van +je heel, als hij je te pakken krijgt. ’t Is een gevaarlijke, +wat ik je zeg.»</p> + +<p>»Hij heeft me nog niet!» zei Bob met een overmoedig +lachje. »En hij zal me niet gemakkelijk krijgen ook. Zeg +Dorus, willen wij nu eens om het hardst steltloopen?»</p> + +<p>»Goed!» zei ik.</p> + +<p>Wij gingen naar den eersten paal en zouden loopen +tot den laatsten.</p> + +<p>»En dan wij?» vroeg Tines Wobbe aan Karel Holm.</p> + +<p>»Ja — laten we allen twee aan twee gaan, precies als +op den wedstrijd. Adriaan Bolt met Karel Buurs, Huib<span class="pagenum"><a name="Page_57" id="Page_57">[57]</a></span> +de Leeuw met Arie Kooi, Dirk Langeraar met Cor Valk, +en zoo verder. Vooruit, jongens, daar gaan we!»</p> + +<p>Ja, daar gingen we, en vlug ook, maar niet bijzonder +verstandig. Want we konden zeer vlug steltloopen, al +zeg ik het zelf, en we vielen niet zeer dikwijls. Maar +nu kwam Bob met zijne stelt in een gat terecht, dat hij +niet gezien had, en flap, daar viel hij tegen mij aan, +zoodat wij beiden op den grond tuimelden. En wat er +toen gebeurde, is licht te begrijpen. De andere jongens +volgden ons op den voet, en voordat zij nog goed wisten, +wat er met hen plaats greep, duikelden zij op en over +ons heen!</p> + +<p>Of dat pijn deed! Ik kreeg Tines Wobbe dwars over +mijn hoofd en Huib de Leeuw lang uit over mijne beenen, +en van Bob was in het geheel niets te zien. Hij lag +totaal onder de anderen bedolven. Dirk Langeraar kwam +boven op al de anderen terecht, en zat daar als Spinoza +op zijn voetstuk, welk standbeeld in den Haag ik gezien +had, toen ik eens met Pa in die stad was. Allerlei klaagtonen +stegen uit den levenden warhoop op.</p> + +<p>»H-h!»</p> + +<p>»Au! Ga toch weg!»</p> + +<p>»Rijs op, zeg ik je!»</p> + +<p>»Wil-je wel eens van mijn hoofd gaan?»</p> + +<p>»Ik stik! Ik stik!»</p> + +<p>»Au, mijn arm!»</p> + +<p>»Mijne beenen breken!»</p> + +<p>»Je zit op mijn rug!»</p> + +<p>Spoedig evenwel waren wij opgestaan, en wonder boven<span class="pagenum"><a name="Page_58" id="Page_58">[58]</a></span> +wonder, niemand van ons had zich erg bezeerd. Bob alleen +was met zijn voorhoofd tegen een steen terecht gekomen.</p> + +<p>»’t Hindert niet erg,» zei hij, »ik had er toch al een +buil op. ’t Doet me anders wel pijn.»</p> + +<p>Nu, pijn hadden we allen, de een hier, de ander daar.</p> + +<p>»Hoe kwam dat toch?» vroeg er een.</p> + +<p>»Omdat je lui allen een schapennatuur hebt,» zei Bob.</p> + +<p>»’t Spreekwoord zegt: »Als er n schaap over den +dam is, volgen alle anderen,» en zoo ging het met jelui +ook. Toen ik viel, ging je het mij allen nadoen, net als +de schapen.»</p> + +<p>»Laten wij het overdoen.» stelde Karel voor.</p> + +<p>»Ja, overdoen! Overdoen!»</p> + +<p>»Maar niet allen vlak achter elkaar!» zei Huib.</p> + +<p>»Dat spreekt van zelf,» zei een ander. »Een ezel stoot +zich niet tweemaal aan denzelfden steen.»</p> + +<p>Wij begonnen den wedstrijd nu opnieuw, en kwamen +tot de slotsom, dat Bob en Tines Wobbe de vlugste steltloopers +waren, zoodat zij waarschijnlijk de prijzen wel +zouden winnen.</p> + +<p>»Ik doe niet me!» zei Cor Valk. »Wij kunnen het +van Bob en Tines toch niet winnen, en dan blijf ik liever +stilletjes thuis.»</p> + +<p>»Dat is kinderachtig,» zei Karel Holm. »Wij doen mede +om een prettigen middag te hebben, en natuurlijk ook om +wat te winnen. Maar de pret is toch de hoofdzaak.»</p> + +<p>»Bovendien kan Bob of Tines vallen, en daardoor niets +winnen,» zei ik.</p> + +<p>»Ook mogelijk! Ook kunnen zij opvolgende nummers<span class="pagenum"><a name="Page_59" id="Page_59">[59]</a></span> +trekken, zoodat zij tegen elkander moeten loopen. Daar +is vooruit niets van te zeggen.» zei Huib de Leeuw.</p> + +<p>»Zeg, jongens, willen wij nu eens wat anders gaan +spelen?» vroeg Bob.</p> + +<p>»Ja, — wat dan?»</p> + +<p>»Verstoppertje?»</p> + +<p>»Ja, ja, verstoppertje! Dat is goed! Wie zal hem +wezen?»</p> + +<p>»Ik wel!» zei Karel Holm. »De eikeboom is honk, +en wij mogen niet verder dan tot aan den schoenmaker +aan de eene en de brug aan de andere zijde. Is dat +afgesproken?»</p> + +<p>»Goed, niet verder dan de brug en den schoenmaker! +Niet kijken, Karel, — over drie honderd tellen heb je +het recht om te komen.»</p> + +<p>Karel ging met de beide handen voor de oogen tegen +den dikken boom staan, die midden op het marktplein +stond, en begon te tellen. Hij hoorde de jongens in +alle richtingen verdwijnen, maar kijken deed hij natuurlijk +niet. Dat zou hij niet gedaan hebben, al had hij er een +gulden mede kunnen verdienen, want daarvoor was hij +veel te eerlijk.</p> + +<p>Toen hij tot driehonderd geteld had, gaf hij zijne +nadering door een luiden kreet te kennen en ging zoeken. +Zoodra hij iemand zoo nabij gekomen was, dat hij hem +tikken kon, was die de zoeker voor het volgende spel, +maar wij zorgden wel, dat dit niet gebeurde. Als wij +bemerkten, dat hij ons ontdekt had, sprongen wij vlug +te voorschijn en trachtten eerder dan hij den boom te<span class="pagenum"><a name="Page_60" id="Page_60">[60]</a></span> +bereiken, waardoor wij het recht verkregen, bij het +volgende spel weer schuil te gaan.</p> + +<p>Het gelukte hem Dirk Langeraar te tikken, waardoor +deze aangewezen werd, om tweede zoeker te worden. +Wij vermaakten ons kostelijk met dit spel, vooral toen +de avond langzamerhand begon te vallen en het donker +werd. Het zoeken ging toen ver van gemakkelijk, en wij +wisten uitstekende schuilhoeken te vinden.</p> + +<p>Ook Bob begon zich toen vrijer te bewegen, want daar +hij het huis van den schoenmaker niet durfde naderen, +uit vrees van gesnapt te worden, kon hij zich tot nog +toe maar alleen in de richting van de brug verschuilen. +En juist aan den anderen kant waren de mooiste plekjes. +Maar nu was het grootste gevaar voor hem voorbij, en +langzamerhand begon hij zich minder in de richting van +de brug en meer in die van des schoenmakers woning +te begeven. Wat was daar eene heerlijke gelegenheid +om zich te verschuilen! In de eerste plaats lag er op een +erf eene omgekeerde schuit, die door den scheepmaker +op de helling getrokken was om gekalefaat te worden. +Bob had zich daar al driemaal verscholen, eer hij ontdekt +werd en eene nieuwe plaats op moest zoeken. Toen vond +hij een prachtig plaatsje bij het schuthok, waar hij met +zijne gewone brutaliteit midden tusschen een boschje +brandnetels ging zitten, die daar reeds eene flinke hoogte +hadden bereikt. Dr zocht niemand hem, zooals van +zelf spreekt, want al meende de zoeker soms, dat hij zich +daar wel verscholen kon hebben, dan ontbrak hem nog +meestal de moed, om zich een pad door die lastige<span class="pagenum"><a name="Page_61" id="Page_61">[61]</a></span> +planten te banen. Bob had dit wel gedaan, maar het +had hem ook een flink aantal blaren bezorgd, die hem +niet weinig pijn deden. In elk geval had hij de voldoening, +dat niemand hem vinden kon, al liepen zij ook +vlak langs hem heen. Dat amuseerde hem buitengewoon. +Eindelijk werd hij gevonden door Karel Holm, die stellig +niet minder moed bezat dan Bob. Toen deze hem overal +gezocht en nergens gevonden had, zei hij tot de andere +jongens:</p> + +<p>»Wil ik jelui eens wat zeggen? Hij met hier in dat +brandnetelboschje zitten, want geen enkele plaats dan +deze heb ik ondoorzocht gelaten.»</p> + +<p>»Ga kijken, — dan weet je het!» raadde ik hem aan +met een leuk gezicht. Want ik dacht aan de brandnetels, +die zeer dicht op elkander gegroeid waren. Als +Bob er zich tusschen verscholen had, moest hij er naar +mijne meening even nauw door ingesloten zijn als de +bewoners van Luilekkerland door den rijstebrijberg.</p> + +<p>»Welnu, — denk je, dat ik niet durf, Dorus?» vroeg +hij met een overmoedig lachje.</p> + +<p>»Ik weet het niet, Karel, maar — jij liever dan ik!» +zei ik lachend.</p> + +<p>»Wat Bob kan, kan ik ook!» zei Karel. »Hij moet +hier zitten! Vooruit, daar gaat hij!»</p> + +<p>En waarlijk! Daar ging Karel met de ellebogen vooruit +de brandnetels in. Links en rechts bogen de stengels op +zijde en met groote schreden drong Karel er tusschen +door. Het moet hem ongetwijfeld veel pijn gedaan +hebben, en wij stonden gereed om een luid hoera aan te<span class="pagenum"><a name="Page_62" id="Page_62">[62]</a></span> +heffen, zoodra wij hem hoorden kermen. Maar neen, +daar hadden wij geen kans van, want Kareltje gaf geen +kik, wel een weinig tot onze teleurstelling, tot opeens +zijne stem van uit het midden der brandnetels tot ons +doordrong en wij hem hoorden roepen:</p> + +<p>»Gevonden! Ha, ha, baasje, dat had je niet gedacht. +Nu is het jou beurt om te zoeken. Jou slimme rot!»</p> + +<p>Een geweldig kraken van stengels die platgetrapt +worden werd nu hoorbaar, en toen verscheen Karel, +gevolgd door Bob, aan den rand van het boschje.</p> + +<p>»Wat zat ik daar heerlijk!» zei Bob op triomfantelijken +toon. »Wel driemaal ben jelui vlak langs mij heengegaan, +zonder mij te vinden!»</p> + +<p>»’t Is ook aangenaam, om vol blaren te komen,» zei +Tines Wobbe. »Ik gun je de pret.»</p> + +<p>»Pret had ik, Tines, vooral toen ik zag, dat je er zoo +graag in wilde kijken en toch niet durfde. Kom jongens, +verbergt je; ik zal je zoeken.»</p> + +<p>Fffft! Als de wind vlogen wij weg en in korten tijd +hadden wij allen een schuilhoek gevonden. Bob liet een +schellen kreet hooren en begon te zoeken. Nu was hij +een behendig zoeker en een vlug looper. Ik geloof wel, +dat hij de vlugste was van ons allen, behalve Tines +Wobbe, die ook een echte snelvoeter was. En Karel +Holm was de derde van den bond. Als die drie jongens +voor de aardigheid eens om het hardst liepen, wist men +nooit wie het winnen zou, vr zij den eindpaal hadden +bereikt. Het kleinste ongelukje was voor ieder van hen +voldoende, om het te verliezen.<span class="pagenum"><a name="Page_63" id="Page_63">[63]</a></span></p> + +<p>’t Was dus geen wonder, dat Bob er weldra een getikt +had. Dezen keer was Cor Valk de zoeker.</p> + +<p>En nu gelukte het Bob een plaatsje te vinden, waar +men hem, naar hij dacht, stellig nooit zoeken zou. ’t Was +wel eene gewaagde, ja, zelfs zeer gewaagde onderneming +van hem, maar — het gevaar dat hem dreigde van den +kant van den schoenmaker was hij nu al geheel vergeten. +En als hij er nog aan dacht, zocht hij zich diets +te maken, dat dit zoo erg niet was.</p> + +<p>Welk plaatsje had hij dan gevonden?</p> + +<p>De schoenmaker was een groot liefhebber van visschen, +niet met den hengel, maar met netten. Eigenlijk was hij +zoowel visscherman als schoenmaker. Als hij het met +schoenlappen niet druk had en dientengevolge over veel +vrijen tijd beschikken kon, ging hij altijd uit visschen, +en zocht daarmede in het onderhoud van zich en zijn +groot gezin te voorzien. Menigmaal trok hij er nog laat +in den avond op uit, om nog een stuivertje te verdienen. +Hij had een eigen bootje, geheel voor dat doel ingericht, +en was ook in het bezit van een flink aantal netten, +waarmede hij menig vischje verschalkte.</p> + +<p>Vr zijn huis, aan den kant van het water had hij +ook nog een groote vischkaar, waar hij de gevangen +visch in bewaren kon. Die kaar was niet anders dan een +groote bak, rondom van gaatjes voorzien, zoodat het +water er in doordringen kon. Midden in de grootste +zijde was een plank of luik, dat hij er uit kon nemen, +om er de gevangen visch in te doen. Door den bak in +het water te leggen, drong dit door de vele gaatjes naar<span class="pagenum"><a name="Page_64" id="Page_64">[64]</a></span> +binnen, en bleef de visch in leven. Eens in de week +verkocht hij den gevangen voorraad aan een opkooper, +die gewoonlijk Zaterdags bij de visschers rondging, om +zijne levende koopwaar in ontvangst te nemen.</p> + +<p>Zooals te begrijpen is, was nu dus de vischkaar ledig +en lag zij op het droge. Dat had Bob al lang opgemerkt, +maar zoolang het nog licht was, had hij zich niet zoo +dicht bij zijn vijand durven wagen. Nu evenwel meende +hij door de schemering genoeg beschut te zijn, om het +waagstuk te kunnen ondernemen.</p> + +<p>Hij deed het dan ook.</p> + +<p>Zoo voorzichtig mogelijk, en bijna langs den kant van +den weg voortkruipende, wist hij, zonder iets verdachts +te bespeuren, de kaar te bereiken. Hij hoorde den schoenmaker +nog druk aan den arbeid bezig, want het kloppen +van den hamer op de harde zool drong duidelijk tot +hem door.</p> + +<p>Behendig liet hij zich naar den onderkant van den +wal afglijden, want dr lag de kaar, draaide de beide +wervels los, die het luikje vasthielden, lichtte de plank +er uit, en kroop er zelf in. Bijna was hem dit mislukt, +omdat de opening wat nauw voor hem was, maar met +eenig wringen gelukte het hem toch. Toen hij zoover +gevorderd was, legde hij met zijne beide handen de +plank weer op hare plaats, zoodat niets verried, welk +een kostbaren inhoud de kaar thans bevatte.</p> + +<p>»Zie zoo,» mompelde Bob, terwijl hij het zich zoo +gemakkelijk mogelijk zocht te maken in zijne kleine +gevangenis. »Zie zoo, — laat ze nu maar zoeken. Dit is<span class="pagenum"><a name="Page_65" id="Page_65">[65]</a></span> +nog veel mooier plaatsje dan zoo even tusschen de brandnetels. +Daar zat ik ook wel prachtig, maar kon me niet +bewegen, zonder me aan alle kanten te prikken, en hier +lig ik zoo heerlijk als een koningskind. Wie zal me hier +zoeken? En wat een leuke kijkgaatjes heb ik hier rondom +me. De vischjes hebben het nog zoo kwaad niet, als ze +zich hier bevinden. ’t Is alleen maar jammer, dat het einde +voor hen een wreede dood is. — O j, als de schoenmaker +eens wist dat ik hier in zijne kaar zat, — wat zou dan +wel mijn einde zijn? De dood niet, — natuurlijk, maar — enfin, +’t doet er niet toe, want hij weet er niets van, +en bovendien, zoodra ik hem hoor naderen, ga ik er van +door! Als een windhond, hoor! Wat zal Cor Valk loopen +zoeken! Maar vinden, ho maar, geen sprake van! Al +zocht hij een heelen dag!»</p> + +<p>Zoo lag ons Bobje te denken en te mijmeren en van +pret wreef hij zich de handen. Maar als hij geweten +had, dat de Veer op dat oogenblik heel voorzichtig, ja +zelfs onhoorbaar naar buiten sloop en voetje voor voetje +zich naar den waterkant begaf, — wat zou hij vlug uit +zijn schuilhoek te voorschijn gesprongen en op de vlucht +geslagen zijn! O, hadden wij het maar gemerkt, welk +gevaar hem dreigde, dan zouden wij hem wel gewaarschuwd +hebben, — maar wij wisten er niets van, want +wij zaten rustig in onze schuilhoeken verborgen en dachten +aan geen schoenmaker.</p> + +<p>Op zijne teenen sloop de beleedigde man nader, met een +spotlachje op de lippen. Nu had hij den kant van de beek +bereikt. Bob hoorde hem niet; hij dacht aan geen gevaar.<span class="pagenum"><a name="Page_66" id="Page_66">[66]</a></span></p> + +<p>Nu liet de Veer zich vlug naar beneden glijden, en +vr Bob, die hem nu wel hooren moest, gelegenheid +had kunnen vinden om op te rijzen, sprong hij met zijne +beide knien op het luik en draaide de wervels over.</p> + +<p>»Ha, ha, jou aartsrakker!» riep hij zijn gevangene +toe. »Nu ben je gesnapt. Nu zal ik jou eens pannekoeken +met stroop laten eten, deugniet, met stroop versta je, +stroop, veel meer stroop, dan je oplust! Wat denk jij +wel, straatbengel, dat jij maar alles moogt doen?....»</p> + +<p>»Neen, de Veer, ik dacht.....»</p> + +<p>»Denken? Jij denken? Jij behoeft niet te denken, dat +zal ik nu wel voor je doen.....»</p> + +<p>»O, de Veer, ik verzoek u, laat mij asjeblieft gaan....»</p> + +<p>»Zeker, mijn jongen, zal ik je laten gaan! Wacht maar +een oogenblik, dan zal ik de kaar aan den paal vastbinden, +anders drijf je misschien te ver weg, en daarna zal +ik je laten gaan, hoor, dat beloof ik je.»</p> + +<p>»Ach de Veer, asjeblieft, ik zal het nooit weer +doen......»</p> + +<p>»Dat is ook niet noodig, jongen, k zal het nu wel doen.»</p> + +<p>»O toe, laat me er asjeblieft uit, de Veer, heusch, ik +heb er spijt van en ik zal de schade wel betalen.....»</p> + +<p>»Eerst zal ik jou betalen, mijn beste jongen; denk je, +dat ik den gek met me laat steken? ’t Is juist Zaterdagavond, +Bob, een bad zal je opfrisschen. Ha-ha-ha! +Mooier kon je al niet in de fuik geloopen zijn; ’t is +bepaald grappig, ’t is vermakelijk!»</p> + +<p>»Voor mij niet, de Veer, toe, laat me voor dezen keer +vrij, asjeblieft!»<span class="pagenum"><a name="Page_67" id="Page_67">[67]</a></span></p> + +<p>»Een oogenblik geduld, Bob, dadelijk ga-je, hoor! Zie zoo, +nu nog een lus, en dan zijn we klaar.»</p> + +<p>Bob, die nu begon te merken, dat zijn cipier onvermurwbaar +was, ging uit alle macht tegen de wanden +van zijne gevangenis trappen, in de flauwe hoop, dat het +hem gelukken zou nog te ontsnappen. O, o, wat had hij +er op dat oogenblik een spijt van, dat hij Mietje maar +niet ongemoeid haars weegs had laten gaan, doch zijn +berouw kwam nu, evenals altoos, te laat. En zijne pogingen +om de wanden los te trappen, waren vruchteloos. De +kaar zat stevig in elkander.</p> + +<p>»Klaar, Bob! Ha-ha, daar ga-je, hoor! Een, twee, drie, +hoepla!»</p> + +<p>Maar dat hoepla kwam te vroeg, want hoeveel +moeite de schoenmaker ook deed, Bob was te zwaar +om maar zoo luchtig in het water geworpen te kunnen +worden.</p> + +<p>»Ho, dat gaat niet, ik zal je moeten kantelen, Bob! +Houd je goed vast, hoor, mijn jongen, anders doe ik je +pijn en dat zou me spijten! Ha-ha-ha, hoe bespottelijk +dom van je, om in dit ding te kruipen! Dat vergeet ik +mijn leven lang niet!»</p> + +<p>»Ik ook niet, de Veer!» zei Bob op zijn deemoedigsten +toon. »Och toe, laat me er asjeblieft uit. Ik beloof je, +dat ik het nooit weer zal doen.»</p> + +<p>»Wat zul-je niet weer doen, Bob? Nooit weer in deze +kaar kruipen?»</p> + +<p>»Dat ook niet, — och toe, ik....»</p> + +<p>O h, daar ging de kaar aan de eene zijde omhoog.<span class="pagenum"><a name="Page_68" id="Page_68">[68]</a></span> +De schoenmaker zette haar op de korte zijde, bij ongeluk +juist op den kant, waar Bobs hoofd lag, zoodat hij nu +een verbazend ongemakkelijke houding kreeg, namelijk +met de beenen omhoog.</p> + +<p>Bob had zich tot nog toe zeer goed gehouden, maar +nu werd het hem toch te erg. Door de luchtgaatjes, die +weldra watergaatjes zouden worden, zag hij, dat de kaar +vlak aan den kant stond.</p> + +<p>Plotseling verhief hij zijne stem met zooveel kracht, +dat wij hem allen te gelijk om hulp hoorden roepen.</p> + +<p>»Help! — Help! — Moord! — Moord!» gilde hij.</p> + +<p>»En brand!» voegde de schoenmaker er bij. »Wacht +maar, mijn jongen, wij zullen den brand wel blusschen. +Een, twee — hoepla!»</p> + +<p>Flap! Daar sloeg de kaar om en ging te water.</p> + +<p>Och, och, wat lachte die schoenmaker.</p> + +<p>Wij stonden allen op den oever, op een eerbiedigen +afstand, want hoewel wij geen kwaad hadden gedaan, +durfden wij toch niet bij den vertoornden man te komen. +Deze zag er echter niet bijzonder boos uit, want hij deed +niet anders dan lachen, — lachen zonder ophouden.</p> + +<p>»Help! — Ik — verdrink! — Help — O — o! Help!» +Bob kroop ongetwijfeld vrij raar in zijn vaartuig rond, +want het dobberde wild op en neer. Soms ging het aan +den eenen kant geheel onder water, en dan hoorden wij +van Bob niets meer, maar dan volgde er weder een geweldig +dobberen, zoodat de golven tot aan de overzijde +van de beek gingen, en dan hoorden wij hem weer om +hulp roepen.<span class="pagenum"><a name="Page_69" id="Page_69">[69]</a></span></p> + +<p>»O, — help toch! Genade! Help! Ik verdrink! Ik +stik! Brrr! Brrr! Ik.... brrr!</p> + +<p>Nu kwam ook de vrouw van den schoenmaker naar +buiten, om te zien, wat er toch aan de hand was. Ook +de buren verlieten hunne huizen, zoodat er weldra een +groote oploop ontstond.</p> + +<p>Maar toen zij vernamen, hoe Bob daar in die kaar alle +pogingen deed, om zich boven water te houden, ging er +een onbedaarlijk gelach op en scheen niemand medelijden +met hem te hebben, dan alleen vrouw de Veer. Eerst +lachte zij ook, maar spoedig ging zij naar haar man, en +begon de kaar op het droge te trekken.</p> + +<p>»Toe, Jaap, nu is ’t genoeg, laat er den jongen nu uit. +Hij heeft nu straf genoeg gehad.»</p> + +<p>»Help! Brrr! Brrr! O, ik verdrink! Brrr!» klonk het +uit de kaar.</p> + +<p>»Zoo’n grooten visch heb je er nog nooit in gehad!» +riep een van de omstanders lachend den schoenmaker toe.</p> + +<p>»Neen, daar heb je gelijk aan! Ha-ha-ha-ha! Wat +vermakelijk! Kijk dat ding eens dobberen! Ha-ha-ha!»</p> + +<p>»’t Bevalt hem er niet!» riep een ander.</p> + +<p>»Brrr! Help toch, menschen, help! Brrr! Brrr!»</p> + +<p>»Toe man, haal er den jongen nu uit! ’t Is nu mooi +genoeg, toe!»</p> + +<p>»Nu, vooruit dan maar!» zei de schoenmaker, die het +nu ook tijd begon te vinden, om er een einde aan te +maken. Nog altijd schuddende van het lachen trok hij +de kaar op het droge. Wij zagen, hoe het water door +de gaatjes in alle richtingen wegvloeide.<span class="pagenum"><a name="Page_70" id="Page_70">[70]</a></span></p> + +<p>Vrouw de Veer deed de wervels los — en daar wipte +Bob er uit, onder luid gejuich van de omstanders. Het +water droop hem uit de kleeren. Schuw keek hij een +oogenblik om zich heen, en toen glitste hij door het volk +heen, — naar zijn huis toe.</p> + +<p>Wat hadden de menschen een pret, en wat schaamde +Bob zich. Hij moest ongetwijfeld geweldig veel angst +hebben uitgestaan, want gewoonlijk was hij niet zoo heel +gauw bang of zenuwachtig. Maar nu lazen wij den angst +op zijn gelaat.</p> + +<p>Dat wij hem naliepen, spreekt van zelf. Maar hij wilde +ons niet ontmoeten. Hij snelde regelrecht naar zijn huis, +waarin hij door de keukendeur verdween. Wat daar +nog met hem voorgevallen is, hebben wij nooit vernomen.</p> + +<p>Daar het al laat begon te worden, begaven ook wij ons +naar huis. Toen ik ’s avonds op bed nog eens aan het +voorgevallene dacht, schoot ik onwillekeurig nog in den +lach om het zotte figuur, dat de dappere Bob gemaakt +had. Toch moest ik toegeven, dat hij loon naar werken +had gehad.</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_71" id="Page_71">[71]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Vijfde Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Waarin verteld wordt van een Zondag, die veel stof tot<br /> +spreken en voor de Van der Vliets ook veel stof<br /> +tot treurigheid gaf.</p> + + +<p>De Zondag, die nu volgde, was voor de familie Van +der Vliet een dag van groote droefheid en voor het geheele +dorp een van groote ontsteltenis. Eerst scheen het +voor de genoemde familie een geluksdag te zullen worden, +want reeds vroeg in den morgen deden zij eene gelukkige +vondst, maar al spoedig veranderde de blijdschap in groote +treurigheid.</p> + +<p>Doch laat ik u geregeld vertellen, wat er gebeurde.</p> + +<p>’t Zal ongeveer half zes in den morgen geweest zijn, toen +Trijn, de vrouw van Kees van der Vliet, ontwaakte. Nu +verliep er bij haar tusschen ontwaken en opstaan nooit meer +dan een enkel oogenblik, want zij was ijverig van aard, en +hield er niet van, Zondags nog minder dan in de week, om +laat met haar werk gereed te zijn. Integendeel, hare lijfspreuk<span class="pagenum"><a name="Page_72" id="Page_72">[72]</a></span> +was steeds: »Hoe eerder gegaan, hoe eerder gedaan,» +en die spreuk bracht zij zooveel mogelijk in toepassing. +Zoo ook nu op dezen Zondagmorgen. Zij stapte haar bed +uit, wiesch en kleedde zich, en begon daarna met ijver aan +hare gewone huiselijke bezigheden. Eerst werd de tafel +opgeknapt en waschte zij de kopjes, en daarna nam zij +stoffer en blik en begon den vloer aan te vegen. Kees +en de kinderen lagen nog in bed. Wie beschrijft +echter hare verbazing, toen zij bij de deur drie goudstukken +zag liggen, die daar blijkbaar onderdoor waren +geschoven. Eerst wist zij niet, of zij hare oogen wel kon +gelooven, of zij wakker was of droomde, en zonder eene +hand uit te steken om ze op te rapen, staarde zij met +groote oogen op den schat, die zoo onverwachts haar +deel geworden was. Want drie gouden tientjes vertegenwoordigden +voor de arme ziel een kapitaal, waarvoor +zij den diepsten eerbied koesterde. Zij was zoo gewoon +hare inkomsten slechts bij stuivers en centen te ontvangen, +dat dertig gulden voor haar een schat vertegenwoordigde, +waarmede zij bijna zoo rijk werd als een koning.</p> + +<p>Wel een paar minuten bleef zij zoo onbeweeglijk op +hare knien voor het geld zitten, zonder het aan te +raken, maar toen begon zij langzamerhand tot kalmte +te komen. Zij raapte de geldstukken op en riep:</p> + +<p>»Kees! — Kees! —»</p> + +<p>Een dof gebrom uit de bedstede was het eenige antwoord.</p> + +<p>»Kees! — Kees dan toch!» herhaalde zij met verheffing +van stem. »Kees! Word dan toch wakker! Kijk<span class="pagenum"><a name="Page_73" id="Page_73">[73]</a></span> +eens, wat ik hier gevonden heb. — Een schat, Kees, drie +gouden tientjes!»</p> + +<p>»H? — Wat?» vroeg Kees, die bij het hooren van +die woorden geheel wakker werd en zijn geslaapmutst +hoofd tusschen de bedgordijnen doorstak. »Gevonden? +Drie gouden tientjes? Maar dat is onmogelijk, Trijn, dat +kan niet.»</p> + +<p>»Kan dat niet? Kijk dan maar eens hier, op mijne +hand, daar liggen ze. Drie echte, gouden tientjes, wat +ik je zeg!»</p> + +<p>In een wip was Kees nu zijn bed uit. Haastig trok +hij zijne kousen en wat kleeren aan, en zeide:</p> + +<p>»Waarlijk! Dat zijn drie gouden tientjes! Geef eens +hier, Trijn, laat eens hooren, of ze echt zijn. Er is tegenwoordig +zooveel bedrog in de wereld, dat je haast niet +te voorzichtig kunt wezen. Geef ze eens hier.»</p> + +<p>Trijn gaf ze aan haar man en deze liet ze van eene +tamelijke hoogte op de tafel neervallen, waar ze met +zulk een helderen metaalklank op neerrinkelden, dat +Jan van het ongewone geluid wakker werd. Dat ook hij +niet weinig verbaasd was, behoeft niet te worden gezegd.</p> + +<p>In geuren en kleuren vertelde Trijn, hoe zij aan het +werk was gegaan, precies zooals ze altoos gewoon was te +doen, eerst de kopjes, toen de tafel, en daarna den vloer +eene beurt gevende, tot zij plotseling het geld voor de +deur vond liggen, blijkbaar door de hand van een weldoener, +die onbekend wenschte te blijven, daar onderdoor +geschoven.</p> + +<p>»Ja vrouw, dat mag-je zeggen: een weldoener, wien<span class="pagenum"><a name="Page_74" id="Page_74">[74]</a></span> +wij niet dankbaar genoeg kunnen zijn. O, als ik wist wie +hij was, ik ging dadelijk naar hem toe, om hem te +bedanken voor zulk eene milde gift, die ons tot allerlei +dingen in staat stelt, waarover wij vroeger wel eens +mochten denken, maar waartoe wij nooit konden komen, +omdat wij te arm waren. Nu gaan wij een winkeltje +beginnen, Trijn.»</p> + +<p>»Een winkeltje? Dunkt je dat, Kees?»</p> + +<p>»Ja, een winkeltje, zeg ik. O, Trijn, wat heerlijk. Nu +kan ik toch ook wat gaan verdienen, als jij uit werken +bent, want er moet toch iemand zijn, die op den winkel +past. Ik kan je niet zeggen, hoe het mij altoos tegen de +borst heeft gestuit, dat jij eigenlijk den kost voor ons +allen moest verdienen, Trijn, en dat ik altoos maar werkeloos +moest blijven toezien, hoe jij je aftobde. Maar daar +komt nu een einde aan. Voortaan zal ook ik geregeld +mijn werk hebben, en als Jan van school gaat, dan kan +hij gaan venten. Van zelf komen de klanten niet naar +je toe, we moeten ze geregeld bezoeken. O Trijn, nu +zullen voor ons de goede dagen eindelijk ook gaan komen.»</p> + +<p>Trijn antwoordde niet. Zij stond in gedachten verzonken. +Eindelijk zeide ze:</p> + +<p>»Ja Kees, dat is alles goed en wel, en ’t is een mooi +ide van je, maar zie je, ik kan me maar niet begrijpen, +wie het toch kan zijn, die ons zulk een groot cadeau +geeft. Als er maar niet iets slechts achter schuilt. Nu ik +er goed over ga nadenken, is het me precies, of we dat +geld eigenlijk niet moesten aannemen. Ik ben er niet +geheel en al gerust over.»<span class="pagenum"><a name="Page_75" id="Page_75">[75]</a></span></p> + +<p>»Niet gerust? — Niet aannemen?» vroeg Kees vol +verwondering. »En waarom zouden wij het niet aannemen? +’t Is ons toch gegeven en we hebben het niet gestolen!»</p> + +<p>»Ja, dat is waar.»</p> + +<p>»En toen er den vorigen winter op een avond aan de +deur geklopt werd, en wij bij het opendoen niets vonden +dan eene mand vol levensmiddelen, die daar was neergezet, +hebben wij toen een oogenblik getwijfeld, of wij +dat wel zouden aannemen? Ik weet nog best, hoe blij je +toen waart, Trijn.»</p> + +<p>»Geen wonder! We hadden ook geen kruimel meer in +huis. En die mand werd ons thuisbezorgd.»</p> + +<p>»Juist, — ’t ging er precies mede als met dit geld. +Een of ander weldadig mensch heeft het in alle stilte +onder de deur doorgeschoven, wel wetende, dat wij het +van morgen zouden vinden. Wie weet, of het niet van +denzelfden gever komt, als die mand met levensmiddelen.»</p> + +<p>»Ja moeder,» zeide Jan, »of als dat lekkers, dat ons +op St. Nicolaasavond door een onbekende werd thuisgezonden.»</p> + +<p>»Jelui hebt gelijk,» zeide Trijn hoofdschuddend. »Toch +zou ik er voor zijn, er in elk geval den burgemeester +kennis van te geven. ’t Is zoo’n groote som.»</p> + +<p>»Voor ns is het eene groote som, dat is waar, maar +wie weet, welk eene kleinigheid het voor den gever is, +wie weet, over hoe grooten rijkdom hij te beschikken +heeft. Neen, Trijn, ik ben er juist voor, om er tegen +niemand van te spreken, en — —.»</p> + +<p>»Dus geheim houden?»<span class="pagenum"><a name="Page_76" id="Page_76">[76]</a></span></p> + +<p>»Juist, als niemand het weet, kan niemand het er ons +lastig over maken. ’t Is eene eerlijke zaak, waar niemand +mede noodig heeft. Wij huren een huisje dat geschikt +is, om er een winkeltje in op te zetten, en slaan voor +dit geld onzen noodigen voorraad in. Je zult zien, Trijn, +hoe aan onze armoede nu een einde komt.»</p> + +<p>»Nu, ’t is mij goed, — hoewel ik er toch eigenlijk in +mijn hart geen vrede me heb. Wie zou ons dat geld +nu toch geschonken hebben? Ik kan het mij maar niet +begrijpen! Dertig gulden! ’t Is toch waarlijk geen kleinigheid, +om die zoo maar weg te geven.»</p> + +<p>»Ja vrouw, ’t is een raadsel, waarvan wij de oplossing +niet weten. ’t Zal echter wel eenmaal uitkomen, wie zoo +goed voor ons geweest is, daar twijfel ik niet aan.»</p> + +<p>»Wist ik het maar, Kees, dan zou ik mij veel rustiger +gevoelen. ’t Is me nu precies, of er met dit geld iets is, +dat niet richtig is.»</p> + +<p>»Gekheid! Dwaasheid, Trijn. Omdat het zulk een rijk +cadeau is, maakt ge je zenuwachtig en angstig, doch +geloof maar gerust, dat het voor ons bedoeld is. Hoe zou +het hier anders in huis komen?»</p> + +<p>»Ja, ja, — dat is waar; ik kan er niets tegen +inbrengen.»</p> + +<p>»Dus we zullen er tegen niemand over spreken? Jan, +jij houdt je ook stil, hoor!»</p> + +<p>»Ja, vader.»</p> + +<p>»Niemand behoeft er zijn neus in te steken, zeg ik +maar; en ’t is niet noodig, dat het heele dorp er zich +mede bemoeit. De menschen babbelen altijd zooveel,<span class="pagenum"><a name="Page_77" id="Page_77">[77]</a></span> +veel meer, dan ze verantwoorden kunnen, — en dat is +nu niet noodig. Wat niet weet, deert ook niet.»</p> + +<p>Met dit laatste stopwoord maakte Kees van der Vliet +een einde aan de zaak. Het geld werd opgeborgen in +een klein doosje, dat in de linnenkast werd gezet, en +moeder Trijn ging met hare bezigheden voort. Dat de +rijke vondst evenwel geen oogenblik uit hare gedachten +was, en dat zij er onophoudelijk met haren man over +sprak, behoeft niet te worden gezegd. En wat al plannen +voor de toekomst werden er gesmeed, wat al luchtkasteelen +gebouwd!</p> + +<p>Helaas, op hoe droevige wijze zouden al die illusien +worden verstoord, en hoe zou de vreugde dezer arme +lieden weldra verkeeren in droefheid. Hadden zij maar +dadelijk van hunne vondst kennis gegeven aan den +burgemeester, zooals Trijn dat had gewild, wat zouden +zij dan voor veel ellende gespaard zijn gebleven, die nu +hun deel werd.</p> + +<p>Want er was dien nacht in het dorp diefstal gepleegd. +’s Morgens om elf uur, toen de kerk uit was, ging het +gerucht daarvan als een loopend vuurtje door het dorp +rond.</p> + +<p>’t Zal ongeveer half tien in den morgen geweest zijn, +toen de Heer Valk, de directeur van het post- en +telegraafkantoor, zijne woonkamer verliet, om zich naar +het kantoor te begeven. Eerst ging hij nog een oogenblik +in den tuin, om wat frissche lucht te happen, zooals hij +dat noemde, hetgeen hij bij goed wer elken morgen +gewoon was te doen. Na eenige oogenblikken rondwandelens<span class="pagenum"><a name="Page_78" id="Page_78">[78]</a></span> +echter werd zijne aandacht getrokken door het +zijraam van het kantoor, dat half openstond, iets wat op +dezen tijd van den dag nooit het geval was. Er was nog +niemand op het kantoor aanwezig, dus f hij moest het +den vorigen dag vergeten hebben te sluiten, f er had +zich iemand toegang tot het kantoor verschaft, door het +raam open te schuiven. Indien deze laatste veronderstelling +juist was, moest er gestolen zijn.</p> + +<p>De Heer Valk spoedde zich dus naar binnen en vroeg +in het voorbijloopen aan Geertje, de meid:</p> + +<p>»Ben je van morgen al in het kantoor geweest?»</p> + +<p>»Neen, mijnheer.»</p> + +<p>»Weet je het zeker?»</p> + +<p>»Ja mijnheer, zoo zeker als twee maal twee vier is.»</p> + +<p>Daarna opende hij de deur van de woonkamer, en +vroeg aan zijne vrouw:</p> + +<p>»Lize, ben jij al op ’t kantoor geweest van morgen?»</p> + +<p>»Neen, waarom vraag je dat?»</p> + +<p>»Omdat het zijraam opengeschoven is. Jij dan, misschien, +Cor?»</p> + +<p>»Neen pa, ik ook niet.»</p> + +<p>»Dan is de zaak niet in orde!» riep de Heer Valk, +terwijl hij zich met groote schreden verwijderde. Zijne +vrouw en Cor volgden hem op den voet.</p> + +<p>Hij ontsloot de kantoordeur, waarvan hij den sleutel +altoos bij zich droeg, en genadige hemel, — ja, een +enkele blik was voldoende om hem te overtuigen, dat +zijn vermoeden juist was geweest. Er moest een dief +geweest zijn. Het raam was opengeschoven, de sloten<span class="pagenum"><a name="Page_79" id="Page_79">[79]</a></span> +van zijn bureau waren geforceerd en een ijzeren geldkistje, +dat daarin geborgen was geweest, was met geweld +opengebroken. Het geld daaruit was verdwenen!</p> + +<p>Half verbrande lucifers lagen over den vloer verspreid, +en uit enkele vetdruppels kon men opmaken, dat de dief +zich van een eindje vetkaars had bediend.</p> + +<p>»Wel verschrikkelijk!» riep mevrouw Valk uit. »Wie +kan dat nu toch gedaan hebben? Hoeveel geld is er +gestolen, Eduard? Toch niet veel, hoop ik?»</p> + +<p>»’k Weet het niet, maar ik zal het even nazien,» antwoordde +de directeur, die doodsbleek zag, binnensmonds. +»Wie had dt nu ooit kunnen denken! Zoo’n brutale +dief. Wacht, hier is het boek. Laat zien: honderd, tien, +twintig, dertig, en dertig is zestig en veertig — ’t is +precies twee honderd gulden. Ja juist, nu herinner ik +het mij: ’t is twee honderd gulden, waarvan tien gouden +tientjes, een bankje van zestig en een van veertig.»</p> + +<p>»Kijk pa, de postzegelkast is ook opengebroken.»</p> + +<p>»Waarlijk, — dat ook nog! Dat moest er nog bijkomen! +Zie eens aan, er is geen zegeltje overgebleven. Ook nog +eene schade van een vijftig gulden ongeveer. Dat +is een fraaie geschiedenis!»</p> + +<p>»’t Is verregaand brutaal!» zei mevrouw, terwijl zij de +handen van verbazing in elkaar sloeg. »Ik zou dadelijk +om den burgemeester sturen, lieve. Er moet direct werk +van deze zaak gemaakt worden.»</p> + +<p>»Dat is waar, — je hebt gelijk. Toe, Cor, ga dadelijk +naar den burgemeester en verzoek hem hier te komen. +Maar spreek tegen niemand een woord, van hetgeen hier<span class="pagenum"><a name="Page_80" id="Page_80">[80]</a></span> +voorgevallen is, begrepen?»</p> + +<p>»Ja, pa!»</p> + +<p>»En vlug, — als de wind, hoor!»</p> + +<p>»Ja, pa!»</p> + +<p>Cor vloog naar den burgemeester, en dat deze niet weinig +ophoorde van hetgeen hij vernam, kan ieder begrijpen +als ik vertel, dat er al sedert vele jaren iets dergelijks +in ons dorp niet was voorgevallen.</p> + +<p>Hij begaf zich onmiddellijk met Cor naar het postkantoor, +waar de directeur en zijne vrouw nog, doodsbleek +van ontsteltenis, bezig waren, alle laden en kasten +na te zien. Het bleek hun, dat alles van waarde verdwenen +was, terwijl daarentegen de waardelooze papieren wel +doorgesnuffeld maar verder ongeschonden gebleven waren.</p> + +<p>Dadelijk begon de burgemeester, geholpen door den +directeur, een nauwkeurig onderzoek in te stellen naar +hetgeen er gebeurd was, wat hij alles uitvoerig opschreef. +Toen hij daarmede gereed was, vroeg hij:</p> + +<p>»En zeg mij nu eens, mijnheer Valk, wien verdenkt +gij nu eigenlijk van dezen diefstal? Of hebt gij tegen +niemand eenig kwaad vermoeden?»</p> + +<p>»Neen, burgemeester, tegen niemand. Ik zou werkelijk +niet weten, wien ik noemen moest. Een klerk heb ik niet, +en onze dienstbode is de eerlijkheid in eigen persoon. Zij +kan het niet gedaan hebben. Trouwens, u kunt u daarvan +persoonlijk overtuigen door haar te ondervragen. Zij is +op dit oogenblik nog geheel onbekend met hetgeen er +gebeurd is. Hoor, zij zingt in de keuken als een lijster.»</p> + +<p>»Dat hebben er meer gedaan, die bij slot van rekening<span class="pagenum"><a name="Page_81" id="Page_81">[81]</a></span> +toch schuldig bleken te zijn. Vergun mij, dat ik haar een +oogenblik ga spreken.»</p> + +<p>De burgemeester verliet het kantoor en begaf zich +regelrecht naar de keuken, waar Geertje bezig was met +koffie malen. Zij zong daarbij het hoogste lied.</p> + +<p>Maar zoodra de burgemeester binnenstapte, op wiens +komst zij allerminst voorbereid was, hield zij dadelijk +met zingen op, en stamelde met een verlegen lachje:</p> + +<p>»Gut, mijnheer de burgemeester, komt u in de keuken? +Mijnheer en mevrouw zijn in de kamer, geloof ik, dus +als u ze spreken wil....»</p> + +<p>»Neen, meisje, ’t is mij om u te doen!» sprak de +burgemeester op gestrengen toon, terwijl hij haar diep +in de oogen keek. Maar Geertje keek hem zoo onbevangen +aan, dat hij dadelijk overtuigd was van hare onschuld.</p> + +<p>»Om mij?» vroeg zij: »Wat is er van uw dienst, +burgemeester?»</p> + +<p>»Waar ben jij van nacht geweest, meisje?»</p> + +<p>»Van nacht?» vroeg Geertje lachend, want zij scheen +die vraag zeer grappig te vinden. En op vroolijken toon +liet zij er op volgen: »Wel, op bed, burgemeester! +Waarom vraagt u dat aan me?»</p> + +<p>»Omdat er dezen nacht hier in het kantoor ingebroken +en gestolen is, Geertje!» zei de burgemeester.</p> + +<p>»Ingebroken! — Gestolen!» riep Geertje doodsbleek +uit. »Wel, verschrikkelijk!»</p> + +<p>En zonder een oogenblik langer om den burgemeester +te denken, verliet zij de keuken en ijlde naar het kantoor, +waar zij, louter van ontsteltenis, luid begon te schreien.<span class="pagenum"><a name="Page_82" id="Page_82">[82]</a></span> +Het kostte mevrouw zelfs niet weinig moeite, haar tot +bedaren te brengen.</p> + +<p>De burgemeester twijfelde nu geen oogenblik langer +aan hare onschuld. Na enkele minuten verzocht hij haar +zich weer naar de keuken te begeven, en zeide, toen zij +vertrokken was:</p> + +<p>»Zij is beslist onschuldig.»</p> + +<p>»Zooals wij u reeds vooruit gezegd hebben,» viel +mevrouw in. »Neen, wij moeten den dief ergens anders +zoeken.»</p> + +<p>»Dat merkt u terecht op, mevrouw; wij moeten hem +ergens elders zoeken. Heeft u gisteren misschien andere +menschen in uw dienst gehad?»</p> + +<p>»Gisteren? — Neen, — o ja, toch, kreupelen Kees en +zijne vrouw; hij heeft den tuin opgeknapt, en zij werkt +hier geregeld elken Zaterdag. Maar dat zijn ook doodeerlijke +lieden, die tot diefstal, en dan nog wel gepaard +met inbraak, allerminst in staat zijn.»</p> + +<p>De burgemeester was dat blijkbaar niet geheel met +haar eens, want hij zeide:</p> + +<p>»Zoo, — Kees van der Vliet en zijne vrouw. Ja, dat +zijn wel eerlijke lieden, maar toch — iemand moet het +gedaan hebben, niet waar? Wanneer wij den dief willen +snappen, schijnt het mij noodzakelijk toe, van niemand +te denken, dat hij eerlijk is. Die menschen hebben immers +geen gelegenheid gehad, zich hier gisteravond te laten +insluiten?»</p> + +<p>»O neen,» zei mijnheer Valk op beslisten toon, »daar +is geen sprake van. Zij zijn geen van beiden in het<span class="pagenum"><a name="Page_83" id="Page_83">[83]</a></span> +kantoor geweest en ik heb het zelf gesloten. Bovendien +schijnt het mij bespottelijk toe, die menschen van diefstal +te verdenken.»</p> + +<p>»Dat heeft u geheel en al mis, mijnheer Valk. In +politiezaken is eene dergelijke gedachte in het geheel +niet bespottelijk. Kan de brievenbesteller zich wellicht +hebben laten insluiten? Of is er misschien iemand anders +nog laat in het kantoor geweest?»</p> + +<p>»De postlooper komt hier nooit binnen, dan in heel +enkele gevallen. Gisteren is hij niet verder geweest dan +de deur. En bezoek heb ik niet gehad dan alleen van +Arie de Zwaan, den neef van den koster, die hier alle +avonden komt vragen, hoe laat het is. Zooals u weet, +houdt de koster de kerkklok steeds gelijk met den tijd +van het kantoor.»</p> + +<p>»Zoo, — ja, juist, dat weet ik. Nu, wat dien Arie de +Zwaan betreft, hem zou ik voor eene daad als deze niet +te goed houden, — en u?»</p> + +<p>»Ik ook niet, burgemeester. ’t Is, geloof ik, een jongmensch, +dat nergens te goed voor is. En nu ik mij goed +bedenk, herinner ik mij, dat hij nog een poosje bij mij +binnen is geweest, en dat wij een kwartiertje met elkaar +hebben staan praten over koetjes en kalfjes. Het zal +ongeveer acht uren geweest zijn, toen hij vertrok.»</p> + +<p>»Kan u mij nog meer inlichtingen geven?» vroeg de +burgemeester. »U moet wel bedenken, dat van de kleinste +kleinigheid soms het vinden van den dief kan afhangen.»</p> + +<p>»Ik heb u verder niets te zeggen.»</p> + +<p>»Dan is mijn werk hier afgeloopen. Ik geloof, dat het<span class="pagenum"><a name="Page_84" id="Page_84">[84]</a></span> +mijn plicht is, eerst een onderzoek in te stellen bij Kees +van der Vliet en daarna bij Arie de Zwaan. En het zou +mij niet verwonderen, als ik den dief vandaag nog snapte. +Mevrouw, uw dienaar! Adieu, mijnheer Valk!»</p> + +<p>Met eene buiging en een handdruk verliet het hoofd +der gemeente de woning.</p> + +<p>Onmiddellijk daarop was de burgemeester, vergezeld +van Tip, den veldwachter, naar het huisje van Kees van +der Vliet gegaan, die met zijne vrouw aan de tafel zat. +Zij dronken koffie, en waren bezig plannen te maken +over hetgeen zij zouden doen met de gevonden goudstukken. +Ook Jan was thuis, en Zus speelde op den grond. +Zoodra Trijn de beide mannen zag naderen, werd zij zoo +wit als een doek en begon zij te beven over al hare leden. +Van den diefstal hadden zij nog niets vernomen.</p> + +<p>»Daar is de burgemeester met den veldwachter,» zeide +ze tot Kees. »O God, — daar heb je ’t al. Hadden wij +het toch dadelijk maar gezegd!»</p> + +<p>»Waarom? — Wij hebben het toch niet gestolen!» zei +Kees binnensmonds. Maar toch verbleekte ook hij.</p> + +<p>Op dit oogenblik werd de deur geopend en traden de +beide mannen binnen.</p> + +<p>»Goeden morgen!» klonk hun groet kortaf.</p> + +<p>Kees stond eerbiedig op en nam zijne pet af, die hij +ook in huis steeds ophad.</p> + +<p>»Goeden morgen, mijnheer de Burgemeester! Goeden +morgen, Tip!»</p> + +<p>Hij schoof twee stoelen bij de tafel, en vervolgde:</p> + +<p>»Wil u niet gaan zitten?»<span class="pagenum"><a name="Page_85" id="Page_85">[85]</a></span></p> + +<p>De burgemeester scheen die uitnoodiging niet eens te +hooren. Hij bleef midden in de kamer staan en nam met +scherpen blik het geheele vertrek in oogenschouw. Nu +was daar niet veel in te zien, want behalve eene tafel, +enkele oude stoelen, eene groote staartklok en twee +bedsteden was er niets dan een eenvoudig geverfd linnenkastje, +dat Trijn indertijd gekocht had, toen zij als dienstmeisje +een klein spaarpotje had gemaakt. Op dat kastje +bleef eindelijk ’s burgemeesters blik rusten, en het met +den vinger aanwijzende, zeide hij tot den veldwachter:</p> + +<p>»Tip, haal dat kastje eens leeg, en bekijk alles goed. +Leg den inhoud hier uitgespreid op den grond.»</p> + +<p>Tip begon reeds het bevel uit te voeren, toen Trijn +een stap vooruit kwam, en zeide:</p> + +<p>»Maar mijnheer de Burgemeester, dat lijkt wel huiszoeking. +U denkt toch niet, dat we gestolen hebben, — dat +we dieven zijn?»</p> + +<p>»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer de Burgemeester,» +voegde Kees er bij, terwijl hij zich bij de linnenkast +plaatste, alsof hij Tip beletten wilde, het ontvangen bevel +uit te voeren.</p> + +<p>»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer, die nog nooit +iemand een cent te kort hebben gedaan.»</p> + +<p>»En daarom durven wij gerust iedereen in de oogen +zien, want wij hebben ons voor niets of niemand te +schamen,» zei wer Trijn, terwijl haar de tranen in de +oogen kwamen.</p> + +<p>»En nu deze schande te moeten ondervinden. Wat +zullen de menschen wel zeggen, als zij het hooren?<span class="pagenum"><a name="Page_86" id="Page_86">[86]</a></span> +Wie had nu ooit kunnen denken, dat ik dt nog eens +beleven zou!»</p> + +<p>»Doe wat ik je gezegd heb, Tip,» gebood de burgemeester. +»En gij, goede menschen,» — vervolgde hij tot +Kees en diens vrouw, »ik raad u aan, kalm en bedaard +te blijven. Ik geloof inderdaad, dat gij eerlijke menschen +zijt, en ben overtuigd, dat gij u voor niemand behoeft +te schamen. ’t Is dan ook slechts toeval, dat ik juist +bij u huiszoeking kom doen. Doch daarin steekt volstrekt +geen schande. Integendeel, wanneer ik straks van hier +ga, zonder te hebben gevonden wat ik zoek, is dat het +duidelijkste bewijs, dat gij onschuldig zijt!»</p> + +<p>»Maar wat is er dan toch gebeurd?» vroeg Trijn. »Want +ik voel me in het geheel niet gerust, burgemeester. Nu +u eenmaal hier is en dit onderzoek instelt, wil ik het u, — neen, +kn en ’mg ik het u niet langer verzwijgen, +wat er van morgen hier gebeurd is.»</p> + +<p>»Hier iets gebeurd?» vroeg de burgemeester. En tot +Tip zeide hij:</p> + +<p>»Niets dan kleeren; leg ze hier maar op den grond, +en zoek bedaard verder. — En wt is hier dan wel +gebeurd, vrouw Van der Vliet?»</p> + +<p>»Wel burgemeester, toen ik van morgen den vloer +aanveegde, vond ik dr onder de deur doorgeschoven, +niet minder dan drie gouden tientjes, — hier, op deze +zelfde plek, burgemeester, zoo waar als ik ’t u zeg.»</p> + +<p>»Wat? — H, wat zegt u? — Drie gouden tientjes? +En hebt ge die daar gevonden, op den vloer? Dat is +al heel toevallig, moet ik zeggen.»<span class="pagenum"><a name="Page_87" id="Page_87">[87]</a></span></p> + +<p>»Ja, mijnheer de Burgemeester,» zei Kees, »ik lag nog +rustig te slapen, ziet u, omdat het Zondagmorgen was, +want dan slaap ik altoos wat langer dan in de week, +toen Trijn me wakker schreeuwde en me drie gouden +tientjes liet zien, die ze daar gevonden had.»</p> + +<p>»’t Is wel opmerkelijk, Trijn!» zei de burgemeester +met een ongeloovig gezicht, daar het geheele verhaal +hem wat onwaarschijnlijk klonk. »Er is dezen nacht +inbraak gepleegd, gevolgd door diefstal, Trijn. Vind-je +het nu zelf niet wat heel vreemd, dat hier drie gouden +tientjes onder de deur doorgeschoven worden?»</p> + +<p>»’t Is wl kaseweel,» zei Kees hoofdschuddend. »Wonder +kaseweel<a name="FNanchor_1" id="FNanchor_1"></a><a href="#Footnote_1" class="fnanchor">[1]</a>. Dat moet ik zeggen.»</p> + +<p>Doch Trijn begon te schreien. Zij was vrij wat schranderder +dan haar echtvriend, en doorzag veel beter dan +hij de treurige gevolgen, die deze zaak voor hen kon +hebben.</p> + +<p>»Zoek goed, hoor Tip. Me dunkt, dat we hier meer +zullen vinden, dan we ons voorgesteld hebben.»</p> + +<p>»Hier vind ik een klein doosje, burgemeester, weggestopt +achter een stapeltje kleren. Wil u het openen?»</p> + +<p>»Geef maar hier.»</p> + +<p>De burgemeester ontdeed het van het deksel, en ontwaarde +de drie goudstukken, die Trijn daar enkele uren +geleden ingelegd had.</p> + +<p>»Ha, ha! Het raadsel begint opgelost te worden,» zei +hij, terwijl hij Trijn scherp onderzoekend aankeek. »Dat +had ik niet van u gedacht, vrouw van der Vliet; ik heb<span class="pagenum"><a name="Page_88" id="Page_88">[88]</a></span> +u altoos voor eene door en door eerlijke vrouw gehouden, +niet in staat tot iets, dat slecht was. En moet ik nu +bij u gestolen geld vinden? Kom, arme ziel, want ik +heb medelijden met u, maak de zaak niet erger dan zij +al is, en zeg mij de volle waarheid. Wie weet, wat ik +dan wellicht nog voor u doen kan. Gij hebt het geld +weggenomen, niet waar? Spreek de waarheid, vrouw, en +bezwaar uw geweten niet door nog te liegen.»</p> + +<p>Trijn barstte in zenuwachtig snikken uit, zoo hevig, +dat het haar het spreken belette. Doch toen zij zichzelve +meester geworden was, riep ze uit, terwijl ze hare rechterhand +ophief, als om den hemel tot getuige te roepen:</p> + +<p>»Zoo waarachtig als er een Heer in den Hemel is, ik +ben onschuldig, mijnheer de burgemeester!»</p> + +<p>Bij het hooren van die plechtige woorden barstte ook +Jan in tranen uit, en toen Zus moeder en broeder zag +schreien, verhief ook zij hare stem. ’t Was een treurig +tooneel.</p> + +<p>De burgemeester haalde de schouders op en gaf den +veldwachter een wenk, met zijn onderzoek voort te gaan, +wat deze dan ook deed.</p> + +<p>Vrouw Van der Vliet viel op een stoel neder, bij de +tafel, en bedekte haar gelaat met haar boezelaar.</p> + +<p>»Ik ben onschuldig!» riep zij door hare tranen heen. +»Ik ben onschuldig, zoo onschuldig als dit kleine kind! +Maar u gelooft me niet, u luistert niet eens naar me. O, +had ik het u toch dezen morgen maar dadelijk gezegd!»</p> + +<p>Zij nam kleine Zus op haar schoot, en kuste haar.</p> + +<p>»Arm, onschuldig kind, arme lieveling!» schreide ze.<span class="pagenum"><a name="Page_89" id="Page_89">[89]</a></span> +»Nu zullen ze je moeder nog van je weghalen en in de +gevangenis zetten, — en wie zal er dan voor jou zorgen...»</p> + +<p>»’t Zl niet gebeuren! Moeder, ik zal.....»</p> + +<p>Zoo riep Jan schreiend uit, terwijl hij zich met gebalde +vuisten naast zijne moeder plaatste, als om haar te +verdedigen.</p> + +<p>»Stil, kind, stil! Wij kunnen er niets tegen doen. O, +burgemeester, zoek toch maar niet langer, want gij zult +niets meer vinden, dat bezweer ik u, dan de enkele +stuivers, die Kees en ik gisteren bij mijnheer Valk hebben +verdiend. Waarachtig, mijnheer, ’t is de waarheid — ik +lieg u niets voor, niets —»</p> + +<p>De kast was nu doorzocht, en de veldwachter begon +nu de beide bedsteden te inspecteeren; daarna kwam +de provisiekast aan de beurt, die al bijzonder weinig +bevatte, en toen werd zelfs de groote klok doorzocht, +maar tevergeefs; het overige geld werd niet gevonden.</p> + +<p>De burgemeester deed nog eenmaal eene poging, om +Trijn tot bekentenis te brengen, doch zij volhardde bij +hetgeen zij gezegd had. Het geld had zij gevonden op +den vloer van hare kamer, vlak bij de deur, en hare +eenige fout was, dat zij er niet dadelijk kennis van +gegeven had. O, had zij het maar gedaan.</p> + +<p>Ook Kees werd scherp ondervraagd, doch hij kon niets +anders zeggen, dan hetgeen zijne vrouw had verklaard. +Zelfs Jan werd onder handen genomen, doch met hetzelfde +gevolg. De burgemeester maakte van zijne bevindingen +proces-verbaal op, en ging heen, het arme gezin in de +grootste verslagenheid achterlatende.<span class="pagenum"><a name="Page_90" id="Page_90">[90]</a></span></p> + +<p>Nu werd eene huiszoeking gedaan ten huize van den +koster, den oom van Arie de Zwaan. Doch hoe zorgvuldig +het geheele huis ook werd doorzocht, er werd +niets verdachts gevonden. Arie leidde den burgemeester +zelf overal rond en eigenhandig opende hij alle laden +en kasten, om het onderzoek gemakkelijker te maken, +waarbij voortdurend een eigenaardig lachje zijn gelaat +ontsierde, hetgeen den burgemeester niet ontging en hem +onaangenaam stemde.</p> + +<p>»Wat een schurkengezicht heeft hij toch!» dacht hij +bij zichzelven, maar hij wachtte zich wel, die gedachte +onder woorden te brengen.</p> + +<p>Onder het naar huis gaan, zeide de veldwachter tot +zijn meester:</p> + +<p>»Op het uiterlijk afgaande zou ik den dader eerder +hier zoeken, dan bij Van der Vliet, burgemeester.»</p> + +<p>»Ja, ik ook — maar Tip, schijn bedriegt, zooals je weet.»</p> + +<p>»Juist burgemeester, — zou dat ook nu niet het +geval zijn?»</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1" id="Footnote_1"></a><a href="#FNanchor_1"><span class="label">[1]</span></a> Casueel, bedoelde Kees.</p></div> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_91" id="Page_91">[91]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Zesde Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Wat er alzoo op een regenachtigen Zondagmiddag gebeurde.<br /> +Hoe Bob in een Woesten Gier veranderde, voor Pieter<br /> +een kuil groef en er ten slotte zelf in viel.</p> + + +<p>Het verhaal van hetgeen ik u in het vorige hoofdstuk +verteld heb, ging, zooals ik zeide, als een loopend vuurtje +door het dorp rond. Pa vertelde het ons in geuren en +kleuren toen hij uit de kerk kwam, en hij wist het uit +eene goede bron, want hij was den burgemeester tegengekomen, +en deze had het hem verteld.</p> + +<p>Wat was er toen op ons dorp veel stof tot spreken, en +wat hadden sommige menschen verbazend veel te zeggen +van de Van der Vliets, wier naam plotseling op aller tong +zweefde. Sommigen beweerden zelfs, dat zij ze nooit hadden +vertrouwd, dat zij altoos wel gedacht hadden, dat het slecht +met hen zou afloopen en dat zij ze voortaan zelfs voor +geen halven cent vertrouwen zouden schenken. ’t Was +eene echte dievenfamilie, waarin geen greintje goeds stak.<span class="pagenum"><a name="Page_92" id="Page_92">[92]</a></span></p> + +<p>Toen ik dat thuis vertelde, keek pa me vrij boos aan +en zeide op gestrengen toon:</p> + +<p>»Jij denkt toch zeker zoo niet, Dorus? Wees toch, +wat ik je bidden mag, nooit voorbarig in je oordeel. +’t Kan nog best uitkomen, dat die menschen even +onschuldig zijn als jij of ik. Maar de wereld oordeelt +altoos verbazend oppervlakkig en onbarmhartig. ’t Is +eene schande!»</p> + +<p>Nu, dat vond ik ook, maar wr is het toch, dat maar +weinig menschen spraken zooals pa. Iedereen, dien ik er +over hoorde, zeide: »’t Is toch maar slecht volk, die Kees +en zijne vrouw, en ’t is maar goed, als ze achter slot en +grendel worden gezet. Zulk volk is gevaarlijk!»</p> + +<p>Zij bleven den geheelen dag binnenshuis, zelfs Jan, die +anders altoos bij zijne kameraden was, kwam niet buiten. +Wat moeten die menschen zich hebben geschaamd, vooral +toen ’s middags zich veel meer wandelaars op hun achterweg +vertoonden dan in gewone omstandigheden. Blijkbaar +wilde iedereen eens zien, hoe zij zich wel hielden, maar +niemand had er pleizier van, want de gordijntjes waren +dichtgeschoven en er was dientengevolge niemand te zien.</p> + +<p>Ik had innig veel medelijden met hen, en Karel Holm, +met wien ik ’s middags wandelde, evenzoo. Het ergerde +ons te zien, hoe de menschen allen juist voorbij het +huisje van gebrekkigen Kees gingen wandelen, en wij +waren er blij om, toen het ’s middags vrij erg begon te +regenen, zoodat iedereen huiswaarts moest keeren. Na +eenig weifelens besloten Karel en ik Bob een bezoek te +gaan brengen, dien wij nog niet gezien hadden na zijn<span class="pagenum"><a name="Page_93" id="Page_93">[93]</a></span> +onvrijwillig bad in de vischkaar. Als wij daarover spraken, +moesten wij telkens nog lachen, dat het schaterde.</p> + +<p>Bob schaamde zich zeker, want gewoonlijk was hij in +huis niet te houden. En nu was hij in geen velden of +wegen te zien. Wij besloten hem eens geducht te plagen.</p> + +<p>Nauwelijks hadden wij aangebeld, of Bob deed ons +zelf open.</p> + +<p>»Dag Dorus! Dag Karel! Kom binnen. Zeg jongens, +wat zit ik akelig opgescheept met een neef van me, die +gisteravond onverwachts met zijne Moe bij ons is komen +logeeren. Bah, ’t is zoo’n vervelende jongen. Hij ziet er +uit als een zeemlap en hij zit op zijn stoel, of hij een +stok heeft doorgeslikt. Ga-je me, dan zal ik je hem +eens laten zien. Maar niet lachen, hoor!»</p> + +<p>Nu, die raad had een verkeerd gevolg, want nu +moesten wij juist lachen, toen wij binnen kwamen. Maar +wij wisten ons te bedwingen. Wij gaven mijnheer en +mevrouw de Wild de hand en bogen zoo deftig als wij +konden voor Bobs tante, die wij mevrouw Van Koorde +hoorden noemen. Daarna gaven wij ook neef eene hand, +die door Bob aan ons werd voorgesteld als Piet van Koorde.</p> + +<p>»Met uw verlof, lieve neef,» klonk het afgemeten uit +den mond der tante, »mijn zoon heet Pieter, en geen +Piet. Ik verzoek u wel, zijn naam voluit te noemen. +Ik houd niet van dergelijke afkortingen.»</p> + +<p>»Juist, tante, dat meende ik ook te zeggen: Pieter +van Koorde. Neem me niet kwalijk, als ’t u belieft.»</p> + +<p>Wij keken Bobs tante eens aan, en zagen dat zij eene +buitengewoon statige dame was, die zoo recht als eene<span class="pagenum"><a name="Page_94" id="Page_94">[94]</a></span> +kaars op haar stoel zat. Zij scheen ons bijna te deftig +toe, om zich te bewegen. En haar zoontje, die evenals +zij lang, bleek en mager was, geleek in alle opzichten op +zijne deftige moeder.</p> + +<p>»Rechtop zitten, Pieter! Hoe dikwijls heb ik u dat +al niet gezegd!» zeide mevrouw van Koorde, met een +gestrengen blik op haar zoon.</p> + +<p>»Ja, Mama!» klonk het antwoord, en Pieter rekte zich +nog langer uit, dan hij al deed.</p> + +<p>Bob keek ons van ter zijde aan en knipoogde tegen +ons met een leuk gezicht, zoodat wij ons lachen bijna +niet konden houden.</p> + +<p>Mijnheer de Wild merkte dat gelukkig op en kwam +ons te hulp.</p> + +<p>»Wel jongens,» vroeg hij ons lachend, »heb jelui gisterenavond +ook in de vischkaar van den schoenmaker gezeten, +evenals Bob?»</p> + +<p>Wij lachten nu eens ferm uit, en Karel zeide:</p> + +<p>»Neen, mijnheer, — dank u! Dat laten we aan Bob +over.»</p> + +<p>Plotseling klonk het uit den mond der tante:</p> + +<p>»Maar broeder Marinus, hoe kunt ge nu toch uw zoon +bij zulk een vreeselijken naam laten noemen? Hij heet +toch immers geen Bob, — wat ik afschuwelijk vind, maar +Robert.»</p> + +<p>»Ja Tante,» zei Bob, »ik heet Robert Adrianus de Wild, +maar de jongens noemen mij altijd Wilden Bob. Vind +u dat zoo’n leelijken naam?»</p> + +<p>»Rechtop zitten, Pieter! — Wilden Bob! O, verschrikkelijk!<span class="pagenum"><a name="Page_95" id="Page_95">[95]</a></span> +’k Wou niet graag, dat mijn jongen zoo genoemd +werd. Bob is al erg genoeg, maar Wilde Bob! ’t Is +afschuwelijk, — ik zou het niet dulden, broeder Marinus!»</p> + +<p>»Wat zal ik er van zeggen?» zei mijnheer de Wild met +een licht schouderophalen. »De jongens noemen hem +nu eenmaal zoo, en ik kan er weinig aan veranderen.»</p> + +<p>»Zeg Bobbertje!» viel Karel Holm in. »Hoe beviel +het je gisteren in die vischkaar?»</p> + +<p>Mevrouw van Koorde sloeg hare oogen van ontzetting +ten hemel.</p> + +<p>»Bobbertje!» mompelde zij, »Bobbertje! ’t Wordt waarlijk +nog erger! Mijne ooren doen er pijn van. Zit toch +rechtop, Pieter, en houd den mond gesloten, zooals het +behoort.»</p> + +<p>»Ja, Mama!» zei Pieter, die onbeweeglijk op zijn stoel zat, +met het hoofd in volslagen rust boven zijn staand boortje.</p> + +<p>»En wat praat ge toch van eene vischkaar?» vroeg +tante aan mevrouw de Wild, die met een glimlachje naar +het gesprek zat te luisteren.</p> + +<p>»Och, Bob — Robert wil ik zeggen, — is gisteren bij +het verstoppertje spelen in eene vischkaar gekropen, die +aan den kant van het water lag, en toen is de schoenmaker +gekomen en heeft hem in het water geworpen.»</p> + +<p>»Dat is eene beleediging van dien man, lieve,» hernam +Tante met verontwaardiging. »Ik zou dien man aanklagen +bij het gerecht. Hoe durft zoo’n schepsel zoo iets doen? +Hoewel ik moet zeggen, dat het van Robert ook eene vrij +zonderlinge keuze was, om in eene vischkaar te kruipen. +Ik zou mijn jongen, als ik hier woonde, zoo maar niet<span class="pagenum"><a name="Page_96" id="Page_96">[96]</a></span> +met Jan en alleman op de straat laten spelen. Niet waar, +Pieter, jij houdt niet van dergelijke spelletjes?»</p> + +<p>»Neen, Mama!»</p> + +<p>»En jij gaat liever met mij wandelen, niet waar?»</p> + +<p>»Veel liever, Mama!»</p> + +<p>Tante keek met een triomfantelijken glimlach om zich +heen. O, zij wist het wel, dat haar Pieter een door en +door fatsoenlijke jongen was.</p> + +<p>»Ja, lieve,» vervolgde zij tot hare schoonzuster, »dat +is nu zijn liefste werk. En dan moest u eens zien, hoe +lief hem zijn glac-handschoentjes staan en hoe zwierig hij +met zijn wandelstokje zwaait. Toe Pieter, haal je rottinkje +eens uit de porte-manteau en laat hem eens zien.»</p> + +<p>»Ja, Mama!»</p> + +<p>Pieter stond op en kwam weldra met zijn rotting terug, +die nu natuurlijk van hand tot hand ging, en door iedereen +bewonderd werd, wat van zelf spreekt.</p> + +<p>»Hij zwiept lekker!» zei Bob, die hem zoo krom mogelijk +maakte en toen plotseling aan den eenen kant losliet, +wat het gevolg had, dat het losse eindje met kracht +tegen het linkerbeen van Pieter terecht kwam. ’t Deed +hem zeker nog al pijn, want hij sprong wel een halven +meter in de hoogte, en riep:</p> + +<p>»Au! Au!»</p> + +<p>»Excuseer! Excuseer!» riep Bob, quasi ontsteld uit, +want de deugniet had het met voordacht gedaan. »Dat +spijt me, neef Pieter. Doet het erg pijn?»</p> + +<p>»Au! Au!» zei Pieter nog eens, terwijl hij het pijnlijke +deel zonder ophouden wreef.<span class="pagenum"><a name="Page_97" id="Page_97">[97]</a></span></p> + +<p>»Ga zitten, Pieter!» zeide mevrouw van Koorde. »Neef +Robert kon het niet helpen, zegt hij immers.»</p> + +<p>Bij die woorden keek zij neef Robert echter in het geheel +niet vriendelijk aan.</p> + +<p>»Het zwiept veel erger, dan ik dacht,» zei Bob.</p> + +<p>»Het zweept, moet je zeggen, lieve neef!» zei Tante. +»Zwiepen is geen woord; dat zeggen koetsiers.»</p> + +<p>Mijnheer de Wild vond het tijd een einde aan het gesprek +te maken. Misschien was hij wel bang, dat Bob nog +meer dergelijke grappen zou uithalen. Hij zeide daarom:</p> + +<p>»’t Blijft maar regenen, jongens. Dat is jammer voor +jelui, want nu heb je huisarrest.»</p> + +<p>»Wat ik zeer goed acht, lieve broeder,» zei Tante op +haar deftigsten toon. »Ik zou niet graag zien, dat mijn +Pieter hier ook met Jan en alleman ging spelen en misschien +eindelijk ook nog in eene vischkaar kroop. ’k Heb +liever, dat hij binnen blijft.»</p> + +<p>»Juist, dat bedoel ik ook. Zou jelui niet naar de speelkamer +gaan? Daar heb je allerlei speelgoed en een tal +van boeken tot je dienst.»</p> + +<p>»Ja jongens, ga je me?» vroeg Bob opstaande.</p> + +<p>Karel en ik volgden zijn voorbeeld, maar Pieter bleef +zitten. Blijkbaar wist hij niet, of zijne Mama het wel +goedvond, of misschien wel ontbrak hem de lust.</p> + +<p>»Ga jij niet me?» vroeg mijnheer de Wild, toen hij +zag, dat hij bleef zitten.</p> + +<p>»Je moogt medegaan, Pieter,» zeide zijne Mama met +een genadig knikje.</p> + +<p>»Jawel, Mama!»<span class="pagenum"><a name="Page_98" id="Page_98">[98]</a></span></p> + +<p>Pieter stond op en volgde ons de trap op, naar Bobs +kamer, waar Karel, Bob en ik weldra als drie gekken +over den vloer lagen te rollen, daarbij schuddende van +het lachen.</p> + +<p>Pieter stond ons in de grootste verbazing aan te staren.</p> + +<p>»Waarom lach-jelui zoo?» vroeg hij min of meer beleedigd.</p> + +<p>»Om je mooie boordje!» grinnikte Karel.</p> + +<p>»En om je prachtigen wandelstok!» lachte Bob.</p> + +<p>»Omdat je er zoo aardig uitziet!» zei ik.</p> + +<p>»Jelui bent niet wijzer!» zei Pieter. »In de stad zijn +wij natuurlijk anders gekleed, dan hier op dit dorpje, en +dat ook onze manieren fijner zijn, dan hier, spreekt van +zelf. Je moest eerder huilen dan lachen.»</p> + +<p>»Kan jij boksen?» vroeg Bob, die plotseling voor zijn +neef kwam staan, en hem met zijne beide vuisten op +zijne borst ging stompen.</p> + +<p>»Au! Neen, — boksen — au — kan ik niet. Au! — Au!»</p> + +<p>»Dan zal ik het je leeren! Toe j, stomp terug, of +jij krijgt alles alleen. Z moet je doen!»</p> + +<p>»Au! — Au!» riep Pieter, die niet wist, waar hij zich +bergen zou. »Houd-op, Robert, au! Ik doe — au! — jou +immers — au! — ook niets!»</p> + +<p>»Neen, dat doe je juist niet, en dat is dom van je. +Je moet terugboksen, neef, of er blijft niets van je heel, +zelfs je boordje niet!»</p> + +<p>»Houd maar op, Bobbertje,» riep Karel zijn vriend toe. +»Zoo is er toch geen aardigheid aan; hij verroert geen +vin. Wat zullen we eens gaan doen?»</p> + +<p>Bob hield met boksen op.<span class="pagenum"><a name="Page_99" id="Page_99">[99]</a></span></p> + +<p>»Een mooi spelletje?» vroeg hij. »’t Is jammer, dat +het zoo regent, anders konden we in den tuin om het +hardst gaan loopen op onze stelten. Maar nu weet ik +niets. Wat wil jij graag doen, neef Pieter?»</p> + +<p>Bob drukte vooral sterk op de laatste lettergreep.</p> + +<p>»Je houdt me voor den gek, Robert,» zei hij.</p> + +<p>»Zeg jij maar gerust Bob, hoor!» klonk het terug. +»Maar weet jij geen mooi spelletje?»</p> + +<p>»Ik niet; wij spelen nooit.»</p> + +<p>»Zoo, — zeg jongens, ik weet wat. Wacht maar even, +dan zal ik je eens laten zien, wat ik vanmorgen in eene +oude kist op den zolder gevonden heb. ’t Is wat prachtigs!»</p> + +<p>»Wat dan?» vroegen wij.</p> + +<p>»Ja, wacht maar, — dan zal ik het je laten zien. ’t Is +bepaald nog iets uit den jongen tijd van Pa, want tegenwoordig +doet hij er niet meer aan.»</p> + +<p>Bob ging naar de kast, waarin hij al zijne schatten +bewaarde, en kwam weldra te voorschijn met eene prachtige +pijp. Deze bestond uit een mooien kop, die het model +had van een Turk, met een langen baard en een breeden +tulband, en daarin was een lange steel van bamboes +gestoken. ’t Was werkelijk eene bijzonder mooie pijp, die +indertijd stellig veel geld moest gekost hebben. De steel +bestond uit wel vijf deelen, die in elkander geschroefd +konden worden. Ik had nog nooit zoo’n lange pijp gezien.</p> + +<p>»Vind-je haar niet prachtig?» riep hij ons toe, terwijl +hij het mondstuk tusschen de lippen nam en smakte als +een oude smoker.</p> + +<p>»Bijzonder mooi, Bob. Zou die van je Pa geweest zijn?»<span class="pagenum"><a name="Page_100" id="Page_100">[100]</a></span></p> + +<p>»Ik denk het wl, want Pa rookte vroeger eene pijp. +Tegenwoordig niet meer, omdat hij er niet goed tegen +kan. Zeg, jongens, willen we eens rooken?»</p> + +<p>»Bah, rooken!» zei neef Pieter met een vies gezicht, +waarop de diepste minachting te lezen stond. »Wat zou +Mama wel zeggen, als zij het zag?»</p> + +<p>»Mama ziet het niet!» zei Bob leuk. »En als jij het +niet verklapt, komt niemand het te weten. Je bent toch +geen klikspaan, hoop ik?»</p> + +<p>»Neen, — klikken doe ik niet.»</p> + +<p>»Dat is de eerste deugd, die ik in je opmerk,» zei Bob, +met zijn bekend knipoogje tegen ons. »Willen we het +doen, jongens?»</p> + +<p>»Heb-je tabak?» vroeg ik.</p> + +<p>»Dat zou ik meenen, — een ons fijne tabak, van de +fijnste, die ik krijgen kon. Zie maar eens hier.»</p> + +<p>Bob verdween weer in de kast en kwam met een +zakje tabak terug, hetwelk hij met een trotsch gebaar +omhoog hield.</p> + +<p>»Dat is portorico!» zei Karel. »Zwaardere tabak +bestaat er niet.»</p> + +<p>»Best mogelijk,» zei Bob, »maar ze rookt uitstekend.» +Hij begon nu de pijp te stoppen, wat hem nog ver van +handig afging. Hij had er al zijne aandacht en zijne +beide handen voor noodig, en het duurde wel driemaal +zoo lang als noodig was.</p> + +<p>»Zie zoo,» zei hij, toen hij eindelijk klaar was, »nu gaan +we met ons vieren op den vloer in een kring zitten, en +rooken als Turksche pacha’s. Hier heb ik een doosje lucifers.»<span class="pagenum"><a name="Page_101" id="Page_101">[101]</a></span></p> + +<p>»Maar ik doe niet me,» zei Pieter. »Rooken is vergif +en staat bovendien in het geheel niet fatsoenlijk.»</p> + +<p>»Dan zullen wij het onfatsoenlijk doen, Pietje!» zei +Bob. »Weet je, wat jij intusschen wel kunt doen?»</p> + +<p>»Nu, wat dan?»</p> + +<p>»Wel, trek je glac-handschoentjes aan, neem je stokje +in de hand en wandel dan met een heel trotsch gezicht +om ons heen. Dan ben jij de heer en wij stellen de arme +duivels voor, op wie jij dan uit de hoogte neerziet. Dat +kan prachtig worden. Kom Dorus en Karel, het spel gaat +beginnen. Wij nemen een lucifer,» — Bob voegde de +daad bij het woord, — »schrappen hem aan, — en +pmmm, pmmm, pmmm, wat drommel, die tabak wil niet! +Hoe kan dat nu wezen? Vanmorgen ging het zoo best.»</p> + +<p>»Laat mij eens probeeren!» zei Karel.</p> + +<p>Bob gaf hem de pijp.</p> + +<p>Maar Karel, die er veel verstand van had, want als +zijn Pa en zijne Moe het niet zagen, rookte hij wel eens +een cigaretje, — Karel kon het ook niet.</p> + +<p>»De pijp zit verstopt. Je hebt er de tabak veel te vast +ingedrukt,» zei hij.</p> + +<p>»Dan moet ze er weer uit,» zei Bob.</p> + +<p>Hij nam zijn mesje en maakte den kop weer leeg. +Piet, die intusschen wat rondgeloopen en ons met een +schuin oog bespied had, kwam langzamerhand wat +naderbij en nam eindelijk ook in den kring plaats.</p> + +<p>Bob knikte hem goedkeurend toe, stopte de pijp +opnieuw, schrapte nogmaals een lucifer aan, en ha — daar +dwarrelden de rookwolken omhoog.<span class="pagenum"><a name="Page_102" id="Page_102">[102]</a></span></p> + +<p>Wij staarden het bedrijf van onzen vriend Bob met +bewondering aan, hetgeen hij, geloof ik, zelf ook deed.</p> + +<p>»Nu zijn we Indianen, die de vredespijp rooken!» riep +hij ons opgetogen toe, want hij was in het gelukkige +bezit van eene sterke verbeeldingskracht.</p> + +<p>»Ooah!» riep hij uit. »Wat wil mijn bleeke broeder?»</p> + +<p>Bij die woorden keek hij neef Piet met groote oogen +aan en blies hem dichte rookwolken in het gelaat, zoodat +de bleeke broeder begon te hoesten en te proesten van +belang. Nu was de gegeven naam op Piet volkomen +van toepassing, want hij had eene verbazend bleeke +gelaatskleur, iets wat van Karel of mij niet gezegd kon +worden. Wij hadden kleuren als boeien!</p> + +<p>Piet antwoordde niet op Bobs vraag, wat tengevolge +had, dat hem eene tweede groote rookwolk werd toegeblazen +en het Indianen-opperhoofd hem nogmaal toevoegde:</p> + +<p>»Ooah! Waarom zwijgt mijn bleeke broeder? Wat +wenscht hij? Mijn bleeke broeder spreke!»</p> + +<p>»Kuche — kuche — kuche — niets — ik — kuche +ik wensch niemendal! — H, je doet me bijna stikken!» +riep Piet, terwijl hij met zijne beide handen den rook +van zich afweerde.</p> + +<p>Karel en ik gierden het uit van de pret. Doch Bob +bleef onverstoorbaar doorrooken.</p> + +<p>»Ooah!» zeide hij, »mijn bleeke broeder is verstandig; +hij is geen klapachtige vrouw, die zijne geheimen verraadt. +Mijn broeder is een groot opperhoofd en een wijs man. Pffff!»</p> + +<p>Bij dit pfff blies hij den armen Piet weer zulk eene<span class="pagenum"><a name="Page_103" id="Page_103">[103]</a></span> +geduchte rookwolk toe, dat bijna niets meer van hem +te zien was. Daarna reikte hij hem de pijp toe en zeide +op plechtigen toon:</p> + +<p>»Dat mijn broeder de pijp des vredes rooke!»</p> + +<p>»Wat? — Ik rooken?» riep Piet verschrikt uit, maar +toch keek hij de pijp met begeerige blikken aan. »O, neen, +dat doe ik niet — dat heb ik nog nooit gedaan!»</p> + +<p>»Verlangt mijn broeder den strijd?» riep Bob met +woedende blikken uit, terwijl hij de vuisten balde en ze +zijn neef vlak onder den neus hield.</p> + +<p>»Strijd? O neen, — geen strijd!» zei Piet, die nog aan +de bokskunst van Bob dacht.</p> + +<p>»De Woeste Gier is een groot opperhoofd!» zei Bob, +op zichzelven wijzende. »Hij heeft vele scalpen en de +jonge krijgslieden zingen zijn lof. Hij wenscht met zijn +bleeken broeder de vredespijp te rooken.»</p> + +<p>Nogmaals hield hij Piet de pijp voor. Deze greep hem +aan en — rookte, tot groot vermaak van ons alle drie, +want wij begrepen heel goed, wat Bob in zijn schild +voerde. En al hadden wij het niet begrepen, dan zou +zijn geheimzinnig knipoogen het ons wel verraden hebben.</p> + +<p>Het scheen Piet, nu hij eenmaal aan den gang was, +uitstekend te bevallen, want hij dampte, dat het een +lust was, om te zien. Hij werd nu zelfs grappig, want +hij blies Bob groote rookwolken in het gelaat en zeide:</p> + +<p>»Het bleeke opperhoofd groet zijn broeder den Woesten +Gier, wiens dapperheid over de geheele wereld bekend is. +Het bleeke opperhoofd biedt hem zijn vriendschap aan.»</p> + +<p>Nu, dat viel ons mede van Piet. Wij hadden niet<span class="pagenum"><a name="Page_104" id="Page_104">[104]</a></span> +gedacht, dat hij zoo goed mede kon doen. Wij knikten +hem daarom goedkeurend toe, wat hem blijkbaar niet +onwelgevallig was, althans, hij begon nog veel sterker +te dampen, zoodat de kamer wel een rookhol geleek, +en vervolgde:</p> + +<p>»Wanneer keert mijn roode broeder naar zijne wigwam +weder?»</p> + +<p>En plotseling uit zijn rol vallende, zeide hij:</p> + +<p>»Zeg Bob, dat rooken valt me bijzonder me. ’t Gaat +heel gemakkelijk, en ’t smaakt goed. Volstrekt niet erg +bitter, zooals ik altijd dacht.»</p> + +<p>»Zoo, is ’t waar? En wanneer wordt het onze beurt?» +vroeg Karel. »Of ben je van plan, de heele pijp leeg te +rooken?»</p> + +<p>»Ik heb tabak genoeg, Karel,» zei Bob. »Als de pijp +leeg is, stoppen we haar weer, en dan kan-je zooveel +rooken als je wilt.»</p> + +<p>En plotseling zijne knien optrekkende en het hoofd +daarop doende rusten, vervolgde hij weer als Indianen-opperhoofd:</p> + +<p>»Als de zon driemaal in de zee zal zijn neergedaald, +zal de Woeste Gier terugkeeren naar zijn wigwam; dan +zullen de jonge krijgers hunne oorlogsliederen zingen.»</p> + +<p>»Gaat mijn broeder ten strijde?» vroeg Piet, steeds +voortdampende.</p> + +<p>»De bleeke mannen hebben onze jachtvelden betreden +en hebben mijne roode kinderen gedood!» zei Bob somber.</p> + +<p>»O, dat zij vreezen voor onze wraak! De roode mannen +zijn dapper. Zij vreezen den dood niet.»<span class="pagenum"><a name="Page_105" id="Page_105">[105]</a></span></p> + +<p>»Zeg Bob,» zei Piet opeens, en zijne oogen stonden ver +van vroolijk. »Ik geloof nooit, dat dit beste tabak is. Er +komt zulk een vreemde smaak aan.»</p> + +<p>»Malligheid! De tabak is wel goed, maar de rooker +deugt niet. Je kunt er niet tegen, neefje, denk ik.»</p> + +<p>»Of ik!» zei Piet, die weer dapper begon te trekken, +en nogmaals ons allen de rookwolken in het gelaat blies. +Maar spoedig hield hij er mede op.</p> + +<p>»Ah bah!» zeide hij, terwijl hij de pijp met alle teekenen +van afkeer neerwierp. »Wat smaakt dat leelijk!»</p> + +<p>»En eerst vond je het zoo lekker?» zei Karel lachend.</p> + +<p>»Eerst, — o ja, maar ’t wordt hoe langer hoe leelijker. +Bah, wat word ik akelig.»</p> + +<p>Piet stond op en begon onrustig door de kamer te +loopen. Hij was nu in den volsten zin van het woord +een bleekgezicht, want hij had geen kleur meer op zijn +gelaat. En wat stonden zijne oogen flets!</p> + +<p>Voortdurend hoorden wij hem diepe zuchten slaken. +Blijkbaar werd hij meer en meer onpasselijk. Nu moet +ik eerlijk zeggen, dat wij niet veel medelijden met hem +hadden, en dat wij hem geducht voor den gek hielden.</p> + +<p>»Wat doet mijn bleeke broeder vreemd!» zei Bob +plagend. »Zoekt mijn bleeke broeder iets?»</p> + +<p>»Hij zoekt eene pijp!» zei Karel. »Hij wenscht de +vredespijp te rooken.»</p> + +<p>»Loop rond!» zei Piet nijdig, »als jelui voeldet, wat ik +voel, hier — in mijne maag, dan zou je zoo grappig niet +zijn. Ah bah, wat word ik misselijk!»</p> + +<p>»Pas dan op je schoone boordje, Pieter,» was de vriendelijke<span class="pagenum"><a name="Page_106" id="Page_106">[106]</a></span> +raad van Bob, die de pijp opnieuw stopte, en +haar aan Karel en mij gaf, opdat ook wij gelegenheid +zouden hebben, er van te genieten.</p> + +<p>»Trek je handschoenen aan, Pieter, en neem je rotting +in de hand, dan maak je een prachtig figuur,» zei Karel +dampende.</p> + +<p>»O, — wat ben ik ziek,» zuchtte Pieter, die onrustig +de kamer op- en neerliep. »Die ellendige tabak! Ik +wou, dat ik ze nooit gezien had.»</p> + +<p>»’t Smaakt heerlijk!» zei Karel, groote rookwolken uitblazende.</p> + +<p>»Dat schijnt wel,» zei ik. »Wanneer kom ik nu aan +de beurt?»</p> + +<p>»Asjeblieft, hier heb je haar. Je moet flink doortrekken, +Dorus, dan gaat het ’t best.»</p> + +<p>Dien raad volgde ik getrouw op, en Bob en Karel knikten +mij goedkeurend toe.</p> + +<p>»Je doet het best,» zei Bob. »Echt lekker, h?»</p> + +<p>»Ja, — maar een beetje bitter,» merkte ik op. Eigenlijk +vond ik het afschuwelijk, maar wijl mijne kameraden het +zoo heerlijk vonden, ontbrak mij de moed, om dat te +bekennen. Dus rookte ik dapper voort.</p> + +<p>Toch speet het mij niets, toen Bob zeide:</p> + +<p>»Nu ben ik weer aan de beurt!»</p> + +<p>Ik reikte hem de pijp over, en weldra dampte mijn +vriend als een fabrieksschoorsteen.</p> + +<p>»Wel neef Pieter,» vroeg hij, »hoe gaat het je nu?»</p> + +<p>»Ik ga dood, — ik ben doodziek. O, — ach, — h — wat +ben ik ellendig.»<span class="pagenum"><a name="Page_107" id="Page_107">[107]</a></span></p> + +<p>»Jongetjes als jij moeten ook niet rooken,» spotte Bob.</p> + +<p>»En wat zit je krom, Pieter. Rechtop zitten, mijn +jongen.»</p> + +<p>Wat hadden wij eene pret om de benauwde gezichten, +die Pieter trok. Wij schaterden soms van ’t lachen.</p> + +<p>»Hier, Karel, jou beurt!» zei Bob opeens, veel spoediger +dan wij dachten. En het scheen mij toe, of hij een klein +weinigje bleek werd.</p> + +<p>»Neen, Bob,» zei Karel, »dat is te vroeg. Ga gerust +je gang nog een poosje.»</p> + +<p>»Pak aan,» zei Bob kortaf. »’t Is eerlijk jou beurt.»</p> + +<p>»O, — ik weet geen raad!» zuchtte Pieter. »Als Mama +nu toch eens hier kwam.»</p> + +<p>»Pak aan, Karel, ’t is jou beurt,» herhaalde Bob, daar +Karel er edelmoedig op bleef aandringen, dat Bob nog +een poosje genieten zou.</p> + +<p>Schoorvoetend nam Karel de pijp aan, en rookte, maar +och, hij trok lang zoo hard niet meer als eenige oogenblikken +geleden, en hij zag er in het geheel niet opgewekt +uit.</p> + +<p>Opeens ging mij een licht op. Bob en Karel hadden, +evenals neef Pieter, te veel gerookt en begonnen er de +gevolgen van te ondervinden.</p> + +<p>»Nu jij weer, Dorus,» zei Karel op zijn gulsten toon, +terwijl hij mij de pijp toereikte, maar och, wat begon hij +bleek te zien.</p> + +<p>»Die zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht,» +zegt het spreekwoord,» zei ik leuk. »Als ik mij niet bedrieg, +hebben Karel en Bob een even naar gevoel in hunne<span class="pagenum"><a name="Page_108" id="Page_108">[108]</a></span> +maag als neef Pieter, en daar ik mij nog heel lekker bevind, +zal ik zoo vrij zijn, mijne beurt te laten voorbijgaan. +Ha-ha-ha-, nu wordt de zaak bepaald grappig.»</p> + +<p>»Ook ziek?» vroeg Pieter met een zuur-zoeten glimlach. +»Dat doet me pleizier. Wil jij nu mijne handschoenen +te leen, Bob, dan kan Karel mijn rotting krijgen.»</p> + +<p>»Dank je!» zei Bob. »Bah, wat word ik draaierig.».</p> + +<p>»Ik ook!» zuchtte Karel. »Ik ben — ik voel me erg +onpasselijk. Ik ga naar buiten.»</p> + +<p>»Dan ga ik me,» zuchtte Bob. »O foei, wat is het +hier benauwd.»</p> + +<p>»Naar buiten? Ik ga ook,» zei Pieter. »Hier weet ik +me geen raad.»</p> + +<p>»Dan zal ik jelui gezelschap houden,» zei ik lachend, +want daar ik minder gerookt had dan de anderen, was +ik vrij wel in orde. En och, wat had ik een pret over Bob, +die zoo mooi een kuil gegraven had voor neef Pieter, en +geindigd was, met er zelf in te vallen.</p> + +<p>’t Regende nog, dat het goot, dus moesten wij onze +toevlucht nemen tot het priel, wat wij ook deden. Maar +nauwelijks hadden mijn drie vrienden zich van benauwdheid +op de banken uitgestrekt, waar zij lagen te zuchten +en te stenen, om zelfs een bevroren hart te doen smelten, — o +heden, daar kwam mevrouw van Koorde aan, die eens +kwam zien, wat haar zoontje uitvoerde.</p> + +<p>»Wel Pieter,» klonk het streng uit haar mond, »wat +lig je daar onbehoorlijk op die bank. Ga recht-op zitten, +dadelijk!»</p> + +<p>Pieter gehoorzaamde.<span class="pagenum"><a name="Page_109" id="Page_109">[109]</a></span></p> + +<p>»Maar kind, wat zie je doodsbleek! Scheelt er iets aan?»</p> + +<p>»Ja Mama! — ik ben ziek, och, toch zoo ziek!»</p> + +<p>»En jij ook, Karel, en jij Robert, je ziet allen doodsbleek! +Je hebt toch niets gegeten, dat verkeerd was?»</p> + +<p>»Neen tante, heusch niet! Pfff, wat ben ik benauwd!»</p> + +<p>»Goede hemel! Hier moet iets gebeurd zijn, iets vreeselijks. +De dokter moet komen, dadelijk, vr het te laat +is. Pieter, mijn lieveling, wordt het iets beter?»</p> + +<p>»Neen Mama, nog niets. ’t Wordt nog veel erger!»</p> + +<p>Mevrouw ijlde naar binnen, maar weldra kwam zij terug, +gevolgd door mevrouw en mijnheer de Wild.</p> + +<p>»Wat is hier aan de hand, Bob?» vroeg de laatste. +»De volle waarheid, hoor jongen, zooals ik dat van je +gewoon ben.»</p> + +<p>»Ja, Bob, spoedig, spreek, eer het te laat is!» zei zijne +Moe, wie ook de angst op het gelaat te lezen stond.</p> + +<p>»Pa, — wij hebben — de vredespijp gerookt,» zei Bob. +»Pfff, wat ben ik ziek.»</p> + +<p>Mijnheer de Wild begon onbedaarlijk te lachen.</p> + +<p>»Gerookt? De vredespijp gerookt? Ha-ha-ha! Dat +is vermakelijk! Je wist toch, dat je niet rooken mocht? +Mooi zoo, ’t kon niet beter. Die pijp, die vredespijp heeft +je mooi te pakken. Dat ding past zelf de straf toe, die +bij het misdrijf behoort. ’t Is niets, vrouw, en beste zuster, +maak je ook maar niet ongerust, ’t zal van zelf wel beter +worden! Ha-ha-ha! ’t Is meer dan grappig!»</p> + +<p>»Foei, Pieter, foei» zei zijne Mama, »hoe kon je je zelven +zoozeer verlagen, om te gaan rooken? Je moest je schamen!»</p> + +<p>»Ja Mama!» zei Pieter met een diepen zucht.<span class="pagenum"><a name="Page_110" id="Page_110">[110]</a></span></p> + +<p>»Kom, kom!» sprak mijnheer de Wild. »Zij hebben +straf genoeg. Heusch, vooreerst zullen zij die vredespijp +wel met vrede laten. Kom, laten we naar binnen gaan.»</p> + +<p>Karel Holm stond ook op.</p> + +<p>»Ik ga naar huis,» zei hij, toen de familie weg was.</p> + +<p>»Adieu! Tot morgen!»</p> + +<p>»En ik — ik ga naar bed!» zei Pieter. »Ik ben doodziek.»</p> + +<p>»En wat doet de Woeste Gier?» vroeg ik plagend aan +Bob.</p> + +<p>»Loop naar de Mookerheide!» duwde Bob mij toe.</p> + +<p>»Dank je, dan ga ik liever naar huis,» was mijn antwoord.</p> + +<p>Zoo gingen wij ieder onzes weegs.</p> + +<p>Maar pret had ik, dat moet ik zeggen.</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_111" id="Page_111">[111]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Zevende Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Hoe ons viertal uit zwemmen ging en doornat thuiskwam.<br /> +Een vechtpartijtje en eene vreeselijke spookgeschiedenis.</p> + + +<p>Een paar dagen later liep ik na schooltijd op mijne +stelten door het dorp, toen ik Karel Holm ontmoette, +die ook zijne houten onderdanen bij zich had. Samen +gingen wij Bob afhalen, die, zooals hij dat noemde, nog +altoos met neef Pieter opgescheept zat.</p> + +<p>»Kom je niet spelen?» vroegen we.</p> + +<p>»Spelen, — dat mag Pieter niet; zijne Mama wil het +niet hebben. Maar hij mag wel wandelen.»</p> + +<p>»Nu, laten we dan gaan wandelen,» zei ik.</p> + +<p>»Ja, dat is goed,» merkte Karel op, »maar zeg, Pieter, +dan moet je je rotting thuislaten, hoor. Anders ga ik +niet me!»</p> + +<p>Dat vond Pieter goed, en daar hij geen stelten had, +besloten wij, de onze ook maar bij Bob te laten en te +voet onze reis door het leven te vervolgen.<span class="pagenum"><a name="Page_112" id="Page_112">[112]</a></span></p> + +<p>Maar dat wandelen begon ons al spoedig te vervelen, +en Karel zeide:</p> + +<p>»Zeg jongens, — ik weet wat. Laten we gaan zwemmen. +’t Is mooi weer, warm zelfs, al is het nog vroeg in het +jaar (we schreven, zooals ik zeide, begin Juni), en een +bad zal ons goed doen.»</p> + +<p>»Best,» zei ik. »Waar gaan we het doen?»</p> + +<p>»Bij de hut, achter in het land,» zei Bob. »Daar gaan +we immers altijd!»</p> + +<p>»Afgesproken!» zei Karel. »Dezen kant op, jongens.»</p> + +<p>»Dat is te zeggen,» zei Pieter, »zwemmen kan ik niet, +en ik weet niet, of Mama het wel hebben wil.»</p> + +<p>»Ga het dan eerst vragen,» raadde Karel aan.</p> + +<p>»Neen, Pieter, niet vragen!» zei Bob. »Ik zou in jou +geval maar niet gaan zwemmen en toeschouwer blijven.»</p> + +<p>»Ja, dat is ook goed,» zei Pieter, die al niet zoo vervelend +meer was als eerst. Hij was bij Bob onder +goede leiding.</p> + +<p>Wij gingen dus naar de ons bekende plaats achter in +het land. Een smal pad voerde daarheen. ’t Was er zeer +eenzaam, want er stond slechts eene enkele hut, die +bewoond werd door een arbeidersgezin, bestaande uit +man, vrouw en drie jongens. ’t Was eene zeer onzindelijke +familie, en de jongens zagen er altoos z vuil uit, +dat niemand met hen spelen wilde. Zij kwamen zeer +ongeregeld ter school, soms kwamen zij zelfs wel in geen +maand. Tengevolge daarvan waren zij natuurlijk zeer +achterlijk, wat hunne vorderingen betrof. Op het schoolplein +beleefden zij ook niet veel genoegen, want zij<span class="pagenum"><a name="Page_113" id="Page_113">[113]</a></span> +werden door ons allen voor den gek gehouden en +geplaagd, zoodat er dikwijls vechtpartijen tusschen de +andere jongens en hen ontstonden. Wij leefden altoos +met hen op den voet van oorlog.</p> + +<p>Toen wij nu de hut voorbijliepen zagen wij de jongens +van Visbeen, zoo heetten zij, achter in hun tuin spelen, +en zij zagen ons ook, maar zij lieten ons ongemoeid +voorbijgaan. Trouwens, dat was hun ook geraden, want +wij waren met ons vieren tegen hen met hun drien. +Zij liepen dus veel kans, het onderspit te moeten delven.</p> + +<p>Een paar minuten verder lag de beek, waar wij in +den zomer gewoon waren ons bad te nemen.</p> + +<p>Karel, Bob en ik begonnen ons te ontkleeden, wat ons +maar een minimum van tijd kostte, en sprongen toen vlug +te water. Diep was het er niet, want het water kwam +ons niet hooger dan de borst, zelfs op de diepste plaats.</p> + +<p>Neef Pieter zat aan den oever naast onze kleren, en +volgde met belangstelling onze evolutin in het natte +element. Die waren inderdaad ook wel bezienswaardig. +Wij hoosden elkander met water, dat er geen haartje +van ons droog bleef, of wij sloegen met onze vlakke +handen zoo geweldig op watervlak, dat de droppels hoog +boven onze hoofden spatten. Dan weer deden we krijgertje, +en hadden nooit grooter pret, dan als wij een ander bij +de beenen konden pakken, waarvan het stevaste gevolg +was, dat hij voor-over kopje-onder gedompeld werd. Soms +sprong Bob op mijn rug en klauterde Karel op dien van +Bob, wat een heel vrachtje was, dat kan ik verzekeren. +Ik was dan »het fundament, waarop het geheele gebouw<span class="pagenum"><a name="Page_114" id="Page_114">[114]</a></span> +rustte,» zei Karel dan, wiens vader architect was. Maar +o j, als dan het fundament instortte! Dan zonk het +geheele gebouw onder water en kwamen wij alle drie +even later weer hoestende en proestende boven.</p> + +<p>»Wat gaat dat heerlijk!» riep Pieter ons toe, terwijl +hij opstond en zich van zijne kleren begon te ontdoen. +»Ik kom er ook in; hier verveel ik me, en ’t schijnt me +z prettig toe. Jelui komt er toch nog niet uit?»</p> + +<p>»O neen,» zei Bob, terwijl hij met eene behendige +beweging Karels voet greep en hem eene duikeling liet +maken, »nog lang niet, Pieter, kom er maar bij! Er +is nog ruimte genoeg hier, en water ook.»</p> + +<p>Het duurde dan ook maar kort, of Pieter stapte met +zijn rechterbeen in het water, en hij deed het angstvallig +genoeg, om ons te doen zien, dat het voor hem +een zeer ongewoon werk was.</p> + +<p>»H,» zei hij, zijn voet weer schielijk terugtrekkende, +»wat is dat koud!»</p> + +<p>»O j, stap er maar flink in, des te spoediger is dat +voorbij. Wij voelen geene koude meer, nietwaar, jongens?»</p> + +<p>»Geen sprake van!» klonk ons antwoord. »Stap er maar +in, Pietje. Heusch, het zal je mevallen.»</p> + +<p>»Maar ’t is zoo koud,» zei Piet weifelend.</p> + +<p>»Niet zoo koud, als ongekleed aan den oever te +staan,» zei Bob. »Maar je moet het zelf weten, hoor.»</p> + +<p>Pieter stak opnieuw zijn voet in het water, en toen +eenmaal zijn eene been tot aan de knie verdwenen was, +volgde schoorvoetend zijn andere.</p> + +<p>»Brrr,» zei hij. »Wat is het koud.»<span class="pagenum"><a name="Page_115" id="Page_115">[115]</a></span></p> + +<p>Hij beefde inderdaad over zijn geheele lichaam.</p> + +<p>Karel en Bob besloten aan zijn weifelen een kort +einde te maken. Snel liepen zij op hem toe en grepen +hem, vr hij de vlucht had kunnen nemen, ieder bij +een arm. Toen werd hij met geweld megetrokken.</p> + +<p>»Brrr — h — h — h — brrr!» rilde hij. »Lh-ha-ha-haat +me lho-hos!» zei hij smeekend. »Ik verdrink!»</p> + +<p>»Geen nood, Pieter, we zullen je wel vasthouden,» zei +Bob. En toen zij midden in de beek waren, vervolgde +hij tot Karel, met een geheimzinnig knipoogje:</p> + +<p>»Nu moet hij gedoopt worden, Karel. En, twee — drie, +daar gaat Pieter!»</p> + +<p>»O nh — he — heen! Niet onder-dompelen!» smeekte +Piet. Maar dat baatte hem niet. Door vier sterke armen +aangegrepen, dook hij plotseling kopje-onder. En nauwelijks +kwam zijn hoofd als een natte poedel weer boven +water, of daar ging hij voor de tweede maal, nog vr +hij gelegenheid had gehad, een enkel woord te uiten.</p> + +<p>»Driemaal is scheepsrecht!» riep Bob.</p> + +<p>En daar ging Pietje voor de derde maal.</p> + +<p>»Zie zoo, dat zal hem goed doen,» zei Bob. »Nu ben-je +hier burger geworden, Pietje!»</p> + +<p>»Brrr — pfff — o — wat — nat! Brrr! Pfff!» kermde +Piet, die nu zijne vrijheid terug kreeg en hulpeloos +midden in de beek bleef staan. Hij durfde zich blijkbaar +niet bewegen en gevoelde zich te midden van zooveel +vloeistof in het geheel niet op zijn gemak.</p> + +<p>Dat duurde echter maar kort, want wij ontzagen hem +niet. Pof, daar werden hem door Karel, die ongemerkt<span class="pagenum"><a name="Page_116" id="Page_116">[116]</a></span> +onder water naar hem toegeloopen was, plotseling de +beide beenen onder het lichaam weggetrokken, en verdween +Piet, zonder een kik te geven en volgens mijne vaste +overtuiging zonder het zelf te weten, totaal onder water.</p> + +<p>»Wat was dat? Brrr, pfff! Wat was dat?» vroeg hij +ontsteld. »Er trok me iets aan de beenen!»</p> + +<p>»’k Weet het niet!» zei Karel, die zich al weer een +heel eind verder bevond.</p> + +<p>»Wat kan dat toch geweest.....»</p> + +<p>O h, daar verdween Piet alweer! Nu had Bob hem +denzelfden dienst bewezen. Och, och, wat moesten wij +toch lachen. Maar nu begon Pietje toch te begrijpen, +dat wij een loopje met hem namen. Hij vroeg niets meer, +maar begon zich langzaam te bewegen. En nu hij +bemerkte, dat hij dit zeer gemakkelijk kon doen, kreeg +hij er zelfs schik in. Nu duurde het nog maar kort, of +hij danste in het water van pleizier.</p> + +<p>»Wat is men licht in het water, zoo licht als een +vertje,» zei hij. »’k Vind het hier heerlijk.»</p> + +<p>»Krijgertje doen?» vroeg ik.</p> + +<p>»Ja wel, ik ben hem!» zei Bob.</p> + +<p>Nu werd het een loopen, draven en zwemmen, van +wat ben je me! De golven liepen hoog tegen den wal +op, zooveel drukte maakten we. En in het vuur van ons +spel verwijderden we ons veel verder van onze kleeren, +dan voorzichtig genoemd mocht worden. Trouwens, +we dachten aan geen gevaar en allerminst aan de Visbeentjes, +met wie wij toch steeds op een vijandigen voet +stonden.<span class="pagenum"><a name="Page_117" id="Page_117">[117]</a></span></p> + +<p>Wij dachten pas aan hen, toen wij hen aan den oever +zagen verschijnen, — maar toen was het laat.</p> + +<p>»Gooi in het water — die kleeren!» hoorden wij een +van hen zeggen.</p> + +<p>»Durf je niet?» vroeg een ander. »Ik wl!»</p> + +<p>»En dan graszoden er bovenop, dan zinken ze!» zei +de derde met een grijnslach. »Maar vlug dan, want ze +komen al terug!»</p> + +<p>Ja, dat deden we juist, en wel zoo snel als we konden, +want we begrepen zeer goed, welk gevaar ons dreigde. +Die jongens waren tot alles in staat.</p> + +<p>Bob meende ze nog angst aan te jagen, door hen te +bedreigen met alles, wat onpleizierig is, of althans ze +daardoor een oogenblik op te houden, ten einde tijd te +winnen.</p> + +<p>»Als je ’t hart hebt, om onze kleren aan te raken!» +riep hij hun toe. »Wacht je dan voor de gevolgen!»</p> + +<p>Maar zij waren onvermurwbaar.</p> + +<p>Met eene vlugge beweging werden al onze kleeren in +het water geworpen en groote graszoden daarop gegooid, +om ze te doen zinken.</p> + +<p>In een oogenblik waren Bob, Karel en ik op den wal, +om ons zoo mogelijk te wreken, maar helaas, tot onze +groote spijt zetten de plaaggeesten het op een loopen +en brachten zich in hun huis in veiligheid. Wat waren +wij kwaad!</p> + +<p>»Als ik ze in handen krijg, wrijf ik ze tot mosterd!»</p> + +<p>»Dan gooi ik ze te water met kleren en al aan!» +voorspelde Karel. »Die apen!»<span class="pagenum"><a name="Page_118" id="Page_118">[118]</a></span></p> + +<p>»Waren het maar apen!» zei ik. »Dan konden wij ze +naar Artis sturen en dan hadden wij er geen last aan. +’t Is eene mooie geschiedenis: al ons goed is door- en +doornat. Wat moeten we nu doen?»</p> + +<p>»En wat zal Mama wel zeggen,» kreunde Pieter, die +niet zwemmen mocht. Wij hadden daar geen zorg over, +want wij hadden permissie. »Al mijne kleeren zijn +gezonken! Wat moet ik nu beginnen?»</p> + +<p>»Ze opvisschen, j,» zei Bob. »Dat is het eenige, wat +ons overschiet.»</p> + +<p>»En dan?»</p> + +<p>»Ze aantrekken!»</p> + +<p>»Maar ze zijn slijknat!» steende Pieter, wien het huilen +nader stond dan het lachen.</p> + +<p>Wij stapten in het water en begonnen onze eigendommen +op te duiken.</p> + +<p>»Hier heb ik mijn hemd al vast!» zei ik, met iets +wits boven de oppervlakte verschijnende.</p> + +<p>»Dat zou je wel willen,» zei Bob grinnekend. »’t Is het +mijne, Kareltje. Hier heb ik een borstrok! Van wien is +die? Van mij is hij niet, dat zie ik wel.»</p> + +<p>»O, ’t is de mijne,» snikte Pieter, die hoe langer hoe +bedroefder werd.</p> + +<p>»Leg hem maar op den kant,» zei Bob.</p> + +<p>»Ik heb twee schoenen!» riep Karel.</p> + +<p>»En ik eene kous!» juichte ik.</p> + +<p>»Gooi alles maar op een hoop,» zei Bob, »dan kunnen +we het straks wel sorteeren.»</p> + +<p>»Eene broek!»<span class="pagenum"><a name="Page_119" id="Page_119">[119]</a></span></p> + +<p>»Nog eene!»</p> + +<p>»En eene blouse! Weer twee schoenen!»</p> + +<p>»Hier is een hemd!»</p> + +<p>Al dergelijke kreten wisselden elkander af. Over het +geheel bekeken wij de zaak nog al van den vroolijken +kant. Trouwens, het was ook onze schuld niet, en wij +zouden er stellig geen straf voor oploopen. Alleen Pieter +kon er het vroolijke niet van inzien. De tranen liepen +hem eindelijk langs de wangen, en hij stond aan den +oever te midden van onze natte kleeren, als het beeld +der wanhoop.</p> + +<p>»Och, och, wat moet ik toch beginnen?» jammerde +hij. »Was ik maar niet met jelui megegaan en had ik +maar niet gezwommen!»</p> + +<p>»Kom Pietje, zeur nu niet, asjeblieft, want daar komen +we niet verder me. Help liever de kleren uitzoeken, +want alles ligt door elkaar.»</p> + +<p>»En moeten we dat nu zoo nat en wel aantrekken?» +vroeg Piet op schreinden toon, terwijl hij zijn flanellen +hemd tusschen vinger en duim omhoog hield, om ons +te doen zien, hoe het water er uitdroop.</p> + +<p>»We zullen je wel helpen, wacht maar even. Kijk, +neem jij nu het ondereinde, dan zal ik den anderen kant +nemen,» zei Bob, die medelijden met hem begon te +krijgen. »Mooi zoo, nu draai jij van links naar rechts +en ik in de tegenovergestelde richting. Ferm zoo, — toe +maar, zoo stijf als je kunt. Zie je, zoo wringen wij er +al het water uit, tot er bijna geen droppeltje inblijft.»</p> + +<p>»Dat is een goed voorbeeld, Karel!» zei ik. »Laten wij<span class="pagenum"><a name="Page_120" id="Page_120">[120]</a></span> +het ook doen. Droog worden onze kleeren er wel niet +door, maar het meeste water raken wij er toch door kwijt.»</p> + +<p>»Accoord, Dorus!» zei Karel. »Ik ben tot je dienst. +Hier heb ik eene pantalon. Pak aan, jij de pijpen en ik +het boveneinde. En nu — draaien maar. Ha, wat loopt +dat water er uit! Toe maar, Dorus, draaien, draaien, zoo +hard je kunt. Zoo gaat het goed!»</p> + +<p>»Jammer, dat we geen mangel hebben!» riep Bob.</p> + +<p>»Of een strijkijzer!» zei ik.</p> + +<p>»Dat hindert niet!» zei Karel. »Als het maar droog +wordt!»</p> + +<p>»Ja, — zoo droog, dat Mama er niets van merkt!»</p> + +<p>»Neen Piet, daar behoef je niet op te rekenen, hoor. +Of je moet je een paar uren te bleeken leggen!»</p> + +<p>»Nu de kousen!» zei ik, toen we de pantalon weer in +haar fatsoen gebracht hadden, althans voor zoover ons +mogelijk was.</p> + +<p>Zoo kreeg elk kleedingstuk eene beurt, en ten laatste +waren we zoover gevorderd, dat we ons weer konden +aankleeden. Brrr, wat was dat natte goed koud! Piet +had het er ’t kwaadst mede. Hij rilde, dat de Visbeenen +hem bij de hut wel hooren konden, en die akelige jongens +stonden ons in den tuin nog uit te lachen op den +koop toe.</p> + +<p>»Hoe wou ik, dat ik ze eens te pakken kon krijgen,» +zei Bob met gebalde vuisten. »Wat zou ik ze trakteeren!»</p> + +<p>»En ik!» riepen Karel en ik. »Niets liever dan dat!»</p> + +<p>»Kom jongens, zijn we klaar? Laten we dan gaan!» +zei Bob.<span class="pagenum"><a name="Page_121" id="Page_121">[121]</a></span></p> + +<p>»Ja,» zei Karel, — »en we moeten hard loopen, om +warm te worden. Ik ben door en door koud!»</p> + +<p>»Uitstekend! Vooruit, — daar gaan we!»</p> + +<p>Ja, daar gingen we, zoo hard we konden. Eerst was +het wel een zeer onaangenaam gevoel, al die natte +kleren, maar daar was nu eenmaal niets aan te veranderen.</p> + +<p>In gestrekten draf, en zonder de hut en hare bewoners +met een enkelen blik te verwaardigen, keerden we huiswaarts, +door en door boos op de laffe jongens, die ons +deze poets gespeeld hadden. Wij vonden het eene verbazend +flauwe aardigheid, waartoe wij ons nooit zouden +geleend hebben.</p> + +<p>Plotseling hoorden wij een luid gejuich achter ons, dat +aangeheven werd door de Visbeentjes, en weldra bemerkten +wij, dat we door hen achtervolgd werden. Ook scholden +zij ons uit, voor alles wat leelijk was, wat wij ook nooit +deden. Schelden vonden wij een kinderachtig vermaak, +waarboven wij ons verheven achtten.</p> + +<p>Uit een en ander maakten wij op, dat de Visbeenen +aan onzen snellen aftocht eene geheel verkeerde uitlegging +gaven. Blijkbaar verkeerden zij in den waan, dat wij bang +voor hen waren en daarom overijld het hazenpad kozen.</p> + +<p>»Ik geloof, dat zij ons achtervolgen!» zei ik.</p> + +<p>»Hoor ze eens schelden, die dappere Visbeenen!» smaalde +Karel, die erg boos op hen was.</p> + +<p>»Au!» zei Piet, zich haastig bukkende, »daar krijg ik +een steen op mijn hoofd! Ze gooien!»</p> + +<p>»Laat ze hun gang maar gaan!» raadde Bob aan. »Ze<span class="pagenum"><a name="Page_122" id="Page_122">[122]</a></span> +schijnen te meenen, dat wij bang voor hen zijn. Niet +te hard loopen, jongens, opdat ze wat naderbij komen. +Als ze dan dicht genoeg bij ons zijn, draain we ons +eenklaps om, en geven hun de straf, die hun eerlijk +toekomt.»</p> + +<p>Die raad was goud waard. Wij namen den schijn aan, +alsof we bang waren en aan onze vervolgers trachtten +te ontkomen, die daardoor hun moed voelden wassen en +niet ophielden met schelden en gooien.</p> + +<p>»Nog eventjes!» zei Bob. »Ik zal tot drie tellen, hoor. +Bij den derden tel keeren we ons eensklaps om en overvallen +hen. Wat zullen ze vreemd opkijken. Nu, — daar +gaat hij!»</p> + +<p>»Een!»</p> + +<p>Bob wachtte een oogenblik.</p> + +<p>»Twee!»</p> + +<p>Wij hielden onze vaart wat in, en waren gereed om +te zwenken.</p> + +<p>»Drie! Valt aan!»</p> + +<p>Eensklaps maakten wij rechtsomkeert en ijlden onze +vervolgers tegemoet, die iets dergelijks in het geheel +niet verwacht hadden en ons bijna in de armen vlogen. +Wat was dat een leuk gezicht.</p> + +<p>O, wat hadden zij nu graag den dans willen ontspringen, +en wat deden zij daartoe hun best, — maar ’t was +te laat.</p> + +<p>In minder dan geen tijd hadden Bob, Karel en ik +ieder een van de vijanden te pakken, terwijl Pieter +toeschouwer bleef en niet ophield, ons aan te moedigen.<span class="pagenum"><a name="Page_123" id="Page_123">[123]</a></span> +Dat laatste was echter niet noodig, want wij waren boos +genoeg, om hen niet te ontzien. Och, och, wat hebben +we die jongens toen een zeldzaam pak slaag gegeven. +Nu, ze hadden het dubbel en dwars verdiend. Telkens +probeerden zij om te ontvluchten, maar dat ging niet. +Wij sloegen hen links en rechts om de ooren, zoodat zij +het uitschreeuwden van pijn en angst.</p> + +<p>»Dr! Dr!» riep Bob bij elke versnapering, die +hij zijn vijand toediende. »Als je nog meer wilt hebben, +moet je het maar zeggen. Ik heb eene gulle bui vandaag!»</p> + +<p>Eindelijk gelukte het aan twee van de drie aan onze +handen te ontsnappen en hun heil in de vlucht te zoeken. +Maar de derde kwam er het allerslechtst af. Eerst had +Karel hem een geducht pak slaag gegeven, zoo erg, dat +de jeugdige Visbeen er de sterretjes van voor de oogen +kreeg, en toen pakte Karel hem met zijne krachtige armen +beet en wierp hem pardoes in eene sloot, die langs het +landpad liep. Het gaf een plomp van belang en het water +spatte ons om de ooren. Karel had gedurende de geheele +afstraffing geen woord gesproken, maar toen zijn vijand weer +met zijn hoofd boven den kant van den sloot uitkwam, +knikte hij hem vriendelijk toe, en zeide tot hem:</p> + +<p>»Dat had ik je in mijne gedachten beloofd, weet je?»</p> + +<p>»H, ’t spijt me, dat ik het ook niet gedaan heb!» +zei Bob.</p> + +<p>Schreeuwende ging de jongen naar zijn huis, en wij +vervolgden onzen tocht. Wij waren van dat vechtpartijtje +heerlijk warm geworden en waren zeer tevreden +over onszelven.<span class="pagenum"><a name="Page_124" id="Page_124">[124]</a></span></p> + +<p>»Daar hebben we ze lekker te pakken gehad!» lachte Bob.</p> + +<p>»Ze hadden het dubbel verdiend!» sprak Karel. »Ik +denk, dat ze ons voortaan wel met rust zullen laten, als +we weer gaan zwemmen.»</p> + +<p>»Dat zullen ze ongetwijfeld!» meende ik.</p> + +<p>Wij waren nu het dorp genaderd en sloegen na een +korten groet ieder den weg in naar onze woning. Daar +Bob, Karel en ik van onze ouders toestemming hadden +om in de beek te gaan zwemmen, behoefden wij niet te +vreezen, dat wij straf zouden krijgen. Eerst had het wel +eenige moeite gekost, om die toestemming te verwerven, +maar nadat Pa de bewuste plaats zelf onderzocht had en +tot de slotsom gekomen was, dat daar geen gevaar te +vreezen was, hadden wij het gevraagde verlof verkregen. +Voor Pieter evenwel was de zaak veel erger, want zijne +Mama was vreeselijk bang voor dergelijke vermaken en +bovendien — hij had het gedaan, zonder verlof te vragen, +iets, wat wij nooit deden.</p> + +<p>’t Was dus geen wonder, dat zijne Mama zeer boos +was, en hem tot straf dadelijk naar bed zond. Bovendien +mocht hij den volgenden avond niet naar buiten, tot +groote ergernis van Bob, die nu ook verplicht was, thuis +te blijven. Nu hadden Karel en ik wel naar hen kunnen +gaan, maar — wij werden niet toegelaten. Bob en Pieter +moesten dus elkander maar zien te troosten. Dat deed +Bob dan ook op eene heel vreemde manier. Daar hij +gemerkt had, dat Pieter ’s avonds in het donker nog al +bang was, maakte Bob zich meester van een zwavelstok +en ging daarmede naar de slaapkamer van Pieter. Daar<span class="pagenum"><a name="Page_125" id="Page_125">[125]</a></span> +teekende hij met het gezwavelde einde, juist op eene +plaats, waar Pieter het wel moest zien, een groot doodshoofd +op het behangsel. Zoolang het licht was, bleef +dat vriendelijke beeld onzichtbaar, maar in het donker +grijnsde het den toeschouwer allerakeligst aan.</p> + +<p>Bob stelde zich daar heel wat genoegen van voor, en +vond het alleen maar jammer, dat Karel en ik niets van +die grap zouden genieten.</p> + +<p>Den geheelen avond vermaakten hij en Pieter zich +samen in den tuin. Nu eens tolden zij, of waren zij aan +het knikkeren, dan weer vingen zij vlinders, of trachtten +zich meester te maken van de weinige meikevers, die al +te voorschijn waren gekomen.</p> + +<p>Pieter had die diertjes nog nooit gezien en stelde zich +voor, er in Amsterdam veel genoegen van te kunnen +beleven, als hij ze daar had. Wie weet, hoe ’n voordeeligen +handel hij misschien nog wel in dat artikel zou kunnen +drijven, want hij twijfelde niet, of al zijne schoolkennissen +zouden er graag een willen hebben.</p> + +<p>»Zeg Bob, zou je er mij eenige willen zenden, als ik +weer thuis ben? Je zoudt me daar een bijzonder groot +genoegen mede doen.»</p> + +<p>»Meikevers zenden?» vroeg Bob, met eene ondeugende +flikkering in zijne oogen, want hij dacht er aan, welk +een vreeselijken afkeer zijne deftige Tante van die +onschuldige diertjes had. »Aan jou?»</p> + +<p>»Ja, aan mij. Ik zou er graag eenige van je hebben, +als ’t mogelijk is.»</p> + +<p>»’k Beloof het je, hoor! Je kunt er op rekenen. Ik<span class="pagenum"><a name="Page_126" id="Page_126">[126]</a></span> +zal ze je sturen met den looper. Die gaat toch elken +Zaterdag naar Amsterdam, dan komt het niet zoo duur. +Voor een dubbeltje of drie stuivers heb-je ze thuis.»</p> + +<p>»Dat is dan afgesproken,» zei Pieter.</p> + +<p>Eindelijk begon de avond te vallen en werd het tijd +om naar binnen te gaan. En na nog een poosje in de +huiskamer te hebben vertoefd, gingen zij naar bed. Hunne +slaapkamers lagen naast elkander, en de ledikanten waren +slechts door een houten beschot gescheiden.</p> + +<p>Eerst maakten zij nog wat grappen op Pieters slaapkamer, +omdat daar licht aangestoken was. Bob ging +zomers altijd in donker naar bed.</p> + +<p>»Zeg Pietje, willen wij nog eens eene pijp rooken?» +vroeg Bob lachend. »Ik heb nog wel tabak.»</p> + +<p>»Dank je hartelijk,» zei Piet met alle teekenen van +den grootsten afkeer. »Die eerste pijp zal ik niet licht +vergeten. Och, och, als ik er aan denk, word ik nu +nog ziek.»</p> + +<p>»Wel te rusten dan!» zei Bob.</p> + +<p>»Slaap lekker!» was Pieters wensch.</p> + +<p>Bob lag spoedig in bed, afwachtende de dingen, die +komen zouden. Eindelijk hoorde hij in de andere kamer +beweging aan de lamp, want het was erg gehoorig, en +daarna het kraken van Pieters ledikant.</p> + +<p>Het bleef geruimen tijd stil. Zou Piet het doodshoofd +misschien niet zien? Maar neen, dat kon niet; als hij +zijne oogen open had, mst hij het zien. Doch wellicht +had hij zijne oogen gesloten, en dan kwam er van de +grap niets. Opeens hoorde hij het ledikant van Pieter<span class="pagenum"><a name="Page_127" id="Page_127">[127]</a></span> +weer zacht kraken. Hij hoorde ook, hoe zijn neef zich langzaam, +uiterst langzaam oprichtte in bed. In zijne gedachten +zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht hield +op het schrikwekkende beeld, en hij lag te schudden in +zijn bed van ’t lachen.</p> + +<div class="figcenter1"> +<img src="images/ill03.jpg" width="400" height="544" alt="In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht +hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag. 127)." title="" /> +<br /><span class="caption">In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht +hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag. 127).</span> +</div> + +<p>Hoor, daar werd zacht, bijna onhoorbaar tegen het +schot getikt. Hij tikte zacht terug.</p> + +<p>»Bob!» werd er gefluisterd. »Bob!»</p> + +<p>»Wat is er?» riep Bob tamelijk luid terug.</p> + +<p>»Ssss! — Ssss! — ’t Is hier niet — in orde, Bob!» +hoorde hij Piet fluisteren.</p> + +<p>»Dieven?» vroeg Bob terug.</p> + +<p>»Neen — erger, Bob. Een — spook.»</p> + +<p>»Kom dan hier!» zei Bob zacht. »Wat zie je?»</p> + +<p>»Een gloeiend doodshoofd! Hu — zoo akelig. Ik durf +niet, Bob. Kom jij hier!»</p> + +<p>»Dank je!» zei Bob. »Ik blijf liever hier!»</p> + +<p>’t Werd weer stil in Pieters kamer.</p> + +<p>Maar die stilte duurde niet lang. Bob, die moeite had, +om niet in een schaterlach uit te barsten, hoorde opnieuw +een heel zacht kraken van het ledikant, daarna een schuifelen +over den vloer, en toen werd zijne deur geopend +en kwam Piet binnensluipen.</p> + +<p>»O Bob,» zei hij, en zijn plaaggeest hoorde, hoe hij +beefde van angst, »wat afschuwelijk. Een doodshoofd is +er, een gloeiend doodshoofd, dat mij voortdurend aangrijnst. +O, Bob, wat moet ik nu beginnen? Ik beef van +angst.»</p> + +<p>»Kruip diep onder de dekens, Piet, en laat hem grijnzen,»<span class="pagenum"><a name="Page_128" id="Page_128">[128]</a></span> +was Bobs hardvochtige raad. »Wat doe je ook je +oogen open te houden, als je op bed ligt; dan behooren +zij gesloten te zijn.»</p> + +<p>»O neen, dr durf ik niet weer heen!» zuchtte Pieter; +»voor geen geld ga ik dr slapen! ’t Is afschuwelijk, +Bob.»</p> + +<p>»Wat wil je dan?»</p> + +<p>»Kan ik niet bij jou slapen, Bob? Toe maar, asjeblieft.»</p> + +<p>»Onmogelijk, Piet. Dit is maar een n-persoons ledikant. +We kunnen er onmogelijk met ons beiden in.»</p> + +<p>»Toe maar, Bob, ik zal me zoo klein maken als ik maar +kan; toe Bob, asjeblieft?»</p> + +<p>»Onmogelijk. Maar ga naar Pa; die is stellig nog op, +en zal ongetwijfeld een onderzoek instellen.»</p> + +<p>»O, — maar dan moet ik alleen de trap af!» zuchtte +Piet, bevende van ontsteltenis bij de gedachte, dat hij +zich alleen en in donker naar beneden moest begeven.</p> + +<p>»Jij bent ook overal bang voor,» zei Bob. »Ik wed, +dat er niet eens iets op je kamer is, om bang voor te +wezen.»</p> + +<p>»O ja, Bob, echt waar, ga dan zelf maar kijken, dan +zul-je het zien. Een afschuwelijk doodshoofd! Hu, ’t is +om te rillen.»</p> + +<p>Bob vond, dat de grap nu lang genoeg geduurd had.</p> + +<p>»Ga dan maar me, bang Pietje,» zei hij, terwijl hij +lachend uit zijn bed sprong.</p> + +<p>Hij liep regelrecht naar Pieters slaapkamer, tot groote +verbazing van zijn neef, die zich maar niet begrijpen kon, +waar hij al dien moed vandaan haalde.<span class="pagenum"><a name="Page_129" id="Page_129">[129]</a></span></p> + +<p>»Waar is nu het spook?» vroeg hij.</p> + +<p>»Aan den muur!» klonk het benauwd uit Piets mond.</p> + +<p>»’t Is niets, hoor Piet, kom maar hier,» zei Bob lachend. +»Je hebt je weer eens leelijk te pakken laten nemen, +neefje. Ha-ha-ha-ha!»</p> + +<p>Pieter kwam behoedzaam nader.</p> + +<p>»Dr is het, — dr, vlak voor je!» zei hij huiverend, +toen hij om den hoek van de deur keek.</p> + +<p>»Och, bange Piet, dat prentje heb ik er van middag +opgeteekend met een zwavelstok. Kijk, hier heb-je nog +een tweede spook!»</p> + +<p>Bob nam den zwavelstok, dien hij op den grond had +neergelegd, en teekende met enkele strepen een tweede +doodshoofd, niet weinig lachende om de vrees van Pieter-neef. +Deze kwam nu ook naderbij en zeide, niet zonder +schaamte:</p> + +<p>»H Bob, doe je dat met een zwavelstok? Dat is een +aardig kunstje, waarvan ik nog nooit gehoord had. Dat +moet ik ook eens leeren.»</p> + +<p>»Ben je nu nog bang, Pietje?» vroeg Bob. »Of wil ik +Pa roepen?»</p> + +<p>»O neen, dank je! Maar waarom plaag jij me toch +altoos zoo, Bob?»</p> + +<p>»Omdat ik het bij Karel of Dorus niet behoef te probeeren, +Piet; zij zijn er niet vatbaar voor, zie je, en jij +wel. Dat is de reden. Slaap lekker, Piet!»</p> + +<p>»Goeden nacht!»</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_130" id="Page_130">[130]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Achtste Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Hoe Bob uit hengelen ging en door de verschijning van<br /> +twee vreemdelingen zijn tijd bijna vergat. Hoe hij in<br /> +figuurlijken zin steentjes moest gaan tellen en het in<br /> +eigenlijken zin deed. De berenleider en zijn metgezel.</p> + + +<p>Een paar dagen later had Bob zijn tijd bijna verhengeld. +Hij was bijzonder vroeg opgestaan, had inderhaast +ontbeten, en was met zijn hengel over den schouder even +buiten het dorp gewandeld, om eens prettig vr schooltijd +nog een paar uurtjes te visschen. Pieter lag nog te +bed. Die stond nooit voor half acht op. Eerst had Bob +nog wel eens moeite gedaan, om hem ook tot opstaan +te bewegen, maar toen hij bemerkte, dat Piet ’s morgens +veel liever op bed bleef, had hij die moeite gestaakt.</p> + +<p>Bob hengelde dus geheel alleen, en vermaakte zich +kostelijk, want de baars wilde dien morgen buitengewoon +goed bijten, en het gelukte hem, menig vischje te verschalken. +Hij vermaakte zich z goed, dat hij zijn tijd +geheel vergat en niet aan de school dacht, vr het bijna<span class="pagenum"><a name="Page_131" id="Page_131">[131]</a></span> +te laat was. Om negen uur ging de school aan, en de +torenklok wees al tien minuten voor negenen, eer hij er +aan dacht.</p> + +<p>»O heden!» mompelde hij. »’t Is al bijna te laat, maar +als ik hard loop, kan ik er nog juist op tijd zijn. ’t Is +echt jammer, dat ik nu moet ophouden, want de baars +bijt van morgen bijzonder goed.»</p> + +<p>Hij slingerde zijn snoer om den stok en wilde zich +juist naar school begeven, toen zijne aandacht getrokken +werd door een kermiswagen, die langzaam het dorp +naderde.</p> + +<p>Bob bleef staan.</p> + +<p>Een kermiswagen was een voorwerp, dat hem altoos +buitengemeen boeide. Hij vond dat een zeer belangwekkend +vervoermiddel. Toch zou hij er de school niet om +vergeten hebben, — want de meester was erg streng, dat +wist hij bij ondervinding, — indien hij niet had opgemerkt, +dat naast dien wagen een groot, log dier liep, een dier, +dat nog veel belangwekkender was dan de wagen, want +het was niets meer of minder dan een groote, bruine +beer. Bij de verschijning van dat beest vergat Bob de +geheele school.</p> + +<p>Zoodra de berenleider het eerste huis van dorp bereikt +had, begon hij op eene dwarsfluit te spelen en verhief +bruintje zich op hetzelfde oogenblik op zijne achterpooten. +Het logge beest scheen zoo waar te dansen, tot groot vermaak +van Bob. De kermiswagen was doorgereden. Dat +onzen Bob het scheiden moeilijk viel, behoef ik niet te +zeggen. Wij zaten allen al op de schoolbanken, en waren<span class="pagenum"><a name="Page_132" id="Page_132">[132]</a></span> +al begonnen te lezen, toen zijne plaats nog ledig bleef.</p> + +<p>»Waar blijft Bob de Wild van morgen?» vroeg de +meester. Doch wij wisten het niet.</p> + +<p>»Hij is toch niet ziek?» klonk weer ’s meesters vraag. +Weer moesten wij het antwoord schuldig blijven.</p> + +<p>»Lees maar door, Anna!»</p> + +<p>Juist begon Anna het bevel op te volgen, toen de +deur geopend werd en Bob, rood van het harde loopen, +binnen kwam.</p> + +<p>»Dag meester,» klonk het zacht van zijne lippen.</p> + +<p>»Dag Bob. Waar kom jij zoo laat vandaan?»</p> + +<p>»Van buiten, meester.»</p> + +<p>»Ja, dat spreekt vanzelf. Maar waarom kom je zoo laat?»</p> + +<p>Bob keek zwijgend voor zich op den grond.</p> + +<p>»Ik hoor niets, Bob. Kun-je niet spreken?»</p> + +<p>»Ik was aan het hengelen, meester, en.....»</p> + +<p>»Ha zoo, heb jij je tijd verhengeld? Dat is ferm van +je, niet waar, Bob?»</p> + +<p>Bob mompelde zoo iets van: »Kon ’t niet helpen,» +maar veel verstonden wij er niet van.</p> + +<p>»Niet helpen?» vroeg de meester gestreng. »Dat is eene +kinderachtige uitvlucht, Bob, waar zich alleen flauwe +zielen achter verschuilen. Je kunt gaan zitten, maar moet +om twaalf uur nablijven. ’t Spijt me wel, maar ik kan +er niets aan doen.»</p> + +<p>Bob nam plaats. Hij en ik zaten dicht bij elkander. +Eerst deed hij, of hij met aandacht las, maar weldra +gaf hij ons door allerlei teekens te kennen, dat er iets +bijzonders aan de hand was.<span class="pagenum"><a name="Page_133" id="Page_133">[133]</a></span></p> + +<p>»Daar kwam ik goed af. Ik was bang, dat ik steentjes +zou moeten tellen,» fluisterde hij ons toe. Wij deden ook, +of wij de les geregeld volgden, maar inderdaad ontging +ons geen woord, van hetgeen Bob zeide.</p> + +<p>Wij wisten wel, wat hij met »steentjes tellen» bedoelde. +In het portaal was geen planken vloer; die bestond daar +uit mooie glimmende tegels, welke aan elkander gemetseld +waren. Nu had de meester de gewoonte, als hij +heel boos op een van de leerlingen was, hem in het +portaal te zetten, wat hij den patint gewoonlijk beval +met de woorden:</p> + +<p>»Ik kan je hier vanmorgen niet langer gebruiken, +jongen. Ga jij maar steentjes tellen.»</p> + +<p>Dat was eene zware straf voor ons, want wie eenmaal +in het portaal terecht kwam, moest er den geheelen +morgen blijven, en kreeg dan nog zooveel strafwerk na +schooltijd, dat er van zijn speeluur niets overschoot.</p> + +<p>Bob was er dus van overtuigd, dat de meester hem +zeer genadig behandeld had, door hem geen steentjes te +laten tellen, alias in het portaal te zetten.</p> + +<p>»Die volgt!» zei de meester. »Bob, ik geloof, dat je +slecht oplet. Pas op, dat ik je niet nog meer straf +moet geven.»</p> + +<p>Bob keek strak in zijn boek, en de volgende leerling +begon te lezen. Maar Bobs aandacht was in het geheel +niet bij zijn werk. Onophoudelijk moest hij aan den beer +en diens eigenaar denken, en zijn nieuws brandde hem +op de tong. Naar het lezen luisterde hij niet; hij hoorde +bijna niet eens, dat er gelezen werd.<span class="pagenum"><a name="Page_134" id="Page_134">[134]</a></span></p> + +<p>»Jongens!» fluisterde hij Karel en mij toe.</p> + +<p>Wij waren geheel oor, maar zorgden wl, niet uit ons +boek op te zien.</p> + +<p>»’k Heb nieuws!» fluisterde Bob weer.</p> + +<p>»Bob de Wild, lees verder!» gebood de meester.</p> + +<p>O heden, dat was mis voor Bob. Zijne oogen dwaalden +van boven tot beneden op de bladzijde, waar wij aan het +lezen waren, maar hij vond den laatsten zin, dien hij +gehoord had, niet.</p> + +<p>»Je krijgt eene slechte aanteekening, Bob de Wild,» +klonk het gestreng uit ’s meesters mond. »Je straf om +twaalf uur wordt verdubbeld. Lees verder, Jacob de Haas.»</p> + +<p>Jacob de Haas, het eenige joodje, dat wij op school +hadden, ging met lezen voort, en Bob keek stijf in zijn boek.</p> + +<p>»Waarom leest dat Joodje (want zoo noemden wij +Jacob de Haas altijd) ook niet wat harder?» mompelde +hij. »Dan zou ik het wel geweten hebben. Wacht maar, +dat zal ik hem om twaalf uur wel betaald zetten. — O +j, waar is het nu ook al weer? Wacht, dr!»</p> + +<p>»Die volgt!» klonk het weer.</p> + +<p>Nu was een meisje aan de beurt. Anna van Egge +heette zij en zij las een weinig binnensmonds. Wij moesten +altoos goed toeluisteren, om haar te kunnen volgen. +Maar Bob luisterde dien morgen al bijzonder slecht. +Zooals hij ons later vertelde, moest hij onophoudelijk +aan dien beer denken. Ook brandde hij van verlangen, +om het ons te vertellen, want hij wist, dat het voor ons +een belangwekkend nieuwtje was.</p> + +<p>»Jongens!» fluisterde hij weer.<span class="pagenum"><a name="Page_135" id="Page_135">[135]</a></span></p> + +<p>Wij knikten bijna onmerkbaar, ten teeken, dat wij +luisterden, maar wij zagen niet op.</p> + +<p>»Er is een berenleider op het dorp,» hoorden wij Bob +lispelen.</p> + +<p>Dat was nieuws naar ons hart. Ook wij begonnen +onoplettend te worden, wat het lezen betrof, maar niet +wat het nieuws van Bob aanging.</p> + +<p>»Met een beer?» vroeg Karel Holm zacht, terwijl zijne +oogen flikkerden van pleizier.</p> + +<p>»Ja, — een grooten, bruinen beer.»</p> + +<p>»Waar is hij?» waagde Karel nog eens te fluisteren.</p> + +<p>»Bij den ontvanger zag ik hem. Hij kan dansen.»</p> + +<p>»Ho!» beval op dat oogenblik de meester, en Anna +van Egge hield met lezen op. »Bob! Je let in het geheel +niet op, en ik zie mij genoodzaakt je streng te straffen. +Vervolg eens, waar Anna gebleven is!»</p> + +<p>’t Was doodstil in de klasse. Van ganscher harte +hoopten wij, dat Bob een gelukkig oogenblik in zijn leven +zou hebben en toevallig bij het goede woord zou beginnen, +want wij hoorden aan de stem van den meester, dat hij +slechts met moeite zijne drift kon bedwingen. Eene +geduchte straf zou anders stellig Bobs deel zijn.</p> + +<p>Doch Bob had zulk een gelukkig moment in zijn leven +niet, en dat kn ook niet, omdat hij de verkeerde bladzijde +voor zich had. Hij had vergeten, om te slaan, omdat +hij niet oplette. Eerst zocht hij overal, om het goede +woord te vinden, doch toen zijne zoekende blikken het +nergens ontmoetten, begon hij maar op goed geluk af. +Och, och, wat had hij het ver mis!<span class="pagenum"><a name="Page_136" id="Page_136">[136]</a></span></p> + +<p>»Daar is het niet, ondeugd!» zei de meester boos. »Je +bent waarlijk niet eens op de goede bladzijde. Welke geest +is er dezen morgen in je gevaren? Eerst kom je te laat +op school, en dan gedraag je je z, dat je zelfs den zachtmoedigsten +mensch driftig zoudt maken!»</p> + +<p>Nu, dat was niet waar, want onze meester was ver +van zachtmoedig. Integendeel, hij was algemeen bij ons +gevreesd om zijne strengheid. Wij hoorden, hoe hij hoe +langer hoe driftiger werd, en eindelijk gebeurde, wat +wij al sedert lang hadden zien aankomen. Daar verhief +’s meesters rechterarm zich in de hoogte en strekte hij +zijne hand gebiedend uit naar de deur.</p> + +<p>»Ga uit de klasse, jongen, ik kan je hier niet langer +gebruiken. Ga steentjes tellen!»</p> + +<p>Bob bleef zwijgend zitten.</p> + +<p>»Hoor je me niet, Bob? Ga steentjes tellen, zeg ik.»</p> + +<p>»Meester, ik zal beter opletten,» zei Bob.</p> + +<p>»Te laat, Bob! Ten derden male zeg ik: ga steentjes +tellen!»</p> + +<p>Die laatste uitdrukking was oorspronkelijk als eene grap +bedoeld, maar wij vonden haar in het geheel niet grappig. +Bob ook niet, want hij moest allerminst lachen op dit +oogenblik. Hij stapte de bank uit en ging met neergeslagen +oogen naar het portaal. Hij deed de deur achter +zich dicht.</p> + +<p>’t Werd weer stil, nu zelfs doodstil in de klasse. De +meester keek erg boos.</p> + +<p>»Ga voort, Anna van Egge!» gebood hij.</p> + +<p>En korten tijd daarna was het weer:<span class="pagenum"><a name="Page_137" id="Page_137">[137]</a></span></p> + +<p>»Die volgt!»</p> + +<p>Zoo las de geheele klas. Toen werden de boeken opgeborgen +en begon de rekenles.</p> + +<p>Wij deden onze uiterste best, uit vrees, dat ook wij +straf zouden oploopen. En toen nu de meester zag, hoe +flink wij opletten, begon zijn gelaat ook wat vriendelijker +plooi aan te nemen. Hij was wel streng, maar niet onbillijk, +en tot zijne eer moet ik zeggen, dat hij zulke zware +straffen altoos met grooten tegenzin oplegde. Wij konden +altoos aan hem zelf zien, dat het hem pijn deed.</p> + +<p>Intusschen stond Bob diep verslagen in het portaal. +Weg was ineens al de pret, die hij zich van het middaguur +voorgesteld had, als de beer althans dan nog niet +vertrokken zou zijn. Daarvoor behoefde evenwel niet +bijzonder veel vrees te bestaan, want ons dorp was te +groot, om door een berenleider op een enkelen morgen +»afgewerkt» te kunnen worden.</p> + +<p>»En dan kan ik hier in die nare school blijven en strafwerk +maken, terwijl alle jongens de grootste pret hebben,» +morde Bob, die erg boos was op den meester. »Hij is +ook altoos zoo streng. Maar ik weet, wat ik doe: ik loop +weg, ja, dat doe ik. De meester kan schoolhouden, wien +hij wil, maar mij snapt hij niet, want den beer moet ik +zien, het koste wat het wil!»</p> + +<p>Toen Bob over dit besluit echter een weinig dieper +doordacht, waarmede hij eigenlijk had moeten aanvangen, +begon hij hoe langer hoe meer te beseffen, dat hij daar +toch ook zeer weinig genoegen van zou beleven, want de +meester zou hem stellig voorbeeldeloos straffen en bovendien<span class="pagenum"><a name="Page_138" id="Page_138">[138]</a></span> +zou zijn Pa hem ook terdege onderhanden nemen.</p> + +<p>Neen, dat ging toch niet, zooals hij zelf zeer goed inzag.</p> + +<p>»Ik wou, dat de meester mij voor dezen keer maar +eens vrijliet,» mompelde Bob, »maar dat zal hij wel niet +doen, want dat doet hij bijna nooit. Enfin, ’t is eenmaal +zoo; er zit niet anders op, dan mijn lot met gelatenheid +te dragen. Waar zou de beer nu zijn? Wacht, misschien +kan ik hem zien, — door het raam. Laat ik kijken!»</p> + +<p>Bob deed, wat hij zeide, en waarlijk — na eenig zoeken +ontwaarde hij bruintje voor het huis van dokter Doreman. +Hij zag, hoe vele menschen naar het verscheurende dier +stonden te kijken.</p> + +<p>»Ha! Wat wou ik graag daarbij zijn,» zuchtte Bob. +»En nu steentjes te moeten tellen! ’t Is afschuwelijk! +Kijk, nu gaat hij verder. Zou hij den achterweg opgaan? +Dan kan ik hem niet meer zien. Ja — neen, — ja toch, +daar gaat hij den hoek om. Nu is hij weg. Dat is jammer. — Steentjes +tellen! Hoe komt de meester daar +toch aan? ’t Is toch eigenlijk eene gekke uitdrukking. +Meester zeide niet, dat ik in het portaal moest gaan staan; +hij gebood alleen maar: ga steentjes tellen. Als ik dat dus +deed en hem straks ging zeggen, hoeveel er waren, zou +ik precies gedaan hebben, wat meester bevolen had. Dat +zou leuk wezen. Weet je wat, ik doe het! Zou ik mijn +decimetertje in den zak hebben? Laat eens voelen — ja, +daar is het. Wacht, nu zal ik het eens netjes uitrekenen. +Eerst meten, hoe lang de gang is.»</p> + +<p>Bob knielde op de tegeltjes neer en mat de lengte van +zijn kerker. Weldra wist hij, wat hij weten wilde.<span class="pagenum"><a name="Page_139" id="Page_139">[139]</a></span></p> + +<p>»Dus twintig meter. Laat ik dat goed onthouden.»</p> + +<p>»Nu de breedte.»</p> + +<p>Bob mat weer.</p> + +<p>»Breed twee meter, precies op den kop,» zeide hij. »De +gang heeft dus eene oppervlakte van twintig maal twee +vierkante meter, of veertig vierkante meters. Mooi, +dat schiet al aardig op. Nu elk tegeltje meten. Kijk, +precies twintig centimeters lang en breed. Dat geeft dus +eene oppervlakte van vierhonderd vierkante centimeters. +De gang is groot veertig vierkante meter, of vier maal +honderd duizend vierkante centimeters. Dat gedeeld door +vierhonderd, — wel, kijk — dat is precies duizend tegeltjes. +Dat is een mooi getal. Kom, nu ga ik het den +meester zeggen; hij heeft mij bevolen de steentjes te +tellen en dat heb ik gedaan, dus ik ben zoo gehoorzaam +geweest, als maar verlangd kan worden.»</p> + +<p>Tot ons aller verbazing ging plotseling de deur open +en trad Bob binnen. Ook de meester kon er blijkbaar +geen begrip van krijgen, wat er aan de hand was. Hij +staarde Bob met groote oogen aan.</p> + +<p>»Wat moet jij hier doen?» vroeg hij op gestrengen toon.</p> + +<p>Bob stak beleefd den wijsvinger op en zeide doodleuk:</p> + +<p>»Meester, ik ben klaar! Er zijn er duizend.»</p> + +<p>Eerst begrepen wij geen van allen, wat hij bedoelde, en +de meester begreep het ook niet.</p> + +<p>»Klaar?» vroeg hij. — »Er zijn er duizend? Wat — duizend?»</p> + +<p>»Meester,» zei Bob doodleuk, »ik heb de steentjes geteld, +zooals u bevolen had. Er zijn er duizend.»<span class="pagenum"><a name="Page_140" id="Page_140">[140]</a></span></p> + +<p>Plotseling schoten wij allen (alleen Bob en de meester +uitgezonderd) in een schaterlach om die leuke grap, en +toen wij zagen, hoe de meester zich vergeefs inspande, +om zijn gelaat in een ernstige plooi te houden, want +hij wilde niet lachen, werd het met ons nog erger. Wij +konden niet tot bedaren komen.</p> + +<p>Opeens gaf de meester het op, en begon ook hij te +lachen, bijna even smakelijk als wij. En toen wij eindelijk +wat tot stilte kwamen, zei hij gul, zoodat het duidelijk +was, dat hij Bob zijne misdaden vergaf:</p> + +<p>»Zoo Bob, zijn er duizend? Heb-je ze goed geteld?»</p> + +<p>»Uitgerekend, meester,» zei Bob. »De vloer heeft eene +oppervlakte van veertig vierkante meters en elk tegeltje +is vierhonderd vierkante centimeters groot. Er moeten +er dus duizend zijn.»</p> + +<p>»Heel goed, Bob,» zei de meester, die telkens weer +in den lach schoot, »dat sluit. Dank-je wel voor de +moeite. Ga nu maar zitten, doch — let beter op.»</p> + +<p>»Ja meester,» zei Bob, niet weinig in zijne nopjes, dat +hij zoo mooi van zijne zwaarste straf ontheven was. Hij +lette verder dan ook zeer goed op en gaf den meester +in het geheel geen reden tot klagen meer.</p> + +<p>Zoo werd het twaalf uur, en wij kregen verlof om naar +huis terug te keeren. ’t Is te begrijpen, dat wij ons dat +geen tweemaal lieten zeggen, want het bericht van den +beer had, ondanks ’s meesters strengheid, al sedert lang +de ronde door de geheele klas gedaan. Nauwelijks waren +wij het portaal uit, of onder een luid gejuich trokken +wij op den beer af.<span class="pagenum"><a name="Page_141" id="Page_141">[141]</a></span></p> + +<p>Maar Bob bleef zitten, om zijn strafwerk te maken.</p> + +<p>»Wat moet ik doen, meester?» vroeg hij met een berouwvol +gelaat.</p> + +<p>De meester keek hem vriendelijk aan, want hij hield +bijzonder veel van den wilden Bob.</p> + +<p>»Mij beloven, dat je voortaan beter op je tijd zult +passen, Bob,» zei hij, den deugniet op den schouder +kloppende.</p> + +<p>»Dat beloof ik, meester,» zei Bob, die lont begon te +ruiken en wiens hartje klopte van hoop, dat hij ontslagen +zou worden.</p> + +<p>»Ga dan maar heen, Bob.»</p> + +<p>»Asjeblieft meester. Dag meester.»</p> + +<p>En weg vloog Bob! Hij had ons al ingehaald, vr +wij den beer bereikt hadden.</p> + +<p>»Ik mocht vrij!» juichte hij al in de verte. »Hij is op +den achterweg!»</p> + +<p>Met die laatste woorden bedoelde hij den beer natuurlijk, +en met ons allen begaven wij ons daarheen.</p> + +<p>Ha, daar zagen wij hem!</p> + +<p>’t Is te begrijpen, dat wij op een eerbiedigen afstand +bleven! Wat had dat dier geduchte klauwen, en wat +zagen wij een sterk gebit, als hij den grooten muil opende. +Gelukkig dat hij een stevigen leeren muilband aan had; +dat stelde ons eenigszins gerust.</p> + +<p>De berenleider viel ons niet me, want wij hadden +gehoopt, dat hij iemand zou zijn, dien wij niet verstaan +konden, een Italiaan of een Zigeuner of zoo iemand. +Maar hij bleek een echte Hollander te zijn, die onze taal<span class="pagenum"><a name="Page_142" id="Page_142">[142]</a></span> +evengoed sprak als wij zelf. Dat konden wij hooren aan +hetgeen hij af en toe tot den beer zeide.</p> + +<p>»Hallo! Op! Op!» gebood hij telkens, als de beer zijn +tocht op vier voeten wilde voortzetten. En dan ging het +logge beest weer overeind en huppelde zoo bevallig als +een jonge olifant. Dan kreeg hij van zijn meester een +stok over den schouder en moest marcheeren als een +soldaat. Zijn geleider blies voortdurend op de dwarsfluit +verschillende dansdeuntjes en — maakte goede zaken, +naar wij opmerkten. Want bijna nergens werd hij voorbij +gestuurd, zonder dat men hem iets gaf. Nu was een beer +op ons dorp eene te zeldzame verschijning, om niet de +algemeene bewondering op te wekken.</p> + +<p>Het spreekt van zelf, dat wij de twee vreemdelingen +zoolang volgden, als ons mogelijk was, — anderhalf uur +laat zich niet lang plagen, wanneer men in dien tijd nog +middagmalen moet, wat met mij althans het geval was. +En om half twee moesten wij weer present zijn, wilden +we geen straf oploopen.</p> + +<p>Wij waren er dan ook allen op onzen tijd, Bob incluis!</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_143" id="Page_143">[143]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Negende Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Hoe wij den beer plaagden, toen Flip uit was, en<br /> +hoe de beer wraak nam. De heldendaden van<br /> +Pieter-neef en van Tip, den veldwachter.<br /> +Hoe Bob berenleider werd.</p> + + +<p>Bob had niet zulk eene vrees behoeven te koesteren, +dat hij den beer niet weer ontmoeten zou, want het +beest en diens meester vertoefden nog wel langer dan +eene geheele week op ons dorp. Och, och, wat hebben +wij eene pret met dat dier gehad.</p> + +<p>In den kermis wagen woonde eene familie, die door +het vertoonen van de poppenkast het dagelijksch brood +trachtte te verdienen. Eerst meenden wij, dat de berenleider +ook tot de familie behoorde, maar daarin hadden +wij ons vergist. Wel was hij zooals ons al spoedig bleek +zeer met den poppenkastman bevriend, en reisden zij zooveel +mogelijk in elkanders gezelschap ons vaderland door.</p> + +<p>Elken dag deed de poppenkast de ronde door het dorp +of bezocht zij een van de omliggende plaatsen, en trok +ook de berenleider er op uit met zijn viervoetigen makker,<span class="pagenum"><a name="Page_144" id="Page_144">[144]</a></span> +om een stuivertje te verdienen, maar den wagen lieten +zij staan, en ’s avonds keerden allen weer naar het marktplein +terug, waar het voertuig stond. Dan werd de beer +aan een van de palen op het marktplein met een vrij +lang, naar het scheen zeer sterk touw vastgebonden, zoodat +hij zich eenige beweging kon veroorloven. Wij vroegen +ons menigmaal af, waar toch de berenleider ’s nachts +wel mocht slapen, daar hij bij niemand op het dorp om +een onderkomen had verzocht, doch eindelijk hoorden +wij vertellen, dat eene groote mand, die wel bijna eene +manslengte had en overdag onder den wagen was vastgebonden, +hem tot ledikant diende. ’s Avonds maakte +hij die mand los, legde zijn beddegoed (wat niet van de +fijnste qualiteit was) wat terecht, en — begaf zich dan +ter ruste. Voor dieven behoefde hij om twee redenen +niet te vreezen, want ten eerste had hij zoo weinig eigendommen, +dat het wel niemand in de gedachten zou +komen, hem te gaan bestelen, en in de tweede plaats +had hij een schildwacht voor zijn bed, die niet licht +door een anderen zou worden overtroffen. De beer namelijk +ging elken avond vlak voor de mand liggen en liet, +zoodra hij maar iets hoorde, een vervaarlijk gebrom hooren.</p> + +<p>Dat brommen, — o, wat waren wij er eerst bang voor. +Want het spreekt van zelf, dat alle jongens van het dorp +’s avonds bij bruintje te vinden waren. Onze stelten zelfs +lieten wij er voor liggen. Ge begrijpt, dat we eerst op +een eerbiedigen afstand bleven, uit vrees dat hij ons +aangrijpen, verscheuren en verslinden zou. Maar toen wij +zagen, hoe vertrouwelijk zijn meester met hem omging, en<span class="pagenum"><a name="Page_145" id="Page_145">[145]</a></span> +hoe bedaard en goedig het dier er uitzag, begon onze vrees +van lieverlede te bedaren en onze moed te klimmen.</p> + +<p>Bob was de eerste, die hem wat naderbij durfde komen, +hoewel hij natuurlijk zorg droeg, dat de beer hem niet +grijpen kon. Hij wierp hem een stuk brood toe, dat door +het dier gretig werd verslonden.</p> + +<p>Toen wij dat eenmaal gezien hadden, overstelpten wij +bruintje bijna met onze weldaden, en werden wij meer +en meer vertrouwd met het dier, hoewel wij toch zorgden, +niet te dicht in zijne nabijheid te komen.</p> + +<p>Maar langzamerhand ontaardde onze moed in overmoed +en begonnen wij hem te plagen. Wij sarden hem, als zijn +meester er niet bij was, met lange stokken, waarmede wij +hem op den kop of op de ruige vacht tikten, wat hij eerst +eenige oogenblikken goedig toeliet, doch daarna plotseling +met een woest gebrom beantwoordde. Och, och, wat +wisten wij van beenen maken. Pieter-neef, die ook in ons +gezelschap was, zag doodsbleek van den schrik en liep, of +de dood hem op de hielen zat. Nu, zoo erg was het +met ons niet, maar — wij kozen toch ook het hazenpad.</p> + +<p>»H, wat bromde hij daar!» zei Bob, die het eerst +stilstond. »Gelukkig, dat hij aan een touw lag, want +anders had hij stellig een van ons allen verscheurd!»</p> + +<p>De boosheid van den beer duurde echter niet lang; +hij keerde weer in zijn vorigen toestand van vadsige rust +terug, en wij gingen voort met plagen.</p> + +<p>»Wil jelui dat wel eens laten, jongens!» gebood ons de +vrouw, die in den wagen woonde, — doch daar wij wisten, +dat haar man zoowel als de berenleider niet thuis waren,<span class="pagenum"><a name="Page_146" id="Page_146">[146]</a></span> +toonden wij ons vrij ongezeggelijk, wat ons heel leelijk +stond, dat moet ik zelf bekennen.</p> + +<p>Toch hielden wij na een poosje met ons plagen op, +niet omdat wij medelijden met bruintje hadden, o neen, +maar omdat de burgemeester het marktplein opkwam, om te +zien, of de beer ook gevaar kon opleveren voor de eerzame +burgers en burgeressen, die hij onder zijne hoede had.</p> + +<p>Natuurlijk bleef ook hij op een eerbiedigen afstand van +het lieve dier staan.</p> + +<p>»Zeg eens, vrouwtje!» riep hij de vrouw uit den kermiswagen +toe. »Waar is de berenleider?»</p> + +<p>»Hij is met mijn man naar Haarlem, mijnheer de +burgemeester,» klonk het antwoord.</p> + +<p>»En moet dat ongure beest dan al den tijd, dien zijn +meester afwezig is, zonder toezicht blijven?» zei de +burgemeester op gestrengen toon.</p> + +<p>»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Flip is +niet thuis.»</p> + +<p>»Flip — wie is dat?»</p> + +<p>»Dat is de man van den beer, mijnheer de burgemeester. +Maar hij is niet thuis.»</p> + +<p>»Zoo, — ja, dat heb je zooeven al gezegd. Maar kan +dat dier zoo geen kwaad?»</p> + +<p>»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester,» zei de +vrouw, die het buskruit niet scheen uitgevonden te +hebben, »Flip is niet thuis.»</p> + +<p>»Zoo, hm! hm!» kuchte de burgemeester. »Ik bedoel, +vrouw, of dat touw sterk genoeg is, om den beer te +houden, als hij soms boos mocht worden.»<span class="pagenum"><a name="Page_147" id="Page_147">[147]</a></span></p> + +<p>»Ik zou het u niet kunnen zeggen, mijnheer de burgemeester, +maar straks komt Flip wel thuis, dan kan u het +hemzelven vragen. Hij is nu met mijn man naar Haarlem.»</p> + +<p>»Zoo, ja — dat weet ik al. Dus je denkt, dat het +touw sterk genoeg is?»</p> + +<p>»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Als Flip +straks thuiskomt, zal ik het hem vragen. Of u zou het +zelf kunnen probeeren.»</p> + +<p>»Dank je,» zei de burgemeester, die blijkbaar niet veel +lust had, bruintje zoo nabij te komen.</p> + +<p>»Nu, het ziet er nog al sterk uit, maar als Flip, of +hoe die man heeten mag, aanstonds terug komt, moet +je hem zeggen, dat hij dadelijk bij me moet komen.»</p> + +<p>»Ik zal het hem zeggen, mijnheer de burgemeester!»</p> + +<p>Zoodra het hoofd onzer gemeente vertrokken was, +begonnen wij den beer weer te plagen, ja zelfs te sarren, +en ’t was verbazend hoe hevig hij dan soms kon gaan +brullen. Als wij het al te erg maakten, rukte hij aan +zijn touw, om los te komen, en dan wisten wij van +beenen maken.</p> + +<p>Het touw bleek echter heel sterk te zijn, zoodat wij +eindelijk al niet eens meer op de vlucht gingen, al was +hij ook nog zoo woedend. Wij bleven doodkalm staan, +natuurlijk buiten het bereik van zijne klauwen, maar toch +dicht genoeg bij, om met sarren voort te kunnen gaan. +Zelfs Pieter-neef begon, nu hij zag, dat het beest toch +niet los kon komen, dapper te worden en plaagde den +beer het meest van allen.</p> + +<p>Hij sloeg hem met een langen stok op zijn kop, en als<span class="pagenum"><a name="Page_148" id="Page_148">[148]</a></span> +het beest dan tegen hem bromde en met geopenden muil +aan zijn touw rukte, stak hij hem den stok tusschen de +geweldige tanden. Dan had hij geen grooter pret, dan +als de beer op den stok beet, en hem al brommende heen +en weder schudde. Wat trok en rukte Pieter dan aan den +stok, om hem weer los te krijgen, maar de beer hield vast.</p> + +<p>Bob haalde eene leuke grap met hem uit. Hij haalde +uit de schuur een vaatje, waarin de bodem niet al te +stevig meer bevestigd zat, en schoof dat bruintje toe. +Toen nam hij eene kleine occarino uit den zak, en begon +daar eenige deuntjes op te spelen. O, wat moesten wij +lachen, toen de beer zich plotseling op zijne achterpooten +verhief en op zijne gewone bevallige manier begon te +huppelen, precies, zooals hij dat bij zijn meester gewoon +was. En toen Bob hem een paar stukjes brood toewierp, +konden wij duidelijk opmerken, dat hij Bob als een goed +vriend begon te beschouwen, want hij volgde hem +overal, waar hij liep, althans voor zoover zijn touw hem +dat toeliet.</p> + +<p>Maar het was er Bob om te doen, dat hij op het vaatje +zou gaan staan, wat hij voor zijn meester somtijds ook +moest doen.</p> + +<p>»Allo! Ho — hop! Op! Op!» riep hij den beer toe, +en weer begon hij op de occarino te spelen. Eerst +huppelde de beer nog eenigen tijd rond, en toen, waarlijk, +daar naderde hij het vaatje en zette er een poot op. +Toen den tweeden poot, daarna voorzichtig den derden +en eindelijk stond hij er geheel op.</p> + +<p>Een uitbundig gejuich uit wel vijftig jongensmonden<span class="pagenum"><a name="Page_149" id="Page_149">[149]</a></span> +was zijn loon, en de beer, die zich daardoor naar het +scheen, gestreeld gevoelde, begon op de maat van Bobs +muziek, zoo goed en zoo kwaad dat ging, op het vaatje +te dansen. Dat had hij niet moeten doen, want daarvoor +was de bodem te zwak. Plotseling hoorden wij een gekraak, +de vier pooten zakten naar beneden, en daar rolde de beer +onderste-boven. Och, och, wat maakte hij eene vreemde +buiteling, en wat deed hij wanhopige pogingen, om zijne +pooten uit hun kluister te bevrijden. Doch dat gelukte +hem niet, want zij zaten in de kleine ruimte stijf tegen +elkander gedrukt. Hij kon er geen beweging in krijgen.</p> + +<p>Wat hadden wij verbazend veel pret. Ons joelen klonk +over het geheele dorp!</p> + +<p>De beer werd hoe langer hoe wilder, en toen het arme +dier daar zoo hulpeloos lag, werd Pieter-neef hoe langer, +hoe moediger. Hij ging vlak bij den beer staan en sloeg +hem met zijn stok.</p> + +<p>Maar o hemel, daar vlogen de duigen van het tonnetje +opeens krakend uit elkander, en sprong de beer onder luid +gebrom overeind, vlak voor Pieter-neef, die van angst +en schrik zijne bezinning geheel kwijt raakte en stokstijf +bleef staan.</p> + +<p>»Ga achteruit! Ga achteruit!» schreeuwden wij hem toe, +want wij dachten niet anders of hij zou verscheurd worden.</p> + +<p>Hij gehoorzaamde werktuiglijk. Zonder zijn starenden +blik van het dier af te wenden, liep hij voetje voor voetje +achteruit, gevolgd door het beest, dat met wijd geopenden +muil een vervaarlijk gebrom uitstiet. De haren rezen ons +ten berge van schrik.<span class="pagenum"><a name="Page_150" id="Page_150">[150]</a></span></p> + +<p>Opeens kon Pieter-neef niet verder, want hij werd +gestuit door een lantaarnpaal, waar hij met den rug +tegen terecht kwam. De beer kon niet verder van het +touw. Toen sprong hij met reuzenkracht op en krak — het +touw brak en de beer was los. Dat gaf een ontzettenden +schrik onder den jongenstroep. Onder den kreet +»De beer is los! De beer is los! De beer is los!» sloegen +allen op de vlucht.</p> + +<p>Neen, allen niet, want Pieter-neef kon niet. Hij stond +met den rug tegen den lantaarnpaal en durfde geen voet +verzetten. De beer liep brommend om hem heen. En Bob +ook niet. Die meende eens heel slim te handelen, door +met zijne gewone behendigheid in den grooten eikeboom +te klimmen, die midden op het marktplein stond.</p> + +<p>Och, och, wat zag die Pieter doodsbleek. Wij zagen, +hoe hij beefde van schrik en ontsteltenis. En de beer liep +voortdurend met kleine pasjes om hem heen, terwijl hij +hem aan alle kanten besnuffelde.</p> + +<p>Ik geloof, dat Pieter op dat oogenblik wel voor hem +op de knien had willen vallen, als dat had kunnen baten.</p> + +<p>»Help! Help!» klonk de kreet van de verschrikte +jongens, die op een eerbiedigen afstand stonden af te +wachten, wat er verder gebeuren zou. Niemand van hen +twijfelde er aan, of Pieter zou straks door het geplaagde +dier worden aangegrepen en — opgepeuzeld.</p> + +<p>Alleen Bob gevoelde zich boven in den top van den +eikeboom volkomen veilig en zeer goed op zijn gemak.</p> + +<p>»Ga op de vlucht!» riep hij Pieter toe, die nog altijd +tegen den lantaarnpaal stond.<span class="pagenum"><a name="Page_151" id="Page_151">[151]</a></span></p> + +<p>»’k Durf — niet — o — help!» kreunde Piet.</p> + +<p>»Stel hem voor, de vredespijp met je te rooken,» +plaagde Bob, die schik in het geval begon te krijgen.</p> + +<p>»O — Bob!» was alles, wat Piet antwoordde.</p> + +<p>»Of sla hem met je stok op zijn kop, als zoo even!» +ging zijn plaaggeest voort.</p> + +<p>Nu hield de beer stand, vlak voor Pieter. Wij zagen, +hoe hij hem vlak in het bleeke gezicht keek. Pieter +staarde wederkeerig bruintje wezenloos in het gelaat. De +beer zag er op dat oogenblik inderdaad veel verstandiger +uit dan zijn slachtoffer.</p> + +<p>Och, wat beefde Pieter. De ruitjes van de lantaarn +hoorden wij er van rinkelen.</p> + +<p>O hemel!</p> + +<p>Daar verhief de beer zich, vlak voor Pieter, plotseling +op de achterpooten en wilde zijne klauwen op Pieters +schouders leggen.</p> + +<p>Van den schrik maakte Piet eene driftige beweging met +zijn hoofd in achterwaartsche richting, maar daar stond +de lantaarnpaal, en nu stootte hij zijn hoofd zoo hevig, +dat hij van den weeromstuit voorover buitelde en terecht +kwam — in de harige armen van den beer. Daar stonden +zij om zoo te zeggen snoet tegen snoet! ’t Was zulk +een bespottelijk gezicht, die twee elkander daar zoo innig +te zien omarmen, dat Bob van het lachen bijna uit den +boom buitelde.</p> + +<p>Pieter-neef gaf een schreeuw, die ons door merg en +been drong, en wij twijfdelden niet, of nu zou de beer +hem verslinden. O, welk een vreeselijk drama stelden<span class="pagenum"><a name="Page_152" id="Page_152">[152]</a></span> +wij ons daar reeds van voor. Griezelig in hooge mate, — maar +toch uiterst belangwekkend.</p> + +<p>Maar neen, wij hadden het mis. Pieters kreet wekte +in het teedere gemoed van den beer zeker zachtere +aandoeningen, dan waarvoor wij hem vatbaar achtten, +want hij keek hem even aan, liet hem daarna los, ging +weer op vier pooten staan en begon zich langzaam te +verwijderen. Pieter verwaardigde hij met geen enkelen +blik meer.</p> + +<p>Meer dood dan levend bracht deze zich, struikelend +en strompelend, bijna zonder te weten wat hij deed, in +veiligheid, en toen hij ver genoeg van den beer verwijderd +was, om hem niet meer te vreezen, zette hij het op een +loopen, zoo snel zijne voeten hem konden dragen. Loopen — loopen, +dat hij deed, o, ’t was potsierlijk. Wij schaterden +van het lachen, maar hij keek niet op of om. Hij +holde voort, de brug over, — naar huis. Wij hebben hem +den geheelen avond niet terug gezien.</p> + +<p>Intusschen ontstond er een verbazende oploop op het +marktplein, want het gerucht, dat de beer losgebroken +en de berenleider niet thuis was (voor zoover wij bij een +man als Flip van »thuis zijn» kunnen spreken) ging als +een loopend vuurtje door het dorp rond. Zelfs Jan van +der Vliet, dien wij na de treurige gebeurtenis van den +laatsten Zondagmorgen nog niet buiten hadden gezien, +kwam ook toeloopen. Maar tot mijne ergernis moest ik +opmerken, dat de meeste jongens niets met hem te maken +wilden hebben en hem alleen lieten staan. Ik zag, dat +hij de tranen in de oogen kreeg, en had veel medelijden<span class="pagenum"><a name="Page_153" id="Page_153">[153]</a></span> +met hem. Ik ging daarom naast hem staan en zeide:</p> + +<p>»Kijk eens, Jan, de beer is los, en Bob zit in den +eikeboom.»</p> + +<p>»Waar is zijn baas, Dorus?» vroeg Jan met een blijden +lach, omdat ik even vriendelijk jegens hem was als altoos, +en hij pinkte tersluiks de tranen weg, die zijn beide +oogen verduisterden.</p> + +<p>»Die is naar Haarlem,» zei ik. »Zie eens, wat komt +er een oploop.»</p> + +<p>»Ja, — geen wonder; maar waarom komt Bob den +boom niet uit? Een beer kan immers klimmen?»</p> + +<p>Hemel, ja, daar had ik niet aan gedacht. Als Bob nu +maar in vredesnaam stil bleef zitten, zoodat de beer +geen erg in hem kreeg, want anders kon het wel eens +bitter slecht met hem afloopen.</p> + +<p>»Je hebt gelijk, Jan,» zei ik angstig. »Maar hoe zou +Bob er uit moeten komen? Je ziet toch wel, dat de beer +voortdurend onder den boom heen en weer loopt?»</p> + +<p>»Ja, dat is waar. ’t Is een benauwd half elfje voor +hem, en ik zou niet graag in zijne plaats willen zijn.»</p> + +<p>»Ik ook niet, Jan.»</p> + +<p>»Kijk, daar komt Tip ook, de veldwachter. Hij heeft +waarlijk eene revolver in de hand. Zou hij hem dood +gaan schieten?»</p> + +<p>»Ik weet het niet. Dat zou jammer wezen van het +arme dier, want hij doet tot nog toe niemand kwaad.»</p> + +<p>»Ja, — en ook voor zijn meester, want die zou met +hem meteen zijne broodwinning verliezen,» merkte Jan op.</p> + +<p>Intusschen werd de oploop met de minuut grooter.<span class="pagenum"><a name="Page_154" id="Page_154">[154]</a></span></p> + +<p>Wel honderden menschen vormden een grooten cirkel +om het beweegbare middelpunt, dat gevormd werd door +den beer, die doodkalm onder den boom heen en weer +bleef loopen. ’t Was aardig te zien, welk eene golving +er onder al die menschen kwam, als de beer zich eens +wat verder van den boom verwijderde.</p> + +<p>Dan ontstond er eene geweldige opschudding en onder +den kreet: »De beer komt! De beer komt!» sloegen zij +op de vlucht.</p> + +<p>Eindelijk verscheen ook de burgemeester op het marktplein. +Hij ging regelrecht naar Tip, dien hij met gefronste +wenkbrauwen en een toornigen blik aanzag, en +zeide op boozen toon:</p> + +<p>»Daar hebben wij het leven nu al gaande, Tip. ’t Is +me wat moois, — dat afschuwelijke beest hier midden +op het dorp.»</p> + +<p>»Ja burgemeester!» zei Tip, die er met zijne revolver +in de hand verbazend krijgshaftig en moorddadig uitzag.</p> + +<p>»Is die man nog niet thuis?»</p> + +<p>»’k Weet het niet, burgemeester. Wil ik het even +vragen? De beer is er nu niet dichtbij.»</p> + +<p>»Ja, — ga het vragen!» gebood de burgemeester, doch +opeens van gedachten veranderende, vervolgde hij:</p> + +<p>»Of neen, wacht even, ik zal het zelf doen. Houd jij +intusschen dat beest goed in het oog, terwijl ik bij den +wagen sta. Begrepen?»</p> + +<p>Tip sloeg aan en zeide dapper:</p> + +<p>»Verlaat u op mij, burgemeester. Ik zal over u waken. +Ga gerust.»<span class="pagenum"><a name="Page_155" id="Page_155">[155]</a></span></p> + +<p>De burgemeester, die aan de menschen eens wilde toonen, +dat hij volstrekt niet bang was, baande zich een weg +door den kring en ging met groote schreden op den +wagen af. Maar zie, daar kreeg plotseling bruintje het in +zijn hoofd, om ook naar den wagen te gaan, wat voor +den burgemeester een allesbehalve aangenaam voornemen +was. Inderdaad was hij niet bang van aard, maar om +ongewapend een beer tegemoet te gaan als dat strikt +genomen niet noodig is, achtte hij te veel gevergd, en +hij keerde daarom, tot groot vermaak van de omstanders, +naar Tip terug.</p> + +<p>Nu klonk dat lachen den burgemeester in het geheel niet +aangenaam in de ooren, want het scheen wel, of de menschen +hem uitlachten, en die gedachte maakte hem erg boos.</p> + +<p>»Tip!» gebood hij kortaf, »ga dat beest grijpen en +vastbinden!»</p> + +<p>»Jawel, burgemeester,» zei Tip, op militaire wijze de +hand aan de pet brengende.</p> + +<p>Maar Tip was vlugger met beloven dan met doen; +hij talmde zoo lang, dat de burgemeester kortaf tot hem +zeide:</p> + +<p>»Je hebt mijn bevel toch verstaan, Tip?»</p> + +<p>Tip krabde zich verlegen achter het oor en hield +den blik met eene eigenaardige uitdrukking, die veel +op angst geleek, op den beer gericht. Nu durfde hij +in het geheel niet bekennen, dat hij bang was, maar +tevens was hij vast besloten, het bevel van zijn meester +in geen geval op te volgen. Om tijd te winnen, zeide +hij, bij wijze van waarschuwing:<span class="pagenum"><a name="Page_156" id="Page_156">[156]</a></span></p> + +<p>»Ik ga, burgemeester, — maar als hij nu eens voor mij +op de vlucht gaat en zich op de menschen werpt? Wat +dan, burgemeester? Ik zou in een dergelijk geval niet +voor de gevolgen durven instaan. Niet dat ik bang ben, +in het geheel niet, burgemeester, maar ziet u, we moeten +toch altoos zorgen, dat de openbare veiligheid geen +gevaar loopt.»</p> + +<p>»Je hebt gelijk, Tip. Dat die akelige Flip nu ook juist +niet thuis is. Tip! Ik wil dat beest niet langer hier +midden in het dorp hebben, — begrepen, Tip!»</p> + +<p>»Ik zal er voor zorgen, burgemeester,» zei Tip, die +verbazend in zijne nopjes was, dat hij van de opdracht, +om den beer te vangen, ontslagen was.</p> + +<p>»Zie Tip, daar gaat hij weer naar den boom. Ga jij +nu naar den wagen, en vraag aan die vrouw, of Flip nog +niet haast thuis komt.»</p> + +<p>»Ja wel, burgemeester.»</p> + +<p>Tip stapte uit den kring en ging, met zijne revolver +gewapend, op den wagen af. O, wat nam hij groote +stappen, en wat keek hij schuin naar bruintje. De menschen +schoten allen in een lach, tot groote ergernis van Tip.</p> + +<p>Om eens duidelijk te toonen, dat hij volstrekt niet bang +was, zette hij een verbazend hooge borst, en bleef een +oogenblik doodkalm, naar het scheen, in den kring staan, +spelende met het wapentuig, dat hij in de hand hield. +Bijna was het hem gelukt, den menschen in den waan +te brengen, dat hij een buitengewone held was, die zich +door eene kleinigheid als een losgebroken beer volstrekt +geen angst liet aanjagen, toen plotseling het beest hem<span class="pagenum"><a name="Page_157" id="Page_157">[157]</a></span> +in het oog kreeg en met hooge sprongen spelende op +hem af kwam.</p> + +<p>O h, daar zakte de hooge borst in en verdween de +moedige trek op Tips gelaat. Op het volgende oogenblik +zette Tip, met revolver en al, het op een loopen, zoo hard +hij kon. De beer keerde bedaard naar den boom terug. +Wat werd die arme Tip uitgelachen! En toch was hij +niets banger dan iemand van de omstanders, want allen +hielden zich op een eerbiedigen afstand.</p> + +<p>Bob, die zich in den top van den hoogen boom volkomen +veilig achtte, had er ook niet weinig pret in, en +begon te zingen:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„O moeder, de beer is los;<br /></span> +<span class="i0">Hoor dat beest eens brullen!<br /></span> +<span class="i0">Snijd hem neus en ooren af,<br /></span> +<span class="i0">Dan hebben wij wat te smullen!”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>Wij hoorden hem nauwelijks, of wij begonnen dapper +me te zingen, tot groote pret van Bob. Maar de beer +had ons Bobje nu ook opgemerkt en — vlug als eene kat +klauterde hij den boom in.</p> + +<p>Dat vond Bob allesbehalve prettig, en wij zagen het +allen ook met angst aan.</p> + +<p>»Hij klimt in den boom! Hij klimt in den boom! Hij +zal Bob verscheuren!» klonk het van alle kanten, en de +burgemeester vond het meer dan tijd, om een einde aan +de zaak te maken.</p> + +<p>»Tip, schiet dat beest dood!» gebood hij. »Spoedig, of +het kost een menschenleven.»<span class="pagenum"><a name="Page_158" id="Page_158">[158]</a></span></p> + +<p>»Jawel, burgemeester,» zei Tip.</p> + +<p>Beiden begaven zich nu onder den boom. De beer +klauterde rustig steeds hooger, tot grooten schrik van +Bob, die het hoogste punt al had bereikt.</p> + +<p>»Schiet hem dood!» herhaalde de burgemeester.</p> + +<p>Maar Tip had niet veel lust om te schieten, want hij +wist, dat hij op de revolver volstrekt geen meester was.</p> + +<p>»Als ik misschiet, komt het beest stellig op mij af,» +dacht hij bij zichzelven, maar hij zeide het niet en zag +er weer zeer dapper uit.</p> + +<p>»Schiet dan!» gebood de burgemeester. »Straks heeft +hij dien jongen bereikt, en dan is het te laat! Schiet!»</p> + +<p>Tip legde aan, maar het wapen beefde hem in de hand +en hij durfde niet schieten.</p> + +<p>»Je beeft, Tip! Je bent een lafaard!» zei de burgemeester.</p> + +<p>»Maar — als ik misschiet, mijnheer de burgemeester, +en in plaats van den beer den jongen tref — wat dan?»</p> + +<p>»Je bent een lafaard, Tip!» herhaalde de burgemeester.</p> + +<p>»Klim in den boom en snel den jongen te hulp! +Dadelijk! Ik gebied het je, Tip!»</p> + +<p>Tip begon te klimmen, maar of de stam te dik voor +hem was, of dat hij al wat stijf begon te worden, weet +ik niet; zeker is het, dat Tip bleef waar hij was, aan +den voet van den boom.</p> + +<p>Intusschen volgden honderden oogen in den grootsten +angst den beer op zijn tocht naar boven. Bob kon zich +onmogelijk redden. Hij kon niet hooger — en niet lager +ook. Zooals hij ons later vertelde, verkeerde hij op dat<span class="pagenum"><a name="Page_159" id="Page_159">[159]</a></span> +oogenblik in doodsangst, tot hem plotseling een eenvoudig +middel tot redding in de gedachten kwam.</p> + +<p>De beer had thans den tak bereikt, waarop Bob zich +bevond. Bob meende dat zijn laatste oogenblik gekomen +was, toen hij opeens bemerkte, dat de beer hem in het +geheel niet onvriendelijk aankeek. Daar herinnerde Bob +zich dat hij nog een stuk brood voor den beer in den zak +had; en nauwelijks had hij dat bedacht, of hij haalde het +te voorschijn en stak het hem toe. Bruintje at het met +graagte op en liet een zacht gesnor hooren, als om hem +te bedanken.</p> + +<p>Bob begreep, dat hij van dit oogenblik gebruik moest +maken, om zich in veiligheid te brengen. »Die waagt, die +wint!» mompelde hij. Hij greep den beer bij het afgebroken +touw, blies een kort deuntje op zijne occarino, en +zei toen met gebiedende stem:</p> + +<p>»Hallo! Hop! Terug! Hallo! Terug! Hallo!» Meteen +rukte hij aan het touw, zooals hij den berenleider had +zien doen, als hij den beer iets gebood.</p> + +<p>Inderdaad — het beest gehoorzaamde, zooals hij dat +bij zijn meester gewoon was. En nauwelijks bemerkte +Bob, dat de beer ontzag voor hem had, of hij klom naar +omlaag, den beer steeds bij het touw vasthoudende.</p> + +<p>»Hallo! Hallo! Hop! Hop!» klonk het uit den boom, +en alle menschen hielden zich doodstil, om te zien, hoe +dit af zou loopen.</p> + +<p>Daar kwam bruintje naar beneden klauteren, gevolgd +door Bob, die niet weinig trotsch op zijne heldendaad was. +Nu hadden zij den grond weer bereikt.<span class="pagenum"><a name="Page_160" id="Page_160">[160]</a></span></p> + +<p>Bob blies op zijne occarino.</p> + +<p>»Hallo! Op! — Op!» gebood hij.</p> + +<p>En zie, onder een daverend gejuich van de toeschouwers +ging bruintje op zijne achterpooten staan en begon te +dansen. Bob voerde den dansenden kolos langzaam naar +den wagen, bond vlug de einden van het touw stevig +aan elkander, wierp den beer het laatste stukje van zijn +brood toe, — en ging bedaard heen.</p> + +<p>»Hoera voor Bob,» riep ik vol bewondering uit.</p> + +<p>En plotseling klonk het over het geheele marktplein, +en ik moet zeggen, dat oud en jong mededen, uit volle +borst:</p> + +<p>»Hoera! Hoera voor Wilden Bob! Hoera voor Bob!»</p> + +<p>Juist op dat oogenblik kwam de berenleider uit de +stad terug. De burgemeester trad dadelijk op hem toe.</p> + +<p>»Kunt ge dat beest niet beter vastleggen? Hij brengt +het geheele dorp in beroering en maakt het hier in +hooge mate onveilig.»</p> + +<p>Flip nam eerbiedig de pet van het hoofd, en zeide:</p> + +<p>»’t Beest is niet gevaarlijk, mijnheer de burgemeester.»</p> + +<p>»Niet gevaarlijk! Wilt ge nu praatjes gaan verkoopen? +’t Is toch een verscheurend dier?»</p> + +<p>»In naam, ja burgemeester, maar inderdaad heeft hij +nog nooit vleesch geproefd. Ik heb hem zelf opgefokt, +mijnheer de burgemeester, maar hij heeft nooit anders +dan brood van me gehad. Dat is de waarheid!»</p> + +<p>»Zoo, — nu, dat kan mij niet schelen. ’t Is een gevaarlijk +dier, een hoogst gevaarlijk dier. Indien ge hem niet +beter kunt vastleggen, moet ge morgen bij zonsopgang<span class="pagenum"><a name="Page_161" id="Page_161">[161]</a></span> +uit het dorp vertrekken. Dan kan ik u hier geen langer +verblijf toestaan. Hebt ge dat goed begrepen?»</p> + +<p>»Ik zal hem aan den ketting leggen, mijnheer de burgemeester, +en ik sta er u borg voor, dat hij niet meer +loskomt.»</p> + +<p>»Doe dat, — en wees gewaarschuwd,» zei de burgemeester +heengaande. Tip volgde hem met lang geen +opgeruimd gelaat. Hij begreep wel, dat hij in het geheel +geen kranig figuur gemaakt had.</p> + +<p>Maar Bob was onder ons, jongens, een held geworden +van het zuiverste water. Wij hadden den diepsten eerbied +voor hem gekregen en achtten hem tot de grootste +heldendaden in staat.</p> + +<p>En heel ver hadden we dat niet mis. Maar Pieter-neef +hebben we den volgenden dag geducht uitgelachen, en +dat had hij ook wel verdiend.</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_162" id="Page_162">[162]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Tiende Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Een Zaterdag, die voor Jan van der Vliet verdrietig begon<br /> +en prettig eindigde. Hoe mijnheer Denappel ons onthaalde,<br /> +Bob eene edelmoedige daad verrichtte en<br /> +Tines Wobbe met een pijnlijk oorbelletje<br /> +getooid werd.</p> + + +<p>Den volgenden dag was het Zaterdag, — de Zaterdag +waarop wij onzen wedstrijd op stelten zouden houden bij +den Heer Denappel. Wat stelden wij ons veel genot +van dat feestje voor.</p> + +<p>’s Morgens moest ik natuurlijk eerst mijn huiswerk +afmaken en mijn gewonen tocht naar het orgel doen. +Bob liet mij gelukkig dezen keer met rust, want hij vermaakte +zich met Karel Holm en Pieter-neef (die van +zijne Mama meer en meer verlof begon te krijgen, om +met de dorpsjongens om te gaan) op de markt bij den +kermiswagen.</p> + +<p>Toen ik met mijn huiswerk gereed was, ging ik Jan +van der Vliet afhalen, die als gewoonlijk, den blaasbalg<span class="pagenum"><a name="Page_163" id="Page_163">[163]</a></span> +voor mij zou trappen. Ik vond Kees en Trijn aan de tafel +zitten, moedeloos en bleek. Ik zag, dat Trijn tranen in de +oogen had en dat zij in dien korten tijd zeer afgevallen +was. Ik groette beleefd en vriendelijk, zooals altoos, en +zei, dat het mooi weertje was, want iets anders wist ik +niet te zeggen, en Kees zei ook, dat het mooi weertje +was. Verder werd er niet gesproken, want Jan was spoedig +gereed om mij te vergezellen.</p> + +<p>Eerst sprak Jan ook niet, maar toen wij dicht bij den +koster waren, zei hij op eens:</p> + +<p>»Ik wou, dat ik dood was!»</p> + +<p>En meteen begon hij te schrein.</p> + +<p>Ik wist niet, wat ik zeggen moest, en zei daarom niets.</p> + +<p>»Ja, — dood!» herhaalde Jan. »O Dorus, je weet niet +hoe treurig het bij ons in huis is. Vader zit den ganschen, +langen dag stil bij de tafel, zonder een woord te spreken, +en Moeder doet niets dan schreien, — schreien van den +morgen tot den avond. En als ik ’s nachts wakker word, +hoor ik haar ook nog dikwijls snikken. En toch zijn Vader +zoowel als Moeder onschuldig, Dorus! Als zij dat niet +waren, zou ik het toch moeten weten, niet waar?»</p> + +<p>»Ja, dat denk ik ook, Jan,» zei ik.</p> + +<p>»Zeker, dat zou ik,» vervolgde Jan. »Dan zou ik het +weten. Maar Vader en Moeder zeggen, dat zij het niet +gedaan hebben, en ik hoor hen er samen wel over praten, +als ik op bed lig en als zij denken, dat ik slaap. En +dan hoor ik het ook, dat zij onschuldig zijn, en dat het +geld bepaald met voordracht onder onze deur geschoven +is, om zoo de verdenking op ons te doen vallen. O, ’t<span class="pagenum"><a name="Page_164" id="Page_164">[164]</a></span> +is afschuwelijk, Dorus, en ik kan het bijna niet langer +aanzien, dat Moeder wegkwijnt van verdriet. Ik wou, +dat ik dood was, Dorus.»</p> + +<p>Wij stonden beiden stil, dicht bij het kostershuis.</p> + +<p>»Dood zijn, Jan?» zei ik. »Dat is het ergste van alles. +Neen, je moet den moed niet laten zakken, en probeeren +je ouders te troosten. Als zij onschuldig zijn, zal dat +eenmaal blijken.»</p> + +<p>»Ach ja, ’t is wel vriendelijk van je, Dorus, om dat te +zeggen, maar eergisteren zijn Vader en Moeder voor den +Officier van Justitie geweest, en die heeft hen ondervraagd, +en zij konden best aan hem merken, dat hij niet aan +hunne onschuld geloofde. En ’t is ook waar, dat zij den +schijn tegen zich hebben, — dat moet ik zelf zeggen. Ik +geloof, dat het slecht zal afloopen, Dorus.»</p> + +<p>»Je kunt niet weten, hoe het nog uitkomt,» zei ik. +»Maar willen we nu de sleutels gaan halen?»</p> + +<p>Zwijgend gingen wij verder. De koster was in den +tuin aan het werk, en Arie de Zwaan zat op een bankje +achter het huis.</p> + +<p>»Zoo, kom je de sleutels halen?» vroeg hij aan mij. En +Jan aanziende vervolgde hij met een grijnslachje, dat hem +erg leelijk maakte:</p> + +<p>»Wel kijk, daar hebben we Jan van de dievenfamilie +ook. Je moogt wel op je porte-monnaie passen, Dorus.»</p> + +<p>Ik zag, dat Jan doodsbleek werd en de vuisten balde.</p> + +<p>»Dat is laster, — gemeene laster!» siste hem tusschen +de lippen door.</p> + +<p>»Kijk, kijk zoo’n klein kereltje zich al eens boos maken,»<span class="pagenum"><a name="Page_165" id="Page_165">[165]</a></span> +lachte Arie sarrend. »Niets uit de kerk menemen, hoor +kleine langvinger.»</p> + +<p>»Kom Jan, laten we gaan,» zei ik, want ik had medelijden +met hem.</p> + +<p>Maar Jan wilde niet. Zonder een woord te spreken +vloog hij op Arie toe, krabde hem in het gelaat, en +schopte en sloeg hem overal, waar hij hem raken kon. +De arme jongen huilde van verontwaardiging, nu hij z +over zijne ouders hoorde spreken.</p> + +<p>Dat viel Arie tegen en het deed hem zeker veel pijn. +Want hij stond driftig op en wierp Jan met een ruk +achterover op de straat, en hij keek heel boos.</p> + +<p>»Jou kleine adder!» riep hij Jan toe, »die grappen zal +ik je afleeren!»</p> + +<p>Hij kwam met groote schreden op Jan af, maar ik +plaatste mij tusschen hen en duwde Jan voort. De strijd +was veel te ongelijk. Hoe zou Jan het kunnen uithouden +tegen een volwassen man als Arie de Zwaan?</p> + +<p>»We zullen op je letten, kleine langvinger, pas op, dat +je niets mee neemt uit de kerk!» riep Arie hem nog +na. »Wij weten te goed, dat het muist wat van de +katten komt.»</p> + +<p>»Laat hem praten, Jan, en stoor er je niet aan,» zei +ik, om Jan te troosten.</p> + +<p>»De valschaard! Wat denkt hij wel? Maar bang ben +ik niet van hem!» zei Jan schreiend om den hoon, die +zijn ouders was aangedaan.</p> + +<p>Wij gingen nu de kerk binnen, en ik begon te spelen. +Maar Jan kwam niet bij me staan, zooals hij gewoonlijk<span class="pagenum"><a name="Page_166" id="Page_166">[166]</a></span> +deed. Hij bleef op de trappers en telkens hoorde ik hem +snikken. Hij was geheel en al in de war.</p> + +<p>Ook mijne aandacht was niet bij het spel. Telkens +moest ik aan die arme menschen denken, die onder zoo +ontzaglijk veel verdriet gebukt gingen en toch geheel +onschuldig waren. Want daaraan twijfelde ik, na Jans +woorden, niet langer.</p> + +<p>Ik was blij, toen mijn studietijd om was en ik naar huis +kon gaan. De sleutels bracht ik alleen terug, want ik +vond het beter, dat Jan maar niet meeging. Dat vond +hij trouwens zelf ook beter.</p> + +<p>»Doe je straks mede aan den wedstrijd?» vroeg ik hem +onder het naar huis gaan.</p> + +<p>»Ik moest maar thuisblijven,» zei hij met een diepen +zucht. »Veel lust heb ik er nu toch niet in, nu wij zooveel +narigheid hebben, en de jongens zien mij liever niet +dan wel.»</p> + +<p>»Dat geloof ik niet,» zei ik, om hem te troosten, maar +ik wist, dat het waar was.</p> + +<p>»Zeg dat niet, Dorus, ik heb het gisteren zelf gezien. +Jij alleen bent net als altijd, Dorus, en dat vind ik mooi +van je. Dat zal ik nooit vergeten.»</p> + +<p>»En Bob dan? — En Karel Holm?» vroeg ik. »Zij +zullen je ook niet uit den weg gaan.»</p> + +<p>»Neen hoor, — daar kun je op rekenen, Jan!» hoorden +wij plotseling eene stem zeggen van achter eene haag, +die langs den weg stond. En toen we goed toekeken, +zagen we Bob, die daar stil was weggekropen, om ons +af te wachten. Hij kwam nu te voorschijn.<span class="pagenum"><a name="Page_167" id="Page_167">[167]</a></span></p> + +<p>»Kom jij maar gerust, hoor Jan, en als er n jongen +is, die het je lastig maakt, krijgt hij met mij te doen!»</p> + +<p>Die woorden kwamen er zoo gul uit, dat het mij in +mijn hart goed deed. En Jan klaarde er ook heelemaal +van op.</p> + +<p>»Zou ik het doen?» vroeg hij weifelend, en wij zagen +duidelijk, hoe graag hij wilde.</p> + +<p>»Zeker, — doen!» zei Bob op zijn beslisten toon. »Als +je het niet doet, dan ben ik boos op je. Ik kom je +afhalen, hoor Jantje, tot straks!»</p> + +<p>Dat was fideel van Bob.</p> + +<p>»Ik ook!» riep ik Jan nog na, die al op den Achterweg liep.</p> + +<p>»Goed. — Ik doe me!» klonk zijn antwoord.</p> + +<p>Wij hielden woord.</p> + +<p>Bob en ik haalden Jan af en met ons drien stapten +we, op stelten natuurlijk, den Achterweg op, waar wij de +jongens in de verte al hoorden joelen.</p> + +<p>Ha, de vlaggen wapperden vroolijk in den wind! Wat +was dat een mooi gezicht. Wij huppelden bijna op onze +stelten van pleizier, en zelfs Jan werd er vroolijk van.</p> + +<p>»Wat is mijnheer Denappel toch vriendelijk!» zei hij +opgetogen. »’t Is een man, zooals er maar weinig zijn.»</p> + +<p>Dat waren wij volkomen met hem eens. Wij zagen hem +in de verte al druk rondloopen, om alles in orde te brengen.</p> + +<p>»Aan elk einde van de baan staat zeker eene vlag,» +zei Bob. »Jongens, wat ben ik nieuwsgierig, wie den +prijs zal winnen.»</p> + +<p>»Jij natuurlijk,» zei Jan.</p> + +<p>»Ja, of Tines Wobbe,» zei Bob. »Die kan het ook vlug.»<span class="pagenum"><a name="Page_168" id="Page_168">[168]</a></span></p> + +<p>»Doet Pieter niet me?» vroeg ik.</p> + +<p>»Ja, hij is er al. Pa heeft hem een paar nieuwe stelten +cadeau gegeven, waar hij heel blij mede was. Maar winnen +zal hij het wel niet, want hij kan het nog niet vlug. +Doch dat hindert niets; hoe meer zieltjes, hoe meer vreugd, +zeg ik maar.»</p> + +<p>Wij hadden nu de kampplaats bereikt, waar eene buitengewone +drukte heerschte. Zoo doodsch en stil als het +gewoonlijk op dit gedeelte van den Achterweg was, zoo +levendig was het er thans. De jongens, allen op stelten, +liepen en sprongen door elkander heen; hun lachen en joelen +klonk ver in het rond en de vlaggen wapperden vroolijk.</p> + +<p>Opeens werd het stil onder den troep, want Tines Wobbe +zei op luiden toon, zoodat iedereen het verstaan kon, en +met een minachtenden trek op het gelaat:</p> + +<p>»Moet hij ook medoen?»</p> + +<p>Bij die woorden wees hij op Jan van der Vliet, en de +wijze, waarop hij dat woordje <em>hij</em> uitsprak, deed ons +allen pijn. Ik zag, hoe Jans vroolijkheid ineens verdween +en dat hij bleek werd van schaamte. Juist wilde ik voor +hem in de bres springen, toen Bob van zijne stelten +stapte en vlak voor Tines ging staan.</p> + +<p>»Ja, Tines Wobbe, hij zal ook medoen. Ik wil hopen +dat je daar niets tegen hebt?»</p> + +<p>»Als hij medoet, ga ik naar huis!» zei Tines, en +smalend liet hij er op volgen: »Met zulk volk houd ik +mij niet op. Ik denk, dat mijnheer Denappel er ook +niet op gesteld zal zijn, dat hij aan den wedstrijd deelneemt.»<span class="pagenum"><a name="Page_169" id="Page_169">[169]</a></span></p> + +<p>»Dus als Jan meedoet, zullen we van jou gezelschap +verstoken zijn, Tines Wobbe?» vroeg Bob. »Wel, jongen, +ga dan maar dadelijk naar huis, want Jan blijft hier en +doet ongetwijfeld me. Ik ben het overigens volkomen +met je eens, dat jij veel te goed voor hem zijt, dus — dag +Tines!»</p> + +<p>Bob nam zijn hoed voor Tines af en maakte eene diepe +buiging voor hem, waarom wij allen moesten lachen.</p> + +<p>»Dat zou jij wel willen, h Bob?» zei Tines, die er +toch eigenlijk niet veel lust in had, om den wedstrijd in +den steek te laten. »Dan was jij vrij zeker van den prijs!»</p> + +<p>»Juist, Tines. Praat nu maar niet langer, en ga heen. +Dag Tines!»</p> + +<p>»Voor jou ga ik niet, Bobbertje. Jij hebt hier niets +te zeggen, voor zoover ik weet.»</p> + +<p>Nu was Bobbertje een naam, dien Bob alleen maar +door zijne beste vrienden kon hooren uitspreken. Zoodra +het een scheldnaam werd, ergerde hij er zich vreeselijk aan.</p> + +<p>»Bobbertje!» zei hij driftig. »Zeg dat nog eens, als +je durft!»</p> + +<p>»Dat durf ik wel, Bobbertje!» zei Tines sarrend.</p> + +<p>Flap! Daar kreeg hij een klap om zijne ooren, dat het +klonk als eene klok.</p> + +<p>Flap! Daar kreeg Bob er een terug, die ook niet +mis was.</p> + +<p>’t Werd eene formeele vechtpartij. Gelukkig, dat juist +op dit oogenblik mijnheer Denappel verscheen en de +vechtenden scheidde.</p> + +<p>»Ho, ho, vgiendjes, wat is hieg te doen?» vroeg hij<span class="pagenum"><a name="Page_170" id="Page_170">[170]</a></span> +vriendelijk. »Mag ik eg jelui aan heginnegen, dat ik je +niet uitgenoodigd heb, om hieg te komen vechten? Je +bent abuis, vgiendjes, geheel abuis. We zijn hieg bij +elkandeg gekomen, om een pgettigen wedstgijd op stelten +te houden. Was je dat veggeten?»</p> + +<p>Bob en Tines lieten elkander los, en Bob zeide:</p> + +<p>»Ja mijnheer, dat weet ik wel, maar Tines....»</p> + +<p>»Wel kijk, daag hebben wij onzen vgiend van deg +Vliet ook. Daag ben ik zeeg blij om, zeeg blij. Geef +mij de hand, jongen.»</p> + +<p>O, wat werd Jan verheugd bij die hartelijke woorden, +en wat keek Tines Wobbe leelijk op zijn neus. Wij hadden +er groote pret van.</p> + +<p>»En nu niet meeg vechten, hoog. Komt, jongens, ’t +is tijd om te loten. Maag eegst mag ik jelui zekeg wel +tgakteegen op een glaasje heeglijken appelwijn?»</p> + +<p>»Wat graag, mijnheer, wat graag!» klonk het rondom, +en allen gingen wij mede naar den tuin, waar een paar +tafeltjes en eenige banken voor ons gereed stonden. Ook +was daar een groote glazen kom, waarin mijnheer Denappel +de nummers deed, netjes opgerold en in een ringetje +gestoken, opdat alles eerlijk in zijn werk zou gaan. +Zoodra wij den appelwijn genoten hadden, begon de +loting. Dat was een gewichtig oogenblik, want van de +loting hing heel veel af. Wij waren met ons twaalven; +niet, dat het aantal jongens niet grooter was; o ja, er +waren er wel vijftig, maar de anderen waren nog te +jong, om aan den wedstrijd deel te nemen. Zij waren +alleen maar toeschouwers, en verhoogden als zoodanig de<span class="pagenum"><a name="Page_171" id="Page_171">[171]</a></span> +feestvreugde niet weinig. Ook waren zij wel terdege de +gasten van mijnheer Denappel, evengoed als wij. Als er +appelwijn geschonken werd, of als er taartjes gepresenteerd +werden, waren zij er bij als de kippetjes.</p> + +<p>Hier volgt het lijstje van de nummers, die getrokken +werden:</p> + +<div class="centered"><ol> +<li>Pieter van Koorde.</li> +<li>Jan van der Vliet.</li> +<li>Adriaan Bolt.</li> +<li>Tines Wobbe.</li> +<li>Huibert de Leeuw.</li> +<li>Dorus Volmaar.</li> +<li>Karel Holm.</li> +<li>Bob de Wild.</li> +<li>Cor Valk.</li> +<li>Dirk Langeraar.</li> +<li>Arie Kooy.</li> +<li>Karel Buurs.</li> +</ol></div> + +<p>Ik had het vrij goed getroffen, want Huibert de Leeuw +was niet bijzonder vlug op de stelten, zoodat ik het +gemakkelijk van hem winnen kon. Maar Jan van der +Vliet was nog veel gelukkiger geweest, want Pieter van +Koorde kon er maar weinig van, terwijl Jan er juist +tamelijk vlug op was. Voor Bob en Karel was het erg +jammer, dat zij juist tegen elkander moesten loopen, +hoewel het moeilijk vooruit te zeggen was, wie van hen +het winnen zou. Bob was er iets vlugger op dan Karel, +dat is waar, maar als Bob het ongeluk had te vallen, +was hij verloren.<span class="pagenum"><a name="Page_172" id="Page_172">[172]</a></span></p> + +<p>»Komt jongens, we gaan beginnen!» riep mijnheer +Denappel, toen hij onze namen in volgorde opgeschreven +had. »Wie twee gitten veglogen heeft, is dood, — goed +begepen?»</p> + +<p>»Best begrepen, mijnheer. Wij zijn klaar.»</p> + +<p>»Numego 1 en 2!» riep mijnheer Denappel, zich bij +de vlag plaatsende aan het begin van de baan. Aan het +andere einde, waar de vlag een seinpaal vormde, stond +een van zijne bedienden, die na elken rit de vlag zou +doen zwenken naar den kant van den winner.</p> + +<p>Pieter van Koorde en Jan van der Vliet stonden gereed.</p> + +<p>»Een — twee — dgie!» riep mijnheer Denappel, en +bij den derden tel ging het voorwaarts.</p> + +<p>Och, och, wat huppelde Pieter nog raar op die stelten, +en wij moesten er smakelijk om lachen, maar toch +vonden wij het flink van hem, dat hij meedeed.</p> + +<p>»Pieter-neef is zoo kwaad nog niet,» zei Bob vrij +eigenwijs, »als hij lang bij ons blijft, zal hij wel opknappen.»</p> + +<p>Een oogenblik later ging de vlag over naar de zijde +van Jan. Deze had het dus gewonnen, en Pieter kreeg +een streepje.</p> + +<p>»Numego dgie en vieg!» klonk het nu.</p> + +<p>Adriaan Bolt en Tines Wobbe waren nu aan de beurt.</p> + +<p>Nu, wij konden wel vooruit zeggen, wie van deze twee +het winnen zou, want tegen Tines Wobbe kon bijna +niemand loopen. De vlag maakte even later bekend, dat +wij goed gezien hadden, en Adriaan Bolt kreeg ook een +streepje.</p> + +<p>»Numego vijf en zes!»<span class="pagenum"><a name="Page_173" id="Page_173">[173]</a></span></p> + +<p>Nu was ik aan de beurt.</p> + +<p>»Niet al te hard, Dorus!» zei Huibert, »want dan +lachen ze me uit, als ik het zoo ver verlies.»</p> + +<p>»Je zult er met eere afkomen!» riep ik hem toe, en +inderdaad won ik het met slechts een kleinen voorsprong, +maar ik had ook bij lange na zoo hard niet geloopen, +als ik kon.</p> + +<p>Nu volgden Bob en Karel. Dat beloofde een mooien +toer, want zij konden het beiden best.</p> + +<p>»Een — twee — dgie!» riep mijnheer Denappel, en +daar gingen ze. O, o wat liepen die twee. ’t Scheen +bijna, of zij geen stelten onder de voeten hadden, en +langen tijd bleven zij precies gelijk. ’t Was prachtig, om +te zien.</p> + +<p>Tik, daar sloegen opeens de stelten van Bob tegen +elkander, Bob maakte eene buiteling, — en kreeg een +streepje.</p> + +<p>Toen kwamen Cor Valk en Dirk Langeraar, ook een +paar, dat aan elkander gewaagd was. Maar Cor Valk +won het toch, en van de laatste twee was Karel Buurs +de baas. Nu hadden wij allen n loop gedaan, en we +zouden aan den tweeden beginnen.</p> + +<p>»Maag eegst een taartje en een kleine vegfgissching.» +riep mijnheer Denappel ons toe. Ik geloof, dat de brave +man evenveel pret had als wij. En wat kwamen er een +toeschouwers. ’t Werd een feest van belang!</p> + +<p>Nu begon de wedstrijd nog belangwekkender te worden, +want wie thans weer een streepje kreeg, mocht niet +meer medoen.<span class="pagenum"><a name="Page_174" id="Page_174">[174]</a></span></p> + +<p>Pieter van Koorde was de eerste doode, en wij omringden +hem met ernstige gezichten, om hem te condoleeren. +Toen volgde Adriaan Bolt, en daarna Huibert +de Leeuw. Bob won den tweeden rit, zoodat hij en +Karel Holm er nu ieder een gewonnen hadden; zij +moesten dus nog eenmaal kampen. Datzelfde was het +geval met Cor Valk en Dirk Langeraar. Eindelijk kreeg +ook Arie Kooy zijn tweede streepje.</p> + +<p>Nu volgden de kampritten. Allen waren wij nieuwsgierig +naar den uitslag.</p> + +<p>»Numego acht en negen!» riep mijnheer Denappel.</p> + +<p>Karel en Bob stonden gereed, en nauwelijks hoorden +zij het woordje »dgie», of daar gingen zij. Ha, ’t was +een lust hen te zien gaan! Langen tijd bleven zij gelijk, +tot eindelijk Karel Holm een klein weinigje begon te +winnen. Wij rekten de halzen uit, om te zien, wie het +eerst bij den eindpaal zou zijn. Bob spande zich bovenmatig +in, maar Karel bleef voor, tot hij opeens struikelde +en viel. En nog vor hij kon opstaan had Bob de vlag +bereikt en was Karel dood.</p> + +<p>Vijf minuten later trof Dirk Langeraar hetzelfde lot +en trad Cor Valk als overwinnaar uit het strijdperk.</p> + +<p>Op dit oogenblik gingen de zes dooden dicht bij elkander +zitten, en hieven een jammerlijk gehuil aan. Mijnheer +Denappel schrikte er van en spoedde zich dadelijk naar +de plaats, vanwaar het misbaar opging.</p> + +<p>»Wel vgiendjes, — wel vgiendjes, wat scheelt eg aan, +wat is eg?» vroeg hij ontsteld.</p> + +<p>En toen jammerde de geheele troep in koor:<span class="pagenum"><a name="Page_175" id="Page_175">[175]</a></span></p> + +<p>»We zijn dood! — We zijn dood! O, o, we zijn dood!» +Wij moesten geweldig lachen om die dwaasheid, en +mijnheer Denappel niet het minst.</p> + +<p>»Agme jongens,» zei hij op medelijdenden toon, »wat +is dat jammeg, want ik meende juist nog een glaasje +appelwijn en een taagtje te pgesenteegen. Maag nu +behoef ik dat bij jelui niet te doen.»</p> + +<p>»We zijn al weer levend!» klonk het dadelijk uit zes +monden tegelijk, en de zes dooden liepen om het hardst +naar de tafel in den tuin, waar de versnaperingen rondgedeeld +werden.</p> + +<p>Wij waren nu nog met ons zessen overgeschoten, in +deze volgorde:</p> + +<div class="centered"><ol> +<li>Jan van der Vliet.</li> +<li>Tines Wobbe.</li> +<li>Dorus Volmaar.</li> +<li>Bob de Wild.</li> +<li>Cor Valk.</li> +<li>Karel Buurs.</li> +</ol></div> + +<p>Jan en Tines waren nu dus het eerst aan de beurt, +en wij durfden gerust voorspellen, dat Jan het verliezen +zou. Hij was wel een goed steltlooper, maar Tines was +de vlugste van ons allen. Toch hadden wij ons vergist, +want beide keeren had Tines het ongeluk te vallen, +terwijl Jan harder scheen te loopen, dan wij ooit van +hem gezien hadden.</p> + +<p>»Numego dgie en vieg!» riep mijnheer Denappel, en +nu moest ik tegen Bob draven.</p> + +<p>»Houd je goed, Dorus!» riepen sommigen mij toe.<span class="pagenum"><a name="Page_176" id="Page_176">[176]</a></span> +Vooral Tines Wobbe, die nu ook dood was, scheen Bob +de overwinning in het geheel niet te gunnen. Hij +moedigde mij met luider stem aan, mijn leven zoo duur +mogelijk te verkoopen.</p> + +<p>Bob keek hem eens met een schuin oog aan, +en zei:</p> + +<p>»Hij gunt mij niet veel goeds, Dorus. Wat zou hij +lachen als ik het verloor.»</p> + +<p>»Laat hem, Bob. Wij zullen er eerlijk om kampen, +en elkaar niet boos aankijken, als het straks beslist is, +hoe die beslissing ook zijn moge.»</p> + +<p>»Natuurlijk,» was het eenvoudige antwoord.</p> + +<p>»Klaag?» riep mijnheer Denappel. »Vooguit dan. En-twee-dgie!»</p> + +<p>Ik liep, wat ik loopen kon, en maakte naast Bob lang +geen gek figuur, want ik bleef hem kort op de hielen.</p> + +<p>Tines Wobbe riep mij voortdurend toe:</p> + +<p>»Houd vol, Dorus! Je wint! Je wint! Houd vol!»</p> + +<p>Maar het mocht niet baten. Twee keeren achtereen +werd ik door Bob verslagen. Ik was dood.</p> + +<p>Van het laatste tweetal bleef Cor Valk de baas, zoodat +er nu nog maar drie overbleven, en wel Jan van +der Vliet, Bob de Wild en Cor Valk.</p> + +<p>Eerst moesten Jan en Bob loopen.</p> + +<p>»Nu zal Jan den prijs winnen,» fluisterde Bob mij toe. +»Als ik het tegen hem verlies, schieten hij en Cor Valk +alleen over en van Cor kan hij het wel winnen.»</p> + +<p>»Dus je wilt het hem laten winnen?»</p> + +<p>»Ja,» zei Bob, »ik zou zoo graag willen, dat hij den<span class="pagenum"><a name="Page_177" id="Page_177">[177]</a></span> +eersten prijs won, al was het alleen maar, om Tines +Wobbe te plagen.»</p> + +<p>»Maar dan win jij niets?» zei ik. »En je loopt het +hardst.»</p> + +<p>»Dat hindert niet. Ik wil Tines nu eens echt boos +zien worden.»</p> + +<p>»Neen Bob, dat weet ik wel beter. ’t Is volstrekt +niet, omdat je Tines kwaad wilt maken, maar omdat je +medelijden met Jan hebt. Dt is de reden.»</p> + +<p>»Gekheid!» zei Bob heengaande. »Je hebt het mis, +hoor Dorus, heelemaal mis!»</p> + +<p>Jan en Bob stonden gereed, en na de gewone drie tellen +staken zij af. Jan liep wat hij loopen kon, al was het +dan ook niet, om te winnen, want hij wist wel, dat Bob +sneller liep dan hij. Zijne verbazing kende dus bijna geen +grenzen, toen hij bemerkte, dat Bob wel dicht bij hem, +maar toch steeds achter hem bleef en het maar niet +scheen te kunnen winnen.</p> + +<p>»Kijk eens,» riepen de jongens, die zich verwonderden +over hetgeen zij zagen, »kijk eens, Jan wint het van +Bob! Houd je goed, Bob, houd je goed. — Kijk, Bob +verliest — nog een oogenblik — wel heb ik van mijn +leven, Bob heeft het verloren! Hoe is dat mogelijk?»</p> + +<p>»Ik lijk wel moede te worden,» zei Bob, toen de jongens +hem bestormden met de vraag, hoe dit mogelijk was.</p> + +<p>»Dat is vreemd» zei Jan, »want ik ben in het geheel +niet mo.»</p> + +<p>Nu volgde de tweede rit, en — met denzelfden uitslag. +Bob had twee streepjes en was dus dood.<span class="pagenum"><a name="Page_178" id="Page_178">[178]</a></span></p> + +<p>Thans moesten na eene kleine pauze Jan en Cor Valk +om den eersten en den tweeden prijs kampen, en de +uitkomst was, zooals Bob die voorspeld had. Jan won +den eersten en Cor den tweeden; zoodat alles heel anders +was afgeloopen, dan wij gedacht hadden.</p> + +<p>Wat was Jan van der Vliet blij!</p> + +<p>»Toch kan ik het mij niet begrijpen, Bob,» zei hij, +»want jij loopt toch veel beter dan ik.»</p> + +<p>»Wacht maar, Jantje,» zei Bob, die er ook zeer verheugd +uitzag, nu zijn list zoo goed gelukt was, »ik zal +het later wel eens beter overdoen, dat beloof ik je!»</p> + +<p>»Nu naag den tuin,» zei mijnheer Denappel. En wij +volgden hem allen, om getuigen te zijn van de prijsuitdeeling.</p> + +<p>Hij plaatste zich achter de tafel en liet Jan en Cor +tegenover hem staan. Daarachter stonden wij allen op +een hoop gedrongen. ’t Werd nu stil, en mijnheer +Denappel zeide:</p> + +<p>»Waagde Vgiendjes! Ik heb een gecht pgettigen middag +gehad en met vgeugde heb ik gezien, dat je op de stelten +gechte bazen bent. ’t Spijt me wel, dat ik voog iedeg +van jelui geen pgijs beschikbaag heb, want ik zou eg je +gaag allen een geven. Dat kan nu eenmaal niet. Hieg +heb ik een pgachtig boek in een fgaaien band, en dat +boek geef ik jou, Jan van deg Vliet, omdat ik tot mijne +vgeugde gezien heb, dat jij vlugste van allen zijt. Hieg, +mijn jongen, lees eg pgettig in! Het heet Gobinson Cguso.»</p> + +<p>Met een hoog rood gelaat van blijdschap nam Jan het +prachtige boek aan.<span class="pagenum"><a name="Page_179" id="Page_179">[179]</a></span></p> + +<p>Mijnheer Denappel drukte hem de hand en Jan betuigde +zijn dank.</p> + +<p>»En hieg heb ik den tweeden pgijs, Cog Valk, een +boek, waagin je de avontugen kunt lezen van den Bagon +van Munchhausen. Dat boek heb jij eeglijk gewonnen; +ziedaag, neem het van mij aan, en lees het met pleizieg.»</p> + +<p>Ook Cor nam onder dankbetuiging zijn prijs in bezit.</p> + +<p>»En nu heb ik hieg nog een fgaaie pogte-monnaie,» +vervolgde mijnheer Denappel, »en ik beggijp, dat je +nieuwsgiegig zijt, aan wien ik die zal geven. Dit voogwegp +is geen pgijs, vgiendjes, die doog dezen of genen +gewonnen is, neen, — ’t is een cadeau, dat ik geef, aan +wien ik wil. En nu geef ik haag aan Bob de Wild, +omdat die agme jongen z bijzondeg moede gewogden +is dezen middag, dat hij op het laatst lang zoo hagd +niet meeg kon loopen als in het eegst. ’t Is dus uit +medelijden, dat hij dit geschenk van mij kgijgt.»</p> + +<p>Hij reikte de porte-monnaie aan Bob over en knipoogde +bijna onmerkbaar tegen hem. Ik zag het en +begreep nu zeer goed, dat hij opgemerkt had, hoe Bob +met voordacht Jan den prijs had laten winnen, wat hij +zeker eene mooie daad van Bob vond.</p> + +<p>Bob bedankte hartelijk voor het mooie geschenk en +was er zeer blijde mede. Hij deed de beugels open en +dicht, en zeide tegen ons:</p> + +<p>»’t Is eene beste, hoor haar maar eens flink dichtknippen.» +En haar Tines bij het oor houdende zeide hij: +»Luister maar, Tines, je kunt het best hooren.»</p> + +<p>Tines luisterde, maar hoorde niets. Wel voelde hij<span class="pagenum"><a name="Page_180" id="Page_180">[180]</a></span> +plotseling eene hevige pijn in zijn oorlelletje, en dat was +geen wonder, want Bob had zijn cadeau er zoo dicht +bijgehouden, dat het vel er tusschen geknipt zat. O, o, +wat schreeuwde Tines benauwd, en met de porte-monnaie +aan het oor, sprong hij als een wilde door den tuin rond.</p> + +<p>’t Was een dwaas gezicht, waarover wij verbazend veel +pret hadden. Bob stond te schudden van het lachen, en +ik geloof zelfs op dit oogenblik nog, dat de ondeugd het +er om gedaan had.</p> + +<p>Mijnheer Denappel verloste Tines van het pijnlijke +oorbelletje en gaf het Bob terug, daarbij dreigend den +vinger tegen hem opstekende.</p> + +<p>Wij bleven nu nog prettig een paar uren in den tuin +spelen, en vertrokken pas toen het al donker begon te +worden. Ons luid: Lang zal hij leven! Hoezee! Hoezee! +ter eere van mijnheer Denappel, weerklonk over het +geheele dorp.</p> + +<p>’t Was een heerlijke middag geweest.</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_181" id="Page_181">[181]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Elfde Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Van een klein bakkertje en een grooten wagen. Hoe wij<br /> +eene wandeling door het bosch maakten en Burts ontmoetten.<br /> +Onze vlucht en de gevolgen daarvan.<br /> +Pieter komt tot de ontdekking, dat het in<br /> +het bosch spookt.</p> + + +<p>’t Zal een dag of drie later geweest zijn, toen wij met +ons vieren, Bob en zijn neef Pieter, Karel Holm en ik, +eene wandeling maakten door het dorp. Pieter zou den +volgenden dag weer met zijne Mama naar Amsterdam +terug keeren. Ik zeg, dat wij eene wandeling maakten, +maar dat is eigenlijk niet geheel juist, want we stonden +heel dikwijls stil, b.v. als Bob zich verbeeldde, een grooten +visch aan de oppervlakte van het water te zien zwemmen, +of als Karel dacht, in het kreupelhout langs den +weg een egel te zien, of als wij een meikever meenden +te hooren brommen en vruchteloos naar het onschuldige +diertje uitzagen, met het vaste voornemen, om hem te +vangen, als ons dat mogelijk was. Soms ook zaten wij<span class="pagenum"><a name="Page_182" id="Page_182">[182]</a></span> +vertrouwelijk aan den kant der beek, en staarden naar +de kabbelende golfjes en luisterden naar het suizelen +van het riet, of maakten kleine scheepjes van de bladen +daarvan, die wij op het water lieten drijven.</p> + +<p>Opeens begon Bob te lachen, zonder dat wij de reden +daarvan konden bevroeden.</p> + +<p>»Waar heb jij zoo’n pret over, Bob?» vroeg ik.</p> + +<p>»Ach,» zei hij, »zie je ginds dien grooten broodwagen +wel, daar bij het huis van Wobbe?»</p> + +<p>»Ja wel,» zei Karel, »maar het grappige daarvan zie +ik nog niet in.»</p> + +<p>»Neen, ik ook niet,» zei ik.</p> + +<p>»Dat wil ik wel gelooven,» hernam Bob. »Nu moet +je straks eens kijken, als de bakker terugkomt. Dat +mannetje is zoo klein als de wagen groot is, en als hij +nu brood uit dien wagen moet krijgen, gaat hij op de +ijzeren trede staan, die je daar ziet, en duikt bijna +geheel in zijne kar weg.»</p> + +<p>»En is dat nu zoo grappig?» vroeg ik.</p> + +<p>»Kijk,» zei Bob, »daar komt hij weer. Flap! Het deksel +doet hij open, en wip — nu staat hij op de trede. +Ha-ha, daar gaat hij weer voorover, den wagen in. Zie +je nu wel, hoe grappig! Hij verliest bijna zijn evenwicht. +Je zoudt zeggen, wat moet zoo’n klein manneke nu met +zoo’n grooten wagen doen? Als hij een klein beetje hulp +krijgt, wipt hij voorover op zijne bollen en stoeten. +Ha-ha-ha!»</p> + +<p>Nu, ’t was inderdaad wel grappig te zien, hoe het +kleine bakkertje zijne brooden uit den wagen opdiepte.<span class="pagenum"><a name="Page_183" id="Page_183">[183]</a></span> +Maar bijzonder sterk interesseerde de zaak ons toch niet. +Alleen Bob vond het verbazend grappig.</p> + +<p>»Zeg jongens,» riep hij ons toe, »ik kan het heusch +niet laten, hoor. Ik moet hem een handje helpen!»</p> + +<p>»Om eene duikeling in de wagen te maken?» vroeg +Karel, wien het plan ook wel min of meer toelachte.</p> + +<p>»Natuurlijk!» zei Bob.</p> + +<p>»Ik zou het je afraden,» zei Pieter. »Ik acht het eene +gevaarlijke onderneming.»</p> + +<p>»Gevaarlijk is ze nooit, want als ik het deksel dicht +doe, kan hij er nooit meer uit!» zei Bob. »Dan is het +Hugo de Groot in de boekenkist! Ik ga, jongens, die +grap moet ik hebben.»</p> + +<p>Wij stonden op, om te zien, hoe het zou afloopen.</p> + +<p>Bob ging regelrecht op den wagen af. De bakker was +weer bij een huis aangegaan, om zijne waar te verkoopen, +maar weldra kwam hij terug.</p> + +<p>Ja, daar ging het deksel weer open en stapte hij op +de trede. Een oogenblik later verdween zijn bovenlijf +in de kar. Zie, hij moest zelfs op de teenen gaan staan, +om in alle hoeken te kunnen komen.</p> + +<p>Dit oogenblik had Bob afgewacht. Vlug als de wind +gaf hij den braven man een duwtje — en, o heden, wat +was het een bespottelijk gezicht — daar duikelde de +bakker voorover in zijn wagen. In het volgende oogenblik +was het deksel dicht.</p> + +<p>Och, och, wat moest die Bob geweldig lachen! Een +paar vrouwtjes, die het tooneeltje van achter hare ramen, +waar zij kousen zaten te stoppen, hadden aangezien,<span class="pagenum"><a name="Page_184" id="Page_184">[184]</a></span> +kwamen verontwaardigd naar buiten snellen. Wij vonden +het ook wel grappig — maar toch zouden wij ons nog +wel eens bedacht hebben, eer wij het gedaan hadden.</p> + +<p>Bob zette het op een loopen, zooals van zelf spreekt. +Hij behoefde niet bang te wezen, dat de bakker +niet uit zijne gevangenis verlost zou worden, want +het gebeurde midden in het dorp, zoodat verscheidene +menschen het hadden gezien. Bovendien steeg er zulk +een jammerlijk gehuil uit den wagen op, dat men het +wel hooren moest.</p> + +<p>»Wel, wel, wat een portale jongen!» zei een van de +vrouwtjes, die naar buiten gekomen waren. »Je zoudt +zeggen, waar haalt de jongen de portaligheid vandaan?»</p> + +<p>Zij zette hare handen in de zijden en schudde bedenkelijk +met het hoofd.</p> + +<p>»Ja buurvrouw,» was het antwoord, »dat mag je zeggen, +m’n lieve mensch. Wil je wel gelooven, dat ik er beduusd +van ben? De schrik zit me nog door me heele lijf, zoowaar +als ik hier voor je sta.»</p> + +<p>»Hoor me dien man eens aangaan!» zei weer de eerste, +zonder evenwel eene hand uit te steken, om hem te helpen.</p> + +<p>»’t Is eene schande, dat zeg ik maar, en die jongen groeit +op voor galg en rad. Help maar eens kijken!»</p> + +<p>»’t Is zeker wilde Bob wel weer geweest?» vroeg de +andere.</p> + +<p>»Help! Help!» klonk het onophoudelijk uit den wagen, +uit welke noodkreten wij duidelijk konden opmaken, dat +het den kleinen bakker volstrekt niet beviel in zijn Luilekkerland.<span class="pagenum"><a name="Page_185" id="Page_185">[185]</a></span></p> + +<p>Op dit oogenblik kwam Bob zoo brutaal mogelijk terugloopen. +De aardigheid scheen hem lang genoeg geduurd +te hebben, want met eene behendige beweging maakte +hij het deksel los en lichtte het een weinig op. Op hetzelfde +oogenblik verscheen het verschrikte hoofd van den +bakker boven den rand, daarna zijn bovenlijf — en nu +zette Bob het voor de tweede maal op een loopen, zoo +snel als hij kon. Hij vloog langs ons heen.</p> + +<p>»Komt jongens!» riep hij ons toe. »Loopen, hoor, +want als hij je krijgt, zal het je niet bevallen.»</p> + +<p>Nu, wij waren doodonschuldig aan de geheele zaak, dat +kan niemand ontkennen, maar toen wij zagen, welke booze +blikken de bakker op ons wierp en hoe hij naar zijne +zweep zocht, vonden wij het geraden, ook het hazenpad +te kiezen. Wij volgden daarom Bob meer overhaast dan +eervol en hadden hem weldra ingehaald.</p> + +<p>Het laatste huis van het dorp hadden wij spoedig achter +ons en zonder een bepaald plan te hebben sloegen wij +een smal pad in, dat naar het bosch van Baron van den +Kasteele voerde. Dat de bakker ons niet meer vervolgde, +hadden wij al sedert lang opgemerkt. Wij vertraagden +dus onzen gang en liepen doelloos verder.</p> + +<p>Zoo kwamen wij aan den ingang van het bosch, waar +op een bordje, dat aan een hoogen iep was getimmerd, +de woorden »Verboden Toegang» te lezen stonden.</p> + +<p>»Willen wij er ingaan?» vroeg Karel. »’t Ziet er daar +zoo echt prettig uit.»</p> + +<p>»Mij goed!» zeiden Bob en ik.</p> + +<p>»Maar er staat »Verboden Toegang!» op dat bordje,»<span class="pagenum"><a name="Page_186" id="Page_186">[186]</a></span> +zei Pieter, op de waarschuwende woorden wijzende. +»Zouden we er geen kwaad mede kunnen?»</p> + +<p>»Och kom, wees wijzer,» zei Bob. »Dat bordje doelt +alleen op stroopers, die hier wel eens komen. Wij gaan +er geen kwaad doen.»</p> + +<p>Pieter keek zijn neef Bob met een wantrouwigen blik +aan. Blijkbaar was hij daarvan niet erg zeker.</p> + +<p>»Kom, Pieter, niet zeuren,» zei Karel. »Als we den +boschwachter tegen komen, waarvan wij natuurlijk niet +veel gevaar loopen, omdat het bosch zoo groot is, zullen +wij er ons zonder murmereeren weer uit laten jagen, dat +is alles. Dan heeft de goede man alle redenen tot tevredenheid +en kan hij niet anders getuigen, dan dat wij brave +jongens zijn.»</p> + +<p>Die woorden van Karel kwamen ons zeer juist voor, +en ook Pieter scheen er door overtuigd te zijn, want na +enige weifeling volgde hij ons het bosch in.</p> + +<p>Wat was het daar heerlijk. De boomen verhieven +hunne zacht wuivende kruinen hoog in de lucht en wij +baadden ons als het ware in de geur van het jonge groen, +dat ons omgaf. Wat stak dat lichte voorjaarsgroen prachtig +af tegen den donkeren achtergrond van de sparren en +dennen, die daar in grooten getale werden gevonden. Wij +hoorden de nachtegalen slaan en de ooievaars klepperen. +O, ’t was er verrukkelijk!</p> + +<p>Manmoedig stapten wij in het bosch voort, doch — al +hielden wij ons zeer heldhaftig en al riepen wij Pieter +om ’t hardst toe, dat hij gerust me kon gaan en geen +vrees behoefde te koesteren, toch waren wij zelf ook niet<span class="pagenum"><a name="Page_187" id="Page_187">[187]</a></span> +geheel op ons gemak, want de Baron was een lastig man, +en zijn boschwachter, die Burts heette, was zelfs algemeen +gevreesd.</p> + +<p>Al spoedig begon het terrein heuvelachtig te worden, +zoodat wij berg-op, berg-af gingen. Nu eens zaten wij +op den top van een hooge duin, vanwaar wij een prachtig +gezicht hadden op de omgeving, dan weer lagen wij te +rusten in eene vallei, die aan alle zijden door heuvels +ingesloten was. In een van die vallein vonden wij een +pas gegraven kuil, die zoo diep was, dat het water er +wel ruim een meter hoog in stond. Over den kuil lag +eene plank.</p> + +<p>»Wat zou dat zijn? Waartoe zou de Baron dien kuil +gegraven hebben?» vroeg Bob, die midden op de plank +stond en met een langen tak van een boom peilde, hoe +diep het gat wel zou zijn.</p> + +<p>»Ik weet het niet,» zei ik.</p> + +<p>»Ik geloof, dat de Baron eene waterleiding wil aanleggen +naar zijne villa,» zei Karel. »Het zou best kunnen +zijn, dat die hier gemaakt wordt.»</p> + +<p>»Wel mogelijk,» zei Bob. »Pas op, Karel, niet zoo +dringen, want als ik van de plank val, ben ik doornat.»</p> + +<p>Maar Karel hield niet op, en nu begonnen die twee eene +stoeipartij, waaraan wij weldra allen mededen. Wij waren +evenwel zoo verstandig de plank te verlaten, want niemand +van ons had lust een nat pak te halen. Al stoeiende +werden wij hoe langer, hoe wilder. Wij zaten elkander +na tegen de hoogten op en lieten ons dan weer van +boven-af neerrollen, wat wij buitengewoon vermakelijk<span class="pagenum"><a name="Page_188" id="Page_188">[188]</a></span> +vonden. Soms renden wij, zoo hard wij loopen konden, +van de hoogte af naar omlaag, de plank over en dan +weer tegen den tegenoverliggenden heuvel op, zoodat +wij zwoegden van inspanning. Wij vermaakten ons +kostelijk en waren weldra zoowel den baron als zijn +boschwachter vergeten.</p> + +<p>Kwaad deden wij niet, althans in het eerst niet, maar +dat zou veranderen. Bob kon nooit ergens afblijven, en +zoo ook nu niet. Toen wij eenige keeren in vollen draf +over de plank gegaan waren, begon Bob de plank van +den kuil te trekken en sleepte haar tegen de helling op. +Daar zette hij haar op het einde en liet haar balanceeren. +Het is te begrijpen, dat zij telkens omviel en +dan met geweld tegen den grond terecht kwam. Dat +spelletje werd zoo dikwijls herhaald, tot wij een hevig +gekraak hoorden, waardoor het ons allen duidelijk werd, +dat zij gebroken was.</p> + +<p>»Stuk!» zei Bob.</p> + +<p>»Ja, stuk, Bobbertje!» zei Karel op leuken toon. »Daar +heb je eer van.»</p> + +<p>»Laten we vluchten,» zei Pieter in grooten angst. +»Als de baron komt en ziet, wat we gedaan hebben, +zal het nog slecht met ons afloopen.»</p> + +<p>»Niet zoo bang wezen, Pieter,» zei Bob. »Zeg jongens, +die plank is niet stuk, kijkt maar.»</p> + +<p>»Hij is niet in twee stukken gevallen, dat is waar,» +zei ik. »Maar toch is ze stuk, Bob. Je kunt het duidelijk +zien.»</p> + +<p>»Ja, dat kan ik niet ontkennen. Nu, gedane zaken<span class="pagenum"><a name="Page_189" id="Page_189">[189]</a></span> +nemen geen keer, en met den besten wil is het mij niet +mogelijk, deze plank weer heel te maken. Toe Dorus, +help mij eens, door het andere einde op te nemen. Dan +leggen wij haar weer netjes over den kuil en niemand +kan zien, dat zij stuk is.»</p> + +<p>»En als er nu iemand komt en er over loopt?» vroeg +Karel.</p> + +<p>»Dan breekt de plank en krijgt hij een nat pak,» zei +Bob. »Dat lijdt geen twijfel.»</p> + +<p>»Maar dat is een leelijke streek,» zei Karel. »Je moet +dat niet doen, Bob, — ik heb het liever niet.»</p> + +<p>»Maar wat dan?» vroeg Bob. »Wij kunnen de plank +toch niet hier laten liggen?»</p> + +<p>»Ik weet er wat op,» zei Pieter. »Hier heb ik een +stukje krijt. Laten wij er aan de beide einden opschrijven +dat ze stuk is. Wanneer dan iemand komt om er over +te loopen, wordt hij gewaarschuwd.»</p> + +<p>»Als het ten minste niet gaat regenen,» meende Karel. +»Maar je hebt gelijk, Pieter, — laten wij het er +duidelijk opschrijven.»</p> + +<p>Bob nam nu het stukje krijt, en schreef aan elk einde +met duidelijke letters:</p> + +<p>»Deze plank is gebroken.»</p> + +<p>»Zie zoo,» zei hij vol zelfvoldoening over zijne daad, +»dat is duidelijk, dunkt me. Wie er nu toch nog over +loopt, moet er zelf de gevolgen maar van dragen. Toe +Dorus, help eens even een handje.»</p> + +<p>Wij droegen de plank nu naar beneden en legden haar +weer precies, zooals we haar gevonden hadden.<span class="pagenum"><a name="Page_190" id="Page_190">[190]</a></span></p> + +<p>»Willen we nu verder gaan?» vroeg Pieter, die zich in +het bosch nog in het geheel niet op zijn gemak gevoelde.</p> + +<p>Wij vonden zijn voorstel goed, en klommen over den +heuvel. Daarna kwamen wij weer in eene vallei, die rondom +diep was uitgespit en klommen aan den anderen kant tegen +eene zeer steile helling op, z steil, dat wij ons aan het +kreupelhout moesten ophijschen om er tegen op te komen.</p> + +<p>En nauwelijks was Bob met zijn hoofd boven den top, +of hij fluisterde ons toe, dat wij geen gedruisch moesten +maken, en heel zacht naar boven klimmen.</p> + +<p>»Daar zijn konijnen aan het spelen,» zei hij zacht.</p> + +<p>Wij bereikten nu ook de hoogte, die zoo smal was, +dat wij ons moesten vasthouden, om niet achteruit naar +beneden te glijden.</p> + +<p>»Wat zijn ze vlug, he? Kijk die dingen eens springen!»</p> + +<p>’t Was inderdaad een aardig gezicht, die diertjes zoo +geheel in vrijheid te zien huppelen en spelen. Er waren +er zeker wel twintig.</p> + +<p>»’t Is hier het konijnenland,» zei Karel. »Kijk, die +groote, daar ginds achter de struiken, is zeker de koning.»</p> + +<p>»En die heuvel is hunne stad,» zei Bob. »Zie je die +holen daar wel? Dat zijn de poorten, die toegang tot +de stad verleenen. ’t Is toch wel grappig, zulk eene +konijnen-kolonie.»</p> + +<p>»Ik wou, dat ik een geweer had,» zei Pieter. »Wat +zou ik ze raken!»</p> + +<p>»Jij?» zei Bob lachend. »Misschien schoot je ons wel +dood en jezelven er bij, maar een konijn raakte je niet, +zou ik durven voorspellen.»<span class="pagenum"><a name="Page_191" id="Page_191">[191]</a></span></p> + +<p>»Jij ook niet,» zei Pieter boos. »Jij kunt evenmin +schieten als ik.»</p> + +<p>»Had ik maar pijl en boog bij me,» zei Karel. »Dan +zou ik het toch eens probeeren. Een geweer maakt te +veel leven. Het zou onze tegenwoordigheid verraden; +maar met pijlen konden we het wagen.»</p> + +<p>»Zouden we geen boog kunnen maken?» vroeg Bob.</p> + +<p>»Niet doen, Bob, niet doen!» zei Pieter. »Laten we +nu verder gaan. ’t Wordt hoog tijd.»</p> + +<p>»Nog eventjes,» zei Bob. »We zitten hier nog zoo +prettig.»</p> + +<p>»Zitten?» vroeg Karel. »Hangen zou beter gezegd +zijn, want ik word moe van het vasthouden. Kijk, daar +komen nog meer konijnen uit de holen. Hoe komen er +zooveel bij elkaar, zou je zeggen.»</p> + +<p>»’t Is geen wonder, dat hier wel eens stroopers komen,» +merkte ik op. »Zij kunnen hier altoos op eene goede +vangst rekenen.»</p> + +<p>»Hoe vangen zij die dieren?» vroeg Pieter.</p> + +<p>»Ze graven de holen uit en kruipen er in, zoover ze +kunnen. Dan grijpen zij ze met de handen.»</p> + +<p>»En die ontsnappen langs nevengangen komen in de +stroppen terecht, waarmede de uitgangen afgezet zijn,» +vulde Karel aan. »’t Moet wel een aardig werkje zijn, +dunkt me.»</p> + +<p>»Aardig wel, maar gevaarlijk, want als de heuvel +instort, wordt de strooper onder het zand bedolven en +moet sterven.»</p> + +<p>»Ook kan hij gesnapt worden door Burts, den boschwachter,<span class="pagenum"><a name="Page_192" id="Page_192">[192]</a></span> +zei Bob. »En dat is ook niet bijzonder prettig, +want dan is gevangenisstraf het einde.»</p> + +<p>»Pang!» klonk plotseling een zwaar schot in onze onmiddellijke +nabijheid. »Pang!» daar viel een tweede schot.</p> + +<p>Een geweldige schrik overviel ons, want wij waren er in +het geheel niet op voorbereid. Drie van ons, Bob, Karel +en ik sprongen van schrik overeind en stonden plotseling +in de onmiddellijke nabijheid van den gevreesden Burts. +Maar de vierde, onze waarde Pieter-neef, was van den schrik +als het ware verlamd. Hij had geen kracht meer om zich +aan de struiken vast te houden en onder het slaken van +een akeligen kreet rolde hij hals over kop naar beneden.</p> + +<p>»Ha-ha, knaapjes!» bulderde de boschwachter ons toe. +»Daar heb je jezelven leelijk verraden. Was maar stil +blijven zitten, dan had ik je stellig niet opgemerkt, maar +nu ben je in mijne macht. Hoe heet je?»</p> + +<p>Burts haalde een boekje uit zijn zak te voorschijn, om +onze namen op te schrijven.</p> + +<p>»Hoe heet je?» vroeg hij op gestrengen toon, en hij +keek Bob strak in de oogen. Wat zag die man er barsch uit. +Zijne knevels schenen mij toe om te krullen van boosheid.</p> + +<p>»Hoor je me niet? Hoe heet je?» herhaalde hij zoo +barsch mogelijk.</p> + +<p>»Vluchten, jongens!»</p> + +<p>Dat was het eenige antwoord, hetwelk aan Bobs mond +ontsnapte. En hij voegde de daad bij het woord. Met +eene vlugge beweging liet hij zich naar beneden rollen, +waar hij dicht bij Pieter-neef terecht kwam, die nog +kermend van ontsteltenis in het zand lag te spartelen.<span class="pagenum"><a name="Page_193" id="Page_193">[193]</a></span></p> + +<p>»Wat is er?» vroeg Bob, die nooit een makker in den +steek liet, en haastig bij hem neerknielde.</p> + +<p>»O, ik ben getroffen,» steunde Pieter.</p> + +<p>»Waar? — Zeg, Pieter, — waar?» vroeg Bob angstig.</p> + +<p>»Is hij weg, Bob?» vroeg Pieter, schuw om zich heen +ziende.</p> + +<p>»Neen, — maar jij moet maken, dat je wegkomt!» +antwoordde Bob. »Zeg Pieter, — wr ben je getroffen?»</p> + +<p>»Dat weet ik niet, — o dat weet ik niet!» jammerde +Piet.</p> + +<p>»Dan is het ook niet waar! Vooruit, vlucht, daar komt +de boschwachter aan! Vooruit, Pieter, gauw?»</p> + +<p>»De boschwachter? O — O!» steunde Pieter, overeind +krabbelende. »Waar — waar is hij, Bob?»</p> + +<p>»Loopen!» zei Bob. »Als een haas! Ik zal hem wel +een oogenblik ophouden! Maar haast je!»</p> + +<p>Pieter begon nu te begrijpen, dat het ernst was, en +dat was trouwens te zien ook, want de boschwachter +verscheen nu boven op den heuvel. Eerst had hij Karel +en mij een oogenblik achtervolgd, maar toen hij bemerkte, +dat wij hem te vlug waren, keerde hij terug en trachtte +Bob in zijne macht te krijgen.</p> + +<p>Pieter klom aan de andere zijde tegen de helling op +en verdween uit het gezicht. Bob vreesde echter, dat +Burts hem spoedig achterhalen zou, want Pieter was +niet erg bij de hand in dergelijke zaken. Hij besloot +daarom, den boschwachter eenigen tijd op te houden, +ten einde zijn neef en ook ons gelegenheid te geven, +een goed heenkomen te zoeken.<span class="pagenum"><a name="Page_194" id="Page_194">[194]</a></span></p> + +<p>Hij bleef dus in de vallei rondloopen, tot Burts hem +vrij dicht genaderd was. Nu moest zijne bekende vlugheid +hem redden.</p> + +<p>»Ha, deugniet, daar heb ik je nu!» hoorde hij Burts zeggen.</p> + +<p>»Mis, man, nog niet,» dacht Bob, maar hij zeide niets. +Als een haas zoo vlug klauterde hij tegen de hoogte op. +Hij raakte bijna den grond niet aan. Maar Burts was +vlugger, dan hij dacht, zoodat hij duidelijk merkte, dat +deze hem begon in te halen.</p> + +<p>»Krijgen zl ik je!» hoorde hij hem zeggen.</p> + +<p>Nu had Bob den top bereikt, en hij bemerkte, dat +hij thans de vallei weer genaderd was, waar de nieuwe +waterleiding moest komen.</p> + +<p>Als een bal liet hij zich naar beneden rollen, en hij +had het geen oogenblik later moeten doen, want reeds +strekte Burts de hand uit, om hem bij de beenen te +grijpen. Nu ontsnapte Bob hem.</p> + +<p>Deze liep op den put toe, die midden in de vallei +lag, met het voornemen, de plank over te loopen en +aan den overkant weer omhoog te klauteren. Dat de +plank stuk was, herinnerde hij zich al niet meer, en +juist wilde hij er den voet op zetten, toen hem de met +krijt geschreven letters in het oog vielen.</p> + +<p>»O ja, omloopen!» mompelde Bob. Hij hoorde Burts +met groote schreden naderen, maar durfde zich geen +oogenblik tijd gunnen, om eens achter zich te kijken.</p> + +<p>»Nu ontsnap je mij niet meer, kleine schelm!» hoorde +hij zijn vervolger roepen, en deze voorspelling stemde +onzen Bob verre van aangenaam.</p> + +<div class="figcenter1"> +<img src="images/ill04.jpg" width="400" height="550" alt="Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak.... (pag. 195)." title="" /> +<br /><span class="caption1">Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak.... (pag. 195).</span> +</div><p><span class="pagenum"><a name="Page_195" id="Page_195">[195]</a></span></p> + +<p>Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak achter zich, +welk gekraak gevolgd werd door een geweldigen plons, +als van iemand, die in het water viel. En plotseling +ging Bob een licht op. Ongetwijfeld was Burts, om hem +den pas af te snijden, op de plank gestapt, niet wetende, +dat deze gebroken was. En nu moest zonder twijfel de +lange Burts er doorgezakt en in den kuil gevallen zijn. +Bob hoorde, hoe er in het water geplast werd, en hoe +de boschwachter pogingen deed, om tegen den hoogen +kant op te springen.</p> + +<p>Nu durfde Bob wel een oogenblik stilstaan, en omkijken. +Ja waarlijk, daar zag hij het hoofd van den vertoornden +boschwachter boven den rand van den put uitkomen, en +hij zag ook, hoe diens beide handen zich aan den rand +vastklemden en hoe hij poogde, er uit te springen. Wel +een paar malen mislukte hem dit en zakte de man, die hoe +langer hoe toorniger werd, tot aan zijn middel in het +water terug.</p> + +<p>’t Was zoo’n koddig gezicht, dat Bob het uitschaterde +van de pret. En dat lachen maakte Burts nog boozer. +Hij spande al zijne krachten in, sprong nogmaals omhoog +en ja, nu gelukte het hem, zich op den kant te werken. +O, o, wat droop het water hem uit de kleren! Bob kon +niet tot bedaren komen van het lachen.</p> + +<p>Maar nu kwam Burts met groote schreden op hem +af; het was den man aan te zien, dat zijne woede geen +grenzen kende.</p> + +<p>»Nu wordt het mijne beurt!» riep hij Bob met beide +vuisten dreigend toe. Maar Bob wachtte hem niet af.<span class="pagenum"><a name="Page_196" id="Page_196">[196]</a></span> +Vlug als eene kat klauterde hij omhoog en was weldra +verdwenen. En Burts klauterde hem wel na, maar och, +doornat als hij was, viel dat werkje hem erg moeilijk, +en toen hij, eindelijk op de hoogte gekomen, van Bob +geen spoor meer kon ontdekken, gaf hij de vervolging +geheel en al op. Hij keerde naar huis terug, om droge +kleren te gaan aantrekken.</p> + +<p>En Bob verliet zoo spoedig mogelijk het bosch langs +denzelfden weg, dien hij het ingekomen was. Aan den +uitgang werd hij aangenaam verrast, door daar Karel en +mij te vinden. Wij zaten daar al enkele minuten op hem +en Pieter te wachten.</p> + +<p>Wel, wel, wat moesten wij lachen, toen Bob ons vertelde, +wat er met Burts gebeurd was. ’t Is misschien +wel niet mooi van ons, maar wij verheugden ons toch +buitengewoon in de poets, die hem gespeeld was. ’t Was +dan ook een akelige man, van wien niemand hield.</p> + +<p>»En nu is hij doornat naar huis gegaan, denk ik,» zoo +besloot Bob, grinnekend van pret, zijn relaas. »Neen +jongens, ’t zou me wat waard geweest zijn, als jelui het +had kunnen zien, want het was een eenig schouwspel. +Ik zal het mijn leven lang niet vergeten. Maar apropos, +waar is Pieter-neef?»</p> + +<p>»Die is er nog niet,» zei ik. »Wij dachten, dat hij gelijk +met jou zou komen. Heb-je hem niet gezien?»</p> + +<p>»Neen, die malle jongen lag aan den voet van den +heuvel te jammeren, dat hij getroffen was door die schoten +van Burts, en dat werd bijna mijn ongeluk. Want ik +heb hem gezegd, dat hij het totaal mis had en zoo snel<span class="pagenum"><a name="Page_197" id="Page_197">[197]</a></span> +mogelijk beenen moest maken, om uit de handen van +Burts te blijven. Maar dat alles hield mij zoo lang op, +dat ik zelf bijna het kind van de rekening werd. Waar +zou hij nu blijven?»</p> + +<p>»Vermoedelijk in het bosch,» zei Karel leuk. »Hij +zal wel komen, maak je maar niet ongerust. Kom een +poosje op je gemak bij ons zitten, en laten wij geduldig +afwachten. Misschien is hij wel hier of daar +weggekropen.»</p> + +<p>Bob deed het en nu bleven wij eenige minuten wachten, +maar Pieter-neef bleef onzichtbaar. Wij begonnen ons +eindelijk een beetje ongerust te maken, want de avond +begon te vallen en de zon zou weldra ondergaan. Dat +laatste juist was het, wat wij vreesden, want dan zou +het in het bosch al spoedig zeer donker worden, zoodat +het iemand als Pieter moeilijk zou vallen, den rechten +weg te vinden om er uit te komen.</p> + +<p>»Wil ik jelui eens wat zeggen?» zei Bob eindelijk. »Ik +geloof, dat Pieter-neef verdwaald is.»</p> + +<p>»Dat zou erger zijn,» vond Karel.</p> + +<p>»Het ergste, wat hem overkomen kon,» meende ik.</p> + +<p>»Als het waar is, wat ik vermoed, zal hij doodsangsten +uitstaan, vrees ik,» hernam Bob.</p> + +<p>»Ongetwijfeld!» zei Karel. »Het loopt hem hier in ’t +bosch ook in het geheel niet me. Ik denk, dat hij van +middag zijn pleizier wel op kan.»</p> + +<p>»Ja, — hij treft het slecht. Maar zeg, wij kunnen hem +niet aan zijn lot overlaten, niet waar?»</p> + +<p>»Neen, dat gaat niet!» stemde Karel toe.<span class="pagenum"><a name="Page_198" id="Page_198">[198]</a></span></p> + +<p>»Natuurlijk niet!» zei ik. »Wij moeten hem trachten +op te sporen.»</p> + +<p>»Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan,» zei Bob. +»’t Bosch is heel groot en er zijn een tal van paden en +lanen in. Wie weet, hoe ver hij in zijn angst al afgedwaald +is.»</p> + +<p>»Laten we gaan,» stelde ik voor. »We moeten langer +geen tijd verliezen.»</p> + +<p>»En Burts dan?» vroeg Karel.</p> + +<p>»Burts zal van avond wel thuis blijven. Hij gaat bepaald +vroeg naar bed, want na een bad is men altijd +slaperig,» zei Bob. »Ga je mede?»</p> + +<p>Wij sprongen op en volgden Bob ten tweeden male +het bosch in.</p> + +<p>»Zou het niet noodig zijn, dat wij ieder een verschillenden +kant uitgingen?» vroeg ik. »Dan hebben wij veel +meer kans, om hem spoedig te vinden.»</p> + +<p>»Laten wij eerst eenigen tijd bij elkander blijven, want +als wij scheiden, kunnen wij elkander ook niet meer terug +vinden,» zei Karel.</p> + +<p>»Zou ik hem durven roepen?» vroeg Bob. »Of zou dat +met het oog op Burts gevaarlijk zijn?»</p> + +<p>»Dat is het zeker,» zei ik. »Hoe harder je roept, hoe +meer kans om gesnapt te worden.»</p> + +<p>»Nog niet roepen,» vond Karel. »Dat kunnen we wel +doen, als het geheel donker is, maar nu is het nog te +gevaarlijk. Wat wordt het al duister hier in het bosch, +vindt-je niet?»</p> + +<p>»Over een half uur is het geheel donker,» zei Bob.<span class="pagenum"><a name="Page_199" id="Page_199">[199]</a></span></p> + +<p>»’t Is te hopen, dat wij hem voor dien tijd gevonden +hebben.»</p> + +<p>»’t Is eene mooie geschiedenis,» zei ik, wel een beetje +onrustig, nu het zoo laat werd, eer ik thuis kon zijn. +Want het was een vaste regel bij ons, dat wij vr donker +binnen moesten zijn. Pa hield daar streng de hand aan.</p> + +<p>Wij brachten nog ruim een half uur zoekende door, +zonder evenwel eenig spoor van Pieter te ontdekken.</p> + +<p>Het werd thans hoog tijd om naar huis terug te keeren, +waar men zeker al ongerust over ons lange uitblijven +begon te worden. Maar daar stond tegenover, dat het +hoogst onaangenaam voor ons was, zonder Pieter naar +huis te moeten gaan.</p> + +<p>Bob was daartoe dan ook in het geheel niet te bewegen.</p> + +<p>»Ik blijf hier,» zei hij op zijn gewonen beslisten toon. +»Ga gij beiden maar naar huis terug en zeg aan Pa, wat +er gebeurd is. Vraag hem, eenige menschen te zenden, +om mij bij het zoeken te helpen. Of weet je iets beters?»</p> + +<p>Neen, dat wisten wij niet, maar om op deze wijze +terug te keeren, vonden wij ook onaangenaam.</p> + +<p>»Laten wij eerst eens boven op een heuvel gaan staan +en zoo hard roepen als we kunnen,» zei Karel. »Of de +boschwachter ons hoort of niet, is mij thans geheel onverschillig. +Wij kunnen Pieter niet aan zijn lot overlaten.»</p> + +<p>»Je hebt gelijk,» zei Bob. »Laten we gaan.»</p> + +<p>Wij beklommen den top van eene hooge duin en verhieven +in koor onze stemmen. ’t Was gelukkig zeer stil +in de natuur, zoodat men ons ver in den omtrek moest +kunnen hooren.<span class="pagenum"><a name="Page_200" id="Page_200">[200]</a></span></p> + +<p>»Pieter! — Hallo! — Hallo! — Pieter!» weerklonk +het uit drie monden tegelijk, en onze stemmen klonken +ons daar van dien top des heuvels en in de stille duisternis +van den vallenden nacht geheimzinnig in de ooren. De +vogels in de takken der boomen schrikten er van wakker +en vluchtten ijlings heen. Nachtuilen deden hun gekras +hooren en sommigen van hen lachten op eene allerakeligste +manier, precies als menschen, maar op een +vreemden toon. Ik moet eerlijk bekennen, dat mij bij +het hooren daarvan eene rilling door de leden voer.</p> + +<p>Nogmaals lieten wij ons krachtig geroep hooren. Daarna +bleven wij stil staan, om te luisteren. Hoe hoopten wij, +dat eenig antwoord onze gehoorvliezen zou doen trillen.</p> + +<p>Doch wij luisterden tevergeefs.</p> + +<p>»Nog eens roepen, jongens,» zei Bob. »Den moed nog +niet opgeven.»</p> + +<p>Weer klonk ons roepen door de nachtelijke stilte, en +weer luisterden wij, of wij iets mochten vernemen.</p> + +<p>Opeens zei Bob:</p> + +<p>»Luister, jongens, ik hoor iets!»</p> + +<p>Wij luisterden.</p> + +<p>»Hoor, — daar is het weer!» fluisterde Bob ons toe.</p> + +<p>»Ja, — ik hoor het ook,» zei ik. »Dat moet Pieter +zijn. ’t Komt van dien kant.»</p> + +<p>Bij die woorden wees ik naar den uitgang van het bosch.</p> + +<p>»Laten we hem tegemoet loopen,» zei Karel, »en dan +straks nog eens roepen. Dan hooren we hem misschien +reeds beter.»</p> + +<p>Dat deden we, en na enkele minuten geloopen te hebben<span class="pagenum"><a name="Page_201" id="Page_201">[201]</a></span> +beklommen wij opnieuw een heuvel en lieten weer ons +geroep hooren.</p> + +<p>»Pieter! — Hallo! — Hallo! — Pieter!»</p> + +<p>Wij schreeuwden met bijna bovenmenschelijke kracht, +en luisterden daarna, of we Pieters antwoord hoorden.</p> + +<p>Ja, daar vernamen wij het reeds vrij duidelijk. Ongetwijfeld +waren wij elkander tegemoet geloopen. Dat +gaf moed!</p> + +<p>»Voorwaarts, jongens, we bewegen ons in de goede +richting!» riep Bob ons opgetogen toe. »’t Is toch wel +aardig, h, zoo’n nachtelijk tochtje door een bosch. ’t Is +zoo geheimzinnig!»</p> + +<p>Met moed gingen wij thans verder, steeds roepende, +om Pieter de gelegenheid te geven, ons tegemoet te komen.</p> + +<p>Nu werd zijn geluid voortdurend duidelijker, en eindelijk — ha, +daar vonden wij hem. O, wat zag hij bleek +van den doorgestanen angst. Hij beefde over zijn geheele +lichaam.</p> + +<p>»Goddank! Goddank!» fluisterde hij ons toe. »O, wat ben +ik blij, dat jelui me niet aan mijn lot hebt overgelaten.»</p> + +<p>»Nu dadelijk naar huis!» zei ik. »Er zal toch al wat +voor me opzitten, als ik thuis kom.»</p> + +<p>Met vluggen pas zochten wij den uitgang van het +bosch op en weldra hadden wij het dorp bereikt.</p> + +<p>Pieter begon meer en meer tot zichzelven te komen, +maar wij merkten toch duidelijk, dat hij een vreeselijken +angst had uitgestaan.</p> + +<p>»’t Was verschrikkelijk, daar in het bosch,» zeide hij +zacht en met eene huivering, »en wat was het er donker,<span class="pagenum"><a name="Page_202" id="Page_202">[202]</a></span> +griezelig donker. En het spookt er ook, want telkens +hoorde ik menschen, die mij op eene allerakeligste wijze +uitlachten. O, als ik dat geluid weer hoorde, was het of +ik door den grond heenging van schrik. Ik ga nooit, nooit +weer met jelui mede, als je weer naar het bosch gaat.»</p> + +<p>»Och, — dat waren uilen!» zei Bob. »Wees wijzer, +jongen!»</p> + +<p>Wij waren nu de brug genaderd, waar onze wegen +scheidden. Met een haastigen groet begaven wij ons ieder +naar onze woning, waar Pa mij alles behalve vriendelijk +ontving. Wel knikte hij goedkeurend, toen ik vertelde, +dat wij niet zonder Pieter naar huis wilden terugkeeren, +maar hij zeide gestreng:</p> + +<p>»Wat moest je in dat bosch doen? Je weet immers, +dat de toegang daar verboden is? Als de boschwachter +jelui opgepakt en achter slot en grendel gezet had, zou +je naar behooren gestraft geweest zijn.»</p> + +<p>»Och,» zei Moe, die een goed woordje voor mij wilde +doen: »’t Komt alles van dien wilden Bob. Dat is ook in +het geheel geen goed kameraad voor hem. Ga naar +bed, Dorus!»</p> + +<p>Ik ging, maar toch was ik het niet geheel met Moe +eens wat Bob betrof.</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_203" id="Page_203">[203]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Twaalfde Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Het vertrek van Pieter, en hoe wij hem met ons drien<br /> +een cadeautje en een gedicht stuurden. Hoe Mevrouw<br /> +van Koorde en haar dienstmeisje op de vlucht<br /> +werden gejaagd en Pieter het verloren<br /> +terrein heroverde.</p> + + +<p>Den volgenden morgen al vroeg kwam Pieter bij ons, +om afscheid te nemen. Bob vergezelde hem en vertelde +mij, dat Pieters Mama wel zeer ongerust was geweest, +maar dat zij toch geen straf hadden ontvangen.</p> + +<p>Ik ging met hen mede terug, want het werd spoedig +schooltijd en dan dienden Bob en ik present te zijn. Bij +het afscheid nemen zei Pieter:</p> + +<p>»Dus je denkt er om, Bob, mij eenige meikevers te +zenden? Je zult me daar een groot genoegen mede doen.»</p> + +<p>»Je kunt er vast op rekenen.»</p> + +<p>Wij gingen nog even naar binnen, om ook Mevrouw +van Koorde goede reis te wenschen.</p> + +<p>»Dag Robert,» zei ze, hem op de beide wangen kussende.<span class="pagenum"><a name="Page_204" id="Page_204">[204]</a></span> +»Kom je nu ook eens bij ons in Amsterdam +logeeren? Maar daar zijn geen bosschen en losloopende +beren, hoor neefje.»</p> + +<p>Bob lachte eens.</p> + +<p>»Ik wil heel graag, Tante,» zeide hij. »Mag ik dan +komen als het vacantie is? Ik stel me daar heel wat +jool van voor.»</p> + +<p>»Jool?» herhaalde Tante. »Pret moet je zeggen, Robert, +dat is veel fatsoenlijker. Dag Dorus, adieu!»</p> + +<p>Bob en ik begaven ons nu regelrecht naar school, want +het werd hoog tijd. Maar wij kwamen toch nog vroeg +genoeg. Op het schoolplein spraken wij nog even met +Jan van der Vliet, die er zeer treurig uitzag.</p> + +<p>»Is er slecht nieuws?» vroegen wij hem.</p> + +<p>»Zeer slecht, — ’t kon niet slechter,» zei Jan met een +diepen zucht. »We hebben vanmorgen een brief ontvangen, +waarin Vader en Moeder beiden gedagvaard worden, om +voor de rechtbank te verschijnen. ’t Is verschrikkelijk!»</p> + +<p>»Dat is het,» zei Bob, »maar Jan, zij kunnen toch +immers nog vrijgesproken worden?»</p> + +<p>»Kunnen, ja, dat is waar, — maar dat zal niet gebeuren, +jongens. Zij hebben den schijn tegen zich, en uit de dagvaarding +blijkt, dat de Officier van Justitie hen voor +schuldig houdt. De kans op vrijspraak is zeer gering.»</p> + +<p>Op dit oogenblik ging de schoolbel en moesten wij naar +binnen. Maar wij zagen al spoedig, dat er iets bijzonders +aan de hand was, want de hoofdonderwijzer was nog +niet aanwezig en meester de Jong, die altijd in een +ander lokaal les gaf, stond voor onze klasse. Nu gebeurde<span class="pagenum"><a name="Page_205" id="Page_205">[205]</a></span> +het hoogst zelden, dat de hoofdonderwijzer afwezig was, +maar die enkele keeren waren voor ons feestdagen. +Meester de Jong zal het echter wel geen prettige dagen +gevonden hebben, want wij konden hem dan geducht plagen.</p> + +<p>Wij hadden nog maar pas op onze banken plaats +genomen, of de hoofdonderwijzer trad binnen. Het was +echter duidelijk aan zijne kleeding te zien, dat hij uitging. +Hij was zelfs geheel in het zwart gekleed, alsof +hij naar eene begrafenis moest.</p> + +<p>»Dorus, kom eens even hier,» riep hij me toe.</p> + +<p>Hij nam mij mede naar een hoek van het lokaal en +zeide: »Dorus, ik moet voor enkele dagen op reis. Er +is eene zuster van mij overleden. Wil jij nu Zondag +het orgel voor mij bespelen in de kerk.»</p> + +<p>»Zeker, meester, met genoegen.»</p> + +<p>»Dank je, Dorus. En kan ik er op aan, dat er niets +onbehoorlijks zal geschieden.»</p> + +<p>»Ja meester, daar kan u op aan.»</p> + +<p>»En dat je geen jongens me zult nemen naar het +orgel?»</p> + +<p>»Ik beloof het u, meester.»</p> + +<p>»Uitstekend. Ik twijfel niet, of het zal wel goed gaan. +Je speelt maar bedaard en rustig, hoor Dorus, en laat +je niet in de war brengen. Trek ook vooral niet te veel +registers uit.»</p> + +<p>Even later vertrok de meester, na den onderwijzer de +hand te hebben gegeven en een groet tot ons allen te +hebben gericht. En nog geen kwartier later moest Bob +al schoolblijven.<span class="pagenum"><a name="Page_206" id="Page_206">[206]</a></span></p> + +<p>Het ligt evenwel niet in mijne bedoeling, te vertellen +hoe wij dien schooldag passeerden. Genoeg zij het te +weten, dat Bob zoowel ’s morgens als om vier uur na +moest blijven, en geen klein poosje, dat beloof ik je. +Ik ben er zeker van, dat meester de Jong blij was, toen +de schooluren voorbij waren, en ik moet zeggen, dat dit +voor ons geen groote eer was. Want meester de Jong +was een doodgoed man, die ons veel te zacht behandelde. +Als hij wat strenger voor ons geweest was, zouden wij +het hem lang zoo lastig niet gemaakt hebben.</p> + +<p>»Wat zullen we gaan doen?» vroeg Karel Holm, toen +Bob, hij en ik ’s avonds bij elkander waren.</p> + +<p>»Meikevers voor Pieter-neef vangen?» vroeg Bob.</p> + +<p>»Dat is goed. Er vliegen er nog in overvloed. Hoeveel +moet hij er hebben?»</p> + +<p>»Een twintig is genoeg,» zei Bob, »maar ik zou het leuk +vinden, als wij er hem een paar honderd konden sturen. O, +o, wat zou ik er graag bij willen zijn, als hij die ontvangt.»</p> + +<p>»Doen?» vroeg Karel Holm, en zelf het antwoord +gevende, liet hij er op volgen: »Ja, — doen.»</p> + +<p>Wij gingen met eene leege sigarenkist naar den tuin +van den notaris, wapenden ons met ragebollen en dergelijke +werktuigen en begonnen onze jachtpartij, wat we +in het geheel niet onaardig vonden. En hoe meer kevertjes +we vingen, hoe grooter onze lust werd.</p> + +<p>Eindelijk was onze kist vol; er zaten niet minder dan +driehonderd gevangenen in.</p> + +<p>»Morgen gaat de looper,» zei Bob. »Dan zullen we +Pieter zijn cadeautje sturen.»<span class="pagenum"><a name="Page_207" id="Page_207">[207]</a></span></p> + +<p>»Maar hoe?» zei Bob. »In dat kistje gaan ze spoedig +dood.»</p> + +<p>»Dat is waar. Weet je wat, in een mandje dan. +Wij hebben wel een mandje, dat daarvoor heel geschikt +is, in het schuurtje staan. Dan kunnen ze onmogelijk +doodgaan door gebrek aan lucht. En zeg, jongens, nu +moesten we er een gedichtje bij kunnen doen. Wat zou +dat leuk wezen.»</p> + +<p>»Dat kan wel,» zei Karel. »We kunnen toch met ons +drien wel een versje maken. Zoo bijzonder mooi behoeft +het ook niet te wezen.»</p> + +<p>»Goed! Afgesproken! Eerst zullen we de kevers in de +mand doen, en dan het gedicht fabriceeren. Laten we gaan.»</p> + +<p>Ha, wat gonsden en bromden die beestjes, toen we ze +uit de kist in de mand deden. ’t Was goed, dat er geen +jongejuffrouw bij ons was, want zij zou het zeker buitengewoon +griezelig gevonden hebben, al die torren!</p> + +<p>Nu namen we een dichten doek en bonden dien er +zorgvuldig omheen, zoodat er geen enkele ontsnappen kon.</p> + +<p>»Mooi zoo,» zei Bob met een tevreden knikje, »dat +zaakje is in orde. Nu ons gedicht nog, en dan brengen +wij ze naar den looper. Kom maar me, dan gaan we +naar de speelkamer.»</p> + +<p>Zoo gezegd, zoo gedaan.</p> + +<p>Bob nam een vel papier en een potlood en ging tusschen +ons aan de tafel zitten.</p> + +<p>»Begin nu maar, jongens,» zei hij. »Ik ben klaar.»</p> + +<p>»Begin nu maar?» herhaalde Karel lachend. »Alsof dat +zoo gemakkelijk is? Ik weet geen begin.»<span class="pagenum"><a name="Page_208" id="Page_208">[208]</a></span></p> + +<p>»Ik ook niet!» zei ik.</p> + +<p>»Dat is flauw,» zei Bob. »Eerst zeg je, dat je het +best kunt doen, en nu het er op aankomt, trek je je +terug.»</p> + +<p>»Nu, hier heb ik al vast n regel,» zei Karel. »Schrijf +maar op, Bobbertje, en mopper niet zoo.»</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Zie Pieter, wat ik zenden zal!”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>»Dat is een beste regel!» riep Bob opgetogen uit. »Zie +je wel; dat je het wel kunt? ’t Kon niet beter. Nu den +tweeden regel; toe Dorus, jou beurt.»</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Driehonderd roovers in getal!”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>zei ik. »Dat rijmt immers?»</p> + +<p>»Prachtig, Dorus, prachtig! Driehonderd roovers in +getal, dat komt er uitstekend bij. ’t Zijn ook echte roovers.»</p> + +<p>»Nu jij een regel, Bob! Ieder op de beurt.»</p> + +<p>»Ja,» zei Bob, »je kunt ze niet uit je mouw schudden. +Ik weet geen regel.»</p> + +<p>»’t Is anders gemakkelijk genoeg, want jij behoeft +nergens op te rijmen,» zei ik.</p> + +<p>»Daar heb je gelijk aan; nu, dan weet ik er wel een. +Luister maar:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„’t Geschenk is wel niet heel veel waard.”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>»Is die goed?»</p> + +<p>»Heel goed,» zei Karel peinzende om een rijmwoord +op »waard» te vinden.</p> + +<p>»Waard — wat rijmt daar zoo al op?» vroeg hij. »O +ja, waard, paard, staart, taart, haard, baard, aard, gaard, +er zijn rijmwoorden genoeg. Ha, ik weet er al een:<span class="pagenum"><a name="Page_209" id="Page_209">[209]</a></span></p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„’t Is een geschenk uit onzen gaard.”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>Dat rijmt goed, h?»</p> + +<p>»Heel goed,» zei Bob schrijvende. »Gaat maar door, +jongens, ’t gaat best. Jou beurt, Dorus.»</p> + +<p>»Ik ben klaar,» zei ik. »Luister maar:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Zij vliegen vroolijk in het rond.”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>»Dat is waar,» zei Karel. »En dan kan dus volgen:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Of kruipen langzaam op den grond,”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>want dat doen ze ook dikwijls.»</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„En brommen haast den heelen nacht,”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>vervolgde Karel, die het weer gemakkelijk had, daar hij +geen rijmwoord behoefde te zoeken.</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Zeg Pieter, had je dat gedacht?”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>zei ik, want deze regel schoot mij opeens te binnen.</p> + +<p>»Dat zijn nu al twee coupletten, en alle goede dingen +bestaan in drien, dus nu het laatste nog. ’t Is mijne +beurt, niet waar?» zei Bob.</p> + +<p>»Ja, jou beurt,» zei Karel.</p> + +<p>»Wist ik nu nog maar wat,» vervolgde Bob. »Wacht, +laat mij eens even bedenken. Misschien komt het wel.»</p> + +<p>En na een oogenblik toevens vervolgde hij:</p> + +<p>»Ha, ik ben klaar. Luister:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Wel neefje, ben je nu tevre?”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>»Goed gedaan, Bob. Nu moet ik weer. Wat rijmt er +zoo al op vre? Wacht: wee, me, zee, thee, dat zijn er +wel al genoeg. In orde, hoor.</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„En valt het aantal je niet me?”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>»Goed zoo!» zei Bob, die elken regel opschreef. »Nu<span class="pagenum"><a name="Page_210" id="Page_210">[210]</a></span> +nog twee regeltjes en we zijn klaar. Jou beurt, Dorus.»</p> + +<p>»Ja wel, je hebt goed praten. Ik weet heusch niet +meer op ’t oogenblik. Jelui moet me helpen denken. +Wacht, ik weet er al een:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Me dunkt, je hebt nu overvloed.”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>»Nu jij weer, Bobbertje, den laatsten regel.»</p> + +<p>»Ja, dat komt mooi uit, Dorus, met dat woord overvloed, +want dat rijmt op gegroet. De laatste regel kan +dus zijn:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Ontvang ten slotte onzen groet.”<br /></span> +</div></div></div> + +<p>Is dat niet een prachtig slot? Wacht, nu zal ik het +in het net overschrijven en het jelui eens voorlezen.»</p> + +<p>Bob deed het, en las:</p> + +<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i14">Waarde Pieter!<br /></span> +</div><div class="stanza"> +<span class="i0">„Zie Pieter, wat ik zenden zal:<br /></span> +<span class="i0">Driehonderd roovers in getal.<br /></span> +<span class="i0">’t Geschenk is wel niet heel veel waard,<br /></span> +<span class="i0">’t Is een cadeau uit onzen gaard.<br /></span> +</div><div class="stanza"> +<span class="i0">Zij vliegen vroolijk in het rond,<br /></span> +<span class="i0">Of kruipen langzaam op den grond,<br /></span> +<span class="i0">En brommen haast den heelen nacht.<br /></span> +<span class="i0">Zeg Pieter, had-je dat gedacht?<br /></span> +</div><div class="stanza"> +<span class="i0">Wel neefje, ben je nu tevre?<br /></span> +<span class="i0">En valt het aantal je niet me?<br /></span> +<span class="i0">Me dunkt, je hebt nu overvloed.<br /></span> +<span class="i0">Ontvang ten slotte onzen groet.”<br /></span> +</div><div class="stanza"> +<span class="i14 smcap">Karel Holm.<br /></span> +<span class="i14 smcap">Dorus Volmaar.<br /></span> +<span class="i14 smcap">Bob de Wild.<br /></span> +<span class="pagenum"><a name="Page_211" id="Page_211">[211]</a></span> +</div></div></div> + +<p>»Wat is dat best gegaan, h?» vervolgde Bob, die +het vers in eene enveloppe deed en deze dichtplakte. +»Dichten schijnt me toch niet erg moeilijk toe. Me +dunkt, als we het wat meer deden, zouden we het spoedig +tot eene groote hoogte brengen. Ik vind dit gedicht +althans uitmuntend geslaagd. En jelui?»</p> + +<p>Nu, wij waren dat volkomen met hem eens. Wij +bonden de enveloppe, met de proeve onzer kunst, met +een touwtje aan de beide ooren van de mand vast, +zoodat het adres netjes bovenop kwam te liggen, en +brachten ons geschenk gezamenlijk naar den looper. +Deze bekeek het adres, en las overluid:</p> + +<p class="center">»Jongeheer Pieter van Koorde,<br /> +<span class="lft2">Keizersgracht No. 234</span><br /> +<span class="lft3">Amsterdam.»</span><br /></p> + +<p>»In orde Bob,» zei hij. »Dat adres is mij bekend; ik +heb er voor je Pa al meer dan eens wat moeten bestellen. +Is het franco?»</p> + +<p>»De geadresseerde zal de vracht betalen,» zei Bob +deftig, en na gegroet te hebben gingen wij het dorp in.</p> + +<p>Weinig konden wij op dat oogenblik vermoeden, dat +diezelfde meikevertjes in Amsterdam zooveel moeite en +ontsteltenis zouden veroorzaken, zooals wij later hoorden, +dat zij gedaan hadden.</p> + +<p>Want toen de looper het mandje met zijn levenden +inhoud in de beste orde aan het opgegeven adres had +afgeleverd, was Pieter-neef niet thuis, omdat het onder +schooltijd was. De meid bracht het dus bij Mevrouw Van +Koorde, die de boven-voorkamer als woonkamer gebruikte.<span class="pagenum"><a name="Page_212" id="Page_212">[212]</a></span></p> + +<p>»Binnen,» zei Mevrouw, toen Mientje had aangetikt.</p> + +<p>»Mevrouw, hier is een mandje van den looper. ’t Kost +een dubbeltje vracht, Mevrouw.»</p> + +<p>»O, — ziehier het geld. Zet het mandje maar hier op +de tafel.»</p> + +<p>Mientje gehoorzaamde.</p> + +<p>»Zeker van mijn broeder,» zei Mevrouw. »Wat kan +hij mij te sturen hebben? Maar neen, — ik ben abuis. +’t Is voor Pieter, zie ik. Daar staat duidelijk: Jongeheer +Pieter van Koorde. Jammer, dat hij naar school is. Wat +kan daar toch inzitten?»</p> + +<p>Mevrouw tilde het mandje eens op en vond, dat het +erg licht was.</p> + +<p>»En een brief in de enveloppe,» zeide ze, na deze met +de vingers betast te hebben. »Ik ben nieuwsgierig, wat +hem gezonden kan worden. Weet je wat? Ik kon best +het mandje openen en eens zien, wat het bevat. Den +brief moet Pieter zelf maar openmaken. Dat is wl zoo +aardig voor hem. Wel, ik moet zeggen, dat de mand +goed dichtgemaakt is, — heel zorgvuldig zelfs. Ik zal +het touwtje maar losknippen.»</p> + +<p>Zij ging naar hare werkmand en kwam met de schaar +terug.</p> + +<p>»Knip-knip!» ging het en het touwtje viel aan stukken +op de tafel. Mevrouw nam den doek en lichtte dien op.</p> + +<p>Genadige hemel! Wie beschrijft haar schrik bij het +zien van die honderden wriemelende, gonzende en brommende +meikevers! Van ontsteltenis gaf zij een hevigen +gil en vlug ijlde zij naar het schelkoord, waaraan zij<span class="pagenum"><a name="Page_213" id="Page_213">[213]</a></span> +zenuwachtig begon te rukken. Zonder ophouden, met +den blik stijf op de noodlottige mand gericht, bleef zij +doorschellen.</p> + +<p>De beestjes, die nu de vrijheid zoo onverwacht terug +gekregen hadden, begonnen daar dadelijk gebruik van te +maken, door tegen de mand op te klauteren en over +den rand te gaan loopen. Zij spreidden af en toe de +vleugeltjes uit met het vaste voornemen, straks het +luchtruim in te snellen. Sommige begonnen zelfs al te +vliegen, en het was een gegons en gebrom, dat Mevrouw +Van Koorde het bijna op hare zenuwen kreeg van angst. +Zij durfde geen voet naderbij komen en deed niets dan +schellen.</p> + +<p>Nu ging de deur open en trad Mientje, ook al verschrikt +door het bellen, haastig binnen.</p> + +<p>»O, Mevrouw, wat is er?» vroeg zij angstig. »Is er +brand, Mevrouw?»</p> + +<p>»Neen, neen, nog erger! Toe Mientje, spoedig, neem +die mand en breng haar dadelijk weg — naar buiten. +Dadelijk, asjeblief.»</p> + +<p>Nu was Mientje gewoon, de bevelen harer meesteres +stipt uit te voeren; zij liep dus naar het mandje, op welks +ongewonen inhoud zij in het geheel niet verdacht was, +en greep het bij de ooren. Maar op hetzelfde oogenblik +begonnen een paar meikevers tegen hare bloote armen +op te kruipen, zoodat zij thans de beestjes wel moest +opmerken. Doodsbleek van schrik uitte zij een hevigen +angstkreet en liet plotseling de mand met alles, wat +daarin was, op den grond vallen. Zelf vluchtte zij tot<span class="pagenum"><a name="Page_214" id="Page_214">[214]</a></span> +in den versten hoek van de kamer, waar zij in stomme +verbazing de gevolgen van hare daad stond aan te staren.</p> + +<div class="figcenter1"> +<img src="images/ill05.jpg" width="400" height="543" alt=".... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den +grond vallen. (pag. 213)." title="" /> +<br /><span class="caption">.... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den +grond vallen. (pag. 213).</span> +</div> + +<p>De meikevers, door den schok verschrikt, spreidden thans +de vleugels uit en begonnen, gonzende en brommende, +door de kamer te vliegen, tot ontzetting van de beide +vrouwen, die het niet durfden wagen, hunne hoeken te +verlaten.</p> + +<p>Wat maakten die diertjes, die vruchteloos zochten naar +een groen blaadje, want zij hadden gedurende de reis +geduchten honger gekregen, eene ongewone drukte in die +deftige kamer! Er was weldra geen plaatsje meer, waar +geen kever te vinden was.</p> + +<p>»O mevrouw, die afschuwelijke torren!» riep Mientje, +die beefde als een espenblad.</p> + +<p>Mevrouw stond met beide armen te zwaaien, om zich +de ongenoode gasten van het lijf te houden, want zelfs +op de linten van hare muts schenen zij het gemunt te +hebben. Wel drie hadden zich daar een plaatsje weten +te veroveren, en zaten er gezellig de vleugeltjes uit te +spreiden en weer dicht te slaan. En liep er haar op den +schouder en vier kropen tegen haar boezelaar op.</p> + +<p>»Domme meid! — Ga weg, afschuwelijk dier! — Hoe +kon je nu zoo dom — koest, beest, koest, — zijn, om +die mand, — sss — sss; — te laten vallen!»</p> + +<p>»O mevrouw, — ga weg — ga weg, — bah, wat +afschuwelijke dieren! — kijk eens, ze kruipen tegen den +spiegel op — o foei, hu, er zit er een in mijn hals, — en +tegen de lamp — en o, mevrouw, de gordijnen — ksss, +ksss — zitten vol! ’t Is afschuwelijk.»<span class="pagenum"><a name="Page_215" id="Page_215">[215]</a></span></p> + +<p>»Mientje, hier houd ik het niet langer uit — o foei, +ze zitten me op mijn hoofd, en ah bah, daar kruipt er +een in mijn mouw. Mientje, hu, hu, haal dat beest er +uit! — Haal het er uit, zeg ik!»</p> + +<p>»Ik durf niet, — dat durf ik niet!»</p> + +<p>En op een draf, met haar boezelaar over het hoofd, +nam Mientje, schreiende van schrik, de vlucht, de kamer +uit en naar beneden.</p> + +<p>Een oogenblik daarna werd zij gevolgd door Mevrouw, +die echter zoo verstandig was, de deur achter zich dicht +te trekken.</p> + +<p>Daar stonden ze, bleek van ontsteltenis, zonder te +weten, wat zij moesten doen, om van deze meikeverplaag +verlost te worden.</p> + +<p>Maar ook hier waren zij niet vrij, want in de vlucht +hadden zij er enkele medegenomen, die op hare kleeren +zaten.</p> + +<p>»O Mientje, — wat voel ik daar in mijn hals?» riep +Mevrouw huiverend uit, nu zij daar een eigenaardig gekriewel +opmerkte, — »wat voel ik daar, Mientje!»</p> + +<p>»O Mevrouw, dat is er weer een! Maar ik haal er +hem niet af, Mevrouw, — voor duizend gulden niet! — Hu, +wat een akelige beesten!»</p> + +<p>Met eene weergaloos vlugge beweging streek Mevrouw +nu zelf met hare hand langs den hals, en in hetzelfde +oogenblik verhief zich het kevertje vroolijk gonzend +omhoog, regelrecht op Mientje af. Deze wist niet waar +ze zich bergen zou, en liep wel twintigmaal om de tafel +heen.<span class="pagenum"><a name="Page_216" id="Page_216">[216]</a></span></p> + +<p>»Mientje, ga den kruier halen! Hij moet al die beesten +vangen. Hoe komt die nare Robert er toe, om die torren +naar ons te zenden? Maar wacht, ik zal hem een brief +schrijven, die hem niet bevallen zal, dien stouten bengel. +Mientje, spoedig, zeg dat de kruier direct moet komen!»</p> + +<p>Maar dat was niet noodig, want op dit oogenblik werd +er gescheld.</p> + +<p>»Ha, dat zal Pieter zijn,» riep Mevrouw verheugd uit. +»Hij zal ons misschien wel van die beesten kunnen verlossen.»</p> + +<p>Inderdaad, zij had goed geraden; het was Pieter, en +deze was niet weinig uit zijn humeur toen hij hoorde, +wat er gebeurd was.</p> + +<p>»Maar Mama,» riep hij teleurgesteld uit, »dat zijn geen +torren, het zijn meikevers, die Bob mij gestuurd heeft, +omdat ik hem dat verzocht had. En nu zijn ze alle +weg!»</p> + +<p>»Weg?» herhaalde zijne Mama. »Weg? De hemel +gave, dat het waar was. Weg? De voorkamer boven +zit vol; er is geen plaatsje te zoeken, waar niet van die +beesten zitten. Ik zag er zelfs een in de melkkan vallen.»</p> + +<p>»En in den suikerpot, Mevrouw,» zei Mientje, »daar +zaten er ook in! Hu, ik ga niet me, hoor jongeheer, +voor geen geld! Ik moet er niets, niemendal van hebben.»</p> + +<p>»Dat is ook niet noodig!» bromde Pieter. »Geef mij +den langen stoffer maar, dan zal ik ze wel vangen. En +Mama, heeft u geen kistje voor me? Een sigarenkistje, +of zoo iets?»</p> + +<p>»Waarvoor?» vroeg Mevrouw. »Toch niet, hoop ik,<span class="pagenum"><a name="Page_217" id="Page_217">[217]</a></span> +om er die akelige beesten in te doen? Ik wil het volstrekt +niet hebben, Pieter, volstrekt niet, heb je mij goed verstaan? +Schuif de ramen open en jaag ze naar buiten. +Ik wil die beesten onder mijne oogen niet meer hebben.»</p> + +<p>»Maar Mama, Bob heeft ze toch voor mij gestuurd?»</p> + +<p>»Zeker, dat heeft hij en ze hebben mij nog een dubbeltje +aan den looper gekost ook. Doch dat verandert +aan de zaak niets, Pieter. Gooi die beesten het raam +uit! En nu geen woord meer, asjeblief!»</p> + +<p>Pieter begreep, dat het zijne mama ernst was, en met +tranen in de oogen ging hij, gewapend met een langen +stoffer, naar boven, om de ontsnapte diertjes te vangen.</p> + +<p>Toch moest hij lachen, toen hij zag, hoe de geheele +kamer als het ware met meikevers bevolkt was. Geen +plekje zag hij, of er was een meikever. ’t Was zulk een +bespottelijk gezicht, dat hij het uitschaterde van het lachen. +De deur had hij achter zich gesloten en hij hoorde, hoe +zijne Mama en Mientje daar achter stonden te wachten +op het oogenblik, dat de kamer weer vrij zou zijn.</p> + +<p>Eerst las Pieter op zijn gemak het gedicht van zijne +drie vrienden, stak het na de lezing in zijn zak, en ging +daarna op de jacht. De ramen had hij open geschoven, +en weldra zag hij, hoe de gejaagde kevers bij drommen +naar buiten vlogen. Het was nog lang geen gemakkelijk +werkje, om ze naar buiten te krijgen, want telkens, als +hij dacht, dat hij nu eindelijk den laatsten had gehad, +kwamen er uit de plooien van de gordijnen weer +andere te voorschijn. Ja, zelfs vele dagen daarna werd +Mevrouw telkens nog opgeschrikt door de onverwachte<span class="pagenum"><a name="Page_218" id="Page_218">[218]</a></span> +verschijning van een meikever, die haar onmiddellijk de +vlucht deed nemen naar Mientje, maar deze was niet te +bewegen, om hem te vangen.</p> + +<p>Nog jaren daarna kon Mevrouw haar neef Bob niet +ontmoeten, of zij begon telkens weer over die meikevers +te spreken en dan kon zij geen woorden genoeg +vinden, om haar schrik en ontsteltenis te beschrijven.</p> + +<p>Maar Pieter was, tot zijne innige spijt, slecht van +zijne meikevers afgekomen.</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_219" id="Page_219">[219]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Dertiende Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Hoe ik mijne betrekking als organist vervulde en wat<br /> +Bob in den toren vond. Hoe in het eene huis<br /> +vreugde en in het andere droefheid kon<br /> +heerschen om eenzelfde gebeurtenis.</p> + + +<p>’t Werd Zondagmorgen. Ik was al vroeg wakker, +want de enkele malen, dat ik voor den meester het orgel +moest bespelen als er dienst was, sliep ik nooit bijzonder +rustig. De wetenschap, dat ik als organist moest optreden, +stemde mij altoos min of meer zenuwachtig en deed mij +ook nu vroeg ontwaken.</p> + +<p>Spijt behoefde ik daar echter niet over te gevoelen, +want het was bijzonder prachtig wer. De dauw lag als +een luchtig gaas over het veld en deed blad en twijg +schitteren in de gulden ochtendstralen van de zon. Een +heerlijke geur vervulde de lucht en ik vond het verrukkelijk, +langzaam rond te wandelen door onzen tuin, waar +de glinsterende dauwdroppels wel diamanten schenen. +De vogels sjilpten zoo vroolijk op het dak, de hanen<span class="pagenum"><a name="Page_220" id="Page_220">[220]</a></span> +kraaiden elkander zoo gezellig hun morgengroet toe, het zonnetje +scheen zoo heerlijk. ’t Was een genot, buiten te zijn.</p> + +<p>’t Werd langzamerhand drukker en levendiger om mij +heen. De huizen werden meer en meer geopend, als om +te bewijzen, dat de bewoners waren opgestaan, en hier +en daar klonk uit de mij omringende tuinen een lied of +een vroolijke lach. De hanen werden kalmer, het zonnetje +rees langzaam hooger en verdreef met hare stralenbundels +den dauw, die niet dan onwillig scheen op te trekken, de +vogels fladderden van boom tot boom, en de bijtjes bewogen +zich al gonzende van de eene bloem naar de andere.</p> + +<p>Hoor, daar was de melkboer reeds. Van huis tot huis +kon ik hem volgen, want overal opende hij de achterdeur +en riep: »Mel-lek!» En de laatste lettergreep rekte hij +wel tweemaal zoo lang uit als noodig was.</p> + +<p>Nu waren ook mijne broertjes en zusjes ontwaakt. Ik +hoorde hun gesnap en gebabbel zelfs in den tuin, dien +zij weldra onder vroolijk gejuich binnenstormden.</p> + +<p>»Je moet komen ontbijten, Dorus!» klonk het mij toe. +»Moe heeft het gezegd.»</p> + +<p>Nu, dat bericht behoefde niet herhaald te worden, want +eene flinke boterham was mij nooit onwelkom. En toen +het ontbijt afgeloopen was, ging ik weer in den tuin om +het eerste gelui af te wachten. Bij ons werd er altoos +tweemaal geluid, den eersten keer om halfnegen, en den +tweeden keer een uur later, als de kerk aanging.</p> + +<p>Hoe meer het uur van aanvang naderde, des te minder +begon ik mij op mijn gemak te gevoelen. Niet, omdat +ik bang was, dat ik het er niet goed zou afbrengen,<span class="pagenum"><a name="Page_221" id="Page_221">[221]</a></span> +o neen, in het geheel niet, want ik speelde toen de psalmen +en de gezangen al vrij vast. Ik weet zelf niet, waarom +ik er altoos zoo tegen opzag; ik denk, dat het gevoel +van verantwoordelijkheid mij drukte.</p> + +<p>Eindelijk drongen de klokketonen tot mij door. Dat +gelui stemde mij altoos, zoo jong als ik was, min of meer +ernstig, en wanneer het de doodsklok was, die geluid +werd, huiverde ik zelfs dikwijls.</p> + +<p>Een kwartiertje later nam ik mijne muziekboeken uit +het kastje en zei tegen Pa en Moe, dat ik vast vooruitging, +om alles in gereedheid te brengen.</p> + +<p>»Hoor eens, Dorus,» zei Pa, »geen grappen maken +daarboven, hoor, en geen jongens menemen. Zorg er +voor, dat niemand merkt, dat de meester er niet is. +Laat alles ordelijk en naar behooren gaan.»</p> + +<p>»Ja Pa!» was mijn antwoord, en toen ging ik.</p> + +<p>»Zorg, dat ik mij niet over je behoef te schamen!» +riep Pa mij nog na.</p> + +<p>Onderweg kwam ik Bob tegen.</p> + +<p>»Zoo Dorus,» zei hij, »ga je naar de kerk?»</p> + +<p>»Ja, ik ga naar de kerk.»</p> + +<p>Dat ik dien morgen als organist moest optreden, verzweeg +ik hem, want dan wist ik zeker, dat hij ook boven +zou komen. Maar Bobje wist het al. Hij vervolgde:</p> + +<p>»Ik kom ook, Dorus. De meester is er immers niet?»</p> + +<p>Ik had veel lust om te zeggen, dat de meester er wl +zou zijn, maar van liegen en veinzen had ik een onoverwinnelijken +afkeer, dus zeide ik het niet.</p> + +<p>»Ik ben van morgen organist, Bob,» zei ik op beslisten<span class="pagenum"><a name="Page_222" id="Page_222">[222]</a></span> +toon, »en de meester komt niet! Ik heb eerst den meester +en nu nog mijn Pa moeten beloven, dat ik geen jongens +zou menemen, en ik doe het niet ook. Als je komt, +zal ik den koster verzoeken, je te verwijderen.»</p> + +<p>»Erg vriendelijk van je, Dorus,» zei Bob knorrig, »erg +vriendschappelijk, dat moet ik zeggen.»</p> + +<p>»Waarom ga je niet beneden zitten? Daar heb je +immers eene plaats?»</p> + +<p>»Ja, maar ik zit veel liever boven. Daar kan ik nog +eens heen en weer loopen, weet je, en dat kan ik in de +kerk niet doen. Dus mag ik niet?»</p> + +<p>»Neen, je moogt niet. Ik heb het beloofd en die belofte +zal ik houden. Je doet ook altijd zulke dwaze dingen. +Maar nu moet ik gaan, of ik ben niet op tijd gereed. +Tot van middag!»</p> + +<p>Bob scheen echter boos, want hij ging zonder groeten +verder. Nu, dat hinderde niet. Hij was wel eens meer +boos, maar dat ging vanzelf weer over. Hij zou mijne +weigering ook nu wel spoedig vergeten zijn.</p> + +<p>Ik had nu de kerk bereikt en ging naar boven, waar +de koster de sleutels van het orgel al had neergelegd. +Eenige minuten later kwam hij mij het orgelbriefje +brengen, waarop te lezen stond, welke liederen er dien +morgen gezongen zouden worden.</p> + +<p>Uit dat briefje bleek mij, dat alles zou zijn, zooals +gewoonlijk. Er stond althans niets bijzonders op vermeld, +en er zou ook nu, volgens den gewonen gang van zaken, +viermaal gezongen worden. Dat de melodin niet bijzonder +moeilijk waren, zag ik al met een enkelen oogopslag,<span class="pagenum"><a name="Page_223" id="Page_223">[223]</a></span> +want het waren alle bekende gezangen, die dikwijls +opgegeven werden.</p> + +<p>Toen alles gereed stond, kwam Potman, de orgeltrapper +boven. Potman was een oude sukkel, die door de diakonie +onderhouden werd en er nog een duitje bijverdiende met +orgeltrappen.</p> + +<p>»Zoo Dorus,» zei hij, »moet jij van morgen spelen? +Komt de meester niet?»</p> + +<p>»De meester is uit,» zei ik, »en nu moet ik spelen.»</p> + +<p>»Zoo, zoo, nu, dat is je toevertrouwd. Er zal wel veel +volk ter kerk komen, denk ik, want het is prachtig +wer. Kom, ik zal maar gaan zitten.»</p> + +<p>Potman ging naar de andere zijde van het orgel, waar +zijn stoel stond, en nauwelijks was hij weggegaan, of +Jan van der Vliet kwam binnen. Die had eene vaste +plaats bij ons, en als de meester zeide, dat er geen jongens +boven mochten komen, was Jan daarvan stilzwijgend +uitgezonderd. Trouwens, Jan zou ook geen dwaze dingen +gaan doen, zooals Bob. Als deze boven zat, wierp hij +altoos propjes papier naar beneden, die dan op de hoofden +der menschen terecht kwamen, of hij maakte grappen +tegen de jongens, die op de galerijen zaten, want gij +moet weten, dat het eene groote kerk was met twee +galerijen, die op dezelfde hoogte van het orgel waren +aangebracht. Wanneer de collectanten van de eene galerij +naar de andere moesten gaan, kwamen zij altoos onze +afdeeling over en namen dan meteen onze giften in +ontvangst.</p> + +<p>»Morgen Dorus!» zei Jan.<span class="pagenum"><a name="Page_224" id="Page_224">[224]</a></span></p> + +<p>»Morgen Jan!» was mijn antwoord, en ik zag, dat zijn +gelaat droevig stond. Hij schoof de gordijntjes een weinig +ter zijde, zoodat hij in de kerk kon zien, en staarde op +de bank, waar ’s Zondags altoos zijne ouders zaten, want +zij waren trouwe kerkgangers. Hunne plaatsen bleven +nu evenwel ledig, en toen ik Jan aanzag, ontdekte ik +tranen in zijne oogen. Onze blikken ontmoetten elkander, +en wij schenen daarin elkanders gedachten te kunnen lezen.</p> + +<p>»Ze durven niet. Ze schamen zich!» fluisterde hij mij +toe, en zijn mond plooide zich zenuwachtig. Ik zag, dat +hij moeite deed, om niet te schreien.</p> + +<p>Ik antwoordde niets, want ik wist niet, wat ik zeggen +moest. Hoe kon ik den armen jongen troosten, nu +morgen de rechtbank wellicht het schuldig over hen zou +uitspreken? Hoe kon ik hem troosten, nu binnen korten +tijd de gevangenisdeur wellicht achter hen zou worden +gesloten en Jan alleen met zijn zusje in de armelijke +woning achterbleef?</p> + +<p>Neen, ik kon hem niet troosten, want iedereen zeide, +dat zij wel veroordeeld zouden worden.</p> + +<p>»En dan toch onschuldig?» dacht ik, terwijl ik Jan vol +medelijden aanzag. »Maar — dat zou verschrikkelijk zijn.»</p> + +<p>Op dit oogenblik begon de koster voor de tweede maal +te luiden, en werd het drukker in de kerk.</p> + +<p>Daar kwam dokter Doreman binnen, die bijna nooit +verzuimde, maar ook bijna nooit tot aan het einde van +den dienst bleef, omdat hij gewoonlijk midden onder de +preek bij een patient geroepen werd, want hij had een +verbazend drukke praktijk.<span class="pagenum"><a name="Page_225" id="Page_225">[225]</a></span></p> + +<p>En daar kwam notaris de Wild binnen, met zijne vrouw. +Of Bob ook meegekomen was? Hoe ik ook keek, ik +ontdekte hem nergens. Misschien was hij nog boos op me?</p> + +<p>De drukte beneden werd nog grooter, want het was +nu half tien. En de meeste menschen komen precies op +tijd of te laat.</p> + +<p>Nu kwam ook de voorzanger in de kerk. Ik zag hem +weldra plaats nemen voor zijn lessenaar en opzoeken, +wat er gezongen moest worden. Het luiden hield op, de +voorzanger kuchte, trok zijn das recht, hoewel deze +volstrekt niet scheef zat, en daar begon hij, zacht en +onduidelijk:</p> + +<p>»De gemeente gelieve te zingen —» maar nu verhief +zijne stem zich, zooals de man dat gewoon was te doen, +plotseling wel eene quinte hooger, en klonk het helder +en duidelijk, zoodat iedereen hem kon verstaan: »van +den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» Hij +zei altoos veers en nooit vers; waarom hij dat deed, +weet ik niet.</p> + +<p>»Ik herzeg: van den twee en veertigsten psalm, het +eerste veers.» En nu begon hij op een galmenden toon, +dien niemand mooi vond, het opgegeven vers voor te +lezen. Ik zat gereed om te gaan spelen, dat spreekt +vanzelf, en de orgeltrapper was evenzoo op zijne post. +Jan stond achter mij, om te zien wat ik deed. Zoodra +de voorzanger geindigd had, speelde ik mijn preludium, +wat heel goed ging, trok daarna eenige registers uit en +speelde het koraal, waarmede de gemeente instemde. +Jan, die anders altoos uit volle borst mezong, scheen<span class="pagenum"><a name="Page_226" id="Page_226">[226]</a></span> +nu geen zingenslust te hebben, althans hij deed niet +mede, en het scheen mij toe, dat hij zuchtte.</p> + +<p>Eerst beefde ik wel een beetje, toen ik begon te spelen, +maar dat bedaarde spoedig en ik gevoelde mij verder goed op +mijn gemak. Het ging dan ook tot het einde toe zeer goed.</p> + +<p>Nu las de voorzanger een gedeelte uit den bijbel voor, +en toen nam de dominee, die onder het zingen den kansel +beklommen had, het woord.</p> + +<p>Spoedig werd het tweede gezang opgegeven. Ik speelde +het zoo goed, dat ik er niet aan twijfelde, of er zouden +maar weinig menschen zijn, die opmerkten, dat de gewone +organist niet tegenwoordig was. Dat stemde mij recht +prettig.</p> + +<p>Midden onder het gezang evenwel verdween plotseling +al mijne vreugde, want de deur werd geopend, en zonder +eenig gedruisch te maken trad Bob binnen. Dat vond ik +flauw van hem. Hij wist, dat zijne tegenwoordigheid bij +het orgel in het geheel niet gewenscht, ja, zelfs verboden +was, en nu kwam hij toch. Wat moest nu de meester +wel van mij denken, als hij het hoorde? En wat zou Pa +zeggen, als ik thuis kwam? Want deze zou het ongetwijfeld +wel te weten komen. En bovendien, welke dwaze +dingen zou Bob misschien weer gaan uithalen, — want +dat deed hij immers altijd?</p> + +<p>Toch kon ik er niets aan veranderen. Hij was er nu +eenmaal, en hoe moest ik hem tot heengaan bewegen? +O ja, ik kon naar beneden gaan en den koster waarschuwen, +maar dan zagen alle menschen mij; wat zou +dat dus eene opschudding veroorzaken. Neen, ik kon er<span class="pagenum"><a name="Page_227" id="Page_227">[227]</a></span> +niets aan doen, en dat wist Bob wel. Juist daarom had +hij zoo lang gewacht.</p> + +<p>Hij kwam doodbedaard achter mij staan en keek naar +mijn spel. Maar plotseling stak hij de hand uit, om ook +een of twee toetsen neer te drukken, wat afschuwelijk +geklonken zou hebben. Ik schrikte er van.</p> + +<p>»Niet doen! — Niet doen!» riep ik hem haastig toe, +en gelukkig was Bob zoo vriendelijk, dezen keer mijn +zin eens te doen. Lachend trok hij zijne hand terug. +Maar nu begon hij met zijn voet op het pedaal te drukken, +wat mij duidelijk werd, daar de bas plotseling door +eene onbekende oorzaak vreeselijk valsch begon te klinken. +Ik onderzocht dadelijk, of ik mij ook vergist en +een verkeerden toets neergedrukt kon hebben, maar dat +was niet zoo. Mijn spel was goed. Toen ontdekte ik, +dat Bob het deed, en weer fluisterde ik hem toe:</p> + +<p>»Laat het dan toch, Bob. Je maakt me in de war!»</p> + +<p>Wat was ik blij, toen ook het tweede gezang ten einde +was. Ik maakte alles gereed voor het derde en wendde +mij daarna tot Bob, die doodbedaard op een stoel was +gaan zitten.</p> + +<p>»Zoo,» zei ik zacht, maar daarom niet minder boos, +»ben je daar toch?»</p> + +<p>»Zooals je ziet,» zei Bob. »En ik ga niet weg ook, +al kijk je me nog zoo nijdig aan.»</p> + +<p>»Ik vind het leelijk van je, Bob — erg leelijk!» zei +ik weer. »Als ik den koster roep, word je dadelijk +weggestuurd.»</p> + +<p>»Ja, dat weet ik wel, maar je haalt hem niet, Dorus.<span class="pagenum"><a name="Page_228" id="Page_228">[228]</a></span> +Doch wees nu maar bedaard, — ik beloof je, dat ik in +het geheel geen kwaad zal doen en stil zal blijven zitten. +Is het nu goed?»</p> + +<p>Hij lachte mij vriendelijk toe, terwijl hij dat zeide. +De oolijkerd wist wel, dat hij gelijk had. Ik draaide +mij boos van hem af en ging voor mijne muziek zitten, +om die nog eens door te zien.</p> + +<p>Inderdaad hield Bob zich eenigen tijd zeer bedaard, +zoodat ik volstrekt geen reden had, om ontevreden over +hem te wezen. Toch deed ik nog net, of ik erg boos +op hem was en bleef met mijn rug naar hem toezitten. +Want ik wilde mij volstrekt niet met hem bemoeien, +daar ik wist, dat hij direct de geheele hand zou nemen, +als ik hem maar een vinger toestak. Ik wilde hem in +het geheel niet aanmoedigen.</p> + +<p>Na een klein kwartier echter begon de stoel, waarop +hij plaats genomen had, verdachte geluiden voort te +brengen en telkens geducht te kraken, wat mij het +duidelijke bewijs was, dat Bob onmogelijk langer stil +kon zitten.</p> + +<p>»Nu zal het lieve leventje beginnen,» dacht ik, doch +ik bleef op mijne muziek turen en verwaardigde hem +met geen blik.</p> + +<p>Het gekraak werd evenwel telkens erger, zoodat ik +wel omkijken moest, en nu zag ik Bobje boven op de +leuning zitten met zijne voeten op de zitting, en hij +maakte allerlei leelijke grimassen tegen den ouden Potman, +die hem heel boos zat aan te kijken.</p> + +<p>»Bob, wees toch stil!» gebood ik, want ik twijfelde<span class="pagenum"><a name="Page_229" id="Page_229">[229]</a></span> +niet, of men zou beneden in de kerk het leven kunnen +hooren, dat hij maakte.</p> + +<p>»Houd je kalm, Dorus,» zei Bob. »Kijk dien ouden +Potman eens boos wezen! Ik geloof, dat hij me wel zou +willen opeten.»</p> + +<p>En weer begon hij grimassen te maken en op de +leuning heen en weer te schommelen, zoodat de stoel er +van kraakte.</p> + +<p>»Bob, houd nu op en ga heen. Toe, asjeblief, Bob!»</p> + +<p>Nu mijn dreigen niet hielp, begon ik hem te smeeken, +want ik twijfelde niet langer, of hij zou me in groote +ongelegenheid brengen. »Aanstonds breekt de stoel nog,» +zei ik er waarschuwend bij. En nauwelijks had ik die +woorden uitgesproken, of krak, krak! daar brak de leuning +middendoor en viel Bob met een slag op den grond. +Het bloed steeg mij naar het hoofd van den schrik en +ik keek snel naar beneden, of de menschen in de kerk +het hadden gehoord. Ja, een enkele zag even naar boven, +maar daar het orgel boven de groote vestibule stond, +had men er daar minder van gehoord, dan ik vreesde.</p> + +<p>Toch had het gebeurde een gevolg, waarover ik mij +zeer verheugde, want Bob had in allerijl het hazenpad +gekozen; zeker vreesde hij, dat de koster naar boven zou +komen.</p> + +<p>Nu werd het zoo rustig boven als ik maar wenschen +kon, want Jan van der Vliet zat doodbedaard op een +stoel achter mij te luisteren naar de preek van den +dominee, hetgeen ik nu ook ging doen. Want tot nog +toe had mijn vriend Bob mijne aandacht daar totaal van<span class="pagenum"><a name="Page_230" id="Page_230">[230]</a></span> +afgeleid. En de oude Potman ging, als gewoonlijk, zijn +slaapje doen. Bob was nog geen drie minuten weg, of +de oude man zat al te knikkebollen.</p> + +<p>Het duurde echter maar kort, of ik hoorde iemand +met groot gedruisch de trap afklimmen, die naar den +toren voerde. Dat moest Bob wezen, het kon niet anders. +Zeker was hij weer naar het uilennest wezen kijken. +Maar hoe kwam hij er nu toch toe, om zoo hard naar +beneden te komen stormen? Hij wist toch, dat er kerk +was? Of wilde hij mij met voordacht in ongelegenheid +brengen? Dat vond ik slecht van hem.</p> + +<p>Daar werd de deur driftig opengeworpen en kwam +Bob met niet weinig gedruisch binnenstappen. Zijn gelaat +was hoogrood gekleurd en hij maakte ontzaglijk veel +leven. Blijkbaar was hij zoowel den dominee als alle +kerkgangers vergeten.</p> + +<p>»Ssst! Ssst!» fluisterde ik hem toe, met mijn vingers +tegen den mond.</p> + +<p>»Jan, ga mee! Dorus, jij ook!» zei hij gejaagd. »Ik +heb het geld gevonden van den diefstal, — al het geld!»</p> + +<p>In een oogwenk stonden wij naast hem, en Jan werd +doodsbleek.</p> + +<p>»Het geld! — Van den diefstal?» stamelde hij. »Spot +er niet mede, Bob, want dat zou laag en laf wezen.»</p> + +<p>»Ik spot niet! Gerust niet! Gaat maar mede. ’t Ligt +boven in den toren, onder het uilennest, je weet wel, +dat nest, dat we onlangs hebben gevonden. Komt, dan +zal ik het je wijzen!»</p> + +<p>Bob ging ons voor, en zonder meer aan het orgel te<span class="pagenum"><a name="Page_231" id="Page_231">[231]</a></span> +denken volgde ik hem. Dat ook Jan naar boven ging, +behoeft niet te worden gezegd.</p> + +<p>Halverwege de trap dacht ik echter aan het derde +gezang, dat nu volgen moest, maar naar mijne berekening +was het daarvoor nog te vroeg. Ik zou toch spoedig +weer naar beneden komen, maar eerst moest ik dat +geld eens zien.</p> + +<p>Vlug klommen wij de trap op. Wij gingen de klok +voorbij, die regelmatig tikte, en hadden weldra het nest +bereikt.</p> + +<p>»Kijk, — hier onder!» zei Bob. »Zie je wel, dat de +eieren er nog precies zoo liggen als toen? De vogels +zijn ongetwijfeld gestoord door den dief, want zie maar, +hier ligt het geld!»</p> + +<p>Bob lichtte nu het nest op, en waarlijk, — daar lag +het gestolene; een briefje van zestig gulden, een van +veertig, en zeven gouden tientjes. Alleen de drie gouden +tientjes, die bij Van der Vliet onder de deur door geschoven +waren, ontbraken er aan. En bovendien lagen +daar nog eenige honderden postzegels van verschillende +waarde, zoodat wij niet behoefden te twijfelen, of dit het +geld van den diefstal was.</p> + +<p>Jan schreide en lachte tegelijk. De goede jongen was +geheel in de war.</p> + +<p>»Daar is het! Daar is het!» juichte hij. »Nu zal de +onschuld van mijne ouders aan het licht komen. O Bob, +dat heb ik aan jou te danken!»</p> + +<p>»Maar wat moeten we nu doen?» vroeg Bob.</p> + +<p>»Alles precies laten liggen, zooals het ligt, en dadelijk<span class="pagenum"><a name="Page_232" id="Page_232">[232]</a></span> +den burgemeester gaan waarschuwen,» zei ik. »En spreek +er tegen niemand......»</p> + +<p>Maar eensklaps bestierven de woorden mij op de lippen, +want — daar klonk mij plotseling gezang in de ooren. +Eerst begreep ik niet, wat er gebeurde, maar weldra ging +mij een licht op. ’t Was kerkgezang — en dat nog wel zonder +orgelbegeleiding. Door de verrassing van het gebeurde, +had ik het orgel vergeten, en nu — was het te laat!</p> + +<p>Van schrik kon ik niet spreken, en met open mond +staarde ik mijne beide vrienden aan.</p> + +<p>»Mooi zoo, Dorus!» zei Bob. »Dat ziet er pleizierig +voor je uit. ’t Is zeker het derde gezang?»</p> + +<p>Ik knikte toestemmend en kreeg de tranen in de oogen, +tranen van spijt en berouw. Zonder een oogenblik langer +te dralen ijlde ik naar beneden, naar het orgel, — maar +wat kon ik er doen? De menschen zongen reeds onder +leiding van den voorzanger, en ik kon onmogelijk zoo +maar invallen. Potman keek mij aan en schudde bedenkelijk +met het hoofd. Hij vond mij zeker erg slecht.</p> + +<p>En ik — schreide tranen van verdriet.</p> + +<p>Nu werd de deur geopend en trad Pa binnen. Hij had +de kerk onder het zingen verlaten, en kwam kijken, wat +er gebeurd was.</p> + +<p>Zijn gelaat stond zeer ernstig.</p> + +<p>»Waarom speel-je niet, Dorus?» vroeg hij.</p> + +<p>Vol schaamte hield ik mijne oogen op den grond gericht, +maar ik antwoordde niet.</p> + +<p>»Waarom speel je niet, Dorus?» herhaalde Pa zacht, +maar dringend.<span class="pagenum"><a name="Page_233" id="Page_233">[233]</a></span></p> + +<p>»Ik was er niet, Pa.»</p> + +<p>Ik zag, dat mijn antwoord Pa bedroefde.</p> + +<p>»Dat spijt me van je, Dorus!» zei hij zacht. »Dat spijt +me meer, dan je wellicht vermoedt. Ik vertrouwde je +zoo geheel, Dorus.»</p> + +<p>Ach, wat speet het mij, Pa zoo teleurgesteld te +hebben.</p> + +<p>»Waar was je dan?» vroeg hij even later.</p> + +<p>»Pa, ik was in den toren. Bob......»</p> + +<p>»Bob? Ik had je immers verboden, jongens mede te +nemen? Dorus, — Dorus! Wat val je me tegen.»</p> + +<p>»Ik heb hem niet meegenomen, Pa!» zei ik schreiende. +»Hij is zelfs gekomen ondanks mijn verbod. En ik kon +hem niet weg krijgen.»</p> + +<p>»En wat moest je in den toren doen? Het was je +plicht hier te blijven. ’t Is niet alleen stout van je geweest, +maar ook dom, erg dom, Dorus.»</p> + +<p>»Ach Pa, u weet alles niet. Bob was in den toren +gegaan, en daar heeft hij al het geld gevonden en de +postzegels, die bij mijnheer Valk gestolen zijn. En toen +hij ons dat kwam zeggen, zijn Jan en ik met hem naar +boven geklommen, om het te zien. En Pa, toen — toen +was ik het derde gezang vergeten, — ik dacht er in het +geheel niet meer aan, totdat ik opeens hoorde zingen.»</p> + +<p>»Het geld gevonden en de postzegels?» zei Pa, die een +en al verbazing was. »Dat zeg je immers?»</p> + +<p>»Ja, Pa.»</p> + +<p>»En waar zijn die jongens nu?»</p> + +<p>»Nog in den toren, Pa. Toe, ga er als het u belieft<span class="pagenum"><a name="Page_234" id="Page_234">[234]</a></span> +dadelijk heen, want zij weten niet, wat zij er mede moeten +doen.»</p> + +<p>Ik deed de deur voor Pa open en meende hem voor +te gaan. Maar Pa zeide:</p> + +<p>»Jij blijft hier op je post, — begrepen, Dorus?»</p> + +<p>»Ja, Pa.»</p> + +<p>Beschaamd keerde ik naar mijn klavier terug, dat ik +zoo schandelijk verlaten had. Het gezang was nu geindigd, +en ik zocht de muziek gereed voor het laatste +zingen. De dominee begon aan het tweede gedeelte van +zijne predikatie.</p> + +<p>Wat had ik een flater begaan! En wat zou ook de +meester boos op mij zijn. Eerst moest ik daar onophoudelijk +over denken, doch al spoedig gingen mijne gedachten +zich bezig houden met hetgeen in den toren gevonden +was, en ik bedacht, hoe heerlijk dat moest zijn voor Van +der Vliet en zijne vrouw, wier onschuld nu zoo duidelijk +aan het licht gekomen was. Want het was niet aan te +nemen, dat zij dat geld daar zouden hebben verstopt. Zij +kwamen immers nooit in den toren?</p> + +<p>Maar wie kon dan de dader geweest zijn? Vruchteloos +spande ik mij in, om het antwoord op die vraag te vinden. +Tot mij opeens in de gedachten schoot, dat dit niemand +anders kon zijn dan Arie de Zwaan, de neef van den +koster, bij wien al eenmaal huiszoeking was gedaan.</p> + +<p>Ik hoorde, hoe iemand de trap afkwam. De deur +ging open en Bobs gelaat verscheen om den hoek.</p> + +<p>»Wees maar niet bang, Dorus, ’t zal best voor je afloopen, +hoor. Nu dat geld hier gevonden is, zullen de menschen<span class="pagenum"><a name="Page_235" id="Page_235">[235]</a></span> +over het orgel bijna niet denken. En je Pa is niets boos. +Dag! Ik ga den burgemeester halen. Je Pa heeft het +mij bevolen.»</p> + +<p>En weg was hij. Ja, hij had gelijk. Nu dat geld ontdekt +was, zou mijne domme daad spoedig op den achtergrond +gedrongen zijn. Maar dat nam niet weg, dat ik toch +het vertrouwen van mijne ouders en den onderwijzer +ernstig moest hebben geschokt, en dat deed mij veel verdriet. +Van de preek hoorde ik dien morgen weinig of +niets, want mijne gedachten kon ik er onmogelijk bijhouden. +Ik hoorde bijna niet eens, dat de dominee amen zeide.</p> + +<p>Eindelijk werd de slotzang opgegeven.</p> + +<p>Ik speelde dien zoo goed ik kon, om mijne fout zooveel +mogelijk te herstellen, en terwijl de menschen de kerk +verlieten, gaf ik mijn mooiste stuk ten beste.</p> + +<p>Juist op dat oogenblik kwam Bob terug in gezelschap +van den burgemeester en van Tip, die heel gewichtig +keken en met groote schreden door eene zijdeur de kerk +binnenstapten. O, wat waren de kerkgangers nieuwsgierig +naar hetgeen zij daar gingen doen, maar niemand werd +daarbinnen toegelaten. Dat ik naar boven in plaats van +naar huis gegaan was, spreekt vanzelf.</p> + +<p>Zoodra de burgemeester bij het uilennest aangekomen +was, moest Bob alles vertellen, wat er gebeurd was. En +hij was tot mijne vreugde zoo eerlijk, om zelfs te zeggen, +dat hij tegen mijn zin bij het orgel gekomen was en +daar een stoel had gebroken; dat hij daarna de vlucht +had genomen, uit vrees, dat de koster komen zou om +hem weg te jagen, en naar boven geklommen was, om<span class="pagenum"><a name="Page_236" id="Page_236">[236]</a></span> +nog eens naar het uilennest te kijken, dat wij daar voor +eenigen tijd ontdekt hadden.</p> + +<p>»Is dat alles waar?» vroeg de burgemeester.</p> + +<p>»Ja mijnheer, volkomen waar!» stemden wij toe.</p> + +<p>Pa gaf mij stilzwijgend eene hand, ten bewijze, dat +hij mijne fout vergaf.</p> + +<p>Maar Bob zag het, en hij zeide tegen Pa:</p> + +<p>»Ja mijnheer, Dorus heeft in het geheel geen schuld, +want hij had mij verboden te komen. Maar toen ik +zag,» aldus vervolgde hij tot den burgemeester, »dat de +vogels weggegaan waren, zeker omdat zij door iemand +waren opgejaagd, kreeg ik lust, om het nest eens van +onderen te bekijken en daar ontdekte ik dat geld en +de zegels. Arie de Zwaan heeft dat alles daar zeker +verstopt.»</p> + +<p>»Stil jongen,» zei de burgemeester. »Ik vraag je geen +namen, want daar weet je immers niets van?»</p> + +<p>Maar ik zag, dat hij knipoogde tegen Pa, en dat die +beide heeren een bijna onzichtbaar glimlachje niet bedwingen +konden.</p> + +<p>»Hoe wist je, dat de vogels gestoord waren in het +broeien?» vroeg de burgemeester.</p> + +<p>»Omdat ik voelde, dat de eieren koud waren, mijnheer,» +antwoordde Bob. »Arie de Zwaan — o, ik bedoel, de +dief is hier zeker dikwijls geweest, want anders zouden +de uilen niet zoo bang geworden zijn, dat zij de eieren +in den steek lieten.»</p> + +<p>»Zoo, — hm, ja, dat kan wel zijn. Nu, ik heb alles +hier gezien en zal er proces-verbaal van opmaken. Jelui<span class="pagenum"><a name="Page_237" id="Page_237">[237]</a></span> +moet van middag om n uur bij me op het raadhuis +komen, alle drie, goed begrepen?»</p> + +<p>»Ja burgemeester.»</p> + +<p>»Je kunt nu gaan, maar vergeet het niet, hoor: om +n uur. Het gevondene zal ik menemen.»</p> + +<p>Wij verlieten den toren en gingen in druk gesprek +huiswaarts. Toen wij voorbij de kosterswoning kwamen, +zagen wij, hoe Arie de Zwaan, die zeker den burgemeester +en den veldwachter voorbij en in den toren had zien +gaan, onrustig voor het huis heen en weer liep. Zoodra +hij ons zag, vroeg hij:</p> + +<p>»Wat is er in den toren te doen, jongens?»</p> + +<p>»Daar heb je den dief, geloof dat gerust,» fluisterde +Bob ons toe. »Wat ziet hij bleek!»</p> + +<p>En luid antwoordde hij:</p> + +<p>»In den toren? Op dit oogenblik niets.»</p> + +<p>Dat was volkomen waar, want wij zagen den burgemeester, +Pa en Tip juist naar buiten komen.</p> + +<p>De burgemeester gaf Pa de hand en begaf zich, door +den veldwachter gevolgd, regelrecht naar de kosterswoning, +waar Arie hen in zenuwachtige spanning afwachtte. +Dat hij zenuwachtig was, konden wij best aan zijne +gejaagde bewegingen zien.</p> + +<p>De koster en diens vrouw kwamen juist uit hun huis, +toen de burgemeester Arie genaderd was. Wij zagen, +hoe hij hem de hand op den schouder legde, en wij +hoorden hem zeggen: »In naam der wet, Arie de Zwaan, +neem ik u gevangen.»</p> + +<p>Verschrikkelijk, wat vonden wij dat pijnlijk. Wij zagen<span class="pagenum"><a name="Page_238" id="Page_238">[238]</a></span> +hoe Arie’s tante haar gelaat met de handen bedekte en +in tranen uitbarstte.</p> + +<p>»Komt, jongens,» zei Pa zacht, want die was ons nu +genaderd, »komt, laten we naar huis gaan. Dat is een +treurig schouwspel, niet waar?»</p> + +<p>Zonder spreken vervolgden wij onzen weg. Maar Jan +ijlde ons vooruit, om zijne ouders de blijde boodschap +te brengen. Wat zal in de eenvoudige woning groote +vreugde hebben geheerscht!</p> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_239" id="Page_239">[239]</a></span></p> + +<p class="str"> </p> + +<h2>Veertiende Hoofdstuk.</h2> +<hr class="l3"/> +<p class="ot">Besluit.</p> + + +<p>Het geheele dorp was dien dag verder in rep en roer, +over hetgeen er gebeurd was. Er werd bijna over niets +anders gesproken dan over Bobs vondst en de gevolgen +daarvan. Dat die vooral voor de Van der Vliets hoogst +gewichtig waren, is gemakkelijk te begrijpen.</p> + +<p>En wat bracht de gevangenneming van Arie de Zwaan +eene geweldige opschudding teweeg. Overal zag men de +menschen voor de ramen of op de straat verschijnen, +toen hij tusschen den burgemeester en den veldwachter +naar het raadhuis werd gevoerd, waar hij voorloopig in +het gevangenhok werd opgesloten. Met neergeslagen +oogen liep hij tusschen zijne bewakers voort, ongeboeid, +dat is waar, maar toch scherp bewaakt.</p> + +<p>’s Middags maakte Kees van der Vliet met zijne vrouw +eene wandeling door het dorp. Hun gelaat straalde van +vreugde, en zij liepen met het hoofd fier omhoog. Ieder +die hen tegenkwam, maakte een praatje met hen, en<span class="pagenum"><a name="Page_240" id="Page_240">[240]</a></span> +allen fliciteerden hen met de gunstige wending, die de +zaak genomen had.</p> + +<p>’t Was grappig te hooren, hoe de menschen zeiden, +dat zij altoos wel aan hun onschuld hadden geloofd, en +die vroeger het meeste van hen te zeggen hadden gehad, +waren nu de eersten, die het tegenovergestelde betuigden.</p> + +<p>Arie de Zwaan ontkende tegenover den burgemeester +met groote beslistheid, dat hij den diefstal had gepleegd, +en wat de burgemeester ook deed, hij bleef halsstarrig +bij die verklaring.</p> + +<p>’s Middags om twee uur, nadat wij op het raadhuis +waren geweest, waar de burgemeester ons het proces-verbaal +had voorgelezen, werd Arie de Zwaan per rijtuig +en onder strenge bewaking naar Haarlem gevoerd, waar +hij in de gevangenis werd opgesloten. En toen hij den +volgenden dag voor den Officier van Justitie werd gebracht +legde hij eene volledige bekentenis af. Ja, hij had ’s nachts +het raam weten open te schuiven en al het aanwezige +geld gestolen, en om de verdenking van zich af te +werpen, had hij de drie gouden tientjes bij Van der +Vliet onder de deur doorgeschoven, daar hij gezien had, +dat deze met zijne vrouw dien dag bij den Directeur +hadden gewerkt.</p> + +<p>De rechtbank veroordeelde hem tot eene langdurige +gevangenisstraf. Zijn oom en tante, de koster en diens +vrouw, waren zeer bedroefd over het slechte gedrag van +hun neef. Toen hij later uit de gevangenis terugkeerde, +hebben zij hem voortgeholpen om naar Amerika te emigreeren. +Hier wisten zij geen raad meer met hem.<span class="pagenum"><a name="Page_241" id="Page_241">[241]</a></span></p> + +<p>Over de slechte wijze, waarop ik mijne taak als organist +had waargenomen, werd zeer weinig gesproken. +Bob had het goed geraden: door het vinden van het +geld werd over mijne afwezigheid op dat gedenkwaardige +oogenblik niet meer gedacht. Zelfs de meester liet er +niets van blijken, toen hij teruggekeerd was, en later +heeft hij mij nog meer dan eens verzocht, als hij weer eens +van huis moest, zijne betrekking voor hem waar te +nemen. Daaruit kon ik tot mijne groote vreugde opmaken, +dat hij mij zijn vertrouwen niet onwaardig keurde.</p> + +<p>Maar Bob ging nooit weer met mij mede.</p> + +<p>Dat kon hij ook niet, want korten tijd daarna heeft +hij tot onze groote spijt het dorp verlaten. De reden +daarvan was, dat zijne Moe ernstig ziek werd, zoodat +men voor het behoud van haar leven vreesde. Dokter +Doreman deed alles, wat in zijn vermogen was om haar +beter te maken, doch zijne pogingen waren vruchteloos. +Eindelijk werd er besloten, een professor te raadplegen. +Deze kwam en raadde na een ernstig onderzoek aan, +naar eene andere woonplaats te verhuizen, liefst naar +een hoog gelegen dorp in Gelderland. Hij twijfelde niet, +of daar zou zij hare verloren gezondheid terugvinden.</p> + +<p>Och, wat was Bob in dien tijd stil en bedaard, want +hij had zijne Moe innig lief. Wij zagen hem bijna niet +meer op de straat en van spelen met ons was geen +sprake. Hij was altoos thuis, waar hij de geliefde zieke +met de teederste zorgen omringde.</p> + +<p>Zijn Pa besloot, den raad van den professor op te +volgen. Hij kon er echter niet toe besluiten, de lieve<span class="pagenum"><a name="Page_242" id="Page_242">[242]</a></span> +patiente alleen naar het vreemde oord te laten gaan. +Daarom nam hij zijn ontslag als notaris en vestigde zich +metterwoon te Oosterbeek.</p> + +<p>Het speet ons meer, dan ik zeggen kan, dat Bob ons +ging verlaten. Hij had nog geen vol jaar bij ons op +het dorp gewoond, maar toch hielden wij allen innig +veel van hem. Dat bleek het duidelijkst bij zijn vertrek. +Sommige jongens stortten er zelfs tranen om.</p> + +<p>Maar Karel Holm en mij speet het ’t meest van allen, +want wij hadden het meest met hem omgegaan.</p> + +<p>»Dag Bob,» zeiden we bij het afscheid nemen, en onze +oogen waren vochtig, evenals de zijne: »Het ga je goed, +j. ’t Spijt me, dat je heengaat.»</p> + +<p>»Mij niet minder; dag Dorus! dag Karel! Maar ’t is +om Moe, weet je. Als ik haar maar behouden mag.»</p> + +<p>En hij mocht haar behouden; de professor had het goed +ingezien. Van het oogenblik af, dat zij de Geldersche +lucht inademde, begon zij te herstellen, en nog geen +drie maanden daarna schreef Bob ons, dat zij volkomen +beter was en hare krachten bijna geheel had teruggekregen.</p> + +<div class="blockquot"><p>»En jongens,» zoo eindigde hij zijn brief, »in de +volgende zomervacantie mag je beiden hier komen +logeeren, zeggen Pa en Moe. Vindt je dat niet +heerlijk? Ik kan je niet zeggen, hoe blij ik ben. +Zeg jongens, dan zullen wij nog eens echt pret +maken.</p> + +<p> +<span class="rght1">Adieu!</span><br /> +<span class="rght2">Je vriend</span><br /> +<span class="rght3">BOB.»</span><br /> +</p> +</div> +<hr class="l1"/> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_243" id="Page_243">[243]</a></span></p> + + +<p class="center"><b>KAPITEIN MARRYAT’s Jongensboeken.</b></p> + +<p class="str2"> </p> + +<p class="center f14"><b>De Gellustreerde Werken van KAPITEIN MARRYAT.</b></p> + +<p class="center"><b>De meest aanbevolen, meest boeiende en fraaiste +boeken voor onze Jongens.</b></p> + +<p class="center">KAPITEIN MARRYAT is de Jongens-auteur bij uitnemendheid.</p> + +<p class="str3"> </p> + +<div class="blockquot"> +<p><cite>Het Handelsblad</cite> zegt:</p> + +<p class="f9">„met gejuich worden zijne boeken steeds begroet. Slechts bewondering, +geen critiek wordt zijn deel.”</p> + +<p><cite>Het Vaderland</cite> zegt:</p> + +<p class="f9">„<span class="smcap">Marryat</span> veroudert niet en blijft steeds even aantrekkelijk.”</p> + +<p><cite>De Portefeuille</cite> noemt deze boeken:</p> + +<p class="f9">Gezonde en zeer gewilde jongenslectuur. <span class="smcap">Marryat</span> was een onderhoudend +verteller, die nooit iets aanstootelijks schreef, maar voortdurend +wist te boeien.</p> +</div> + +<p>De werken van KAPITEIN MARRYAT zijn verschenen in +2 uitgaven.</p> + +<p>A. De <b>groote gellustreerde uitgave met twaalf platen</b>, +geteekend door <span class="smcap">Johan Braakensiek</span> en <span class="smcap">Jos. Scheidel</span>. Hierin +zijn nog voorhanden:</p> + +<p><b>De zoon van den Strooper</b> — <b>Snarley Yow</b> — <b>Frank +Mildmay</b> — <b>Onder de Hottentotten</b> — <b>Stuurman Flink</b> — <b>Rattlin +de Zeeman</b> — <b>Japhet de Vondeling</b> — <b>Het Spookschip</b> — <b>Jack +Rustig</b>.</p> + +<p class="center f9">Prijs in gellustreerd omslag ƒ 1.50, gebonden ƒ 1.90.</p> + +<hr class="l3"/> +<p>B. De <b>goedkoope gellustreerde uitgave</b>. Elk deel in +groot formaat hiervan is versierd met 8 platen en bevat ruim 350 +bladzijden druks. — Verschenen zijn:</p> + +<p><b>Pieter Simpel</b> — <b>Het Koningskind</b> — <b>Arme Jaap</b> — <b>Jacob +Eerlijk</b> — <b>De Kinderen van het Woud</b> — <b>De Landverhuizers +van Canada</b> — <b>De Zwerver</b> — <b>De Kaper uit +de vorige eeuw</b> en <b>Percival Keene</b>.</p> + +<p class="f9">Prijs van ieder deel in een door <span class="smcap">Johan Braakensiek</span> geteekend +omslag ƒ 0.90, prachtig gebonden ƒ 1.25.</p> +<hr class="l2"/> +<p><span class="pagenum"><a name="Page_244" id="Page_244">[244]</a></span></p> + +<p class="center f14"><b>Gellustreerde Werken van MARK TWAIN.</b></p> +<p class="str2"> </p> + +<p class="center"><span class="f12">De Lotgevallen van Tom Sawyer,</span><br /> +<span class="f9">6e herziene druk met platen van <span class="smcap">Johan Braakensiek</span>.</span></p> +<hr class="l3"/> +<p class="center"><span class="f12">De Lotgevallen van Huckleberry Finn</span><br /> +<span class="f9">(TOM SAWYER’S MAKKER).</span><br /> +<span class="f9">2e druk met ruim 50 illustratin.</span></p> +<hr class="l3"/> +<p class="center"><span class="f12">De Reisavonturen van Tom Sawyer,</span><br /> +<span class="f9">met 30 fraaie platen.</span></p> +<hr class="l3"/> +<p class="center"><span class="f12">Prins en Bedelknaap.</span><br /> +<span class="f8">2e druk met ruim 50 illustratin.</span></p> + +<div class="blockquot"> +<p><cite>Het Handelsblad</cite> zegt:</p> + +<p class="f9">De boeken van <span class="smcap">Mark Twain</span> wemelen van leuke zetten, die ook +ouderen met plezier kunnen lezen.</p> +</div> + +<p>De prijs van bovenstaande vier werken van MARK TWAIN is +ingenaaid ƒ 1.50, geb. ƒ 1.90 per deel.</p> + +<p class="str3"> </p> + +<p class="center f14"><b>Jongensboeken van G. A. Henty,</b></p> + +<p class="center">vertaald door <b>H. Th. CHAPPUIS</b>.</p> + +<p class="center f9"><b>Goedkoope gellustreerde uitgave.</b></p> + +<p class="center"><b>Als Nihilist naar Siberi, Roodhuiden en Grensroovers, +Cowboys en Goudzoekers.</b></p> + +<p>Alle gellustreerd. <span class="rght">Prijs ingen. ƒ 0.90, geb. ƒ 1.25.</span></p> + +<hr class="l3"/> + +<p class="center f11"><b>Historische Werken van C. Joh. Kieviet.</b></p> + +<div class="center"> +<table border="0" cellpadding="4" cellspacing="0" summary="Historische werken van C. Joh. Kieviet"> +<tr><td class="col2">FULCO DE MINSTREEL.</td> +<td class="col2">IN WOELIGE DAGEN.</td></tr> +<tr><td class="col1">Een verhaal uit den tijd van<br /> +Graaf <span class="smcap">Jan I</span>.</td> +<td class="col1">Een verhaal uit de jaren<br /> +1345-1351.</td></tr> +<tr><td class="col3">Met platen van <span class="smcap">Joh. Braakensiek</span>.</td> +<td class="col3">Met platen van <span class="smcap">L. R. W. Wenckebach</span>.</td></tr> +<tr><td class="col3">Prijs in gell. omsl. ƒ 1.50,</td> +<td class="col3">Prijs in gell. omsl. ƒ 1.50,</td></tr> +<tr><td class="col3">in prachtband ƒ 1.90.</td> +<td class="col3">in prachtband ƒ 1.90.</td></tr> +</table></div> + +<p> </p> + +<div class="figcenter"> +<img src="images/rug.jpg" width="90" height="600" alt="Rugzijde" title="" /> +</div> +<div class="figcenter"> +<img src="images/achter.jpg" width="430" height="600" alt="Achterkant kaft" title="" /> +</div> + +<div class="tnote"> +<p><b>Opmerkingen van de bewerker:</b></p> + +<p>Duidelijke drukfouten zijn gecorrigeerd, zoals b.v. “me” +i.p.v. “me”, en “stellen” i.p.v. “stelten”.</p> + +<p>Geneste dubbele aanhalingstekens zijn gestandaardiseerd tot „...”, +waar dat nodig was voor de duidelijkheid.</p> + +<p>Overigens is de originele spelling en interpunctie ongewijzigd +overgenomen, ook ongebruikelijke woordvormen en inconsequent gebruik +van trema’s en accenten.</p> +</div> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB *** + +***** This file should be named 37789-h.htm or 37789-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/7/7/8/37789/ + +Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/37789-h/images/achter.jpg b/37789-h/images/achter.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f82a4d0 --- /dev/null +++ b/37789-h/images/achter.jpg diff --git a/37789-h/images/cover.jpg b/37789-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b08d6e2 --- /dev/null +++ b/37789-h/images/cover.jpg diff --git a/37789-h/images/ill01.jpg b/37789-h/images/ill01.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9046cc7 --- /dev/null +++ b/37789-h/images/ill01.jpg diff --git a/37789-h/images/ill02.jpg b/37789-h/images/ill02.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f9bea47 --- /dev/null +++ b/37789-h/images/ill02.jpg diff --git a/37789-h/images/ill03.jpg b/37789-h/images/ill03.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f6759a4 --- /dev/null +++ b/37789-h/images/ill03.jpg diff --git a/37789-h/images/ill04.jpg b/37789-h/images/ill04.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d274c53 --- /dev/null +++ b/37789-h/images/ill04.jpg diff --git a/37789-h/images/ill05.jpg b/37789-h/images/ill05.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7f2f2bb --- /dev/null +++ b/37789-h/images/ill05.jpg diff --git a/37789-h/images/rug.jpg b/37789-h/images/rug.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f2687ee --- /dev/null +++ b/37789-h/images/rug.jpg diff --git a/37789-h/images/streepje.gif b/37789-h/images/streepje.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..402d13a --- /dev/null +++ b/37789-h/images/streepje.gif diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..872700e --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #37789 (https://www.gutenberg.org/ebooks/37789) |
