summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--37789-0.txt8083
-rw-r--r--37789-0.zipbin0 -> 131330 bytes
-rw-r--r--37789-8.txt8080
-rw-r--r--37789-8.zipbin0 -> 130686 bytes
-rw-r--r--37789-h.zipbin0 -> 610140 bytes
-rw-r--r--37789-h/37789-h.htm9499
-rw-r--r--37789-h/images/achter.jpgbin0 -> 44503 bytes
-rw-r--r--37789-h/images/cover.jpgbin0 -> 91346 bytes
-rw-r--r--37789-h/images/ill01.jpgbin0 -> 9681 bytes
-rw-r--r--37789-h/images/ill02.jpgbin0 -> 73379 bytes
-rw-r--r--37789-h/images/ill03.jpgbin0 -> 72648 bytes
-rw-r--r--37789-h/images/ill04.jpgbin0 -> 79925 bytes
-rw-r--r--37789-h/images/ill05.jpgbin0 -> 71058 bytes
-rw-r--r--37789-h/images/rug.jpgbin0 -> 25793 bytes
-rw-r--r--37789-h/images/streepje.gifbin0 -> 54 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
18 files changed, 25678 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/37789-0.txt b/37789-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..762cb28
--- /dev/null
+++ b/37789-0.txt
@@ -0,0 +1,8083 @@
+The Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Wilde Bob
+
+Author: Cornelis Johannes Kieviet
+
+Illustrator: Willem Steelink
+
+Release Date: October 18, 2011 [EBook #37789]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB ***
+
+
+
+
+Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+ WILDE BOB
+
+
+
+
+[Illustration: Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over
+den weg heen en weer,.... (pag. 50).]
+
+
+
+
+ WILDE BOB
+
+ DOOR
+
+ C. JOH. KIEVIET
+
+ GEÏLLUSTREERD DOOR WM. STEELINK
+
+ AMSTERDAM
+ VAN HOLKEMA & WARENDORF
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+ Welke streken Bob uithaalde
+ en hoe hij ten slotte overijld het hazenpad koos.
+
+
+»Dorus!»
+
+Dat was de stem van Moe. Zij stond aan de trap en ik zat mijn huiswerk
+te maken op de bovenkamer.
+
+»Ja, Moe! Wat wil U?»
+
+»Dorus, ginds komt Wilde Bob aan. Laat je nu niet door hem van je werk
+meêtroonen, voordat je het afhebt. Zul je niet?»
+
+»Neen, Moe, ik zal eerst mijn werk in orde brengen, dat beloof ik U.»
+
+»Goed, mijn jongen. Eigenlijk zag ik nog veel liever, dat je in het
+geheel met dien Bob niet omging, want ik houd hem voor een heel slecht
+kameraad.»
+
+»Heusch niet, Moe, echt niet! 't Is toch zoo'n aardige jongen. Wij
+houden allen evenveel van hem en hij is wel goed ook. Slecht althans in
+geen geval.»
+
+»Nu, ik wil het hopen. Dus eerst je werk af, denk daar om.»
+
+»Ja, Moe!»
+
+'t Was Zaterdagmorgen, tien uur ongeveer, toen Moe mij dit toeriep.
+'s Zaterdags hadden wij nooit school, daarentegen wel op Woensdagmiddag,
+welken de kinderen tegenwoordig meestal vrij-af hebben.
+
+Eigenlijk was Moe's waarschuwing niet noodig geweest, want ten eerste
+was het mijn vaste voornemen, niet te gaan spelen, voordat ik mijn werk
+afhad, en ten tweede had ik mijn vriend Bob, of Wilden Bob, zooals hij
+gemeenlijk genoemd werd, al zien aankomen. »Eerst leeren en dan spelen,»
+zei onze meester altoos, en ik was dat volkomen met hem eens. Niet omdat
+ik studeeren zoo prettig vond, o neen, maar ik was al een paar malen
+naar mijne kameraden gegaan, vóór ik mijn werk afhad, en dat had mij
+even zooveel malen berouwd. Want als mijn vrije Zaterdag eindelijk
+al spelende voorbij gegaan was, kon ik mijn Zondag besteden, om den
+verloren tijd in te halen, en dat viel mij dubbel hard, want op dien
+dag werkt niemand.
+
+Bob en ik woonden tegenover elkander, elk aan eene zijde van de beek
+die ons dorp doorsneed. 't Was dus geen wonder, dat ik hem had zien
+aankomen, te meer daar mijn raam, waarvoor ik zat te werken, precies op
+zijn huis uitzicht gaf. Al ongeveer tien minuten geleden had ik hem op
+zijne stelten, want het was juist in den steltentijd, den tuin uit- en
+den weg zien opstappen, en ik twijfelde niet, of zijn weg voerde naar
+mij. Want Karel Holm en ik, Dorus Volmaar, waren het meest met hem
+bevriend, hoewel ik moet zeggen, dat alle jongens veel van hem hielden.
+
+Toch kon ik mij wel begrijpen, dat onze ouders niet zoo bijster met die
+vriendschap waren ingenomen, want hij verdiende zijn bijnaam van Wilden
+Bob volkomen, en hij deed veel meer kattekwaad in eene week dan alle
+andere jongens te zamen in een jaar. Zoo pas nog zag ik hem bij dokter
+Doreman van zijne stelten stappen en zich vlug als een kat meester maken
+van de glazenspuit, die in een emmer vol water onbeheerd voor het huis
+stond. Mina, de meid, was zeker iets uit de keuken gaan halen, dat zij
+vergeten had. En was het er hem nu nog maar om te doen geweest, zich op
+de hoogte te stellen, hoe zoo'n perspompje toch eigenlijk werkt, dan was
+het niet erg geweest. Maar dat wist ik wel beter, want daar kende ik
+Bobje te goed voor. Neen, hij zon natuurlijk weer op iets grappigs, en
+dat grappige bleef niet uit, toen de niets kwaads vermoedende Mina om
+den hoek van het huis verscheen, en plotseling de volle laag kreeg. Ik
+zag hoe zij van schrik de armen omhoog sloeg en in minder dan geen tijd
+droop van het water.
+
+Maar Mina is lang geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. In
+plaats van op de vlucht te gaan, zooals Bob natuurlijk van haar verwacht
+had, kwam zij heel onnatuurlijk in ijlende vaart op hem af, zoodat
+hij zich genoodzaakt zag, zich met achterlating van zijne stelten zoo
+spoedig mogelijk uit de voeten te maken. En het ergste kwam nog voor
+hem aan, want in zijne haast liep hij met geweld tegen een dikken boom
+aan, waarvan een blauwe plek op zijn voorhoofd het directe gevolg was.
+En het indirecte gevolg was een nat pak, want door den schok viel hij
+achterover op den grond en kreeg van de dankbare Mina al het water over
+zijn lichaam, dat hij nog in den emmer gelaten had. Die grap was dus ons
+Bobje slecht bekomen. En zijne stelten was hij kwijt, want Mina nam ze
+op en bracht ze achter het huis in veiligheid.
+
+Ik zag uit mijn raam, hoe Bob overeind scharrelde en op een eerbiedigen
+afstand bleef wachten, of het de beleedigde Mina ook behagen mocht, hem
+zijne houten onderdanen terug te geven. Maar Mina maakte bedaard haar
+werk af, stak daarna dreigend de vuist tegen Bob op en ging naar binnen.
+
+Toen beschouwde Bob de zaak blijkbaar als afgedaan, want hij stak zijne
+handen in zijne broekzakken en vervolgde zonder stelten zijn weg naar
+mij.
+
+Dergelijke ontmoetingen had Bob den geheelen dag door, van den morgen
+tot den avond. Maar zijn humeur leed er niet erg onder. Hij was daarvoor
+aan zulke afstraffingen te zeer gewoon en het was zijne gewoonte, als
+hij hier of daar min of meer onaangename ervaringen had opgedaan, te
+zeggen: »Wie kaatst moet den bal verwachten.» 't Was alleen maar jammer,
+dat dit kaatsen bij hem nooit eens ophield, want hij was in zijn hart
+werkelijk een goede jongen. Er waren er wel op het dorp, die lang
+zoo berucht niet waren als hij, jongens met wie wij van onze ouders
+volgaarne mochten omgaan en die toch inderdaad veel slechter waren dan
+Bob. In elk geval, wij, jongens, hielden dol veel van hem, en als hij,
+naar wij meenden, onverdiend beschuldigd werd, zooals Moe straks deed,
+dan achtten wij het onzen plicht, hem met al de kracht te verdedigen,
+waarover wij beschikken konden.
+
+Bob was de zoon van onzen nieuwen notaris, en hij woonde nog maar een
+paar maanden op het dorp. De vorige notaris was in den verschenen herfst
+overleden, en Bob's vader was diens opvolger. Eigenlijk heette hij
+Robert Adrianus de Wild, maar thuis noemden zij hem nooit anders dan
+Bob, en wij, jongens, hadden van Bob de Wild al spoedig Wilden Bob
+gemaakt, welke naam volkomen bij hem paste.
+
+Enkele minuten na Moe's waarschuwing hoorde ik zijn bekend fluitje op
+den weg. Want wij schelden nooit bij elkander aan. Karel Holm, Bob en
+ik hadden afgesproken, dat wij dit nooit doen zouden, want het was
+veel aardiger om een zeker signaal te hebben, waarmede wij elkander
+konden roepen, zonder dat anderen daar nu juist altoos erg in moesten
+hebben, en bovendien scheen het ons iets bijzonder geheimzinnigs en
+rooverachtigs toe, wat ons verbazend interesseerde. Zoo hadden wij dan
+een bepaald signaal afgesproken, wat door ons gefloten werd. Al spoedig
+konden wij zelfs in het donker wel onderscheiden, wiens fluitje gehoord
+werd. Want al floten wij dezelfde reeks van tonen, ieder van ons had
+toch weer zijne bijzondere manier, waaraan hij herkenbaar was.
+
+Ik stak mijn hoofd uit het raam, want daar wij al Juni schreven en het
+prachtig weêr was, had ik het zoover opengeschoven als ik kon, en zei:
+
+»Zoo Bobbertje. Wat ben je nat!»
+
+»Dag Dorus! Ga je mee? Er zijn al verscheidene jongens op het
+schoolplein.»
+
+»Eerst mijn werk af, mannetje. Ben jij er al mede klaar?»
+
+»O heden ja, een uur geleden al. Maar ik was om vijf uur al op en ben
+toen dadelijk aan het werk gegaan. Iedereen slaapt zoo lang niet als
+jij!»
+
+»Dank je voor het compliment. Maar zeg, wat ben je nat?»
+
+Ik zei dit natuurlijk alleen maar om hem te plagen, want ik wist er
+alles van; hij behoefde mij niets te vertellen.
+
+»O ja,» zei hij kortaf, »een beetje water, anders niet. Dat zal wel weer
+drogen in het warme zonnetje. Dus je gaat niet meê?»
+
+»Maar hoe kom-je zoo nat?» hield ik vol. »'t Heeft toch niet geregend?»
+
+»Wel neen, 't zijn maar enkele spatjes water.....»
+
+»En waar zijn je stelten?» vroeg ik, want hij moest den steek op mijn
+lange slapen terug hebben.
+
+»Och jongen, wat zeur je toch! Ik kan toch wel eens uitgaan zonder mijne
+stelten.»
+
+»Ja, zeker, -- natuurlijk. Maar straks had-je ze toch, toen ik je aan
+den overkant zag loopen. En nu heb je ze niet meer.»
+
+»Och, Mina, de meid van den dokter, heeft ze mij afgenomen. Zeg Dorus,
+ik wou dat je dàt eens gezien hadt!»
+
+»Wat? Dat ze jou de stelten afnam?»
+
+»Neen, -- zeg jô, 't was toch zoo leuk! Ze had de glazenspuit vóór het
+huis laten staan, en juist toen ze om den hoek verscheen, gaf ik haar
+een stortbad, dat het een lust was om te zien. Ha-ha-ha! Wat keek ze
+leelijk!»
+
+»Zoo, dat wil ik wel gelooven. En toen kwam ze op Bobje af, en Bobje
+ging op de vlucht, en hij zat zóó in den angst, dat hij niet eens den
+dikken boom zag, dien hij tegenkwam, en hij bonsde er zoo hard tegenop,
+dat hij een blauwen plek op zijn voorhoofd kreeg, en op den grond
+tuimelde, en toen kreeg hij van de vertoornde Mina zóóveel water over
+zijn baadje, dat het wel een zondvloed geleek.»
+
+»O -- zoo! dus je hebt alles gezien? 't Staat je fraai, om het mij dan
+nog te laten vertellen. Dus je gaat niet meê?»
+
+»Neen, nog niet. -- En toen pakte Mina snel de stelten van den jongeheer
+en verdween er mede achter het huis. Zeg Bob, je hadt bij slot van
+rekening toch niet zooveel pleizier van de grap als Mina.»
+
+»Dat is waar. Ze is goed bij de pinken, dat moet ik zeggen. Ik wou, dat
+ik mijne stelten maar terug had. Zeg, Dorus, weet jij geen middeltje, om
+ze weer in handen te krijgen?»
+
+»Wel ja, jongen. Je gaat er doodeenvoudig naar toe, en vraagt ze met een
+deemoedig gezicht terug. Dan krijg je ze wel.»
+
+»Ik zou je danken. Pas op, Mina is niet pluis. Maar nu krijg ik een
+plannetje. Zeg Dorus, als jij ze eens voor me gingt vragen! Jou zal ze
+niets doen, want jij bent heelemaal onschuldig aan dit zaakje.»
+
+»Juist, en daarom zal ze mij zeker de stelten ook niet geven. Neen Bob,
+'t is er haar natuurlijk om te doen, dat je zelf komt. En dan zal ze wel
+niet bijzonder vriendelijk wezen, vrees ik.»
+
+»Dat denk ik ook. -- Wacht Dorus, daar komt Mietje de Veer aan met eene
+stroopkan in haar hand. Daar moet ik toch eens eene grap mede hebben.»
+
+»Och, laat haar loopen, dat domme wicht!»
+
+Maar Bob luisterde al niet meer naar me. Hij trok zijn mond in den
+allervriendelijksten plooi en wachtte op de komst van zijn slachtoffer.
+Zijne oogen tintelden van plaaglust en blijkbaar was hij zoowel Mina en
+zijn natte pak als zijne stelten vergeten.
+
+Mietje de Veer was een dochtertje van den schoenmaker, en een van de
+domste kinderen van de geheele school. Idioot was ze niet, want ze wist
+wel wat ze deed, maar leeren kon zij niet. Nu zou ik in Bobs geval
+Mietje rustig hebben laten passeeren, want ik hield er niet van om zulke
+onnoozele wichten voor den gek te houden, ten minste niet erg, maar Bob
+dacht daar niet over.
+
+»Dag Mietje!» zei hij op zijn vriendelijksten toon. »Moet je van middag
+pannekoek eten!»
+
+»Ja Bob, dat heb je geraden.»
+
+»En lust je die graag?»
+
+»Dat zou ik meenen. Jij niet?»
+
+»Of ik. Ik zou wel je gast willen wezen, als ik mocht. Dan bleef er voor
+jou geen pannekoek over, Mie.»
+
+»Waarom niet?» vroeg Mietje, die niet vlug genoeg van begrip was om te
+snappen, wat hij bedoelde.
+
+»Omdat ik ze dan allemaal zou opeten!» zei Bob. »Allemaal, hoor;
+misschien liet ik een halfje over voor jou, omdat ik zooveel van je
+houd.»
+
+Bij die woorden boog hij zich een weinig voorover en keek met alle
+aandacht in de kan. Opeens zag hij Mie met een heel vies gezicht aan, en
+zeide:
+
+»O neen, -- dank je. Ik zou er nu geen pannekoek meer van willen hebben.
+Dank je feestelijk, Mie, eet jij ze maar op. Akkebà!»
+
+»Akkebà -- waarom?» vroeg Mietje in de grootste verbazing, daar zij
+onmogelijk kon begrijpen, waaraan die snelle omkeering bij Bob te wijten
+was.
+
+Nu, ik moet zeggen, dat ik er ook niets van begreep.
+
+»Moet +die+ stroop er op?» vroeg Bob, op de kan wijzende, en steeds met
+denzelfden opgetrokken neus.
+
+»Ja zeker, -- waarom zou die stroop er niet op moeten?»
+
+»Je bent een dom kind, hoor Mietje. Kijk dan eens even in die kan!»
+
+Mietje deed het, maar zag natuurlijk niets dan de ondoorzichtige
+bruin-zwarte massa.
+
+»Zie je niets?»
+
+»Ik niet!» zei Mie. »Alleen de stroop.»
+
+»Onder op den bodem, -- zie je daar ook niets?»
+
+»Neen, niets, Bob, maar wat is er dan?»
+
+»Zie je daar met allebei je oogen dan die tor niet, die er onder in
+ligt?»
+
+Mie keek met alle aandacht.
+
+»Neen, ik zie geen tor, en -- 't is niet waar ook. Er zit geen tor in.»
+
+»Nu, ik wèl!» zei Bob met overtuiging. »Maar jij kunt het beest ook niet
+zien, omdat je er niet doorheen kunt kijken. +Ik+ zeg je, dat er een tor
+in zit.»
+
+»'t Is niet!» zei Mie ongeloovig.
+
+»'t Is wèl!» hield Bob vol. »Ik wil wedden, dat jij het smerige dier op
+je pannekoek krijgt.»
+
+»'t Is niet!»
+
+»'t Is wèl waar! Houd dan de kan maar onderste-boven, dan zul-je het
+zelf zien!» raadde Bob met het ernstigste gezicht van de wereld aan.
+
+»'t Is toch niet waar!» zei Mie. »Je houdt me voor den gek!»
+
+»Nu, keer de kan dan maar om, dan zullen we zien, wie er gelijk heeft.»
+
+En waarlijk, daar liep Mietje in de val. Doodbedaard hield zij de kan
+onderste-boven, natuurlijk met het gevolg, dat de stroop op den grond
+terecht kwam. Bob en zij keken met alle aandacht, of eindelijk de
+bewuste tor niet volgen zou.
+
+Doch neen, toen alle stroop er uit was, bleef het torretje absent.
+
+»Zie je nu wel!» riep Mie triomfantelijk uit. »Zie je nu wel, dat ik
+gelijk had?»
+
+»Waarlijk, er zit er geen in!» zei Bob hoofdschuddend. »Ik dacht het
+toch stellig, want 't was net, of ik het beest zag. Neen, jij hebt toch
+gelijk gehad. Nu, dag Mietje, breng jij nu de stroop maar naar huis en
+eet lekker!»
+
+Nu pas ging ons Mieke een licht op. Met schrik keek zij beurtelings de
+ledige kan en den strooperigen weg aan, tot zich plotseling hare oogen
+met tranen vulden en zij luid schreeuwende naar huis ging. Op grooten
+afstand konden wij haar nog hooren.
+
+Maar Bob schaterde het uit van de pret.
+
+»Zeg Dorus, hoe vind je nu zoo'n domme meid? Ha-ha-ha-ha, ik kon mijn
+lachen haast niet bedwingen toen zij de kan omkeerde, en wat keek zij
+ernstig. Ha-ha-ha-ha! Zóó dom heb ik het nog nooit gezien.»
+
+»Dom is het, dat is waar. Doch jou raad ik aan, om den eersten tijd en
+vandaag vooral niet in de buurt van den schoenmaker te komen, want je
+weet, dat hij zijn spanriem alleraardigst weet te hanteeren. Als hij je
+kreeg, zou ik je mijne broek niet graag willen leenen.»
+
+Maar Bob deed niet anders dan lachen. Hij vond het geval
+allervermakelijkst en was ten volle overtuigd, dat hij veel meer
+succes had gehad, dan hij met reden had mogen verwachten.
+
+Eindelijk kwam hij tot bedaren.
+
+»Wat zei je ook weêr?» vroeg hij. »O ja, die schoenmaker, hé? Nu ja, hij
+heeft me nog niet! Ik kan harder loopen dan hij.»
+
+»Nu, ik waarschuw je, want hij zal meer dan kwaad zijn.»
+
+»Och kom, dat zal zoo'n vaart niet loopen. Dus je gaat niet meê? Toe
+zeg, kom maar! Je werk komt nog wel af, en 't is zulk prachtig weêr.
+Hoor de jongens eens joelen. Toe, zeg, kom nu!»
+
+»O neen, stellig niet. Ik maak eerst al mijn werk af want anders moet ik
+het vanmiddag of morgen nog doen, en dat is veel onpleizieriger. Over
+een paar uren ben ik klaar.»
+
+»Een paar uren nog? Wat moet je dan nog wel doen? Ik heb er in 't geheel
+maar twee uur over gewerkt.»
+
+»O ja, maar jij kunt het ook zoo vlug, veel vlugger dan ik. Eerst moet
+ik nog een kaartje van Frankrijk teekenen en dan moet ik nog drie
+kwartier orgelspelen. Vóór twaalf uur ben ik dus stellig niet gereed. En
+hoe eerder je nu gaat, hoe eerder ik beginnen kan, -- tot straks dus.»
+
+Deze wenk was duidelijk genoeg, naar mij dacht. Maar Bob bleef nog
+staan.
+
+»Toe Dorus, wees nu niet zoo flauw en ga meê. Dan zal ik je vanmiddag
+wel aan je kaartje helpen.»
+
+»Neen, ik doe het niet; ga dus maar gerust heen. En als je +niet+ gaat,
+schuif ik het raam dicht. Ga naar Karel Holm; die zal met zijn werk wel
+niet zooveel haast maken.»
+
+»Karel is niet thuis. Hij is naar Haarlem en komt eerst om twee
+uur terug. Ga je orgelspelen in de kerk, Dorus? En heb-je al een
+orgeltrapper? Zeg, dat wil ik wel voor je doen. Willen we dat
+afspreken?»
+
+Nu, dat mocht ik in geen geval, want de meester, die tevens organist
+in de kerk was en mij in piano- en orgelmuziek les gaf, had mij ten
+strengste verboden, ooit Bob de Wild mede te nemen, om voor mij lucht
+te maken. Want Bob zat overal aan, in en op. Klom hij niet in den
+preekstoel, dan stond hij den voorzanger op diens plaats in de kerk na
+te apen, en dat kon hij wat koddig, -- en als hij dàt niet deed, dan
+klom hij zoo hoog in den toren als hem mogelijk was. En nergens deed hij
+eenig goeds, maar wel veel kwaads.
+
+Nu had de meester wel voor mij verlof gekregen om mij op het kerkorgel
+te mogen oefenen, maar natuurlijk moest ik een bedaarden jongen
+medebrengen om den blaasbalg te trappen, want het was een groot orgel.
+En Wilde Bob mocht mij in geen geval vergezellen. Hieruit kan blijken,
+dat mijne reputatie onder de groote menschen vrij wat beter was dan die
+van mijn vriend Bob, want werkelijk werd mij door dat verlof zeer veel
+vertrouwen geschonken. Natuurlijk had de onderwijzer van mij getuigd,
+dat ik een bedaarde, stille jongen was, die zulk een groot vertrouwen
+wel verdiende. Of ik het echter nooit beschaamd heb, zal later blijken.
+
+Dus Bob mocht in geen geval mede, wat hij zelf niet wist, daar ik het
+hem nooit gezegd had.
+
+»Ik heb al een trapper,» zei ik daarom.
+
+»Ja, -- wie dan?»
+
+»Jan van der Vliet. Je weet wel, dat die altijd medegaat en dat mijne
+ouders en de meester niet willen, dat ik andere jongens meêneem. Maar ga
+nu, want anders krijg ik mijn werk nooit af en kan ik zelfs van middag
+niet meêspelen.»
+
+Maar Bob was boos, omdat ik hem niet medenam naar het kerkorgel.
+
+»En als ik nu eens niet wegging?» vroeg hij plagend.
+
+»Dan schuif ik het raam dicht!» zei ik beslist.
+
+»Doe dat dan maar, want ik blijf!» klonk het antwoord. Maar nauwelijks
+had Bobje dat gezegd, of ik zag hem schichtig omkijken en plotseling het
+hazenpad kiezen. Jongen, jongen, wat liep hij! Hij keek op noch om, en
+liep als een hazewind.
+
+Van zooveel veranderlijkheid had ik geen flauw begrip en ik boog mij wat
+verder het raam uit om te zien, of ik de oplossing van dit raadsel ook
+zou kunnen ontdekken.
+
+En waarlijk, die was spoedig gevonden in de gedaante van den
+schoenmaker, die met den spanriem in de hand met groote schreden
+naderde. O, o, wat keek hij kwaad, en wat liep hij hard. Maar het eene
+baatte hem evenmin als het andere, want Bob liep harder dan hij en was
+spoedig in veiligheid. De schoenmaker gaf de vervolging op, juist op de
+plaats, waar de kostelijke stroop op den grond lag, en nauwelijk kreeg
+de brave man den vuilen plek in het oog, of hij hief de vuist tegen den
+vluchteling op en riep hem na, dat hij den deugniet wel krijgen zou.
+Maar nù had hij hem toch nog niet. Onverrichter zake moest hij naar huis
+terugkeeren.
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin Bob naar de kerk gaat, een uilennest vindt, als
+ voorzanger fungeert en leelijk in de perikelen geraakt.
+
+
+Zie zoo! Nu was mijn verleider eindelijk vertrokken en kon ik aan mijn
+werk voortgaan. Alles had ik af, behalve mijn kaartje van Frankrijk.
+Ik nam mijn atlas uit de kast en een vel teekenpapier, zette mijne
+passerdoos gereed en begon. Ik herinner mij nog levendig hoe prettig ik
+het vond, dat juist de vrede tusschen Frankrijk en Duitschland geteekend
+was, niet zoozeer omdat daardoor aan een bloedigen oorlog een einde was
+gemaakt en het bloedvergieten was opgehouden, als wel omdat ik nu Elzas
+en Lotharingen niet behoefde uit te teekenen daar die beide provinciën
+bij het sluiten van den vrede aan Duitschland waren afgestaan. Alleen om
+dat feit koesterde ik een diepen eerbied voor de staatsmanswijsheid van
+Bismarck.
+
+De lijst was spoedig getrokken en nu begon ik de ligging van de
+voornaamste punten op mijn teekenpapier aan te geven. Als dat gedaan
+was, had ik de grenzen spoedig in orde, dat wist ik bij ondervinding.
+Den meesten last veroorzaakten mij altijd de gebergten, omdat het mijne
+gewoonte was, daar altoos bijzonder veel werk van te maken. Juist zou ik
+met dat fijne werk beginnen, toen mij weer het signaal van mijn vriend
+Bob in de ooren klonk. Ik zag op en jawel, daar was hij al weer.
+
+Lachend keek hij naar boven.
+
+»Wat was hij kwaad!» riep hij me toe.
+
+»Geen wonder!» was mijn antwoord. »Pas maar op, dat hij je niet krijgt,
+want hij is tamelijk hardhandig.»
+
+»En ik snelvoetig!» riep hij terug. »Maar ik begrijp toch waarlijk
+niet, waarom hij zoo boos is. Als ik er goed over nadenk, heb ik toch
+feitelijk niets gedaan, dat niet goed was. Mietje heeft uit eigen
+beweging de kan onderste-boven gehouden en de stroop er uit laten
+loopen. Ik heb de kan zelfs niet aangeraakt. Je moet me toch toegeven,
+dat ìk het niet helpen kan, als Mietje domme dingen doet?»
+
+»Dat is wel mogelijk, Bob, en je weet je baantje mooi schoon te praten.
+Maar ik vrees, dat De Veer er zoo diep niet over zal nadenken, en je
+eenvoudig een pak slaag zal geven, zoodra hij je te pakken heeft.»
+
+»Dat denk ik ook. Nu, gedane zaken nemen geen keer, zal ik maar denken.
+Ga-je nu meê?»
+
+»O, neen -- ik heb nog maar alleen de lijst en de grenzen af, en zou
+juist aan de gebergten beginnen. Ga maar gerust heen, want ik kom toch
+niet voor nà den middag; dan ontmoet ik je wel.»
+
+»'t Is mooi flauw van je, om me den geheelen morgen alleen te laten. Nu,
+dan ga ik maar. Atjuus!»
+
+»Atjuus, en denk om den schoenmaker!»
+
+Nu ging Bob dan eindelijk voor goed heen en zette ik mij weer aan den
+arbeid. Wel moest ik af en toe eens lachen als ik aan Bob en zijne
+avonturen van dezen morgen dacht, maar ik schoot toch flink op. Om kwart
+over elven was ik met mijn werk gereed. Ik flapte mijn atlas dicht,
+bekeek nog eenmaal met welgevallen mijne kaart, die er werkelijk keurig
+netjes uitzag, zette er met zwierige krullen mijn naam onder en borg
+toen alles behoorlijk in de kast.
+
+Met innige vreugde, dat ik met mijn werk zoo goed opgeschoten was, ging
+ik naar beneden, wat voor mij maar een oogenblik werk was, daar ik nooit
+van de treden gebruik maakte, doch mij eenvoudig langs de leuning naar
+beneden liet glijden, en stapte de woonkamer binnen. Daar nam ik mijn
+orgelmuziek uit het muziekkastje, welke bestond uit een enkel dik boek,
+bevattende de psalmen en de evangelische gezangen, en wilde juist de
+deur uitstappen, toen Moe mij toeriep:
+
+»Voorzichtig wezen met het orgel, hoor Dorus. Ik sta doodsangsten uit,
+dat je er wat aan bederven zult.»
+
+»Geen nood, Moe, ik ben werkelijk zeer voorzichtig en doe er niets aan,
+dat schaden kan. Ik ben er zelf veel te bang voor.»
+
+»Dat is wel gelukkig. En dien Wilden Bob neem je toch niet mede? Dat wil
+ik volstrekt niet hebben, hoor!»
+
+»Neen Moe, hij heeft het mij straks wel gevraagd, maar ik heb hem
+gezegd, dat het niet mocht en dat Jan van der Vliet altijd met mij
+meêging. Bob is wel een goede jongen, Moe, maar op het orgel zou ik hem
+toch ook in het geheel niet vertrouwen.»
+
+»Nu, dan is het goed. Ga nu maar dadelijk, dan ben je uiterlijk half een
+weer thuis om te eten.»
+
+»Dag Moe!»
+
+»Dag Dorus! Hier heb-je een stuiver voor Jan.»
+
+Wij aten altoos vroeg, omdat Pa bloemist was en den geheelen dag bij
+de werklieden op de tuinen moest zijn. Daar dezen allen om twaalf uur
+aten, was dat ook voor ons verreweg het gemakkelijkst. Ik ging dus op
+weg naar de kerk, maar sloeg halverwege gekomen een zijweg in, om Jan
+af te halen. Want Jan woonde niet aan de hoofdstraat, doch in een
+achterbuurtje.
+
+Hij was de zoon van een werkman, die een gebrek aan zijn voet had en
+dientengevolge meestal zonder werk was. De boeren hadden liever een
+flinken, stevigen kerel dan den gebrekkigen Kees, zooals hij altoos
+genoemd werd, zoodat hij alleen in den druksten tijd in het genot van
+verdienste was. Tengevolge van zijne gestadige werkeloosheid moest
+Trijntje, zijne vrouw, eigenlijk het brood verdienen voor het geheele
+gezin, dat gelukkig niet groot was, daar Jan alleen nog maar een klein
+zusje had. Dat meisje was toen ongeveer twee jaar oud. En daar de
+menschen op het dorp medelijden met het arme gezin hadden, kreeg zij nog
+al vrij wat werkhuizen, zoodat zij inderdaad een niet onaardig sommetje
+per week verdiende. Was Trijn hier of daar uit werken en Jan naar
+school, dan paste vader Kees op kleine zus, wat hem wel toevertrouwd
+was. Ook moest hij dan voor het middageten zorgen, wat tengevolge had,
+dat sommige spotvogels op het dorp hem wel Jan den Wasscher noemden.
+Toch hadden zij vrij goed hun brood, wat wel voornamelijk aan de
+flinkheid van Trijntje te danken was, want zij was eene handige werkster
+en eene zindelijke waschvrouw.
+
+Weldra had ik de eenvoudige woning bereikt. Eene schel was er natuurlijk
+niet te vinden; wie de bewoners spreken wilde, had eenvoudig maar naar
+binnen te gaan. Onder den werkmansstand houdt men zich niet met vele
+complimenten op. Ik drukte dus den ijzeren beugel naar beneden, waardoor
+aan de binnenzijde de klink werd opgelicht, opende de deur en stapte
+weldra het eenige vertrek, dat zij bezaten, binnen. Ik trof daar alleen
+Jan aan, die op den grond bezig was met zijn zusje te spelen.
+
+»Dag Dorus!» zei hij.
+
+»Zoo Jan. Ben jij maar alleen thuis?» vroeg ik, de kleine meid niet
+meêtellende. »Ik kom je halen om mede te gaan naar het orgel.»
+
+»Dat zal moeilijk gaan, want Vader en Moeder zijn geen van beiden
+thuis,» klonk het antwoord.
+
+Dat was eene groote teleurstelling voor me, want orgelspelen vond ik
+heel pleizierig en zonder Jan kon er niets van komen.
+
+»Dat spijt me,» zei ik dan ook. »Je moeder is zeker uit werken?»
+
+»Ja, bij den postdirecteur; daar is ze Zaterdags altijd, zooals je
+weet. En Vader is er nu toevallig ook, omdat de tuin eens eene flinke
+beurt moest hebben. Mijnheer Valk tuint zelf nooit en Vader kan het zoo
+netjes doen.»
+
+Die laatste woorden werden door Jan met niet weinig trots uitgesproken,
+en ik herinner mij nu nog het gewichtige gelaat, waarmede hij mij
+aanzag.
+
+»Ja, dat weet ik. Je vader heeft daar goed den slag van. Maar wat moet
+ik nu beginnen? Bob de Wild heeft mij wel gevraagd of hij meê mocht
+gaan, maar hem mag ik niet meênemen, omdat hij zoo wild en onvoorzichtig
+is. Moe heeft mij vijf centen voor je gegeven.»
+
+»Is het waar? Nu, weet je wat? Dan zal ik buurvrouw vragen, of zij op
+kleine zus wil passen. Moeder zegt altoos, dat wij geen verdiensten
+verzuimen moeten. Wil jij even op zus passen, terwijl ik naar buurvrouw
+ga?»
+
+Ja, dat wilde ik wel, maar ik had er al spoedig berouw van, want
+nauwelijk was Jan de deur uit en zag zus zich alleen met een vreemden
+jongen, of zij begon zoo geweldig te schreeuwen, dat het huis er bijna
+van dreunde. Ik begreep, dat ik iets doen moest, om haar gerust te
+stellen, maar ik wist niets te bedenken. Daarom ging ik naar de kleine
+meid toe, voortdurend met het hoofd knikkende, en zeide bij elken knik:
+»dà! -- dà! -- dà!» Doch hoe dichter ik bij haar kwam, hoe harder zij
+begon te schreeuwen. Ik werd werkelijk bang, dat zij er een ongeluk van
+zou kunnen krijgen, en begon daarom steeds harder te knikken en riep uit
+alle macht: »dà! -- dà! -- dà!»
+
+Maar niets baatte, zoodat ik teneinde raad het vertrek uit liep en naar
+buiten ging, om Jan te hulp te roepen. Gelukkig kwam hij juist al terug.
+Hij riep mij toe:
+
+»'t Is in orde, zus kan bij buurvrouw komen!»
+
+Nu, ik vond dat voor buurvrouw een buitenkansje, dat moet ik zeggen, en
+ik stelde mij voor, dat zij met schreeuwende zus niet veel genoegen van
+hare vriendelijkheid zou beleven. Doch 't was toch voor mij althans eene
+prettige boodschap, want nu kon Jan met mij meêgaan.
+
+Zus werd, schreeuwend en wel, naar buurvrouw gebracht, de deur werd
+gesloten, en wij togen samen op weg naar de kerk.
+
+Eerst moesten wij bij den koster aan, om de sleutels te halen. Hij
+woonde schuin achter de kerk in een heel net huisje. Hij noch zijne
+vrouw waren thuis, doch dat was geen bezwaar, daar zijn neef ons het
+verlangde kon geven. Die neef was een zusterskind van den koster. Hij
+heette Arie de Zwaan. Daar hij vroeg zijne ouders had verloren, was hij
+als klein kind bij den koster en diens vrouw in huis gekomen, welke
+brave menschen hem geheel als hun eigen zoon beschouwden. Zelf hadden
+zij geen kinderen. O, wat omringden zij den kleinen Arie al met bewijzen
+hunner liefde, wat deden zij hun best een braven jongen, een flinken man
+van hem te maken. Doch wat werden zij bitter in hunne verwachtingen
+teleurgesteld, want Arie werd een rechte deugniet, die zijn grootste
+genoegen vond in luieren, naar de herberg gaan en het geld opmaken van
+zijne brave pleegouders. Zelden werd eene goede daad met meer ondank
+beloond. Zij hadden er ontzaglijk veel verdriet van, dat Arie zoo
+slecht oppaste, maar toch hadden zij hem nog altijd lief, zelfs nu nog,
+nu hij twintig jaar oud geworden was en nooit iets deed, dat hun vreugde
+gaf. Hij volgde altijd zijn eigen zin, en wanneer zij hem ten beste
+raadden, werd hij zoo brutaal mogelijk. Wanneer de menschen over Arie
+van den koster, want zoo werd hij gewoonlijk genoemd, spraken, zeiden ze
+altoos, dat zijne pleegouders het »eindje» met hem nog niet beleefd
+hadden, waarmede ze natuurlijk bedoelden, dat het nog eens slecht met
+Arie zou afloopen.
+
+Wij vonden hem lang-uit achter het huis op het bleekveld liggen, met den
+stroohoed over het gelaat, om geen last te hebben van de insecten.
+Blijkbaar had hij geslapen, maar nu werd hij wakker door onze komst.
+
+»Wat moet jelui hebben?» vroeg hij op norschen toon, daar hij het
+onaangenaam vond in zijn slaapje gestoord te worden.
+
+»Mag ik de sleutels van de kerk en het orgel hebben, Arie?» vroeg ik zoo
+beleefd mogelijk, want ik had het niet erg op hem begrepen. Hij kon
+iemand soms zóó leelijk aankijken, dat men er bang van werd.
+
+»De sleutels? -- Wat moet jij met de sleutels doen?» bromde hij terug,
+zonder in het minst blijk te geven, dat hij van plan was op te staan.
+
+Nu wist hij zeer goed, dat ik elken Zaterdag op het orgel speelde. Hij
+vroeg dus naar den bekenden weg. De zaak was echter, dat hij te lui was,
+om op te staan, ten einde ze voor mij te halen.
+
+»'t Is bespottelijk, om zoo'n kostbaar orgel aan zulke kwâjongens toe
+te vertrouwen,» vervolgde hij. En op beslisten toon voegde hij er aan
+toe: »Neen, kort en goed, neen! Van mij krijg-je de sleutels niet. Als
+je orgel wilt spelen moet je maar terugkomen, als oom thuis is.»
+
+»Is die dan niet thuis?» vroeg ik.
+
+»Neen.»
+
+»En je tante ook niet?»
+
+»Ook niet!» klonk het kortaf terug. »Ga maar gerust heen, jongen, want
+van mij krijg-je de sleutels niet. Ik wil daarvan de verantwoording niet
+op mij nemen.»
+
+»Maar je weet toch wel, dat ik elken Zaterdag in de kerk kom spelen, en
+dat ik daartoe vergunning heb van de kerkvoogden? Waarom mag ik dan nu
+niet?»
+
+Geen antwoord volgde. Arie draaide zijn hoofd van ons af en sloot de
+oogen weer.
+
+»Ik weet ze wel te hangen, Arie. Mag ik ze zelf even halen, dan behoef
+je er in het geheel geen moeite voor te doen,» hield ik vol.
+
+»Ja, vooruit maar, en maak dat je wegkomt!» klonk het barsch terug.
+
+Dat liet ik mij geen tweemaal zeggen en weldra waren wij mèt de sleutels
+vertrokken.
+
+»Hè -- hè, dat kostte moeite!» zeide Jan. »Hij was weer in eene booze
+bui. Ik was bang van hem.»
+
+»In eene luie bui, meen je!» zei ik. »Hij was te lui om op te staan, dat
+was de voornaamste reden van zijne knorrigheid. Ik wed, dat hij ons nu
+al vergeten is.»
+
+Wij waren nu de kerk genaderd en openden de hoofddeur. Want onze kerk
+had drie deuren, waarvan er twee naar de galerijen voerden, die voor de
+arme menschen bestemd waren. De hoofddeur voerde naar het schip van de
+kerk, maar gaf toch ook toegang tot de trap, die naar het orgel leidde.
+Dat orgel was geplaatst op eene geheel vrije ruimte, waar niemand plaats
+mocht nemen dan de organist en de orgeltrapper. Natuurlijk mocht onze
+meester medenemen, wien hij wilde. Er was dan ook ruimte genoeg, althans
+achter het orgel, waar een geheel vrij vak was. Van uit de kerk kon
+niemand zien, wie zich op het orgel bevonden, daar de ruimte aan
+weerskanten van dat instrument door groene gordijnen was afgezet. Wij
+spraken altijd van »op» het orgel, en dan bedoelden we de plaats, waar
+het orgel stond. Bovenop dat instrument was voor niemand plaats, zooals
+ieder begrijpen zal. Alleen stond in het midden het beeld van koning
+David, op de harp spelende, en aan de beide kanten een engel met een
+bazuin aan den mond, welke beelden ik altoos bijzonder mooi vond, vooral
+de engelen.
+
+Zoodra wij boven gekomen waren, ontsloot ik de trappers van den
+blaasbalg, nam het mahoniehouten deksel van het klavier en zette mij
+tot spelen. Jan nam op de trappers plaats en maakte lucht. Verbazend
+vermakelijk vonden wij dan altijd het dalen en het stijgen van het
+gewichtje, dat aan den blaasbalg bevestigd was en niet lager dalen mocht
+dan tot aan een zeker teeken, want dan was de balg vol en zou hij,
+wanneer met trappen werd voortgegaan, kunnen barsten.
+
+Ik zette mij voor het klavier en begon te spelen. Om de waarheid te
+zeggen gevoelde ik mij altijd nog al gewichtig, als ik daar zat, waarvan
+de reden was, dat ik nog al klein en het orgel verbazend groot was.
+Bovendien werd ik door Jan van der Vliet altijd buitengewoon geprezen,
+want in zijn oog was ik een rechte duizendkunstenaar en kon ik moeilijk
+door anderen in het orgelspel worden overtroffen. Zijne bewondering voor
+mij was werkelijk ongeveinsd en streelde mijne ijdelheid niet weinig.
+Zoodra hij den balg »vol» had, kwam hij altoos naast mij staan, om mijne
+kunststukken te bewonderen, wat er mij gewoonlijk toe verleidde, alle
+registers uit te trekken en dientengevolge een oorverdoovend geluid aan
+het instrument te ontlokken. En ik moet er dadelijk bijvoegen, dat Jan
+dit prachtig vond, al moest hij dan ook tweemaal zoo hard trappen als
+anders. Van zachte muziek hield hij niet. Het meest bewonderde hij nog
+mijne vaardigheid in het gebruiken van het voet-pedaal, daar hij er maar
+geen hoogte van kon krijgen, hoe iemand met zijne voeten muziek kon
+maken en dan nog wel, zonder er naar te kijken.
+
+Wij konden ongeveer een kwartiertje aan den gang geweest zijn, toen
+plotseling de deur van ons vertrek, als ik het zoo noemen mag, langzaam
+geopend werd, en het lachende gelaat van Wilden Bob om den hoek
+verscheen.
+
+Ik hield midden in mijn spel op, zoo schrikte ik van zijne komst. Ik
+wist te goed, hoe hij altoos vol kattekwaad zat, om niet te vreezen, dat
+hij zich ook hier niet rustig zou kunnen houden. Bovendien was het mij
+ten strengste verboden hem mede te nemen, en, dat durf ik zeggen: ik
+was een gehoorzame jongen. Nu weet ik wel, dat hij uit eigen beweging
+kwam en dat zijne komst mijne schuld niet was, -- maar zoover dacht ik
+op dat oogenblik niet. Zoodra ik hem zag begreep ik, dat ik al het
+mogelijke moest doen, om hem weer weg te krijgen.
+
+Ik moet er zeker niet erg vroolijk uitgezien hebben, want hij kwam
+lachend naar mij toe, en zeide:
+
+»Wel, wel, wat kijk-je vriendelijk! Toe zeg, speel eens een vroolijk
+deuntje. Kan-je niet spelen: „Hij moppert alweer, Hij moppert alweer,
+Hij moppert alweer, kiek, kiek!”» wat in die dagen een bekend
+straatdeuntje was.
+
+Jan van der Vliet begon te lachen, en ik van den weeromstuit ook.
+
+»Neen,» zeide ik, »zulke deuntjes speel ik hier niet. Toe Bob, ga nu
+heen, want je houdt mij van mijn werk af.»
+
+»Heusch niet, Dorus. Speel jij maar, dan zal ik zingen. Zeg, ga eens
+eventjes van die bank af, en laat mij eens spelen. Ik kan er ook wel wat
+van.»
+
+Nu, dat was niet waar.
+
+»Bob!» zei ik ernstig. »Jij blijft van het orgel af, of ik doe het
+direct op slot. Ik heb moeten beloven, dat ik niemand zou toestaan, hier
+gekheid te verkoopen, en daarom kun-je mij een groot pleizier doen, door
+dadelijk op te hoepelen.»
+
+»Eerst eens spelen, Dorus!» zei Bob.
+
+»Er afblijven!» was mijn antwoord. En ik liet er op volgen:
+
+»Hoor eens, Bob, je bent mijn vriend, maar als je aan de toetsen komt,
+krijgen we ruzie, daarvoor sta ik je borg. Ik wil het bepaald niet
+hebben. Toe Bob, ga nu heen.»
+
+»Wat heb-je een praats! 't Is jou orgel toch niet? Ik heb er evenveel
+over te zeggen als jij, zou ik meenen.»
+
+»Dat spreek ik niet tegen, maar als er iets ergs mede gebeurt, krijg ik
+er natuurlijk de schuld van. Toe Bob, ga nu heen.»
+
+»Neen, -- ik laat me niet wegjagen. Doch speel jij maar; ik beloof je,
+dat ik overal zal afblijven. Ik vind je zeldzaam flauw.»
+
+Daar ik geen kans zag, Bob tot heengaan te bewegen, zette ik mijn spel
+voort, in de hoop, dat mijn ijver hem vervelen en tot vertrekken bewegen
+zou. Doch ik had het mis, want weldra bemerkte ik, dat er tusschen Bob
+en Jan eene worsteling ontstaan was, zoo hevig dat het orgel ervan
+dreunde.
+
+Natuurlijk hield ik dadelijk op om te zien, wat er aan de hand was, en
+nu zag ik Bobje bezig om Jan van de trappers te dringen, ten einde er
+zelf op te gaan staan.
+
+»Bob!» zei ik, »als je nu niet heengaat sluit ik het orgel, maar dan
+speel ik ook den geheelen dag niet met je. Of wil je bepaald twist met
+me hebben?»
+
+Ik nam het deksel en legde het op het klavier, vast besloten er nu een
+einde aan te maken.
+
+Bob keek me eventjes lachend aan, en zeide toen:
+
+»Maak je niet dik, Dorus, want dun is de mode. Adie, ik wil je
+groeten.»
+
+Met die woorden verliet hij het orgel. Hij deed de deur achter zich
+dicht en wij hoorden hem de trap afgaan.
+
+»Zie zoo, dat ruimt op!» zei Jan, die niet erg op Bob gesteld was. »Ik
+liet er mij toch lekker niet afdringen, al is hij grooter dan ik. Hij
+moet niet denken, dat ik bang van hem ben.»
+
+»Och, hij meent het zoo kwaad niet,» zei ik. »Toe Jan, trappen, dan ga
+ik weer spelen.»
+
+Ik zette mijne studie nu voort en was Bob weldra geheel vergeten, tot
+hij plotseling als een wervelwind kwam binnenstormen en ons toeriep:
+
+»Toe jongens, ga je eens even meê; ik heb een uilennest gevonden. Gauw
+zeg, er liggen eieren in!»
+
+»Een uilennest?» vroeg ik verwonderd. »Waar is dat dan?»
+
+»In den toren!» lachte Bob. »Of dacht je, dat ik naar huis gegaan was?
+Mis mannetje, ik blijf net zoo lang als jij. Kom, ga je meê naar boven?
+O, het ligt zoo hoog, -- dicht bij de galmgaten!»
+
+In een oogenblik had ik mijne zitplaats verlaten en was ik gereed, hem
+te volgen, want voor een uilennest geloof ik, dat ik zelfs mijne
+boterham had laten staan.
+
+»Kom Jan,» riep ik den orgeltrapper toe, »ga je meê? Dat moeten we
+zien.»
+
+»Er zat een uil op te broeiën!» zei Bob. »Zeg jô, wat schrikte ik van
+hem, want toen ik met mijn hoofd boven de trap kwam, had ik zijn krommen
+snavel en zijne groote ronde oogen vlak voor me. Eerst wist ik niet wat
+ik zag, maar al spoedig bemerkte ik, dat het een kerkuil was. En wat
+kraste hij leelijk tegen me, toen hij wegvloog.»
+
+In een wip waren wij de trap opgeklommen tot bij het uurwerk, doch toen
+moesten wij nog hooger. Eerst duwden wij een luik omhoog en kwamen toen
+op een volgende trap. Bob ging vooraan.
+
+Wat was het daar in dien toren overal vuil en stoffig; de spinnewebben
+waren haast ontelbaar. En wat woei ons een koude wind in het gelaat. Het
+was duidelijk dat wij de galmgaten naderden. Spoedig kwamen wij boven,
+bij de groote bel, en daar -- zagen wij het nest, met drie eieren er in!
+Maar de uil was weg; wij zagen hem nergens, hoe wij ook zochten.
+
+»Zeg jongens, de eieren laten liggen!» riep Bob. »Dan gaan we later
+kijken, of er jonge uilen in het nest zitten.»
+
+»Ja, laten we dat doen,» zei ik. »Dan gaan we nu stil heen, en komen
+over een week of drie nog eens terug. Willen we nu weer weggaan?»
+
+»Ja, -- maar kijk eerst eens naar buiten! Zie eens, wat Haarlem nu
+dichtbij schijnt te liggen! En ginds zie ik Heemstede en daar verder
+Hillegom en Lisse. Wat hebben we hier een mooi gezicht, hê?»
+
+»En dit is zeker het touw, waaraan de koster trekt als hij moet luiden?»
+zei Jan.
+
+»Natuurlijk, trek er maar eens aan,» antwoordde Bob. »Dan begint het
+bom-bam! bom-bam! Toe dan, Jan.»
+
+»O neen, neen!» riep ik uit, want nu begon me mijn gevoel van
+verantwoordelijkheid weer te drukken. »Niet doen, -- Jan, wat zouden de
+menschen wel zeggen?»
+
+»Ze zouden denken, dat er brand was!» lachte Bob. »Zeg jongens, willen
+we die grap eens hebben?»
+
+»Daar komt de koster naar boven!» riep ik plotseling op verschrikten
+toon uit, en tegelijkertijd liet ik mij pijlsnel naar beneden glijden.
+En wat waren Bob en Jan mij kort op de hielen, want de koster liet niet
+met zich spotten. In minder dan geen tijd waren we weer beneden, waar
+van den koster natuurlijk niets te zien was, daar het eenvoudig een
+krijgslist van me was geweest, om Bob van de bel weg te krijgen. Ik
+vertrouwde hem daar in het geheel niet, vooral niet, toen hij brandje
+wilde gaan spelen.
+
+»Waar is de koster nu?» vroeg hij, toen wij beneden waren.
+
+»In Haarlem,» zei ik lachend. »Maar Bob, ga jij nu heen, dan ben ik des
+te spoediger klaar.»
+
+»In Haarlem? Is hij dan niet thuis?» vroeg Bob.
+
+»Neen,» zei Jan, die er om lachen moest, dat ik hem zoo leuk te pakken
+had. »Wat wist Bob van beenen maken!»
+
+»Geen wonder. Nu, ik ga heen! Tot van middag dan.»
+
+Bob vertrok en ik zette mij weer aan het spelen. Maar nauwelijks had ik
+weer eene bladzijde gespeeld en zweeg het orgel een oogenblik, of daar
+hoorde ik van uit de kerk een geluid, dat precies op de stem van den
+voorzanger geleek.
+
+»O jé, dat is Bob weer!» dacht ik dadelijk. Ik schoof het gordijn open,
+en jawel -- daar stond hij met een hoogst ernstig gezicht voor den
+lessenaar van den voorzanger. Hij trok een paar malen aan zijn boordje,
+zooals de goede man ook altijd deed als hij beginnen zou, humde en
+kuchte een paar malen, en mompelde toen bijna onverstaanbaar:
+
+»De gemeente gelieve te zingen»....
+
+En daarna verhief hij plotseling zijne stem, juist zooals de voorzanger
+dat altoos deed, en galmde plechtig: »Den honderdnegentienden psalm van
+het eerste tot het laatste vers!»
+
+Hij galmde zoo luid, dat hij niet eens bemerkte, hoe er eene deur achter
+hem geopend werd en de dominee stil de kerk binnentrad.
+
+Ik had natuurlijk om de dwaasheid van Bob eerst gelachen, want de
+honderdnegentiende psalm telt niet minder dan acht en tachtig verzen,
+maar nu lachte ik niet meer. Ik werd zoo wit als een doek van den schrik
+en gaf Bob snel een teeken om hem te waarschuwen, maar hij zag het niet.
+Hij verhief zijne stem nog hooger en galmde:
+
+»Ik herzeg den honderdnegentienden psalm van het eerste tot het laatste
+vers!»
+
+»Wel jou ondeugende bengel!» klonk het plotseling op gestrengen toon
+achter hem. In een wip was Bob van zijne verhevenheid af en stond tot
+zijn grooten schrik van aangezicht tot aangezicht tegenover den dominee.
+Deze was een doodgoed man, die wel van een grapje hield, doch nu scheen
+hij zeer boos te zijn. Hij keek mij gestreng aan, en zeide:
+
+»Jij gaat onmiddellijk naar je huis. Foei, schaam je je niet, om
+dergelijke dingen in de kerk te doen? Hebben we je dáárvoor het gebruik
+van het orgel toegestaan? Pas op, dat zulke dingen niet weer gebeuren,
+of het verlof wordt ingetrokken en de toegang tot het orgel wordt je
+voor goed verboden. Je kunt dadelijk vertrekken. Wees gewaarschuwd.»
+
+Daarna keerde hij zich tot Bob, en zeide:
+
+»Jij gaat met mij mede naar de pastorie. Dergelijke spotternij kan ik
+niet ongestraft laten passeeren!»
+
+»Maar dominee, -- ik -- ik -- ik» -- stotterde Bob.
+
+»Ik was een ondeugende bengel!» wil je zeker zeggen, niet waar?» viel de
+dominee hem in de rede. »Daarom juist ga je mede naar de pastorie, waar
+ik je zulke streken wel zal afleeren.»
+
+»Maar dominee, ik -- ik beloof u....»
+
+»Belofte maakt schuld, Bob! Beloof daarom niet lichtvaardig, wat je niet
+van plan bent te volbrengen.»
+
+»Ik beloof u, dominee, dat ik het niet weer zal doen,» zei Bob, wien het
+allerminst kon toelachen, eene gedwongen visite in de pastorie af te
+leggen. O, o, wat zat Bobje in de perikelen!
+
+»Ik herhaal het, Bob: Belofte maakt schuld! Wat je niet van plan bent te
+volbrengen, moet je ook niet beloven.»
+
+»Maar dominee, ik zal mijne belofte wel houden,» mompelde Bob. »Ik
+beloof het u!»
+
+»Geef me daar je hand op, Bob.»
+
+Bob deed het.
+
+»Zoo, dan zal ik je voor dezen keer ongestraft laten vertrekken. Maar
+zeg mij eens, wat moet jij hier eigenlijk doen? Mij dunkt, jij hebt hier
+heel geen boodschap!»
+
+»Neen, dominee, maar ik wist, dat Dorus hier op het orgel speelde en
+toen kwam ik even kijken.»
+
+»En kwaad doen!» viel de dominee in. »Dus Dorus heeft je niet mede
+genomen?»
+
+»Neen dominee, ik ben uit eigen beweging gekomen,» zei Bob, die
+werkelijk een vijand van liegen was.
+
+»Ga nu maar spoedig heen en kom alleen terug als het kerk is, --
+begrepen?»
+
+»Ja, dominee. -- Dag, dominee!»
+
+De hoed vloog Bob van 't hoofd en in een snap was hij de kerk uit. Ik
+had middelerwijl het orgel gesloten en volgde met Jan, na den dominee
+gegroet te hebben, zijn voorbeeld. Spoedig waren we op weg naar huis.
+
+Eerst liepen we zwijgend naast elkander voort. Ik bracht de sleutels
+naar Arie de Zwaan, die nog op het bleekveld lag te slapen en niet
+weinig bromde, toen ik hem wakker maakte. Maar daar lette ik niet veel
+op, want ik was te zeer onder den indruk van het gebeurde, om er veel om
+te geven.
+
+»'t Is alles jou schuld!» zei ik tegen Bob onder het naar huis gaan.
+»Wat doe jij ook in de kerk te komen! Nu krijg ik er de schuld nog van
+en als Pa en Moe het hooren, volgt er nog straf op den koop toe. Ik vind
+het flauw van je, -- erg flauw!»
+
+Bob zei niets. Hij was er ongetwijfeld van overtuigd, dat ik gelijk had.
+
+»En als de meester het hoort, is het nog erger. Je weet, hoe streng hij
+is. Wat moet ik nu zeggen, als hij er over begint?»
+
+Bob antwoordde nog niet. Zwijgend liep hij naast ons voort. Maar op eens
+zei hij:
+
+»Als de meester er van spreekt, geef je alle schuld aan mij, Dorus, want
+jou schuld is het niet.»
+
+»Dan zeggen alle jongens, dat ik klik! En dat wil ik niet,» was mijn
+antwoord.
+
+»Goed, dan zal ik het zelf wel zeggen. Ik wil niet, dat jij in mijne
+plaats straf krijgt. Maar ik spreek er niet van, voordat ik zeker weet,
+dat de meester er van gehoord heeft. Dat begrijp je wel, he? Nu, ik ga
+naar huis, hier langs den achterweg, want anders moet ik den schoenmaker
+voorbij, en dat doe ik liever niet. Tot van middag!»
+
+Hij sloeg met Jan het achterwegje in en ik ging den hoofdweg langs naar
+huis, waar men al met het eten op mij wachtte. Gelukkig vroeg niemand
+mij naar mijn orgelspel en de meester sprak later ook niet over het
+geval. Zeker heeft de dominee het gebeurde voor hem verzwegen, of zoo
+hij dat niet heeft gedaan, als zijn gevoelen te kennen gegeven, dat ik
+er geen schuld aan had.
+
+Eén voordeel was er aan verbonden, en wel dit -- dat Bob mij, den
+eersten tijd althans, in vrede naar de kerk liet gaan, wanneer ik mij
+op het orgel ging oefenen. Wel was de grootste schrik spoedig bij hem
+vergeten, maar hij wist, dat hij de pastorie voorbij moest gaan om in de
+kerk te komen, en dat durfde hij toch niet, althans niet, als hij wist,
+dat de dominee thuis was. Want dan had hij veel kans, dat hij opgemerkt
+zou worden, en hij twijfelde er niet aan, of den tweeden keer zou hij er
+niet zoo gemakkelijk afkomen als den eersten.
+
+»Verbeeld je eens,» zei hij later tegen me, »dat de dominee mij voor
+straf den geheelen honderdnegentienden psalm had laten uitschrijven. Dat
+zou me eene geschiedenis geweest zijn -- acht en tachtig verzen!»
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin Bob eene uitnoodiging ontvangt van den Heer
+ Denappel, zijne stelten terug wil hebben en
+ van den regen in den drop komt. De
+ krijgslist van Karel Holm en mij.
+
+
+Bob keerde dus langs den achterweg naar huis terug, wat voor hem slechts
+een omweg was van ongeveer tien minuten.
+
+»Op deze manier kan ik den schoenmaker mooi ontwijken,» mompelde hij
+vergenoegd, terwijl hij zich de handen wreef van plezier. »Maar toch,»
+liet hij er op volgen, »toch val ik hem den eenen of anderen keer
+beslist in handen, dat kan niet uitblijven. Op een dorp ontmoeten de
+menschen elkander dagelijks, en dus zal ik den schoenmaker ook wel eens
+onverwachts voor mij zien. Och ja, -- ik had ook veel wijzer gedaan, als
+ik dat domme kind doodbedaard pannekoeken met stroop had laten eten in
+plaats van pannekoeken alleen, -- maar daar is nu niets meer aan te
+doen. En bovendien -- als ik eenmaal den schoenmaker tegen 't lijf
+loop, is hij het heele historietje misschien al vergeten. Wel ja, een
+mensch kan toch alles niet zijn leven lang onthouden!»
+
+Die laatste gedachte scheen Bob zoo gerust te stellen, dat hij de
+toekomst plotseling niet donker meer inzag, en van pret een deuntje ging
+fluiten. Hij was nu Bos' bruggetje genaderd, en wilde er juist overgaan,
+toen hij zich bij zijn naam hoorde roepen.
+
+De Heer Bos had een winkel in allerlei ijzerwaren aan het einde van het
+dorp, eigenlijk op een bijzonder ongelegen plaats, daar hij aan den
+overkant van het water woonde aan den achterweg en dientengevolge
+moeilijk te bereiken was. Hij had dat zelf zeer goed ingezien en daarom
+een bruggetje over het water laten leggen, dat zijn persoonlijk eigendom
+was en geheel door hem werd onderhouden. Die brug werd altijd Bos'
+bruggetje genoemd, en was ten algemeenen nutte. De zaak in ijzerwaren en
+landbouwgereedschappen werd eigenlijk niet door hem alleen gedreven; hij
+had een compagnon, een vrijgezel, die bij hem in pension was. Hij was
+ongetrouwd, vroolijk van aard, overal een welkom gast en -- een man met
+een echt jongenshart, waarmede ik bedoel, dat hij veel van jongens hield
+en hun dikwijls een genoegen deed. De heer Denappel, (zoo heette hij)
+had nooit grooter vermaak, dan als hij ons, jongens, eens een groot
+genoegen kon doen, waarvoor hij zich dikwijls zeer veel moeite
+getroostte.
+
+Deze heer Denappel nu was het, die Bob geroepen had.
+
+»Dag mijnheer!» riep Bob, toen hij hem zag.
+
+»Zoo, Wild Bobje, -- kom jij eens hieg!»
+
+Bob kwam. Dat de Heer Denappel onmogelijk de r kon uitspreken en er
+altijd eene g van maakte, hoorden wij al niet eens meer, zooveel hielden
+wij van hem. Hij brouwde anders wel buitengewoon erg.
+
+»Waag zijn je stelten, Bobje?» vroeg hij lachend, want hij mocht Bob
+graag lijden.
+
+»Die heeft de meid van dokter Doreman, mijnheer,» zei Bob.
+
+»Zoo? -- Waagom? -- Hè-hè-hè-hè! Moet Mina ook stelten leegen loopen?
+Hè-hè-hè-hè!»
+
+Mijnheer Denappel had een verbazend leelijk lachje over zich, want hij
+lachte altijd met eene è-klank, en bovendien sprak hij sterk door zijn
+neus. Geloof ook maar gerust, dat wij hem dikwijls uitgelachen zouden
+hebben, als hij -- niet zoo aardig jegens ons geweest was. Nu hielden
+wij veel te veel van hem, om zoo iets te doen.
+
+»Dat weet ik niet, mijnheer, maar ik ben ze kwijt, en ik zie geen kans
+om ze terug te krijgen.»
+
+»Dat is leelijkeg voog je, Bob, want ik wou je juist vgagen of je lust
+hebt, om mede te doen aan eene hagdloopegij op stelten. Zou je dat niet
+willen?»
+
+»Niet willen! O ja, mijnheer, -- asjeblieft, heel graag. Wanneer doen we
+het?»
+
+»Vandaag oveg eene week, dus op Zategdag, 's middags om één uug. De
+pgijs is een pgachtig boek van Gobinson Cgusoë, in een mooien blauwen
+band, en de tweede pgijs is de Bagon van Munchhausen, ook een mooi boek.
+De degde pgijs is een pogtemonnaie, maag ik houd het gecht, die te
+geven aan wien ik wil. Nu, hoe bevalt het je?»
+
+»Heerlijk, mijnheer, prachtig! En mag iedereen meêdoen? En waar is het?»
+
+»Hieg, op den achtegweg, en iedegeen mag meedoen. Noodig jij alle
+jongens maag uit in mijn naam, wil je dat doen?»
+
+»Met alle genoegen, mijnheer!»
+
+»En zouden ze eg lust in hebben?»
+
+»Of ze, dat kan u begrijpen!»
+
+»Mooi, mooi. Maak jij nu maag, dat je je stelten tegug kgijgt, want
+andegs gaat de pget jou neus voogbij, hè-hè-hè-hè! Dag Bob!»
+
+»Ja mijnheer, wist ik maar hoè!»
+
+»O, Bob, zeg maag, dat je haag wel eens een pleizieg zal doen, doog bij
+voogbeeld de glazen eens te helpen wasschen, als ze dat doen moet, --
+hè-hè-hè-hè? -- dan zal ze je misschien je kwaad wel veggeven,
+hè-hè-hè-hè!»
+
+Ha zoo! Mijnheer Denappel wist er dus alles al van! Zeker had hij eene
+visite bij den dokter gemaakt en daar het gebeurde vernomen. En nu moest
+hij natuurlijk Bob eens goed plagen.
+
+»Dag Bob, tot Zategdag dus! Maak maag, dat je den pgijs wint, hoog!»
+
+Bob groette en vervolgde zijn weg, natuurlijk recht in zijne nopjes over
+het aanstaande feestje.
+
+»En mijne stelten zal ik wel terugkrijgen,» mompelde hij. »Ik mòèt ze
+terughebben, -- dat spreekt van zelf!»
+
+Toen ik 's middags gegeten had, ging ik dadelijk naar Bob en vernam van
+hem, wat de heer Denappel gezegd had. Dat ik mijne stelten medegenomen
+had, behoef ik niet te zeggen, want in den steltentijd liepen wij er
+zelfs op, als we even eene boodschap in den winkel moesten halen. Alleen
+naar de kerk mocht ik ze nooit meênemen.
+
+Bob en ik waren in den tuin.
+
+»Zeg Dorus,» zei hij op den toon van volslagen wanhoop, »bedenk jij nu
+toch eens een middel, om ze terug te krijgen. Als ik me niet oefenen
+kan, heb ik natuurlijk in het geheel geen kans om den prijs te winnen.
+Had ik die spuit ook maar met rust gelaten. 't Komt alles van dat
+leelijke ding.»
+
+»Ja, -- en ook van je idée, om Mina nat te spuiten in plaats van de
+ramen.»
+
+»Nu ja, -- dat is waar, -- maar hoe krijg ik ze terug? Zie je, dat is op
+dit oogenblik de hoofdzaak.»
+
+»Wel, ga ze terugvragen.»
+
+»Dank je, Dorus! Wat zou ik er van langs krijgen! Ik wed, dat ze me
+kopje onder in eene waschtobbe stopte!»
+
+»Best mogelijk. Zeg Bob, kunnen we van uit dat dakvenster van jelui huis
+niet in den tuin van den dokter kijken?»
+
+Opeens klaarde Bobs gezicht heelemaal op. Hij nam zijn stroohoed van
+zijn hoofd en zwaaide er lustig meê in het rond. Toen wierp hij hem hoog
+in de lucht en ving hem weer netjes op zijn krullebol op, een
+kunststukje waar ik erg jaloersch op was en dat ik hem maar niet kon
+nadoen, niettegenstaande ik het wel al honderdmaal geprobeerd had.
+
+»Hiep-hiep-hoera! Gevonden! -- Gevonden! Dorus! Jij bent een slimmerd,
+hoor! Kom jò, dan gaan we dadelijk naar boven. Hoe dom, dat ik daar niet
+eerder aan gedacht heb. Zeg Dorus, dan neem ik mijn verrekijker mede.»
+
+»Ja, doe dat!»
+
+In een wip waren we de beide trappen opgeklommen, want het huis van
+mijnheer de Wild had twee verdiepingen, en nu kwamen we gewapend met den
+verrekijker op den zolder.
+
+»Zeg jò, nog niet kijken!» zei Bob. »Eerst den kijker goed uit elkaar
+halen.»
+
+Blijkbaar was hij bang, dat ik de stelten met het ongewapende oog reeds
+zou ontdekt hebben, voordat hij nog met zijn instrument gereed was, en
+dan zou de helft van het genoegen verdwenen zijn, wat ook precies mijn
+idée was.
+
+Spoedig stonden we nu voor het raam, dat over een land, een tuin en een
+paar hagen heen, uitzicht gaf op den tuin van den dokter. Bob hield den
+kijker voor het oog en doorzocht met het gewichtig gevoel van een
+soldaat, die een vijandelijk kamp verkent, het terrein.
+
+»Mis hoor!» zei Bob terneergeslagen. »Ik zie ze nergens. Ze heeft ze
+zeker hier of daar weggestopt.»
+
+»Misschien wel in de keuken,» zei ik.
+
+»Ja, -- of in het schuurtje. Ik althans zie ze niet. Zoo'n akelige meid,
+-- 't zijn hààr stelten toch niet?»
+
+»Zeker niet! Laat mij ook eens kijken, Bob?»
+
+»Dààr!»
+
+Bob gaf mij den kijker en ik keek overal rond. Nu was dat instrument
+bijna geheel niet noodig, want de tuin lag zoo dicht bij ons, dat wij
+met het bloote oog alles best konden onderscheiden. Maar die kijker
+bracht, naar wij meenden, iets eigenaardigs aan onzen verkenningstocht.
+
+Eindelijk gaf ik het op.
+
+»'k Zie ze niet!» zei ik met een zucht. »Je bent je stelten kwijt,
+Bobbertje.»
+
+»'t Is wat moois! Hoe moet ik nu met den wedstrijd meêdoen, als ik geen
+stelten heb? Ik vind het erg flauw van Mina. Laat mij nog eens kijken?»
+
+Maar Bob had evenmin succes als ik. Opeens echter ontdekte ik ze met het
+bloote oog, waar wij ze met den kijker niet hadden gezien.
+
+»Kijk eens, dáár, Bob, -- dáár, vlak onder het keukenraam, op den grond!
+Daar liggen ze!»
+
+Bob zette den kijker van zijn oog -- want zonder dat voorwerp zagen wij
+veel beter, hoewel wij dat natuurlijk voor geen honderd gulden hadden
+willen bekennen, -- en nu zag hij ze ook.
+
+»'t Zijn ze, Dorus! Die aap! Ze heeft ze vlak onder het keukenraam
+gelegd om ze goed onder haar bereik te hebben.»
+
+Bob zette nu den kijker weer voor het oog en richtte hem op de stelten.
+
+»Ja hoor, nu zie ik ze duidelijk; 't zijn ze! Kijk maar, jò, nu kan je
+ze pas goed zien.»
+
+Nu, dat was waar.
+
+»Maar hoe ze nu terug te krijgen, Bob?»
+
+»Dat zal ik je zeggen, -- ik ga ze doodeenvoudig halen. Ik ga over het
+slootje achter onzen tuin, kruip langs den slootkant het land over,
+spring over de sloot van den dokter, kruip langs de besseboomen daar
+ginds naar het keukenraam en pak ze dan vlug weg. Kijk, het bovenraam
+staat open. Ik wed, dat Mina boven aan het werk is, want het is Zaterdag
+en dan hebben de meiden het altoos druk. Juist, ik doe het.»
+
+»'t Is een waagstuk, Bob,» meende ik te moeten opmerken. »Als ze je
+snapt, ben je er bij.»
+
+»Gloeiend, dat is zeker,» stemde Bob toe.
+
+»Of als de dokter je ziet.....»
+
+»Die is uit! Ik heb hem zien uitrijden.»
+
+»Of mevrouw! Die is toch in elk geval thuis.»
+
+»Ja, dat is waar. Nu hoor, ik waag het er toch op. Mijne stelten moet ik
+terug hebben, dat begrijp je, vooral nu mijnheer Denappel dien wedstrijd
+organiseert. Zeg Dorus, houd jij hier met den verrekijker de wacht voor
+het raam, en als je onraad ziet, laat je ons gewone signaal hooren, dan
+kies ik dadelijk het hazepad. Doe je het?»
+
+»Natuurlijk, dat spreekt van zelf.»
+
+»Goed! Dan ga ik. Goed uitkijken, hoor! En zoodra je maar den band van
+eene vrouwenmuts ziet, waarschuw je. Kan ik daarop rekenen?»
+
+»Volkomen.»
+
+»Tot straks dan!»
+
+Bob vertrok, en ik bleef in groote spanning achter. Den kijker hield ik
+voortdurend op het keukenraam gericht, hoewel Bob het ons beschermende
+dak nog niet eens verlaten kon hebben.
+
+Een oogenblik later hoorde ik zijn signaal beneden in den tuin, hetwelk
+ik onmiddellijk beantwoordde. Nu kon ik hem zien gaan. In gebogen
+houding sloop hij den tuin door, hoewel daar natuurlijk niet het minste
+gevaar dreigde. Hij sprong behendig over het slootje en kroop langs den
+kant langzaam verder. Ik volgde hem met mijn kijker. Nu was hij den tuin
+van den dokter genaderd. Hij behoefde maar eene sloot over te springen
+om er in te komen. Doch juist op het oogenblik dat hij den sprong wilde
+doen, zag ik de achterdeur opengaan en Mina buiten verschijnen. Zij
+bleef een oogenblik stilstaan, keek eens naar de lucht, nam een paar
+frambozen van een struik, raapte toen de stelten op en bracht ze in het
+schuurtje.
+
+Zoodra zij verschenen was, liet ik mijn waarschuwend signaal hooren.
+Dadelijk maakte Bob zich zoo klein mogelijk en hield zich onbeweeglijk
+aan den kant van de sloot, tot Mina weer vertrokken was. Zelfs toen
+bleef hij nog eenigen tijd zitten.
+
+Ik vertrouwde de zaak nu echter in het geheel niet meer, en liet mijn
+signaal hooren, wat door Bob beantwoord werd. Even later zag ik hem den
+terugtocht aanvaarden, en weldra was hij weer bij me op den zolder.
+
+»Dat was toevallig, hè?» zei hij ernstig.
+
+»Al te toevallig, Bob,» meende ik. »Geloof gerust, dat zij lont geroken
+heeft. 't Is toch een slimmerd.»
+
+»Ja, -- maar toch kan het best zijn, dat zij geen erg in mij heeft
+gehad en alleen maar trek kreeg in een paar framboosjes. Zij heeft mij
+onmogelijk kunnen zien, zou ik zeggen.»
+
+»Dat is waar. Bovendien zag ze er heel onverschillig uit, volstrekt
+niet, of zij iets kwaads in den zin had. 't Is alleen maar zoo
+buitengewoon opmerkelijk, dat zij nù juist buiten kwam en de stelten in
+het schuurtje bracht.»
+
+»Alles goed en wèl, maar ik moet ze terug hebben,» zei Bob. »Over een
+kwartier waag ik het weer.»
+
+Wij begonnen nu geduldig te wachten, tot er tijd genoeg verloopen zou
+zijn om met eenige kans op succes den tocht voor de tweede maal te
+ondernemen.
+
+Eindelijk ging Bob.
+
+Weer klonk in den tuin zijn signaal, -- weer sprong hij over de sloot en
+sloop hij langs den slootkant verder, weer had hij den tuin van den
+dokter bereikt. Hij keek even op naar mij, als om te vragen, of alles
+veilig was. Ik nam het terrein op en -- zweeg, want alleen in geval van
+nood zou ik mijn signaal doen hooren.
+
+Wip! -- daar sprong hij over de sloot in den tuin van den dokter, en
+behoedzaam zag ik hem verder kruipen onder de besseboomen door, die hem
+bijna geheel aan het gezicht onttrokken. Ik zeg bijna, want soms moest
+hij eene plek oversteken, waar geen boomen stonden. Hij kroop dan bijna
+op zijn buik over den grond.
+
+Alles ging goed. Met arendsblikken volgde ik hem in al zijne bewegingen,
+tevens goed oplettende, of er ook onraad dreigde. Ha! nu had hij het
+schuurtje bereikt. Langzaam zag ik de deur ervan opengaan, doch slechts
+zoover als noodig was, om Bob door te laten. Nu verdween Bob in het
+schuurtje.....
+
+O heden! Nauwelijks was hij daarbinnen geslopen, of de keukendeur ging
+snel open en daar verscheen plotseling de vijand -- Mina.
+
+Met kracht liet ik mijn signaal hooren, hoewel mijn gewone toonreeks mij
+mislukte van den schrik.
+
+Mina ijlde naar het schuurtje!
+
+Ik verzamelde mijne tegenwoordigheid van geest en floot zoo hard ik kon.
+
+Mina had de deur bereikt.
+
+Maar Bob had mijn signaal gehoord. Ik zag de deur opengaan. Nog een
+oogenblik en hij zou gered zijn.
+
+Flap! Daar sloeg Mina de deur met kracht toe en schoof er den grendel
+voor.
+
+Bob was gevangen.
+
+Ik zag Mina schateren van de pret, ja ik hoorde haar zelfs lachen. Zoo'n
+akelige meid!
+
+In de grootste verslagenheid zag ik het aan, hoe zij in de keuken
+verdween, ongetwijfeld met het stellige voornemen Bob niet voor den
+laten avond uit zijne gevangenis te ontslaan.
+
+Doch hij moest gered worden, dat stond bij mij vast. De vraag was alleen
+maar, hoe dat gedaan moest worden.
+
+Hoe ik evenwel peinsde, ik zag er geen kans toe, en besloot daarom ten
+einde raad naar mijn vriend Karel Holm te gaan, die nu ongetwijfeld wel
+uit Haarlem thuisgekomen zou zijn.
+
+Ik verliet daarom het huis van mijnheer de Wild en ging op weg naar
+Karels huis. Hij was de zoon van den architect, en wel diens eenig kind.
+Wij hielden allen bijzonder veel van hem, wat geen wonder was, daar hij
+een echt fideel karakter bezat. Ik twijfelde dan ook niet, of hij zou
+niet rusten, voor het ons gelukt was, Bob in vrijheid te stellen. Een
+kameraad in den steek laten zou hij nooit doen.
+
+Het bleek mij al spoedig dat ik mij niet vergist had, want nog had ik
+zijne woning niet bereikt, toen ik hem reeds tegenkwam.
+
+»Zoo Dorus!» klonk zijn groet.
+
+»Zoo Karel! Al terug?»
+
+»Zooals je ziet. Ik kwam juist naar je toe.»
+
+»En ik naar jou. Zeg Karel, er is iets aan de hand. Bob zit opgesloten
+in het schuurtje van den dokter.»
+
+»Bob opgesloten? -- In het schuurtje van den dokter?» zei Karel in de
+grootste verbazing. »Wie heeft dat gedaan?»
+
+»Mina, de meid.»
+
+Nu vertelde ik hem in geuren en kleuren, wat er gebeurd was. Eerst moest
+hij er om lachen, maar later keek hij ernstig.
+
+»Ja, zie je,» zeide hij, »dan is het ook zijn eigen schuld. Maar enfin,
+dat doet er niet toe, geholpen mòèt hij worden. Wij kunnen hem niet aan
+zijn lot overlaten.»
+
+»Juist, Karel, precies mijn idée, -- maar hoe?»
+
+»Ja, dat is de moeilijkheid. Zeg Dorus, wij moesten den vijand van twee
+kanten kunnen bestoken. Wisten wij maar eene boodschap bij den dokter te
+bedenken, dan waren wij klaar. Want als er een van ons daar aanbelde
+was Mina gedwongen om open te doen. Middelerwijl kon de ander het
+schuurtje ontsluiten en Bob verlossen.»
+
+»Daar zeg je zoo iets, Karel. Jongen, dat is een prachtig idée. Hadden
+wij maar eene boodschap!»
+
+»Ja, maar die hebben we niet. -- Maar wacht eens -- ha, daar bedenk ik
+wat. Je weet, dat Pa van 't voorjaar zoo lang ziek geweest is en
+geruimen tijd onder behandeling van den dokter was?»
+
+»Zeker, dat herinner ik mij nog heel goed.»
+
+Nu -- en toen heeft Pa wel een twintig drankjes gebruikt, waarvan alle
+ledige fleschjes nog bij ons in het schuurtje staan. Onlangs heb ik ze
+alle moeten omspoelen, en heeft Moe tegen me gezegd, dat ze eens naar
+den dokter teruggebracht moesten worden. Zeg jò, niets belet ons, om dat
+nu te doen.»
+
+»Uitstekend! Zeg Karel, dan bel jij aan en terwijl Mina dan aan de
+voordeur is, sluip ik den tuin in en maak het schuurtje open. Dat wordt
+eene leuke historie, Karel!»
+
+»Of het. Kom, laten we dadelijk gaan.»
+
+Wij deden de fleschjes in eene ledige mand en Karel vroeg zijne Moe
+verlof, ze weg te brengen, wat heel goed gevonden werd.
+
+Samen gingen wij met ons vrachtje op weg, tot aan de brug, waar onze
+wegen scheidden.
+
+»Nu ga jij door den tuin van den notaris naar het schuurtje en als je
+achter het huis van den dokter gekomen bent, laat je het signaal hooren.
+Tot zoolang zal ik met aanbellen wachten. Is dat afgesproken?»
+
+»Best,» zei ik. »Maar zouden wij het fluiten van elkander kunnen
+hooren? Het huis en de tuin van den dokter liggen tusschen ons.»
+
+»O ja, gemakkelijk! Hallo, jò, vooruit maar! Ik krijg er zin in.
+Voorzichtig, hoor!»
+
+»Dat spreekt, en jij niet te vroeg bellen.»
+
+»Niet, voordat ik je signaal gehoord heb.»
+
+»Houd je goed, tot straks dan! En houd Mina wat aan den praat, als je
+kunt.»
+
+»Laat dat maar aan mij over. Ga nu, Dorus!»
+
+Ik ging, en volgde natuurlijk denzelfden weg, die ons Bobje zoo
+noodlottig geworden was.
+
+Zoodra ik de sloot achter dokters tuin bereikt had, liet ik het
+afgesproken teeken hooren, wat dadelijk van twee kanten beantwoord werd,
+namelijk van de zijde der voordeur, waar Karel gereed stond aan te
+bellen, en door Bob uit het schuurtje.
+
+Ik wachtte nu nog een oogenblik, ten einde Karel de gelegenheid te geven
+om aan te bellen en Mina naar de voordeur te lokken, en sprong over de
+sloot. IJlings en in gebogen houding spoedde ik mij naar het schuurtje.
+Mijn hart klopte hoorbaar, zoo verkeerde ik in angst, dat onze
+krijgslist mislukken zou, en schichtig keek ik naar alle zijden om
+mij heen.
+
+Bij het schuurtje gekomen richtte ik mij vlug als eene kat op, schoof
+den grendel weg, en opende de deur.
+
+Op hetzelfde oogenblik stond Bob naast me, met zijne stelten in de hand.
+Maar o jé, daar had me de bengel zoo waarlijk eene oude muts van Mina
+opgezet en een boezeltje van haar voorgedaan.
+
+»Dáár, pak aan!» zei hij, terwijl hij me zijn stroohoed toewierp. En in
+plaats van weer over de sloot te springen en denzelfden weg terug te
+gaan, dien hij gekomen was, stapte hij doodbedaard op zijne stelten en
+ging met groote schreden den tuin door, langs den stal en zoo den weg
+op.
+
+Ik ijlde hem vooruit.
+
+O, o, wat leverde hij een dwaas gezicht op, met dien boezelaar voor en
+die muts op, en dan op stelten.
+
+Karel stond nog aan de voordeur met Mina te redeneeren, toen hij ons zag
+aankomen. Hij proestte het uit van lachen, en o, wat keek Mina boos,
+toen zij bemerkte, wat er gebeurd was.
+
+»O, jullie ondeugende bengels! Dat is afgesproken werk! Wil jij wel eens
+gauw mijne muts afzetten en dien boezelaar afdoen!»
+
+Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg heen en
+weer, en hij zette het ernstigste gezicht van de wereld.
+
+Een oogenblik later kwam Mina den hoek van het huis om, met den stoffer
+in de hand. Ze was meer dan boos. Toen werd het hoog tijd voor Bob om
+het hazenpad te kiezen, wat hij dan ook deed.
+
+Mina keerde naar hare keuken terug, rood van boosheid, en wij raadden
+Bob aan, de beide kleedingstukken terug te geven. Eerst had hij daar
+niet veel lust in, maar toen wij zeiden, dat hij verplicht was het te
+doen, maakte hij er een klein pakje van en bracht ze aan Mina terug.
+Dat durfde hij gerust doen, daar hij overtuigd was, dat hij toch veel
+harder loopen kon dan zij. Hij deed de keukendeur open en wierp het
+pakje naar binnen. In hetzelfde oogenblik nam hij overhaast den
+terugtocht aan, zoodat Mina zelfs geen tijd had hem een enkel woord
+toe te voegen.
+
+Och, och, wat hadden wij een pret over dit voorval.
+
+»'t Was goed, dat jelui me verloste,» zei Bob, »want ze had me beloofd,
+dat ik er tot donker in zou blijven. Maar dat had zij toch mis!»
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin Bob eerst voor mijnheer Denappel
+ en daarna voor visch speelt.
+
+
+Wij gingen eerst met Karel Holm meê naar zijn huis, om zijne stelten te
+halen, en begaven ons toen naar het marktplein, dat midden in het dorp
+gelegen was, en waar wij zeker waren, eenige jongens te vinden om mede
+te spelen.
+
+Eerst had Bob niet bijzonder veel lust, om naar de markt te gaan, omdat
+de schoenmaker daar wel wat te dichtbij woonde voor het mooi, naar hij
+zeide.
+
+Maar toen wij er inderdaad eenige jongens van onze klasse aantroffen,
+was hij het gevaar, dat hij van den kant van den schoenmaker liep,
+weldra geheel vergeten. Nu was het waar, dat deze er heel dicht bij
+zijne woning had en menige jongen zou in Bobs geval zich wel tweemaal
+bedacht hebben, eer hij zich daar waagde, maar het moet gezegd worden:
+Bob kende geen vrees en hij was bijna voor niets bang.
+
+Toen wij pas op de markt waren, keek hij eerst wel een paar malen
+voorzichtig uit, of de gevreesde vijand ook naderde, doch toen zijne
+vrees ongegrond bleek te zijn, vergat hij weldra zijn voorzorgsmaatregel
+geheel en wijdde hij zich geheel aan het spel.
+
+Zooals ik zeide troffen wij op het marktplein reeds eenige jongens aan,
+met wie wij dikwijls speelden. Zoo zagen wij daar Dirk Langeraar, den
+zoon van den metselaar, Cor Valk, van den directeur van het post- en
+telegraafkantoor, Karel Buurs, van den timmerman, Tines Wobbe, Adriaan
+Bolt, Arie Kooi, die evenals ik zoons van bloemisten waren en Huibert de
+Leeuw, van den korenmolenaar. Allen hadden zij hunne stelten bij zich.
+
+Met een luid hoera werden wij bij onze komst begroet, en dat wij
+dadelijk begonnen te vertellen, wat wij beleefd hadden, spreekt van
+zelf. Wat hadden de andere jongens er een pret in.
+
+»Zeg Bob, je hadt dien boezelaar en die muts moeten houden,» zei Tines
+Wobbe, »dan hadden wij er nu nog eens lekker pret mede gemaakt.»
+
+»'t Was al mooi genoeg!» zei Karel Holm. »Mina was nu al genoeg
+geplaagd.»
+
+»Je kunt ze nooit genoeg plagen,» zei Tines met een grijnslachje, dat
+wij nooit goed van hem konden uitstaan. Eigenlijk hielden wij geen
+van allen van hem, want hij ging nooit recht door zee en was ver van
+eerlijk. Wij vertrouwden hem nooit, en als wij eens eene grap gingen
+uithalen, die wij voor anderen niet weten wilden, hielden we hem altoos
+buiten het geheim. Nu weet ik wel, dat wij ook zulke erg brave jongens
+niet waren, maar klikken zouden wij van elkander nooit doen, -- en dat
+deed hij wel. Als hij kwaad tusschen ons kon stoken, zoodat wij er
+eindelijk twist door kregen, had hij de grootste pret, en dan lachte hij
+in zijn vuistje. Maar zelf was hij alles behalve een held. Neen, wij
+hielden niet van hem, en als we hem een poets konden bakken, zouden we
+het nooit nalaten.
+
+»Jongens! Ik heb nieuws!» viel Bob de anderen in de rede.
+
+»Goed nieuws?» klonk het terug.
+
+»Luisteg!» zei Bob, die nu plotseling de spraak van den Heer Denappel
+ging nabootsen, waar hij bijzonder goed slag van had. »Ik noodig alle
+jongens van het dogp uit, vandaag oveg eene week hieg op den achtegweg
+te komen, 's middags om één uug, tot het houden van een wedstgijd in het
+hagdloopen op stelten.»
+
+»Echt waar? Zeg Bob, is het echt waar?» vielen de jongens hem vroolijk
+in de rede, niet weinig lachende om den toon, waarop hij sprak. Als
+iemand, die het niet wist, hem gehoord had, zou hij stellig gemeend
+hebben, dat het de Heer Denappel was, zoo precies bootste Bob hem na.
+Hij sprak geweldig door den neus en brouwde zoo sterk mogelijk.
+
+»'t Is waag, hoog, volkomen waag!» zei Bob op zijn grappigsten toon.
+
+»Hoera! Hoera! Leve mijnheer Denappel!» klonk het opeens uit aller mond.
+
+»Sssssss! stilte!» gebood Bob. »Luisteg, jongens, ik ben nog niet
+uitgespgoken. De eegste pgijs zal bestaan in een fgaai boek in
+pgachtband, genaamd Gobinson Cgusoë...»
+
+»Hoera! Hoera! Lang zal hij leven!»
+
+»Bedaag, vgiendjes, bedaag!» zei Bob met een kalmeerend gebaar van zijne
+beide handen. »Eg is nog meeg. De tweede pgijs, of zooals wij altijd
+zeggen de pgemie is de Bagon van Munchhausen, ook een pgachtig boek,
+maag niet in een fgaaien band.»
+
+»Hoera! Hoera! Dat wordt een mooie wedstrijd!»
+
+»Dat zou ik meenen, lieve vgienden,» vervolgde Bob. »En dan heb ik nog
+een degden prijs, bestaande uit eene fgaaie pogte-monnaie, maag -- ik
+behoud het gecht, om die te geven, aan wien ik wil. Heb je dat goed
+beggepen?»
+
+»Uitstekend, mijnheer Denappel! Uitstekend!» klonk het lachend rondom
+Bob, die kolossaal veel pret had, dat de anderen zoo om hem moesten
+lachen.
+
+»En waarom houdt u dat recht aan u, mijnheer Denappel!» vroeg Dirk
+Langeraar aan Bob.
+
+»Mijn bgave Digk, nu vgaag je meeg, dan ik je beantwoogden kan.» En heel
+vaderlijk liet hij er op volgen: »Kleine jongetjes moeten niet naag
+alles vgagen, hoog kegeltje?»
+
+»Bob, daar komt de schoenmaker om den hoek!»
+
+Als een pijl uit den boog ging Bob er vandoor. Jongen, jongen, wat liep
+hij. Zijne voeten raakten bijna den grond niet.
+
+En wij lachten, dat we schaterden, want er was niets van waar. De
+schoenmaker zat hoogstwaarschijnlijk druk schoenen te lappen, want de
+Zaterdag was gewoonlijk zijn drukste dag, daar vele menschen dan vóór
+den Zondag hunne schoenen terug wilden hebben. Ik had het alleen maar
+uit de grap gezegd, omdat hij zoo verbazend veel praats had. Bob gunde
+zich geen tijd om te kijken, of het wel waar was. Trouwens, daar
+twijfelde hij ook niet aan.
+
+Toen hij ons echter zoo verbazend hoorde lachen, begon hij lont te
+ruiken. Hij bleef even staan en keek achter zich om, en toen hij nu
+bemerkte, dat er niets van waar was, kwam hij weer terug.
+
+»Heb jij me dat koopje geleverd, Dorus?» vroeg hij.
+
+»Om u te dienen, mijnheer Denappel!» zei ik.
+
+»Ben je bang voor den schoenmaker?» vroeg Tines Wobbe. »Wat heb je hem
+gedaan?»
+
+»Och, ik heb gemaakt, dat hij geen stroop op zijn pannekoek had, van
+middag,» zei Bob, tot groot vermaak van de anderen. En nu vertelde hij
+wat hij gedaan had.
+
+»Zoo'n dom kind,» zei Cor Valk. »Maar wacht je nu voor den schoenmaker,
+Bob, want er blijft geen stuk van je heel, als hij je te pakken krijgt.
+'t Is een gevaarlijke, wat ik je zeg.»
+
+»Hij heeft me nog niet!» zei Bob met een overmoedig lachje. »En hij zal
+me niet gemakkelijk krijgen ook. Zeg Dorus, willen wij nu eens om het
+hardst steltloopen?»
+
+»Goed!» zei ik.
+
+Wij gingen naar den eersten paal en zouden loopen tot den laatsten.
+
+»En dan wij?» vroeg Tines Wobbe aan Karel Holm.
+
+»Ja -- laten we allen twee aan twee gaan, precies als op den wedstrijd.
+Adriaan Bolt met Karel Buurs, Huib de Leeuw met Arie Kooi, Dirk
+Langeraar met Cor Valk, en zoo verder. Vooruit, jongens, daar gaan we!»
+
+Ja, daar gingen we, en vlug ook, maar niet bijzonder verstandig. Want we
+konden zeer vlug steltloopen, al zeg ik het zelf, en we vielen niet zeer
+dikwijls. Maar nu kwam Bob met zijne stelt in een gat terecht, dat hij
+niet gezien had, en flap, daar viel hij tegen mij aan, zoodat wij beiden
+op den grond tuimelden. En wat er toen gebeurde, is licht te begrijpen.
+De andere jongens volgden ons op den voet, en voordat zij nog goed
+wisten, wat er met hen plaats greep, duikelden zij op en over ons heen!
+
+Of dat pijn deed! Ik kreeg Tines Wobbe dwars over mijn hoofd en Huib de
+Leeuw lang uit over mijne beenen, en van Bob was in het geheel niets te
+zien. Hij lag totaal onder de anderen bedolven. Dirk Langeraar kwam
+boven op al de anderen terecht, en zat daar als Spinoza op zijn
+voetstuk, welk standbeeld in den Haag ik gezien had, toen ik eens met Pa
+in die stad was. Allerlei klaagtonen stegen uit den levenden warhoop op.
+
+»Hè-hè!»
+
+»Au! Ga toch weg!»
+
+»Rijs op, zeg ik je!»
+
+»Wil-je wel eens van mijn hoofd gaan?»
+
+»Ik stik! Ik stik!»
+
+»Au, mijn arm!»
+
+»Mijne beenen breken!»
+
+»Je zit op mijn rug!»
+
+Spoedig evenwel waren wij opgestaan, en wonder boven wonder, niemand
+van ons had zich erg bezeerd. Bob alleen was met zijn voorhoofd tegen
+een steen terecht gekomen.
+
+»'t Hindert niet erg,» zei hij, »ik had er toch al een buil op. 't Doet
+me anders wel pijn.»
+
+Nu, pijn hadden we allen, de een hier, de ander daar.
+
+»Hoe kwam dat toch?» vroeg er een.
+
+»Omdat je lui allen een schapennatuur hebt,» zei Bob.
+
+»'t Spreekwoord zegt: »Als er één schaap over den dam is, volgen alle
+anderen,» en zoo ging het met jelui ook. Toen ik viel, ging je het mij
+allen nadoen, net als de schapen.»
+
+»Laten wij het overdoen.» stelde Karel voor.
+
+»Ja, overdoen! Overdoen!»
+
+»Maar niet allen vlak achter elkaar!» zei Huib.
+
+»Dat spreekt van zelf,» zei een ander. »Een ezel stoot zich niet
+tweemaal aan denzelfden steen.»
+
+Wij begonnen den wedstrijd nu opnieuw, en kwamen tot de slotsom, dat Bob
+en Tines Wobbe de vlugste steltloopers waren, zoodat zij waarschijnlijk
+de prijzen wel zouden winnen.
+
+»Ik doe niet meê!» zei Cor Valk. »Wij kunnen het van Bob en Tines toch
+niet winnen, en dan blijf ik liever stilletjes thuis.»
+
+»Dat is kinderachtig,» zei Karel Holm. »Wij doen mede om een prettigen
+middag te hebben, en natuurlijk ook om wat te winnen. Maar de pret is
+toch de hoofdzaak.»
+
+»Bovendien kan Bob of Tines vallen, en daardoor niets winnen,» zei ik.
+
+»Ook mogelijk! Ook kunnen zij opvolgende nummers trekken, zoodat zij
+tegen elkander moeten loopen. Daar is vooruit niets van te zeggen.» zei
+Huib de Leeuw.
+
+»Zeg, jongens, willen wij nu eens wat anders gaan spelen?» vroeg Bob.
+
+»Ja, -- wat dan?»
+
+»Verstoppertje?»
+
+»Ja, ja, verstoppertje! Dat is goed! Wie zal hem wezen?»
+
+»Ik wel!» zei Karel Holm. »De eikeboom is honk, en wij mogen niet verder
+dan tot aan den schoenmaker aan de eene en de brug aan de andere zijde.
+Is dat afgesproken?»
+
+»Goed, niet verder dan de brug en den schoenmaker! Niet kijken, Karel,
+-- over drie honderd tellen heb je het recht om te komen.»
+
+Karel ging met de beide handen voor de oogen tegen den dikken boom
+staan, die midden op het marktplein stond, en begon te tellen. Hij
+hoorde de jongens in alle richtingen verdwijnen, maar kijken deed hij
+natuurlijk niet. Dat zou hij niet gedaan hebben, al had hij er een
+gulden mede kunnen verdienen, want daarvoor was hij veel te eerlijk.
+
+Toen hij tot driehonderd geteld had, gaf hij zijne nadering door een
+luiden kreet te kennen en ging zoeken. Zoodra hij iemand zoo nabij
+gekomen was, dat hij hem tikken kon, was die de zoeker voor het volgende
+spel, maar wij zorgden wel, dat dit niet gebeurde. Als wij bemerkten,
+dat hij ons ontdekt had, sprongen wij vlug te voorschijn en trachtten
+eerder dan hij den boom te bereiken, waardoor wij het recht verkregen,
+bij het volgende spel weer schuil te gaan.
+
+Het gelukte hem Dirk Langeraar te tikken, waardoor deze aangewezen werd,
+om tweede zoeker te worden. Wij vermaakten ons kostelijk met dit spel,
+vooral toen de avond langzamerhand begon te vallen en het donker werd.
+Het zoeken ging toen ver van gemakkelijk, en wij wisten uitstekende
+schuilhoeken te vinden.
+
+Ook Bob begon zich toen vrijer te bewegen, want daar hij het huis van
+den schoenmaker niet durfde naderen, uit vrees van gesnapt te worden,
+kon hij zich tot nog toe maar alleen in de richting van de brug
+verschuilen. En juist aan den anderen kant waren de mooiste plekjes.
+Maar nu was het grootste gevaar voor hem voorbij, en langzamerhand begon
+hij zich minder in de richting van de brug en meer in die van des
+schoenmakers woning te begeven. Wat was daar eene heerlijke gelegenheid
+om zich te verschuilen! In de eerste plaats lag er op een erf eene
+omgekeerde schuit, die door den scheepmaker op de helling getrokken was
+om gekalefaat te worden. Bob had zich daar al driemaal verscholen, eer
+hij ontdekt werd en eene nieuwe plaats op moest zoeken. Toen vond hij
+een prachtig plaatsje bij het schuthok, waar hij met zijne gewone
+brutaliteit midden tusschen een boschje brandnetels ging zitten, die
+daar reeds eene flinke hoogte hadden bereikt. Dáár zocht niemand hem,
+zooals van zelf spreekt, want al meende de zoeker soms, dat hij zich
+daar wel verscholen kon hebben, dan ontbrak hem nog meestal de moed, om
+zich een pad door die lastige planten te banen. Bob had dit wel gedaan,
+maar het had hem ook een flink aantal blaren bezorgd, die hem niet
+weinig pijn deden. In elk geval had hij de voldoening, dat niemand hem
+vinden kon, al liepen zij ook vlak langs hem heen. Dat amuseerde hem
+buitengewoon. Eindelijk werd hij gevonden door Karel Holm, die stellig
+niet minder moed bezat dan Bob. Toen deze hem overal gezocht en nergens
+gevonden had, zei hij tot de andere jongens:
+
+»Wil ik jelui eens wat zeggen? Hij mòet hier in dat brandnetelboschje
+zitten, want geen enkele plaats dan deze heb ik ondoorzocht gelaten.»
+
+»Ga kijken, -- dan weet je het!» raadde ik hem aan met een leuk gezicht.
+Want ik dacht aan de brandnetels, die zeer dicht op elkander gegroeid
+waren. Als Bob er zich tusschen verscholen had, moest hij er naar mijne
+meening even nauw door ingesloten zijn als de bewoners van Luilekkerland
+door den rijstebrijberg.
+
+»Welnu, -- denk je, dat ik niet durf, Dorus?» vroeg hij met een
+overmoedig lachje.
+
+»Ik weet het niet, Karel, maar -- jij liever dan ik!» zei ik lachend.
+
+»Wat Bob kan, kan ik ook!» zei Karel. »Hij moet hier zitten! Vooruit,
+daar gaat hij!»
+
+En waarlijk! Daar ging Karel met de ellebogen vooruit de brandnetels in.
+Links en rechts bogen de stengels op zijde en met groote schreden drong
+Karel er tusschen door. Het moet hem ongetwijfeld veel pijn gedaan
+hebben, en wij stonden gereed om een luid hoera aan te heffen, zoodra
+wij hem hoorden kermen. Maar neen, daar hadden wij geen kans van, want
+Kareltje gaf geen kik, wel een weinig tot onze teleurstelling, tot
+opeens zijne stem van uit het midden der brandnetels tot ons doordrong
+en wij hem hoorden roepen:
+
+»Gevonden! Ha, ha, baasje, dat had je niet gedacht. Nu is het jou beurt
+om te zoeken. Jou slimme rot!»
+
+Een geweldig kraken van stengels die platgetrapt worden werd nu
+hoorbaar, en toen verscheen Karel, gevolgd door Bob, aan den rand van
+het boschje.
+
+»Wat zat ik daar heerlijk!» zei Bob op triomfantelijken toon. »Wel
+driemaal ben jelui vlak langs mij heengegaan, zonder mij te vinden!»
+
+»'t Is ook aangenaam, om vol blaren te komen,» zei Tines Wobbe. »Ik gun
+je de pret.»
+
+»Pret had ik, Tines, vooral toen ik zag, dat je er zoo graag in wilde
+kijken en toch niet durfde. Kom jongens, verbergt je; ik zal je zoeken.»
+
+Fffft! Als de wind vlogen wij weg en in korten tijd hadden wij allen
+een schuilhoek gevonden. Bob liet een schellen kreet hooren en begon te
+zoeken. Nu was hij een behendig zoeker en een vlug looper. Ik geloof
+wel, dat hij de vlugste was van ons allen, behalve Tines Wobbe, die ook
+een echte snelvoeter was. En Karel Holm was de derde van den bond. Als
+die drie jongens voor de aardigheid eens om het hardst liepen, wist men
+nooit wie het winnen zou, vóór zij den eindpaal hadden bereikt. Het
+kleinste ongelukje was voor ieder van hen voldoende, om het te
+verliezen.
+
+'t Was dus geen wonder, dat Bob er weldra een getikt had. Dezen keer was
+Cor Valk de zoeker.
+
+En nu gelukte het Bob een plaatsje te vinden, waar men hem, naar hij
+dacht, stellig nooit zoeken zou. 't Was wel eene gewaagde, ja, zelfs
+zeer gewaagde onderneming van hem, maar -- het gevaar dat hem dreigde
+van den kant van den schoenmaker was hij nu al geheel vergeten. En als
+hij er nog aan dacht, zocht hij zich diets te maken, dat dit zoo erg
+niet was.
+
+Welk plaatsje had hij dan gevonden?
+
+De schoenmaker was een groot liefhebber van visschen, niet met
+den hengel, maar met netten. Eigenlijk was hij zoowel visscherman
+als schoenmaker. Als hij het met schoenlappen niet druk had en
+dientengevolge over veel vrijen tijd beschikken kon, ging hij altijd
+uit visschen, en zocht daarmede in het onderhoud van zich en zijn groot
+gezin te voorzien. Menigmaal trok hij er nog laat in den avond op uit,
+om nog een stuivertje te verdienen. Hij had een eigen bootje, geheel
+voor dat doel ingericht, en was ook in het bezit van een flink aantal
+netten, waarmede hij menig vischje verschalkte.
+
+Vóór zijn huis, aan den kant van het water had hij ook nog een groote
+vischkaar, waar hij de gevangen visch in bewaren kon. Die kaar was niet
+anders dan een groote bak, rondom van gaatjes voorzien, zoodat het water
+er in doordringen kon. Midden in de grootste zijde was een plank of
+luik, dat hij er uit kon nemen, om er de gevangen visch in te doen. Door
+den bak in het water te leggen, drong dit door de vele gaatjes naar
+binnen, en bleef de visch in leven. Eens in de week verkocht hij den
+gevangen voorraad aan een opkooper, die gewoonlijk Zaterdags bij de
+visschers rondging, om zijne levende koopwaar in ontvangst te nemen.
+
+Zooals te begrijpen is, was nu dus de vischkaar ledig en lag zij op het
+droge. Dat had Bob al lang opgemerkt, maar zoolang het nog licht was,
+had hij zich niet zoo dicht bij zijn vijand durven wagen. Nu evenwel
+meende hij door de schemering genoeg beschut te zijn, om het waagstuk
+te kunnen ondernemen.
+
+Hij deed het dan ook.
+
+Zoo voorzichtig mogelijk, en bijna langs den kant van den weg
+voortkruipende, wist hij, zonder iets verdachts te bespeuren, de kaar te
+bereiken. Hij hoorde den schoenmaker nog druk aan den arbeid bezig, want
+het kloppen van den hamer op de harde zool drong duidelijk tot hem door.
+
+Behendig liet hij zich naar den onderkant van den wal afglijden,
+want dáár lag de kaar, draaide de beide wervels los, die het luikje
+vasthielden, lichtte de plank er uit, en kroop er zelf in. Bijna was hem
+dit mislukt, omdat de opening wat nauw voor hem was, maar met eenig
+wringen gelukte het hem toch. Toen hij zoover gevorderd was, legde hij
+met zijne beide handen de plank weer op hare plaats, zoodat niets
+verried, welk een kostbaren inhoud de kaar thans bevatte.
+
+»Zie zoo,» mompelde Bob, terwijl hij het zich zoo gemakkelijk mogelijk
+zocht te maken in zijne kleine gevangenis. »Zie zoo, -- laat ze nu
+maar zoeken. Dit is nog veel mooier plaatsje dan zoo even tusschen de
+brandnetels. Daar zat ik ook wel prachtig, maar kon me niet bewegen,
+zonder me aan alle kanten te prikken, en hier lig ik zoo heerlijk als
+een koningskind. Wie zal me hier zoeken? En wat een leuke kijkgaatjes
+heb ik hier rondom me. De vischjes hebben het nog zoo kwaad niet, als ze
+zich hier bevinden. 't Is alleen maar jammer, dat het einde voor hen een
+wreede dood is. -- O jé, als de schoenmaker eens wist dat ik hier in
+zijne kaar zat, -- wat zou dan wel mijn einde zijn? De dood niet, --
+natuurlijk, maar -- enfin, 't doet er niet toe, want hij weet er niets
+van, en bovendien, zoodra ik hem hoor naderen, ga ik er van door! Als
+een windhond, hoor! Wat zal Cor Valk loopen zoeken! Maar vinden, ho
+maar, geen sprake van! Al zocht hij een heelen dag!»
+
+Zoo lag ons Bobje te denken en te mijmeren en van pret wreef hij zich de
+handen. Maar als hij geweten had, dat de Veer op dat oogenblik heel
+voorzichtig, ja zelfs onhoorbaar naar buiten sloop en voetje voor voetje
+zich naar den waterkant begaf, -- wat zou hij vlug uit zijn schuilhoek
+te voorschijn gesprongen en op de vlucht geslagen zijn! O, hadden wij
+het maar gemerkt, welk gevaar hem dreigde, dan zouden wij hem wel
+gewaarschuwd hebben, -- maar wij wisten er niets van, want wij zaten
+rustig in onze schuilhoeken verborgen en dachten aan geen schoenmaker.
+
+Op zijne teenen sloop de beleedigde man nader, met een spotlachje op de
+lippen. Nu had hij den kant van de beek bereikt. Bob hoorde hem niet;
+hij dacht aan geen gevaar.
+
+Nu liet de Veer zich vlug naar beneden glijden, en vóór Bob, die hem nu
+wel hooren moest, gelegenheid had kunnen vinden om op te rijzen, sprong
+hij met zijne beide knieën op het luik en draaide de wervels over.
+
+»Ha, ha, jou aartsrakker!» riep hij zijn gevangene toe. »Nu ben je
+gesnapt. Nu zal ik jou eens pannekoeken met stroop laten eten, deugniet,
+met stroop versta je, stroop, veel meer stroop, dan je oplust! Wat denk
+jij wel, straatbengel, dat jij maar alles moogt doen?....»
+
+»Neen, de Veer, ik dacht.....»
+
+»Denken? Jij denken? Jij behoeft niet te denken, dat zal ik nu wel voor
+je doen.....»
+
+»O, de Veer, ik verzoek u, laat mij asjeblieft gaan....»
+
+»Zeker, mijn jongen, zal ik je laten gaan! Wacht maar een oogenblik, dan
+zal ik de kaar aan den paal vastbinden, anders drijf je misschien te ver
+weg, en daarna zal ik je laten gaan, hoor, dat beloof ik je.»
+
+»Ach de Veer, asjeblieft, ik zal het nooit weer doen......»
+
+»Dat is ook niet noodig, jongen, ìk zal het nu wel doen.»
+
+»O toe, laat me er asjeblieft uit, de Veer, heusch, ik heb er spijt van
+en ik zal de schade wel betalen.....»
+
+»Eerst zal ik jou betalen, mijn beste jongen; denk je, dat ik den gek
+met me laat steken? 't Is juist Zaterdagavond, Bob, een bad zal je
+opfrisschen. Ha-ha-ha! Mooier kon je al niet in de fuik geloopen zijn;
+'t is bepaald grappig, 't is vermakelijk!»
+
+»Voor mij niet, de Veer, toe, laat me voor dezen keer vrij,
+asjeblieft!»
+
+»Een oogenblik geduld, Bob, dadelijk ga-je, hoor! Zie zoo, nu nog een
+lus, en dan zijn we klaar.»
+
+Bob, die nu begon te merken, dat zijn cipier onvermurwbaar was, ging uit
+alle macht tegen de wanden van zijne gevangenis trappen, in de flauwe
+hoop, dat het hem gelukken zou nog te ontsnappen. O, o, wat had hij er
+op dat oogenblik een spijt van, dat hij Mietje maar niet ongemoeid haars
+weegs had laten gaan, doch zijn berouw kwam nu, evenals altoos, te laat.
+En zijne pogingen om de wanden los te trappen, waren vruchteloos. De
+kaar zat stevig in elkander.
+
+»Klaar, Bob! Ha-ha, daar ga-je, hoor! Een, twee, drie, hoepla!»
+
+Maar dat hoepla kwam te vroeg, want hoeveel moeite de schoenmaker ook
+deed, Bob was te zwaar om maar zoo luchtig in het water geworpen te
+kunnen worden.
+
+»Ho, dat gaat niet, ik zal je moeten kantelen, Bob! Houd je goed vast,
+hoor, mijn jongen, anders doe ik je pijn en dat zou me spijten!
+Ha-ha-ha, hoe bespottelijk dom van je, om in dit ding te kruipen! Dat
+vergeet ik mijn leven lang niet!»
+
+»Ik ook niet, de Veer!» zei Bob op zijn deemoedigsten toon. »Och toe,
+laat me er asjeblieft uit. Ik beloof je, dat ik het nooit weer zal
+doen.»
+
+»Wat zul-je niet weer doen, Bob? Nooit weer in deze kaar kruipen?»
+
+»Dat ook niet, -- och toe, ik....»
+
+O hé, daar ging de kaar aan de eene zijde omhoog. De schoenmaker zette
+haar op de korte zijde, bij ongeluk juist op den kant, waar Bobs hoofd
+lag, zoodat hij nu een verbazend ongemakkelijke houding kreeg, namelijk
+met de beenen omhoog.
+
+Bob had zich tot nog toe zeer goed gehouden, maar nu werd het hem toch
+te erg. Door de luchtgaatjes, die weldra watergaatjes zouden worden, zag
+hij, dat de kaar vlak aan den kant stond.
+
+Plotseling verhief hij zijne stem met zooveel kracht, dat wij hem allen
+te gelijk om hulp hoorden roepen.
+
+»Help! -- Help! -- Moord! -- Moord!» gilde hij.
+
+»En brand!» voegde de schoenmaker er bij. »Wacht maar, mijn jongen, wij
+zullen den brand wel blusschen. Een, twee -- hoepla!»
+
+Flap! Daar sloeg de kaar om en ging te water.
+
+Och, och, wat lachte die schoenmaker.
+
+Wij stonden allen op den oever, op een eerbiedigen afstand, want hoewel
+wij geen kwaad hadden gedaan, durfden wij toch niet bij den vertoornden
+man te komen. Deze zag er echter niet bijzonder boos uit, want hij deed
+niet anders dan lachen, -- lachen zonder ophouden.
+
+»Help! -- Ik -- verdrink! -- Help -- O -- o! Help!» Bob kroop
+ongetwijfeld vrij raar in zijn vaartuig rond, want het dobberde wild op
+en neer. Soms ging het aan den eenen kant geheel onder water, en dan
+hoorden wij van Bob niets meer, maar dan volgde er weder een geweldig
+dobberen, zoodat de golven tot aan de overzijde van de beek gingen, en
+dan hoorden wij hem weer om hulp roepen.
+
+»O, -- help toch! Genade! Help! Ik verdrink! Ik stik! Brrr! Brrr! Ik....
+brrr!
+
+Nu kwam ook de vrouw van den schoenmaker naar buiten, om te zien, wat er
+toch aan de hand was. Ook de buren verlieten hunne huizen, zoodat er
+weldra een groote oploop ontstond.
+
+Maar toen zij vernamen, hoe Bob daar in die kaar alle pogingen deed, om
+zich boven water te houden, ging er een onbedaarlijk gelach op en scheen
+niemand medelijden met hem te hebben, dan alleen vrouw de Veer. Eerst
+lachte zij ook, maar spoedig ging zij naar haar man, en begon de kaar op
+het droge te trekken.
+
+»Toe, Jaap, nu is 't genoeg, laat er den jongen nu uit. Hij heeft nu
+straf genoeg gehad.»
+
+»Help! Brrr! Brrr! O, ik verdrink! Brrr!» klonk het uit de kaar.
+
+»Zoo'n grooten visch heb je er nog nooit in gehad!» riep een van de
+omstanders lachend den schoenmaker toe.
+
+»Neen, daar heb je gelijk aan! Ha-ha-ha-ha! Wat vermakelijk! Kijk dat
+ding eens dobberen! Ha-ha-ha!»
+
+»'t Bevalt hem er niet!» riep een ander.
+
+»Brrr! Help toch, menschen, help! Brrr! Brrr!»
+
+»Toe man, haal er den jongen nu uit! 't Is nu mooi genoeg, toe!»
+
+»Nu, vooruit dan maar!» zei de schoenmaker, die het nu ook tijd begon
+te vinden, om er een einde aan te maken. Nog altijd schuddende van het
+lachen trok hij de kaar op het droge. Wij zagen, hoe het water door de
+gaatjes in alle richtingen wegvloeide.
+
+Vrouw de Veer deed de wervels los -- en daar wipte Bob er uit, onder
+luid gejuich van de omstanders. Het water droop hem uit de kleeren.
+Schuw keek hij een oogenblik om zich heen, en toen glitste hij door het
+volk heen, -- naar zijn huis toe.
+
+Wat hadden de menschen een pret, en wat schaamde Bob zich. Hij moest
+ongetwijfeld geweldig veel angst hebben uitgestaan, want gewoonlijk was
+hij niet zoo heel gauw bang of zenuwachtig. Maar nu lazen wij den angst
+op zijn gelaat.
+
+Dat wij hem naliepen, spreekt van zelf. Maar hij wilde ons niet
+ontmoeten. Hij snelde regelrecht naar zijn huis, waarin hij door de
+keukendeur verdween. Wat daar nog met hem voorgevallen is, hebben wij
+nooit vernomen.
+
+Daar het al laat begon te worden, begaven ook wij ons naar huis. Toen
+ik 's avonds op bed nog eens aan het voorgevallene dacht, schoot ik
+onwillekeurig nog in den lach om het zotte figuur, dat de dappere Bob
+gemaakt had. Toch moest ik toegeven, dat hij loon naar werken had
+gehad.
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin verteld wordt van een Zondag, die veel stof tot
+ spreken en voor de Van der Vliets ook veel stof
+ tot treurigheid gaf.
+
+
+De Zondag, die nu volgde, was voor de familie Van der Vliet een dag van
+groote droefheid en voor het geheele dorp een van groote ontsteltenis.
+Eerst scheen het voor de genoemde familie een geluksdag te zullen
+worden, want reeds vroeg in den morgen deden zij eene gelukkige vondst,
+maar al spoedig veranderde de blijdschap in groote treurigheid.
+
+Doch laat ik u geregeld vertellen, wat er gebeurde.
+
+'t Zal ongeveer half zes in den morgen geweest zijn, toen Trijn, de
+vrouw van Kees van der Vliet, ontwaakte. Nu verliep er bij haar tusschen
+ontwaken en opstaan nooit meer dan een enkel oogenblik, want zij was
+ijverig van aard, en hield er niet van, Zondags nog minder dan in
+de week, om laat met haar werk gereed te zijn. Integendeel, hare
+lijfspreuk was steeds: »Hoe eerder gegaan, hoe eerder gedaan,» en die
+spreuk bracht zij zooveel mogelijk in toepassing. Zoo ook nu op dezen
+Zondagmorgen. Zij stapte haar bed uit, wiesch en kleedde zich, en begon
+daarna met ijver aan hare gewone huiselijke bezigheden. Eerst werd de
+tafel opgeknapt en waschte zij de kopjes, en daarna nam zij stoffer en
+blik en begon den vloer aan te vegen. Kees en de kinderen lagen nog in
+bed. Wie beschrijft echter hare verbazing, toen zij bij de deur drie
+goudstukken zag liggen, die daar blijkbaar onderdoor waren geschoven.
+Eerst wist zij niet, of zij hare oogen wel kon gelooven, of zij wakker
+was of droomde, en zonder eene hand uit te steken om ze op te rapen,
+staarde zij met groote oogen op den schat, die zoo onverwachts haar deel
+geworden was. Want drie gouden tientjes vertegenwoordigden voor de arme
+ziel een kapitaal, waarvoor zij den diepsten eerbied koesterde. Zij was
+zoo gewoon hare inkomsten slechts bij stuivers en centen te ontvangen,
+dat dertig gulden voor haar een schat vertegenwoordigde, waarmede zij
+bijna zoo rijk werd als een koning.
+
+Wel een paar minuten bleef zij zoo onbeweeglijk op hare knieën voor het
+geld zitten, zonder het aan te raken, maar toen begon zij langzamerhand
+tot kalmte te komen. Zij raapte de geldstukken op en riep:
+
+»Kees! -- Kees! --»
+
+Een dof gebrom uit de bedstede was het eenige antwoord.
+
+»Kees! -- Kees dan toch!» herhaalde zij met verheffing van stem. »Kees!
+Word dan toch wakker! Kijk eens, wat ik hier gevonden heb. -- Een
+schat, Kees, drie gouden tientjes!»
+
+»Hé? -- Wat?» vroeg Kees, die bij het hooren van die woorden geheel
+wakker werd en zijn geslaapmutst hoofd tusschen de bedgordijnen
+doorstak. »Gevonden? Drie gouden tientjes? Maar dat is onmogelijk,
+Trijn, dat kan niet.»
+
+»Kan dat niet? Kijk dan maar eens hier, op mijne hand, daar liggen ze.
+Drie echte, gouden tientjes, wat ik je zeg!»
+
+In een wip was Kees nu zijn bed uit. Haastig trok hij zijne kousen en
+wat kleeren aan, en zeide:
+
+»Waarlijk! Dat zijn drie gouden tientjes! Geef eens hier, Trijn, laat
+eens hooren, of ze echt zijn. Er is tegenwoordig zooveel bedrog in de
+wereld, dat je haast niet te voorzichtig kunt wezen. Geef ze eens hier.»
+
+Trijn gaf ze aan haar man en deze liet ze van eene tamelijke hoogte
+op de tafel neervallen, waar ze met zulk een helderen metaalklank op
+neerrinkelden, dat Jan van het ongewone geluid wakker werd. Dat ook hij
+niet weinig verbaasd was, behoeft niet te worden gezegd.
+
+In geuren en kleuren vertelde Trijn, hoe zij aan het werk was gegaan,
+precies zooals ze altoos gewoon was te doen, eerst de kopjes, toen de
+tafel, en daarna den vloer eene beurt gevende, tot zij plotseling het
+geld voor de deur vond liggen, blijkbaar door de hand van een weldoener,
+die onbekend wenschte te blijven, daar onderdoor geschoven.
+
+»Ja vrouw, dat mag-je zeggen: een weldoener, wien wij niet dankbaar
+genoeg kunnen zijn. O, als ik wist wie hij was, ik ging dadelijk naar
+hem toe, om hem te bedanken voor zulk eene milde gift, die ons tot
+allerlei dingen in staat stelt, waarover wij vroeger wel eens mochten
+denken, maar waartoe wij nooit konden komen, omdat wij te arm waren. Nu
+gaan wij een winkeltje beginnen, Trijn.»
+
+»Een winkeltje? Dunkt je dat, Kees?»
+
+»Ja, een winkeltje, zeg ik. O, Trijn, wat heerlijk. Nu kan ik toch ook
+wat gaan verdienen, als jij uit werken bent, want er moet toch iemand
+zijn, die op den winkel past. Ik kan je niet zeggen, hoe het mij altoos
+tegen de borst heeft gestuit, dat jij eigenlijk den kost voor ons allen
+moest verdienen, Trijn, en dat ik altoos maar werkeloos moest blijven
+toezien, hoe jij je aftobde. Maar daar komt nu een einde aan. Voortaan
+zal ook ik geregeld mijn werk hebben, en als Jan van school gaat, dan
+kan hij gaan venten. Van zelf komen de klanten niet naar je toe, we
+moeten ze geregeld bezoeken. O Trijn, nu zullen voor ons de goede dagen
+eindelijk ook gaan komen.»
+
+Trijn antwoordde niet. Zij stond in gedachten verzonken. Eindelijk zeide
+ze:
+
+»Ja Kees, dat is alles goed en wel, en 't is een mooi idée van je, maar
+zie je, ik kan me maar niet begrijpen, wie het toch kan zijn, die ons
+zulk een groot cadeau geeft. Als er maar niet iets slechts achter
+schuilt. Nu ik er goed over ga nadenken, is het me precies, of we dat
+geld eigenlijk niet moesten aannemen. Ik ben er niet geheel en al gerust
+over.»
+
+»Niet gerust? -- Niet aannemen?» vroeg Kees vol verwondering. »En waarom
+zouden wij het niet aannemen? 't Is ons toch gegeven en we hebben het
+niet gestolen!»
+
+»Ja, dat is waar.»
+
+»En toen er den vorigen winter op een avond aan de deur geklopt werd, en
+wij bij het opendoen niets vonden dan eene mand vol levensmiddelen, die
+daar was neergezet, hebben wij toen een oogenblik getwijfeld, of wij dat
+wel zouden aannemen? Ik weet nog best, hoe blij je toen waart, Trijn.»
+
+»Geen wonder! We hadden ook geen kruimel meer in huis. En die mand werd
+ons thuisbezorgd.»
+
+»Juist, -- 't ging er precies mede als met dit geld. Een of ander
+weldadig mensch heeft het in alle stilte onder de deur doorgeschoven,
+wel wetende, dat wij het van morgen zouden vinden. Wie weet, of het niet
+van denzelfden gever komt, als die mand met levensmiddelen.»
+
+»Ja moeder,» zeide Jan, »of als dat lekkers, dat ons op St.
+Nicolaasavond door een onbekende werd thuisgezonden.»
+
+»Jelui hebt gelijk,» zeide Trijn hoofdschuddend. »Toch zou ik er voor
+zijn, er in elk geval den burgemeester kennis van te geven. 't Is zoo'n
+groote som.»
+
+»Voor òns is het eene groote som, dat is waar, maar wie weet, welk eene
+kleinigheid het voor den gever is, wie weet, over hoe grooten rijkdom
+hij te beschikken heeft. Neen, Trijn, ik ben er juist voor, om er tegen
+niemand van te spreken, en -- --.»
+
+»Dus geheim houden?»
+
+»Juist, als niemand het weet, kan niemand het er ons lastig over maken.
+'t Is eene eerlijke zaak, waar niemand mede noodig heeft. Wij huren een
+huisje dat geschikt is, om er een winkeltje in op te zetten, en slaan
+voor dit geld onzen noodigen voorraad in. Je zult zien, Trijn, hoe aan
+onze armoede nu een einde komt.»
+
+»Nu, 't is mij goed, -- hoewel ik er toch eigenlijk in mijn hart geen
+vrede meê heb. Wie zou ons dat geld nu toch geschonken hebben? Ik kan
+het mij maar niet begrijpen! Dertig gulden! 't Is toch waarlijk geen
+kleinigheid, om die zoo maar weg te geven.»
+
+»Ja vrouw, 't is een raadsel, waarvan wij de oplossing niet weten.
+'t Zal echter wel eenmaal uitkomen, wie zoo goed voor ons geweest is,
+daar twijfel ik niet aan.»
+
+»Wist ik het maar, Kees, dan zou ik mij veel rustiger gevoelen. 't Is me
+nu precies, of er met dit geld iets is, dat niet richtig is.»
+
+»Gekheid! Dwaasheid, Trijn. Omdat het zulk een rijk cadeau is, maakt ge
+je zenuwachtig en angstig, doch geloof maar gerust, dat het voor ons
+bedoeld is. Hoe zou het hier anders in huis komen?»
+
+»Ja, ja, -- dat is waar; ik kan er niets tegen inbrengen.»
+
+»Dus we zullen er tegen niemand over spreken? Jan, jij houdt je ook
+stil, hoor!»
+
+»Ja, vader.»
+
+»Niemand behoeft er zijn neus in te steken, zeg ik maar; en 't is niet
+noodig, dat het heele dorp er zich mede bemoeit. De menschen babbelen
+altijd zooveel, veel meer, dan ze verantwoorden kunnen, -- en dat is nu
+niet noodig. Wat niet weet, deert ook niet.»
+
+Met dit laatste stopwoord maakte Kees van der Vliet een einde aan de
+zaak. Het geld werd opgeborgen in een klein doosje, dat in de linnenkast
+werd gezet, en moeder Trijn ging met hare bezigheden voort. Dat de
+rijke vondst evenwel geen oogenblik uit hare gedachten was, en dat zij
+er onophoudelijk met haren man over sprak, behoeft niet te worden
+gezegd. En wat al plannen voor de toekomst werden er gesmeed, wat al
+luchtkasteelen gebouwd!
+
+Helaas, op hoe droevige wijze zouden al die illusien worden verstoord,
+en hoe zou de vreugde dezer arme lieden weldra verkeeren in droefheid.
+Hadden zij maar dadelijk van hunne vondst kennis gegeven aan den
+burgemeester, zooals Trijn dat had gewild, wat zouden zij dan voor veel
+ellende gespaard zijn gebleven, die nu hun deel werd.
+
+Want er was dien nacht in het dorp diefstal gepleegd. 's Morgens om elf
+uur, toen de kerk uit was, ging het gerucht daarvan als een loopend
+vuurtje door het dorp rond.
+
+'t Zal ongeveer half tien in den morgen geweest zijn, toen de Heer Valk,
+de directeur van het post- en telegraafkantoor, zijne woonkamer verliet,
+om zich naar het kantoor te begeven. Eerst ging hij nog een oogenblik
+in den tuin, om wat frissche lucht te happen, zooals hij dat noemde,
+hetgeen hij bij goed weêr elken morgen gewoon was te doen. Na eenige
+oogenblikken rondwandelens echter werd zijne aandacht getrokken door
+het zijraam van het kantoor, dat half openstond, iets wat op dezen tijd
+van den dag nooit het geval was. Er was nog niemand op het kantoor
+aanwezig, dus òf hij moest het den vorigen dag vergeten hebben te
+sluiten, òf er had zich iemand toegang tot het kantoor verschaft, door
+het raam open te schuiven. Indien deze laatste veronderstelling juist
+was, moest er gestolen zijn.
+
+De Heer Valk spoedde zich dus naar binnen en vroeg in het voorbijloopen
+aan Geertje, de meid:
+
+»Ben je van morgen al in het kantoor geweest?»
+
+»Neen, mijnheer.»
+
+»Weet je het zeker?»
+
+»Ja mijnheer, zoo zeker als twee maal twee vier is.»
+
+Daarna opende hij de deur van de woonkamer, en vroeg aan zijne vrouw:
+
+»Lize, ben jij al op 't kantoor geweest van morgen?»
+
+»Neen, waarom vraag je dat?»
+
+»Omdat het zijraam opengeschoven is. Jij dan, misschien, Cor?»
+
+»Neen pa, ik ook niet.»
+
+»Dan is de zaak niet in orde!» riep de Heer Valk, terwijl hij zich met
+groote schreden verwijderde. Zijne vrouw en Cor volgden hem op den voet.
+
+Hij ontsloot de kantoordeur, waarvan hij den sleutel altoos bij zich
+droeg, en genadige hemel, -- ja, een enkele blik was voldoende om hem
+te overtuigen, dat zijn vermoeden juist was geweest. Er moest een dief
+geweest zijn. Het raam was opengeschoven, de sloten van zijn bureau
+waren geforceerd en een ijzeren geldkistje, dat daarin geborgen was
+geweest, was met geweld opengebroken. Het geld daaruit was verdwenen!
+
+Half verbrande lucifers lagen over den vloer verspreid, en uit enkele
+vetdruppels kon men opmaken, dat de dief zich van een eindje vetkaars
+had bediend.
+
+»Wel verschrikkelijk!» riep mevrouw Valk uit. »Wie kan dat nu toch
+gedaan hebben? Hoeveel geld is er gestolen, Eduard? Toch niet veel, hoop
+ik?»
+
+»'k Weet het niet, maar ik zal het even nazien,» antwoordde de
+directeur, die doodsbleek zag, binnensmonds. »Wie had dàt nu ooit kunnen
+denken! Zoo'n brutale dief. Wacht, hier is het boek. Laat zien: honderd,
+tien, twintig, dertig, en dertig is zestig en veertig -- 't is precies
+twee honderd gulden. Ja juist, nu herinner ik het mij: 't is twee
+honderd gulden, waarvan tien gouden tientjes, een bankje van zestig en
+een van veertig.»
+
+»Kijk pa, de postzegelkast is ook opengebroken.»
+
+»Waarlijk, -- dat ook nog! Dat moest er nog bijkomen! Zie eens aan, er
+is geen zegeltje overgebleven. Ook nog eene schade van een vijftig
+gulden ongeveer. Dat is een fraaie geschiedenis!»
+
+»'t Is verregaand brutaal!» zei mevrouw, terwijl zij de handen van
+verbazing in elkaar sloeg. »Ik zou dadelijk om den burgemeester sturen,
+lieve. Er moet direct werk van deze zaak gemaakt worden.»
+
+»Dat is waar, -- je hebt gelijk. Toe, Cor, ga dadelijk naar den
+burgemeester en verzoek hem hier te komen. Maar spreek tegen niemand een
+woord, van hetgeen hier voorgevallen is, begrepen?»
+
+»Ja, pa!»
+
+»En vlug, -- als de wind, hoor!»
+
+»Ja, pa!»
+
+Cor vloog naar den burgemeester, en dat deze niet weinig ophoorde van
+hetgeen hij vernam, kan ieder begrijpen als ik vertel, dat er al sedert
+vele jaren iets dergelijks in ons dorp niet was voorgevallen.
+
+Hij begaf zich onmiddellijk met Cor naar het postkantoor, waar de
+directeur en zijne vrouw nog, doodsbleek van ontsteltenis, bezig waren,
+alle laden en kasten na te zien. Het bleek hun, dat alles van waarde
+verdwenen was, terwijl daarentegen de waardelooze papieren wel
+doorgesnuffeld maar verder ongeschonden gebleven waren.
+
+Dadelijk begon de burgemeester, geholpen door den directeur, een
+nauwkeurig onderzoek in te stellen naar hetgeen er gebeurd was, wat hij
+alles uitvoerig opschreef. Toen hij daarmede gereed was, vroeg hij:
+
+»En zeg mij nu eens, mijnheer Valk, wien verdenkt gij nu eigenlijk van
+dezen diefstal? Of hebt gij tegen niemand eenig kwaad vermoeden?»
+
+»Neen, burgemeester, tegen niemand. Ik zou werkelijk niet weten, wien
+ik noemen moest. Een klerk heb ik niet, en onze dienstbode is de
+eerlijkheid in eigen persoon. Zij kan het niet gedaan hebben. Trouwens,
+u kunt u daarvan persoonlijk overtuigen door haar te ondervragen. Zij is
+op dit oogenblik nog geheel onbekend met hetgeen er gebeurd is. Hoor,
+zij zingt in de keuken als een lijster.»
+
+»Dat hebben er meer gedaan, die bij slot van rekening toch schuldig
+bleken te zijn. Vergun mij, dat ik haar een oogenblik ga spreken.»
+
+De burgemeester verliet het kantoor en begaf zich regelrecht naar de
+keuken, waar Geertje bezig was met koffie malen. Zij zong daarbij het
+hoogste lied.
+
+Maar zoodra de burgemeester binnenstapte, op wiens komst zij allerminst
+voorbereid was, hield zij dadelijk met zingen op, en stamelde met een
+verlegen lachje:
+
+»Gut, mijnheer de burgemeester, komt u in de keuken? Mijnheer en mevrouw
+zijn in de kamer, geloof ik, dus als u ze spreken wil....»
+
+»Neen, meisje, 't is mij om u te doen!» sprak de burgemeester op
+gestrengen toon, terwijl hij haar diep in de oogen keek. Maar Geertje
+keek hem zoo onbevangen aan, dat hij dadelijk overtuigd was van hare
+onschuld.
+
+»Om mij?» vroeg zij: »Wat is er van uw dienst, burgemeester?»
+
+»Waar ben jij van nacht geweest, meisje?»
+
+»Van nacht?» vroeg Geertje lachend, want zij scheen die vraag zeer
+grappig te vinden. En op vroolijken toon liet zij er op volgen: »Wel, op
+bed, burgemeester! Waarom vraagt u dat aan me?»
+
+»Omdat er dezen nacht hier in het kantoor ingebroken en gestolen is,
+Geertje!» zei de burgemeester.
+
+»Ingebroken! -- Gestolen!» riep Geertje doodsbleek uit. »Wel,
+verschrikkelijk!»
+
+En zonder een oogenblik langer om den burgemeester te denken, verliet
+zij de keuken en ijlde naar het kantoor, waar zij, louter van
+ontsteltenis, luid begon te schreien. Het kostte mevrouw zelfs niet
+weinig moeite, haar tot bedaren te brengen.
+
+De burgemeester twijfelde nu geen oogenblik langer aan hare onschuld. Na
+enkele minuten verzocht hij haar zich weer naar de keuken te begeven, en
+zeide, toen zij vertrokken was:
+
+»Zij is beslist onschuldig.»
+
+»Zooals wij u reeds vooruit gezegd hebben,» viel mevrouw in. »Neen, wij
+moeten den dief ergens anders zoeken.»
+
+»Dat merkt u terecht op, mevrouw; wij moeten hem ergens elders zoeken.
+Heeft u gisteren misschien andere menschen in uw dienst gehad?»
+
+»Gisteren? -- Neen, -- o ja, toch, kreupelen Kees en zijne vrouw; hij
+heeft den tuin opgeknapt, en zij werkt hier geregeld elken Zaterdag.
+Maar dat zijn ook doodeerlijke lieden, die tot diefstal, en dan nog wel
+gepaard met inbraak, allerminst in staat zijn.»
+
+De burgemeester was dat blijkbaar niet geheel met haar eens, want hij
+zeide:
+
+»Zoo, -- Kees van der Vliet en zijne vrouw. Ja, dat zijn wel eerlijke
+lieden, maar toch -- iemand moet het gedaan hebben, niet waar? Wanneer
+wij den dief willen snappen, schijnt het mij noodzakelijk toe, van
+niemand te denken, dat hij eerlijk is. Die menschen hebben immers geen
+gelegenheid gehad, zich hier gisteravond te laten insluiten?»
+
+»O neen,» zei mijnheer Valk op beslisten toon, »daar is geen sprake van.
+Zij zijn geen van beiden in het kantoor geweest en ik heb het zelf
+gesloten. Bovendien schijnt het mij bespottelijk toe, die menschen van
+diefstal te verdenken.»
+
+»Dat heeft u geheel en al mis, mijnheer Valk. In politiezaken is
+eene dergelijke gedachte in het geheel niet bespottelijk. Kan de
+brievenbesteller zich wellicht hebben laten insluiten? Of is er
+misschien iemand anders nog laat in het kantoor geweest?»
+
+»De postlooper komt hier nooit binnen, dan in heel enkele gevallen.
+Gisteren is hij niet verder geweest dan de deur. En bezoek heb ik niet
+gehad dan alleen van Arie de Zwaan, den neef van den koster, die hier
+alle avonden komt vragen, hoe laat het is. Zooals u weet, houdt de
+koster de kerkklok steeds gelijk met den tijd van het kantoor.»
+
+»Zoo, -- ja, juist, dat weet ik. Nu, wat dien Arie de Zwaan betreft, hem
+zou ik voor eene daad als deze niet te goed houden, -- en u?»
+
+»Ik ook niet, burgemeester. 't Is, geloof ik, een jongmensch, dat
+nergens te goed voor is. En nu ik mij goed bedenk, herinner ik mij, dat
+hij nog een poosje bij mij binnen is geweest, en dat wij een kwartiertje
+met elkaar hebben staan praten over koetjes en kalfjes. Het zal ongeveer
+acht uren geweest zijn, toen hij vertrok.»
+
+»Kan u mij nog meer inlichtingen geven?» vroeg de burgemeester. »U moet
+wel bedenken, dat van de kleinste kleinigheid soms het vinden van den
+dief kan afhangen.»
+
+»Ik heb u verder niets te zeggen.»
+
+»Dan is mijn werk hier afgeloopen. Ik geloof, dat het mijn plicht is,
+eerst een onderzoek in te stellen bij Kees van der Vliet en daarna bij
+Arie de Zwaan. En het zou mij niet verwonderen, als ik den dief vandaag
+nog snapte. Mevrouw, uw dienaar! Adieu, mijnheer Valk!»
+
+Met eene buiging en een handdruk verliet het hoofd der gemeente de
+woning.
+
+Onmiddellijk daarop was de burgemeester, vergezeld van Tip, den
+veldwachter, naar het huisje van Kees van der Vliet gegaan, die met
+zijne vrouw aan de tafel zat. Zij dronken koffie, en waren bezig plannen
+te maken over hetgeen zij zouden doen met de gevonden goudstukken. Ook
+Jan was thuis, en Zus speelde op den grond. Zoodra Trijn de beide mannen
+zag naderen, werd zij zoo wit als een doek en begon zij te beven over al
+hare leden. Van den diefstal hadden zij nog niets vernomen.
+
+»Daar is de burgemeester met den veldwachter,» zeide ze tot Kees. »O
+God, -- daar heb je 't al. Hadden wij het toch dadelijk maar gezegd!»
+
+»Waarom? -- Wij hebben het toch niet gestolen!» zei Kees binnensmonds.
+Maar toch verbleekte ook hij.
+
+Op dit oogenblik werd de deur geopend en traden de beide mannen binnen.
+
+»Goeden morgen!» klonk hun groet kortaf.
+
+Kees stond eerbiedig op en nam zijne pet af, die hij ook in huis steeds
+ophad.
+
+»Goeden morgen, mijnheer de Burgemeester! Goeden morgen, Tip!»
+
+Hij schoof twee stoelen bij de tafel, en vervolgde:
+
+»Wil u niet gaan zitten?»
+
+De burgemeester scheen die uitnoodiging niet eens te hooren. Hij bleef
+midden in de kamer staan en nam met scherpen blik het geheele vertrek in
+oogenschouw. Nu was daar niet veel in te zien, want behalve eene tafel,
+enkele oude stoelen, eene groote staartklok en twee bedsteden was er
+niets dan een eenvoudig geverfd linnenkastje, dat Trijn indertijd
+gekocht had, toen zij als dienstmeisje een klein spaarpotje had gemaakt.
+Op dat kastje bleef eindelijk 's burgemeesters blik rusten, en het met
+den vinger aanwijzende, zeide hij tot den veldwachter:
+
+»Tip, haal dat kastje eens leeg, en bekijk alles goed. Leg den inhoud
+hier uitgespreid op den grond.»
+
+Tip begon reeds het bevel uit te voeren, toen Trijn een stap vooruit
+kwam, en zeide:
+
+»Maar mijnheer de Burgemeester, dat lijkt wel huiszoeking. U denkt toch
+niet, dat we gestolen hebben, -- dat we dieven zijn?»
+
+»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer de Burgemeester,» voegde Kees er
+bij, terwijl hij zich bij de linnenkast plaatste, alsof hij Tip beletten
+wilde, het ontvangen bevel uit te voeren.
+
+»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer, die nog nooit iemand een cent te
+kort hebben gedaan.»
+
+»En daarom durven wij gerust iedereen in de oogen zien, want wij hebben
+ons voor niets of niemand te schamen,» zei weêr Trijn, terwijl haar de
+tranen in de oogen kwamen.
+
+»En nu deze schande te moeten ondervinden. Wat zullen de menschen wel
+zeggen, als zij het hooren? Wie had nu ooit kunnen denken, dat ik dìt
+nog eens beleven zou!»
+
+»Doe wat ik je gezegd heb, Tip,» gebood de burgemeester. »En gij, goede
+menschen,» -- vervolgde hij tot Kees en diens vrouw, »ik raad u aan,
+kalm en bedaard te blijven. Ik geloof inderdaad, dat gij eerlijke
+menschen zijt, en ben overtuigd, dat gij u voor niemand behoeft te
+schamen. 't Is dan ook slechts toeval, dat ik juist bij u huiszoeking
+kom doen. Doch daarin steekt volstrekt geen schande. Integendeel,
+wanneer ik straks van hier ga, zonder te hebben gevonden wat ik zoek,
+is dat het duidelijkste bewijs, dat gij onschuldig zijt!»
+
+»Maar wat is er dan toch gebeurd?» vroeg Trijn. »Want ik voel me in het
+geheel niet gerust, burgemeester. Nu u eenmaal hier is en dit onderzoek
+instelt, wil ik het u, -- neen, kàn en 'màg ik het u niet langer
+verzwijgen, wat er van morgen hier gebeurd is.»
+
+»Hier iets gebeurd?» vroeg de burgemeester. En tot Tip zeide hij:
+
+»Niets dan kleeren; leg ze hier maar op den grond, en zoek bedaard
+verder. -- En wàt is hier dan wel gebeurd, vrouw Van der Vliet?»
+
+»Wel burgemeester, toen ik van morgen den vloer aanveegde, vond ik dààr
+onder de deur doorgeschoven, niet minder dan drie gouden tientjes, --
+hier, op deze zelfde plek, burgemeester, zoo waar als ik 't u zeg.»
+
+»Wat? -- Hé, wat zegt u? -- Drie gouden tientjes? En hebt ge die daar
+gevonden, op den vloer? Dat is al heel toevallig, moet ik zeggen.»
+
+»Ja, mijnheer de Burgemeester,» zei Kees, »ik lag nog rustig te slapen,
+ziet u, omdat het Zondagmorgen was, want dan slaap ik altoos wat langer
+dan in de week, toen Trijn me wakker schreeuwde en me drie gouden
+tientjes liet zien, die ze daar gevonden had.»
+
+»'t Is wel opmerkelijk, Trijn!» zei de burgemeester met een ongeloovig
+gezicht, daar het geheele verhaal hem wat onwaarschijnlijk klonk. »Er is
+dezen nacht inbraak gepleegd, gevolgd door diefstal, Trijn. Vind-je het
+nu zelf niet wat heel vreemd, dat hier drie gouden tientjes onder de
+deur doorgeschoven worden?»
+
+»'t Is wèl kaseweel,» zei Kees hoofdschuddend. »Wonder kaseweel[1]. Dat
+moet ik zeggen.»
+
+ [1] Casueel, bedoelde Kees.
+
+Doch Trijn begon te schreien. Zij was vrij wat schranderder dan haar
+echtvriend, en doorzag veel beter dan hij de treurige gevolgen, die deze
+zaak voor hen kon hebben.
+
+»Zoek goed, hoor Tip. Me dunkt, dat we hier meer zullen vinden, dan we
+ons voorgesteld hebben.»
+
+»Hier vind ik een klein doosje, burgemeester, weggestopt achter een
+stapeltje kleêren. Wil u het openen?»
+
+»Geef maar hier.»
+
+De burgemeester ontdeed het van het deksel, en ontwaarde de drie
+goudstukken, die Trijn daar enkele uren geleden ingelegd had.
+
+»Ha, ha! Het raadsel begint opgelost te worden,» zei hij, terwijl hij
+Trijn scherp onderzoekend aankeek. »Dat had ik niet van u gedacht, vrouw
+van der Vliet; ik heb u altoos voor eene door en door eerlijke vrouw
+gehouden, niet in staat tot iets, dat slecht was. En moet ik nu bij u
+gestolen geld vinden? Kom, arme ziel, want ik heb medelijden met u, maak
+de zaak niet erger dan zij al is, en zeg mij de volle waarheid. Wie
+weet, wat ik dan wellicht nog voor u doen kan. Gij hebt het geld
+weggenomen, niet waar? Spreek de waarheid, vrouw, en bezwaar uw geweten
+niet door nog te liegen.»
+
+Trijn barstte in zenuwachtig snikken uit, zoo hevig, dat het haar het
+spreken belette. Doch toen zij zichzelve meester geworden was, riep ze
+uit, terwijl ze hare rechterhand ophief, als om den hemel tot getuige te
+roepen:
+
+»Zoo waarachtig als er een Heer in den Hemel is, ik ben onschuldig,
+mijnheer de burgemeester!»
+
+Bij het hooren van die plechtige woorden barstte ook Jan in tranen uit,
+en toen Zus moeder en broeder zag schreien, verhief ook zij hare stem.
+'t Was een treurig tooneel.
+
+De burgemeester haalde de schouders op en gaf den veldwachter een wenk,
+met zijn onderzoek voort te gaan, wat deze dan ook deed.
+
+Vrouw Van der Vliet viel op een stoel neder, bij de tafel, en bedekte
+haar gelaat met haar boezelaar.
+
+»Ik ben onschuldig!» riep zij door hare tranen heen. »Ik ben onschuldig,
+zoo onschuldig als dit kleine kind! Maar u gelooft me niet, u luistert
+niet eens naar me. O, had ik het u toch dezen morgen maar dadelijk
+gezegd!»
+
+Zij nam kleine Zus op haar schoot, en kuste haar.
+
+»Arm, onschuldig kind, arme lieveling!» schreide ze. »Nu zullen ze je
+moeder nog van je weghalen en in de gevangenis zetten, -- en wie zal er
+dan voor jou zorgen...»
+
+»'t Zàl niet gebeuren! Moeder, ik zal.....»
+
+Zoo riep Jan schreiend uit, terwijl hij zich met gebalde vuisten naast
+zijne moeder plaatste, als om haar te verdedigen.
+
+»Stil, kind, stil! Wij kunnen er niets tegen doen. O, burgemeester, zoek
+toch maar niet langer, want gij zult niets meer vinden, dat bezweer ik
+u, dan de enkele stuivers, die Kees en ik gisteren bij mijnheer Valk
+hebben verdiend. Waarachtig, mijnheer, 't is de waarheid -- ik lieg u
+niets voor, niets --»
+
+De kast was nu doorzocht, en de veldwachter begon nu de beide bedsteden
+te inspecteeren; daarna kwam de provisiekast aan de beurt, die al
+bijzonder weinig bevatte, en toen werd zelfs de groote klok doorzocht,
+maar tevergeefs; het overige geld werd niet gevonden.
+
+De burgemeester deed nog eenmaal eene poging, om Trijn tot bekentenis te
+brengen, doch zij volhardde bij hetgeen zij gezegd had. Het geld had zij
+gevonden op den vloer van hare kamer, vlak bij de deur, en hare eenige
+fout was, dat zij er niet dadelijk kennis van gegeven had. O, had zij
+het maar gedaan.
+
+Ook Kees werd scherp ondervraagd, doch hij kon niets anders zeggen, dan
+hetgeen zijne vrouw had verklaard. Zelfs Jan werd onder handen genomen,
+doch met hetzelfde gevolg. De burgemeester maakte van zijne bevindingen
+proces-verbaal op, en ging heen, het arme gezin in de grootste
+verslagenheid achterlatende.
+
+Nu werd eene huiszoeking gedaan ten huize van den koster, den oom van
+Arie de Zwaan. Doch hoe zorgvuldig het geheele huis ook werd doorzocht,
+er werd niets verdachts gevonden. Arie leidde den burgemeester zelf
+overal rond en eigenhandig opende hij alle laden en kasten, om het
+onderzoek gemakkelijker te maken, waarbij voortdurend een eigenaardig
+lachje zijn gelaat ontsierde, hetgeen den burgemeester niet ontging en
+hem onaangenaam stemde.
+
+»Wat een schurkengezicht heeft hij toch!» dacht hij bij zichzelven, maar
+hij wachtte zich wel, die gedachte onder woorden te brengen.
+
+Onder het naar huis gaan, zeide de veldwachter tot zijn meester:
+
+»Op het uiterlijk afgaande zou ik den dader eerder hier zoeken, dan bij
+Van der Vliet, burgemeester.»
+
+»Ja, ik ook -- maar Tip, schijn bedriegt, zooals je weet.»
+
+»Juist burgemeester, -- zou dat ook nu niet het geval zijn?»
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+ Wat er alzoo op een regenachtigen Zondagmiddag gebeurde.
+ Hoe Bob in een Woesten Gier veranderde, voor Pieter
+ een kuil groef en er ten slotte zelf in viel.
+
+
+Het verhaal van hetgeen ik u in het vorige hoofdstuk verteld heb, ging,
+zooals ik zeide, als een loopend vuurtje door het dorp rond. Pa vertelde
+het ons in geuren en kleuren toen hij uit de kerk kwam, en hij wist het
+uit eene goede bron, want hij was den burgemeester tegengekomen, en deze
+had het hem verteld.
+
+Wat was er toen op ons dorp veel stof tot spreken, en wat hadden sommige
+menschen verbazend veel te zeggen van de Van der Vliets, wier naam
+plotseling op aller tong zweefde. Sommigen beweerden zelfs, dat zij ze
+nooit hadden vertrouwd, dat zij altoos wel gedacht hadden, dat het
+slecht met hen zou afloopen en dat zij ze voortaan zelfs voor geen
+halven cent vertrouwen zouden schenken. 't Was eene echte dievenfamilie,
+waarin geen greintje goeds stak.
+
+Toen ik dat thuis vertelde, keek pa me vrij boos aan en zeide op
+gestrengen toon:
+
+»Jij denkt toch zeker zoo niet, Dorus? Wees toch, wat ik je bidden
+mag, nooit voorbarig in je oordeel. 't Kan nog best uitkomen, dat die
+menschen even onschuldig zijn als jij of ik. Maar de wereld oordeelt
+altoos verbazend oppervlakkig en onbarmhartig. 't Is eene schande!»
+
+Nu, dat vond ik ook, maar wààr is het toch, dat maar weinig menschen
+spraken zooals pa. Iedereen, dien ik er over hoorde, zeide: »'t Is toch
+maar slecht volk, die Kees en zijne vrouw, en 't is maar goed, als ze
+achter slot en grendel worden gezet. Zulk volk is gevaarlijk!»
+
+Zij bleven den geheelen dag binnenshuis, zelfs Jan, die anders altoos
+bij zijne kameraden was, kwam niet buiten. Wat moeten die menschen zich
+hebben geschaamd, vooral toen 's middags zich veel meer wandelaars op
+hun achterweg vertoonden dan in gewone omstandigheden. Blijkbaar wilde
+iedereen eens zien, hoe zij zich wel hielden, maar niemand had er
+pleizier van, want de gordijntjes waren dichtgeschoven en er was
+dientengevolge niemand te zien.
+
+Ik had innig veel medelijden met hen, en Karel Holm, met wien ik
+'s middags wandelde, evenzoo. Het ergerde ons te zien, hoe de menschen
+allen juist voorbij het huisje van gebrekkigen Kees gingen wandelen, en
+wij waren er blij om, toen het 's middags vrij erg begon te regenen,
+zoodat iedereen huiswaarts moest keeren. Na eenig weifelens besloten
+Karel en ik Bob een bezoek te gaan brengen, dien wij nog niet gezien
+hadden na zijn onvrijwillig bad in de vischkaar. Als wij daarover
+spraken, moesten wij telkens nog lachen, dat het schaterde.
+
+Bob schaamde zich zeker, want gewoonlijk was hij in huis niet te houden.
+En nu was hij in geen velden of wegen te zien. Wij besloten hem eens
+geducht te plagen.
+
+Nauwelijks hadden wij aangebeld, of Bob deed ons zelf open.
+
+»Dag Dorus! Dag Karel! Kom binnen. Zeg jongens, wat zit ik akelig
+opgescheept met een neef van me, die gisteravond onverwachts met zijne
+Moe bij ons is komen logeeren. Bah, 't is zoo'n vervelende jongen. Hij
+ziet er uit als een zeemlap en hij zit op zijn stoel, of hij een stok
+heeft doorgeslikt. Ga-je meê, dan zal ik je hem eens laten zien. Maar
+niet lachen, hoor!»
+
+Nu, die raad had een verkeerd gevolg, want nu moesten wij juist lachen,
+toen wij binnen kwamen. Maar wij wisten ons te bedwingen. Wij gaven
+mijnheer en mevrouw de Wild de hand en bogen zoo deftig als wij konden
+voor Bobs tante, die wij mevrouw Van Koorde hoorden noemen. Daarna gaven
+wij ook neef eene hand, die door Bob aan ons werd voorgesteld als Piet
+van Koorde.
+
+»Met uw verlof, lieve neef,» klonk het afgemeten uit den mond der tante,
+»mijn zoon heet Pieter, en geen Piet. Ik verzoek u wel, zijn naam voluit
+te noemen. Ik houd niet van dergelijke afkortingen.»
+
+»Juist, tante, dat meende ik ook te zeggen: Pieter van Koorde. Neem me
+niet kwalijk, als 't u belieft.»
+
+Wij keken Bobs tante eens aan, en zagen dat zij eene buitengewoon
+statige dame was, die zoo recht als eene kaars op haar stoel zat. Zij
+scheen ons bijna te deftig toe, om zich te bewegen. En haar zoontje, die
+evenals zij lang, bleek en mager was, geleek in alle opzichten op zijne
+deftige moeder.
+
+»Rechtop zitten, Pieter! Hoe dikwijls heb ik u dat al niet gezegd!»
+zeide mevrouw van Koorde, met een gestrengen blik op haar zoon.
+
+»Ja, Mama!» klonk het antwoord, en Pieter rekte zich nog langer uit, dan
+hij al deed.
+
+Bob keek ons van ter zijde aan en knipoogde tegen ons met een leuk
+gezicht, zoodat wij ons lachen bijna niet konden houden.
+
+Mijnheer de Wild merkte dat gelukkig op en kwam ons te hulp.
+
+»Wel jongens,» vroeg hij ons lachend, »heb jelui gisterenavond ook in de
+vischkaar van den schoenmaker gezeten, evenals Bob?»
+
+Wij lachten nu eens ferm uit, en Karel zeide:
+
+»Neen, mijnheer, -- dank u! Dat laten we aan Bob over.»
+
+Plotseling klonk het uit den mond der tante:
+
+»Maar broeder Marinus, hoe kunt ge nu toch uw zoon bij zulk een
+vreeselijken naam laten noemen? Hij heet toch immers geen Bob, -- wat
+ik afschuwelijk vind, maar Robert.»
+
+»Ja Tante,» zei Bob, »ik heet Robert Adrianus de Wild, maar de jongens
+noemen mij altijd Wilden Bob. Vind u dat zoo'n leelijken naam?»
+
+»Rechtop zitten, Pieter! -- Wilden Bob! O, verschrikkelijk! 'k Wou niet
+graag, dat mijn jongen zoo genoemd werd. Bob is al erg genoeg, maar
+Wilde Bob! 't Is afschuwelijk, -- ik zou het niet dulden, broeder
+Marinus!»
+
+»Wat zal ik er van zeggen?» zei mijnheer de Wild met een licht
+schouderophalen. »De jongens noemen hem nu eenmaal zoo, en ik kan er
+weinig aan veranderen.»
+
+»Zeg Bobbertje!» viel Karel Holm in. »Hoe beviel het je gisteren in die
+vischkaar?»
+
+Mevrouw van Koorde sloeg hare oogen van ontzetting ten hemel.
+
+»Bobbertje!» mompelde zij, »Bobbertje! 't Wordt waarlijk nog erger!
+Mijne ooren doen er pijn van. Zit toch rechtop, Pieter, en houd den mond
+gesloten, zooals het behoort.»
+
+»Ja, Mama!» zei Pieter, die onbeweeglijk op zijn stoel zat, met het
+hoofd in volslagen rust boven zijn staand boortje.
+
+»En wat praat ge toch van eene vischkaar?» vroeg tante aan mevrouw de
+Wild, die met een glimlachje naar het gesprek zat te luisteren.
+
+»Och, Bob -- Robert wil ik zeggen, -- is gisteren bij het verstoppertje
+spelen in eene vischkaar gekropen, die aan den kant van het water lag,
+en toen is de schoenmaker gekomen en heeft hem in het water geworpen.»
+
+»Dat is eene beleediging van dien man, lieve,» hernam Tante met
+verontwaardiging. »Ik zou dien man aanklagen bij het gerecht. Hoe durft
+zoo'n schepsel zoo iets doen? Hoewel ik moet zeggen, dat het van Robert
+ook eene vrij zonderlinge keuze was, om in eene vischkaar te kruipen. Ik
+zou mijn jongen, als ik hier woonde, zoo maar niet met Jan en alleman
+op de straat laten spelen. Niet waar, Pieter, jij houdt niet van
+dergelijke spelletjes?»
+
+»Neen, Mama!»
+
+»En jij gaat liever met mij wandelen, niet waar?»
+
+»Veel liever, Mama!»
+
+Tante keek met een triomfantelijken glimlach om zich heen. O, zij wist
+het wel, dat haar Pieter een door en door fatsoenlijke jongen was.
+
+»Ja, lieve,» vervolgde zij tot hare schoonzuster, »dat is nu
+zijn liefste werk. En dan moest u eens zien, hoe lief hem zijn
+glacé-handschoentjes staan en hoe zwierig hij met zijn wandelstokje
+zwaait. Toe Pieter, haal je rottinkje eens uit de porte-manteau en laat
+hem eens zien.»
+
+»Ja, Mama!»
+
+Pieter stond op en kwam weldra met zijn rotting terug, die nu natuurlijk
+van hand tot hand ging, en door iedereen bewonderd werd, wat van zelf
+spreekt.
+
+»Hij zwiept lekker!» zei Bob, die hem zoo krom mogelijk maakte en toen
+plotseling aan den eenen kant losliet, wat het gevolg had, dat het losse
+eindje met kracht tegen het linkerbeen van Pieter terecht kwam. 't Deed
+hem zeker nog al pijn, want hij sprong wel een halven meter in de
+hoogte, en riep:
+
+»Au! Au!»
+
+»Excuseer! Excuseer!» riep Bob, quasi ontsteld uit, want de deugniet had
+het met voordacht gedaan. »Dat spijt me, neef Pieter. Doet het erg
+pijn?»
+
+»Au! Au!» zei Pieter nog eens, terwijl hij het pijnlijke deel zonder
+ophouden wreef.
+
+»Ga zitten, Pieter!» zeide mevrouw van Koorde. »Neef Robert kon het niet
+helpen, zegt hij immers.»
+
+Bij die woorden keek zij neef Robert echter in het geheel niet
+vriendelijk aan.
+
+»Het zwiept veel erger, dan ik dacht,» zei Bob.
+
+»Het zweept, moet je zeggen, lieve neef!» zei Tante. »Zwiepen is geen
+woord; dat zeggen koetsiers.»
+
+Mijnheer de Wild vond het tijd een einde aan het gesprek te maken.
+Misschien was hij wel bang, dat Bob nog meer dergelijke grappen zou
+uithalen. Hij zeide daarom:
+
+»'t Blijft maar regenen, jongens. Dat is jammer voor jelui, want nu heb
+je huisarrest.»
+
+»Wat ik zeer goed acht, lieve broeder,» zei Tante op haar deftigsten
+toon. »Ik zou niet graag zien, dat mijn Pieter hier ook met Jan en
+alleman ging spelen en misschien eindelijk ook nog in eene vischkaar
+kroop. 'k Heb liever, dat hij binnen blijft.»
+
+»Juist, dat bedoel ik ook. Zou jelui niet naar de speelkamer gaan? Daar
+heb je allerlei speelgoed en een tal van boeken tot je dienst.»
+
+»Ja jongens, ga je meê?» vroeg Bob opstaande.
+
+Karel en ik volgden zijn voorbeeld, maar Pieter bleef zitten. Blijkbaar
+wist hij niet, of zijne Mama het wel goedvond, of misschien wel ontbrak
+hem de lust.
+
+»Ga jij niet meê?» vroeg mijnheer de Wild, toen hij zag, dat hij bleef
+zitten.
+
+»Je moogt medegaan, Pieter,» zeide zijne Mama met een genadig knikje.
+
+»Jawel, Mama!»
+
+Pieter stond op en volgde ons de trap op, naar Bobs kamer, waar Karel,
+Bob en ik weldra als drie gekken over den vloer lagen te rollen, daarbij
+schuddende van het lachen.
+
+Pieter stond ons in de grootste verbazing aan te staren.
+
+»Waarom lach-jelui zoo?» vroeg hij min of meer beleedigd.
+
+»Om je mooie boordje!» grinnikte Karel.
+
+»En om je prachtigen wandelstok!» lachte Bob.
+
+»Omdat je er zoo aardig uitziet!» zei ik.
+
+»Jelui bent niet wijzer!» zei Pieter. »In de stad zijn wij natuurlijk
+anders gekleed, dan hier op dit dorpje, en dat ook onze manieren fijner
+zijn, dan hier, spreekt van zelf. Je moest eerder huilen dan lachen.»
+
+»Kan jij boksen?» vroeg Bob, die plotseling voor zijn neef kwam staan,
+en hem met zijne beide vuisten op zijne borst ging stompen.
+
+»Au! Neen, -- boksen -- au -- kan ik niet. Au! -- Au!»
+
+»Dan zal ik het je leeren! Toe jô, stomp terug, of jij krijgt alles
+alleen. Zóó moet je doen!»
+
+»Au! -- Au!» riep Pieter, die niet wist, waar hij zich bergen zou.
+»Houd-op, Robert, au! Ik doe -- au! -- jou immers -- au! -- ook niets!»
+
+»Neen, dat doe je juist niet, en dat is dom van je. Je moet terugboksen,
+neef, of er blijft niets van je heel, zelfs je boordje niet!»
+
+»Houd maar op, Bobbertje,» riep Karel zijn vriend toe. »Zoo is er toch
+geen aardigheid aan; hij verroert geen vin. Wat zullen we eens gaan
+doen?»
+
+Bob hield met boksen op.
+
+»Een mooi spelletje?» vroeg hij. »'t Is jammer, dat het zoo regent,
+anders konden we in den tuin om het hardst gaan loopen op onze stelten.
+Maar nu weet ik niets. Wat wil jij graag doen, neef Pieter?»
+
+Bob drukte vooral sterk op de laatste lettergreep.
+
+»Je houdt me voor den gek, Robert,» zei hij.
+
+»Zeg jij maar gerust Bob, hoor!» klonk het terug. »Maar weet jij geen
+mooi spelletje?»
+
+»Ik niet; wij spelen nooit.»
+
+»Zoo, -- zeg jongens, ik weet wat. Wacht maar even, dan zal ik je eens
+laten zien, wat ik vanmorgen in eene oude kist op den zolder gevonden
+heb. 't Is wat prachtigs!»
+
+»Wat dan?» vroegen wij.
+
+»Ja, wacht maar, -- dan zal ik het je laten zien. 't Is bepaald nog iets
+uit den jongen tijd van Pa, want tegenwoordig doet hij er niet meer
+aan.»
+
+Bob ging naar de kast, waarin hij al zijne schatten bewaarde, en kwam
+weldra te voorschijn met eene prachtige pijp. Deze bestond uit een
+mooien kop, die het model had van een Turk, met een langen baard en een
+breeden tulband, en daarin was een lange steel van bamboes gestoken.
+'t Was werkelijk eene bijzonder mooie pijp, die indertijd stellig veel
+geld moest gekost hebben. De steel bestond uit wel vijf deelen, die in
+elkander geschroefd konden worden. Ik had nog nooit zoo'n lange pijp
+gezien.
+
+»Vind-je haar niet prachtig?» riep hij ons toe, terwijl hij het mondstuk
+tusschen de lippen nam en smakte als een oude smoker.
+
+»Bijzonder mooi, Bob. Zou die van je Pa geweest zijn?»
+
+»Ik denk het wèl, want Pa rookte vroeger eene pijp. Tegenwoordig niet
+meer, omdat hij er niet goed tegen kan. Zeg, jongens, willen we eens
+rooken?»
+
+»Bah, rooken!» zei neef Pieter met een vies gezicht, waarop de diepste
+minachting te lezen stond. »Wat zou Mama wel zeggen, als zij het zag?»
+
+»Mama ziet het niet!» zei Bob leuk. »En als jij het niet verklapt, komt
+niemand het te weten. Je bent toch geen klikspaan, hoop ik?»
+
+»Neen, -- klikken doe ik niet.»
+
+»Dat is de eerste deugd, die ik in je opmerk,» zei Bob, met zijn bekend
+knipoogje tegen ons. »Willen we het doen, jongens?»
+
+»Heb-je tabak?» vroeg ik.
+
+»Dat zou ik meenen, -- een ons fijne tabak, van de fijnste, die ik
+krijgen kon. Zie maar eens hier.»
+
+Bob verdween weer in de kast en kwam met een zakje tabak terug, hetwelk
+hij met een trotsch gebaar omhoog hield.
+
+»Dat is portorico!» zei Karel. »Zwaardere tabak bestaat er niet.»
+
+»Best mogelijk,» zei Bob, »maar ze rookt uitstekend.» Hij begon nu de
+pijp te stoppen, wat hem nog ver van handig afging. Hij had er al zijne
+aandacht en zijne beide handen voor noodig, en het duurde wel driemaal
+zoo lang als noodig was.
+
+»Zie zoo,» zei hij, toen hij eindelijk klaar was, »nu gaan we met ons
+vieren op den vloer in een kring zitten, en rooken als Turksche pacha's.
+Hier heb ik een doosje lucifers.»
+
+»Maar ik doe niet meê,» zei Pieter. »Rooken is vergif en staat bovendien
+in het geheel niet fatsoenlijk.»
+
+»Dan zullen wij het onfatsoenlijk doen, Pietje!» zei Bob. »Weet je, wat
+jij intusschen wel kunt doen?»
+
+»Nu, wat dan?»
+
+»Wel, trek je glacé-handschoentjes aan, neem je stokje in de hand en
+wandel dan met een heel trotsch gezicht om ons heen. Dan ben jij de
+heer en wij stellen de arme duivels voor, op wie jij dan uit de hoogte
+neerziet. Dat kan prachtig worden. Kom Dorus en Karel, het spel gaat
+beginnen. Wij nemen een lucifer,» -- Bob voegde de daad bij het woord,
+-- »schrappen hem aan, -- en pmmm, pmmm, pmmm, wat drommel, die tabak
+wil niet! Hoe kan dat nu wezen? Vanmorgen ging het zoo best.»
+
+»Laat mij eens probeeren!» zei Karel.
+
+Bob gaf hem de pijp.
+
+Maar Karel, die er veel verstand van had, want als zijn Pa en zijne Moe
+het niet zagen, rookte hij wel eens een cigaretje, -- Karel kon het ook
+niet.
+
+»De pijp zit verstopt. Je hebt er de tabak veel te vast ingedrukt,» zei
+hij.
+
+»Dan moet ze er weer uit,» zei Bob.
+
+Hij nam zijn mesje en maakte den kop weer leeg. Piet, die intusschen wat
+rondgeloopen en ons met een schuin oog bespied had, kwam langzamerhand
+wat naderbij en nam eindelijk ook in den kring plaats.
+
+Bob knikte hem goedkeurend toe, stopte de pijp opnieuw, schrapte
+nogmaals een lucifer aan, en ha -- daar dwarrelden de rookwolken
+omhoog.
+
+Wij staarden het bedrijf van onzen vriend Bob met bewondering aan,
+hetgeen hij, geloof ik, zelf ook deed.
+
+»Nu zijn we Indianen, die de vredespijp rooken!» riep hij ons
+opgetogen toe, want hij was in het gelukkige bezit van eene sterke
+verbeeldingskracht.
+
+»Ooah!» riep hij uit. »Wat wil mijn bleeke broeder?»
+
+Bij die woorden keek hij neef Piet met groote oogen aan en blies
+hem dichte rookwolken in het gelaat, zoodat de bleeke broeder begon
+te hoesten en te proesten van belang. Nu was de gegeven naam op
+Piet volkomen van toepassing, want hij had eene verbazend bleeke
+gelaatskleur, iets wat van Karel of mij niet gezegd kon worden. Wij
+hadden kleuren als boeien!
+
+Piet antwoordde niet op Bobs vraag, wat tengevolge had, dat hem eene
+tweede groote rookwolk werd toegeblazen en het Indianen-opperhoofd hem
+nogmaal toevoegde:
+
+»Ooah! Waarom zwijgt mijn bleeke broeder? Wat wenscht hij? Mijn bleeke
+broeder spreke!»
+
+»Kuche -- kuche -- kuche -- niets -- ik -- kuche ik wensch niemendal! --
+Hè, je doet me bijna stikken!» riep Piet, terwijl hij met zijne beide
+handen den rook van zich afweerde.
+
+Karel en ik gierden het uit van de pret. Doch Bob bleef onverstoorbaar
+doorrooken.
+
+»Ooah!» zeide hij, »mijn bleeke broeder is verstandig; hij is geen
+klapachtige vrouw, die zijne geheimen verraadt. Mijn broeder is een
+groot opperhoofd en een wijs man. Pffff!»
+
+Bij dit pfff blies hij den armen Piet weer zulk eene geduchte rookwolk
+toe, dat bijna niets meer van hem te zien was. Daarna reikte hij hem de
+pijp toe en zeide op plechtigen toon:
+
+»Dat mijn broeder de pijp des vredes rooke!»
+
+»Wat? -- Ik rooken?» riep Piet verschrikt uit, maar toch keek hij de
+pijp met begeerige blikken aan. »O, neen, dat doe ik niet -- dat heb ik
+nog nooit gedaan!»
+
+»Verlangt mijn broeder den strijd?» riep Bob met woedende blikken uit,
+terwijl hij de vuisten balde en ze zijn neef vlak onder den neus hield.
+
+»Strijd? O neen, -- geen strijd!» zei Piet, die nog aan de bokskunst van
+Bob dacht.
+
+»De Woeste Gier is een groot opperhoofd!» zei Bob, op zichzelven
+wijzende. »Hij heeft vele scalpen en de jonge krijgslieden zingen zijn
+lof. Hij wenscht met zijn bleeken broeder de vredespijp te rooken.»
+
+Nogmaals hield hij Piet de pijp voor. Deze greep hem aan en -- rookte,
+tot groot vermaak van ons alle drie, want wij begrepen heel goed, wat
+Bob in zijn schild voerde. En al hadden wij het niet begrepen, dan zou
+zijn geheimzinnig knipoogen het ons wel verraden hebben.
+
+Het scheen Piet, nu hij eenmaal aan den gang was, uitstekend te
+bevallen, want hij dampte, dat het een lust was, om te zien. Hij werd nu
+zelfs grappig, want hij blies Bob groote rookwolken in het gelaat en
+zeide:
+
+»Het bleeke opperhoofd groet zijn broeder den Woesten Gier, wiens
+dapperheid over de geheele wereld bekend is. Het bleeke opperhoofd biedt
+hem zijn vriendschap aan.»
+
+Nu, dat viel ons mede van Piet. Wij hadden niet gedacht, dat hij zoo
+goed mede kon doen. Wij knikten hem daarom goedkeurend toe, wat hem
+blijkbaar niet onwelgevallig was, althans, hij begon nog veel sterker
+te dampen, zoodat de kamer wel een rookhol geleek, en vervolgde:
+
+»Wanneer keert mijn roode broeder naar zijne wigwam weder?»
+
+En plotseling uit zijn rol vallende, zeide hij:
+
+»Zeg Bob, dat rooken valt me bijzonder meê. 't Gaat heel gemakkelijk, en
+'t smaakt goed. Volstrekt niet erg bitter, zooals ik altijd dacht.»
+
+»Zoo, is 't waar? En wanneer wordt het onze beurt?» vroeg Karel. »Of ben
+je van plan, de heele pijp leeg te rooken?»
+
+»Ik heb tabak genoeg, Karel,» zei Bob. »Als de pijp leeg is, stoppen we
+haar weer, en dan kan-je zooveel rooken als je wilt.»
+
+En plotseling zijne knieën optrekkende en het hoofd daarop doende
+rusten, vervolgde hij weer als Indianen-opperhoofd:
+
+»Als de zon driemaal in de zee zal zijn neergedaald, zal de Woeste Gier
+terugkeeren naar zijn wigwam; dan zullen de jonge krijgers hunne
+oorlogsliederen zingen.»
+
+»Gaat mijn broeder ten strijde?» vroeg Piet, steeds voortdampende.
+
+»De bleeke mannen hebben onze jachtvelden betreden en hebben mijne roode
+kinderen gedood!» zei Bob somber.
+
+»O, dat zij vreezen voor onze wraak! De roode mannen zijn dapper. Zij
+vreezen den dood niet.»
+
+»Zeg Bob,» zei Piet opeens, en zijne oogen stonden ver van vroolijk. »Ik
+geloof nooit, dat dit beste tabak is. Er komt zulk een vreemde smaak
+aan.»
+
+»Malligheid! De tabak is wel goed, maar de rooker deugt niet. Je kunt er
+niet tegen, neefje, denk ik.»
+
+»Of ik!» zei Piet, die weer dapper begon te trekken, en nogmaals ons
+allen de rookwolken in het gelaat blies. Maar spoedig hield hij er mede
+op.
+
+»Ah bah!» zeide hij, terwijl hij de pijp met alle teekenen van afkeer
+neerwierp. »Wat smaakt dat leelijk!»
+
+»En eerst vond je het zoo lekker?» zei Karel lachend.
+
+»Eerst, -- o ja, maar 't wordt hoe langer hoe leelijker. Bah, wat word
+ik akelig.»
+
+Piet stond op en begon onrustig door de kamer te loopen. Hij was nu in
+den volsten zin van het woord een bleekgezicht, want hij had geen kleur
+meer op zijn gelaat. En wat stonden zijne oogen flets!
+
+Voortdurend hoorden wij hem diepe zuchten slaken. Blijkbaar werd hij
+meer en meer onpasselijk. Nu moet ik eerlijk zeggen, dat wij niet veel
+medelijden met hem hadden, en dat wij hem geducht voor den gek hielden.
+
+»Wat doet mijn bleeke broeder vreemd!» zei Bob plagend. »Zoekt mijn
+bleeke broeder iets?»
+
+»Hij zoekt eene pijp!» zei Karel. »Hij wenscht de vredespijp te rooken.»
+
+»Loop rond!» zei Piet nijdig, »als jelui voeldet, wat ik voel, hier --
+in mijne maag, dan zou je zoo grappig niet zijn. Ah bah, wat word ik
+misselijk!»
+
+»Pas dan op je schoone boordje, Pieter,» was de vriendelijke raad van
+Bob, die de pijp opnieuw stopte, en haar aan Karel en mij gaf, opdat ook
+wij gelegenheid zouden hebben, er van te genieten.
+
+»Trek je handschoenen aan, Pieter, en neem je rotting in de hand, dan
+maak je een prachtig figuur,» zei Karel dampende.
+
+»O, -- wat ben ik ziek,» zuchtte Pieter, die onrustig de kamer op- en
+neerliep. »Die ellendige tabak! Ik wou, dat ik ze nooit gezien had.»
+
+»'t Smaakt heerlijk!» zei Karel, groote rookwolken uitblazende.
+
+»Dat schijnt wel,» zei ik. »Wanneer kom ik nu aan de beurt?»
+
+»Asjeblieft, hier heb je haar. Je moet flink doortrekken, Dorus, dan
+gaat het 't best.»
+
+Dien raad volgde ik getrouw op, en Bob en Karel knikten mij goedkeurend
+toe.
+
+»Je doet het best,» zei Bob. »Echt lekker, hè?»
+
+»Ja, -- maar een beetje bitter,» merkte ik op. Eigenlijk vond ik het
+afschuwelijk, maar wijl mijne kameraden het zoo heerlijk vonden, ontbrak
+mij de moed, om dat te bekennen. Dus rookte ik dapper voort.
+
+Toch speet het mij niets, toen Bob zeide:
+
+»Nu ben ik weer aan de beurt!»
+
+Ik reikte hem de pijp over, en weldra dampte mijn vriend als een
+fabrieksschoorsteen.
+
+»Wel neef Pieter,» vroeg hij, »hoe gaat het je nu?»
+
+»Ik ga dood, -- ik ben doodziek. O, -- ach, -- hê -- wat ben ik
+ellendig.»
+
+»Jongetjes als jij moeten ook niet rooken,» spotte Bob.
+
+»En wat zit je krom, Pieter. Rechtop zitten, mijn jongen.»
+
+Wat hadden wij eene pret om de benauwde gezichten, die Pieter trok. Wij
+schaterden soms van 't lachen.
+
+»Hier, Karel, jou beurt!» zei Bob opeens, veel spoediger dan wij
+dachten. En het scheen mij toe, of hij een klein weinigje bleek werd.
+
+»Neen, Bob,» zei Karel, »dat is te vroeg. Ga gerust je gang nog een
+poosje.»
+
+»Pak aan,» zei Bob kortaf. »'t Is eerlijk jou beurt.»
+
+»O, -- ik weet geen raad!» zuchtte Pieter. »Als Mama nu toch eens hier
+kwam.»
+
+»Pak aan, Karel, 't is jou beurt,» herhaalde Bob, daar Karel er
+edelmoedig op bleef aandringen, dat Bob nog een poosje genieten zou.
+
+Schoorvoetend nam Karel de pijp aan, en rookte, maar och, hij trok lang
+zoo hard niet meer als eenige oogenblikken geleden, en hij zag er in het
+geheel niet opgewekt uit.
+
+Opeens ging mij een licht op. Bob en Karel hadden, evenals neef Pieter,
+te veel gerookt en begonnen er de gevolgen van te ondervinden.
+
+»Nu jij weer, Dorus,» zei Karel op zijn gulsten toon, terwijl hij mij de
+pijp toereikte, maar och, wat begon hij bleek te zien.
+
+»Die zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht,» zegt het
+spreekwoord,» zei ik leuk. »Als ik mij niet bedrieg, hebben Karel en Bob
+een even naar gevoel in hunne maag als neef Pieter, en daar ik mij nog
+heel lekker bevind, zal ik zoo vrij zijn, mijne beurt te laten
+voorbijgaan. Ha-ha-ha-, nu wordt de zaak bepaald grappig.»
+
+»Ook ziek?» vroeg Pieter met een zuur-zoeten glimlach. »Dat doet me
+pleizier. Wil jij nu mijne handschoenen te leen, Bob, dan kan Karel mijn
+rotting krijgen.»
+
+»Dank je!» zei Bob. »Bah, wat word ik draaierig.».
+
+»Ik ook!» zuchtte Karel. »Ik ben -- ik voel me erg onpasselijk. Ik ga
+naar buiten.»
+
+»Dan ga ik meê,» zuchtte Bob. »O foei, wat is het hier benauwd.»
+
+»Naar buiten? Ik ga ook,» zei Pieter. »Hier weet ik me geen raad.»
+
+»Dan zal ik jelui gezelschap houden,» zei ik lachend, want daar ik
+minder gerookt had dan de anderen, was ik vrij wel in orde. En och, wat
+had ik een pret over Bob, die zoo mooi een kuil gegraven had voor neef
+Pieter, en geëindigd was, met er zelf in te vallen.
+
+'t Regende nog, dat het goot, dus moesten wij onze toevlucht nemen tot
+het priëel, wat wij ook deden. Maar nauwelijks hadden mijn drie vrienden
+zich van benauwdheid op de banken uitgestrekt, waar zij lagen te zuchten
+en te stenen, om zelfs een bevroren hart te doen smelten, -- o heden,
+daar kwam mevrouw van Koorde aan, die eens kwam zien, wat haar zoontje
+uitvoerde.
+
+»Wel Pieter,» klonk het streng uit haar mond, »wat lig je daar
+onbehoorlijk op die bank. Ga recht-op zitten, dadelijk!»
+
+Pieter gehoorzaamde.
+
+»Maar kind, wat zie je doodsbleek! Scheelt er iets aan?»
+
+»Ja Mama! -- ik ben ziek, och, toch zoo ziek!»
+
+»En jij ook, Karel, en jij Robert, je ziet allen doodsbleek! Je hebt
+toch niets gegeten, dat verkeerd was?»
+
+»Neen tante, heusch niet! Pfff, wat ben ik benauwd!»
+
+»Goede hemel! Hier moet iets gebeurd zijn, iets vreeselijks. De dokter
+moet komen, dadelijk, vóór het te laat is. Pieter, mijn lieveling, wordt
+het iets beter?»
+
+»Neen Mama, nog niets. 't Wordt nog veel erger!»
+
+Mevrouw ijlde naar binnen, maar weldra kwam zij terug, gevolgd door
+mevrouw en mijnheer de Wild.
+
+»Wat is hier aan de hand, Bob?» vroeg de laatste. »De volle waarheid,
+hoor jongen, zooals ik dat van je gewoon ben.»
+
+»Ja, Bob, spoedig, spreek, eer het te laat is!» zei zijne Moe, wie ook
+de angst op het gelaat te lezen stond.
+
+»Pa, -- wij hebben -- de vredespijp gerookt,» zei Bob. »Pfff, wat ben ik
+ziek.»
+
+Mijnheer de Wild begon onbedaarlijk te lachen.
+
+»Gerookt? De vredespijp gerookt? Ha-ha-ha! Dat is vermakelijk! Je wist
+toch, dat je niet rooken mocht? Mooi zoo, 't kon niet beter. Die pijp,
+die vredespijp heeft je mooi te pakken. Dat ding past zelf de straf toe,
+die bij het misdrijf behoort. 't Is niets, vrouw, en beste zuster, maak
+je ook maar niet ongerust, 't zal van zelf wel beter worden! Ha-ha-ha!
+'t Is meer dan grappig!»
+
+»Foei, Pieter, foei» zei zijne Mama, »hoe kon je je zelven zoozeer
+verlagen, om te gaan rooken? Je moest je schamen!»
+
+»Ja Mama!» zei Pieter met een diepen zucht.
+
+»Kom, kom!» sprak mijnheer de Wild. »Zij hebben straf genoeg. Heusch,
+vooreerst zullen zij die vredespijp wel met vrede laten. Kom, laten we
+naar binnen gaan.»
+
+Karel Holm stond ook op.
+
+»Ik ga naar huis,» zei hij, toen de familie weg was.
+
+»Adieu! Tot morgen!»
+
+»En ik -- ik ga naar bed!» zei Pieter. »Ik ben doodziek.»
+
+»En wat doet de Woeste Gier?» vroeg ik plagend aan Bob.
+
+»Loop naar de Mookerheide!» duwde Bob mij toe.
+
+»Dank je, dan ga ik liever naar huis,» was mijn antwoord.
+
+Zoo gingen wij ieder onzes weegs.
+
+Maar pret had ik, dat moet ik zeggen.
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+ Hoe ons viertal uit zwemmen ging en doornat thuiskwam.
+ Een vechtpartijtje en eene vreeselijke spookgeschiedenis.
+
+
+Een paar dagen later liep ik na schooltijd op mijne stelten door het
+dorp, toen ik Karel Holm ontmoette, die ook zijne houten onderdanen bij
+zich had. Samen gingen wij Bob afhalen, die, zooals hij dat noemde, nog
+altoos met neef Pieter opgescheept zat.
+
+»Kom je niet spelen?» vroegen we.
+
+»Spelen, -- dat mag Pieter niet; zijne Mama wil het niet hebben. Maar
+hij mag wel wandelen.»
+
+»Nu, laten we dan gaan wandelen,» zei ik.
+
+»Ja, dat is goed,» merkte Karel op, »maar zeg, Pieter, dan moet je je
+rotting thuislaten, hoor. Anders ga ik niet meê!»
+
+Dat vond Pieter goed, en daar hij geen stelten had, besloten wij, de
+onze ook maar bij Bob te laten en te voet onze reis door het leven te
+vervolgen.
+
+Maar dat wandelen begon ons al spoedig te vervelen, en Karel zeide:
+
+»Zeg jongens, -- ik weet wat. Laten we gaan zwemmen. 't Is mooi weer,
+warm zelfs, al is het nog vroeg in het jaar (we schreven, zooals ik
+zeide, begin Juni), en een bad zal ons goed doen.»
+
+»Best,» zei ik. »Waar gaan we het doen?»
+
+»Bij de hut, achter in het land,» zei Bob. »Daar gaan we immers altijd!»
+
+»Afgesproken!» zei Karel. »Dezen kant op, jongens.»
+
+»Dat is te zeggen,» zei Pieter, »zwemmen kan ik niet, en ik weet niet,
+of Mama het wel hebben wil.»
+
+»Ga het dan eerst vragen,» raadde Karel aan.
+
+»Neen, Pieter, niet vragen!» zei Bob. »Ik zou in jou geval maar niet
+gaan zwemmen en toeschouwer blijven.»
+
+»Ja, dat is ook goed,» zei Pieter, die al niet zoo vervelend meer was
+als eerst. Hij was bij Bob onder goede leiding.
+
+Wij gingen dus naar de ons bekende plaats achter in het land. Een smal
+pad voerde daarheen. 't Was er zeer eenzaam, want er stond slechts eene
+enkele hut, die bewoond werd door een arbeidersgezin, bestaande uit man,
+vrouw en drie jongens. 't Was eene zeer onzindelijke familie, en de
+jongens zagen er altoos zóó vuil uit, dat niemand met hen spelen wilde.
+Zij kwamen zeer ongeregeld ter school, soms kwamen zij zelfs wel in geen
+maand. Tengevolge daarvan waren zij natuurlijk zeer achterlijk, wat
+hunne vorderingen betrof. Op het schoolplein beleefden zij ook niet
+veel genoegen, want zij werden door ons allen voor den gek gehouden en
+geplaagd, zoodat er dikwijls vechtpartijen tusschen de andere jongens en
+hen ontstonden. Wij leefden altoos met hen op den voet van oorlog.
+
+Toen wij nu de hut voorbijliepen zagen wij de jongens van Visbeen, zoo
+heetten zij, achter in hun tuin spelen, en zij zagen ons ook, maar zij
+lieten ons ongemoeid voorbijgaan. Trouwens, dat was hun ook geraden,
+want wij waren met ons vieren tegen hen met hun drieën. Zij liepen dus
+veel kans, het onderspit te moeten delven.
+
+Een paar minuten verder lag de beek, waar wij in den zomer gewoon waren
+ons bad te nemen.
+
+Karel, Bob en ik begonnen ons te ontkleeden, wat ons maar een minimum
+van tijd kostte, en sprongen toen vlug te water. Diep was het er niet,
+want het water kwam ons niet hooger dan de borst, zelfs op de diepste
+plaats.
+
+Neef Pieter zat aan den oever naast onze kleêren, en volgde met
+belangstelling onze evolutiën in het natte element. Die waren inderdaad
+ook wel bezienswaardig. Wij hoosden elkander met water, dat er geen
+haartje van ons droog bleef, of wij sloegen met onze vlakke handen zoo
+geweldig op watervlak, dat de droppels hoog boven onze hoofden spatten.
+Dan weer deden we krijgertje, en hadden nooit grooter pret, dan als wij
+een ander bij de beenen konden pakken, waarvan het steêvaste gevolg was,
+dat hij voor-over kopje-onder gedompeld werd. Soms sprong Bob op mijn
+rug en klauterde Karel op dien van Bob, wat een heel vrachtje was, dat
+kan ik verzekeren. Ik was dan »het fundament, waarop het geheele gebouw
+rustte,» zei Karel dan, wiens vader architect was. Maar o jé, als dan
+het fundament instortte! Dan zonk het geheele gebouw onder water en
+kwamen wij alle drie even later weer hoestende en proestende boven.
+
+»Wat gaat dat heerlijk!» riep Pieter ons toe, terwijl hij opstond en
+zich van zijne kleêren begon te ontdoen. »Ik kom er ook in; hier verveel
+ik me, en 't schijnt me zóó prettig toe. Jelui komt er toch nog niet
+uit?»
+
+»O neen,» zei Bob, terwijl hij met eene behendige beweging Karels voet
+greep en hem eene duikeling liet maken, »nog lang niet, Pieter, kom er
+maar bij! Er is nog ruimte genoeg hier, en water ook.»
+
+Het duurde dan ook maar kort, of Pieter stapte met zijn rechterbeen in
+het water, en hij deed het angstvallig genoeg, om ons te doen zien, dat
+het voor hem een zeer ongewoon werk was.
+
+»Hê,» zei hij, zijn voet weer schielijk terugtrekkende, »wat is dat
+koud!»
+
+»O jô, stap er maar flink in, des te spoediger is dat voorbij. Wij
+voelen geene koude meer, nietwaar, jongens?»
+
+»Geen sprake van!» klonk ons antwoord. »Stap er maar in, Pietje. Heusch,
+het zal je meêvallen.»
+
+»Maar 't is zoo koud,» zei Piet weifelend.
+
+»Niet zoo koud, als ongekleed aan den oever te staan,» zei Bob. »Maar je
+moet het zelf weten, hoor.»
+
+Pieter stak opnieuw zijn voet in het water, en toen eenmaal zijn eene
+been tot aan de knie verdwenen was, volgde schoorvoetend zijn andere.
+
+»Brrr,» zei hij. »Wat is het koud.»
+
+Hij beefde inderdaad over zijn geheele lichaam.
+
+Karel en Bob besloten aan zijn weifelen een kort einde te maken. Snel
+liepen zij op hem toe en grepen hem, vóór hij de vlucht had kunnen
+nemen, ieder bij een arm. Toen werd hij met geweld meêgetrokken.
+
+»Brrr -- hè -- hè -- hè -- brrr!» rilde hij. »Lh-ha-ha-haat me lho-hos!»
+zei hij smeekend. »Ik verdrink!»
+
+»Geen nood, Pieter, we zullen je wel vasthouden,» zei Bob. En toen zij
+midden in de beek waren, vervolgde hij tot Karel, met een geheimzinnig
+knipoogje:
+
+»Nu moet hij gedoopt worden, Karel. Eén, twee -- drie, daar gaat
+Pieter!»
+
+»O nh -- he -- heen! Niet onder-dompelen!» smeekte Piet. Maar dat baatte
+hem niet. Door vier sterke armen aangegrepen, dook hij plotseling
+kopje-onder. En nauwelijks kwam zijn hoofd als een natte poedel weer
+boven water, of daar ging hij voor de tweede maal, nog vóór hij
+gelegenheid had gehad, een enkel woord te uiten.
+
+»Driemaal is scheepsrecht!» riep Bob.
+
+En daar ging Pietje voor de derde maal.
+
+»Zie zoo, dat zal hem goed doen,» zei Bob. »Nu ben-je hier burger
+geworden, Pietje!»
+
+»Brrr -- pfff -- o -- wat -- nat! Brrr! Pfff!» kermde Piet, die nu zijne
+vrijheid terug kreeg en hulpeloos midden in de beek bleef staan. Hij
+durfde zich blijkbaar niet bewegen en gevoelde zich te midden van
+zooveel vloeistof in het geheel niet op zijn gemak.
+
+Dat duurde echter maar kort, want wij ontzagen hem niet. Pof, daar
+werden hem door Karel, die ongemerkt onder water naar hem toegeloopen
+was, plotseling de beide beenen onder het lichaam weggetrokken, en
+verdween Piet, zonder een kik te geven en volgens mijne vaste
+overtuiging zonder het zelf te weten, totaal onder water.
+
+»Wat was dat? Brrr, pfff! Wat was dat?» vroeg hij ontsteld. »Er trok me
+iets aan de beenen!»
+
+»'k Weet het niet!» zei Karel, die zich al weer een heel eind verder
+bevond.
+
+»Wat kan dat toch geweest.....»
+
+O hé, daar verdween Piet alweer! Nu had Bob hem denzelfden dienst
+bewezen. Och, och, wat moesten wij toch lachen. Maar nu begon Pietje
+toch te begrijpen, dat wij een loopje met hem namen. Hij vroeg niets
+meer, maar begon zich langzaam te bewegen. En nu hij bemerkte, dat hij
+dit zeer gemakkelijk kon doen, kreeg hij er zelfs schik in. Nu duurde
+het nog maar kort, of hij danste in het water van pleizier.
+
+»Wat is men licht in het water, zoo licht als een veêrtje,» zei hij. »'k
+Vind het hier heerlijk.»
+
+»Krijgertje doen?» vroeg ik.
+
+»Ja wel, ik ben hem!» zei Bob.
+
+Nu werd het een loopen, draven en zwemmen, van wat ben je me! De golven
+liepen hoog tegen den wal op, zooveel drukte maakten we. En in het vuur
+van ons spel verwijderden we ons veel verder van onze kleeren, dan
+voorzichtig genoemd mocht worden. Trouwens, we dachten aan geen gevaar
+en allerminst aan de Visbeentjes, met wie wij toch steeds op een
+vijandigen voet stonden.
+
+Wij dachten pas aan hen, toen wij hen aan den oever zagen verschijnen,
+-- maar toen was het laat.
+
+»Gooi in het water -- die kleeren!» hoorden wij een van hen zeggen.
+
+»Durf je niet?» vroeg een ander. »Ik wèl!»
+
+»En dan graszoden er bovenop, dan zinken ze!» zei de derde met een
+grijnslach. »Maar vlug dan, want ze komen al terug!»
+
+Ja, dat deden we juist, en wel zoo snel als we konden, want we begrepen
+zeer goed, welk gevaar ons dreigde. Die jongens waren tot alles in
+staat.
+
+Bob meende ze nog angst aan te jagen, door hen te bedreigen met alles,
+wat onpleizierig is, of althans ze daardoor een oogenblik op te houden,
+ten einde tijd te winnen.
+
+»Als je 't hart hebt, om onze kleêren aan te raken!» riep hij hun toe.
+»Wacht je dan voor de gevolgen!»
+
+Maar zij waren onvermurwbaar.
+
+Met eene vlugge beweging werden al onze kleeren in het water geworpen en
+groote graszoden daarop gegooid, om ze te doen zinken.
+
+In een oogenblik waren Bob, Karel en ik op den wal, om ons zoo mogelijk
+te wreken, maar helaas, tot onze groote spijt zetten de plaaggeesten het
+op een loopen en brachten zich in hun huis in veiligheid. Wat waren wij
+kwaad!
+
+»Als ik ze in handen krijg, wrijf ik ze tot mosterd!»
+
+»Dan gooi ik ze te water met kleêren en al aan!» voorspelde Karel. »Die
+apen!»
+
+»Waren het maar apen!» zei ik. »Dan konden wij ze naar Artis sturen en
+dan hadden wij er geen last aan. 't Is eene mooie geschiedenis: al ons
+goed is door- en doornat. Wat moeten we nu doen?»
+
+»En wat zal Mama wel zeggen,» kreunde Pieter, die niet zwemmen mocht.
+Wij hadden daar geen zorg over, want wij hadden permissie. »Al mijne
+kleeren zijn gezonken! Wat moet ik nu beginnen?»
+
+»Ze opvisschen, jô,» zei Bob. »Dat is het eenige, wat ons overschiet.»
+
+»En dan?»
+
+»Ze aantrekken!»
+
+»Maar ze zijn slijknat!» steende Pieter, wien het huilen nader stond dan
+het lachen.
+
+Wij stapten in het water en begonnen onze eigendommen op te duiken.
+
+»Hier heb ik mijn hemd al vast!» zei ik, met iets wits boven de
+oppervlakte verschijnende.
+
+»Dat zou je wel willen,» zei Bob grinnekend. »'t Is het mijne, Kareltje.
+Hier heb ik een borstrok! Van wien is die? Van mij is hij niet, dat zie
+ik wel.»
+
+»O, 't is de mijne,» snikte Pieter, die hoe langer hoe bedroefder werd.
+
+»Leg hem maar op den kant,» zei Bob.
+
+»Ik heb twee schoenen!» riep Karel.
+
+»En ik eene kous!» juichte ik.
+
+»Gooi alles maar op een hoop,» zei Bob, »dan kunnen we het straks wel
+sorteeren.»
+
+»Eene broek!»
+
+»Nog eene!»
+
+»En eene blouse! Weer twee schoenen!»
+
+»Hier is een hemd!»
+
+Al dergelijke kreten wisselden elkander af. Over het geheel bekeken
+wij de zaak nog al van den vroolijken kant. Trouwens, het was ook onze
+schuld niet, en wij zouden er stellig geen straf voor oploopen. Alleen
+Pieter kon er het vroolijke niet van inzien. De tranen liepen hem
+eindelijk langs de wangen, en hij stond aan den oever te midden van onze
+natte kleeren, als het beeld der wanhoop.
+
+»Och, och, wat moet ik toch beginnen?» jammerde hij. »Was ik maar niet
+met jelui meêgegaan en had ik maar niet gezwommen!»
+
+»Kom Pietje, zeur nu niet, asjeblieft, want daar komen we niet verder
+meê. Help liever de kleêren uitzoeken, want alles ligt door elkaar.»
+
+»En moeten we dat nu zoo nat en wel aantrekken?» vroeg Piet op
+schreiënden toon, terwijl hij zijn flanellen hemd tusschen vinger en
+duim omhoog hield, om ons te doen zien, hoe het water er uitdroop.
+
+»We zullen je wel helpen, wacht maar even. Kijk, neem jij nu het
+ondereinde, dan zal ik den anderen kant nemen,» zei Bob, die medelijden
+met hem begon te krijgen. »Mooi zoo, nu draai jij van links naar rechts
+en ik in de tegenovergestelde richting. Ferm zoo, -- toe maar, zoo stijf
+als je kunt. Zie je, zoo wringen wij er al het water uit, tot er bijna
+geen droppeltje inblijft.»
+
+»Dat is een goed voorbeeld, Karel!» zei ik. »Laten wij het ook doen.
+Droog worden onze kleeren er wel niet door, maar het meeste water raken
+wij er toch door kwijt.»
+
+»Accoord, Dorus!» zei Karel. »Ik ben tot je dienst. Hier heb ik eene
+pantalon. Pak aan, jij de pijpen en ik het boveneinde. En nu -- draaien
+maar. Ha, wat loopt dat water er uit! Toe maar, Dorus, draaien, draaien,
+zoo hard je kunt. Zoo gaat het goed!»
+
+»Jammer, dat we geen mangel hebben!» riep Bob.
+
+»Of een strijkijzer!» zei ik.
+
+»Dat hindert niet!» zei Karel. »Als het maar droog wordt!»
+
+»Ja, -- zoo droog, dat Mama er niets van merkt!»
+
+»Neen Piet, daar behoef je niet op te rekenen, hoor. Of je moet je een
+paar uren te bleeken leggen!»
+
+»Nu de kousen!» zei ik, toen we de pantalon weer in haar fatsoen
+gebracht hadden, althans voor zoover ons mogelijk was.
+
+Zoo kreeg elk kleedingstuk eene beurt, en ten laatste waren we zoover
+gevorderd, dat we ons weer konden aankleeden. Brrr, wat was dat natte
+goed koud! Piet had het er 't kwaadst mede. Hij rilde, dat de Visbeenen
+hem bij de hut wel hooren konden, en die akelige jongens stonden ons in
+den tuin nog uit te lachen op den koop toe.
+
+»Hoe wou ik, dat ik ze eens te pakken kon krijgen,» zei Bob met gebalde
+vuisten. »Wat zou ik ze trakteeren!»
+
+»En ik!» riepen Karel en ik. »Niets liever dan dat!»
+
+»Kom jongens, zijn we klaar? Laten we dan gaan!» zei Bob.
+
+»Ja,» zei Karel, -- »en we moeten hard loopen, om warm te worden. Ik ben
+door en door koud!»
+
+»Uitstekend! Vooruit, -- daar gaan we!»
+
+Ja, daar gingen we, zoo hard we konden. Eerst was het wel een zeer
+onaangenaam gevoel, al die natte kleêren, maar daar was nu eenmaal niets
+aan te veranderen.
+
+In gestrekten draf, en zonder de hut en hare bewoners met een enkelen
+blik te verwaardigen, keerden we huiswaarts, door en door boos op de
+laffe jongens, die ons deze poets gespeeld hadden. Wij vonden het eene
+verbazend flauwe aardigheid, waartoe wij ons nooit zouden geleend
+hebben.
+
+Plotseling hoorden wij een luid gejuich achter ons, dat aangeheven
+werd door de Visbeentjes, en weldra bemerkten wij, dat we door hen
+achtervolgd werden. Ook scholden zij ons uit, voor alles wat leelijk
+was, wat wij ook nooit deden. Schelden vonden wij een kinderachtig
+vermaak, waarboven wij ons verheven achtten.
+
+Uit een en ander maakten wij op, dat de Visbeenen aan onzen snellen
+aftocht eene geheel verkeerde uitlegging gaven. Blijkbaar verkeerden zij
+in den waan, dat wij bang voor hen waren en daarom overijld het hazenpad
+kozen.
+
+»Ik geloof, dat zij ons achtervolgen!» zei ik.
+
+»Hoor ze eens schelden, die dappere Visbeenen!» smaalde Karel, die erg
+boos op hen was.
+
+»Au!» zei Piet, zich haastig bukkende, »daar krijg ik een steen op mijn
+hoofd! Ze gooien!»
+
+»Laat ze hun gang maar gaan!» raadde Bob aan. »Ze schijnen te meenen,
+dat wij bang voor hen zijn. Niet te hard loopen, jongens, opdat ze wat
+naderbij komen. Als ze dan dicht genoeg bij ons zijn, draaiën we ons
+eenklaps om, en geven hun de straf, die hun eerlijk toekomt.»
+
+Die raad was goud waard. Wij namen den schijn aan, alsof we bang waren
+en aan onze vervolgers trachtten te ontkomen, die daardoor hun moed
+voelden wassen en niet ophielden met schelden en gooien.
+
+»Nog eventjes!» zei Bob. »Ik zal tot drie tellen, hoor. Bij den derden
+tel keeren we ons eensklaps om en overvallen hen. Wat zullen ze vreemd
+opkijken. Nu, -- daar gaat hij!»
+
+»Een!»
+
+Bob wachtte een oogenblik.
+
+»Twee!»
+
+Wij hielden onze vaart wat in, en waren gereed om te zwenken.
+
+»Drie! Valt aan!»
+
+Eensklaps maakten wij rechtsomkeert en ijlden onze vervolgers tegemoet,
+die iets dergelijks in het geheel niet verwacht hadden en ons bijna in
+de armen vlogen. Wat was dat een leuk gezicht.
+
+O, wat hadden zij nu graag den dans willen ontspringen, en wat deden zij
+daartoe hun best, -- maar 't was te laat.
+
+In minder dan geen tijd hadden Bob, Karel en ik ieder een van de
+vijanden te pakken, terwijl Pieter toeschouwer bleef en niet ophield,
+ons aan te moedigen. Dat laatste was echter niet noodig, want wij waren
+boos genoeg, om hen niet te ontzien. Och, och, wat hebben we die jongens
+toen een zeldzaam pak slaag gegeven. Nu, ze hadden het dubbel en dwars
+verdiend. Telkens probeerden zij om te ontvluchten, maar dat ging
+niet. Wij sloegen hen links en rechts om de ooren, zoodat zij het
+uitschreeuwden van pijn en angst.
+
+»Dáár! Dáár!» riep Bob bij elke versnapering, die hij zijn vijand
+toediende. »Als je nog meer wilt hebben, moet je het maar zeggen. Ik heb
+eene gulle bui vandaag!»
+
+Eindelijk gelukte het aan twee van de drie aan onze handen te
+ontsnappen en hun heil in de vlucht te zoeken. Maar de derde kwam
+er het allerslechtst af. Eerst had Karel hem een geducht pak slaag
+gegeven, zoo erg, dat de jeugdige Visbeen er de sterretjes van voor de
+oogen kreeg, en toen pakte Karel hem met zijne krachtige armen beet en
+wierp hem pardoes in eene sloot, die langs het landpad liep. Het gaf
+een plomp van belang en het water spatte ons om de ooren. Karel had
+gedurende de geheele afstraffing geen woord gesproken, maar toen zijn
+vijand weer met zijn hoofd boven den kant van den sloot uitkwam,
+knikte hij hem vriendelijk toe, en zeide tot hem:
+
+»Dat had ik je in mijne gedachten beloofd, weet je?»
+
+»Hê, 't spijt me, dat ik het ook niet gedaan heb!» zei Bob.
+
+Schreeuwende ging de jongen naar zijn huis, en wij vervolgden onzen
+tocht. Wij waren van dat vechtpartijtje heerlijk warm geworden en waren
+zeer tevreden over onszelven.
+
+»Daar hebben we ze lekker te pakken gehad!» lachte Bob.
+
+»Ze hadden het dubbel verdiend!» sprak Karel. »Ik denk, dat ze ons
+voortaan wel met rust zullen laten, als we weer gaan zwemmen.»
+
+»Dat zullen ze ongetwijfeld!» meende ik.
+
+Wij waren nu het dorp genaderd en sloegen na een korten groet ieder
+den weg in naar onze woning. Daar Bob, Karel en ik van onze ouders
+toestemming hadden om in de beek te gaan zwemmen, behoefden wij niet te
+vreezen, dat wij straf zouden krijgen. Eerst had het wel eenige moeite
+gekost, om die toestemming te verwerven, maar nadat Pa de bewuste plaats
+zelf onderzocht had en tot de slotsom gekomen was, dat daar geen gevaar
+te vreezen was, hadden wij het gevraagde verlof verkregen. Voor Pieter
+evenwel was de zaak veel erger, want zijne Mama was vreeselijk bang voor
+dergelijke vermaken en bovendien -- hij had het gedaan, zonder verlof te
+vragen, iets, wat wij nooit deden.
+
+'t Was dus geen wonder, dat zijne Mama zeer boos was, en hem tot straf
+dadelijk naar bed zond. Bovendien mocht hij den volgenden avond niet
+naar buiten, tot groote ergernis van Bob, die nu ook verplicht was,
+thuis te blijven. Nu hadden Karel en ik wel naar hen kunnen gaan, maar
+-- wij werden niet toegelaten. Bob en Pieter moesten dus elkander maar
+zien te troosten. Dat deed Bob dan ook op eene heel vreemde manier. Daar
+hij gemerkt had, dat Pieter 's avonds in het donker nog al bang was,
+maakte Bob zich meester van een zwavelstok en ging daarmede naar de
+slaapkamer van Pieter. Daar teekende hij met het gezwavelde einde,
+juist op eene plaats, waar Pieter het wel moest zien, een groot
+doodshoofd op het behangsel. Zoolang het licht was, bleef dat
+vriendelijke beeld onzichtbaar, maar in het donker grijnsde het den
+toeschouwer allerakeligst aan.
+
+Bob stelde zich daar heel wat genoegen van voor, en vond het alleen maar
+jammer, dat Karel en ik niets van die grap zouden genieten.
+
+Den geheelen avond vermaakten hij en Pieter zich samen in den tuin. Nu
+eens tolden zij, of waren zij aan het knikkeren, dan weer vingen zij
+vlinders, of trachtten zich meester te maken van de weinige meikevers,
+die al te voorschijn waren gekomen.
+
+Pieter had die diertjes nog nooit gezien en stelde zich voor, er in
+Amsterdam veel genoegen van te kunnen beleven, als hij ze daar had. Wie
+weet, hoe 'n voordeeligen handel hij misschien nog wel in dat artikel
+zou kunnen drijven, want hij twijfelde niet, of al zijne schoolkennissen
+zouden er graag een willen hebben.
+
+»Zeg Bob, zou je er mij eenige willen zenden, als ik weer thuis ben? Je
+zoudt me daar een bijzonder groot genoegen mede doen.»
+
+»Meikevers zenden?» vroeg Bob, met eene ondeugende flikkering in zijne
+oogen, want hij dacht er aan, welk een vreeselijken afkeer zijne deftige
+Tante van die onschuldige diertjes had. »Aan jou?»
+
+»Ja, aan mij. Ik zou er graag eenige van je hebben, als 't mogelijk is.»
+
+»'k Beloof het je, hoor! Je kunt er op rekenen. Ik zal ze je sturen met
+den looper. Die gaat toch elken Zaterdag naar Amsterdam, dan komt het
+niet zoo duur. Voor een dubbeltje of drie stuivers heb-je ze thuis.»
+
+»Dat is dan afgesproken,» zei Pieter.
+
+Eindelijk begon de avond te vallen en werd het tijd om naar binnen te
+gaan. En na nog een poosje in de huiskamer te hebben vertoefd, gingen
+zij naar bed. Hunne slaapkamers lagen naast elkander, en de ledikanten
+waren slechts door een houten beschot gescheiden.
+
+Eerst maakten zij nog wat grappen op Pieters slaapkamer, omdat daar
+licht aangestoken was. Bob ging zomers altijd in donker naar bed.
+
+»Zeg Pietje, willen wij nog eens eene pijp rooken?» vroeg Bob lachend.
+»Ik heb nog wel tabak.»
+
+»Dank je hartelijk,» zei Piet met alle teekenen van den grootsten
+afkeer. »Die eerste pijp zal ik niet licht vergeten. Och, och, als ik er
+aan denk, word ik nu nog ziek.»
+
+»Wel te rusten dan!» zei Bob.
+
+»Slaap lekker!» was Pieters wensch.
+
+Bob lag spoedig in bed, afwachtende de dingen, die komen zouden.
+Eindelijk hoorde hij in de andere kamer beweging aan de lamp, want het
+was erg gehoorig, en daarna het kraken van Pieters ledikant.
+
+Het bleef geruimen tijd stil. Zou Piet het doodshoofd misschien niet
+zien? Maar neen, dat kon niet; als hij zijne oogen open had, mòèst hij
+het zien. Doch wellicht had hij zijne oogen gesloten, en dan kwam er
+van de grap niets. Opeens hoorde hij het ledikant van Pieter weer zacht
+kraken. Hij hoorde ook, hoe zijn neef zich langzaam, uiterst langzaam
+oprichtte in bed. In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de
+oogen stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld, en hij lag te
+schudden in zijn bed van 't lachen.
+
+[Illustration: In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen
+stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag. 127).]
+
+Hoor, daar werd zacht, bijna onhoorbaar tegen het schot getikt. Hij
+tikte zacht terug.
+
+»Bob!» werd er gefluisterd. »Bob!»
+
+»Wat is er?» riep Bob tamelijk luid terug.
+
+»Ssss! -- Ssss! -- 't Is hier niet -- in orde, Bob!» hoorde hij Piet
+fluisteren.
+
+»Dieven?» vroeg Bob terug.
+
+»Neen -- erger, Bob. Een -- spook.»
+
+»Kom dan hier!» zei Bob zacht. »Wat zie je?»
+
+»Een gloeiend doodshoofd! Hu -- zoo akelig. Ik durf niet, Bob. Kom jij
+hier!»
+
+»Dank je!» zei Bob. »Ik blijf liever hier!»
+
+'t Werd weer stil in Pieters kamer.
+
+Maar die stilte duurde niet lang. Bob, die moeite had, om niet in een
+schaterlach uit te barsten, hoorde opnieuw een heel zacht kraken van het
+ledikant, daarna een schuifelen over den vloer, en toen werd zijne deur
+geopend en kwam Piet binnensluipen.
+
+»O Bob,» zei hij, en zijn plaaggeest hoorde, hoe hij beefde van angst,
+»wat afschuwelijk. Een doodshoofd is er, een gloeiend doodshoofd, dat
+mij voortdurend aangrijnst. O, Bob, wat moet ik nu beginnen? Ik beef van
+angst.»
+
+»Kruip diep onder de dekens, Piet, en laat hem grijnzen,» was Bobs
+hardvochtige raad. »Wat doe je ook je oogen open te houden, als je op
+bed ligt; dan behooren zij gesloten te zijn.»
+
+»O neen, dáár durf ik niet weer heen!» zuchtte Pieter; »voor geen geld
+ga ik dáár slapen! 't Is afschuwelijk, Bob.»
+
+»Wat wil je dan?»
+
+»Kan ik niet bij jou slapen, Bob? Toe maar, asjeblieft.»
+
+»Onmogelijk, Piet. Dit is maar een één-persoons ledikant. We kunnen er
+onmogelijk met ons beiden in.»
+
+»Toe maar, Bob, ik zal me zoo klein maken als ik maar kan; toe Bob,
+asjeblieft?»
+
+»Onmogelijk. Maar ga naar Pa; die is stellig nog op, en zal ongetwijfeld
+een onderzoek instellen.»
+
+»O, -- maar dan moet ik alleen de trap af!» zuchtte Piet, bevende van
+ontsteltenis bij de gedachte, dat hij zich alleen en in donker naar
+beneden moest begeven.
+
+»Jij bent ook overal bang voor,» zei Bob. »Ik wed, dat er niet eens iets
+op je kamer is, om bang voor te wezen.»
+
+»O ja, Bob, echt waar, ga dan zelf maar kijken, dan zul-je het zien. Een
+afschuwelijk doodshoofd! Hu, 't is om te rillen.»
+
+Bob vond, dat de grap nu lang genoeg geduurd had.
+
+»Ga dan maar meê, bang Pietje,» zei hij, terwijl hij lachend uit zijn
+bed sprong.
+
+Hij liep regelrecht naar Pieters slaapkamer, tot groote verbazing van
+zijn neef, die zich maar niet begrijpen kon, waar hij al dien moed
+vandaan haalde.
+
+»Waar is nu het spook?» vroeg hij.
+
+»Aan den muur!» klonk het benauwd uit Piets mond.
+
+»'t Is niets, hoor Piet, kom maar hier,» zei Bob lachend. »Je hebt je
+weer eens leelijk te pakken laten nemen, neefje. Ha-ha-ha-ha!»
+
+Pieter kwam behoedzaam nader.
+
+»Dáár is het, -- dáár, vlak voor je!» zei hij huiverend, toen hij om den
+hoek van de deur keek.
+
+»Och, bange Piet, dat prentje heb ik er van middag opgeteekend met een
+zwavelstok. Kijk, hier heb-je nog een tweede spook!»
+
+Bob nam den zwavelstok, dien hij op den grond had neergelegd, en
+teekende met enkele strepen een tweede doodshoofd, niet weinig lachende
+om de vrees van Pieter-neef. Deze kwam nu ook naderbij en zeide, niet
+zonder schaamte:
+
+»Hé Bob, doe je dat met een zwavelstok? Dat is een aardig kunstje,
+waarvan ik nog nooit gehoord had. Dat moet ik ook eens leeren.»
+
+»Ben je nu nog bang, Pietje?» vroeg Bob. »Of wil ik Pa roepen?»
+
+»O neen, dank je! Maar waarom plaag jij me toch altoos zoo, Bob?»
+
+»Omdat ik het bij Karel of Dorus niet behoef te probeeren, Piet; zij
+zijn er niet vatbaar voor, zie je, en jij wel. Dat is de reden. Slaap
+lekker, Piet!»
+
+»Goeden nacht!»
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+ Hoe Bob uit hengelen ging en door de verschijning van
+ twee vreemdelingen zijn tijd bijna vergat. Hoe hij in
+ figuurlijken zin steentjes moest gaan tellen en het in
+ eigenlijken zin deed. De berenleider en zijn metgezel.
+
+
+Een paar dagen later had Bob zijn tijd bijna verhengeld. Hij was
+bijzonder vroeg opgestaan, had inderhaast ontbeten, en was met zijn
+hengel over den schouder even buiten het dorp gewandeld, om eens prettig
+vóór schooltijd nog een paar uurtjes te visschen. Pieter lag nog te bed.
+Die stond nooit voor half acht op. Eerst had Bob nog wel eens moeite
+gedaan, om hem ook tot opstaan te bewegen, maar toen hij bemerkte, dat
+Piet 's morgens veel liever op bed bleef, had hij die moeite gestaakt.
+
+Bob hengelde dus geheel alleen, en vermaakte zich kostelijk, want de
+baars wilde dien morgen buitengewoon goed bijten, en het gelukte hem,
+menig vischje te verschalken. Hij vermaakte zich zóó goed, dat hij zijn
+tijd geheel vergat en niet aan de school dacht, vóór het bijna te laat
+was. Om negen uur ging de school aan, en de torenklok wees al tien
+minuten voor negenen, eer hij er aan dacht.
+
+»O heden!» mompelde hij. »'t Is al bijna te laat, maar als ik hard loop,
+kan ik er nog juist op tijd zijn. 't Is echt jammer, dat ik nu moet
+ophouden, want de baars bijt van morgen bijzonder goed.»
+
+Hij slingerde zijn snoer om den stok en wilde zich juist naar school
+begeven, toen zijne aandacht getrokken werd door een kermiswagen, die
+langzaam het dorp naderde.
+
+Bob bleef staan.
+
+Een kermiswagen was een voorwerp, dat hem altoos buitengemeen boeide.
+Hij vond dat een zeer belangwekkend vervoermiddel. Toch zou hij er de
+school niet om vergeten hebben, -- want de meester was erg streng,
+dat wist hij bij ondervinding, -- indien hij niet had opgemerkt, dat
+naast dien wagen een groot, log dier liep, een dier, dat nog veel
+belangwekkender was dan de wagen, want het was niets meer of minder dan
+een groote, bruine beer. Bij de verschijning van dat beest vergat Bob
+de geheele school.
+
+Zoodra de berenleider het eerste huis van dorp bereikt had, begon hij
+op eene dwarsfluit te spelen en verhief bruintje zich op hetzelfde
+oogenblik op zijne achterpooten. Het logge beest scheen zoo waar te
+dansen, tot groot vermaak van Bob. De kermiswagen was doorgereden. Dat
+onzen Bob het scheiden moeilijk viel, behoef ik niet te zeggen. Wij
+zaten allen al op de schoolbanken, en waren al begonnen te lezen, toen
+zijne plaats nog ledig bleef.
+
+»Waar blijft Bob de Wild van morgen?» vroeg de meester. Doch wij wisten
+het niet.
+
+»Hij is toch niet ziek?» klonk weer 's meesters vraag. Weer moesten wij
+het antwoord schuldig blijven.
+
+»Lees maar door, Anna!»
+
+Juist begon Anna het bevel op te volgen, toen de deur geopend werd en
+Bob, rood van het harde loopen, binnen kwam.
+
+»Dag meester,» klonk het zacht van zijne lippen.
+
+»Dag Bob. Waar kom jij zoo laat vandaan?»
+
+»Van buiten, meester.»
+
+»Ja, dat spreekt vanzelf. Maar waarom kom je zoo laat?»
+
+Bob keek zwijgend voor zich op den grond.
+
+»Ik hoor niets, Bob. Kun-je niet spreken?»
+
+»Ik was aan het hengelen, meester, en.....»
+
+»Ha zoo, heb jij je tijd verhengeld? Dat is ferm van je, niet waar,
+Bob?»
+
+Bob mompelde zoo iets van: »Kon 't niet helpen,» maar veel verstonden
+wij er niet van.
+
+»Niet helpen?» vroeg de meester gestreng. »Dat is eene kinderachtige
+uitvlucht, Bob, waar zich alleen flauwe zielen achter verschuilen. Je
+kunt gaan zitten, maar moet om twaalf uur nablijven. 't Spijt me wel,
+maar ik kan er niets aan doen.»
+
+Bob nam plaats. Hij en ik zaten dicht bij elkander. Eerst deed hij, of
+hij met aandacht las, maar weldra gaf hij ons door allerlei teekens te
+kennen, dat er iets bijzonders aan de hand was.
+
+»Daar kwam ik goed af. Ik was bang, dat ik steentjes zou moeten tellen,»
+fluisterde hij ons toe. Wij deden ook, of wij de les geregeld volgden,
+maar inderdaad ontging ons geen woord, van hetgeen Bob zeide.
+
+Wij wisten wel, wat hij met »steentjes tellen» bedoelde. In het portaal
+was geen planken vloer; die bestond daar uit mooie glimmende tegels,
+welke aan elkander gemetseld waren. Nu had de meester de gewoonte, als
+hij heel boos op een van de leerlingen was, hem in het portaal te
+zetten, wat hij den patiënt gewoonlijk beval met de woorden:
+
+»Ik kan je hier vanmorgen niet langer gebruiken, jongen. Ga jij maar
+steentjes tellen.»
+
+Dat was eene zware straf voor ons, want wie eenmaal in het portaal
+terecht kwam, moest er den geheelen morgen blijven, en kreeg dan nog
+zooveel strafwerk na schooltijd, dat er van zijn speeluur niets
+overschoot.
+
+Bob was er dus van overtuigd, dat de meester hem zeer genadig behandeld
+had, door hem geen steentjes te laten tellen, alias in het portaal te
+zetten.
+
+»Die volgt!» zei de meester. »Bob, ik geloof, dat je slecht oplet. Pas
+op, dat ik je niet nog meer straf moet geven.»
+
+Bob keek strak in zijn boek, en de volgende leerling begon te lezen.
+Maar Bobs aandacht was in het geheel niet bij zijn werk. Onophoudelijk
+moest hij aan den beer en diens eigenaar denken, en zijn nieuws brandde
+hem op de tong. Naar het lezen luisterde hij niet; hij hoorde bijna niet
+eens, dat er gelezen werd.
+
+»Jongens!» fluisterde hij Karel en mij toe.
+
+Wij waren geheel oor, maar zorgden wèl, niet uit ons boek op te zien.
+
+»'k Heb nieuws!» fluisterde Bob weer.
+
+»Bob de Wild, lees verder!» gebood de meester.
+
+O heden, dat was mis voor Bob. Zijne oogen dwaalden van boven tot
+beneden op de bladzijde, waar wij aan het lezen waren, maar hij vond den
+laatsten zin, dien hij gehoord had, niet.
+
+»Je krijgt eene slechte aanteekening, Bob de Wild,» klonk het gestreng
+uit 's meesters mond. »Je straf om twaalf uur wordt verdubbeld. Lees
+verder, Jacob de Haas.»
+
+Jacob de Haas, het eenige joodje, dat wij op school hadden, ging met
+lezen voort, en Bob keek stijf in zijn boek.
+
+»Waarom leest dat Joodje (want zoo noemden wij Jacob de Haas altijd) ook
+niet wat harder?» mompelde hij. »Dan zou ik het wel geweten hebben.
+Wacht maar, dat zal ik hem om twaalf uur wel betaald zetten. -- O jé,
+waar is het nu ook al weer? Wacht, dáár!»
+
+»Die volgt!» klonk het weer.
+
+Nu was een meisje aan de beurt. Anna van Egge heette zij en zij las een
+weinig binnensmonds. Wij moesten altoos goed toeluisteren, om haar te
+kunnen volgen. Maar Bob luisterde dien morgen al bijzonder slecht.
+Zooals hij ons later vertelde, moest hij onophoudelijk aan dien beer
+denken. Ook brandde hij van verlangen, om het ons te vertellen, want hij
+wist, dat het voor ons een belangwekkend nieuwtje was.
+
+»Jongens!» fluisterde hij weer.
+
+Wij knikten bijna onmerkbaar, ten teeken, dat wij luisterden, maar wij
+zagen niet op.
+
+»Er is een berenleider op het dorp,» hoorden wij Bob lispelen.
+
+Dat was nieuws naar ons hart. Ook wij begonnen onoplettend te worden,
+wat het lezen betrof, maar niet wat het nieuws van Bob aanging.
+
+»Met een beer?» vroeg Karel Holm zacht, terwijl zijne oogen flikkerden
+van pleizier.
+
+»Ja, -- een grooten, bruinen beer.»
+
+»Waar is hij?» waagde Karel nog eens te fluisteren.
+
+»Bij den ontvanger zag ik hem. Hij kan dansen.»
+
+»Ho!» beval op dat oogenblik de meester, en Anna van Egge hield met
+lezen op. »Bob! Je let in het geheel niet op, en ik zie mij genoodzaakt
+je streng te straffen. Vervolg eens, waar Anna gebleven is!»
+
+'t Was doodstil in de klasse. Van ganscher harte hoopten wij, dat Bob
+een gelukkig oogenblik in zijn leven zou hebben en toevallig bij het
+goede woord zou beginnen, want wij hoorden aan de stem van den meester,
+dat hij slechts met moeite zijne drift kon bedwingen. Eene geduchte
+straf zou anders stellig Bobs deel zijn.
+
+Doch Bob had zulk een gelukkig moment in zijn leven niet, en dat kòn ook
+niet, omdat hij de verkeerde bladzijde voor zich had. Hij had vergeten,
+om te slaan, omdat hij niet oplette. Eerst zocht hij overal, om het
+goede woord te vinden, doch toen zijne zoekende blikken het nergens
+ontmoetten, begon hij maar op goed geluk af. Och, och, wat had hij het
+ver mis!
+
+»Daar is het niet, ondeugd!» zei de meester boos. »Je bent waarlijk
+niet eens op de goede bladzijde. Welke geest is er dezen morgen in je
+gevaren? Eerst kom je te laat op school, en dan gedraag je je zóó, dat
+je zelfs den zachtmoedigsten mensch driftig zoudt maken!»
+
+Nu, dat was niet waar, want onze meester was ver van zachtmoedig.
+Integendeel, hij was algemeen bij ons gevreesd om zijne strengheid. Wij
+hoorden, hoe hij hoe langer hoe driftiger werd, en eindelijk gebeurde,
+wat wij al sedert lang hadden zien aankomen. Daar verhief 's meesters
+rechterarm zich in de hoogte en strekte hij zijne hand gebiedend uit
+naar de deur.
+
+»Ga uit de klasse, jongen, ik kan je hier niet langer gebruiken. Ga
+steentjes tellen!»
+
+Bob bleef zwijgend zitten.
+
+»Hoor je me niet, Bob? Ga steentjes tellen, zeg ik.»
+
+»Meester, ik zal beter opletten,» zei Bob.
+
+»Te laat, Bob! Ten derden male zeg ik: ga steentjes tellen!»
+
+Die laatste uitdrukking was oorspronkelijk als eene grap bedoeld, maar
+wij vonden haar in het geheel niet grappig. Bob ook niet, want hij moest
+allerminst lachen op dit oogenblik. Hij stapte de bank uit en ging met
+neergeslagen oogen naar het portaal. Hij deed de deur achter zich dicht.
+
+'t Werd weer stil, nu zelfs doodstil in de klasse. De meester keek erg
+boos.
+
+»Ga voort, Anna van Egge!» gebood hij.
+
+En korten tijd daarna was het weer:
+
+»Die volgt!»
+
+Zoo las de geheele klas. Toen werden de boeken opgeborgen en begon de
+rekenles.
+
+Wij deden onze uiterste best, uit vrees, dat ook wij straf zouden
+oploopen. En toen nu de meester zag, hoe flink wij opletten, begon zijn
+gelaat ook wat vriendelijker plooi aan te nemen. Hij was wel streng,
+maar niet onbillijk, en tot zijne eer moet ik zeggen, dat hij zulke
+zware straffen altoos met grooten tegenzin oplegde. Wij konden altoos
+aan hem zelf zien, dat het hem pijn deed.
+
+Intusschen stond Bob diep verslagen in het portaal. Weg was ineens al
+de pret, die hij zich van het middaguur voorgesteld had, als de beer
+althans dan nog niet vertrokken zou zijn. Daarvoor behoefde evenwel niet
+bijzonder veel vrees te bestaan, want ons dorp was te groot, om door een
+berenleider op een enkelen morgen »afgewerkt» te kunnen worden.
+
+»En dan kan ik hier in die nare school blijven en strafwerk maken,
+terwijl alle jongens de grootste pret hebben,» morde Bob, die erg boos
+was op den meester. »Hij is ook altoos zoo streng. Maar ik weet, wat ik
+doe: ik loop weg, ja, dat doe ik. De meester kan schoolhouden, wien hij
+wil, maar mij snapt hij niet, want den beer moet ik zien, het koste wat
+het wil!»
+
+Toen Bob over dit besluit echter een weinig dieper doordacht, waarmede
+hij eigenlijk had moeten aanvangen, begon hij hoe langer hoe meer te
+beseffen, dat hij daar toch ook zeer weinig genoegen van zou beleven,
+want de meester zou hem stellig voorbeeldeloos straffen en bovendien
+zou zijn Pa hem ook terdege onderhanden nemen.
+
+Neen, dat ging toch niet, zooals hij zelf zeer goed inzag.
+
+»Ik wou, dat de meester mij voor dezen keer maar eens vrijliet,»
+mompelde Bob, »maar dat zal hij wel niet doen, want dat doet hij bijna
+nooit. Enfin, 't is eenmaal zoo; er zit niet anders op, dan mijn lot met
+gelatenheid te dragen. Waar zou de beer nu zijn? Wacht, misschien kan ik
+hem zien, -- door het raam. Laat ik kijken!»
+
+Bob deed, wat hij zeide, en waarlijk -- na eenig zoeken ontwaarde hij
+bruintje voor het huis van dokter Doreman. Hij zag, hoe vele menschen
+naar het verscheurende dier stonden te kijken.
+
+»Ha! Wat wou ik graag daarbij zijn,» zuchtte Bob. »En nu steentjes te
+moeten tellen! 't Is afschuwelijk! Kijk, nu gaat hij verder. Zou hij den
+achterweg opgaan? Dan kan ik hem niet meer zien. Ja -- neen, -- ja toch,
+daar gaat hij den hoek om. Nu is hij weg. Dat is jammer. -- Steentjes
+tellen! Hoe komt de meester daar toch aan? 't Is toch eigenlijk eene
+gekke uitdrukking. Meester zeide niet, dat ik in het portaal moest gaan
+staan; hij gebood alleen maar: ga steentjes tellen. Als ik dat dus deed
+en hem straks ging zeggen, hoeveel er waren, zou ik precies gedaan
+hebben, wat meester bevolen had. Dat zou leuk wezen. Weet je wat, ik doe
+het! Zou ik mijn decimetertje in den zak hebben? Laat eens voelen -- ja,
+daar is het. Wacht, nu zal ik het eens netjes uitrekenen. Eerst meten,
+hoe lang de gang is.»
+
+Bob knielde op de tegeltjes neer en mat de lengte van zijn kerker.
+Weldra wist hij, wat hij weten wilde.
+
+»Dus twintig meter. Laat ik dat goed onthouden.»
+
+»Nu de breedte.»
+
+Bob mat weer.
+
+»Breed twee meter, precies op den kop,» zeide hij. »De gang heeft dus
+eene oppervlakte van twintig maal twee vierkante meter, of veertig
+vierkante meters. Mooi, dat schiet al aardig op. Nu elk tegeltje meten.
+Kijk, precies twintig centimeters lang en breed. Dat geeft dus eene
+oppervlakte van vierhonderd vierkante centimeters. De gang is groot
+veertig vierkante meter, of vier maal honderd duizend vierkante
+centimeters. Dat gedeeld door vierhonderd, -- wel, kijk -- dat is
+precies duizend tegeltjes. Dat is een mooi getal. Kom, nu ga ik het den
+meester zeggen; hij heeft mij bevolen de steentjes te tellen en dat heb
+ik gedaan, dus ik ben zoo gehoorzaam geweest, als maar verlangd kan
+worden.»
+
+Tot ons aller verbazing ging plotseling de deur open en trad Bob binnen.
+Ook de meester kon er blijkbaar geen begrip van krijgen, wat er aan de
+hand was. Hij staarde Bob met groote oogen aan.
+
+»Wat moet jij hier doen?» vroeg hij op gestrengen toon.
+
+Bob stak beleefd den wijsvinger op en zeide doodleuk:
+
+»Meester, ik ben klaar! Er zijn er duizend.»
+
+Eerst begrepen wij geen van allen, wat hij bedoelde, en de meester
+begreep het ook niet.
+
+»Klaar?» vroeg hij. -- »Er zijn er duizend? Wat -- duizend?»
+
+»Meester,» zei Bob doodleuk, »ik heb de steentjes geteld, zooals u
+bevolen had. Er zijn er duizend.»
+
+Plotseling schoten wij allen (alleen Bob en de meester uitgezonderd) in
+een schaterlach om die leuke grap, en toen wij zagen, hoe de meester
+zich vergeefs inspande, om zijn gelaat in een ernstige plooi te houden,
+want hij wilde niet lachen, werd het met ons nog erger. Wij konden niet
+tot bedaren komen.
+
+Opeens gaf de meester het op, en begon ook hij te lachen, bijna even
+smakelijk als wij. En toen wij eindelijk wat tot stilte kwamen, zei hij
+gul, zoodat het duidelijk was, dat hij Bob zijne misdaden vergaf:
+
+»Zoo Bob, zijn er duizend? Heb-je ze goed geteld?»
+
+»Uitgerekend, meester,» zei Bob. »De vloer heeft eene oppervlakte van
+veertig vierkante meters en elk tegeltje is vierhonderd vierkante
+centimeters groot. Er moeten er dus duizend zijn.»
+
+»Heel goed, Bob,» zei de meester, die telkens weer in den lach schoot,
+»dat sluit. Dank-je wel voor de moeite. Ga nu maar zitten, doch -- let
+beter op.»
+
+»Ja meester,» zei Bob, niet weinig in zijne nopjes, dat hij zoo mooi van
+zijne zwaarste straf ontheven was. Hij lette verder dan ook zeer goed op
+en gaf den meester in het geheel geen reden tot klagen meer.
+
+Zoo werd het twaalf uur, en wij kregen verlof om naar huis terug te
+keeren. 't Is te begrijpen, dat wij ons dat geen tweemaal lieten zeggen,
+want het bericht van den beer had, ondanks 's meesters strengheid, al
+sedert lang de ronde door de geheele klas gedaan. Nauwelijks waren wij
+het portaal uit, of onder een luid gejuich trokken wij op den beer af.
+
+Maar Bob bleef zitten, om zijn strafwerk te maken.
+
+»Wat moet ik doen, meester?» vroeg hij met een berouwvol gelaat.
+
+De meester keek hem vriendelijk aan, want hij hield bijzonder veel van
+den wilden Bob.
+
+»Mij beloven, dat je voortaan beter op je tijd zult passen, Bob,» zei
+hij, den deugniet op den schouder kloppende.
+
+»Dat beloof ik, meester,» zei Bob, die lont begon te ruiken en wiens
+hartje klopte van hoop, dat hij ontslagen zou worden.
+
+»Ga dan maar heen, Bob.»
+
+»Asjeblieft meester. Dag meester.»
+
+En weg vloog Bob! Hij had ons al ingehaald, vóór wij den beer bereikt
+hadden.
+
+»Ik mocht vrij!» juichte hij al in de verte. »Hij is op den achterweg!»
+
+Met die laatste woorden bedoelde hij den beer natuurlijk, en met ons
+allen begaven wij ons daarheen.
+
+Ha, daar zagen wij hem!
+
+'t Is te begrijpen, dat wij op een eerbiedigen afstand bleven! Wat had
+dat dier geduchte klauwen, en wat zagen wij een sterk gebit, als hij den
+grooten muil opende. Gelukkig dat hij een stevigen leeren muilband aan
+had; dat stelde ons eenigszins gerust.
+
+De berenleider viel ons niet meê, want wij hadden gehoopt, dat hij
+iemand zou zijn, dien wij niet verstaan konden, een Italiaan of een
+Zigeuner of zoo iemand. Maar hij bleek een echte Hollander te zijn, die
+onze taal evengoed sprak als wij zelf. Dat konden wij hooren aan
+hetgeen hij af en toe tot den beer zeide.
+
+»Hallo! Op! Op!» gebood hij telkens, als de beer zijn tocht op vier
+voeten wilde voortzetten. En dan ging het logge beest weer overeind en
+huppelde zoo bevallig als een jonge olifant. Dan kreeg hij van zijn
+meester een stok over den schouder en moest marcheeren als een soldaat.
+Zijn geleider blies voortdurend op de dwarsfluit verschillende
+dansdeuntjes en -- maakte goede zaken, naar wij opmerkten. Want bijna
+nergens werd hij voorbij gestuurd, zonder dat men hem iets gaf. Nu was
+een beer op ons dorp eene te zeldzame verschijning, om niet de algemeene
+bewondering op te wekken.
+
+Het spreekt van zelf, dat wij de twee vreemdelingen zoolang volgden, als
+ons mogelijk was, -- anderhalf uur laat zich niet lang plagen, wanneer
+men in dien tijd nog middagmalen moet, wat met mij althans het geval
+was. En om half twee moesten wij weer present zijn, wilden we geen straf
+oploopen.
+
+Wij waren er dan ook allen op onzen tijd, Bob incluis!
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+ Hoe wij den beer plaagden, toen Flip uit was, en
+ hoe de beer wraak nam. De heldendaden van
+ Pieter-neef en van Tip, den veldwachter.
+ Hoe Bob berenleider werd.
+
+
+Bob had niet zulk eene vrees behoeven te koesteren, dat hij den beer
+niet weer ontmoeten zou, want het beest en diens meester vertoefden nog
+wel langer dan eene geheele week op ons dorp. Och, och, wat hebben wij
+eene pret met dat dier gehad.
+
+In den kermis wagen woonde eene familie, die door het vertoonen van de
+poppenkast het dagelijksch brood trachtte te verdienen. Eerst meenden
+wij, dat de berenleider ook tot de familie behoorde, maar daarin hadden
+wij ons vergist. Wel was hij zooals ons al spoedig bleek zeer met den
+poppenkastman bevriend, en reisden zij zooveel mogelijk in elkanders
+gezelschap ons vaderland door.
+
+Elken dag deed de poppenkast de ronde door het dorp of bezocht zij een
+van de omliggende plaatsen, en trok ook de berenleider er op uit met
+zijn viervoetigen makker, om een stuivertje te verdienen, maar den
+wagen lieten zij staan, en 's avonds keerden allen weer naar het
+marktplein terug, waar het voertuig stond. Dan werd de beer aan een van
+de palen op het marktplein met een vrij lang, naar het scheen zeer sterk
+touw vastgebonden, zoodat hij zich eenige beweging kon veroorloven. Wij
+vroegen ons menigmaal af, waar toch de berenleider 's nachts wel mocht
+slapen, daar hij bij niemand op het dorp om een onderkomen had verzocht,
+doch eindelijk hoorden wij vertellen, dat eene groote mand, die wel
+bijna eene manslengte had en overdag onder den wagen was vastgebonden,
+hem tot ledikant diende. 's Avonds maakte hij die mand los, legde zijn
+beddegoed (wat niet van de fijnste qualiteit was) wat terecht, en --
+begaf zich dan ter ruste. Voor dieven behoefde hij om twee redenen niet
+te vreezen, want ten eerste had hij zoo weinig eigendommen, dat het wel
+niemand in de gedachten zou komen, hem te gaan bestelen, en in de tweede
+plaats had hij een schildwacht voor zijn bed, die niet licht door een
+anderen zou worden overtroffen. De beer namelijk ging elken avond vlak
+voor de mand liggen en liet, zoodra hij maar iets hoorde, een
+vervaarlijk gebrom hooren.
+
+Dat brommen, -- o, wat waren wij er eerst bang voor. Want het spreekt
+van zelf, dat alle jongens van het dorp 's avonds bij bruintje te vinden
+waren. Onze stelten zelfs lieten wij er voor liggen. Ge begrijpt, dat
+we eerst op een eerbiedigen afstand bleven, uit vrees dat hij ons
+aangrijpen, verscheuren en verslinden zou. Maar toen wij zagen, hoe
+vertrouwelijk zijn meester met hem omging, en hoe bedaard en goedig het
+dier er uitzag, begon onze vrees van lieverlede te bedaren en onze moed
+te klimmen.
+
+Bob was de eerste, die hem wat naderbij durfde komen, hoewel hij
+natuurlijk zorg droeg, dat de beer hem niet grijpen kon. Hij wierp hem
+een stuk brood toe, dat door het dier gretig werd verslonden.
+
+Toen wij dat eenmaal gezien hadden, overstelpten wij bruintje bijna met
+onze weldaden, en werden wij meer en meer vertrouwd met het dier, hoewel
+wij toch zorgden, niet te dicht in zijne nabijheid te komen.
+
+Maar langzamerhand ontaardde onze moed in overmoed en begonnen wij hem
+te plagen. Wij sarden hem, als zijn meester er niet bij was, met lange
+stokken, waarmede wij hem op den kop of op de ruige vacht tikten, wat
+hij eerst eenige oogenblikken goedig toeliet, doch daarna plotseling met
+een woest gebrom beantwoordde. Och, och, wat wisten wij van beenen
+maken. Pieter-neef, die ook in ons gezelschap was, zag doodsbleek van
+den schrik en liep, of de dood hem op de hielen zat. Nu, zoo erg was het
+met ons niet, maar -- wij kozen toch ook het hazenpad.
+
+»Hè, wat bromde hij daar!» zei Bob, die het eerst stilstond. »Gelukkig,
+dat hij aan een touw lag, want anders had hij stellig een van ons allen
+verscheurd!»
+
+De boosheid van den beer duurde echter niet lang; hij keerde weer in
+zijn vorigen toestand van vadsige rust terug, en wij gingen voort met
+plagen.
+
+»Wil jelui dat wel eens laten, jongens!» gebood ons de vrouw, die in
+den wagen woonde, -- doch daar wij wisten, dat haar man zoowel als de
+berenleider niet thuis waren, toonden wij ons vrij ongezeggelijk, wat
+ons heel leelijk stond, dat moet ik zelf bekennen.
+
+Toch hielden wij na een poosje met ons plagen op, niet omdat wij
+medelijden met bruintje hadden, o neen, maar omdat de burgemeester het
+marktplein opkwam, om te zien, of de beer ook gevaar kon opleveren voor
+de eerzame burgers en burgeressen, die hij onder zijne hoede had.
+
+Natuurlijk bleef ook hij op een eerbiedigen afstand van het lieve dier
+staan.
+
+»Zeg eens, vrouwtje!» riep hij de vrouw uit den kermiswagen toe. »Waar
+is de berenleider?»
+
+»Hij is met mijn man naar Haarlem, mijnheer de burgemeester,» klonk het
+antwoord.
+
+»En moet dat ongure beest dan al den tijd, dien zijn meester afwezig is,
+zonder toezicht blijven?» zei de burgemeester op gestrengen toon.
+
+»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Flip is niet thuis.»
+
+»Flip -- wie is dat?»
+
+»Dat is de man van den beer, mijnheer de burgemeester. Maar hij is niet
+thuis.»
+
+»Zoo, -- ja, dat heb je zooeven al gezegd. Maar kan dat dier zoo geen
+kwaad?»
+
+»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester,» zei de vrouw, die het
+buskruit niet scheen uitgevonden te hebben, »Flip is niet thuis.»
+
+»Zoo, hm! hm!» kuchte de burgemeester. »Ik bedoel, vrouw, of dat touw
+sterk genoeg is, om den beer te houden, als hij soms boos mocht
+worden.»
+
+»Ik zou het u niet kunnen zeggen, mijnheer de burgemeester, maar straks
+komt Flip wel thuis, dan kan u het hemzelven vragen. Hij is nu met mijn
+man naar Haarlem.»
+
+»Zoo, ja -- dat weet ik al. Dus je denkt, dat het touw sterk genoeg is?»
+
+»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Als Flip straks thuiskomt,
+zal ik het hem vragen. Of u zou het zelf kunnen probeeren.»
+
+»Dank je,» zei de burgemeester, die blijkbaar niet veel lust had,
+bruintje zoo nabij te komen.
+
+»Nu, het ziet er nog al sterk uit, maar als Flip, of hoe die man heeten
+mag, aanstonds terug komt, moet je hem zeggen, dat hij dadelijk bij me
+moet komen.»
+
+»Ik zal het hem zeggen, mijnheer de burgemeester!»
+
+Zoodra het hoofd onzer gemeente vertrokken was, begonnen wij den beer
+weer te plagen, ja zelfs te sarren, en 't was verbazend hoe hevig hij
+dan soms kon gaan brullen. Als wij het al te erg maakten, rukte hij aan
+zijn touw, om los te komen, en dan wisten wij van beenen maken.
+
+Het touw bleek echter heel sterk te zijn, zoodat wij eindelijk al niet
+eens meer op de vlucht gingen, al was hij ook nog zoo woedend. Wij
+bleven doodkalm staan, natuurlijk buiten het bereik van zijne klauwen,
+maar toch dicht genoeg bij, om met sarren voort te kunnen gaan. Zelfs
+Pieter-neef begon, nu hij zag, dat het beest toch niet los kon komen,
+dapper te worden en plaagde den beer het meest van allen.
+
+Hij sloeg hem met een langen stok op zijn kop, en als het beest dan
+tegen hem bromde en met geopenden muil aan zijn touw rukte, stak hij hem
+den stok tusschen de geweldige tanden. Dan had hij geen grooter pret,
+dan als de beer op den stok beet, en hem al brommende heen en weder
+schudde. Wat trok en rukte Pieter dan aan den stok, om hem weer los te
+krijgen, maar de beer hield vast.
+
+Bob haalde eene leuke grap met hem uit. Hij haalde uit de schuur een
+vaatje, waarin de bodem niet al te stevig meer bevestigd zat, en schoof
+dat bruintje toe. Toen nam hij eene kleine occarino uit den zak, en
+begon daar eenige deuntjes op te spelen. O, wat moesten wij lachen, toen
+de beer zich plotseling op zijne achterpooten verhief en op zijne gewone
+bevallige manier begon te huppelen, precies, zooals hij dat bij zijn
+meester gewoon was. En toen Bob hem een paar stukjes brood toewierp,
+konden wij duidelijk opmerken, dat hij Bob als een goed vriend begon te
+beschouwen, want hij volgde hem overal, waar hij liep, althans voor
+zoover zijn touw hem dat toeliet.
+
+Maar het was er Bob om te doen, dat hij op het vaatje zou gaan staan,
+wat hij voor zijn meester somtijds ook moest doen.
+
+»Allo! Ho -- hop! Op! Op!» riep hij den beer toe, en weer begon hij op
+de occarino te spelen. Eerst huppelde de beer nog eenigen tijd rond, en
+toen, waarlijk, daar naderde hij het vaatje en zette er een poot op.
+Toen den tweeden poot, daarna voorzichtig den derden en eindelijk stond
+hij er geheel op.
+
+Een uitbundig gejuich uit wel vijftig jongensmonden was zijn loon, en
+de beer, die zich daardoor naar het scheen, gestreeld gevoelde, begon op
+de maat van Bobs muziek, zoo goed en zoo kwaad dat ging, op het vaatje
+te dansen. Dat had hij niet moeten doen, want daarvoor was de bodem te
+zwak. Plotseling hoorden wij een gekraak, de vier pooten zakten naar
+beneden, en daar rolde de beer onderste-boven. Och, och, wat maakte hij
+eene vreemde buiteling, en wat deed hij wanhopige pogingen, om zijne
+pooten uit hun kluister te bevrijden. Doch dat gelukte hem niet, want
+zij zaten in de kleine ruimte stijf tegen elkander gedrukt. Hij kon er
+geen beweging in krijgen.
+
+Wat hadden wij verbazend veel pret. Ons joelen klonk over het geheele
+dorp!
+
+De beer werd hoe langer hoe wilder, en toen het arme dier daar zoo
+hulpeloos lag, werd Pieter-neef hoe langer, hoe moediger. Hij ging vlak
+bij den beer staan en sloeg hem met zijn stok.
+
+Maar o hemel, daar vlogen de duigen van het tonnetje opeens krakend uit
+elkander, en sprong de beer onder luid gebrom overeind, vlak voor
+Pieter-neef, die van angst en schrik zijne bezinning geheel kwijt raakte
+en stokstijf bleef staan.
+
+»Ga achteruit! Ga achteruit!» schreeuwden wij hem toe, want wij dachten
+niet anders of hij zou verscheurd worden.
+
+Hij gehoorzaamde werktuiglijk. Zonder zijn starenden blik van het dier
+af te wenden, liep hij voetje voor voetje achteruit, gevolgd door het
+beest, dat met wijd geopenden muil een vervaarlijk gebrom uitstiet. De
+haren rezen ons ten berge van schrik.
+
+Opeens kon Pieter-neef niet verder, want hij werd gestuit door een
+lantaarnpaal, waar hij met den rug tegen terecht kwam. De beer kon niet
+verder van het touw. Toen sprong hij met reuzenkracht op en krak -- het
+touw brak en de beer was los. Dat gaf een ontzettenden schrik onder den
+jongenstroep. Onder den kreet »De beer is los! De beer is los! De beer
+is los!» sloegen allen op de vlucht.
+
+Neen, allen niet, want Pieter-neef kon niet. Hij stond met den rug tegen
+den lantaarnpaal en durfde geen voet verzetten. De beer liep brommend om
+hem heen. En Bob ook niet. Die meende eens heel slim te handelen, door
+met zijne gewone behendigheid in den grooten eikeboom te klimmen, die
+midden op het marktplein stond.
+
+Och, och, wat zag die Pieter doodsbleek. Wij zagen, hoe hij beefde van
+schrik en ontsteltenis. En de beer liep voortdurend met kleine pasjes om
+hem heen, terwijl hij hem aan alle kanten besnuffelde.
+
+Ik geloof, dat Pieter op dat oogenblik wel voor hem op de knieën had
+willen vallen, als dat had kunnen baten.
+
+»Help! Help!» klonk de kreet van de verschrikte jongens, die op een
+eerbiedigen afstand stonden af te wachten, wat er verder gebeuren zou.
+Niemand van hen twijfelde er aan, of Pieter zou straks door het
+geplaagde dier worden aangegrepen en -- opgepeuzeld.
+
+Alleen Bob gevoelde zich boven in den top van den eikeboom volkomen
+veilig en zeer goed op zijn gemak.
+
+»Ga op de vlucht!» riep hij Pieter toe, die nog altijd tegen den
+lantaarnpaal stond.
+
+»'k Durf -- niet -- o -- help!» kreunde Piet.
+
+»Stel hem voor, de vredespijp met je te rooken,» plaagde Bob, die schik
+in het geval begon te krijgen.
+
+»O -- Bob!» was alles, wat Piet antwoordde.
+
+»Of sla hem met je stok op zijn kop, als zoo even!» ging zijn plaaggeest
+voort.
+
+Nu hield de beer stand, vlak voor Pieter. Wij zagen, hoe hij hem vlak in
+het bleeke gezicht keek. Pieter staarde wederkeerig bruintje wezenloos
+in het gelaat. De beer zag er op dat oogenblik inderdaad veel
+verstandiger uit dan zijn slachtoffer.
+
+Och, wat beefde Pieter. De ruitjes van de lantaarn hoorden wij er van
+rinkelen.
+
+O hemel!
+
+Daar verhief de beer zich, vlak voor Pieter, plotseling op de
+achterpooten en wilde zijne klauwen op Pieters schouders leggen.
+
+Van den schrik maakte Piet eene driftige beweging met zijn hoofd in
+achterwaartsche richting, maar daar stond de lantaarnpaal, en nu stootte
+hij zijn hoofd zoo hevig, dat hij van den weeromstuit voorover buitelde
+en terecht kwam -- in de harige armen van den beer. Daar stonden zij om
+zoo te zeggen snoet tegen snoet! 't Was zulk een bespottelijk gezicht,
+die twee elkander daar zoo innig te zien omarmen, dat Bob van het lachen
+bijna uit den boom buitelde.
+
+Pieter-neef gaf een schreeuw, die ons door merg en been drong, en wij
+twijfdelden niet, of nu zou de beer hem verslinden. O, welk een
+vreeselijk drama stelden wij ons daar reeds van voor. Griezelig in
+hooge mate, -- maar toch uiterst belangwekkend.
+
+Maar neen, wij hadden het mis. Pieters kreet wekte in het teedere gemoed
+van den beer zeker zachtere aandoeningen, dan waarvoor wij hem vatbaar
+achtten, want hij keek hem even aan, liet hem daarna los, ging weer op
+vier pooten staan en begon zich langzaam te verwijderen. Pieter
+verwaardigde hij met geen enkelen blik meer.
+
+Meer dood dan levend bracht deze zich, struikelend en strompelend, bijna
+zonder te weten wat hij deed, in veiligheid, en toen hij ver genoeg van
+den beer verwijderd was, om hem niet meer te vreezen, zette hij het op
+een loopen, zoo snel zijne voeten hem konden dragen. Loopen -- loopen,
+dat hij deed, o, 't was potsierlijk. Wij schaterden van het lachen, maar
+hij keek niet op of om. Hij holde voort, de brug over, -- naar huis. Wij
+hebben hem den geheelen avond niet terug gezien.
+
+Intusschen ontstond er een verbazende oploop op het marktplein, want het
+gerucht, dat de beer losgebroken en de berenleider niet thuis was (voor
+zoover wij bij een man als Flip van »thuis zijn» kunnen spreken) ging
+als een loopend vuurtje door het dorp rond. Zelfs Jan van der Vliet,
+dien wij na de treurige gebeurtenis van den laatsten Zondagmorgen nog
+niet buiten hadden gezien, kwam ook toeloopen. Maar tot mijne ergernis
+moest ik opmerken, dat de meeste jongens niets met hem te maken wilden
+hebben en hem alleen lieten staan. Ik zag, dat hij de tranen in de oogen
+kreeg, en had veel medelijden met hem. Ik ging daarom naast hem staan
+en zeide:
+
+»Kijk eens, Jan, de beer is los, en Bob zit in den eikeboom.»
+
+»Waar is zijn baas, Dorus?» vroeg Jan met een blijden lach, omdat ik
+even vriendelijk jegens hem was als altoos, en hij pinkte tersluiks de
+tranen weg, die zijn beide oogen verduisterden.
+
+»Die is naar Haarlem,» zei ik. »Zie eens, wat komt er een oploop.»
+
+»Ja, -- geen wonder; maar waarom komt Bob den boom niet uit? Een beer
+kan immers klimmen?»
+
+Hemel, ja, daar had ik niet aan gedacht. Als Bob nu maar in vredesnaam
+stil bleef zitten, zoodat de beer geen erg in hem kreeg, want anders kon
+het wel eens bitter slecht met hem afloopen.
+
+»Je hebt gelijk, Jan,» zei ik angstig. »Maar hoe zou Bob er uit moeten
+komen? Je ziet toch wel, dat de beer voortdurend onder den boom heen en
+weer loopt?»
+
+»Ja, dat is waar. 't Is een benauwd half elfje voor hem, en ik zou niet
+graag in zijne plaats willen zijn.»
+
+»Ik ook niet, Jan.»
+
+»Kijk, daar komt Tip ook, de veldwachter. Hij heeft waarlijk eene
+revolver in de hand. Zou hij hem dood gaan schieten?»
+
+»Ik weet het niet. Dat zou jammer wezen van het arme dier, want hij doet
+tot nog toe niemand kwaad.»
+
+»Ja, -- en ook voor zijn meester, want die zou met hem meteen zijne
+broodwinning verliezen,» merkte Jan op.
+
+Intusschen werd de oploop met de minuut grooter.
+
+Wel honderden menschen vormden een grooten cirkel om het beweegbare
+middelpunt, dat gevormd werd door den beer, die doodkalm onder den boom
+heen en weer bleef loopen. 't Was aardig te zien, welk eene golving er
+onder al die menschen kwam, als de beer zich eens wat verder van den
+boom verwijderde.
+
+Dan ontstond er eene geweldige opschudding en onder den kreet: »De beer
+komt! De beer komt!» sloegen zij op de vlucht.
+
+Eindelijk verscheen ook de burgemeester op het marktplein. Hij ging
+regelrecht naar Tip, dien hij met gefronste wenkbrauwen en een toornigen
+blik aanzag, en zeide op boozen toon:
+
+»Daar hebben wij het leven nu al gaande, Tip. 't Is me wat moois, -- dat
+afschuwelijke beest hier midden op het dorp.»
+
+»Ja burgemeester!» zei Tip, die er met zijne revolver in de hand
+verbazend krijgshaftig en moorddadig uitzag.
+
+»Is die man nog niet thuis?»
+
+»'k Weet het niet, burgemeester. Wil ik het even vragen? De beer is er
+nu niet dichtbij.»
+
+»Ja, -- ga het vragen!» gebood de burgemeester, doch opeens van
+gedachten veranderende, vervolgde hij:
+
+»Of neen, wacht even, ik zal het zelf doen. Houd jij intusschen dat
+beest goed in het oog, terwijl ik bij den wagen sta. Begrepen?»
+
+Tip sloeg aan en zeide dapper:
+
+»Verlaat u op mij, burgemeester. Ik zal over u waken. Ga gerust.»
+
+De burgemeester, die aan de menschen eens wilde toonen, dat hij
+volstrekt niet bang was, baande zich een weg door den kring en ging
+met groote schreden op den wagen af. Maar zie, daar kreeg plotseling
+bruintje het in zijn hoofd, om ook naar den wagen te gaan, wat voor den
+burgemeester een allesbehalve aangenaam voornemen was. Inderdaad was hij
+niet bang van aard, maar om ongewapend een beer tegemoet te gaan als dat
+strikt genomen niet noodig is, achtte hij te veel gevergd, en hij keerde
+daarom, tot groot vermaak van de omstanders, naar Tip terug.
+
+Nu klonk dat lachen den burgemeester in het geheel niet aangenaam in de
+ooren, want het scheen wel, of de menschen hem uitlachten, en die
+gedachte maakte hem erg boos.
+
+»Tip!» gebood hij kortaf, »ga dat beest grijpen en vastbinden!»
+
+»Jawel, burgemeester,» zei Tip, op militaire wijze de hand aan de pet
+brengende.
+
+Maar Tip was vlugger met beloven dan met doen; hij talmde zoo lang, dat
+de burgemeester kortaf tot hem zeide:
+
+»Je hebt mijn bevel toch verstaan, Tip?»
+
+Tip krabde zich verlegen achter het oor en hield den blik met eene
+eigenaardige uitdrukking, die veel op angst geleek, op den beer gericht.
+Nu durfde hij in het geheel niet bekennen, dat hij bang was, maar tevens
+was hij vast besloten, het bevel van zijn meester in geen geval op te
+volgen. Om tijd te winnen, zeide hij, bij wijze van waarschuwing:
+
+»Ik ga, burgemeester, -- maar als hij nu eens voor mij op de vlucht gaat
+en zich op de menschen werpt? Wat dan, burgemeester? Ik zou in een
+dergelijk geval niet voor de gevolgen durven instaan. Niet dat ik bang
+ben, in het geheel niet, burgemeester, maar ziet u, we moeten toch
+altoos zorgen, dat de openbare veiligheid geen gevaar loopt.»
+
+»Je hebt gelijk, Tip. Dat die akelige Flip nu ook juist niet thuis is.
+Tip! Ik wil dat beest niet langer hier midden in het dorp hebben, --
+begrepen, Tip!»
+
+»Ik zal er voor zorgen, burgemeester,» zei Tip, die verbazend in zijne
+nopjes was, dat hij van de opdracht, om den beer te vangen, ontslagen
+was.
+
+»Zie Tip, daar gaat hij weer naar den boom. Ga jij nu naar den wagen, en
+vraag aan die vrouw, of Flip nog niet haast thuis komt.»
+
+»Ja wel, burgemeester.»
+
+Tip stapte uit den kring en ging, met zijne revolver gewapend, op den
+wagen af. O, wat nam hij groote stappen, en wat keek hij schuin naar
+bruintje. De menschen schoten allen in een lach, tot groote ergernis van
+Tip.
+
+Om eens duidelijk te toonen, dat hij volstrekt niet bang was, zette
+hij een verbazend hooge borst, en bleef een oogenblik doodkalm, naar
+het scheen, in den kring staan, spelende met het wapentuig, dat hij
+in de hand hield. Bijna was het hem gelukt, den menschen in den waan
+te brengen, dat hij een buitengewone held was, die zich door eene
+kleinigheid als een losgebroken beer volstrekt geen angst liet aanjagen,
+toen plotseling het beest hem in het oog kreeg en met hooge sprongen
+spelende op hem af kwam.
+
+O hé, daar zakte de hooge borst in en verdween de moedige trek op Tips
+gelaat. Op het volgende oogenblik zette Tip, met revolver en al, het
+op een loopen, zoo hard hij kon. De beer keerde bedaard naar den boom
+terug. Wat werd die arme Tip uitgelachen! En toch was hij niets banger
+dan iemand van de omstanders, want allen hielden zich op een eerbiedigen
+afstand.
+
+Bob, die zich in den top van den hoogen boom volkomen veilig achtte, had
+er ook niet weinig pret in, en begon te zingen:
+
+ „O moeder, de beer is los;
+ Hoor dat beest eens brullen!
+ Snijd hem neus en ooren af,
+ Dan hebben wij wat te smullen!”
+
+Wij hoorden hem nauwelijks, of wij begonnen dapper meê te zingen, tot
+groote pret van Bob. Maar de beer had ons Bobje nu ook opgemerkt en --
+vlug als eene kat klauterde hij den boom in.
+
+Dat vond Bob allesbehalve prettig, en wij zagen het allen ook met angst
+aan.
+
+»Hij klimt in den boom! Hij klimt in den boom! Hij zal Bob verscheuren!»
+klonk het van alle kanten, en de burgemeester vond het meer dan tijd, om
+een einde aan de zaak te maken.
+
+»Tip, schiet dat beest dood!» gebood hij. »Spoedig, of het kost een
+menschenleven.»
+
+»Jawel, burgemeester,» zei Tip.
+
+Beiden begaven zich nu onder den boom. De beer klauterde rustig steeds
+hooger, tot grooten schrik van Bob, die het hoogste punt al had bereikt.
+
+»Schiet hem dood!» herhaalde de burgemeester.
+
+Maar Tip had niet veel lust om te schieten, want hij wist, dat hij op de
+revolver volstrekt geen meester was.
+
+»Als ik misschiet, komt het beest stellig op mij af,» dacht hij bij
+zichzelven, maar hij zeide het niet en zag er weer zeer dapper uit.
+
+»Schiet dan!» gebood de burgemeester. »Straks heeft hij dien jongen
+bereikt, en dan is het te laat! Schiet!»
+
+Tip legde aan, maar het wapen beefde hem in de hand en hij durfde niet
+schieten.
+
+»Je beeft, Tip! Je bent een lafaard!» zei de burgemeester.
+
+»Maar -- als ik misschiet, mijnheer de burgemeester, en in plaats van
+den beer den jongen tref -- wat dan?»
+
+»Je bent een lafaard, Tip!» herhaalde de burgemeester.
+
+»Klim in den boom en snel den jongen te hulp! Dadelijk! Ik gebied het
+je, Tip!»
+
+Tip begon te klimmen, maar of de stam te dik voor hem was, of dat hij al
+wat stijf begon te worden, weet ik niet; zeker is het, dat Tip bleef
+waar hij was, aan den voet van den boom.
+
+Intusschen volgden honderden oogen in den grootsten angst den beer op
+zijn tocht naar boven. Bob kon zich onmogelijk redden. Hij kon niet
+hooger -- en niet lager ook. Zooals hij ons later vertelde, verkeerde
+hij op dat oogenblik in doodsangst, tot hem plotseling een eenvoudig
+middel tot redding in de gedachten kwam.
+
+De beer had thans den tak bereikt, waarop Bob zich bevond. Bob meende
+dat zijn laatste oogenblik gekomen was, toen hij opeens bemerkte, dat
+de beer hem in het geheel niet onvriendelijk aankeek. Daar herinnerde
+Bob zich dat hij nog een stuk brood voor den beer in den zak had; en
+nauwelijks had hij dat bedacht, of hij haalde het te voorschijn en stak
+het hem toe. Bruintje at het met graagte op en liet een zacht gesnor
+hooren, als om hem te bedanken.
+
+Bob begreep, dat hij van dit oogenblik gebruik moest maken, om zich in
+veiligheid te brengen. »Die waagt, die wint!» mompelde hij. Hij greep
+den beer bij het afgebroken touw, blies een kort deuntje op zijne
+occarino, en zei toen met gebiedende stem:
+
+»Hallo! Hop! Terug! Hallo! Terug! Hallo!» Meteen rukte hij aan het touw,
+zooals hij den berenleider had zien doen, als hij den beer iets gebood.
+
+Inderdaad -- het beest gehoorzaamde, zooals hij dat bij zijn meester
+gewoon was. En nauwelijks bemerkte Bob, dat de beer ontzag voor hem had,
+of hij klom naar omlaag, den beer steeds bij het touw vasthoudende.
+
+»Hallo! Hallo! Hop! Hop!» klonk het uit den boom, en alle menschen
+hielden zich doodstil, om te zien, hoe dit af zou loopen.
+
+Daar kwam bruintje naar beneden klauteren, gevolgd door Bob, die niet
+weinig trotsch op zijne heldendaad was. Nu hadden zij den grond weer
+bereikt.
+
+Bob blies op zijne occarino.
+
+»Hallo! Op! -- Op!» gebood hij.
+
+En zie, onder een daverend gejuich van de toeschouwers ging bruintje op
+zijne achterpooten staan en begon te dansen. Bob voerde den dansenden
+kolos langzaam naar den wagen, bond vlug de einden van het touw stevig
+aan elkander, wierp den beer het laatste stukje van zijn brood toe, --
+en ging bedaard heen.
+
+»Hoera voor Bob,» riep ik vol bewondering uit.
+
+En plotseling klonk het over het geheele marktplein, en ik moet zeggen,
+dat oud en jong meêdeden, uit volle borst:
+
+»Hoera! Hoera voor Wilden Bob! Hoera voor Bob!»
+
+Juist op dat oogenblik kwam de berenleider uit de stad terug. De
+burgemeester trad dadelijk op hem toe.
+
+»Kunt ge dat beest niet beter vastleggen? Hij brengt het geheele dorp in
+beroering en maakt het hier in hooge mate onveilig.»
+
+Flip nam eerbiedig de pet van het hoofd, en zeide:
+
+»'t Beest is niet gevaarlijk, mijnheer de burgemeester.»
+
+»Niet gevaarlijk! Wilt ge nu praatjes gaan verkoopen? 't Is toch een
+verscheurend dier?»
+
+»In naam, ja burgemeester, maar inderdaad heeft hij nog nooit vleesch
+geproefd. Ik heb hem zelf opgefokt, mijnheer de burgemeester, maar hij
+heeft nooit anders dan brood van me gehad. Dat is de waarheid!»
+
+»Zoo, -- nu, dat kan mij niet schelen. 't Is een gevaarlijk dier, een
+hoogst gevaarlijk dier. Indien ge hem niet beter kunt vastleggen, moet
+ge morgen bij zonsopgang uit het dorp vertrekken. Dan kan ik u hier
+geen langer verblijf toestaan. Hebt ge dat goed begrepen?»
+
+»Ik zal hem aan den ketting leggen, mijnheer de burgemeester, en ik sta
+er u borg voor, dat hij niet meer loskomt.»
+
+»Doe dat, -- en wees gewaarschuwd,» zei de burgemeester heengaande. Tip
+volgde hem met lang geen opgeruimd gelaat. Hij begreep wel, dat hij in
+het geheel geen kranig figuur gemaakt had.
+
+Maar Bob was onder ons, jongens, een held geworden van het zuiverste
+water. Wij hadden den diepsten eerbied voor hem gekregen en achtten hem
+tot de grootste heldendaden in staat.
+
+En heel ver hadden we dat niet mis. Maar Pieter-neef hebben we den
+volgenden dag geducht uitgelachen, en dat had hij ook wel verdiend.
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Een Zaterdag, die voor Jan van der Vliet verdrietig begon
+ en prettig eindigde. Hoe mijnheer Denappel ons onthaalde,
+ Bob eene edelmoedige daad verrichtte en
+ Tines Wobbe met een pijnlijk oorbelletje
+ getooid werd.
+
+
+Den volgenden dag was het Zaterdag, -- de Zaterdag waarop wij onzen
+wedstrijd op stelten zouden houden bij den Heer Denappel. Wat stelden
+wij ons veel genot van dat feestje voor.
+
+'s Morgens moest ik natuurlijk eerst mijn huiswerk afmaken en mijn
+gewonen tocht naar het orgel doen. Bob liet mij gelukkig dezen keer met
+rust, want hij vermaakte zich met Karel Holm en Pieter-neef (die van
+zijne Mama meer en meer verlof begon te krijgen, om met de dorpsjongens
+om te gaan) op de markt bij den kermiswagen.
+
+Toen ik met mijn huiswerk gereed was, ging ik Jan van der Vliet afhalen,
+die als gewoonlijk, den blaasbalg voor mij zou trappen. Ik vond Kees en
+Trijn aan de tafel zitten, moedeloos en bleek. Ik zag, dat Trijn tranen
+in de oogen had en dat zij in dien korten tijd zeer afgevallen was. Ik
+groette beleefd en vriendelijk, zooals altoos, en zei, dat het mooi
+weertje was, want iets anders wist ik niet te zeggen, en Kees zei ook,
+dat het mooi weertje was. Verder werd er niet gesproken, want Jan was
+spoedig gereed om mij te vergezellen.
+
+Eerst sprak Jan ook niet, maar toen wij dicht bij den koster waren, zei
+hij op eens:
+
+»Ik wou, dat ik dood was!»
+
+En meteen begon hij te schreiën.
+
+Ik wist niet, wat ik zeggen moest, en zei daarom niets.
+
+»Ja, -- dood!» herhaalde Jan. »O Dorus, je weet niet hoe treurig het bij
+ons in huis is. Vader zit den ganschen, langen dag stil bij de tafel,
+zonder een woord te spreken, en Moeder doet niets dan schreien, --
+schreien van den morgen tot den avond. En als ik 's nachts wakker word,
+hoor ik haar ook nog dikwijls snikken. En toch zijn Vader zoowel als
+Moeder onschuldig, Dorus! Als zij dat niet waren, zou ik het toch moeten
+weten, niet waar?»
+
+»Ja, dat denk ik ook, Jan,» zei ik.
+
+»Zeker, dat zou ik,» vervolgde Jan. »Dan zou ik het weten. Maar Vader en
+Moeder zeggen, dat zij het niet gedaan hebben, en ik hoor hen er samen
+wel over praten, als ik op bed lig en als zij denken, dat ik slaap. En
+dan hoor ik het ook, dat zij onschuldig zijn, en dat het geld bepaald
+met voordracht onder onze deur geschoven is, om zoo de verdenking op ons
+te doen vallen. O, 't is afschuwelijk, Dorus, en ik kan het bijna niet
+langer aanzien, dat Moeder wegkwijnt van verdriet. Ik wou, dat ik dood
+was, Dorus.»
+
+Wij stonden beiden stil, dicht bij het kostershuis.
+
+»Dood zijn, Jan?» zei ik. »Dat is het ergste van alles. Neen, je moet
+den moed niet laten zakken, en probeeren je ouders te troosten. Als zij
+onschuldig zijn, zal dat eenmaal blijken.»
+
+»Ach ja, 't is wel vriendelijk van je, Dorus, om dat te zeggen, maar
+eergisteren zijn Vader en Moeder voor den Officier van Justitie geweest,
+en die heeft hen ondervraagd, en zij konden best aan hem merken, dat hij
+niet aan hunne onschuld geloofde. En 't is ook waar, dat zij den schijn
+tegen zich hebben, -- dat moet ik zelf zeggen. Ik geloof, dat het slecht
+zal afloopen, Dorus.»
+
+»Je kunt niet weten, hoe het nog uitkomt,» zei ik. »Maar willen we nu de
+sleutels gaan halen?»
+
+Zwijgend gingen wij verder. De koster was in den tuin aan het werk, en
+Arie de Zwaan zat op een bankje achter het huis.
+
+»Zoo, kom je de sleutels halen?» vroeg hij aan mij. En Jan aanziende
+vervolgde hij met een grijnslachje, dat hem erg leelijk maakte:
+
+»Wel kijk, daar hebben we Jan van de dievenfamilie ook. Je moogt wel op
+je porte-monnaie passen, Dorus.»
+
+Ik zag, dat Jan doodsbleek werd en de vuisten balde.
+
+»Dat is laster, -- gemeene laster!» siste hem tusschen de lippen door.
+
+»Kijk, kijk zoo'n klein kereltje zich al eens boos maken,» lachte Arie
+sarrend. »Niets uit de kerk meênemen, hoor kleine langvinger.»
+
+»Kom Jan, laten we gaan,» zei ik, want ik had medelijden met hem.
+
+Maar Jan wilde niet. Zonder een woord te spreken vloog hij op Arie toe,
+krabde hem in het gelaat, en schopte en sloeg hem overal, waar hij hem
+raken kon. De arme jongen huilde van verontwaardiging, nu hij zóó over
+zijne ouders hoorde spreken.
+
+Dat viel Arie tegen en het deed hem zeker veel pijn. Want hij stond
+driftig op en wierp Jan met een ruk achterover op de straat, en hij keek
+heel boos.
+
+»Jou kleine adder!» riep hij Jan toe, »die grappen zal ik je afleeren!»
+
+Hij kwam met groote schreden op Jan af, maar ik plaatste mij tusschen
+hen en duwde Jan voort. De strijd was veel te ongelijk. Hoe zou Jan het
+kunnen uithouden tegen een volwassen man als Arie de Zwaan?
+
+»We zullen op je letten, kleine langvinger, pas op, dat je niets mee
+neemt uit de kerk!» riep Arie hem nog na. »Wij weten te goed, dat het
+muist wat van de katten komt.»
+
+»Laat hem praten, Jan, en stoor er je niet aan,» zei ik, om Jan te
+troosten.
+
+»De valschaard! Wat denkt hij wel? Maar bang ben ik niet van hem!» zei
+Jan schreiend om den hoon, die zijn ouders was aangedaan.
+
+Wij gingen nu de kerk binnen, en ik begon te spelen. Maar Jan kwam niet
+bij me staan, zooals hij gewoonlijk deed. Hij bleef op de trappers en
+telkens hoorde ik hem snikken. Hij was geheel en al in de war.
+
+Ook mijne aandacht was niet bij het spel. Telkens moest ik aan die arme
+menschen denken, die onder zoo ontzaglijk veel verdriet gebukt gingen en
+toch geheel onschuldig waren. Want daaraan twijfelde ik, na Jans
+woorden, niet langer.
+
+Ik was blij, toen mijn studietijd om was en ik naar huis kon gaan. De
+sleutels bracht ik alleen terug, want ik vond het beter, dat Jan maar
+niet meeging. Dat vond hij trouwens zelf ook beter.
+
+»Doe je straks mede aan den wedstrijd?» vroeg ik hem onder het naar huis
+gaan.
+
+»Ik moest maar thuisblijven,» zei hij met een diepen zucht. »Veel lust
+heb ik er nu toch niet in, nu wij zooveel narigheid hebben, en de
+jongens zien mij liever niet dan wel.»
+
+»Dat geloof ik niet,» zei ik, om hem te troosten, maar ik wist, dat het
+waar was.
+
+»Zeg dat niet, Dorus, ik heb het gisteren zelf gezien. Jij alleen bent
+net als altijd, Dorus, en dat vind ik mooi van je. Dat zal ik nooit
+vergeten.»
+
+»En Bob dan? -- En Karel Holm?» vroeg ik. »Zij zullen je ook niet uit
+den weg gaan.»
+
+»Neen hoor, -- daar kun je op rekenen, Jan!» hoorden wij plotseling eene
+stem zeggen van achter eene haag, die langs den weg stond. En toen we
+goed toekeken, zagen we Bob, die daar stil was weggekropen, om ons af te
+wachten. Hij kwam nu te voorschijn.
+
+»Kom jij maar gerust, hoor Jan, en als er één jongen is, die het je
+lastig maakt, krijgt hij met mij te doen!»
+
+Die woorden kwamen er zoo gul uit, dat het mij in mijn hart goed deed.
+En Jan klaarde er ook heelemaal van op.
+
+»Zou ik het doen?» vroeg hij weifelend, en wij zagen duidelijk, hoe
+graag hij wilde.
+
+»Zeker, -- doen!» zei Bob op zijn beslisten toon. »Als je het niet doet,
+dan ben ik boos op je. Ik kom je afhalen, hoor Jantje, tot straks!»
+
+Dat was fideel van Bob.
+
+»Ik ook!» riep ik Jan nog na, die al op den Achterweg liep.
+
+»Goed. -- Ik doe meê!» klonk zijn antwoord.
+
+Wij hielden woord.
+
+Bob en ik haalden Jan af en met ons drieën stapten we, op stelten
+natuurlijk, den Achterweg op, waar wij de jongens in de verte al hoorden
+joelen.
+
+Ha, de vlaggen wapperden vroolijk in den wind! Wat was dat een mooi
+gezicht. Wij huppelden bijna op onze stelten van pleizier, en zelfs Jan
+werd er vroolijk van.
+
+»Wat is mijnheer Denappel toch vriendelijk!» zei hij opgetogen. »'t Is
+een man, zooals er maar weinig zijn.»
+
+Dat waren wij volkomen met hem eens. Wij zagen hem in de verte al druk
+rondloopen, om alles in orde te brengen.
+
+»Aan elk einde van de baan staat zeker eene vlag,» zei Bob. »Jongens,
+wat ben ik nieuwsgierig, wie den prijs zal winnen.»
+
+»Jij natuurlijk,» zei Jan.
+
+»Ja, of Tines Wobbe,» zei Bob. »Die kan het ook vlug.»
+
+»Doet Pieter niet meê?» vroeg ik.
+
+»Ja, hij is er al. Pa heeft hem een paar nieuwe stelten cadeau gegeven,
+waar hij heel blij mede was. Maar winnen zal hij het wel niet, want hij
+kan het nog niet vlug. Doch dat hindert niets; hoe meer zieltjes, hoe
+meer vreugd, zeg ik maar.»
+
+Wij hadden nu de kampplaats bereikt, waar eene buitengewone drukte
+heerschte. Zoo doodsch en stil als het gewoonlijk op dit gedeelte van
+den Achterweg was, zoo levendig was het er thans. De jongens, allen op
+stelten, liepen en sprongen door elkander heen; hun lachen en joelen
+klonk ver in het rond en de vlaggen wapperden vroolijk.
+
+Opeens werd het stil onder den troep, want Tines Wobbe zei op luiden
+toon, zoodat iedereen het verstaan kon, en met een minachtenden trek op
+het gelaat:
+
+»Moet hij ook meêdoen?»
+
+Bij die woorden wees hij op Jan van der Vliet, en de wijze, waarop hij
+dat woordje _hij_ uitsprak, deed ons allen pijn. Ik zag, hoe Jans
+vroolijkheid ineens verdween en dat hij bleek werd van schaamte. Juist
+wilde ik voor hem in de bres springen, toen Bob van zijne stelten stapte
+en vlak voor Tines ging staan.
+
+»Ja, Tines Wobbe, hij zal ook meêdoen. Ik wil hopen dat je daar niets
+tegen hebt?»
+
+»Als hij meêdoet, ga ik naar huis!» zei Tines, en smalend liet hij er op
+volgen: »Met zulk volk houd ik mij niet op. Ik denk, dat mijnheer
+Denappel er ook niet op gesteld zal zijn, dat hij aan den wedstrijd
+deelneemt.»
+
+»Dus als Jan meedoet, zullen we van jou gezelschap verstoken zijn, Tines
+Wobbe?» vroeg Bob. »Wel, jongen, ga dan maar dadelijk naar huis, want
+Jan blijft hier en doet ongetwijfeld meê. Ik ben het overigens volkomen
+met je eens, dat jij veel te goed voor hem zijt, dus -- dag Tines!»
+
+Bob nam zijn hoed voor Tines af en maakte eene diepe buiging voor hem,
+waarom wij allen moesten lachen.
+
+»Dat zou jij wel willen, hê Bob?» zei Tines, die er toch eigenlijk niet
+veel lust in had, om den wedstrijd in den steek te laten. »Dan was jij
+vrij zeker van den prijs!»
+
+»Juist, Tines. Praat nu maar niet langer, en ga heen. Dag Tines!»
+
+»Voor jou ga ik niet, Bobbertje. Jij hebt hier niets te zeggen, voor
+zoover ik weet.»
+
+Nu was Bobbertje een naam, dien Bob alleen maar door zijne beste
+vrienden kon hooren uitspreken. Zoodra het een scheldnaam werd, ergerde
+hij er zich vreeselijk aan.
+
+»Bobbertje!» zei hij driftig. »Zeg dat nog eens, als je durft!»
+
+»Dat durf ik wel, Bobbertje!» zei Tines sarrend.
+
+Flap! Daar kreeg hij een klap om zijne ooren, dat het klonk als eene
+klok.
+
+Flap! Daar kreeg Bob er een terug, die ook niet mis was.
+
+'t Werd eene formeele vechtpartij. Gelukkig, dat juist op dit oogenblik
+mijnheer Denappel verscheen en de vechtenden scheidde.
+
+»Ho, ho, vgiendjes, wat is hieg te doen?» vroeg hij vriendelijk. »Mag
+ik eg jelui aan heginnegen, dat ik je niet uitgenoodigd heb, om hieg te
+komen vechten? Je bent abuis, vgiendjes, geheel abuis. We zijn hieg bij
+elkandeg gekomen, om een pgettigen wedstgijd op stelten te houden. Was
+je dat veggeten?»
+
+Bob en Tines lieten elkander los, en Bob zeide:
+
+»Ja mijnheer, dat weet ik wel, maar Tines....»
+
+»Wel kijk, daag hebben wij onzen vgiend van deg Vliet ook. Daag ben ik
+zeeg blij om, zeeg blij. Geef mij de hand, jongen.»
+
+O, wat werd Jan verheugd bij die hartelijke woorden, en wat keek Tines
+Wobbe leelijk op zijn neus. Wij hadden er groote pret van.
+
+»En nu niet meeg vechten, hoog. Komt, jongens, 't is tijd om te loten.
+Maag eegst mag ik jelui zekeg wel tgakteegen op een glaasje heeglijken
+appelwijn?»
+
+»Wat graag, mijnheer, wat graag!» klonk het rondom, en allen gingen wij
+mede naar den tuin, waar een paar tafeltjes en eenige banken voor ons
+gereed stonden. Ook was daar een groote glazen kom, waarin mijnheer
+Denappel de nummers deed, netjes opgerold en in een ringetje gestoken,
+opdat alles eerlijk in zijn werk zou gaan. Zoodra wij den appelwijn
+genoten hadden, begon de loting. Dat was een gewichtig oogenblik, want
+van de loting hing heel veel af. Wij waren met ons twaalven; niet, dat
+het aantal jongens niet grooter was; o ja, er waren er wel vijftig, maar
+de anderen waren nog te jong, om aan den wedstrijd deel te nemen. Zij
+waren alleen maar toeschouwers, en verhoogden als zoodanig de
+feestvreugde niet weinig. Ook waren zij wel terdege de gasten van
+mijnheer Denappel, evengoed als wij. Als er appelwijn geschonken werd,
+of als er taartjes gepresenteerd werden, waren zij er bij als de
+kippetjes.
+
+Hier volgt het lijstje van de nummers, die getrokken werden:
+
+ 1. Pieter van Koorde.
+ 2. Jan van der Vliet.
+ 3. Adriaan Bolt.
+ 4. Tines Wobbe.
+ 5. Huibert de Leeuw.
+ 6. Dorus Volmaar.
+ 7. Karel Holm.
+ 8. Bob de Wild.
+ 9. Cor Valk.
+ 10. Dirk Langeraar.
+ 11. Arie Kooy.
+ 12. Karel Buurs.
+
+Ik had het vrij goed getroffen, want Huibert de Leeuw was niet bijzonder
+vlug op de stelten, zoodat ik het gemakkelijk van hem winnen kon. Maar
+Jan van der Vliet was nog veel gelukkiger geweest, want Pieter van
+Koorde kon er maar weinig van, terwijl Jan er juist tamelijk vlug op
+was. Voor Bob en Karel was het erg jammer, dat zij juist tegen elkander
+moesten loopen, hoewel het moeilijk vooruit te zeggen was, wie van hen
+het winnen zou. Bob was er iets vlugger op dan Karel, dat is waar, maar
+als Bob het ongeluk had te vallen, was hij verloren.
+
+»Komt jongens, we gaan beginnen!» riep mijnheer Denappel, toen hij onze
+namen in volgorde opgeschreven had. »Wie twee gitten veglogen heeft, is
+dood, -- goed begepen?»
+
+»Best begrepen, mijnheer. Wij zijn klaar.»
+
+»Numego 1 en 2!» riep mijnheer Denappel, zich bij de vlag plaatsende aan
+het begin van de baan. Aan het andere einde, waar de vlag een seinpaal
+vormde, stond een van zijne bedienden, die na elken rit de vlag zou doen
+zwenken naar den kant van den winner.
+
+Pieter van Koorde en Jan van der Vliet stonden gereed.
+
+»Een -- twee -- dgie!» riep mijnheer Denappel, en bij den derden tel
+ging het voorwaarts.
+
+Och, och, wat huppelde Pieter nog raar op die stelten, en wij moesten er
+smakelijk om lachen, maar toch vonden wij het flink van hem, dat hij
+meedeed.
+
+»Pieter-neef is zoo kwaad nog niet,» zei Bob vrij eigenwijs, »als hij
+lang bij ons blijft, zal hij wel opknappen.»
+
+Een oogenblik later ging de vlag over naar de zijde van Jan. Deze had
+het dus gewonnen, en Pieter kreeg een streepje.
+
+»Numego dgie en vieg!» klonk het nu.
+
+Adriaan Bolt en Tines Wobbe waren nu aan de beurt.
+
+Nu, wij konden wel vooruit zeggen, wie van deze twee het winnen zou,
+want tegen Tines Wobbe kon bijna niemand loopen. De vlag maakte even
+later bekend, dat wij goed gezien hadden, en Adriaan Bolt kreeg ook een
+streepje.
+
+»Numego vijf en zes!»
+
+Nu was ik aan de beurt.
+
+»Niet al te hard, Dorus!» zei Huibert, »want dan lachen ze me uit, als
+ik het zoo ver verlies.»
+
+»Je zult er met eere afkomen!» riep ik hem toe, en inderdaad won ik het
+met slechts een kleinen voorsprong, maar ik had ook bij lange na zoo
+hard niet geloopen, als ik kon.
+
+Nu volgden Bob en Karel. Dat beloofde een mooien toer, want zij konden
+het beiden best.
+
+»Een -- twee -- dgie!» riep mijnheer Denappel, en daar gingen ze. O, o
+wat liepen die twee. 't Scheen bijna, of zij geen stelten onder de
+voeten hadden, en langen tijd bleven zij precies gelijk. 't Was
+prachtig, om te zien.
+
+Tik, daar sloegen opeens de stelten van Bob tegen elkander, Bob maakte
+eene buiteling, -- en kreeg een streepje.
+
+Toen kwamen Cor Valk en Dirk Langeraar, ook een paar, dat aan elkander
+gewaagd was. Maar Cor Valk won het toch, en van de laatste twee was
+Karel Buurs de baas. Nu hadden wij allen èèn loop gedaan, en we zouden
+aan den tweeden beginnen.
+
+»Maag eegst een taartje en een kleine vegfgissching.» riep mijnheer
+Denappel ons toe. Ik geloof, dat de brave man evenveel pret had als wij.
+En wat kwamen er een toeschouwers. 't Werd een feest van belang!
+
+Nu begon de wedstrijd nog belangwekkender te worden, want wie thans weer
+een streepje kreeg, mocht niet meer meêdoen.
+
+Pieter van Koorde was de eerste doode, en wij omringden hem met ernstige
+gezichten, om hem te condoleeren. Toen volgde Adriaan Bolt, en daarna
+Huibert de Leeuw. Bob won den tweeden rit, zoodat hij en Karel Holm
+er nu ieder een gewonnen hadden; zij moesten dus nog eenmaal kampen.
+Datzelfde was het geval met Cor Valk en Dirk Langeraar. Eindelijk kreeg
+ook Arie Kooy zijn tweede streepje.
+
+Nu volgden de kampritten. Allen waren wij nieuwsgierig naar den uitslag.
+
+»Numego acht en negen!» riep mijnheer Denappel.
+
+Karel en Bob stonden gereed, en nauwelijks hoorden zij het woordje
+»dgie», of daar gingen zij. Ha, 't was een lust hen te zien gaan! Langen
+tijd bleven zij gelijk, tot eindelijk Karel Holm een klein weinigje
+begon te winnen. Wij rekten de halzen uit, om te zien, wie het eerst bij
+den eindpaal zou zijn. Bob spande zich bovenmatig in, maar Karel bleef
+voor, tot hij opeens struikelde en viel. En nog vóor hij kon opstaan had
+Bob de vlag bereikt en was Karel dood.
+
+Vijf minuten later trof Dirk Langeraar hetzelfde lot en trad Cor Valk
+als overwinnaar uit het strijdperk.
+
+Op dit oogenblik gingen de zes dooden dicht bij elkander zitten, en
+hieven een jammerlijk gehuil aan. Mijnheer Denappel schrikte er van en
+spoedde zich dadelijk naar de plaats, vanwaar het misbaar opging.
+
+»Wel vgiendjes, -- wel vgiendjes, wat scheelt eg aan, wat is eg?» vroeg
+hij ontsteld.
+
+En toen jammerde de geheele troep in koor:
+
+»We zijn dood! -- We zijn dood! O, o, we zijn dood!» Wij moesten
+geweldig lachen om die dwaasheid, en mijnheer Denappel niet het minst.
+
+»Agme jongens,» zei hij op medelijdenden toon, »wat is dat jammeg,
+want ik meende juist nog een glaasje appelwijn en een taagtje te
+pgesenteegen. Maag nu behoef ik dat bij jelui niet te doen.»
+
+»We zijn al weer levend!» klonk het dadelijk uit zes monden tegelijk, en
+de zes dooden liepen om het hardst naar de tafel in den tuin, waar de
+versnaperingen rondgedeeld werden.
+
+Wij waren nu nog met ons zessen overgeschoten, in deze volgorde:
+
+ 1. Jan van der Vliet.
+ 2. Tines Wobbe.
+ 3. Dorus Volmaar.
+ 4. Bob de Wild.
+ 5. Cor Valk.
+ 6. Karel Buurs.
+
+Jan en Tines waren nu dus het eerst aan de beurt, en wij durfden
+gerust voorspellen, dat Jan het verliezen zou. Hij was wel een goed
+steltlooper, maar Tines was de vlugste van ons allen. Toch hadden wij
+ons vergist, want beide keeren had Tines het ongeluk te vallen, terwijl
+Jan harder scheen te loopen, dan wij ooit van hem gezien hadden.
+
+»Numego dgie en vieg!» riep mijnheer Denappel, en nu moest ik tegen Bob
+draven.
+
+»Houd je goed, Dorus!» riepen sommigen mij toe. Vooral Tines Wobbe, die
+nu ook dood was, scheen Bob de overwinning in het geheel niet te gunnen.
+Hij moedigde mij met luider stem aan, mijn leven zoo duur mogelijk te
+verkoopen.
+
+Bob keek hem eens met een schuin oog aan, en zei:
+
+»Hij gunt mij niet veel goeds, Dorus. Wat zou hij lachen als ik het
+verloor.»
+
+»Laat hem, Bob. Wij zullen er eerlijk om kampen, en elkaar niet boos
+aankijken, als het straks beslist is, hoe die beslissing ook zijn moge.»
+
+»Natuurlijk,» was het eenvoudige antwoord.
+
+»Klaag?» riep mijnheer Denappel. »Vooguit dan. Eén-twee-dgie!»
+
+Ik liep, wat ik loopen kon, en maakte naast Bob lang geen gek figuur,
+want ik bleef hem kort op de hielen.
+
+Tines Wobbe riep mij voortdurend toe:
+
+»Houd vol, Dorus! Je wint! Je wint! Houd vol!»
+
+Maar het mocht niet baten. Twee keeren achtereen werd ik door Bob
+verslagen. Ik was dood.
+
+Van het laatste tweetal bleef Cor Valk de baas, zoodat er nu nog maar
+drie overbleven, en wel Jan van der Vliet, Bob de Wild en Cor Valk.
+
+Eerst moesten Jan en Bob loopen.
+
+»Nu zal Jan den prijs winnen,» fluisterde Bob mij toe. »Als ik het tegen
+hem verlies, schieten hij en Cor Valk alleen over en van Cor kan hij het
+wel winnen.»
+
+»Dus je wilt het hem laten winnen?»
+
+»Ja,» zei Bob, »ik zou zoo graag willen, dat hij den eersten prijs won,
+al was het alleen maar, om Tines Wobbe te plagen.»
+
+»Maar dan win jij niets?» zei ik. »En je loopt het hardst.»
+
+»Dat hindert niet. Ik wil Tines nu eens echt boos zien worden.»
+
+»Neen Bob, dat weet ik wel beter. 't Is volstrekt niet, omdat je Tines
+kwaad wilt maken, maar omdat je medelijden met Jan hebt. Dàt is de
+reden.»
+
+»Gekheid!» zei Bob heengaande. »Je hebt het mis, hoor Dorus, heelemaal
+mis!»
+
+Jan en Bob stonden gereed, en na de gewone drie tellen staken zij af.
+Jan liep wat hij loopen kon, al was het dan ook niet, om te winnen, want
+hij wist wel, dat Bob sneller liep dan hij. Zijne verbazing kende dus
+bijna geen grenzen, toen hij bemerkte, dat Bob wel dicht bij hem, maar
+toch steeds achter hem bleef en het maar niet scheen te kunnen winnen.
+
+»Kijk eens,» riepen de jongens, die zich verwonderden over hetgeen zij
+zagen, »kijk eens, Jan wint het van Bob! Houd je goed, Bob, houd je
+goed. -- Kijk, Bob verliest -- nog een oogenblik -- wel heb ik van mijn
+leven, Bob heeft het verloren! Hoe is dat mogelijk?»
+
+»Ik lijk wel moede te worden,» zei Bob, toen de jongens hem bestormden
+met de vraag, hoe dit mogelijk was.
+
+»Dat is vreemd» zei Jan, »want ik ben in het geheel niet moê.»
+
+Nu volgde de tweede rit, en -- met denzelfden uitslag. Bob had twee
+streepjes en was dus dood.
+
+Thans moesten na eene kleine pauze Jan en Cor Valk om den eersten en den
+tweeden prijs kampen, en de uitkomst was, zooals Bob die voorspeld had.
+Jan won den eersten en Cor den tweeden; zoodat alles heel anders was
+afgeloopen, dan wij gedacht hadden.
+
+Wat was Jan van der Vliet blij!
+
+»Toch kan ik het mij niet begrijpen, Bob,» zei hij, »want jij loopt toch
+veel beter dan ik.»
+
+»Wacht maar, Jantje,» zei Bob, die er ook zeer verheugd uitzag, nu zijn
+list zoo goed gelukt was, »ik zal het later wel eens beter overdoen, dat
+beloof ik je!»
+
+»Nu naag den tuin,» zei mijnheer Denappel. En wij volgden hem allen, om
+getuigen te zijn van de prijsuitdeeling.
+
+Hij plaatste zich achter de tafel en liet Jan en Cor tegenover hem
+staan. Daarachter stonden wij allen op een hoop gedrongen. 't Werd nu
+stil, en mijnheer Denappel zeide:
+
+»Waagde Vgiendjes! Ik heb een gecht pgettigen middag gehad en met
+vgeugde heb ik gezien, dat je op de stelten gechte bazen bent. 't Spijt
+me wel, dat ik voog iedeg van jelui geen pgijs beschikbaag heb, want ik
+zou eg je gaag allen een geven. Dat kan nu eenmaal niet. Hieg heb ik een
+pgachtig boek in een fgaaien band, en dat boek geef ik jou, Jan van deg
+Vliet, omdat ik tot mijne vgeugde gezien heb, dat jij vlugste van allen
+zijt. Hieg, mijn jongen, lees eg pgettig in! Het heet Gobinson Cgusoë.»
+
+Met een hoog rood gelaat van blijdschap nam Jan het prachtige boek aan.
+
+Mijnheer Denappel drukte hem de hand en Jan betuigde zijn dank.
+
+»En hieg heb ik den tweeden pgijs, Cog Valk, een boek, waagin je de
+avontugen kunt lezen van den Bagon van Munchhausen. Dat boek heb jij
+eeglijk gewonnen; ziedaag, neem het van mij aan, en lees het met
+pleizieg.»
+
+Ook Cor nam onder dankbetuiging zijn prijs in bezit.
+
+»En nu heb ik hieg nog een fgaaie pogte-monnaie,» vervolgde mijnheer
+Denappel, »en ik beggijp, dat je nieuwsgiegig zijt, aan wien ik die zal
+geven. Dit voogwegp is geen pgijs, vgiendjes, die doog dezen of genen
+gewonnen is, neen, -- 't is een cadeau, dat ik geef, aan wien ik wil. En
+nu geef ik haag aan Bob de Wild, omdat die agme jongen zóó bijzondeg
+moede gewogden is dezen middag, dat hij op het laatst lang zoo hagd niet
+meeg kon loopen als in het eegst. 't Is dus uit medelijden, dat hij dit
+geschenk van mij kgijgt.»
+
+Hij reikte de porte-monnaie aan Bob over en knipoogde bijna onmerkbaar
+tegen hem. Ik zag het en begreep nu zeer goed, dat hij opgemerkt had,
+hoe Bob met voordacht Jan den prijs had laten winnen, wat hij zeker eene
+mooie daad van Bob vond.
+
+Bob bedankte hartelijk voor het mooie geschenk en was er zeer blijde
+mede. Hij deed de beugels open en dicht, en zeide tegen ons:
+
+»'t Is eene beste, hoor haar maar eens flink dichtknippen.» En haar
+Tines bij het oor houdende zeide hij: »Luister maar, Tines, je kunt het
+best hooren.»
+
+Tines luisterde, maar hoorde niets. Wel voelde hij plotseling eene
+hevige pijn in zijn oorlelletje, en dat was geen wonder, want Bob had
+zijn cadeau er zoo dicht bijgehouden, dat het vel er tusschen geknipt
+zat. O, o, wat schreeuwde Tines benauwd, en met de porte-monnaie aan het
+oor, sprong hij als een wilde door den tuin rond.
+
+'t Was een dwaas gezicht, waarover wij verbazend veel pret hadden. Bob
+stond te schudden van het lachen, en ik geloof zelfs op dit oogenblik
+nog, dat de ondeugd het er om gedaan had.
+
+Mijnheer Denappel verloste Tines van het pijnlijke oorbelletje en gaf
+het Bob terug, daarbij dreigend den vinger tegen hem opstekende.
+
+Wij bleven nu nog prettig een paar uren in den tuin spelen, en
+vertrokken pas toen het al donker begon te worden. Ons luid: Lang zal
+hij leven! Hoezee! Hoezee! ter eere van mijnheer Denappel, weerklonk
+over het geheele dorp.
+
+'t Was een heerlijke middag geweest.
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+ Van een klein bakkertje en een grooten wagen. Hoe wij
+ eene wandeling door het bosch maakten en Burts ontmoetten.
+ Onze vlucht en de gevolgen daarvan.
+ Pieter komt tot de ontdekking, dat het in
+ het bosch spookt.
+
+
+'t Zal een dag of drie later geweest zijn, toen wij met ons vieren, Bob
+en zijn neef Pieter, Karel Holm en ik, eene wandeling maakten door het
+dorp. Pieter zou den volgenden dag weer met zijne Mama naar Amsterdam
+terug keeren. Ik zeg, dat wij eene wandeling maakten, maar dat is
+eigenlijk niet geheel juist, want we stonden heel dikwijls stil, b.v.
+als Bob zich verbeeldde, een grooten visch aan de oppervlakte van het
+water te zien zwemmen, of als Karel dacht, in het kreupelhout langs den
+weg een egel te zien, of als wij een meikever meenden te hooren brommen
+en vruchteloos naar het onschuldige diertje uitzagen, met het vaste
+voornemen, om hem te vangen, als ons dat mogelijk was. Soms ook zaten
+wij vertrouwelijk aan den kant der beek, en staarden naar de kabbelende
+golfjes en luisterden naar het suizelen van het riet, of maakten kleine
+scheepjes van de bladen daarvan, die wij op het water lieten drijven.
+
+Opeens begon Bob te lachen, zonder dat wij de reden daarvan konden
+bevroeden.
+
+»Waar heb jij zoo'n pret over, Bob?» vroeg ik.
+
+»Ach,» zei hij, »zie je ginds dien grooten broodwagen wel, daar bij het
+huis van Wobbe?»
+
+»Ja wel,» zei Karel, »maar het grappige daarvan zie ik nog niet in.»
+
+»Neen, ik ook niet,» zei ik.
+
+»Dat wil ik wel gelooven,» hernam Bob. »Nu moet je straks eens kijken,
+als de bakker terugkomt. Dat mannetje is zoo klein als de wagen groot
+is, en als hij nu brood uit dien wagen moet krijgen, gaat hij op de
+ijzeren trede staan, die je daar ziet, en duikt bijna geheel in zijne
+kar weg.»
+
+»En is dat nu zoo grappig?» vroeg ik.
+
+»Kijk,» zei Bob, »daar komt hij weer. Flap! Het deksel doet hij open, en
+wip -- nu staat hij op de trede. Ha-ha, daar gaat hij weer voorover, den
+wagen in. Zie je nu wel, hoe grappig! Hij verliest bijna zijn evenwicht.
+Je zoudt zeggen, wat moet zoo'n klein manneke nu met zoo'n grooten wagen
+doen? Als hij een klein beetje hulp krijgt, wipt hij voorover op zijne
+bollen en stoeten. Ha-ha-ha!»
+
+Nu, 't was inderdaad wel grappig te zien, hoe het kleine bakkertje zijne
+brooden uit den wagen opdiepte. Maar bijzonder sterk interesseerde de
+zaak ons toch niet. Alleen Bob vond het verbazend grappig.
+
+»Zeg jongens,» riep hij ons toe, »ik kan het heusch niet laten, hoor. Ik
+moet hem een handje helpen!»
+
+»Om eene duikeling in de wagen te maken?» vroeg Karel, wien het plan ook
+wel min of meer toelachte.
+
+»Natuurlijk!» zei Bob.
+
+»Ik zou het je afraden,» zei Pieter. »Ik acht het eene gevaarlijke
+onderneming.»
+
+»Gevaarlijk is ze nooit, want als ik het deksel dicht doe, kan hij er
+nooit meer uit!» zei Bob. »Dan is het Hugo de Groot in de boekenkist! Ik
+ga, jongens, die grap moet ik hebben.»
+
+Wij stonden op, om te zien, hoe het zou afloopen.
+
+Bob ging regelrecht op den wagen af. De bakker was weer bij een huis
+aangegaan, om zijne waar te verkoopen, maar weldra kwam hij terug.
+
+Ja, daar ging het deksel weer open en stapte hij op de trede. Een
+oogenblik later verdween zijn bovenlijf in de kar. Zie, hij moest zelfs
+op de teenen gaan staan, om in alle hoeken te kunnen komen.
+
+Dit oogenblik had Bob afgewacht. Vlug als de wind gaf hij den braven man
+een duwtje -- en, o heden, wat was het een bespottelijk gezicht -- daar
+duikelde de bakker voorover in zijn wagen. In het volgende oogenblik was
+het deksel dicht.
+
+Och, och, wat moest die Bob geweldig lachen! Een paar vrouwtjes, die het
+tooneeltje van achter hare ramen, waar zij kousen zaten te stoppen,
+hadden aangezien, kwamen verontwaardigd naar buiten snellen. Wij vonden
+het ook wel grappig -- maar toch zouden wij ons nog wel eens bedacht
+hebben, eer wij het gedaan hadden.
+
+Bob zette het op een loopen, zooals van zelf spreekt. Hij behoefde niet
+bang te wezen, dat de bakker niet uit zijne gevangenis verlost zou
+worden, want het gebeurde midden in het dorp, zoodat verscheidene
+menschen het hadden gezien. Bovendien steeg er zulk een jammerlijk
+gehuil uit den wagen op, dat men het wel hooren moest.
+
+»Wel, wel, wat een portale jongen!» zei een van de vrouwtjes, die naar
+buiten gekomen waren. »Je zoudt zeggen, waar haalt de jongen de
+portaligheid vandaan?»
+
+Zij zette hare handen in de zijden en schudde bedenkelijk met het hoofd.
+
+»Ja buurvrouw,» was het antwoord, »dat mag je zeggen, m'n lieve mensch.
+Wil je wel gelooven, dat ik er beduusd van ben? De schrik zit me nog
+door me heele lijf, zoowaar als ik hier voor je sta.»
+
+»Hoor me dien man eens aangaan!» zei weer de eerste, zonder evenwel eene
+hand uit te steken, om hem te helpen.
+
+»'t Is eene schande, dat zeg ik maar, en die jongen groeit op voor galg
+en rad. Help maar eens kijken!»
+
+»'t Is zeker wilde Bob wel weer geweest?» vroeg de andere.
+
+»Help! Help!» klonk het onophoudelijk uit den wagen, uit welke
+noodkreten wij duidelijk konden opmaken, dat het den kleinen bakker
+volstrekt niet beviel in zijn Luilekkerland.
+
+Op dit oogenblik kwam Bob zoo brutaal mogelijk terugloopen. De
+aardigheid scheen hem lang genoeg geduurd te hebben, want met eene
+behendige beweging maakte hij het deksel los en lichtte het een weinig
+op. Op hetzelfde oogenblik verscheen het verschrikte hoofd van den
+bakker boven den rand, daarna zijn bovenlijf -- en nu zette Bob het voor
+de tweede maal op een loopen, zoo snel als hij kon. Hij vloog langs ons
+heen.
+
+»Komt jongens!» riep hij ons toe. »Loopen, hoor, want als hij je krijgt,
+zal het je niet bevallen.»
+
+Nu, wij waren doodonschuldig aan de geheele zaak, dat kan niemand
+ontkennen, maar toen wij zagen, welke booze blikken de bakker op ons
+wierp en hoe hij naar zijne zweep zocht, vonden wij het geraden, ook het
+hazenpad te kiezen. Wij volgden daarom Bob meer overhaast dan eervol en
+hadden hem weldra ingehaald.
+
+Het laatste huis van het dorp hadden wij spoedig achter ons en zonder
+een bepaald plan te hebben sloegen wij een smal pad in, dat naar het
+bosch van Baron van den Kasteele voerde. Dat de bakker ons niet meer
+vervolgde, hadden wij al sedert lang opgemerkt. Wij vertraagden dus
+onzen gang en liepen doelloos verder.
+
+Zoo kwamen wij aan den ingang van het bosch, waar op een bordje, dat aan
+een hoogen iep was getimmerd, de woorden »Verboden Toegang» te lezen
+stonden.
+
+»Willen wij er ingaan?» vroeg Karel. »'t Ziet er daar zoo echt prettig
+uit.»
+
+»Mij goed!» zeiden Bob en ik.
+
+»Maar er staat »Verboden Toegang!» op dat bordje,» zei Pieter, op de
+waarschuwende woorden wijzende. »Zouden we er geen kwaad mede kunnen?»
+
+»Och kom, wees wijzer,» zei Bob. »Dat bordje doelt alleen op stroopers,
+die hier wel eens komen. Wij gaan er geen kwaad doen.»
+
+Pieter keek zijn neef Bob met een wantrouwigen blik aan. Blijkbaar was
+hij daarvan niet erg zeker.
+
+»Kom, Pieter, niet zeuren,» zei Karel. »Als we den boschwachter tegen
+komen, waarvan wij natuurlijk niet veel gevaar loopen, omdat het bosch
+zoo groot is, zullen wij er ons zonder murmereeren weer uit laten jagen,
+dat is alles. Dan heeft de goede man alle redenen tot tevredenheid en
+kan hij niet anders getuigen, dan dat wij brave jongens zijn.»
+
+Die woorden van Karel kwamen ons zeer juist voor, en ook Pieter scheen
+er door overtuigd te zijn, want na enige weifeling volgde hij ons het
+bosch in.
+
+Wat was het daar heerlijk. De boomen verhieven hunne zacht wuivende
+kruinen hoog in de lucht en wij baadden ons als het ware in de geur
+van het jonge groen, dat ons omgaf. Wat stak dat lichte voorjaarsgroen
+prachtig af tegen den donkeren achtergrond van de sparren en dennen, die
+daar in grooten getale werden gevonden. Wij hoorden de nachtegalen slaan
+en de ooievaars klepperen. O, 't was er verrukkelijk!
+
+Manmoedig stapten wij in het bosch voort, doch -- al hielden wij ons
+zeer heldhaftig en al riepen wij Pieter om 't hardst toe, dat hij gerust
+meê kon gaan en geen vrees behoefde te koesteren, toch waren wij zelf
+ook niet geheel op ons gemak, want de Baron was een lastig man, en zijn
+boschwachter, die Burts heette, was zelfs algemeen gevreesd.
+
+Al spoedig begon het terrein heuvelachtig te worden, zoodat wij berg-op,
+berg-af gingen. Nu eens zaten wij op den top van een hooge duin, vanwaar
+wij een prachtig gezicht hadden op de omgeving, dan weer lagen wij te
+rusten in eene vallei, die aan alle zijden door heuvels ingesloten was.
+In een van die valleiën vonden wij een pas gegraven kuil, die zoo diep
+was, dat het water er wel ruim een meter hoog in stond. Over den kuil
+lag eene plank.
+
+»Wat zou dat zijn? Waartoe zou de Baron dien kuil gegraven hebben?»
+vroeg Bob, die midden op de plank stond en met een langen tak van een
+boom peilde, hoe diep het gat wel zou zijn.
+
+»Ik weet het niet,» zei ik.
+
+»Ik geloof, dat de Baron eene waterleiding wil aanleggen naar zijne
+villa,» zei Karel. »Het zou best kunnen zijn, dat die hier gemaakt
+wordt.»
+
+»Wel mogelijk,» zei Bob. »Pas op, Karel, niet zoo dringen, want als ik
+van de plank val, ben ik doornat.»
+
+Maar Karel hield niet op, en nu begonnen die twee eene stoeipartij,
+waaraan wij weldra allen meêdeden. Wij waren evenwel zoo verstandig de
+plank te verlaten, want niemand van ons had lust een nat pak te halen.
+Al stoeiende werden wij hoe langer, hoe wilder. Wij zaten elkander na
+tegen de hoogten op en lieten ons dan weer van boven-af neerrollen,
+wat wij buitengewoon vermakelijk vonden. Soms renden wij, zoo hard wij
+loopen konden, van de hoogte af naar omlaag, de plank over en dan
+weer tegen den tegenoverliggenden heuvel op, zoodat wij zwoegden van
+inspanning. Wij vermaakten ons kostelijk en waren weldra zoowel den
+baron als zijn boschwachter vergeten.
+
+Kwaad deden wij niet, althans in het eerst niet, maar dat zou
+veranderen. Bob kon nooit ergens afblijven, en zoo ook nu niet. Toen
+wij eenige keeren in vollen draf over de plank gegaan waren, begon Bob
+de plank van den kuil te trekken en sleepte haar tegen de helling op.
+Daar zette hij haar op het einde en liet haar balanceeren. Het is te
+begrijpen, dat zij telkens omviel en dan met geweld tegen den grond
+terecht kwam. Dat spelletje werd zoo dikwijls herhaald, tot wij een
+hevig gekraak hoorden, waardoor het ons allen duidelijk werd, dat zij
+gebroken was.
+
+»Stuk!» zei Bob.
+
+»Ja, stuk, Bobbertje!» zei Karel op leuken toon. »Daar heb je eer van.»
+
+»Laten we vluchten,» zei Pieter in grooten angst. »Als de baron komt en
+ziet, wat we gedaan hebben, zal het nog slecht met ons afloopen.»
+
+»Niet zoo bang wezen, Pieter,» zei Bob. »Zeg jongens, die plank is niet
+stuk, kijkt maar.»
+
+»Hij is niet in twee stukken gevallen, dat is waar,» zei ik. »Maar toch
+is ze stuk, Bob. Je kunt het duidelijk zien.»
+
+»Ja, dat kan ik niet ontkennen. Nu, gedane zaken nemen geen keer, en
+met den besten wil is het mij niet mogelijk, deze plank weer heel te
+maken. Toe Dorus, help mij eens, door het andere einde op te nemen. Dan
+leggen wij haar weer netjes over den kuil en niemand kan zien, dat zij
+stuk is.»
+
+»En als er nu iemand komt en er over loopt?» vroeg Karel.
+
+»Dan breekt de plank en krijgt hij een nat pak,» zei Bob. »Dat lijdt
+geen twijfel.»
+
+»Maar dat is een leelijke streek,» zei Karel. »Je moet dat niet doen,
+Bob, -- ik heb het liever niet.»
+
+»Maar wat dan?» vroeg Bob. »Wij kunnen de plank toch niet hier laten
+liggen?»
+
+»Ik weet er wat op,» zei Pieter. »Hier heb ik een stukje krijt. Laten
+wij er aan de beide einden opschrijven dat ze stuk is. Wanneer dan
+iemand komt om er over te loopen, wordt hij gewaarschuwd.»
+
+»Als het ten minste niet gaat regenen,» meende Karel. »Maar je hebt
+gelijk, Pieter, -- laten wij het er duidelijk opschrijven.»
+
+Bob nam nu het stukje krijt, en schreef aan elk einde met duidelijke
+letters:
+
+»Deze plank is gebroken.»
+
+»Zie zoo,» zei hij vol zelfvoldoening over zijne daad, »dat is
+duidelijk, dunkt me. Wie er nu toch nog over loopt, moet er zelf de
+gevolgen maar van dragen. Toe Dorus, help eens even een handje.»
+
+Wij droegen de plank nu naar beneden en legden haar weer precies, zooals
+we haar gevonden hadden.
+
+»Willen we nu verder gaan?» vroeg Pieter, die zich in het bosch nog in
+het geheel niet op zijn gemak gevoelde.
+
+Wij vonden zijn voorstel goed, en klommen over den heuvel. Daarna kwamen
+wij weer in eene vallei, die rondom diep was uitgespit en klommen aan
+den anderen kant tegen eene zeer steile helling op, zóó steil, dat wij
+ons aan het kreupelhout moesten ophijschen om er tegen op te komen.
+
+En nauwelijks was Bob met zijn hoofd boven den top, of hij fluisterde
+ons toe, dat wij geen gedruisch moesten maken, en heel zacht naar boven
+klimmen.
+
+»Daar zijn konijnen aan het spelen,» zei hij zacht.
+
+Wij bereikten nu ook de hoogte, die zoo smal was, dat wij ons moesten
+vasthouden, om niet achteruit naar beneden te glijden.
+
+»Wat zijn ze vlug, he? Kijk die dingen eens springen!»
+
+'t Was inderdaad een aardig gezicht, die diertjes zoo geheel in vrijheid
+te zien huppelen en spelen. Er waren er zeker wel twintig.
+
+»'t Is hier het konijnenland,» zei Karel. »Kijk, die groote, daar ginds
+achter de struiken, is zeker de koning.»
+
+»En die heuvel is hunne stad,» zei Bob. »Zie je die holen daar wel? Dat
+zijn de poorten, die toegang tot de stad verleenen. 't Is toch wel
+grappig, zulk eene konijnen-kolonie.»
+
+»Ik wou, dat ik een geweer had,» zei Pieter. »Wat zou ik ze raken!»
+
+»Jij?» zei Bob lachend. »Misschien schoot je ons wel dood en jezelven er
+bij, maar een konijn raakte je niet, zou ik durven voorspellen.»
+
+»Jij ook niet,» zei Pieter boos. »Jij kunt evenmin schieten als ik.»
+
+»Had ik maar pijl en boog bij me,» zei Karel. »Dan zou ik het toch eens
+probeeren. Een geweer maakt te veel leven. Het zou onze tegenwoordigheid
+verraden; maar met pijlen konden we het wagen.»
+
+»Zouden we geen boog kunnen maken?» vroeg Bob.
+
+»Niet doen, Bob, niet doen!» zei Pieter. »Laten we nu verder gaan.
+'t Wordt hoog tijd.»
+
+»Nog eventjes,» zei Bob. »We zitten hier nog zoo prettig.»
+
+»Zitten?» vroeg Karel. »Hangen zou beter gezegd zijn, want ik word moe
+van het vasthouden. Kijk, daar komen nog meer konijnen uit de holen. Hoe
+komen er zooveel bij elkaar, zou je zeggen.»
+
+»'t Is geen wonder, dat hier wel eens stroopers komen,» merkte ik op.
+»Zij kunnen hier altoos op eene goede vangst rekenen.»
+
+»Hoe vangen zij die dieren?» vroeg Pieter.
+
+»Ze graven de holen uit en kruipen er in, zoover ze kunnen. Dan grijpen
+zij ze met de handen.»
+
+»En die ontsnappen langs nevengangen komen in de stroppen terecht,
+waarmede de uitgangen afgezet zijn,» vulde Karel aan. »'t Moet wel een
+aardig werkje zijn, dunkt me.»
+
+»Aardig wel, maar gevaarlijk, want als de heuvel instort, wordt de
+strooper onder het zand bedolven en moet sterven.»
+
+»Ook kan hij gesnapt worden door Burts, den boschwachter, zei Bob. »En
+dat is ook niet bijzonder prettig, want dan is gevangenisstraf het
+einde.»
+
+»Pang!» klonk plotseling een zwaar schot in onze onmiddellijke
+nabijheid. »Pang!» daar viel een tweede schot.
+
+Een geweldige schrik overviel ons, want wij waren er in het geheel
+niet op voorbereid. Drie van ons, Bob, Karel en ik sprongen van schrik
+overeind en stonden plotseling in de onmiddellijke nabijheid van den
+gevreesden Burts. Maar de vierde, onze waarde Pieter-neef, was van den
+schrik als het ware verlamd. Hij had geen kracht meer om zich aan de
+struiken vast te houden en onder het slaken van een akeligen kreet rolde
+hij hals over kop naar beneden.
+
+»Ha-ha, knaapjes!» bulderde de boschwachter ons toe. »Daar heb je
+jezelven leelijk verraden. Was maar stil blijven zitten, dan had ik je
+stellig niet opgemerkt, maar nu ben je in mijne macht. Hoe heet je?»
+
+Burts haalde een boekje uit zijn zak te voorschijn, om onze namen op te
+schrijven.
+
+»Hoe heet je?» vroeg hij op gestrengen toon, en hij keek Bob strak in de
+oogen. Wat zag die man er barsch uit. Zijne knevels schenen mij toe om
+te krullen van boosheid.
+
+»Hoor je me niet? Hoe heet je?» herhaalde hij zoo barsch mogelijk.
+
+»Vluchten, jongens!»
+
+Dat was het eenige antwoord, hetwelk aan Bobs mond ontsnapte. En hij
+voegde de daad bij het woord. Met eene vlugge beweging liet hij zich
+naar beneden rollen, waar hij dicht bij Pieter-neef terecht kwam, die
+nog kermend van ontsteltenis in het zand lag te spartelen.
+
+»Wat is er?» vroeg Bob, die nooit een makker in den steek liet, en
+haastig bij hem neerknielde.
+
+»O, ik ben getroffen,» steunde Pieter.
+
+»Waar? -- Zeg, Pieter, -- waar?» vroeg Bob angstig.
+
+»Is hij weg, Bob?» vroeg Pieter, schuw om zich heen ziende.
+
+»Neen, -- maar jij moet maken, dat je wegkomt!» antwoordde Bob. »Zeg
+Pieter, -- wáár ben je getroffen?»
+
+»Dat weet ik niet, -- o dat weet ik niet!» jammerde Piet.
+
+»Dan is het ook niet waar! Vooruit, vlucht, daar komt de boschwachter
+aan! Vooruit, Pieter, gauw?»
+
+»De boschwachter? O -- O!» steunde Pieter, overeind krabbelende. »Waar
+-- waar is hij, Bob?»
+
+»Loopen!» zei Bob. »Als een haas! Ik zal hem wel een oogenblik ophouden!
+Maar haast je!»
+
+Pieter begon nu te begrijpen, dat het ernst was, en dat was trouwens te
+zien ook, want de boschwachter verscheen nu boven op den heuvel. Eerst
+had hij Karel en mij een oogenblik achtervolgd, maar toen hij bemerkte,
+dat wij hem te vlug waren, keerde hij terug en trachtte Bob in zijne
+macht te krijgen.
+
+Pieter klom aan de andere zijde tegen de helling op en verdween uit het
+gezicht. Bob vreesde echter, dat Burts hem spoedig achterhalen zou, want
+Pieter was niet erg bij de hand in dergelijke zaken. Hij besloot daarom,
+den boschwachter eenigen tijd op te houden, ten einde zijn neef en ook
+ons gelegenheid te geven, een goed heenkomen te zoeken.
+
+Hij bleef dus in de vallei rondloopen, tot Burts hem vrij dicht genaderd
+was. Nu moest zijne bekende vlugheid hem redden.
+
+»Ha, deugniet, daar heb ik je nu!» hoorde hij Burts zeggen.
+
+»Mis, man, nog niet,» dacht Bob, maar hij zeide niets. Als een haas zoo
+vlug klauterde hij tegen de hoogte op. Hij raakte bijna den grond niet
+aan. Maar Burts was vlugger, dan hij dacht, zoodat hij duidelijk merkte,
+dat deze hem begon in te halen.
+
+»Krijgen zàl ik je!» hoorde hij hem zeggen.
+
+Nu had Bob den top bereikt, en hij bemerkte, dat hij thans de vallei
+weer genaderd was, waar de nieuwe waterleiding moest komen.
+
+Als een bal liet hij zich naar beneden rollen, en hij had het geen
+oogenblik later moeten doen, want reeds strekte Burts de hand uit, om
+hem bij de beenen te grijpen. Nu ontsnapte Bob hem.
+
+Deze liep op den put toe, die midden in de vallei lag, met het
+voornemen, de plank over te loopen en aan den overkant weer omhoog te
+klauteren. Dat de plank stuk was, herinnerde hij zich al niet meer, en
+juist wilde hij er den voet op zetten, toen hem de met krijt geschreven
+letters in het oog vielen.
+
+»O ja, omloopen!» mompelde Bob. Hij hoorde Burts met groote schreden
+naderen, maar durfde zich geen oogenblik tijd gunnen, om eens achter
+zich te kijken.
+
+»Nu ontsnap je mij niet meer, kleine schelm!» hoorde hij zijn vervolger
+roepen, en deze voorspelling stemde onzen Bob verre van aangenaam.
+
+[Illustration: Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak....
+(pag. 195).]
+
+Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak achter zich, welk gekraak
+gevolgd werd door een geweldigen plons, als van iemand, die in het water
+viel. En plotseling ging Bob een licht op. Ongetwijfeld was Burts, om
+hem den pas af te snijden, op de plank gestapt, niet wetende, dat deze
+gebroken was. En nu moest zonder twijfel de lange Burts er doorgezakt en
+in den kuil gevallen zijn. Bob hoorde, hoe er in het water geplast werd,
+en hoe de boschwachter pogingen deed, om tegen den hoogen kant op te
+springen.
+
+Nu durfde Bob wel een oogenblik stilstaan, en omkijken. Ja waarlijk,
+daar zag hij het hoofd van den vertoornden boschwachter boven den rand
+van den put uitkomen, en hij zag ook, hoe diens beide handen zich aan
+den rand vastklemden en hoe hij poogde, er uit te springen. Wel een paar
+malen mislukte hem dit en zakte de man, die hoe langer hoe toorniger
+werd, tot aan zijn middel in het water terug.
+
+'t Was zoo'n koddig gezicht, dat Bob het uitschaterde van de pret. En
+dat lachen maakte Burts nog boozer. Hij spande al zijne krachten in,
+sprong nogmaals omhoog en ja, nu gelukte het hem, zich op den kant te
+werken. O, o, wat droop het water hem uit de kleêren! Bob kon niet tot
+bedaren komen van het lachen.
+
+Maar nu kwam Burts met groote schreden op hem af; het was den man aan te
+zien, dat zijne woede geen grenzen kende.
+
+»Nu wordt het mijne beurt!» riep hij Bob met beide vuisten dreigend toe.
+Maar Bob wachtte hem niet af. Vlug als eene kat klauterde hij omhoog en
+was weldra verdwenen. En Burts klauterde hem wel na, maar och, doornat
+als hij was, viel dat werkje hem erg moeilijk, en toen hij, eindelijk op
+de hoogte gekomen, van Bob geen spoor meer kon ontdekken, gaf hij de
+vervolging geheel en al op. Hij keerde naar huis terug, om droge kleêren
+te gaan aantrekken.
+
+En Bob verliet zoo spoedig mogelijk het bosch langs denzelfden weg, dien
+hij het ingekomen was. Aan den uitgang werd hij aangenaam verrast, door
+daar Karel en mij te vinden. Wij zaten daar al enkele minuten op hem en
+Pieter te wachten.
+
+Wel, wel, wat moesten wij lachen, toen Bob ons vertelde, wat er met
+Burts gebeurd was. 't Is misschien wel niet mooi van ons, maar wij
+verheugden ons toch buitengewoon in de poets, die hem gespeeld was.
+'t Was dan ook een akelige man, van wien niemand hield.
+
+»En nu is hij doornat naar huis gegaan, denk ik,» zoo besloot Bob,
+grinnekend van pret, zijn relaas. »Neen jongens, 't zou me wat waard
+geweest zijn, als jelui het had kunnen zien, want het was een eenig
+schouwspel. Ik zal het mijn leven lang niet vergeten. Maar apropos, waar
+is Pieter-neef?»
+
+»Die is er nog niet,» zei ik. »Wij dachten, dat hij gelijk met jou zou
+komen. Heb-je hem niet gezien?»
+
+»Neen, die malle jongen lag aan den voet van den heuvel te jammeren, dat
+hij getroffen was door die schoten van Burts, en dat werd bijna mijn
+ongeluk. Want ik heb hem gezegd, dat hij het totaal mis had en zoo snel
+mogelijk beenen moest maken, om uit de handen van Burts te blijven. Maar
+dat alles hield mij zoo lang op, dat ik zelf bijna het kind van de
+rekening werd. Waar zou hij nu blijven?»
+
+»Vermoedelijk in het bosch,» zei Karel leuk. »Hij zal wel komen, maak je
+maar niet ongerust. Kom een poosje op je gemak bij ons zitten, en laten
+wij geduldig afwachten. Misschien is hij wel hier of daar weggekropen.»
+
+Bob deed het en nu bleven wij eenige minuten wachten, maar Pieter-neef
+bleef onzichtbaar. Wij begonnen ons eindelijk een beetje ongerust te
+maken, want de avond begon te vallen en de zon zou weldra ondergaan. Dat
+laatste juist was het, wat wij vreesden, want dan zou het in het bosch
+al spoedig zeer donker worden, zoodat het iemand als Pieter moeilijk zou
+vallen, den rechten weg te vinden om er uit te komen.
+
+»Wil ik jelui eens wat zeggen?» zei Bob eindelijk. »Ik geloof, dat
+Pieter-neef verdwaald is.»
+
+»Dat zou erger zijn,» vond Karel.
+
+»Het ergste, wat hem overkomen kon,» meende ik.
+
+»Als het waar is, wat ik vermoed, zal hij doodsangsten uitstaan, vrees
+ik,» hernam Bob.
+
+»Ongetwijfeld!» zei Karel. »Het loopt hem hier in 't bosch ook in het
+geheel niet meê. Ik denk, dat hij van middag zijn pleizier wel op kan.»
+
+»Ja, -- hij treft het slecht. Maar zeg, wij kunnen hem niet aan zijn
+lot overlaten, niet waar?»
+
+»Neen, dat gaat niet!» stemde Karel toe.
+
+»Natuurlijk niet!» zei ik. »Wij moeten hem trachten op te sporen.»
+
+»Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan,» zei Bob. »'t Bosch is heel
+groot en er zijn een tal van paden en lanen in. Wie weet, hoe ver hij in
+zijn angst al afgedwaald is.»
+
+»Laten we gaan,» stelde ik voor. »We moeten langer geen tijd verliezen.»
+
+»En Burts dan?» vroeg Karel.
+
+»Burts zal van avond wel thuis blijven. Hij gaat bepaald vroeg naar bed,
+want na een bad is men altijd slaperig,» zei Bob. »Ga je mede?»
+
+Wij sprongen op en volgden Bob ten tweeden male het bosch in.
+
+»Zou het niet noodig zijn, dat wij ieder een verschillenden kant
+uitgingen?» vroeg ik. »Dan hebben wij veel meer kans, om hem spoedig te
+vinden.»
+
+»Laten wij eerst eenigen tijd bij elkander blijven, want als wij
+scheiden, kunnen wij elkander ook niet meer terug vinden,» zei Karel.
+
+»Zou ik hem durven roepen?» vroeg Bob. »Of zou dat met het oog op Burts
+gevaarlijk zijn?»
+
+»Dat is het zeker,» zei ik. »Hoe harder je roept, hoe meer kans om
+gesnapt te worden.»
+
+»Nog niet roepen,» vond Karel. »Dat kunnen we wel doen, als het geheel
+donker is, maar nu is het nog te gevaarlijk. Wat wordt het al duister
+hier in het bosch, vindt-je niet?»
+
+»Over een half uur is het geheel donker,» zei Bob.
+
+»'t Is te hopen, dat wij hem voor dien tijd gevonden hebben.»
+
+»'t Is eene mooie geschiedenis,» zei ik, wel een beetje onrustig, nu het
+zoo laat werd, eer ik thuis kon zijn. Want het was een vaste regel bij
+ons, dat wij vóór donker binnen moesten zijn. Pa hield daar streng de
+hand aan.
+
+Wij brachten nog ruim een half uur zoekende door, zonder evenwel eenig
+spoor van Pieter te ontdekken.
+
+Het werd thans hoog tijd om naar huis terug te keeren, waar men zeker
+al ongerust over ons lange uitblijven begon te worden. Maar daar stond
+tegenover, dat het hoogst onaangenaam voor ons was, zonder Pieter naar
+huis te moeten gaan.
+
+Bob was daartoe dan ook in het geheel niet te bewegen.
+
+»Ik blijf hier,» zei hij op zijn gewonen beslisten toon. »Ga gij beiden
+maar naar huis terug en zeg aan Pa, wat er gebeurd is. Vraag hem, eenige
+menschen te zenden, om mij bij het zoeken te helpen. Of weet je iets
+beters?»
+
+Neen, dat wisten wij niet, maar om op deze wijze terug te keeren, vonden
+wij ook onaangenaam.
+
+»Laten wij eerst eens boven op een heuvel gaan staan en zoo hard roepen
+als we kunnen,» zei Karel. »Of de boschwachter ons hoort of niet, is mij
+thans geheel onverschillig. Wij kunnen Pieter niet aan zijn lot
+overlaten.»
+
+»Je hebt gelijk,» zei Bob. »Laten we gaan.»
+
+Wij beklommen den top van eene hooge duin en verhieven in koor onze
+stemmen. 't Was gelukkig zeer stil in de natuur, zoodat men ons ver in
+den omtrek moest kunnen hooren.
+
+»Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter!» weerklonk het uit drie monden
+tegelijk, en onze stemmen klonken ons daar van dien top des heuvels
+en in de stille duisternis van den vallenden nacht geheimzinnig in de
+ooren. De vogels in de takken der boomen schrikten er van wakker en
+vluchtten ijlings heen. Nachtuilen deden hun gekras hooren en sommigen
+van hen lachten op eene allerakeligste manier, precies als menschen,
+maar op een vreemden toon. Ik moet eerlijk bekennen, dat mij bij het
+hooren daarvan eene rilling door de leden voer.
+
+Nogmaals lieten wij ons krachtig geroep hooren. Daarna bleven wij stil
+staan, om te luisteren. Hoe hoopten wij, dat eenig antwoord onze
+gehoorvliezen zou doen trillen.
+
+Doch wij luisterden tevergeefs.
+
+»Nog eens roepen, jongens,» zei Bob. »Den moed nog niet opgeven.»
+
+Weer klonk ons roepen door de nachtelijke stilte, en weer luisterden
+wij, of wij iets mochten vernemen.
+
+Opeens zei Bob:
+
+»Luister, jongens, ik hoor iets!»
+
+Wij luisterden.
+
+»Hoor, -- daar is het weer!» fluisterde Bob ons toe.
+
+»Ja, -- ik hoor het ook,» zei ik. »Dat moet Pieter zijn. 't Komt van
+dien kant.»
+
+Bij die woorden wees ik naar den uitgang van het bosch.
+
+»Laten we hem tegemoet loopen,» zei Karel, »en dan straks nog eens
+roepen. Dan hooren we hem misschien reeds beter.»
+
+Dat deden we, en na enkele minuten geloopen te hebben beklommen wij
+opnieuw een heuvel en lieten weer ons geroep hooren.
+
+»Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter!»
+
+Wij schreeuwden met bijna bovenmenschelijke kracht, en luisterden
+daarna, of we Pieters antwoord hoorden.
+
+Ja, daar vernamen wij het reeds vrij duidelijk. Ongetwijfeld waren wij
+elkander tegemoet geloopen. Dat gaf moed!
+
+»Voorwaarts, jongens, we bewegen ons in de goede richting!» riep Bob ons
+opgetogen toe. »'t Is toch wel aardig, hê, zoo'n nachtelijk tochtje door
+een bosch. 't Is zoo geheimzinnig!»
+
+Met moed gingen wij thans verder, steeds roepende, om Pieter de
+gelegenheid te geven, ons tegemoet te komen.
+
+Nu werd zijn geluid voortdurend duidelijker, en eindelijk -- ha, daar
+vonden wij hem. O, wat zag hij bleek van den doorgestanen angst. Hij
+beefde over zijn geheele lichaam.
+
+»Goddank! Goddank!» fluisterde hij ons toe. »O, wat ben ik blij, dat
+jelui me niet aan mijn lot hebt overgelaten.»
+
+»Nu dadelijk naar huis!» zei ik. »Er zal toch al wat voor me opzitten,
+als ik thuis kom.»
+
+Met vluggen pas zochten wij den uitgang van het bosch op en weldra
+hadden wij het dorp bereikt.
+
+Pieter begon meer en meer tot zichzelven te komen, maar wij merkten toch
+duidelijk, dat hij een vreeselijken angst had uitgestaan.
+
+»'t Was verschrikkelijk, daar in het bosch,» zeide hij zacht en met eene
+huivering, »en wat was het er donker, griezelig donker. En het spookt
+er ook, want telkens hoorde ik menschen, die mij op eene allerakeligste
+wijze uitlachten. O, als ik dat geluid weer hoorde, was het of ik door
+den grond heenging van schrik. Ik ga nooit, nooit weer met jelui mede,
+als je weer naar het bosch gaat.»
+
+»Och, -- dat waren uilen!» zei Bob. »Wees wijzer, jongen!»
+
+Wij waren nu de brug genaderd, waar onze wegen scheidden. Met een
+haastigen groet begaven wij ons ieder naar onze woning, waar Pa mij
+alles behalve vriendelijk ontving. Wel knikte hij goedkeurend, toen ik
+vertelde, dat wij niet zonder Pieter naar huis wilden terugkeeren, maar
+hij zeide gestreng:
+
+»Wat moest je in dat bosch doen? Je weet immers, dat de toegang daar
+verboden is? Als de boschwachter jelui opgepakt en achter slot en
+grendel gezet had, zou je naar behooren gestraft geweest zijn.»
+
+»Och,» zei Moe, die een goed woordje voor mij wilde doen: »'t Komt alles
+van dien wilden Bob. Dat is ook in het geheel geen goed kameraad voor
+hem. Ga naar bed, Dorus!»
+
+Ik ging, maar toch was ik het niet geheel met Moe eens wat Bob betrof.
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+ Het vertrek van Pieter, en hoe wij hem met ons drieën
+ een cadeautje en een gedicht stuurden. Hoe Mevrouw
+ van Koorde en haar dienstmeisje op de vlucht
+ werden gejaagd en Pieter het verloren
+ terrein heroverde.
+
+
+Den volgenden morgen al vroeg kwam Pieter bij ons, om afscheid te nemen.
+Bob vergezelde hem en vertelde mij, dat Pieters Mama wel zeer ongerust
+was geweest, maar dat zij toch geen straf hadden ontvangen.
+
+Ik ging met hen mede terug, want het werd spoedig schooltijd en dan
+dienden Bob en ik present te zijn. Bij het afscheid nemen zei Pieter:
+
+»Dus je denkt er om, Bob, mij eenige meikevers te zenden? Je zult me
+daar een groot genoegen mede doen.»
+
+»Je kunt er vast op rekenen.»
+
+Wij gingen nog even naar binnen, om ook Mevrouw van Koorde goede reis te
+wenschen.
+
+»Dag Robert,» zei ze, hem op de beide wangen kussende. »Kom je nu ook
+eens bij ons in Amsterdam logeeren? Maar daar zijn geen bosschen en
+losloopende beren, hoor neefje.»
+
+Bob lachte eens.
+
+»Ik wil heel graag, Tante,» zeide hij. »Mag ik dan komen als het
+vacantie is? Ik stel me daar heel wat jool van voor.»
+
+»Jool?» herhaalde Tante. »Pret moet je zeggen, Robert, dat is veel
+fatsoenlijker. Dag Dorus, adieu!»
+
+Bob en ik begaven ons nu regelrecht naar school, want het werd hoog
+tijd. Maar wij kwamen toch nog vroeg genoeg. Op het schoolplein spraken
+wij nog even met Jan van der Vliet, die er zeer treurig uitzag.
+
+»Is er slecht nieuws?» vroegen wij hem.
+
+»Zeer slecht, -- 't kon niet slechter,» zei Jan met een diepen zucht.
+»We hebben vanmorgen een brief ontvangen, waarin Vader en Moeder beiden
+gedagvaard worden, om voor de rechtbank te verschijnen. 't Is
+verschrikkelijk!»
+
+»Dat is het,» zei Bob, »maar Jan, zij kunnen toch immers nog
+vrijgesproken worden?»
+
+»Kunnen, ja, dat is waar, -- maar dat zal niet gebeuren, jongens. Zij
+hebben den schijn tegen zich, en uit de dagvaarding blijkt, dat de
+Officier van Justitie hen voor schuldig houdt. De kans op vrijspraak is
+zeer gering.»
+
+Op dit oogenblik ging de schoolbel en moesten wij naar binnen. Maar
+wij zagen al spoedig, dat er iets bijzonders aan de hand was, want de
+hoofdonderwijzer was nog niet aanwezig en meester de Jong, die altijd
+in een ander lokaal les gaf, stond voor onze klasse. Nu gebeurde het
+hoogst zelden, dat de hoofdonderwijzer afwezig was, maar die enkele
+keeren waren voor ons feestdagen. Meester de Jong zal het echter wel
+geen prettige dagen gevonden hebben, want wij konden hem dan geducht
+plagen.
+
+Wij hadden nog maar pas op onze banken plaats genomen, of de
+hoofdonderwijzer trad binnen. Het was echter duidelijk aan zijne
+kleeding te zien, dat hij uitging. Hij was zelfs geheel in het zwart
+gekleed, alsof hij naar eene begrafenis moest.
+
+»Dorus, kom eens even hier,» riep hij me toe.
+
+Hij nam mij mede naar een hoek van het lokaal en zeide: »Dorus, ik moet
+voor enkele dagen op reis. Er is eene zuster van mij overleden. Wil jij
+nu Zondag het orgel voor mij bespelen in de kerk.»
+
+»Zeker, meester, met genoegen.»
+
+»Dank je, Dorus. En kan ik er op aan, dat er niets onbehoorlijks zal
+geschieden.»
+
+»Ja meester, daar kan u op aan.»
+
+»En dat je geen jongens meê zult nemen naar het orgel?»
+
+»Ik beloof het u, meester.»
+
+»Uitstekend. Ik twijfel niet, of het zal wel goed gaan. Je speelt maar
+bedaard en rustig, hoor Dorus, en laat je niet in de war brengen. Trek
+ook vooral niet te veel registers uit.»
+
+Even later vertrok de meester, na den onderwijzer de hand te hebben
+gegeven en een groet tot ons allen te hebben gericht. En nog geen
+kwartier later moest Bob al schoolblijven.
+
+Het ligt evenwel niet in mijne bedoeling, te vertellen hoe wij dien
+schooldag passeerden. Genoeg zij het te weten, dat Bob zoowel 's morgens
+als om vier uur na moest blijven, en geen klein poosje, dat beloof
+ik je. Ik ben er zeker van, dat meester de Jong blij was, toen de
+schooluren voorbij waren, en ik moet zeggen, dat dit voor ons geen
+groote eer was. Want meester de Jong was een doodgoed man, die ons veel
+te zacht behandelde. Als hij wat strenger voor ons geweest was, zouden
+wij het hem lang zoo lastig niet gemaakt hebben.
+
+»Wat zullen we gaan doen?» vroeg Karel Holm, toen Bob, hij en ik
+'s avonds bij elkander waren.
+
+»Meikevers voor Pieter-neef vangen?» vroeg Bob.
+
+»Dat is goed. Er vliegen er nog in overvloed. Hoeveel moet hij er
+hebben?»
+
+»Een twintig is genoeg,» zei Bob, »maar ik zou het leuk vinden, als wij
+er hem een paar honderd konden sturen. O, o, wat zou ik er graag bij
+willen zijn, als hij die ontvangt.»
+
+»Doen?» vroeg Karel Holm, en zelf het antwoord gevende, liet hij er op
+volgen: »Ja, -- doen.»
+
+Wij gingen met eene leege sigarenkist naar den tuin van den notaris,
+wapenden ons met ragebollen en dergelijke werktuigen en begonnen onze
+jachtpartij, wat we in het geheel niet onaardig vonden. En hoe meer
+kevertjes we vingen, hoe grooter onze lust werd.
+
+Eindelijk was onze kist vol; er zaten niet minder dan driehonderd
+gevangenen in.
+
+»Morgen gaat de looper,» zei Bob. »Dan zullen we Pieter zijn cadeautje
+sturen.»
+
+»Maar hoe?» zei Bob. »In dat kistje gaan ze spoedig dood.»
+
+»Dat is waar. Weet je wat, in een mandje dan. Wij hebben wel een mandje,
+dat daarvoor heel geschikt is, in het schuurtje staan. Dan kunnen ze
+onmogelijk doodgaan door gebrek aan lucht. En zeg, jongens, nu moesten
+we er een gedichtje bij kunnen doen. Wat zou dat leuk wezen.»
+
+»Dat kan wel,» zei Karel. »We kunnen toch met ons drieën wel een versje
+maken. Zoo bijzonder mooi behoeft het ook niet te wezen.»
+
+»Goed! Afgesproken! Eerst zullen we de kevers in de mand doen, en dan
+het gedicht fabriceeren. Laten we gaan.»
+
+Ha, wat gonsden en bromden die beestjes, toen we ze uit de kist in de
+mand deden. 't Was goed, dat er geen jongejuffrouw bij ons was, want zij
+zou het zeker buitengewoon griezelig gevonden hebben, al die torren!
+
+Nu namen we een dichten doek en bonden dien er zorgvuldig omheen, zoodat
+er geen enkele ontsnappen kon.
+
+»Mooi zoo,» zei Bob met een tevreden knikje, »dat zaakje is in orde. Nu
+ons gedicht nog, en dan brengen wij ze naar den looper. Kom maar meê,
+dan gaan we naar de speelkamer.»
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan.
+
+Bob nam een vel papier en een potlood en ging tusschen ons aan de tafel
+zitten.
+
+»Begin nu maar, jongens,» zei hij. »Ik ben klaar.»
+
+»Begin nu maar?» herhaalde Karel lachend. »Alsof dat zoo gemakkelijk is?
+Ik weet geen begin.»
+
+»Ik ook niet!» zei ik.
+
+»Dat is flauw,» zei Bob. »Eerst zeg je, dat je het best kunt doen, en nu
+het er op aankomt, trek je je terug.»
+
+»Nu, hier heb ik al vast één regel,» zei Karel. »Schrijf maar op,
+Bobbertje, en mopper niet zoo.»
+
+ „Zie Pieter, wat ik zenden zal!”
+
+»Dat is een beste regel!» riep Bob opgetogen uit. »Zie je wel; dat je
+het wel kunt? 't Kon niet beter. Nu den tweeden regel; toe Dorus, jou
+beurt.»
+
+ „Driehonderd roovers in getal!”
+
+zei ik. »Dat rijmt immers?»
+
+»Prachtig, Dorus, prachtig! Driehonderd roovers in getal, dat komt er
+uitstekend bij. 't Zijn ook echte roovers.»
+
+»Nu jij een regel, Bob! Ieder op de beurt.»
+
+»Ja,» zei Bob, »je kunt ze niet uit je mouw schudden. Ik weet geen
+regel.»
+
+»'t Is anders gemakkelijk genoeg, want jij behoeft nergens op te
+rijmen,» zei ik.
+
+»Daar heb je gelijk aan; nu, dan weet ik er wel een. Luister maar:
+
+ „'t Geschenk is wel niet heel veel waard.”
+
+»Is die goed?»
+
+»Heel goed,» zei Karel peinzende om een rijmwoord op »waard» te vinden.
+
+»Waard -- wat rijmt daar zoo al op?» vroeg hij. »O ja, waard, paard,
+staart, taart, haard, baard, aard, gaard, er zijn rijmwoorden genoeg.
+Ha, ik weet er al een:
+
+ „'t Is een geschenk uit onzen gaard.”
+
+Dat rijmt goed, hè?»
+
+»Heel goed,» zei Bob schrijvende. »Gaat maar door, jongens, 't gaat
+best. Jou beurt, Dorus.»
+
+»Ik ben klaar,» zei ik. »Luister maar:
+
+ „Zij vliegen vroolijk in het rond.”
+
+»Dat is waar,» zei Karel. »En dan kan dus volgen:
+
+ „Of kruipen langzaam op den grond,”
+
+want dat doen ze ook dikwijls.»
+
+ „En brommen haast den heelen nacht,”
+
+vervolgde Karel, die het weer gemakkelijk had, daar hij geen rijmwoord
+behoefde te zoeken.
+
+ „Zeg Pieter, had je dat gedacht?”
+
+zei ik, want deze regel schoot mij opeens te binnen.
+
+»Dat zijn nu al twee coupletten, en alle goede dingen bestaan in drieën,
+dus nu het laatste nog. 't Is mijne beurt, niet waar?» zei Bob.
+
+»Ja, jou beurt,» zei Karel.
+
+»Wist ik nu nog maar wat,» vervolgde Bob. »Wacht, laat mij eens even
+bedenken. Misschien komt het wel.»
+
+En na een oogenblik toevens vervolgde hij:
+
+»Ha, ik ben klaar. Luister:
+
+ „Wel neefje, ben je nu tevreê?”
+
+»Goed gedaan, Bob. Nu moet ik weer. Wat rijmt er zoo al op vreê? Wacht:
+wee, meê, zee, thee, dat zijn er wel al genoeg. In orde, hoor.
+
+ „En valt het aantal je niet meê?”
+
+»Goed zoo!» zei Bob, die elken regel opschreef. »Nu nog twee regeltjes
+en we zijn klaar. Jou beurt, Dorus.»
+
+»Ja wel, je hebt goed praten. Ik weet heusch niet meer op 't oogenblik.
+Jelui moet me helpen denken. Wacht, ik weet er al een:
+
+ „Me dunkt, je hebt nu overvloed.”
+
+»Nu jij weer, Bobbertje, den laatsten regel.»
+
+»Ja, dat komt mooi uit, Dorus, met dat woord overvloed, want dat rijmt
+op gegroet. De laatste regel kan dus zijn:
+
+ „Ontvang ten slotte onzen groet.”
+
+Is dat niet een prachtig slot? Wacht, nu zal ik het in het net
+overschrijven en het jelui eens voorlezen.»
+
+Bob deed het, en las:
+
+ Waarde Pieter!
+
+ „Zie Pieter, wat ik zenden zal:
+ Driehonderd roovers in getal.
+ 't Geschenk is wel niet heel veel waard,
+ 't Is een cadeau uit onzen gaard.
+
+ Zij vliegen vroolijk in het rond,
+ Of kruipen langzaam op den grond,
+ En brommen haast den heelen nacht.
+ Zeg Pieter, had-je dat gedacht?
+
+ Wel neefje, ben je nu tevreê?
+ En valt het aantal je niet meê?
+ Me dunkt, je hebt nu overvloed.
+ Ontvang ten slotte onzen groet.”
+
+ KAREL HOLM.
+ DORUS VOLMAAR.
+ BOB DE WILD.
+
+»Wat is dat best gegaan, hé?» vervolgde Bob, die het vers in eene
+enveloppe deed en deze dichtplakte. »Dichten schijnt me toch niet erg
+moeilijk toe. Me dunkt, als we het wat meer deden, zouden we het spoedig
+tot eene groote hoogte brengen. Ik vind dit gedicht althans uitmuntend
+geslaagd. En jelui?»
+
+Nu, wij waren dat volkomen met hem eens. Wij bonden de enveloppe, met de
+proeve onzer kunst, met een touwtje aan de beide ooren van de mand vast,
+zoodat het adres netjes bovenop kwam te liggen, en brachten ons geschenk
+gezamenlijk naar den looper. Deze bekeek het adres, en las overluid:
+
+ »Jongeheer Pieter van Koorde,
+ Keizersgracht No. 234
+ Amsterdam.»
+
+»In orde Bob,» zei hij. »Dat adres is mij bekend; ik heb er voor je Pa
+al meer dan eens wat moeten bestellen. Is het franco?»
+
+»De geadresseerde zal de vracht betalen,» zei Bob deftig, en na gegroet
+te hebben gingen wij het dorp in.
+
+Weinig konden wij op dat oogenblik vermoeden, dat diezelfde meikevertjes
+in Amsterdam zooveel moeite en ontsteltenis zouden veroorzaken, zooals
+wij later hoorden, dat zij gedaan hadden.
+
+Want toen de looper het mandje met zijn levenden inhoud in de beste orde
+aan het opgegeven adres had afgeleverd, was Pieter-neef niet thuis,
+omdat het onder schooltijd was. De meid bracht het dus bij Mevrouw Van
+Koorde, die de boven-voorkamer als woonkamer gebruikte.
+
+»Binnen,» zei Mevrouw, toen Mientje had aangetikt.
+
+»Mevrouw, hier is een mandje van den looper. 't Kost een dubbeltje
+vracht, Mevrouw.»
+
+»O, -- ziehier het geld. Zet het mandje maar hier op de tafel.»
+
+Mientje gehoorzaamde.
+
+»Zeker van mijn broeder,» zei Mevrouw. »Wat kan hij mij te sturen
+hebben? Maar neen, -- ik ben abuis. 't Is voor Pieter, zie ik. Daar
+staat duidelijk: Jongeheer Pieter van Koorde. Jammer, dat hij naar
+school is. Wat kan daar toch inzitten?»
+
+Mevrouw tilde het mandje eens op en vond, dat het erg licht was.
+
+»En een brief in de enveloppe,» zeide ze, na deze met de vingers betast
+te hebben. »Ik ben nieuwsgierig, wat hem gezonden kan worden. Weet je
+wat? Ik kon best het mandje openen en eens zien, wat het bevat. Den
+brief moet Pieter zelf maar openmaken. Dat is wèl zoo aardig voor
+hem. Wel, ik moet zeggen, dat de mand goed dichtgemaakt is, -- heel
+zorgvuldig zelfs. Ik zal het touwtje maar losknippen.»
+
+Zij ging naar hare werkmand en kwam met de schaar terug.
+
+»Knip-knip!» ging het en het touwtje viel aan stukken op de tafel.
+Mevrouw nam den doek en lichtte dien op.
+
+Genadige hemel! Wie beschrijft haar schrik bij het zien van die
+honderden wriemelende, gonzende en brommende meikevers! Van ontsteltenis
+gaf zij een hevigen gil en vlug ijlde zij naar het schelkoord, waaraan
+zij zenuwachtig begon te rukken. Zonder ophouden, met den blik stijf op
+de noodlottige mand gericht, bleef zij doorschellen.
+
+De beestjes, die nu de vrijheid zoo onverwacht terug gekregen hadden,
+begonnen daar dadelijk gebruik van te maken, door tegen de mand op te
+klauteren en over den rand te gaan loopen. Zij spreidden af en toe de
+vleugeltjes uit met het vaste voornemen, straks het luchtruim in te
+snellen. Sommige begonnen zelfs al te vliegen, en het was een gegons
+en gebrom, dat Mevrouw Van Koorde het bijna op hare zenuwen kreeg van
+angst. Zij durfde geen voet naderbij komen en deed niets dan schellen.
+
+Nu ging de deur open en trad Mientje, ook al verschrikt door het bellen,
+haastig binnen.
+
+»O, Mevrouw, wat is er?» vroeg zij angstig. »Is er brand, Mevrouw?»
+
+»Neen, neen, nog erger! Toe Mientje, spoedig, neem die mand en breng
+haar dadelijk weg -- naar buiten. Dadelijk, asjeblief.»
+
+Nu was Mientje gewoon, de bevelen harer meesteres stipt uit te voeren;
+zij liep dus naar het mandje, op welks ongewonen inhoud zij in het
+geheel niet verdacht was, en greep het bij de ooren. Maar op hetzelfde
+oogenblik begonnen een paar meikevers tegen hare bloote armen op te
+kruipen, zoodat zij thans de beestjes wel moest opmerken. Doodsbleek van
+schrik uitte zij een hevigen angstkreet en liet plotseling de mand met
+alles, wat daarin was, op den grond vallen. Zelf vluchtte zij tot in
+den versten hoek van de kamer, waar zij in stomme verbazing de gevolgen
+van hare daad stond aan te staren.
+
+[Illustration: .... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin
+was, op den grond vallen. (pag. 213).]
+
+De meikevers, door den schok verschrikt, spreidden thans de vleugels uit
+en begonnen, gonzende en brommende, door de kamer te vliegen, tot
+ontzetting van de beide vrouwen, die het niet durfden wagen, hunne
+hoeken te verlaten.
+
+Wat maakten die diertjes, die vruchteloos zochten naar een groen
+blaadje, want zij hadden gedurende de reis geduchten honger gekregen,
+eene ongewone drukte in die deftige kamer! Er was weldra geen plaatsje
+meer, waar geen kever te vinden was.
+
+»O mevrouw, die afschuwelijke torren!» riep Mientje, die beefde als een
+espenblad.
+
+Mevrouw stond met beide armen te zwaaien, om zich de ongenoode gasten
+van het lijf te houden, want zelfs op de linten van hare muts schenen
+zij het gemunt te hebben. Wel drie hadden zich daar een plaatsje weten
+te veroveren, en zaten er gezellig de vleugeltjes uit te spreiden en
+weer dicht te slaan. Eén liep er haar op den schouder en vier kropen
+tegen haar boezelaar op.
+
+»Domme meid! -- Ga weg, afschuwelijk dier! -- Hoe kon je nu zoo dom --
+koest, beest, koest, -- zijn, om die mand, -- sss -- sss; -- te laten
+vallen!»
+
+»O mevrouw, -- ga weg -- ga weg, -- bah, wat afschuwelijke dieren! --
+kijk eens, ze kruipen tegen den spiegel op -- o foei, hu, er zit er een
+in mijn hals, -- en tegen de lamp -- en o, mevrouw, de gordijnen --
+ksss, ksss -- zitten vol! 't Is afschuwelijk.»
+
+»Mientje, hier houd ik het niet langer uit -- o foei, ze zitten me op
+mijn hoofd, en ah bah, daar kruipt er een in mijn mouw. Mientje, hu, hu,
+haal dat beest er uit! -- Haal het er uit, zeg ik!»
+
+»Ik durf niet, -- dat durf ik niet!»
+
+En op een draf, met haar boezelaar over het hoofd, nam Mientje,
+schreiende van schrik, de vlucht, de kamer uit en naar beneden.
+
+Een oogenblik daarna werd zij gevolgd door Mevrouw, die echter zoo
+verstandig was, de deur achter zich dicht te trekken.
+
+Daar stonden ze, bleek van ontsteltenis, zonder te weten, wat zij
+moesten doen, om van deze meikeverplaag verlost te worden.
+
+Maar ook hier waren zij niet vrij, want in de vlucht hadden zij er
+enkele medegenomen, die op hare kleeren zaten.
+
+»O Mientje, -- wat voel ik daar in mijn hals?» riep Mevrouw huiverend
+uit, nu zij daar een eigenaardig gekriewel opmerkte, -- »wat voel ik
+daar, Mientje!»
+
+»O Mevrouw, dat is er weer een! Maar ik haal er hem niet af, Mevrouw, --
+voor duizend gulden niet! -- Hu, wat een akelige beesten!»
+
+Met eene weergaloos vlugge beweging streek Mevrouw nu zelf met hare hand
+langs den hals, en in hetzelfde oogenblik verhief zich het kevertje
+vroolijk gonzend omhoog, regelrecht op Mientje af. Deze wist niet waar
+ze zich bergen zou, en liep wel twintigmaal om de tafel heen.
+
+»Mientje, ga den kruier halen! Hij moet al die beesten vangen. Hoe komt
+die nare Robert er toe, om die torren naar ons te zenden? Maar wacht, ik
+zal hem een brief schrijven, die hem niet bevallen zal, dien stouten
+bengel. Mientje, spoedig, zeg dat de kruier direct moet komen!»
+
+Maar dat was niet noodig, want op dit oogenblik werd er gescheld.
+
+»Ha, dat zal Pieter zijn,» riep Mevrouw verheugd uit. »Hij zal ons
+misschien wel van die beesten kunnen verlossen.»
+
+Inderdaad, zij had goed geraden; het was Pieter, en deze was niet weinig
+uit zijn humeur toen hij hoorde, wat er gebeurd was.
+
+»Maar Mama,» riep hij teleurgesteld uit, »dat zijn geen torren, het zijn
+meikevers, die Bob mij gestuurd heeft, omdat ik hem dat verzocht had. En
+nu zijn ze alle weg!»
+
+»Weg?» herhaalde zijne Mama. »Weg? De hemel gave, dat het waar was. Weg?
+De voorkamer boven zit vol; er is geen plaatsje te zoeken, waar niet van
+die beesten zitten. Ik zag er zelfs een in de melkkan vallen.»
+
+»En in den suikerpot, Mevrouw,» zei Mientje, »daar zaten er ook in! Hu,
+ik ga niet meê, hoor jongeheer, voor geen geld! Ik moet er niets,
+niemendal van hebben.»
+
+»Dat is ook niet noodig!» bromde Pieter. »Geef mij den langen stoffer
+maar, dan zal ik ze wel vangen. En Mama, heeft u geen kistje voor me?
+Een sigarenkistje, of zoo iets?»
+
+»Waarvoor?» vroeg Mevrouw. »Toch niet, hoop ik, om er die akelige
+beesten in te doen? Ik wil het volstrekt niet hebben, Pieter, volstrekt
+niet, heb je mij goed verstaan? Schuif de ramen open en jaag ze naar
+buiten. Ik wil die beesten onder mijne oogen niet meer hebben.»
+
+»Maar Mama, Bob heeft ze toch voor mij gestuurd?»
+
+»Zeker, dat heeft hij en ze hebben mij nog een dubbeltje aan den looper
+gekost ook. Doch dat verandert aan de zaak niets, Pieter. Gooi die
+beesten het raam uit! En nu geen woord meer, asjeblief!»
+
+Pieter begreep, dat het zijne mama ernst was, en met tranen in de oogen
+ging hij, gewapend met een langen stoffer, naar boven, om de ontsnapte
+diertjes te vangen.
+
+Toch moest hij lachen, toen hij zag, hoe de geheele kamer als het ware
+met meikevers bevolkt was. Geen plekje zag hij, of er was een meikever.
+'t Was zulk een bespottelijk gezicht, dat hij het uitschaterde van het
+lachen. De deur had hij achter zich gesloten en hij hoorde, hoe zijne
+Mama en Mientje daar achter stonden te wachten op het oogenblik, dat de
+kamer weer vrij zou zijn.
+
+Eerst las Pieter op zijn gemak het gedicht van zijne drie vrienden,
+stak het na de lezing in zijn zak, en ging daarna op de jacht. De ramen
+had hij open geschoven, en weldra zag hij, hoe de gejaagde kevers bij
+drommen naar buiten vlogen. Het was nog lang geen gemakkelijk werkje,
+om ze naar buiten te krijgen, want telkens, als hij dacht, dat hij
+nu eindelijk den laatsten had gehad, kwamen er uit de plooien van de
+gordijnen weer andere te voorschijn. Ja, zelfs vele dagen daarna werd
+Mevrouw telkens nog opgeschrikt door de onverwachte verschijning van
+een meikever, die haar onmiddellijk de vlucht deed nemen naar Mientje,
+maar deze was niet te bewegen, om hem te vangen.
+
+Nog jaren daarna kon Mevrouw haar neef Bob niet ontmoeten, of zij begon
+telkens weer over die meikevers te spreken en dan kon zij geen woorden
+genoeg vinden, om haar schrik en ontsteltenis te beschrijven.
+
+Maar Pieter was, tot zijne innige spijt, slecht van zijne meikevers
+afgekomen.
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Hoe ik mijne betrekking als organist vervulde en wat
+ Bob in den toren vond. Hoe in het eene huis
+ vreugde en in het andere droefheid kon
+ heerschen om eenzelfde gebeurtenis.
+
+
+'t Werd Zondagmorgen. Ik was al vroeg wakker, want de enkele malen, dat
+ik voor den meester het orgel moest bespelen als er dienst was, sliep
+ik nooit bijzonder rustig. De wetenschap, dat ik als organist moest
+optreden, stemde mij altoos min of meer zenuwachtig en deed mij ook nu
+vroeg ontwaken.
+
+Spijt behoefde ik daar echter niet over te gevoelen, want het was
+bijzonder prachtig weêr. De dauw lag als een luchtig gaas over het veld
+en deed blad en twijg schitteren in de gulden ochtendstralen van de
+zon. Een heerlijke geur vervulde de lucht en ik vond het verrukkelijk,
+langzaam rond te wandelen door onzen tuin, waar de glinsterende
+dauwdroppels wel diamanten schenen. De vogels sjilpten zoo vroolijk op
+het dak, de hanen kraaiden elkander zoo gezellig hun morgengroet toe,
+het zonnetje scheen zoo heerlijk. 't Was een genot, buiten te zijn.
+
+'t Werd langzamerhand drukker en levendiger om mij heen. De huizen
+werden meer en meer geopend, als om te bewijzen, dat de bewoners waren
+opgestaan, en hier en daar klonk uit de mij omringende tuinen een
+lied of een vroolijke lach. De hanen werden kalmer, het zonnetje rees
+langzaam hooger en verdreef met hare stralenbundels den dauw, die niet
+dan onwillig scheen op te trekken, de vogels fladderden van boom tot
+boom, en de bijtjes bewogen zich al gonzende van de eene bloem naar de
+andere.
+
+Hoor, daar was de melkboer reeds. Van huis tot huis kon ik hem volgen,
+want overal opende hij de achterdeur en riep: »Mel-lek!» En de laatste
+lettergreep rekte hij wel tweemaal zoo lang uit als noodig was.
+
+Nu waren ook mijne broertjes en zusjes ontwaakt. Ik hoorde hun gesnap en
+gebabbel zelfs in den tuin, dien zij weldra onder vroolijk gejuich
+binnenstormden.
+
+»Je moet komen ontbijten, Dorus!» klonk het mij toe. »Moe heeft het
+gezegd.»
+
+Nu, dat bericht behoefde niet herhaald te worden, want eene flinke
+boterham was mij nooit onwelkom. En toen het ontbijt afgeloopen was,
+ging ik weer in den tuin om het eerste gelui af te wachten. Bij ons werd
+er altoos tweemaal geluid, den eersten keer om halfnegen, en den tweeden
+keer een uur later, als de kerk aanging.
+
+Hoe meer het uur van aanvang naderde, des te minder begon ik mij op mijn
+gemak te gevoelen. Niet, omdat ik bang was, dat ik het er niet goed zou
+afbrengen, o neen, in het geheel niet, want ik speelde toen de psalmen
+en de gezangen al vrij vast. Ik weet zelf niet, waarom ik er altoos zoo
+tegen opzag; ik denk, dat het gevoel van verantwoordelijkheid mij
+drukte.
+
+Eindelijk drongen de klokketonen tot mij door. Dat gelui stemde mij
+altoos, zoo jong als ik was, min of meer ernstig, en wanneer het de
+doodsklok was, die geluid werd, huiverde ik zelfs dikwijls.
+
+Een kwartiertje later nam ik mijne muziekboeken uit het kastje en zei
+tegen Pa en Moe, dat ik vast vooruitging, om alles in gereedheid te
+brengen.
+
+»Hoor eens, Dorus,» zei Pa, »geen grappen maken daarboven, hoor, en geen
+jongens meênemen. Zorg er voor, dat niemand merkt, dat de meester er
+niet is. Laat alles ordelijk en naar behooren gaan.»
+
+»Ja Pa!» was mijn antwoord, en toen ging ik.
+
+»Zorg, dat ik mij niet over je behoef te schamen!» riep Pa mij nog na.
+
+Onderweg kwam ik Bob tegen.
+
+»Zoo Dorus,» zei hij, »ga je naar de kerk?»
+
+»Ja, ik ga naar de kerk.»
+
+Dat ik dien morgen als organist moest optreden, verzweeg ik hem, want
+dan wist ik zeker, dat hij ook boven zou komen. Maar Bobje wist het al.
+Hij vervolgde:
+
+»Ik kom ook, Dorus. De meester is er immers niet?»
+
+Ik had veel lust om te zeggen, dat de meester er wèl zou zijn, maar van
+liegen en veinzen had ik een onoverwinnelijken afkeer, dus zeide ik het
+niet.
+
+»Ik ben van morgen organist, Bob,» zei ik op beslisten toon, »en de
+meester komt niet! Ik heb eerst den meester en nu nog mijn Pa moeten
+beloven, dat ik geen jongens zou meênemen, en ik doe het niet ook. Als
+je komt, zal ik den koster verzoeken, je te verwijderen.»
+
+»Erg vriendelijk van je, Dorus,» zei Bob knorrig, »erg
+vriendschappelijk, dat moet ik zeggen.»
+
+»Waarom ga je niet beneden zitten? Daar heb je immers eene plaats?»
+
+»Ja, maar ik zit veel liever boven. Daar kan ik nog eens heen en weer
+loopen, weet je, en dat kan ik in de kerk niet doen. Dus mag ik niet?»
+
+»Neen, je moogt niet. Ik heb het beloofd en die belofte zal ik houden.
+Je doet ook altijd zulke dwaze dingen. Maar nu moet ik gaan, of ik ben
+niet op tijd gereed. Tot van middag!»
+
+Bob scheen echter boos, want hij ging zonder groeten verder. Nu, dat
+hinderde niet. Hij was wel eens meer boos, maar dat ging vanzelf weer
+over. Hij zou mijne weigering ook nu wel spoedig vergeten zijn.
+
+Ik had nu de kerk bereikt en ging naar boven, waar de koster de sleutels
+van het orgel al had neergelegd. Eenige minuten later kwam hij mij het
+orgelbriefje brengen, waarop te lezen stond, welke liederen er dien
+morgen gezongen zouden worden.
+
+Uit dat briefje bleek mij, dat alles zou zijn, zooals gewoonlijk. Er
+stond althans niets bijzonders op vermeld, en er zou ook nu, volgens den
+gewonen gang van zaken, viermaal gezongen worden. Dat de melodiën niet
+bijzonder moeilijk waren, zag ik al met een enkelen oogopslag, want het
+waren alle bekende gezangen, die dikwijls opgegeven werden.
+
+Toen alles gereed stond, kwam Potman, de orgeltrapper boven. Potman was
+een oude sukkel, die door de diakonie onderhouden werd en er nog een
+duitje bijverdiende met orgeltrappen.
+
+»Zoo Dorus,» zei hij, »moet jij van morgen spelen? Komt de meester
+niet?»
+
+»De meester is uit,» zei ik, »en nu moet ik spelen.»
+
+»Zoo, zoo, nu, dat is je toevertrouwd. Er zal wel veel volk ter kerk
+komen, denk ik, want het is prachtig weêr. Kom, ik zal maar gaan
+zitten.»
+
+Potman ging naar de andere zijde van het orgel, waar zijn stoel stond,
+en nauwelijks was hij weggegaan, of Jan van der Vliet kwam binnen. Die
+had eene vaste plaats bij ons, en als de meester zeide, dat er geen
+jongens boven mochten komen, was Jan daarvan stilzwijgend uitgezonderd.
+Trouwens, Jan zou ook geen dwaze dingen gaan doen, zooals Bob. Als deze
+boven zat, wierp hij altoos propjes papier naar beneden, die dan op de
+hoofden der menschen terecht kwamen, of hij maakte grappen tegen de
+jongens, die op de galerijen zaten, want gij moet weten, dat het eene
+groote kerk was met twee galerijen, die op dezelfde hoogte van het orgel
+waren aangebracht. Wanneer de collectanten van de eene galerij naar de
+andere moesten gaan, kwamen zij altoos onze afdeeling over en namen dan
+meteen onze giften in ontvangst.
+
+»Morgen Dorus!» zei Jan.
+
+»Morgen Jan!» was mijn antwoord, en ik zag, dat zijn gelaat droevig
+stond. Hij schoof de gordijntjes een weinig ter zijde, zoodat hij in de
+kerk kon zien, en staarde op de bank, waar 's Zondags altoos zijne
+ouders zaten, want zij waren trouwe kerkgangers. Hunne plaatsen bleven
+nu evenwel ledig, en toen ik Jan aanzag, ontdekte ik tranen in zijne
+oogen. Onze blikken ontmoetten elkander, en wij schenen daarin elkanders
+gedachten te kunnen lezen.
+
+»Ze durven niet. Ze schamen zich!» fluisterde hij mij toe, en zijn mond
+plooide zich zenuwachtig. Ik zag, dat hij moeite deed, om niet te
+schreien.
+
+Ik antwoordde niets, want ik wist niet, wat ik zeggen moest. Hoe kon ik
+den armen jongen troosten, nu morgen de rechtbank wellicht het schuldig
+over hen zou uitspreken? Hoe kon ik hem troosten, nu binnen korten tijd
+de gevangenisdeur wellicht achter hen zou worden gesloten en Jan alleen
+met zijn zusje in de armelijke woning achterbleef?
+
+Neen, ik kon hem niet troosten, want iedereen zeide, dat zij wel
+veroordeeld zouden worden.
+
+»En dan toch onschuldig?» dacht ik, terwijl ik Jan vol medelijden
+aanzag. »Maar -- dat zou verschrikkelijk zijn.»
+
+Op dit oogenblik begon de koster voor de tweede maal te luiden, en werd
+het drukker in de kerk.
+
+Daar kwam dokter Doreman binnen, die bijna nooit verzuimde, maar ook
+bijna nooit tot aan het einde van den dienst bleef, omdat hij gewoonlijk
+midden onder de preek bij een patient geroepen werd, want hij had een
+verbazend drukke praktijk.
+
+En daar kwam notaris de Wild binnen, met zijne vrouw. Of Bob ook
+meegekomen was? Hoe ik ook keek, ik ontdekte hem nergens. Misschien was
+hij nog boos op me?
+
+De drukte beneden werd nog grooter, want het was nu half tien. En de
+meeste menschen komen precies op tijd of te laat.
+
+Nu kwam ook de voorzanger in de kerk. Ik zag hem weldra plaats nemen
+voor zijn lessenaar en opzoeken, wat er gezongen moest worden. Het
+luiden hield op, de voorzanger kuchte, trok zijn das recht, hoewel deze
+volstrekt niet scheef zat, en daar begon hij, zacht en onduidelijk:
+
+»De gemeente gelieve te zingen --» maar nu verhief zijne stem zich,
+zooals de man dat gewoon was te doen, plotseling wel eene quinte hooger,
+en klonk het helder en duidelijk, zoodat iedereen hem kon verstaan: »van
+den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» Hij zei altoos veers
+en nooit vers; waarom hij dat deed, weet ik niet.
+
+»Ik herzeg: van den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» En nu
+begon hij op een galmenden toon, dien niemand mooi vond, het opgegeven
+vers voor te lezen. Ik zat gereed om te gaan spelen, dat spreekt
+vanzelf, en de orgeltrapper was evenzoo op zijne post. Jan stond achter
+mij, om te zien wat ik deed. Zoodra de voorzanger geëindigd had, speelde
+ik mijn preludium, wat heel goed ging, trok daarna eenige registers uit
+en speelde het koraal, waarmede de gemeente instemde. Jan, die anders
+altoos uit volle borst meêzong, scheen nu geen zingenslust te hebben,
+althans hij deed niet mede, en het scheen mij toe, dat hij zuchtte.
+
+Eerst beefde ik wel een beetje, toen ik begon te spelen, maar dat
+bedaarde spoedig en ik gevoelde mij verder goed op mijn gemak. Het ging
+dan ook tot het einde toe zeer goed.
+
+Nu las de voorzanger een gedeelte uit den bijbel voor, en toen nam de
+dominee, die onder het zingen den kansel beklommen had, het woord.
+
+Spoedig werd het tweede gezang opgegeven. Ik speelde het zoo goed, dat
+ik er niet aan twijfelde, of er zouden maar weinig menschen zijn, die
+opmerkten, dat de gewone organist niet tegenwoordig was. Dat stemde mij
+recht prettig.
+
+Midden onder het gezang evenwel verdween plotseling al mijne vreugde,
+want de deur werd geopend, en zonder eenig gedruisch te maken trad Bob
+binnen. Dat vond ik flauw van hem. Hij wist, dat zijne tegenwoordigheid
+bij het orgel in het geheel niet gewenscht, ja, zelfs verboden was, en
+nu kwam hij toch. Wat moest nu de meester wel van mij denken, als hij
+het hoorde? En wat zou Pa zeggen, als ik thuis kwam? Want deze zou het
+ongetwijfeld wel te weten komen. En bovendien, welke dwaze dingen zou
+Bob misschien weer gaan uithalen, -- want dat deed hij immers altijd?
+
+Toch kon ik er niets aan veranderen. Hij was er nu eenmaal, en hoe moest
+ik hem tot heengaan bewegen? O ja, ik kon naar beneden gaan en den
+koster waarschuwen, maar dan zagen alle menschen mij; wat zou dat dus
+eene opschudding veroorzaken. Neen, ik kon er niets aan doen, en dat
+wist Bob wel. Juist daarom had hij zoo lang gewacht.
+
+Hij kwam doodbedaard achter mij staan en keek naar mijn spel. Maar
+plotseling stak hij de hand uit, om ook een of twee toetsen neer te
+drukken, wat afschuwelijk geklonken zou hebben. Ik schrikte er van.
+
+»Niet doen! -- Niet doen!» riep ik hem haastig toe, en gelukkig was Bob
+zoo vriendelijk, dezen keer mijn zin eens te doen. Lachend trok hij
+zijne hand terug. Maar nu begon hij met zijn voet op het pedaal te
+drukken, wat mij duidelijk werd, daar de bas plotseling door eene
+onbekende oorzaak vreeselijk valsch begon te klinken. Ik onderzocht
+dadelijk, of ik mij ook vergist en een verkeerden toets neergedrukt kon
+hebben, maar dat was niet zoo. Mijn spel was goed. Toen ontdekte ik,
+dat Bob het deed, en weer fluisterde ik hem toe:
+
+»Laat het dan toch, Bob. Je maakt me in de war!»
+
+Wat was ik blij, toen ook het tweede gezang ten einde was. Ik maakte
+alles gereed voor het derde en wendde mij daarna tot Bob, die
+doodbedaard op een stoel was gaan zitten.
+
+»Zoo,» zei ik zacht, maar daarom niet minder boos, »ben je daar toch?»
+
+»Zooals je ziet,» zei Bob. »En ik ga niet weg ook, al kijk je me nog zoo
+nijdig aan.»
+
+»Ik vind het leelijk van je, Bob -- erg leelijk!» zei ik weer. »Als ik
+den koster roep, word je dadelijk weggestuurd.»
+
+»Ja, dat weet ik wel, maar je haalt hem niet, Dorus. Doch wees nu maar
+bedaard, -- ik beloof je, dat ik in het geheel geen kwaad zal doen en
+stil zal blijven zitten. Is het nu goed?»
+
+Hij lachte mij vriendelijk toe, terwijl hij dat zeide. De oolijkerd wist
+wel, dat hij gelijk had. Ik draaide mij boos van hem af en ging voor
+mijne muziek zitten, om die nog eens door te zien.
+
+Inderdaad hield Bob zich eenigen tijd zeer bedaard, zoodat ik volstrekt
+geen reden had, om ontevreden over hem te wezen. Toch deed ik nog net,
+of ik erg boos op hem was en bleef met mijn rug naar hem toezitten. Want
+ik wilde mij volstrekt niet met hem bemoeien, daar ik wist, dat hij
+direct de geheele hand zou nemen, als ik hem maar een vinger toestak. Ik
+wilde hem in het geheel niet aanmoedigen.
+
+Na een klein kwartier echter begon de stoel, waarop hij plaats genomen
+had, verdachte geluiden voort te brengen en telkens geducht te kraken,
+wat mij het duidelijke bewijs was, dat Bob onmogelijk langer stil kon
+zitten.
+
+»Nu zal het lieve leventje beginnen,» dacht ik, doch ik bleef op mijne
+muziek turen en verwaardigde hem met geen blik.
+
+Het gekraak werd evenwel telkens erger, zoodat ik wel omkijken moest,
+en nu zag ik Bobje boven op de leuning zitten met zijne voeten op de
+zitting, en hij maakte allerlei leelijke grimassen tegen den ouden
+Potman, die hem heel boos zat aan te kijken.
+
+»Bob, wees toch stil!» gebood ik, want ik twijfelde niet, of men zou
+beneden in de kerk het leven kunnen hooren, dat hij maakte.
+
+»Houd je kalm, Dorus,» zei Bob. »Kijk dien ouden Potman eens boos wezen!
+Ik geloof, dat hij me wel zou willen opeten.»
+
+En weer begon hij grimassen te maken en op de leuning heen en weer te
+schommelen, zoodat de stoel er van kraakte.
+
+»Bob, houd nu op en ga heen. Toe, asjeblief, Bob!»
+
+Nu mijn dreigen niet hielp, begon ik hem te smeeken, want ik twijfelde
+niet langer, of hij zou me in groote ongelegenheid brengen. »Aanstonds
+breekt de stoel nog,» zei ik er waarschuwend bij. En nauwelijks had ik
+die woorden uitgesproken, of krak, krak! daar brak de leuning middendoor
+en viel Bob met een slag op den grond. Het bloed steeg mij naar het
+hoofd van den schrik en ik keek snel naar beneden, of de menschen in de
+kerk het hadden gehoord. Ja, een enkele zag even naar boven, maar daar
+het orgel boven de groote vestibule stond, had men er daar minder van
+gehoord, dan ik vreesde.
+
+Toch had het gebeurde een gevolg, waarover ik mij zeer verheugde, want
+Bob had in allerijl het hazenpad gekozen; zeker vreesde hij, dat de
+koster naar boven zou komen.
+
+Nu werd het zoo rustig boven als ik maar wenschen kon, want Jan van der
+Vliet zat doodbedaard op een stoel achter mij te luisteren naar de preek
+van den dominee, hetgeen ik nu ook ging doen. Want tot nog toe had mijn
+vriend Bob mijne aandacht daar totaal van afgeleid. En de oude Potman
+ging, als gewoonlijk, zijn slaapje doen. Bob was nog geen drie minuten
+weg, of de oude man zat al te knikkebollen.
+
+Het duurde echter maar kort, of ik hoorde iemand met groot gedruisch de
+trap afklimmen, die naar den toren voerde. Dat moest Bob wezen, het kon
+niet anders. Zeker was hij weer naar het uilennest wezen kijken. Maar
+hoe kwam hij er nu toch toe, om zoo hard naar beneden te komen stormen?
+Hij wist toch, dat er kerk was? Of wilde hij mij met voordacht in
+ongelegenheid brengen? Dat vond ik slecht van hem.
+
+Daar werd de deur driftig opengeworpen en kwam Bob met niet weinig
+gedruisch binnenstappen. Zijn gelaat was hoogrood gekleurd en hij maakte
+ontzaglijk veel leven. Blijkbaar was hij zoowel den dominee als alle
+kerkgangers vergeten.
+
+»Ssst! Ssst!» fluisterde ik hem toe, met mijn vingers tegen den mond.
+
+»Jan, ga mee! Dorus, jij ook!» zei hij gejaagd. »Ik heb het geld
+gevonden van den diefstal, -- al het geld!»
+
+In een oogwenk stonden wij naast hem, en Jan werd doodsbleek.
+
+»Het geld! -- Van den diefstal?» stamelde hij. »Spot er niet mede, Bob,
+want dat zou laag en laf wezen.»
+
+»Ik spot niet! Gerust niet! Gaat maar mede. 't Ligt boven in den toren,
+onder het uilennest, je weet wel, dat nest, dat we onlangs hebben
+gevonden. Komt, dan zal ik het je wijzen!»
+
+Bob ging ons voor, en zonder meer aan het orgel te denken volgde ik
+hem. Dat ook Jan naar boven ging, behoeft niet te worden gezegd.
+
+Halverwege de trap dacht ik echter aan het derde gezang, dat nu volgen
+moest, maar naar mijne berekening was het daarvoor nog te vroeg. Ik zou
+toch spoedig weer naar beneden komen, maar eerst moest ik dat geld eens
+zien.
+
+Vlug klommen wij de trap op. Wij gingen de klok voorbij, die regelmatig
+tikte, en hadden weldra het nest bereikt.
+
+»Kijk, -- hier onder!» zei Bob. »Zie je wel, dat de eieren er nog
+precies zoo liggen als toen? De vogels zijn ongetwijfeld gestoord door
+den dief, want zie maar, hier ligt het geld!»
+
+Bob lichtte nu het nest op, en waarlijk, -- daar lag het gestolene; een
+briefje van zestig gulden, een van veertig, en zeven gouden tientjes.
+Alleen de drie gouden tientjes, die bij Van der Vliet onder de deur door
+geschoven waren, ontbraken er aan. En bovendien lagen daar nog eenige
+honderden postzegels van verschillende waarde, zoodat wij niet behoefden
+te twijfelen, of dit het geld van den diefstal was.
+
+Jan schreide en lachte tegelijk. De goede jongen was geheel in de war.
+
+»Daar is het! Daar is het!» juichte hij. »Nu zal de onschuld van mijne
+ouders aan het licht komen. O Bob, dat heb ik aan jou te danken!»
+
+»Maar wat moeten we nu doen?» vroeg Bob.
+
+»Alles precies laten liggen, zooals het ligt, en dadelijk den
+burgemeester gaan waarschuwen,» zei ik. »En spreek er tegen
+niemand......»
+
+Maar eensklaps bestierven de woorden mij op de lippen, want -- daar
+klonk mij plotseling gezang in de ooren. Eerst begreep ik niet, wat er
+gebeurde, maar weldra ging mij een licht op. 't Was kerkgezang -- en dat
+nog wel zonder orgelbegeleiding. Door de verrassing van het gebeurde,
+had ik het orgel vergeten, en nu -- was het te laat!
+
+Van schrik kon ik niet spreken, en met open mond staarde ik mijne beide
+vrienden aan.
+
+»Mooi zoo, Dorus!» zei Bob. »Dat ziet er pleizierig voor je uit. 't Is
+zeker het derde gezang?»
+
+Ik knikte toestemmend en kreeg de tranen in de oogen, tranen van spijt
+en berouw. Zonder een oogenblik langer te dralen ijlde ik naar beneden,
+naar het orgel, -- maar wat kon ik er doen? De menschen zongen reeds
+onder leiding van den voorzanger, en ik kon onmogelijk zoo maar
+invallen. Potman keek mij aan en schudde bedenkelijk met het hoofd.
+Hij vond mij zeker erg slecht.
+
+En ik -- schreide tranen van verdriet.
+
+Nu werd de deur geopend en trad Pa binnen. Hij had de kerk onder het
+zingen verlaten, en kwam kijken, wat er gebeurd was.
+
+Zijn gelaat stond zeer ernstig.
+
+»Waarom speel-je niet, Dorus?» vroeg hij.
+
+Vol schaamte hield ik mijne oogen op den grond gericht, maar ik
+antwoordde niet.
+
+»Waarom speel je niet, Dorus?» herhaalde Pa zacht, maar dringend.
+
+»Ik was er niet, Pa.»
+
+Ik zag, dat mijn antwoord Pa bedroefde.
+
+»Dat spijt me van je, Dorus!» zei hij zacht. »Dat spijt me meer, dan je
+wellicht vermoedt. Ik vertrouwde je zoo geheel, Dorus.»
+
+Ach, wat speet het mij, Pa zoo teleurgesteld te hebben.
+
+»Waar was je dan?» vroeg hij even later.
+
+»Pa, ik was in den toren. Bob......»
+
+»Bob? Ik had je immers verboden, jongens mede te nemen? Dorus, -- Dorus!
+Wat val je me tegen.»
+
+»Ik heb hem niet meegenomen, Pa!» zei ik schreiende. »Hij is zelfs
+gekomen ondanks mijn verbod. En ik kon hem niet weg krijgen.»
+
+»En wat moest je in den toren doen? Het was je plicht hier te blijven.
+'t Is niet alleen stout van je geweest, maar ook dom, erg dom, Dorus.»
+
+»Ach Pa, u weet alles niet. Bob was in den toren gegaan, en daar heeft
+hij al het geld gevonden en de postzegels, die bij mijnheer Valk
+gestolen zijn. En toen hij ons dat kwam zeggen, zijn Jan en ik met hem
+naar boven geklommen, om het te zien. En Pa, toen -- toen was ik het
+derde gezang vergeten, -- ik dacht er in het geheel niet meer aan,
+totdat ik opeens hoorde zingen.»
+
+»Het geld gevonden en de postzegels?» zei Pa, die een en al verbazing
+was. »Dat zeg je immers?»
+
+»Ja, Pa.»
+
+»En waar zijn die jongens nu?»
+
+»Nog in den toren, Pa. Toe, ga er als het u belieft dadelijk heen, want
+zij weten niet, wat zij er mede moeten doen.»
+
+Ik deed de deur voor Pa open en meende hem voor te gaan. Maar Pa zeide:
+
+»Jij blijft hier op je post, -- begrepen, Dorus?»
+
+»Ja, Pa.»
+
+Beschaamd keerde ik naar mijn klavier terug, dat ik zoo schandelijk
+verlaten had. Het gezang was nu geëindigd, en ik zocht de muziek gereed
+voor het laatste zingen. De dominee begon aan het tweede gedeelte van
+zijne predikatie.
+
+Wat had ik een flater begaan! En wat zou ook de meester boos op mij
+zijn. Eerst moest ik daar onophoudelijk over denken, doch al spoedig
+gingen mijne gedachten zich bezig houden met hetgeen in den toren
+gevonden was, en ik bedacht, hoe heerlijk dat moest zijn voor Van der
+Vliet en zijne vrouw, wier onschuld nu zoo duidelijk aan het licht
+gekomen was. Want het was niet aan te nemen, dat zij dat geld daar
+zouden hebben verstopt. Zij kwamen immers nooit in den toren?
+
+Maar wie kon dan de dader geweest zijn? Vruchteloos spande ik mij in, om
+het antwoord op die vraag te vinden. Tot mij opeens in de gedachten
+schoot, dat dit niemand anders kon zijn dan Arie de Zwaan, de neef van
+den koster, bij wien al eenmaal huiszoeking was gedaan.
+
+Ik hoorde, hoe iemand de trap afkwam. De deur ging open en Bobs gelaat
+verscheen om den hoek.
+
+»Wees maar niet bang, Dorus, 't zal best voor je afloopen, hoor. Nu dat
+geld hier gevonden is, zullen de menschen over het orgel bijna niet
+denken. En je Pa is niets boos. Dag! Ik ga den burgemeester halen. Je Pa
+heeft het mij bevolen.»
+
+En weg was hij. Ja, hij had gelijk. Nu dat geld ontdekt was, zou mijne
+domme daad spoedig op den achtergrond gedrongen zijn. Maar dat nam niet
+weg, dat ik toch het vertrouwen van mijne ouders en den onderwijzer
+ernstig moest hebben geschokt, en dat deed mij veel verdriet. Van de
+preek hoorde ik dien morgen weinig of niets, want mijne gedachten kon ik
+er onmogelijk bijhouden. Ik hoorde bijna niet eens, dat de dominee amen
+zeide.
+
+Eindelijk werd de slotzang opgegeven.
+
+Ik speelde dien zoo goed ik kon, om mijne fout zooveel mogelijk te
+herstellen, en terwijl de menschen de kerk verlieten, gaf ik mijn
+mooiste stuk ten beste.
+
+Juist op dat oogenblik kwam Bob terug in gezelschap van den burgemeester
+en van Tip, die heel gewichtig keken en met groote schreden door eene
+zijdeur de kerk binnenstapten. O, wat waren de kerkgangers nieuwsgierig
+naar hetgeen zij daar gingen doen, maar niemand werd daarbinnen
+toegelaten. Dat ik naar boven in plaats van naar huis gegaan was,
+spreekt vanzelf.
+
+Zoodra de burgemeester bij het uilennest aangekomen was, moest Bob alles
+vertellen, wat er gebeurd was. En hij was tot mijne vreugde zoo eerlijk,
+om zelfs te zeggen, dat hij tegen mijn zin bij het orgel gekomen was en
+daar een stoel had gebroken; dat hij daarna de vlucht had genomen,
+uit vrees, dat de koster komen zou om hem weg te jagen, en naar boven
+geklommen was, om nog eens naar het uilennest te kijken, dat wij daar
+voor eenigen tijd ontdekt hadden.
+
+»Is dat alles waar?» vroeg de burgemeester.
+
+»Ja mijnheer, volkomen waar!» stemden wij toe.
+
+Pa gaf mij stilzwijgend eene hand, ten bewijze, dat hij mijne fout
+vergaf.
+
+Maar Bob zag het, en hij zeide tegen Pa:
+
+»Ja mijnheer, Dorus heeft in het geheel geen schuld, want hij had mij
+verboden te komen. Maar toen ik zag,» aldus vervolgde hij tot den
+burgemeester, »dat de vogels weggegaan waren, zeker omdat zij door
+iemand waren opgejaagd, kreeg ik lust, om het nest eens van onderen te
+bekijken en daar ontdekte ik dat geld en de zegels. Arie de Zwaan heeft
+dat alles daar zeker verstopt.»
+
+»Stil jongen,» zei de burgemeester. »Ik vraag je geen namen, want daar
+weet je immers niets van?»
+
+Maar ik zag, dat hij knipoogde tegen Pa, en dat die beide heeren een
+bijna onzichtbaar glimlachje niet bedwingen konden.
+
+»Hoe wist je, dat de vogels gestoord waren in het broeien?» vroeg de
+burgemeester.
+
+»Omdat ik voelde, dat de eieren koud waren, mijnheer,» antwoordde Bob.
+»Arie de Zwaan -- o, ik bedoel, de dief is hier zeker dikwijls geweest,
+want anders zouden de uilen niet zoo bang geworden zijn, dat zij de
+eieren in den steek lieten.»
+
+»Zoo, -- hm, ja, dat kan wel zijn. Nu, ik heb alles hier gezien en zal
+er proces-verbaal van opmaken. Jelui moet van middag om één uur bij me
+op het raadhuis komen, alle drie, goed begrepen?»
+
+»Ja burgemeester.»
+
+»Je kunt nu gaan, maar vergeet het niet, hoor: om één uur. Het gevondene
+zal ik meênemen.»
+
+Wij verlieten den toren en gingen in druk gesprek huiswaarts. Toen wij
+voorbij de kosterswoning kwamen, zagen wij, hoe Arie de Zwaan, die zeker
+den burgemeester en den veldwachter voorbij en in den toren had zien
+gaan, onrustig voor het huis heen en weer liep. Zoodra hij ons zag,
+vroeg hij:
+
+»Wat is er in den toren te doen, jongens?»
+
+»Daar heb je den dief, geloof dat gerust,» fluisterde Bob ons toe. »Wat
+ziet hij bleek!»
+
+En luid antwoordde hij:
+
+»In den toren? Op dit oogenblik niets.»
+
+Dat was volkomen waar, want wij zagen den burgemeester, Pa en Tip juist
+naar buiten komen.
+
+De burgemeester gaf Pa de hand en begaf zich, door den veldwachter
+gevolgd, regelrecht naar de kosterswoning, waar Arie hen in zenuwachtige
+spanning afwachtte. Dat hij zenuwachtig was, konden wij best aan zijne
+gejaagde bewegingen zien.
+
+De koster en diens vrouw kwamen juist uit hun huis, toen de burgemeester
+Arie genaderd was. Wij zagen, hoe hij hem de hand op den schouder legde,
+en wij hoorden hem zeggen: »In naam der wet, Arie de Zwaan, neem ik u
+gevangen.»
+
+Verschrikkelijk, wat vonden wij dat pijnlijk. Wij zagen hoe Arie's
+tante haar gelaat met de handen bedekte en in tranen uitbarstte.
+
+»Komt, jongens,» zei Pa zacht, want die was ons nu genaderd, »komt,
+laten we naar huis gaan. Dat is een treurig schouwspel, niet waar?»
+
+Zonder spreken vervolgden wij onzen weg. Maar Jan ijlde ons vooruit, om
+zijne ouders de blijde boodschap te brengen. Wat zal in de eenvoudige
+woning groote vreugde hebben geheerscht!
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Besluit.
+
+
+Het geheele dorp was dien dag verder in rep en roer, over hetgeen er
+gebeurd was. Er werd bijna over niets anders gesproken dan over Bobs
+vondst en de gevolgen daarvan. Dat die vooral voor de Van der Vliets
+hoogst gewichtig waren, is gemakkelijk te begrijpen.
+
+En wat bracht de gevangenneming van Arie de Zwaan eene geweldige
+opschudding teweeg. Overal zag men de menschen voor de ramen of op de
+straat verschijnen, toen hij tusschen den burgemeester en den
+veldwachter naar het raadhuis werd gevoerd, waar hij voorloopig in het
+gevangenhok werd opgesloten. Met neergeslagen oogen liep hij tusschen
+zijne bewakers voort, ongeboeid, dat is waar, maar toch scherp bewaakt.
+
+'s Middags maakte Kees van der Vliet met zijne vrouw eene wandeling door
+het dorp. Hun gelaat straalde van vreugde, en zij liepen met het hoofd
+fier omhoog. Ieder die hen tegenkwam, maakte een praatje met hen, en
+allen féliciteerden hen met de gunstige wending, die de zaak genomen
+had.
+
+'t Was grappig te hooren, hoe de menschen zeiden, dat zij altoos wel aan
+hun onschuld hadden geloofd, en die vroeger het meeste van hen te zeggen
+hadden gehad, waren nu de eersten, die het tegenovergestelde betuigden.
+
+Arie de Zwaan ontkende tegenover den burgemeester met groote
+beslistheid, dat hij den diefstal had gepleegd, en wat de burgemeester
+ook deed, hij bleef halsstarrig bij die verklaring.
+
+'s Middags om twee uur, nadat wij op het raadhuis waren geweest, waar de
+burgemeester ons het proces-verbaal had voorgelezen, werd Arie de Zwaan
+per rijtuig en onder strenge bewaking naar Haarlem gevoerd, waar hij in
+de gevangenis werd opgesloten. En toen hij den volgenden dag voor den
+Officier van Justitie werd gebracht legde hij eene volledige bekentenis
+af. Ja, hij had 's nachts het raam weten open te schuiven en al het
+aanwezige geld gestolen, en om de verdenking van zich af te werpen,
+had hij de drie gouden tientjes bij Van der Vliet onder de deur
+doorgeschoven, daar hij gezien had, dat deze met zijne vrouw dien dag
+bij den Directeur hadden gewerkt.
+
+De rechtbank veroordeelde hem tot eene langdurige gevangenisstraf.
+Zijn oom en tante, de koster en diens vrouw, waren zeer bedroefd over
+het slechte gedrag van hun neef. Toen hij later uit de gevangenis
+terugkeerde, hebben zij hem voortgeholpen om naar Amerika te emigreeren.
+Hier wisten zij geen raad meer met hem.
+
+Over de slechte wijze, waarop ik mijne taak als organist had
+waargenomen, werd zeer weinig gesproken. Bob had het goed geraden:
+door het vinden van het geld werd over mijne afwezigheid op dat
+gedenkwaardige oogenblik niet meer gedacht. Zelfs de meester liet er
+niets van blijken, toen hij teruggekeerd was, en later heeft hij mij
+nog meer dan eens verzocht, als hij weer eens van huis moest, zijne
+betrekking voor hem waar te nemen. Daaruit kon ik tot mijne groote
+vreugde opmaken, dat hij mij zijn vertrouwen niet onwaardig keurde.
+
+Maar Bob ging nooit weer met mij mede.
+
+Dat kon hij ook niet, want korten tijd daarna heeft hij tot onze groote
+spijt het dorp verlaten. De reden daarvan was, dat zijne Moe ernstig
+ziek werd, zoodat men voor het behoud van haar leven vreesde. Dokter
+Doreman deed alles, wat in zijn vermogen was om haar beter te maken,
+doch zijne pogingen waren vruchteloos. Eindelijk werd er besloten, een
+professor te raadplegen. Deze kwam en raadde na een ernstig onderzoek
+aan, naar eene andere woonplaats te verhuizen, liefst naar een hoog
+gelegen dorp in Gelderland. Hij twijfelde niet, of daar zou zij hare
+verloren gezondheid terugvinden.
+
+Och, wat was Bob in dien tijd stil en bedaard, want hij had zijne Moe
+innig lief. Wij zagen hem bijna niet meer op de straat en van spelen met
+ons was geen sprake. Hij was altoos thuis, waar hij de geliefde zieke
+met de teederste zorgen omringde.
+
+Zijn Pa besloot, den raad van den professor op te volgen. Hij kon er
+echter niet toe besluiten, de lieve patiente alleen naar het vreemde
+oord te laten gaan. Daarom nam hij zijn ontslag als notaris en vestigde
+zich metterwoon te Oosterbeek.
+
+Het speet ons meer, dan ik zeggen kan, dat Bob ons ging verlaten. Hij
+had nog geen vol jaar bij ons op het dorp gewoond, maar toch hielden wij
+allen innig veel van hem. Dat bleek het duidelijkst bij zijn vertrek.
+Sommige jongens stortten er zelfs tranen om.
+
+Maar Karel Holm en mij speet het 't meest van allen, want wij hadden het
+meest met hem omgegaan.
+
+»Dag Bob,» zeiden we bij het afscheid nemen, en onze oogen waren
+vochtig, evenals de zijne: »Het ga je goed, jô. 't Spijt me, dat je
+heengaat.»
+
+»Mij niet minder; dag Dorus! dag Karel! Maar 't is om Moe, weet je. Als
+ik haar maar behouden mag.»
+
+En hij mocht haar behouden; de professor had het goed ingezien. Van
+het oogenblik af, dat zij de Geldersche lucht inademde, begon zij te
+herstellen, en nog geen drie maanden daarna schreef Bob ons, dat zij
+volkomen beter was en hare krachten bijna geheel had teruggekregen.
+
+ »En jongens,» zoo eindigde hij zijn brief, »in de volgende
+ zomervacantie mag je beiden hier komen logeeren, zeggen Pa en
+ Moe. Vindt je dat niet heerlijk? Ik kan je niet zeggen, hoe
+ blij ik ben. Zeg jongens, dan zullen wij nog eens echt pret
+ maken.
+ Adieu!
+ Je vriend
+ BOB.»
+
+
+
+
+KAPITEIN MARRYAT's Jongensboeken.
+
+
+De Geïllustreerde Werken van KAPITEIN MARRYAT.
+
+De meest aanbevolen, meest boeiende en fraaiste boeken voor onze
+Jongens.
+
+KAPITEIN MARRYAT is de Jongens-auteur bij uitnemendheid.
+
+ _Het Handelsblad_ zegt:
+ „met gejuich worden zijne boeken steeds begroet. Slechts
+ bewondering, geen critiek wordt zijn deel.”
+
+ _Het Vaderland_ zegt:
+ „MARRYAT veroudert niet en blijft steeds even aantrekkelijk.”
+
+ _De Portefeuille_ noemt deze boeken:
+ Gezonde en zeer gewilde jongenslectuur. MARRYAT was een onderhoudend
+ verteller, die nooit iets aanstootelijks schreef, maar voortdurend
+ wist te boeien.
+
+De werken van KAPITEIN MARRYAT zijn verschenen in 2 uitgaven.
+
+A. De =groote geïllustreerde uitgave met twaalf platen=, geteekend door
+JOHAN BRAAKENSIEK en JOS. SCHEIDEL. Hierin zijn nog voorhanden:
+
+=De zoon van den Strooper= -- =Snarley Yow= -- =Frank Mildmay= -- =Onder
+de Hottentotten= -- =Stuurman Flink= -- =Rattlin de Zeeman= -- =Japhet
+de Vondeling= -- =Het Spookschip= -- =Jack Rustig=.
+
+Prijs in geïllustreerd omslag ƒ 1.50, gebonden ƒ 1.90.
+
+
+B. De =goedkoope geïllustreerde uitgave=. Elk deel in groot formaat
+hiervan is versierd met 8 platen en bevat ruim 350 bladzijden druks. --
+Verschenen zijn:
+
+=Pieter Simpel= -- =Het Koningskind= -- =Arme Jaap= -- =Jacob Eerlijk=
+-- =De Kinderen van het Woud= -- =De Landverhuizers van Canada= -- =De
+Zwerver= -- =De Kaper uit de vorige eeuw= en =Percival Keene=.
+
+Prijs van ieder deel in een door JOHAN BRAAKENSIEK geteekend omslag
+ƒ 0.90, prachtig gebonden ƒ 1.25.
+
+
+
+
+Geïllustreerde Werken van MARK TWAIN.
+
+
+ De Lotgevallen van Tom Sawyer,
+ 6e herziene druk met platen van JOHAN BRAAKENSIEK.
+
+ De Lotgevallen van Huckleberry Finn
+ (TOM SAWYER'S MAKKER).
+ 2e druk met ruim 50 illustratiën.
+
+ De Reisavonturen van Tom Sawyer,
+ met 30 fraaie platen.
+
+ Prins en Bedelknaap.
+ 2e druk met ruim 50 illustratiën.
+
+
+ _Het Handelsblad_ zegt:
+ De boeken van MARK TWAIN wemelen van leuke zetten, die ook ouderen
+ met plezier kunnen lezen.
+
+De prijs van bovenstaande vier werken van MARK TWAIN is ingenaaid
+ƒ 1.50, geb. ƒ 1.90 per deel.
+
+
+ Jongensboeken van G. A. Henty,
+ vertaald door H. Th. CHAPPUIS.
+
+
+Goedkoope geïllustreerde uitgave.
+
+Als Nihilist naar Siberië, Roodhuiden en Grensroovers, Cowboys en
+Goudzoekers.
+
+Alle geïllustreerd. Prijs ingen. ƒ 0.90, geb. ƒ 1.25.
+
+
+Historische Werken van C. Joh. Kieviet.
+
+
+FULCO DE MINSTREEL.
+
+Een verhaal uit den tijd van Graaf JAN I.
+
+Met platen van JOH. BRAAKENSIEK.
+
+ Prijs in geïll. omsl. ƒ 1.50,
+ in prachtband ƒ 1.90.
+
+
+IN WOELIGE DAGEN.
+
+Een verhaal uit de jaren 1345-1351.
+
+Met platen van L. R. W. WENCKEBACH.
+
+ Prijs in geïll. omsl. ƒ 1.50,
+ in prachtband ƒ 1.90.
+
+
+
+
+Opmerkingen van de bewerker:
+
+Er komen in dit boek drie soorten nadruk voor: _cursief_, =vet= en
++gespatieerd+.
+
+Duidelijke drukfouten zijn gecorrigeerd, zoals b.v. “mêe” i.p.v. “meê”,
+en “stellen” i.p.v. “stelten”.
+
+Geneste dubbele aanhalingstekens zijn gestandaardiseerd tot »„...”»,
+waar dat nodig was voor de duidelijkheid.
+
+Overigens is de originele spelling en interpunctie ongewijzigd
+overgenomen, ook ongebruikelijke woordvormen en inconsequent gebruik
+van trema's en accenten.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB ***
+
+***** This file should be named 37789-0.txt or 37789-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/7/7/8/37789/
+
+Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/37789-0.zip b/37789-0.zip
new file mode 100644
index 0000000..7e6c2cd
--- /dev/null
+++ b/37789-0.zip
Binary files differ
diff --git a/37789-8.txt b/37789-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..45c7f2b
--- /dev/null
+++ b/37789-8.txt
@@ -0,0 +1,8080 @@
+The Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Wilde Bob
+
+Author: Cornelis Johannes Kieviet
+
+Illustrator: Willem Steelink
+
+Release Date: October 18, 2011 [EBook #37789]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB ***
+
+
+
+
+Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+ WILDE BOB
+
+
+
+
+[Illustration: Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over
+den weg heen en weer,.... (pag.50).]
+
+
+
+
+ WILDE BOB
+
+ DOOR
+
+ C. JOH. KIEVIET
+
+ GELLUSTREERD DOOR WM. STEELINK
+
+ AMSTERDAM
+ VAN HOLKEMA & WARENDORF
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+ Welke streken Bob uithaalde
+ en hoe hij ten slotte overijld het hazenpad koos.
+
+
+Dorus!
+
+Dat was de stem van Moe. Zij stond aan de trap en ik zat mijn huiswerk
+te maken op de bovenkamer.
+
+Ja, Moe! Wat wil U?
+
+Dorus, ginds komt Wilde Bob aan. Laat je nu niet door hem van je werk
+metroonen, voordat je het afhebt. Zul je niet?
+
+Neen, Moe, ik zal eerst mijn werk in orde brengen, dat beloof ik U.
+
+Goed, mijn jongen. Eigenlijk zag ik nog veel liever, dat je in het
+geheel met dien Bob niet omging, want ik houd hem voor een heel slecht
+kameraad.
+
+Heusch niet, Moe, echt niet! 't Is toch zoo'n aardige jongen. Wij
+houden allen evenveel van hem en hij is wel goed ook. Slecht althans in
+geen geval.
+
+Nu, ik wil het hopen. Dus eerst je werk af, denk daar om.
+
+Ja, Moe!
+
+'t Was Zaterdagmorgen, tien uur ongeveer, toen Moe mij dit toeriep.
+'s Zaterdags hadden wij nooit school, daarentegen wel op Woensdagmiddag,
+welken de kinderen tegenwoordig meestal vrij-af hebben.
+
+Eigenlijk was Moe's waarschuwing niet noodig geweest, want ten eerste
+was het mijn vaste voornemen, niet te gaan spelen, voordat ik mijn werk
+afhad, en ten tweede had ik mijn vriend Bob, of Wilden Bob, zooals hij
+gemeenlijk genoemd werd, al zien aankomen. Eerst leeren en dan spelen,
+zei onze meester altoos, en ik was dat volkomen met hem eens. Niet omdat
+ik studeeren zoo prettig vond, o neen, maar ik was al een paar malen
+naar mijne kameraden gegaan, vr ik mijn werk afhad, en dat had mij
+even zooveel malen berouwd. Want als mijn vrije Zaterdag eindelijk
+al spelende voorbij gegaan was, kon ik mijn Zondag besteden, om den
+verloren tijd in te halen, en dat viel mij dubbel hard, want op dien
+dag werkt niemand.
+
+Bob en ik woonden tegenover elkander, elk aan eene zijde van de beek
+die ons dorp doorsneed. 't Was dus geen wonder, dat ik hem had zien
+aankomen, te meer daar mijn raam, waarvoor ik zat te werken, precies op
+zijn huis uitzicht gaf. Al ongeveer tien minuten geleden had ik hem op
+zijne stelten, want het was juist in den steltentijd, den tuin uit- en
+den weg zien opstappen, en ik twijfelde niet, of zijn weg voerde naar
+mij. Want Karel Holm en ik, Dorus Volmaar, waren het meest met hem
+bevriend, hoewel ik moet zeggen, dat alle jongens veel van hem hielden.
+
+Toch kon ik mij wel begrijpen, dat onze ouders niet zoo bijster met die
+vriendschap waren ingenomen, want hij verdiende zijn bijnaam van Wilden
+Bob volkomen, en hij deed veel meer kattekwaad in eene week dan alle
+andere jongens te zamen in een jaar. Zoo pas nog zag ik hem bij dokter
+Doreman van zijne stelten stappen en zich vlug als een kat meester maken
+van de glazenspuit, die in een emmer vol water onbeheerd voor het huis
+stond. Mina, de meid, was zeker iets uit de keuken gaan halen, dat zij
+vergeten had. En was het er hem nu nog maar om te doen geweest, zich op
+de hoogte te stellen, hoe zoo'n perspompje toch eigenlijk werkt, dan was
+het niet erg geweest. Maar dat wist ik wel beter, want daar kende ik
+Bobje te goed voor. Neen, hij zon natuurlijk weer op iets grappigs, en
+dat grappige bleef niet uit, toen de niets kwaads vermoedende Mina om
+den hoek van het huis verscheen, en plotseling de volle laag kreeg. Ik
+zag hoe zij van schrik de armen omhoog sloeg en in minder dan geen tijd
+droop van het water.
+
+Maar Mina is lang geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. In
+plaats van op de vlucht te gaan, zooals Bob natuurlijk van haar verwacht
+had, kwam zij heel onnatuurlijk in ijlende vaart op hem af, zoodat
+hij zich genoodzaakt zag, zich met achterlating van zijne stelten zoo
+spoedig mogelijk uit de voeten te maken. En het ergste kwam nog voor
+hem aan, want in zijne haast liep hij met geweld tegen een dikken boom
+aan, waarvan een blauwe plek op zijn voorhoofd het directe gevolg was.
+En het indirecte gevolg was een nat pak, want door den schok viel hij
+achterover op den grond en kreeg van de dankbare Mina al het water over
+zijn lichaam, dat hij nog in den emmer gelaten had. Die grap was dus ons
+Bobje slecht bekomen. En zijne stelten was hij kwijt, want Mina nam ze
+op en bracht ze achter het huis in veiligheid.
+
+Ik zag uit mijn raam, hoe Bob overeind scharrelde en op een eerbiedigen
+afstand bleef wachten, of het de beleedigde Mina ook behagen mocht, hem
+zijne houten onderdanen terug te geven. Maar Mina maakte bedaard haar
+werk af, stak daarna dreigend de vuist tegen Bob op en ging naar binnen.
+
+Toen beschouwde Bob de zaak blijkbaar als afgedaan, want hij stak zijne
+handen in zijne broekzakken en vervolgde zonder stelten zijn weg naar
+mij.
+
+Dergelijke ontmoetingen had Bob den geheelen dag door, van den morgen
+tot den avond. Maar zijn humeur leed er niet erg onder. Hij was daarvoor
+aan zulke afstraffingen te zeer gewoon en het was zijne gewoonte, als
+hij hier of daar min of meer onaangename ervaringen had opgedaan, te
+zeggen: Wie kaatst moet den bal verwachten. 't Was alleen maar jammer,
+dat dit kaatsen bij hem nooit eens ophield, want hij was in zijn hart
+werkelijk een goede jongen. Er waren er wel op het dorp, die lang
+zoo berucht niet waren als hij, jongens met wie wij van onze ouders
+volgaarne mochten omgaan en die toch inderdaad veel slechter waren dan
+Bob. In elk geval, wij, jongens, hielden dol veel van hem, en als hij,
+naar wij meenden, onverdiend beschuldigd werd, zooals Moe straks deed,
+dan achtten wij het onzen plicht, hem met al de kracht te verdedigen,
+waarover wij beschikken konden.
+
+Bob was de zoon van onzen nieuwen notaris, en hij woonde nog maar een
+paar maanden op het dorp. De vorige notaris was in den verschenen herfst
+overleden, en Bob's vader was diens opvolger. Eigenlijk heette hij
+Robert Adrianus de Wild, maar thuis noemden zij hem nooit anders dan
+Bob, en wij, jongens, hadden van Bob de Wild al spoedig Wilden Bob
+gemaakt, welke naam volkomen bij hem paste.
+
+Enkele minuten na Moe's waarschuwing hoorde ik zijn bekend fluitje op
+den weg. Want wij schelden nooit bij elkander aan. Karel Holm, Bob en
+ik hadden afgesproken, dat wij dit nooit doen zouden, want het was
+veel aardiger om een zeker signaal te hebben, waarmede wij elkander
+konden roepen, zonder dat anderen daar nu juist altoos erg in moesten
+hebben, en bovendien scheen het ons iets bijzonder geheimzinnigs en
+rooverachtigs toe, wat ons verbazend interesseerde. Zoo hadden wij dan
+een bepaald signaal afgesproken, wat door ons gefloten werd. Al spoedig
+konden wij zelfs in het donker wel onderscheiden, wiens fluitje gehoord
+werd. Want al floten wij dezelfde reeks van tonen, ieder van ons had
+toch weer zijne bijzondere manier, waaraan hij herkenbaar was.
+
+Ik stak mijn hoofd uit het raam, want daar wij al Juni schreven en het
+prachtig wer was, had ik het zoover opengeschoven als ik kon, en zei:
+
+Zoo Bobbertje. Wat ben je nat!
+
+Dag Dorus! Ga je mee? Er zijn al verscheidene jongens op het
+schoolplein.
+
+Eerst mijn werk af, mannetje. Ben jij er al mede klaar?
+
+O heden ja, een uur geleden al. Maar ik was om vijf uur al op en ben
+toen dadelijk aan het werk gegaan. Iedereen slaapt zoo lang niet als
+jij!
+
+Dank je voor het compliment. Maar zeg, wat ben je nat?
+
+Ik zei dit natuurlijk alleen maar om hem te plagen, want ik wist er
+alles van; hij behoefde mij niets te vertellen.
+
+O ja, zei hij kortaf, een beetje water, anders niet. Dat zal wel weer
+drogen in het warme zonnetje. Dus je gaat niet me?
+
+Maar hoe kom-je zoo nat? hield ik vol. 't Heeft toch niet geregend?
+
+Wel neen, 't zijn maar enkele spatjes water.....
+
+En waar zijn je stelten? vroeg ik, want hij moest den steek op mijn
+lange slapen terug hebben.
+
+Och jongen, wat zeur je toch! Ik kan toch wel eens uitgaan zonder mijne
+stelten.
+
+Ja, zeker, -- natuurlijk. Maar straks had-je ze toch, toen ik je aan
+den overkant zag loopen. En nu heb je ze niet meer.
+
+Och, Mina, de meid van den dokter, heeft ze mij afgenomen. Zeg Dorus,
+ik wou dat je dt eens gezien hadt!
+
+Wat? Dat ze jou de stelten afnam?
+
+Neen, -- zeg j, 't was toch zoo leuk! Ze had de glazenspuit vr het
+huis laten staan, en juist toen ze om den hoek verscheen, gaf ik haar
+een stortbad, dat het een lust was om te zien. Ha-ha-ha! Wat keek ze
+leelijk!
+
+Zoo, dat wil ik wel gelooven. En toen kwam ze op Bobje af, en Bobje
+ging op de vlucht, en hij zat z in den angst, dat hij niet eens den
+dikken boom zag, dien hij tegenkwam, en hij bonsde er zoo hard tegenop,
+dat hij een blauwen plek op zijn voorhoofd kreeg, en op den grond
+tuimelde, en toen kreeg hij van de vertoornde Mina zveel water over
+zijn baadje, dat het wel een zondvloed geleek.
+
+O -- zoo! dus je hebt alles gezien? 't Staat je fraai, om het mij dan
+nog te laten vertellen. Dus je gaat niet me?
+
+Neen, nog niet. -- En toen pakte Mina snel de stelten van den jongeheer
+en verdween er mede achter het huis. Zeg Bob, je hadt bij slot van
+rekening toch niet zooveel pleizier van de grap als Mina.
+
+Dat is waar. Ze is goed bij de pinken, dat moet ik zeggen. Ik wou, dat
+ik mijne stelten maar terug had. Zeg, Dorus, weet jij geen middeltje, om
+ze weer in handen te krijgen?
+
+Wel ja, jongen. Je gaat er doodeenvoudig naar toe, en vraagt ze met een
+deemoedig gezicht terug. Dan krijg je ze wel.
+
+Ik zou je danken. Pas op, Mina is niet pluis. Maar nu krijg ik een
+plannetje. Zeg Dorus, als jij ze eens voor me gingt vragen! Jou zal ze
+niets doen, want jij bent heelemaal onschuldig aan dit zaakje.
+
+Juist, en daarom zal ze mij zeker de stelten ook niet geven. Neen Bob,
+'t is er haar natuurlijk om te doen, dat je zelf komt. En dan zal ze wel
+niet bijzonder vriendelijk wezen, vrees ik.
+
+Dat denk ik ook. -- Wacht Dorus, daar komt Mietje de Veer aan met eene
+stroopkan in haar hand. Daar moet ik toch eens eene grap mede hebben.
+
+Och, laat haar loopen, dat domme wicht!
+
+Maar Bob luisterde al niet meer naar me. Hij trok zijn mond in den
+allervriendelijksten plooi en wachtte op de komst van zijn slachtoffer.
+Zijne oogen tintelden van plaaglust en blijkbaar was hij zoowel Mina en
+zijn natte pak als zijne stelten vergeten.
+
+Mietje de Veer was een dochtertje van den schoenmaker, en een van de
+domste kinderen van de geheele school. Idioot was ze niet, want ze wist
+wel wat ze deed, maar leeren kon zij niet. Nu zou ik in Bobs geval
+Mietje rustig hebben laten passeeren, want ik hield er niet van om zulke
+onnoozele wichten voor den gek te houden, ten minste niet erg, maar Bob
+dacht daar niet over.
+
+Dag Mietje! zei hij op zijn vriendelijksten toon. Moet je van middag
+pannekoek eten!
+
+Ja Bob, dat heb je geraden.
+
+En lust je die graag?
+
+Dat zou ik meenen. Jij niet?
+
+Of ik. Ik zou wel je gast willen wezen, als ik mocht. Dan bleef er voor
+jou geen pannekoek over, Mie.
+
+Waarom niet? vroeg Mietje, die niet vlug genoeg van begrip was om te
+snappen, wat hij bedoelde.
+
+Omdat ik ze dan allemaal zou opeten! zei Bob. Allemaal, hoor;
+misschien liet ik een halfje over voor jou, omdat ik zooveel van je
+houd.
+
+Bij die woorden boog hij zich een weinig voorover en keek met alle
+aandacht in de kan. Opeens zag hij Mie met een heel vies gezicht aan, en
+zeide:
+
+O neen, -- dank je. Ik zou er nu geen pannekoek meer van willen hebben.
+Dank je feestelijk, Mie, eet jij ze maar op. Akkeb!
+
+Akkeb -- waarom? vroeg Mietje in de grootste verbazing, daar zij
+onmogelijk kon begrijpen, waaraan die snelle omkeering bij Bob te wijten
+was.
+
+Nu, ik moet zeggen, dat ik er ook niets van begreep.
+
+Moet +die+ stroop er op? vroeg Bob, op de kan wijzende, en steeds met
+denzelfden opgetrokken neus.
+
+Ja zeker, -- waarom zou die stroop er niet op moeten?
+
+Je bent een dom kind, hoor Mietje. Kijk dan eens even in die kan!
+
+Mietje deed het, maar zag natuurlijk niets dan de ondoorzichtige
+bruin-zwarte massa.
+
+Zie je niets?
+
+Ik niet! zei Mie. Alleen de stroop.
+
+Onder op den bodem, -- zie je daar ook niets?
+
+Neen, niets, Bob, maar wat is er dan?
+
+Zie je daar met allebei je oogen dan die tor niet, die er onder in
+ligt?
+
+Mie keek met alle aandacht.
+
+Neen, ik zie geen tor, en -- 't is niet waar ook. Er zit geen tor in.
+
+Nu, ik wl! zei Bob met overtuiging. Maar jij kunt het beest ook niet
+zien, omdat je er niet doorheen kunt kijken. +Ik+ zeg je, dat er een tor
+in zit.
+
+'t Is niet! zei Mie ongeloovig.
+
+'t Is wl! hield Bob vol. Ik wil wedden, dat jij het smerige dier op
+je pannekoek krijgt.
+
+'t Is niet!
+
+'t Is wl waar! Houd dan de kan maar onderste-boven, dan zul-je het
+zelf zien! raadde Bob met het ernstigste gezicht van de wereld aan.
+
+'t Is toch niet waar! zei Mie. Je houdt me voor den gek!
+
+Nu, keer de kan dan maar om, dan zullen we zien, wie er gelijk heeft.
+
+En waarlijk, daar liep Mietje in de val. Doodbedaard hield zij de kan
+onderste-boven, natuurlijk met het gevolg, dat de stroop op den grond
+terecht kwam. Bob en zij keken met alle aandacht, of eindelijk de
+bewuste tor niet volgen zou.
+
+Doch neen, toen alle stroop er uit was, bleef het torretje absent.
+
+Zie je nu wel! riep Mie triomfantelijk uit. Zie je nu wel, dat ik
+gelijk had?
+
+Waarlijk, er zit er geen in! zei Bob hoofdschuddend. Ik dacht het
+toch stellig, want 't was net, of ik het beest zag. Neen, jij hebt toch
+gelijk gehad. Nu, dag Mietje, breng jij nu de stroop maar naar huis en
+eet lekker!
+
+Nu pas ging ons Mieke een licht op. Met schrik keek zij beurtelings de
+ledige kan en den strooperigen weg aan, tot zich plotseling hare oogen
+met tranen vulden en zij luid schreeuwende naar huis ging. Op grooten
+afstand konden wij haar nog hooren.
+
+Maar Bob schaterde het uit van de pret.
+
+Zeg Dorus, hoe vind je nu zoo'n domme meid? Ha-ha-ha-ha, ik kon mijn
+lachen haast niet bedwingen toen zij de kan omkeerde, en wat keek zij
+ernstig. Ha-ha-ha-ha! Z dom heb ik het nog nooit gezien.
+
+Dom is het, dat is waar. Doch jou raad ik aan, om den eersten tijd en
+vandaag vooral niet in de buurt van den schoenmaker te komen, want je
+weet, dat hij zijn spanriem alleraardigst weet te hanteeren. Als hij je
+kreeg, zou ik je mijne broek niet graag willen leenen.
+
+Maar Bob deed niet anders dan lachen. Hij vond het geval
+allervermakelijkst en was ten volle overtuigd, dat hij veel meer
+succes had gehad, dan hij met reden had mogen verwachten.
+
+Eindelijk kwam hij tot bedaren.
+
+Wat zei je ook wer? vroeg hij. O ja, die schoenmaker, h? Nu ja, hij
+heeft me nog niet! Ik kan harder loopen dan hij.
+
+Nu, ik waarschuw je, want hij zal meer dan kwaad zijn.
+
+Och kom, dat zal zoo'n vaart niet loopen. Dus je gaat niet me? Toe
+zeg, kom maar! Je werk komt nog wel af, en 't is zulk prachtig wer.
+Hoor de jongens eens joelen. Toe, zeg, kom nu!
+
+O neen, stellig niet. Ik maak eerst al mijn werk af want anders moet ik
+het vanmiddag of morgen nog doen, en dat is veel onpleizieriger. Over
+een paar uren ben ik klaar.
+
+Een paar uren nog? Wat moet je dan nog wel doen? Ik heb er in 't geheel
+maar twee uur over gewerkt.
+
+O ja, maar jij kunt het ook zoo vlug, veel vlugger dan ik. Eerst moet
+ik nog een kaartje van Frankrijk teekenen en dan moet ik nog drie
+kwartier orgelspelen. Vr twaalf uur ben ik dus stellig niet gereed. En
+hoe eerder je nu gaat, hoe eerder ik beginnen kan, -- tot straks dus.
+
+Deze wenk was duidelijk genoeg, naar mij dacht. Maar Bob bleef nog
+staan.
+
+Toe Dorus, wees nu niet zoo flauw en ga me. Dan zal ik je vanmiddag
+wel aan je kaartje helpen.
+
+Neen, ik doe het niet; ga dus maar gerust heen. En als je +niet+ gaat,
+schuif ik het raam dicht. Ga naar Karel Holm; die zal met zijn werk wel
+niet zooveel haast maken.
+
+Karel is niet thuis. Hij is naar Haarlem en komt eerst om twee
+uur terug. Ga je orgelspelen in de kerk, Dorus? En heb-je al een
+orgeltrapper? Zeg, dat wil ik wel voor je doen. Willen we dat
+afspreken?
+
+Nu, dat mocht ik in geen geval, want de meester, die tevens organist
+in de kerk was en mij in piano- en orgelmuziek les gaf, had mij ten
+strengste verboden, ooit Bob de Wild mede te nemen, om voor mij lucht
+te maken. Want Bob zat overal aan, in en op. Klom hij niet in den
+preekstoel, dan stond hij den voorzanger op diens plaats in de kerk na
+te apen, en dat kon hij wat koddig, -- en als hij dt niet deed, dan
+klom hij zoo hoog in den toren als hem mogelijk was. En nergens deed hij
+eenig goeds, maar wel veel kwaads.
+
+Nu had de meester wel voor mij verlof gekregen om mij op het kerkorgel
+te mogen oefenen, maar natuurlijk moest ik een bedaarden jongen
+medebrengen om den blaasbalg te trappen, want het was een groot orgel.
+En Wilde Bob mocht mij in geen geval vergezellen. Hieruit kan blijken,
+dat mijne reputatie onder de groote menschen vrij wat beter was dan die
+van mijn vriend Bob, want werkelijk werd mij door dat verlof zeer veel
+vertrouwen geschonken. Natuurlijk had de onderwijzer van mij getuigd,
+dat ik een bedaarde, stille jongen was, die zulk een groot vertrouwen
+wel verdiende. Of ik het echter nooit beschaamd heb, zal later blijken.
+
+Dus Bob mocht in geen geval mede, wat hij zelf niet wist, daar ik het
+hem nooit gezegd had.
+
+Ik heb al een trapper, zei ik daarom.
+
+Ja, -- wie dan?
+
+Jan van der Vliet. Je weet wel, dat die altijd medegaat en dat mijne
+ouders en de meester niet willen, dat ik andere jongens meneem. Maar ga
+nu, want anders krijg ik mijn werk nooit af en kan ik zelfs van middag
+niet mespelen.
+
+Maar Bob was boos, omdat ik hem niet medenam naar het kerkorgel.
+
+En als ik nu eens niet wegging? vroeg hij plagend.
+
+Dan schuif ik het raam dicht! zei ik beslist.
+
+Doe dat dan maar, want ik blijf! klonk het antwoord. Maar nauwelijks
+had Bobje dat gezegd, of ik zag hem schichtig omkijken en plotseling het
+hazenpad kiezen. Jongen, jongen, wat liep hij! Hij keek op noch om, en
+liep als een hazewind.
+
+Van zooveel veranderlijkheid had ik geen flauw begrip en ik boog mij wat
+verder het raam uit om te zien, of ik de oplossing van dit raadsel ook
+zou kunnen ontdekken.
+
+En waarlijk, die was spoedig gevonden in de gedaante van den
+schoenmaker, die met den spanriem in de hand met groote schreden
+naderde. O, o, wat keek hij kwaad, en wat liep hij hard. Maar het eene
+baatte hem evenmin als het andere, want Bob liep harder dan hij en was
+spoedig in veiligheid. De schoenmaker gaf de vervolging op, juist op de
+plaats, waar de kostelijke stroop op den grond lag, en nauwelijk kreeg
+de brave man den vuilen plek in het oog, of hij hief de vuist tegen den
+vluchteling op en riep hem na, dat hij den deugniet wel krijgen zou.
+Maar n had hij hem toch nog niet. Onverrichter zake moest hij naar huis
+terugkeeren.
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin Bob naar de kerk gaat, een uilennest vindt, als
+ voorzanger fungeert en leelijk in de perikelen geraakt.
+
+
+Zie zoo! Nu was mijn verleider eindelijk vertrokken en kon ik aan mijn
+werk voortgaan. Alles had ik af, behalve mijn kaartje van Frankrijk.
+Ik nam mijn atlas uit de kast en een vel teekenpapier, zette mijne
+passerdoos gereed en begon. Ik herinner mij nog levendig hoe prettig ik
+het vond, dat juist de vrede tusschen Frankrijk en Duitschland geteekend
+was, niet zoozeer omdat daardoor aan een bloedigen oorlog een einde was
+gemaakt en het bloedvergieten was opgehouden, als wel omdat ik nu Elzas
+en Lotharingen niet behoefde uit te teekenen daar die beide provincin
+bij het sluiten van den vrede aan Duitschland waren afgestaan. Alleen om
+dat feit koesterde ik een diepen eerbied voor de staatsmanswijsheid van
+Bismarck.
+
+De lijst was spoedig getrokken en nu begon ik de ligging van de
+voornaamste punten op mijn teekenpapier aan te geven. Als dat gedaan
+was, had ik de grenzen spoedig in orde, dat wist ik bij ondervinding.
+Den meesten last veroorzaakten mij altijd de gebergten, omdat het mijne
+gewoonte was, daar altoos bijzonder veel werk van te maken. Juist zou ik
+met dat fijne werk beginnen, toen mij weer het signaal van mijn vriend
+Bob in de ooren klonk. Ik zag op en jawel, daar was hij al weer.
+
+Lachend keek hij naar boven.
+
+Wat was hij kwaad! riep hij me toe.
+
+Geen wonder! was mijn antwoord. Pas maar op, dat hij je niet krijgt,
+want hij is tamelijk hardhandig.
+
+En ik snelvoetig! riep hij terug. Maar ik begrijp toch waarlijk
+niet, waarom hij zoo boos is. Als ik er goed over nadenk, heb ik toch
+feitelijk niets gedaan, dat niet goed was. Mietje heeft uit eigen
+beweging de kan onderste-boven gehouden en de stroop er uit laten
+loopen. Ik heb de kan zelfs niet aangeraakt. Je moet me toch toegeven,
+dat k het niet helpen kan, als Mietje domme dingen doet?
+
+Dat is wel mogelijk, Bob, en je weet je baantje mooi schoon te praten.
+Maar ik vrees, dat De Veer er zoo diep niet over zal nadenken, en je
+eenvoudig een pak slaag zal geven, zoodra hij je te pakken heeft.
+
+Dat denk ik ook. Nu, gedane zaken nemen geen keer, zal ik maar denken.
+Ga-je nu me?
+
+O, neen -- ik heb nog maar alleen de lijst en de grenzen af, en zou
+juist aan de gebergten beginnen. Ga maar gerust heen, want ik kom toch
+niet voor n den middag; dan ontmoet ik je wel.
+
+'t Is mooi flauw van je, om me den geheelen morgen alleen te laten. Nu,
+dan ga ik maar. Atjuus!
+
+Atjuus, en denk om den schoenmaker!
+
+Nu ging Bob dan eindelijk voor goed heen en zette ik mij weer aan den
+arbeid. Wel moest ik af en toe eens lachen als ik aan Bob en zijne
+avonturen van dezen morgen dacht, maar ik schoot toch flink op. Om kwart
+over elven was ik met mijn werk gereed. Ik flapte mijn atlas dicht,
+bekeek nog eenmaal met welgevallen mijne kaart, die er werkelijk keurig
+netjes uitzag, zette er met zwierige krullen mijn naam onder en borg
+toen alles behoorlijk in de kast.
+
+Met innige vreugde, dat ik met mijn werk zoo goed opgeschoten was, ging
+ik naar beneden, wat voor mij maar een oogenblik werk was, daar ik nooit
+van de treden gebruik maakte, doch mij eenvoudig langs de leuning naar
+beneden liet glijden, en stapte de woonkamer binnen. Daar nam ik mijn
+orgelmuziek uit het muziekkastje, welke bestond uit een enkel dik boek,
+bevattende de psalmen en de evangelische gezangen, en wilde juist de
+deur uitstappen, toen Moe mij toeriep:
+
+Voorzichtig wezen met het orgel, hoor Dorus. Ik sta doodsangsten uit,
+dat je er wat aan bederven zult.
+
+Geen nood, Moe, ik ben werkelijk zeer voorzichtig en doe er niets aan,
+dat schaden kan. Ik ben er zelf veel te bang voor.
+
+Dat is wel gelukkig. En dien Wilden Bob neem je toch niet mede? Dat wil
+ik volstrekt niet hebben, hoor!
+
+Neen Moe, hij heeft het mij straks wel gevraagd, maar ik heb hem
+gezegd, dat het niet mocht en dat Jan van der Vliet altijd met mij
+meging. Bob is wel een goede jongen, Moe, maar op het orgel zou ik hem
+toch ook in het geheel niet vertrouwen.
+
+Nu, dan is het goed. Ga nu maar dadelijk, dan ben je uiterlijk half een
+weer thuis om te eten.
+
+Dag Moe!
+
+Dag Dorus! Hier heb-je een stuiver voor Jan.
+
+Wij aten altoos vroeg, omdat Pa bloemist was en den geheelen dag bij
+de werklieden op de tuinen moest zijn. Daar dezen allen om twaalf uur
+aten, was dat ook voor ons verreweg het gemakkelijkst. Ik ging dus op
+weg naar de kerk, maar sloeg halverwege gekomen een zijweg in, om Jan
+af te halen. Want Jan woonde niet aan de hoofdstraat, doch in een
+achterbuurtje.
+
+Hij was de zoon van een werkman, die een gebrek aan zijn voet had en
+dientengevolge meestal zonder werk was. De boeren hadden liever een
+flinken, stevigen kerel dan den gebrekkigen Kees, zooals hij altoos
+genoemd werd, zoodat hij alleen in den druksten tijd in het genot van
+verdienste was. Tengevolge van zijne gestadige werkeloosheid moest
+Trijntje, zijne vrouw, eigenlijk het brood verdienen voor het geheele
+gezin, dat gelukkig niet groot was, daar Jan alleen nog maar een klein
+zusje had. Dat meisje was toen ongeveer twee jaar oud. En daar de
+menschen op het dorp medelijden met het arme gezin hadden, kreeg zij nog
+al vrij wat werkhuizen, zoodat zij inderdaad een niet onaardig sommetje
+per week verdiende. Was Trijn hier of daar uit werken en Jan naar
+school, dan paste vader Kees op kleine zus, wat hem wel toevertrouwd
+was. Ook moest hij dan voor het middageten zorgen, wat tengevolge had,
+dat sommige spotvogels op het dorp hem wel Jan den Wasscher noemden.
+Toch hadden zij vrij goed hun brood, wat wel voornamelijk aan de
+flinkheid van Trijntje te danken was, want zij was eene handige werkster
+en eene zindelijke waschvrouw.
+
+Weldra had ik de eenvoudige woning bereikt. Eene schel was er natuurlijk
+niet te vinden; wie de bewoners spreken wilde, had eenvoudig maar naar
+binnen te gaan. Onder den werkmansstand houdt men zich niet met vele
+complimenten op. Ik drukte dus den ijzeren beugel naar beneden, waardoor
+aan de binnenzijde de klink werd opgelicht, opende de deur en stapte
+weldra het eenige vertrek, dat zij bezaten, binnen. Ik trof daar alleen
+Jan aan, die op den grond bezig was met zijn zusje te spelen.
+
+Dag Dorus! zei hij.
+
+Zoo Jan. Ben jij maar alleen thuis? vroeg ik, de kleine meid niet
+metellende. Ik kom je halen om mede te gaan naar het orgel.
+
+Dat zal moeilijk gaan, want Vader en Moeder zijn geen van beiden
+thuis, klonk het antwoord.
+
+Dat was eene groote teleurstelling voor me, want orgelspelen vond ik
+heel pleizierig en zonder Jan kon er niets van komen.
+
+Dat spijt me, zei ik dan ook. Je moeder is zeker uit werken?
+
+Ja, bij den postdirecteur; daar is ze Zaterdags altijd, zooals je
+weet. En Vader is er nu toevallig ook, omdat de tuin eens eene flinke
+beurt moest hebben. Mijnheer Valk tuint zelf nooit en Vader kan het zoo
+netjes doen.
+
+Die laatste woorden werden door Jan met niet weinig trots uitgesproken,
+en ik herinner mij nu nog het gewichtige gelaat, waarmede hij mij
+aanzag.
+
+Ja, dat weet ik. Je vader heeft daar goed den slag van. Maar wat moet
+ik nu beginnen? Bob de Wild heeft mij wel gevraagd of hij me mocht
+gaan, maar hem mag ik niet menemen, omdat hij zoo wild en onvoorzichtig
+is. Moe heeft mij vijf centen voor je gegeven.
+
+Is het waar? Nu, weet je wat? Dan zal ik buurvrouw vragen, of zij op
+kleine zus wil passen. Moeder zegt altoos, dat wij geen verdiensten
+verzuimen moeten. Wil jij even op zus passen, terwijl ik naar buurvrouw
+ga?
+
+Ja, dat wilde ik wel, maar ik had er al spoedig berouw van, want
+nauwelijk was Jan de deur uit en zag zus zich alleen met een vreemden
+jongen, of zij begon zoo geweldig te schreeuwen, dat het huis er bijna
+van dreunde. Ik begreep, dat ik iets doen moest, om haar gerust te
+stellen, maar ik wist niets te bedenken. Daarom ging ik naar de kleine
+meid toe, voortdurend met het hoofd knikkende, en zeide bij elken knik:
+d! -- d! -- d! Doch hoe dichter ik bij haar kwam, hoe harder zij
+begon te schreeuwen. Ik werd werkelijk bang, dat zij er een ongeluk van
+zou kunnen krijgen, en begon daarom steeds harder te knikken en riep uit
+alle macht: d! -- d! -- d!
+
+Maar niets baatte, zoodat ik teneinde raad het vertrek uit liep en naar
+buiten ging, om Jan te hulp te roepen. Gelukkig kwam hij juist al terug.
+Hij riep mij toe:
+
+'t Is in orde, zus kan bij buurvrouw komen!
+
+Nu, ik vond dat voor buurvrouw een buitenkansje, dat moet ik zeggen, en
+ik stelde mij voor, dat zij met schreeuwende zus niet veel genoegen van
+hare vriendelijkheid zou beleven. Doch 't was toch voor mij althans eene
+prettige boodschap, want nu kon Jan met mij megaan.
+
+Zus werd, schreeuwend en wel, naar buurvrouw gebracht, de deur werd
+gesloten, en wij togen samen op weg naar de kerk.
+
+Eerst moesten wij bij den koster aan, om de sleutels te halen. Hij
+woonde schuin achter de kerk in een heel net huisje. Hij noch zijne
+vrouw waren thuis, doch dat was geen bezwaar, daar zijn neef ons het
+verlangde kon geven. Die neef was een zusterskind van den koster. Hij
+heette Arie de Zwaan. Daar hij vroeg zijne ouders had verloren, was hij
+als klein kind bij den koster en diens vrouw in huis gekomen, welke
+brave menschen hem geheel als hun eigen zoon beschouwden. Zelf hadden
+zij geen kinderen. O, wat omringden zij den kleinen Arie al met bewijzen
+hunner liefde, wat deden zij hun best een braven jongen, een flinken man
+van hem te maken. Doch wat werden zij bitter in hunne verwachtingen
+teleurgesteld, want Arie werd een rechte deugniet, die zijn grootste
+genoegen vond in luieren, naar de herberg gaan en het geld opmaken van
+zijne brave pleegouders. Zelden werd eene goede daad met meer ondank
+beloond. Zij hadden er ontzaglijk veel verdriet van, dat Arie zoo
+slecht oppaste, maar toch hadden zij hem nog altijd lief, zelfs nu nog,
+nu hij twintig jaar oud geworden was en nooit iets deed, dat hun vreugde
+gaf. Hij volgde altijd zijn eigen zin, en wanneer zij hem ten beste
+raadden, werd hij zoo brutaal mogelijk. Wanneer de menschen over Arie
+van den koster, want zoo werd hij gewoonlijk genoemd, spraken, zeiden ze
+altoos, dat zijne pleegouders het eindje met hem nog niet beleefd
+hadden, waarmede ze natuurlijk bedoelden, dat het nog eens slecht met
+Arie zou afloopen.
+
+Wij vonden hem lang-uit achter het huis op het bleekveld liggen, met den
+stroohoed over het gelaat, om geen last te hebben van de insecten.
+Blijkbaar had hij geslapen, maar nu werd hij wakker door onze komst.
+
+Wat moet jelui hebben? vroeg hij op norschen toon, daar hij het
+onaangenaam vond in zijn slaapje gestoord te worden.
+
+Mag ik de sleutels van de kerk en het orgel hebben, Arie? vroeg ik zoo
+beleefd mogelijk, want ik had het niet erg op hem begrepen. Hij kon
+iemand soms z leelijk aankijken, dat men er bang van werd.
+
+De sleutels? -- Wat moet jij met de sleutels doen? bromde hij terug,
+zonder in het minst blijk te geven, dat hij van plan was op te staan.
+
+Nu wist hij zeer goed, dat ik elken Zaterdag op het orgel speelde. Hij
+vroeg dus naar den bekenden weg. De zaak was echter, dat hij te lui was,
+om op te staan, ten einde ze voor mij te halen.
+
+'t Is bespottelijk, om zoo'n kostbaar orgel aan zulke kwjongens toe
+te vertrouwen, vervolgde hij. En op beslisten toon voegde hij er aan
+toe: Neen, kort en goed, neen! Van mij krijg-je de sleutels niet. Als
+je orgel wilt spelen moet je maar terugkomen, als oom thuis is.
+
+Is die dan niet thuis? vroeg ik.
+
+Neen.
+
+En je tante ook niet?
+
+Ook niet! klonk het kortaf terug. Ga maar gerust heen, jongen, want
+van mij krijg-je de sleutels niet. Ik wil daarvan de verantwoording niet
+op mij nemen.
+
+Maar je weet toch wel, dat ik elken Zaterdag in de kerk kom spelen, en
+dat ik daartoe vergunning heb van de kerkvoogden? Waarom mag ik dan nu
+niet?
+
+Geen antwoord volgde. Arie draaide zijn hoofd van ons af en sloot de
+oogen weer.
+
+Ik weet ze wel te hangen, Arie. Mag ik ze zelf even halen, dan behoef
+je er in het geheel geen moeite voor te doen, hield ik vol.
+
+Ja, vooruit maar, en maak dat je wegkomt! klonk het barsch terug.
+
+Dat liet ik mij geen tweemaal zeggen en weldra waren wij mt de sleutels
+vertrokken.
+
+H -- h, dat kostte moeite! zeide Jan. Hij was weer in eene booze
+bui. Ik was bang van hem.
+
+In eene luie bui, meen je! zei ik. Hij was te lui om op te staan, dat
+was de voornaamste reden van zijne knorrigheid. Ik wed, dat hij ons nu
+al vergeten is.
+
+Wij waren nu de kerk genaderd en openden de hoofddeur. Want onze kerk
+had drie deuren, waarvan er twee naar de galerijen voerden, die voor de
+arme menschen bestemd waren. De hoofddeur voerde naar het schip van de
+kerk, maar gaf toch ook toegang tot de trap, die naar het orgel leidde.
+Dat orgel was geplaatst op eene geheel vrije ruimte, waar niemand plaats
+mocht nemen dan de organist en de orgeltrapper. Natuurlijk mocht onze
+meester medenemen, wien hij wilde. Er was dan ook ruimte genoeg, althans
+achter het orgel, waar een geheel vrij vak was. Van uit de kerk kon
+niemand zien, wie zich op het orgel bevonden, daar de ruimte aan
+weerskanten van dat instrument door groene gordijnen was afgezet. Wij
+spraken altijd van op het orgel, en dan bedoelden we de plaats, waar
+het orgel stond. Bovenop dat instrument was voor niemand plaats, zooals
+ieder begrijpen zal. Alleen stond in het midden het beeld van koning
+David, op de harp spelende, en aan de beide kanten een engel met een
+bazuin aan den mond, welke beelden ik altoos bijzonder mooi vond, vooral
+de engelen.
+
+Zoodra wij boven gekomen waren, ontsloot ik de trappers van den
+blaasbalg, nam het mahoniehouten deksel van het klavier en zette mij
+tot spelen. Jan nam op de trappers plaats en maakte lucht. Verbazend
+vermakelijk vonden wij dan altijd het dalen en het stijgen van het
+gewichtje, dat aan den blaasbalg bevestigd was en niet lager dalen mocht
+dan tot aan een zeker teeken, want dan was de balg vol en zou hij,
+wanneer met trappen werd voortgegaan, kunnen barsten.
+
+Ik zette mij voor het klavier en begon te spelen. Om de waarheid te
+zeggen gevoelde ik mij altijd nog al gewichtig, als ik daar zat, waarvan
+de reden was, dat ik nog al klein en het orgel verbazend groot was.
+Bovendien werd ik door Jan van der Vliet altijd buitengewoon geprezen,
+want in zijn oog was ik een rechte duizendkunstenaar en kon ik moeilijk
+door anderen in het orgelspel worden overtroffen. Zijne bewondering voor
+mij was werkelijk ongeveinsd en streelde mijne ijdelheid niet weinig.
+Zoodra hij den balg vol had, kwam hij altoos naast mij staan, om mijne
+kunststukken te bewonderen, wat er mij gewoonlijk toe verleidde, alle
+registers uit te trekken en dientengevolge een oorverdoovend geluid aan
+het instrument te ontlokken. En ik moet er dadelijk bijvoegen, dat Jan
+dit prachtig vond, al moest hij dan ook tweemaal zoo hard trappen als
+anders. Van zachte muziek hield hij niet. Het meest bewonderde hij nog
+mijne vaardigheid in het gebruiken van het voet-pedaal, daar hij er maar
+geen hoogte van kon krijgen, hoe iemand met zijne voeten muziek kon
+maken en dan nog wel, zonder er naar te kijken.
+
+Wij konden ongeveer een kwartiertje aan den gang geweest zijn, toen
+plotseling de deur van ons vertrek, als ik het zoo noemen mag, langzaam
+geopend werd, en het lachende gelaat van Wilden Bob om den hoek
+verscheen.
+
+Ik hield midden in mijn spel op, zoo schrikte ik van zijne komst. Ik
+wist te goed, hoe hij altoos vol kattekwaad zat, om niet te vreezen, dat
+hij zich ook hier niet rustig zou kunnen houden. Bovendien was het mij
+ten strengste verboden hem mede te nemen, en, dat durf ik zeggen: ik
+was een gehoorzame jongen. Nu weet ik wel, dat hij uit eigen beweging
+kwam en dat zijne komst mijne schuld niet was, -- maar zoover dacht ik
+op dat oogenblik niet. Zoodra ik hem zag begreep ik, dat ik al het
+mogelijke moest doen, om hem weer weg te krijgen.
+
+Ik moet er zeker niet erg vroolijk uitgezien hebben, want hij kwam
+lachend naar mij toe, en zeide:
+
+Wel, wel, wat kijk-je vriendelijk! Toe zeg, speel eens een vroolijk
+deuntje. Kan-je niet spelen: "Hij moppert alweer, Hij moppert alweer,
+Hij moppert alweer, kiek, kiek!" wat in die dagen een bekend
+straatdeuntje was.
+
+Jan van der Vliet begon te lachen, en ik van den weeromstuit ook.
+
+Neen, zeide ik, zulke deuntjes speel ik hier niet. Toe Bob, ga nu
+heen, want je houdt mij van mijn werk af.
+
+Heusch niet, Dorus. Speel jij maar, dan zal ik zingen. Zeg, ga eens
+eventjes van die bank af, en laat mij eens spelen. Ik kan er ook wel wat
+van.
+
+Nu, dat was niet waar.
+
+Bob! zei ik ernstig. Jij blijft van het orgel af, of ik doe het
+direct op slot. Ik heb moeten beloven, dat ik niemand zou toestaan, hier
+gekheid te verkoopen, en daarom kun-je mij een groot pleizier doen, door
+dadelijk op te hoepelen.
+
+Eerst eens spelen, Dorus! zei Bob.
+
+Er afblijven! was mijn antwoord. En ik liet er op volgen:
+
+Hoor eens, Bob, je bent mijn vriend, maar als je aan de toetsen komt,
+krijgen we ruzie, daarvoor sta ik je borg. Ik wil het bepaald niet
+hebben. Toe Bob, ga nu heen.
+
+Wat heb-je een praats! 't Is jou orgel toch niet? Ik heb er evenveel
+over te zeggen als jij, zou ik meenen.
+
+Dat spreek ik niet tegen, maar als er iets ergs mede gebeurt, krijg ik
+er natuurlijk de schuld van. Toe Bob, ga nu heen.
+
+Neen, -- ik laat me niet wegjagen. Doch speel jij maar; ik beloof je,
+dat ik overal zal afblijven. Ik vind je zeldzaam flauw.
+
+Daar ik geen kans zag, Bob tot heengaan te bewegen, zette ik mijn spel
+voort, in de hoop, dat mijn ijver hem vervelen en tot vertrekken bewegen
+zou. Doch ik had het mis, want weldra bemerkte ik, dat er tusschen Bob
+en Jan eene worsteling ontstaan was, zoo hevig dat het orgel ervan
+dreunde.
+
+Natuurlijk hield ik dadelijk op om te zien, wat er aan de hand was, en
+nu zag ik Bobje bezig om Jan van de trappers te dringen, ten einde er
+zelf op te gaan staan.
+
+Bob! zei ik, als je nu niet heengaat sluit ik het orgel, maar dan
+speel ik ook den geheelen dag niet met je. Of wil je bepaald twist met
+me hebben?
+
+Ik nam het deksel en legde het op het klavier, vast besloten er nu een
+einde aan te maken.
+
+Bob keek me eventjes lachend aan, en zeide toen:
+
+Maak je niet dik, Dorus, want dun is de mode. Adie, ik wil je
+groeten.
+
+Met die woorden verliet hij het orgel. Hij deed de deur achter zich
+dicht en wij hoorden hem de trap afgaan.
+
+Zie zoo, dat ruimt op! zei Jan, die niet erg op Bob gesteld was. Ik
+liet er mij toch lekker niet afdringen, al is hij grooter dan ik. Hij
+moet niet denken, dat ik bang van hem ben.
+
+Och, hij meent het zoo kwaad niet, zei ik. Toe Jan, trappen, dan ga
+ik weer spelen.
+
+Ik zette mijne studie nu voort en was Bob weldra geheel vergeten, tot
+hij plotseling als een wervelwind kwam binnenstormen en ons toeriep:
+
+Toe jongens, ga je eens even me; ik heb een uilennest gevonden. Gauw
+zeg, er liggen eieren in!
+
+Een uilennest? vroeg ik verwonderd. Waar is dat dan?
+
+In den toren! lachte Bob. Of dacht je, dat ik naar huis gegaan was?
+Mis mannetje, ik blijf net zoo lang als jij. Kom, ga je me naar boven?
+O, het ligt zoo hoog, -- dicht bij de galmgaten!
+
+In een oogenblik had ik mijne zitplaats verlaten en was ik gereed, hem
+te volgen, want voor een uilennest geloof ik, dat ik zelfs mijne
+boterham had laten staan.
+
+Kom Jan, riep ik den orgeltrapper toe, ga je me? Dat moeten we
+zien.
+
+Er zat een uil op te broein! zei Bob. Zeg j, wat schrikte ik van
+hem, want toen ik met mijn hoofd boven de trap kwam, had ik zijn krommen
+snavel en zijne groote ronde oogen vlak voor me. Eerst wist ik niet wat
+ik zag, maar al spoedig bemerkte ik, dat het een kerkuil was. En wat
+kraste hij leelijk tegen me, toen hij wegvloog.
+
+In een wip waren wij de trap opgeklommen tot bij het uurwerk, doch toen
+moesten wij nog hooger. Eerst duwden wij een luik omhoog en kwamen toen
+op een volgende trap. Bob ging vooraan.
+
+Wat was het daar in dien toren overal vuil en stoffig; de spinnewebben
+waren haast ontelbaar. En wat woei ons een koude wind in het gelaat. Het
+was duidelijk dat wij de galmgaten naderden. Spoedig kwamen wij boven,
+bij de groote bel, en daar -- zagen wij het nest, met drie eieren er in!
+Maar de uil was weg; wij zagen hem nergens, hoe wij ook zochten.
+
+Zeg jongens, de eieren laten liggen! riep Bob. Dan gaan we later
+kijken, of er jonge uilen in het nest zitten.
+
+Ja, laten we dat doen, zei ik. Dan gaan we nu stil heen, en komen
+over een week of drie nog eens terug. Willen we nu weer weggaan?
+
+Ja, -- maar kijk eerst eens naar buiten! Zie eens, wat Haarlem nu
+dichtbij schijnt te liggen! En ginds zie ik Heemstede en daar verder
+Hillegom en Lisse. Wat hebben we hier een mooi gezicht, h?
+
+En dit is zeker het touw, waaraan de koster trekt als hij moet luiden?
+zei Jan.
+
+Natuurlijk, trek er maar eens aan, antwoordde Bob. Dan begint het
+bom-bam! bom-bam! Toe dan, Jan.
+
+O neen, neen! riep ik uit, want nu begon me mijn gevoel van
+verantwoordelijkheid weer te drukken. Niet doen, -- Jan, wat zouden de
+menschen wel zeggen?
+
+Ze zouden denken, dat er brand was! lachte Bob. Zeg jongens, willen
+we die grap eens hebben?
+
+Daar komt de koster naar boven! riep ik plotseling op verschrikten
+toon uit, en tegelijkertijd liet ik mij pijlsnel naar beneden glijden.
+En wat waren Bob en Jan mij kort op de hielen, want de koster liet niet
+met zich spotten. In minder dan geen tijd waren we weer beneden, waar
+van den koster natuurlijk niets te zien was, daar het eenvoudig een
+krijgslist van me was geweest, om Bob van de bel weg te krijgen. Ik
+vertrouwde hem daar in het geheel niet, vooral niet, toen hij brandje
+wilde gaan spelen.
+
+Waar is de koster nu? vroeg hij, toen wij beneden waren.
+
+In Haarlem, zei ik lachend. Maar Bob, ga jij nu heen, dan ben ik des
+te spoediger klaar.
+
+In Haarlem? Is hij dan niet thuis? vroeg Bob.
+
+Neen, zei Jan, die er om lachen moest, dat ik hem zoo leuk te pakken
+had. Wat wist Bob van beenen maken!
+
+Geen wonder. Nu, ik ga heen! Tot van middag dan.
+
+Bob vertrok en ik zette mij weer aan het spelen. Maar nauwelijks had ik
+weer eene bladzijde gespeeld en zweeg het orgel een oogenblik, of daar
+hoorde ik van uit de kerk een geluid, dat precies op de stem van den
+voorzanger geleek.
+
+O j, dat is Bob weer! dacht ik dadelijk. Ik schoof het gordijn open,
+en jawel -- daar stond hij met een hoogst ernstig gezicht voor den
+lessenaar van den voorzanger. Hij trok een paar malen aan zijn boordje,
+zooals de goede man ook altijd deed als hij beginnen zou, humde en
+kuchte een paar malen, en mompelde toen bijna onverstaanbaar:
+
+De gemeente gelieve te zingen....
+
+En daarna verhief hij plotseling zijne stem, juist zooals de voorzanger
+dat altoos deed, en galmde plechtig: Den honderdnegentienden psalm van
+het eerste tot het laatste vers!
+
+Hij galmde zoo luid, dat hij niet eens bemerkte, hoe er eene deur achter
+hem geopend werd en de dominee stil de kerk binnentrad.
+
+Ik had natuurlijk om de dwaasheid van Bob eerst gelachen, want de
+honderdnegentiende psalm telt niet minder dan acht en tachtig verzen,
+maar nu lachte ik niet meer. Ik werd zoo wit als een doek van den schrik
+en gaf Bob snel een teeken om hem te waarschuwen, maar hij zag het niet.
+Hij verhief zijne stem nog hooger en galmde:
+
+Ik herzeg den honderdnegentienden psalm van het eerste tot het laatste
+vers!
+
+Wel jou ondeugende bengel! klonk het plotseling op gestrengen toon
+achter hem. In een wip was Bob van zijne verhevenheid af en stond tot
+zijn grooten schrik van aangezicht tot aangezicht tegenover den dominee.
+Deze was een doodgoed man, die wel van een grapje hield, doch nu scheen
+hij zeer boos te zijn. Hij keek mij gestreng aan, en zeide:
+
+Jij gaat onmiddellijk naar je huis. Foei, schaam je je niet, om
+dergelijke dingen in de kerk te doen? Hebben we je drvoor het gebruik
+van het orgel toegestaan? Pas op, dat zulke dingen niet weer gebeuren,
+of het verlof wordt ingetrokken en de toegang tot het orgel wordt je
+voor goed verboden. Je kunt dadelijk vertrekken. Wees gewaarschuwd.
+
+Daarna keerde hij zich tot Bob, en zeide:
+
+Jij gaat met mij mede naar de pastorie. Dergelijke spotternij kan ik
+niet ongestraft laten passeeren!
+
+Maar dominee, -- ik -- ik -- ik -- stotterde Bob.
+
+Ik was een ondeugende bengel! wil je zeker zeggen, niet waar? viel de
+dominee hem in de rede. Daarom juist ga je mede naar de pastorie, waar
+ik je zulke streken wel zal afleeren.
+
+Maar dominee, ik -- ik beloof u....
+
+Belofte maakt schuld, Bob! Beloof daarom niet lichtvaardig, wat je niet
+van plan bent te volbrengen.
+
+Ik beloof u, dominee, dat ik het niet weer zal doen, zei Bob, wien het
+allerminst kon toelachen, eene gedwongen visite in de pastorie af te
+leggen. O, o, wat zat Bobje in de perikelen!
+
+Ik herhaal het, Bob: Belofte maakt schuld! Wat je niet van plan bent te
+volbrengen, moet je ook niet beloven.
+
+Maar dominee, ik zal mijne belofte wel houden, mompelde Bob. Ik
+beloof het u!
+
+Geef me daar je hand op, Bob.
+
+Bob deed het.
+
+Zoo, dan zal ik je voor dezen keer ongestraft laten vertrekken. Maar
+zeg mij eens, wat moet jij hier eigenlijk doen? Mij dunkt, jij hebt hier
+heel geen boodschap!
+
+Neen, dominee, maar ik wist, dat Dorus hier op het orgel speelde en
+toen kwam ik even kijken.
+
+En kwaad doen! viel de dominee in. Dus Dorus heeft je niet mede
+genomen?
+
+Neen dominee, ik ben uit eigen beweging gekomen, zei Bob, die
+werkelijk een vijand van liegen was.
+
+Ga nu maar spoedig heen en kom alleen terug als het kerk is, --
+begrepen?
+
+Ja, dominee. -- Dag, dominee!
+
+De hoed vloog Bob van 't hoofd en in een snap was hij de kerk uit. Ik
+had middelerwijl het orgel gesloten en volgde met Jan, na den dominee
+gegroet te hebben, zijn voorbeeld. Spoedig waren we op weg naar huis.
+
+Eerst liepen we zwijgend naast elkander voort. Ik bracht de sleutels
+naar Arie de Zwaan, die nog op het bleekveld lag te slapen en niet
+weinig bromde, toen ik hem wakker maakte. Maar daar lette ik niet veel
+op, want ik was te zeer onder den indruk van het gebeurde, om er veel om
+te geven.
+
+'t Is alles jou schuld! zei ik tegen Bob onder het naar huis gaan.
+Wat doe jij ook in de kerk te komen! Nu krijg ik er de schuld nog van
+en als Pa en Moe het hooren, volgt er nog straf op den koop toe. Ik vind
+het flauw van je, -- erg flauw!
+
+Bob zei niets. Hij was er ongetwijfeld van overtuigd, dat ik gelijk had.
+
+En als de meester het hoort, is het nog erger. Je weet, hoe streng hij
+is. Wat moet ik nu zeggen, als hij er over begint?
+
+Bob antwoordde nog niet. Zwijgend liep hij naast ons voort. Maar op eens
+zei hij:
+
+Als de meester er van spreekt, geef je alle schuld aan mij, Dorus, want
+jou schuld is het niet.
+
+Dan zeggen alle jongens, dat ik klik! En dat wil ik niet, was mijn
+antwoord.
+
+Goed, dan zal ik het zelf wel zeggen. Ik wil niet, dat jij in mijne
+plaats straf krijgt. Maar ik spreek er niet van, voordat ik zeker weet,
+dat de meester er van gehoord heeft. Dat begrijp je wel, he? Nu, ik ga
+naar huis, hier langs den achterweg, want anders moet ik den schoenmaker
+voorbij, en dat doe ik liever niet. Tot van middag!
+
+Hij sloeg met Jan het achterwegje in en ik ging den hoofdweg langs naar
+huis, waar men al met het eten op mij wachtte. Gelukkig vroeg niemand
+mij naar mijn orgelspel en de meester sprak later ook niet over het
+geval. Zeker heeft de dominee het gebeurde voor hem verzwegen, of zoo
+hij dat niet heeft gedaan, als zijn gevoelen te kennen gegeven, dat ik
+er geen schuld aan had.
+
+En voordeel was er aan verbonden, en wel dit -- dat Bob mij, den
+eersten tijd althans, in vrede naar de kerk liet gaan, wanneer ik mij
+op het orgel ging oefenen. Wel was de grootste schrik spoedig bij hem
+vergeten, maar hij wist, dat hij de pastorie voorbij moest gaan om in de
+kerk te komen, en dat durfde hij toch niet, althans niet, als hij wist,
+dat de dominee thuis was. Want dan had hij veel kans, dat hij opgemerkt
+zou worden, en hij twijfelde er niet aan, of den tweeden keer zou hij er
+niet zoo gemakkelijk afkomen als den eersten.
+
+Verbeeld je eens, zei hij later tegen me, dat de dominee mij voor
+straf den geheelen honderdnegentienden psalm had laten uitschrijven. Dat
+zou me eene geschiedenis geweest zijn -- acht en tachtig verzen!
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin Bob eene uitnoodiging ontvangt van den Heer
+ Denappel, zijne stelten terug wil hebben en
+ van den regen in den drop komt. De
+ krijgslist van Karel Holm en mij.
+
+
+Bob keerde dus langs den achterweg naar huis terug, wat voor hem slechts
+een omweg was van ongeveer tien minuten.
+
+Op deze manier kan ik den schoenmaker mooi ontwijken, mompelde hij
+vergenoegd, terwijl hij zich de handen wreef van plezier. Maar toch,
+liet hij er op volgen, toch val ik hem den eenen of anderen keer
+beslist in handen, dat kan niet uitblijven. Op een dorp ontmoeten de
+menschen elkander dagelijks, en dus zal ik den schoenmaker ook wel eens
+onverwachts voor mij zien. Och ja, -- ik had ook veel wijzer gedaan, als
+ik dat domme kind doodbedaard pannekoeken met stroop had laten eten in
+plaats van pannekoeken alleen, -- maar daar is nu niets meer aan te
+doen. En bovendien -- als ik eenmaal den schoenmaker tegen 't lijf
+loop, is hij het heele historietje misschien al vergeten. Wel ja, een
+mensch kan toch alles niet zijn leven lang onthouden!
+
+Die laatste gedachte scheen Bob zoo gerust te stellen, dat hij de
+toekomst plotseling niet donker meer inzag, en van pret een deuntje ging
+fluiten. Hij was nu Bos' bruggetje genaderd, en wilde er juist overgaan,
+toen hij zich bij zijn naam hoorde roepen.
+
+De Heer Bos had een winkel in allerlei ijzerwaren aan het einde van het
+dorp, eigenlijk op een bijzonder ongelegen plaats, daar hij aan den
+overkant van het water woonde aan den achterweg en dientengevolge
+moeilijk te bereiken was. Hij had dat zelf zeer goed ingezien en daarom
+een bruggetje over het water laten leggen, dat zijn persoonlijk eigendom
+was en geheel door hem werd onderhouden. Die brug werd altijd Bos'
+bruggetje genoemd, en was ten algemeenen nutte. De zaak in ijzerwaren en
+landbouwgereedschappen werd eigenlijk niet door hem alleen gedreven; hij
+had een compagnon, een vrijgezel, die bij hem in pension was. Hij was
+ongetrouwd, vroolijk van aard, overal een welkom gast en -- een man met
+een echt jongenshart, waarmede ik bedoel, dat hij veel van jongens hield
+en hun dikwijls een genoegen deed. De heer Denappel, (zoo heette hij)
+had nooit grooter vermaak, dan als hij ons, jongens, eens een groot
+genoegen kon doen, waarvoor hij zich dikwijls zeer veel moeite
+getroostte.
+
+Deze heer Denappel nu was het, die Bob geroepen had.
+
+Dag mijnheer! riep Bob, toen hij hem zag.
+
+Zoo, Wild Bobje, -- kom jij eens hieg!
+
+Bob kwam. Dat de Heer Denappel onmogelijk de r kon uitspreken en er
+altijd eene g van maakte, hoorden wij al niet eens meer, zooveel hielden
+wij van hem. Hij brouwde anders wel buitengewoon erg.
+
+Waag zijn je stelten, Bobje? vroeg hij lachend, want hij mocht Bob
+graag lijden.
+
+Die heeft de meid van dokter Doreman, mijnheer, zei Bob.
+
+Zoo? -- Waagom? -- H-h-h-h! Moet Mina ook stelten leegen loopen?
+H-h-h-h!
+
+Mijnheer Denappel had een verbazend leelijk lachje over zich, want hij
+lachte altijd met eene -klank, en bovendien sprak hij sterk door zijn
+neus. Geloof ook maar gerust, dat wij hem dikwijls uitgelachen zouden
+hebben, als hij -- niet zoo aardig jegens ons geweest was. Nu hielden
+wij veel te veel van hem, om zoo iets te doen.
+
+Dat weet ik niet, mijnheer, maar ik ben ze kwijt, en ik zie geen kans
+om ze terug te krijgen.
+
+Dat is leelijkeg voog je, Bob, want ik wou je juist vgagen of je lust
+hebt, om mede te doen aan eene hagdloopegij op stelten. Zou je dat niet
+willen?
+
+Niet willen! O ja, mijnheer, -- asjeblieft, heel graag. Wanneer doen we
+het?
+
+Vandaag oveg eene week, dus op Zategdag, 's middags om n uug. De
+pgijs is een pgachtig boek van Gobinson Cguso, in een mooien blauwen
+band, en de tweede pgijs is de Bagon van Munchhausen, ook een mooi boek.
+De degde pgijs is een pogtemonnaie, maag ik houd het gecht, die te
+geven aan wien ik wil. Nu, hoe bevalt het je?
+
+Heerlijk, mijnheer, prachtig! En mag iedereen medoen? En waar is het?
+
+Hieg, op den achtegweg, en iedegeen mag meedoen. Noodig jij alle
+jongens maag uit in mijn naam, wil je dat doen?
+
+Met alle genoegen, mijnheer!
+
+En zouden ze eg lust in hebben?
+
+Of ze, dat kan u begrijpen!
+
+Mooi, mooi. Maak jij nu maag, dat je je stelten tegug kgijgt, want
+andegs gaat de pget jou neus voogbij, h-h-h-h! Dag Bob!
+
+Ja mijnheer, wist ik maar ho!
+
+O, Bob, zeg maag, dat je haag wel eens een pleizieg zal doen, doog bij
+voogbeeld de glazen eens te helpen wasschen, als ze dat doen moet, --
+h-h-h-h? -- dan zal ze je misschien je kwaad wel veggeven,
+h-h-h-h!
+
+Ha zoo! Mijnheer Denappel wist er dus alles al van! Zeker had hij eene
+visite bij den dokter gemaakt en daar het gebeurde vernomen. En nu moest
+hij natuurlijk Bob eens goed plagen.
+
+Dag Bob, tot Zategdag dus! Maak maag, dat je den pgijs wint, hoog!
+
+Bob groette en vervolgde zijn weg, natuurlijk recht in zijne nopjes over
+het aanstaande feestje.
+
+En mijne stelten zal ik wel terugkrijgen, mompelde hij. Ik mt ze
+terughebben, -- dat spreekt van zelf!
+
+Toen ik 's middags gegeten had, ging ik dadelijk naar Bob en vernam van
+hem, wat de heer Denappel gezegd had. Dat ik mijne stelten medegenomen
+had, behoef ik niet te zeggen, want in den steltentijd liepen wij er
+zelfs op, als we even eene boodschap in den winkel moesten halen. Alleen
+naar de kerk mocht ik ze nooit menemen.
+
+Bob en ik waren in den tuin.
+
+Zeg Dorus, zei hij op den toon van volslagen wanhoop, bedenk jij nu
+toch eens een middel, om ze terug te krijgen. Als ik me niet oefenen
+kan, heb ik natuurlijk in het geheel geen kans om den prijs te winnen.
+Had ik die spuit ook maar met rust gelaten. 't Komt alles van dat
+leelijke ding.
+
+Ja, -- en ook van je ide, om Mina nat te spuiten in plaats van de
+ramen.
+
+Nu ja, -- dat is waar, -- maar hoe krijg ik ze terug? Zie je, dat is op
+dit oogenblik de hoofdzaak.
+
+Wel, ga ze terugvragen.
+
+Dank je, Dorus! Wat zou ik er van langs krijgen! Ik wed, dat ze me
+kopje onder in eene waschtobbe stopte!
+
+Best mogelijk. Zeg Bob, kunnen we van uit dat dakvenster van jelui huis
+niet in den tuin van den dokter kijken?
+
+Opeens klaarde Bobs gezicht heelemaal op. Hij nam zijn stroohoed van
+zijn hoofd en zwaaide er lustig me in het rond. Toen wierp hij hem hoog
+in de lucht en ving hem weer netjes op zijn krullebol op, een
+kunststukje waar ik erg jaloersch op was en dat ik hem maar niet kon
+nadoen, niettegenstaande ik het wel al honderdmaal geprobeerd had.
+
+Hiep-hiep-hoera! Gevonden! -- Gevonden! Dorus! Jij bent een slimmerd,
+hoor! Kom j, dan gaan we dadelijk naar boven. Hoe dom, dat ik daar niet
+eerder aan gedacht heb. Zeg Dorus, dan neem ik mijn verrekijker mede.
+
+Ja, doe dat!
+
+In een wip waren we de beide trappen opgeklommen, want het huis van
+mijnheer de Wild had twee verdiepingen, en nu kwamen we gewapend met den
+verrekijker op den zolder.
+
+Zeg j, nog niet kijken! zei Bob. Eerst den kijker goed uit elkaar
+halen.
+
+Blijkbaar was hij bang, dat ik de stelten met het ongewapende oog reeds
+zou ontdekt hebben, voordat hij nog met zijn instrument gereed was, en
+dan zou de helft van het genoegen verdwenen zijn, wat ook precies mijn
+ide was.
+
+Spoedig stonden we nu voor het raam, dat over een land, een tuin en een
+paar hagen heen, uitzicht gaf op den tuin van den dokter. Bob hield den
+kijker voor het oog en doorzocht met het gewichtig gevoel van een
+soldaat, die een vijandelijk kamp verkent, het terrein.
+
+Mis hoor! zei Bob terneergeslagen. Ik zie ze nergens. Ze heeft ze
+zeker hier of daar weggestopt.
+
+Misschien wel in de keuken, zei ik.
+
+Ja, -- of in het schuurtje. Ik althans zie ze niet. Zoo'n akelige meid,
+-- 't zijn hr stelten toch niet?
+
+Zeker niet! Laat mij ook eens kijken, Bob?
+
+Dr!
+
+Bob gaf mij den kijker en ik keek overal rond. Nu was dat instrument
+bijna geheel niet noodig, want de tuin lag zoo dicht bij ons, dat wij
+met het bloote oog alles best konden onderscheiden. Maar die kijker
+bracht, naar wij meenden, iets eigenaardigs aan onzen verkenningstocht.
+
+Eindelijk gaf ik het op.
+
+'k Zie ze niet! zei ik met een zucht. Je bent je stelten kwijt,
+Bobbertje.
+
+'t Is wat moois! Hoe moet ik nu met den wedstrijd medoen, als ik geen
+stelten heb? Ik vind het erg flauw van Mina. Laat mij nog eens kijken?
+
+Maar Bob had evenmin succes als ik. Opeens echter ontdekte ik ze met het
+bloote oog, waar wij ze met den kijker niet hadden gezien.
+
+Kijk eens, dr, Bob, -- dr, vlak onder het keukenraam, op den grond!
+Daar liggen ze!
+
+Bob zette den kijker van zijn oog -- want zonder dat voorwerp zagen wij
+veel beter, hoewel wij dat natuurlijk voor geen honderd gulden hadden
+willen bekennen, -- en nu zag hij ze ook.
+
+'t Zijn ze, Dorus! Die aap! Ze heeft ze vlak onder het keukenraam
+gelegd om ze goed onder haar bereik te hebben.
+
+Bob zette nu den kijker weer voor het oog en richtte hem op de stelten.
+
+Ja hoor, nu zie ik ze duidelijk; 't zijn ze! Kijk maar, j, nu kan je
+ze pas goed zien.
+
+Nu, dat was waar.
+
+Maar hoe ze nu terug te krijgen, Bob?
+
+Dat zal ik je zeggen, -- ik ga ze doodeenvoudig halen. Ik ga over het
+slootje achter onzen tuin, kruip langs den slootkant het land over,
+spring over de sloot van den dokter, kruip langs de besseboomen daar
+ginds naar het keukenraam en pak ze dan vlug weg. Kijk, het bovenraam
+staat open. Ik wed, dat Mina boven aan het werk is, want het is Zaterdag
+en dan hebben de meiden het altoos druk. Juist, ik doe het.
+
+'t Is een waagstuk, Bob, meende ik te moeten opmerken. Als ze je
+snapt, ben je er bij.
+
+Gloeiend, dat is zeker, stemde Bob toe.
+
+Of als de dokter je ziet.....
+
+Die is uit! Ik heb hem zien uitrijden.
+
+Of mevrouw! Die is toch in elk geval thuis.
+
+Ja, dat is waar. Nu hoor, ik waag het er toch op. Mijne stelten moet ik
+terug hebben, dat begrijp je, vooral nu mijnheer Denappel dien wedstrijd
+organiseert. Zeg Dorus, houd jij hier met den verrekijker de wacht voor
+het raam, en als je onraad ziet, laat je ons gewone signaal hooren, dan
+kies ik dadelijk het hazepad. Doe je het?
+
+Natuurlijk, dat spreekt van zelf.
+
+Goed! Dan ga ik. Goed uitkijken, hoor! En zoodra je maar den band van
+eene vrouwenmuts ziet, waarschuw je. Kan ik daarop rekenen?
+
+Volkomen.
+
+Tot straks dan!
+
+Bob vertrok, en ik bleef in groote spanning achter. Den kijker hield ik
+voortdurend op het keukenraam gericht, hoewel Bob het ons beschermende
+dak nog niet eens verlaten kon hebben.
+
+Een oogenblik later hoorde ik zijn signaal beneden in den tuin, hetwelk
+ik onmiddellijk beantwoordde. Nu kon ik hem zien gaan. In gebogen
+houding sloop hij den tuin door, hoewel daar natuurlijk niet het minste
+gevaar dreigde. Hij sprong behendig over het slootje en kroop langs den
+kant langzaam verder. Ik volgde hem met mijn kijker. Nu was hij den tuin
+van den dokter genaderd. Hij behoefde maar eene sloot over te springen
+om er in te komen. Doch juist op het oogenblik dat hij den sprong wilde
+doen, zag ik de achterdeur opengaan en Mina buiten verschijnen. Zij
+bleef een oogenblik stilstaan, keek eens naar de lucht, nam een paar
+frambozen van een struik, raapte toen de stelten op en bracht ze in het
+schuurtje.
+
+Zoodra zij verschenen was, liet ik mijn waarschuwend signaal hooren.
+Dadelijk maakte Bob zich zoo klein mogelijk en hield zich onbeweeglijk
+aan den kant van de sloot, tot Mina weer vertrokken was. Zelfs toen
+bleef hij nog eenigen tijd zitten.
+
+Ik vertrouwde de zaak nu echter in het geheel niet meer, en liet mijn
+signaal hooren, wat door Bob beantwoord werd. Even later zag ik hem den
+terugtocht aanvaarden, en weldra was hij weer bij me op den zolder.
+
+Dat was toevallig, h? zei hij ernstig.
+
+Al te toevallig, Bob, meende ik. Geloof gerust, dat zij lont geroken
+heeft. 't Is toch een slimmerd.
+
+Ja, -- maar toch kan het best zijn, dat zij geen erg in mij heeft
+gehad en alleen maar trek kreeg in een paar framboosjes. Zij heeft mij
+onmogelijk kunnen zien, zou ik zeggen.
+
+Dat is waar. Bovendien zag ze er heel onverschillig uit, volstrekt
+niet, of zij iets kwaads in den zin had. 't Is alleen maar zoo
+buitengewoon opmerkelijk, dat zij n juist buiten kwam en de stelten in
+het schuurtje bracht.
+
+Alles goed en wl, maar ik moet ze terug hebben, zei Bob. Over een
+kwartier waag ik het weer.
+
+Wij begonnen nu geduldig te wachten, tot er tijd genoeg verloopen zou
+zijn om met eenige kans op succes den tocht voor de tweede maal te
+ondernemen.
+
+Eindelijk ging Bob.
+
+Weer klonk in den tuin zijn signaal, -- weer sprong hij over de sloot en
+sloop hij langs den slootkant verder, weer had hij den tuin van den
+dokter bereikt. Hij keek even op naar mij, als om te vragen, of alles
+veilig was. Ik nam het terrein op en -- zweeg, want alleen in geval van
+nood zou ik mijn signaal doen hooren.
+
+Wip! -- daar sprong hij over de sloot in den tuin van den dokter, en
+behoedzaam zag ik hem verder kruipen onder de besseboomen door, die hem
+bijna geheel aan het gezicht onttrokken. Ik zeg bijna, want soms moest
+hij eene plek oversteken, waar geen boomen stonden. Hij kroop dan bijna
+op zijn buik over den grond.
+
+Alles ging goed. Met arendsblikken volgde ik hem in al zijne bewegingen,
+tevens goed oplettende, of er ook onraad dreigde. Ha! nu had hij het
+schuurtje bereikt. Langzaam zag ik de deur ervan opengaan, doch slechts
+zoover als noodig was, om Bob door te laten. Nu verdween Bob in het
+schuurtje.....
+
+O heden! Nauwelijks was hij daarbinnen geslopen, of de keukendeur ging
+snel open en daar verscheen plotseling de vijand -- Mina.
+
+Met kracht liet ik mijn signaal hooren, hoewel mijn gewone toonreeks mij
+mislukte van den schrik.
+
+Mina ijlde naar het schuurtje!
+
+Ik verzamelde mijne tegenwoordigheid van geest en floot zoo hard ik kon.
+
+Mina had de deur bereikt.
+
+Maar Bob had mijn signaal gehoord. Ik zag de deur opengaan. Nog een
+oogenblik en hij zou gered zijn.
+
+Flap! Daar sloeg Mina de deur met kracht toe en schoof er den grendel
+voor.
+
+Bob was gevangen.
+
+Ik zag Mina schateren van de pret, ja ik hoorde haar zelfs lachen. Zoo'n
+akelige meid!
+
+In de grootste verslagenheid zag ik het aan, hoe zij in de keuken
+verdween, ongetwijfeld met het stellige voornemen Bob niet voor den
+laten avond uit zijne gevangenis te ontslaan.
+
+Doch hij moest gered worden, dat stond bij mij vast. De vraag was alleen
+maar, hoe dat gedaan moest worden.
+
+Hoe ik evenwel peinsde, ik zag er geen kans toe, en besloot daarom ten
+einde raad naar mijn vriend Karel Holm te gaan, die nu ongetwijfeld wel
+uit Haarlem thuisgekomen zou zijn.
+
+Ik verliet daarom het huis van mijnheer de Wild en ging op weg naar
+Karels huis. Hij was de zoon van den architect, en wel diens eenig kind.
+Wij hielden allen bijzonder veel van hem, wat geen wonder was, daar hij
+een echt fideel karakter bezat. Ik twijfelde dan ook niet, of hij zou
+niet rusten, voor het ons gelukt was, Bob in vrijheid te stellen. Een
+kameraad in den steek laten zou hij nooit doen.
+
+Het bleek mij al spoedig dat ik mij niet vergist had, want nog had ik
+zijne woning niet bereikt, toen ik hem reeds tegenkwam.
+
+Zoo Dorus! klonk zijn groet.
+
+Zoo Karel! Al terug?
+
+Zooals je ziet. Ik kwam juist naar je toe.
+
+En ik naar jou. Zeg Karel, er is iets aan de hand. Bob zit opgesloten
+in het schuurtje van den dokter.
+
+Bob opgesloten? -- In het schuurtje van den dokter? zei Karel in de
+grootste verbazing. Wie heeft dat gedaan?
+
+Mina, de meid.
+
+Nu vertelde ik hem in geuren en kleuren, wat er gebeurd was. Eerst moest
+hij er om lachen, maar later keek hij ernstig.
+
+Ja, zie je, zeide hij, dan is het ook zijn eigen schuld. Maar enfin,
+dat doet er niet toe, geholpen mt hij worden. Wij kunnen hem niet aan
+zijn lot overlaten.
+
+Juist, Karel, precies mijn ide, -- maar hoe?
+
+Ja, dat is de moeilijkheid. Zeg Dorus, wij moesten den vijand van twee
+kanten kunnen bestoken. Wisten wij maar eene boodschap bij den dokter te
+bedenken, dan waren wij klaar. Want als er een van ons daar aanbelde
+was Mina gedwongen om open te doen. Middelerwijl kon de ander het
+schuurtje ontsluiten en Bob verlossen.
+
+Daar zeg je zoo iets, Karel. Jongen, dat is een prachtig ide. Hadden
+wij maar eene boodschap!
+
+Ja, maar die hebben we niet. -- Maar wacht eens -- ha, daar bedenk ik
+wat. Je weet, dat Pa van 't voorjaar zoo lang ziek geweest is en
+geruimen tijd onder behandeling van den dokter was?
+
+Zeker, dat herinner ik mij nog heel goed.
+
+Nu -- en toen heeft Pa wel een twintig drankjes gebruikt, waarvan alle
+ledige fleschjes nog bij ons in het schuurtje staan. Onlangs heb ik ze
+alle moeten omspoelen, en heeft Moe tegen me gezegd, dat ze eens naar
+den dokter teruggebracht moesten worden. Zeg j, niets belet ons, om dat
+nu te doen.
+
+Uitstekend! Zeg Karel, dan bel jij aan en terwijl Mina dan aan de
+voordeur is, sluip ik den tuin in en maak het schuurtje open. Dat wordt
+eene leuke historie, Karel!
+
+Of het. Kom, laten we dadelijk gaan.
+
+Wij deden de fleschjes in eene ledige mand en Karel vroeg zijne Moe
+verlof, ze weg te brengen, wat heel goed gevonden werd.
+
+Samen gingen wij met ons vrachtje op weg, tot aan de brug, waar onze
+wegen scheidden.
+
+Nu ga jij door den tuin van den notaris naar het schuurtje en als je
+achter het huis van den dokter gekomen bent, laat je het signaal hooren.
+Tot zoolang zal ik met aanbellen wachten. Is dat afgesproken?
+
+Best, zei ik. Maar zouden wij het fluiten van elkander kunnen
+hooren? Het huis en de tuin van den dokter liggen tusschen ons.
+
+O ja, gemakkelijk! Hallo, j, vooruit maar! Ik krijg er zin in.
+Voorzichtig, hoor!
+
+Dat spreekt, en jij niet te vroeg bellen.
+
+Niet, voordat ik je signaal gehoord heb.
+
+Houd je goed, tot straks dan! En houd Mina wat aan den praat, als je
+kunt.
+
+Laat dat maar aan mij over. Ga nu, Dorus!
+
+Ik ging, en volgde natuurlijk denzelfden weg, die ons Bobje zoo
+noodlottig geworden was.
+
+Zoodra ik de sloot achter dokters tuin bereikt had, liet ik het
+afgesproken teeken hooren, wat dadelijk van twee kanten beantwoord werd,
+namelijk van de zijde der voordeur, waar Karel gereed stond aan te
+bellen, en door Bob uit het schuurtje.
+
+Ik wachtte nu nog een oogenblik, ten einde Karel de gelegenheid te geven
+om aan te bellen en Mina naar de voordeur te lokken, en sprong over de
+sloot. IJlings en in gebogen houding spoedde ik mij naar het schuurtje.
+Mijn hart klopte hoorbaar, zoo verkeerde ik in angst, dat onze
+krijgslist mislukken zou, en schichtig keek ik naar alle zijden om
+mij heen.
+
+Bij het schuurtje gekomen richtte ik mij vlug als eene kat op, schoof
+den grendel weg, en opende de deur.
+
+Op hetzelfde oogenblik stond Bob naast me, met zijne stelten in de hand.
+Maar o j, daar had me de bengel zoo waarlijk eene oude muts van Mina
+opgezet en een boezeltje van haar voorgedaan.
+
+Dr, pak aan! zei hij, terwijl hij me zijn stroohoed toewierp. En in
+plaats van weer over de sloot te springen en denzelfden weg terug te
+gaan, dien hij gekomen was, stapte hij doodbedaard op zijne stelten en
+ging met groote schreden den tuin door, langs den stal en zoo den weg
+op.
+
+Ik ijlde hem vooruit.
+
+O, o, wat leverde hij een dwaas gezicht op, met dien boezelaar voor en
+die muts op, en dan op stelten.
+
+Karel stond nog aan de voordeur met Mina te redeneeren, toen hij ons zag
+aankomen. Hij proestte het uit van lachen, en o, wat keek Mina boos,
+toen zij bemerkte, wat er gebeurd was.
+
+O, jullie ondeugende bengels! Dat is afgesproken werk! Wil jij wel eens
+gauw mijne muts afzetten en dien boezelaar afdoen!
+
+Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg heen en
+weer, en hij zette het ernstigste gezicht van de wereld.
+
+Een oogenblik later kwam Mina den hoek van het huis om, met den stoffer
+in de hand. Ze was meer dan boos. Toen werd het hoog tijd voor Bob om
+het hazenpad te kiezen, wat hij dan ook deed.
+
+Mina keerde naar hare keuken terug, rood van boosheid, en wij raadden
+Bob aan, de beide kleedingstukken terug te geven. Eerst had hij daar
+niet veel lust in, maar toen wij zeiden, dat hij verplicht was het te
+doen, maakte hij er een klein pakje van en bracht ze aan Mina terug.
+Dat durfde hij gerust doen, daar hij overtuigd was, dat hij toch veel
+harder loopen kon dan zij. Hij deed de keukendeur open en wierp het
+pakje naar binnen. In hetzelfde oogenblik nam hij overhaast den
+terugtocht aan, zoodat Mina zelfs geen tijd had hem een enkel woord
+toe te voegen.
+
+Och, och, wat hadden wij een pret over dit voorval.
+
+'t Was goed, dat jelui me verloste, zei Bob, want ze had me beloofd,
+dat ik er tot donker in zou blijven. Maar dat had zij toch mis!
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin Bob eerst voor mijnheer Denappel
+ en daarna voor visch speelt.
+
+
+Wij gingen eerst met Karel Holm me naar zijn huis, om zijne stelten te
+halen, en begaven ons toen naar het marktplein, dat midden in het dorp
+gelegen was, en waar wij zeker waren, eenige jongens te vinden om mede
+te spelen.
+
+Eerst had Bob niet bijzonder veel lust, om naar de markt te gaan, omdat
+de schoenmaker daar wel wat te dichtbij woonde voor het mooi, naar hij
+zeide.
+
+Maar toen wij er inderdaad eenige jongens van onze klasse aantroffen,
+was hij het gevaar, dat hij van den kant van den schoenmaker liep,
+weldra geheel vergeten. Nu was het waar, dat deze er heel dicht bij
+zijne woning had en menige jongen zou in Bobs geval zich wel tweemaal
+bedacht hebben, eer hij zich daar waagde, maar het moet gezegd worden:
+Bob kende geen vrees en hij was bijna voor niets bang.
+
+Toen wij pas op de markt waren, keek hij eerst wel een paar malen
+voorzichtig uit, of de gevreesde vijand ook naderde, doch toen zijne
+vrees ongegrond bleek te zijn, vergat hij weldra zijn voorzorgsmaatregel
+geheel en wijdde hij zich geheel aan het spel.
+
+Zooals ik zeide troffen wij op het marktplein reeds eenige jongens aan,
+met wie wij dikwijls speelden. Zoo zagen wij daar Dirk Langeraar, den
+zoon van den metselaar, Cor Valk, van den directeur van het post- en
+telegraafkantoor, Karel Buurs, van den timmerman, Tines Wobbe, Adriaan
+Bolt, Arie Kooi, die evenals ik zoons van bloemisten waren en Huibert de
+Leeuw, van den korenmolenaar. Allen hadden zij hunne stelten bij zich.
+
+Met een luid hoera werden wij bij onze komst begroet, en dat wij
+dadelijk begonnen te vertellen, wat wij beleefd hadden, spreekt van
+zelf. Wat hadden de andere jongens er een pret in.
+
+Zeg Bob, je hadt dien boezelaar en die muts moeten houden, zei Tines
+Wobbe, dan hadden wij er nu nog eens lekker pret mede gemaakt.
+
+'t Was al mooi genoeg! zei Karel Holm. Mina was nu al genoeg
+geplaagd.
+
+Je kunt ze nooit genoeg plagen, zei Tines met een grijnslachje, dat
+wij nooit goed van hem konden uitstaan. Eigenlijk hielden wij geen
+van allen van hem, want hij ging nooit recht door zee en was ver van
+eerlijk. Wij vertrouwden hem nooit, en als wij eens eene grap gingen
+uithalen, die wij voor anderen niet weten wilden, hielden we hem altoos
+buiten het geheim. Nu weet ik wel, dat wij ook zulke erg brave jongens
+niet waren, maar klikken zouden wij van elkander nooit doen, -- en dat
+deed hij wel. Als hij kwaad tusschen ons kon stoken, zoodat wij er
+eindelijk twist door kregen, had hij de grootste pret, en dan lachte hij
+in zijn vuistje. Maar zelf was hij alles behalve een held. Neen, wij
+hielden niet van hem, en als we hem een poets konden bakken, zouden we
+het nooit nalaten.
+
+Jongens! Ik heb nieuws! viel Bob de anderen in de rede.
+
+Goed nieuws? klonk het terug.
+
+Luisteg! zei Bob, die nu plotseling de spraak van den Heer Denappel
+ging nabootsen, waar hij bijzonder goed slag van had. Ik noodig alle
+jongens van het dogp uit, vandaag oveg eene week hieg op den achtegweg
+te komen, 's middags om n uug, tot het houden van een wedstgijd in het
+hagdloopen op stelten.
+
+Echt waar? Zeg Bob, is het echt waar? vielen de jongens hem vroolijk
+in de rede, niet weinig lachende om den toon, waarop hij sprak. Als
+iemand, die het niet wist, hem gehoord had, zou hij stellig gemeend
+hebben, dat het de Heer Denappel was, zoo precies bootste Bob hem na.
+Hij sprak geweldig door den neus en brouwde zoo sterk mogelijk.
+
+'t Is waag, hoog, volkomen waag! zei Bob op zijn grappigsten toon.
+
+Hoera! Hoera! Leve mijnheer Denappel! klonk het opeens uit aller mond.
+
+Sssssss! stilte! gebood Bob. Luisteg, jongens, ik ben nog niet
+uitgespgoken. De eegste pgijs zal bestaan in een fgaai boek in
+pgachtband, genaamd Gobinson Cguso...
+
+Hoera! Hoera! Lang zal hij leven!
+
+Bedaag, vgiendjes, bedaag! zei Bob met een kalmeerend gebaar van zijne
+beide handen. Eg is nog meeg. De tweede pgijs, of zooals wij altijd
+zeggen de pgemie is de Bagon van Munchhausen, ook een pgachtig boek,
+maag niet in een fgaaien band.
+
+Hoera! Hoera! Dat wordt een mooie wedstrijd!
+
+Dat zou ik meenen, lieve vgienden, vervolgde Bob. En dan heb ik nog
+een degden prijs, bestaande uit eene fgaaie pogte-monnaie, maag -- ik
+behoud het gecht, om die te geven, aan wien ik wil. Heb je dat goed
+beggepen?
+
+Uitstekend, mijnheer Denappel! Uitstekend! klonk het lachend rondom
+Bob, die kolossaal veel pret had, dat de anderen zoo om hem moesten
+lachen.
+
+En waarom houdt u dat recht aan u, mijnheer Denappel! vroeg Dirk
+Langeraar aan Bob.
+
+Mijn bgave Digk, nu vgaag je meeg, dan ik je beantwoogden kan. En heel
+vaderlijk liet hij er op volgen: Kleine jongetjes moeten niet naag
+alles vgagen, hoog kegeltje?
+
+Bob, daar komt de schoenmaker om den hoek!
+
+Als een pijl uit den boog ging Bob er vandoor. Jongen, jongen, wat liep
+hij. Zijne voeten raakten bijna den grond niet.
+
+En wij lachten, dat we schaterden, want er was niets van waar. De
+schoenmaker zat hoogstwaarschijnlijk druk schoenen te lappen, want de
+Zaterdag was gewoonlijk zijn drukste dag, daar vele menschen dan vr
+den Zondag hunne schoenen terug wilden hebben. Ik had het alleen maar
+uit de grap gezegd, omdat hij zoo verbazend veel praats had. Bob gunde
+zich geen tijd om te kijken, of het wel waar was. Trouwens, daar
+twijfelde hij ook niet aan.
+
+Toen hij ons echter zoo verbazend hoorde lachen, begon hij lont te
+ruiken. Hij bleef even staan en keek achter zich om, en toen hij nu
+bemerkte, dat er niets van waar was, kwam hij weer terug.
+
+Heb jij me dat koopje geleverd, Dorus? vroeg hij.
+
+Om u te dienen, mijnheer Denappel! zei ik.
+
+Ben je bang voor den schoenmaker? vroeg Tines Wobbe. Wat heb je hem
+gedaan?
+
+Och, ik heb gemaakt, dat hij geen stroop op zijn pannekoek had, van
+middag, zei Bob, tot groot vermaak van de anderen. En nu vertelde hij
+wat hij gedaan had.
+
+Zoo'n dom kind, zei Cor Valk. Maar wacht je nu voor den schoenmaker,
+Bob, want er blijft geen stuk van je heel, als hij je te pakken krijgt.
+'t Is een gevaarlijke, wat ik je zeg.
+
+Hij heeft me nog niet! zei Bob met een overmoedig lachje. En hij zal
+me niet gemakkelijk krijgen ook. Zeg Dorus, willen wij nu eens om het
+hardst steltloopen?
+
+Goed! zei ik.
+
+Wij gingen naar den eersten paal en zouden loopen tot den laatsten.
+
+En dan wij? vroeg Tines Wobbe aan Karel Holm.
+
+Ja -- laten we allen twee aan twee gaan, precies als op den wedstrijd.
+Adriaan Bolt met Karel Buurs, Huib de Leeuw met Arie Kooi, Dirk
+Langeraar met Cor Valk, en zoo verder. Vooruit, jongens, daar gaan we!
+
+Ja, daar gingen we, en vlug ook, maar niet bijzonder verstandig. Want we
+konden zeer vlug steltloopen, al zeg ik het zelf, en we vielen niet zeer
+dikwijls. Maar nu kwam Bob met zijne stelt in een gat terecht, dat hij
+niet gezien had, en flap, daar viel hij tegen mij aan, zoodat wij beiden
+op den grond tuimelden. En wat er toen gebeurde, is licht te begrijpen.
+De andere jongens volgden ons op den voet, en voordat zij nog goed
+wisten, wat er met hen plaats greep, duikelden zij op en over ons heen!
+
+Of dat pijn deed! Ik kreeg Tines Wobbe dwars over mijn hoofd en Huib de
+Leeuw lang uit over mijne beenen, en van Bob was in het geheel niets te
+zien. Hij lag totaal onder de anderen bedolven. Dirk Langeraar kwam
+boven op al de anderen terecht, en zat daar als Spinoza op zijn
+voetstuk, welk standbeeld in den Haag ik gezien had, toen ik eens met Pa
+in die stad was. Allerlei klaagtonen stegen uit den levenden warhoop op.
+
+H-h!
+
+Au! Ga toch weg!
+
+Rijs op, zeg ik je!
+
+Wil-je wel eens van mijn hoofd gaan?
+
+Ik stik! Ik stik!
+
+Au, mijn arm!
+
+Mijne beenen breken!
+
+Je zit op mijn rug!
+
+Spoedig evenwel waren wij opgestaan, en wonder boven wonder, niemand
+van ons had zich erg bezeerd. Bob alleen was met zijn voorhoofd tegen
+een steen terecht gekomen.
+
+'t Hindert niet erg, zei hij, ik had er toch al een buil op. 't Doet
+me anders wel pijn.
+
+Nu, pijn hadden we allen, de een hier, de ander daar.
+
+Hoe kwam dat toch? vroeg er een.
+
+Omdat je lui allen een schapennatuur hebt, zei Bob.
+
+'t Spreekwoord zegt: Als er n schaap over den dam is, volgen alle
+anderen, en zoo ging het met jelui ook. Toen ik viel, ging je het mij
+allen nadoen, net als de schapen.
+
+Laten wij het overdoen. stelde Karel voor.
+
+Ja, overdoen! Overdoen!
+
+Maar niet allen vlak achter elkaar! zei Huib.
+
+Dat spreekt van zelf, zei een ander. Een ezel stoot zich niet
+tweemaal aan denzelfden steen.
+
+Wij begonnen den wedstrijd nu opnieuw, en kwamen tot de slotsom, dat Bob
+en Tines Wobbe de vlugste steltloopers waren, zoodat zij waarschijnlijk
+de prijzen wel zouden winnen.
+
+Ik doe niet me! zei Cor Valk. Wij kunnen het van Bob en Tines toch
+niet winnen, en dan blijf ik liever stilletjes thuis.
+
+Dat is kinderachtig, zei Karel Holm. Wij doen mede om een prettigen
+middag te hebben, en natuurlijk ook om wat te winnen. Maar de pret is
+toch de hoofdzaak.
+
+Bovendien kan Bob of Tines vallen, en daardoor niets winnen, zei ik.
+
+Ook mogelijk! Ook kunnen zij opvolgende nummers trekken, zoodat zij
+tegen elkander moeten loopen. Daar is vooruit niets van te zeggen. zei
+Huib de Leeuw.
+
+Zeg, jongens, willen wij nu eens wat anders gaan spelen? vroeg Bob.
+
+Ja, -- wat dan?
+
+Verstoppertje?
+
+Ja, ja, verstoppertje! Dat is goed! Wie zal hem wezen?
+
+Ik wel! zei Karel Holm. De eikeboom is honk, en wij mogen niet verder
+dan tot aan den schoenmaker aan de eene en de brug aan de andere zijde.
+Is dat afgesproken?
+
+Goed, niet verder dan de brug en den schoenmaker! Niet kijken, Karel,
+-- over drie honderd tellen heb je het recht om te komen.
+
+Karel ging met de beide handen voor de oogen tegen den dikken boom
+staan, die midden op het marktplein stond, en begon te tellen. Hij
+hoorde de jongens in alle richtingen verdwijnen, maar kijken deed hij
+natuurlijk niet. Dat zou hij niet gedaan hebben, al had hij er een
+gulden mede kunnen verdienen, want daarvoor was hij veel te eerlijk.
+
+Toen hij tot driehonderd geteld had, gaf hij zijne nadering door een
+luiden kreet te kennen en ging zoeken. Zoodra hij iemand zoo nabij
+gekomen was, dat hij hem tikken kon, was die de zoeker voor het volgende
+spel, maar wij zorgden wel, dat dit niet gebeurde. Als wij bemerkten,
+dat hij ons ontdekt had, sprongen wij vlug te voorschijn en trachtten
+eerder dan hij den boom te bereiken, waardoor wij het recht verkregen,
+bij het volgende spel weer schuil te gaan.
+
+Het gelukte hem Dirk Langeraar te tikken, waardoor deze aangewezen werd,
+om tweede zoeker te worden. Wij vermaakten ons kostelijk met dit spel,
+vooral toen de avond langzamerhand begon te vallen en het donker werd.
+Het zoeken ging toen ver van gemakkelijk, en wij wisten uitstekende
+schuilhoeken te vinden.
+
+Ook Bob begon zich toen vrijer te bewegen, want daar hij het huis van
+den schoenmaker niet durfde naderen, uit vrees van gesnapt te worden,
+kon hij zich tot nog toe maar alleen in de richting van de brug
+verschuilen. En juist aan den anderen kant waren de mooiste plekjes.
+Maar nu was het grootste gevaar voor hem voorbij, en langzamerhand begon
+hij zich minder in de richting van de brug en meer in die van des
+schoenmakers woning te begeven. Wat was daar eene heerlijke gelegenheid
+om zich te verschuilen! In de eerste plaats lag er op een erf eene
+omgekeerde schuit, die door den scheepmaker op de helling getrokken was
+om gekalefaat te worden. Bob had zich daar al driemaal verscholen, eer
+hij ontdekt werd en eene nieuwe plaats op moest zoeken. Toen vond hij
+een prachtig plaatsje bij het schuthok, waar hij met zijne gewone
+brutaliteit midden tusschen een boschje brandnetels ging zitten, die
+daar reeds eene flinke hoogte hadden bereikt. Dr zocht niemand hem,
+zooals van zelf spreekt, want al meende de zoeker soms, dat hij zich
+daar wel verscholen kon hebben, dan ontbrak hem nog meestal de moed, om
+zich een pad door die lastige planten te banen. Bob had dit wel gedaan,
+maar het had hem ook een flink aantal blaren bezorgd, die hem niet
+weinig pijn deden. In elk geval had hij de voldoening, dat niemand hem
+vinden kon, al liepen zij ook vlak langs hem heen. Dat amuseerde hem
+buitengewoon. Eindelijk werd hij gevonden door Karel Holm, die stellig
+niet minder moed bezat dan Bob. Toen deze hem overal gezocht en nergens
+gevonden had, zei hij tot de andere jongens:
+
+Wil ik jelui eens wat zeggen? Hij met hier in dat brandnetelboschje
+zitten, want geen enkele plaats dan deze heb ik ondoorzocht gelaten.
+
+Ga kijken, -- dan weet je het! raadde ik hem aan met een leuk gezicht.
+Want ik dacht aan de brandnetels, die zeer dicht op elkander gegroeid
+waren. Als Bob er zich tusschen verscholen had, moest hij er naar mijne
+meening even nauw door ingesloten zijn als de bewoners van Luilekkerland
+door den rijstebrijberg.
+
+Welnu, -- denk je, dat ik niet durf, Dorus? vroeg hij met een
+overmoedig lachje.
+
+Ik weet het niet, Karel, maar -- jij liever dan ik! zei ik lachend.
+
+Wat Bob kan, kan ik ook! zei Karel. Hij moet hier zitten! Vooruit,
+daar gaat hij!
+
+En waarlijk! Daar ging Karel met de ellebogen vooruit de brandnetels in.
+Links en rechts bogen de stengels op zijde en met groote schreden drong
+Karel er tusschen door. Het moet hem ongetwijfeld veel pijn gedaan
+hebben, en wij stonden gereed om een luid hoera aan te heffen, zoodra
+wij hem hoorden kermen. Maar neen, daar hadden wij geen kans van, want
+Kareltje gaf geen kik, wel een weinig tot onze teleurstelling, tot
+opeens zijne stem van uit het midden der brandnetels tot ons doordrong
+en wij hem hoorden roepen:
+
+Gevonden! Ha, ha, baasje, dat had je niet gedacht. Nu is het jou beurt
+om te zoeken. Jou slimme rot!
+
+Een geweldig kraken van stengels die platgetrapt worden werd nu
+hoorbaar, en toen verscheen Karel, gevolgd door Bob, aan den rand van
+het boschje.
+
+Wat zat ik daar heerlijk! zei Bob op triomfantelijken toon. Wel
+driemaal ben jelui vlak langs mij heengegaan, zonder mij te vinden!
+
+'t Is ook aangenaam, om vol blaren te komen, zei Tines Wobbe. Ik gun
+je de pret.
+
+Pret had ik, Tines, vooral toen ik zag, dat je er zoo graag in wilde
+kijken en toch niet durfde. Kom jongens, verbergt je; ik zal je zoeken.
+
+Fffft! Als de wind vlogen wij weg en in korten tijd hadden wij allen
+een schuilhoek gevonden. Bob liet een schellen kreet hooren en begon te
+zoeken. Nu was hij een behendig zoeker en een vlug looper. Ik geloof
+wel, dat hij de vlugste was van ons allen, behalve Tines Wobbe, die ook
+een echte snelvoeter was. En Karel Holm was de derde van den bond. Als
+die drie jongens voor de aardigheid eens om het hardst liepen, wist men
+nooit wie het winnen zou, vr zij den eindpaal hadden bereikt. Het
+kleinste ongelukje was voor ieder van hen voldoende, om het te
+verliezen.
+
+'t Was dus geen wonder, dat Bob er weldra een getikt had. Dezen keer was
+Cor Valk de zoeker.
+
+En nu gelukte het Bob een plaatsje te vinden, waar men hem, naar hij
+dacht, stellig nooit zoeken zou. 't Was wel eene gewaagde, ja, zelfs
+zeer gewaagde onderneming van hem, maar -- het gevaar dat hem dreigde
+van den kant van den schoenmaker was hij nu al geheel vergeten. En als
+hij er nog aan dacht, zocht hij zich diets te maken, dat dit zoo erg
+niet was.
+
+Welk plaatsje had hij dan gevonden?
+
+De schoenmaker was een groot liefhebber van visschen, niet met
+den hengel, maar met netten. Eigenlijk was hij zoowel visscherman
+als schoenmaker. Als hij het met schoenlappen niet druk had en
+dientengevolge over veel vrijen tijd beschikken kon, ging hij altijd
+uit visschen, en zocht daarmede in het onderhoud van zich en zijn groot
+gezin te voorzien. Menigmaal trok hij er nog laat in den avond op uit,
+om nog een stuivertje te verdienen. Hij had een eigen bootje, geheel
+voor dat doel ingericht, en was ook in het bezit van een flink aantal
+netten, waarmede hij menig vischje verschalkte.
+
+Vr zijn huis, aan den kant van het water had hij ook nog een groote
+vischkaar, waar hij de gevangen visch in bewaren kon. Die kaar was niet
+anders dan een groote bak, rondom van gaatjes voorzien, zoodat het water
+er in doordringen kon. Midden in de grootste zijde was een plank of
+luik, dat hij er uit kon nemen, om er de gevangen visch in te doen. Door
+den bak in het water te leggen, drong dit door de vele gaatjes naar
+binnen, en bleef de visch in leven. Eens in de week verkocht hij den
+gevangen voorraad aan een opkooper, die gewoonlijk Zaterdags bij de
+visschers rondging, om zijne levende koopwaar in ontvangst te nemen.
+
+Zooals te begrijpen is, was nu dus de vischkaar ledig en lag zij op het
+droge. Dat had Bob al lang opgemerkt, maar zoolang het nog licht was,
+had hij zich niet zoo dicht bij zijn vijand durven wagen. Nu evenwel
+meende hij door de schemering genoeg beschut te zijn, om het waagstuk
+te kunnen ondernemen.
+
+Hij deed het dan ook.
+
+Zoo voorzichtig mogelijk, en bijna langs den kant van den weg
+voortkruipende, wist hij, zonder iets verdachts te bespeuren, de kaar te
+bereiken. Hij hoorde den schoenmaker nog druk aan den arbeid bezig, want
+het kloppen van den hamer op de harde zool drong duidelijk tot hem door.
+
+Behendig liet hij zich naar den onderkant van den wal afglijden,
+want dr lag de kaar, draaide de beide wervels los, die het luikje
+vasthielden, lichtte de plank er uit, en kroop er zelf in. Bijna was hem
+dit mislukt, omdat de opening wat nauw voor hem was, maar met eenig
+wringen gelukte het hem toch. Toen hij zoover gevorderd was, legde hij
+met zijne beide handen de plank weer op hare plaats, zoodat niets
+verried, welk een kostbaren inhoud de kaar thans bevatte.
+
+Zie zoo, mompelde Bob, terwijl hij het zich zoo gemakkelijk mogelijk
+zocht te maken in zijne kleine gevangenis. Zie zoo, -- laat ze nu
+maar zoeken. Dit is nog veel mooier plaatsje dan zoo even tusschen de
+brandnetels. Daar zat ik ook wel prachtig, maar kon me niet bewegen,
+zonder me aan alle kanten te prikken, en hier lig ik zoo heerlijk als
+een koningskind. Wie zal me hier zoeken? En wat een leuke kijkgaatjes
+heb ik hier rondom me. De vischjes hebben het nog zoo kwaad niet, als ze
+zich hier bevinden. 't Is alleen maar jammer, dat het einde voor hen een
+wreede dood is. -- O j, als de schoenmaker eens wist dat ik hier in
+zijne kaar zat, -- wat zou dan wel mijn einde zijn? De dood niet, --
+natuurlijk, maar -- enfin, 't doet er niet toe, want hij weet er niets
+van, en bovendien, zoodra ik hem hoor naderen, ga ik er van door! Als
+een windhond, hoor! Wat zal Cor Valk loopen zoeken! Maar vinden, ho
+maar, geen sprake van! Al zocht hij een heelen dag!
+
+Zoo lag ons Bobje te denken en te mijmeren en van pret wreef hij zich de
+handen. Maar als hij geweten had, dat de Veer op dat oogenblik heel
+voorzichtig, ja zelfs onhoorbaar naar buiten sloop en voetje voor voetje
+zich naar den waterkant begaf, -- wat zou hij vlug uit zijn schuilhoek
+te voorschijn gesprongen en op de vlucht geslagen zijn! O, hadden wij
+het maar gemerkt, welk gevaar hem dreigde, dan zouden wij hem wel
+gewaarschuwd hebben, -- maar wij wisten er niets van, want wij zaten
+rustig in onze schuilhoeken verborgen en dachten aan geen schoenmaker.
+
+Op zijne teenen sloop de beleedigde man nader, met een spotlachje op de
+lippen. Nu had hij den kant van de beek bereikt. Bob hoorde hem niet;
+hij dacht aan geen gevaar.
+
+Nu liet de Veer zich vlug naar beneden glijden, en vr Bob, die hem nu
+wel hooren moest, gelegenheid had kunnen vinden om op te rijzen, sprong
+hij met zijne beide knien op het luik en draaide de wervels over.
+
+Ha, ha, jou aartsrakker! riep hij zijn gevangene toe. Nu ben je
+gesnapt. Nu zal ik jou eens pannekoeken met stroop laten eten, deugniet,
+met stroop versta je, stroop, veel meer stroop, dan je oplust! Wat denk
+jij wel, straatbengel, dat jij maar alles moogt doen?....
+
+Neen, de Veer, ik dacht.....
+
+Denken? Jij denken? Jij behoeft niet te denken, dat zal ik nu wel voor
+je doen.....
+
+O, de Veer, ik verzoek u, laat mij asjeblieft gaan....
+
+Zeker, mijn jongen, zal ik je laten gaan! Wacht maar een oogenblik, dan
+zal ik de kaar aan den paal vastbinden, anders drijf je misschien te ver
+weg, en daarna zal ik je laten gaan, hoor, dat beloof ik je.
+
+Ach de Veer, asjeblieft, ik zal het nooit weer doen......
+
+Dat is ook niet noodig, jongen, k zal het nu wel doen.
+
+O toe, laat me er asjeblieft uit, de Veer, heusch, ik heb er spijt van
+en ik zal de schade wel betalen.....
+
+Eerst zal ik jou betalen, mijn beste jongen; denk je, dat ik den gek
+met me laat steken? 't Is juist Zaterdagavond, Bob, een bad zal je
+opfrisschen. Ha-ha-ha! Mooier kon je al niet in de fuik geloopen zijn;
+'t is bepaald grappig, 't is vermakelijk!
+
+Voor mij niet, de Veer, toe, laat me voor dezen keer vrij,
+asjeblieft!
+
+Een oogenblik geduld, Bob, dadelijk ga-je, hoor! Zie zoo, nu nog een
+lus, en dan zijn we klaar.
+
+Bob, die nu begon te merken, dat zijn cipier onvermurwbaar was, ging uit
+alle macht tegen de wanden van zijne gevangenis trappen, in de flauwe
+hoop, dat het hem gelukken zou nog te ontsnappen. O, o, wat had hij er
+op dat oogenblik een spijt van, dat hij Mietje maar niet ongemoeid haars
+weegs had laten gaan, doch zijn berouw kwam nu, evenals altoos, te laat.
+En zijne pogingen om de wanden los te trappen, waren vruchteloos. De
+kaar zat stevig in elkander.
+
+Klaar, Bob! Ha-ha, daar ga-je, hoor! Een, twee, drie, hoepla!
+
+Maar dat hoepla kwam te vroeg, want hoeveel moeite de schoenmaker ook
+deed, Bob was te zwaar om maar zoo luchtig in het water geworpen te
+kunnen worden.
+
+Ho, dat gaat niet, ik zal je moeten kantelen, Bob! Houd je goed vast,
+hoor, mijn jongen, anders doe ik je pijn en dat zou me spijten!
+Ha-ha-ha, hoe bespottelijk dom van je, om in dit ding te kruipen! Dat
+vergeet ik mijn leven lang niet!
+
+Ik ook niet, de Veer! zei Bob op zijn deemoedigsten toon. Och toe,
+laat me er asjeblieft uit. Ik beloof je, dat ik het nooit weer zal
+doen.
+
+Wat zul-je niet weer doen, Bob? Nooit weer in deze kaar kruipen?
+
+Dat ook niet, -- och toe, ik....
+
+O h, daar ging de kaar aan de eene zijde omhoog. De schoenmaker zette
+haar op de korte zijde, bij ongeluk juist op den kant, waar Bobs hoofd
+lag, zoodat hij nu een verbazend ongemakkelijke houding kreeg, namelijk
+met de beenen omhoog.
+
+Bob had zich tot nog toe zeer goed gehouden, maar nu werd het hem toch
+te erg. Door de luchtgaatjes, die weldra watergaatjes zouden worden, zag
+hij, dat de kaar vlak aan den kant stond.
+
+Plotseling verhief hij zijne stem met zooveel kracht, dat wij hem allen
+te gelijk om hulp hoorden roepen.
+
+Help! -- Help! -- Moord! -- Moord! gilde hij.
+
+En brand! voegde de schoenmaker er bij. Wacht maar, mijn jongen, wij
+zullen den brand wel blusschen. Een, twee -- hoepla!
+
+Flap! Daar sloeg de kaar om en ging te water.
+
+Och, och, wat lachte die schoenmaker.
+
+Wij stonden allen op den oever, op een eerbiedigen afstand, want hoewel
+wij geen kwaad hadden gedaan, durfden wij toch niet bij den vertoornden
+man te komen. Deze zag er echter niet bijzonder boos uit, want hij deed
+niet anders dan lachen, -- lachen zonder ophouden.
+
+Help! -- Ik -- verdrink! -- Help -- O -- o! Help! Bob kroop
+ongetwijfeld vrij raar in zijn vaartuig rond, want het dobberde wild op
+en neer. Soms ging het aan den eenen kant geheel onder water, en dan
+hoorden wij van Bob niets meer, maar dan volgde er weder een geweldig
+dobberen, zoodat de golven tot aan de overzijde van de beek gingen, en
+dan hoorden wij hem weer om hulp roepen.
+
+O, -- help toch! Genade! Help! Ik verdrink! Ik stik! Brrr! Brrr! Ik....
+brrr!
+
+Nu kwam ook de vrouw van den schoenmaker naar buiten, om te zien, wat er
+toch aan de hand was. Ook de buren verlieten hunne huizen, zoodat er
+weldra een groote oploop ontstond.
+
+Maar toen zij vernamen, hoe Bob daar in die kaar alle pogingen deed, om
+zich boven water te houden, ging er een onbedaarlijk gelach op en scheen
+niemand medelijden met hem te hebben, dan alleen vrouw de Veer. Eerst
+lachte zij ook, maar spoedig ging zij naar haar man, en begon de kaar op
+het droge te trekken.
+
+Toe, Jaap, nu is 't genoeg, laat er den jongen nu uit. Hij heeft nu
+straf genoeg gehad.
+
+Help! Brrr! Brrr! O, ik verdrink! Brrr! klonk het uit de kaar.
+
+Zoo'n grooten visch heb je er nog nooit in gehad! riep een van de
+omstanders lachend den schoenmaker toe.
+
+Neen, daar heb je gelijk aan! Ha-ha-ha-ha! Wat vermakelijk! Kijk dat
+ding eens dobberen! Ha-ha-ha!
+
+'t Bevalt hem er niet! riep een ander.
+
+Brrr! Help toch, menschen, help! Brrr! Brrr!
+
+Toe man, haal er den jongen nu uit! 't Is nu mooi genoeg, toe!
+
+Nu, vooruit dan maar! zei de schoenmaker, die het nu ook tijd begon
+te vinden, om er een einde aan te maken. Nog altijd schuddende van het
+lachen trok hij de kaar op het droge. Wij zagen, hoe het water door de
+gaatjes in alle richtingen wegvloeide.
+
+Vrouw de Veer deed de wervels los -- en daar wipte Bob er uit, onder
+luid gejuich van de omstanders. Het water droop hem uit de kleeren.
+Schuw keek hij een oogenblik om zich heen, en toen glitste hij door het
+volk heen, -- naar zijn huis toe.
+
+Wat hadden de menschen een pret, en wat schaamde Bob zich. Hij moest
+ongetwijfeld geweldig veel angst hebben uitgestaan, want gewoonlijk was
+hij niet zoo heel gauw bang of zenuwachtig. Maar nu lazen wij den angst
+op zijn gelaat.
+
+Dat wij hem naliepen, spreekt van zelf. Maar hij wilde ons niet
+ontmoeten. Hij snelde regelrecht naar zijn huis, waarin hij door de
+keukendeur verdween. Wat daar nog met hem voorgevallen is, hebben wij
+nooit vernomen.
+
+Daar het al laat begon te worden, begaven ook wij ons naar huis. Toen
+ik 's avonds op bed nog eens aan het voorgevallene dacht, schoot ik
+onwillekeurig nog in den lach om het zotte figuur, dat de dappere Bob
+gemaakt had. Toch moest ik toegeven, dat hij loon naar werken had
+gehad.
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+ Waarin verteld wordt van een Zondag, die veel stof tot
+ spreken en voor de Van der Vliets ook veel stof
+ tot treurigheid gaf.
+
+
+De Zondag, die nu volgde, was voor de familie Van der Vliet een dag van
+groote droefheid en voor het geheele dorp een van groote ontsteltenis.
+Eerst scheen het voor de genoemde familie een geluksdag te zullen
+worden, want reeds vroeg in den morgen deden zij eene gelukkige vondst,
+maar al spoedig veranderde de blijdschap in groote treurigheid.
+
+Doch laat ik u geregeld vertellen, wat er gebeurde.
+
+'t Zal ongeveer half zes in den morgen geweest zijn, toen Trijn, de
+vrouw van Kees van der Vliet, ontwaakte. Nu verliep er bij haar tusschen
+ontwaken en opstaan nooit meer dan een enkel oogenblik, want zij was
+ijverig van aard, en hield er niet van, Zondags nog minder dan in
+de week, om laat met haar werk gereed te zijn. Integendeel, hare
+lijfspreuk was steeds: Hoe eerder gegaan, hoe eerder gedaan, en die
+spreuk bracht zij zooveel mogelijk in toepassing. Zoo ook nu op dezen
+Zondagmorgen. Zij stapte haar bed uit, wiesch en kleedde zich, en begon
+daarna met ijver aan hare gewone huiselijke bezigheden. Eerst werd de
+tafel opgeknapt en waschte zij de kopjes, en daarna nam zij stoffer en
+blik en begon den vloer aan te vegen. Kees en de kinderen lagen nog in
+bed. Wie beschrijft echter hare verbazing, toen zij bij de deur drie
+goudstukken zag liggen, die daar blijkbaar onderdoor waren geschoven.
+Eerst wist zij niet, of zij hare oogen wel kon gelooven, of zij wakker
+was of droomde, en zonder eene hand uit te steken om ze op te rapen,
+staarde zij met groote oogen op den schat, die zoo onverwachts haar deel
+geworden was. Want drie gouden tientjes vertegenwoordigden voor de arme
+ziel een kapitaal, waarvoor zij den diepsten eerbied koesterde. Zij was
+zoo gewoon hare inkomsten slechts bij stuivers en centen te ontvangen,
+dat dertig gulden voor haar een schat vertegenwoordigde, waarmede zij
+bijna zoo rijk werd als een koning.
+
+Wel een paar minuten bleef zij zoo onbeweeglijk op hare knien voor het
+geld zitten, zonder het aan te raken, maar toen begon zij langzamerhand
+tot kalmte te komen. Zij raapte de geldstukken op en riep:
+
+Kees! -- Kees!--
+
+Een dof gebrom uit de bedstede was het eenige antwoord.
+
+Kees! -- Kees dan toch! herhaalde zij met verheffing van stem. Kees!
+Word dan toch wakker! Kijk eens, wat ik hier gevonden heb. -- Een
+schat, Kees, drie gouden tientjes!
+
+H? -- Wat? vroeg Kees, die bij het hooren van die woorden geheel
+wakker werd en zijn geslaapmutst hoofd tusschen de bedgordijnen
+doorstak. Gevonden? Drie gouden tientjes? Maar dat is onmogelijk,
+Trijn, dat kan niet.
+
+Kan dat niet? Kijk dan maar eens hier, op mijne hand, daar liggen ze.
+Drie echte, gouden tientjes, wat ik je zeg!
+
+In een wip was Kees nu zijn bed uit. Haastig trok hij zijne kousen en
+wat kleeren aan, en zeide:
+
+Waarlijk! Dat zijn drie gouden tientjes! Geef eens hier, Trijn, laat
+eens hooren, of ze echt zijn. Er is tegenwoordig zooveel bedrog in de
+wereld, dat je haast niet te voorzichtig kunt wezen. Geef ze eens hier.
+
+Trijn gaf ze aan haar man en deze liet ze van eene tamelijke hoogte
+op de tafel neervallen, waar ze met zulk een helderen metaalklank op
+neerrinkelden, dat Jan van het ongewone geluid wakker werd. Dat ook hij
+niet weinig verbaasd was, behoeft niet te worden gezegd.
+
+In geuren en kleuren vertelde Trijn, hoe zij aan het werk was gegaan,
+precies zooals ze altoos gewoon was te doen, eerst de kopjes, toen de
+tafel, en daarna den vloer eene beurt gevende, tot zij plotseling het
+geld voor de deur vond liggen, blijkbaar door de hand van een weldoener,
+die onbekend wenschte te blijven, daar onderdoor geschoven.
+
+Ja vrouw, dat mag-je zeggen: een weldoener, wien wij niet dankbaar
+genoeg kunnen zijn. O, als ik wist wie hij was, ik ging dadelijk naar
+hem toe, om hem te bedanken voor zulk eene milde gift, die ons tot
+allerlei dingen in staat stelt, waarover wij vroeger wel eens mochten
+denken, maar waartoe wij nooit konden komen, omdat wij te arm waren. Nu
+gaan wij een winkeltje beginnen, Trijn.
+
+Een winkeltje? Dunkt je dat, Kees?
+
+Ja, een winkeltje, zeg ik. O, Trijn, wat heerlijk. Nu kan ik toch ook
+wat gaan verdienen, als jij uit werken bent, want er moet toch iemand
+zijn, die op den winkel past. Ik kan je niet zeggen, hoe het mij altoos
+tegen de borst heeft gestuit, dat jij eigenlijk den kost voor ons allen
+moest verdienen, Trijn, en dat ik altoos maar werkeloos moest blijven
+toezien, hoe jij je aftobde. Maar daar komt nu een einde aan. Voortaan
+zal ook ik geregeld mijn werk hebben, en als Jan van school gaat, dan
+kan hij gaan venten. Van zelf komen de klanten niet naar je toe, we
+moeten ze geregeld bezoeken. O Trijn, nu zullen voor ons de goede dagen
+eindelijk ook gaan komen.
+
+Trijn antwoordde niet. Zij stond in gedachten verzonken. Eindelijk zeide
+ze:
+
+Ja Kees, dat is alles goed en wel, en 't is een mooi ide van je, maar
+zie je, ik kan me maar niet begrijpen, wie het toch kan zijn, die ons
+zulk een groot cadeau geeft. Als er maar niet iets slechts achter
+schuilt. Nu ik er goed over ga nadenken, is het me precies, of we dat
+geld eigenlijk niet moesten aannemen. Ik ben er niet geheel en al gerust
+over.
+
+Niet gerust? -- Niet aannemen? vroeg Kees vol verwondering. En waarom
+zouden wij het niet aannemen? 't Is ons toch gegeven en we hebben het
+niet gestolen!
+
+Ja, dat is waar.
+
+En toen er den vorigen winter op een avond aan de deur geklopt werd, en
+wij bij het opendoen niets vonden dan eene mand vol levensmiddelen, die
+daar was neergezet, hebben wij toen een oogenblik getwijfeld, of wij dat
+wel zouden aannemen? Ik weet nog best, hoe blij je toen waart, Trijn.
+
+Geen wonder! We hadden ook geen kruimel meer in huis. En die mand werd
+ons thuisbezorgd.
+
+Juist, -- 't ging er precies mede als met dit geld. Een of ander
+weldadig mensch heeft het in alle stilte onder de deur doorgeschoven,
+wel wetende, dat wij het van morgen zouden vinden. Wie weet, of het niet
+van denzelfden gever komt, als die mand met levensmiddelen.
+
+Ja moeder, zeide Jan, of als dat lekkers, dat ons op St.
+Nicolaasavond door een onbekende werd thuisgezonden.
+
+Jelui hebt gelijk, zeide Trijn hoofdschuddend. Toch zou ik er voor
+zijn, er in elk geval den burgemeester kennis van te geven. 't Is zoo'n
+groote som.
+
+Voor ns is het eene groote som, dat is waar, maar wie weet, welk eene
+kleinigheid het voor den gever is, wie weet, over hoe grooten rijkdom
+hij te beschikken heeft. Neen, Trijn, ik ben er juist voor, om er tegen
+niemand van te spreken, en -- --.
+
+Dus geheim houden?
+
+Juist, als niemand het weet, kan niemand het er ons lastig over maken.
+'t Is eene eerlijke zaak, waar niemand mede noodig heeft. Wij huren een
+huisje dat geschikt is, om er een winkeltje in op te zetten, en slaan
+voor dit geld onzen noodigen voorraad in. Je zult zien, Trijn, hoe aan
+onze armoede nu een einde komt.
+
+Nu, 't is mij goed, -- hoewel ik er toch eigenlijk in mijn hart geen
+vrede me heb. Wie zou ons dat geld nu toch geschonken hebben? Ik kan
+het mij maar niet begrijpen! Dertig gulden! 't Is toch waarlijk geen
+kleinigheid, om die zoo maar weg te geven.
+
+Ja vrouw, 't is een raadsel, waarvan wij de oplossing niet weten.
+'t Zal echter wel eenmaal uitkomen, wie zoo goed voor ons geweest is,
+daar twijfel ik niet aan.
+
+Wist ik het maar, Kees, dan zou ik mij veel rustiger gevoelen. 't Is me
+nu precies, of er met dit geld iets is, dat niet richtig is.
+
+Gekheid! Dwaasheid, Trijn. Omdat het zulk een rijk cadeau is, maakt ge
+je zenuwachtig en angstig, doch geloof maar gerust, dat het voor ons
+bedoeld is. Hoe zou het hier anders in huis komen?
+
+Ja, ja, -- dat is waar; ik kan er niets tegen inbrengen.
+
+Dus we zullen er tegen niemand over spreken? Jan, jij houdt je ook
+stil, hoor!
+
+Ja, vader.
+
+Niemand behoeft er zijn neus in te steken, zeg ik maar; en 't is niet
+noodig, dat het heele dorp er zich mede bemoeit. De menschen babbelen
+altijd zooveel, veel meer, dan ze verantwoorden kunnen, -- en dat is nu
+niet noodig. Wat niet weet, deert ook niet.
+
+Met dit laatste stopwoord maakte Kees van der Vliet een einde aan de
+zaak. Het geld werd opgeborgen in een klein doosje, dat in de linnenkast
+werd gezet, en moeder Trijn ging met hare bezigheden voort. Dat de
+rijke vondst evenwel geen oogenblik uit hare gedachten was, en dat zij
+er onophoudelijk met haren man over sprak, behoeft niet te worden
+gezegd. En wat al plannen voor de toekomst werden er gesmeed, wat al
+luchtkasteelen gebouwd!
+
+Helaas, op hoe droevige wijze zouden al die illusien worden verstoord,
+en hoe zou de vreugde dezer arme lieden weldra verkeeren in droefheid.
+Hadden zij maar dadelijk van hunne vondst kennis gegeven aan den
+burgemeester, zooals Trijn dat had gewild, wat zouden zij dan voor veel
+ellende gespaard zijn gebleven, die nu hun deel werd.
+
+Want er was dien nacht in het dorp diefstal gepleegd. 's Morgens om elf
+uur, toen de kerk uit was, ging het gerucht daarvan als een loopend
+vuurtje door het dorp rond.
+
+'t Zal ongeveer half tien in den morgen geweest zijn, toen de Heer Valk,
+de directeur van het post- en telegraafkantoor, zijne woonkamer verliet,
+om zich naar het kantoor te begeven. Eerst ging hij nog een oogenblik
+in den tuin, om wat frissche lucht te happen, zooals hij dat noemde,
+hetgeen hij bij goed wer elken morgen gewoon was te doen. Na eenige
+oogenblikken rondwandelens echter werd zijne aandacht getrokken door
+het zijraam van het kantoor, dat half openstond, iets wat op dezen tijd
+van den dag nooit het geval was. Er was nog niemand op het kantoor
+aanwezig, dus f hij moest het den vorigen dag vergeten hebben te
+sluiten, f er had zich iemand toegang tot het kantoor verschaft, door
+het raam open te schuiven. Indien deze laatste veronderstelling juist
+was, moest er gestolen zijn.
+
+De Heer Valk spoedde zich dus naar binnen en vroeg in het voorbijloopen
+aan Geertje, de meid:
+
+Ben je van morgen al in het kantoor geweest?
+
+Neen, mijnheer.
+
+Weet je het zeker?
+
+Ja mijnheer, zoo zeker als twee maal twee vier is.
+
+Daarna opende hij de deur van de woonkamer, en vroeg aan zijne vrouw:
+
+Lize, ben jij al op 't kantoor geweest van morgen?
+
+Neen, waarom vraag je dat?
+
+Omdat het zijraam opengeschoven is. Jij dan, misschien, Cor?
+
+Neen pa, ik ook niet.
+
+Dan is de zaak niet in orde! riep de Heer Valk, terwijl hij zich met
+groote schreden verwijderde. Zijne vrouw en Cor volgden hem op den voet.
+
+Hij ontsloot de kantoordeur, waarvan hij den sleutel altoos bij zich
+droeg, en genadige hemel, -- ja, een enkele blik was voldoende om hem
+te overtuigen, dat zijn vermoeden juist was geweest. Er moest een dief
+geweest zijn. Het raam was opengeschoven, de sloten van zijn bureau
+waren geforceerd en een ijzeren geldkistje, dat daarin geborgen was
+geweest, was met geweld opengebroken. Het geld daaruit was verdwenen!
+
+Half verbrande lucifers lagen over den vloer verspreid, en uit enkele
+vetdruppels kon men opmaken, dat de dief zich van een eindje vetkaars
+had bediend.
+
+Wel verschrikkelijk! riep mevrouw Valk uit. Wie kan dat nu toch
+gedaan hebben? Hoeveel geld is er gestolen, Eduard? Toch niet veel, hoop
+ik?
+
+'k Weet het niet, maar ik zal het even nazien, antwoordde de
+directeur, die doodsbleek zag, binnensmonds. Wie had dt nu ooit kunnen
+denken! Zoo'n brutale dief. Wacht, hier is het boek. Laat zien: honderd,
+tien, twintig, dertig, en dertig is zestig en veertig -- 't is precies
+twee honderd gulden. Ja juist, nu herinner ik het mij: 't is twee
+honderd gulden, waarvan tien gouden tientjes, een bankje van zestig en
+een van veertig.
+
+Kijk pa, de postzegelkast is ook opengebroken.
+
+Waarlijk, -- dat ook nog! Dat moest er nog bijkomen! Zie eens aan, er
+is geen zegeltje overgebleven. Ook nog eene schade van een vijftig
+gulden ongeveer. Dat is een fraaie geschiedenis!
+
+'t Is verregaand brutaal! zei mevrouw, terwijl zij de handen van
+verbazing in elkaar sloeg. Ik zou dadelijk om den burgemeester sturen,
+lieve. Er moet direct werk van deze zaak gemaakt worden.
+
+Dat is waar, -- je hebt gelijk. Toe, Cor, ga dadelijk naar den
+burgemeester en verzoek hem hier te komen. Maar spreek tegen niemand een
+woord, van hetgeen hier voorgevallen is, begrepen?
+
+Ja, pa!
+
+En vlug, -- als de wind, hoor!
+
+Ja, pa!
+
+Cor vloog naar den burgemeester, en dat deze niet weinig ophoorde van
+hetgeen hij vernam, kan ieder begrijpen als ik vertel, dat er al sedert
+vele jaren iets dergelijks in ons dorp niet was voorgevallen.
+
+Hij begaf zich onmiddellijk met Cor naar het postkantoor, waar de
+directeur en zijne vrouw nog, doodsbleek van ontsteltenis, bezig waren,
+alle laden en kasten na te zien. Het bleek hun, dat alles van waarde
+verdwenen was, terwijl daarentegen de waardelooze papieren wel
+doorgesnuffeld maar verder ongeschonden gebleven waren.
+
+Dadelijk begon de burgemeester, geholpen door den directeur, een
+nauwkeurig onderzoek in te stellen naar hetgeen er gebeurd was, wat hij
+alles uitvoerig opschreef. Toen hij daarmede gereed was, vroeg hij:
+
+En zeg mij nu eens, mijnheer Valk, wien verdenkt gij nu eigenlijk van
+dezen diefstal? Of hebt gij tegen niemand eenig kwaad vermoeden?
+
+Neen, burgemeester, tegen niemand. Ik zou werkelijk niet weten, wien
+ik noemen moest. Een klerk heb ik niet, en onze dienstbode is de
+eerlijkheid in eigen persoon. Zij kan het niet gedaan hebben. Trouwens,
+u kunt u daarvan persoonlijk overtuigen door haar te ondervragen. Zij is
+op dit oogenblik nog geheel onbekend met hetgeen er gebeurd is. Hoor,
+zij zingt in de keuken als een lijster.
+
+Dat hebben er meer gedaan, die bij slot van rekening toch schuldig
+bleken te zijn. Vergun mij, dat ik haar een oogenblik ga spreken.
+
+De burgemeester verliet het kantoor en begaf zich regelrecht naar de
+keuken, waar Geertje bezig was met koffie malen. Zij zong daarbij het
+hoogste lied.
+
+Maar zoodra de burgemeester binnenstapte, op wiens komst zij allerminst
+voorbereid was, hield zij dadelijk met zingen op, en stamelde met een
+verlegen lachje:
+
+Gut, mijnheer de burgemeester, komt u in de keuken? Mijnheer en mevrouw
+zijn in de kamer, geloof ik, dus als u ze spreken wil....
+
+Neen, meisje, 't is mij om u te doen! sprak de burgemeester op
+gestrengen toon, terwijl hij haar diep in de oogen keek. Maar Geertje
+keek hem zoo onbevangen aan, dat hij dadelijk overtuigd was van hare
+onschuld.
+
+Om mij? vroeg zij: Wat is er van uw dienst, burgemeester?
+
+Waar ben jij van nacht geweest, meisje?
+
+Van nacht? vroeg Geertje lachend, want zij scheen die vraag zeer
+grappig te vinden. En op vroolijken toon liet zij er op volgen: Wel, op
+bed, burgemeester! Waarom vraagt u dat aan me?
+
+Omdat er dezen nacht hier in het kantoor ingebroken en gestolen is,
+Geertje! zei de burgemeester.
+
+Ingebroken! -- Gestolen! riep Geertje doodsbleek uit. Wel,
+verschrikkelijk!
+
+En zonder een oogenblik langer om den burgemeester te denken, verliet
+zij de keuken en ijlde naar het kantoor, waar zij, louter van
+ontsteltenis, luid begon te schreien. Het kostte mevrouw zelfs niet
+weinig moeite, haar tot bedaren te brengen.
+
+De burgemeester twijfelde nu geen oogenblik langer aan hare onschuld. Na
+enkele minuten verzocht hij haar zich weer naar de keuken te begeven, en
+zeide, toen zij vertrokken was:
+
+Zij is beslist onschuldig.
+
+Zooals wij u reeds vooruit gezegd hebben, viel mevrouw in. Neen, wij
+moeten den dief ergens anders zoeken.
+
+Dat merkt u terecht op, mevrouw; wij moeten hem ergens elders zoeken.
+Heeft u gisteren misschien andere menschen in uw dienst gehad?
+
+Gisteren? -- Neen, -- o ja, toch, kreupelen Kees en zijne vrouw; hij
+heeft den tuin opgeknapt, en zij werkt hier geregeld elken Zaterdag.
+Maar dat zijn ook doodeerlijke lieden, die tot diefstal, en dan nog wel
+gepaard met inbraak, allerminst in staat zijn.
+
+De burgemeester was dat blijkbaar niet geheel met haar eens, want hij
+zeide:
+
+Zoo, -- Kees van der Vliet en zijne vrouw. Ja, dat zijn wel eerlijke
+lieden, maar toch -- iemand moet het gedaan hebben, niet waar? Wanneer
+wij den dief willen snappen, schijnt het mij noodzakelijk toe, van
+niemand te denken, dat hij eerlijk is. Die menschen hebben immers geen
+gelegenheid gehad, zich hier gisteravond te laten insluiten?
+
+O neen, zei mijnheer Valk op beslisten toon, daar is geen sprake van.
+Zij zijn geen van beiden in het kantoor geweest en ik heb het zelf
+gesloten. Bovendien schijnt het mij bespottelijk toe, die menschen van
+diefstal te verdenken.
+
+Dat heeft u geheel en al mis, mijnheer Valk. In politiezaken is
+eene dergelijke gedachte in het geheel niet bespottelijk. Kan de
+brievenbesteller zich wellicht hebben laten insluiten? Of is er
+misschien iemand anders nog laat in het kantoor geweest?
+
+De postlooper komt hier nooit binnen, dan in heel enkele gevallen.
+Gisteren is hij niet verder geweest dan de deur. En bezoek heb ik niet
+gehad dan alleen van Arie de Zwaan, den neef van den koster, die hier
+alle avonden komt vragen, hoe laat het is. Zooals u weet, houdt de
+koster de kerkklok steeds gelijk met den tijd van het kantoor.
+
+Zoo, -- ja, juist, dat weet ik. Nu, wat dien Arie de Zwaan betreft, hem
+zou ik voor eene daad als deze niet te goed houden, -- en u?
+
+Ik ook niet, burgemeester. 't Is, geloof ik, een jongmensch, dat
+nergens te goed voor is. En nu ik mij goed bedenk, herinner ik mij, dat
+hij nog een poosje bij mij binnen is geweest, en dat wij een kwartiertje
+met elkaar hebben staan praten over koetjes en kalfjes. Het zal ongeveer
+acht uren geweest zijn, toen hij vertrok.
+
+Kan u mij nog meer inlichtingen geven? vroeg de burgemeester. U moet
+wel bedenken, dat van de kleinste kleinigheid soms het vinden van den
+dief kan afhangen.
+
+Ik heb u verder niets te zeggen.
+
+Dan is mijn werk hier afgeloopen. Ik geloof, dat het mijn plicht is,
+eerst een onderzoek in te stellen bij Kees van der Vliet en daarna bij
+Arie de Zwaan. En het zou mij niet verwonderen, als ik den dief vandaag
+nog snapte. Mevrouw, uw dienaar! Adieu, mijnheer Valk!
+
+Met eene buiging en een handdruk verliet het hoofd der gemeente de
+woning.
+
+Onmiddellijk daarop was de burgemeester, vergezeld van Tip, den
+veldwachter, naar het huisje van Kees van der Vliet gegaan, die met
+zijne vrouw aan de tafel zat. Zij dronken koffie, en waren bezig plannen
+te maken over hetgeen zij zouden doen met de gevonden goudstukken. Ook
+Jan was thuis, en Zus speelde op den grond. Zoodra Trijn de beide mannen
+zag naderen, werd zij zoo wit als een doek en begon zij te beven over al
+hare leden. Van den diefstal hadden zij nog niets vernomen.
+
+Daar is de burgemeester met den veldwachter, zeide ze tot Kees. O
+God, -- daar heb je 't al. Hadden wij het toch dadelijk maar gezegd!
+
+Waarom? -- Wij hebben het toch niet gestolen! zei Kees binnensmonds.
+Maar toch verbleekte ook hij.
+
+Op dit oogenblik werd de deur geopend en traden de beide mannen binnen.
+
+Goeden morgen! klonk hun groet kortaf.
+
+Kees stond eerbiedig op en nam zijne pet af, die hij ook in huis steeds
+ophad.
+
+Goeden morgen, mijnheer de Burgemeester! Goeden morgen, Tip!
+
+Hij schoof twee stoelen bij de tafel, en vervolgde:
+
+Wil u niet gaan zitten?
+
+De burgemeester scheen die uitnoodiging niet eens te hooren. Hij bleef
+midden in de kamer staan en nam met scherpen blik het geheele vertrek in
+oogenschouw. Nu was daar niet veel in te zien, want behalve eene tafel,
+enkele oude stoelen, eene groote staartklok en twee bedsteden was er
+niets dan een eenvoudig geverfd linnenkastje, dat Trijn indertijd
+gekocht had, toen zij als dienstmeisje een klein spaarpotje had gemaakt.
+Op dat kastje bleef eindelijk 's burgemeesters blik rusten, en het met
+den vinger aanwijzende, zeide hij tot den veldwachter:
+
+Tip, haal dat kastje eens leeg, en bekijk alles goed. Leg den inhoud
+hier uitgespreid op den grond.
+
+Tip begon reeds het bevel uit te voeren, toen Trijn een stap vooruit
+kwam, en zeide:
+
+Maar mijnheer de Burgemeester, dat lijkt wel huiszoeking. U denkt toch
+niet, dat we gestolen hebben, -- dat we dieven zijn?
+
+Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer de Burgemeester, voegde Kees er
+bij, terwijl hij zich bij de linnenkast plaatste, alsof hij Tip beletten
+wilde, het ontvangen bevel uit te voeren.
+
+Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer, die nog nooit iemand een cent te
+kort hebben gedaan.
+
+En daarom durven wij gerust iedereen in de oogen zien, want wij hebben
+ons voor niets of niemand te schamen, zei wer Trijn, terwijl haar de
+tranen in de oogen kwamen.
+
+En nu deze schande te moeten ondervinden. Wat zullen de menschen wel
+zeggen, als zij het hooren? Wie had nu ooit kunnen denken, dat ik dt
+nog eens beleven zou!
+
+Doe wat ik je gezegd heb, Tip, gebood de burgemeester. En gij, goede
+menschen, -- vervolgde hij tot Kees en diens vrouw, ik raad u aan,
+kalm en bedaard te blijven. Ik geloof inderdaad, dat gij eerlijke
+menschen zijt, en ben overtuigd, dat gij u voor niemand behoeft te
+schamen. 't Is dan ook slechts toeval, dat ik juist bij u huiszoeking
+kom doen. Doch daarin steekt volstrekt geen schande. Integendeel,
+wanneer ik straks van hier ga, zonder te hebben gevonden wat ik zoek,
+is dat het duidelijkste bewijs, dat gij onschuldig zijt!
+
+Maar wat is er dan toch gebeurd? vroeg Trijn. Want ik voel me in het
+geheel niet gerust, burgemeester. Nu u eenmaal hier is en dit onderzoek
+instelt, wil ik het u, -- neen, kn en 'mg ik het u niet langer
+verzwijgen, wat er van morgen hier gebeurd is.
+
+Hier iets gebeurd? vroeg de burgemeester. En tot Tip zeide hij:
+
+Niets dan kleeren; leg ze hier maar op den grond, en zoek bedaard
+verder. -- En wt is hier dan wel gebeurd, vrouw Van der Vliet?
+
+Wel burgemeester, toen ik van morgen den vloer aanveegde, vond ik dr
+onder de deur doorgeschoven, niet minder dan drie gouden tientjes, --
+hier, op deze zelfde plek, burgemeester, zoo waar als ik 't u zeg.
+
+Wat? -- H, wat zegt u? -- Drie gouden tientjes? En hebt ge die daar
+gevonden, op den vloer? Dat is al heel toevallig, moet ik zeggen.
+
+Ja, mijnheer de Burgemeester, zei Kees, ik lag nog rustig te slapen,
+ziet u, omdat het Zondagmorgen was, want dan slaap ik altoos wat langer
+dan in de week, toen Trijn me wakker schreeuwde en me drie gouden
+tientjes liet zien, die ze daar gevonden had.
+
+'t Is wel opmerkelijk, Trijn! zei de burgemeester met een ongeloovig
+gezicht, daar het geheele verhaal hem wat onwaarschijnlijk klonk. Er is
+dezen nacht inbraak gepleegd, gevolgd door diefstal, Trijn. Vind-je het
+nu zelf niet wat heel vreemd, dat hier drie gouden tientjes onder de
+deur doorgeschoven worden?
+
+'t Is wl kaseweel, zei Kees hoofdschuddend. Wonder kaseweel[1]. Dat
+moet ik zeggen.
+
+ [1] Casueel, bedoelde Kees.
+
+Doch Trijn begon te schreien. Zij was vrij wat schranderder dan haar
+echtvriend, en doorzag veel beter dan hij de treurige gevolgen, die deze
+zaak voor hen kon hebben.
+
+Zoek goed, hoor Tip. Me dunkt, dat we hier meer zullen vinden, dan we
+ons voorgesteld hebben.
+
+Hier vind ik een klein doosje, burgemeester, weggestopt achter een
+stapeltje kleren. Wil u het openen?
+
+Geef maar hier.
+
+De burgemeester ontdeed het van het deksel, en ontwaarde de drie
+goudstukken, die Trijn daar enkele uren geleden ingelegd had.
+
+Ha, ha! Het raadsel begint opgelost te worden, zei hij, terwijl hij
+Trijn scherp onderzoekend aankeek. Dat had ik niet van u gedacht, vrouw
+van der Vliet; ik heb u altoos voor eene door en door eerlijke vrouw
+gehouden, niet in staat tot iets, dat slecht was. En moet ik nu bij u
+gestolen geld vinden? Kom, arme ziel, want ik heb medelijden met u, maak
+de zaak niet erger dan zij al is, en zeg mij de volle waarheid. Wie
+weet, wat ik dan wellicht nog voor u doen kan. Gij hebt het geld
+weggenomen, niet waar? Spreek de waarheid, vrouw, en bezwaar uw geweten
+niet door nog te liegen.
+
+Trijn barstte in zenuwachtig snikken uit, zoo hevig, dat het haar het
+spreken belette. Doch toen zij zichzelve meester geworden was, riep ze
+uit, terwijl ze hare rechterhand ophief, als om den hemel tot getuige te
+roepen:
+
+Zoo waarachtig als er een Heer in den Hemel is, ik ben onschuldig,
+mijnheer de burgemeester!
+
+Bij het hooren van die plechtige woorden barstte ook Jan in tranen uit,
+en toen Zus moeder en broeder zag schreien, verhief ook zij hare stem.
+'t Was een treurig tooneel.
+
+De burgemeester haalde de schouders op en gaf den veldwachter een wenk,
+met zijn onderzoek voort te gaan, wat deze dan ook deed.
+
+Vrouw Van der Vliet viel op een stoel neder, bij de tafel, en bedekte
+haar gelaat met haar boezelaar.
+
+Ik ben onschuldig! riep zij door hare tranen heen. Ik ben onschuldig,
+zoo onschuldig als dit kleine kind! Maar u gelooft me niet, u luistert
+niet eens naar me. O, had ik het u toch dezen morgen maar dadelijk
+gezegd!
+
+Zij nam kleine Zus op haar schoot, en kuste haar.
+
+Arm, onschuldig kind, arme lieveling! schreide ze. Nu zullen ze je
+moeder nog van je weghalen en in de gevangenis zetten, -- en wie zal er
+dan voor jou zorgen...
+
+'t Zl niet gebeuren! Moeder, ik zal.....
+
+Zoo riep Jan schreiend uit, terwijl hij zich met gebalde vuisten naast
+zijne moeder plaatste, als om haar te verdedigen.
+
+Stil, kind, stil! Wij kunnen er niets tegen doen. O, burgemeester, zoek
+toch maar niet langer, want gij zult niets meer vinden, dat bezweer ik
+u, dan de enkele stuivers, die Kees en ik gisteren bij mijnheer Valk
+hebben verdiend. Waarachtig, mijnheer, 't is de waarheid -- ik lieg u
+niets voor, niets--
+
+De kast was nu doorzocht, en de veldwachter begon nu de beide bedsteden
+te inspecteeren; daarna kwam de provisiekast aan de beurt, die al
+bijzonder weinig bevatte, en toen werd zelfs de groote klok doorzocht,
+maar tevergeefs; het overige geld werd niet gevonden.
+
+De burgemeester deed nog eenmaal eene poging, om Trijn tot bekentenis te
+brengen, doch zij volhardde bij hetgeen zij gezegd had. Het geld had zij
+gevonden op den vloer van hare kamer, vlak bij de deur, en hare eenige
+fout was, dat zij er niet dadelijk kennis van gegeven had. O, had zij
+het maar gedaan.
+
+Ook Kees werd scherp ondervraagd, doch hij kon niets anders zeggen, dan
+hetgeen zijne vrouw had verklaard. Zelfs Jan werd onder handen genomen,
+doch met hetzelfde gevolg. De burgemeester maakte van zijne bevindingen
+proces-verbaal op, en ging heen, het arme gezin in de grootste
+verslagenheid achterlatende.
+
+Nu werd eene huiszoeking gedaan ten huize van den koster, den oom van
+Arie de Zwaan. Doch hoe zorgvuldig het geheele huis ook werd doorzocht,
+er werd niets verdachts gevonden. Arie leidde den burgemeester zelf
+overal rond en eigenhandig opende hij alle laden en kasten, om het
+onderzoek gemakkelijker te maken, waarbij voortdurend een eigenaardig
+lachje zijn gelaat ontsierde, hetgeen den burgemeester niet ontging en
+hem onaangenaam stemde.
+
+Wat een schurkengezicht heeft hij toch! dacht hij bij zichzelven, maar
+hij wachtte zich wel, die gedachte onder woorden te brengen.
+
+Onder het naar huis gaan, zeide de veldwachter tot zijn meester:
+
+Op het uiterlijk afgaande zou ik den dader eerder hier zoeken, dan bij
+Van der Vliet, burgemeester.
+
+Ja, ik ook -- maar Tip, schijn bedriegt, zooals je weet.
+
+Juist burgemeester, -- zou dat ook nu niet het geval zijn?
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+ Wat er alzoo op een regenachtigen Zondagmiddag gebeurde.
+ Hoe Bob in een Woesten Gier veranderde, voor Pieter
+ een kuil groef en er ten slotte zelf in viel.
+
+
+Het verhaal van hetgeen ik u in het vorige hoofdstuk verteld heb, ging,
+zooals ik zeide, als een loopend vuurtje door het dorp rond. Pa vertelde
+het ons in geuren en kleuren toen hij uit de kerk kwam, en hij wist het
+uit eene goede bron, want hij was den burgemeester tegengekomen, en deze
+had het hem verteld.
+
+Wat was er toen op ons dorp veel stof tot spreken, en wat hadden sommige
+menschen verbazend veel te zeggen van de Van der Vliets, wier naam
+plotseling op aller tong zweefde. Sommigen beweerden zelfs, dat zij ze
+nooit hadden vertrouwd, dat zij altoos wel gedacht hadden, dat het
+slecht met hen zou afloopen en dat zij ze voortaan zelfs voor geen
+halven cent vertrouwen zouden schenken. 't Was eene echte dievenfamilie,
+waarin geen greintje goeds stak.
+
+Toen ik dat thuis vertelde, keek pa me vrij boos aan en zeide op
+gestrengen toon:
+
+Jij denkt toch zeker zoo niet, Dorus? Wees toch, wat ik je bidden
+mag, nooit voorbarig in je oordeel. 't Kan nog best uitkomen, dat die
+menschen even onschuldig zijn als jij of ik. Maar de wereld oordeelt
+altoos verbazend oppervlakkig en onbarmhartig. 't Is eene schande!
+
+Nu, dat vond ik ook, maar wr is het toch, dat maar weinig menschen
+spraken zooals pa. Iedereen, dien ik er over hoorde, zeide: 't Is toch
+maar slecht volk, die Kees en zijne vrouw, en 't is maar goed, als ze
+achter slot en grendel worden gezet. Zulk volk is gevaarlijk!
+
+Zij bleven den geheelen dag binnenshuis, zelfs Jan, die anders altoos
+bij zijne kameraden was, kwam niet buiten. Wat moeten die menschen zich
+hebben geschaamd, vooral toen 's middags zich veel meer wandelaars op
+hun achterweg vertoonden dan in gewone omstandigheden. Blijkbaar wilde
+iedereen eens zien, hoe zij zich wel hielden, maar niemand had er
+pleizier van, want de gordijntjes waren dichtgeschoven en er was
+dientengevolge niemand te zien.
+
+Ik had innig veel medelijden met hen, en Karel Holm, met wien ik
+'s middags wandelde, evenzoo. Het ergerde ons te zien, hoe de menschen
+allen juist voorbij het huisje van gebrekkigen Kees gingen wandelen, en
+wij waren er blij om, toen het 's middags vrij erg begon te regenen,
+zoodat iedereen huiswaarts moest keeren. Na eenig weifelens besloten
+Karel en ik Bob een bezoek te gaan brengen, dien wij nog niet gezien
+hadden na zijn onvrijwillig bad in de vischkaar. Als wij daarover
+spraken, moesten wij telkens nog lachen, dat het schaterde.
+
+Bob schaamde zich zeker, want gewoonlijk was hij in huis niet te houden.
+En nu was hij in geen velden of wegen te zien. Wij besloten hem eens
+geducht te plagen.
+
+Nauwelijks hadden wij aangebeld, of Bob deed ons zelf open.
+
+Dag Dorus! Dag Karel! Kom binnen. Zeg jongens, wat zit ik akelig
+opgescheept met een neef van me, die gisteravond onverwachts met zijne
+Moe bij ons is komen logeeren. Bah, 't is zoo'n vervelende jongen. Hij
+ziet er uit als een zeemlap en hij zit op zijn stoel, of hij een stok
+heeft doorgeslikt. Ga-je me, dan zal ik je hem eens laten zien. Maar
+niet lachen, hoor!
+
+Nu, die raad had een verkeerd gevolg, want nu moesten wij juist lachen,
+toen wij binnen kwamen. Maar wij wisten ons te bedwingen. Wij gaven
+mijnheer en mevrouw de Wild de hand en bogen zoo deftig als wij konden
+voor Bobs tante, die wij mevrouw Van Koorde hoorden noemen. Daarna gaven
+wij ook neef eene hand, die door Bob aan ons werd voorgesteld als Piet
+van Koorde.
+
+Met uw verlof, lieve neef, klonk het afgemeten uit den mond der tante,
+mijn zoon heet Pieter, en geen Piet. Ik verzoek u wel, zijn naam voluit
+te noemen. Ik houd niet van dergelijke afkortingen.
+
+Juist, tante, dat meende ik ook te zeggen: Pieter van Koorde. Neem me
+niet kwalijk, als 't u belieft.
+
+Wij keken Bobs tante eens aan, en zagen dat zij eene buitengewoon
+statige dame was, die zoo recht als eene kaars op haar stoel zat. Zij
+scheen ons bijna te deftig toe, om zich te bewegen. En haar zoontje, die
+evenals zij lang, bleek en mager was, geleek in alle opzichten op zijne
+deftige moeder.
+
+Rechtop zitten, Pieter! Hoe dikwijls heb ik u dat al niet gezegd!
+zeide mevrouw van Koorde, met een gestrengen blik op haar zoon.
+
+Ja, Mama! klonk het antwoord, en Pieter rekte zich nog langer uit, dan
+hij al deed.
+
+Bob keek ons van ter zijde aan en knipoogde tegen ons met een leuk
+gezicht, zoodat wij ons lachen bijna niet konden houden.
+
+Mijnheer de Wild merkte dat gelukkig op en kwam ons te hulp.
+
+Wel jongens, vroeg hij ons lachend, heb jelui gisterenavond ook in de
+vischkaar van den schoenmaker gezeten, evenals Bob?
+
+Wij lachten nu eens ferm uit, en Karel zeide:
+
+Neen, mijnheer, -- dank u! Dat laten we aan Bob over.
+
+Plotseling klonk het uit den mond der tante:
+
+Maar broeder Marinus, hoe kunt ge nu toch uw zoon bij zulk een
+vreeselijken naam laten noemen? Hij heet toch immers geen Bob, -- wat
+ik afschuwelijk vind, maar Robert.
+
+Ja Tante, zei Bob, ik heet Robert Adrianus de Wild, maar de jongens
+noemen mij altijd Wilden Bob. Vind u dat zoo'n leelijken naam?
+
+Rechtop zitten, Pieter! -- Wilden Bob! O, verschrikkelijk! 'k Wou niet
+graag, dat mijn jongen zoo genoemd werd. Bob is al erg genoeg, maar
+Wilde Bob! 't Is afschuwelijk, -- ik zou het niet dulden, broeder
+Marinus!
+
+Wat zal ik er van zeggen? zei mijnheer de Wild met een licht
+schouderophalen. De jongens noemen hem nu eenmaal zoo, en ik kan er
+weinig aan veranderen.
+
+Zeg Bobbertje! viel Karel Holm in. Hoe beviel het je gisteren in die
+vischkaar?
+
+Mevrouw van Koorde sloeg hare oogen van ontzetting ten hemel.
+
+Bobbertje! mompelde zij, Bobbertje! 't Wordt waarlijk nog erger!
+Mijne ooren doen er pijn van. Zit toch rechtop, Pieter, en houd den mond
+gesloten, zooals het behoort.
+
+Ja, Mama! zei Pieter, die onbeweeglijk op zijn stoel zat, met het
+hoofd in volslagen rust boven zijn staand boortje.
+
+En wat praat ge toch van eene vischkaar? vroeg tante aan mevrouw de
+Wild, die met een glimlachje naar het gesprek zat te luisteren.
+
+Och, Bob -- Robert wil ik zeggen, -- is gisteren bij het verstoppertje
+spelen in eene vischkaar gekropen, die aan den kant van het water lag,
+en toen is de schoenmaker gekomen en heeft hem in het water geworpen.
+
+Dat is eene beleediging van dien man, lieve, hernam Tante met
+verontwaardiging. Ik zou dien man aanklagen bij het gerecht. Hoe durft
+zoo'n schepsel zoo iets doen? Hoewel ik moet zeggen, dat het van Robert
+ook eene vrij zonderlinge keuze was, om in eene vischkaar te kruipen. Ik
+zou mijn jongen, als ik hier woonde, zoo maar niet met Jan en alleman
+op de straat laten spelen. Niet waar, Pieter, jij houdt niet van
+dergelijke spelletjes?
+
+Neen, Mama!
+
+En jij gaat liever met mij wandelen, niet waar?
+
+Veel liever, Mama!
+
+Tante keek met een triomfantelijken glimlach om zich heen. O, zij wist
+het wel, dat haar Pieter een door en door fatsoenlijke jongen was.
+
+Ja, lieve, vervolgde zij tot hare schoonzuster, dat is nu
+zijn liefste werk. En dan moest u eens zien, hoe lief hem zijn
+glac-handschoentjes staan en hoe zwierig hij met zijn wandelstokje
+zwaait. Toe Pieter, haal je rottinkje eens uit de porte-manteau en laat
+hem eens zien.
+
+Ja, Mama!
+
+Pieter stond op en kwam weldra met zijn rotting terug, die nu natuurlijk
+van hand tot hand ging, en door iedereen bewonderd werd, wat van zelf
+spreekt.
+
+Hij zwiept lekker! zei Bob, die hem zoo krom mogelijk maakte en toen
+plotseling aan den eenen kant losliet, wat het gevolg had, dat het losse
+eindje met kracht tegen het linkerbeen van Pieter terecht kwam. 't Deed
+hem zeker nog al pijn, want hij sprong wel een halven meter in de
+hoogte, en riep:
+
+Au! Au!
+
+Excuseer! Excuseer! riep Bob, quasi ontsteld uit, want de deugniet had
+het met voordacht gedaan. Dat spijt me, neef Pieter. Doet het erg
+pijn?
+
+Au! Au! zei Pieter nog eens, terwijl hij het pijnlijke deel zonder
+ophouden wreef.
+
+Ga zitten, Pieter! zeide mevrouw van Koorde. Neef Robert kon het niet
+helpen, zegt hij immers.
+
+Bij die woorden keek zij neef Robert echter in het geheel niet
+vriendelijk aan.
+
+Het zwiept veel erger, dan ik dacht, zei Bob.
+
+Het zweept, moet je zeggen, lieve neef! zei Tante. Zwiepen is geen
+woord; dat zeggen koetsiers.
+
+Mijnheer de Wild vond het tijd een einde aan het gesprek te maken.
+Misschien was hij wel bang, dat Bob nog meer dergelijke grappen zou
+uithalen. Hij zeide daarom:
+
+'t Blijft maar regenen, jongens. Dat is jammer voor jelui, want nu heb
+je huisarrest.
+
+Wat ik zeer goed acht, lieve broeder, zei Tante op haar deftigsten
+toon. Ik zou niet graag zien, dat mijn Pieter hier ook met Jan en
+alleman ging spelen en misschien eindelijk ook nog in eene vischkaar
+kroop. 'k Heb liever, dat hij binnen blijft.
+
+Juist, dat bedoel ik ook. Zou jelui niet naar de speelkamer gaan? Daar
+heb je allerlei speelgoed en een tal van boeken tot je dienst.
+
+Ja jongens, ga je me? vroeg Bob opstaande.
+
+Karel en ik volgden zijn voorbeeld, maar Pieter bleef zitten. Blijkbaar
+wist hij niet, of zijne Mama het wel goedvond, of misschien wel ontbrak
+hem de lust.
+
+Ga jij niet me? vroeg mijnheer de Wild, toen hij zag, dat hij bleef
+zitten.
+
+Je moogt medegaan, Pieter, zeide zijne Mama met een genadig knikje.
+
+Jawel, Mama!
+
+Pieter stond op en volgde ons de trap op, naar Bobs kamer, waar Karel,
+Bob en ik weldra als drie gekken over den vloer lagen te rollen, daarbij
+schuddende van het lachen.
+
+Pieter stond ons in de grootste verbazing aan te staren.
+
+Waarom lach-jelui zoo? vroeg hij min of meer beleedigd.
+
+Om je mooie boordje! grinnikte Karel.
+
+En om je prachtigen wandelstok! lachte Bob.
+
+Omdat je er zoo aardig uitziet! zei ik.
+
+Jelui bent niet wijzer! zei Pieter. In de stad zijn wij natuurlijk
+anders gekleed, dan hier op dit dorpje, en dat ook onze manieren fijner
+zijn, dan hier, spreekt van zelf. Je moest eerder huilen dan lachen.
+
+Kan jij boksen? vroeg Bob, die plotseling voor zijn neef kwam staan,
+en hem met zijne beide vuisten op zijne borst ging stompen.
+
+Au! Neen, -- boksen -- au -- kan ik niet. Au! -- Au!
+
+Dan zal ik het je leeren! Toe j, stomp terug, of jij krijgt alles
+alleen. Z moet je doen!
+
+Au! -- Au! riep Pieter, die niet wist, waar hij zich bergen zou.
+Houd-op, Robert, au! Ik doe -- au! -- jou immers -- au! -- ook niets!
+
+Neen, dat doe je juist niet, en dat is dom van je. Je moet terugboksen,
+neef, of er blijft niets van je heel, zelfs je boordje niet!
+
+Houd maar op, Bobbertje, riep Karel zijn vriend toe. Zoo is er toch
+geen aardigheid aan; hij verroert geen vin. Wat zullen we eens gaan
+doen?
+
+Bob hield met boksen op.
+
+Een mooi spelletje? vroeg hij. 't Is jammer, dat het zoo regent,
+anders konden we in den tuin om het hardst gaan loopen op onze stelten.
+Maar nu weet ik niets. Wat wil jij graag doen, neef Pieter?
+
+Bob drukte vooral sterk op de laatste lettergreep.
+
+Je houdt me voor den gek, Robert, zei hij.
+
+Zeg jij maar gerust Bob, hoor! klonk het terug. Maar weet jij geen
+mooi spelletje?
+
+Ik niet; wij spelen nooit.
+
+Zoo, -- zeg jongens, ik weet wat. Wacht maar even, dan zal ik je eens
+laten zien, wat ik vanmorgen in eene oude kist op den zolder gevonden
+heb. 't Is wat prachtigs!
+
+Wat dan? vroegen wij.
+
+Ja, wacht maar, -- dan zal ik het je laten zien. 't Is bepaald nog iets
+uit den jongen tijd van Pa, want tegenwoordig doet hij er niet meer
+aan.
+
+Bob ging naar de kast, waarin hij al zijne schatten bewaarde, en kwam
+weldra te voorschijn met eene prachtige pijp. Deze bestond uit een
+mooien kop, die het model had van een Turk, met een langen baard en een
+breeden tulband, en daarin was een lange steel van bamboes gestoken.
+'t Was werkelijk eene bijzonder mooie pijp, die indertijd stellig veel
+geld moest gekost hebben. De steel bestond uit wel vijf deelen, die in
+elkander geschroefd konden worden. Ik had nog nooit zoo'n lange pijp
+gezien.
+
+Vind-je haar niet prachtig? riep hij ons toe, terwijl hij het mondstuk
+tusschen de lippen nam en smakte als een oude smoker.
+
+Bijzonder mooi, Bob. Zou die van je Pa geweest zijn?
+
+Ik denk het wl, want Pa rookte vroeger eene pijp. Tegenwoordig niet
+meer, omdat hij er niet goed tegen kan. Zeg, jongens, willen we eens
+rooken?
+
+Bah, rooken! zei neef Pieter met een vies gezicht, waarop de diepste
+minachting te lezen stond. Wat zou Mama wel zeggen, als zij het zag?
+
+Mama ziet het niet! zei Bob leuk. En als jij het niet verklapt, komt
+niemand het te weten. Je bent toch geen klikspaan, hoop ik?
+
+Neen, -- klikken doe ik niet.
+
+Dat is de eerste deugd, die ik in je opmerk, zei Bob, met zijn bekend
+knipoogje tegen ons. Willen we het doen, jongens?
+
+Heb-je tabak? vroeg ik.
+
+Dat zou ik meenen, -- een ons fijne tabak, van de fijnste, die ik
+krijgen kon. Zie maar eens hier.
+
+Bob verdween weer in de kast en kwam met een zakje tabak terug, hetwelk
+hij met een trotsch gebaar omhoog hield.
+
+Dat is portorico! zei Karel. Zwaardere tabak bestaat er niet.
+
+Best mogelijk, zei Bob, maar ze rookt uitstekend. Hij begon nu de
+pijp te stoppen, wat hem nog ver van handig afging. Hij had er al zijne
+aandacht en zijne beide handen voor noodig, en het duurde wel driemaal
+zoo lang als noodig was.
+
+Zie zoo, zei hij, toen hij eindelijk klaar was, nu gaan we met ons
+vieren op den vloer in een kring zitten, en rooken als Turksche pacha's.
+Hier heb ik een doosje lucifers.
+
+Maar ik doe niet me, zei Pieter. Rooken is vergif en staat bovendien
+in het geheel niet fatsoenlijk.
+
+Dan zullen wij het onfatsoenlijk doen, Pietje! zei Bob. Weet je, wat
+jij intusschen wel kunt doen?
+
+Nu, wat dan?
+
+Wel, trek je glac-handschoentjes aan, neem je stokje in de hand en
+wandel dan met een heel trotsch gezicht om ons heen. Dan ben jij de
+heer en wij stellen de arme duivels voor, op wie jij dan uit de hoogte
+neerziet. Dat kan prachtig worden. Kom Dorus en Karel, het spel gaat
+beginnen. Wij nemen een lucifer, -- Bob voegde de daad bij het woord,
+-- schrappen hem aan, -- en pmmm, pmmm, pmmm, wat drommel, die tabak
+wil niet! Hoe kan dat nu wezen? Vanmorgen ging het zoo best.
+
+Laat mij eens probeeren! zei Karel.
+
+Bob gaf hem de pijp.
+
+Maar Karel, die er veel verstand van had, want als zijn Pa en zijne Moe
+het niet zagen, rookte hij wel eens een cigaretje, -- Karel kon het ook
+niet.
+
+De pijp zit verstopt. Je hebt er de tabak veel te vast ingedrukt, zei
+hij.
+
+Dan moet ze er weer uit, zei Bob.
+
+Hij nam zijn mesje en maakte den kop weer leeg. Piet, die intusschen wat
+rondgeloopen en ons met een schuin oog bespied had, kwam langzamerhand
+wat naderbij en nam eindelijk ook in den kring plaats.
+
+Bob knikte hem goedkeurend toe, stopte de pijp opnieuw, schrapte
+nogmaals een lucifer aan, en ha -- daar dwarrelden de rookwolken
+omhoog.
+
+Wij staarden het bedrijf van onzen vriend Bob met bewondering aan,
+hetgeen hij, geloof ik, zelf ook deed.
+
+Nu zijn we Indianen, die de vredespijp rooken! riep hij ons
+opgetogen toe, want hij was in het gelukkige bezit van eene sterke
+verbeeldingskracht.
+
+Ooah! riep hij uit. Wat wil mijn bleeke broeder?
+
+Bij die woorden keek hij neef Piet met groote oogen aan en blies
+hem dichte rookwolken in het gelaat, zoodat de bleeke broeder begon
+te hoesten en te proesten van belang. Nu was de gegeven naam op
+Piet volkomen van toepassing, want hij had eene verbazend bleeke
+gelaatskleur, iets wat van Karel of mij niet gezegd kon worden. Wij
+hadden kleuren als boeien!
+
+Piet antwoordde niet op Bobs vraag, wat tengevolge had, dat hem eene
+tweede groote rookwolk werd toegeblazen en het Indianen-opperhoofd hem
+nogmaal toevoegde:
+
+Ooah! Waarom zwijgt mijn bleeke broeder? Wat wenscht hij? Mijn bleeke
+broeder spreke!
+
+Kuche -- kuche -- kuche -- niets -- ik -- kuche ik wensch niemendal! --
+H, je doet me bijna stikken! riep Piet, terwijl hij met zijne beide
+handen den rook van zich afweerde.
+
+Karel en ik gierden het uit van de pret. Doch Bob bleef onverstoorbaar
+doorrooken.
+
+Ooah! zeide hij, mijn bleeke broeder is verstandig; hij is geen
+klapachtige vrouw, die zijne geheimen verraadt. Mijn broeder is een
+groot opperhoofd en een wijs man. Pffff!
+
+Bij dit pfff blies hij den armen Piet weer zulk eene geduchte rookwolk
+toe, dat bijna niets meer van hem te zien was. Daarna reikte hij hem de
+pijp toe en zeide op plechtigen toon:
+
+Dat mijn broeder de pijp des vredes rooke!
+
+Wat? -- Ik rooken? riep Piet verschrikt uit, maar toch keek hij de
+pijp met begeerige blikken aan. O, neen, dat doe ik niet -- dat heb ik
+nog nooit gedaan!
+
+Verlangt mijn broeder den strijd? riep Bob met woedende blikken uit,
+terwijl hij de vuisten balde en ze zijn neef vlak onder den neus hield.
+
+Strijd? O neen, -- geen strijd! zei Piet, die nog aan de bokskunst van
+Bob dacht.
+
+De Woeste Gier is een groot opperhoofd! zei Bob, op zichzelven
+wijzende. Hij heeft vele scalpen en de jonge krijgslieden zingen zijn
+lof. Hij wenscht met zijn bleeken broeder de vredespijp te rooken.
+
+Nogmaals hield hij Piet de pijp voor. Deze greep hem aan en -- rookte,
+tot groot vermaak van ons alle drie, want wij begrepen heel goed, wat
+Bob in zijn schild voerde. En al hadden wij het niet begrepen, dan zou
+zijn geheimzinnig knipoogen het ons wel verraden hebben.
+
+Het scheen Piet, nu hij eenmaal aan den gang was, uitstekend te
+bevallen, want hij dampte, dat het een lust was, om te zien. Hij werd nu
+zelfs grappig, want hij blies Bob groote rookwolken in het gelaat en
+zeide:
+
+Het bleeke opperhoofd groet zijn broeder den Woesten Gier, wiens
+dapperheid over de geheele wereld bekend is. Het bleeke opperhoofd biedt
+hem zijn vriendschap aan.
+
+Nu, dat viel ons mede van Piet. Wij hadden niet gedacht, dat hij zoo
+goed mede kon doen. Wij knikten hem daarom goedkeurend toe, wat hem
+blijkbaar niet onwelgevallig was, althans, hij begon nog veel sterker
+te dampen, zoodat de kamer wel een rookhol geleek, en vervolgde:
+
+Wanneer keert mijn roode broeder naar zijne wigwam weder?
+
+En plotseling uit zijn rol vallende, zeide hij:
+
+Zeg Bob, dat rooken valt me bijzonder me. 't Gaat heel gemakkelijk, en
+'t smaakt goed. Volstrekt niet erg bitter, zooals ik altijd dacht.
+
+Zoo, is 't waar? En wanneer wordt het onze beurt? vroeg Karel. Of ben
+je van plan, de heele pijp leeg te rooken?
+
+Ik heb tabak genoeg, Karel, zei Bob. Als de pijp leeg is, stoppen we
+haar weer, en dan kan-je zooveel rooken als je wilt.
+
+En plotseling zijne knien optrekkende en het hoofd daarop doende
+rusten, vervolgde hij weer als Indianen-opperhoofd:
+
+Als de zon driemaal in de zee zal zijn neergedaald, zal de Woeste Gier
+terugkeeren naar zijn wigwam; dan zullen de jonge krijgers hunne
+oorlogsliederen zingen.
+
+Gaat mijn broeder ten strijde? vroeg Piet, steeds voortdampende.
+
+De bleeke mannen hebben onze jachtvelden betreden en hebben mijne roode
+kinderen gedood! zei Bob somber.
+
+O, dat zij vreezen voor onze wraak! De roode mannen zijn dapper. Zij
+vreezen den dood niet.
+
+Zeg Bob, zei Piet opeens, en zijne oogen stonden ver van vroolijk. Ik
+geloof nooit, dat dit beste tabak is. Er komt zulk een vreemde smaak
+aan.
+
+Malligheid! De tabak is wel goed, maar de rooker deugt niet. Je kunt er
+niet tegen, neefje, denk ik.
+
+Of ik! zei Piet, die weer dapper begon te trekken, en nogmaals ons
+allen de rookwolken in het gelaat blies. Maar spoedig hield hij er mede
+op.
+
+Ah bah! zeide hij, terwijl hij de pijp met alle teekenen van afkeer
+neerwierp. Wat smaakt dat leelijk!
+
+En eerst vond je het zoo lekker? zei Karel lachend.
+
+Eerst, -- o ja, maar 't wordt hoe langer hoe leelijker. Bah, wat word
+ik akelig.
+
+Piet stond op en begon onrustig door de kamer te loopen. Hij was nu in
+den volsten zin van het woord een bleekgezicht, want hij had geen kleur
+meer op zijn gelaat. En wat stonden zijne oogen flets!
+
+Voortdurend hoorden wij hem diepe zuchten slaken. Blijkbaar werd hij
+meer en meer onpasselijk. Nu moet ik eerlijk zeggen, dat wij niet veel
+medelijden met hem hadden, en dat wij hem geducht voor den gek hielden.
+
+Wat doet mijn bleeke broeder vreemd! zei Bob plagend. Zoekt mijn
+bleeke broeder iets?
+
+Hij zoekt eene pijp! zei Karel. Hij wenscht de vredespijp te rooken.
+
+Loop rond! zei Piet nijdig, als jelui voeldet, wat ik voel, hier --
+in mijne maag, dan zou je zoo grappig niet zijn. Ah bah, wat word ik
+misselijk!
+
+Pas dan op je schoone boordje, Pieter, was de vriendelijke raad van
+Bob, die de pijp opnieuw stopte, en haar aan Karel en mij gaf, opdat ook
+wij gelegenheid zouden hebben, er van te genieten.
+
+Trek je handschoenen aan, Pieter, en neem je rotting in de hand, dan
+maak je een prachtig figuur, zei Karel dampende.
+
+O, -- wat ben ik ziek, zuchtte Pieter, die onrustig de kamer op- en
+neerliep. Die ellendige tabak! Ik wou, dat ik ze nooit gezien had.
+
+'t Smaakt heerlijk! zei Karel, groote rookwolken uitblazende.
+
+Dat schijnt wel, zei ik. Wanneer kom ik nu aan de beurt?
+
+Asjeblieft, hier heb je haar. Je moet flink doortrekken, Dorus, dan
+gaat het 't best.
+
+Dien raad volgde ik getrouw op, en Bob en Karel knikten mij goedkeurend
+toe.
+
+Je doet het best, zei Bob. Echt lekker, h?
+
+Ja, -- maar een beetje bitter, merkte ik op. Eigenlijk vond ik het
+afschuwelijk, maar wijl mijne kameraden het zoo heerlijk vonden, ontbrak
+mij de moed, om dat te bekennen. Dus rookte ik dapper voort.
+
+Toch speet het mij niets, toen Bob zeide:
+
+Nu ben ik weer aan de beurt!
+
+Ik reikte hem de pijp over, en weldra dampte mijn vriend als een
+fabrieksschoorsteen.
+
+Wel neef Pieter, vroeg hij, hoe gaat het je nu?
+
+Ik ga dood, -- ik ben doodziek. O, -- ach, -- h -- wat ben ik
+ellendig.
+
+Jongetjes als jij moeten ook niet rooken, spotte Bob.
+
+En wat zit je krom, Pieter. Rechtop zitten, mijn jongen.
+
+Wat hadden wij eene pret om de benauwde gezichten, die Pieter trok. Wij
+schaterden soms van 't lachen.
+
+Hier, Karel, jou beurt! zei Bob opeens, veel spoediger dan wij
+dachten. En het scheen mij toe, of hij een klein weinigje bleek werd.
+
+Neen, Bob, zei Karel, dat is te vroeg. Ga gerust je gang nog een
+poosje.
+
+Pak aan, zei Bob kortaf. 't Is eerlijk jou beurt.
+
+O, -- ik weet geen raad! zuchtte Pieter. Als Mama nu toch eens hier
+kwam.
+
+Pak aan, Karel, 't is jou beurt, herhaalde Bob, daar Karel er
+edelmoedig op bleef aandringen, dat Bob nog een poosje genieten zou.
+
+Schoorvoetend nam Karel de pijp aan, en rookte, maar och, hij trok lang
+zoo hard niet meer als eenige oogenblikken geleden, en hij zag er in het
+geheel niet opgewekt uit.
+
+Opeens ging mij een licht op. Bob en Karel hadden, evenals neef Pieter,
+te veel gerookt en begonnen er de gevolgen van te ondervinden.
+
+Nu jij weer, Dorus, zei Karel op zijn gulsten toon, terwijl hij mij de
+pijp toereikte, maar och, wat begon hij bleek te zien.
+
+Die zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht, zegt het
+spreekwoord, zei ik leuk. Als ik mij niet bedrieg, hebben Karel en Bob
+een even naar gevoel in hunne maag als neef Pieter, en daar ik mij nog
+heel lekker bevind, zal ik zoo vrij zijn, mijne beurt te laten
+voorbijgaan. Ha-ha-ha-, nu wordt de zaak bepaald grappig.
+
+Ook ziek? vroeg Pieter met een zuur-zoeten glimlach. Dat doet me
+pleizier. Wil jij nu mijne handschoenen te leen, Bob, dan kan Karel mijn
+rotting krijgen.
+
+Dank je! zei Bob. Bah, wat word ik draaierig..
+
+Ik ook! zuchtte Karel. Ik ben -- ik voel me erg onpasselijk. Ik ga
+naar buiten.
+
+Dan ga ik me, zuchtte Bob. O foei, wat is het hier benauwd.
+
+Naar buiten? Ik ga ook, zei Pieter. Hier weet ik me geen raad.
+
+Dan zal ik jelui gezelschap houden, zei ik lachend, want daar ik
+minder gerookt had dan de anderen, was ik vrij wel in orde. En och, wat
+had ik een pret over Bob, die zoo mooi een kuil gegraven had voor neef
+Pieter, en geindigd was, met er zelf in te vallen.
+
+'t Regende nog, dat het goot, dus moesten wij onze toevlucht nemen tot
+het priel, wat wij ook deden. Maar nauwelijks hadden mijn drie vrienden
+zich van benauwdheid op de banken uitgestrekt, waar zij lagen te zuchten
+en te stenen, om zelfs een bevroren hart te doen smelten, -- o heden,
+daar kwam mevrouw van Koorde aan, die eens kwam zien, wat haar zoontje
+uitvoerde.
+
+Wel Pieter, klonk het streng uit haar mond, wat lig je daar
+onbehoorlijk op die bank. Ga recht-op zitten, dadelijk!
+
+Pieter gehoorzaamde.
+
+Maar kind, wat zie je doodsbleek! Scheelt er iets aan?
+
+Ja Mama! -- ik ben ziek, och, toch zoo ziek!
+
+En jij ook, Karel, en jij Robert, je ziet allen doodsbleek! Je hebt
+toch niets gegeten, dat verkeerd was?
+
+Neen tante, heusch niet! Pfff, wat ben ik benauwd!
+
+Goede hemel! Hier moet iets gebeurd zijn, iets vreeselijks. De dokter
+moet komen, dadelijk, vr het te laat is. Pieter, mijn lieveling, wordt
+het iets beter?
+
+Neen Mama, nog niets. 't Wordt nog veel erger!
+
+Mevrouw ijlde naar binnen, maar weldra kwam zij terug, gevolgd door
+mevrouw en mijnheer de Wild.
+
+Wat is hier aan de hand, Bob? vroeg de laatste. De volle waarheid,
+hoor jongen, zooals ik dat van je gewoon ben.
+
+Ja, Bob, spoedig, spreek, eer het te laat is! zei zijne Moe, wie ook
+de angst op het gelaat te lezen stond.
+
+Pa, -- wij hebben -- de vredespijp gerookt, zei Bob. Pfff, wat ben ik
+ziek.
+
+Mijnheer de Wild begon onbedaarlijk te lachen.
+
+Gerookt? De vredespijp gerookt? Ha-ha-ha! Dat is vermakelijk! Je wist
+toch, dat je niet rooken mocht? Mooi zoo, 't kon niet beter. Die pijp,
+die vredespijp heeft je mooi te pakken. Dat ding past zelf de straf toe,
+die bij het misdrijf behoort. 't Is niets, vrouw, en beste zuster, maak
+je ook maar niet ongerust, 't zal van zelf wel beter worden! Ha-ha-ha!
+'t Is meer dan grappig!
+
+Foei, Pieter, foei zei zijne Mama, hoe kon je je zelven zoozeer
+verlagen, om te gaan rooken? Je moest je schamen!
+
+Ja Mama! zei Pieter met een diepen zucht.
+
+Kom, kom! sprak mijnheer de Wild. Zij hebben straf genoeg. Heusch,
+vooreerst zullen zij die vredespijp wel met vrede laten. Kom, laten we
+naar binnen gaan.
+
+Karel Holm stond ook op.
+
+Ik ga naar huis, zei hij, toen de familie weg was.
+
+Adieu! Tot morgen!
+
+En ik -- ik ga naar bed! zei Pieter. Ik ben doodziek.
+
+En wat doet de Woeste Gier? vroeg ik plagend aan Bob.
+
+Loop naar de Mookerheide! duwde Bob mij toe.
+
+Dank je, dan ga ik liever naar huis, was mijn antwoord.
+
+Zoo gingen wij ieder onzes weegs.
+
+Maar pret had ik, dat moet ik zeggen.
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+ Hoe ons viertal uit zwemmen ging en doornat thuiskwam.
+ Een vechtpartijtje en eene vreeselijke spookgeschiedenis.
+
+
+Een paar dagen later liep ik na schooltijd op mijne stelten door het
+dorp, toen ik Karel Holm ontmoette, die ook zijne houten onderdanen bij
+zich had. Samen gingen wij Bob afhalen, die, zooals hij dat noemde, nog
+altoos met neef Pieter opgescheept zat.
+
+Kom je niet spelen? vroegen we.
+
+Spelen, -- dat mag Pieter niet; zijne Mama wil het niet hebben. Maar
+hij mag wel wandelen.
+
+Nu, laten we dan gaan wandelen, zei ik.
+
+Ja, dat is goed, merkte Karel op, maar zeg, Pieter, dan moet je je
+rotting thuislaten, hoor. Anders ga ik niet me!
+
+Dat vond Pieter goed, en daar hij geen stelten had, besloten wij, de
+onze ook maar bij Bob te laten en te voet onze reis door het leven te
+vervolgen.
+
+Maar dat wandelen begon ons al spoedig te vervelen, en Karel zeide:
+
+Zeg jongens, -- ik weet wat. Laten we gaan zwemmen. 't Is mooi weer,
+warm zelfs, al is het nog vroeg in het jaar (we schreven, zooals ik
+zeide, begin Juni), en een bad zal ons goed doen.
+
+Best, zei ik. Waar gaan we het doen?
+
+Bij de hut, achter in het land, zei Bob. Daar gaan we immers altijd!
+
+Afgesproken! zei Karel. Dezen kant op, jongens.
+
+Dat is te zeggen, zei Pieter, zwemmen kan ik niet, en ik weet niet,
+of Mama het wel hebben wil.
+
+Ga het dan eerst vragen, raadde Karel aan.
+
+Neen, Pieter, niet vragen! zei Bob. Ik zou in jou geval maar niet
+gaan zwemmen en toeschouwer blijven.
+
+Ja, dat is ook goed, zei Pieter, die al niet zoo vervelend meer was
+als eerst. Hij was bij Bob onder goede leiding.
+
+Wij gingen dus naar de ons bekende plaats achter in het land. Een smal
+pad voerde daarheen. 't Was er zeer eenzaam, want er stond slechts eene
+enkele hut, die bewoond werd door een arbeidersgezin, bestaande uit man,
+vrouw en drie jongens. 't Was eene zeer onzindelijke familie, en de
+jongens zagen er altoos z vuil uit, dat niemand met hen spelen wilde.
+Zij kwamen zeer ongeregeld ter school, soms kwamen zij zelfs wel in geen
+maand. Tengevolge daarvan waren zij natuurlijk zeer achterlijk, wat
+hunne vorderingen betrof. Op het schoolplein beleefden zij ook niet
+veel genoegen, want zij werden door ons allen voor den gek gehouden en
+geplaagd, zoodat er dikwijls vechtpartijen tusschen de andere jongens en
+hen ontstonden. Wij leefden altoos met hen op den voet van oorlog.
+
+Toen wij nu de hut voorbijliepen zagen wij de jongens van Visbeen, zoo
+heetten zij, achter in hun tuin spelen, en zij zagen ons ook, maar zij
+lieten ons ongemoeid voorbijgaan. Trouwens, dat was hun ook geraden,
+want wij waren met ons vieren tegen hen met hun drien. Zij liepen dus
+veel kans, het onderspit te moeten delven.
+
+Een paar minuten verder lag de beek, waar wij in den zomer gewoon waren
+ons bad te nemen.
+
+Karel, Bob en ik begonnen ons te ontkleeden, wat ons maar een minimum
+van tijd kostte, en sprongen toen vlug te water. Diep was het er niet,
+want het water kwam ons niet hooger dan de borst, zelfs op de diepste
+plaats.
+
+Neef Pieter zat aan den oever naast onze kleren, en volgde met
+belangstelling onze evolutin in het natte element. Die waren inderdaad
+ook wel bezienswaardig. Wij hoosden elkander met water, dat er geen
+haartje van ons droog bleef, of wij sloegen met onze vlakke handen zoo
+geweldig op watervlak, dat de droppels hoog boven onze hoofden spatten.
+Dan weer deden we krijgertje, en hadden nooit grooter pret, dan als wij
+een ander bij de beenen konden pakken, waarvan het stevaste gevolg was,
+dat hij voor-over kopje-onder gedompeld werd. Soms sprong Bob op mijn
+rug en klauterde Karel op dien van Bob, wat een heel vrachtje was, dat
+kan ik verzekeren. Ik was dan het fundament, waarop het geheele gebouw
+rustte, zei Karel dan, wiens vader architect was. Maar o j, als dan
+het fundament instortte! Dan zonk het geheele gebouw onder water en
+kwamen wij alle drie even later weer hoestende en proestende boven.
+
+Wat gaat dat heerlijk! riep Pieter ons toe, terwijl hij opstond en
+zich van zijne kleren begon te ontdoen. Ik kom er ook in; hier verveel
+ik me, en 't schijnt me z prettig toe. Jelui komt er toch nog niet
+uit?
+
+O neen, zei Bob, terwijl hij met eene behendige beweging Karels voet
+greep en hem eene duikeling liet maken, nog lang niet, Pieter, kom er
+maar bij! Er is nog ruimte genoeg hier, en water ook.
+
+Het duurde dan ook maar kort, of Pieter stapte met zijn rechterbeen in
+het water, en hij deed het angstvallig genoeg, om ons te doen zien, dat
+het voor hem een zeer ongewoon werk was.
+
+H, zei hij, zijn voet weer schielijk terugtrekkende, wat is dat
+koud!
+
+O j, stap er maar flink in, des te spoediger is dat voorbij. Wij
+voelen geene koude meer, nietwaar, jongens?
+
+Geen sprake van! klonk ons antwoord. Stap er maar in, Pietje. Heusch,
+het zal je mevallen.
+
+Maar 't is zoo koud, zei Piet weifelend.
+
+Niet zoo koud, als ongekleed aan den oever te staan, zei Bob. Maar je
+moet het zelf weten, hoor.
+
+Pieter stak opnieuw zijn voet in het water, en toen eenmaal zijn eene
+been tot aan de knie verdwenen was, volgde schoorvoetend zijn andere.
+
+Brrr, zei hij. Wat is het koud.
+
+Hij beefde inderdaad over zijn geheele lichaam.
+
+Karel en Bob besloten aan zijn weifelen een kort einde te maken. Snel
+liepen zij op hem toe en grepen hem, vr hij de vlucht had kunnen
+nemen, ieder bij een arm. Toen werd hij met geweld megetrokken.
+
+Brrr -- h -- h -- h -- brrr! rilde hij. Lh-ha-ha-haat me lho-hos!
+zei hij smeekend. Ik verdrink!
+
+Geen nood, Pieter, we zullen je wel vasthouden, zei Bob. En toen zij
+midden in de beek waren, vervolgde hij tot Karel, met een geheimzinnig
+knipoogje:
+
+Nu moet hij gedoopt worden, Karel. En, twee -- drie, daar gaat
+Pieter!
+
+O nh -- he -- heen! Niet onder-dompelen! smeekte Piet. Maar dat baatte
+hem niet. Door vier sterke armen aangegrepen, dook hij plotseling
+kopje-onder. En nauwelijks kwam zijn hoofd als een natte poedel weer
+boven water, of daar ging hij voor de tweede maal, nog vr hij
+gelegenheid had gehad, een enkel woord te uiten.
+
+Driemaal is scheepsrecht! riep Bob.
+
+En daar ging Pietje voor de derde maal.
+
+Zie zoo, dat zal hem goed doen, zei Bob. Nu ben-je hier burger
+geworden, Pietje!
+
+Brrr -- pfff -- o -- wat -- nat! Brrr! Pfff! kermde Piet, die nu zijne
+vrijheid terug kreeg en hulpeloos midden in de beek bleef staan. Hij
+durfde zich blijkbaar niet bewegen en gevoelde zich te midden van
+zooveel vloeistof in het geheel niet op zijn gemak.
+
+Dat duurde echter maar kort, want wij ontzagen hem niet. Pof, daar
+werden hem door Karel, die ongemerkt onder water naar hem toegeloopen
+was, plotseling de beide beenen onder het lichaam weggetrokken, en
+verdween Piet, zonder een kik te geven en volgens mijne vaste
+overtuiging zonder het zelf te weten, totaal onder water.
+
+Wat was dat? Brrr, pfff! Wat was dat? vroeg hij ontsteld. Er trok me
+iets aan de beenen!
+
+'k Weet het niet! zei Karel, die zich al weer een heel eind verder
+bevond.
+
+Wat kan dat toch geweest.....
+
+O h, daar verdween Piet alweer! Nu had Bob hem denzelfden dienst
+bewezen. Och, och, wat moesten wij toch lachen. Maar nu begon Pietje
+toch te begrijpen, dat wij een loopje met hem namen. Hij vroeg niets
+meer, maar begon zich langzaam te bewegen. En nu hij bemerkte, dat hij
+dit zeer gemakkelijk kon doen, kreeg hij er zelfs schik in. Nu duurde
+het nog maar kort, of hij danste in het water van pleizier.
+
+Wat is men licht in het water, zoo licht als een vertje, zei hij. 'k
+Vind het hier heerlijk.
+
+Krijgertje doen? vroeg ik.
+
+Ja wel, ik ben hem! zei Bob.
+
+Nu werd het een loopen, draven en zwemmen, van wat ben je me! De golven
+liepen hoog tegen den wal op, zooveel drukte maakten we. En in het vuur
+van ons spel verwijderden we ons veel verder van onze kleeren, dan
+voorzichtig genoemd mocht worden. Trouwens, we dachten aan geen gevaar
+en allerminst aan de Visbeentjes, met wie wij toch steeds op een
+vijandigen voet stonden.
+
+Wij dachten pas aan hen, toen wij hen aan den oever zagen verschijnen,
+-- maar toen was het laat.
+
+Gooi in het water -- die kleeren! hoorden wij een van hen zeggen.
+
+Durf je niet? vroeg een ander. Ik wl!
+
+En dan graszoden er bovenop, dan zinken ze! zei de derde met een
+grijnslach. Maar vlug dan, want ze komen al terug!
+
+Ja, dat deden we juist, en wel zoo snel als we konden, want we begrepen
+zeer goed, welk gevaar ons dreigde. Die jongens waren tot alles in
+staat.
+
+Bob meende ze nog angst aan te jagen, door hen te bedreigen met alles,
+wat onpleizierig is, of althans ze daardoor een oogenblik op te houden,
+ten einde tijd te winnen.
+
+Als je 't hart hebt, om onze kleren aan te raken! riep hij hun toe.
+Wacht je dan voor de gevolgen!
+
+Maar zij waren onvermurwbaar.
+
+Met eene vlugge beweging werden al onze kleeren in het water geworpen en
+groote graszoden daarop gegooid, om ze te doen zinken.
+
+In een oogenblik waren Bob, Karel en ik op den wal, om ons zoo mogelijk
+te wreken, maar helaas, tot onze groote spijt zetten de plaaggeesten het
+op een loopen en brachten zich in hun huis in veiligheid. Wat waren wij
+kwaad!
+
+Als ik ze in handen krijg, wrijf ik ze tot mosterd!
+
+Dan gooi ik ze te water met kleren en al aan! voorspelde Karel. Die
+apen!
+
+Waren het maar apen! zei ik. Dan konden wij ze naar Artis sturen en
+dan hadden wij er geen last aan. 't Is eene mooie geschiedenis: al ons
+goed is door- en doornat. Wat moeten we nu doen?
+
+En wat zal Mama wel zeggen, kreunde Pieter, die niet zwemmen mocht.
+Wij hadden daar geen zorg over, want wij hadden permissie. Al mijne
+kleeren zijn gezonken! Wat moet ik nu beginnen?
+
+Ze opvisschen, j, zei Bob. Dat is het eenige, wat ons overschiet.
+
+En dan?
+
+Ze aantrekken!
+
+Maar ze zijn slijknat! steende Pieter, wien het huilen nader stond dan
+het lachen.
+
+Wij stapten in het water en begonnen onze eigendommen op te duiken.
+
+Hier heb ik mijn hemd al vast! zei ik, met iets wits boven de
+oppervlakte verschijnende.
+
+Dat zou je wel willen, zei Bob grinnekend. 't Is het mijne, Kareltje.
+Hier heb ik een borstrok! Van wien is die? Van mij is hij niet, dat zie
+ik wel.
+
+O, 't is de mijne, snikte Pieter, die hoe langer hoe bedroefder werd.
+
+Leg hem maar op den kant, zei Bob.
+
+Ik heb twee schoenen! riep Karel.
+
+En ik eene kous! juichte ik.
+
+Gooi alles maar op een hoop, zei Bob, dan kunnen we het straks wel
+sorteeren.
+
+Eene broek!
+
+Nog eene!
+
+En eene blouse! Weer twee schoenen!
+
+Hier is een hemd!
+
+Al dergelijke kreten wisselden elkander af. Over het geheel bekeken
+wij de zaak nog al van den vroolijken kant. Trouwens, het was ook onze
+schuld niet, en wij zouden er stellig geen straf voor oploopen. Alleen
+Pieter kon er het vroolijke niet van inzien. De tranen liepen hem
+eindelijk langs de wangen, en hij stond aan den oever te midden van onze
+natte kleeren, als het beeld der wanhoop.
+
+Och, och, wat moet ik toch beginnen? jammerde hij. Was ik maar niet
+met jelui megegaan en had ik maar niet gezwommen!
+
+Kom Pietje, zeur nu niet, asjeblieft, want daar komen we niet verder
+me. Help liever de kleren uitzoeken, want alles ligt door elkaar.
+
+En moeten we dat nu zoo nat en wel aantrekken? vroeg Piet op
+schreinden toon, terwijl hij zijn flanellen hemd tusschen vinger en
+duim omhoog hield, om ons te doen zien, hoe het water er uitdroop.
+
+We zullen je wel helpen, wacht maar even. Kijk, neem jij nu het
+ondereinde, dan zal ik den anderen kant nemen, zei Bob, die medelijden
+met hem begon te krijgen. Mooi zoo, nu draai jij van links naar rechts
+en ik in de tegenovergestelde richting. Ferm zoo, -- toe maar, zoo stijf
+als je kunt. Zie je, zoo wringen wij er al het water uit, tot er bijna
+geen droppeltje inblijft.
+
+Dat is een goed voorbeeld, Karel! zei ik. Laten wij het ook doen.
+Droog worden onze kleeren er wel niet door, maar het meeste water raken
+wij er toch door kwijt.
+
+Accoord, Dorus! zei Karel. Ik ben tot je dienst. Hier heb ik eene
+pantalon. Pak aan, jij de pijpen en ik het boveneinde. En nu -- draaien
+maar. Ha, wat loopt dat water er uit! Toe maar, Dorus, draaien, draaien,
+zoo hard je kunt. Zoo gaat het goed!
+
+Jammer, dat we geen mangel hebben! riep Bob.
+
+Of een strijkijzer! zei ik.
+
+Dat hindert niet! zei Karel. Als het maar droog wordt!
+
+Ja, -- zoo droog, dat Mama er niets van merkt!
+
+Neen Piet, daar behoef je niet op te rekenen, hoor. Of je moet je een
+paar uren te bleeken leggen!
+
+Nu de kousen! zei ik, toen we de pantalon weer in haar fatsoen
+gebracht hadden, althans voor zoover ons mogelijk was.
+
+Zoo kreeg elk kleedingstuk eene beurt, en ten laatste waren we zoover
+gevorderd, dat we ons weer konden aankleeden. Brrr, wat was dat natte
+goed koud! Piet had het er 't kwaadst mede. Hij rilde, dat de Visbeenen
+hem bij de hut wel hooren konden, en die akelige jongens stonden ons in
+den tuin nog uit te lachen op den koop toe.
+
+Hoe wou ik, dat ik ze eens te pakken kon krijgen, zei Bob met gebalde
+vuisten. Wat zou ik ze trakteeren!
+
+En ik! riepen Karel en ik. Niets liever dan dat!
+
+Kom jongens, zijn we klaar? Laten we dan gaan! zei Bob.
+
+Ja, zei Karel, -- en we moeten hard loopen, om warm te worden. Ik ben
+door en door koud!
+
+Uitstekend! Vooruit, -- daar gaan we!
+
+Ja, daar gingen we, zoo hard we konden. Eerst was het wel een zeer
+onaangenaam gevoel, al die natte kleren, maar daar was nu eenmaal niets
+aan te veranderen.
+
+In gestrekten draf, en zonder de hut en hare bewoners met een enkelen
+blik te verwaardigen, keerden we huiswaarts, door en door boos op de
+laffe jongens, die ons deze poets gespeeld hadden. Wij vonden het eene
+verbazend flauwe aardigheid, waartoe wij ons nooit zouden geleend
+hebben.
+
+Plotseling hoorden wij een luid gejuich achter ons, dat aangeheven
+werd door de Visbeentjes, en weldra bemerkten wij, dat we door hen
+achtervolgd werden. Ook scholden zij ons uit, voor alles wat leelijk
+was, wat wij ook nooit deden. Schelden vonden wij een kinderachtig
+vermaak, waarboven wij ons verheven achtten.
+
+Uit een en ander maakten wij op, dat de Visbeenen aan onzen snellen
+aftocht eene geheel verkeerde uitlegging gaven. Blijkbaar verkeerden zij
+in den waan, dat wij bang voor hen waren en daarom overijld het hazenpad
+kozen.
+
+Ik geloof, dat zij ons achtervolgen! zei ik.
+
+Hoor ze eens schelden, die dappere Visbeenen! smaalde Karel, die erg
+boos op hen was.
+
+Au! zei Piet, zich haastig bukkende, daar krijg ik een steen op mijn
+hoofd! Ze gooien!
+
+Laat ze hun gang maar gaan! raadde Bob aan. Ze schijnen te meenen,
+dat wij bang voor hen zijn. Niet te hard loopen, jongens, opdat ze wat
+naderbij komen. Als ze dan dicht genoeg bij ons zijn, draain we ons
+eenklaps om, en geven hun de straf, die hun eerlijk toekomt.
+
+Die raad was goud waard. Wij namen den schijn aan, alsof we bang waren
+en aan onze vervolgers trachtten te ontkomen, die daardoor hun moed
+voelden wassen en niet ophielden met schelden en gooien.
+
+Nog eventjes! zei Bob. Ik zal tot drie tellen, hoor. Bij den derden
+tel keeren we ons eensklaps om en overvallen hen. Wat zullen ze vreemd
+opkijken. Nu, -- daar gaat hij!
+
+Een!
+
+Bob wachtte een oogenblik.
+
+Twee!
+
+Wij hielden onze vaart wat in, en waren gereed om te zwenken.
+
+Drie! Valt aan!
+
+Eensklaps maakten wij rechtsomkeert en ijlden onze vervolgers tegemoet,
+die iets dergelijks in het geheel niet verwacht hadden en ons bijna in
+de armen vlogen. Wat was dat een leuk gezicht.
+
+O, wat hadden zij nu graag den dans willen ontspringen, en wat deden zij
+daartoe hun best, -- maar 't was te laat.
+
+In minder dan geen tijd hadden Bob, Karel en ik ieder een van de
+vijanden te pakken, terwijl Pieter toeschouwer bleef en niet ophield,
+ons aan te moedigen. Dat laatste was echter niet noodig, want wij waren
+boos genoeg, om hen niet te ontzien. Och, och, wat hebben we die jongens
+toen een zeldzaam pak slaag gegeven. Nu, ze hadden het dubbel en dwars
+verdiend. Telkens probeerden zij om te ontvluchten, maar dat ging
+niet. Wij sloegen hen links en rechts om de ooren, zoodat zij het
+uitschreeuwden van pijn en angst.
+
+Dr! Dr! riep Bob bij elke versnapering, die hij zijn vijand
+toediende. Als je nog meer wilt hebben, moet je het maar zeggen. Ik heb
+eene gulle bui vandaag!
+
+Eindelijk gelukte het aan twee van de drie aan onze handen te
+ontsnappen en hun heil in de vlucht te zoeken. Maar de derde kwam
+er het allerslechtst af. Eerst had Karel hem een geducht pak slaag
+gegeven, zoo erg, dat de jeugdige Visbeen er de sterretjes van voor de
+oogen kreeg, en toen pakte Karel hem met zijne krachtige armen beet en
+wierp hem pardoes in eene sloot, die langs het landpad liep. Het gaf
+een plomp van belang en het water spatte ons om de ooren. Karel had
+gedurende de geheele afstraffing geen woord gesproken, maar toen zijn
+vijand weer met zijn hoofd boven den kant van den sloot uitkwam,
+knikte hij hem vriendelijk toe, en zeide tot hem:
+
+Dat had ik je in mijne gedachten beloofd, weet je?
+
+H, 't spijt me, dat ik het ook niet gedaan heb! zei Bob.
+
+Schreeuwende ging de jongen naar zijn huis, en wij vervolgden onzen
+tocht. Wij waren van dat vechtpartijtje heerlijk warm geworden en waren
+zeer tevreden over onszelven.
+
+Daar hebben we ze lekker te pakken gehad! lachte Bob.
+
+Ze hadden het dubbel verdiend! sprak Karel. Ik denk, dat ze ons
+voortaan wel met rust zullen laten, als we weer gaan zwemmen.
+
+Dat zullen ze ongetwijfeld! meende ik.
+
+Wij waren nu het dorp genaderd en sloegen na een korten groet ieder
+den weg in naar onze woning. Daar Bob, Karel en ik van onze ouders
+toestemming hadden om in de beek te gaan zwemmen, behoefden wij niet te
+vreezen, dat wij straf zouden krijgen. Eerst had het wel eenige moeite
+gekost, om die toestemming te verwerven, maar nadat Pa de bewuste plaats
+zelf onderzocht had en tot de slotsom gekomen was, dat daar geen gevaar
+te vreezen was, hadden wij het gevraagde verlof verkregen. Voor Pieter
+evenwel was de zaak veel erger, want zijne Mama was vreeselijk bang voor
+dergelijke vermaken en bovendien -- hij had het gedaan, zonder verlof te
+vragen, iets, wat wij nooit deden.
+
+'t Was dus geen wonder, dat zijne Mama zeer boos was, en hem tot straf
+dadelijk naar bed zond. Bovendien mocht hij den volgenden avond niet
+naar buiten, tot groote ergernis van Bob, die nu ook verplicht was,
+thuis te blijven. Nu hadden Karel en ik wel naar hen kunnen gaan, maar
+-- wij werden niet toegelaten. Bob en Pieter moesten dus elkander maar
+zien te troosten. Dat deed Bob dan ook op eene heel vreemde manier. Daar
+hij gemerkt had, dat Pieter 's avonds in het donker nog al bang was,
+maakte Bob zich meester van een zwavelstok en ging daarmede naar de
+slaapkamer van Pieter. Daar teekende hij met het gezwavelde einde,
+juist op eene plaats, waar Pieter het wel moest zien, een groot
+doodshoofd op het behangsel. Zoolang het licht was, bleef dat
+vriendelijke beeld onzichtbaar, maar in het donker grijnsde het den
+toeschouwer allerakeligst aan.
+
+Bob stelde zich daar heel wat genoegen van voor, en vond het alleen maar
+jammer, dat Karel en ik niets van die grap zouden genieten.
+
+Den geheelen avond vermaakten hij en Pieter zich samen in den tuin. Nu
+eens tolden zij, of waren zij aan het knikkeren, dan weer vingen zij
+vlinders, of trachtten zich meester te maken van de weinige meikevers,
+die al te voorschijn waren gekomen.
+
+Pieter had die diertjes nog nooit gezien en stelde zich voor, er in
+Amsterdam veel genoegen van te kunnen beleven, als hij ze daar had. Wie
+weet, hoe 'n voordeeligen handel hij misschien nog wel in dat artikel
+zou kunnen drijven, want hij twijfelde niet, of al zijne schoolkennissen
+zouden er graag een willen hebben.
+
+Zeg Bob, zou je er mij eenige willen zenden, als ik weer thuis ben? Je
+zoudt me daar een bijzonder groot genoegen mede doen.
+
+Meikevers zenden? vroeg Bob, met eene ondeugende flikkering in zijne
+oogen, want hij dacht er aan, welk een vreeselijken afkeer zijne deftige
+Tante van die onschuldige diertjes had. Aan jou?
+
+Ja, aan mij. Ik zou er graag eenige van je hebben, als 't mogelijk is.
+
+'k Beloof het je, hoor! Je kunt er op rekenen. Ik zal ze je sturen met
+den looper. Die gaat toch elken Zaterdag naar Amsterdam, dan komt het
+niet zoo duur. Voor een dubbeltje of drie stuivers heb-je ze thuis.
+
+Dat is dan afgesproken, zei Pieter.
+
+Eindelijk begon de avond te vallen en werd het tijd om naar binnen te
+gaan. En na nog een poosje in de huiskamer te hebben vertoefd, gingen
+zij naar bed. Hunne slaapkamers lagen naast elkander, en de ledikanten
+waren slechts door een houten beschot gescheiden.
+
+Eerst maakten zij nog wat grappen op Pieters slaapkamer, omdat daar
+licht aangestoken was. Bob ging zomers altijd in donker naar bed.
+
+Zeg Pietje, willen wij nog eens eene pijp rooken? vroeg Bob lachend.
+Ik heb nog wel tabak.
+
+Dank je hartelijk, zei Piet met alle teekenen van den grootsten
+afkeer. Die eerste pijp zal ik niet licht vergeten. Och, och, als ik er
+aan denk, word ik nu nog ziek.
+
+Wel te rusten dan! zei Bob.
+
+Slaap lekker! was Pieters wensch.
+
+Bob lag spoedig in bed, afwachtende de dingen, die komen zouden.
+Eindelijk hoorde hij in de andere kamer beweging aan de lamp, want het
+was erg gehoorig, en daarna het kraken van Pieters ledikant.
+
+Het bleef geruimen tijd stil. Zou Piet het doodshoofd misschien niet
+zien? Maar neen, dat kon niet; als hij zijne oogen open had, mst hij
+het zien. Doch wellicht had hij zijne oogen gesloten, en dan kwam er
+van de grap niets. Opeens hoorde hij het ledikant van Pieter weer zacht
+kraken. Hij hoorde ook, hoe zijn neef zich langzaam, uiterst langzaam
+oprichtte in bed. In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de
+oogen stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld, en hij lag te
+schudden in zijn bed van 't lachen.
+
+[Illustration: In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen
+stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag.127).]
+
+Hoor, daar werd zacht, bijna onhoorbaar tegen het schot getikt. Hij
+tikte zacht terug.
+
+Bob! werd er gefluisterd. Bob!
+
+Wat is er? riep Bob tamelijk luid terug.
+
+Ssss! -- Ssss! -- 't Is hier niet -- in orde, Bob! hoorde hij Piet
+fluisteren.
+
+Dieven? vroeg Bob terug.
+
+Neen -- erger, Bob. Een -- spook.
+
+Kom dan hier! zei Bob zacht. Wat zie je?
+
+Een gloeiend doodshoofd! Hu -- zoo akelig. Ik durf niet, Bob. Kom jij
+hier!
+
+Dank je! zei Bob. Ik blijf liever hier!
+
+'t Werd weer stil in Pieters kamer.
+
+Maar die stilte duurde niet lang. Bob, die moeite had, om niet in een
+schaterlach uit te barsten, hoorde opnieuw een heel zacht kraken van het
+ledikant, daarna een schuifelen over den vloer, en toen werd zijne deur
+geopend en kwam Piet binnensluipen.
+
+O Bob, zei hij, en zijn plaaggeest hoorde, hoe hij beefde van angst,
+wat afschuwelijk. Een doodshoofd is er, een gloeiend doodshoofd, dat
+mij voortdurend aangrijnst. O, Bob, wat moet ik nu beginnen? Ik beef van
+angst.
+
+Kruip diep onder de dekens, Piet, en laat hem grijnzen, was Bobs
+hardvochtige raad. Wat doe je ook je oogen open te houden, als je op
+bed ligt; dan behooren zij gesloten te zijn.
+
+O neen, dr durf ik niet weer heen! zuchtte Pieter; voor geen geld
+ga ik dr slapen! 't Is afschuwelijk, Bob.
+
+Wat wil je dan?
+
+Kan ik niet bij jou slapen, Bob? Toe maar, asjeblieft.
+
+Onmogelijk, Piet. Dit is maar een n-persoons ledikant. We kunnen er
+onmogelijk met ons beiden in.
+
+Toe maar, Bob, ik zal me zoo klein maken als ik maar kan; toe Bob,
+asjeblieft?
+
+Onmogelijk. Maar ga naar Pa; die is stellig nog op, en zal ongetwijfeld
+een onderzoek instellen.
+
+O, -- maar dan moet ik alleen de trap af! zuchtte Piet, bevende van
+ontsteltenis bij de gedachte, dat hij zich alleen en in donker naar
+beneden moest begeven.
+
+Jij bent ook overal bang voor, zei Bob. Ik wed, dat er niet eens iets
+op je kamer is, om bang voor te wezen.
+
+O ja, Bob, echt waar, ga dan zelf maar kijken, dan zul-je het zien. Een
+afschuwelijk doodshoofd! Hu, 't is om te rillen.
+
+Bob vond, dat de grap nu lang genoeg geduurd had.
+
+Ga dan maar me, bang Pietje, zei hij, terwijl hij lachend uit zijn
+bed sprong.
+
+Hij liep regelrecht naar Pieters slaapkamer, tot groote verbazing van
+zijn neef, die zich maar niet begrijpen kon, waar hij al dien moed
+vandaan haalde.
+
+Waar is nu het spook? vroeg hij.
+
+Aan den muur! klonk het benauwd uit Piets mond.
+
+'t Is niets, hoor Piet, kom maar hier, zei Bob lachend. Je hebt je
+weer eens leelijk te pakken laten nemen, neefje. Ha-ha-ha-ha!
+
+Pieter kwam behoedzaam nader.
+
+Dr is het, -- dr, vlak voor je! zei hij huiverend, toen hij om den
+hoek van de deur keek.
+
+Och, bange Piet, dat prentje heb ik er van middag opgeteekend met een
+zwavelstok. Kijk, hier heb-je nog een tweede spook!
+
+Bob nam den zwavelstok, dien hij op den grond had neergelegd, en
+teekende met enkele strepen een tweede doodshoofd, niet weinig lachende
+om de vrees van Pieter-neef. Deze kwam nu ook naderbij en zeide, niet
+zonder schaamte:
+
+H Bob, doe je dat met een zwavelstok? Dat is een aardig kunstje,
+waarvan ik nog nooit gehoord had. Dat moet ik ook eens leeren.
+
+Ben je nu nog bang, Pietje? vroeg Bob. Of wil ik Pa roepen?
+
+O neen, dank je! Maar waarom plaag jij me toch altoos zoo, Bob?
+
+Omdat ik het bij Karel of Dorus niet behoef te probeeren, Piet; zij
+zijn er niet vatbaar voor, zie je, en jij wel. Dat is de reden. Slaap
+lekker, Piet!
+
+Goeden nacht!
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+ Hoe Bob uit hengelen ging en door de verschijning van
+ twee vreemdelingen zijn tijd bijna vergat. Hoe hij in
+ figuurlijken zin steentjes moest gaan tellen en het in
+ eigenlijken zin deed. De berenleider en zijn metgezel.
+
+
+Een paar dagen later had Bob zijn tijd bijna verhengeld. Hij was
+bijzonder vroeg opgestaan, had inderhaast ontbeten, en was met zijn
+hengel over den schouder even buiten het dorp gewandeld, om eens prettig
+vr schooltijd nog een paar uurtjes te visschen. Pieter lag nog te bed.
+Die stond nooit voor half acht op. Eerst had Bob nog wel eens moeite
+gedaan, om hem ook tot opstaan te bewegen, maar toen hij bemerkte, dat
+Piet 's morgens veel liever op bed bleef, had hij die moeite gestaakt.
+
+Bob hengelde dus geheel alleen, en vermaakte zich kostelijk, want de
+baars wilde dien morgen buitengewoon goed bijten, en het gelukte hem,
+menig vischje te verschalken. Hij vermaakte zich z goed, dat hij zijn
+tijd geheel vergat en niet aan de school dacht, vr het bijna te laat
+was. Om negen uur ging de school aan, en de torenklok wees al tien
+minuten voor negenen, eer hij er aan dacht.
+
+O heden! mompelde hij. 't Is al bijna te laat, maar als ik hard loop,
+kan ik er nog juist op tijd zijn. 't Is echt jammer, dat ik nu moet
+ophouden, want de baars bijt van morgen bijzonder goed.
+
+Hij slingerde zijn snoer om den stok en wilde zich juist naar school
+begeven, toen zijne aandacht getrokken werd door een kermiswagen, die
+langzaam het dorp naderde.
+
+Bob bleef staan.
+
+Een kermiswagen was een voorwerp, dat hem altoos buitengemeen boeide.
+Hij vond dat een zeer belangwekkend vervoermiddel. Toch zou hij er de
+school niet om vergeten hebben, -- want de meester was erg streng,
+dat wist hij bij ondervinding, -- indien hij niet had opgemerkt, dat
+naast dien wagen een groot, log dier liep, een dier, dat nog veel
+belangwekkender was dan de wagen, want het was niets meer of minder dan
+een groote, bruine beer. Bij de verschijning van dat beest vergat Bob
+de geheele school.
+
+Zoodra de berenleider het eerste huis van dorp bereikt had, begon hij
+op eene dwarsfluit te spelen en verhief bruintje zich op hetzelfde
+oogenblik op zijne achterpooten. Het logge beest scheen zoo waar te
+dansen, tot groot vermaak van Bob. De kermiswagen was doorgereden. Dat
+onzen Bob het scheiden moeilijk viel, behoef ik niet te zeggen. Wij
+zaten allen al op de schoolbanken, en waren al begonnen te lezen, toen
+zijne plaats nog ledig bleef.
+
+Waar blijft Bob de Wild van morgen? vroeg de meester. Doch wij wisten
+het niet.
+
+Hij is toch niet ziek? klonk weer 's meesters vraag. Weer moesten wij
+het antwoord schuldig blijven.
+
+Lees maar door, Anna!
+
+Juist begon Anna het bevel op te volgen, toen de deur geopend werd en
+Bob, rood van het harde loopen, binnen kwam.
+
+Dag meester, klonk het zacht van zijne lippen.
+
+Dag Bob. Waar kom jij zoo laat vandaan?
+
+Van buiten, meester.
+
+Ja, dat spreekt vanzelf. Maar waarom kom je zoo laat?
+
+Bob keek zwijgend voor zich op den grond.
+
+Ik hoor niets, Bob. Kun-je niet spreken?
+
+Ik was aan het hengelen, meester, en.....
+
+Ha zoo, heb jij je tijd verhengeld? Dat is ferm van je, niet waar,
+Bob?
+
+Bob mompelde zoo iets van: Kon 't niet helpen, maar veel verstonden
+wij er niet van.
+
+Niet helpen? vroeg de meester gestreng. Dat is eene kinderachtige
+uitvlucht, Bob, waar zich alleen flauwe zielen achter verschuilen. Je
+kunt gaan zitten, maar moet om twaalf uur nablijven. 't Spijt me wel,
+maar ik kan er niets aan doen.
+
+Bob nam plaats. Hij en ik zaten dicht bij elkander. Eerst deed hij, of
+hij met aandacht las, maar weldra gaf hij ons door allerlei teekens te
+kennen, dat er iets bijzonders aan de hand was.
+
+Daar kwam ik goed af. Ik was bang, dat ik steentjes zou moeten tellen,
+fluisterde hij ons toe. Wij deden ook, of wij de les geregeld volgden,
+maar inderdaad ontging ons geen woord, van hetgeen Bob zeide.
+
+Wij wisten wel, wat hij met steentjes tellen bedoelde. In het portaal
+was geen planken vloer; die bestond daar uit mooie glimmende tegels,
+welke aan elkander gemetseld waren. Nu had de meester de gewoonte, als
+hij heel boos op een van de leerlingen was, hem in het portaal te
+zetten, wat hij den patint gewoonlijk beval met de woorden:
+
+Ik kan je hier vanmorgen niet langer gebruiken, jongen. Ga jij maar
+steentjes tellen.
+
+Dat was eene zware straf voor ons, want wie eenmaal in het portaal
+terecht kwam, moest er den geheelen morgen blijven, en kreeg dan nog
+zooveel strafwerk na schooltijd, dat er van zijn speeluur niets
+overschoot.
+
+Bob was er dus van overtuigd, dat de meester hem zeer genadig behandeld
+had, door hem geen steentjes te laten tellen, alias in het portaal te
+zetten.
+
+Die volgt! zei de meester. Bob, ik geloof, dat je slecht oplet. Pas
+op, dat ik je niet nog meer straf moet geven.
+
+Bob keek strak in zijn boek, en de volgende leerling begon te lezen.
+Maar Bobs aandacht was in het geheel niet bij zijn werk. Onophoudelijk
+moest hij aan den beer en diens eigenaar denken, en zijn nieuws brandde
+hem op de tong. Naar het lezen luisterde hij niet; hij hoorde bijna niet
+eens, dat er gelezen werd.
+
+Jongens! fluisterde hij Karel en mij toe.
+
+Wij waren geheel oor, maar zorgden wl, niet uit ons boek op te zien.
+
+'k Heb nieuws! fluisterde Bob weer.
+
+Bob de Wild, lees verder! gebood de meester.
+
+O heden, dat was mis voor Bob. Zijne oogen dwaalden van boven tot
+beneden op de bladzijde, waar wij aan het lezen waren, maar hij vond den
+laatsten zin, dien hij gehoord had, niet.
+
+Je krijgt eene slechte aanteekening, Bob de Wild, klonk het gestreng
+uit 's meesters mond. Je straf om twaalf uur wordt verdubbeld. Lees
+verder, Jacob de Haas.
+
+Jacob de Haas, het eenige joodje, dat wij op school hadden, ging met
+lezen voort, en Bob keek stijf in zijn boek.
+
+Waarom leest dat Joodje (want zoo noemden wij Jacob de Haas altijd) ook
+niet wat harder? mompelde hij. Dan zou ik het wel geweten hebben.
+Wacht maar, dat zal ik hem om twaalf uur wel betaald zetten. -- O j,
+waar is het nu ook al weer? Wacht, dr!
+
+Die volgt! klonk het weer.
+
+Nu was een meisje aan de beurt. Anna van Egge heette zij en zij las een
+weinig binnensmonds. Wij moesten altoos goed toeluisteren, om haar te
+kunnen volgen. Maar Bob luisterde dien morgen al bijzonder slecht.
+Zooals hij ons later vertelde, moest hij onophoudelijk aan dien beer
+denken. Ook brandde hij van verlangen, om het ons te vertellen, want hij
+wist, dat het voor ons een belangwekkend nieuwtje was.
+
+Jongens! fluisterde hij weer.
+
+Wij knikten bijna onmerkbaar, ten teeken, dat wij luisterden, maar wij
+zagen niet op.
+
+Er is een berenleider op het dorp, hoorden wij Bob lispelen.
+
+Dat was nieuws naar ons hart. Ook wij begonnen onoplettend te worden,
+wat het lezen betrof, maar niet wat het nieuws van Bob aanging.
+
+Met een beer? vroeg Karel Holm zacht, terwijl zijne oogen flikkerden
+van pleizier.
+
+Ja, -- een grooten, bruinen beer.
+
+Waar is hij? waagde Karel nog eens te fluisteren.
+
+Bij den ontvanger zag ik hem. Hij kan dansen.
+
+Ho! beval op dat oogenblik de meester, en Anna van Egge hield met
+lezen op. Bob! Je let in het geheel niet op, en ik zie mij genoodzaakt
+je streng te straffen. Vervolg eens, waar Anna gebleven is!
+
+'t Was doodstil in de klasse. Van ganscher harte hoopten wij, dat Bob
+een gelukkig oogenblik in zijn leven zou hebben en toevallig bij het
+goede woord zou beginnen, want wij hoorden aan de stem van den meester,
+dat hij slechts met moeite zijne drift kon bedwingen. Eene geduchte
+straf zou anders stellig Bobs deel zijn.
+
+Doch Bob had zulk een gelukkig moment in zijn leven niet, en dat kn ook
+niet, omdat hij de verkeerde bladzijde voor zich had. Hij had vergeten,
+om te slaan, omdat hij niet oplette. Eerst zocht hij overal, om het
+goede woord te vinden, doch toen zijne zoekende blikken het nergens
+ontmoetten, begon hij maar op goed geluk af. Och, och, wat had hij het
+ver mis!
+
+Daar is het niet, ondeugd! zei de meester boos. Je bent waarlijk
+niet eens op de goede bladzijde. Welke geest is er dezen morgen in je
+gevaren? Eerst kom je te laat op school, en dan gedraag je je z, dat
+je zelfs den zachtmoedigsten mensch driftig zoudt maken!
+
+Nu, dat was niet waar, want onze meester was ver van zachtmoedig.
+Integendeel, hij was algemeen bij ons gevreesd om zijne strengheid. Wij
+hoorden, hoe hij hoe langer hoe driftiger werd, en eindelijk gebeurde,
+wat wij al sedert lang hadden zien aankomen. Daar verhief 's meesters
+rechterarm zich in de hoogte en strekte hij zijne hand gebiedend uit
+naar de deur.
+
+Ga uit de klasse, jongen, ik kan je hier niet langer gebruiken. Ga
+steentjes tellen!
+
+Bob bleef zwijgend zitten.
+
+Hoor je me niet, Bob? Ga steentjes tellen, zeg ik.
+
+Meester, ik zal beter opletten, zei Bob.
+
+Te laat, Bob! Ten derden male zeg ik: ga steentjes tellen!
+
+Die laatste uitdrukking was oorspronkelijk als eene grap bedoeld, maar
+wij vonden haar in het geheel niet grappig. Bob ook niet, want hij moest
+allerminst lachen op dit oogenblik. Hij stapte de bank uit en ging met
+neergeslagen oogen naar het portaal. Hij deed de deur achter zich dicht.
+
+'t Werd weer stil, nu zelfs doodstil in de klasse. De meester keek erg
+boos.
+
+Ga voort, Anna van Egge! gebood hij.
+
+En korten tijd daarna was het weer:
+
+Die volgt!
+
+Zoo las de geheele klas. Toen werden de boeken opgeborgen en begon de
+rekenles.
+
+Wij deden onze uiterste best, uit vrees, dat ook wij straf zouden
+oploopen. En toen nu de meester zag, hoe flink wij opletten, begon zijn
+gelaat ook wat vriendelijker plooi aan te nemen. Hij was wel streng,
+maar niet onbillijk, en tot zijne eer moet ik zeggen, dat hij zulke
+zware straffen altoos met grooten tegenzin oplegde. Wij konden altoos
+aan hem zelf zien, dat het hem pijn deed.
+
+Intusschen stond Bob diep verslagen in het portaal. Weg was ineens al
+de pret, die hij zich van het middaguur voorgesteld had, als de beer
+althans dan nog niet vertrokken zou zijn. Daarvoor behoefde evenwel niet
+bijzonder veel vrees te bestaan, want ons dorp was te groot, om door een
+berenleider op een enkelen morgen afgewerkt te kunnen worden.
+
+En dan kan ik hier in die nare school blijven en strafwerk maken,
+terwijl alle jongens de grootste pret hebben, morde Bob, die erg boos
+was op den meester. Hij is ook altoos zoo streng. Maar ik weet, wat ik
+doe: ik loop weg, ja, dat doe ik. De meester kan schoolhouden, wien hij
+wil, maar mij snapt hij niet, want den beer moet ik zien, het koste wat
+het wil!
+
+Toen Bob over dit besluit echter een weinig dieper doordacht, waarmede
+hij eigenlijk had moeten aanvangen, begon hij hoe langer hoe meer te
+beseffen, dat hij daar toch ook zeer weinig genoegen van zou beleven,
+want de meester zou hem stellig voorbeeldeloos straffen en bovendien
+zou zijn Pa hem ook terdege onderhanden nemen.
+
+Neen, dat ging toch niet, zooals hij zelf zeer goed inzag.
+
+Ik wou, dat de meester mij voor dezen keer maar eens vrijliet,
+mompelde Bob, maar dat zal hij wel niet doen, want dat doet hij bijna
+nooit. Enfin, 't is eenmaal zoo; er zit niet anders op, dan mijn lot met
+gelatenheid te dragen. Waar zou de beer nu zijn? Wacht, misschien kan ik
+hem zien, -- door het raam. Laat ik kijken!
+
+Bob deed, wat hij zeide, en waarlijk -- na eenig zoeken ontwaarde hij
+bruintje voor het huis van dokter Doreman. Hij zag, hoe vele menschen
+naar het verscheurende dier stonden te kijken.
+
+Ha! Wat wou ik graag daarbij zijn, zuchtte Bob. En nu steentjes te
+moeten tellen! 't Is afschuwelijk! Kijk, nu gaat hij verder. Zou hij den
+achterweg opgaan? Dan kan ik hem niet meer zien. Ja -- neen, -- ja toch,
+daar gaat hij den hoek om. Nu is hij weg. Dat is jammer. -- Steentjes
+tellen! Hoe komt de meester daar toch aan? 't Is toch eigenlijk eene
+gekke uitdrukking. Meester zeide niet, dat ik in het portaal moest gaan
+staan; hij gebood alleen maar: ga steentjes tellen. Als ik dat dus deed
+en hem straks ging zeggen, hoeveel er waren, zou ik precies gedaan
+hebben, wat meester bevolen had. Dat zou leuk wezen. Weet je wat, ik doe
+het! Zou ik mijn decimetertje in den zak hebben? Laat eens voelen -- ja,
+daar is het. Wacht, nu zal ik het eens netjes uitrekenen. Eerst meten,
+hoe lang de gang is.
+
+Bob knielde op de tegeltjes neer en mat de lengte van zijn kerker.
+Weldra wist hij, wat hij weten wilde.
+
+Dus twintig meter. Laat ik dat goed onthouden.
+
+Nu de breedte.
+
+Bob mat weer.
+
+Breed twee meter, precies op den kop, zeide hij. De gang heeft dus
+eene oppervlakte van twintig maal twee vierkante meter, of veertig
+vierkante meters. Mooi, dat schiet al aardig op. Nu elk tegeltje meten.
+Kijk, precies twintig centimeters lang en breed. Dat geeft dus eene
+oppervlakte van vierhonderd vierkante centimeters. De gang is groot
+veertig vierkante meter, of vier maal honderd duizend vierkante
+centimeters. Dat gedeeld door vierhonderd, -- wel, kijk -- dat is
+precies duizend tegeltjes. Dat is een mooi getal. Kom, nu ga ik het den
+meester zeggen; hij heeft mij bevolen de steentjes te tellen en dat heb
+ik gedaan, dus ik ben zoo gehoorzaam geweest, als maar verlangd kan
+worden.
+
+Tot ons aller verbazing ging plotseling de deur open en trad Bob binnen.
+Ook de meester kon er blijkbaar geen begrip van krijgen, wat er aan de
+hand was. Hij staarde Bob met groote oogen aan.
+
+Wat moet jij hier doen? vroeg hij op gestrengen toon.
+
+Bob stak beleefd den wijsvinger op en zeide doodleuk:
+
+Meester, ik ben klaar! Er zijn er duizend.
+
+Eerst begrepen wij geen van allen, wat hij bedoelde, en de meester
+begreep het ook niet.
+
+Klaar? vroeg hij. -- Er zijn er duizend? Wat -- duizend?
+
+Meester, zei Bob doodleuk, ik heb de steentjes geteld, zooals u
+bevolen had. Er zijn er duizend.
+
+Plotseling schoten wij allen (alleen Bob en de meester uitgezonderd) in
+een schaterlach om die leuke grap, en toen wij zagen, hoe de meester
+zich vergeefs inspande, om zijn gelaat in een ernstige plooi te houden,
+want hij wilde niet lachen, werd het met ons nog erger. Wij konden niet
+tot bedaren komen.
+
+Opeens gaf de meester het op, en begon ook hij te lachen, bijna even
+smakelijk als wij. En toen wij eindelijk wat tot stilte kwamen, zei hij
+gul, zoodat het duidelijk was, dat hij Bob zijne misdaden vergaf:
+
+Zoo Bob, zijn er duizend? Heb-je ze goed geteld?
+
+Uitgerekend, meester, zei Bob. De vloer heeft eene oppervlakte van
+veertig vierkante meters en elk tegeltje is vierhonderd vierkante
+centimeters groot. Er moeten er dus duizend zijn.
+
+Heel goed, Bob, zei de meester, die telkens weer in den lach schoot,
+dat sluit. Dank-je wel voor de moeite. Ga nu maar zitten, doch -- let
+beter op.
+
+Ja meester, zei Bob, niet weinig in zijne nopjes, dat hij zoo mooi van
+zijne zwaarste straf ontheven was. Hij lette verder dan ook zeer goed op
+en gaf den meester in het geheel geen reden tot klagen meer.
+
+Zoo werd het twaalf uur, en wij kregen verlof om naar huis terug te
+keeren. 't Is te begrijpen, dat wij ons dat geen tweemaal lieten zeggen,
+want het bericht van den beer had, ondanks 's meesters strengheid, al
+sedert lang de ronde door de geheele klas gedaan. Nauwelijks waren wij
+het portaal uit, of onder een luid gejuich trokken wij op den beer af.
+
+Maar Bob bleef zitten, om zijn strafwerk te maken.
+
+Wat moet ik doen, meester? vroeg hij met een berouwvol gelaat.
+
+De meester keek hem vriendelijk aan, want hij hield bijzonder veel van
+den wilden Bob.
+
+Mij beloven, dat je voortaan beter op je tijd zult passen, Bob, zei
+hij, den deugniet op den schouder kloppende.
+
+Dat beloof ik, meester, zei Bob, die lont begon te ruiken en wiens
+hartje klopte van hoop, dat hij ontslagen zou worden.
+
+Ga dan maar heen, Bob.
+
+Asjeblieft meester. Dag meester.
+
+En weg vloog Bob! Hij had ons al ingehaald, vr wij den beer bereikt
+hadden.
+
+Ik mocht vrij! juichte hij al in de verte. Hij is op den achterweg!
+
+Met die laatste woorden bedoelde hij den beer natuurlijk, en met ons
+allen begaven wij ons daarheen.
+
+Ha, daar zagen wij hem!
+
+'t Is te begrijpen, dat wij op een eerbiedigen afstand bleven! Wat had
+dat dier geduchte klauwen, en wat zagen wij een sterk gebit, als hij den
+grooten muil opende. Gelukkig dat hij een stevigen leeren muilband aan
+had; dat stelde ons eenigszins gerust.
+
+De berenleider viel ons niet me, want wij hadden gehoopt, dat hij
+iemand zou zijn, dien wij niet verstaan konden, een Italiaan of een
+Zigeuner of zoo iemand. Maar hij bleek een echte Hollander te zijn, die
+onze taal evengoed sprak als wij zelf. Dat konden wij hooren aan
+hetgeen hij af en toe tot den beer zeide.
+
+Hallo! Op! Op! gebood hij telkens, als de beer zijn tocht op vier
+voeten wilde voortzetten. En dan ging het logge beest weer overeind en
+huppelde zoo bevallig als een jonge olifant. Dan kreeg hij van zijn
+meester een stok over den schouder en moest marcheeren als een soldaat.
+Zijn geleider blies voortdurend op de dwarsfluit verschillende
+dansdeuntjes en -- maakte goede zaken, naar wij opmerkten. Want bijna
+nergens werd hij voorbij gestuurd, zonder dat men hem iets gaf. Nu was
+een beer op ons dorp eene te zeldzame verschijning, om niet de algemeene
+bewondering op te wekken.
+
+Het spreekt van zelf, dat wij de twee vreemdelingen zoolang volgden, als
+ons mogelijk was, -- anderhalf uur laat zich niet lang plagen, wanneer
+men in dien tijd nog middagmalen moet, wat met mij althans het geval
+was. En om half twee moesten wij weer present zijn, wilden we geen straf
+oploopen.
+
+Wij waren er dan ook allen op onzen tijd, Bob incluis!
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+ Hoe wij den beer plaagden, toen Flip uit was, en
+ hoe de beer wraak nam. De heldendaden van
+ Pieter-neef en van Tip, den veldwachter.
+ Hoe Bob berenleider werd.
+
+
+Bob had niet zulk eene vrees behoeven te koesteren, dat hij den beer
+niet weer ontmoeten zou, want het beest en diens meester vertoefden nog
+wel langer dan eene geheele week op ons dorp. Och, och, wat hebben wij
+eene pret met dat dier gehad.
+
+In den kermis wagen woonde eene familie, die door het vertoonen van de
+poppenkast het dagelijksch brood trachtte te verdienen. Eerst meenden
+wij, dat de berenleider ook tot de familie behoorde, maar daarin hadden
+wij ons vergist. Wel was hij zooals ons al spoedig bleek zeer met den
+poppenkastman bevriend, en reisden zij zooveel mogelijk in elkanders
+gezelschap ons vaderland door.
+
+Elken dag deed de poppenkast de ronde door het dorp of bezocht zij een
+van de omliggende plaatsen, en trok ook de berenleider er op uit met
+zijn viervoetigen makker, om een stuivertje te verdienen, maar den
+wagen lieten zij staan, en 's avonds keerden allen weer naar het
+marktplein terug, waar het voertuig stond. Dan werd de beer aan een van
+de palen op het marktplein met een vrij lang, naar het scheen zeer sterk
+touw vastgebonden, zoodat hij zich eenige beweging kon veroorloven. Wij
+vroegen ons menigmaal af, waar toch de berenleider 's nachts wel mocht
+slapen, daar hij bij niemand op het dorp om een onderkomen had verzocht,
+doch eindelijk hoorden wij vertellen, dat eene groote mand, die wel
+bijna eene manslengte had en overdag onder den wagen was vastgebonden,
+hem tot ledikant diende. 's Avonds maakte hij die mand los, legde zijn
+beddegoed (wat niet van de fijnste qualiteit was) wat terecht, en --
+begaf zich dan ter ruste. Voor dieven behoefde hij om twee redenen niet
+te vreezen, want ten eerste had hij zoo weinig eigendommen, dat het wel
+niemand in de gedachten zou komen, hem te gaan bestelen, en in de tweede
+plaats had hij een schildwacht voor zijn bed, die niet licht door een
+anderen zou worden overtroffen. De beer namelijk ging elken avond vlak
+voor de mand liggen en liet, zoodra hij maar iets hoorde, een
+vervaarlijk gebrom hooren.
+
+Dat brommen, -- o, wat waren wij er eerst bang voor. Want het spreekt
+van zelf, dat alle jongens van het dorp 's avonds bij bruintje te vinden
+waren. Onze stelten zelfs lieten wij er voor liggen. Ge begrijpt, dat
+we eerst op een eerbiedigen afstand bleven, uit vrees dat hij ons
+aangrijpen, verscheuren en verslinden zou. Maar toen wij zagen, hoe
+vertrouwelijk zijn meester met hem omging, en hoe bedaard en goedig het
+dier er uitzag, begon onze vrees van lieverlede te bedaren en onze moed
+te klimmen.
+
+Bob was de eerste, die hem wat naderbij durfde komen, hoewel hij
+natuurlijk zorg droeg, dat de beer hem niet grijpen kon. Hij wierp hem
+een stuk brood toe, dat door het dier gretig werd verslonden.
+
+Toen wij dat eenmaal gezien hadden, overstelpten wij bruintje bijna met
+onze weldaden, en werden wij meer en meer vertrouwd met het dier, hoewel
+wij toch zorgden, niet te dicht in zijne nabijheid te komen.
+
+Maar langzamerhand ontaardde onze moed in overmoed en begonnen wij hem
+te plagen. Wij sarden hem, als zijn meester er niet bij was, met lange
+stokken, waarmede wij hem op den kop of op de ruige vacht tikten, wat
+hij eerst eenige oogenblikken goedig toeliet, doch daarna plotseling met
+een woest gebrom beantwoordde. Och, och, wat wisten wij van beenen
+maken. Pieter-neef, die ook in ons gezelschap was, zag doodsbleek van
+den schrik en liep, of de dood hem op de hielen zat. Nu, zoo erg was het
+met ons niet, maar -- wij kozen toch ook het hazenpad.
+
+H, wat bromde hij daar! zei Bob, die het eerst stilstond. Gelukkig,
+dat hij aan een touw lag, want anders had hij stellig een van ons allen
+verscheurd!
+
+De boosheid van den beer duurde echter niet lang; hij keerde weer in
+zijn vorigen toestand van vadsige rust terug, en wij gingen voort met
+plagen.
+
+Wil jelui dat wel eens laten, jongens! gebood ons de vrouw, die in
+den wagen woonde, -- doch daar wij wisten, dat haar man zoowel als de
+berenleider niet thuis waren, toonden wij ons vrij ongezeggelijk, wat
+ons heel leelijk stond, dat moet ik zelf bekennen.
+
+Toch hielden wij na een poosje met ons plagen op, niet omdat wij
+medelijden met bruintje hadden, o neen, maar omdat de burgemeester het
+marktplein opkwam, om te zien, of de beer ook gevaar kon opleveren voor
+de eerzame burgers en burgeressen, die hij onder zijne hoede had.
+
+Natuurlijk bleef ook hij op een eerbiedigen afstand van het lieve dier
+staan.
+
+Zeg eens, vrouwtje! riep hij de vrouw uit den kermiswagen toe. Waar
+is de berenleider?
+
+Hij is met mijn man naar Haarlem, mijnheer de burgemeester, klonk het
+antwoord.
+
+En moet dat ongure beest dan al den tijd, dien zijn meester afwezig is,
+zonder toezicht blijven? zei de burgemeester op gestrengen toon.
+
+Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Flip is niet thuis.
+
+Flip -- wie is dat?
+
+Dat is de man van den beer, mijnheer de burgemeester. Maar hij is niet
+thuis.
+
+Zoo, -- ja, dat heb je zooeven al gezegd. Maar kan dat dier zoo geen
+kwaad?
+
+Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester, zei de vrouw, die het
+buskruit niet scheen uitgevonden te hebben, Flip is niet thuis.
+
+Zoo, hm! hm! kuchte de burgemeester. Ik bedoel, vrouw, of dat touw
+sterk genoeg is, om den beer te houden, als hij soms boos mocht
+worden.
+
+Ik zou het u niet kunnen zeggen, mijnheer de burgemeester, maar straks
+komt Flip wel thuis, dan kan u het hemzelven vragen. Hij is nu met mijn
+man naar Haarlem.
+
+Zoo, ja -- dat weet ik al. Dus je denkt, dat het touw sterk genoeg is?
+
+Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Als Flip straks thuiskomt,
+zal ik het hem vragen. Of u zou het zelf kunnen probeeren.
+
+Dank je, zei de burgemeester, die blijkbaar niet veel lust had,
+bruintje zoo nabij te komen.
+
+Nu, het ziet er nog al sterk uit, maar als Flip, of hoe die man heeten
+mag, aanstonds terug komt, moet je hem zeggen, dat hij dadelijk bij me
+moet komen.
+
+Ik zal het hem zeggen, mijnheer de burgemeester!
+
+Zoodra het hoofd onzer gemeente vertrokken was, begonnen wij den beer
+weer te plagen, ja zelfs te sarren, en 't was verbazend hoe hevig hij
+dan soms kon gaan brullen. Als wij het al te erg maakten, rukte hij aan
+zijn touw, om los te komen, en dan wisten wij van beenen maken.
+
+Het touw bleek echter heel sterk te zijn, zoodat wij eindelijk al niet
+eens meer op de vlucht gingen, al was hij ook nog zoo woedend. Wij
+bleven doodkalm staan, natuurlijk buiten het bereik van zijne klauwen,
+maar toch dicht genoeg bij, om met sarren voort te kunnen gaan. Zelfs
+Pieter-neef begon, nu hij zag, dat het beest toch niet los kon komen,
+dapper te worden en plaagde den beer het meest van allen.
+
+Hij sloeg hem met een langen stok op zijn kop, en als het beest dan
+tegen hem bromde en met geopenden muil aan zijn touw rukte, stak hij hem
+den stok tusschen de geweldige tanden. Dan had hij geen grooter pret,
+dan als de beer op den stok beet, en hem al brommende heen en weder
+schudde. Wat trok en rukte Pieter dan aan den stok, om hem weer los te
+krijgen, maar de beer hield vast.
+
+Bob haalde eene leuke grap met hem uit. Hij haalde uit de schuur een
+vaatje, waarin de bodem niet al te stevig meer bevestigd zat, en schoof
+dat bruintje toe. Toen nam hij eene kleine occarino uit den zak, en
+begon daar eenige deuntjes op te spelen. O, wat moesten wij lachen, toen
+de beer zich plotseling op zijne achterpooten verhief en op zijne gewone
+bevallige manier begon te huppelen, precies, zooals hij dat bij zijn
+meester gewoon was. En toen Bob hem een paar stukjes brood toewierp,
+konden wij duidelijk opmerken, dat hij Bob als een goed vriend begon te
+beschouwen, want hij volgde hem overal, waar hij liep, althans voor
+zoover zijn touw hem dat toeliet.
+
+Maar het was er Bob om te doen, dat hij op het vaatje zou gaan staan,
+wat hij voor zijn meester somtijds ook moest doen.
+
+Allo! Ho -- hop! Op! Op! riep hij den beer toe, en weer begon hij op
+de occarino te spelen. Eerst huppelde de beer nog eenigen tijd rond, en
+toen, waarlijk, daar naderde hij het vaatje en zette er een poot op.
+Toen den tweeden poot, daarna voorzichtig den derden en eindelijk stond
+hij er geheel op.
+
+Een uitbundig gejuich uit wel vijftig jongensmonden was zijn loon, en
+de beer, die zich daardoor naar het scheen, gestreeld gevoelde, begon op
+de maat van Bobs muziek, zoo goed en zoo kwaad dat ging, op het vaatje
+te dansen. Dat had hij niet moeten doen, want daarvoor was de bodem te
+zwak. Plotseling hoorden wij een gekraak, de vier pooten zakten naar
+beneden, en daar rolde de beer onderste-boven. Och, och, wat maakte hij
+eene vreemde buiteling, en wat deed hij wanhopige pogingen, om zijne
+pooten uit hun kluister te bevrijden. Doch dat gelukte hem niet, want
+zij zaten in de kleine ruimte stijf tegen elkander gedrukt. Hij kon er
+geen beweging in krijgen.
+
+Wat hadden wij verbazend veel pret. Ons joelen klonk over het geheele
+dorp!
+
+De beer werd hoe langer hoe wilder, en toen het arme dier daar zoo
+hulpeloos lag, werd Pieter-neef hoe langer, hoe moediger. Hij ging vlak
+bij den beer staan en sloeg hem met zijn stok.
+
+Maar o hemel, daar vlogen de duigen van het tonnetje opeens krakend uit
+elkander, en sprong de beer onder luid gebrom overeind, vlak voor
+Pieter-neef, die van angst en schrik zijne bezinning geheel kwijt raakte
+en stokstijf bleef staan.
+
+Ga achteruit! Ga achteruit! schreeuwden wij hem toe, want wij dachten
+niet anders of hij zou verscheurd worden.
+
+Hij gehoorzaamde werktuiglijk. Zonder zijn starenden blik van het dier
+af te wenden, liep hij voetje voor voetje achteruit, gevolgd door het
+beest, dat met wijd geopenden muil een vervaarlijk gebrom uitstiet. De
+haren rezen ons ten berge van schrik.
+
+Opeens kon Pieter-neef niet verder, want hij werd gestuit door een
+lantaarnpaal, waar hij met den rug tegen terecht kwam. De beer kon niet
+verder van het touw. Toen sprong hij met reuzenkracht op en krak -- het
+touw brak en de beer was los. Dat gaf een ontzettenden schrik onder den
+jongenstroep. Onder den kreet De beer is los! De beer is los! De beer
+is los! sloegen allen op de vlucht.
+
+Neen, allen niet, want Pieter-neef kon niet. Hij stond met den rug tegen
+den lantaarnpaal en durfde geen voet verzetten. De beer liep brommend om
+hem heen. En Bob ook niet. Die meende eens heel slim te handelen, door
+met zijne gewone behendigheid in den grooten eikeboom te klimmen, die
+midden op het marktplein stond.
+
+Och, och, wat zag die Pieter doodsbleek. Wij zagen, hoe hij beefde van
+schrik en ontsteltenis. En de beer liep voortdurend met kleine pasjes om
+hem heen, terwijl hij hem aan alle kanten besnuffelde.
+
+Ik geloof, dat Pieter op dat oogenblik wel voor hem op de knien had
+willen vallen, als dat had kunnen baten.
+
+Help! Help! klonk de kreet van de verschrikte jongens, die op een
+eerbiedigen afstand stonden af te wachten, wat er verder gebeuren zou.
+Niemand van hen twijfelde er aan, of Pieter zou straks door het
+geplaagde dier worden aangegrepen en -- opgepeuzeld.
+
+Alleen Bob gevoelde zich boven in den top van den eikeboom volkomen
+veilig en zeer goed op zijn gemak.
+
+Ga op de vlucht! riep hij Pieter toe, die nog altijd tegen den
+lantaarnpaal stond.
+
+'k Durf -- niet -- o -- help! kreunde Piet.
+
+Stel hem voor, de vredespijp met je te rooken, plaagde Bob, die schik
+in het geval begon te krijgen.
+
+O -- Bob! was alles, wat Piet antwoordde.
+
+Of sla hem met je stok op zijn kop, als zoo even! ging zijn plaaggeest
+voort.
+
+Nu hield de beer stand, vlak voor Pieter. Wij zagen, hoe hij hem vlak in
+het bleeke gezicht keek. Pieter staarde wederkeerig bruintje wezenloos
+in het gelaat. De beer zag er op dat oogenblik inderdaad veel
+verstandiger uit dan zijn slachtoffer.
+
+Och, wat beefde Pieter. De ruitjes van de lantaarn hoorden wij er van
+rinkelen.
+
+O hemel!
+
+Daar verhief de beer zich, vlak voor Pieter, plotseling op de
+achterpooten en wilde zijne klauwen op Pieters schouders leggen.
+
+Van den schrik maakte Piet eene driftige beweging met zijn hoofd in
+achterwaartsche richting, maar daar stond de lantaarnpaal, en nu stootte
+hij zijn hoofd zoo hevig, dat hij van den weeromstuit voorover buitelde
+en terecht kwam -- in de harige armen van den beer. Daar stonden zij om
+zoo te zeggen snoet tegen snoet! 't Was zulk een bespottelijk gezicht,
+die twee elkander daar zoo innig te zien omarmen, dat Bob van het lachen
+bijna uit den boom buitelde.
+
+Pieter-neef gaf een schreeuw, die ons door merg en been drong, en wij
+twijfdelden niet, of nu zou de beer hem verslinden. O, welk een
+vreeselijk drama stelden wij ons daar reeds van voor. Griezelig in
+hooge mate, -- maar toch uiterst belangwekkend.
+
+Maar neen, wij hadden het mis. Pieters kreet wekte in het teedere gemoed
+van den beer zeker zachtere aandoeningen, dan waarvoor wij hem vatbaar
+achtten, want hij keek hem even aan, liet hem daarna los, ging weer op
+vier pooten staan en begon zich langzaam te verwijderen. Pieter
+verwaardigde hij met geen enkelen blik meer.
+
+Meer dood dan levend bracht deze zich, struikelend en strompelend, bijna
+zonder te weten wat hij deed, in veiligheid, en toen hij ver genoeg van
+den beer verwijderd was, om hem niet meer te vreezen, zette hij het op
+een loopen, zoo snel zijne voeten hem konden dragen. Loopen -- loopen,
+dat hij deed, o, 't was potsierlijk. Wij schaterden van het lachen, maar
+hij keek niet op of om. Hij holde voort, de brug over, -- naar huis. Wij
+hebben hem den geheelen avond niet terug gezien.
+
+Intusschen ontstond er een verbazende oploop op het marktplein, want het
+gerucht, dat de beer losgebroken en de berenleider niet thuis was (voor
+zoover wij bij een man als Flip van thuis zijn kunnen spreken) ging
+als een loopend vuurtje door het dorp rond. Zelfs Jan van der Vliet,
+dien wij na de treurige gebeurtenis van den laatsten Zondagmorgen nog
+niet buiten hadden gezien, kwam ook toeloopen. Maar tot mijne ergernis
+moest ik opmerken, dat de meeste jongens niets met hem te maken wilden
+hebben en hem alleen lieten staan. Ik zag, dat hij de tranen in de oogen
+kreeg, en had veel medelijden met hem. Ik ging daarom naast hem staan
+en zeide:
+
+Kijk eens, Jan, de beer is los, en Bob zit in den eikeboom.
+
+Waar is zijn baas, Dorus? vroeg Jan met een blijden lach, omdat ik
+even vriendelijk jegens hem was als altoos, en hij pinkte tersluiks de
+tranen weg, die zijn beide oogen verduisterden.
+
+Die is naar Haarlem, zei ik. Zie eens, wat komt er een oploop.
+
+Ja, -- geen wonder; maar waarom komt Bob den boom niet uit? Een beer
+kan immers klimmen?
+
+Hemel, ja, daar had ik niet aan gedacht. Als Bob nu maar in vredesnaam
+stil bleef zitten, zoodat de beer geen erg in hem kreeg, want anders kon
+het wel eens bitter slecht met hem afloopen.
+
+Je hebt gelijk, Jan, zei ik angstig. Maar hoe zou Bob er uit moeten
+komen? Je ziet toch wel, dat de beer voortdurend onder den boom heen en
+weer loopt?
+
+Ja, dat is waar. 't Is een benauwd half elfje voor hem, en ik zou niet
+graag in zijne plaats willen zijn.
+
+Ik ook niet, Jan.
+
+Kijk, daar komt Tip ook, de veldwachter. Hij heeft waarlijk eene
+revolver in de hand. Zou hij hem dood gaan schieten?
+
+Ik weet het niet. Dat zou jammer wezen van het arme dier, want hij doet
+tot nog toe niemand kwaad.
+
+Ja, -- en ook voor zijn meester, want die zou met hem meteen zijne
+broodwinning verliezen, merkte Jan op.
+
+Intusschen werd de oploop met de minuut grooter.
+
+Wel honderden menschen vormden een grooten cirkel om het beweegbare
+middelpunt, dat gevormd werd door den beer, die doodkalm onder den boom
+heen en weer bleef loopen. 't Was aardig te zien, welk eene golving er
+onder al die menschen kwam, als de beer zich eens wat verder van den
+boom verwijderde.
+
+Dan ontstond er eene geweldige opschudding en onder den kreet: De beer
+komt! De beer komt! sloegen zij op de vlucht.
+
+Eindelijk verscheen ook de burgemeester op het marktplein. Hij ging
+regelrecht naar Tip, dien hij met gefronste wenkbrauwen en een toornigen
+blik aanzag, en zeide op boozen toon:
+
+Daar hebben wij het leven nu al gaande, Tip. 't Is me wat moois, -- dat
+afschuwelijke beest hier midden op het dorp.
+
+Ja burgemeester! zei Tip, die er met zijne revolver in de hand
+verbazend krijgshaftig en moorddadig uitzag.
+
+Is die man nog niet thuis?
+
+'k Weet het niet, burgemeester. Wil ik het even vragen? De beer is er
+nu niet dichtbij.
+
+Ja, -- ga het vragen! gebood de burgemeester, doch opeens van
+gedachten veranderende, vervolgde hij:
+
+Of neen, wacht even, ik zal het zelf doen. Houd jij intusschen dat
+beest goed in het oog, terwijl ik bij den wagen sta. Begrepen?
+
+Tip sloeg aan en zeide dapper:
+
+Verlaat u op mij, burgemeester. Ik zal over u waken. Ga gerust.
+
+De burgemeester, die aan de menschen eens wilde toonen, dat hij
+volstrekt niet bang was, baande zich een weg door den kring en ging
+met groote schreden op den wagen af. Maar zie, daar kreeg plotseling
+bruintje het in zijn hoofd, om ook naar den wagen te gaan, wat voor den
+burgemeester een allesbehalve aangenaam voornemen was. Inderdaad was hij
+niet bang van aard, maar om ongewapend een beer tegemoet te gaan als dat
+strikt genomen niet noodig is, achtte hij te veel gevergd, en hij keerde
+daarom, tot groot vermaak van de omstanders, naar Tip terug.
+
+Nu klonk dat lachen den burgemeester in het geheel niet aangenaam in de
+ooren, want het scheen wel, of de menschen hem uitlachten, en die
+gedachte maakte hem erg boos.
+
+Tip! gebood hij kortaf, ga dat beest grijpen en vastbinden!
+
+Jawel, burgemeester, zei Tip, op militaire wijze de hand aan de pet
+brengende.
+
+Maar Tip was vlugger met beloven dan met doen; hij talmde zoo lang, dat
+de burgemeester kortaf tot hem zeide:
+
+Je hebt mijn bevel toch verstaan, Tip?
+
+Tip krabde zich verlegen achter het oor en hield den blik met eene
+eigenaardige uitdrukking, die veel op angst geleek, op den beer gericht.
+Nu durfde hij in het geheel niet bekennen, dat hij bang was, maar tevens
+was hij vast besloten, het bevel van zijn meester in geen geval op te
+volgen. Om tijd te winnen, zeide hij, bij wijze van waarschuwing:
+
+Ik ga, burgemeester, -- maar als hij nu eens voor mij op de vlucht gaat
+en zich op de menschen werpt? Wat dan, burgemeester? Ik zou in een
+dergelijk geval niet voor de gevolgen durven instaan. Niet dat ik bang
+ben, in het geheel niet, burgemeester, maar ziet u, we moeten toch
+altoos zorgen, dat de openbare veiligheid geen gevaar loopt.
+
+Je hebt gelijk, Tip. Dat die akelige Flip nu ook juist niet thuis is.
+Tip! Ik wil dat beest niet langer hier midden in het dorp hebben, --
+begrepen, Tip!
+
+Ik zal er voor zorgen, burgemeester, zei Tip, die verbazend in zijne
+nopjes was, dat hij van de opdracht, om den beer te vangen, ontslagen
+was.
+
+Zie Tip, daar gaat hij weer naar den boom. Ga jij nu naar den wagen, en
+vraag aan die vrouw, of Flip nog niet haast thuis komt.
+
+Ja wel, burgemeester.
+
+Tip stapte uit den kring en ging, met zijne revolver gewapend, op den
+wagen af. O, wat nam hij groote stappen, en wat keek hij schuin naar
+bruintje. De menschen schoten allen in een lach, tot groote ergernis van
+Tip.
+
+Om eens duidelijk te toonen, dat hij volstrekt niet bang was, zette
+hij een verbazend hooge borst, en bleef een oogenblik doodkalm, naar
+het scheen, in den kring staan, spelende met het wapentuig, dat hij
+in de hand hield. Bijna was het hem gelukt, den menschen in den waan
+te brengen, dat hij een buitengewone held was, die zich door eene
+kleinigheid als een losgebroken beer volstrekt geen angst liet aanjagen,
+toen plotseling het beest hem in het oog kreeg en met hooge sprongen
+spelende op hem af kwam.
+
+O h, daar zakte de hooge borst in en verdween de moedige trek op Tips
+gelaat. Op het volgende oogenblik zette Tip, met revolver en al, het
+op een loopen, zoo hard hij kon. De beer keerde bedaard naar den boom
+terug. Wat werd die arme Tip uitgelachen! En toch was hij niets banger
+dan iemand van de omstanders, want allen hielden zich op een eerbiedigen
+afstand.
+
+Bob, die zich in den top van den hoogen boom volkomen veilig achtte, had
+er ook niet weinig pret in, en begon te zingen:
+
+ "O moeder, de beer is los;
+ Hoor dat beest eens brullen!
+ Snijd hem neus en ooren af,
+ Dan hebben wij wat te smullen!"
+
+Wij hoorden hem nauwelijks, of wij begonnen dapper me te zingen, tot
+groote pret van Bob. Maar de beer had ons Bobje nu ook opgemerkt en --
+vlug als eene kat klauterde hij den boom in.
+
+Dat vond Bob allesbehalve prettig, en wij zagen het allen ook met angst
+aan.
+
+Hij klimt in den boom! Hij klimt in den boom! Hij zal Bob verscheuren!
+klonk het van alle kanten, en de burgemeester vond het meer dan tijd, om
+een einde aan de zaak te maken.
+
+Tip, schiet dat beest dood! gebood hij. Spoedig, of het kost een
+menschenleven.
+
+Jawel, burgemeester, zei Tip.
+
+Beiden begaven zich nu onder den boom. De beer klauterde rustig steeds
+hooger, tot grooten schrik van Bob, die het hoogste punt al had bereikt.
+
+Schiet hem dood! herhaalde de burgemeester.
+
+Maar Tip had niet veel lust om te schieten, want hij wist, dat hij op de
+revolver volstrekt geen meester was.
+
+Als ik misschiet, komt het beest stellig op mij af, dacht hij bij
+zichzelven, maar hij zeide het niet en zag er weer zeer dapper uit.
+
+Schiet dan! gebood de burgemeester. Straks heeft hij dien jongen
+bereikt, en dan is het te laat! Schiet!
+
+Tip legde aan, maar het wapen beefde hem in de hand en hij durfde niet
+schieten.
+
+Je beeft, Tip! Je bent een lafaard! zei de burgemeester.
+
+Maar -- als ik misschiet, mijnheer de burgemeester, en in plaats van
+den beer den jongen tref -- wat dan?
+
+Je bent een lafaard, Tip! herhaalde de burgemeester.
+
+Klim in den boom en snel den jongen te hulp! Dadelijk! Ik gebied het
+je, Tip!
+
+Tip begon te klimmen, maar of de stam te dik voor hem was, of dat hij al
+wat stijf begon te worden, weet ik niet; zeker is het, dat Tip bleef
+waar hij was, aan den voet van den boom.
+
+Intusschen volgden honderden oogen in den grootsten angst den beer op
+zijn tocht naar boven. Bob kon zich onmogelijk redden. Hij kon niet
+hooger -- en niet lager ook. Zooals hij ons later vertelde, verkeerde
+hij op dat oogenblik in doodsangst, tot hem plotseling een eenvoudig
+middel tot redding in de gedachten kwam.
+
+De beer had thans den tak bereikt, waarop Bob zich bevond. Bob meende
+dat zijn laatste oogenblik gekomen was, toen hij opeens bemerkte, dat
+de beer hem in het geheel niet onvriendelijk aankeek. Daar herinnerde
+Bob zich dat hij nog een stuk brood voor den beer in den zak had; en
+nauwelijks had hij dat bedacht, of hij haalde het te voorschijn en stak
+het hem toe. Bruintje at het met graagte op en liet een zacht gesnor
+hooren, als om hem te bedanken.
+
+Bob begreep, dat hij van dit oogenblik gebruik moest maken, om zich in
+veiligheid te brengen. Die waagt, die wint! mompelde hij. Hij greep
+den beer bij het afgebroken touw, blies een kort deuntje op zijne
+occarino, en zei toen met gebiedende stem:
+
+Hallo! Hop! Terug! Hallo! Terug! Hallo! Meteen rukte hij aan het touw,
+zooals hij den berenleider had zien doen, als hij den beer iets gebood.
+
+Inderdaad -- het beest gehoorzaamde, zooals hij dat bij zijn meester
+gewoon was. En nauwelijks bemerkte Bob, dat de beer ontzag voor hem had,
+of hij klom naar omlaag, den beer steeds bij het touw vasthoudende.
+
+Hallo! Hallo! Hop! Hop! klonk het uit den boom, en alle menschen
+hielden zich doodstil, om te zien, hoe dit af zou loopen.
+
+Daar kwam bruintje naar beneden klauteren, gevolgd door Bob, die niet
+weinig trotsch op zijne heldendaad was. Nu hadden zij den grond weer
+bereikt.
+
+Bob blies op zijne occarino.
+
+Hallo! Op! -- Op! gebood hij.
+
+En zie, onder een daverend gejuich van de toeschouwers ging bruintje op
+zijne achterpooten staan en begon te dansen. Bob voerde den dansenden
+kolos langzaam naar den wagen, bond vlug de einden van het touw stevig
+aan elkander, wierp den beer het laatste stukje van zijn brood toe, --
+en ging bedaard heen.
+
+Hoera voor Bob, riep ik vol bewondering uit.
+
+En plotseling klonk het over het geheele marktplein, en ik moet zeggen,
+dat oud en jong mededen, uit volle borst:
+
+Hoera! Hoera voor Wilden Bob! Hoera voor Bob!
+
+Juist op dat oogenblik kwam de berenleider uit de stad terug. De
+burgemeester trad dadelijk op hem toe.
+
+Kunt ge dat beest niet beter vastleggen? Hij brengt het geheele dorp in
+beroering en maakt het hier in hooge mate onveilig.
+
+Flip nam eerbiedig de pet van het hoofd, en zeide:
+
+'t Beest is niet gevaarlijk, mijnheer de burgemeester.
+
+Niet gevaarlijk! Wilt ge nu praatjes gaan verkoopen? 't Is toch een
+verscheurend dier?
+
+In naam, ja burgemeester, maar inderdaad heeft hij nog nooit vleesch
+geproefd. Ik heb hem zelf opgefokt, mijnheer de burgemeester, maar hij
+heeft nooit anders dan brood van me gehad. Dat is de waarheid!
+
+Zoo, -- nu, dat kan mij niet schelen. 't Is een gevaarlijk dier, een
+hoogst gevaarlijk dier. Indien ge hem niet beter kunt vastleggen, moet
+ge morgen bij zonsopgang uit het dorp vertrekken. Dan kan ik u hier
+geen langer verblijf toestaan. Hebt ge dat goed begrepen?
+
+Ik zal hem aan den ketting leggen, mijnheer de burgemeester, en ik sta
+er u borg voor, dat hij niet meer loskomt.
+
+Doe dat, -- en wees gewaarschuwd, zei de burgemeester heengaande. Tip
+volgde hem met lang geen opgeruimd gelaat. Hij begreep wel, dat hij in
+het geheel geen kranig figuur gemaakt had.
+
+Maar Bob was onder ons, jongens, een held geworden van het zuiverste
+water. Wij hadden den diepsten eerbied voor hem gekregen en achtten hem
+tot de grootste heldendaden in staat.
+
+En heel ver hadden we dat niet mis. Maar Pieter-neef hebben we den
+volgenden dag geducht uitgelachen, en dat had hij ook wel verdiend.
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Een Zaterdag, die voor Jan van der Vliet verdrietig begon
+ en prettig eindigde. Hoe mijnheer Denappel ons onthaalde,
+ Bob eene edelmoedige daad verrichtte en
+ Tines Wobbe met een pijnlijk oorbelletje
+ getooid werd.
+
+
+Den volgenden dag was het Zaterdag, -- de Zaterdag waarop wij onzen
+wedstrijd op stelten zouden houden bij den Heer Denappel. Wat stelden
+wij ons veel genot van dat feestje voor.
+
+'s Morgens moest ik natuurlijk eerst mijn huiswerk afmaken en mijn
+gewonen tocht naar het orgel doen. Bob liet mij gelukkig dezen keer met
+rust, want hij vermaakte zich met Karel Holm en Pieter-neef (die van
+zijne Mama meer en meer verlof begon te krijgen, om met de dorpsjongens
+om te gaan) op de markt bij den kermiswagen.
+
+Toen ik met mijn huiswerk gereed was, ging ik Jan van der Vliet afhalen,
+die als gewoonlijk, den blaasbalg voor mij zou trappen. Ik vond Kees en
+Trijn aan de tafel zitten, moedeloos en bleek. Ik zag, dat Trijn tranen
+in de oogen had en dat zij in dien korten tijd zeer afgevallen was. Ik
+groette beleefd en vriendelijk, zooals altoos, en zei, dat het mooi
+weertje was, want iets anders wist ik niet te zeggen, en Kees zei ook,
+dat het mooi weertje was. Verder werd er niet gesproken, want Jan was
+spoedig gereed om mij te vergezellen.
+
+Eerst sprak Jan ook niet, maar toen wij dicht bij den koster waren, zei
+hij op eens:
+
+Ik wou, dat ik dood was!
+
+En meteen begon hij te schrein.
+
+Ik wist niet, wat ik zeggen moest, en zei daarom niets.
+
+Ja, -- dood! herhaalde Jan. O Dorus, je weet niet hoe treurig het bij
+ons in huis is. Vader zit den ganschen, langen dag stil bij de tafel,
+zonder een woord te spreken, en Moeder doet niets dan schreien, --
+schreien van den morgen tot den avond. En als ik 's nachts wakker word,
+hoor ik haar ook nog dikwijls snikken. En toch zijn Vader zoowel als
+Moeder onschuldig, Dorus! Als zij dat niet waren, zou ik het toch moeten
+weten, niet waar?
+
+Ja, dat denk ik ook, Jan, zei ik.
+
+Zeker, dat zou ik, vervolgde Jan. Dan zou ik het weten. Maar Vader en
+Moeder zeggen, dat zij het niet gedaan hebben, en ik hoor hen er samen
+wel over praten, als ik op bed lig en als zij denken, dat ik slaap. En
+dan hoor ik het ook, dat zij onschuldig zijn, en dat het geld bepaald
+met voordracht onder onze deur geschoven is, om zoo de verdenking op ons
+te doen vallen. O, 't is afschuwelijk, Dorus, en ik kan het bijna niet
+langer aanzien, dat Moeder wegkwijnt van verdriet. Ik wou, dat ik dood
+was, Dorus.
+
+Wij stonden beiden stil, dicht bij het kostershuis.
+
+Dood zijn, Jan? zei ik. Dat is het ergste van alles. Neen, je moet
+den moed niet laten zakken, en probeeren je ouders te troosten. Als zij
+onschuldig zijn, zal dat eenmaal blijken.
+
+Ach ja, 't is wel vriendelijk van je, Dorus, om dat te zeggen, maar
+eergisteren zijn Vader en Moeder voor den Officier van Justitie geweest,
+en die heeft hen ondervraagd, en zij konden best aan hem merken, dat hij
+niet aan hunne onschuld geloofde. En 't is ook waar, dat zij den schijn
+tegen zich hebben, -- dat moet ik zelf zeggen. Ik geloof, dat het slecht
+zal afloopen, Dorus.
+
+Je kunt niet weten, hoe het nog uitkomt, zei ik. Maar willen we nu de
+sleutels gaan halen?
+
+Zwijgend gingen wij verder. De koster was in den tuin aan het werk, en
+Arie de Zwaan zat op een bankje achter het huis.
+
+Zoo, kom je de sleutels halen? vroeg hij aan mij. En Jan aanziende
+vervolgde hij met een grijnslachje, dat hem erg leelijk maakte:
+
+Wel kijk, daar hebben we Jan van de dievenfamilie ook. Je moogt wel op
+je porte-monnaie passen, Dorus.
+
+Ik zag, dat Jan doodsbleek werd en de vuisten balde.
+
+Dat is laster, -- gemeene laster! siste hem tusschen de lippen door.
+
+Kijk, kijk zoo'n klein kereltje zich al eens boos maken, lachte Arie
+sarrend. Niets uit de kerk menemen, hoor kleine langvinger.
+
+Kom Jan, laten we gaan, zei ik, want ik had medelijden met hem.
+
+Maar Jan wilde niet. Zonder een woord te spreken vloog hij op Arie toe,
+krabde hem in het gelaat, en schopte en sloeg hem overal, waar hij hem
+raken kon. De arme jongen huilde van verontwaardiging, nu hij z over
+zijne ouders hoorde spreken.
+
+Dat viel Arie tegen en het deed hem zeker veel pijn. Want hij stond
+driftig op en wierp Jan met een ruk achterover op de straat, en hij keek
+heel boos.
+
+Jou kleine adder! riep hij Jan toe, die grappen zal ik je afleeren!
+
+Hij kwam met groote schreden op Jan af, maar ik plaatste mij tusschen
+hen en duwde Jan voort. De strijd was veel te ongelijk. Hoe zou Jan het
+kunnen uithouden tegen een volwassen man als Arie de Zwaan?
+
+We zullen op je letten, kleine langvinger, pas op, dat je niets mee
+neemt uit de kerk! riep Arie hem nog na. Wij weten te goed, dat het
+muist wat van de katten komt.
+
+Laat hem praten, Jan, en stoor er je niet aan, zei ik, om Jan te
+troosten.
+
+De valschaard! Wat denkt hij wel? Maar bang ben ik niet van hem! zei
+Jan schreiend om den hoon, die zijn ouders was aangedaan.
+
+Wij gingen nu de kerk binnen, en ik begon te spelen. Maar Jan kwam niet
+bij me staan, zooals hij gewoonlijk deed. Hij bleef op de trappers en
+telkens hoorde ik hem snikken. Hij was geheel en al in de war.
+
+Ook mijne aandacht was niet bij het spel. Telkens moest ik aan die arme
+menschen denken, die onder zoo ontzaglijk veel verdriet gebukt gingen en
+toch geheel onschuldig waren. Want daaraan twijfelde ik, na Jans
+woorden, niet langer.
+
+Ik was blij, toen mijn studietijd om was en ik naar huis kon gaan. De
+sleutels bracht ik alleen terug, want ik vond het beter, dat Jan maar
+niet meeging. Dat vond hij trouwens zelf ook beter.
+
+Doe je straks mede aan den wedstrijd? vroeg ik hem onder het naar huis
+gaan.
+
+Ik moest maar thuisblijven, zei hij met een diepen zucht. Veel lust
+heb ik er nu toch niet in, nu wij zooveel narigheid hebben, en de
+jongens zien mij liever niet dan wel.
+
+Dat geloof ik niet, zei ik, om hem te troosten, maar ik wist, dat het
+waar was.
+
+Zeg dat niet, Dorus, ik heb het gisteren zelf gezien. Jij alleen bent
+net als altijd, Dorus, en dat vind ik mooi van je. Dat zal ik nooit
+vergeten.
+
+En Bob dan? -- En Karel Holm? vroeg ik. Zij zullen je ook niet uit
+den weg gaan.
+
+Neen hoor, -- daar kun je op rekenen, Jan! hoorden wij plotseling eene
+stem zeggen van achter eene haag, die langs den weg stond. En toen we
+goed toekeken, zagen we Bob, die daar stil was weggekropen, om ons af te
+wachten. Hij kwam nu te voorschijn.
+
+Kom jij maar gerust, hoor Jan, en als er n jongen is, die het je
+lastig maakt, krijgt hij met mij te doen!
+
+Die woorden kwamen er zoo gul uit, dat het mij in mijn hart goed deed.
+En Jan klaarde er ook heelemaal van op.
+
+Zou ik het doen? vroeg hij weifelend, en wij zagen duidelijk, hoe
+graag hij wilde.
+
+Zeker, -- doen! zei Bob op zijn beslisten toon. Als je het niet doet,
+dan ben ik boos op je. Ik kom je afhalen, hoor Jantje, tot straks!
+
+Dat was fideel van Bob.
+
+Ik ook! riep ik Jan nog na, die al op den Achterweg liep.
+
+Goed. -- Ik doe me! klonk zijn antwoord.
+
+Wij hielden woord.
+
+Bob en ik haalden Jan af en met ons drien stapten we, op stelten
+natuurlijk, den Achterweg op, waar wij de jongens in de verte al hoorden
+joelen.
+
+Ha, de vlaggen wapperden vroolijk in den wind! Wat was dat een mooi
+gezicht. Wij huppelden bijna op onze stelten van pleizier, en zelfs Jan
+werd er vroolijk van.
+
+Wat is mijnheer Denappel toch vriendelijk! zei hij opgetogen. 't Is
+een man, zooals er maar weinig zijn.
+
+Dat waren wij volkomen met hem eens. Wij zagen hem in de verte al druk
+rondloopen, om alles in orde te brengen.
+
+Aan elk einde van de baan staat zeker eene vlag, zei Bob. Jongens,
+wat ben ik nieuwsgierig, wie den prijs zal winnen.
+
+Jij natuurlijk, zei Jan.
+
+Ja, of Tines Wobbe, zei Bob. Die kan het ook vlug.
+
+Doet Pieter niet me? vroeg ik.
+
+Ja, hij is er al. Pa heeft hem een paar nieuwe stelten cadeau gegeven,
+waar hij heel blij mede was. Maar winnen zal hij het wel niet, want hij
+kan het nog niet vlug. Doch dat hindert niets; hoe meer zieltjes, hoe
+meer vreugd, zeg ik maar.
+
+Wij hadden nu de kampplaats bereikt, waar eene buitengewone drukte
+heerschte. Zoo doodsch en stil als het gewoonlijk op dit gedeelte van
+den Achterweg was, zoo levendig was het er thans. De jongens, allen op
+stelten, liepen en sprongen door elkander heen; hun lachen en joelen
+klonk ver in het rond en de vlaggen wapperden vroolijk.
+
+Opeens werd het stil onder den troep, want Tines Wobbe zei op luiden
+toon, zoodat iedereen het verstaan kon, en met een minachtenden trek op
+het gelaat:
+
+Moet hij ook medoen?
+
+Bij die woorden wees hij op Jan van der Vliet, en de wijze, waarop hij
+dat woordje _hij_ uitsprak, deed ons allen pijn. Ik zag, hoe Jans
+vroolijkheid ineens verdween en dat hij bleek werd van schaamte. Juist
+wilde ik voor hem in de bres springen, toen Bob van zijne stelten stapte
+en vlak voor Tines ging staan.
+
+Ja, Tines Wobbe, hij zal ook medoen. Ik wil hopen dat je daar niets
+tegen hebt?
+
+Als hij medoet, ga ik naar huis! zei Tines, en smalend liet hij er op
+volgen: Met zulk volk houd ik mij niet op. Ik denk, dat mijnheer
+Denappel er ook niet op gesteld zal zijn, dat hij aan den wedstrijd
+deelneemt.
+
+Dus als Jan meedoet, zullen we van jou gezelschap verstoken zijn, Tines
+Wobbe? vroeg Bob. Wel, jongen, ga dan maar dadelijk naar huis, want
+Jan blijft hier en doet ongetwijfeld me. Ik ben het overigens volkomen
+met je eens, dat jij veel te goed voor hem zijt, dus -- dag Tines!
+
+Bob nam zijn hoed voor Tines af en maakte eene diepe buiging voor hem,
+waarom wij allen moesten lachen.
+
+Dat zou jij wel willen, h Bob? zei Tines, die er toch eigenlijk niet
+veel lust in had, om den wedstrijd in den steek te laten. Dan was jij
+vrij zeker van den prijs!
+
+Juist, Tines. Praat nu maar niet langer, en ga heen. Dag Tines!
+
+Voor jou ga ik niet, Bobbertje. Jij hebt hier niets te zeggen, voor
+zoover ik weet.
+
+Nu was Bobbertje een naam, dien Bob alleen maar door zijne beste
+vrienden kon hooren uitspreken. Zoodra het een scheldnaam werd, ergerde
+hij er zich vreeselijk aan.
+
+Bobbertje! zei hij driftig. Zeg dat nog eens, als je durft!
+
+Dat durf ik wel, Bobbertje! zei Tines sarrend.
+
+Flap! Daar kreeg hij een klap om zijne ooren, dat het klonk als eene
+klok.
+
+Flap! Daar kreeg Bob er een terug, die ook niet mis was.
+
+'t Werd eene formeele vechtpartij. Gelukkig, dat juist op dit oogenblik
+mijnheer Denappel verscheen en de vechtenden scheidde.
+
+Ho, ho, vgiendjes, wat is hieg te doen? vroeg hij vriendelijk. Mag
+ik eg jelui aan heginnegen, dat ik je niet uitgenoodigd heb, om hieg te
+komen vechten? Je bent abuis, vgiendjes, geheel abuis. We zijn hieg bij
+elkandeg gekomen, om een pgettigen wedstgijd op stelten te houden. Was
+je dat veggeten?
+
+Bob en Tines lieten elkander los, en Bob zeide:
+
+Ja mijnheer, dat weet ik wel, maar Tines....
+
+Wel kijk, daag hebben wij onzen vgiend van deg Vliet ook. Daag ben ik
+zeeg blij om, zeeg blij. Geef mij de hand, jongen.
+
+O, wat werd Jan verheugd bij die hartelijke woorden, en wat keek Tines
+Wobbe leelijk op zijn neus. Wij hadden er groote pret van.
+
+En nu niet meeg vechten, hoog. Komt, jongens, 't is tijd om te loten.
+Maag eegst mag ik jelui zekeg wel tgakteegen op een glaasje heeglijken
+appelwijn?
+
+Wat graag, mijnheer, wat graag! klonk het rondom, en allen gingen wij
+mede naar den tuin, waar een paar tafeltjes en eenige banken voor ons
+gereed stonden. Ook was daar een groote glazen kom, waarin mijnheer
+Denappel de nummers deed, netjes opgerold en in een ringetje gestoken,
+opdat alles eerlijk in zijn werk zou gaan. Zoodra wij den appelwijn
+genoten hadden, begon de loting. Dat was een gewichtig oogenblik, want
+van de loting hing heel veel af. Wij waren met ons twaalven; niet, dat
+het aantal jongens niet grooter was; o ja, er waren er wel vijftig, maar
+de anderen waren nog te jong, om aan den wedstrijd deel te nemen. Zij
+waren alleen maar toeschouwers, en verhoogden als zoodanig de
+feestvreugde niet weinig. Ook waren zij wel terdege de gasten van
+mijnheer Denappel, evengoed als wij. Als er appelwijn geschonken werd,
+of als er taartjes gepresenteerd werden, waren zij er bij als de
+kippetjes.
+
+Hier volgt het lijstje van de nummers, die getrokken werden:
+
+ 1. Pieter van Koorde.
+ 2. Jan van der Vliet.
+ 3. Adriaan Bolt.
+ 4. Tines Wobbe.
+ 5. Huibert de Leeuw.
+ 6. Dorus Volmaar.
+ 7. Karel Holm.
+ 8. Bob de Wild.
+ 9. Cor Valk.
+ 10. Dirk Langeraar.
+ 11. Arie Kooy.
+ 12. Karel Buurs.
+
+Ik had het vrij goed getroffen, want Huibert de Leeuw was niet bijzonder
+vlug op de stelten, zoodat ik het gemakkelijk van hem winnen kon. Maar
+Jan van der Vliet was nog veel gelukkiger geweest, want Pieter van
+Koorde kon er maar weinig van, terwijl Jan er juist tamelijk vlug op
+was. Voor Bob en Karel was het erg jammer, dat zij juist tegen elkander
+moesten loopen, hoewel het moeilijk vooruit te zeggen was, wie van hen
+het winnen zou. Bob was er iets vlugger op dan Karel, dat is waar, maar
+als Bob het ongeluk had te vallen, was hij verloren.
+
+Komt jongens, we gaan beginnen! riep mijnheer Denappel, toen hij onze
+namen in volgorde opgeschreven had. Wie twee gitten veglogen heeft, is
+dood, -- goed begepen?
+
+Best begrepen, mijnheer. Wij zijn klaar.
+
+Numego 1 en 2! riep mijnheer Denappel, zich bij de vlag plaatsende aan
+het begin van de baan. Aan het andere einde, waar de vlag een seinpaal
+vormde, stond een van zijne bedienden, die na elken rit de vlag zou doen
+zwenken naar den kant van den winner.
+
+Pieter van Koorde en Jan van der Vliet stonden gereed.
+
+Een -- twee -- dgie! riep mijnheer Denappel, en bij den derden tel
+ging het voorwaarts.
+
+Och, och, wat huppelde Pieter nog raar op die stelten, en wij moesten er
+smakelijk om lachen, maar toch vonden wij het flink van hem, dat hij
+meedeed.
+
+Pieter-neef is zoo kwaad nog niet, zei Bob vrij eigenwijs, als hij
+lang bij ons blijft, zal hij wel opknappen.
+
+Een oogenblik later ging de vlag over naar de zijde van Jan. Deze had
+het dus gewonnen, en Pieter kreeg een streepje.
+
+Numego dgie en vieg! klonk het nu.
+
+Adriaan Bolt en Tines Wobbe waren nu aan de beurt.
+
+Nu, wij konden wel vooruit zeggen, wie van deze twee het winnen zou,
+want tegen Tines Wobbe kon bijna niemand loopen. De vlag maakte even
+later bekend, dat wij goed gezien hadden, en Adriaan Bolt kreeg ook een
+streepje.
+
+Numego vijf en zes!
+
+Nu was ik aan de beurt.
+
+Niet al te hard, Dorus! zei Huibert, want dan lachen ze me uit, als
+ik het zoo ver verlies.
+
+Je zult er met eere afkomen! riep ik hem toe, en inderdaad won ik het
+met slechts een kleinen voorsprong, maar ik had ook bij lange na zoo
+hard niet geloopen, als ik kon.
+
+Nu volgden Bob en Karel. Dat beloofde een mooien toer, want zij konden
+het beiden best.
+
+Een -- twee -- dgie! riep mijnheer Denappel, en daar gingen ze. O, o
+wat liepen die twee. 't Scheen bijna, of zij geen stelten onder de
+voeten hadden, en langen tijd bleven zij precies gelijk. 't Was
+prachtig, om te zien.
+
+Tik, daar sloegen opeens de stelten van Bob tegen elkander, Bob maakte
+eene buiteling, -- en kreeg een streepje.
+
+Toen kwamen Cor Valk en Dirk Langeraar, ook een paar, dat aan elkander
+gewaagd was. Maar Cor Valk won het toch, en van de laatste twee was
+Karel Buurs de baas. Nu hadden wij allen n loop gedaan, en we zouden
+aan den tweeden beginnen.
+
+Maag eegst een taartje en een kleine vegfgissching. riep mijnheer
+Denappel ons toe. Ik geloof, dat de brave man evenveel pret had als wij.
+En wat kwamen er een toeschouwers. 't Werd een feest van belang!
+
+Nu begon de wedstrijd nog belangwekkender te worden, want wie thans weer
+een streepje kreeg, mocht niet meer medoen.
+
+Pieter van Koorde was de eerste doode, en wij omringden hem met ernstige
+gezichten, om hem te condoleeren. Toen volgde Adriaan Bolt, en daarna
+Huibert de Leeuw. Bob won den tweeden rit, zoodat hij en Karel Holm
+er nu ieder een gewonnen hadden; zij moesten dus nog eenmaal kampen.
+Datzelfde was het geval met Cor Valk en Dirk Langeraar. Eindelijk kreeg
+ook Arie Kooy zijn tweede streepje.
+
+Nu volgden de kampritten. Allen waren wij nieuwsgierig naar den uitslag.
+
+Numego acht en negen! riep mijnheer Denappel.
+
+Karel en Bob stonden gereed, en nauwelijks hoorden zij het woordje
+dgie, of daar gingen zij. Ha, 't was een lust hen te zien gaan! Langen
+tijd bleven zij gelijk, tot eindelijk Karel Holm een klein weinigje
+begon te winnen. Wij rekten de halzen uit, om te zien, wie het eerst bij
+den eindpaal zou zijn. Bob spande zich bovenmatig in, maar Karel bleef
+voor, tot hij opeens struikelde en viel. En nog vor hij kon opstaan had
+Bob de vlag bereikt en was Karel dood.
+
+Vijf minuten later trof Dirk Langeraar hetzelfde lot en trad Cor Valk
+als overwinnaar uit het strijdperk.
+
+Op dit oogenblik gingen de zes dooden dicht bij elkander zitten, en
+hieven een jammerlijk gehuil aan. Mijnheer Denappel schrikte er van en
+spoedde zich dadelijk naar de plaats, vanwaar het misbaar opging.
+
+Wel vgiendjes, -- wel vgiendjes, wat scheelt eg aan, wat is eg? vroeg
+hij ontsteld.
+
+En toen jammerde de geheele troep in koor:
+
+We zijn dood! -- We zijn dood! O, o, we zijn dood! Wij moesten
+geweldig lachen om die dwaasheid, en mijnheer Denappel niet het minst.
+
+Agme jongens, zei hij op medelijdenden toon, wat is dat jammeg,
+want ik meende juist nog een glaasje appelwijn en een taagtje te
+pgesenteegen. Maag nu behoef ik dat bij jelui niet te doen.
+
+We zijn al weer levend! klonk het dadelijk uit zes monden tegelijk, en
+de zes dooden liepen om het hardst naar de tafel in den tuin, waar de
+versnaperingen rondgedeeld werden.
+
+Wij waren nu nog met ons zessen overgeschoten, in deze volgorde:
+
+ 1. Jan van der Vliet.
+ 2. Tines Wobbe.
+ 3. Dorus Volmaar.
+ 4. Bob de Wild.
+ 5. Cor Valk.
+ 6. Karel Buurs.
+
+Jan en Tines waren nu dus het eerst aan de beurt, en wij durfden
+gerust voorspellen, dat Jan het verliezen zou. Hij was wel een goed
+steltlooper, maar Tines was de vlugste van ons allen. Toch hadden wij
+ons vergist, want beide keeren had Tines het ongeluk te vallen, terwijl
+Jan harder scheen te loopen, dan wij ooit van hem gezien hadden.
+
+Numego dgie en vieg! riep mijnheer Denappel, en nu moest ik tegen Bob
+draven.
+
+Houd je goed, Dorus! riepen sommigen mij toe. Vooral Tines Wobbe, die
+nu ook dood was, scheen Bob de overwinning in het geheel niet te gunnen.
+Hij moedigde mij met luider stem aan, mijn leven zoo duur mogelijk te
+verkoopen.
+
+Bob keek hem eens met een schuin oog aan, en zei:
+
+Hij gunt mij niet veel goeds, Dorus. Wat zou hij lachen als ik het
+verloor.
+
+Laat hem, Bob. Wij zullen er eerlijk om kampen, en elkaar niet boos
+aankijken, als het straks beslist is, hoe die beslissing ook zijn moge.
+
+Natuurlijk, was het eenvoudige antwoord.
+
+Klaag? riep mijnheer Denappel. Vooguit dan. En-twee-dgie!
+
+Ik liep, wat ik loopen kon, en maakte naast Bob lang geen gek figuur,
+want ik bleef hem kort op de hielen.
+
+Tines Wobbe riep mij voortdurend toe:
+
+Houd vol, Dorus! Je wint! Je wint! Houd vol!
+
+Maar het mocht niet baten. Twee keeren achtereen werd ik door Bob
+verslagen. Ik was dood.
+
+Van het laatste tweetal bleef Cor Valk de baas, zoodat er nu nog maar
+drie overbleven, en wel Jan van der Vliet, Bob de Wild en Cor Valk.
+
+Eerst moesten Jan en Bob loopen.
+
+Nu zal Jan den prijs winnen, fluisterde Bob mij toe. Als ik het tegen
+hem verlies, schieten hij en Cor Valk alleen over en van Cor kan hij het
+wel winnen.
+
+Dus je wilt het hem laten winnen?
+
+Ja, zei Bob, ik zou zoo graag willen, dat hij den eersten prijs won,
+al was het alleen maar, om Tines Wobbe te plagen.
+
+Maar dan win jij niets? zei ik. En je loopt het hardst.
+
+Dat hindert niet. Ik wil Tines nu eens echt boos zien worden.
+
+Neen Bob, dat weet ik wel beter. 't Is volstrekt niet, omdat je Tines
+kwaad wilt maken, maar omdat je medelijden met Jan hebt. Dt is de
+reden.
+
+Gekheid! zei Bob heengaande. Je hebt het mis, hoor Dorus, heelemaal
+mis!
+
+Jan en Bob stonden gereed, en na de gewone drie tellen staken zij af.
+Jan liep wat hij loopen kon, al was het dan ook niet, om te winnen, want
+hij wist wel, dat Bob sneller liep dan hij. Zijne verbazing kende dus
+bijna geen grenzen, toen hij bemerkte, dat Bob wel dicht bij hem, maar
+toch steeds achter hem bleef en het maar niet scheen te kunnen winnen.
+
+Kijk eens, riepen de jongens, die zich verwonderden over hetgeen zij
+zagen, kijk eens, Jan wint het van Bob! Houd je goed, Bob, houd je
+goed. -- Kijk, Bob verliest -- nog een oogenblik -- wel heb ik van mijn
+leven, Bob heeft het verloren! Hoe is dat mogelijk?
+
+Ik lijk wel moede te worden, zei Bob, toen de jongens hem bestormden
+met de vraag, hoe dit mogelijk was.
+
+Dat is vreemd zei Jan, want ik ben in het geheel niet mo.
+
+Nu volgde de tweede rit, en -- met denzelfden uitslag. Bob had twee
+streepjes en was dus dood.
+
+Thans moesten na eene kleine pauze Jan en Cor Valk om den eersten en den
+tweeden prijs kampen, en de uitkomst was, zooals Bob die voorspeld had.
+Jan won den eersten en Cor den tweeden; zoodat alles heel anders was
+afgeloopen, dan wij gedacht hadden.
+
+Wat was Jan van der Vliet blij!
+
+Toch kan ik het mij niet begrijpen, Bob, zei hij, want jij loopt toch
+veel beter dan ik.
+
+Wacht maar, Jantje, zei Bob, die er ook zeer verheugd uitzag, nu zijn
+list zoo goed gelukt was, ik zal het later wel eens beter overdoen, dat
+beloof ik je!
+
+Nu naag den tuin, zei mijnheer Denappel. En wij volgden hem allen, om
+getuigen te zijn van de prijsuitdeeling.
+
+Hij plaatste zich achter de tafel en liet Jan en Cor tegenover hem
+staan. Daarachter stonden wij allen op een hoop gedrongen. 't Werd nu
+stil, en mijnheer Denappel zeide:
+
+Waagde Vgiendjes! Ik heb een gecht pgettigen middag gehad en met
+vgeugde heb ik gezien, dat je op de stelten gechte bazen bent. 't Spijt
+me wel, dat ik voog iedeg van jelui geen pgijs beschikbaag heb, want ik
+zou eg je gaag allen een geven. Dat kan nu eenmaal niet. Hieg heb ik een
+pgachtig boek in een fgaaien band, en dat boek geef ik jou, Jan van deg
+Vliet, omdat ik tot mijne vgeugde gezien heb, dat jij vlugste van allen
+zijt. Hieg, mijn jongen, lees eg pgettig in! Het heet Gobinson Cguso.
+
+Met een hoog rood gelaat van blijdschap nam Jan het prachtige boek aan.
+
+Mijnheer Denappel drukte hem de hand en Jan betuigde zijn dank.
+
+En hieg heb ik den tweeden pgijs, Cog Valk, een boek, waagin je de
+avontugen kunt lezen van den Bagon van Munchhausen. Dat boek heb jij
+eeglijk gewonnen; ziedaag, neem het van mij aan, en lees het met
+pleizieg.
+
+Ook Cor nam onder dankbetuiging zijn prijs in bezit.
+
+En nu heb ik hieg nog een fgaaie pogte-monnaie, vervolgde mijnheer
+Denappel, en ik beggijp, dat je nieuwsgiegig zijt, aan wien ik die zal
+geven. Dit voogwegp is geen pgijs, vgiendjes, die doog dezen of genen
+gewonnen is, neen, -- 't is een cadeau, dat ik geef, aan wien ik wil. En
+nu geef ik haag aan Bob de Wild, omdat die agme jongen z bijzondeg
+moede gewogden is dezen middag, dat hij op het laatst lang zoo hagd niet
+meeg kon loopen als in het eegst. 't Is dus uit medelijden, dat hij dit
+geschenk van mij kgijgt.
+
+Hij reikte de porte-monnaie aan Bob over en knipoogde bijna onmerkbaar
+tegen hem. Ik zag het en begreep nu zeer goed, dat hij opgemerkt had,
+hoe Bob met voordacht Jan den prijs had laten winnen, wat hij zeker eene
+mooie daad van Bob vond.
+
+Bob bedankte hartelijk voor het mooie geschenk en was er zeer blijde
+mede. Hij deed de beugels open en dicht, en zeide tegen ons:
+
+'t Is eene beste, hoor haar maar eens flink dichtknippen. En haar
+Tines bij het oor houdende zeide hij: Luister maar, Tines, je kunt het
+best hooren.
+
+Tines luisterde, maar hoorde niets. Wel voelde hij plotseling eene
+hevige pijn in zijn oorlelletje, en dat was geen wonder, want Bob had
+zijn cadeau er zoo dicht bijgehouden, dat het vel er tusschen geknipt
+zat. O, o, wat schreeuwde Tines benauwd, en met de porte-monnaie aan het
+oor, sprong hij als een wilde door den tuin rond.
+
+'t Was een dwaas gezicht, waarover wij verbazend veel pret hadden. Bob
+stond te schudden van het lachen, en ik geloof zelfs op dit oogenblik
+nog, dat de ondeugd het er om gedaan had.
+
+Mijnheer Denappel verloste Tines van het pijnlijke oorbelletje en gaf
+het Bob terug, daarbij dreigend den vinger tegen hem opstekende.
+
+Wij bleven nu nog prettig een paar uren in den tuin spelen, en
+vertrokken pas toen het al donker begon te worden. Ons luid: Lang zal
+hij leven! Hoezee! Hoezee! ter eere van mijnheer Denappel, weerklonk
+over het geheele dorp.
+
+'t Was een heerlijke middag geweest.
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+ Van een klein bakkertje en een grooten wagen. Hoe wij
+ eene wandeling door het bosch maakten en Burts ontmoetten.
+ Onze vlucht en de gevolgen daarvan.
+ Pieter komt tot de ontdekking, dat het in
+ het bosch spookt.
+
+
+'t Zal een dag of drie later geweest zijn, toen wij met ons vieren, Bob
+en zijn neef Pieter, Karel Holm en ik, eene wandeling maakten door het
+dorp. Pieter zou den volgenden dag weer met zijne Mama naar Amsterdam
+terug keeren. Ik zeg, dat wij eene wandeling maakten, maar dat is
+eigenlijk niet geheel juist, want we stonden heel dikwijls stil, b.v.
+als Bob zich verbeeldde, een grooten visch aan de oppervlakte van het
+water te zien zwemmen, of als Karel dacht, in het kreupelhout langs den
+weg een egel te zien, of als wij een meikever meenden te hooren brommen
+en vruchteloos naar het onschuldige diertje uitzagen, met het vaste
+voornemen, om hem te vangen, als ons dat mogelijk was. Soms ook zaten
+wij vertrouwelijk aan den kant der beek, en staarden naar de kabbelende
+golfjes en luisterden naar het suizelen van het riet, of maakten kleine
+scheepjes van de bladen daarvan, die wij op het water lieten drijven.
+
+Opeens begon Bob te lachen, zonder dat wij de reden daarvan konden
+bevroeden.
+
+Waar heb jij zoo'n pret over, Bob? vroeg ik.
+
+Ach, zei hij, zie je ginds dien grooten broodwagen wel, daar bij het
+huis van Wobbe?
+
+Ja wel, zei Karel, maar het grappige daarvan zie ik nog niet in.
+
+Neen, ik ook niet, zei ik.
+
+Dat wil ik wel gelooven, hernam Bob. Nu moet je straks eens kijken,
+als de bakker terugkomt. Dat mannetje is zoo klein als de wagen groot
+is, en als hij nu brood uit dien wagen moet krijgen, gaat hij op de
+ijzeren trede staan, die je daar ziet, en duikt bijna geheel in zijne
+kar weg.
+
+En is dat nu zoo grappig? vroeg ik.
+
+Kijk, zei Bob, daar komt hij weer. Flap! Het deksel doet hij open, en
+wip -- nu staat hij op de trede. Ha-ha, daar gaat hij weer voorover, den
+wagen in. Zie je nu wel, hoe grappig! Hij verliest bijna zijn evenwicht.
+Je zoudt zeggen, wat moet zoo'n klein manneke nu met zoo'n grooten wagen
+doen? Als hij een klein beetje hulp krijgt, wipt hij voorover op zijne
+bollen en stoeten. Ha-ha-ha!
+
+Nu, 't was inderdaad wel grappig te zien, hoe het kleine bakkertje zijne
+brooden uit den wagen opdiepte. Maar bijzonder sterk interesseerde de
+zaak ons toch niet. Alleen Bob vond het verbazend grappig.
+
+Zeg jongens, riep hij ons toe, ik kan het heusch niet laten, hoor. Ik
+moet hem een handje helpen!
+
+Om eene duikeling in de wagen te maken? vroeg Karel, wien het plan ook
+wel min of meer toelachte.
+
+Natuurlijk! zei Bob.
+
+Ik zou het je afraden, zei Pieter. Ik acht het eene gevaarlijke
+onderneming.
+
+Gevaarlijk is ze nooit, want als ik het deksel dicht doe, kan hij er
+nooit meer uit! zei Bob. Dan is het Hugo de Groot in de boekenkist! Ik
+ga, jongens, die grap moet ik hebben.
+
+Wij stonden op, om te zien, hoe het zou afloopen.
+
+Bob ging regelrecht op den wagen af. De bakker was weer bij een huis
+aangegaan, om zijne waar te verkoopen, maar weldra kwam hij terug.
+
+Ja, daar ging het deksel weer open en stapte hij op de trede. Een
+oogenblik later verdween zijn bovenlijf in de kar. Zie, hij moest zelfs
+op de teenen gaan staan, om in alle hoeken te kunnen komen.
+
+Dit oogenblik had Bob afgewacht. Vlug als de wind gaf hij den braven man
+een duwtje -- en, o heden, wat was het een bespottelijk gezicht -- daar
+duikelde de bakker voorover in zijn wagen. In het volgende oogenblik was
+het deksel dicht.
+
+Och, och, wat moest die Bob geweldig lachen! Een paar vrouwtjes, die het
+tooneeltje van achter hare ramen, waar zij kousen zaten te stoppen,
+hadden aangezien, kwamen verontwaardigd naar buiten snellen. Wij vonden
+het ook wel grappig -- maar toch zouden wij ons nog wel eens bedacht
+hebben, eer wij het gedaan hadden.
+
+Bob zette het op een loopen, zooals van zelf spreekt. Hij behoefde niet
+bang te wezen, dat de bakker niet uit zijne gevangenis verlost zou
+worden, want het gebeurde midden in het dorp, zoodat verscheidene
+menschen het hadden gezien. Bovendien steeg er zulk een jammerlijk
+gehuil uit den wagen op, dat men het wel hooren moest.
+
+Wel, wel, wat een portale jongen! zei een van de vrouwtjes, die naar
+buiten gekomen waren. Je zoudt zeggen, waar haalt de jongen de
+portaligheid vandaan?
+
+Zij zette hare handen in de zijden en schudde bedenkelijk met het hoofd.
+
+Ja buurvrouw, was het antwoord, dat mag je zeggen, m'n lieve mensch.
+Wil je wel gelooven, dat ik er beduusd van ben? De schrik zit me nog
+door me heele lijf, zoowaar als ik hier voor je sta.
+
+Hoor me dien man eens aangaan! zei weer de eerste, zonder evenwel eene
+hand uit te steken, om hem te helpen.
+
+'t Is eene schande, dat zeg ik maar, en die jongen groeit op voor galg
+en rad. Help maar eens kijken!
+
+'t Is zeker wilde Bob wel weer geweest? vroeg de andere.
+
+Help! Help! klonk het onophoudelijk uit den wagen, uit welke
+noodkreten wij duidelijk konden opmaken, dat het den kleinen bakker
+volstrekt niet beviel in zijn Luilekkerland.
+
+Op dit oogenblik kwam Bob zoo brutaal mogelijk terugloopen. De
+aardigheid scheen hem lang genoeg geduurd te hebben, want met eene
+behendige beweging maakte hij het deksel los en lichtte het een weinig
+op. Op hetzelfde oogenblik verscheen het verschrikte hoofd van den
+bakker boven den rand, daarna zijn bovenlijf -- en nu zette Bob het voor
+de tweede maal op een loopen, zoo snel als hij kon. Hij vloog langs ons
+heen.
+
+Komt jongens! riep hij ons toe. Loopen, hoor, want als hij je krijgt,
+zal het je niet bevallen.
+
+Nu, wij waren doodonschuldig aan de geheele zaak, dat kan niemand
+ontkennen, maar toen wij zagen, welke booze blikken de bakker op ons
+wierp en hoe hij naar zijne zweep zocht, vonden wij het geraden, ook het
+hazenpad te kiezen. Wij volgden daarom Bob meer overhaast dan eervol en
+hadden hem weldra ingehaald.
+
+Het laatste huis van het dorp hadden wij spoedig achter ons en zonder
+een bepaald plan te hebben sloegen wij een smal pad in, dat naar het
+bosch van Baron van den Kasteele voerde. Dat de bakker ons niet meer
+vervolgde, hadden wij al sedert lang opgemerkt. Wij vertraagden dus
+onzen gang en liepen doelloos verder.
+
+Zoo kwamen wij aan den ingang van het bosch, waar op een bordje, dat aan
+een hoogen iep was getimmerd, de woorden Verboden Toegang te lezen
+stonden.
+
+Willen wij er ingaan? vroeg Karel. 't Ziet er daar zoo echt prettig
+uit.
+
+Mij goed! zeiden Bob en ik.
+
+Maar er staat Verboden Toegang! op dat bordje, zei Pieter, op de
+waarschuwende woorden wijzende. Zouden we er geen kwaad mede kunnen?
+
+Och kom, wees wijzer, zei Bob. Dat bordje doelt alleen op stroopers,
+die hier wel eens komen. Wij gaan er geen kwaad doen.
+
+Pieter keek zijn neef Bob met een wantrouwigen blik aan. Blijkbaar was
+hij daarvan niet erg zeker.
+
+Kom, Pieter, niet zeuren, zei Karel. Als we den boschwachter tegen
+komen, waarvan wij natuurlijk niet veel gevaar loopen, omdat het bosch
+zoo groot is, zullen wij er ons zonder murmereeren weer uit laten jagen,
+dat is alles. Dan heeft de goede man alle redenen tot tevredenheid en
+kan hij niet anders getuigen, dan dat wij brave jongens zijn.
+
+Die woorden van Karel kwamen ons zeer juist voor, en ook Pieter scheen
+er door overtuigd te zijn, want na enige weifeling volgde hij ons het
+bosch in.
+
+Wat was het daar heerlijk. De boomen verhieven hunne zacht wuivende
+kruinen hoog in de lucht en wij baadden ons als het ware in de geur
+van het jonge groen, dat ons omgaf. Wat stak dat lichte voorjaarsgroen
+prachtig af tegen den donkeren achtergrond van de sparren en dennen, die
+daar in grooten getale werden gevonden. Wij hoorden de nachtegalen slaan
+en de ooievaars klepperen. O, 't was er verrukkelijk!
+
+Manmoedig stapten wij in het bosch voort, doch -- al hielden wij ons
+zeer heldhaftig en al riepen wij Pieter om 't hardst toe, dat hij gerust
+me kon gaan en geen vrees behoefde te koesteren, toch waren wij zelf
+ook niet geheel op ons gemak, want de Baron was een lastig man, en zijn
+boschwachter, die Burts heette, was zelfs algemeen gevreesd.
+
+Al spoedig begon het terrein heuvelachtig te worden, zoodat wij berg-op,
+berg-af gingen. Nu eens zaten wij op den top van een hooge duin, vanwaar
+wij een prachtig gezicht hadden op de omgeving, dan weer lagen wij te
+rusten in eene vallei, die aan alle zijden door heuvels ingesloten was.
+In een van die vallein vonden wij een pas gegraven kuil, die zoo diep
+was, dat het water er wel ruim een meter hoog in stond. Over den kuil
+lag eene plank.
+
+Wat zou dat zijn? Waartoe zou de Baron dien kuil gegraven hebben?
+vroeg Bob, die midden op de plank stond en met een langen tak van een
+boom peilde, hoe diep het gat wel zou zijn.
+
+Ik weet het niet, zei ik.
+
+Ik geloof, dat de Baron eene waterleiding wil aanleggen naar zijne
+villa, zei Karel. Het zou best kunnen zijn, dat die hier gemaakt
+wordt.
+
+Wel mogelijk, zei Bob. Pas op, Karel, niet zoo dringen, want als ik
+van de plank val, ben ik doornat.
+
+Maar Karel hield niet op, en nu begonnen die twee eene stoeipartij,
+waaraan wij weldra allen mededen. Wij waren evenwel zoo verstandig de
+plank te verlaten, want niemand van ons had lust een nat pak te halen.
+Al stoeiende werden wij hoe langer, hoe wilder. Wij zaten elkander na
+tegen de hoogten op en lieten ons dan weer van boven-af neerrollen,
+wat wij buitengewoon vermakelijk vonden. Soms renden wij, zoo hard wij
+loopen konden, van de hoogte af naar omlaag, de plank over en dan
+weer tegen den tegenoverliggenden heuvel op, zoodat wij zwoegden van
+inspanning. Wij vermaakten ons kostelijk en waren weldra zoowel den
+baron als zijn boschwachter vergeten.
+
+Kwaad deden wij niet, althans in het eerst niet, maar dat zou
+veranderen. Bob kon nooit ergens afblijven, en zoo ook nu niet. Toen
+wij eenige keeren in vollen draf over de plank gegaan waren, begon Bob
+de plank van den kuil te trekken en sleepte haar tegen de helling op.
+Daar zette hij haar op het einde en liet haar balanceeren. Het is te
+begrijpen, dat zij telkens omviel en dan met geweld tegen den grond
+terecht kwam. Dat spelletje werd zoo dikwijls herhaald, tot wij een
+hevig gekraak hoorden, waardoor het ons allen duidelijk werd, dat zij
+gebroken was.
+
+Stuk! zei Bob.
+
+Ja, stuk, Bobbertje! zei Karel op leuken toon. Daar heb je eer van.
+
+Laten we vluchten, zei Pieter in grooten angst. Als de baron komt en
+ziet, wat we gedaan hebben, zal het nog slecht met ons afloopen.
+
+Niet zoo bang wezen, Pieter, zei Bob. Zeg jongens, die plank is niet
+stuk, kijkt maar.
+
+Hij is niet in twee stukken gevallen, dat is waar, zei ik. Maar toch
+is ze stuk, Bob. Je kunt het duidelijk zien.
+
+Ja, dat kan ik niet ontkennen. Nu, gedane zaken nemen geen keer, en
+met den besten wil is het mij niet mogelijk, deze plank weer heel te
+maken. Toe Dorus, help mij eens, door het andere einde op te nemen. Dan
+leggen wij haar weer netjes over den kuil en niemand kan zien, dat zij
+stuk is.
+
+En als er nu iemand komt en er over loopt? vroeg Karel.
+
+Dan breekt de plank en krijgt hij een nat pak, zei Bob. Dat lijdt
+geen twijfel.
+
+Maar dat is een leelijke streek, zei Karel. Je moet dat niet doen,
+Bob, -- ik heb het liever niet.
+
+Maar wat dan? vroeg Bob. Wij kunnen de plank toch niet hier laten
+liggen?
+
+Ik weet er wat op, zei Pieter. Hier heb ik een stukje krijt. Laten
+wij er aan de beide einden opschrijven dat ze stuk is. Wanneer dan
+iemand komt om er over te loopen, wordt hij gewaarschuwd.
+
+Als het ten minste niet gaat regenen, meende Karel. Maar je hebt
+gelijk, Pieter, -- laten wij het er duidelijk opschrijven.
+
+Bob nam nu het stukje krijt, en schreef aan elk einde met duidelijke
+letters:
+
+Deze plank is gebroken.
+
+Zie zoo, zei hij vol zelfvoldoening over zijne daad, dat is
+duidelijk, dunkt me. Wie er nu toch nog over loopt, moet er zelf de
+gevolgen maar van dragen. Toe Dorus, help eens even een handje.
+
+Wij droegen de plank nu naar beneden en legden haar weer precies, zooals
+we haar gevonden hadden.
+
+Willen we nu verder gaan? vroeg Pieter, die zich in het bosch nog in
+het geheel niet op zijn gemak gevoelde.
+
+Wij vonden zijn voorstel goed, en klommen over den heuvel. Daarna kwamen
+wij weer in eene vallei, die rondom diep was uitgespit en klommen aan
+den anderen kant tegen eene zeer steile helling op, z steil, dat wij
+ons aan het kreupelhout moesten ophijschen om er tegen op te komen.
+
+En nauwelijks was Bob met zijn hoofd boven den top, of hij fluisterde
+ons toe, dat wij geen gedruisch moesten maken, en heel zacht naar boven
+klimmen.
+
+Daar zijn konijnen aan het spelen, zei hij zacht.
+
+Wij bereikten nu ook de hoogte, die zoo smal was, dat wij ons moesten
+vasthouden, om niet achteruit naar beneden te glijden.
+
+Wat zijn ze vlug, he? Kijk die dingen eens springen!
+
+'t Was inderdaad een aardig gezicht, die diertjes zoo geheel in vrijheid
+te zien huppelen en spelen. Er waren er zeker wel twintig.
+
+'t Is hier het konijnenland, zei Karel. Kijk, die groote, daar ginds
+achter de struiken, is zeker de koning.
+
+En die heuvel is hunne stad, zei Bob. Zie je die holen daar wel? Dat
+zijn de poorten, die toegang tot de stad verleenen. 't Is toch wel
+grappig, zulk eene konijnen-kolonie.
+
+Ik wou, dat ik een geweer had, zei Pieter. Wat zou ik ze raken!
+
+Jij? zei Bob lachend. Misschien schoot je ons wel dood en jezelven er
+bij, maar een konijn raakte je niet, zou ik durven voorspellen.
+
+Jij ook niet, zei Pieter boos. Jij kunt evenmin schieten als ik.
+
+Had ik maar pijl en boog bij me, zei Karel. Dan zou ik het toch eens
+probeeren. Een geweer maakt te veel leven. Het zou onze tegenwoordigheid
+verraden; maar met pijlen konden we het wagen.
+
+Zouden we geen boog kunnen maken? vroeg Bob.
+
+Niet doen, Bob, niet doen! zei Pieter. Laten we nu verder gaan.
+'t Wordt hoog tijd.
+
+Nog eventjes, zei Bob. We zitten hier nog zoo prettig.
+
+Zitten? vroeg Karel. Hangen zou beter gezegd zijn, want ik word moe
+van het vasthouden. Kijk, daar komen nog meer konijnen uit de holen. Hoe
+komen er zooveel bij elkaar, zou je zeggen.
+
+'t Is geen wonder, dat hier wel eens stroopers komen, merkte ik op.
+Zij kunnen hier altoos op eene goede vangst rekenen.
+
+Hoe vangen zij die dieren? vroeg Pieter.
+
+Ze graven de holen uit en kruipen er in, zoover ze kunnen. Dan grijpen
+zij ze met de handen.
+
+En die ontsnappen langs nevengangen komen in de stroppen terecht,
+waarmede de uitgangen afgezet zijn, vulde Karel aan. 't Moet wel een
+aardig werkje zijn, dunkt me.
+
+Aardig wel, maar gevaarlijk, want als de heuvel instort, wordt de
+strooper onder het zand bedolven en moet sterven.
+
+Ook kan hij gesnapt worden door Burts, den boschwachter, zei Bob. En
+dat is ook niet bijzonder prettig, want dan is gevangenisstraf het
+einde.
+
+Pang! klonk plotseling een zwaar schot in onze onmiddellijke
+nabijheid. Pang! daar viel een tweede schot.
+
+Een geweldige schrik overviel ons, want wij waren er in het geheel
+niet op voorbereid. Drie van ons, Bob, Karel en ik sprongen van schrik
+overeind en stonden plotseling in de onmiddellijke nabijheid van den
+gevreesden Burts. Maar de vierde, onze waarde Pieter-neef, was van den
+schrik als het ware verlamd. Hij had geen kracht meer om zich aan de
+struiken vast te houden en onder het slaken van een akeligen kreet rolde
+hij hals over kop naar beneden.
+
+Ha-ha, knaapjes! bulderde de boschwachter ons toe. Daar heb je
+jezelven leelijk verraden. Was maar stil blijven zitten, dan had ik je
+stellig niet opgemerkt, maar nu ben je in mijne macht. Hoe heet je?
+
+Burts haalde een boekje uit zijn zak te voorschijn, om onze namen op te
+schrijven.
+
+Hoe heet je? vroeg hij op gestrengen toon, en hij keek Bob strak in de
+oogen. Wat zag die man er barsch uit. Zijne knevels schenen mij toe om
+te krullen van boosheid.
+
+Hoor je me niet? Hoe heet je? herhaalde hij zoo barsch mogelijk.
+
+Vluchten, jongens!
+
+Dat was het eenige antwoord, hetwelk aan Bobs mond ontsnapte. En hij
+voegde de daad bij het woord. Met eene vlugge beweging liet hij zich
+naar beneden rollen, waar hij dicht bij Pieter-neef terecht kwam, die
+nog kermend van ontsteltenis in het zand lag te spartelen.
+
+Wat is er? vroeg Bob, die nooit een makker in den steek liet, en
+haastig bij hem neerknielde.
+
+O, ik ben getroffen, steunde Pieter.
+
+Waar? -- Zeg, Pieter, -- waar? vroeg Bob angstig.
+
+Is hij weg, Bob? vroeg Pieter, schuw om zich heen ziende.
+
+Neen, -- maar jij moet maken, dat je wegkomt! antwoordde Bob. Zeg
+Pieter, -- wr ben je getroffen?
+
+Dat weet ik niet, -- o dat weet ik niet! jammerde Piet.
+
+Dan is het ook niet waar! Vooruit, vlucht, daar komt de boschwachter
+aan! Vooruit, Pieter, gauw?
+
+De boschwachter? O -- O! steunde Pieter, overeind krabbelende. Waar
+-- waar is hij, Bob?
+
+Loopen! zei Bob. Als een haas! Ik zal hem wel een oogenblik ophouden!
+Maar haast je!
+
+Pieter begon nu te begrijpen, dat het ernst was, en dat was trouwens te
+zien ook, want de boschwachter verscheen nu boven op den heuvel. Eerst
+had hij Karel en mij een oogenblik achtervolgd, maar toen hij bemerkte,
+dat wij hem te vlug waren, keerde hij terug en trachtte Bob in zijne
+macht te krijgen.
+
+Pieter klom aan de andere zijde tegen de helling op en verdween uit het
+gezicht. Bob vreesde echter, dat Burts hem spoedig achterhalen zou, want
+Pieter was niet erg bij de hand in dergelijke zaken. Hij besloot daarom,
+den boschwachter eenigen tijd op te houden, ten einde zijn neef en ook
+ons gelegenheid te geven, een goed heenkomen te zoeken.
+
+Hij bleef dus in de vallei rondloopen, tot Burts hem vrij dicht genaderd
+was. Nu moest zijne bekende vlugheid hem redden.
+
+Ha, deugniet, daar heb ik je nu! hoorde hij Burts zeggen.
+
+Mis, man, nog niet, dacht Bob, maar hij zeide niets. Als een haas zoo
+vlug klauterde hij tegen de hoogte op. Hij raakte bijna den grond niet
+aan. Maar Burts was vlugger, dan hij dacht, zoodat hij duidelijk merkte,
+dat deze hem begon in te halen.
+
+Krijgen zl ik je! hoorde hij hem zeggen.
+
+Nu had Bob den top bereikt, en hij bemerkte, dat hij thans de vallei
+weer genaderd was, waar de nieuwe waterleiding moest komen.
+
+Als een bal liet hij zich naar beneden rollen, en hij had het geen
+oogenblik later moeten doen, want reeds strekte Burts de hand uit, om
+hem bij de beenen te grijpen. Nu ontsnapte Bob hem.
+
+Deze liep op den put toe, die midden in de vallei lag, met het
+voornemen, de plank over te loopen en aan den overkant weer omhoog te
+klauteren. Dat de plank stuk was, herinnerde hij zich al niet meer, en
+juist wilde hij er den voet op zetten, toen hem de met krijt geschreven
+letters in het oog vielen.
+
+O ja, omloopen! mompelde Bob. Hij hoorde Burts met groote schreden
+naderen, maar durfde zich geen oogenblik tijd gunnen, om eens achter
+zich te kijken.
+
+Nu ontsnap je mij niet meer, kleine schelm! hoorde hij zijn vervolger
+roepen, en deze voorspelling stemde onzen Bob verre van aangenaam.
+
+[Illustration: Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak....
+(pag.195).]
+
+Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak achter zich, welk gekraak
+gevolgd werd door een geweldigen plons, als van iemand, die in het water
+viel. En plotseling ging Bob een licht op. Ongetwijfeld was Burts, om
+hem den pas af te snijden, op de plank gestapt, niet wetende, dat deze
+gebroken was. En nu moest zonder twijfel de lange Burts er doorgezakt en
+in den kuil gevallen zijn. Bob hoorde, hoe er in het water geplast werd,
+en hoe de boschwachter pogingen deed, om tegen den hoogen kant op te
+springen.
+
+Nu durfde Bob wel een oogenblik stilstaan, en omkijken. Ja waarlijk,
+daar zag hij het hoofd van den vertoornden boschwachter boven den rand
+van den put uitkomen, en hij zag ook, hoe diens beide handen zich aan
+den rand vastklemden en hoe hij poogde, er uit te springen. Wel een paar
+malen mislukte hem dit en zakte de man, die hoe langer hoe toorniger
+werd, tot aan zijn middel in het water terug.
+
+'t Was zoo'n koddig gezicht, dat Bob het uitschaterde van de pret. En
+dat lachen maakte Burts nog boozer. Hij spande al zijne krachten in,
+sprong nogmaals omhoog en ja, nu gelukte het hem, zich op den kant te
+werken. O, o, wat droop het water hem uit de kleren! Bob kon niet tot
+bedaren komen van het lachen.
+
+Maar nu kwam Burts met groote schreden op hem af; het was den man aan te
+zien, dat zijne woede geen grenzen kende.
+
+Nu wordt het mijne beurt! riep hij Bob met beide vuisten dreigend toe.
+Maar Bob wachtte hem niet af. Vlug als eene kat klauterde hij omhoog en
+was weldra verdwenen. En Burts klauterde hem wel na, maar och, doornat
+als hij was, viel dat werkje hem erg moeilijk, en toen hij, eindelijk op
+de hoogte gekomen, van Bob geen spoor meer kon ontdekken, gaf hij de
+vervolging geheel en al op. Hij keerde naar huis terug, om droge kleren
+te gaan aantrekken.
+
+En Bob verliet zoo spoedig mogelijk het bosch langs denzelfden weg, dien
+hij het ingekomen was. Aan den uitgang werd hij aangenaam verrast, door
+daar Karel en mij te vinden. Wij zaten daar al enkele minuten op hem en
+Pieter te wachten.
+
+Wel, wel, wat moesten wij lachen, toen Bob ons vertelde, wat er met
+Burts gebeurd was. 't Is misschien wel niet mooi van ons, maar wij
+verheugden ons toch buitengewoon in de poets, die hem gespeeld was.
+'t Was dan ook een akelige man, van wien niemand hield.
+
+En nu is hij doornat naar huis gegaan, denk ik, zoo besloot Bob,
+grinnekend van pret, zijn relaas. Neen jongens, 't zou me wat waard
+geweest zijn, als jelui het had kunnen zien, want het was een eenig
+schouwspel. Ik zal het mijn leven lang niet vergeten. Maar apropos, waar
+is Pieter-neef?
+
+Die is er nog niet, zei ik. Wij dachten, dat hij gelijk met jou zou
+komen. Heb-je hem niet gezien?
+
+Neen, die malle jongen lag aan den voet van den heuvel te jammeren, dat
+hij getroffen was door die schoten van Burts, en dat werd bijna mijn
+ongeluk. Want ik heb hem gezegd, dat hij het totaal mis had en zoo snel
+mogelijk beenen moest maken, om uit de handen van Burts te blijven. Maar
+dat alles hield mij zoo lang op, dat ik zelf bijna het kind van de
+rekening werd. Waar zou hij nu blijven?
+
+Vermoedelijk in het bosch, zei Karel leuk. Hij zal wel komen, maak je
+maar niet ongerust. Kom een poosje op je gemak bij ons zitten, en laten
+wij geduldig afwachten. Misschien is hij wel hier of daar weggekropen.
+
+Bob deed het en nu bleven wij eenige minuten wachten, maar Pieter-neef
+bleef onzichtbaar. Wij begonnen ons eindelijk een beetje ongerust te
+maken, want de avond begon te vallen en de zon zou weldra ondergaan. Dat
+laatste juist was het, wat wij vreesden, want dan zou het in het bosch
+al spoedig zeer donker worden, zoodat het iemand als Pieter moeilijk zou
+vallen, den rechten weg te vinden om er uit te komen.
+
+Wil ik jelui eens wat zeggen? zei Bob eindelijk. Ik geloof, dat
+Pieter-neef verdwaald is.
+
+Dat zou erger zijn, vond Karel.
+
+Het ergste, wat hem overkomen kon, meende ik.
+
+Als het waar is, wat ik vermoed, zal hij doodsangsten uitstaan, vrees
+ik, hernam Bob.
+
+Ongetwijfeld! zei Karel. Het loopt hem hier in 't bosch ook in het
+geheel niet me. Ik denk, dat hij van middag zijn pleizier wel op kan.
+
+Ja, -- hij treft het slecht. Maar zeg, wij kunnen hem niet aan zijn
+lot overlaten, niet waar?
+
+Neen, dat gaat niet! stemde Karel toe.
+
+Natuurlijk niet! zei ik. Wij moeten hem trachten op te sporen.
+
+Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan, zei Bob. 't Bosch is heel
+groot en er zijn een tal van paden en lanen in. Wie weet, hoe ver hij in
+zijn angst al afgedwaald is.
+
+Laten we gaan, stelde ik voor. We moeten langer geen tijd verliezen.
+
+En Burts dan? vroeg Karel.
+
+Burts zal van avond wel thuis blijven. Hij gaat bepaald vroeg naar bed,
+want na een bad is men altijd slaperig, zei Bob. Ga je mede?
+
+Wij sprongen op en volgden Bob ten tweeden male het bosch in.
+
+Zou het niet noodig zijn, dat wij ieder een verschillenden kant
+uitgingen? vroeg ik. Dan hebben wij veel meer kans, om hem spoedig te
+vinden.
+
+Laten wij eerst eenigen tijd bij elkander blijven, want als wij
+scheiden, kunnen wij elkander ook niet meer terug vinden, zei Karel.
+
+Zou ik hem durven roepen? vroeg Bob. Of zou dat met het oog op Burts
+gevaarlijk zijn?
+
+Dat is het zeker, zei ik. Hoe harder je roept, hoe meer kans om
+gesnapt te worden.
+
+Nog niet roepen, vond Karel. Dat kunnen we wel doen, als het geheel
+donker is, maar nu is het nog te gevaarlijk. Wat wordt het al duister
+hier in het bosch, vindt-je niet?
+
+Over een half uur is het geheel donker, zei Bob.
+
+'t Is te hopen, dat wij hem voor dien tijd gevonden hebben.
+
+'t Is eene mooie geschiedenis, zei ik, wel een beetje onrustig, nu het
+zoo laat werd, eer ik thuis kon zijn. Want het was een vaste regel bij
+ons, dat wij vr donker binnen moesten zijn. Pa hield daar streng de
+hand aan.
+
+Wij brachten nog ruim een half uur zoekende door, zonder evenwel eenig
+spoor van Pieter te ontdekken.
+
+Het werd thans hoog tijd om naar huis terug te keeren, waar men zeker
+al ongerust over ons lange uitblijven begon te worden. Maar daar stond
+tegenover, dat het hoogst onaangenaam voor ons was, zonder Pieter naar
+huis te moeten gaan.
+
+Bob was daartoe dan ook in het geheel niet te bewegen.
+
+Ik blijf hier, zei hij op zijn gewonen beslisten toon. Ga gij beiden
+maar naar huis terug en zeg aan Pa, wat er gebeurd is. Vraag hem, eenige
+menschen te zenden, om mij bij het zoeken te helpen. Of weet je iets
+beters?
+
+Neen, dat wisten wij niet, maar om op deze wijze terug te keeren, vonden
+wij ook onaangenaam.
+
+Laten wij eerst eens boven op een heuvel gaan staan en zoo hard roepen
+als we kunnen, zei Karel. Of de boschwachter ons hoort of niet, is mij
+thans geheel onverschillig. Wij kunnen Pieter niet aan zijn lot
+overlaten.
+
+Je hebt gelijk, zei Bob. Laten we gaan.
+
+Wij beklommen den top van eene hooge duin en verhieven in koor onze
+stemmen. 't Was gelukkig zeer stil in de natuur, zoodat men ons ver in
+den omtrek moest kunnen hooren.
+
+Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter! weerklonk het uit drie monden
+tegelijk, en onze stemmen klonken ons daar van dien top des heuvels
+en in de stille duisternis van den vallenden nacht geheimzinnig in de
+ooren. De vogels in de takken der boomen schrikten er van wakker en
+vluchtten ijlings heen. Nachtuilen deden hun gekras hooren en sommigen
+van hen lachten op eene allerakeligste manier, precies als menschen,
+maar op een vreemden toon. Ik moet eerlijk bekennen, dat mij bij het
+hooren daarvan eene rilling door de leden voer.
+
+Nogmaals lieten wij ons krachtig geroep hooren. Daarna bleven wij stil
+staan, om te luisteren. Hoe hoopten wij, dat eenig antwoord onze
+gehoorvliezen zou doen trillen.
+
+Doch wij luisterden tevergeefs.
+
+Nog eens roepen, jongens, zei Bob. Den moed nog niet opgeven.
+
+Weer klonk ons roepen door de nachtelijke stilte, en weer luisterden
+wij, of wij iets mochten vernemen.
+
+Opeens zei Bob:
+
+Luister, jongens, ik hoor iets!
+
+Wij luisterden.
+
+Hoor, -- daar is het weer! fluisterde Bob ons toe.
+
+Ja, -- ik hoor het ook, zei ik. Dat moet Pieter zijn. 't Komt van
+dien kant.
+
+Bij die woorden wees ik naar den uitgang van het bosch.
+
+Laten we hem tegemoet loopen, zei Karel, en dan straks nog eens
+roepen. Dan hooren we hem misschien reeds beter.
+
+Dat deden we, en na enkele minuten geloopen te hebben beklommen wij
+opnieuw een heuvel en lieten weer ons geroep hooren.
+
+Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter!
+
+Wij schreeuwden met bijna bovenmenschelijke kracht, en luisterden
+daarna, of we Pieters antwoord hoorden.
+
+Ja, daar vernamen wij het reeds vrij duidelijk. Ongetwijfeld waren wij
+elkander tegemoet geloopen. Dat gaf moed!
+
+Voorwaarts, jongens, we bewegen ons in de goede richting! riep Bob ons
+opgetogen toe. 't Is toch wel aardig, h, zoo'n nachtelijk tochtje door
+een bosch. 't Is zoo geheimzinnig!
+
+Met moed gingen wij thans verder, steeds roepende, om Pieter de
+gelegenheid te geven, ons tegemoet te komen.
+
+Nu werd zijn geluid voortdurend duidelijker, en eindelijk -- ha, daar
+vonden wij hem. O, wat zag hij bleek van den doorgestanen angst. Hij
+beefde over zijn geheele lichaam.
+
+Goddank! Goddank! fluisterde hij ons toe. O, wat ben ik blij, dat
+jelui me niet aan mijn lot hebt overgelaten.
+
+Nu dadelijk naar huis! zei ik. Er zal toch al wat voor me opzitten,
+als ik thuis kom.
+
+Met vluggen pas zochten wij den uitgang van het bosch op en weldra
+hadden wij het dorp bereikt.
+
+Pieter begon meer en meer tot zichzelven te komen, maar wij merkten toch
+duidelijk, dat hij een vreeselijken angst had uitgestaan.
+
+'t Was verschrikkelijk, daar in het bosch, zeide hij zacht en met eene
+huivering, en wat was het er donker, griezelig donker. En het spookt
+er ook, want telkens hoorde ik menschen, die mij op eene allerakeligste
+wijze uitlachten. O, als ik dat geluid weer hoorde, was het of ik door
+den grond heenging van schrik. Ik ga nooit, nooit weer met jelui mede,
+als je weer naar het bosch gaat.
+
+Och, -- dat waren uilen! zei Bob. Wees wijzer, jongen!
+
+Wij waren nu de brug genaderd, waar onze wegen scheidden. Met een
+haastigen groet begaven wij ons ieder naar onze woning, waar Pa mij
+alles behalve vriendelijk ontving. Wel knikte hij goedkeurend, toen ik
+vertelde, dat wij niet zonder Pieter naar huis wilden terugkeeren, maar
+hij zeide gestreng:
+
+Wat moest je in dat bosch doen? Je weet immers, dat de toegang daar
+verboden is? Als de boschwachter jelui opgepakt en achter slot en
+grendel gezet had, zou je naar behooren gestraft geweest zijn.
+
+Och, zei Moe, die een goed woordje voor mij wilde doen: 't Komt alles
+van dien wilden Bob. Dat is ook in het geheel geen goed kameraad voor
+hem. Ga naar bed, Dorus!
+
+Ik ging, maar toch was ik het niet geheel met Moe eens wat Bob betrof.
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+ Het vertrek van Pieter, en hoe wij hem met ons drien
+ een cadeautje en een gedicht stuurden. Hoe Mevrouw
+ van Koorde en haar dienstmeisje op de vlucht
+ werden gejaagd en Pieter het verloren
+ terrein heroverde.
+
+
+Den volgenden morgen al vroeg kwam Pieter bij ons, om afscheid te nemen.
+Bob vergezelde hem en vertelde mij, dat Pieters Mama wel zeer ongerust
+was geweest, maar dat zij toch geen straf hadden ontvangen.
+
+Ik ging met hen mede terug, want het werd spoedig schooltijd en dan
+dienden Bob en ik present te zijn. Bij het afscheid nemen zei Pieter:
+
+Dus je denkt er om, Bob, mij eenige meikevers te zenden? Je zult me
+daar een groot genoegen mede doen.
+
+Je kunt er vast op rekenen.
+
+Wij gingen nog even naar binnen, om ook Mevrouw van Koorde goede reis te
+wenschen.
+
+Dag Robert, zei ze, hem op de beide wangen kussende. Kom je nu ook
+eens bij ons in Amsterdam logeeren? Maar daar zijn geen bosschen en
+losloopende beren, hoor neefje.
+
+Bob lachte eens.
+
+Ik wil heel graag, Tante, zeide hij. Mag ik dan komen als het
+vacantie is? Ik stel me daar heel wat jool van voor.
+
+Jool? herhaalde Tante. Pret moet je zeggen, Robert, dat is veel
+fatsoenlijker. Dag Dorus, adieu!
+
+Bob en ik begaven ons nu regelrecht naar school, want het werd hoog
+tijd. Maar wij kwamen toch nog vroeg genoeg. Op het schoolplein spraken
+wij nog even met Jan van der Vliet, die er zeer treurig uitzag.
+
+Is er slecht nieuws? vroegen wij hem.
+
+Zeer slecht, -- 't kon niet slechter, zei Jan met een diepen zucht.
+We hebben vanmorgen een brief ontvangen, waarin Vader en Moeder beiden
+gedagvaard worden, om voor de rechtbank te verschijnen. 't Is
+verschrikkelijk!
+
+Dat is het, zei Bob, maar Jan, zij kunnen toch immers nog
+vrijgesproken worden?
+
+Kunnen, ja, dat is waar, -- maar dat zal niet gebeuren, jongens. Zij
+hebben den schijn tegen zich, en uit de dagvaarding blijkt, dat de
+Officier van Justitie hen voor schuldig houdt. De kans op vrijspraak is
+zeer gering.
+
+Op dit oogenblik ging de schoolbel en moesten wij naar binnen. Maar
+wij zagen al spoedig, dat er iets bijzonders aan de hand was, want de
+hoofdonderwijzer was nog niet aanwezig en meester de Jong, die altijd
+in een ander lokaal les gaf, stond voor onze klasse. Nu gebeurde het
+hoogst zelden, dat de hoofdonderwijzer afwezig was, maar die enkele
+keeren waren voor ons feestdagen. Meester de Jong zal het echter wel
+geen prettige dagen gevonden hebben, want wij konden hem dan geducht
+plagen.
+
+Wij hadden nog maar pas op onze banken plaats genomen, of de
+hoofdonderwijzer trad binnen. Het was echter duidelijk aan zijne
+kleeding te zien, dat hij uitging. Hij was zelfs geheel in het zwart
+gekleed, alsof hij naar eene begrafenis moest.
+
+Dorus, kom eens even hier, riep hij me toe.
+
+Hij nam mij mede naar een hoek van het lokaal en zeide: Dorus, ik moet
+voor enkele dagen op reis. Er is eene zuster van mij overleden. Wil jij
+nu Zondag het orgel voor mij bespelen in de kerk.
+
+Zeker, meester, met genoegen.
+
+Dank je, Dorus. En kan ik er op aan, dat er niets onbehoorlijks zal
+geschieden.
+
+Ja meester, daar kan u op aan.
+
+En dat je geen jongens me zult nemen naar het orgel?
+
+Ik beloof het u, meester.
+
+Uitstekend. Ik twijfel niet, of het zal wel goed gaan. Je speelt maar
+bedaard en rustig, hoor Dorus, en laat je niet in de war brengen. Trek
+ook vooral niet te veel registers uit.
+
+Even later vertrok de meester, na den onderwijzer de hand te hebben
+gegeven en een groet tot ons allen te hebben gericht. En nog geen
+kwartier later moest Bob al schoolblijven.
+
+Het ligt evenwel niet in mijne bedoeling, te vertellen hoe wij dien
+schooldag passeerden. Genoeg zij het te weten, dat Bob zoowel 's morgens
+als om vier uur na moest blijven, en geen klein poosje, dat beloof
+ik je. Ik ben er zeker van, dat meester de Jong blij was, toen de
+schooluren voorbij waren, en ik moet zeggen, dat dit voor ons geen
+groote eer was. Want meester de Jong was een doodgoed man, die ons veel
+te zacht behandelde. Als hij wat strenger voor ons geweest was, zouden
+wij het hem lang zoo lastig niet gemaakt hebben.
+
+Wat zullen we gaan doen? vroeg Karel Holm, toen Bob, hij en ik
+'s avonds bij elkander waren.
+
+Meikevers voor Pieter-neef vangen? vroeg Bob.
+
+Dat is goed. Er vliegen er nog in overvloed. Hoeveel moet hij er
+hebben?
+
+Een twintig is genoeg, zei Bob, maar ik zou het leuk vinden, als wij
+er hem een paar honderd konden sturen. O, o, wat zou ik er graag bij
+willen zijn, als hij die ontvangt.
+
+Doen? vroeg Karel Holm, en zelf het antwoord gevende, liet hij er op
+volgen: Ja, -- doen.
+
+Wij gingen met eene leege sigarenkist naar den tuin van den notaris,
+wapenden ons met ragebollen en dergelijke werktuigen en begonnen onze
+jachtpartij, wat we in het geheel niet onaardig vonden. En hoe meer
+kevertjes we vingen, hoe grooter onze lust werd.
+
+Eindelijk was onze kist vol; er zaten niet minder dan driehonderd
+gevangenen in.
+
+Morgen gaat de looper, zei Bob. Dan zullen we Pieter zijn cadeautje
+sturen.
+
+Maar hoe? zei Bob. In dat kistje gaan ze spoedig dood.
+
+Dat is waar. Weet je wat, in een mandje dan. Wij hebben wel een mandje,
+dat daarvoor heel geschikt is, in het schuurtje staan. Dan kunnen ze
+onmogelijk doodgaan door gebrek aan lucht. En zeg, jongens, nu moesten
+we er een gedichtje bij kunnen doen. Wat zou dat leuk wezen.
+
+Dat kan wel, zei Karel. We kunnen toch met ons drien wel een versje
+maken. Zoo bijzonder mooi behoeft het ook niet te wezen.
+
+Goed! Afgesproken! Eerst zullen we de kevers in de mand doen, en dan
+het gedicht fabriceeren. Laten we gaan.
+
+Ha, wat gonsden en bromden die beestjes, toen we ze uit de kist in de
+mand deden. 't Was goed, dat er geen jongejuffrouw bij ons was, want zij
+zou het zeker buitengewoon griezelig gevonden hebben, al die torren!
+
+Nu namen we een dichten doek en bonden dien er zorgvuldig omheen, zoodat
+er geen enkele ontsnappen kon.
+
+Mooi zoo, zei Bob met een tevreden knikje, dat zaakje is in orde. Nu
+ons gedicht nog, en dan brengen wij ze naar den looper. Kom maar me,
+dan gaan we naar de speelkamer.
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan.
+
+Bob nam een vel papier en een potlood en ging tusschen ons aan de tafel
+zitten.
+
+Begin nu maar, jongens, zei hij. Ik ben klaar.
+
+Begin nu maar? herhaalde Karel lachend. Alsof dat zoo gemakkelijk is?
+Ik weet geen begin.
+
+Ik ook niet! zei ik.
+
+Dat is flauw, zei Bob. Eerst zeg je, dat je het best kunt doen, en nu
+het er op aankomt, trek je je terug.
+
+Nu, hier heb ik al vast n regel, zei Karel. Schrijf maar op,
+Bobbertje, en mopper niet zoo.
+
+ "Zie Pieter, wat ik zenden zal!"
+
+Dat is een beste regel! riep Bob opgetogen uit. Zie je wel; dat je
+het wel kunt? 't Kon niet beter. Nu den tweeden regel; toe Dorus, jou
+beurt.
+
+ "Driehonderd roovers in getal!"
+
+zei ik. Dat rijmt immers?
+
+Prachtig, Dorus, prachtig! Driehonderd roovers in getal, dat komt er
+uitstekend bij. 't Zijn ook echte roovers.
+
+Nu jij een regel, Bob! Ieder op de beurt.
+
+Ja, zei Bob, je kunt ze niet uit je mouw schudden. Ik weet geen
+regel.
+
+'t Is anders gemakkelijk genoeg, want jij behoeft nergens op te
+rijmen, zei ik.
+
+Daar heb je gelijk aan; nu, dan weet ik er wel een. Luister maar:
+
+ "'t Geschenk is wel niet heel veel waard."
+
+Is die goed?
+
+Heel goed, zei Karel peinzende om een rijmwoord op waard te vinden.
+
+Waard -- wat rijmt daar zoo al op? vroeg hij. O ja, waard, paard,
+staart, taart, haard, baard, aard, gaard, er zijn rijmwoorden genoeg.
+Ha, ik weet er al een:
+
+ "'t Is een geschenk uit onzen gaard."
+
+Dat rijmt goed, h?
+
+Heel goed, zei Bob schrijvende. Gaat maar door, jongens, 't gaat
+best. Jou beurt, Dorus.
+
+Ik ben klaar, zei ik. Luister maar:
+
+ "Zij vliegen vroolijk in het rond."
+
+Dat is waar, zei Karel. En dan kan dus volgen:
+
+ "Of kruipen langzaam op den grond,"
+
+want dat doen ze ook dikwijls.
+
+ "En brommen haast den heelen nacht,"
+
+vervolgde Karel, die het weer gemakkelijk had, daar hij geen rijmwoord
+behoefde te zoeken.
+
+ "Zeg Pieter, had je dat gedacht?"
+
+zei ik, want deze regel schoot mij opeens te binnen.
+
+Dat zijn nu al twee coupletten, en alle goede dingen bestaan in drien,
+dus nu het laatste nog. 't Is mijne beurt, niet waar? zei Bob.
+
+Ja, jou beurt, zei Karel.
+
+Wist ik nu nog maar wat, vervolgde Bob. Wacht, laat mij eens even
+bedenken. Misschien komt het wel.
+
+En na een oogenblik toevens vervolgde hij:
+
+Ha, ik ben klaar. Luister:
+
+ "Wel neefje, ben je nu tevre?"
+
+Goed gedaan, Bob. Nu moet ik weer. Wat rijmt er zoo al op vre? Wacht:
+wee, me, zee, thee, dat zijn er wel al genoeg. In orde, hoor.
+
+ "En valt het aantal je niet me?"
+
+Goed zoo! zei Bob, die elken regel opschreef. Nu nog twee regeltjes
+en we zijn klaar. Jou beurt, Dorus.
+
+Ja wel, je hebt goed praten. Ik weet heusch niet meer op 't oogenblik.
+Jelui moet me helpen denken. Wacht, ik weet er al een:
+
+ "Me dunkt, je hebt nu overvloed."
+
+Nu jij weer, Bobbertje, den laatsten regel.
+
+Ja, dat komt mooi uit, Dorus, met dat woord overvloed, want dat rijmt
+op gegroet. De laatste regel kan dus zijn:
+
+ "Ontvang ten slotte onzen groet."
+
+Is dat niet een prachtig slot? Wacht, nu zal ik het in het net
+overschrijven en het jelui eens voorlezen.
+
+Bob deed het, en las:
+
+ Waarde Pieter!
+
+ "Zie Pieter, wat ik zenden zal:
+ Driehonderd roovers in getal.
+ 't Geschenk is wel niet heel veel waard,
+ 't Is een cadeau uit onzen gaard.
+
+ Zij vliegen vroolijk in het rond,
+ Of kruipen langzaam op den grond,
+ En brommen haast den heelen nacht.
+ Zeg Pieter, had-je dat gedacht?
+
+ Wel neefje, ben je nu tevre?
+ En valt het aantal je niet me?
+ Me dunkt, je hebt nu overvloed.
+ Ontvang ten slotte onzen groet."
+
+ KAREL HOLM.
+ DORUS VOLMAAR.
+ BOB DE WILD.
+
+Wat is dat best gegaan, h? vervolgde Bob, die het vers in eene
+enveloppe deed en deze dichtplakte. Dichten schijnt me toch niet erg
+moeilijk toe. Me dunkt, als we het wat meer deden, zouden we het spoedig
+tot eene groote hoogte brengen. Ik vind dit gedicht althans uitmuntend
+geslaagd. En jelui?
+
+Nu, wij waren dat volkomen met hem eens. Wij bonden de enveloppe, met de
+proeve onzer kunst, met een touwtje aan de beide ooren van de mand vast,
+zoodat het adres netjes bovenop kwam te liggen, en brachten ons geschenk
+gezamenlijk naar den looper. Deze bekeek het adres, en las overluid:
+
+ Jongeheer Pieter van Koorde,
+ Keizersgracht No. 234
+ Amsterdam.
+
+In orde Bob, zei hij. Dat adres is mij bekend; ik heb er voor je Pa
+al meer dan eens wat moeten bestellen. Is het franco?
+
+De geadresseerde zal de vracht betalen, zei Bob deftig, en na gegroet
+te hebben gingen wij het dorp in.
+
+Weinig konden wij op dat oogenblik vermoeden, dat diezelfde meikevertjes
+in Amsterdam zooveel moeite en ontsteltenis zouden veroorzaken, zooals
+wij later hoorden, dat zij gedaan hadden.
+
+Want toen de looper het mandje met zijn levenden inhoud in de beste orde
+aan het opgegeven adres had afgeleverd, was Pieter-neef niet thuis,
+omdat het onder schooltijd was. De meid bracht het dus bij Mevrouw Van
+Koorde, die de boven-voorkamer als woonkamer gebruikte.
+
+Binnen, zei Mevrouw, toen Mientje had aangetikt.
+
+Mevrouw, hier is een mandje van den looper. 't Kost een dubbeltje
+vracht, Mevrouw.
+
+O, -- ziehier het geld. Zet het mandje maar hier op de tafel.
+
+Mientje gehoorzaamde.
+
+Zeker van mijn broeder, zei Mevrouw. Wat kan hij mij te sturen
+hebben? Maar neen, -- ik ben abuis. 't Is voor Pieter, zie ik. Daar
+staat duidelijk: Jongeheer Pieter van Koorde. Jammer, dat hij naar
+school is. Wat kan daar toch inzitten?
+
+Mevrouw tilde het mandje eens op en vond, dat het erg licht was.
+
+En een brief in de enveloppe, zeide ze, na deze met de vingers betast
+te hebben. Ik ben nieuwsgierig, wat hem gezonden kan worden. Weet je
+wat? Ik kon best het mandje openen en eens zien, wat het bevat. Den
+brief moet Pieter zelf maar openmaken. Dat is wl zoo aardig voor
+hem. Wel, ik moet zeggen, dat de mand goed dichtgemaakt is, -- heel
+zorgvuldig zelfs. Ik zal het touwtje maar losknippen.
+
+Zij ging naar hare werkmand en kwam met de schaar terug.
+
+Knip-knip! ging het en het touwtje viel aan stukken op de tafel.
+Mevrouw nam den doek en lichtte dien op.
+
+Genadige hemel! Wie beschrijft haar schrik bij het zien van die
+honderden wriemelende, gonzende en brommende meikevers! Van ontsteltenis
+gaf zij een hevigen gil en vlug ijlde zij naar het schelkoord, waaraan
+zij zenuwachtig begon te rukken. Zonder ophouden, met den blik stijf op
+de noodlottige mand gericht, bleef zij doorschellen.
+
+De beestjes, die nu de vrijheid zoo onverwacht terug gekregen hadden,
+begonnen daar dadelijk gebruik van te maken, door tegen de mand op te
+klauteren en over den rand te gaan loopen. Zij spreidden af en toe de
+vleugeltjes uit met het vaste voornemen, straks het luchtruim in te
+snellen. Sommige begonnen zelfs al te vliegen, en het was een gegons
+en gebrom, dat Mevrouw Van Koorde het bijna op hare zenuwen kreeg van
+angst. Zij durfde geen voet naderbij komen en deed niets dan schellen.
+
+Nu ging de deur open en trad Mientje, ook al verschrikt door het bellen,
+haastig binnen.
+
+O, Mevrouw, wat is er? vroeg zij angstig. Is er brand, Mevrouw?
+
+Neen, neen, nog erger! Toe Mientje, spoedig, neem die mand en breng
+haar dadelijk weg -- naar buiten. Dadelijk, asjeblief.
+
+Nu was Mientje gewoon, de bevelen harer meesteres stipt uit te voeren;
+zij liep dus naar het mandje, op welks ongewonen inhoud zij in het
+geheel niet verdacht was, en greep het bij de ooren. Maar op hetzelfde
+oogenblik begonnen een paar meikevers tegen hare bloote armen op te
+kruipen, zoodat zij thans de beestjes wel moest opmerken. Doodsbleek van
+schrik uitte zij een hevigen angstkreet en liet plotseling de mand met
+alles, wat daarin was, op den grond vallen. Zelf vluchtte zij tot in
+den versten hoek van de kamer, waar zij in stomme verbazing de gevolgen
+van hare daad stond aan te staren.
+
+[Illustration: .... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin
+was, op den grond vallen. (pag.213).]
+
+De meikevers, door den schok verschrikt, spreidden thans de vleugels uit
+en begonnen, gonzende en brommende, door de kamer te vliegen, tot
+ontzetting van de beide vrouwen, die het niet durfden wagen, hunne
+hoeken te verlaten.
+
+Wat maakten die diertjes, die vruchteloos zochten naar een groen
+blaadje, want zij hadden gedurende de reis geduchten honger gekregen,
+eene ongewone drukte in die deftige kamer! Er was weldra geen plaatsje
+meer, waar geen kever te vinden was.
+
+O mevrouw, die afschuwelijke torren! riep Mientje, die beefde als een
+espenblad.
+
+Mevrouw stond met beide armen te zwaaien, om zich de ongenoode gasten
+van het lijf te houden, want zelfs op de linten van hare muts schenen
+zij het gemunt te hebben. Wel drie hadden zich daar een plaatsje weten
+te veroveren, en zaten er gezellig de vleugeltjes uit te spreiden en
+weer dicht te slaan. En liep er haar op den schouder en vier kropen
+tegen haar boezelaar op.
+
+Domme meid! -- Ga weg, afschuwelijk dier! -- Hoe kon je nu zoo dom --
+koest, beest, koest, -- zijn, om die mand, -- sss -- sss; -- te laten
+vallen!
+
+O mevrouw, -- ga weg -- ga weg, -- bah, wat afschuwelijke dieren! --
+kijk eens, ze kruipen tegen den spiegel op -- o foei, hu, er zit er een
+in mijn hals, -- en tegen de lamp -- en o, mevrouw, de gordijnen --
+ksss, ksss -- zitten vol! 't Is afschuwelijk.
+
+Mientje, hier houd ik het niet langer uit -- o foei, ze zitten me op
+mijn hoofd, en ah bah, daar kruipt er een in mijn mouw. Mientje, hu, hu,
+haal dat beest er uit! -- Haal het er uit, zeg ik!
+
+Ik durf niet, -- dat durf ik niet!
+
+En op een draf, met haar boezelaar over het hoofd, nam Mientje,
+schreiende van schrik, de vlucht, de kamer uit en naar beneden.
+
+Een oogenblik daarna werd zij gevolgd door Mevrouw, die echter zoo
+verstandig was, de deur achter zich dicht te trekken.
+
+Daar stonden ze, bleek van ontsteltenis, zonder te weten, wat zij
+moesten doen, om van deze meikeverplaag verlost te worden.
+
+Maar ook hier waren zij niet vrij, want in de vlucht hadden zij er
+enkele medegenomen, die op hare kleeren zaten.
+
+O Mientje, -- wat voel ik daar in mijn hals? riep Mevrouw huiverend
+uit, nu zij daar een eigenaardig gekriewel opmerkte, -- wat voel ik
+daar, Mientje!
+
+O Mevrouw, dat is er weer een! Maar ik haal er hem niet af, Mevrouw, --
+voor duizend gulden niet! -- Hu, wat een akelige beesten!
+
+Met eene weergaloos vlugge beweging streek Mevrouw nu zelf met hare hand
+langs den hals, en in hetzelfde oogenblik verhief zich het kevertje
+vroolijk gonzend omhoog, regelrecht op Mientje af. Deze wist niet waar
+ze zich bergen zou, en liep wel twintigmaal om de tafel heen.
+
+Mientje, ga den kruier halen! Hij moet al die beesten vangen. Hoe komt
+die nare Robert er toe, om die torren naar ons te zenden? Maar wacht, ik
+zal hem een brief schrijven, die hem niet bevallen zal, dien stouten
+bengel. Mientje, spoedig, zeg dat de kruier direct moet komen!
+
+Maar dat was niet noodig, want op dit oogenblik werd er gescheld.
+
+Ha, dat zal Pieter zijn, riep Mevrouw verheugd uit. Hij zal ons
+misschien wel van die beesten kunnen verlossen.
+
+Inderdaad, zij had goed geraden; het was Pieter, en deze was niet weinig
+uit zijn humeur toen hij hoorde, wat er gebeurd was.
+
+Maar Mama, riep hij teleurgesteld uit, dat zijn geen torren, het zijn
+meikevers, die Bob mij gestuurd heeft, omdat ik hem dat verzocht had. En
+nu zijn ze alle weg!
+
+Weg? herhaalde zijne Mama. Weg? De hemel gave, dat het waar was. Weg?
+De voorkamer boven zit vol; er is geen plaatsje te zoeken, waar niet van
+die beesten zitten. Ik zag er zelfs een in de melkkan vallen.
+
+En in den suikerpot, Mevrouw, zei Mientje, daar zaten er ook in! Hu,
+ik ga niet me, hoor jongeheer, voor geen geld! Ik moet er niets,
+niemendal van hebben.
+
+Dat is ook niet noodig! bromde Pieter. Geef mij den langen stoffer
+maar, dan zal ik ze wel vangen. En Mama, heeft u geen kistje voor me?
+Een sigarenkistje, of zoo iets?
+
+Waarvoor? vroeg Mevrouw. Toch niet, hoop ik, om er die akelige
+beesten in te doen? Ik wil het volstrekt niet hebben, Pieter, volstrekt
+niet, heb je mij goed verstaan? Schuif de ramen open en jaag ze naar
+buiten. Ik wil die beesten onder mijne oogen niet meer hebben.
+
+Maar Mama, Bob heeft ze toch voor mij gestuurd?
+
+Zeker, dat heeft hij en ze hebben mij nog een dubbeltje aan den looper
+gekost ook. Doch dat verandert aan de zaak niets, Pieter. Gooi die
+beesten het raam uit! En nu geen woord meer, asjeblief!
+
+Pieter begreep, dat het zijne mama ernst was, en met tranen in de oogen
+ging hij, gewapend met een langen stoffer, naar boven, om de ontsnapte
+diertjes te vangen.
+
+Toch moest hij lachen, toen hij zag, hoe de geheele kamer als het ware
+met meikevers bevolkt was. Geen plekje zag hij, of er was een meikever.
+'t Was zulk een bespottelijk gezicht, dat hij het uitschaterde van het
+lachen. De deur had hij achter zich gesloten en hij hoorde, hoe zijne
+Mama en Mientje daar achter stonden te wachten op het oogenblik, dat de
+kamer weer vrij zou zijn.
+
+Eerst las Pieter op zijn gemak het gedicht van zijne drie vrienden,
+stak het na de lezing in zijn zak, en ging daarna op de jacht. De ramen
+had hij open geschoven, en weldra zag hij, hoe de gejaagde kevers bij
+drommen naar buiten vlogen. Het was nog lang geen gemakkelijk werkje,
+om ze naar buiten te krijgen, want telkens, als hij dacht, dat hij
+nu eindelijk den laatsten had gehad, kwamen er uit de plooien van de
+gordijnen weer andere te voorschijn. Ja, zelfs vele dagen daarna werd
+Mevrouw telkens nog opgeschrikt door de onverwachte verschijning van
+een meikever, die haar onmiddellijk de vlucht deed nemen naar Mientje,
+maar deze was niet te bewegen, om hem te vangen.
+
+Nog jaren daarna kon Mevrouw haar neef Bob niet ontmoeten, of zij begon
+telkens weer over die meikevers te spreken en dan kon zij geen woorden
+genoeg vinden, om haar schrik en ontsteltenis te beschrijven.
+
+Maar Pieter was, tot zijne innige spijt, slecht van zijne meikevers
+afgekomen.
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ Hoe ik mijne betrekking als organist vervulde en wat
+ Bob in den toren vond. Hoe in het eene huis
+ vreugde en in het andere droefheid kon
+ heerschen om eenzelfde gebeurtenis.
+
+
+'t Werd Zondagmorgen. Ik was al vroeg wakker, want de enkele malen, dat
+ik voor den meester het orgel moest bespelen als er dienst was, sliep
+ik nooit bijzonder rustig. De wetenschap, dat ik als organist moest
+optreden, stemde mij altoos min of meer zenuwachtig en deed mij ook nu
+vroeg ontwaken.
+
+Spijt behoefde ik daar echter niet over te gevoelen, want het was
+bijzonder prachtig wer. De dauw lag als een luchtig gaas over het veld
+en deed blad en twijg schitteren in de gulden ochtendstralen van de
+zon. Een heerlijke geur vervulde de lucht en ik vond het verrukkelijk,
+langzaam rond te wandelen door onzen tuin, waar de glinsterende
+dauwdroppels wel diamanten schenen. De vogels sjilpten zoo vroolijk op
+het dak, de hanen kraaiden elkander zoo gezellig hun morgengroet toe,
+het zonnetje scheen zoo heerlijk. 't Was een genot, buiten te zijn.
+
+'t Werd langzamerhand drukker en levendiger om mij heen. De huizen
+werden meer en meer geopend, als om te bewijzen, dat de bewoners waren
+opgestaan, en hier en daar klonk uit de mij omringende tuinen een
+lied of een vroolijke lach. De hanen werden kalmer, het zonnetje rees
+langzaam hooger en verdreef met hare stralenbundels den dauw, die niet
+dan onwillig scheen op te trekken, de vogels fladderden van boom tot
+boom, en de bijtjes bewogen zich al gonzende van de eene bloem naar de
+andere.
+
+Hoor, daar was de melkboer reeds. Van huis tot huis kon ik hem volgen,
+want overal opende hij de achterdeur en riep: Mel-lek! En de laatste
+lettergreep rekte hij wel tweemaal zoo lang uit als noodig was.
+
+Nu waren ook mijne broertjes en zusjes ontwaakt. Ik hoorde hun gesnap en
+gebabbel zelfs in den tuin, dien zij weldra onder vroolijk gejuich
+binnenstormden.
+
+Je moet komen ontbijten, Dorus! klonk het mij toe. Moe heeft het
+gezegd.
+
+Nu, dat bericht behoefde niet herhaald te worden, want eene flinke
+boterham was mij nooit onwelkom. En toen het ontbijt afgeloopen was,
+ging ik weer in den tuin om het eerste gelui af te wachten. Bij ons werd
+er altoos tweemaal geluid, den eersten keer om halfnegen, en den tweeden
+keer een uur later, als de kerk aanging.
+
+Hoe meer het uur van aanvang naderde, des te minder begon ik mij op mijn
+gemak te gevoelen. Niet, omdat ik bang was, dat ik het er niet goed zou
+afbrengen, o neen, in het geheel niet, want ik speelde toen de psalmen
+en de gezangen al vrij vast. Ik weet zelf niet, waarom ik er altoos zoo
+tegen opzag; ik denk, dat het gevoel van verantwoordelijkheid mij
+drukte.
+
+Eindelijk drongen de klokketonen tot mij door. Dat gelui stemde mij
+altoos, zoo jong als ik was, min of meer ernstig, en wanneer het de
+doodsklok was, die geluid werd, huiverde ik zelfs dikwijls.
+
+Een kwartiertje later nam ik mijne muziekboeken uit het kastje en zei
+tegen Pa en Moe, dat ik vast vooruitging, om alles in gereedheid te
+brengen.
+
+Hoor eens, Dorus, zei Pa, geen grappen maken daarboven, hoor, en geen
+jongens menemen. Zorg er voor, dat niemand merkt, dat de meester er
+niet is. Laat alles ordelijk en naar behooren gaan.
+
+Ja Pa! was mijn antwoord, en toen ging ik.
+
+Zorg, dat ik mij niet over je behoef te schamen! riep Pa mij nog na.
+
+Onderweg kwam ik Bob tegen.
+
+Zoo Dorus, zei hij, ga je naar de kerk?
+
+Ja, ik ga naar de kerk.
+
+Dat ik dien morgen als organist moest optreden, verzweeg ik hem, want
+dan wist ik zeker, dat hij ook boven zou komen. Maar Bobje wist het al.
+Hij vervolgde:
+
+Ik kom ook, Dorus. De meester is er immers niet?
+
+Ik had veel lust om te zeggen, dat de meester er wl zou zijn, maar van
+liegen en veinzen had ik een onoverwinnelijken afkeer, dus zeide ik het
+niet.
+
+Ik ben van morgen organist, Bob, zei ik op beslisten toon, en de
+meester komt niet! Ik heb eerst den meester en nu nog mijn Pa moeten
+beloven, dat ik geen jongens zou menemen, en ik doe het niet ook. Als
+je komt, zal ik den koster verzoeken, je te verwijderen.
+
+Erg vriendelijk van je, Dorus, zei Bob knorrig, erg
+vriendschappelijk, dat moet ik zeggen.
+
+Waarom ga je niet beneden zitten? Daar heb je immers eene plaats?
+
+Ja, maar ik zit veel liever boven. Daar kan ik nog eens heen en weer
+loopen, weet je, en dat kan ik in de kerk niet doen. Dus mag ik niet?
+
+Neen, je moogt niet. Ik heb het beloofd en die belofte zal ik houden.
+Je doet ook altijd zulke dwaze dingen. Maar nu moet ik gaan, of ik ben
+niet op tijd gereed. Tot van middag!
+
+Bob scheen echter boos, want hij ging zonder groeten verder. Nu, dat
+hinderde niet. Hij was wel eens meer boos, maar dat ging vanzelf weer
+over. Hij zou mijne weigering ook nu wel spoedig vergeten zijn.
+
+Ik had nu de kerk bereikt en ging naar boven, waar de koster de sleutels
+van het orgel al had neergelegd. Eenige minuten later kwam hij mij het
+orgelbriefje brengen, waarop te lezen stond, welke liederen er dien
+morgen gezongen zouden worden.
+
+Uit dat briefje bleek mij, dat alles zou zijn, zooals gewoonlijk. Er
+stond althans niets bijzonders op vermeld, en er zou ook nu, volgens den
+gewonen gang van zaken, viermaal gezongen worden. Dat de melodin niet
+bijzonder moeilijk waren, zag ik al met een enkelen oogopslag, want het
+waren alle bekende gezangen, die dikwijls opgegeven werden.
+
+Toen alles gereed stond, kwam Potman, de orgeltrapper boven. Potman was
+een oude sukkel, die door de diakonie onderhouden werd en er nog een
+duitje bijverdiende met orgeltrappen.
+
+Zoo Dorus, zei hij, moet jij van morgen spelen? Komt de meester
+niet?
+
+De meester is uit, zei ik, en nu moet ik spelen.
+
+Zoo, zoo, nu, dat is je toevertrouwd. Er zal wel veel volk ter kerk
+komen, denk ik, want het is prachtig wer. Kom, ik zal maar gaan
+zitten.
+
+Potman ging naar de andere zijde van het orgel, waar zijn stoel stond,
+en nauwelijks was hij weggegaan, of Jan van der Vliet kwam binnen. Die
+had eene vaste plaats bij ons, en als de meester zeide, dat er geen
+jongens boven mochten komen, was Jan daarvan stilzwijgend uitgezonderd.
+Trouwens, Jan zou ook geen dwaze dingen gaan doen, zooals Bob. Als deze
+boven zat, wierp hij altoos propjes papier naar beneden, die dan op de
+hoofden der menschen terecht kwamen, of hij maakte grappen tegen de
+jongens, die op de galerijen zaten, want gij moet weten, dat het eene
+groote kerk was met twee galerijen, die op dezelfde hoogte van het orgel
+waren aangebracht. Wanneer de collectanten van de eene galerij naar de
+andere moesten gaan, kwamen zij altoos onze afdeeling over en namen dan
+meteen onze giften in ontvangst.
+
+Morgen Dorus! zei Jan.
+
+Morgen Jan! was mijn antwoord, en ik zag, dat zijn gelaat droevig
+stond. Hij schoof de gordijntjes een weinig ter zijde, zoodat hij in de
+kerk kon zien, en staarde op de bank, waar 's Zondags altoos zijne
+ouders zaten, want zij waren trouwe kerkgangers. Hunne plaatsen bleven
+nu evenwel ledig, en toen ik Jan aanzag, ontdekte ik tranen in zijne
+oogen. Onze blikken ontmoetten elkander, en wij schenen daarin elkanders
+gedachten te kunnen lezen.
+
+Ze durven niet. Ze schamen zich! fluisterde hij mij toe, en zijn mond
+plooide zich zenuwachtig. Ik zag, dat hij moeite deed, om niet te
+schreien.
+
+Ik antwoordde niets, want ik wist niet, wat ik zeggen moest. Hoe kon ik
+den armen jongen troosten, nu morgen de rechtbank wellicht het schuldig
+over hen zou uitspreken? Hoe kon ik hem troosten, nu binnen korten tijd
+de gevangenisdeur wellicht achter hen zou worden gesloten en Jan alleen
+met zijn zusje in de armelijke woning achterbleef?
+
+Neen, ik kon hem niet troosten, want iedereen zeide, dat zij wel
+veroordeeld zouden worden.
+
+En dan toch onschuldig? dacht ik, terwijl ik Jan vol medelijden
+aanzag. Maar -- dat zou verschrikkelijk zijn.
+
+Op dit oogenblik begon de koster voor de tweede maal te luiden, en werd
+het drukker in de kerk.
+
+Daar kwam dokter Doreman binnen, die bijna nooit verzuimde, maar ook
+bijna nooit tot aan het einde van den dienst bleef, omdat hij gewoonlijk
+midden onder de preek bij een patient geroepen werd, want hij had een
+verbazend drukke praktijk.
+
+En daar kwam notaris de Wild binnen, met zijne vrouw. Of Bob ook
+meegekomen was? Hoe ik ook keek, ik ontdekte hem nergens. Misschien was
+hij nog boos op me?
+
+De drukte beneden werd nog grooter, want het was nu half tien. En de
+meeste menschen komen precies op tijd of te laat.
+
+Nu kwam ook de voorzanger in de kerk. Ik zag hem weldra plaats nemen
+voor zijn lessenaar en opzoeken, wat er gezongen moest worden. Het
+luiden hield op, de voorzanger kuchte, trok zijn das recht, hoewel deze
+volstrekt niet scheef zat, en daar begon hij, zacht en onduidelijk:
+
+De gemeente gelieve te zingen-- maar nu verhief zijne stem zich,
+zooals de man dat gewoon was te doen, plotseling wel eene quinte hooger,
+en klonk het helder en duidelijk, zoodat iedereen hem kon verstaan: van
+den twee en veertigsten psalm, het eerste veers. Hij zei altoos veers
+en nooit vers; waarom hij dat deed, weet ik niet.
+
+Ik herzeg: van den twee en veertigsten psalm, het eerste veers. En nu
+begon hij op een galmenden toon, dien niemand mooi vond, het opgegeven
+vers voor te lezen. Ik zat gereed om te gaan spelen, dat spreekt
+vanzelf, en de orgeltrapper was evenzoo op zijne post. Jan stond achter
+mij, om te zien wat ik deed. Zoodra de voorzanger geindigd had, speelde
+ik mijn preludium, wat heel goed ging, trok daarna eenige registers uit
+en speelde het koraal, waarmede de gemeente instemde. Jan, die anders
+altoos uit volle borst mezong, scheen nu geen zingenslust te hebben,
+althans hij deed niet mede, en het scheen mij toe, dat hij zuchtte.
+
+Eerst beefde ik wel een beetje, toen ik begon te spelen, maar dat
+bedaarde spoedig en ik gevoelde mij verder goed op mijn gemak. Het ging
+dan ook tot het einde toe zeer goed.
+
+Nu las de voorzanger een gedeelte uit den bijbel voor, en toen nam de
+dominee, die onder het zingen den kansel beklommen had, het woord.
+
+Spoedig werd het tweede gezang opgegeven. Ik speelde het zoo goed, dat
+ik er niet aan twijfelde, of er zouden maar weinig menschen zijn, die
+opmerkten, dat de gewone organist niet tegenwoordig was. Dat stemde mij
+recht prettig.
+
+Midden onder het gezang evenwel verdween plotseling al mijne vreugde,
+want de deur werd geopend, en zonder eenig gedruisch te maken trad Bob
+binnen. Dat vond ik flauw van hem. Hij wist, dat zijne tegenwoordigheid
+bij het orgel in het geheel niet gewenscht, ja, zelfs verboden was, en
+nu kwam hij toch. Wat moest nu de meester wel van mij denken, als hij
+het hoorde? En wat zou Pa zeggen, als ik thuis kwam? Want deze zou het
+ongetwijfeld wel te weten komen. En bovendien, welke dwaze dingen zou
+Bob misschien weer gaan uithalen, -- want dat deed hij immers altijd?
+
+Toch kon ik er niets aan veranderen. Hij was er nu eenmaal, en hoe moest
+ik hem tot heengaan bewegen? O ja, ik kon naar beneden gaan en den
+koster waarschuwen, maar dan zagen alle menschen mij; wat zou dat dus
+eene opschudding veroorzaken. Neen, ik kon er niets aan doen, en dat
+wist Bob wel. Juist daarom had hij zoo lang gewacht.
+
+Hij kwam doodbedaard achter mij staan en keek naar mijn spel. Maar
+plotseling stak hij de hand uit, om ook een of twee toetsen neer te
+drukken, wat afschuwelijk geklonken zou hebben. Ik schrikte er van.
+
+Niet doen! -- Niet doen! riep ik hem haastig toe, en gelukkig was Bob
+zoo vriendelijk, dezen keer mijn zin eens te doen. Lachend trok hij
+zijne hand terug. Maar nu begon hij met zijn voet op het pedaal te
+drukken, wat mij duidelijk werd, daar de bas plotseling door eene
+onbekende oorzaak vreeselijk valsch begon te klinken. Ik onderzocht
+dadelijk, of ik mij ook vergist en een verkeerden toets neergedrukt kon
+hebben, maar dat was niet zoo. Mijn spel was goed. Toen ontdekte ik,
+dat Bob het deed, en weer fluisterde ik hem toe:
+
+Laat het dan toch, Bob. Je maakt me in de war!
+
+Wat was ik blij, toen ook het tweede gezang ten einde was. Ik maakte
+alles gereed voor het derde en wendde mij daarna tot Bob, die
+doodbedaard op een stoel was gaan zitten.
+
+Zoo, zei ik zacht, maar daarom niet minder boos, ben je daar toch?
+
+Zooals je ziet, zei Bob. En ik ga niet weg ook, al kijk je me nog zoo
+nijdig aan.
+
+Ik vind het leelijk van je, Bob -- erg leelijk! zei ik weer. Als ik
+den koster roep, word je dadelijk weggestuurd.
+
+Ja, dat weet ik wel, maar je haalt hem niet, Dorus. Doch wees nu maar
+bedaard, -- ik beloof je, dat ik in het geheel geen kwaad zal doen en
+stil zal blijven zitten. Is het nu goed?
+
+Hij lachte mij vriendelijk toe, terwijl hij dat zeide. De oolijkerd wist
+wel, dat hij gelijk had. Ik draaide mij boos van hem af en ging voor
+mijne muziek zitten, om die nog eens door te zien.
+
+Inderdaad hield Bob zich eenigen tijd zeer bedaard, zoodat ik volstrekt
+geen reden had, om ontevreden over hem te wezen. Toch deed ik nog net,
+of ik erg boos op hem was en bleef met mijn rug naar hem toezitten. Want
+ik wilde mij volstrekt niet met hem bemoeien, daar ik wist, dat hij
+direct de geheele hand zou nemen, als ik hem maar een vinger toestak. Ik
+wilde hem in het geheel niet aanmoedigen.
+
+Na een klein kwartier echter begon de stoel, waarop hij plaats genomen
+had, verdachte geluiden voort te brengen en telkens geducht te kraken,
+wat mij het duidelijke bewijs was, dat Bob onmogelijk langer stil kon
+zitten.
+
+Nu zal het lieve leventje beginnen, dacht ik, doch ik bleef op mijne
+muziek turen en verwaardigde hem met geen blik.
+
+Het gekraak werd evenwel telkens erger, zoodat ik wel omkijken moest,
+en nu zag ik Bobje boven op de leuning zitten met zijne voeten op de
+zitting, en hij maakte allerlei leelijke grimassen tegen den ouden
+Potman, die hem heel boos zat aan te kijken.
+
+Bob, wees toch stil! gebood ik, want ik twijfelde niet, of men zou
+beneden in de kerk het leven kunnen hooren, dat hij maakte.
+
+Houd je kalm, Dorus, zei Bob. Kijk dien ouden Potman eens boos wezen!
+Ik geloof, dat hij me wel zou willen opeten.
+
+En weer begon hij grimassen te maken en op de leuning heen en weer te
+schommelen, zoodat de stoel er van kraakte.
+
+Bob, houd nu op en ga heen. Toe, asjeblief, Bob!
+
+Nu mijn dreigen niet hielp, begon ik hem te smeeken, want ik twijfelde
+niet langer, of hij zou me in groote ongelegenheid brengen. Aanstonds
+breekt de stoel nog, zei ik er waarschuwend bij. En nauwelijks had ik
+die woorden uitgesproken, of krak, krak! daar brak de leuning middendoor
+en viel Bob met een slag op den grond. Het bloed steeg mij naar het
+hoofd van den schrik en ik keek snel naar beneden, of de menschen in de
+kerk het hadden gehoord. Ja, een enkele zag even naar boven, maar daar
+het orgel boven de groote vestibule stond, had men er daar minder van
+gehoord, dan ik vreesde.
+
+Toch had het gebeurde een gevolg, waarover ik mij zeer verheugde, want
+Bob had in allerijl het hazenpad gekozen; zeker vreesde hij, dat de
+koster naar boven zou komen.
+
+Nu werd het zoo rustig boven als ik maar wenschen kon, want Jan van der
+Vliet zat doodbedaard op een stoel achter mij te luisteren naar de preek
+van den dominee, hetgeen ik nu ook ging doen. Want tot nog toe had mijn
+vriend Bob mijne aandacht daar totaal van afgeleid. En de oude Potman
+ging, als gewoonlijk, zijn slaapje doen. Bob was nog geen drie minuten
+weg, of de oude man zat al te knikkebollen.
+
+Het duurde echter maar kort, of ik hoorde iemand met groot gedruisch de
+trap afklimmen, die naar den toren voerde. Dat moest Bob wezen, het kon
+niet anders. Zeker was hij weer naar het uilennest wezen kijken. Maar
+hoe kwam hij er nu toch toe, om zoo hard naar beneden te komen stormen?
+Hij wist toch, dat er kerk was? Of wilde hij mij met voordacht in
+ongelegenheid brengen? Dat vond ik slecht van hem.
+
+Daar werd de deur driftig opengeworpen en kwam Bob met niet weinig
+gedruisch binnenstappen. Zijn gelaat was hoogrood gekleurd en hij maakte
+ontzaglijk veel leven. Blijkbaar was hij zoowel den dominee als alle
+kerkgangers vergeten.
+
+Ssst! Ssst! fluisterde ik hem toe, met mijn vingers tegen den mond.
+
+Jan, ga mee! Dorus, jij ook! zei hij gejaagd. Ik heb het geld
+gevonden van den diefstal, -- al het geld!
+
+In een oogwenk stonden wij naast hem, en Jan werd doodsbleek.
+
+Het geld! -- Van den diefstal? stamelde hij. Spot er niet mede, Bob,
+want dat zou laag en laf wezen.
+
+Ik spot niet! Gerust niet! Gaat maar mede. 't Ligt boven in den toren,
+onder het uilennest, je weet wel, dat nest, dat we onlangs hebben
+gevonden. Komt, dan zal ik het je wijzen!
+
+Bob ging ons voor, en zonder meer aan het orgel te denken volgde ik
+hem. Dat ook Jan naar boven ging, behoeft niet te worden gezegd.
+
+Halverwege de trap dacht ik echter aan het derde gezang, dat nu volgen
+moest, maar naar mijne berekening was het daarvoor nog te vroeg. Ik zou
+toch spoedig weer naar beneden komen, maar eerst moest ik dat geld eens
+zien.
+
+Vlug klommen wij de trap op. Wij gingen de klok voorbij, die regelmatig
+tikte, en hadden weldra het nest bereikt.
+
+Kijk, -- hier onder! zei Bob. Zie je wel, dat de eieren er nog
+precies zoo liggen als toen? De vogels zijn ongetwijfeld gestoord door
+den dief, want zie maar, hier ligt het geld!
+
+Bob lichtte nu het nest op, en waarlijk, -- daar lag het gestolene; een
+briefje van zestig gulden, een van veertig, en zeven gouden tientjes.
+Alleen de drie gouden tientjes, die bij Van der Vliet onder de deur door
+geschoven waren, ontbraken er aan. En bovendien lagen daar nog eenige
+honderden postzegels van verschillende waarde, zoodat wij niet behoefden
+te twijfelen, of dit het geld van den diefstal was.
+
+Jan schreide en lachte tegelijk. De goede jongen was geheel in de war.
+
+Daar is het! Daar is het! juichte hij. Nu zal de onschuld van mijne
+ouders aan het licht komen. O Bob, dat heb ik aan jou te danken!
+
+Maar wat moeten we nu doen? vroeg Bob.
+
+Alles precies laten liggen, zooals het ligt, en dadelijk den
+burgemeester gaan waarschuwen, zei ik. En spreek er tegen
+niemand......
+
+Maar eensklaps bestierven de woorden mij op de lippen, want -- daar
+klonk mij plotseling gezang in de ooren. Eerst begreep ik niet, wat er
+gebeurde, maar weldra ging mij een licht op. 't Was kerkgezang -- en dat
+nog wel zonder orgelbegeleiding. Door de verrassing van het gebeurde,
+had ik het orgel vergeten, en nu -- was het te laat!
+
+Van schrik kon ik niet spreken, en met open mond staarde ik mijne beide
+vrienden aan.
+
+Mooi zoo, Dorus! zei Bob. Dat ziet er pleizierig voor je uit. 't Is
+zeker het derde gezang?
+
+Ik knikte toestemmend en kreeg de tranen in de oogen, tranen van spijt
+en berouw. Zonder een oogenblik langer te dralen ijlde ik naar beneden,
+naar het orgel, -- maar wat kon ik er doen? De menschen zongen reeds
+onder leiding van den voorzanger, en ik kon onmogelijk zoo maar
+invallen. Potman keek mij aan en schudde bedenkelijk met het hoofd.
+Hij vond mij zeker erg slecht.
+
+En ik -- schreide tranen van verdriet.
+
+Nu werd de deur geopend en trad Pa binnen. Hij had de kerk onder het
+zingen verlaten, en kwam kijken, wat er gebeurd was.
+
+Zijn gelaat stond zeer ernstig.
+
+Waarom speel-je niet, Dorus? vroeg hij.
+
+Vol schaamte hield ik mijne oogen op den grond gericht, maar ik
+antwoordde niet.
+
+Waarom speel je niet, Dorus? herhaalde Pa zacht, maar dringend.
+
+Ik was er niet, Pa.
+
+Ik zag, dat mijn antwoord Pa bedroefde.
+
+Dat spijt me van je, Dorus! zei hij zacht. Dat spijt me meer, dan je
+wellicht vermoedt. Ik vertrouwde je zoo geheel, Dorus.
+
+Ach, wat speet het mij, Pa zoo teleurgesteld te hebben.
+
+Waar was je dan? vroeg hij even later.
+
+Pa, ik was in den toren. Bob......
+
+Bob? Ik had je immers verboden, jongens mede te nemen? Dorus, -- Dorus!
+Wat val je me tegen.
+
+Ik heb hem niet meegenomen, Pa! zei ik schreiende. Hij is zelfs
+gekomen ondanks mijn verbod. En ik kon hem niet weg krijgen.
+
+En wat moest je in den toren doen? Het was je plicht hier te blijven.
+'t Is niet alleen stout van je geweest, maar ook dom, erg dom, Dorus.
+
+Ach Pa, u weet alles niet. Bob was in den toren gegaan, en daar heeft
+hij al het geld gevonden en de postzegels, die bij mijnheer Valk
+gestolen zijn. En toen hij ons dat kwam zeggen, zijn Jan en ik met hem
+naar boven geklommen, om het te zien. En Pa, toen -- toen was ik het
+derde gezang vergeten, -- ik dacht er in het geheel niet meer aan,
+totdat ik opeens hoorde zingen.
+
+Het geld gevonden en de postzegels? zei Pa, die een en al verbazing
+was. Dat zeg je immers?
+
+Ja, Pa.
+
+En waar zijn die jongens nu?
+
+Nog in den toren, Pa. Toe, ga er als het u belieft dadelijk heen, want
+zij weten niet, wat zij er mede moeten doen.
+
+Ik deed de deur voor Pa open en meende hem voor te gaan. Maar Pa zeide:
+
+Jij blijft hier op je post, -- begrepen, Dorus?
+
+Ja, Pa.
+
+Beschaamd keerde ik naar mijn klavier terug, dat ik zoo schandelijk
+verlaten had. Het gezang was nu geindigd, en ik zocht de muziek gereed
+voor het laatste zingen. De dominee begon aan het tweede gedeelte van
+zijne predikatie.
+
+Wat had ik een flater begaan! En wat zou ook de meester boos op mij
+zijn. Eerst moest ik daar onophoudelijk over denken, doch al spoedig
+gingen mijne gedachten zich bezig houden met hetgeen in den toren
+gevonden was, en ik bedacht, hoe heerlijk dat moest zijn voor Van der
+Vliet en zijne vrouw, wier onschuld nu zoo duidelijk aan het licht
+gekomen was. Want het was niet aan te nemen, dat zij dat geld daar
+zouden hebben verstopt. Zij kwamen immers nooit in den toren?
+
+Maar wie kon dan de dader geweest zijn? Vruchteloos spande ik mij in, om
+het antwoord op die vraag te vinden. Tot mij opeens in de gedachten
+schoot, dat dit niemand anders kon zijn dan Arie de Zwaan, de neef van
+den koster, bij wien al eenmaal huiszoeking was gedaan.
+
+Ik hoorde, hoe iemand de trap afkwam. De deur ging open en Bobs gelaat
+verscheen om den hoek.
+
+Wees maar niet bang, Dorus, 't zal best voor je afloopen, hoor. Nu dat
+geld hier gevonden is, zullen de menschen over het orgel bijna niet
+denken. En je Pa is niets boos. Dag! Ik ga den burgemeester halen. Je Pa
+heeft het mij bevolen.
+
+En weg was hij. Ja, hij had gelijk. Nu dat geld ontdekt was, zou mijne
+domme daad spoedig op den achtergrond gedrongen zijn. Maar dat nam niet
+weg, dat ik toch het vertrouwen van mijne ouders en den onderwijzer
+ernstig moest hebben geschokt, en dat deed mij veel verdriet. Van de
+preek hoorde ik dien morgen weinig of niets, want mijne gedachten kon ik
+er onmogelijk bijhouden. Ik hoorde bijna niet eens, dat de dominee amen
+zeide.
+
+Eindelijk werd de slotzang opgegeven.
+
+Ik speelde dien zoo goed ik kon, om mijne fout zooveel mogelijk te
+herstellen, en terwijl de menschen de kerk verlieten, gaf ik mijn
+mooiste stuk ten beste.
+
+Juist op dat oogenblik kwam Bob terug in gezelschap van den burgemeester
+en van Tip, die heel gewichtig keken en met groote schreden door eene
+zijdeur de kerk binnenstapten. O, wat waren de kerkgangers nieuwsgierig
+naar hetgeen zij daar gingen doen, maar niemand werd daarbinnen
+toegelaten. Dat ik naar boven in plaats van naar huis gegaan was,
+spreekt vanzelf.
+
+Zoodra de burgemeester bij het uilennest aangekomen was, moest Bob alles
+vertellen, wat er gebeurd was. En hij was tot mijne vreugde zoo eerlijk,
+om zelfs te zeggen, dat hij tegen mijn zin bij het orgel gekomen was en
+daar een stoel had gebroken; dat hij daarna de vlucht had genomen,
+uit vrees, dat de koster komen zou om hem weg te jagen, en naar boven
+geklommen was, om nog eens naar het uilennest te kijken, dat wij daar
+voor eenigen tijd ontdekt hadden.
+
+Is dat alles waar? vroeg de burgemeester.
+
+Ja mijnheer, volkomen waar! stemden wij toe.
+
+Pa gaf mij stilzwijgend eene hand, ten bewijze, dat hij mijne fout
+vergaf.
+
+Maar Bob zag het, en hij zeide tegen Pa:
+
+Ja mijnheer, Dorus heeft in het geheel geen schuld, want hij had mij
+verboden te komen. Maar toen ik zag, aldus vervolgde hij tot den
+burgemeester, dat de vogels weggegaan waren, zeker omdat zij door
+iemand waren opgejaagd, kreeg ik lust, om het nest eens van onderen te
+bekijken en daar ontdekte ik dat geld en de zegels. Arie de Zwaan heeft
+dat alles daar zeker verstopt.
+
+Stil jongen, zei de burgemeester. Ik vraag je geen namen, want daar
+weet je immers niets van?
+
+Maar ik zag, dat hij knipoogde tegen Pa, en dat die beide heeren een
+bijna onzichtbaar glimlachje niet bedwingen konden.
+
+Hoe wist je, dat de vogels gestoord waren in het broeien? vroeg de
+burgemeester.
+
+Omdat ik voelde, dat de eieren koud waren, mijnheer, antwoordde Bob.
+Arie de Zwaan -- o, ik bedoel, de dief is hier zeker dikwijls geweest,
+want anders zouden de uilen niet zoo bang geworden zijn, dat zij de
+eieren in den steek lieten.
+
+Zoo, -- hm, ja, dat kan wel zijn. Nu, ik heb alles hier gezien en zal
+er proces-verbaal van opmaken. Jelui moet van middag om n uur bij me
+op het raadhuis komen, alle drie, goed begrepen?
+
+Ja burgemeester.
+
+Je kunt nu gaan, maar vergeet het niet, hoor: om n uur. Het gevondene
+zal ik menemen.
+
+Wij verlieten den toren en gingen in druk gesprek huiswaarts. Toen wij
+voorbij de kosterswoning kwamen, zagen wij, hoe Arie de Zwaan, die zeker
+den burgemeester en den veldwachter voorbij en in den toren had zien
+gaan, onrustig voor het huis heen en weer liep. Zoodra hij ons zag,
+vroeg hij:
+
+Wat is er in den toren te doen, jongens?
+
+Daar heb je den dief, geloof dat gerust, fluisterde Bob ons toe. Wat
+ziet hij bleek!
+
+En luid antwoordde hij:
+
+In den toren? Op dit oogenblik niets.
+
+Dat was volkomen waar, want wij zagen den burgemeester, Pa en Tip juist
+naar buiten komen.
+
+De burgemeester gaf Pa de hand en begaf zich, door den veldwachter
+gevolgd, regelrecht naar de kosterswoning, waar Arie hen in zenuwachtige
+spanning afwachtte. Dat hij zenuwachtig was, konden wij best aan zijne
+gejaagde bewegingen zien.
+
+De koster en diens vrouw kwamen juist uit hun huis, toen de burgemeester
+Arie genaderd was. Wij zagen, hoe hij hem de hand op den schouder legde,
+en wij hoorden hem zeggen: In naam der wet, Arie de Zwaan, neem ik u
+gevangen.
+
+Verschrikkelijk, wat vonden wij dat pijnlijk. Wij zagen hoe Arie's
+tante haar gelaat met de handen bedekte en in tranen uitbarstte.
+
+Komt, jongens, zei Pa zacht, want die was ons nu genaderd, komt,
+laten we naar huis gaan. Dat is een treurig schouwspel, niet waar?
+
+Zonder spreken vervolgden wij onzen weg. Maar Jan ijlde ons vooruit, om
+zijne ouders de blijde boodschap te brengen. Wat zal in de eenvoudige
+woning groote vreugde hebben geheerscht!
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Besluit.
+
+
+Het geheele dorp was dien dag verder in rep en roer, over hetgeen er
+gebeurd was. Er werd bijna over niets anders gesproken dan over Bobs
+vondst en de gevolgen daarvan. Dat die vooral voor de Van der Vliets
+hoogst gewichtig waren, is gemakkelijk te begrijpen.
+
+En wat bracht de gevangenneming van Arie de Zwaan eene geweldige
+opschudding teweeg. Overal zag men de menschen voor de ramen of op de
+straat verschijnen, toen hij tusschen den burgemeester en den
+veldwachter naar het raadhuis werd gevoerd, waar hij voorloopig in het
+gevangenhok werd opgesloten. Met neergeslagen oogen liep hij tusschen
+zijne bewakers voort, ongeboeid, dat is waar, maar toch scherp bewaakt.
+
+'s Middags maakte Kees van der Vliet met zijne vrouw eene wandeling door
+het dorp. Hun gelaat straalde van vreugde, en zij liepen met het hoofd
+fier omhoog. Ieder die hen tegenkwam, maakte een praatje met hen, en
+allen fliciteerden hen met de gunstige wending, die de zaak genomen
+had.
+
+'t Was grappig te hooren, hoe de menschen zeiden, dat zij altoos wel aan
+hun onschuld hadden geloofd, en die vroeger het meeste van hen te zeggen
+hadden gehad, waren nu de eersten, die het tegenovergestelde betuigden.
+
+Arie de Zwaan ontkende tegenover den burgemeester met groote
+beslistheid, dat hij den diefstal had gepleegd, en wat de burgemeester
+ook deed, hij bleef halsstarrig bij die verklaring.
+
+'s Middags om twee uur, nadat wij op het raadhuis waren geweest, waar de
+burgemeester ons het proces-verbaal had voorgelezen, werd Arie de Zwaan
+per rijtuig en onder strenge bewaking naar Haarlem gevoerd, waar hij in
+de gevangenis werd opgesloten. En toen hij den volgenden dag voor den
+Officier van Justitie werd gebracht legde hij eene volledige bekentenis
+af. Ja, hij had 's nachts het raam weten open te schuiven en al het
+aanwezige geld gestolen, en om de verdenking van zich af te werpen,
+had hij de drie gouden tientjes bij Van der Vliet onder de deur
+doorgeschoven, daar hij gezien had, dat deze met zijne vrouw dien dag
+bij den Directeur hadden gewerkt.
+
+De rechtbank veroordeelde hem tot eene langdurige gevangenisstraf.
+Zijn oom en tante, de koster en diens vrouw, waren zeer bedroefd over
+het slechte gedrag van hun neef. Toen hij later uit de gevangenis
+terugkeerde, hebben zij hem voortgeholpen om naar Amerika te emigreeren.
+Hier wisten zij geen raad meer met hem.
+
+Over de slechte wijze, waarop ik mijne taak als organist had
+waargenomen, werd zeer weinig gesproken. Bob had het goed geraden:
+door het vinden van het geld werd over mijne afwezigheid op dat
+gedenkwaardige oogenblik niet meer gedacht. Zelfs de meester liet er
+niets van blijken, toen hij teruggekeerd was, en later heeft hij mij
+nog meer dan eens verzocht, als hij weer eens van huis moest, zijne
+betrekking voor hem waar te nemen. Daaruit kon ik tot mijne groote
+vreugde opmaken, dat hij mij zijn vertrouwen niet onwaardig keurde.
+
+Maar Bob ging nooit weer met mij mede.
+
+Dat kon hij ook niet, want korten tijd daarna heeft hij tot onze groote
+spijt het dorp verlaten. De reden daarvan was, dat zijne Moe ernstig
+ziek werd, zoodat men voor het behoud van haar leven vreesde. Dokter
+Doreman deed alles, wat in zijn vermogen was om haar beter te maken,
+doch zijne pogingen waren vruchteloos. Eindelijk werd er besloten, een
+professor te raadplegen. Deze kwam en raadde na een ernstig onderzoek
+aan, naar eene andere woonplaats te verhuizen, liefst naar een hoog
+gelegen dorp in Gelderland. Hij twijfelde niet, of daar zou zij hare
+verloren gezondheid terugvinden.
+
+Och, wat was Bob in dien tijd stil en bedaard, want hij had zijne Moe
+innig lief. Wij zagen hem bijna niet meer op de straat en van spelen met
+ons was geen sprake. Hij was altoos thuis, waar hij de geliefde zieke
+met de teederste zorgen omringde.
+
+Zijn Pa besloot, den raad van den professor op te volgen. Hij kon er
+echter niet toe besluiten, de lieve patiente alleen naar het vreemde
+oord te laten gaan. Daarom nam hij zijn ontslag als notaris en vestigde
+zich metterwoon te Oosterbeek.
+
+Het speet ons meer, dan ik zeggen kan, dat Bob ons ging verlaten. Hij
+had nog geen vol jaar bij ons op het dorp gewoond, maar toch hielden wij
+allen innig veel van hem. Dat bleek het duidelijkst bij zijn vertrek.
+Sommige jongens stortten er zelfs tranen om.
+
+Maar Karel Holm en mij speet het 't meest van allen, want wij hadden het
+meest met hem omgegaan.
+
+Dag Bob, zeiden we bij het afscheid nemen, en onze oogen waren
+vochtig, evenals de zijne: Het ga je goed, j. 't Spijt me, dat je
+heengaat.
+
+Mij niet minder; dag Dorus! dag Karel! Maar 't is om Moe, weet je. Als
+ik haar maar behouden mag.
+
+En hij mocht haar behouden; de professor had het goed ingezien. Van
+het oogenblik af, dat zij de Geldersche lucht inademde, begon zij te
+herstellen, en nog geen drie maanden daarna schreef Bob ons, dat zij
+volkomen beter was en hare krachten bijna geheel had teruggekregen.
+
+ En jongens, zoo eindigde hij zijn brief, in de volgende
+ zomervacantie mag je beiden hier komen logeeren, zeggen Pa en
+ Moe. Vindt je dat niet heerlijk? Ik kan je niet zeggen, hoe
+ blij ik ben. Zeg jongens, dan zullen wij nog eens echt pret
+ maken.
+ Adieu!
+ Je vriend
+ BOB.
+
+
+
+
+KAPITEIN MARRYAT's Jongensboeken.
+
+
+De Gellustreerde Werken van KAPITEIN MARRYAT.
+
+De meest aanbevolen, meest boeiende en fraaiste boeken voor onze
+Jongens.
+
+KAPITEIN MARRYAT is de Jongens-auteur bij uitnemendheid.
+
+ _Het Handelsblad_ zegt:
+ "met gejuich worden zijne boeken steeds begroet. Slechts
+ bewondering, geen critiek wordt zijn deel."
+
+ _Het Vaderland_ zegt:
+ "MARRYAT veroudert niet en blijft steeds even aantrekkelijk."
+
+ _De Portefeuille_ noemt deze boeken:
+ Gezonde en zeer gewilde jongenslectuur. MARRYAT was een onderhoudend
+ verteller, die nooit iets aanstootelijks schreef, maar voortdurend
+ wist te boeien.
+
+De werken van KAPITEIN MARRYAT zijn verschenen in 2 uitgaven.
+
+A. De =groote gellustreerde uitgave met twaalf platen=, geteekend door
+JOHAN BRAAKENSIEK en JOS. SCHEIDEL. Hierin zijn nog voorhanden:
+
+=De zoon van den Strooper= -- =Snarley Yow= -- =Frank Mildmay= -- =Onder
+de Hottentotten= -- =Stuurman Flink= -- =Rattlin de Zeeman= -- =Japhet
+de Vondeling= -- =Het Spookschip= -- =Jack Rustig=.
+
+Prijs in gellustreerd omslag [f]1.50, gebonden [f]1.90.
+
+
+B. De =goedkoope gellustreerde uitgave=. Elk deel in groot formaat
+hiervan is versierd met 8 platen en bevat ruim 350 bladzijden druks. --
+Verschenen zijn:
+
+=Pieter Simpel= -- =Het Koningskind= -- =Arme Jaap= -- =Jacob Eerlijk=
+-- =De Kinderen van het Woud= -- =De Landverhuizers van Canada= -- =De
+Zwerver= -- =De Kaper uit de vorige eeuw= en =Percival Keene=.
+
+Prijs van ieder deel in een door JOHAN BRAAKENSIEK geteekend omslag
+[f]0.90, prachtig gebonden [f]1.25.
+
+
+
+
+Gellustreerde Werken van MARK TWAIN.
+
+
+ De Lotgevallen van Tom Sawyer,
+ 6e herziene druk met platen van JOHAN BRAAKENSIEK.
+
+ De Lotgevallen van Huckleberry Finn
+ (TOM SAWYER'S MAKKER).
+ 2e druk met ruim 50 illustratin.
+
+ De Reisavonturen van Tom Sawyer,
+ met 30 fraaie platen.
+
+ Prins en Bedelknaap.
+ 2e druk met ruim 50 illustratin.
+
+
+ _Het Handelsblad_ zegt:
+ De boeken van MARK TWAIN wemelen van leuke zetten, die ook ouderen
+ met plezier kunnen lezen.
+
+De prijs van bovenstaande vier werken van MARK TWAIN is ingenaaid
+[f]1.50, geb. [f]1.90 per deel.
+
+
+ Jongensboeken van G. A. Henty,
+ vertaald door H. Th. CHAPPUIS.
+
+
+Goedkoope gellustreerde uitgave.
+
+Als Nihilist naar Siberi, Roodhuiden en Grensroovers, Cowboys en
+Goudzoekers.
+
+Alle gellustreerd. Prijs ingen. [f]0.90, geb. [f]1.25.
+
+
+Historische Werken van C. Joh. Kieviet.
+
+
+FULCO DE MINSTREEL.
+
+Een verhaal uit den tijd van Graaf JAN I.
+
+Met platen van JOH. BRAAKENSIEK.
+
+ Prijs in gell. omsl. [f]1.50,
+ in prachtband [f]1.90.
+
+
+IN WOELIGE DAGEN.
+
+Een verhaal uit de jaren 1345-1351.
+
+Met platen van L. R. W. WENCKEBACH.
+
+ Prijs in gell. omsl. [f]1.50,
+ in prachtband [f]1.90.
+
+
+
+
+Opmerkingen van de bewerker:
+
+Er komen in dit boek drie soorten nadruk voor: _cursief_, =vet= en
++gespatieerd+.
+
+Duidelijke drukfouten zijn gecorrigeerd, zoals b.v. "me" i.p.v. "me",
+en "stellen" i.p.v. "stelten".
+
+Geneste dubbele aanhalingstekens zijn gestandaardiseerd tot "...",
+waar dat nodig was voor de duidelijkheid.
+
+Overigens is de originele spelling en interpunctie ongewijzigd
+overgenomen, ook ongebruikelijke woordvormen en inconsequent gebruik
+van trema's en accenten.
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB ***
+
+***** This file should be named 37789-8.txt or 37789-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/7/7/8/37789/
+
+Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
diff --git a/37789-8.zip b/37789-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..697bdd8
--- /dev/null
+++ b/37789-8.zip
Binary files differ
diff --git a/37789-h.zip b/37789-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..3364bba
--- /dev/null
+++ b/37789-h.zip
Binary files differ
diff --git a/37789-h/37789-h.htm b/37789-h/37789-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..caa23ca
--- /dev/null
+++ b/37789-h/37789-h.htm
@@ -0,0 +1,9499 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl">
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Wilde Bob, by C. Joh. Kieviet.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+
+body { margin-left: 10%; margin-right: 10%;}
+
+h1,h2 {text-align: center; clear: both; font-weight: normal;}
+
+h1 {line-height: 180%; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em;}
+h2 {font-size: 100%; font-variant: small-caps;
+ margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;}
+
+p {margin-top: .75em; text-align: justify; margin-bottom: .75em;}
+
+p.tp {text-align: center; font-weight: normal; line-height: 160%;
+ margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;}
+p.ot {font-size: 110%; font-weight: normal; text-align: center;
+ margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; white-space: nowrap;}
+
+hr.l1 {width: 60%; margin-top: 4em; margin-bottom: 4em;
+ margin-left: auto; margin-right: auto; clear: both;}
+hr.l2 {width: 30%; margin-top: 4em; margin-bottom: 4em;
+ margin-left: auto; margin-right: auto; clear: both;}
+hr.l3 {width: 5em;}
+p.str {background: url("images/streepje.gif") repeat-x;
+ margin-left: auto; margin-right: auto;
+ margin-top: 4em; margin-bottom: 4em;}
+p.str2 {background: url("images/streepje.gif") repeat-x;
+ margin: auto; width: 10em;}
+p.str3 {background: url("images/streepje.gif") repeat-x;
+ margin: auto; width: 5em;}
+
+table {margin-left: auto; margin-right: auto; font-size: 90%; max-width: 90%;}
+td.col1 {text-align: center; white-space: nowrap;}
+td.col2 {text-align: center; font-size: 110%; white-space: nowrap;}
+td.col3 {text-align: center; font-size: 90%; white-space: nowrap;}
+
+.pagenum {position: absolute; left: 94%; font-size: 60%; text-align: right;
+ color: #999999; letter-spacing: 0; font-style: normal; font-weight: normal;}
+
+.blockquot {margin-top: 1.4em; margin-bottom: 1.4em; margin-left: 10%;}
+
+ol {margin-top: 0; margin-bottom: 0;}
+dd, li {margin-top: 0.25em; margin-bottom: 0; line-height: 1.2em;
+ text-align: left;}
+
+.rght {float: right;}
+.rght1 {float: right; margin-right: 12em;}
+.rght2 {float: right; margin-right: 6em;}
+.rght3 {float: right; margin-right: 3em;}
+
+.lft2 {padding-left: 5em;}
+.lft3 {padding-left: 6em;}
+
+.smcap {font-variant: small-caps;}
+
+.center {text-align: center;}
+
+.caption {font-size: 90%; font-weight: normal; text-align: left;
+ display: table; padding-left: 1em; padding-right: 1em;}
+.caption1 {font-size: 90%; font-weight: normal;}
+
+em.g {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -.2em; font-style: normal;}
+
+.f7 {font-size: 70%;}
+.f8 {font-size: 80%;}
+.f9 {font-size: 90%;}
+.f11 {font-size: 110%;}
+.f12 {font-size: 120%;}
+.f14 {font-size: 140%;}
+
+.figcenter {margin: auto; text-align: center;
+ padding-top: 1em; padding-bottom: 1em;}
+.figcenter1 {margin: auto; text-align: center; max-width: 400px;
+ padding-top: 1em; padding-bottom: 1em;}
+
+.centered {text-align: center; margin: auto; display: table;}
+.poem {text-align: left; font-size: 90%;}
+.poem br {display: none;}
+.poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+.poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em;
+ padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+.poem span.i14 {display: block; margin-left: 8.4em;
+ padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+
+.footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 80%;}
+.footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;
+ font-size: 80%}
+.fnanchor {vertical-align: top; font-size: 70%; text-decoration: none;}
+
+.tnote {border: dashed 1px; margin-left: 10%; margin-right: 10%;
+ margin-top: 2em; padding: .5em 1em .5em 1em; font-size: 80%;}
+
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Wilde Bob
+
+Author: Cornelis Johannes Kieviet
+
+Illustrator: Willem Steelink
+
+Release Date: October 18, 2011 [EBook #37789]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB ***
+
+
+
+
+Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="figcenter">
+<img src="images/cover.jpg" width="426" height="600" alt="Cover" title="Omslag" />
+</div>
+
+<hr class="l2"/>
+
+<div class="figcenter">
+<img src="images/ill01.jpg" width="314" height="73" alt="C. M. Hoogenboom,
+Sint-Nicolaasfeest. 1904." title="Met de hand geschreven op de eerste bladzij" />
+</div>
+
+<hr class="l2"/>
+
+<h1>WILDE BOB</h1>
+
+<hr class="l2"/>
+
+<div class="figcenter1"><a name="ill02" id="ill02"></a>
+<img src="images/ill02.jpg" width="400" height="548" alt="Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg
+heen en weer,.... (pag.&nbsp;50)." title="" />
+<br /><span class="caption">Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg
+heen en weer,.... (pag.&nbsp;<a href="#Page_50">50</a>).</span>
+</div>
+
+<hr class="l2"/>
+
+<h1><big>WILDE BOB</big></h1>
+
+<p class="tp"><span class="f7">DOOR</span><br />
+<br />
+<span class="f14">C. JOH. KIEVIET</span></p>
+
+<hr class="l3"/>
+
+<p class="tp">
+<span class="smcap">Gellustreerd door Wm. Steelink</span></p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p class="tp">AMSTERDAM<br />
+<span class="f12">VAN HOLKEMA &amp; WARENDORF</span><br /></p>
+
+
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_1" id="Page_1">[1]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Eerste Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Welke streken Bob uithaalde<br />
+en hoe hij ten slotte overijld het hazenpad koos.</p>
+
+
+<p>&raquo;Dorus!&raquo;</p>
+
+<p>Dat was de stem van Moe. Zij stond aan de trap en
+ik zat mijn huiswerk te maken op de bovenkamer.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, Moe! Wat wil U?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dorus, ginds komt Wilde Bob aan. Laat je nu niet
+door hem van je werk metroonen, voordat je het afhebt.
+Zul je niet?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, Moe, ik zal eerst mijn werk in orde brengen,
+dat beloof ik U.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Goed, mijn jongen. Eigenlijk zag ik nog veel liever,
+dat je in het geheel met dien Bob niet omging, want ik
+houd hem voor een heel slecht kameraad.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Heusch niet, Moe, echt niet! &rsquo;t Is toch zoo&rsquo;n aardige
+jongen. Wij houden allen evenveel van hem en hij is
+wel goed ook. Slecht althans in geen geval.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_2" id="Page_2">[2]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Nu, ik wil het hopen. Dus eerst je werk af, denk
+daar om.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, Moe!&raquo;</p>
+
+<p>&rsquo;t Was Zaterdagmorgen, tien uur ongeveer, toen Moe
+mij dit toeriep. &rsquo;s Zaterdags hadden wij nooit school,
+daarentegen wel op Woensdagmiddag, welken de kinderen
+tegenwoordig meestal vrij-af hebben.</p>
+
+<p>Eigenlijk was Moe&rsquo;s waarschuwing niet noodig geweest,
+want ten eerste was het mijn vaste voornemen, niet te
+gaan spelen, voordat ik mijn werk afhad, en ten tweede
+had ik mijn vriend Bob, of Wilden Bob, zooals hij gemeenlijk
+genoemd werd, al zien aankomen. &raquo;Eerst leeren
+en dan spelen,&raquo; zei onze meester altoos, en ik was dat
+volkomen met hem eens. Niet omdat ik studeeren zoo
+prettig vond, o neen, maar ik was al een paar malen
+naar mijne kameraden gegaan, vr ik mijn werk afhad,
+en dat had mij even zooveel malen berouwd. Want als
+mijn vrije Zaterdag eindelijk al spelende voorbij gegaan
+was, kon ik mijn Zondag besteden, om den verloren tijd
+in te halen, en dat viel mij dubbel hard, want op dien
+dag werkt niemand.</p>
+
+<p>Bob en ik woonden tegenover elkander, elk aan
+eene zijde van de beek die ons dorp doorsneed. &rsquo;t
+Was dus geen wonder, dat ik hem had zien aankomen,
+te meer daar mijn raam, waarvoor ik zat te werken,
+precies op zijn huis uitzicht gaf. Al ongeveer tien minuten
+geleden had ik hem op zijne stelten, want het was juist
+in den steltentijd, den tuin uit- en den weg zien opstappen,
+en ik twijfelde niet, of zijn weg voerde naar<span class="pagenum"><a name="Page_3" id="Page_3">[3]</a></span>
+mij. Want Karel Holm en ik, Dorus Volmaar, waren het
+meest met hem bevriend, hoewel ik moet zeggen, dat
+alle jongens veel van hem hielden.</p>
+
+<p>Toch kon ik mij wel begrijpen, dat onze ouders niet
+zoo bijster met die vriendschap waren ingenomen, want
+hij verdiende zijn bijnaam van Wilden Bob volkomen,
+en hij deed veel meer kattekwaad in eene week dan alle
+andere jongens te zamen in een jaar. Zoo pas nog zag
+ik hem bij dokter Doreman van zijne stelten stappen en
+zich vlug als een kat meester maken van de glazenspuit,
+die in een emmer vol water onbeheerd voor het huis
+stond. Mina, de meid, was zeker iets uit de keuken
+gaan halen, dat zij vergeten had. En was het er hem
+nu nog maar om te doen geweest, zich op de hoogte
+te stellen, hoe zoo&rsquo;n perspompje toch eigenlijk werkt,
+dan was het niet erg geweest. Maar dat wist ik wel
+beter, want daar kende ik Bobje te goed voor. Neen, hij
+zon natuurlijk weer op iets grappigs, en dat grappige
+bleef niet uit, toen de niets kwaads vermoedende Mina
+om den hoek van het huis verscheen, en plotseling de
+volle laag kreeg. Ik zag hoe zij van schrik de armen
+omhoog sloeg en in minder dan geen tijd droop van het
+water.</p>
+
+<p>Maar Mina is lang geen katje om zonder handschoenen
+aan te pakken. In plaats van op de vlucht te gaan,
+zooals Bob natuurlijk van haar verwacht had, kwam zij
+heel onnatuurlijk in ijlende vaart op hem af, zoodat hij
+zich genoodzaakt zag, zich met achterlating van zijne
+stelten zoo spoedig mogelijk uit de voeten te maken.<span class="pagenum"><a name="Page_4" id="Page_4">[4]</a></span>
+En het ergste kwam nog voor hem aan, want in zijne
+haast liep hij met geweld tegen een dikken boom aan,
+waarvan een blauwe plek op zijn voorhoofd het directe
+gevolg was. En het indirecte gevolg was een nat pak,
+want door den schok viel hij achterover op den grond
+en kreeg van de dankbare Mina al het water over zijn
+lichaam, dat hij nog in den emmer gelaten had. Die grap
+was dus ons Bobje slecht bekomen. En zijne stelten was
+hij kwijt, want Mina nam ze op en bracht ze achter
+het huis in veiligheid.</p>
+
+<p>Ik zag uit mijn raam, hoe Bob overeind scharrelde en
+op een eerbiedigen afstand bleef wachten, of het de
+beleedigde Mina ook behagen mocht, hem zijne houten
+onderdanen terug te geven. Maar Mina maakte bedaard
+haar werk af, stak daarna dreigend de vuist tegen Bob
+op en ging naar binnen.</p>
+
+<p>Toen beschouwde Bob de zaak blijkbaar als afgedaan,
+want hij stak zijne handen in zijne broekzakken en vervolgde
+zonder stelten zijn weg naar mij.</p>
+
+<p>Dergelijke ontmoetingen had Bob den geheelen dag
+door, van den morgen tot den avond. Maar zijn humeur
+leed er niet erg onder. Hij was daarvoor aan zulke
+afstraffingen te zeer gewoon en het was zijne gewoonte,
+als hij hier of daar min of meer onaangename ervaringen
+had opgedaan, te zeggen: &raquo;Wie kaatst moet den bal
+verwachten.&raquo; &rsquo;t Was alleen maar jammer, dat dit kaatsen
+bij hem nooit eens ophield, want hij was in zijn hart
+werkelijk een goede jongen. Er waren er wel op het
+dorp, die lang zoo berucht niet waren als hij, jongens<span class="pagenum"><a name="Page_5" id="Page_5">[5]</a></span>
+met wie wij van onze ouders volgaarne mochten omgaan
+en die toch inderdaad veel slechter waren dan Bob. In
+elk geval, wij, jongens, hielden dol veel van hem, en als
+hij, naar wij meenden, onverdiend beschuldigd werd,
+zooals Moe straks deed, dan achtten wij het onzen plicht,
+hem met al de kracht te verdedigen, waarover wij
+beschikken konden.</p>
+
+<p>Bob was de zoon van onzen nieuwen notaris, en hij
+woonde nog maar een paar maanden op het dorp. De
+vorige notaris was in den verschenen herfst overleden,
+en Bob&rsquo;s vader was diens opvolger. Eigenlijk heette hij
+Robert Adrianus de Wild, maar thuis noemden zij hem
+nooit anders dan Bob, en wij, jongens, hadden van Bob
+de Wild al spoedig Wilden Bob gemaakt, welke naam
+volkomen bij hem paste.</p>
+
+<p>Enkele minuten na Moe&rsquo;s waarschuwing hoorde ik zijn
+bekend fluitje op den weg. Want wij schelden nooit bij
+elkander aan. Karel Holm, Bob en ik hadden afgesproken,
+dat wij dit nooit doen zouden, want het was veel aardiger
+om een zeker signaal te hebben, waarmede wij elkander
+konden roepen, zonder dat anderen daar nu juist altoos
+erg in moesten hebben, en bovendien scheen het ons
+iets bijzonder geheimzinnigs en rooverachtigs toe, wat
+ons verbazend interesseerde. Zoo hadden wij dan een
+bepaald signaal afgesproken, wat door ons gefloten werd.
+Al spoedig konden wij zelfs in het donker wel onderscheiden,
+wiens fluitje gehoord werd. Want al floten wij dezelfde
+reeks van tonen, ieder van ons had toch weer zijne
+bijzondere manier, waaraan hij herkenbaar was.<span class="pagenum"><a name="Page_6" id="Page_6">[6]</a></span></p>
+
+<p>Ik stak mijn hoofd uit het raam, want daar wij al
+Juni schreven en het prachtig wer was, had ik het
+zoover opengeschoven als ik kon, en zei:</p>
+
+<p>&raquo;Zoo Bobbertje. Wat ben je nat!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dag Dorus! Ga je mee? Er zijn al verscheidene
+jongens op het schoolplein.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Eerst mijn werk af, mannetje. Ben jij er al mede klaar?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O heden ja, een uur geleden al. Maar ik was om
+vijf uur al op en ben toen dadelijk aan het werk gegaan.
+Iedereen slaapt zoo lang niet als jij!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dank je voor het compliment. Maar zeg, wat ben je nat?&raquo;</p>
+
+<p>Ik zei dit natuurlijk alleen maar om hem te plagen,
+want ik wist er alles van; hij behoefde mij niets te vertellen.</p>
+
+<p>&raquo;O ja,&raquo; zei hij kortaf, &raquo;een beetje water, anders niet.
+Dat zal wel weer drogen in het warme zonnetje. Dus je
+gaat niet me?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar hoe kom-je zoo nat?&raquo; hield ik vol. &raquo;&rsquo;t Heeft
+toch niet geregend?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wel neen, &rsquo;t zijn maar enkele spatjes water.....&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En waar zijn je stelten?&raquo; vroeg ik, want hij moest
+den steek op mijn lange slapen terug hebben.</p>
+
+<p>&raquo;Och jongen, wat zeur je toch! Ik kan toch wel eens
+uitgaan zonder mijne stelten.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, zeker, &mdash; natuurlijk. Maar straks had-je ze toch,
+toen ik je aan den overkant zag loopen. En nu heb je
+ze niet meer.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Och, Mina, de meid van den dokter, heeft ze mij afgenomen.
+Zeg Dorus, ik wou dat je dt eens gezien hadt!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wat? Dat ze jou de stelten afnam?&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_7" id="Page_7">[7]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Neen, &mdash; zeg j, &rsquo;t was toch zoo leuk! Ze had de
+glazenspuit vr het huis laten staan, en juist toen ze om
+den hoek verscheen, gaf ik haar een stortbad, dat het
+een lust was om te zien. Ha-ha-ha! Wat keek ze leelijk!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, dat wil ik wel gelooven. En toen kwam ze op
+Bobje af, en Bobje ging op de vlucht, en hij zat z in
+den angst, dat hij niet eens den dikken boom zag, dien
+hij tegenkwam, en hij bonsde er zoo hard tegenop, dat
+hij een blauwen plek op zijn voorhoofd kreeg, en op den
+grond tuimelde, en toen kreeg hij van de vertoornde
+Mina zveel water over zijn baadje, dat het wel een
+zondvloed geleek.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O &mdash; zoo! dus je hebt alles gezien? &rsquo;t Staat je fraai, om
+het mij dan nog te laten vertellen. Dus je gaat niet me?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, nog niet. &mdash; En toen pakte Mina snel de stelten
+van den jongeheer en verdween er mede achter het huis.
+Zeg Bob, je hadt bij slot van rekening toch niet zooveel
+pleizier van de grap als Mina.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is waar. Ze is goed bij de pinken, dat moet ik
+zeggen. Ik wou, dat ik mijne stelten maar terug had.
+Zeg, Dorus, weet jij geen middeltje, om ze weer in
+handen te krijgen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wel ja, jongen. Je gaat er doodeenvoudig naar toe,
+en vraagt ze met een deemoedig gezicht terug. Dan krijg
+je ze wel.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik zou je danken. Pas op, Mina is niet pluis. Maar
+nu krijg ik een plannetje. Zeg Dorus, als jij ze eens voor
+me gingt vragen! Jou zal ze niets doen, want jij bent
+heelemaal onschuldig aan dit zaakje.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_8" id="Page_8">[8]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Juist, en daarom zal ze mij zeker de stelten ook niet
+geven. Neen Bob, &rsquo;t is er haar natuurlijk om te doen,
+dat je zelf komt. En dan zal ze wel niet bijzonder
+vriendelijk wezen, vrees ik.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat denk ik ook. &mdash; Wacht Dorus, daar komt Mietje
+de Veer aan met eene stroopkan in haar hand. Daar moet
+ik toch eens eene grap mede hebben.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Och, laat haar loopen, dat domme wicht!&raquo;</p>
+
+<p>Maar Bob luisterde al niet meer naar me. Hij trok
+zijn mond in den allervriendelijksten plooi en wachtte
+op de komst van zijn slachtoffer. Zijne oogen tintelden
+van plaaglust en blijkbaar was hij zoowel Mina en zijn
+natte pak als zijne stelten vergeten.</p>
+
+<p>Mietje de Veer was een dochtertje van den schoenmaker,
+en een van de domste kinderen van de geheele
+school. Idioot was ze niet, want ze wist wel wat ze
+deed, maar leeren kon zij niet. Nu zou ik in Bobs geval
+Mietje rustig hebben laten passeeren, want ik hield er niet
+van om zulke onnoozele wichten voor den gek te houden,
+ten minste niet erg, maar Bob dacht daar niet over.</p>
+
+<p>&raquo;Dag Mietje!&raquo; zei hij op zijn vriendelijksten toon.
+&raquo;Moet je van middag pannekoek eten!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja Bob, dat heb je geraden.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En lust je die graag?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat zou ik meenen. Jij niet?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Of ik. Ik zou wel je gast willen wezen, als ik mocht.
+Dan bleef er voor jou geen pannekoek over, Mie.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Waarom niet?&raquo; vroeg Mietje, die niet vlug genoeg
+van begrip was om te snappen, wat hij bedoelde.<span class="pagenum"><a name="Page_9" id="Page_9">[9]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Omdat ik ze dan allemaal zou opeten!&raquo; zei Bob.
+&raquo;Allemaal, hoor; misschien liet ik een halfje over voor
+jou, omdat ik zooveel van je houd.&raquo;</p>
+
+<p>Bij die woorden boog hij zich een weinig voorover en
+keek met alle aandacht in de kan. Opeens zag hij Mie
+met een heel vies gezicht aan, en zeide:</p>
+
+<p>&raquo;O neen, &mdash; dank je. Ik zou er nu geen pannekoek
+meer van willen hebben. Dank je feestelijk, Mie, eet jij
+ze maar op. Akkeb!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Akkeb &mdash; waarom?&raquo; vroeg Mietje in de grootste
+verbazing, daar zij onmogelijk kon begrijpen, waaraan
+die snelle omkeering bij Bob te wijten was.</p>
+
+<p>Nu, ik moet zeggen, dat ik er ook niets van begreep.</p>
+
+<p>&raquo;Moet <em class="g">die</em> stroop er op?&raquo; vroeg Bob, op de kan
+wijzende, en steeds met denzelfden opgetrokken neus.</p>
+
+<p>&raquo;Ja zeker, &mdash; waarom zou die stroop er niet op moeten?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Je bent een dom kind, hoor Mietje. Kijk dan eens
+even in die kan!&raquo;</p>
+
+<p>Mietje deed het, maar zag natuurlijk niets dan de
+ondoorzichtige bruin-zwarte massa.</p>
+
+<p>&raquo;Zie je niets?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik niet!&raquo; zei Mie. &raquo;Alleen de stroop.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Onder op den bodem, &mdash; zie je daar ook niets?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, niets, Bob, maar wat is er dan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zie je daar met allebei je oogen dan die tor niet,
+die er onder in ligt?&raquo;</p>
+
+<p>Mie keek met alle aandacht.</p>
+
+<p>&raquo;Neen, ik zie geen tor, en &mdash; &rsquo;t is niet waar ook. Er
+zit geen tor in.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_10" id="Page_10">[10]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Nu, ik wl!&raquo; zei Bob met overtuiging. &raquo;Maar jij kunt
+het beest ook niet zien, omdat je er niet doorheen kunt
+kijken. <em class="g">Ik</em> zeg je, dat er een tor in zit.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is niet!&raquo; zei Mie ongeloovig.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is wl!&raquo; hield Bob vol. &raquo;Ik wil wedden, dat jij
+het smerige dier op je pannekoek krijgt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is niet!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is wl waar! Houd dan de kan maar onderste-boven,
+dan zul-je het zelf zien!&raquo; raadde Bob met het
+ernstigste gezicht van de wereld aan.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is toch niet waar!&raquo; zei Mie. &raquo;Je houdt me voor
+den gek!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu, keer de kan dan maar om, dan zullen we zien,
+wie er gelijk heeft.&raquo;</p>
+
+<p>En waarlijk, daar liep Mietje in de val. Doodbedaard
+hield zij de kan onderste-boven, natuurlijk met het gevolg,
+dat de stroop op den grond terecht kwam. Bob en
+zij keken met alle aandacht, of eindelijk de bewuste tor
+niet volgen zou.</p>
+
+<p>Doch neen, toen alle stroop er uit was, bleef het torretje
+absent.</p>
+
+<p>&raquo;Zie je nu wel!&raquo; riep Mie triomfantelijk uit. &raquo;Zie je
+nu wel, dat ik gelijk had?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Waarlijk, er zit er geen in!&raquo; zei Bob hoofdschuddend.
+&raquo;Ik dacht het toch stellig, want &rsquo;t was net,
+of ik het beest zag. Neen, jij hebt toch gelijk gehad.
+Nu, dag Mietje, breng jij nu de stroop maar naar huis
+en eet lekker!&raquo;</p>
+
+<p>Nu pas ging ons Mieke een licht op. Met schrik keek<span class="pagenum"><a name="Page_11" id="Page_11">[11]</a></span>
+zij beurtelings de ledige kan en den strooperigen weg
+aan, tot zich plotseling hare oogen met tranen vulden
+en zij luid schreeuwende naar huis ging. Op grooten
+afstand konden wij haar nog hooren.</p>
+
+<p>Maar Bob schaterde het uit van de pret.</p>
+
+<p>&raquo;Zeg Dorus, hoe vind je nu zoo&rsquo;n domme meid? Ha-ha-ha-ha,
+ik kon mijn lachen haast niet bedwingen toen
+zij de kan omkeerde, en wat keek zij ernstig. Ha-ha-ha-ha!
+Z dom heb ik het nog nooit gezien.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dom is het, dat is waar. Doch jou raad ik aan, om
+den eersten tijd en vandaag vooral niet in de buurt van
+den schoenmaker te komen, want je weet, dat hij zijn
+spanriem alleraardigst weet te hanteeren. Als hij je
+kreeg, zou ik je mijne broek niet graag willen leenen.&raquo;</p>
+
+<p>Maar Bob deed niet anders dan lachen. Hij vond het
+geval allervermakelijkst en was ten volle overtuigd, dat
+hij veel meer succes had gehad, dan hij met reden had
+mogen verwachten.</p>
+
+<p>Eindelijk kwam hij tot bedaren.</p>
+
+<p>&raquo;Wat zei je ook wer?&raquo; vroeg hij. &raquo;O ja, die schoenmaker,
+h? Nu ja, hij heeft me nog niet! Ik kan harder
+loopen dan hij.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu, ik waarschuw je, want hij zal meer dan kwaad zijn.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Och kom, dat zal zoo&rsquo;n vaart niet loopen. Dus je
+gaat niet me? Toe zeg, kom maar! Je werk komt nog
+wel af, en &rsquo;t is zulk prachtig wer. Hoor de jongens
+eens joelen. Toe, zeg, kom nu!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O neen, stellig niet. Ik maak eerst al mijn werk af
+want anders moet ik het vanmiddag of morgen nog doen,<span class="pagenum"><a name="Page_12" id="Page_12">[12]</a></span>
+en dat is veel onpleizieriger. Over een paar uren ben
+ik klaar.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Een paar uren nog? Wat moet je dan nog wel doen?
+Ik heb er in &rsquo;t geheel maar twee uur over gewerkt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O ja, maar jij kunt het ook zoo vlug, veel vlugger
+dan ik. Eerst moet ik nog een kaartje van Frankrijk
+teekenen en dan moet ik nog drie kwartier orgelspelen.
+Vr twaalf uur ben ik dus stellig niet gereed. En hoe
+eerder je nu gaat, hoe eerder ik beginnen kan, &mdash; tot
+straks dus.&raquo;</p>
+
+<p>Deze wenk was duidelijk genoeg, naar mij dacht. Maar
+Bob bleef nog staan.</p>
+
+<p>&raquo;Toe Dorus, wees nu niet zoo flauw en ga me. Dan
+zal ik je vanmiddag wel aan je kaartje helpen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, ik doe het niet; ga dus maar gerust heen. En
+als je <em class="g">niet</em> gaat, schuif ik het raam dicht. Ga naar
+Karel Holm; die zal met zijn werk wel niet zooveel
+haast maken.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Karel is niet thuis. Hij is naar Haarlem en komt
+eerst om twee uur terug. Ga je orgelspelen in de kerk,
+Dorus? En heb-je al een orgeltrapper? Zeg, dat wil ik wel
+voor je doen. Willen we dat afspreken?&raquo;</p>
+
+<p>Nu, dat mocht ik in geen geval, want de meester,
+die tevens organist in de kerk was en mij in piano- en
+orgelmuziek les gaf, had mij ten strengste verboden, ooit
+Bob de Wild mede te nemen, om voor mij lucht te
+maken. Want Bob zat overal aan, in en op. Klom hij
+niet in den preekstoel, dan stond hij den voorzanger op
+diens plaats in de kerk na te apen, en dat kon hij wat<span class="pagenum"><a name="Page_13" id="Page_13">[13]</a></span>
+koddig, &mdash; en als hij dt niet deed, dan klom hij zoo
+hoog in den toren als hem mogelijk was. En nergens
+deed hij eenig goeds, maar wel veel kwaads.</p>
+
+<p>Nu had de meester wel voor mij verlof gekregen om
+mij op het kerkorgel te mogen oefenen, maar natuurlijk
+moest ik een bedaarden jongen medebrengen om den
+blaasbalg te trappen, want het was een groot orgel. En
+Wilde Bob mocht mij in geen geval vergezellen. Hieruit
+kan blijken, dat mijne reputatie onder de groote menschen
+vrij wat beter was dan die van mijn vriend Bob, want
+werkelijk werd mij door dat verlof zeer veel vertrouwen
+geschonken. Natuurlijk had de onderwijzer van mij getuigd,
+dat ik een bedaarde, stille jongen was, die zulk
+een groot vertrouwen wel verdiende. Of ik het echter
+nooit beschaamd heb, zal later blijken.</p>
+
+<p>Dus Bob mocht in geen geval mede, wat hij zelf niet
+wist, daar ik het hem nooit gezegd had.</p>
+
+<p>&raquo;Ik heb al een trapper,&raquo; zei ik daarom.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; wie dan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Jan van der Vliet. Je weet wel, dat die altijd medegaat
+en dat mijne ouders en de meester niet willen, dat
+ik andere jongens meneem. Maar ga nu, want anders
+krijg ik mijn werk nooit af en kan ik zelfs van middag
+niet mespelen.&raquo;</p>
+
+<p>Maar Bob was boos, omdat ik hem niet medenam
+naar het kerkorgel.</p>
+
+<p>&raquo;En als ik nu eens niet wegging?&raquo; vroeg hij plagend.</p>
+
+<p>&raquo;Dan schuif ik het raam dicht!&raquo; zei ik beslist.</p>
+
+<p>&raquo;Doe dat dan maar, want ik blijf!&raquo; klonk het antwoord.<span class="pagenum"><a name="Page_14" id="Page_14">[14]</a></span>
+Maar nauwelijks had Bobje dat gezegd, of ik zag
+hem schichtig omkijken en plotseling het hazenpad kiezen.
+Jongen, jongen, wat liep hij! Hij keek op noch om, en
+liep als een hazewind.</p>
+
+<p>Van zooveel veranderlijkheid had ik geen flauw begrip
+en ik boog mij wat verder het raam uit om te zien, of
+ik de oplossing van dit raadsel ook zou kunnen ontdekken.</p>
+
+<p>En waarlijk, die was spoedig gevonden in de gedaante
+van den schoenmaker, die met den spanriem in de hand
+met groote schreden naderde. O, o, wat keek hij kwaad,
+en wat liep hij hard. Maar het eene baatte hem evenmin
+als het andere, want Bob liep harder dan hij en was
+spoedig in veiligheid. De schoenmaker gaf de vervolging
+op, juist op de plaats, waar de kostelijke stroop op den
+grond lag, en nauwelijk kreeg de brave man den vuilen
+plek in het oog, of hij hief de vuist tegen den vluchteling
+op en riep hem na, dat hij den deugniet wel krijgen
+zou. Maar n had hij hem toch nog niet. Onverrichter
+zake moest hij naar huis terugkeeren.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_15" id="Page_15">[15]</a></span></p>
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Tweede Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Waarin Bob naar de kerk gaat, een uilennest vindt, als<br />
+voorzanger fungeert en leelijk in de perikelen geraakt.</p>
+
+
+<p>Zie zoo! Nu was mijn verleider eindelijk vertrokken
+en kon ik aan mijn werk voortgaan. Alles had ik af,
+behalve mijn kaartje van Frankrijk. Ik nam mijn atlas
+uit de kast en een vel teekenpapier, zette mijne passerdoos
+gereed en begon. Ik herinner mij nog levendig hoe
+prettig ik het vond, dat juist de vrede tusschen Frankrijk
+en Duitschland geteekend was, niet zoozeer omdat daardoor
+aan een bloedigen oorlog een einde was gemaakt
+en het bloedvergieten was opgehouden, als wel omdat
+ik nu Elzas en Lotharingen niet behoefde uit te teekenen
+daar die beide provincin bij het sluiten van den vrede
+aan Duitschland waren afgestaan. Alleen om dat feit
+koesterde ik een diepen eerbied voor de staatsmanswijsheid
+van Bismarck.</p>
+
+<p>De lijst was spoedig getrokken en nu begon ik de
+ligging van de voornaamste punten op mijn teekenpapier<span class="pagenum"><a name="Page_16" id="Page_16">[16]</a></span>
+aan te geven. Als dat gedaan was, had ik de grenzen
+spoedig in orde, dat wist ik bij ondervinding. Den meesten
+last veroorzaakten mij altijd de gebergten, omdat het
+mijne gewoonte was, daar altoos bijzonder veel werk van
+te maken. Juist zou ik met dat fijne werk beginnen,
+toen mij weer het signaal van mijn vriend Bob in de
+ooren klonk. Ik zag op en jawel, daar was hij al weer.</p>
+
+<p>Lachend keek hij naar boven.</p>
+
+<p>&raquo;Wat was hij kwaad!&raquo; riep hij me toe.</p>
+
+<p>&raquo;Geen wonder!&raquo; was mijn antwoord. &raquo;Pas maar op,
+dat hij je niet krijgt, want hij is tamelijk hardhandig.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En ik snelvoetig!&raquo; riep hij terug. &raquo;Maar ik begrijp
+toch waarlijk niet, waarom hij zoo boos is. Als ik er
+goed over nadenk, heb ik toch feitelijk niets gedaan,
+dat niet goed was. Mietje heeft uit eigen beweging de
+kan onderste-boven gehouden en de stroop er uit laten
+loopen. Ik heb de kan zelfs niet aangeraakt. Je moet me
+toch toegeven, dat k het niet helpen kan, als Mietje
+domme dingen doet?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is wel mogelijk, Bob, en je weet je baantje mooi
+schoon te praten. Maar ik vrees, dat De Veer er zoo
+diep niet over zal nadenken, en je eenvoudig een pak
+slaag zal geven, zoodra hij je te pakken heeft.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat denk ik ook. Nu, gedane zaken nemen geen keer,
+zal ik maar denken. Ga-je nu me?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O, neen &mdash; ik heb nog maar alleen de lijst en de
+grenzen af, en zou juist aan de gebergten beginnen. Ga
+maar gerust heen, want ik kom toch niet voor n den
+middag; dan ontmoet ik je wel.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_17" id="Page_17">[17]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is mooi flauw van je, om me den geheelen morgen
+alleen te laten. Nu, dan ga ik maar. Atjuus!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Atjuus, en denk om den schoenmaker!&raquo;</p>
+
+<p>Nu ging Bob dan eindelijk voor goed heen en zette
+ik mij weer aan den arbeid. Wel moest ik af en toe eens
+lachen als ik aan Bob en zijne avonturen van dezen
+morgen dacht, maar ik schoot toch flink op. Om kwart
+over elven was ik met mijn werk gereed. Ik flapte mijn
+atlas dicht, bekeek nog eenmaal met welgevallen mijne
+kaart, die er werkelijk keurig netjes uitzag, zette er met
+zwierige krullen mijn naam onder en borg toen alles
+behoorlijk in de kast.</p>
+
+<p>Met innige vreugde, dat ik met mijn werk zoo goed
+opgeschoten was, ging ik naar beneden, wat voor mij
+maar een oogenblik werk was, daar ik nooit van de
+treden gebruik maakte, doch mij eenvoudig langs de
+leuning naar beneden liet glijden, en stapte de woonkamer
+binnen. Daar nam ik mijn orgelmuziek uit het
+muziekkastje, welke bestond uit een enkel dik boek,
+bevattende de psalmen en de evangelische gezangen, en
+wilde juist de deur uitstappen, toen Moe mij toeriep:</p>
+
+<p>&raquo;Voorzichtig wezen met het orgel, hoor Dorus. Ik sta
+doodsangsten uit, dat je er wat aan bederven zult.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Geen nood, Moe, ik ben werkelijk zeer voorzichtig en
+doe er niets aan, dat schaden kan. Ik ben er zelf veel
+te bang voor.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is wel gelukkig. En dien Wilden Bob neem je
+toch niet mede? Dat wil ik volstrekt niet hebben, hoor!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen Moe, hij heeft het mij straks wel gevraagd,<span class="pagenum"><a name="Page_18" id="Page_18">[18]</a></span>
+maar ik heb hem gezegd, dat het niet mocht en dat Jan
+van der Vliet altijd met mij meging. Bob is wel een
+goede jongen, Moe, maar op het orgel zou ik hem toch
+ook in het geheel niet vertrouwen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu, dan is het goed. Ga nu maar dadelijk, dan ben
+je uiterlijk half een weer thuis om te eten.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dag Moe!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dag Dorus! Hier heb-je een stuiver voor Jan.&raquo;</p>
+
+<p>Wij aten altoos vroeg, omdat Pa bloemist was en den
+geheelen dag bij de werklieden op de tuinen moest zijn.
+Daar dezen allen om twaalf uur aten, was dat ook voor
+ons verreweg het gemakkelijkst. Ik ging dus op weg
+naar de kerk, maar sloeg halverwege gekomen een zijweg
+in, om Jan af te halen. Want Jan woonde niet aan
+de hoofdstraat, doch in een achterbuurtje.</p>
+
+<p>Hij was de zoon van een werkman, die een gebrek
+aan zijn voet had en dientengevolge meestal zonder werk
+was. De boeren hadden liever een flinken, stevigen kerel
+dan den gebrekkigen Kees, zooals hij altoos genoemd
+werd, zoodat hij alleen in den druksten tijd in het genot
+van verdienste was. Tengevolge van zijne gestadige
+werkeloosheid moest Trijntje, zijne vrouw, eigenlijk het
+brood verdienen voor het geheele gezin, dat gelukkig
+niet groot was, daar Jan alleen nog maar een klein
+zusje had. Dat meisje was toen ongeveer twee jaar oud.
+En daar de menschen op het dorp medelijden met het
+arme gezin hadden, kreeg zij nog al vrij wat werkhuizen,
+zoodat zij inderdaad een niet onaardig sommetje per week
+verdiende. Was Trijn hier of daar uit werken en Jan<span class="pagenum"><a name="Page_19" id="Page_19">[19]</a></span>
+naar school, dan paste vader Kees op kleine zus, wat hem
+wel toevertrouwd was. Ook moest hij dan voor het
+middageten zorgen, wat tengevolge had, dat sommige
+spotvogels op het dorp hem wel Jan den Wasscher
+noemden. Toch hadden zij vrij goed hun brood, wat wel
+voornamelijk aan de flinkheid van Trijntje te danken was,
+want zij was eene handige werkster en eene zindelijke
+waschvrouw.</p>
+
+<p>Weldra had ik de eenvoudige woning bereikt. Eene
+schel was er natuurlijk niet te vinden; wie de bewoners
+spreken wilde, had eenvoudig maar naar binnen te
+gaan. Onder den werkmansstand houdt men zich niet met
+vele complimenten op. Ik drukte dus den ijzeren beugel
+naar beneden, waardoor aan de binnenzijde de klink werd
+opgelicht, opende de deur en stapte weldra het eenige
+vertrek, dat zij bezaten, binnen. Ik trof daar alleen Jan
+aan, die op den grond bezig was met zijn zusje te spelen.</p>
+
+<p>&raquo;Dag Dorus!&raquo; zei hij.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo Jan. Ben jij maar alleen thuis?&raquo; vroeg ik, de
+kleine meid niet metellende. &raquo;Ik kom je halen om mede
+te gaan naar het orgel.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat zal moeilijk gaan, want Vader en Moeder zijn
+geen van beiden thuis,&raquo; klonk het antwoord.</p>
+
+<p>Dat was eene groote teleurstelling voor me, want
+orgelspelen vond ik heel pleizierig en zonder Jan kon er
+niets van komen.</p>
+
+<p>&raquo;Dat spijt me,&raquo; zei ik dan ook. &raquo;Je moeder is zeker
+uit werken?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, bij den postdirecteur; daar is ze Zaterdags altijd,<span class="pagenum"><a name="Page_20" id="Page_20">[20]</a></span>
+zooals je weet. En Vader is er nu toevallig ook, omdat
+de tuin eens eene flinke beurt moest hebben. Mijnheer
+Valk tuint zelf nooit en Vader kan het zoo netjes doen.&raquo;</p>
+
+<p>Die laatste woorden werden door Jan met niet weinig
+trots uitgesproken, en ik herinner mij nu nog het
+gewichtige gelaat, waarmede hij mij aanzag.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dat weet ik. Je vader heeft daar goed den slag
+van. Maar wat moet ik nu beginnen? Bob de Wild
+heeft mij wel gevraagd of hij me mocht gaan, maar hem
+mag ik niet menemen, omdat hij zoo wild en onvoorzichtig
+is. Moe heeft mij vijf centen voor je gegeven.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Is het waar? Nu, weet je wat? Dan zal ik buurvrouw
+vragen, of zij op kleine zus wil passen. Moeder
+zegt altoos, dat wij geen verdiensten verzuimen moeten.
+Wil jij even op zus passen, terwijl ik naar buurvrouw ga?&raquo;</p>
+
+<p>Ja, dat wilde ik wel, maar ik had er al spoedig
+berouw van, want nauwelijk was Jan de deur uit en zag
+zus zich alleen met een vreemden jongen, of zij begon
+zoo geweldig te schreeuwen, dat het huis er bijna van
+dreunde. Ik begreep, dat ik iets doen moest, om haar
+gerust te stellen, maar ik wist niets te bedenken. Daarom
+ging ik naar de kleine meid toe, voortdurend met het
+hoofd knikkende, en zeide bij elken knik: &raquo;d! &mdash; d! &mdash; d!&raquo;
+Doch hoe dichter ik bij haar kwam, hoe harder zij
+begon te schreeuwen. Ik werd werkelijk bang, dat zij er
+een ongeluk van zou kunnen krijgen, en begon daarom
+steeds harder te knikken en riep uit alle macht: &raquo;d! &mdash; d! &mdash; d!&raquo;</p>
+
+<p>Maar niets baatte, zoodat ik teneinde raad het vertrek<span class="pagenum"><a name="Page_21" id="Page_21">[21]</a></span>
+uit liep en naar buiten ging, om Jan te hulp te roepen.
+Gelukkig kwam hij juist al terug. Hij riep mij toe:</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is in orde, zus kan bij buurvrouw komen!&raquo;</p>
+
+<p>Nu, ik vond dat voor buurvrouw een buitenkansje,
+dat moet ik zeggen, en ik stelde mij voor, dat zij met
+schreeuwende zus niet veel genoegen van hare vriendelijkheid
+zou beleven. Doch &rsquo;t was toch voor mij althans
+eene prettige boodschap, want nu kon Jan met mij megaan.</p>
+
+<p>Zus werd, schreeuwend en wel, naar buurvrouw gebracht,
+de deur werd gesloten, en wij togen samen op weg
+naar de kerk.</p>
+
+<p>Eerst moesten wij bij den koster aan, om de sleutels
+te halen. Hij woonde schuin achter de kerk in een
+heel net huisje. Hij noch zijne vrouw waren thuis, doch
+dat was geen bezwaar, daar zijn neef ons het verlangde
+kon geven. Die neef was een zusterskind van den koster.
+Hij heette Arie de Zwaan. Daar hij vroeg zijne ouders
+had verloren, was hij als klein kind bij den koster en
+diens vrouw in huis gekomen, welke brave menschen
+hem geheel als hun eigen zoon beschouwden. Zelf hadden
+zij geen kinderen. O, wat omringden zij den kleinen Arie
+al met bewijzen hunner liefde, wat deden zij hun best
+een braven jongen, een flinken man van hem te maken.
+Doch wat werden zij bitter in hunne verwachtingen
+teleurgesteld, want Arie werd een rechte deugniet, die
+zijn grootste genoegen vond in luieren, naar de herberg
+gaan en het geld opmaken van zijne brave pleegouders.
+Zelden werd eene goede daad met meer ondank beloond.
+Zij hadden er ontzaglijk veel verdriet van, dat Arie zoo<span class="pagenum"><a name="Page_22" id="Page_22">[22]</a></span>
+slecht oppaste, maar toch hadden zij hem nog altijd lief,
+zelfs nu nog, nu hij twintig jaar oud geworden was en
+nooit iets deed, dat hun vreugde gaf. Hij volgde altijd
+zijn eigen zin, en wanneer zij hem ten beste raadden,
+werd hij zoo brutaal mogelijk. Wanneer de menschen
+over Arie van den koster, want zoo werd hij gewoonlijk
+genoemd, spraken, zeiden ze altoos, dat zijne pleegouders
+het &raquo;eindje&raquo; met hem nog niet beleefd hadden, waarmede
+ze natuurlijk bedoelden, dat het nog eens slecht
+met Arie zou afloopen.</p>
+
+<p>Wij vonden hem lang-uit achter het huis op het bleekveld
+liggen, met den stroohoed over het gelaat, om geen
+last te hebben van de insecten. Blijkbaar had hij geslapen,
+maar nu werd hij wakker door onze komst.</p>
+
+<p>&raquo;Wat moet jelui hebben?&raquo; vroeg hij op norschen toon,
+daar hij het onaangenaam vond in zijn slaapje gestoord
+te worden.</p>
+
+<p>&raquo;Mag ik de sleutels van de kerk en het orgel hebben,
+Arie?&raquo; vroeg ik zoo beleefd mogelijk, want ik had het
+niet erg op hem begrepen. Hij kon iemand soms z
+leelijk aankijken, dat men er bang van werd.</p>
+
+<p>&raquo;De sleutels? &mdash; Wat moet jij met de sleutels doen?&raquo;
+bromde hij terug, zonder in het minst blijk te geven,
+dat hij van plan was op te staan.</p>
+
+<p>Nu wist hij zeer goed, dat ik elken Zaterdag op het
+orgel speelde. Hij vroeg dus naar den bekenden weg.
+De zaak was echter, dat hij te lui was, om op te staan,
+ten einde ze voor mij te halen.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is bespottelijk, om zoo&rsquo;n kostbaar orgel aan zulke<span class="pagenum"><a name="Page_23" id="Page_23">[23]</a></span>
+kwjongens toe te vertrouwen,&raquo; vervolgde hij. En op
+beslisten toon voegde hij er aan toe: &raquo;Neen, kort en
+goed, neen! Van mij krijg-je de sleutels niet. Als je orgel
+wilt spelen moet je maar terugkomen, als oom thuis is.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Is die dan niet thuis?&raquo; vroeg ik.</p>
+
+<p>&raquo;Neen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En je tante ook niet?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ook niet!&raquo; klonk het kortaf terug. &raquo;Ga maar gerust
+heen, jongen, want van mij krijg-je de sleutels niet. Ik
+wil daarvan de verantwoording niet op mij nemen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar je weet toch wel, dat ik elken Zaterdag in de
+kerk kom spelen, en dat ik daartoe vergunning heb van
+de kerkvoogden? Waarom mag ik dan nu niet?&raquo;</p>
+
+<p>Geen antwoord volgde. Arie draaide zijn hoofd van
+ons af en sloot de oogen weer.</p>
+
+<p>&raquo;Ik weet ze wel te hangen, Arie. Mag ik ze zelf even
+halen, dan behoef je er in het geheel geen moeite voor
+te doen,&raquo; hield ik vol.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, vooruit maar, en maak dat je wegkomt!&raquo; klonk
+het barsch terug.</p>
+
+<p>Dat liet ik mij geen tweemaal zeggen en weldra waren
+wij mt de sleutels vertrokken.</p>
+
+<p>&raquo;H &mdash; h, dat kostte moeite!&raquo; zeide Jan. &raquo;Hij was
+weer in eene booze bui. Ik was bang van hem.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;In eene luie bui, meen je!&raquo; zei ik. &raquo;Hij was te lui
+om op te staan, dat was de voornaamste reden van zijne
+knorrigheid. Ik wed, dat hij ons nu al vergeten is.&raquo;</p>
+
+<p>Wij waren nu de kerk genaderd en openden de hoofddeur.
+Want onze kerk had drie deuren, waarvan er twee<span class="pagenum"><a name="Page_24" id="Page_24">[24]</a></span>
+naar de galerijen voerden, die voor de arme menschen
+bestemd waren. De hoofddeur voerde naar het schip van
+de kerk, maar gaf toch ook toegang tot de trap, die
+naar het orgel leidde. Dat orgel was geplaatst op eene
+geheel vrije ruimte, waar niemand plaats mocht nemen
+dan de organist en de orgeltrapper. Natuurlijk mocht
+onze meester medenemen, wien hij wilde. Er was dan
+ook ruimte genoeg, althans achter het orgel, waar een
+geheel vrij vak was. Van uit de kerk kon niemand zien,
+wie zich op het orgel bevonden, daar de ruimte aan
+weerskanten van dat instrument door groene gordijnen
+was afgezet. Wij spraken altijd van &raquo;op&raquo; het orgel,
+en dan bedoelden we de plaats, waar het orgel stond.
+Bovenop dat instrument was voor niemand plaats, zooals
+ieder begrijpen zal. Alleen stond in het midden het beeld
+van koning David, op de harp spelende, en aan de beide
+kanten een engel met een bazuin aan den mond, welke
+beelden ik altoos bijzonder mooi vond, vooral de engelen.</p>
+
+<p>Zoodra wij boven gekomen waren, ontsloot ik de trappers
+van den blaasbalg, nam het mahoniehouten deksel van
+het klavier en zette mij tot spelen. Jan nam op de trappers
+plaats en maakte lucht. Verbazend vermakelijk vonden wij
+dan altijd het dalen en het stijgen van het gewichtje, dat
+aan den blaasbalg bevestigd was en niet lager dalen
+mocht dan tot aan een zeker teeken, want dan was de
+balg vol en zou hij, wanneer met trappen werd voortgegaan,
+kunnen barsten.</p>
+
+<p>Ik zette mij voor het klavier en begon te spelen. Om
+de waarheid te zeggen gevoelde ik mij altijd nog al<span class="pagenum"><a name="Page_25" id="Page_25">[25]</a></span>
+gewichtig, als ik daar zat, waarvan de reden was, dat
+ik nog al klein en het orgel verbazend groot was. Bovendien
+werd ik door Jan van der Vliet altijd buitengewoon
+geprezen, want in zijn oog was ik een rechte duizendkunstenaar
+en kon ik moeilijk door anderen in het orgelspel
+worden overtroffen. Zijne bewondering voor mij was
+werkelijk ongeveinsd en streelde mijne ijdelheid niet weinig.
+Zoodra hij den balg &raquo;vol&raquo; had, kwam hij altoos naast
+mij staan, om mijne kunststukken te bewonderen, wat
+er mij gewoonlijk toe verleidde, alle registers uit te
+trekken en dientengevolge een oorverdoovend geluid aan
+het instrument te ontlokken. En ik moet er dadelijk
+bijvoegen, dat Jan dit prachtig vond, al moest hij dan
+ook tweemaal zoo hard trappen als anders. Van zachte
+muziek hield hij niet. Het meest bewonderde hij nog
+mijne vaardigheid in het gebruiken van het voet-pedaal,
+daar hij er maar geen hoogte van kon krijgen, hoe iemand
+met zijne voeten muziek kon maken en dan nog wel,
+zonder er naar te kijken.</p>
+
+<p>Wij konden ongeveer een kwartiertje aan den gang
+geweest zijn, toen plotseling de deur van ons vertrek,
+als ik het zoo noemen mag, langzaam geopend werd, en
+het lachende gelaat van Wilden Bob om den hoek verscheen.</p>
+
+<p>Ik hield midden in mijn spel op, zoo schrikte ik van
+zijne komst. Ik wist te goed, hoe hij altoos vol kattekwaad
+zat, om niet te vreezen, dat hij zich ook hier
+niet rustig zou kunnen houden. Bovendien was het mij
+ten strengste verboden hem mede te nemen, en, dat<span class="pagenum"><a name="Page_26" id="Page_26">[26]</a></span>
+durf ik zeggen: ik was een gehoorzame jongen. Nu weet
+ik wel, dat hij uit eigen beweging kwam en dat zijne
+komst mijne schuld niet was, &mdash; maar zoover dacht ik
+op dat oogenblik niet. Zoodra ik hem zag begreep ik,
+dat ik al het mogelijke moest doen, om hem weer weg
+te krijgen.</p>
+
+<p>Ik moet er zeker niet erg vroolijk uitgezien hebben,
+want hij kwam lachend naar mij toe, en zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Wel, wel, wat kijk-je vriendelijk! Toe zeg, speel eens
+een vroolijk deuntje. Kan-je niet spelen: &bdquo;Hij moppert
+alweer, Hij moppert alweer, Hij moppert alweer, kiek,
+kiek!&rdquo;&raquo; wat in die dagen een bekend straatdeuntje was.</p>
+
+<p>Jan van der Vliet begon te lachen, en ik van den
+weeromstuit ook.</p>
+
+<p>&raquo;Neen,&raquo; zeide ik, &raquo;zulke deuntjes speel ik hier niet.
+Toe Bob, ga nu heen, want je houdt mij van mijn
+werk af.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Heusch niet, Dorus. Speel jij maar, dan zal ik zingen.
+Zeg, ga eens eventjes van die bank af, en laat
+mij eens spelen. Ik kan er ook wel wat van.&raquo;</p>
+
+<p>Nu, dat was niet waar.</p>
+
+<p>&raquo;Bob!&raquo; zei ik ernstig. &raquo;Jij blijft van het orgel af, of
+ik doe het direct op slot. Ik heb moeten beloven, dat ik
+niemand zou toestaan, hier gekheid te verkoopen, en
+daarom kun-je mij een groot pleizier doen, door dadelijk
+op te hoepelen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Eerst eens spelen, Dorus!&raquo; zei Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Er afblijven!&raquo; was mijn antwoord. En ik liet er op
+volgen:<span class="pagenum"><a name="Page_27" id="Page_27">[27]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Hoor eens, Bob, je bent mijn vriend, maar als je aan
+de toetsen komt, krijgen we ruzie, daarvoor sta ik je
+borg. Ik wil het bepaald niet hebben. Toe Bob, ga nu
+heen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wat heb-je een praats! &rsquo;t Is jou orgel toch niet? Ik
+heb er evenveel over te zeggen als jij, zou ik meenen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat spreek ik niet tegen, maar als er iets ergs mede
+gebeurt, krijg ik er natuurlijk de schuld van. Toe Bob,
+ga nu heen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, &mdash; ik laat me niet wegjagen. Doch speel jij
+maar; ik beloof je, dat ik overal zal afblijven. Ik vind
+je zeldzaam flauw.&raquo;</p>
+
+<p>Daar ik geen kans zag, Bob tot heengaan te bewegen,
+zette ik mijn spel voort, in de hoop, dat mijn ijver hem
+vervelen en tot vertrekken bewegen zou. Doch ik had
+het mis, want weldra bemerkte ik, dat er tusschen Bob
+en Jan eene worsteling ontstaan was, zoo hevig dat het
+orgel ervan dreunde.</p>
+
+<p>Natuurlijk hield ik dadelijk op om te zien, wat er aan
+de hand was, en nu zag ik Bobje bezig om Jan van de
+trappers te dringen, ten einde er zelf op te gaan staan.</p>
+
+<p>&raquo;Bob!&raquo; zei ik, &raquo;als je nu niet heengaat sluit ik het
+orgel, maar dan speel ik ook den geheelen dag niet met
+je. Of wil je bepaald twist met me hebben?&raquo;</p>
+
+<p>Ik nam het deksel en legde het op het klavier, vast
+besloten er nu een einde aan te maken.</p>
+
+<p>Bob keek me eventjes lachend aan, en zeide toen:</p>
+
+<p>&raquo;Maak je niet dik, Dorus, want dun is de mode. Adie,
+ik wil je groeten.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_28" id="Page_28">[28]</a></span></p>
+
+<p>Met die woorden verliet hij het orgel. Hij deed de
+deur achter zich dicht en wij hoorden hem de trap afgaan.</p>
+
+<p>&raquo;Zie zoo, dat ruimt op!&raquo; zei Jan, die niet erg op Bob
+gesteld was. &raquo;Ik liet er mij toch lekker niet afdringen,
+al is hij grooter dan ik. Hij moet niet denken, dat ik
+bang van hem ben.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Och, hij meent het zoo kwaad niet,&raquo; zei ik. &raquo;Toe Jan,
+trappen, dan ga ik weer spelen.&raquo;</p>
+
+<p>Ik zette mijne studie nu voort en was Bob weldra
+geheel vergeten, tot hij plotseling als een wervelwind
+kwam binnenstormen en ons toeriep:</p>
+
+<p>&raquo;Toe jongens, ga je eens even me; ik heb een uilennest
+gevonden. Gauw zeg, er liggen eieren in!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Een uilennest?&raquo; vroeg ik verwonderd. &raquo;Waar is dat
+dan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;In den toren!&raquo; lachte Bob. &raquo;Of dacht je, dat ik naar
+huis gegaan was? Mis mannetje, ik blijf net zoo lang
+als jij. Kom, ga je me naar boven? O, het ligt zoo
+hoog, &mdash; dicht bij de galmgaten!&raquo;</p>
+
+<p>In een oogenblik had ik mijne zitplaats verlaten en
+was ik gereed, hem te volgen, want voor een uilennest
+geloof ik, dat ik zelfs mijne boterham had laten staan.</p>
+
+<p>&raquo;Kom Jan,&raquo; riep ik den orgeltrapper toe, &raquo;ga je me?
+Dat moeten we zien.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Er zat een uil op te broein!&raquo; zei Bob. &raquo;Zeg j, wat
+schrikte ik van hem, want toen ik met mijn hoofd boven
+de trap kwam, had ik zijn krommen snavel en zijne groote
+ronde oogen vlak voor me. Eerst wist ik niet wat ik zag,
+maar al spoedig bemerkte ik, dat het een kerkuil was.<span class="pagenum"><a name="Page_29" id="Page_29">[29]</a></span>
+En wat kraste hij leelijk tegen me, toen hij wegvloog.&raquo;</p>
+
+<p>In een wip waren wij de trap opgeklommen tot bij
+het uurwerk, doch toen moesten wij nog hooger. Eerst
+duwden wij een luik omhoog en kwamen toen op een
+volgende trap. Bob ging vooraan.</p>
+
+<p>Wat was het daar in dien toren overal vuil en stoffig;
+de spinnewebben waren haast ontelbaar. En wat woei
+ons een koude wind in het gelaat. Het was duidelijk
+dat wij de galmgaten naderden. Spoedig kwamen wij
+boven, bij de groote bel, en daar &mdash; zagen wij het nest,
+met drie eieren er in! Maar de uil was weg; wij zagen
+hem nergens, hoe wij ook zochten.</p>
+
+<p>&raquo;Zeg jongens, de eieren laten liggen!&raquo; riep Bob. &raquo;Dan
+gaan we later kijken, of er jonge uilen in het nest zitten.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, laten we dat doen,&raquo; zei ik. &raquo;Dan gaan we nu
+stil heen, en komen over een week of drie nog eens terug.
+Willen we nu weer weggaan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; maar kijk eerst eens naar buiten! Zie eens,
+wat Haarlem nu dichtbij schijnt te liggen! En ginds
+zie ik Heemstede en daar verder Hillegom en Lisse. Wat
+hebben we hier een mooi gezicht, h?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En dit is zeker het touw, waaraan de koster trekt
+als hij moet luiden?&raquo; zei Jan.</p>
+
+<p>&raquo;Natuurlijk, trek er maar eens aan,&raquo; antwoordde
+Bob. &raquo;Dan begint het bom-bam! bom-bam! Toe dan,
+Jan.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O neen, neen!&raquo; riep ik uit, want nu begon me mijn
+gevoel van verantwoordelijkheid weer te drukken. &raquo;Niet
+doen, &mdash; Jan, wat zouden de menschen wel zeggen?&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_30" id="Page_30">[30]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Ze zouden denken, dat er brand was!&raquo; lachte Bob.
+&raquo;Zeg jongens, willen we die grap eens hebben?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Daar komt de koster naar boven!&raquo; riep ik plotseling
+op verschrikten toon uit, en tegelijkertijd liet ik mij
+pijlsnel naar beneden glijden. En wat waren Bob en Jan
+mij kort op de hielen, want de koster liet niet met zich
+spotten. In minder dan geen tijd waren we weer beneden,
+waar van den koster natuurlijk niets te zien was, daar
+het eenvoudig een krijgslist van me was geweest, om
+Bob van de bel weg te krijgen. Ik vertrouwde hem daar
+in het geheel niet, vooral niet, toen hij brandje wilde
+gaan spelen.</p>
+
+<p>&raquo;Waar is de koster nu?&raquo; vroeg hij, toen wij beneden
+waren.</p>
+
+<p>&raquo;In Haarlem,&raquo; zei ik lachend. &raquo;Maar Bob, ga jij nu
+heen, dan ben ik des te spoediger klaar.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;In Haarlem? Is hij dan niet thuis?&raquo; vroeg Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Neen,&raquo; zei Jan, die er om lachen moest, dat ik hem
+zoo leuk te pakken had. &raquo;Wat wist Bob van beenen
+maken!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Geen wonder. Nu, ik ga heen! Tot van middag dan.&raquo;</p>
+
+<p>Bob vertrok en ik zette mij weer aan het spelen. Maar
+nauwelijks had ik weer eene bladzijde gespeeld en zweeg
+het orgel een oogenblik, of daar hoorde ik van uit de
+kerk een geluid, dat precies op de stem van den voorzanger
+geleek.</p>
+
+<p>&raquo;O j, dat is Bob weer!&raquo; dacht ik dadelijk. Ik schoof
+het gordijn open, en jawel &mdash; daar stond hij met een
+hoogst ernstig gezicht voor den lessenaar van den voorzanger.<span class="pagenum"><a name="Page_31" id="Page_31">[31]</a></span>
+Hij trok een paar malen aan zijn boordje, zooals
+de goede man ook altijd deed als hij beginnen zou, humde
+en kuchte een paar malen, en mompelde toen bijna onverstaanbaar:</p>
+
+<p>&raquo;De gemeente gelieve te zingen&raquo;....</p>
+
+<p>En daarna verhief hij plotseling zijne stem, juist zooals
+de voorzanger dat altoos deed, en galmde plechtig: &raquo;Den
+honderdnegentienden psalm van het eerste tot het laatste
+vers!&raquo;</p>
+
+<p>Hij galmde zoo luid, dat hij niet eens bemerkte, hoe
+er eene deur achter hem geopend werd en de dominee
+stil de kerk binnentrad.</p>
+
+<p>Ik had natuurlijk om de dwaasheid van Bob eerst gelachen,
+want de honderdnegentiende psalm telt niet
+minder dan acht en tachtig verzen, maar nu lachte ik
+niet meer. Ik werd zoo wit als een doek van den schrik
+en gaf Bob snel een teeken om hem te waarschuwen,
+maar hij zag het niet. Hij verhief zijne stem nog hooger
+en galmde:</p>
+
+<p>&raquo;Ik herzeg den honderdnegentienden psalm van het
+eerste tot het laatste vers!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wel jou ondeugende bengel!&raquo; klonk het plotseling op
+gestrengen toon achter hem. In een wip was Bob van
+zijne verhevenheid af en stond tot zijn grooten schrik
+van aangezicht tot aangezicht tegenover den dominee.
+Deze was een doodgoed man, die wel van een grapje hield,
+doch nu scheen hij zeer boos te zijn. Hij keek mij
+gestreng aan, en zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Jij gaat onmiddellijk naar je huis. Foei, schaam je<span class="pagenum"><a name="Page_32" id="Page_32">[32]</a></span>
+je niet, om dergelijke dingen in de kerk te doen? Hebben
+we je drvoor het gebruik van het orgel toegestaan?
+Pas op, dat zulke dingen niet weer gebeuren, of het verlof
+wordt ingetrokken en de toegang tot het orgel wordt je
+voor goed verboden. Je kunt dadelijk vertrekken. Wees
+gewaarschuwd.&raquo;</p>
+
+<p>Daarna keerde hij zich tot Bob, en zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Jij gaat met mij mede naar de pastorie. Dergelijke
+spotternij kan ik niet ongestraft laten passeeren!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar dominee, &mdash; ik &mdash; ik &mdash; ik&raquo; &mdash; stotterde Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Ik was een ondeugende bengel!&raquo; wil je zeker zeggen,
+niet waar?&raquo; viel de dominee hem in de rede. &raquo;Daarom
+juist ga je mede naar de pastorie, waar ik je zulke streken
+wel zal afleeren.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar dominee, ik &mdash; ik beloof u....&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Belofte maakt schuld, Bob! Beloof daarom niet lichtvaardig,
+wat je niet van plan bent te volbrengen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik beloof u, dominee, dat ik het niet weer zal doen,&raquo;
+zei Bob, wien het allerminst kon toelachen, eene gedwongen
+visite in de pastorie af te leggen. O, o, wat zat Bobje in
+de perikelen!</p>
+
+<p>&raquo;Ik herhaal het, Bob: Belofte maakt schuld! Wat
+je niet van plan bent te volbrengen, moet je ook niet
+beloven.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar dominee, ik zal mijne belofte wel houden,&raquo;
+mompelde Bob. &raquo;Ik beloof het u!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Geef me daar je hand op, Bob.&raquo;</p>
+
+<p>Bob deed het.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, dan zal ik je voor dezen keer ongestraft laten<span class="pagenum"><a name="Page_33" id="Page_33">[33]</a></span>
+vertrekken. Maar zeg mij eens, wat moet jij hier eigenlijk
+doen? Mij dunkt, jij hebt hier heel geen boodschap!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, dominee, maar ik wist, dat Dorus hier op het
+orgel speelde en toen kwam ik even kijken.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En kwaad doen!&raquo; viel de dominee in. &raquo;Dus Dorus
+heeft je niet mede genomen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen dominee, ik ben uit eigen beweging gekomen,&raquo;
+zei Bob, die werkelijk een vijand van liegen was.</p>
+
+<p>&raquo;Ga nu maar spoedig heen en kom alleen terug als het
+kerk is, &mdash; begrepen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dominee. &mdash; Dag, dominee!&raquo;</p>
+
+<p>De hoed vloog Bob van &rsquo;t hoofd en in een snap was
+hij de kerk uit. Ik had middelerwijl het orgel gesloten
+en volgde met Jan, na den dominee gegroet te hebben,
+zijn voorbeeld. Spoedig waren we op weg naar huis.</p>
+
+<p>Eerst liepen we zwijgend naast elkander voort. Ik
+bracht de sleutels naar Arie de Zwaan, die nog op het
+bleekveld lag te slapen en niet weinig bromde, toen ik
+hem wakker maakte. Maar daar lette ik niet veel op,
+want ik was te zeer onder den indruk van het gebeurde,
+om er veel om te geven.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is alles jou schuld!&raquo; zei ik tegen Bob onder het naar
+huis gaan. &raquo;Wat doe jij ook in de kerk te komen! Nu
+krijg ik er de schuld nog van en als Pa en Moe het hooren,
+volgt er nog straf op den koop toe. Ik vind het flauw
+van je, &mdash; erg flauw!&raquo;</p>
+
+<p>Bob zei niets. Hij was er ongetwijfeld van overtuigd,
+dat ik gelijk had.</p>
+
+<p>&raquo;En als de meester het hoort, is het nog erger. Je<span class="pagenum"><a name="Page_34" id="Page_34">[34]</a></span>
+weet, hoe streng hij is. Wat moet ik nu zeggen, als hij
+er over begint?&raquo;</p>
+
+<p>Bob antwoordde nog niet. Zwijgend liep hij naast ons
+voort. Maar op eens zei hij:</p>
+
+<p>&raquo;Als de meester er van spreekt, geef je alle schuld aan
+mij, Dorus, want jou schuld is het niet.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dan zeggen alle jongens, dat ik klik! En dat wil ik
+niet,&raquo; was mijn antwoord.</p>
+
+<p>&raquo;Goed, dan zal ik het zelf wel zeggen. Ik wil niet,
+dat jij in mijne plaats straf krijgt. Maar ik spreek er
+niet van, voordat ik zeker weet, dat de meester er van
+gehoord heeft. Dat begrijp je wel, he? Nu, ik ga naar
+huis, hier langs den achterweg, want anders moet ik den
+schoenmaker voorbij, en dat doe ik liever niet. Tot van
+middag!&raquo;</p>
+
+<p>Hij sloeg met Jan het achterwegje in en ik ging den
+hoofdweg langs naar huis, waar men al met het eten op
+mij wachtte. Gelukkig vroeg niemand mij naar mijn orgelspel
+en de meester sprak later ook niet over het geval.
+Zeker heeft de dominee het gebeurde voor hem verzwegen,
+of zoo hij dat niet heeft gedaan, als zijn gevoelen te kennen
+gegeven, dat ik er geen schuld aan had.</p>
+
+<p>En voordeel was er aan verbonden, en wel dit &mdash; dat
+Bob mij, den eersten tijd althans, in vrede naar de
+kerk liet gaan, wanneer ik mij op het orgel ging oefenen.
+Wel was de grootste schrik spoedig bij hem vergeten,
+maar hij wist, dat hij de pastorie voorbij moest gaan om
+in de kerk te komen, en dat durfde hij toch niet, althans
+niet, als hij wist, dat de dominee thuis was. Want dan<span class="pagenum"><a name="Page_35" id="Page_35">[35]</a></span>
+had hij veel kans, dat hij opgemerkt zou worden, en hij
+twijfelde er niet aan, of den tweeden keer zou hij er niet
+zoo gemakkelijk afkomen als den eersten.</p>
+
+<p>&raquo;Verbeeld je eens,&raquo; zei hij later tegen me, &raquo;dat de
+dominee mij voor straf den geheelen honderdnegentienden
+psalm had laten uitschrijven. Dat zou me eene geschiedenis
+geweest zijn &mdash; acht en tachtig verzen!&raquo;</p>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_36" id="Page_36">[36]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Derde Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Waarin Bob eene uitnoodiging ontvangt van den Heer<br />
+Denappel, zijne stelten terug wil hebben en<br />
+van den regen in den drop komt. De<br />
+krijgslist van Karel Holm en mij.</p>
+
+
+<p>Bob keerde dus langs den achterweg naar huis terug,
+wat voor hem slechts een omweg was van ongeveer tien
+minuten.</p>
+
+<p>&raquo;Op deze manier kan ik den schoenmaker mooi ontwijken,&raquo;
+mompelde hij vergenoegd, terwijl hij zich de
+handen wreef van plezier. &raquo;Maar toch,&raquo; liet hij er op
+volgen, &raquo;toch val ik hem den eenen of anderen keer beslist
+in handen, dat kan niet uitblijven. Op een dorp
+ontmoeten de menschen elkander dagelijks, en dus zal ik
+den schoenmaker ook wel eens onverwachts voor mij zien.
+Och ja, &mdash; ik had ook veel wijzer gedaan, als ik dat domme
+kind doodbedaard pannekoeken met stroop had laten eten
+in plaats van pannekoeken alleen, &mdash; maar daar is nu
+niets meer aan te doen. En bovendien &mdash; als ik eenmaal<span class="pagenum"><a name="Page_37" id="Page_37">[37]</a></span>
+den schoenmaker tegen &rsquo;t lijf loop, is hij het heele
+historietje misschien al vergeten. Wel ja, een mensch
+kan toch alles niet zijn leven lang onthouden!&raquo;</p>
+
+<p>Die laatste gedachte scheen Bob zoo gerust te stellen,
+dat hij de toekomst plotseling niet donker meer inzag,
+en van pret een deuntje ging fluiten. Hij was nu Bos&rsquo;
+bruggetje genaderd, en wilde er juist overgaan, toen hij
+zich bij zijn naam hoorde roepen.</p>
+
+<p>De Heer Bos had een winkel in allerlei ijzerwaren aan
+het einde van het dorp, eigenlijk op een bijzonder ongelegen
+plaats, daar hij aan den overkant van het water
+woonde aan den achterweg en dientengevolge moeilijk te
+bereiken was. Hij had dat zelf zeer goed ingezien en
+daarom een bruggetje over het water laten leggen, dat
+zijn persoonlijk eigendom was en geheel door hem werd
+onderhouden. Die brug werd altijd Bos&rsquo; bruggetje genoemd,
+en was ten algemeenen nutte. De zaak in ijzerwaren
+en landbouwgereedschappen werd eigenlijk niet
+door hem alleen gedreven; hij had een compagnon, een
+vrijgezel, die bij hem in pension was. Hij was ongetrouwd,
+vroolijk van aard, overal een welkom gast en &mdash; een man
+met een echt jongenshart, waarmede ik bedoel, dat hij
+veel van jongens hield en hun dikwijls een genoegen
+deed. De heer Denappel, (zoo heette hij) had nooit grooter
+vermaak, dan als hij ons, jongens, eens een groot genoegen
+kon doen, waarvoor hij zich dikwijls zeer veel moeite getroostte.</p>
+
+<p>Deze heer Denappel nu was het, die Bob geroepen had.</p>
+
+<p>&raquo;Dag mijnheer!&raquo; riep Bob, toen hij hem zag.<span class="pagenum"><a name="Page_38" id="Page_38">[38]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Zoo, Wild Bobje, &mdash; kom jij eens hieg!&raquo;</p>
+
+<p>Bob kwam. Dat de Heer Denappel onmogelijk de r
+kon uitspreken en er altijd eene g van maakte, hoorden
+wij al niet eens meer, zooveel hielden wij van hem. Hij
+brouwde anders wel buitengewoon erg.</p>
+
+<p>&raquo;Waag zijn je stelten, Bobje?&raquo; vroeg hij lachend, want
+hij mocht Bob graag lijden.</p>
+
+<p>&raquo;Die heeft de meid van dokter Doreman, mijnheer,&raquo;
+zei Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo? &mdash; Waagom? &mdash; H-h-h-h! Moet Mina ook
+stelten leegen loopen? H-h-h-h!&raquo;</p>
+
+<p>Mijnheer Denappel had een verbazend leelijk lachje over
+zich, want hij lachte altijd met eene -klank, en bovendien
+sprak hij sterk door zijn neus. Geloof ook maar
+gerust, dat wij hem dikwijls uitgelachen zouden hebben,
+als hij &mdash; niet zoo aardig jegens ons geweest was. Nu
+hielden wij veel te veel van hem, om zoo iets te doen.</p>
+
+<p>&raquo;Dat weet ik niet, mijnheer, maar ik ben ze kwijt, en
+ik zie geen kans om ze terug te krijgen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is leelijkeg voog je, Bob, want ik wou je juist
+vgagen of je lust hebt, om mede te doen aan eene hagdloopegij
+op stelten. Zou je dat niet willen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Niet willen! O ja, mijnheer, &mdash; asjeblieft, heel graag.
+Wanneer doen we het?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Vandaag oveg eene week, dus op Zategdag, &rsquo;s middags
+om n uug. De pgijs is een pgachtig boek van
+Gobinson Cguso, in een mooien blauwen band, en de
+tweede pgijs is de Bagon van Munchhausen, ook een
+mooi boek. De degde pgijs is een pogtemonnaie, maag<span class="pagenum"><a name="Page_39" id="Page_39">[39]</a></span>
+ik houd het gecht, die te geven aan wien ik wil. Nu,
+hoe bevalt het je?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Heerlijk, mijnheer, prachtig! En mag iedereen medoen?
+En waar is het?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Hieg, op den achtegweg, en iedegeen mag meedoen.
+Noodig jij alle jongens maag uit in mijn naam, wil je
+dat doen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Met alle genoegen, mijnheer!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En zouden ze eg lust in hebben?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Of ze, dat kan u begrijpen!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Mooi, mooi. Maak jij nu maag, dat je je stelten tegug
+kgijgt, want andegs gaat de pget jou neus voogbij, h-h-h-h!
+Dag Bob!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja mijnheer, wist ik maar ho!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O, Bob, zeg maag, dat je haag wel eens een pleizieg
+zal doen, doog bij voogbeeld de glazen eens te helpen
+wasschen, als ze dat doen moet, &mdash; h-h-h-h? &mdash; dan
+zal ze je misschien je kwaad wel veggeven, h-h-h-h!&raquo;</p>
+
+<p>Ha zoo! Mijnheer Denappel wist er dus alles al van!
+Zeker had hij eene visite bij den dokter gemaakt en
+daar het gebeurde vernomen. En nu moest hij natuurlijk
+Bob eens goed plagen.</p>
+
+<p>&raquo;Dag Bob, tot Zategdag dus! Maak maag, dat je den
+pgijs wint, hoog!&raquo;</p>
+
+<p>Bob groette en vervolgde zijn weg, natuurlijk recht
+in zijne nopjes over het aanstaande feestje.</p>
+
+<p>&raquo;En mijne stelten zal ik wel terugkrijgen,&raquo; mompelde
+hij. &raquo;Ik mt ze terughebben, &mdash; dat spreekt van zelf!&raquo;</p>
+
+<p>Toen ik &rsquo;s middags gegeten had, ging ik dadelijk naar<span class="pagenum"><a name="Page_40" id="Page_40">[40]</a></span>
+Bob en vernam van hem, wat de heer Denappel gezegd
+had. Dat ik mijne stelten medegenomen had, behoef ik
+niet te zeggen, want in den steltentijd liepen wij er zelfs
+op, als we even eene boodschap in den winkel moesten
+halen. Alleen naar de kerk mocht ik ze nooit menemen.</p>
+
+<p>Bob en ik waren in den tuin.</p>
+
+<p>&raquo;Zeg Dorus,&raquo; zei hij op den toon van volslagen wanhoop,
+&raquo;bedenk jij nu toch eens een middel, om ze terug
+te krijgen. Als ik me niet oefenen kan, heb ik natuurlijk
+in het geheel geen kans om den prijs te winnen. Had
+ik die spuit ook maar met rust gelaten. &rsquo;t Komt alles
+van dat leelijke ding.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; en ook van je ide, om Mina nat te spuiten
+in plaats van de ramen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu ja, &mdash; dat is waar, &mdash; maar hoe krijg ik ze terug?
+Zie je, dat is op dit oogenblik de hoofdzaak.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wel, ga ze terugvragen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dank je, Dorus! Wat zou ik er van langs krijgen! Ik
+wed, dat ze me kopje onder in eene waschtobbe stopte!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Best mogelijk. Zeg Bob, kunnen we van uit dat dakvenster
+van jelui huis niet in den tuin van den dokter
+kijken?&raquo;</p>
+
+<p>Opeens klaarde Bobs gezicht heelemaal op. Hij nam
+zijn stroohoed van zijn hoofd en zwaaide er lustig me
+in het rond. Toen wierp hij hem hoog in de lucht en
+ving hem weer netjes op zijn krullebol op, een kunststukje
+waar ik erg jaloersch op was en dat ik hem maar
+niet kon nadoen, niettegenstaande ik het wel al honderdmaal
+geprobeerd had.<span class="pagenum"><a name="Page_41" id="Page_41">[41]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Hiep-hiep-hoera! Gevonden! &mdash; Gevonden! Dorus!
+Jij bent een slimmerd, hoor! Kom j, dan gaan we
+dadelijk naar boven. Hoe dom, dat ik daar niet eerder
+aan gedacht heb. Zeg Dorus, dan neem ik mijn verrekijker
+mede.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, doe dat!&raquo;</p>
+
+<p>In een wip waren we de beide trappen opgeklommen,
+want het huis van mijnheer de Wild had twee verdiepingen,
+en nu kwamen we gewapend met den verrekijker
+op den zolder.</p>
+
+<p>&raquo;Zeg j, nog niet kijken!&raquo; zei Bob. &raquo;Eerst den kijker
+goed uit elkaar halen.&raquo;</p>
+
+<p>Blijkbaar was hij bang, dat ik de stelten met het
+ongewapende oog reeds zou ontdekt hebben, voordat hij
+nog met zijn instrument gereed was, en dan zou de helft
+van het genoegen verdwenen zijn, wat ook precies mijn
+ide was.</p>
+
+<p>Spoedig stonden we nu voor het raam, dat over een
+land, een tuin en een paar hagen heen, uitzicht gaf op
+den tuin van den dokter. Bob hield den kijker voor het
+oog en doorzocht met het gewichtig gevoel van een
+soldaat, die een vijandelijk kamp verkent, het terrein.</p>
+
+<p>&raquo;Mis hoor!&raquo; zei Bob terneergeslagen. &raquo;Ik zie ze nergens.
+Ze heeft ze zeker hier of daar weggestopt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Misschien wel in de keuken,&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; of in het schuurtje. Ik althans zie ze niet.
+Zoo&rsquo;n akelige meid, &mdash; &rsquo;t zijn hr stelten toch niet?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zeker niet! Laat mij ook eens kijken, Bob?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dr!&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_42" id="Page_42">[42]</a></span></p>
+
+<p>Bob gaf mij den kijker en ik keek overal rond. Nu
+was dat instrument bijna geheel niet noodig, want de
+tuin lag zoo dicht bij ons, dat wij met het bloote oog
+alles best konden onderscheiden. Maar die kijker bracht,
+naar wij meenden, iets eigenaardigs aan onzen verkenningstocht.</p>
+
+<p>Eindelijk gaf ik het op.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;k Zie ze niet!&raquo; zei ik met een zucht. &raquo;Je bent je
+stelten kwijt, Bobbertje.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is wat moois! Hoe moet ik nu met den wedstrijd
+medoen, als ik geen stelten heb? Ik vind het erg flauw
+van Mina. Laat mij nog eens kijken?&raquo;</p>
+
+<p>Maar Bob had evenmin succes als ik. Opeens echter
+ontdekte ik ze met het bloote oog, waar wij ze met den
+kijker niet hadden gezien.</p>
+
+<p>&raquo;Kijk eens, dr, Bob, &mdash; dr, vlak onder het keukenraam,
+op den grond! Daar liggen ze!&raquo;</p>
+
+<p>Bob zette den kijker van zijn oog &mdash; want zonder dat
+voorwerp zagen wij veel beter, hoewel wij dat natuurlijk
+voor geen honderd gulden hadden willen bekennen, &mdash; en
+nu zag hij ze ook.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Zijn ze, Dorus! Die aap! Ze heeft ze vlak onder
+het keukenraam gelegd om ze goed onder haar bereik
+te hebben.&raquo;</p>
+
+<p>Bob zette nu den kijker weer voor het oog en richtte
+hem op de stelten.</p>
+
+<p>&raquo;Ja hoor, nu zie ik ze duidelijk; &rsquo;t zijn ze! Kijk maar,
+j, nu kan je ze pas goed zien.&raquo;</p>
+
+<p>Nu, dat was waar.<span class="pagenum"><a name="Page_43" id="Page_43">[43]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Maar hoe ze nu terug te krijgen, Bob?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat zal ik je zeggen, &mdash; ik ga ze doodeenvoudig
+halen. Ik ga over het slootje achter onzen tuin, kruip
+langs den slootkant het land over, spring over de sloot
+van den dokter, kruip langs de besseboomen daar ginds
+naar het keukenraam en pak ze dan vlug weg. Kijk, het
+bovenraam staat open. Ik wed, dat Mina boven aan het
+werk is, want het is Zaterdag en dan hebben de meiden
+het altoos druk. Juist, ik doe het.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is een waagstuk, Bob,&raquo; meende ik te moeten
+opmerken. &raquo;Als ze je snapt, ben je er bij.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Gloeiend, dat is zeker,&raquo; stemde Bob toe.</p>
+
+<p>&raquo;Of als de dokter je ziet.....&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Die is uit! Ik heb hem zien uitrijden.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Of mevrouw! Die is toch in elk geval thuis.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dat is waar. Nu hoor, ik waag het er toch op.
+Mijne stelten moet ik terug hebben, dat begrijp je, vooral
+nu mijnheer Denappel dien wedstrijd organiseert. Zeg
+Dorus, houd jij hier met den verrekijker de wacht voor
+het raam, en als je onraad ziet, laat je ons gewone signaal
+hooren, dan kies ik dadelijk het hazepad. Doe je het?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Natuurlijk, dat spreekt van zelf.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Goed! Dan ga ik. Goed uitkijken, hoor! En zoodra
+je maar den band van eene vrouwenmuts ziet, waarschuw
+je. Kan ik daarop rekenen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Volkomen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Tot straks dan!&raquo;</p>
+
+<p>Bob vertrok, en ik bleef in groote spanning achter.
+Den kijker hield ik voortdurend op het keukenraam<span class="pagenum"><a name="Page_44" id="Page_44">[44]</a></span>
+gericht, hoewel Bob het ons beschermende dak nog niet
+eens verlaten kon hebben.</p>
+
+<p>Een oogenblik later hoorde ik zijn signaal beneden in
+den tuin, hetwelk ik onmiddellijk beantwoordde. Nu kon
+ik hem zien gaan. In gebogen houding sloop hij den
+tuin door, hoewel daar natuurlijk niet het minste gevaar
+dreigde. Hij sprong behendig over het slootje en kroop
+langs den kant langzaam verder. Ik volgde hem met
+mijn kijker. Nu was hij den tuin van den dokter genaderd.
+Hij behoefde maar eene sloot over te springen om
+er in te komen. Doch juist op het oogenblik dat hij den
+sprong wilde doen, zag ik de achterdeur opengaan en
+Mina buiten verschijnen. Zij bleef een oogenblik stilstaan,
+keek eens naar de lucht, nam een paar frambozen van
+een struik, raapte toen de stelten op en bracht ze in
+het schuurtje.</p>
+
+<p>Zoodra zij verschenen was, liet ik mijn waarschuwend
+signaal hooren. Dadelijk maakte Bob zich zoo klein
+mogelijk en hield zich onbeweeglijk aan den kant van de
+sloot, tot Mina weer vertrokken was. Zelfs toen bleef
+hij nog eenigen tijd zitten.</p>
+
+<p>Ik vertrouwde de zaak nu echter in het geheel niet
+meer, en liet mijn signaal hooren, wat door Bob beantwoord
+werd. Even later zag ik hem den terugtocht
+aanvaarden, en weldra was hij weer bij me op den zolder.</p>
+
+<p>&raquo;Dat was toevallig, h?&raquo; zei hij ernstig.</p>
+
+<p>&raquo;Al te toevallig, Bob,&raquo; meende ik. &raquo;Geloof gerust, dat
+zij lont geroken heeft. &rsquo;t Is toch een slimmerd.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; maar toch kan het best zijn, dat zij geen erg<span class="pagenum"><a name="Page_45" id="Page_45">[45]</a></span>
+in mij heeft gehad en alleen maar trek kreeg in een
+paar framboosjes. Zij heeft mij onmogelijk kunnen zien,
+zou ik zeggen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is waar. Bovendien zag ze er heel onverschillig
+uit, volstrekt niet, of zij iets kwaads in den zin had.
+&rsquo;t Is alleen maar zoo buitengewoon opmerkelijk, dat zij n
+juist buiten kwam en de stelten in het schuurtje bracht.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Alles goed en wl, maar ik moet ze terug hebben,&raquo;
+zei Bob. &raquo;Over een kwartier waag ik het weer.&raquo;</p>
+
+<p>Wij begonnen nu geduldig te wachten, tot er tijd
+genoeg verloopen zou zijn om met eenige kans op succes
+den tocht voor de tweede maal te ondernemen.</p>
+
+<p>Eindelijk ging Bob.</p>
+
+<p>Weer klonk in den tuin zijn signaal, &mdash; weer sprong
+hij over de sloot en sloop hij langs den slootkant verder,
+weer had hij den tuin van den dokter bereikt. Hij keek
+even op naar mij, als om te vragen, of alles veilig was.
+Ik nam het terrein op en &mdash; zweeg, want alleen in geval
+van nood zou ik mijn signaal doen hooren.</p>
+
+<p>Wip! &mdash; daar sprong hij over de sloot in den tuin van
+den dokter, en behoedzaam zag ik hem verder kruipen
+onder de besseboomen door, die hem bijna geheel aan het
+gezicht onttrokken. Ik zeg bijna, want soms moest hij
+eene plek oversteken, waar geen boomen stonden. Hij
+kroop dan bijna op zijn buik over den grond.</p>
+
+<p>Alles ging goed. Met arendsblikken volgde ik hem in
+al zijne bewegingen, tevens goed oplettende, of er ook
+onraad dreigde. Ha! nu had hij het schuurtje bereikt.
+Langzaam zag ik de deur ervan opengaan, doch slechts<span class="pagenum"><a name="Page_46" id="Page_46">[46]</a></span>
+zoover als noodig was, om Bob door te laten. Nu verdween
+Bob in het schuurtje.....</p>
+
+<p>O heden! Nauwelijks was hij daarbinnen geslopen, of
+de keukendeur ging snel open en daar verscheen plotseling
+de vijand &mdash; Mina.</p>
+
+<p>Met kracht liet ik mijn signaal hooren, hoewel mijn
+gewone toonreeks mij mislukte van den schrik.</p>
+
+<p>Mina ijlde naar het schuurtje!</p>
+
+<p>Ik verzamelde mijne tegenwoordigheid van geest en
+floot zoo hard ik kon.</p>
+
+<p>Mina had de deur bereikt.</p>
+
+<p>Maar Bob had mijn signaal gehoord. Ik zag de deur
+opengaan. Nog een oogenblik en hij zou gered zijn.</p>
+
+<p>Flap! Daar sloeg Mina de deur met kracht toe en
+schoof er den grendel voor.</p>
+
+<p>Bob was gevangen.</p>
+
+<p>Ik zag Mina schateren van de pret, ja ik hoorde haar
+zelfs lachen. Zoo&rsquo;n akelige meid!</p>
+
+<p>In de grootste verslagenheid zag ik het aan, hoe zij in
+de keuken verdween, ongetwijfeld met het stellige voornemen
+Bob niet voor den laten avond uit zijne gevangenis
+te ontslaan.</p>
+
+<p>Doch hij moest gered worden, dat stond bij mij vast.
+De vraag was alleen maar, hoe dat gedaan moest worden.</p>
+
+<p>Hoe ik evenwel peinsde, ik zag er geen kans toe, en
+besloot daarom ten einde raad naar mijn vriend Karel
+Holm te gaan, die nu ongetwijfeld wel uit Haarlem
+thuisgekomen zou zijn.</p>
+
+<p>Ik verliet daarom het huis van mijnheer de Wild en<span class="pagenum"><a name="Page_47" id="Page_47">[47]</a></span>
+ging op weg naar Karels huis. Hij was de zoon van den
+architect, en wel diens eenig kind. Wij hielden allen
+bijzonder veel van hem, wat geen wonder was, daar hij
+een echt fideel karakter bezat. Ik twijfelde dan ook niet,
+of hij zou niet rusten, voor het ons gelukt was, Bob in
+vrijheid te stellen. Een kameraad in den steek laten zou
+hij nooit doen.</p>
+
+<p>Het bleek mij al spoedig dat ik mij niet vergist had,
+want nog had ik zijne woning niet bereikt, toen ik hem
+reeds tegenkwam.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo Dorus!&raquo; klonk zijn groet.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo Karel! Al terug?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zooals je ziet. Ik kwam juist naar je toe.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En ik naar jou. Zeg Karel, er is iets aan de hand.
+Bob zit opgesloten in het schuurtje van den dokter.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Bob opgesloten? &mdash; In het schuurtje van den dokter?&raquo;
+zei Karel in de grootste verbazing. &raquo;Wie heeft dat gedaan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Mina, de meid.&raquo;</p>
+
+<p>Nu vertelde ik hem in geuren en kleuren, wat er
+gebeurd was. Eerst moest hij er om lachen, maar later
+keek hij ernstig.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, zie je,&raquo; zeide hij, &raquo;dan is het ook zijn eigen schuld.
+Maar enfin, dat doet er niet toe, geholpen mt hij
+worden. Wij kunnen hem niet aan zijn lot overlaten.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Juist, Karel, precies mijn ide, &mdash; maar hoe?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dat is de moeilijkheid. Zeg Dorus, wij moesten
+den vijand van twee kanten kunnen bestoken. Wisten
+wij maar eene boodschap bij den dokter te bedenken,
+dan waren wij klaar. Want als er een van ons daar aanbelde<span class="pagenum"><a name="Page_48" id="Page_48">[48]</a></span>
+was Mina gedwongen om open te doen. Middelerwijl
+kon de ander het schuurtje ontsluiten en Bob verlossen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Daar zeg je zoo iets, Karel. Jongen, dat is een prachtig
+ide. Hadden wij maar eene boodschap!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, maar die hebben we niet. &mdash; Maar wacht eens &mdash; ha,
+daar bedenk ik wat. Je weet, dat Pa van &rsquo;t voorjaar
+zoo lang ziek geweest is en geruimen tijd onder
+behandeling van den dokter was?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zeker, dat herinner ik mij nog heel goed.&raquo;</p>
+
+<p>Nu &mdash; en toen heeft Pa wel een twintig drankjes
+gebruikt, waarvan alle ledige fleschjes nog bij ons in het
+schuurtje staan. Onlangs heb ik ze alle moeten omspoelen,
+en heeft Moe tegen me gezegd, dat ze eens naar den
+dokter teruggebracht moesten worden. Zeg j, niets
+belet ons, om dat nu te doen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Uitstekend! Zeg Karel, dan bel jij aan en terwijl Mina
+dan aan de voordeur is, sluip ik den tuin in en maak
+het schuurtje open. Dat wordt eene leuke historie, Karel!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Of het. Kom, laten we dadelijk gaan.&raquo;</p>
+
+<p>Wij deden de fleschjes in eene ledige mand en Karel
+vroeg zijne Moe verlof, ze weg te brengen, wat heel
+goed gevonden werd.</p>
+
+<p>Samen gingen wij met ons vrachtje op weg, tot aan
+de brug, waar onze wegen scheidden.</p>
+
+<p>&raquo;Nu ga jij door den tuin van den notaris naar het
+schuurtje en als je achter het huis van den dokter gekomen
+bent, laat je het signaal hooren. Tot zoolang zal
+ik met aanbellen wachten. Is dat afgesproken?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Best,&raquo; zei ik. &raquo;Maar zouden wij het fluiten van elkander<span class="pagenum"><a name="Page_49" id="Page_49">[49]</a></span>
+kunnen hooren? Het huis en de tuin van den dokter
+liggen tusschen ons.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O ja, gemakkelijk! Hallo, j, vooruit maar! Ik krijg
+er zin in. Voorzichtig, hoor!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat spreekt, en jij niet te vroeg bellen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Niet, voordat ik je signaal gehoord heb.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Houd je goed, tot straks dan! En houd Mina wat
+aan den praat, als je kunt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Laat dat maar aan mij over. Ga nu, Dorus!&raquo;</p>
+
+<p>Ik ging, en volgde natuurlijk denzelfden weg, die ons
+Bobje zoo noodlottig geworden was.</p>
+
+<p>Zoodra ik de sloot achter dokters tuin bereikt had,
+liet ik het afgesproken teeken hooren, wat dadelijk van
+twee kanten beantwoord werd, namelijk van de zijde der
+voordeur, waar Karel gereed stond aan te bellen, en door
+Bob uit het schuurtje.</p>
+
+<p>Ik wachtte nu nog een oogenblik, ten einde Karel de
+gelegenheid te geven om aan te bellen en Mina naar de
+voordeur te lokken, en sprong over de sloot. IJlings en
+in gebogen houding spoedde ik mij naar het schuurtje.
+Mijn hart klopte hoorbaar, zoo verkeerde ik in angst,
+dat onze krijgslist mislukken zou, en schichtig keek ik
+naar alle zijden om mij heen.</p>
+
+<p>Bij het schuurtje gekomen richtte ik mij vlug als
+eene kat op, schoof den grendel weg, en opende de deur.</p>
+
+<p>Op hetzelfde oogenblik stond Bob naast me, met zijne
+stelten in de hand. Maar o j, daar had me de bengel
+zoo waarlijk eene oude muts van Mina opgezet en een
+boezeltje van haar voorgedaan.<span class="pagenum"><a name="Page_50" id="Page_50">[50]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Dr, pak aan!&raquo; zei hij, terwijl hij me zijn stroohoed
+toewierp. En in plaats van weer over de sloot te springen
+en denzelfden weg terug te gaan, dien hij gekomen was,
+stapte hij doodbedaard op zijne stelten en ging met
+groote schreden den tuin door, langs den stal en zoo den
+weg op.</p>
+
+<p>Ik ijlde hem vooruit.</p>
+
+<p>O, o, wat leverde hij een dwaas gezicht op, met dien
+boezelaar voor en die muts op, en dan op stelten.</p>
+
+<p>Karel stond nog aan de voordeur met Mina te redeneeren,
+toen hij ons zag aankomen. Hij proestte het uit
+van lachen, en o, wat keek Mina boos, toen zij bemerkte,
+wat er gebeurd was.</p>
+
+<p>&raquo;O, jullie ondeugende bengels! Dat is afgesproken
+werk! Wil jij wel eens gauw mijne muts afzetten en
+dien boezelaar afdoen!&raquo;</p>
+
+<p><a href="#ill02">Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen
+over den weg heen en weer</a>, en hij zette het ernstigste
+gezicht van de wereld.</p>
+
+<p>Een oogenblik later kwam Mina den hoek van het
+huis om, met den stoffer in de hand. Ze was meer dan
+boos. Toen werd het hoog tijd voor Bob om het hazenpad
+te kiezen, wat hij dan ook deed.</p>
+
+<p>Mina keerde naar hare keuken terug, rood van boosheid,
+en wij raadden Bob aan, de beide kleedingstukken
+terug te geven. Eerst had hij daar niet veel lust in, maar
+toen wij zeiden, dat hij verplicht was het te doen,
+maakte hij er een klein pakje van en bracht ze aan
+Mina terug. Dat durfde hij gerust doen, daar hij overtuigd<span class="pagenum"><a name="Page_51" id="Page_51">[51]</a></span>
+was, dat hij toch veel harder loopen kon dan zij.
+Hij deed de keukendeur open en wierp het pakje naar
+binnen. In hetzelfde oogenblik nam hij overhaast den
+terugtocht aan, zoodat Mina zelfs geen tijd had hem een
+enkel woord toe te voegen.</p>
+
+<p>Och, och, wat hadden wij een pret over dit voorval.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Was goed, dat jelui me verloste,&raquo; zei Bob, &raquo;want
+ze had me beloofd, dat ik er tot donker in zou blijven.
+Maar dat had zij toch mis!&raquo;</p>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_52" id="Page_52">[52]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Vierde Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Waarin Bob eerst voor mijnheer Denappel<br />
+en daarna voor visch speelt.</p>
+
+
+<p>Wij gingen eerst met Karel Holm me naar zijn huis,
+om zijne stelten te halen, en begaven ons toen naar het
+marktplein, dat midden in het dorp gelegen was, en waar
+wij zeker waren, eenige jongens te vinden om mede te
+spelen.</p>
+
+<p>Eerst had Bob niet bijzonder veel lust, om naar de
+markt te gaan, omdat de schoenmaker daar wel wat te
+dichtbij woonde voor het mooi, naar hij zeide.</p>
+
+<p>Maar toen wij er inderdaad eenige jongens van onze
+klasse aantroffen, was hij het gevaar, dat hij van den
+kant van den schoenmaker liep, weldra geheel vergeten.
+Nu was het waar, dat deze er heel dicht bij zijne woning
+had en menige jongen zou in Bobs geval zich wel tweemaal
+bedacht hebben, eer hij zich daar waagde, maar het
+moet gezegd worden: Bob kende geen vrees en hij was
+bijna voor niets bang.<span class="pagenum"><a name="Page_53" id="Page_53">[53]</a></span></p>
+
+<p>Toen wij pas op de markt waren, keek hij eerst wel
+een paar malen voorzichtig uit, of de gevreesde vijand
+ook naderde, doch toen zijne vrees ongegrond bleek te
+zijn, vergat hij weldra zijn voorzorgsmaatregel geheel en
+wijdde hij zich geheel aan het spel.</p>
+
+<p>Zooals ik zeide troffen wij op het marktplein reeds
+eenige jongens aan, met wie wij dikwijls speelden. Zoo
+zagen wij daar Dirk Langeraar, den zoon van den metselaar,
+Cor Valk, van den directeur van het post- en telegraafkantoor,
+Karel Buurs, van den timmerman, Tines
+Wobbe, Adriaan Bolt, Arie Kooi, die evenals ik zoons
+van bloemisten waren en Huibert de Leeuw, van den
+korenmolenaar. Allen hadden zij hunne stelten bij zich.</p>
+
+<p>Met een luid hoera werden wij bij onze komst begroet,
+en dat wij dadelijk begonnen te vertellen, wat wij beleefd
+hadden, spreekt van zelf. Wat hadden de andere jongens
+er een pret in.</p>
+
+<p>&raquo;Zeg Bob, je hadt dien boezelaar en die muts moeten
+houden,&raquo; zei Tines Wobbe, &raquo;dan hadden wij er nu nog
+eens lekker pret mede gemaakt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Was al mooi genoeg!&raquo; zei Karel Holm. &raquo;Mina was
+nu al genoeg geplaagd.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Je kunt ze nooit genoeg plagen,&raquo; zei Tines met een
+grijnslachje, dat wij nooit goed van hem konden uitstaan.
+Eigenlijk hielden wij geen van allen van hem, want hij
+ging nooit recht door zee en was ver van eerlijk. Wij
+vertrouwden hem nooit, en als wij eens eene grap gingen
+uithalen, die wij voor anderen niet weten wilden, hielden
+we hem altoos buiten het geheim. Nu weet ik wel, dat<span class="pagenum"><a name="Page_54" id="Page_54">[54]</a></span>
+wij ook zulke erg brave jongens niet waren, maar klikken
+zouden wij van elkander nooit doen, &mdash; en dat deed hij
+wel. Als hij kwaad tusschen ons kon stoken, zoodat wij
+er eindelijk twist door kregen, had hij de grootste pret,
+en dan lachte hij in zijn vuistje. Maar zelf was hij alles
+behalve een held. Neen, wij hielden niet van hem, en
+als we hem een poets konden bakken, zouden we het
+nooit nalaten.</p>
+
+<p>&raquo;Jongens! Ik heb nieuws!&raquo; viel Bob de anderen in
+de rede.</p>
+
+<p>&raquo;Goed nieuws?&raquo; klonk het terug.</p>
+
+<p>&raquo;Luisteg!&raquo; zei Bob, die nu plotseling de spraak van
+den Heer Denappel ging nabootsen, waar hij bijzonder
+goed slag van had. &raquo;Ik noodig alle jongens van het dogp
+uit, vandaag oveg eene week hieg op den achtegweg te
+komen, &rsquo;s middags om n uug, tot het houden van een
+wedstgijd in het hagdloopen op stelten.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Echt waar? Zeg Bob, is het echt waar?&raquo; vielen de
+jongens hem vroolijk in de rede, niet weinig lachende
+om den toon, waarop hij sprak. Als iemand, die het niet
+wist, hem gehoord had, zou hij stellig gemeend hebben,
+dat het de Heer Denappel was, zoo precies bootste Bob
+hem na. Hij sprak geweldig door den neus en brouwde
+zoo sterk mogelijk.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is waag, hoog, volkomen waag!&raquo; zei Bob op zijn
+grappigsten toon.</p>
+
+<p>&raquo;Hoera! Hoera! Leve mijnheer Denappel!&raquo; klonk het
+opeens uit aller mond.</p>
+
+<p>&raquo;Sssssss! stilte!&raquo; gebood Bob. &raquo;Luisteg, jongens, ik ben<span class="pagenum"><a name="Page_55" id="Page_55">[55]</a></span>
+nog niet uitgespgoken. De eegste pgijs zal bestaan in een
+fgaai boek in pgachtband, genaamd Gobinson Cguso...&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Hoera! Hoera! Lang zal hij leven!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Bedaag, vgiendjes, bedaag!&raquo; zei Bob met een kalmeerend
+gebaar van zijne beide handen. &raquo;Eg is nog meeg.
+De tweede pgijs, of zooals wij altijd zeggen de pgemie
+is de Bagon van Munchhausen, ook een pgachtig boek,
+maag niet in een fgaaien band.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Hoera! Hoera! Dat wordt een mooie wedstrijd!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat zou ik meenen, lieve vgienden,&raquo; vervolgde Bob.
+&raquo;En dan heb ik nog een degden prijs, bestaande uit eene
+fgaaie pogte-monnaie, maag &mdash; ik behoud het gecht, om
+die te geven, aan wien ik wil. Heb je dat goed beggepen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Uitstekend, mijnheer Denappel! Uitstekend!&raquo; klonk
+het lachend rondom Bob, die kolossaal veel pret had, dat
+de anderen zoo om hem moesten lachen.</p>
+
+<p>&raquo;En waarom houdt u dat recht aan u, mijnheer Denappel!&raquo;
+vroeg Dirk Langeraar aan Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Mijn bgave Digk, nu vgaag je meeg, dan ik je beantwoogden
+kan.&raquo; En heel vaderlijk liet hij er op volgen:
+&raquo;Kleine jongetjes moeten niet naag alles vgagen, hoog
+kegeltje?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Bob, daar komt de schoenmaker om den hoek!&raquo;</p>
+
+<p>Als een pijl uit den boog ging Bob er vandoor. Jongen,
+jongen, wat liep hij. Zijne voeten raakten bijna den
+grond niet.</p>
+
+<p>En wij lachten, dat we schaterden, want er was niets
+van waar. De schoenmaker zat hoogstwaarschijnlijk druk
+schoenen te lappen, want de Zaterdag was gewoonlijk<span class="pagenum"><a name="Page_56" id="Page_56">[56]</a></span>
+zijn drukste dag, daar vele menschen dan vr den Zondag
+hunne schoenen terug wilden hebben. Ik had het alleen
+maar uit de grap gezegd, omdat hij zoo verbazend veel
+praats had. Bob gunde zich geen tijd om te kijken, of het
+wel waar was. Trouwens, daar twijfelde hij ook niet aan.</p>
+
+<p>Toen hij ons echter zoo verbazend hoorde lachen, begon
+hij lont te ruiken. Hij bleef even staan en keek achter
+zich om, en toen hij nu bemerkte, dat er niets van waar
+was, kwam hij weer terug.</p>
+
+<p>&raquo;Heb jij me dat koopje geleverd, Dorus?&raquo; vroeg hij.</p>
+
+<p>&raquo;Om u te dienen, mijnheer Denappel!&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>&raquo;Ben je bang voor den schoenmaker?&raquo; vroeg Tines
+Wobbe. &raquo;Wat heb je hem gedaan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Och, ik heb gemaakt, dat hij geen stroop op zijn pannekoek
+had, van middag,&raquo; zei Bob, tot groot vermaak
+van de anderen. En nu vertelde hij wat hij gedaan had.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo&rsquo;n dom kind,&raquo; zei Cor Valk. &raquo;Maar wacht je nu
+voor den schoenmaker, Bob, want er blijft geen stuk van
+je heel, als hij je te pakken krijgt. &rsquo;t Is een gevaarlijke,
+wat ik je zeg.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Hij heeft me nog niet!&raquo; zei Bob met een overmoedig
+lachje. &raquo;En hij zal me niet gemakkelijk krijgen ook. Zeg
+Dorus, willen wij nu eens om het hardst steltloopen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Goed!&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>Wij gingen naar den eersten paal en zouden loopen
+tot den laatsten.</p>
+
+<p>&raquo;En dan wij?&raquo; vroeg Tines Wobbe aan Karel Holm.</p>
+
+<p>&raquo;Ja &mdash; laten we allen twee aan twee gaan, precies als
+op den wedstrijd. Adriaan Bolt met Karel Buurs, Huib<span class="pagenum"><a name="Page_57" id="Page_57">[57]</a></span>
+de Leeuw met Arie Kooi, Dirk Langeraar met Cor Valk,
+en zoo verder. Vooruit, jongens, daar gaan we!&raquo;</p>
+
+<p>Ja, daar gingen we, en vlug ook, maar niet bijzonder
+verstandig. Want we konden zeer vlug steltloopen, al
+zeg ik het zelf, en we vielen niet zeer dikwijls. Maar
+nu kwam Bob met zijne stelt in een gat terecht, dat hij
+niet gezien had, en flap, daar viel hij tegen mij aan,
+zoodat wij beiden op den grond tuimelden. En wat er
+toen gebeurde, is licht te begrijpen. De andere jongens
+volgden ons op den voet, en voordat zij nog goed wisten,
+wat er met hen plaats greep, duikelden zij op en over
+ons heen!</p>
+
+<p>Of dat pijn deed! Ik kreeg Tines Wobbe dwars over
+mijn hoofd en Huib de Leeuw lang uit over mijne beenen,
+en van Bob was in het geheel niets te zien. Hij lag
+totaal onder de anderen bedolven. Dirk Langeraar kwam
+boven op al de anderen terecht, en zat daar als Spinoza
+op zijn voetstuk, welk standbeeld in den Haag ik gezien
+had, toen ik eens met Pa in die stad was. Allerlei klaagtonen
+stegen uit den levenden warhoop op.</p>
+
+<p>&raquo;H-h!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Au! Ga toch weg!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Rijs op, zeg ik je!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wil-je wel eens van mijn hoofd gaan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik stik! Ik stik!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Au, mijn arm!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Mijne beenen breken!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Je zit op mijn rug!&raquo;</p>
+
+<p>Spoedig evenwel waren wij opgestaan, en wonder boven<span class="pagenum"><a name="Page_58" id="Page_58">[58]</a></span>
+wonder, niemand van ons had zich erg bezeerd. Bob alleen
+was met zijn voorhoofd tegen een steen terecht gekomen.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Hindert niet erg,&raquo; zei hij, &raquo;ik had er toch al een
+buil op. &rsquo;t Doet me anders wel pijn.&raquo;</p>
+
+<p>Nu, pijn hadden we allen, de een hier, de ander daar.</p>
+
+<p>&raquo;Hoe kwam dat toch?&raquo; vroeg er een.</p>
+
+<p>&raquo;Omdat je lui allen een schapennatuur hebt,&raquo; zei Bob.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Spreekwoord zegt: &raquo;Als er n schaap over den
+dam is, volgen alle anderen,&raquo; en zoo ging het met jelui
+ook. Toen ik viel, ging je het mij allen nadoen, net als
+de schapen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Laten wij het overdoen.&raquo; stelde Karel voor.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, overdoen! Overdoen!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar niet allen vlak achter elkaar!&raquo; zei Huib.</p>
+
+<p>&raquo;Dat spreekt van zelf,&raquo; zei een ander. &raquo;Een ezel stoot
+zich niet tweemaal aan denzelfden steen.&raquo;</p>
+
+<p>Wij begonnen den wedstrijd nu opnieuw, en kwamen
+tot de slotsom, dat Bob en Tines Wobbe de vlugste steltloopers
+waren, zoodat zij waarschijnlijk de prijzen wel
+zouden winnen.</p>
+
+<p>&raquo;Ik doe niet me!&raquo; zei Cor Valk. &raquo;Wij kunnen het
+van Bob en Tines toch niet winnen, en dan blijf ik liever
+stilletjes thuis.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is kinderachtig,&raquo; zei Karel Holm. &raquo;Wij doen mede
+om een prettigen middag te hebben, en natuurlijk ook om
+wat te winnen. Maar de pret is toch de hoofdzaak.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Bovendien kan Bob of Tines vallen, en daardoor niets
+winnen,&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>&raquo;Ook mogelijk! Ook kunnen zij opvolgende nummers<span class="pagenum"><a name="Page_59" id="Page_59">[59]</a></span>
+trekken, zoodat zij tegen elkander moeten loopen. Daar
+is vooruit niets van te zeggen.&raquo; zei Huib de Leeuw.</p>
+
+<p>&raquo;Zeg, jongens, willen wij nu eens wat anders gaan
+spelen?&raquo; vroeg Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; wat dan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Verstoppertje?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, ja, verstoppertje! Dat is goed! Wie zal hem
+wezen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik wel!&raquo; zei Karel Holm. &raquo;De eikeboom is honk,
+en wij mogen niet verder dan tot aan den schoenmaker
+aan de eene en de brug aan de andere zijde. Is dat
+afgesproken?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Goed, niet verder dan de brug en den schoenmaker!
+Niet kijken, Karel, &mdash; over drie honderd tellen heb je
+het recht om te komen.&raquo;</p>
+
+<p>Karel ging met de beide handen voor de oogen tegen
+den dikken boom staan, die midden op het marktplein
+stond, en begon te tellen. Hij hoorde de jongens in
+alle richtingen verdwijnen, maar kijken deed hij natuurlijk
+niet. Dat zou hij niet gedaan hebben, al had hij er een
+gulden mede kunnen verdienen, want daarvoor was hij
+veel te eerlijk.</p>
+
+<p>Toen hij tot driehonderd geteld had, gaf hij zijne
+nadering door een luiden kreet te kennen en ging zoeken.
+Zoodra hij iemand zoo nabij gekomen was, dat hij hem
+tikken kon, was die de zoeker voor het volgende spel,
+maar wij zorgden wel, dat dit niet gebeurde. Als wij
+bemerkten, dat hij ons ontdekt had, sprongen wij vlug
+te voorschijn en trachtten eerder dan hij den boom te<span class="pagenum"><a name="Page_60" id="Page_60">[60]</a></span>
+bereiken, waardoor wij het recht verkregen, bij het
+volgende spel weer schuil te gaan.</p>
+
+<p>Het gelukte hem Dirk Langeraar te tikken, waardoor
+deze aangewezen werd, om tweede zoeker te worden.
+Wij vermaakten ons kostelijk met dit spel, vooral toen
+de avond langzamerhand begon te vallen en het donker
+werd. Het zoeken ging toen ver van gemakkelijk, en wij
+wisten uitstekende schuilhoeken te vinden.</p>
+
+<p>Ook Bob begon zich toen vrijer te bewegen, want daar
+hij het huis van den schoenmaker niet durfde naderen,
+uit vrees van gesnapt te worden, kon hij zich tot nog
+toe maar alleen in de richting van de brug verschuilen.
+En juist aan den anderen kant waren de mooiste plekjes.
+Maar nu was het grootste gevaar voor hem voorbij, en
+langzamerhand begon hij zich minder in de richting van
+de brug en meer in die van des schoenmakers woning
+te begeven. Wat was daar eene heerlijke gelegenheid
+om zich te verschuilen! In de eerste plaats lag er op een
+erf eene omgekeerde schuit, die door den scheepmaker
+op de helling getrokken was om gekalefaat te worden.
+Bob had zich daar al driemaal verscholen, eer hij ontdekt
+werd en eene nieuwe plaats op moest zoeken. Toen vond
+hij een prachtig plaatsje bij het schuthok, waar hij met
+zijne gewone brutaliteit midden tusschen een boschje
+brandnetels ging zitten, die daar reeds eene flinke hoogte
+hadden bereikt. Dr zocht niemand hem, zooals van
+zelf spreekt, want al meende de zoeker soms, dat hij zich
+daar wel verscholen kon hebben, dan ontbrak hem nog
+meestal de moed, om zich een pad door die lastige<span class="pagenum"><a name="Page_61" id="Page_61">[61]</a></span>
+planten te banen. Bob had dit wel gedaan, maar het
+had hem ook een flink aantal blaren bezorgd, die hem
+niet weinig pijn deden. In elk geval had hij de voldoening,
+dat niemand hem vinden kon, al liepen zij ook
+vlak langs hem heen. Dat amuseerde hem buitengewoon.
+Eindelijk werd hij gevonden door Karel Holm, die stellig
+niet minder moed bezat dan Bob. Toen deze hem overal
+gezocht en nergens gevonden had, zei hij tot de andere
+jongens:</p>
+
+<p>&raquo;Wil ik jelui eens wat zeggen? Hij met hier in dat
+brandnetelboschje zitten, want geen enkele plaats dan
+deze heb ik ondoorzocht gelaten.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ga kijken, &mdash; dan weet je het!&raquo; raadde ik hem aan
+met een leuk gezicht. Want ik dacht aan de brandnetels,
+die zeer dicht op elkander gegroeid waren. Als
+Bob er zich tusschen verscholen had, moest hij er naar
+mijne meening even nauw door ingesloten zijn als de
+bewoners van Luilekkerland door den rijstebrijberg.</p>
+
+<p>&raquo;Welnu, &mdash; denk je, dat ik niet durf, Dorus?&raquo; vroeg
+hij met een overmoedig lachje.</p>
+
+<p>&raquo;Ik weet het niet, Karel, maar &mdash; jij liever dan ik!&raquo;
+zei ik lachend.</p>
+
+<p>&raquo;Wat Bob kan, kan ik ook!&raquo; zei Karel. &raquo;Hij moet
+hier zitten! Vooruit, daar gaat hij!&raquo;</p>
+
+<p>En waarlijk! Daar ging Karel met de ellebogen vooruit
+de brandnetels in. Links en rechts bogen de stengels op
+zijde en met groote schreden drong Karel er tusschen
+door. Het moet hem ongetwijfeld veel pijn gedaan
+hebben, en wij stonden gereed om een luid hoera aan te<span class="pagenum"><a name="Page_62" id="Page_62">[62]</a></span>
+heffen, zoodra wij hem hoorden kermen. Maar neen,
+daar hadden wij geen kans van, want Kareltje gaf geen
+kik, wel een weinig tot onze teleurstelling, tot opeens
+zijne stem van uit het midden der brandnetels tot ons
+doordrong en wij hem hoorden roepen:</p>
+
+<p>&raquo;Gevonden! Ha, ha, baasje, dat had je niet gedacht.
+Nu is het jou beurt om te zoeken. Jou slimme rot!&raquo;</p>
+
+<p>Een geweldig kraken van stengels die platgetrapt
+worden werd nu hoorbaar, en toen verscheen Karel,
+gevolgd door Bob, aan den rand van het boschje.</p>
+
+<p>&raquo;Wat zat ik daar heerlijk!&raquo; zei Bob op triomfantelijken
+toon. &raquo;Wel driemaal ben jelui vlak langs mij heengegaan,
+zonder mij te vinden!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is ook aangenaam, om vol blaren te komen,&raquo; zei
+Tines Wobbe. &raquo;Ik gun je de pret.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Pret had ik, Tines, vooral toen ik zag, dat je er zoo
+graag in wilde kijken en toch niet durfde. Kom jongens,
+verbergt je; ik zal je zoeken.&raquo;</p>
+
+<p>Fffft! Als de wind vlogen wij weg en in korten tijd
+hadden wij allen een schuilhoek gevonden. Bob liet een
+schellen kreet hooren en begon te zoeken. Nu was hij
+een behendig zoeker en een vlug looper. Ik geloof wel,
+dat hij de vlugste was van ons allen, behalve Tines
+Wobbe, die ook een echte snelvoeter was. En Karel
+Holm was de derde van den bond. Als die drie jongens
+voor de aardigheid eens om het hardst liepen, wist men
+nooit wie het winnen zou, vr zij den eindpaal hadden
+bereikt. Het kleinste ongelukje was voor ieder van hen
+voldoende, om het te verliezen.<span class="pagenum"><a name="Page_63" id="Page_63">[63]</a></span></p>
+
+<p>&rsquo;t Was dus geen wonder, dat Bob er weldra een getikt
+had. Dezen keer was Cor Valk de zoeker.</p>
+
+<p>En nu gelukte het Bob een plaatsje te vinden, waar
+men hem, naar hij dacht, stellig nooit zoeken zou. &rsquo;t Was
+wel eene gewaagde, ja, zelfs zeer gewaagde onderneming
+van hem, maar &mdash; het gevaar dat hem dreigde van den
+kant van den schoenmaker was hij nu al geheel vergeten.
+En als hij er nog aan dacht, zocht hij zich diets
+te maken, dat dit zoo erg niet was.</p>
+
+<p>Welk plaatsje had hij dan gevonden?</p>
+
+<p>De schoenmaker was een groot liefhebber van visschen,
+niet met den hengel, maar met netten. Eigenlijk was hij
+zoowel visscherman als schoenmaker. Als hij het met
+schoenlappen niet druk had en dientengevolge over veel
+vrijen tijd beschikken kon, ging hij altijd uit visschen,
+en zocht daarmede in het onderhoud van zich en zijn
+groot gezin te voorzien. Menigmaal trok hij er nog laat
+in den avond op uit, om nog een stuivertje te verdienen.
+Hij had een eigen bootje, geheel voor dat doel ingericht,
+en was ook in het bezit van een flink aantal netten,
+waarmede hij menig vischje verschalkte.</p>
+
+<p>Vr zijn huis, aan den kant van het water had hij
+ook nog een groote vischkaar, waar hij de gevangen
+visch in bewaren kon. Die kaar was niet anders dan een
+groote bak, rondom van gaatjes voorzien, zoodat het
+water er in doordringen kon. Midden in de grootste
+zijde was een plank of luik, dat hij er uit kon nemen,
+om er de gevangen visch in te doen. Door den bak in
+het water te leggen, drong dit door de vele gaatjes naar<span class="pagenum"><a name="Page_64" id="Page_64">[64]</a></span>
+binnen, en bleef de visch in leven. Eens in de week
+verkocht hij den gevangen voorraad aan een opkooper,
+die gewoonlijk Zaterdags bij de visschers rondging, om
+zijne levende koopwaar in ontvangst te nemen.</p>
+
+<p>Zooals te begrijpen is, was nu dus de vischkaar ledig
+en lag zij op het droge. Dat had Bob al lang opgemerkt,
+maar zoolang het nog licht was, had hij zich niet zoo
+dicht bij zijn vijand durven wagen. Nu evenwel meende
+hij door de schemering genoeg beschut te zijn, om het
+waagstuk te kunnen ondernemen.</p>
+
+<p>Hij deed het dan ook.</p>
+
+<p>Zoo voorzichtig mogelijk, en bijna langs den kant van
+den weg voortkruipende, wist hij, zonder iets verdachts
+te bespeuren, de kaar te bereiken. Hij hoorde den schoenmaker
+nog druk aan den arbeid bezig, want het kloppen
+van den hamer op de harde zool drong duidelijk tot
+hem door.</p>
+
+<p>Behendig liet hij zich naar den onderkant van den
+wal afglijden, want dr lag de kaar, draaide de beide
+wervels los, die het luikje vasthielden, lichtte de plank
+er uit, en kroop er zelf in. Bijna was hem dit mislukt,
+omdat de opening wat nauw voor hem was, maar met
+eenig wringen gelukte het hem toch. Toen hij zoover
+gevorderd was, legde hij met zijne beide handen de
+plank weer op hare plaats, zoodat niets verried, welk
+een kostbaren inhoud de kaar thans bevatte.</p>
+
+<p>&raquo;Zie zoo,&raquo; mompelde Bob, terwijl hij het zich zoo
+gemakkelijk mogelijk zocht te maken in zijne kleine
+gevangenis. &raquo;Zie zoo, &mdash; laat ze nu maar zoeken. Dit is<span class="pagenum"><a name="Page_65" id="Page_65">[65]</a></span>
+nog veel mooier plaatsje dan zoo even tusschen de brandnetels.
+Daar zat ik ook wel prachtig, maar kon me niet
+bewegen, zonder me aan alle kanten te prikken, en hier
+lig ik zoo heerlijk als een koningskind. Wie zal me hier
+zoeken? En wat een leuke kijkgaatjes heb ik hier rondom
+me. De vischjes hebben het nog zoo kwaad niet, als ze
+zich hier bevinden. &rsquo;t Is alleen maar jammer, dat het einde
+voor hen een wreede dood is. &mdash; O j, als de schoenmaker
+eens wist dat ik hier in zijne kaar zat, &mdash; wat zou dan
+wel mijn einde zijn? De dood niet, &mdash; natuurlijk, maar &mdash; enfin,
+&rsquo;t doet er niet toe, want hij weet er niets van,
+en bovendien, zoodra ik hem hoor naderen, ga ik er van
+door! Als een windhond, hoor! Wat zal Cor Valk loopen
+zoeken! Maar vinden, ho maar, geen sprake van! Al
+zocht hij een heelen dag!&raquo;</p>
+
+<p>Zoo lag ons Bobje te denken en te mijmeren en van
+pret wreef hij zich de handen. Maar als hij geweten
+had, dat de Veer op dat oogenblik heel voorzichtig, ja
+zelfs onhoorbaar naar buiten sloop en voetje voor voetje
+zich naar den waterkant begaf, &mdash; wat zou hij vlug uit
+zijn schuilhoek te voorschijn gesprongen en op de vlucht
+geslagen zijn! O, hadden wij het maar gemerkt, welk
+gevaar hem dreigde, dan zouden wij hem wel gewaarschuwd
+hebben, &mdash; maar wij wisten er niets van, want
+wij zaten rustig in onze schuilhoeken verborgen en dachten
+aan geen schoenmaker.</p>
+
+<p>Op zijne teenen sloop de beleedigde man nader, met een
+spotlachje op de lippen. Nu had hij den kant van de beek
+bereikt. Bob hoorde hem niet; hij dacht aan geen gevaar.<span class="pagenum"><a name="Page_66" id="Page_66">[66]</a></span></p>
+
+<p>Nu liet de Veer zich vlug naar beneden glijden, en
+vr Bob, die hem nu wel hooren moest, gelegenheid
+had kunnen vinden om op te rijzen, sprong hij met zijne
+beide knien op het luik en draaide de wervels over.</p>
+
+<p>&raquo;Ha, ha, jou aartsrakker!&raquo; riep hij zijn gevangene
+toe. &raquo;Nu ben je gesnapt. Nu zal ik jou eens pannekoeken
+met stroop laten eten, deugniet, met stroop versta je,
+stroop, veel meer stroop, dan je oplust! Wat denk jij
+wel, straatbengel, dat jij maar alles moogt doen?....&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, de Veer, ik dacht.....&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Denken? Jij denken? Jij behoeft niet te denken, dat
+zal ik nu wel voor je doen.....&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O, de Veer, ik verzoek u, laat mij asjeblieft gaan....&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zeker, mijn jongen, zal ik je laten gaan! Wacht maar
+een oogenblik, dan zal ik de kaar aan den paal vastbinden,
+anders drijf je misschien te ver weg, en daarna zal
+ik je laten gaan, hoor, dat beloof ik je.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ach de Veer, asjeblieft, ik zal het nooit weer
+doen......&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is ook niet noodig, jongen, k zal het nu wel doen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O toe, laat me er asjeblieft uit, de Veer, heusch, ik
+heb er spijt van en ik zal de schade wel betalen.....&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Eerst zal ik jou betalen, mijn beste jongen; denk je,
+dat ik den gek met me laat steken? &rsquo;t Is juist Zaterdagavond,
+Bob, een bad zal je opfrisschen. Ha-ha-ha!
+Mooier kon je al niet in de fuik geloopen zijn; &rsquo;t is
+bepaald grappig, &rsquo;t is vermakelijk!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Voor mij niet, de Veer, toe, laat me voor dezen keer
+vrij, asjeblieft!&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_67" id="Page_67">[67]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Een oogenblik geduld, Bob, dadelijk ga-je, hoor! Zie zoo,
+nu nog een lus, en dan zijn we klaar.&raquo;</p>
+
+<p>Bob, die nu begon te merken, dat zijn cipier onvermurwbaar
+was, ging uit alle macht tegen de wanden
+van zijne gevangenis trappen, in de flauwe hoop, dat het
+hem gelukken zou nog te ontsnappen. O, o, wat had hij
+er op dat oogenblik een spijt van, dat hij Mietje maar
+niet ongemoeid haars weegs had laten gaan, doch zijn
+berouw kwam nu, evenals altoos, te laat. En zijne pogingen
+om de wanden los te trappen, waren vruchteloos. De
+kaar zat stevig in elkander.</p>
+
+<p>&raquo;Klaar, Bob! Ha-ha, daar ga-je, hoor! Een, twee, drie,
+hoepla!&raquo;</p>
+
+<p>Maar dat hoepla kwam te vroeg, want hoeveel
+moeite de schoenmaker ook deed, Bob was te zwaar
+om maar zoo luchtig in het water geworpen te kunnen
+worden.</p>
+
+<p>&raquo;Ho, dat gaat niet, ik zal je moeten kantelen, Bob!
+Houd je goed vast, hoor, mijn jongen, anders doe ik je
+pijn en dat zou me spijten! Ha-ha-ha, hoe bespottelijk
+dom van je, om in dit ding te kruipen! Dat vergeet ik
+mijn leven lang niet!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik ook niet, de Veer!&raquo; zei Bob op zijn deemoedigsten
+toon. &raquo;Och toe, laat me er asjeblieft uit. Ik beloof je,
+dat ik het nooit weer zal doen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wat zul-je niet weer doen, Bob? Nooit weer in deze
+kaar kruipen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat ook niet, &mdash; och toe, ik....&raquo;</p>
+
+<p>O h, daar ging de kaar aan de eene zijde omhoog.<span class="pagenum"><a name="Page_68" id="Page_68">[68]</a></span>
+De schoenmaker zette haar op de korte zijde, bij ongeluk
+juist op den kant, waar Bobs hoofd lag, zoodat hij nu
+een verbazend ongemakkelijke houding kreeg, namelijk
+met de beenen omhoog.</p>
+
+<p>Bob had zich tot nog toe zeer goed gehouden, maar
+nu werd het hem toch te erg. Door de luchtgaatjes, die
+weldra watergaatjes zouden worden, zag hij, dat de kaar
+vlak aan den kant stond.</p>
+
+<p>Plotseling verhief hij zijne stem met zooveel kracht,
+dat wij hem allen te gelijk om hulp hoorden roepen.</p>
+
+<p>&raquo;Help! &mdash; Help! &mdash; Moord! &mdash; Moord!&raquo; gilde hij.</p>
+
+<p>&raquo;En brand!&raquo; voegde de schoenmaker er bij. &raquo;Wacht
+maar, mijn jongen, wij zullen den brand wel blusschen.
+Een, twee &mdash; hoepla!&raquo;</p>
+
+<p>Flap! Daar sloeg de kaar om en ging te water.</p>
+
+<p>Och, och, wat lachte die schoenmaker.</p>
+
+<p>Wij stonden allen op den oever, op een eerbiedigen
+afstand, want hoewel wij geen kwaad hadden gedaan,
+durfden wij toch niet bij den vertoornden man te komen.
+Deze zag er echter niet bijzonder boos uit, want hij deed
+niet anders dan lachen, &mdash; lachen zonder ophouden.</p>
+
+<p>&raquo;Help! &mdash; Ik &mdash; verdrink! &mdash; Help &mdash; O &mdash; o! Help!&raquo;
+Bob kroop ongetwijfeld vrij raar in zijn vaartuig rond,
+want het dobberde wild op en neer. Soms ging het aan
+den eenen kant geheel onder water, en dan hoorden wij
+van Bob niets meer, maar dan volgde er weder een geweldig
+dobberen, zoodat de golven tot aan de overzijde
+van de beek gingen, en dan hoorden wij hem weer om
+hulp roepen.<span class="pagenum"><a name="Page_69" id="Page_69">[69]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;O, &mdash; help toch! Genade! Help! Ik verdrink! Ik
+stik! Brrr! Brrr! Ik.... brrr!</p>
+
+<p>Nu kwam ook de vrouw van den schoenmaker naar
+buiten, om te zien, wat er toch aan de hand was. Ook
+de buren verlieten hunne huizen, zoodat er weldra een
+groote oploop ontstond.</p>
+
+<p>Maar toen zij vernamen, hoe Bob daar in die kaar alle
+pogingen deed, om zich boven water te houden, ging er
+een onbedaarlijk gelach op en scheen niemand medelijden
+met hem te hebben, dan alleen vrouw de Veer. Eerst
+lachte zij ook, maar spoedig ging zij naar haar man, en
+begon de kaar op het droge te trekken.</p>
+
+<p>&raquo;Toe, Jaap, nu is &rsquo;t genoeg, laat er den jongen nu uit.
+Hij heeft nu straf genoeg gehad.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Help! Brrr! Brrr! O, ik verdrink! Brrr!&raquo; klonk het
+uit de kaar.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo&rsquo;n grooten visch heb je er nog nooit in gehad!&raquo;
+riep een van de omstanders lachend den schoenmaker toe.</p>
+
+<p>&raquo;Neen, daar heb je gelijk aan! Ha-ha-ha-ha! Wat
+vermakelijk! Kijk dat ding eens dobberen! Ha-ha-ha!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Bevalt hem er niet!&raquo; riep een ander.</p>
+
+<p>&raquo;Brrr! Help toch, menschen, help! Brrr! Brrr!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Toe man, haal er den jongen nu uit! &rsquo;t Is nu mooi
+genoeg, toe!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu, vooruit dan maar!&raquo; zei de schoenmaker, die het
+nu ook tijd begon te vinden, om er een einde aan te
+maken. Nog altijd schuddende van het lachen trok hij
+de kaar op het droge. Wij zagen, hoe het water door
+de gaatjes in alle richtingen wegvloeide.<span class="pagenum"><a name="Page_70" id="Page_70">[70]</a></span></p>
+
+<p>Vrouw de Veer deed de wervels los &mdash; en daar wipte
+Bob er uit, onder luid gejuich van de omstanders. Het
+water droop hem uit de kleeren. Schuw keek hij een
+oogenblik om zich heen, en toen glitste hij door het volk
+heen, &mdash; naar zijn huis toe.</p>
+
+<p>Wat hadden de menschen een pret, en wat schaamde
+Bob zich. Hij moest ongetwijfeld geweldig veel angst
+hebben uitgestaan, want gewoonlijk was hij niet zoo heel
+gauw bang of zenuwachtig. Maar nu lazen wij den angst
+op zijn gelaat.</p>
+
+<p>Dat wij hem naliepen, spreekt van zelf. Maar hij wilde
+ons niet ontmoeten. Hij snelde regelrecht naar zijn huis,
+waarin hij door de keukendeur verdween. Wat daar
+nog met hem voorgevallen is, hebben wij nooit vernomen.</p>
+
+<p>Daar het al laat begon te worden, begaven ook wij ons
+naar huis. Toen ik &rsquo;s avonds op bed nog eens aan het
+voorgevallene dacht, schoot ik onwillekeurig nog in den
+lach om het zotte figuur, dat de dappere Bob gemaakt
+had. Toch moest ik toegeven, dat hij loon naar werken
+had gehad.</p>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_71" id="Page_71">[71]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Vijfde Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Waarin verteld wordt van een Zondag, die veel stof tot<br />
+spreken en voor de Van der Vliets ook veel stof<br />
+tot treurigheid gaf.</p>
+
+
+<p>De Zondag, die nu volgde, was voor de familie Van
+der Vliet een dag van groote droefheid en voor het geheele
+dorp een van groote ontsteltenis. Eerst scheen het
+voor de genoemde familie een geluksdag te zullen worden,
+want reeds vroeg in den morgen deden zij eene gelukkige
+vondst, maar al spoedig veranderde de blijdschap in groote
+treurigheid.</p>
+
+<p>Doch laat ik u geregeld vertellen, wat er gebeurde.</p>
+
+<p>&rsquo;t Zal ongeveer half zes in den morgen geweest zijn, toen
+Trijn, de vrouw van Kees van der Vliet, ontwaakte. Nu
+verliep er bij haar tusschen ontwaken en opstaan nooit meer
+dan een enkel oogenblik, want zij was ijverig van aard, en
+hield er niet van, Zondags nog minder dan in de week, om
+laat met haar werk gereed te zijn. Integendeel, hare lijfspreuk<span class="pagenum"><a name="Page_72" id="Page_72">[72]</a></span>
+was steeds: &raquo;Hoe eerder gegaan, hoe eerder gedaan,&raquo;
+en die spreuk bracht zij zooveel mogelijk in toepassing.
+Zoo ook nu op dezen Zondagmorgen. Zij stapte haar bed
+uit, wiesch en kleedde zich, en begon daarna met ijver aan
+hare gewone huiselijke bezigheden. Eerst werd de tafel
+opgeknapt en waschte zij de kopjes, en daarna nam zij
+stoffer en blik en begon den vloer aan te vegen. Kees
+en de kinderen lagen nog in bed. Wie beschrijft
+echter hare verbazing, toen zij bij de deur drie goudstukken
+zag liggen, die daar blijkbaar onderdoor waren
+geschoven. Eerst wist zij niet, of zij hare oogen wel kon
+gelooven, of zij wakker was of droomde, en zonder eene
+hand uit te steken om ze op te rapen, staarde zij met
+groote oogen op den schat, die zoo onverwachts haar
+deel geworden was. Want drie gouden tientjes vertegenwoordigden
+voor de arme ziel een kapitaal, waarvoor
+zij den diepsten eerbied koesterde. Zij was zoo gewoon
+hare inkomsten slechts bij stuivers en centen te ontvangen,
+dat dertig gulden voor haar een schat vertegenwoordigde,
+waarmede zij bijna zoo rijk werd als een koning.</p>
+
+<p>Wel een paar minuten bleef zij zoo onbeweeglijk op
+hare knien voor het geld zitten, zonder het aan te
+raken, maar toen begon zij langzamerhand tot kalmte
+te komen. Zij raapte de geldstukken op en riep:</p>
+
+<p>&raquo;Kees! &mdash; Kees!&nbsp;&mdash;&raquo;</p>
+
+<p>Een dof gebrom uit de bedstede was het eenige antwoord.</p>
+
+<p>&raquo;Kees! &mdash; Kees dan toch!&raquo; herhaalde zij met verheffing
+van stem. &raquo;Kees! Word dan toch wakker! Kijk<span class="pagenum"><a name="Page_73" id="Page_73">[73]</a></span>
+eens, wat ik hier gevonden heb. &mdash; Een schat, Kees, drie
+gouden tientjes!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;H? &mdash; Wat?&raquo; vroeg Kees, die bij het hooren van
+die woorden geheel wakker werd en zijn geslaapmutst
+hoofd tusschen de bedgordijnen doorstak. &raquo;Gevonden?
+Drie gouden tientjes? Maar dat is onmogelijk, Trijn, dat
+kan niet.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kan dat niet? Kijk dan maar eens hier, op mijne
+hand, daar liggen ze. Drie echte, gouden tientjes, wat
+ik je zeg!&raquo;</p>
+
+<p>In een wip was Kees nu zijn bed uit. Haastig trok
+hij zijne kousen en wat kleeren aan, en zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Waarlijk! Dat zijn drie gouden tientjes! Geef eens
+hier, Trijn, laat eens hooren, of ze echt zijn. Er is tegenwoordig
+zooveel bedrog in de wereld, dat je haast niet
+te voorzichtig kunt wezen. Geef ze eens hier.&raquo;</p>
+
+<p>Trijn gaf ze aan haar man en deze liet ze van eene
+tamelijke hoogte op de tafel neervallen, waar ze met
+zulk een helderen metaalklank op neerrinkelden, dat
+Jan van het ongewone geluid wakker werd. Dat ook hij
+niet weinig verbaasd was, behoeft niet te worden gezegd.</p>
+
+<p>In geuren en kleuren vertelde Trijn, hoe zij aan het
+werk was gegaan, precies zooals ze altoos gewoon was te
+doen, eerst de kopjes, toen de tafel, en daarna den vloer
+eene beurt gevende, tot zij plotseling het geld voor de
+deur vond liggen, blijkbaar door de hand van een weldoener,
+die onbekend wenschte te blijven, daar onderdoor
+geschoven.</p>
+
+<p>&raquo;Ja vrouw, dat mag-je zeggen: een weldoener, wien<span class="pagenum"><a name="Page_74" id="Page_74">[74]</a></span>
+wij niet dankbaar genoeg kunnen zijn. O, als ik wist wie
+hij was, ik ging dadelijk naar hem toe, om hem te
+bedanken voor zulk eene milde gift, die ons tot allerlei
+dingen in staat stelt, waarover wij vroeger wel eens
+mochten denken, maar waartoe wij nooit konden komen,
+omdat wij te arm waren. Nu gaan wij een winkeltje
+beginnen, Trijn.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Een winkeltje? Dunkt je dat, Kees?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, een winkeltje, zeg ik. O, Trijn, wat heerlijk. Nu
+kan ik toch ook wat gaan verdienen, als jij uit werken
+bent, want er moet toch iemand zijn, die op den winkel
+past. Ik kan je niet zeggen, hoe het mij altoos tegen de
+borst heeft gestuit, dat jij eigenlijk den kost voor ons
+allen moest verdienen, Trijn, en dat ik altoos maar werkeloos
+moest blijven toezien, hoe jij je aftobde. Maar daar
+komt nu een einde aan. Voortaan zal ook ik geregeld
+mijn werk hebben, en als Jan van school gaat, dan kan
+hij gaan venten. Van zelf komen de klanten niet naar
+je toe, we moeten ze geregeld bezoeken. O Trijn, nu
+zullen voor ons de goede dagen eindelijk ook gaan komen.&raquo;</p>
+
+<p>Trijn antwoordde niet. Zij stond in gedachten verzonken.
+Eindelijk zeide ze:</p>
+
+<p>&raquo;Ja Kees, dat is alles goed en wel, en &rsquo;t is een mooi
+ide van je, maar zie je, ik kan me maar niet begrijpen,
+wie het toch kan zijn, die ons zulk een groot cadeau
+geeft. Als er maar niet iets slechts achter schuilt. Nu ik
+er goed over ga nadenken, is het me precies, of we dat
+geld eigenlijk niet moesten aannemen. Ik ben er niet
+geheel en al gerust over.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_75" id="Page_75">[75]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Niet gerust? &mdash; Niet aannemen?&raquo; vroeg Kees vol
+verwondering. &raquo;En waarom zouden wij het niet aannemen?
+&rsquo;t Is ons toch gegeven en we hebben het niet gestolen!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dat is waar.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En toen er den vorigen winter op een avond aan de
+deur geklopt werd, en wij bij het opendoen niets vonden
+dan eene mand vol levensmiddelen, die daar was neergezet,
+hebben wij toen een oogenblik getwijfeld, of wij
+dat wel zouden aannemen? Ik weet nog best, hoe blij je
+toen waart, Trijn.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Geen wonder! We hadden ook geen kruimel meer in
+huis. En die mand werd ons thuisbezorgd.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Juist, &mdash; &rsquo;t ging er precies mede als met dit geld.
+Een of ander weldadig mensch heeft het in alle stilte
+onder de deur doorgeschoven, wel wetende, dat wij het
+van morgen zouden vinden. Wie weet, of het niet van
+denzelfden gever komt, als die mand met levensmiddelen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja moeder,&raquo; zeide Jan, &raquo;of als dat lekkers, dat ons
+op St. Nicolaasavond door een onbekende werd thuisgezonden.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Jelui hebt gelijk,&raquo; zeide Trijn hoofdschuddend. &raquo;Toch
+zou ik er voor zijn, er in elk geval den burgemeester
+kennis van te geven. &rsquo;t Is zoo&rsquo;n groote som.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Voor ns is het eene groote som, dat is waar, maar
+wie weet, welk eene kleinigheid het voor den gever is,
+wie weet, over hoe grooten rijkdom hij te beschikken
+heeft. Neen, Trijn, ik ben er juist voor, om er tegen
+niemand van te spreken, en &mdash; &mdash;.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dus geheim houden?&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_76" id="Page_76">[76]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Juist, als niemand het weet, kan niemand het er ons
+lastig over maken. &rsquo;t Is eene eerlijke zaak, waar niemand
+mede noodig heeft. Wij huren een huisje dat geschikt
+is, om er een winkeltje in op te zetten, en slaan voor
+dit geld onzen noodigen voorraad in. Je zult zien, Trijn,
+hoe aan onze armoede nu een einde komt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu, &rsquo;t is mij goed, &mdash; hoewel ik er toch eigenlijk in
+mijn hart geen vrede me heb. Wie zou ons dat geld
+nu toch geschonken hebben? Ik kan het mij maar niet
+begrijpen! Dertig gulden! &rsquo;t Is toch waarlijk geen kleinigheid,
+om die zoo maar weg te geven.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja vrouw, &rsquo;t is een raadsel, waarvan wij de oplossing
+niet weten. &rsquo;t Zal echter wel eenmaal uitkomen, wie zoo
+goed voor ons geweest is, daar twijfel ik niet aan.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wist ik het maar, Kees, dan zou ik mij veel rustiger
+gevoelen. &rsquo;t Is me nu precies, of er met dit geld iets is,
+dat niet richtig is.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Gekheid! Dwaasheid, Trijn. Omdat het zulk een rijk
+cadeau is, maakt ge je zenuwachtig en angstig, doch
+geloof maar gerust, dat het voor ons bedoeld is. Hoe zou
+het hier anders in huis komen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, ja, &mdash; dat is waar; ik kan er niets tegen
+inbrengen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dus we zullen er tegen niemand over spreken? Jan,
+jij houdt je ook stil, hoor!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, vader.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Niemand behoeft er zijn neus in te steken, zeg ik
+maar; en &rsquo;t is niet noodig, dat het heele dorp er zich
+mede bemoeit. De menschen babbelen altijd zooveel,<span class="pagenum"><a name="Page_77" id="Page_77">[77]</a></span>
+veel meer, dan ze verantwoorden kunnen, &mdash; en dat is
+nu niet noodig. Wat niet weet, deert ook niet.&raquo;</p>
+
+<p>Met dit laatste stopwoord maakte Kees van der Vliet
+een einde aan de zaak. Het geld werd opgeborgen in
+een klein doosje, dat in de linnenkast werd gezet, en
+moeder Trijn ging met hare bezigheden voort. Dat de
+rijke vondst evenwel geen oogenblik uit hare gedachten
+was, en dat zij er onophoudelijk met haren man over
+sprak, behoeft niet te worden gezegd. En wat al plannen
+voor de toekomst werden er gesmeed, wat al luchtkasteelen
+gebouwd!</p>
+
+<p>Helaas, op hoe droevige wijze zouden al die illusien
+worden verstoord, en hoe zou de vreugde dezer arme
+lieden weldra verkeeren in droefheid. Hadden zij maar
+dadelijk van hunne vondst kennis gegeven aan den
+burgemeester, zooals Trijn dat had gewild, wat zouden
+zij dan voor veel ellende gespaard zijn gebleven, die nu
+hun deel werd.</p>
+
+<p>Want er was dien nacht in het dorp diefstal gepleegd.
+&rsquo;s Morgens om elf uur, toen de kerk uit was, ging het
+gerucht daarvan als een loopend vuurtje door het dorp
+rond.</p>
+
+<p>&rsquo;t Zal ongeveer half tien in den morgen geweest zijn,
+toen de Heer Valk, de directeur van het post- en
+telegraafkantoor, zijne woonkamer verliet, om zich naar
+het kantoor te begeven. Eerst ging hij nog een oogenblik
+in den tuin, om wat frissche lucht te happen, zooals hij
+dat noemde, hetgeen hij bij goed wer elken morgen
+gewoon was te doen. Na eenige oogenblikken rondwandelens<span class="pagenum"><a name="Page_78" id="Page_78">[78]</a></span>
+echter werd zijne aandacht getrokken door het
+zijraam van het kantoor, dat half openstond, iets wat op
+dezen tijd van den dag nooit het geval was. Er was nog
+niemand op het kantoor aanwezig, dus f hij moest het
+den vorigen dag vergeten hebben te sluiten, f er had
+zich iemand toegang tot het kantoor verschaft, door het
+raam open te schuiven. Indien deze laatste veronderstelling
+juist was, moest er gestolen zijn.</p>
+
+<p>De Heer Valk spoedde zich dus naar binnen en vroeg
+in het voorbijloopen aan Geertje, de meid:</p>
+
+<p>&raquo;Ben je van morgen al in het kantoor geweest?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, mijnheer.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Weet je het zeker?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja mijnheer, zoo zeker als twee maal twee vier is.&raquo;</p>
+
+<p>Daarna opende hij de deur van de woonkamer, en
+vroeg aan zijne vrouw:</p>
+
+<p>&raquo;Lize, ben jij al op &rsquo;t kantoor geweest van morgen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, waarom vraag je dat?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Omdat het zijraam opengeschoven is. Jij dan, misschien,
+Cor?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen pa, ik ook niet.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dan is de zaak niet in orde!&raquo; riep de Heer Valk,
+terwijl hij zich met groote schreden verwijderde. Zijne
+vrouw en Cor volgden hem op den voet.</p>
+
+<p>Hij ontsloot de kantoordeur, waarvan hij den sleutel
+altoos bij zich droeg, en genadige hemel, &mdash; ja, een
+enkele blik was voldoende om hem te overtuigen, dat
+zijn vermoeden juist was geweest. Er moest een dief
+geweest zijn. Het raam was opengeschoven, de sloten<span class="pagenum"><a name="Page_79" id="Page_79">[79]</a></span>
+van zijn bureau waren geforceerd en een ijzeren geldkistje,
+dat daarin geborgen was geweest, was met geweld
+opengebroken. Het geld daaruit was verdwenen!</p>
+
+<p>Half verbrande lucifers lagen over den vloer verspreid,
+en uit enkele vetdruppels kon men opmaken, dat de dief
+zich van een eindje vetkaars had bediend.</p>
+
+<p>&raquo;Wel verschrikkelijk!&raquo; riep mevrouw Valk uit. &raquo;Wie
+kan dat nu toch gedaan hebben? Hoeveel geld is er
+gestolen, Eduard? Toch niet veel, hoop ik?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;k Weet het niet, maar ik zal het even nazien,&raquo; antwoordde
+de directeur, die doodsbleek zag, binnensmonds.
+&raquo;Wie had dt nu ooit kunnen denken! Zoo&rsquo;n brutale
+dief. Wacht, hier is het boek. Laat zien: honderd, tien,
+twintig, dertig, en dertig is zestig en veertig &mdash; &rsquo;t is
+precies twee honderd gulden. Ja juist, nu herinner ik
+het mij: &rsquo;t is twee honderd gulden, waarvan tien gouden
+tientjes, een bankje van zestig en een van veertig.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kijk pa, de postzegelkast is ook opengebroken.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Waarlijk, &mdash; dat ook nog! Dat moest er nog bijkomen!
+Zie eens aan, er is geen zegeltje overgebleven. Ook nog
+eene schade van een vijftig gulden ongeveer. Dat
+is een fraaie geschiedenis!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is verregaand brutaal!&raquo; zei mevrouw, terwijl zij de
+handen van verbazing in elkaar sloeg. &raquo;Ik zou dadelijk
+om den burgemeester sturen, lieve. Er moet direct werk
+van deze zaak gemaakt worden.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is waar, &mdash; je hebt gelijk. Toe, Cor, ga dadelijk
+naar den burgemeester en verzoek hem hier te komen.
+Maar spreek tegen niemand een woord, van hetgeen hier<span class="pagenum"><a name="Page_80" id="Page_80">[80]</a></span>
+voorgevallen is, begrepen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, pa!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En vlug, &mdash; als de wind, hoor!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, pa!&raquo;</p>
+
+<p>Cor vloog naar den burgemeester, en dat deze niet weinig
+ophoorde van hetgeen hij vernam, kan ieder begrijpen
+als ik vertel, dat er al sedert vele jaren iets dergelijks
+in ons dorp niet was voorgevallen.</p>
+
+<p>Hij begaf zich onmiddellijk met Cor naar het postkantoor,
+waar de directeur en zijne vrouw nog, doodsbleek
+van ontsteltenis, bezig waren, alle laden en kasten
+na te zien. Het bleek hun, dat alles van waarde verdwenen
+was, terwijl daarentegen de waardelooze papieren wel
+doorgesnuffeld maar verder ongeschonden gebleven waren.</p>
+
+<p>Dadelijk begon de burgemeester, geholpen door den
+directeur, een nauwkeurig onderzoek in te stellen naar
+hetgeen er gebeurd was, wat hij alles uitvoerig opschreef.
+Toen hij daarmede gereed was, vroeg hij:</p>
+
+<p>&raquo;En zeg mij nu eens, mijnheer Valk, wien verdenkt
+gij nu eigenlijk van dezen diefstal? Of hebt gij tegen
+niemand eenig kwaad vermoeden?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, burgemeester, tegen niemand. Ik zou werkelijk
+niet weten, wien ik noemen moest. Een klerk heb ik niet,
+en onze dienstbode is de eerlijkheid in eigen persoon. Zij
+kan het niet gedaan hebben. Trouwens, u kunt u daarvan
+persoonlijk overtuigen door haar te ondervragen. Zij is
+op dit oogenblik nog geheel onbekend met hetgeen er
+gebeurd is. Hoor, zij zingt in de keuken als een lijster.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat hebben er meer gedaan, die bij slot van rekening<span class="pagenum"><a name="Page_81" id="Page_81">[81]</a></span>
+toch schuldig bleken te zijn. Vergun mij, dat ik haar een
+oogenblik ga spreken.&raquo;</p>
+
+<p>De burgemeester verliet het kantoor en begaf zich
+regelrecht naar de keuken, waar Geertje bezig was met
+koffie malen. Zij zong daarbij het hoogste lied.</p>
+
+<p>Maar zoodra de burgemeester binnenstapte, op wiens
+komst zij allerminst voorbereid was, hield zij dadelijk
+met zingen op, en stamelde met een verlegen lachje:</p>
+
+<p>&raquo;Gut, mijnheer de burgemeester, komt u in de keuken?
+Mijnheer en mevrouw zijn in de kamer, geloof ik, dus
+als u ze spreken wil....&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, meisje, &rsquo;t is mij om u te doen!&raquo; sprak de
+burgemeester op gestrengen toon, terwijl hij haar diep
+in de oogen keek. Maar Geertje keek hem zoo onbevangen
+aan, dat hij dadelijk overtuigd was van hare onschuld.</p>
+
+<p>&raquo;Om mij?&raquo; vroeg zij: &raquo;Wat is er van uw dienst,
+burgemeester?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Waar ben jij van nacht geweest, meisje?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Van nacht?&raquo; vroeg Geertje lachend, want zij scheen
+die vraag zeer grappig te vinden. En op vroolijken toon
+liet zij er op volgen: &raquo;Wel, op bed, burgemeester!
+Waarom vraagt u dat aan me?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Omdat er dezen nacht hier in het kantoor ingebroken
+en gestolen is, Geertje!&raquo; zei de burgemeester.</p>
+
+<p>&raquo;Ingebroken! &mdash; Gestolen!&raquo; riep Geertje doodsbleek
+uit. &raquo;Wel, verschrikkelijk!&raquo;</p>
+
+<p>En zonder een oogenblik langer om den burgemeester
+te denken, verliet zij de keuken en ijlde naar het kantoor,
+waar zij, louter van ontsteltenis, luid begon te schreien.<span class="pagenum"><a name="Page_82" id="Page_82">[82]</a></span>
+Het kostte mevrouw zelfs niet weinig moeite, haar tot
+bedaren te brengen.</p>
+
+<p>De burgemeester twijfelde nu geen oogenblik langer
+aan hare onschuld. Na enkele minuten verzocht hij haar
+zich weer naar de keuken te begeven, en zeide, toen zij
+vertrokken was:</p>
+
+<p>&raquo;Zij is beslist onschuldig.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zooals wij u reeds vooruit gezegd hebben,&raquo; viel
+mevrouw in. &raquo;Neen, wij moeten den dief ergens anders
+zoeken.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat merkt u terecht op, mevrouw; wij moeten hem
+ergens elders zoeken. Heeft u gisteren misschien andere
+menschen in uw dienst gehad?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Gisteren? &mdash; Neen, &mdash; o ja, toch, kreupelen Kees en
+zijne vrouw; hij heeft den tuin opgeknapt, en zij werkt
+hier geregeld elken Zaterdag. Maar dat zijn ook doodeerlijke
+lieden, die tot diefstal, en dan nog wel gepaard
+met inbraak, allerminst in staat zijn.&raquo;</p>
+
+<p>De burgemeester was dat blijkbaar niet geheel met
+haar eens, want hij zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, &mdash; Kees van der Vliet en zijne vrouw. Ja, dat
+zijn wel eerlijke lieden, maar toch &mdash; iemand moet het
+gedaan hebben, niet waar? Wanneer wij den dief willen
+snappen, schijnt het mij noodzakelijk toe, van niemand
+te denken, dat hij eerlijk is. Die menschen hebben immers
+geen gelegenheid gehad, zich hier gisteravond te laten
+insluiten?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O neen,&raquo; zei mijnheer Valk op beslisten toon, &raquo;daar
+is geen sprake van. Zij zijn geen van beiden in het<span class="pagenum"><a name="Page_83" id="Page_83">[83]</a></span>
+kantoor geweest en ik heb het zelf gesloten. Bovendien
+schijnt het mij bespottelijk toe, die menschen van diefstal
+te verdenken.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat heeft u geheel en al mis, mijnheer Valk. In
+politiezaken is eene dergelijke gedachte in het geheel
+niet bespottelijk. Kan de brievenbesteller zich wellicht
+hebben laten insluiten? Of is er misschien iemand anders
+nog laat in het kantoor geweest?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;De postlooper komt hier nooit binnen, dan in heel
+enkele gevallen. Gisteren is hij niet verder geweest dan
+de deur. En bezoek heb ik niet gehad dan alleen van
+Arie de Zwaan, den neef van den koster, die hier alle
+avonden komt vragen, hoe laat het is. Zooals u weet,
+houdt de koster de kerkklok steeds gelijk met den tijd
+van het kantoor.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, &mdash; ja, juist, dat weet ik. Nu, wat dien Arie de
+Zwaan betreft, hem zou ik voor eene daad als deze niet
+te goed houden, &mdash; en u?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik ook niet, burgemeester. &rsquo;t Is, geloof ik, een jongmensch,
+dat nergens te goed voor is. En nu ik mij goed
+bedenk, herinner ik mij, dat hij nog een poosje bij mij
+binnen is geweest, en dat wij een kwartiertje met elkaar
+hebben staan praten over koetjes en kalfjes. Het zal
+ongeveer acht uren geweest zijn, toen hij vertrok.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kan u mij nog meer inlichtingen geven?&raquo; vroeg de
+burgemeester. &raquo;U moet wel bedenken, dat van de kleinste
+kleinigheid soms het vinden van den dief kan afhangen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik heb u verder niets te zeggen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dan is mijn werk hier afgeloopen. Ik geloof, dat het<span class="pagenum"><a name="Page_84" id="Page_84">[84]</a></span>
+mijn plicht is, eerst een onderzoek in te stellen bij Kees
+van der Vliet en daarna bij Arie de Zwaan. En het zou
+mij niet verwonderen, als ik den dief vandaag nog snapte.
+Mevrouw, uw dienaar! Adieu, mijnheer Valk!&raquo;</p>
+
+<p>Met eene buiging en een handdruk verliet het hoofd
+der gemeente de woning.</p>
+
+<p>Onmiddellijk daarop was de burgemeester, vergezeld
+van Tip, den veldwachter, naar het huisje van Kees van
+der Vliet gegaan, die met zijne vrouw aan de tafel zat.
+Zij dronken koffie, en waren bezig plannen te maken
+over hetgeen zij zouden doen met de gevonden goudstukken.
+Ook Jan was thuis, en Zus speelde op den grond.
+Zoodra Trijn de beide mannen zag naderen, werd zij zoo
+wit als een doek en begon zij te beven over al hare leden.
+Van den diefstal hadden zij nog niets vernomen.</p>
+
+<p>&raquo;Daar is de burgemeester met den veldwachter,&raquo; zeide
+ze tot Kees. &raquo;O God, &mdash; daar heb je &rsquo;t al. Hadden wij
+het toch dadelijk maar gezegd!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Waarom? &mdash; Wij hebben het toch niet gestolen!&raquo; zei
+Kees binnensmonds. Maar toch verbleekte ook hij.</p>
+
+<p>Op dit oogenblik werd de deur geopend en traden de
+beide mannen binnen.</p>
+
+<p>&raquo;Goeden morgen!&raquo; klonk hun groet kortaf.</p>
+
+<p>Kees stond eerbiedig op en nam zijne pet af, die hij
+ook in huis steeds ophad.</p>
+
+<p>&raquo;Goeden morgen, mijnheer de Burgemeester! Goeden
+morgen, Tip!&raquo;</p>
+
+<p>Hij schoof twee stoelen bij de tafel, en vervolgde:</p>
+
+<p>&raquo;Wil u niet gaan zitten?&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_85" id="Page_85">[85]</a></span></p>
+
+<p>De burgemeester scheen die uitnoodiging niet eens te
+hooren. Hij bleef midden in de kamer staan en nam met
+scherpen blik het geheele vertrek in oogenschouw. Nu
+was daar niet veel in te zien, want behalve eene tafel,
+enkele oude stoelen, eene groote staartklok en twee
+bedsteden was er niets dan een eenvoudig geverfd linnenkastje,
+dat Trijn indertijd gekocht had, toen zij als dienstmeisje
+een klein spaarpotje had gemaakt. Op dat kastje
+bleef eindelijk &rsquo;s burgemeesters blik rusten, en het met
+den vinger aanwijzende, zeide hij tot den veldwachter:</p>
+
+<p>&raquo;Tip, haal dat kastje eens leeg, en bekijk alles goed.
+Leg den inhoud hier uitgespreid op den grond.&raquo;</p>
+
+<p>Tip begon reeds het bevel uit te voeren, toen Trijn
+een stap vooruit kwam, en zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Maar mijnheer de Burgemeester, dat lijkt wel huiszoeking.
+U denkt toch niet, dat we gestolen hebben, &mdash; dat
+we dieven zijn?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer de Burgemeester,&raquo;
+voegde Kees er bij, terwijl hij zich bij de linnenkast
+plaatste, alsof hij Tip beletten wilde, het ontvangen bevel
+uit te voeren.</p>
+
+<p>&raquo;Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer, die nog nooit
+iemand een cent te kort hebben gedaan.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En daarom durven wij gerust iedereen in de oogen
+zien, want wij hebben ons voor niets of niemand te
+schamen,&raquo; zei wer Trijn, terwijl haar de tranen in de
+oogen kwamen.</p>
+
+<p>&raquo;En nu deze schande te moeten ondervinden. Wat
+zullen de menschen wel zeggen, als zij het hooren?<span class="pagenum"><a name="Page_86" id="Page_86">[86]</a></span>
+Wie had nu ooit kunnen denken, dat ik dt nog eens
+beleven zou!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Doe wat ik je gezegd heb, Tip,&raquo; gebood de burgemeester.
+&raquo;En gij, goede menschen,&raquo; &mdash; vervolgde hij tot
+Kees en diens vrouw, &raquo;ik raad u aan, kalm en bedaard
+te blijven. Ik geloof inderdaad, dat gij eerlijke menschen
+zijt, en ben overtuigd, dat gij u voor niemand behoeft
+te schamen. &rsquo;t Is dan ook slechts toeval, dat ik juist
+bij u huiszoeking kom doen. Doch daarin steekt volstrekt
+geen schande. Integendeel, wanneer ik straks van hier
+ga, zonder te hebben gevonden wat ik zoek, is dat het
+duidelijkste bewijs, dat gij onschuldig zijt!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar wat is er dan toch gebeurd?&raquo; vroeg Trijn. &raquo;Want
+ik voel me in het geheel niet gerust, burgemeester. Nu
+u eenmaal hier is en dit onderzoek instelt, wil ik het u, &mdash; neen,
+kn en &rsquo;mg ik het u niet langer verzwijgen,
+wat er van morgen hier gebeurd is.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Hier iets gebeurd?&raquo; vroeg de burgemeester. En tot
+Tip zeide hij:</p>
+
+<p>&raquo;Niets dan kleeren; leg ze hier maar op den grond,
+en zoek bedaard verder. &mdash; En wt is hier dan wel
+gebeurd, vrouw Van der Vliet?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wel burgemeester, toen ik van morgen den vloer
+aanveegde, vond ik dr onder de deur doorgeschoven,
+niet minder dan drie gouden tientjes, &mdash; hier, op deze
+zelfde plek, burgemeester, zoo waar als ik &rsquo;t u zeg.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wat? &mdash; H, wat zegt u? &mdash; Drie gouden tientjes?
+En hebt ge die daar gevonden, op den vloer? Dat is
+al heel toevallig, moet ik zeggen.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_87" id="Page_87">[87]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Ja, mijnheer de Burgemeester,&raquo; zei Kees, &raquo;ik lag nog
+rustig te slapen, ziet u, omdat het Zondagmorgen was,
+want dan slaap ik altoos wat langer dan in de week,
+toen Trijn me wakker schreeuwde en me drie gouden
+tientjes liet zien, die ze daar gevonden had.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is wel opmerkelijk, Trijn!&raquo; zei de burgemeester
+met een ongeloovig gezicht, daar het geheele verhaal
+hem wat onwaarschijnlijk klonk. &raquo;Er is dezen nacht
+inbraak gepleegd, gevolgd door diefstal, Trijn. Vind-je
+het nu zelf niet wat heel vreemd, dat hier drie gouden
+tientjes onder de deur doorgeschoven worden?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is wl kaseweel,&raquo; zei Kees hoofdschuddend. &raquo;Wonder
+kaseweel<a name="FNanchor_1" id="FNanchor_1"></a><a href="#Footnote_1" class="fnanchor">[1]</a>. Dat moet ik zeggen.&raquo;</p>
+
+<p>Doch Trijn begon te schreien. Zij was vrij wat schranderder
+dan haar echtvriend, en doorzag veel beter dan
+hij de treurige gevolgen, die deze zaak voor hen kon
+hebben.</p>
+
+<p>&raquo;Zoek goed, hoor Tip. Me dunkt, dat we hier meer
+zullen vinden, dan we ons voorgesteld hebben.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Hier vind ik een klein doosje, burgemeester, weggestopt
+achter een stapeltje kleren. Wil u het openen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Geef maar hier.&raquo;</p>
+
+<p>De burgemeester ontdeed het van het deksel, en ontwaarde
+de drie goudstukken, die Trijn daar enkele uren
+geleden ingelegd had.</p>
+
+<p>&raquo;Ha, ha! Het raadsel begint opgelost te worden,&raquo; zei
+hij, terwijl hij Trijn scherp onderzoekend aankeek. &raquo;Dat
+had ik niet van u gedacht, vrouw van der Vliet; ik heb<span class="pagenum"><a name="Page_88" id="Page_88">[88]</a></span>
+u altoos voor eene door en door eerlijke vrouw gehouden,
+niet in staat tot iets, dat slecht was. En moet ik nu
+bij u gestolen geld vinden? Kom, arme ziel, want ik
+heb medelijden met u, maak de zaak niet erger dan zij
+al is, en zeg mij de volle waarheid. Wie weet, wat ik
+dan wellicht nog voor u doen kan. Gij hebt het geld
+weggenomen, niet waar? Spreek de waarheid, vrouw, en
+bezwaar uw geweten niet door nog te liegen.&raquo;</p>
+
+<p>Trijn barstte in zenuwachtig snikken uit, zoo hevig,
+dat het haar het spreken belette. Doch toen zij zichzelve
+meester geworden was, riep ze uit, terwijl ze hare rechterhand
+ophief, als om den hemel tot getuige te roepen:</p>
+
+<p>&raquo;Zoo waarachtig als er een Heer in den Hemel is, ik
+ben onschuldig, mijnheer de burgemeester!&raquo;</p>
+
+<p>Bij het hooren van die plechtige woorden barstte ook
+Jan in tranen uit, en toen Zus moeder en broeder zag
+schreien, verhief ook zij hare stem. &rsquo;t Was een treurig
+tooneel.</p>
+
+<p>De burgemeester haalde de schouders op en gaf den
+veldwachter een wenk, met zijn onderzoek voort te gaan,
+wat deze dan ook deed.</p>
+
+<p>Vrouw Van der Vliet viel op een stoel neder, bij de
+tafel, en bedekte haar gelaat met haar boezelaar.</p>
+
+<p>&raquo;Ik ben onschuldig!&raquo; riep zij door hare tranen heen.
+&raquo;Ik ben onschuldig, zoo onschuldig als dit kleine kind!
+Maar u gelooft me niet, u luistert niet eens naar me. O,
+had ik het u toch dezen morgen maar dadelijk gezegd!&raquo;</p>
+
+<p>Zij nam kleine Zus op haar schoot, en kuste haar.</p>
+
+<p>&raquo;Arm, onschuldig kind, arme lieveling!&raquo; schreide ze.<span class="pagenum"><a name="Page_89" id="Page_89">[89]</a></span>
+&raquo;Nu zullen ze je moeder nog van je weghalen en in de
+gevangenis zetten, &mdash; en wie zal er dan voor jou zorgen...&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Zl niet gebeuren! Moeder, ik zal.....&raquo;</p>
+
+<p>Zoo riep Jan schreiend uit, terwijl hij zich met gebalde
+vuisten naast zijne moeder plaatste, als om haar te
+verdedigen.</p>
+
+<p>&raquo;Stil, kind, stil! Wij kunnen er niets tegen doen. O,
+burgemeester, zoek toch maar niet langer, want gij zult
+niets meer vinden, dat bezweer ik u, dan de enkele
+stuivers, die Kees en ik gisteren bij mijnheer Valk hebben
+verdiend. Waarachtig, mijnheer, &rsquo;t is de waarheid &mdash; ik
+lieg u niets voor, niets&nbsp;&mdash;&raquo;</p>
+
+<p>De kast was nu doorzocht, en de veldwachter begon
+nu de beide bedsteden te inspecteeren; daarna kwam
+de provisiekast aan de beurt, die al bijzonder weinig
+bevatte, en toen werd zelfs de groote klok doorzocht,
+maar tevergeefs; het overige geld werd niet gevonden.</p>
+
+<p>De burgemeester deed nog eenmaal eene poging, om
+Trijn tot bekentenis te brengen, doch zij volhardde bij
+hetgeen zij gezegd had. Het geld had zij gevonden op
+den vloer van hare kamer, vlak bij de deur, en hare
+eenige fout was, dat zij er niet dadelijk kennis van
+gegeven had. O, had zij het maar gedaan.</p>
+
+<p>Ook Kees werd scherp ondervraagd, doch hij kon niets
+anders zeggen, dan hetgeen zijne vrouw had verklaard.
+Zelfs Jan werd onder handen genomen, doch met hetzelfde
+gevolg. De burgemeester maakte van zijne bevindingen
+proces-verbaal op, en ging heen, het arme gezin in de
+grootste verslagenheid achterlatende.<span class="pagenum"><a name="Page_90" id="Page_90">[90]</a></span></p>
+
+<p>Nu werd eene huiszoeking gedaan ten huize van den
+koster, den oom van Arie de Zwaan. Doch hoe zorgvuldig
+het geheele huis ook werd doorzocht, er werd
+niets verdachts gevonden. Arie leidde den burgemeester
+zelf overal rond en eigenhandig opende hij alle laden
+en kasten, om het onderzoek gemakkelijker te maken,
+waarbij voortdurend een eigenaardig lachje zijn gelaat
+ontsierde, hetgeen den burgemeester niet ontging en hem
+onaangenaam stemde.</p>
+
+<p>&raquo;Wat een schurkengezicht heeft hij toch!&raquo; dacht hij
+bij zichzelven, maar hij wachtte zich wel, die gedachte
+onder woorden te brengen.</p>
+
+<p>Onder het naar huis gaan, zeide de veldwachter tot
+zijn meester:</p>
+
+<p>&raquo;Op het uiterlijk afgaande zou ik den dader eerder
+hier zoeken, dan bij Van der Vliet, burgemeester.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, ik ook &mdash; maar Tip, schijn bedriegt, zooals je weet.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Juist burgemeester, &mdash; zou dat ook nu niet het
+geval zijn?&raquo;</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1" id="Footnote_1"></a><a href="#FNanchor_1"><span class="label">[1]</span></a> Casueel, bedoelde Kees.</p></div>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_91" id="Page_91">[91]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Zesde Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Wat er alzoo op een regenachtigen Zondagmiddag gebeurde.<br />
+Hoe Bob in een Woesten Gier veranderde, voor Pieter<br />
+een kuil groef en er ten slotte zelf in viel.</p>
+
+
+<p>Het verhaal van hetgeen ik u in het vorige hoofdstuk
+verteld heb, ging, zooals ik zeide, als een loopend vuurtje
+door het dorp rond. Pa vertelde het ons in geuren en
+kleuren toen hij uit de kerk kwam, en hij wist het uit
+eene goede bron, want hij was den burgemeester tegengekomen,
+en deze had het hem verteld.</p>
+
+<p>Wat was er toen op ons dorp veel stof tot spreken, en
+wat hadden sommige menschen verbazend veel te zeggen
+van de Van der Vliets, wier naam plotseling op aller tong
+zweefde. Sommigen beweerden zelfs, dat zij ze nooit hadden
+vertrouwd, dat zij altoos wel gedacht hadden, dat het slecht
+met hen zou afloopen en dat zij ze voortaan zelfs voor
+geen halven cent vertrouwen zouden schenken. &rsquo;t Was
+eene echte dievenfamilie, waarin geen greintje goeds stak.<span class="pagenum"><a name="Page_92" id="Page_92">[92]</a></span></p>
+
+<p>Toen ik dat thuis vertelde, keek pa me vrij boos aan
+en zeide op gestrengen toon:</p>
+
+<p>&raquo;Jij denkt toch zeker zoo niet, Dorus? Wees toch,
+wat ik je bidden mag, nooit voorbarig in je oordeel.
+&rsquo;t Kan nog best uitkomen, dat die menschen even
+onschuldig zijn als jij of ik. Maar de wereld oordeelt
+altoos verbazend oppervlakkig en onbarmhartig. &rsquo;t Is
+eene schande!&raquo;</p>
+
+<p>Nu, dat vond ik ook, maar wr is het toch, dat maar
+weinig menschen spraken zooals pa. Iedereen, dien ik er
+over hoorde, zeide: &raquo;&rsquo;t Is toch maar slecht volk, die Kees
+en zijne vrouw, en &rsquo;t is maar goed, als ze achter slot en
+grendel worden gezet. Zulk volk is gevaarlijk!&raquo;</p>
+
+<p>Zij bleven den geheelen dag binnenshuis, zelfs Jan, die
+anders altoos bij zijne kameraden was, kwam niet buiten.
+Wat moeten die menschen zich hebben geschaamd, vooral
+toen &rsquo;s middags zich veel meer wandelaars op hun achterweg
+vertoonden dan in gewone omstandigheden. Blijkbaar
+wilde iedereen eens zien, hoe zij zich wel hielden, maar
+niemand had er pleizier van, want de gordijntjes waren
+dichtgeschoven en er was dientengevolge niemand te zien.</p>
+
+<p>Ik had innig veel medelijden met hen, en Karel Holm,
+met wien ik &rsquo;s middags wandelde, evenzoo. Het ergerde
+ons te zien, hoe de menschen allen juist voorbij het
+huisje van gebrekkigen Kees gingen wandelen, en wij
+waren er blij om, toen het &rsquo;s middags vrij erg begon te
+regenen, zoodat iedereen huiswaarts moest keeren. Na
+eenig weifelens besloten Karel en ik Bob een bezoek te
+gaan brengen, dien wij nog niet gezien hadden na zijn<span class="pagenum"><a name="Page_93" id="Page_93">[93]</a></span>
+onvrijwillig bad in de vischkaar. Als wij daarover spraken,
+moesten wij telkens nog lachen, dat het schaterde.</p>
+
+<p>Bob schaamde zich zeker, want gewoonlijk was hij in
+huis niet te houden. En nu was hij in geen velden of
+wegen te zien. Wij besloten hem eens geducht te plagen.</p>
+
+<p>Nauwelijks hadden wij aangebeld, of Bob deed ons
+zelf open.</p>
+
+<p>&raquo;Dag Dorus! Dag Karel! Kom binnen. Zeg jongens,
+wat zit ik akelig opgescheept met een neef van me, die
+gisteravond onverwachts met zijne Moe bij ons is komen
+logeeren. Bah, &rsquo;t is zoo&rsquo;n vervelende jongen. Hij ziet er
+uit als een zeemlap en hij zit op zijn stoel, of hij een
+stok heeft doorgeslikt. Ga-je me, dan zal ik je hem
+eens laten zien. Maar niet lachen, hoor!&raquo;</p>
+
+<p>Nu, die raad had een verkeerd gevolg, want nu
+moesten wij juist lachen, toen wij binnen kwamen. Maar
+wij wisten ons te bedwingen. Wij gaven mijnheer en
+mevrouw de Wild de hand en bogen zoo deftig als wij
+konden voor Bobs tante, die wij mevrouw Van Koorde
+hoorden noemen. Daarna gaven wij ook neef eene hand,
+die door Bob aan ons werd voorgesteld als Piet van Koorde.</p>
+
+<p>&raquo;Met uw verlof, lieve neef,&raquo; klonk het afgemeten uit
+den mond der tante, &raquo;mijn zoon heet Pieter, en geen
+Piet. Ik verzoek u wel, zijn naam voluit te noemen.
+Ik houd niet van dergelijke afkortingen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Juist, tante, dat meende ik ook te zeggen: Pieter
+van Koorde. Neem me niet kwalijk, als &rsquo;t u belieft.&raquo;</p>
+
+<p>Wij keken Bobs tante eens aan, en zagen dat zij eene
+buitengewoon statige dame was, die zoo recht als eene<span class="pagenum"><a name="Page_94" id="Page_94">[94]</a></span>
+kaars op haar stoel zat. Zij scheen ons bijna te deftig
+toe, om zich te bewegen. En haar zoontje, die evenals
+zij lang, bleek en mager was, geleek in alle opzichten op
+zijne deftige moeder.</p>
+
+<p>&raquo;Rechtop zitten, Pieter! Hoe dikwijls heb ik u dat
+al niet gezegd!&raquo; zeide mevrouw van Koorde, met een
+gestrengen blik op haar zoon.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, Mama!&raquo; klonk het antwoord, en Pieter rekte zich
+nog langer uit, dan hij al deed.</p>
+
+<p>Bob keek ons van ter zijde aan en knipoogde tegen
+ons met een leuk gezicht, zoodat wij ons lachen bijna
+niet konden houden.</p>
+
+<p>Mijnheer de Wild merkte dat gelukkig op en kwam
+ons te hulp.</p>
+
+<p>&raquo;Wel jongens,&raquo; vroeg hij ons lachend, &raquo;heb jelui gisterenavond
+ook in de vischkaar van den schoenmaker gezeten,
+evenals Bob?&raquo;</p>
+
+<p>Wij lachten nu eens ferm uit, en Karel zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Neen, mijnheer, &mdash; dank u! Dat laten we aan Bob
+over.&raquo;</p>
+
+<p>Plotseling klonk het uit den mond der tante:</p>
+
+<p>&raquo;Maar broeder Marinus, hoe kunt ge nu toch uw zoon
+bij zulk een vreeselijken naam laten noemen? Hij heet
+toch immers geen Bob, &mdash; wat ik afschuwelijk vind, maar
+Robert.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja Tante,&raquo; zei Bob, &raquo;ik heet Robert Adrianus de Wild,
+maar de jongens noemen mij altijd Wilden Bob. Vind
+u dat zoo&rsquo;n leelijken naam?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Rechtop zitten, Pieter! &mdash; Wilden Bob! O, verschrikkelijk!<span class="pagenum"><a name="Page_95" id="Page_95">[95]</a></span>
+&rsquo;k Wou niet graag, dat mijn jongen zoo genoemd
+werd. Bob is al erg genoeg, maar Wilde Bob! &rsquo;t Is
+afschuwelijk, &mdash; ik zou het niet dulden, broeder Marinus!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wat zal ik er van zeggen?&raquo; zei mijnheer de Wild met
+een licht schouderophalen. &raquo;De jongens noemen hem
+nu eenmaal zoo, en ik kan er weinig aan veranderen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zeg Bobbertje!&raquo; viel Karel Holm in. &raquo;Hoe beviel
+het je gisteren in die vischkaar?&raquo;</p>
+
+<p>Mevrouw van Koorde sloeg hare oogen van ontzetting
+ten hemel.</p>
+
+<p>&raquo;Bobbertje!&raquo; mompelde zij, &raquo;Bobbertje! &rsquo;t Wordt waarlijk
+nog erger! Mijne ooren doen er pijn van. Zit toch
+rechtop, Pieter, en houd den mond gesloten, zooals het
+behoort.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, Mama!&raquo; zei Pieter, die onbeweeglijk op zijn stoel zat,
+met het hoofd in volslagen rust boven zijn staand boortje.</p>
+
+<p>&raquo;En wat praat ge toch van eene vischkaar?&raquo; vroeg
+tante aan mevrouw de Wild, die met een glimlachje naar
+het gesprek zat te luisteren.</p>
+
+<p>&raquo;Och, Bob &mdash; Robert wil ik zeggen, &mdash; is gisteren bij
+het verstoppertje spelen in eene vischkaar gekropen, die
+aan den kant van het water lag, en toen is de schoenmaker
+gekomen en heeft hem in het water geworpen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is eene beleediging van dien man, lieve,&raquo; hernam
+Tante met verontwaardiging. &raquo;Ik zou dien man aanklagen
+bij het gerecht. Hoe durft zoo&rsquo;n schepsel zoo iets doen?
+Hoewel ik moet zeggen, dat het van Robert ook eene vrij
+zonderlinge keuze was, om in eene vischkaar te kruipen.
+Ik zou mijn jongen, als ik hier woonde, zoo maar niet<span class="pagenum"><a name="Page_96" id="Page_96">[96]</a></span>
+met Jan en alleman op de straat laten spelen. Niet waar,
+Pieter, jij houdt niet van dergelijke spelletjes?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, Mama!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En jij gaat liever met mij wandelen, niet waar?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Veel liever, Mama!&raquo;</p>
+
+<p>Tante keek met een triomfantelijken glimlach om zich
+heen. O, zij wist het wel, dat haar Pieter een door en
+door fatsoenlijke jongen was.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, lieve,&raquo; vervolgde zij tot hare schoonzuster, &raquo;dat
+is nu zijn liefste werk. En dan moest u eens zien, hoe
+lief hem zijn glac-handschoentjes staan en hoe zwierig hij
+met zijn wandelstokje zwaait. Toe Pieter, haal je rottinkje
+eens uit de porte-manteau en laat hem eens zien.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, Mama!&raquo;</p>
+
+<p>Pieter stond op en kwam weldra met zijn rotting terug,
+die nu natuurlijk van hand tot hand ging, en door iedereen
+bewonderd werd, wat van zelf spreekt.</p>
+
+<p>&raquo;Hij zwiept lekker!&raquo; zei Bob, die hem zoo krom mogelijk
+maakte en toen plotseling aan den eenen kant losliet,
+wat het gevolg had, dat het losse eindje met kracht
+tegen het linkerbeen van Pieter terecht kwam. &rsquo;t Deed
+hem zeker nog al pijn, want hij sprong wel een halven
+meter in de hoogte, en riep:</p>
+
+<p>&raquo;Au! Au!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Excuseer! Excuseer!&raquo; riep Bob, quasi ontsteld uit,
+want de deugniet had het met voordacht gedaan. &raquo;Dat
+spijt me, neef Pieter. Doet het erg pijn?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Au! Au!&raquo; zei Pieter nog eens, terwijl hij het pijnlijke
+deel zonder ophouden wreef.<span class="pagenum"><a name="Page_97" id="Page_97">[97]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Ga zitten, Pieter!&raquo; zeide mevrouw van Koorde. &raquo;Neef
+Robert kon het niet helpen, zegt hij immers.&raquo;</p>
+
+<p>Bij die woorden keek zij neef Robert echter in het geheel
+niet vriendelijk aan.</p>
+
+<p>&raquo;Het zwiept veel erger, dan ik dacht,&raquo; zei Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Het zweept, moet je zeggen, lieve neef!&raquo; zei Tante.
+&raquo;Zwiepen is geen woord; dat zeggen koetsiers.&raquo;</p>
+
+<p>Mijnheer de Wild vond het tijd een einde aan het gesprek
+te maken. Misschien was hij wel bang, dat Bob nog
+meer dergelijke grappen zou uithalen. Hij zeide daarom:</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Blijft maar regenen, jongens. Dat is jammer voor
+jelui, want nu heb je huisarrest.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wat ik zeer goed acht, lieve broeder,&raquo; zei Tante op
+haar deftigsten toon. &raquo;Ik zou niet graag zien, dat mijn
+Pieter hier ook met Jan en alleman ging spelen en misschien
+eindelijk ook nog in eene vischkaar kroop. &rsquo;k Heb
+liever, dat hij binnen blijft.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Juist, dat bedoel ik ook. Zou jelui niet naar de speelkamer
+gaan? Daar heb je allerlei speelgoed en een tal
+van boeken tot je dienst.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja jongens, ga je me?&raquo; vroeg Bob opstaande.</p>
+
+<p>Karel en ik volgden zijn voorbeeld, maar Pieter bleef
+zitten. Blijkbaar wist hij niet, of zijne Mama het wel
+goedvond, of misschien wel ontbrak hem de lust.</p>
+
+<p>&raquo;Ga jij niet me?&raquo; vroeg mijnheer de Wild, toen hij
+zag, dat hij bleef zitten.</p>
+
+<p>&raquo;Je moogt medegaan, Pieter,&raquo; zeide zijne Mama met
+een genadig knikje.</p>
+
+<p>&raquo;Jawel, Mama!&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_98" id="Page_98">[98]</a></span></p>
+
+<p>Pieter stond op en volgde ons de trap op, naar Bobs
+kamer, waar Karel, Bob en ik weldra als drie gekken
+over den vloer lagen te rollen, daarbij schuddende van
+het lachen.</p>
+
+<p>Pieter stond ons in de grootste verbazing aan te staren.</p>
+
+<p>&raquo;Waarom lach-jelui zoo?&raquo; vroeg hij min of meer beleedigd.</p>
+
+<p>&raquo;Om je mooie boordje!&raquo; grinnikte Karel.</p>
+
+<p>&raquo;En om je prachtigen wandelstok!&raquo; lachte Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Omdat je er zoo aardig uitziet!&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>&raquo;Jelui bent niet wijzer!&raquo; zei Pieter. &raquo;In de stad zijn
+wij natuurlijk anders gekleed, dan hier op dit dorpje, en
+dat ook onze manieren fijner zijn, dan hier, spreekt van
+zelf. Je moest eerder huilen dan lachen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kan jij boksen?&raquo; vroeg Bob, die plotseling voor zijn
+neef kwam staan, en hem met zijne beide vuisten op
+zijne borst ging stompen.</p>
+
+<p>&raquo;Au! Neen, &mdash; boksen &mdash; au &mdash; kan ik niet. Au! &mdash; Au!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dan zal ik het je leeren! Toe j, stomp terug, of
+jij krijgt alles alleen. Z moet je doen!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Au! &mdash; Au!&raquo; riep Pieter, die niet wist, waar hij zich
+bergen zou. &raquo;Houd-op, Robert, au! Ik doe &mdash; au! &mdash; jou
+immers &mdash; au! &mdash; ook niets!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, dat doe je juist niet, en dat is dom van je.
+Je moet terugboksen, neef, of er blijft niets van je heel,
+zelfs je boordje niet!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Houd maar op, Bobbertje,&raquo; riep Karel zijn vriend toe.
+&raquo;Zoo is er toch geen aardigheid aan; hij verroert geen
+vin. Wat zullen we eens gaan doen?&raquo;</p>
+
+<p>Bob hield met boksen op.<span class="pagenum"><a name="Page_99" id="Page_99">[99]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Een mooi spelletje?&raquo; vroeg hij. &raquo;&rsquo;t Is jammer, dat
+het zoo regent, anders konden we in den tuin om het
+hardst gaan loopen op onze stelten. Maar nu weet ik
+niets. Wat wil jij graag doen, neef Pieter?&raquo;</p>
+
+<p>Bob drukte vooral sterk op de laatste lettergreep.</p>
+
+<p>&raquo;Je houdt me voor den gek, Robert,&raquo; zei hij.</p>
+
+<p>&raquo;Zeg jij maar gerust Bob, hoor!&raquo; klonk het terug.
+&raquo;Maar weet jij geen mooi spelletje?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik niet; wij spelen nooit.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, &mdash; zeg jongens, ik weet wat. Wacht maar even,
+dan zal ik je eens laten zien, wat ik vanmorgen in eene
+oude kist op den zolder gevonden heb. &rsquo;t Is wat prachtigs!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wat dan?&raquo; vroegen wij.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, wacht maar, &mdash; dan zal ik het je laten zien. &rsquo;t Is
+bepaald nog iets uit den jongen tijd van Pa, want tegenwoordig
+doet hij er niet meer aan.&raquo;</p>
+
+<p>Bob ging naar de kast, waarin hij al zijne schatten
+bewaarde, en kwam weldra te voorschijn met eene prachtige
+pijp. Deze bestond uit een mooien kop, die het model
+had van een Turk, met een langen baard en een breeden
+tulband, en daarin was een lange steel van bamboes
+gestoken. &rsquo;t Was werkelijk eene bijzonder mooie pijp, die
+indertijd stellig veel geld moest gekost hebben. De steel
+bestond uit wel vijf deelen, die in elkander geschroefd
+konden worden. Ik had nog nooit zoo&rsquo;n lange pijp gezien.</p>
+
+<p>&raquo;Vind-je haar niet prachtig?&raquo; riep hij ons toe, terwijl
+hij het mondstuk tusschen de lippen nam en smakte als
+een oude smoker.</p>
+
+<p>&raquo;Bijzonder mooi, Bob. Zou die van je Pa geweest zijn?&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_100" id="Page_100">[100]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Ik denk het wl, want Pa rookte vroeger eene pijp.
+Tegenwoordig niet meer, omdat hij er niet goed tegen
+kan. Zeg, jongens, willen we eens rooken?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Bah, rooken!&raquo; zei neef Pieter met een vies gezicht,
+waarop de diepste minachting te lezen stond. &raquo;Wat zou
+Mama wel zeggen, als zij het zag?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Mama ziet het niet!&raquo; zei Bob leuk. &raquo;En als jij het
+niet verklapt, komt niemand het te weten. Je bent toch
+geen klikspaan, hoop ik?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, &mdash; klikken doe ik niet.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is de eerste deugd, die ik in je opmerk,&raquo; zei Bob,
+met zijn bekend knipoogje tegen ons. &raquo;Willen we het
+doen, jongens?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Heb-je tabak?&raquo; vroeg ik.</p>
+
+<p>&raquo;Dat zou ik meenen, &mdash; een ons fijne tabak, van de
+fijnste, die ik krijgen kon. Zie maar eens hier.&raquo;</p>
+
+<p>Bob verdween weer in de kast en kwam met een
+zakje tabak terug, hetwelk hij met een trotsch gebaar
+omhoog hield.</p>
+
+<p>&raquo;Dat is portorico!&raquo; zei Karel. &raquo;Zwaardere tabak
+bestaat er niet.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Best mogelijk,&raquo; zei Bob, &raquo;maar ze rookt uitstekend.&raquo;
+Hij begon nu de pijp te stoppen, wat hem nog ver van
+handig afging. Hij had er al zijne aandacht en zijne
+beide handen voor noodig, en het duurde wel driemaal
+zoo lang als noodig was.</p>
+
+<p>&raquo;Zie zoo,&raquo; zei hij, toen hij eindelijk klaar was, &raquo;nu gaan
+we met ons vieren op den vloer in een kring zitten, en
+rooken als Turksche pacha&rsquo;s. Hier heb ik een doosje lucifers.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_101" id="Page_101">[101]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Maar ik doe niet me,&raquo; zei Pieter. &raquo;Rooken is vergif
+en staat bovendien in het geheel niet fatsoenlijk.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dan zullen wij het onfatsoenlijk doen, Pietje!&raquo; zei
+Bob. &raquo;Weet je, wat jij intusschen wel kunt doen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu, wat dan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wel, trek je glac-handschoentjes aan, neem je stokje
+in de hand en wandel dan met een heel trotsch gezicht
+om ons heen. Dan ben jij de heer en wij stellen de arme
+duivels voor, op wie jij dan uit de hoogte neerziet. Dat
+kan prachtig worden. Kom Dorus en Karel, het spel gaat
+beginnen. Wij nemen een lucifer,&raquo; &mdash; Bob voegde de
+daad bij het woord, &mdash; &raquo;schrappen hem aan, &mdash; en
+pmmm, pmmm, pmmm, wat drommel, die tabak wil niet!
+Hoe kan dat nu wezen? Vanmorgen ging het zoo best.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Laat mij eens probeeren!&raquo; zei Karel.</p>
+
+<p>Bob gaf hem de pijp.</p>
+
+<p>Maar Karel, die er veel verstand van had, want als
+zijn Pa en zijne Moe het niet zagen, rookte hij wel eens
+een cigaretje, &mdash; Karel kon het ook niet.</p>
+
+<p>&raquo;De pijp zit verstopt. Je hebt er de tabak veel te vast
+ingedrukt,&raquo; zei hij.</p>
+
+<p>&raquo;Dan moet ze er weer uit,&raquo; zei Bob.</p>
+
+<p>Hij nam zijn mesje en maakte den kop weer leeg.
+Piet, die intusschen wat rondgeloopen en ons met een
+schuin oog bespied had, kwam langzamerhand wat
+naderbij en nam eindelijk ook in den kring plaats.</p>
+
+<p>Bob knikte hem goedkeurend toe, stopte de pijp
+opnieuw, schrapte nogmaals een lucifer aan, en ha &mdash; daar
+dwarrelden de rookwolken omhoog.<span class="pagenum"><a name="Page_102" id="Page_102">[102]</a></span></p>
+
+<p>Wij staarden het bedrijf van onzen vriend Bob met
+bewondering aan, hetgeen hij, geloof ik, zelf ook deed.</p>
+
+<p>&raquo;Nu zijn we Indianen, die de vredespijp rooken!&raquo; riep
+hij ons opgetogen toe, want hij was in het gelukkige
+bezit van eene sterke verbeeldingskracht.</p>
+
+<p>&raquo;Ooah!&raquo; riep hij uit. &raquo;Wat wil mijn bleeke broeder?&raquo;</p>
+
+<p>Bij die woorden keek hij neef Piet met groote oogen
+aan en blies hem dichte rookwolken in het gelaat, zoodat
+de bleeke broeder begon te hoesten en te proesten van
+belang. Nu was de gegeven naam op Piet volkomen
+van toepassing, want hij had eene verbazend bleeke
+gelaatskleur, iets wat van Karel of mij niet gezegd kon
+worden. Wij hadden kleuren als boeien!</p>
+
+<p>Piet antwoordde niet op Bobs vraag, wat tengevolge
+had, dat hem eene tweede groote rookwolk werd toegeblazen
+en het Indianen-opperhoofd hem nogmaal toevoegde:</p>
+
+<p>&raquo;Ooah! Waarom zwijgt mijn bleeke broeder? Wat
+wenscht hij? Mijn bleeke broeder spreke!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kuche &mdash; kuche &mdash; kuche &mdash; niets &mdash; ik &mdash; kuche
+ik wensch niemendal! &mdash; H, je doet me bijna stikken!&raquo;
+riep Piet, terwijl hij met zijne beide handen den rook
+van zich afweerde.</p>
+
+<p>Karel en ik gierden het uit van de pret. Doch Bob
+bleef onverstoorbaar doorrooken.</p>
+
+<p>&raquo;Ooah!&raquo; zeide hij, &raquo;mijn bleeke broeder is verstandig;
+hij is geen klapachtige vrouw, die zijne geheimen verraadt.
+Mijn broeder is een groot opperhoofd en een wijs man. Pffff!&raquo;</p>
+
+<p>Bij dit pfff blies hij den armen Piet weer zulk eene<span class="pagenum"><a name="Page_103" id="Page_103">[103]</a></span>
+geduchte rookwolk toe, dat bijna niets meer van hem
+te zien was. Daarna reikte hij hem de pijp toe en zeide
+op plechtigen toon:</p>
+
+<p>&raquo;Dat mijn broeder de pijp des vredes rooke!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wat? &mdash; Ik rooken?&raquo; riep Piet verschrikt uit, maar
+toch keek hij de pijp met begeerige blikken aan. &raquo;O, neen,
+dat doe ik niet &mdash; dat heb ik nog nooit gedaan!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Verlangt mijn broeder den strijd?&raquo; riep Bob met
+woedende blikken uit, terwijl hij de vuisten balde en ze
+zijn neef vlak onder den neus hield.</p>
+
+<p>&raquo;Strijd? O neen, &mdash; geen strijd!&raquo; zei Piet, die nog aan
+de bokskunst van Bob dacht.</p>
+
+<p>&raquo;De Woeste Gier is een groot opperhoofd!&raquo; zei Bob,
+op zichzelven wijzende. &raquo;Hij heeft vele scalpen en de
+jonge krijgslieden zingen zijn lof. Hij wenscht met zijn
+bleeken broeder de vredespijp te rooken.&raquo;</p>
+
+<p>Nogmaals hield hij Piet de pijp voor. Deze greep hem
+aan en &mdash; rookte, tot groot vermaak van ons alle drie,
+want wij begrepen heel goed, wat Bob in zijn schild
+voerde. En al hadden wij het niet begrepen, dan zou
+zijn geheimzinnig knipoogen het ons wel verraden hebben.</p>
+
+<p>Het scheen Piet, nu hij eenmaal aan den gang was,
+uitstekend te bevallen, want hij dampte, dat het een
+lust was, om te zien. Hij werd nu zelfs grappig, want
+hij blies Bob groote rookwolken in het gelaat en zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Het bleeke opperhoofd groet zijn broeder den Woesten
+Gier, wiens dapperheid over de geheele wereld bekend is.
+Het bleeke opperhoofd biedt hem zijn vriendschap aan.&raquo;</p>
+
+<p>Nu, dat viel ons mede van Piet. Wij hadden niet<span class="pagenum"><a name="Page_104" id="Page_104">[104]</a></span>
+gedacht, dat hij zoo goed mede kon doen. Wij knikten
+hem daarom goedkeurend toe, wat hem blijkbaar niet
+onwelgevallig was, althans, hij begon nog veel sterker
+te dampen, zoodat de kamer wel een rookhol geleek,
+en vervolgde:</p>
+
+<p>&raquo;Wanneer keert mijn roode broeder naar zijne wigwam
+weder?&raquo;</p>
+
+<p>En plotseling uit zijn rol vallende, zeide hij:</p>
+
+<p>&raquo;Zeg Bob, dat rooken valt me bijzonder me. &rsquo;t Gaat
+heel gemakkelijk, en &rsquo;t smaakt goed. Volstrekt niet erg
+bitter, zooals ik altijd dacht.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, is &rsquo;t waar? En wanneer wordt het onze beurt?&raquo;
+vroeg Karel. &raquo;Of ben je van plan, de heele pijp leeg te
+rooken?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik heb tabak genoeg, Karel,&raquo; zei Bob. &raquo;Als de pijp
+leeg is, stoppen we haar weer, en dan kan-je zooveel
+rooken als je wilt.&raquo;</p>
+
+<p>En plotseling zijne knien optrekkende en het hoofd
+daarop doende rusten, vervolgde hij weer als Indianen-opperhoofd:</p>
+
+<p>&raquo;Als de zon driemaal in de zee zal zijn neergedaald,
+zal de Woeste Gier terugkeeren naar zijn wigwam; dan
+zullen de jonge krijgers hunne oorlogsliederen zingen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Gaat mijn broeder ten strijde?&raquo; vroeg Piet, steeds
+voortdampende.</p>
+
+<p>&raquo;De bleeke mannen hebben onze jachtvelden betreden
+en hebben mijne roode kinderen gedood!&raquo; zei Bob somber.</p>
+
+<p>&raquo;O, dat zij vreezen voor onze wraak! De roode mannen
+zijn dapper. Zij vreezen den dood niet.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_105" id="Page_105">[105]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Zeg Bob,&raquo; zei Piet opeens, en zijne oogen stonden ver
+van vroolijk. &raquo;Ik geloof nooit, dat dit beste tabak is. Er
+komt zulk een vreemde smaak aan.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Malligheid! De tabak is wel goed, maar de rooker
+deugt niet. Je kunt er niet tegen, neefje, denk ik.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Of ik!&raquo; zei Piet, die weer dapper begon te trekken,
+en nogmaals ons allen de rookwolken in het gelaat blies.
+Maar spoedig hield hij er mede op.</p>
+
+<p>&raquo;Ah bah!&raquo; zeide hij, terwijl hij de pijp met alle teekenen
+van afkeer neerwierp. &raquo;Wat smaakt dat leelijk!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En eerst vond je het zoo lekker?&raquo; zei Karel lachend.</p>
+
+<p>&raquo;Eerst, &mdash; o ja, maar &rsquo;t wordt hoe langer hoe leelijker.
+Bah, wat word ik akelig.&raquo;</p>
+
+<p>Piet stond op en begon onrustig door de kamer te
+loopen. Hij was nu in den volsten zin van het woord
+een bleekgezicht, want hij had geen kleur meer op zijn
+gelaat. En wat stonden zijne oogen flets!</p>
+
+<p>Voortdurend hoorden wij hem diepe zuchten slaken.
+Blijkbaar werd hij meer en meer onpasselijk. Nu moet
+ik eerlijk zeggen, dat wij niet veel medelijden met hem
+hadden, en dat wij hem geducht voor den gek hielden.</p>
+
+<p>&raquo;Wat doet mijn bleeke broeder vreemd!&raquo; zei Bob
+plagend. &raquo;Zoekt mijn bleeke broeder iets?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Hij zoekt eene pijp!&raquo; zei Karel. &raquo;Hij wenscht de
+vredespijp te rooken.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Loop rond!&raquo; zei Piet nijdig, &raquo;als jelui voeldet, wat ik
+voel, hier &mdash; in mijne maag, dan zou je zoo grappig niet
+zijn. Ah bah, wat word ik misselijk!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Pas dan op je schoone boordje, Pieter,&raquo; was de vriendelijke<span class="pagenum"><a name="Page_106" id="Page_106">[106]</a></span>
+raad van Bob, die de pijp opnieuw stopte, en
+haar aan Karel en mij gaf, opdat ook wij gelegenheid
+zouden hebben, er van te genieten.</p>
+
+<p>&raquo;Trek je handschoenen aan, Pieter, en neem je rotting
+in de hand, dan maak je een prachtig figuur,&raquo; zei Karel
+dampende.</p>
+
+<p>&raquo;O, &mdash; wat ben ik ziek,&raquo; zuchtte Pieter, die onrustig
+de kamer op- en neerliep. &raquo;Die ellendige tabak! Ik
+wou, dat ik ze nooit gezien had.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Smaakt heerlijk!&raquo; zei Karel, groote rookwolken uitblazende.</p>
+
+<p>&raquo;Dat schijnt wel,&raquo; zei ik. &raquo;Wanneer kom ik nu aan
+de beurt?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Asjeblieft, hier heb je haar. Je moet flink doortrekken,
+Dorus, dan gaat het &rsquo;t best.&raquo;</p>
+
+<p>Dien raad volgde ik getrouw op, en Bob en Karel knikten
+mij goedkeurend toe.</p>
+
+<p>&raquo;Je doet het best,&raquo; zei Bob. &raquo;Echt lekker, h?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; maar een beetje bitter,&raquo; merkte ik op. Eigenlijk
+vond ik het afschuwelijk, maar wijl mijne kameraden het
+zoo heerlijk vonden, ontbrak mij de moed, om dat te
+bekennen. Dus rookte ik dapper voort.</p>
+
+<p>Toch speet het mij niets, toen Bob zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Nu ben ik weer aan de beurt!&raquo;</p>
+
+<p>Ik reikte hem de pijp over, en weldra dampte mijn
+vriend als een fabrieksschoorsteen.</p>
+
+<p>&raquo;Wel neef Pieter,&raquo; vroeg hij, &raquo;hoe gaat het je nu?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik ga dood, &mdash; ik ben doodziek. O, &mdash; ach, &mdash; h &mdash; wat
+ben ik ellendig.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_107" id="Page_107">[107]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Jongetjes als jij moeten ook niet rooken,&raquo; spotte Bob.</p>
+
+<p>&raquo;En wat zit je krom, Pieter. Rechtop zitten, mijn
+jongen.&raquo;</p>
+
+<p>Wat hadden wij eene pret om de benauwde gezichten,
+die Pieter trok. Wij schaterden soms van &rsquo;t lachen.</p>
+
+<p>&raquo;Hier, Karel, jou beurt!&raquo; zei Bob opeens, veel spoediger
+dan wij dachten. En het scheen mij toe, of hij een klein
+weinigje bleek werd.</p>
+
+<p>&raquo;Neen, Bob,&raquo; zei Karel, &raquo;dat is te vroeg. Ga gerust
+je gang nog een poosje.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Pak aan,&raquo; zei Bob kortaf. &raquo;&rsquo;t Is eerlijk jou beurt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O, &mdash; ik weet geen raad!&raquo; zuchtte Pieter. &raquo;Als Mama
+nu toch eens hier kwam.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Pak aan, Karel, &rsquo;t is jou beurt,&raquo; herhaalde Bob, daar
+Karel er edelmoedig op bleef aandringen, dat Bob nog
+een poosje genieten zou.</p>
+
+<p>Schoorvoetend nam Karel de pijp aan, en rookte, maar
+och, hij trok lang zoo hard niet meer als eenige oogenblikken
+geleden, en hij zag er in het geheel niet opgewekt
+uit.</p>
+
+<p>Opeens ging mij een licht op. Bob en Karel hadden,
+evenals neef Pieter, te veel gerookt en begonnen er de
+gevolgen van te ondervinden.</p>
+
+<p>&raquo;Nu jij weer, Dorus,&raquo; zei Karel op zijn gulsten toon,
+terwijl hij mij de pijp toereikte, maar och, wat begon hij
+bleek te zien.</p>
+
+<p>&raquo;Die zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht,&raquo;
+zegt het spreekwoord,&raquo; zei ik leuk. &raquo;Als ik mij niet bedrieg,
+hebben Karel en Bob een even naar gevoel in hunne<span class="pagenum"><a name="Page_108" id="Page_108">[108]</a></span>
+maag als neef Pieter, en daar ik mij nog heel lekker bevind,
+zal ik zoo vrij zijn, mijne beurt te laten voorbijgaan.
+Ha-ha-ha-, nu wordt de zaak bepaald grappig.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ook ziek?&raquo; vroeg Pieter met een zuur-zoeten glimlach.
+&raquo;Dat doet me pleizier. Wil jij nu mijne handschoenen
+te leen, Bob, dan kan Karel mijn rotting krijgen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dank je!&raquo; zei Bob. &raquo;Bah, wat word ik draaierig.&raquo;.</p>
+
+<p>&raquo;Ik ook!&raquo; zuchtte Karel. &raquo;Ik ben &mdash; ik voel me erg
+onpasselijk. Ik ga naar buiten.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dan ga ik me,&raquo; zuchtte Bob. &raquo;O foei, wat is het
+hier benauwd.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Naar buiten? Ik ga ook,&raquo; zei Pieter. &raquo;Hier weet ik
+me geen raad.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dan zal ik jelui gezelschap houden,&raquo; zei ik lachend,
+want daar ik minder gerookt had dan de anderen, was
+ik vrij wel in orde. En och, wat had ik een pret over Bob,
+die zoo mooi een kuil gegraven had voor neef Pieter, en
+geindigd was, met er zelf in te vallen.</p>
+
+<p>&rsquo;t Regende nog, dat het goot, dus moesten wij onze
+toevlucht nemen tot het priel, wat wij ook deden. Maar
+nauwelijks hadden mijn drie vrienden zich van benauwdheid
+op de banken uitgestrekt, waar zij lagen te zuchten
+en te stenen, om zelfs een bevroren hart te doen smelten, &mdash; o
+heden, daar kwam mevrouw van Koorde aan, die eens
+kwam zien, wat haar zoontje uitvoerde.</p>
+
+<p>&raquo;Wel Pieter,&raquo; klonk het streng uit haar mond, &raquo;wat
+lig je daar onbehoorlijk op die bank. Ga recht-op zitten,
+dadelijk!&raquo;</p>
+
+<p>Pieter gehoorzaamde.<span class="pagenum"><a name="Page_109" id="Page_109">[109]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Maar kind, wat zie je doodsbleek! Scheelt er iets aan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja Mama! &mdash; ik ben ziek, och, toch zoo ziek!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En jij ook, Karel, en jij Robert, je ziet allen doodsbleek!
+Je hebt toch niets gegeten, dat verkeerd was?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen tante, heusch niet! Pfff, wat ben ik benauwd!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Goede hemel! Hier moet iets gebeurd zijn, iets vreeselijks.
+De dokter moet komen, dadelijk, vr het te laat
+is. Pieter, mijn lieveling, wordt het iets beter?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen Mama, nog niets. &rsquo;t Wordt nog veel erger!&raquo;</p>
+
+<p>Mevrouw ijlde naar binnen, maar weldra kwam zij terug,
+gevolgd door mevrouw en mijnheer de Wild.</p>
+
+<p>&raquo;Wat is hier aan de hand, Bob?&raquo; vroeg de laatste.
+&raquo;De volle waarheid, hoor jongen, zooals ik dat van je
+gewoon ben.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, Bob, spoedig, spreek, eer het te laat is!&raquo; zei zijne
+Moe, wie ook de angst op het gelaat te lezen stond.</p>
+
+<p>&raquo;Pa, &mdash; wij hebben &mdash; de vredespijp gerookt,&raquo; zei Bob.
+&raquo;Pfff, wat ben ik ziek.&raquo;</p>
+
+<p>Mijnheer de Wild begon onbedaarlijk te lachen.</p>
+
+<p>&raquo;Gerookt? De vredespijp gerookt? Ha-ha-ha! Dat
+is vermakelijk! Je wist toch, dat je niet rooken mocht?
+Mooi zoo, &rsquo;t kon niet beter. Die pijp, die vredespijp heeft
+je mooi te pakken. Dat ding past zelf de straf toe, die
+bij het misdrijf behoort. &rsquo;t Is niets, vrouw, en beste zuster,
+maak je ook maar niet ongerust, &rsquo;t zal van zelf wel beter
+worden! Ha-ha-ha! &rsquo;t Is meer dan grappig!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Foei, Pieter, foei&raquo; zei zijne Mama, &raquo;hoe kon je je zelven
+zoozeer verlagen, om te gaan rooken? Je moest je schamen!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja Mama!&raquo; zei Pieter met een diepen zucht.<span class="pagenum"><a name="Page_110" id="Page_110">[110]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Kom, kom!&raquo; sprak mijnheer de Wild. &raquo;Zij hebben
+straf genoeg. Heusch, vooreerst zullen zij die vredespijp
+wel met vrede laten. Kom, laten we naar binnen gaan.&raquo;</p>
+
+<p>Karel Holm stond ook op.</p>
+
+<p>&raquo;Ik ga naar huis,&raquo; zei hij, toen de familie weg was.</p>
+
+<p>&raquo;Adieu! Tot morgen!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En ik &mdash; ik ga naar bed!&raquo; zei Pieter. &raquo;Ik ben doodziek.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En wat doet de Woeste Gier?&raquo; vroeg ik plagend aan
+Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Loop naar de Mookerheide!&raquo; duwde Bob mij toe.</p>
+
+<p>&raquo;Dank je, dan ga ik liever naar huis,&raquo; was mijn antwoord.</p>
+
+<p>Zoo gingen wij ieder onzes weegs.</p>
+
+<p>Maar pret had ik, dat moet ik zeggen.</p>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_111" id="Page_111">[111]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Zevende Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Hoe ons viertal uit zwemmen ging en doornat thuiskwam.<br />
+Een vechtpartijtje en eene vreeselijke spookgeschiedenis.</p>
+
+
+<p>Een paar dagen later liep ik na schooltijd op mijne
+stelten door het dorp, toen ik Karel Holm ontmoette,
+die ook zijne houten onderdanen bij zich had. Samen
+gingen wij Bob afhalen, die, zooals hij dat noemde, nog
+altoos met neef Pieter opgescheept zat.</p>
+
+<p>&raquo;Kom je niet spelen?&raquo; vroegen we.</p>
+
+<p>&raquo;Spelen, &mdash; dat mag Pieter niet; zijne Mama wil het
+niet hebben. Maar hij mag wel wandelen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu, laten we dan gaan wandelen,&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dat is goed,&raquo; merkte Karel op, &raquo;maar zeg, Pieter,
+dan moet je je rotting thuislaten, hoor. Anders ga ik
+niet me!&raquo;</p>
+
+<p>Dat vond Pieter goed, en daar hij geen stelten had,
+besloten wij, de onze ook maar bij Bob te laten en te
+voet onze reis door het leven te vervolgen.<span class="pagenum"><a name="Page_112" id="Page_112">[112]</a></span></p>
+
+<p>Maar dat wandelen begon ons al spoedig te vervelen,
+en Karel zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Zeg jongens, &mdash; ik weet wat. Laten we gaan zwemmen.
+&rsquo;t Is mooi weer, warm zelfs, al is het nog vroeg in het
+jaar (we schreven, zooals ik zeide, begin Juni), en een
+bad zal ons goed doen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Best,&raquo; zei ik. &raquo;Waar gaan we het doen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Bij de hut, achter in het land,&raquo; zei Bob. &raquo;Daar gaan
+we immers altijd!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Afgesproken!&raquo; zei Karel. &raquo;Dezen kant op, jongens.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is te zeggen,&raquo; zei Pieter, &raquo;zwemmen kan ik niet,
+en ik weet niet, of Mama het wel hebben wil.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ga het dan eerst vragen,&raquo; raadde Karel aan.</p>
+
+<p>&raquo;Neen, Pieter, niet vragen!&raquo; zei Bob. &raquo;Ik zou in jou
+geval maar niet gaan zwemmen en toeschouwer blijven.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dat is ook goed,&raquo; zei Pieter, die al niet zoo vervelend
+meer was als eerst. Hij was bij Bob onder
+goede leiding.</p>
+
+<p>Wij gingen dus naar de ons bekende plaats achter in
+het land. Een smal pad voerde daarheen. &rsquo;t Was er zeer
+eenzaam, want er stond slechts eene enkele hut, die
+bewoond werd door een arbeidersgezin, bestaande uit
+man, vrouw en drie jongens. &rsquo;t Was eene zeer onzindelijke
+familie, en de jongens zagen er altoos z vuil uit,
+dat niemand met hen spelen wilde. Zij kwamen zeer
+ongeregeld ter school, soms kwamen zij zelfs wel in geen
+maand. Tengevolge daarvan waren zij natuurlijk zeer
+achterlijk, wat hunne vorderingen betrof. Op het schoolplein
+beleefden zij ook niet veel genoegen, want zij<span class="pagenum"><a name="Page_113" id="Page_113">[113]</a></span>
+werden door ons allen voor den gek gehouden en
+geplaagd, zoodat er dikwijls vechtpartijen tusschen de
+andere jongens en hen ontstonden. Wij leefden altoos
+met hen op den voet van oorlog.</p>
+
+<p>Toen wij nu de hut voorbijliepen zagen wij de jongens
+van Visbeen, zoo heetten zij, achter in hun tuin spelen,
+en zij zagen ons ook, maar zij lieten ons ongemoeid
+voorbijgaan. Trouwens, dat was hun ook geraden, want
+wij waren met ons vieren tegen hen met hun drien.
+Zij liepen dus veel kans, het onderspit te moeten delven.</p>
+
+<p>Een paar minuten verder lag de beek, waar wij in
+den zomer gewoon waren ons bad te nemen.</p>
+
+<p>Karel, Bob en ik begonnen ons te ontkleeden, wat ons
+maar een minimum van tijd kostte, en sprongen toen vlug
+te water. Diep was het er niet, want het water kwam
+ons niet hooger dan de borst, zelfs op de diepste plaats.</p>
+
+<p>Neef Pieter zat aan den oever naast onze kleren, en
+volgde met belangstelling onze evolutin in het natte
+element. Die waren inderdaad ook wel bezienswaardig.
+Wij hoosden elkander met water, dat er geen haartje
+van ons droog bleef, of wij sloegen met onze vlakke
+handen zoo geweldig op watervlak, dat de droppels hoog
+boven onze hoofden spatten. Dan weer deden we krijgertje,
+en hadden nooit grooter pret, dan als wij een ander bij
+de beenen konden pakken, waarvan het stevaste gevolg
+was, dat hij voor-over kopje-onder gedompeld werd. Soms
+sprong Bob op mijn rug en klauterde Karel op dien van
+Bob, wat een heel vrachtje was, dat kan ik verzekeren.
+Ik was dan &raquo;het fundament, waarop het geheele gebouw<span class="pagenum"><a name="Page_114" id="Page_114">[114]</a></span>
+rustte,&raquo; zei Karel dan, wiens vader architect was. Maar
+o j, als dan het fundament instortte! Dan zonk het
+geheele gebouw onder water en kwamen wij alle drie
+even later weer hoestende en proestende boven.</p>
+
+<p>&raquo;Wat gaat dat heerlijk!&raquo; riep Pieter ons toe, terwijl
+hij opstond en zich van zijne kleren begon te ontdoen.
+&raquo;Ik kom er ook in; hier verveel ik me, en &rsquo;t schijnt me
+z prettig toe. Jelui komt er toch nog niet uit?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O neen,&raquo; zei Bob, terwijl hij met eene behendige
+beweging Karels voet greep en hem eene duikeling liet
+maken, &raquo;nog lang niet, Pieter, kom er maar bij! Er
+is nog ruimte genoeg hier, en water ook.&raquo;</p>
+
+<p>Het duurde dan ook maar kort, of Pieter stapte met
+zijn rechterbeen in het water, en hij deed het angstvallig
+genoeg, om ons te doen zien, dat het voor hem
+een zeer ongewoon werk was.</p>
+
+<p>&raquo;H,&raquo; zei hij, zijn voet weer schielijk terugtrekkende,
+&raquo;wat is dat koud!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O j, stap er maar flink in, des te spoediger is dat
+voorbij. Wij voelen geene koude meer, nietwaar, jongens?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Geen sprake van!&raquo; klonk ons antwoord. &raquo;Stap er maar
+in, Pietje. Heusch, het zal je mevallen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar &rsquo;t is zoo koud,&raquo; zei Piet weifelend.</p>
+
+<p>&raquo;Niet zoo koud, als ongekleed aan den oever te
+staan,&raquo; zei Bob. &raquo;Maar je moet het zelf weten, hoor.&raquo;</p>
+
+<p>Pieter stak opnieuw zijn voet in het water, en toen
+eenmaal zijn eene been tot aan de knie verdwenen was,
+volgde schoorvoetend zijn andere.</p>
+
+<p>&raquo;Brrr,&raquo; zei hij. &raquo;Wat is het koud.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_115" id="Page_115">[115]</a></span></p>
+
+<p>Hij beefde inderdaad over zijn geheele lichaam.</p>
+
+<p>Karel en Bob besloten aan zijn weifelen een kort
+einde te maken. Snel liepen zij op hem toe en grepen
+hem, vr hij de vlucht had kunnen nemen, ieder bij
+een arm. Toen werd hij met geweld megetrokken.</p>
+
+<p>&raquo;Brrr &mdash; h &mdash; h &mdash; h &mdash; brrr!&raquo; rilde hij. &raquo;Lh-ha-ha-haat
+me lho-hos!&raquo; zei hij smeekend. &raquo;Ik verdrink!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Geen nood, Pieter, we zullen je wel vasthouden,&raquo; zei
+Bob. En toen zij midden in de beek waren, vervolgde
+hij tot Karel, met een geheimzinnig knipoogje:</p>
+
+<p>&raquo;Nu moet hij gedoopt worden, Karel. En, twee &mdash; drie,
+daar gaat Pieter!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O nh &mdash; he &mdash; heen! Niet onder-dompelen!&raquo; smeekte
+Piet. Maar dat baatte hem niet. Door vier sterke armen
+aangegrepen, dook hij plotseling kopje-onder. En nauwelijks
+kwam zijn hoofd als een natte poedel weer boven
+water, of daar ging hij voor de tweede maal, nog vr
+hij gelegenheid had gehad, een enkel woord te uiten.</p>
+
+<p>&raquo;Driemaal is scheepsrecht!&raquo; riep Bob.</p>
+
+<p>En daar ging Pietje voor de derde maal.</p>
+
+<p>&raquo;Zie zoo, dat zal hem goed doen,&raquo; zei Bob. &raquo;Nu ben-je
+hier burger geworden, Pietje!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Brrr &mdash; pfff &mdash; o &mdash; wat &mdash; nat! Brrr! Pfff!&raquo; kermde
+Piet, die nu zijne vrijheid terug kreeg en hulpeloos
+midden in de beek bleef staan. Hij durfde zich blijkbaar
+niet bewegen en gevoelde zich te midden van zooveel
+vloeistof in het geheel niet op zijn gemak.</p>
+
+<p>Dat duurde echter maar kort, want wij ontzagen hem
+niet. Pof, daar werden hem door Karel, die ongemerkt<span class="pagenum"><a name="Page_116" id="Page_116">[116]</a></span>
+onder water naar hem toegeloopen was, plotseling de
+beide beenen onder het lichaam weggetrokken, en verdween
+Piet, zonder een kik te geven en volgens mijne vaste
+overtuiging zonder het zelf te weten, totaal onder water.</p>
+
+<p>&raquo;Wat was dat? Brrr, pfff! Wat was dat?&raquo; vroeg hij
+ontsteld. &raquo;Er trok me iets aan de beenen!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;k Weet het niet!&raquo; zei Karel, die zich al weer een
+heel eind verder bevond.</p>
+
+<p>&raquo;Wat kan dat toch geweest.....&raquo;</p>
+
+<p>O h, daar verdween Piet alweer! Nu had Bob hem
+denzelfden dienst bewezen. Och, och, wat moesten wij
+toch lachen. Maar nu begon Pietje toch te begrijpen,
+dat wij een loopje met hem namen. Hij vroeg niets meer,
+maar begon zich langzaam te bewegen. En nu hij
+bemerkte, dat hij dit zeer gemakkelijk kon doen, kreeg
+hij er zelfs schik in. Nu duurde het nog maar kort, of
+hij danste in het water van pleizier.</p>
+
+<p>&raquo;Wat is men licht in het water, zoo licht als een
+vertje,&raquo; zei hij. &raquo;&rsquo;k Vind het hier heerlijk.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Krijgertje doen?&raquo; vroeg ik.</p>
+
+<p>&raquo;Ja wel, ik ben hem!&raquo; zei Bob.</p>
+
+<p>Nu werd het een loopen, draven en zwemmen, van
+wat ben je me! De golven liepen hoog tegen den wal
+op, zooveel drukte maakten we. En in het vuur van ons
+spel verwijderden we ons veel verder van onze kleeren,
+dan voorzichtig genoemd mocht worden. Trouwens,
+we dachten aan geen gevaar en allerminst aan de Visbeentjes,
+met wie wij toch steeds op een vijandigen voet
+stonden.<span class="pagenum"><a name="Page_117" id="Page_117">[117]</a></span></p>
+
+<p>Wij dachten pas aan hen, toen wij hen aan den oever
+zagen verschijnen, &mdash; maar toen was het laat.</p>
+
+<p>&raquo;Gooi in het water &mdash; die kleeren!&raquo; hoorden wij een
+van hen zeggen.</p>
+
+<p>&raquo;Durf je niet?&raquo; vroeg een ander. &raquo;Ik wl!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En dan graszoden er bovenop, dan zinken ze!&raquo; zei
+de derde met een grijnslach. &raquo;Maar vlug dan, want ze
+komen al terug!&raquo;</p>
+
+<p>Ja, dat deden we juist, en wel zoo snel als we konden,
+want we begrepen zeer goed, welk gevaar ons dreigde.
+Die jongens waren tot alles in staat.</p>
+
+<p>Bob meende ze nog angst aan te jagen, door hen te
+bedreigen met alles, wat onpleizierig is, of althans ze
+daardoor een oogenblik op te houden, ten einde tijd te
+winnen.</p>
+
+<p>&raquo;Als je &rsquo;t hart hebt, om onze kleren aan te raken!&raquo;
+riep hij hun toe. &raquo;Wacht je dan voor de gevolgen!&raquo;</p>
+
+<p>Maar zij waren onvermurwbaar.</p>
+
+<p>Met eene vlugge beweging werden al onze kleeren in
+het water geworpen en groote graszoden daarop gegooid,
+om ze te doen zinken.</p>
+
+<p>In een oogenblik waren Bob, Karel en ik op den wal,
+om ons zoo mogelijk te wreken, maar helaas, tot onze
+groote spijt zetten de plaaggeesten het op een loopen
+en brachten zich in hun huis in veiligheid. Wat waren
+wij kwaad!</p>
+
+<p>&raquo;Als ik ze in handen krijg, wrijf ik ze tot mosterd!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dan gooi ik ze te water met kleren en al aan!&raquo;
+voorspelde Karel. &raquo;Die apen!&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_118" id="Page_118">[118]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Waren het maar apen!&raquo; zei ik. &raquo;Dan konden wij ze
+naar Artis sturen en dan hadden wij er geen last aan.
+&rsquo;t Is eene mooie geschiedenis: al ons goed is door- en
+doornat. Wat moeten we nu doen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En wat zal Mama wel zeggen,&raquo; kreunde Pieter, die
+niet zwemmen mocht. Wij hadden daar geen zorg over,
+want wij hadden permissie. &raquo;Al mijne kleeren zijn
+gezonken! Wat moet ik nu beginnen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ze opvisschen, j,&raquo; zei Bob. &raquo;Dat is het eenige, wat
+ons overschiet.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En dan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ze aantrekken!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar ze zijn slijknat!&raquo; steende Pieter, wien het huilen
+nader stond dan het lachen.</p>
+
+<p>Wij stapten in het water en begonnen onze eigendommen
+op te duiken.</p>
+
+<p>&raquo;Hier heb ik mijn hemd al vast!&raquo; zei ik, met iets
+wits boven de oppervlakte verschijnende.</p>
+
+<p>&raquo;Dat zou je wel willen,&raquo; zei Bob grinnekend. &raquo;&rsquo;t Is het
+mijne, Kareltje. Hier heb ik een borstrok! Van wien is
+die? Van mij is hij niet, dat zie ik wel.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O, &rsquo;t is de mijne,&raquo; snikte Pieter, die hoe langer hoe
+bedroefder werd.</p>
+
+<p>&raquo;Leg hem maar op den kant,&raquo; zei Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Ik heb twee schoenen!&raquo; riep Karel.</p>
+
+<p>&raquo;En ik eene kous!&raquo; juichte ik.</p>
+
+<p>&raquo;Gooi alles maar op een hoop,&raquo; zei Bob, &raquo;dan kunnen
+we het straks wel sorteeren.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Eene broek!&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_119" id="Page_119">[119]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Nog eene!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En eene blouse! Weer twee schoenen!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Hier is een hemd!&raquo;</p>
+
+<p>Al dergelijke kreten wisselden elkander af. Over het
+geheel bekeken wij de zaak nog al van den vroolijken
+kant. Trouwens, het was ook onze schuld niet, en wij
+zouden er stellig geen straf voor oploopen. Alleen Pieter
+kon er het vroolijke niet van inzien. De tranen liepen
+hem eindelijk langs de wangen, en hij stond aan den
+oever te midden van onze natte kleeren, als het beeld
+der wanhoop.</p>
+
+<p>&raquo;Och, och, wat moet ik toch beginnen?&raquo; jammerde
+hij. &raquo;Was ik maar niet met jelui megegaan en had ik
+maar niet gezwommen!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kom Pietje, zeur nu niet, asjeblieft, want daar komen
+we niet verder me. Help liever de kleren uitzoeken,
+want alles ligt door elkaar.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En moeten we dat nu zoo nat en wel aantrekken?&raquo;
+vroeg Piet op schreinden toon, terwijl hij zijn flanellen
+hemd tusschen vinger en duim omhoog hield, om ons
+te doen zien, hoe het water er uitdroop.</p>
+
+<p>&raquo;We zullen je wel helpen, wacht maar even. Kijk,
+neem jij nu het ondereinde, dan zal ik den anderen kant
+nemen,&raquo; zei Bob, die medelijden met hem begon te
+krijgen. &raquo;Mooi zoo, nu draai jij van links naar rechts
+en ik in de tegenovergestelde richting. Ferm zoo, &mdash; toe
+maar, zoo stijf als je kunt. Zie je, zoo wringen wij er
+al het water uit, tot er bijna geen droppeltje inblijft.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is een goed voorbeeld, Karel!&raquo; zei ik. &raquo;Laten wij<span class="pagenum"><a name="Page_120" id="Page_120">[120]</a></span>
+het ook doen. Droog worden onze kleeren er wel niet
+door, maar het meeste water raken wij er toch door kwijt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Accoord, Dorus!&raquo; zei Karel. &raquo;Ik ben tot je dienst.
+Hier heb ik eene pantalon. Pak aan, jij de pijpen en ik
+het boveneinde. En nu &mdash; draaien maar. Ha, wat loopt
+dat water er uit! Toe maar, Dorus, draaien, draaien, zoo
+hard je kunt. Zoo gaat het goed!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Jammer, dat we geen mangel hebben!&raquo; riep Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Of een strijkijzer!&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>&raquo;Dat hindert niet!&raquo; zei Karel. &raquo;Als het maar droog
+wordt!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; zoo droog, dat Mama er niets van merkt!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen Piet, daar behoef je niet op te rekenen, hoor.
+Of je moet je een paar uren te bleeken leggen!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu de kousen!&raquo; zei ik, toen we de pantalon weer in
+haar fatsoen gebracht hadden, althans voor zoover ons
+mogelijk was.</p>
+
+<p>Zoo kreeg elk kleedingstuk eene beurt, en ten laatste
+waren we zoover gevorderd, dat we ons weer konden
+aankleeden. Brrr, wat was dat natte goed koud! Piet
+had het er &rsquo;t kwaadst mede. Hij rilde, dat de Visbeenen
+hem bij de hut wel hooren konden, en die akelige jongens
+stonden ons in den tuin nog uit te lachen op den
+koop toe.</p>
+
+<p>&raquo;Hoe wou ik, dat ik ze eens te pakken kon krijgen,&raquo;
+zei Bob met gebalde vuisten. &raquo;Wat zou ik ze trakteeren!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En ik!&raquo; riepen Karel en ik. &raquo;Niets liever dan dat!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kom jongens, zijn we klaar? Laten we dan gaan!&raquo;
+zei Bob.<span class="pagenum"><a name="Page_121" id="Page_121">[121]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Ja,&raquo; zei Karel, &mdash; &raquo;en we moeten hard loopen, om
+warm te worden. Ik ben door en door koud!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Uitstekend! Vooruit, &mdash; daar gaan we!&raquo;</p>
+
+<p>Ja, daar gingen we, zoo hard we konden. Eerst was
+het wel een zeer onaangenaam gevoel, al die natte
+kleren, maar daar was nu eenmaal niets aan te veranderen.</p>
+
+<p>In gestrekten draf, en zonder de hut en hare bewoners
+met een enkelen blik te verwaardigen, keerden we huiswaarts,
+door en door boos op de laffe jongens, die ons
+deze poets gespeeld hadden. Wij vonden het eene verbazend
+flauwe aardigheid, waartoe wij ons nooit zouden
+geleend hebben.</p>
+
+<p>Plotseling hoorden wij een luid gejuich achter ons, dat
+aangeheven werd door de Visbeentjes, en weldra bemerkten
+wij, dat we door hen achtervolgd werden. Ook scholden
+zij ons uit, voor alles wat leelijk was, wat wij ook nooit
+deden. Schelden vonden wij een kinderachtig vermaak,
+waarboven wij ons verheven achtten.</p>
+
+<p>Uit een en ander maakten wij op, dat de Visbeenen
+aan onzen snellen aftocht eene geheel verkeerde uitlegging
+gaven. Blijkbaar verkeerden zij in den waan, dat wij bang
+voor hen waren en daarom overijld het hazenpad kozen.</p>
+
+<p>&raquo;Ik geloof, dat zij ons achtervolgen!&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>&raquo;Hoor ze eens schelden, die dappere Visbeenen!&raquo; smaalde
+Karel, die erg boos op hen was.</p>
+
+<p>&raquo;Au!&raquo; zei Piet, zich haastig bukkende, &raquo;daar krijg ik
+een steen op mijn hoofd! Ze gooien!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Laat ze hun gang maar gaan!&raquo; raadde Bob aan. &raquo;Ze<span class="pagenum"><a name="Page_122" id="Page_122">[122]</a></span>
+schijnen te meenen, dat wij bang voor hen zijn. Niet
+te hard loopen, jongens, opdat ze wat naderbij komen.
+Als ze dan dicht genoeg bij ons zijn, draain we ons
+eenklaps om, en geven hun de straf, die hun eerlijk
+toekomt.&raquo;</p>
+
+<p>Die raad was goud waard. Wij namen den schijn aan,
+alsof we bang waren en aan onze vervolgers trachtten
+te ontkomen, die daardoor hun moed voelden wassen en
+niet ophielden met schelden en gooien.</p>
+
+<p>&raquo;Nog eventjes!&raquo; zei Bob. &raquo;Ik zal tot drie tellen, hoor.
+Bij den derden tel keeren we ons eensklaps om en overvallen
+hen. Wat zullen ze vreemd opkijken. Nu, &mdash; daar
+gaat hij!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Een!&raquo;</p>
+
+<p>Bob wachtte een oogenblik.</p>
+
+<p>&raquo;Twee!&raquo;</p>
+
+<p>Wij hielden onze vaart wat in, en waren gereed om
+te zwenken.</p>
+
+<p>&raquo;Drie! Valt aan!&raquo;</p>
+
+<p>Eensklaps maakten wij rechtsomkeert en ijlden onze
+vervolgers tegemoet, die iets dergelijks in het geheel
+niet verwacht hadden en ons bijna in de armen vlogen.
+Wat was dat een leuk gezicht.</p>
+
+<p>O, wat hadden zij nu graag den dans willen ontspringen,
+en wat deden zij daartoe hun best, &mdash; maar &rsquo;t was
+te laat.</p>
+
+<p>In minder dan geen tijd hadden Bob, Karel en ik
+ieder een van de vijanden te pakken, terwijl Pieter
+toeschouwer bleef en niet ophield, ons aan te moedigen.<span class="pagenum"><a name="Page_123" id="Page_123">[123]</a></span>
+Dat laatste was echter niet noodig, want wij waren boos
+genoeg, om hen niet te ontzien. Och, och, wat hebben
+we die jongens toen een zeldzaam pak slaag gegeven.
+Nu, ze hadden het dubbel en dwars verdiend. Telkens
+probeerden zij om te ontvluchten, maar dat ging niet.
+Wij sloegen hen links en rechts om de ooren, zoodat zij
+het uitschreeuwden van pijn en angst.</p>
+
+<p>&raquo;Dr! Dr!&raquo; riep Bob bij elke versnapering, die
+hij zijn vijand toediende. &raquo;Als je nog meer wilt hebben,
+moet je het maar zeggen. Ik heb eene gulle bui vandaag!&raquo;</p>
+
+<p>Eindelijk gelukte het aan twee van de drie aan onze
+handen te ontsnappen en hun heil in de vlucht te zoeken.
+Maar de derde kwam er het allerslechtst af. Eerst had
+Karel hem een geducht pak slaag gegeven, zoo erg, dat
+de jeugdige Visbeen er de sterretjes van voor de oogen
+kreeg, en toen pakte Karel hem met zijne krachtige armen
+beet en wierp hem pardoes in eene sloot, die langs het
+landpad liep. Het gaf een plomp van belang en het water
+spatte ons om de ooren. Karel had gedurende de geheele
+afstraffing geen woord gesproken, maar toen zijn vijand weer
+met zijn hoofd boven den kant van den sloot uitkwam,
+knikte hij hem vriendelijk toe, en zeide tot hem:</p>
+
+<p>&raquo;Dat had ik je in mijne gedachten beloofd, weet je?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;H, &rsquo;t spijt me, dat ik het ook niet gedaan heb!&raquo;
+zei Bob.</p>
+
+<p>Schreeuwende ging de jongen naar zijn huis, en wij
+vervolgden onzen tocht. Wij waren van dat vechtpartijtje
+heerlijk warm geworden en waren zeer tevreden
+over onszelven.<span class="pagenum"><a name="Page_124" id="Page_124">[124]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Daar hebben we ze lekker te pakken gehad!&raquo; lachte Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Ze hadden het dubbel verdiend!&raquo; sprak Karel. &raquo;Ik
+denk, dat ze ons voortaan wel met rust zullen laten, als
+we weer gaan zwemmen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat zullen ze ongetwijfeld!&raquo; meende ik.</p>
+
+<p>Wij waren nu het dorp genaderd en sloegen na een
+korten groet ieder den weg in naar onze woning. Daar
+Bob, Karel en ik van onze ouders toestemming hadden
+om in de beek te gaan zwemmen, behoefden wij niet te
+vreezen, dat wij straf zouden krijgen. Eerst had het wel
+eenige moeite gekost, om die toestemming te verwerven,
+maar nadat Pa de bewuste plaats zelf onderzocht had en
+tot de slotsom gekomen was, dat daar geen gevaar te
+vreezen was, hadden wij het gevraagde verlof verkregen.
+Voor Pieter evenwel was de zaak veel erger, want zijne
+Mama was vreeselijk bang voor dergelijke vermaken en
+bovendien &mdash; hij had het gedaan, zonder verlof te vragen,
+iets, wat wij nooit deden.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was dus geen wonder, dat zijne Mama zeer boos
+was, en hem tot straf dadelijk naar bed zond. Bovendien
+mocht hij den volgenden avond niet naar buiten, tot
+groote ergernis van Bob, die nu ook verplicht was, thuis
+te blijven. Nu hadden Karel en ik wel naar hen kunnen
+gaan, maar &mdash; wij werden niet toegelaten. Bob en Pieter
+moesten dus elkander maar zien te troosten. Dat deed
+Bob dan ook op eene heel vreemde manier. Daar hij
+gemerkt had, dat Pieter &rsquo;s avonds in het donker nog al
+bang was, maakte Bob zich meester van een zwavelstok
+en ging daarmede naar de slaapkamer van Pieter. Daar<span class="pagenum"><a name="Page_125" id="Page_125">[125]</a></span>
+teekende hij met het gezwavelde einde, juist op eene
+plaats, waar Pieter het wel moest zien, een groot doodshoofd
+op het behangsel. Zoolang het licht was, bleef
+dat vriendelijke beeld onzichtbaar, maar in het donker
+grijnsde het den toeschouwer allerakeligst aan.</p>
+
+<p>Bob stelde zich daar heel wat genoegen van voor, en
+vond het alleen maar jammer, dat Karel en ik niets van
+die grap zouden genieten.</p>
+
+<p>Den geheelen avond vermaakten hij en Pieter zich
+samen in den tuin. Nu eens tolden zij, of waren zij aan
+het knikkeren, dan weer vingen zij vlinders, of trachtten
+zich meester te maken van de weinige meikevers, die al
+te voorschijn waren gekomen.</p>
+
+<p>Pieter had die diertjes nog nooit gezien en stelde zich
+voor, er in Amsterdam veel genoegen van te kunnen
+beleven, als hij ze daar had. Wie weet, hoe &rsquo;n voordeeligen
+handel hij misschien nog wel in dat artikel zou kunnen
+drijven, want hij twijfelde niet, of al zijne schoolkennissen
+zouden er graag een willen hebben.</p>
+
+<p>&raquo;Zeg Bob, zou je er mij eenige willen zenden, als ik
+weer thuis ben? Je zoudt me daar een bijzonder groot
+genoegen mede doen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Meikevers zenden?&raquo; vroeg Bob, met eene ondeugende
+flikkering in zijne oogen, want hij dacht er aan, welk
+een vreeselijken afkeer zijne deftige Tante van die
+onschuldige diertjes had. &raquo;Aan jou?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, aan mij. Ik zou er graag eenige van je hebben,
+als &rsquo;t mogelijk is.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;k Beloof het je, hoor! Je kunt er op rekenen. Ik<span class="pagenum"><a name="Page_126" id="Page_126">[126]</a></span>
+zal ze je sturen met den looper. Die gaat toch elken
+Zaterdag naar Amsterdam, dan komt het niet zoo duur.
+Voor een dubbeltje of drie stuivers heb-je ze thuis.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is dan afgesproken,&raquo; zei Pieter.</p>
+
+<p>Eindelijk begon de avond te vallen en werd het tijd
+om naar binnen te gaan. En na nog een poosje in de
+huiskamer te hebben vertoefd, gingen zij naar bed. Hunne
+slaapkamers lagen naast elkander, en de ledikanten waren
+slechts door een houten beschot gescheiden.</p>
+
+<p>Eerst maakten zij nog wat grappen op Pieters slaapkamer,
+omdat daar licht aangestoken was. Bob ging
+zomers altijd in donker naar bed.</p>
+
+<p>&raquo;Zeg Pietje, willen wij nog eens eene pijp rooken?&raquo;
+vroeg Bob lachend. &raquo;Ik heb nog wel tabak.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dank je hartelijk,&raquo; zei Piet met alle teekenen van
+den grootsten afkeer. &raquo;Die eerste pijp zal ik niet licht
+vergeten. Och, och, als ik er aan denk, word ik nu
+nog ziek.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wel te rusten dan!&raquo; zei Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Slaap lekker!&raquo; was Pieters wensch.</p>
+
+<p>Bob lag spoedig in bed, afwachtende de dingen, die
+komen zouden. Eindelijk hoorde hij in de andere kamer
+beweging aan de lamp, want het was erg gehoorig, en
+daarna het kraken van Pieters ledikant.</p>
+
+<p>Het bleef geruimen tijd stil. Zou Piet het doodshoofd
+misschien niet zien? Maar neen, dat kon niet; als hij
+zijne oogen open had, mst hij het zien. Doch wellicht
+had hij zijne oogen gesloten, en dan kwam er van de
+grap niets. Opeens hoorde hij het ledikant van Pieter<span class="pagenum"><a name="Page_127" id="Page_127">[127]</a></span>
+weer zacht kraken. Hij hoorde ook, hoe zijn neef zich langzaam,
+uiterst langzaam oprichtte in bed. In zijne gedachten
+zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht hield
+op het schrikwekkende beeld, en hij lag te schudden in
+zijn bed van &rsquo;t lachen.</p>
+
+<div class="figcenter1">
+<img src="images/ill03.jpg" width="400" height="544" alt="In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht
+hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag.&nbsp;127)." title="" />
+<br /><span class="caption">In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht
+hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag.&nbsp;127).</span>
+</div>
+
+<p>Hoor, daar werd zacht, bijna onhoorbaar tegen het
+schot getikt. Hij tikte zacht terug.</p>
+
+<p>&raquo;Bob!&raquo; werd er gefluisterd. &raquo;Bob!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wat is er?&raquo; riep Bob tamelijk luid terug.</p>
+
+<p>&raquo;Ssss! &mdash; Ssss! &mdash; &rsquo;t Is hier niet &mdash; in orde, Bob!&raquo;
+hoorde hij Piet fluisteren.</p>
+
+<p>&raquo;Dieven?&raquo; vroeg Bob terug.</p>
+
+<p>&raquo;Neen &mdash; erger, Bob. Een &mdash; spook.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kom dan hier!&raquo; zei Bob zacht. &raquo;Wat zie je?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Een gloeiend doodshoofd! Hu &mdash; zoo akelig. Ik durf
+niet, Bob. Kom jij hier!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dank je!&raquo; zei Bob. &raquo;Ik blijf liever hier!&raquo;</p>
+
+<p>&rsquo;t Werd weer stil in Pieters kamer.</p>
+
+<p>Maar die stilte duurde niet lang. Bob, die moeite had,
+om niet in een schaterlach uit te barsten, hoorde opnieuw
+een heel zacht kraken van het ledikant, daarna een schuifelen
+over den vloer, en toen werd zijne deur geopend
+en kwam Piet binnensluipen.</p>
+
+<p>&raquo;O Bob,&raquo; zei hij, en zijn plaaggeest hoorde, hoe hij
+beefde van angst, &raquo;wat afschuwelijk. Een doodshoofd is
+er, een gloeiend doodshoofd, dat mij voortdurend aangrijnst.
+O, Bob, wat moet ik nu beginnen? Ik beef van
+angst.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kruip diep onder de dekens, Piet, en laat hem grijnzen,&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_128" id="Page_128">[128]</a></span>
+was Bobs hardvochtige raad. &raquo;Wat doe je ook je
+oogen open te houden, als je op bed ligt; dan behooren
+zij gesloten te zijn.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O neen, dr durf ik niet weer heen!&raquo; zuchtte Pieter;
+&raquo;voor geen geld ga ik dr slapen! &rsquo;t Is afschuwelijk,
+Bob.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wat wil je dan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kan ik niet bij jou slapen, Bob? Toe maar, asjeblieft.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Onmogelijk, Piet. Dit is maar een n-persoons ledikant.
+We kunnen er onmogelijk met ons beiden in.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Toe maar, Bob, ik zal me zoo klein maken als ik maar
+kan; toe Bob, asjeblieft?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Onmogelijk. Maar ga naar Pa; die is stellig nog op,
+en zal ongetwijfeld een onderzoek instellen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O, &mdash; maar dan moet ik alleen de trap af!&raquo; zuchtte
+Piet, bevende van ontsteltenis bij de gedachte, dat hij
+zich alleen en in donker naar beneden moest begeven.</p>
+
+<p>&raquo;Jij bent ook overal bang voor,&raquo; zei Bob. &raquo;Ik wed,
+dat er niet eens iets op je kamer is, om bang voor te
+wezen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O ja, Bob, echt waar, ga dan zelf maar kijken, dan
+zul-je het zien. Een afschuwelijk doodshoofd! Hu, &rsquo;t is
+om te rillen.&raquo;</p>
+
+<p>Bob vond, dat de grap nu lang genoeg geduurd had.</p>
+
+<p>&raquo;Ga dan maar me, bang Pietje,&raquo; zei hij, terwijl hij
+lachend uit zijn bed sprong.</p>
+
+<p>Hij liep regelrecht naar Pieters slaapkamer, tot groote
+verbazing van zijn neef, die zich maar niet begrijpen kon,
+waar hij al dien moed vandaan haalde.<span class="pagenum"><a name="Page_129" id="Page_129">[129]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Waar is nu het spook?&raquo; vroeg hij.</p>
+
+<p>&raquo;Aan den muur!&raquo; klonk het benauwd uit Piets mond.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is niets, hoor Piet, kom maar hier,&raquo; zei Bob lachend.
+&raquo;Je hebt je weer eens leelijk te pakken laten nemen,
+neefje. Ha-ha-ha-ha!&raquo;</p>
+
+<p>Pieter kwam behoedzaam nader.</p>
+
+<p>&raquo;Dr is het, &mdash; dr, vlak voor je!&raquo; zei hij huiverend,
+toen hij om den hoek van de deur keek.</p>
+
+<p>&raquo;Och, bange Piet, dat prentje heb ik er van middag
+opgeteekend met een zwavelstok. Kijk, hier heb-je nog
+een tweede spook!&raquo;</p>
+
+<p>Bob nam den zwavelstok, dien hij op den grond had
+neergelegd, en teekende met enkele strepen een tweede
+doodshoofd, niet weinig lachende om de vrees van Pieter-neef.
+Deze kwam nu ook naderbij en zeide, niet zonder
+schaamte:</p>
+
+<p>&raquo;H Bob, doe je dat met een zwavelstok? Dat is een
+aardig kunstje, waarvan ik nog nooit gehoord had. Dat
+moet ik ook eens leeren.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ben je nu nog bang, Pietje?&raquo; vroeg Bob. &raquo;Of wil ik
+Pa roepen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O neen, dank je! Maar waarom plaag jij me toch
+altoos zoo, Bob?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Omdat ik het bij Karel of Dorus niet behoef te probeeren,
+Piet; zij zijn er niet vatbaar voor, zie je, en jij
+wel. Dat is de reden. Slaap lekker, Piet!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Goeden nacht!&raquo;</p>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_130" id="Page_130">[130]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Achtste Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Hoe Bob uit hengelen ging en door de verschijning van<br />
+twee vreemdelingen zijn tijd bijna vergat. Hoe hij in<br />
+figuurlijken zin steentjes moest gaan tellen en het in<br />
+eigenlijken zin deed. De berenleider en zijn metgezel.</p>
+
+
+<p>Een paar dagen later had Bob zijn tijd bijna verhengeld.
+Hij was bijzonder vroeg opgestaan, had inderhaast
+ontbeten, en was met zijn hengel over den schouder even
+buiten het dorp gewandeld, om eens prettig vr schooltijd
+nog een paar uurtjes te visschen. Pieter lag nog te
+bed. Die stond nooit voor half acht op. Eerst had Bob
+nog wel eens moeite gedaan, om hem ook tot opstaan
+te bewegen, maar toen hij bemerkte, dat Piet &rsquo;s morgens
+veel liever op bed bleef, had hij die moeite gestaakt.</p>
+
+<p>Bob hengelde dus geheel alleen, en vermaakte zich
+kostelijk, want de baars wilde dien morgen buitengewoon
+goed bijten, en het gelukte hem, menig vischje te verschalken.
+Hij vermaakte zich z goed, dat hij zijn tijd
+geheel vergat en niet aan de school dacht, vr het bijna<span class="pagenum"><a name="Page_131" id="Page_131">[131]</a></span>
+te laat was. Om negen uur ging de school aan, en de
+torenklok wees al tien minuten voor negenen, eer hij er
+aan dacht.</p>
+
+<p>&raquo;O heden!&raquo; mompelde hij. &raquo;&rsquo;t Is al bijna te laat, maar
+als ik hard loop, kan ik er nog juist op tijd zijn. &rsquo;t Is
+echt jammer, dat ik nu moet ophouden, want de baars
+bijt van morgen bijzonder goed.&raquo;</p>
+
+<p>Hij slingerde zijn snoer om den stok en wilde zich
+juist naar school begeven, toen zijne aandacht getrokken
+werd door een kermiswagen, die langzaam het dorp
+naderde.</p>
+
+<p>Bob bleef staan.</p>
+
+<p>Een kermiswagen was een voorwerp, dat hem altoos
+buitengemeen boeide. Hij vond dat een zeer belangwekkend
+vervoermiddel. Toch zou hij er de school niet om
+vergeten hebben, &mdash; want de meester was erg streng, dat
+wist hij bij ondervinding, &mdash; indien hij niet had opgemerkt,
+dat naast dien wagen een groot, log dier liep, een dier,
+dat nog veel belangwekkender was dan de wagen, want
+het was niets meer of minder dan een groote, bruine
+beer. Bij de verschijning van dat beest vergat Bob de
+geheele school.</p>
+
+<p>Zoodra de berenleider het eerste huis van dorp bereikt
+had, begon hij op eene dwarsfluit te spelen en verhief
+bruintje zich op hetzelfde oogenblik op zijne achterpooten.
+Het logge beest scheen zoo waar te dansen, tot groot vermaak
+van Bob. De kermiswagen was doorgereden. Dat
+onzen Bob het scheiden moeilijk viel, behoef ik niet te
+zeggen. Wij zaten allen al op de schoolbanken, en waren<span class="pagenum"><a name="Page_132" id="Page_132">[132]</a></span>
+al begonnen te lezen, toen zijne plaats nog ledig bleef.</p>
+
+<p>&raquo;Waar blijft Bob de Wild van morgen?&raquo; vroeg de
+meester. Doch wij wisten het niet.</p>
+
+<p>&raquo;Hij is toch niet ziek?&raquo; klonk weer &rsquo;s meesters vraag.
+Weer moesten wij het antwoord schuldig blijven.</p>
+
+<p>&raquo;Lees maar door, Anna!&raquo;</p>
+
+<p>Juist begon Anna het bevel op te volgen, toen de
+deur geopend werd en Bob, rood van het harde loopen,
+binnen kwam.</p>
+
+<p>&raquo;Dag meester,&raquo; klonk het zacht van zijne lippen.</p>
+
+<p>&raquo;Dag Bob. Waar kom jij zoo laat vandaan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Van buiten, meester.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dat spreekt vanzelf. Maar waarom kom je zoo laat?&raquo;</p>
+
+<p>Bob keek zwijgend voor zich op den grond.</p>
+
+<p>&raquo;Ik hoor niets, Bob. Kun-je niet spreken?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik was aan het hengelen, meester, en.....&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ha zoo, heb jij je tijd verhengeld? Dat is ferm van
+je, niet waar, Bob?&raquo;</p>
+
+<p>Bob mompelde zoo iets van: &raquo;Kon &rsquo;t niet helpen,&raquo;
+maar veel verstonden wij er niet van.</p>
+
+<p>&raquo;Niet helpen?&raquo; vroeg de meester gestreng. &raquo;Dat is eene
+kinderachtige uitvlucht, Bob, waar zich alleen flauwe
+zielen achter verschuilen. Je kunt gaan zitten, maar moet
+om twaalf uur nablijven. &rsquo;t Spijt me wel, maar ik kan
+er niets aan doen.&raquo;</p>
+
+<p>Bob nam plaats. Hij en ik zaten dicht bij elkander.
+Eerst deed hij, of hij met aandacht las, maar weldra
+gaf hij ons door allerlei teekens te kennen, dat er iets
+bijzonders aan de hand was.<span class="pagenum"><a name="Page_133" id="Page_133">[133]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Daar kwam ik goed af. Ik was bang, dat ik steentjes
+zou moeten tellen,&raquo; fluisterde hij ons toe. Wij deden ook,
+of wij de les geregeld volgden, maar inderdaad ontging
+ons geen woord, van hetgeen Bob zeide.</p>
+
+<p>Wij wisten wel, wat hij met &raquo;steentjes tellen&raquo; bedoelde.
+In het portaal was geen planken vloer; die bestond daar
+uit mooie glimmende tegels, welke aan elkander gemetseld
+waren. Nu had de meester de gewoonte, als hij
+heel boos op een van de leerlingen was, hem in het
+portaal te zetten, wat hij den patint gewoonlijk beval
+met de woorden:</p>
+
+<p>&raquo;Ik kan je hier vanmorgen niet langer gebruiken,
+jongen. Ga jij maar steentjes tellen.&raquo;</p>
+
+<p>Dat was eene zware straf voor ons, want wie eenmaal
+in het portaal terecht kwam, moest er den geheelen
+morgen blijven, en kreeg dan nog zooveel strafwerk na
+schooltijd, dat er van zijn speeluur niets overschoot.</p>
+
+<p>Bob was er dus van overtuigd, dat de meester hem
+zeer genadig behandeld had, door hem geen steentjes te
+laten tellen, alias in het portaal te zetten.</p>
+
+<p>&raquo;Die volgt!&raquo; zei de meester. &raquo;Bob, ik geloof, dat je
+slecht oplet. Pas op, dat ik je niet nog meer straf
+moet geven.&raquo;</p>
+
+<p>Bob keek strak in zijn boek, en de volgende leerling
+begon te lezen. Maar Bobs aandacht was in het geheel
+niet bij zijn werk. Onophoudelijk moest hij aan den beer
+en diens eigenaar denken, en zijn nieuws brandde hem
+op de tong. Naar het lezen luisterde hij niet; hij hoorde
+bijna niet eens, dat er gelezen werd.<span class="pagenum"><a name="Page_134" id="Page_134">[134]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Jongens!&raquo; fluisterde hij Karel en mij toe.</p>
+
+<p>Wij waren geheel oor, maar zorgden wl, niet uit ons
+boek op te zien.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;k Heb nieuws!&raquo; fluisterde Bob weer.</p>
+
+<p>&raquo;Bob de Wild, lees verder!&raquo; gebood de meester.</p>
+
+<p>O heden, dat was mis voor Bob. Zijne oogen dwaalden
+van boven tot beneden op de bladzijde, waar wij aan het
+lezen waren, maar hij vond den laatsten zin, dien hij
+gehoord had, niet.</p>
+
+<p>&raquo;Je krijgt eene slechte aanteekening, Bob de Wild,&raquo;
+klonk het gestreng uit &rsquo;s meesters mond. &raquo;Je straf om
+twaalf uur wordt verdubbeld. Lees verder, Jacob de Haas.&raquo;</p>
+
+<p>Jacob de Haas, het eenige joodje, dat wij op school
+hadden, ging met lezen voort, en Bob keek stijf in zijn boek.</p>
+
+<p>&raquo;Waarom leest dat Joodje (want zoo noemden wij
+Jacob de Haas altijd) ook niet wat harder?&raquo; mompelde
+hij. &raquo;Dan zou ik het wel geweten hebben. Wacht maar,
+dat zal ik hem om twaalf uur wel betaald zetten. &mdash; O
+j, waar is het nu ook al weer? Wacht, dr!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Die volgt!&raquo; klonk het weer.</p>
+
+<p>Nu was een meisje aan de beurt. Anna van Egge
+heette zij en zij las een weinig binnensmonds. Wij moesten
+altoos goed toeluisteren, om haar te kunnen volgen.
+Maar Bob luisterde dien morgen al bijzonder slecht.
+Zooals hij ons later vertelde, moest hij onophoudelijk
+aan dien beer denken. Ook brandde hij van verlangen,
+om het ons te vertellen, want hij wist, dat het voor ons
+een belangwekkend nieuwtje was.</p>
+
+<p>&raquo;Jongens!&raquo; fluisterde hij weer.<span class="pagenum"><a name="Page_135" id="Page_135">[135]</a></span></p>
+
+<p>Wij knikten bijna onmerkbaar, ten teeken, dat wij
+luisterden, maar wij zagen niet op.</p>
+
+<p>&raquo;Er is een berenleider op het dorp,&raquo; hoorden wij Bob
+lispelen.</p>
+
+<p>Dat was nieuws naar ons hart. Ook wij begonnen
+onoplettend te worden, wat het lezen betrof, maar niet
+wat het nieuws van Bob aanging.</p>
+
+<p>&raquo;Met een beer?&raquo; vroeg Karel Holm zacht, terwijl zijne
+oogen flikkerden van pleizier.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; een grooten, bruinen beer.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Waar is hij?&raquo; waagde Karel nog eens te fluisteren.</p>
+
+<p>&raquo;Bij den ontvanger zag ik hem. Hij kan dansen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ho!&raquo; beval op dat oogenblik de meester, en Anna
+van Egge hield met lezen op. &raquo;Bob! Je let in het geheel
+niet op, en ik zie mij genoodzaakt je streng te straffen.
+Vervolg eens, waar Anna gebleven is!&raquo;</p>
+
+<p>&rsquo;t Was doodstil in de klasse. Van ganscher harte
+hoopten wij, dat Bob een gelukkig oogenblik in zijn leven
+zou hebben en toevallig bij het goede woord zou beginnen,
+want wij hoorden aan de stem van den meester, dat hij
+slechts met moeite zijne drift kon bedwingen. Eene
+geduchte straf zou anders stellig Bobs deel zijn.</p>
+
+<p>Doch Bob had zulk een gelukkig moment in zijn leven
+niet, en dat kn ook niet, omdat hij de verkeerde bladzijde
+voor zich had. Hij had vergeten, om te slaan, omdat
+hij niet oplette. Eerst zocht hij overal, om het goede
+woord te vinden, doch toen zijne zoekende blikken het
+nergens ontmoetten, begon hij maar op goed geluk af.
+Och, och, wat had hij het ver mis!<span class="pagenum"><a name="Page_136" id="Page_136">[136]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Daar is het niet, ondeugd!&raquo; zei de meester boos. &raquo;Je
+bent waarlijk niet eens op de goede bladzijde. Welke geest
+is er dezen morgen in je gevaren? Eerst kom je te laat
+op school, en dan gedraag je je z, dat je zelfs den zachtmoedigsten
+mensch driftig zoudt maken!&raquo;</p>
+
+<p>Nu, dat was niet waar, want onze meester was ver
+van zachtmoedig. Integendeel, hij was algemeen bij ons
+gevreesd om zijne strengheid. Wij hoorden, hoe hij hoe
+langer hoe driftiger werd, en eindelijk gebeurde, wat
+wij al sedert lang hadden zien aankomen. Daar verhief
+&rsquo;s meesters rechterarm zich in de hoogte en strekte hij
+zijne hand gebiedend uit naar de deur.</p>
+
+<p>&raquo;Ga uit de klasse, jongen, ik kan je hier niet langer
+gebruiken. Ga steentjes tellen!&raquo;</p>
+
+<p>Bob bleef zwijgend zitten.</p>
+
+<p>&raquo;Hoor je me niet, Bob? Ga steentjes tellen, zeg ik.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Meester, ik zal beter opletten,&raquo; zei Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Te laat, Bob! Ten derden male zeg ik: ga steentjes
+tellen!&raquo;</p>
+
+<p>Die laatste uitdrukking was oorspronkelijk als eene grap
+bedoeld, maar wij vonden haar in het geheel niet grappig.
+Bob ook niet, want hij moest allerminst lachen op dit
+oogenblik. Hij stapte de bank uit en ging met neergeslagen
+oogen naar het portaal. Hij deed de deur achter
+zich dicht.</p>
+
+<p>&rsquo;t Werd weer stil, nu zelfs doodstil in de klasse. De
+meester keek erg boos.</p>
+
+<p>&raquo;Ga voort, Anna van Egge!&raquo; gebood hij.</p>
+
+<p>En korten tijd daarna was het weer:<span class="pagenum"><a name="Page_137" id="Page_137">[137]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Die volgt!&raquo;</p>
+
+<p>Zoo las de geheele klas. Toen werden de boeken opgeborgen
+en begon de rekenles.</p>
+
+<p>Wij deden onze uiterste best, uit vrees, dat ook wij
+straf zouden oploopen. En toen nu de meester zag, hoe
+flink wij opletten, begon zijn gelaat ook wat vriendelijker
+plooi aan te nemen. Hij was wel streng, maar niet onbillijk,
+en tot zijne eer moet ik zeggen, dat hij zulke zware
+straffen altoos met grooten tegenzin oplegde. Wij konden
+altoos aan hem zelf zien, dat het hem pijn deed.</p>
+
+<p>Intusschen stond Bob diep verslagen in het portaal.
+Weg was ineens al de pret, die hij zich van het middaguur
+voorgesteld had, als de beer althans dan nog niet
+vertrokken zou zijn. Daarvoor behoefde evenwel niet
+bijzonder veel vrees te bestaan, want ons dorp was te
+groot, om door een berenleider op een enkelen morgen
+&raquo;afgewerkt&raquo; te kunnen worden.</p>
+
+<p>&raquo;En dan kan ik hier in die nare school blijven en strafwerk
+maken, terwijl alle jongens de grootste pret hebben,&raquo;
+morde Bob, die erg boos was op den meester. &raquo;Hij is
+ook altoos zoo streng. Maar ik weet, wat ik doe: ik loop
+weg, ja, dat doe ik. De meester kan schoolhouden, wien
+hij wil, maar mij snapt hij niet, want den beer moet ik
+zien, het koste wat het wil!&raquo;</p>
+
+<p>Toen Bob over dit besluit echter een weinig dieper
+doordacht, waarmede hij eigenlijk had moeten aanvangen,
+begon hij hoe langer hoe meer te beseffen, dat hij daar
+toch ook zeer weinig genoegen van zou beleven, want de
+meester zou hem stellig voorbeeldeloos straffen en bovendien<span class="pagenum"><a name="Page_138" id="Page_138">[138]</a></span>
+zou zijn Pa hem ook terdege onderhanden nemen.</p>
+
+<p>Neen, dat ging toch niet, zooals hij zelf zeer goed inzag.</p>
+
+<p>&raquo;Ik wou, dat de meester mij voor dezen keer maar
+eens vrijliet,&raquo; mompelde Bob, &raquo;maar dat zal hij wel niet
+doen, want dat doet hij bijna nooit. Enfin, &rsquo;t is eenmaal
+zoo; er zit niet anders op, dan mijn lot met gelatenheid
+te dragen. Waar zou de beer nu zijn? Wacht, misschien
+kan ik hem zien, &mdash; door het raam. Laat ik kijken!&raquo;</p>
+
+<p>Bob deed, wat hij zeide, en waarlijk &mdash; na eenig zoeken
+ontwaarde hij bruintje voor het huis van dokter Doreman.
+Hij zag, hoe vele menschen naar het verscheurende dier
+stonden te kijken.</p>
+
+<p>&raquo;Ha! Wat wou ik graag daarbij zijn,&raquo; zuchtte Bob.
+&raquo;En nu steentjes te moeten tellen! &rsquo;t Is afschuwelijk!
+Kijk, nu gaat hij verder. Zou hij den achterweg opgaan?
+Dan kan ik hem niet meer zien. Ja &mdash; neen, &mdash; ja toch,
+daar gaat hij den hoek om. Nu is hij weg. Dat is jammer. &mdash; Steentjes
+tellen! Hoe komt de meester daar
+toch aan? &rsquo;t Is toch eigenlijk eene gekke uitdrukking.
+Meester zeide niet, dat ik in het portaal moest gaan staan;
+hij gebood alleen maar: ga steentjes tellen. Als ik dat dus
+deed en hem straks ging zeggen, hoeveel er waren, zou
+ik precies gedaan hebben, wat meester bevolen had. Dat
+zou leuk wezen. Weet je wat, ik doe het! Zou ik mijn
+decimetertje in den zak hebben? Laat eens voelen &mdash; ja,
+daar is het. Wacht, nu zal ik het eens netjes uitrekenen.
+Eerst meten, hoe lang de gang is.&raquo;</p>
+
+<p>Bob knielde op de tegeltjes neer en mat de lengte van
+zijn kerker. Weldra wist hij, wat hij weten wilde.<span class="pagenum"><a name="Page_139" id="Page_139">[139]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Dus twintig meter. Laat ik dat goed onthouden.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu de breedte.&raquo;</p>
+
+<p>Bob mat weer.</p>
+
+<p>&raquo;Breed twee meter, precies op den kop,&raquo; zeide hij. &raquo;De
+gang heeft dus eene oppervlakte van twintig maal twee
+vierkante meter, of veertig vierkante meters. Mooi,
+dat schiet al aardig op. Nu elk tegeltje meten. Kijk,
+precies twintig centimeters lang en breed. Dat geeft dus
+eene oppervlakte van vierhonderd vierkante centimeters.
+De gang is groot veertig vierkante meter, of vier maal
+honderd duizend vierkante centimeters. Dat gedeeld door
+vierhonderd, &mdash; wel, kijk &mdash; dat is precies duizend tegeltjes.
+Dat is een mooi getal. Kom, nu ga ik het den
+meester zeggen; hij heeft mij bevolen de steentjes te
+tellen en dat heb ik gedaan, dus ik ben zoo gehoorzaam
+geweest, als maar verlangd kan worden.&raquo;</p>
+
+<p>Tot ons aller verbazing ging plotseling de deur open
+en trad Bob binnen. Ook de meester kon er blijkbaar
+geen begrip van krijgen, wat er aan de hand was. Hij
+staarde Bob met groote oogen aan.</p>
+
+<p>&raquo;Wat moet jij hier doen?&raquo; vroeg hij op gestrengen toon.</p>
+
+<p>Bob stak beleefd den wijsvinger op en zeide doodleuk:</p>
+
+<p>&raquo;Meester, ik ben klaar! Er zijn er duizend.&raquo;</p>
+
+<p>Eerst begrepen wij geen van allen, wat hij bedoelde, en
+de meester begreep het ook niet.</p>
+
+<p>&raquo;Klaar?&raquo; vroeg hij. &mdash; &raquo;Er zijn er duizend? Wat &mdash; duizend?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Meester,&raquo; zei Bob doodleuk, &raquo;ik heb de steentjes geteld,
+zooals u bevolen had. Er zijn er duizend.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_140" id="Page_140">[140]</a></span></p>
+
+<p>Plotseling schoten wij allen (alleen Bob en de meester
+uitgezonderd) in een schaterlach om die leuke grap, en
+toen wij zagen, hoe de meester zich vergeefs inspande,
+om zijn gelaat in een ernstige plooi te houden, want
+hij wilde niet lachen, werd het met ons nog erger. Wij
+konden niet tot bedaren komen.</p>
+
+<p>Opeens gaf de meester het op, en begon ook hij te
+lachen, bijna even smakelijk als wij. En toen wij eindelijk
+wat tot stilte kwamen, zei hij gul, zoodat het duidelijk
+was, dat hij Bob zijne misdaden vergaf:</p>
+
+<p>&raquo;Zoo Bob, zijn er duizend? Heb-je ze goed geteld?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Uitgerekend, meester,&raquo; zei Bob. &raquo;De vloer heeft eene
+oppervlakte van veertig vierkante meters en elk tegeltje
+is vierhonderd vierkante centimeters groot. Er moeten
+er dus duizend zijn.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Heel goed, Bob,&raquo; zei de meester, die telkens weer
+in den lach schoot, &raquo;dat sluit. Dank-je wel voor de
+moeite. Ga nu maar zitten, doch &mdash; let beter op.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja meester,&raquo; zei Bob, niet weinig in zijne nopjes, dat
+hij zoo mooi van zijne zwaarste straf ontheven was. Hij
+lette verder dan ook zeer goed op en gaf den meester
+in het geheel geen reden tot klagen meer.</p>
+
+<p>Zoo werd het twaalf uur, en wij kregen verlof om naar
+huis terug te keeren. &rsquo;t Is te begrijpen, dat wij ons dat
+geen tweemaal lieten zeggen, want het bericht van den
+beer had, ondanks &rsquo;s meesters strengheid, al sedert lang
+de ronde door de geheele klas gedaan. Nauwelijks waren
+wij het portaal uit, of onder een luid gejuich trokken
+wij op den beer af.<span class="pagenum"><a name="Page_141" id="Page_141">[141]</a></span></p>
+
+<p>Maar Bob bleef zitten, om zijn strafwerk te maken.</p>
+
+<p>&raquo;Wat moet ik doen, meester?&raquo; vroeg hij met een berouwvol
+gelaat.</p>
+
+<p>De meester keek hem vriendelijk aan, want hij hield
+bijzonder veel van den wilden Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Mij beloven, dat je voortaan beter op je tijd zult
+passen, Bob,&raquo; zei hij, den deugniet op den schouder
+kloppende.</p>
+
+<p>&raquo;Dat beloof ik, meester,&raquo; zei Bob, die lont begon te
+ruiken en wiens hartje klopte van hoop, dat hij ontslagen
+zou worden.</p>
+
+<p>&raquo;Ga dan maar heen, Bob.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Asjeblieft meester. Dag meester.&raquo;</p>
+
+<p>En weg vloog Bob! Hij had ons al ingehaald, vr
+wij den beer bereikt hadden.</p>
+
+<p>&raquo;Ik mocht vrij!&raquo; juichte hij al in de verte. &raquo;Hij is op
+den achterweg!&raquo;</p>
+
+<p>Met die laatste woorden bedoelde hij den beer natuurlijk,
+en met ons allen begaven wij ons daarheen.</p>
+
+<p>Ha, daar zagen wij hem!</p>
+
+<p>&rsquo;t Is te begrijpen, dat wij op een eerbiedigen afstand
+bleven! Wat had dat dier geduchte klauwen, en wat
+zagen wij een sterk gebit, als hij den grooten muil opende.
+Gelukkig dat hij een stevigen leeren muilband aan had;
+dat stelde ons eenigszins gerust.</p>
+
+<p>De berenleider viel ons niet me, want wij hadden
+gehoopt, dat hij iemand zou zijn, dien wij niet verstaan
+konden, een Italiaan of een Zigeuner of zoo iemand.
+Maar hij bleek een echte Hollander te zijn, die onze taal<span class="pagenum"><a name="Page_142" id="Page_142">[142]</a></span>
+evengoed sprak als wij zelf. Dat konden wij hooren aan
+hetgeen hij af en toe tot den beer zeide.</p>
+
+<p>&raquo;Hallo! Op! Op!&raquo; gebood hij telkens, als de beer zijn
+tocht op vier voeten wilde voortzetten. En dan ging het
+logge beest weer overeind en huppelde zoo bevallig als
+een jonge olifant. Dan kreeg hij van zijn meester een
+stok over den schouder en moest marcheeren als een
+soldaat. Zijn geleider blies voortdurend op de dwarsfluit
+verschillende dansdeuntjes en &mdash; maakte goede zaken,
+naar wij opmerkten. Want bijna nergens werd hij voorbij
+gestuurd, zonder dat men hem iets gaf. Nu was een beer
+op ons dorp eene te zeldzame verschijning, om niet de
+algemeene bewondering op te wekken.</p>
+
+<p>Het spreekt van zelf, dat wij de twee vreemdelingen
+zoolang volgden, als ons mogelijk was, &mdash; anderhalf uur
+laat zich niet lang plagen, wanneer men in dien tijd nog
+middagmalen moet, wat met mij althans het geval was.
+En om half twee moesten wij weer present zijn, wilden
+we geen straf oploopen.</p>
+
+<p>Wij waren er dan ook allen op onzen tijd, Bob incluis!</p>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_143" id="Page_143">[143]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Negende Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Hoe wij den beer plaagden, toen Flip uit was, en<br />
+hoe de beer wraak nam. De heldendaden van<br />
+Pieter-neef en van Tip, den veldwachter.<br />
+Hoe Bob berenleider werd.</p>
+
+
+<p>Bob had niet zulk eene vrees behoeven te koesteren,
+dat hij den beer niet weer ontmoeten zou, want het
+beest en diens meester vertoefden nog wel langer dan
+eene geheele week op ons dorp. Och, och, wat hebben
+wij eene pret met dat dier gehad.</p>
+
+<p>In den kermis wagen woonde eene familie, die door
+het vertoonen van de poppenkast het dagelijksch brood
+trachtte te verdienen. Eerst meenden wij, dat de berenleider
+ook tot de familie behoorde, maar daarin hadden
+wij ons vergist. Wel was hij zooals ons al spoedig bleek
+zeer met den poppenkastman bevriend, en reisden zij zooveel
+mogelijk in elkanders gezelschap ons vaderland door.</p>
+
+<p>Elken dag deed de poppenkast de ronde door het dorp
+of bezocht zij een van de omliggende plaatsen, en trok
+ook de berenleider er op uit met zijn viervoetigen makker,<span class="pagenum"><a name="Page_144" id="Page_144">[144]</a></span>
+om een stuivertje te verdienen, maar den wagen lieten
+zij staan, en &rsquo;s avonds keerden allen weer naar het marktplein
+terug, waar het voertuig stond. Dan werd de beer
+aan een van de palen op het marktplein met een vrij
+lang, naar het scheen zeer sterk touw vastgebonden, zoodat
+hij zich eenige beweging kon veroorloven. Wij vroegen
+ons menigmaal af, waar toch de berenleider &rsquo;s nachts
+wel mocht slapen, daar hij bij niemand op het dorp om
+een onderkomen had verzocht, doch eindelijk hoorden
+wij vertellen, dat eene groote mand, die wel bijna eene
+manslengte had en overdag onder den wagen was vastgebonden,
+hem tot ledikant diende. &rsquo;s Avonds maakte
+hij die mand los, legde zijn beddegoed (wat niet van de
+fijnste qualiteit was) wat terecht, en &mdash; begaf zich dan
+ter ruste. Voor dieven behoefde hij om twee redenen
+niet te vreezen, want ten eerste had hij zoo weinig eigendommen,
+dat het wel niemand in de gedachten zou
+komen, hem te gaan bestelen, en in de tweede plaats
+had hij een schildwacht voor zijn bed, die niet licht
+door een anderen zou worden overtroffen. De beer namelijk
+ging elken avond vlak voor de mand liggen en liet,
+zoodra hij maar iets hoorde, een vervaarlijk gebrom hooren.</p>
+
+<p>Dat brommen, &mdash; o, wat waren wij er eerst bang voor.
+Want het spreekt van zelf, dat alle jongens van het dorp
+&rsquo;s avonds bij bruintje te vinden waren. Onze stelten zelfs
+lieten wij er voor liggen. Ge begrijpt, dat we eerst op
+een eerbiedigen afstand bleven, uit vrees dat hij ons
+aangrijpen, verscheuren en verslinden zou. Maar toen wij
+zagen, hoe vertrouwelijk zijn meester met hem omging, en<span class="pagenum"><a name="Page_145" id="Page_145">[145]</a></span>
+hoe bedaard en goedig het dier er uitzag, begon onze vrees
+van lieverlede te bedaren en onze moed te klimmen.</p>
+
+<p>Bob was de eerste, die hem wat naderbij durfde komen,
+hoewel hij natuurlijk zorg droeg, dat de beer hem niet
+grijpen kon. Hij wierp hem een stuk brood toe, dat door
+het dier gretig werd verslonden.</p>
+
+<p>Toen wij dat eenmaal gezien hadden, overstelpten wij
+bruintje bijna met onze weldaden, en werden wij meer
+en meer vertrouwd met het dier, hoewel wij toch zorgden,
+niet te dicht in zijne nabijheid te komen.</p>
+
+<p>Maar langzamerhand ontaardde onze moed in overmoed
+en begonnen wij hem te plagen. Wij sarden hem, als zijn
+meester er niet bij was, met lange stokken, waarmede wij
+hem op den kop of op de ruige vacht tikten, wat hij eerst
+eenige oogenblikken goedig toeliet, doch daarna plotseling
+met een woest gebrom beantwoordde. Och, och, wat
+wisten wij van beenen maken. Pieter-neef, die ook in ons
+gezelschap was, zag doodsbleek van den schrik en liep, of
+de dood hem op de hielen zat. Nu, zoo erg was het
+met ons niet, maar &mdash; wij kozen toch ook het hazenpad.</p>
+
+<p>&raquo;H, wat bromde hij daar!&raquo; zei Bob, die het eerst
+stilstond. &raquo;Gelukkig, dat hij aan een touw lag, want
+anders had hij stellig een van ons allen verscheurd!&raquo;</p>
+
+<p>De boosheid van den beer duurde echter niet lang;
+hij keerde weer in zijn vorigen toestand van vadsige rust
+terug, en wij gingen voort met plagen.</p>
+
+<p>&raquo;Wil jelui dat wel eens laten, jongens!&raquo; gebood ons de
+vrouw, die in den wagen woonde, &mdash; doch daar wij wisten,
+dat haar man zoowel als de berenleider niet thuis waren,<span class="pagenum"><a name="Page_146" id="Page_146">[146]</a></span>
+toonden wij ons vrij ongezeggelijk, wat ons heel leelijk
+stond, dat moet ik zelf bekennen.</p>
+
+<p>Toch hielden wij na een poosje met ons plagen op,
+niet omdat wij medelijden met bruintje hadden, o neen,
+maar omdat de burgemeester het marktplein opkwam, om te
+zien, of de beer ook gevaar kon opleveren voor de eerzame
+burgers en burgeressen, die hij onder zijne hoede had.</p>
+
+<p>Natuurlijk bleef ook hij op een eerbiedigen afstand van
+het lieve dier staan.</p>
+
+<p>&raquo;Zeg eens, vrouwtje!&raquo; riep hij de vrouw uit den kermiswagen
+toe. &raquo;Waar is de berenleider?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Hij is met mijn man naar Haarlem, mijnheer de
+burgemeester,&raquo; klonk het antwoord.</p>
+
+<p>&raquo;En moet dat ongure beest dan al den tijd, dien zijn
+meester afwezig is, zonder toezicht blijven?&raquo; zei de
+burgemeester op gestrengen toon.</p>
+
+<p>&raquo;Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Flip is
+niet thuis.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Flip &mdash; wie is dat?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is de man van den beer, mijnheer de burgemeester.
+Maar hij is niet thuis.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, &mdash; ja, dat heb je zooeven al gezegd. Maar kan
+dat dier zoo geen kwaad?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester,&raquo; zei de
+vrouw, die het buskruit niet scheen uitgevonden te
+hebben, &raquo;Flip is niet thuis.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, hm! hm!&raquo; kuchte de burgemeester. &raquo;Ik bedoel,
+vrouw, of dat touw sterk genoeg is, om den beer te
+houden, als hij soms boos mocht worden.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_147" id="Page_147">[147]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Ik zou het u niet kunnen zeggen, mijnheer de burgemeester,
+maar straks komt Flip wel thuis, dan kan u het
+hemzelven vragen. Hij is nu met mijn man naar Haarlem.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, ja &mdash; dat weet ik al. Dus je denkt, dat het
+touw sterk genoeg is?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Als Flip
+straks thuiskomt, zal ik het hem vragen. Of u zou het
+zelf kunnen probeeren.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dank je,&raquo; zei de burgemeester, die blijkbaar niet veel
+lust had, bruintje zoo nabij te komen.</p>
+
+<p>&raquo;Nu, het ziet er nog al sterk uit, maar als Flip, of
+hoe die man heeten mag, aanstonds terug komt, moet
+je hem zeggen, dat hij dadelijk bij me moet komen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik zal het hem zeggen, mijnheer de burgemeester!&raquo;</p>
+
+<p>Zoodra het hoofd onzer gemeente vertrokken was,
+begonnen wij den beer weer te plagen, ja zelfs te sarren,
+en &rsquo;t was verbazend hoe hevig hij dan soms kon gaan
+brullen. Als wij het al te erg maakten, rukte hij aan
+zijn touw, om los te komen, en dan wisten wij van
+beenen maken.</p>
+
+<p>Het touw bleek echter heel sterk te zijn, zoodat wij
+eindelijk al niet eens meer op de vlucht gingen, al was
+hij ook nog zoo woedend. Wij bleven doodkalm staan,
+natuurlijk buiten het bereik van zijne klauwen, maar toch
+dicht genoeg bij, om met sarren voort te kunnen gaan.
+Zelfs Pieter-neef begon, nu hij zag, dat het beest toch
+niet los kon komen, dapper te worden en plaagde den
+beer het meest van allen.</p>
+
+<p>Hij sloeg hem met een langen stok op zijn kop, en als<span class="pagenum"><a name="Page_148" id="Page_148">[148]</a></span>
+het beest dan tegen hem bromde en met geopenden muil
+aan zijn touw rukte, stak hij hem den stok tusschen de
+geweldige tanden. Dan had hij geen grooter pret, dan
+als de beer op den stok beet, en hem al brommende heen
+en weder schudde. Wat trok en rukte Pieter dan aan den
+stok, om hem weer los te krijgen, maar de beer hield vast.</p>
+
+<p>Bob haalde eene leuke grap met hem uit. Hij haalde
+uit de schuur een vaatje, waarin de bodem niet al te
+stevig meer bevestigd zat, en schoof dat bruintje toe.
+Toen nam hij eene kleine occarino uit den zak, en begon
+daar eenige deuntjes op te spelen. O, wat moesten wij
+lachen, toen de beer zich plotseling op zijne achterpooten
+verhief en op zijne gewone bevallige manier begon te
+huppelen, precies, zooals hij dat bij zijn meester gewoon
+was. En toen Bob hem een paar stukjes brood toewierp,
+konden wij duidelijk opmerken, dat hij Bob als een goed
+vriend begon te beschouwen, want hij volgde hem
+overal, waar hij liep, althans voor zoover zijn touw hem
+dat toeliet.</p>
+
+<p>Maar het was er Bob om te doen, dat hij op het vaatje
+zou gaan staan, wat hij voor zijn meester somtijds ook
+moest doen.</p>
+
+<p>&raquo;Allo! Ho &mdash; hop! Op! Op!&raquo; riep hij den beer toe,
+en weer begon hij op de occarino te spelen. Eerst
+huppelde de beer nog eenigen tijd rond, en toen, waarlijk,
+daar naderde hij het vaatje en zette er een poot op.
+Toen den tweeden poot, daarna voorzichtig den derden
+en eindelijk stond hij er geheel op.</p>
+
+<p>Een uitbundig gejuich uit wel vijftig jongensmonden<span class="pagenum"><a name="Page_149" id="Page_149">[149]</a></span>
+was zijn loon, en de beer, die zich daardoor naar het
+scheen, gestreeld gevoelde, begon op de maat van Bobs
+muziek, zoo goed en zoo kwaad dat ging, op het vaatje
+te dansen. Dat had hij niet moeten doen, want daarvoor
+was de bodem te zwak. Plotseling hoorden wij een gekraak,
+de vier pooten zakten naar beneden, en daar rolde de beer
+onderste-boven. Och, och, wat maakte hij eene vreemde
+buiteling, en wat deed hij wanhopige pogingen, om zijne
+pooten uit hun kluister te bevrijden. Doch dat gelukte
+hem niet, want zij zaten in de kleine ruimte stijf tegen
+elkander gedrukt. Hij kon er geen beweging in krijgen.</p>
+
+<p>Wat hadden wij verbazend veel pret. Ons joelen klonk
+over het geheele dorp!</p>
+
+<p>De beer werd hoe langer hoe wilder, en toen het arme
+dier daar zoo hulpeloos lag, werd Pieter-neef hoe langer,
+hoe moediger. Hij ging vlak bij den beer staan en sloeg
+hem met zijn stok.</p>
+
+<p>Maar o hemel, daar vlogen de duigen van het tonnetje
+opeens krakend uit elkander, en sprong de beer onder luid
+gebrom overeind, vlak voor Pieter-neef, die van angst
+en schrik zijne bezinning geheel kwijt raakte en stokstijf
+bleef staan.</p>
+
+<p>&raquo;Ga achteruit! Ga achteruit!&raquo; schreeuwden wij hem toe,
+want wij dachten niet anders of hij zou verscheurd worden.</p>
+
+<p>Hij gehoorzaamde werktuiglijk. Zonder zijn starenden
+blik van het dier af te wenden, liep hij voetje voor voetje
+achteruit, gevolgd door het beest, dat met wijd geopenden
+muil een vervaarlijk gebrom uitstiet. De haren rezen ons
+ten berge van schrik.<span class="pagenum"><a name="Page_150" id="Page_150">[150]</a></span></p>
+
+<p>Opeens kon Pieter-neef niet verder, want hij werd
+gestuit door een lantaarnpaal, waar hij met den rug
+tegen terecht kwam. De beer kon niet verder van het
+touw. Toen sprong hij met reuzenkracht op en krak &mdash; het
+touw brak en de beer was los. Dat gaf een ontzettenden
+schrik onder den jongenstroep. Onder den kreet
+&raquo;De beer is los! De beer is los! De beer is los!&raquo; sloegen
+allen op de vlucht.</p>
+
+<p>Neen, allen niet, want Pieter-neef kon niet. Hij stond
+met den rug tegen den lantaarnpaal en durfde geen voet
+verzetten. De beer liep brommend om hem heen. En Bob
+ook niet. Die meende eens heel slim te handelen, door
+met zijne gewone behendigheid in den grooten eikeboom
+te klimmen, die midden op het marktplein stond.</p>
+
+<p>Och, och, wat zag die Pieter doodsbleek. Wij zagen,
+hoe hij beefde van schrik en ontsteltenis. En de beer liep
+voortdurend met kleine pasjes om hem heen, terwijl hij
+hem aan alle kanten besnuffelde.</p>
+
+<p>Ik geloof, dat Pieter op dat oogenblik wel voor hem
+op de knien had willen vallen, als dat had kunnen baten.</p>
+
+<p>&raquo;Help! Help!&raquo; klonk de kreet van de verschrikte
+jongens, die op een eerbiedigen afstand stonden af te
+wachten, wat er verder gebeuren zou. Niemand van hen
+twijfelde er aan, of Pieter zou straks door het geplaagde
+dier worden aangegrepen en &mdash; opgepeuzeld.</p>
+
+<p>Alleen Bob gevoelde zich boven in den top van den
+eikeboom volkomen veilig en zeer goed op zijn gemak.</p>
+
+<p>&raquo;Ga op de vlucht!&raquo; riep hij Pieter toe, die nog altijd
+tegen den lantaarnpaal stond.<span class="pagenum"><a name="Page_151" id="Page_151">[151]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;k Durf &mdash; niet &mdash; o &mdash; help!&raquo; kreunde Piet.</p>
+
+<p>&raquo;Stel hem voor, de vredespijp met je te rooken,&raquo;
+plaagde Bob, die schik in het geval begon te krijgen.</p>
+
+<p>&raquo;O &mdash; Bob!&raquo; was alles, wat Piet antwoordde.</p>
+
+<p>&raquo;Of sla hem met je stok op zijn kop, als zoo even!&raquo;
+ging zijn plaaggeest voort.</p>
+
+<p>Nu hield de beer stand, vlak voor Pieter. Wij zagen,
+hoe hij hem vlak in het bleeke gezicht keek. Pieter
+staarde wederkeerig bruintje wezenloos in het gelaat. De
+beer zag er op dat oogenblik inderdaad veel verstandiger
+uit dan zijn slachtoffer.</p>
+
+<p>Och, wat beefde Pieter. De ruitjes van de lantaarn
+hoorden wij er van rinkelen.</p>
+
+<p>O hemel!</p>
+
+<p>Daar verhief de beer zich, vlak voor Pieter, plotseling
+op de achterpooten en wilde zijne klauwen op Pieters
+schouders leggen.</p>
+
+<p>Van den schrik maakte Piet eene driftige beweging met
+zijn hoofd in achterwaartsche richting, maar daar stond
+de lantaarnpaal, en nu stootte hij zijn hoofd zoo hevig,
+dat hij van den weeromstuit voorover buitelde en terecht
+kwam &mdash; in de harige armen van den beer. Daar stonden
+zij om zoo te zeggen snoet tegen snoet! &rsquo;t Was zulk
+een bespottelijk gezicht, die twee elkander daar zoo innig
+te zien omarmen, dat Bob van het lachen bijna uit den
+boom buitelde.</p>
+
+<p>Pieter-neef gaf een schreeuw, die ons door merg en
+been drong, en wij twijfdelden niet, of nu zou de beer
+hem verslinden. O, welk een vreeselijk drama stelden<span class="pagenum"><a name="Page_152" id="Page_152">[152]</a></span>
+wij ons daar reeds van voor. Griezelig in hooge mate, &mdash; maar
+toch uiterst belangwekkend.</p>
+
+<p>Maar neen, wij hadden het mis. Pieters kreet wekte
+in het teedere gemoed van den beer zeker zachtere
+aandoeningen, dan waarvoor wij hem vatbaar achtten,
+want hij keek hem even aan, liet hem daarna los, ging
+weer op vier pooten staan en begon zich langzaam te
+verwijderen. Pieter verwaardigde hij met geen enkelen
+blik meer.</p>
+
+<p>Meer dood dan levend bracht deze zich, struikelend
+en strompelend, bijna zonder te weten wat hij deed, in
+veiligheid, en toen hij ver genoeg van den beer verwijderd
+was, om hem niet meer te vreezen, zette hij het op een
+loopen, zoo snel zijne voeten hem konden dragen. Loopen &mdash; loopen,
+dat hij deed, o, &rsquo;t was potsierlijk. Wij schaterden
+van het lachen, maar hij keek niet op of om. Hij
+holde voort, de brug over, &mdash; naar huis. Wij hebben hem
+den geheelen avond niet terug gezien.</p>
+
+<p>Intusschen ontstond er een verbazende oploop op het
+marktplein, want het gerucht, dat de beer losgebroken
+en de berenleider niet thuis was (voor zoover wij bij een
+man als Flip van &raquo;thuis zijn&raquo; kunnen spreken) ging als
+een loopend vuurtje door het dorp rond. Zelfs Jan van
+der Vliet, dien wij na de treurige gebeurtenis van den
+laatsten Zondagmorgen nog niet buiten hadden gezien,
+kwam ook toeloopen. Maar tot mijne ergernis moest ik
+opmerken, dat de meeste jongens niets met hem te maken
+wilden hebben en hem alleen lieten staan. Ik zag, dat
+hij de tranen in de oogen kreeg, en had veel medelijden<span class="pagenum"><a name="Page_153" id="Page_153">[153]</a></span>
+met hem. Ik ging daarom naast hem staan en zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Kijk eens, Jan, de beer is los, en Bob zit in den
+eikeboom.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Waar is zijn baas, Dorus?&raquo; vroeg Jan met een blijden
+lach, omdat ik even vriendelijk jegens hem was als altoos,
+en hij pinkte tersluiks de tranen weg, die zijn beide
+oogen verduisterden.</p>
+
+<p>&raquo;Die is naar Haarlem,&raquo; zei ik. &raquo;Zie eens, wat komt
+er een oploop.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; geen wonder; maar waarom komt Bob den
+boom niet uit? Een beer kan immers klimmen?&raquo;</p>
+
+<p>Hemel, ja, daar had ik niet aan gedacht. Als Bob nu
+maar in vredesnaam stil bleef zitten, zoodat de beer
+geen erg in hem kreeg, want anders kon het wel eens
+bitter slecht met hem afloopen.</p>
+
+<p>&raquo;Je hebt gelijk, Jan,&raquo; zei ik angstig. &raquo;Maar hoe zou
+Bob er uit moeten komen? Je ziet toch wel, dat de beer
+voortdurend onder den boom heen en weer loopt?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dat is waar. &rsquo;t Is een benauwd half elfje voor
+hem, en ik zou niet graag in zijne plaats willen zijn.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik ook niet, Jan.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kijk, daar komt Tip ook, de veldwachter. Hij heeft
+waarlijk eene revolver in de hand. Zou hij hem dood
+gaan schieten?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik weet het niet. Dat zou jammer wezen van het
+arme dier, want hij doet tot nog toe niemand kwaad.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; en ook voor zijn meester, want die zou met
+hem meteen zijne broodwinning verliezen,&raquo; merkte Jan op.</p>
+
+<p>Intusschen werd de oploop met de minuut grooter.<span class="pagenum"><a name="Page_154" id="Page_154">[154]</a></span></p>
+
+<p>Wel honderden menschen vormden een grooten cirkel
+om het beweegbare middelpunt, dat gevormd werd door
+den beer, die doodkalm onder den boom heen en weer
+bleef loopen. &rsquo;t Was aardig te zien, welk eene golving
+er onder al die menschen kwam, als de beer zich eens
+wat verder van den boom verwijderde.</p>
+
+<p>Dan ontstond er eene geweldige opschudding en onder
+den kreet: &raquo;De beer komt! De beer komt!&raquo; sloegen zij
+op de vlucht.</p>
+
+<p>Eindelijk verscheen ook de burgemeester op het marktplein.
+Hij ging regelrecht naar Tip, dien hij met gefronste
+wenkbrauwen en een toornigen blik aanzag, en
+zeide op boozen toon:</p>
+
+<p>&raquo;Daar hebben wij het leven nu al gaande, Tip. &rsquo;t Is
+me wat moois, &mdash; dat afschuwelijke beest hier midden
+op het dorp.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja burgemeester!&raquo; zei Tip, die er met zijne revolver
+in de hand verbazend krijgshaftig en moorddadig uitzag.</p>
+
+<p>&raquo;Is die man nog niet thuis?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;k Weet het niet, burgemeester. Wil ik het even
+vragen? De beer is er nu niet dichtbij.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; ga het vragen!&raquo; gebood de burgemeester, doch
+opeens van gedachten veranderende, vervolgde hij:</p>
+
+<p>&raquo;Of neen, wacht even, ik zal het zelf doen. Houd jij
+intusschen dat beest goed in het oog, terwijl ik bij den
+wagen sta. Begrepen?&raquo;</p>
+
+<p>Tip sloeg aan en zeide dapper:</p>
+
+<p>&raquo;Verlaat u op mij, burgemeester. Ik zal over u waken.
+Ga gerust.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_155" id="Page_155">[155]</a></span></p>
+
+<p>De burgemeester, die aan de menschen eens wilde toonen,
+dat hij volstrekt niet bang was, baande zich een weg
+door den kring en ging met groote schreden op den
+wagen af. Maar zie, daar kreeg plotseling bruintje het in
+zijn hoofd, om ook naar den wagen te gaan, wat voor
+den burgemeester een allesbehalve aangenaam voornemen
+was. Inderdaad was hij niet bang van aard, maar om
+ongewapend een beer tegemoet te gaan als dat strikt
+genomen niet noodig is, achtte hij te veel gevergd, en
+hij keerde daarom, tot groot vermaak van de omstanders,
+naar Tip terug.</p>
+
+<p>Nu klonk dat lachen den burgemeester in het geheel niet
+aangenaam in de ooren, want het scheen wel, of de menschen
+hem uitlachten, en die gedachte maakte hem erg boos.</p>
+
+<p>&raquo;Tip!&raquo; gebood hij kortaf, &raquo;ga dat beest grijpen en
+vastbinden!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Jawel, burgemeester,&raquo; zei Tip, op militaire wijze de
+hand aan de pet brengende.</p>
+
+<p>Maar Tip was vlugger met beloven dan met doen;
+hij talmde zoo lang, dat de burgemeester kortaf tot hem
+zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Je hebt mijn bevel toch verstaan, Tip?&raquo;</p>
+
+<p>Tip krabde zich verlegen achter het oor en hield
+den blik met eene eigenaardige uitdrukking, die veel
+op angst geleek, op den beer gericht. Nu durfde hij
+in het geheel niet bekennen, dat hij bang was, maar
+tevens was hij vast besloten, het bevel van zijn meester
+in geen geval op te volgen. Om tijd te winnen, zeide
+hij, bij wijze van waarschuwing:<span class="pagenum"><a name="Page_156" id="Page_156">[156]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Ik ga, burgemeester, &mdash; maar als hij nu eens voor mij
+op de vlucht gaat en zich op de menschen werpt? Wat
+dan, burgemeester? Ik zou in een dergelijk geval niet
+voor de gevolgen durven instaan. Niet dat ik bang ben,
+in het geheel niet, burgemeester, maar ziet u, we moeten
+toch altoos zorgen, dat de openbare veiligheid geen
+gevaar loopt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Je hebt gelijk, Tip. Dat die akelige Flip nu ook juist
+niet thuis is. Tip! Ik wil dat beest niet langer hier
+midden in het dorp hebben, &mdash; begrepen, Tip!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik zal er voor zorgen, burgemeester,&raquo; zei Tip, die
+verbazend in zijne nopjes was, dat hij van de opdracht,
+om den beer te vangen, ontslagen was.</p>
+
+<p>&raquo;Zie Tip, daar gaat hij weer naar den boom. Ga jij
+nu naar den wagen, en vraag aan die vrouw, of Flip nog
+niet haast thuis komt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja wel, burgemeester.&raquo;</p>
+
+<p>Tip stapte uit den kring en ging, met zijne revolver
+gewapend, op den wagen af. O, wat nam hij groote
+stappen, en wat keek hij schuin naar bruintje. De menschen
+schoten allen in een lach, tot groote ergernis van Tip.</p>
+
+<p>Om eens duidelijk te toonen, dat hij volstrekt niet bang
+was, zette hij een verbazend hooge borst, en bleef een
+oogenblik doodkalm, naar het scheen, in den kring staan,
+spelende met het wapentuig, dat hij in de hand hield.
+Bijna was het hem gelukt, den menschen in den waan
+te brengen, dat hij een buitengewone held was, die zich
+door eene kleinigheid als een losgebroken beer volstrekt
+geen angst liet aanjagen, toen plotseling het beest hem<span class="pagenum"><a name="Page_157" id="Page_157">[157]</a></span>
+in het oog kreeg en met hooge sprongen spelende op
+hem af kwam.</p>
+
+<p>O h, daar zakte de hooge borst in en verdween de
+moedige trek op Tips gelaat. Op het volgende oogenblik
+zette Tip, met revolver en al, het op een loopen, zoo hard
+hij kon. De beer keerde bedaard naar den boom terug.
+Wat werd die arme Tip uitgelachen! En toch was hij
+niets banger dan iemand van de omstanders, want allen
+hielden zich op een eerbiedigen afstand.</p>
+
+<p>Bob, die zich in den top van den hoogen boom volkomen
+veilig achtte, had er ook niet weinig pret in, en
+begon te zingen:</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;O moeder, de beer is los;<br /></span>
+<span class="i0">Hoor dat beest eens brullen!<br /></span>
+<span class="i0">Snijd hem neus en ooren af,<br /></span>
+<span class="i0">Dan hebben wij wat te smullen!&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>Wij hoorden hem nauwelijks, of wij begonnen dapper
+me te zingen, tot groote pret van Bob. Maar de beer
+had ons Bobje nu ook opgemerkt en &mdash; vlug als eene kat
+klauterde hij den boom in.</p>
+
+<p>Dat vond Bob allesbehalve prettig, en wij zagen het
+allen ook met angst aan.</p>
+
+<p>&raquo;Hij klimt in den boom! Hij klimt in den boom! Hij
+zal Bob verscheuren!&raquo; klonk het van alle kanten, en de
+burgemeester vond het meer dan tijd, om een einde aan
+de zaak te maken.</p>
+
+<p>&raquo;Tip, schiet dat beest dood!&raquo; gebood hij. &raquo;Spoedig, of
+het kost een menschenleven.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_158" id="Page_158">[158]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Jawel, burgemeester,&raquo; zei Tip.</p>
+
+<p>Beiden begaven zich nu onder den boom. De beer
+klauterde rustig steeds hooger, tot grooten schrik van
+Bob, die het hoogste punt al had bereikt.</p>
+
+<p>&raquo;Schiet hem dood!&raquo; herhaalde de burgemeester.</p>
+
+<p>Maar Tip had niet veel lust om te schieten, want hij
+wist, dat hij op de revolver volstrekt geen meester was.</p>
+
+<p>&raquo;Als ik misschiet, komt het beest stellig op mij af,&raquo;
+dacht hij bij zichzelven, maar hij zeide het niet en zag
+er weer zeer dapper uit.</p>
+
+<p>&raquo;Schiet dan!&raquo; gebood de burgemeester. &raquo;Straks heeft
+hij dien jongen bereikt, en dan is het te laat! Schiet!&raquo;</p>
+
+<p>Tip legde aan, maar het wapen beefde hem in de hand
+en hij durfde niet schieten.</p>
+
+<p>&raquo;Je beeft, Tip! Je bent een lafaard!&raquo; zei de burgemeester.</p>
+
+<p>&raquo;Maar &mdash; als ik misschiet, mijnheer de burgemeester,
+en in plaats van den beer den jongen tref &mdash; wat dan?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Je bent een lafaard, Tip!&raquo; herhaalde de burgemeester.</p>
+
+<p>&raquo;Klim in den boom en snel den jongen te hulp!
+Dadelijk! Ik gebied het je, Tip!&raquo;</p>
+
+<p>Tip begon te klimmen, maar of de stam te dik voor
+hem was, of dat hij al wat stijf begon te worden, weet
+ik niet; zeker is het, dat Tip bleef waar hij was, aan
+den voet van den boom.</p>
+
+<p>Intusschen volgden honderden oogen in den grootsten
+angst den beer op zijn tocht naar boven. Bob kon zich
+onmogelijk redden. Hij kon niet hooger &mdash; en niet lager
+ook. Zooals hij ons later vertelde, verkeerde hij op dat<span class="pagenum"><a name="Page_159" id="Page_159">[159]</a></span>
+oogenblik in doodsangst, tot hem plotseling een eenvoudig
+middel tot redding in de gedachten kwam.</p>
+
+<p>De beer had thans den tak bereikt, waarop Bob zich
+bevond. Bob meende dat zijn laatste oogenblik gekomen
+was, toen hij opeens bemerkte, dat de beer hem in het
+geheel niet onvriendelijk aankeek. Daar herinnerde Bob
+zich dat hij nog een stuk brood voor den beer in den zak
+had; en nauwelijks had hij dat bedacht, of hij haalde het
+te voorschijn en stak het hem toe. Bruintje at het met
+graagte op en liet een zacht gesnor hooren, als om hem
+te bedanken.</p>
+
+<p>Bob begreep, dat hij van dit oogenblik gebruik moest
+maken, om zich in veiligheid te brengen. &raquo;Die waagt, die
+wint!&raquo; mompelde hij. Hij greep den beer bij het afgebroken
+touw, blies een kort deuntje op zijne occarino, en
+zei toen met gebiedende stem:</p>
+
+<p>&raquo;Hallo! Hop! Terug! Hallo! Terug! Hallo!&raquo; Meteen
+rukte hij aan het touw, zooals hij den berenleider had
+zien doen, als hij den beer iets gebood.</p>
+
+<p>Inderdaad &mdash; het beest gehoorzaamde, zooals hij dat
+bij zijn meester gewoon was. En nauwelijks bemerkte
+Bob, dat de beer ontzag voor hem had, of hij klom naar
+omlaag, den beer steeds bij het touw vasthoudende.</p>
+
+<p>&raquo;Hallo! Hallo! Hop! Hop!&raquo; klonk het uit den boom,
+en alle menschen hielden zich doodstil, om te zien, hoe
+dit af zou loopen.</p>
+
+<p>Daar kwam bruintje naar beneden klauteren, gevolgd
+door Bob, die niet weinig trotsch op zijne heldendaad was.
+Nu hadden zij den grond weer bereikt.<span class="pagenum"><a name="Page_160" id="Page_160">[160]</a></span></p>
+
+<p>Bob blies op zijne occarino.</p>
+
+<p>&raquo;Hallo! Op! &mdash; Op!&raquo; gebood hij.</p>
+
+<p>En zie, onder een daverend gejuich van de toeschouwers
+ging bruintje op zijne achterpooten staan en begon te
+dansen. Bob voerde den dansenden kolos langzaam naar
+den wagen, bond vlug de einden van het touw stevig
+aan elkander, wierp den beer het laatste stukje van zijn
+brood toe, &mdash; en ging bedaard heen.</p>
+
+<p>&raquo;Hoera voor Bob,&raquo; riep ik vol bewondering uit.</p>
+
+<p>En plotseling klonk het over het geheele marktplein,
+en ik moet zeggen, dat oud en jong mededen, uit volle
+borst:</p>
+
+<p>&raquo;Hoera! Hoera voor Wilden Bob! Hoera voor Bob!&raquo;</p>
+
+<p>Juist op dat oogenblik kwam de berenleider uit de
+stad terug. De burgemeester trad dadelijk op hem toe.</p>
+
+<p>&raquo;Kunt ge dat beest niet beter vastleggen? Hij brengt
+het geheele dorp in beroering en maakt het hier in
+hooge mate onveilig.&raquo;</p>
+
+<p>Flip nam eerbiedig de pet van het hoofd, en zeide:</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Beest is niet gevaarlijk, mijnheer de burgemeester.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Niet gevaarlijk! Wilt ge nu praatjes gaan verkoopen?
+&rsquo;t Is toch een verscheurend dier?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;In naam, ja burgemeester, maar inderdaad heeft hij
+nog nooit vleesch geproefd. Ik heb hem zelf opgefokt,
+mijnheer de burgemeester, maar hij heeft nooit anders
+dan brood van me gehad. Dat is de waarheid!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, &mdash; nu, dat kan mij niet schelen. &rsquo;t Is een gevaarlijk
+dier, een hoogst gevaarlijk dier. Indien ge hem niet
+beter kunt vastleggen, moet ge morgen bij zonsopgang<span class="pagenum"><a name="Page_161" id="Page_161">[161]</a></span>
+uit het dorp vertrekken. Dan kan ik u hier geen langer
+verblijf toestaan. Hebt ge dat goed begrepen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik zal hem aan den ketting leggen, mijnheer de burgemeester,
+en ik sta er u borg voor, dat hij niet meer
+loskomt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Doe dat, &mdash; en wees gewaarschuwd,&raquo; zei de burgemeester
+heengaande. Tip volgde hem met lang geen
+opgeruimd gelaat. Hij begreep wel, dat hij in het geheel
+geen kranig figuur gemaakt had.</p>
+
+<p>Maar Bob was onder ons, jongens, een held geworden
+van het zuiverste water. Wij hadden den diepsten eerbied
+voor hem gekregen en achtten hem tot de grootste
+heldendaden in staat.</p>
+
+<p>En heel ver hadden we dat niet mis. Maar Pieter-neef
+hebben we den volgenden dag geducht uitgelachen, en
+dat had hij ook wel verdiend.</p>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_162" id="Page_162">[162]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Tiende Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Een Zaterdag, die voor Jan van der Vliet verdrietig begon<br />
+en prettig eindigde. Hoe mijnheer Denappel ons onthaalde,<br />
+Bob eene edelmoedige daad verrichtte en<br />
+Tines Wobbe met een pijnlijk oorbelletje<br />
+getooid werd.</p>
+
+
+<p>Den volgenden dag was het Zaterdag, &mdash; de Zaterdag
+waarop wij onzen wedstrijd op stelten zouden houden bij
+den Heer Denappel. Wat stelden wij ons veel genot
+van dat feestje voor.</p>
+
+<p>&rsquo;s Morgens moest ik natuurlijk eerst mijn huiswerk
+afmaken en mijn gewonen tocht naar het orgel doen.
+Bob liet mij gelukkig dezen keer met rust, want hij vermaakte
+zich met Karel Holm en Pieter-neef (die van
+zijne Mama meer en meer verlof begon te krijgen, om
+met de dorpsjongens om te gaan) op de markt bij den
+kermiswagen.</p>
+
+<p>Toen ik met mijn huiswerk gereed was, ging ik Jan
+van der Vliet afhalen, die als gewoonlijk, den blaasbalg<span class="pagenum"><a name="Page_163" id="Page_163">[163]</a></span>
+voor mij zou trappen. Ik vond Kees en Trijn aan de tafel
+zitten, moedeloos en bleek. Ik zag, dat Trijn tranen in de
+oogen had en dat zij in dien korten tijd zeer afgevallen
+was. Ik groette beleefd en vriendelijk, zooals altoos, en
+zei, dat het mooi weertje was, want iets anders wist ik
+niet te zeggen, en Kees zei ook, dat het mooi weertje
+was. Verder werd er niet gesproken, want Jan was spoedig
+gereed om mij te vergezellen.</p>
+
+<p>Eerst sprak Jan ook niet, maar toen wij dicht bij den
+koster waren, zei hij op eens:</p>
+
+<p>&raquo;Ik wou, dat ik dood was!&raquo;</p>
+
+<p>En meteen begon hij te schrein.</p>
+
+<p>Ik wist niet, wat ik zeggen moest, en zei daarom niets.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; dood!&raquo; herhaalde Jan. &raquo;O Dorus, je weet niet
+hoe treurig het bij ons in huis is. Vader zit den ganschen,
+langen dag stil bij de tafel, zonder een woord te spreken,
+en Moeder doet niets dan schreien, &mdash; schreien van den
+morgen tot den avond. En als ik &rsquo;s nachts wakker word,
+hoor ik haar ook nog dikwijls snikken. En toch zijn Vader
+zoowel als Moeder onschuldig, Dorus! Als zij dat niet
+waren, zou ik het toch moeten weten, niet waar?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dat denk ik ook, Jan,&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>&raquo;Zeker, dat zou ik,&raquo; vervolgde Jan. &raquo;Dan zou ik het
+weten. Maar Vader en Moeder zeggen, dat zij het niet
+gedaan hebben, en ik hoor hen er samen wel over praten,
+als ik op bed lig en als zij denken, dat ik slaap. En
+dan hoor ik het ook, dat zij onschuldig zijn, en dat het
+geld bepaald met voordracht onder onze deur geschoven
+is, om zoo de verdenking op ons te doen vallen. O, &rsquo;t<span class="pagenum"><a name="Page_164" id="Page_164">[164]</a></span>
+is afschuwelijk, Dorus, en ik kan het bijna niet langer
+aanzien, dat Moeder wegkwijnt van verdriet. Ik wou,
+dat ik dood was, Dorus.&raquo;</p>
+
+<p>Wij stonden beiden stil, dicht bij het kostershuis.</p>
+
+<p>&raquo;Dood zijn, Jan?&raquo; zei ik. &raquo;Dat is het ergste van alles.
+Neen, je moet den moed niet laten zakken, en probeeren
+je ouders te troosten. Als zij onschuldig zijn, zal dat
+eenmaal blijken.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ach ja, &rsquo;t is wel vriendelijk van je, Dorus, om dat te
+zeggen, maar eergisteren zijn Vader en Moeder voor den
+Officier van Justitie geweest, en die heeft hen ondervraagd,
+en zij konden best aan hem merken, dat hij niet aan
+hunne onschuld geloofde. En &rsquo;t is ook waar, dat zij den
+schijn tegen zich hebben, &mdash; dat moet ik zelf zeggen. Ik
+geloof, dat het slecht zal afloopen, Dorus.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Je kunt niet weten, hoe het nog uitkomt,&raquo; zei ik.
+&raquo;Maar willen we nu de sleutels gaan halen?&raquo;</p>
+
+<p>Zwijgend gingen wij verder. De koster was in den
+tuin aan het werk, en Arie de Zwaan zat op een bankje
+achter het huis.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, kom je de sleutels halen?&raquo; vroeg hij aan mij. En
+Jan aanziende vervolgde hij met een grijnslachje, dat hem
+erg leelijk maakte:</p>
+
+<p>&raquo;Wel kijk, daar hebben we Jan van de dievenfamilie
+ook. Je moogt wel op je porte-monnaie passen, Dorus.&raquo;</p>
+
+<p>Ik zag, dat Jan doodsbleek werd en de vuisten balde.</p>
+
+<p>&raquo;Dat is laster, &mdash; gemeene laster!&raquo; siste hem tusschen
+de lippen door.</p>
+
+<p>&raquo;Kijk, kijk zoo&rsquo;n klein kereltje zich al eens boos maken,&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_165" id="Page_165">[165]</a></span>
+lachte Arie sarrend. &raquo;Niets uit de kerk menemen, hoor
+kleine langvinger.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kom Jan, laten we gaan,&raquo; zei ik, want ik had medelijden
+met hem.</p>
+
+<p>Maar Jan wilde niet. Zonder een woord te spreken
+vloog hij op Arie toe, krabde hem in het gelaat, en
+schopte en sloeg hem overal, waar hij hem raken kon.
+De arme jongen huilde van verontwaardiging, nu hij z
+over zijne ouders hoorde spreken.</p>
+
+<p>Dat viel Arie tegen en het deed hem zeker veel pijn.
+Want hij stond driftig op en wierp Jan met een ruk
+achterover op de straat, en hij keek heel boos.</p>
+
+<p>&raquo;Jou kleine adder!&raquo; riep hij Jan toe, &raquo;die grappen zal
+ik je afleeren!&raquo;</p>
+
+<p>Hij kwam met groote schreden op Jan af, maar ik
+plaatste mij tusschen hen en duwde Jan voort. De strijd
+was veel te ongelijk. Hoe zou Jan het kunnen uithouden
+tegen een volwassen man als Arie de Zwaan?</p>
+
+<p>&raquo;We zullen op je letten, kleine langvinger, pas op, dat
+je niets mee neemt uit de kerk!&raquo; riep Arie hem nog
+na. &raquo;Wij weten te goed, dat het muist wat van de
+katten komt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Laat hem praten, Jan, en stoor er je niet aan,&raquo; zei
+ik, om Jan te troosten.</p>
+
+<p>&raquo;De valschaard! Wat denkt hij wel? Maar bang ben
+ik niet van hem!&raquo; zei Jan schreiend om den hoon, die
+zijn ouders was aangedaan.</p>
+
+<p>Wij gingen nu de kerk binnen, en ik begon te spelen.
+Maar Jan kwam niet bij me staan, zooals hij gewoonlijk<span class="pagenum"><a name="Page_166" id="Page_166">[166]</a></span>
+deed. Hij bleef op de trappers en telkens hoorde ik hem
+snikken. Hij was geheel en al in de war.</p>
+
+<p>Ook mijne aandacht was niet bij het spel. Telkens
+moest ik aan die arme menschen denken, die onder zoo
+ontzaglijk veel verdriet gebukt gingen en toch geheel
+onschuldig waren. Want daaraan twijfelde ik, na Jans
+woorden, niet langer.</p>
+
+<p>Ik was blij, toen mijn studietijd om was en ik naar huis
+kon gaan. De sleutels bracht ik alleen terug, want ik
+vond het beter, dat Jan maar niet meeging. Dat vond
+hij trouwens zelf ook beter.</p>
+
+<p>&raquo;Doe je straks mede aan den wedstrijd?&raquo; vroeg ik hem
+onder het naar huis gaan.</p>
+
+<p>&raquo;Ik moest maar thuisblijven,&raquo; zei hij met een diepen
+zucht. &raquo;Veel lust heb ik er nu toch niet in, nu wij zooveel
+narigheid hebben, en de jongens zien mij liever niet
+dan wel.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat geloof ik niet,&raquo; zei ik, om hem te troosten, maar
+ik wist, dat het waar was.</p>
+
+<p>&raquo;Zeg dat niet, Dorus, ik heb het gisteren zelf gezien.
+Jij alleen bent net als altijd, Dorus, en dat vind ik mooi
+van je. Dat zal ik nooit vergeten.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En Bob dan? &mdash; En Karel Holm?&raquo; vroeg ik. &raquo;Zij
+zullen je ook niet uit den weg gaan.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen hoor, &mdash; daar kun je op rekenen, Jan!&raquo; hoorden
+wij plotseling eene stem zeggen van achter eene haag,
+die langs den weg stond. En toen we goed toekeken,
+zagen we Bob, die daar stil was weggekropen, om ons
+af te wachten. Hij kwam nu te voorschijn.<span class="pagenum"><a name="Page_167" id="Page_167">[167]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Kom jij maar gerust, hoor Jan, en als er n jongen
+is, die het je lastig maakt, krijgt hij met mij te doen!&raquo;</p>
+
+<p>Die woorden kwamen er zoo gul uit, dat het mij in
+mijn hart goed deed. En Jan klaarde er ook heelemaal
+van op.</p>
+
+<p>&raquo;Zou ik het doen?&raquo; vroeg hij weifelend, en wij zagen
+duidelijk, hoe graag hij wilde.</p>
+
+<p>&raquo;Zeker, &mdash; doen!&raquo; zei Bob op zijn beslisten toon. &raquo;Als
+je het niet doet, dan ben ik boos op je. Ik kom je
+afhalen, hoor Jantje, tot straks!&raquo;</p>
+
+<p>Dat was fideel van Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Ik ook!&raquo; riep ik Jan nog na, die al op den Achterweg liep.</p>
+
+<p>&raquo;Goed. &mdash; Ik doe me!&raquo; klonk zijn antwoord.</p>
+
+<p>Wij hielden woord.</p>
+
+<p>Bob en ik haalden Jan af en met ons drien stapten
+we, op stelten natuurlijk, den Achterweg op, waar wij de
+jongens in de verte al hoorden joelen.</p>
+
+<p>Ha, de vlaggen wapperden vroolijk in den wind! Wat
+was dat een mooi gezicht. Wij huppelden bijna op onze
+stelten van pleizier, en zelfs Jan werd er vroolijk van.</p>
+
+<p>&raquo;Wat is mijnheer Denappel toch vriendelijk!&raquo; zei hij
+opgetogen. &raquo;&rsquo;t Is een man, zooals er maar weinig zijn.&raquo;</p>
+
+<p>Dat waren wij volkomen met hem eens. Wij zagen hem
+in de verte al druk rondloopen, om alles in orde te brengen.</p>
+
+<p>&raquo;Aan elk einde van de baan staat zeker eene vlag,&raquo;
+zei Bob. &raquo;Jongens, wat ben ik nieuwsgierig, wie den
+prijs zal winnen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Jij natuurlijk,&raquo; zei Jan.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, of Tines Wobbe,&raquo; zei Bob. &raquo;Die kan het ook vlug.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_168" id="Page_168">[168]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Doet Pieter niet me?&raquo; vroeg ik.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, hij is er al. Pa heeft hem een paar nieuwe stelten
+cadeau gegeven, waar hij heel blij mede was. Maar winnen
+zal hij het wel niet, want hij kan het nog niet vlug.
+Doch dat hindert niets; hoe meer zieltjes, hoe meer vreugd,
+zeg ik maar.&raquo;</p>
+
+<p>Wij hadden nu de kampplaats bereikt, waar eene buitengewone
+drukte heerschte. Zoo doodsch en stil als het
+gewoonlijk op dit gedeelte van den Achterweg was, zoo
+levendig was het er thans. De jongens, allen op stelten,
+liepen en sprongen door elkander heen; hun lachen en joelen
+klonk ver in het rond en de vlaggen wapperden vroolijk.</p>
+
+<p>Opeens werd het stil onder den troep, want Tines Wobbe
+zei op luiden toon, zoodat iedereen het verstaan kon, en
+met een minachtenden trek op het gelaat:</p>
+
+<p>&raquo;Moet hij ook medoen?&raquo;</p>
+
+<p>Bij die woorden wees hij op Jan van der Vliet, en de
+wijze, waarop hij dat woordje <em>hij</em> uitsprak, deed ons
+allen pijn. Ik zag, hoe Jans vroolijkheid ineens verdween
+en dat hij bleek werd van schaamte. Juist wilde ik voor
+hem in de bres springen, toen Bob van zijne stelten
+stapte en vlak voor Tines ging staan.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, Tines Wobbe, hij zal ook medoen. Ik wil hopen
+dat je daar niets tegen hebt?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Als hij medoet, ga ik naar huis!&raquo; zei Tines, en
+smalend liet hij er op volgen: &raquo;Met zulk volk houd ik
+mij niet op. Ik denk, dat mijnheer Denappel er ook
+niet op gesteld zal zijn, dat hij aan den wedstrijd deelneemt.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_169" id="Page_169">[169]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Dus als Jan meedoet, zullen we van jou gezelschap
+verstoken zijn, Tines Wobbe?&raquo; vroeg Bob. &raquo;Wel, jongen,
+ga dan maar dadelijk naar huis, want Jan blijft hier en
+doet ongetwijfeld me. Ik ben het overigens volkomen
+met je eens, dat jij veel te goed voor hem zijt, dus &mdash; dag
+Tines!&raquo;</p>
+
+<p>Bob nam zijn hoed voor Tines af en maakte eene diepe
+buiging voor hem, waarom wij allen moesten lachen.</p>
+
+<p>&raquo;Dat zou jij wel willen, h Bob?&raquo; zei Tines, die er
+toch eigenlijk niet veel lust in had, om den wedstrijd in
+den steek te laten. &raquo;Dan was jij vrij zeker van den prijs!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Juist, Tines. Praat nu maar niet langer, en ga heen.
+Dag Tines!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Voor jou ga ik niet, Bobbertje. Jij hebt hier niets
+te zeggen, voor zoover ik weet.&raquo;</p>
+
+<p>Nu was Bobbertje een naam, dien Bob alleen maar
+door zijne beste vrienden kon hooren uitspreken. Zoodra
+het een scheldnaam werd, ergerde hij er zich vreeselijk aan.</p>
+
+<p>&raquo;Bobbertje!&raquo; zei hij driftig. &raquo;Zeg dat nog eens, als
+je durft!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat durf ik wel, Bobbertje!&raquo; zei Tines sarrend.</p>
+
+<p>Flap! Daar kreeg hij een klap om zijne ooren, dat het
+klonk als eene klok.</p>
+
+<p>Flap! Daar kreeg Bob er een terug, die ook niet
+mis was.</p>
+
+<p>&rsquo;t Werd eene formeele vechtpartij. Gelukkig, dat juist
+op dit oogenblik mijnheer Denappel verscheen en de
+vechtenden scheidde.</p>
+
+<p>&raquo;Ho, ho, vgiendjes, wat is hieg te doen?&raquo; vroeg hij<span class="pagenum"><a name="Page_170" id="Page_170">[170]</a></span>
+vriendelijk. &raquo;Mag ik eg jelui aan heginnegen, dat ik je
+niet uitgenoodigd heb, om hieg te komen vechten? Je
+bent abuis, vgiendjes, geheel abuis. We zijn hieg bij
+elkandeg gekomen, om een pgettigen wedstgijd op stelten
+te houden. Was je dat veggeten?&raquo;</p>
+
+<p>Bob en Tines lieten elkander los, en Bob zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Ja mijnheer, dat weet ik wel, maar Tines....&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wel kijk, daag hebben wij onzen vgiend van deg
+Vliet ook. Daag ben ik zeeg blij om, zeeg blij. Geef
+mij de hand, jongen.&raquo;</p>
+
+<p>O, wat werd Jan verheugd bij die hartelijke woorden,
+en wat keek Tines Wobbe leelijk op zijn neus. Wij hadden
+er groote pret van.</p>
+
+<p>&raquo;En nu niet meeg vechten, hoog. Komt, jongens, &rsquo;t
+is tijd om te loten. Maag eegst mag ik jelui zekeg wel
+tgakteegen op een glaasje heeglijken appelwijn?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wat graag, mijnheer, wat graag!&raquo; klonk het rondom,
+en allen gingen wij mede naar den tuin, waar een paar
+tafeltjes en eenige banken voor ons gereed stonden. Ook
+was daar een groote glazen kom, waarin mijnheer Denappel
+de nummers deed, netjes opgerold en in een ringetje
+gestoken, opdat alles eerlijk in zijn werk zou gaan.
+Zoodra wij den appelwijn genoten hadden, begon de
+loting. Dat was een gewichtig oogenblik, want van de
+loting hing heel veel af. Wij waren met ons twaalven;
+niet, dat het aantal jongens niet grooter was; o ja, er
+waren er wel vijftig, maar de anderen waren nog te
+jong, om aan den wedstrijd deel te nemen. Zij waren
+alleen maar toeschouwers, en verhoogden als zoodanig de<span class="pagenum"><a name="Page_171" id="Page_171">[171]</a></span>
+feestvreugde niet weinig. Ook waren zij wel terdege de
+gasten van mijnheer Denappel, evengoed als wij. Als er
+appelwijn geschonken werd, of als er taartjes gepresenteerd
+werden, waren zij er bij als de kippetjes.</p>
+
+<p>Hier volgt het lijstje van de nummers, die getrokken
+werden:</p>
+
+<div class="centered"><ol>
+<li>Pieter van Koorde.</li>
+<li>Jan van der Vliet.</li>
+<li>Adriaan Bolt.</li>
+<li>Tines Wobbe.</li>
+<li>Huibert de Leeuw.</li>
+<li>Dorus Volmaar.</li>
+<li>Karel Holm.</li>
+<li>Bob de Wild.</li>
+<li>Cor Valk.</li>
+<li>Dirk Langeraar.</li>
+<li>Arie Kooy.</li>
+<li>Karel Buurs.</li>
+</ol></div>
+
+<p>Ik had het vrij goed getroffen, want Huibert de Leeuw
+was niet bijzonder vlug op de stelten, zoodat ik het
+gemakkelijk van hem winnen kon. Maar Jan van der
+Vliet was nog veel gelukkiger geweest, want Pieter van
+Koorde kon er maar weinig van, terwijl Jan er juist
+tamelijk vlug op was. Voor Bob en Karel was het erg
+jammer, dat zij juist tegen elkander moesten loopen,
+hoewel het moeilijk vooruit te zeggen was, wie van hen
+het winnen zou. Bob was er iets vlugger op dan Karel,
+dat is waar, maar als Bob het ongeluk had te vallen,
+was hij verloren.<span class="pagenum"><a name="Page_172" id="Page_172">[172]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Komt jongens, we gaan beginnen!&raquo; riep mijnheer
+Denappel, toen hij onze namen in volgorde opgeschreven
+had. &raquo;Wie twee gitten veglogen heeft, is dood, &mdash; goed
+begepen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Best begrepen, mijnheer. Wij zijn klaar.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Numego 1 en 2!&raquo; riep mijnheer Denappel, zich bij
+de vlag plaatsende aan het begin van de baan. Aan het
+andere einde, waar de vlag een seinpaal vormde, stond
+een van zijne bedienden, die na elken rit de vlag zou
+doen zwenken naar den kant van den winner.</p>
+
+<p>Pieter van Koorde en Jan van der Vliet stonden gereed.</p>
+
+<p>&raquo;Een &mdash; twee &mdash; dgie!&raquo; riep mijnheer Denappel, en
+bij den derden tel ging het voorwaarts.</p>
+
+<p>Och, och, wat huppelde Pieter nog raar op die stelten,
+en wij moesten er smakelijk om lachen, maar toch
+vonden wij het flink van hem, dat hij meedeed.</p>
+
+<p>&raquo;Pieter-neef is zoo kwaad nog niet,&raquo; zei Bob vrij
+eigenwijs, &raquo;als hij lang bij ons blijft, zal hij wel opknappen.&raquo;</p>
+
+<p>Een oogenblik later ging de vlag over naar de zijde
+van Jan. Deze had het dus gewonnen, en Pieter kreeg
+een streepje.</p>
+
+<p>&raquo;Numego dgie en vieg!&raquo; klonk het nu.</p>
+
+<p>Adriaan Bolt en Tines Wobbe waren nu aan de beurt.</p>
+
+<p>Nu, wij konden wel vooruit zeggen, wie van deze twee
+het winnen zou, want tegen Tines Wobbe kon bijna
+niemand loopen. De vlag maakte even later bekend, dat
+wij goed gezien hadden, en Adriaan Bolt kreeg ook een
+streepje.</p>
+
+<p>&raquo;Numego vijf en zes!&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_173" id="Page_173">[173]</a></span></p>
+
+<p>Nu was ik aan de beurt.</p>
+
+<p>&raquo;Niet al te hard, Dorus!&raquo; zei Huibert, &raquo;want dan
+lachen ze me uit, als ik het zoo ver verlies.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Je zult er met eere afkomen!&raquo; riep ik hem toe, en
+inderdaad won ik het met slechts een kleinen voorsprong,
+maar ik had ook bij lange na zoo hard niet geloopen,
+als ik kon.</p>
+
+<p>Nu volgden Bob en Karel. Dat beloofde een mooien
+toer, want zij konden het beiden best.</p>
+
+<p>&raquo;Een &mdash; twee &mdash; dgie!&raquo; riep mijnheer Denappel, en
+daar gingen ze. O, o wat liepen die twee. &rsquo;t Scheen
+bijna, of zij geen stelten onder de voeten hadden, en
+langen tijd bleven zij precies gelijk. &rsquo;t Was prachtig, om
+te zien.</p>
+
+<p>Tik, daar sloegen opeens de stelten van Bob tegen
+elkander, Bob maakte eene buiteling, &mdash; en kreeg een
+streepje.</p>
+
+<p>Toen kwamen Cor Valk en Dirk Langeraar, ook een
+paar, dat aan elkander gewaagd was. Maar Cor Valk
+won het toch, en van de laatste twee was Karel Buurs
+de baas. Nu hadden wij allen n loop gedaan, en we
+zouden aan den tweeden beginnen.</p>
+
+<p>&raquo;Maag eegst een taartje en een kleine vegfgissching.&raquo;
+riep mijnheer Denappel ons toe. Ik geloof, dat de brave
+man evenveel pret had als wij. En wat kwamen er een
+toeschouwers. &rsquo;t Werd een feest van belang!</p>
+
+<p>Nu begon de wedstrijd nog belangwekkender te worden,
+want wie thans weer een streepje kreeg, mocht niet
+meer medoen.<span class="pagenum"><a name="Page_174" id="Page_174">[174]</a></span></p>
+
+<p>Pieter van Koorde was de eerste doode, en wij omringden
+hem met ernstige gezichten, om hem te condoleeren.
+Toen volgde Adriaan Bolt, en daarna Huibert
+de Leeuw. Bob won den tweeden rit, zoodat hij en
+Karel Holm er nu ieder een gewonnen hadden; zij
+moesten dus nog eenmaal kampen. Datzelfde was het
+geval met Cor Valk en Dirk Langeraar. Eindelijk kreeg
+ook Arie Kooy zijn tweede streepje.</p>
+
+<p>Nu volgden de kampritten. Allen waren wij nieuwsgierig
+naar den uitslag.</p>
+
+<p>&raquo;Numego acht en negen!&raquo; riep mijnheer Denappel.</p>
+
+<p>Karel en Bob stonden gereed, en nauwelijks hoorden
+zij het woordje &raquo;dgie&raquo;, of daar gingen zij. Ha, &rsquo;t was
+een lust hen te zien gaan! Langen tijd bleven zij gelijk,
+tot eindelijk Karel Holm een klein weinigje begon te
+winnen. Wij rekten de halzen uit, om te zien, wie het
+eerst bij den eindpaal zou zijn. Bob spande zich bovenmatig
+in, maar Karel bleef voor, tot hij opeens struikelde
+en viel. En nog vor hij kon opstaan had Bob de vlag
+bereikt en was Karel dood.</p>
+
+<p>Vijf minuten later trof Dirk Langeraar hetzelfde lot
+en trad Cor Valk als overwinnaar uit het strijdperk.</p>
+
+<p>Op dit oogenblik gingen de zes dooden dicht bij elkander
+zitten, en hieven een jammerlijk gehuil aan. Mijnheer
+Denappel schrikte er van en spoedde zich dadelijk naar
+de plaats, vanwaar het misbaar opging.</p>
+
+<p>&raquo;Wel vgiendjes, &mdash; wel vgiendjes, wat scheelt eg aan,
+wat is eg?&raquo; vroeg hij ontsteld.</p>
+
+<p>En toen jammerde de geheele troep in koor:<span class="pagenum"><a name="Page_175" id="Page_175">[175]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;We zijn dood! &mdash; We zijn dood! O, o, we zijn dood!&raquo;
+Wij moesten geweldig lachen om die dwaasheid, en
+mijnheer Denappel niet het minst.</p>
+
+<p>&raquo;Agme jongens,&raquo; zei hij op medelijdenden toon, &raquo;wat
+is dat jammeg, want ik meende juist nog een glaasje
+appelwijn en een taagtje te pgesenteegen. Maag nu
+behoef ik dat bij jelui niet te doen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;We zijn al weer levend!&raquo; klonk het dadelijk uit zes
+monden tegelijk, en de zes dooden liepen om het hardst
+naar de tafel in den tuin, waar de versnaperingen rondgedeeld
+werden.</p>
+
+<p>Wij waren nu nog met ons zessen overgeschoten, in
+deze volgorde:</p>
+
+<div class="centered"><ol>
+<li>Jan van der Vliet.</li>
+<li>Tines Wobbe.</li>
+<li>Dorus Volmaar.</li>
+<li>Bob de Wild.</li>
+<li>Cor Valk.</li>
+<li>Karel Buurs.</li>
+</ol></div>
+
+<p>Jan en Tines waren nu dus het eerst aan de beurt,
+en wij durfden gerust voorspellen, dat Jan het verliezen
+zou. Hij was wel een goed steltlooper, maar Tines was
+de vlugste van ons allen. Toch hadden wij ons vergist,
+want beide keeren had Tines het ongeluk te vallen,
+terwijl Jan harder scheen te loopen, dan wij ooit van
+hem gezien hadden.</p>
+
+<p>&raquo;Numego dgie en vieg!&raquo; riep mijnheer Denappel, en
+nu moest ik tegen Bob draven.</p>
+
+<p>&raquo;Houd je goed, Dorus!&raquo; riepen sommigen mij toe.<span class="pagenum"><a name="Page_176" id="Page_176">[176]</a></span>
+Vooral Tines Wobbe, die nu ook dood was, scheen Bob
+de overwinning in het geheel niet te gunnen. Hij
+moedigde mij met luider stem aan, mijn leven zoo duur
+mogelijk te verkoopen.</p>
+
+<p>Bob keek hem eens met een schuin oog aan,
+en zei:</p>
+
+<p>&raquo;Hij gunt mij niet veel goeds, Dorus. Wat zou hij
+lachen als ik het verloor.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Laat hem, Bob. Wij zullen er eerlijk om kampen,
+en elkaar niet boos aankijken, als het straks beslist is,
+hoe die beslissing ook zijn moge.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Natuurlijk,&raquo; was het eenvoudige antwoord.</p>
+
+<p>&raquo;Klaag?&raquo; riep mijnheer Denappel. &raquo;Vooguit dan. En-twee-dgie!&raquo;</p>
+
+<p>Ik liep, wat ik loopen kon, en maakte naast Bob lang
+geen gek figuur, want ik bleef hem kort op de hielen.</p>
+
+<p>Tines Wobbe riep mij voortdurend toe:</p>
+
+<p>&raquo;Houd vol, Dorus! Je wint! Je wint! Houd vol!&raquo;</p>
+
+<p>Maar het mocht niet baten. Twee keeren achtereen
+werd ik door Bob verslagen. Ik was dood.</p>
+
+<p>Van het laatste tweetal bleef Cor Valk de baas, zoodat
+er nu nog maar drie overbleven, en wel Jan van
+der Vliet, Bob de Wild en Cor Valk.</p>
+
+<p>Eerst moesten Jan en Bob loopen.</p>
+
+<p>&raquo;Nu zal Jan den prijs winnen,&raquo; fluisterde Bob mij toe.
+&raquo;Als ik het tegen hem verlies, schieten hij en Cor Valk
+alleen over en van Cor kan hij het wel winnen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dus je wilt het hem laten winnen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja,&raquo; zei Bob, &raquo;ik zou zoo graag willen, dat hij den<span class="pagenum"><a name="Page_177" id="Page_177">[177]</a></span>
+eersten prijs won, al was het alleen maar, om Tines
+Wobbe te plagen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar dan win jij niets?&raquo; zei ik. &raquo;En je loopt het
+hardst.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat hindert niet. Ik wil Tines nu eens echt boos
+zien worden.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen Bob, dat weet ik wel beter. &rsquo;t Is volstrekt
+niet, omdat je Tines kwaad wilt maken, maar omdat je
+medelijden met Jan hebt. Dt is de reden.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Gekheid!&raquo; zei Bob heengaande. &raquo;Je hebt het mis,
+hoor Dorus, heelemaal mis!&raquo;</p>
+
+<p>Jan en Bob stonden gereed, en na de gewone drie tellen
+staken zij af. Jan liep wat hij loopen kon, al was het
+dan ook niet, om te winnen, want hij wist wel, dat Bob
+sneller liep dan hij. Zijne verbazing kende dus bijna geen
+grenzen, toen hij bemerkte, dat Bob wel dicht bij hem,
+maar toch steeds achter hem bleef en het maar niet
+scheen te kunnen winnen.</p>
+
+<p>&raquo;Kijk eens,&raquo; riepen de jongens, die zich verwonderden
+over hetgeen zij zagen, &raquo;kijk eens, Jan wint het van
+Bob! Houd je goed, Bob, houd je goed. &mdash; Kijk, Bob
+verliest &mdash; nog een oogenblik &mdash; wel heb ik van mijn
+leven, Bob heeft het verloren! Hoe is dat mogelijk?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik lijk wel moede te worden,&raquo; zei Bob, toen de jongens
+hem bestormden met de vraag, hoe dit mogelijk was.</p>
+
+<p>&raquo;Dat is vreemd&raquo; zei Jan, &raquo;want ik ben in het geheel
+niet mo.&raquo;</p>
+
+<p>Nu volgde de tweede rit, en &mdash; met denzelfden uitslag.
+Bob had twee streepjes en was dus dood.<span class="pagenum"><a name="Page_178" id="Page_178">[178]</a></span></p>
+
+<p>Thans moesten na eene kleine pauze Jan en Cor Valk
+om den eersten en den tweeden prijs kampen, en de
+uitkomst was, zooals Bob die voorspeld had. Jan won
+den eersten en Cor den tweeden; zoodat alles heel anders
+was afgeloopen, dan wij gedacht hadden.</p>
+
+<p>Wat was Jan van der Vliet blij!</p>
+
+<p>&raquo;Toch kan ik het mij niet begrijpen, Bob,&raquo; zei hij,
+&raquo;want jij loopt toch veel beter dan ik.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wacht maar, Jantje,&raquo; zei Bob, die er ook zeer verheugd
+uitzag, nu zijn list zoo goed gelukt was, &raquo;ik zal
+het later wel eens beter overdoen, dat beloof ik je!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu naag den tuin,&raquo; zei mijnheer Denappel. En wij
+volgden hem allen, om getuigen te zijn van de prijsuitdeeling.</p>
+
+<p>Hij plaatste zich achter de tafel en liet Jan en Cor
+tegenover hem staan. Daarachter stonden wij allen op
+een hoop gedrongen. &rsquo;t Werd nu stil, en mijnheer
+Denappel zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Waagde Vgiendjes! Ik heb een gecht pgettigen middag
+gehad en met vgeugde heb ik gezien, dat je op de stelten
+gechte bazen bent. &rsquo;t Spijt me wel, dat ik voog iedeg
+van jelui geen pgijs beschikbaag heb, want ik zou eg je
+gaag allen een geven. Dat kan nu eenmaal niet. Hieg
+heb ik een pgachtig boek in een fgaaien band, en dat
+boek geef ik jou, Jan van deg Vliet, omdat ik tot mijne
+vgeugde gezien heb, dat jij vlugste van allen zijt. Hieg,
+mijn jongen, lees eg pgettig in! Het heet Gobinson Cguso.&raquo;</p>
+
+<p>Met een hoog rood gelaat van blijdschap nam Jan het
+prachtige boek aan.<span class="pagenum"><a name="Page_179" id="Page_179">[179]</a></span></p>
+
+<p>Mijnheer Denappel drukte hem de hand en Jan betuigde
+zijn dank.</p>
+
+<p>&raquo;En hieg heb ik den tweeden pgijs, Cog Valk, een
+boek, waagin je de avontugen kunt lezen van den Bagon
+van Munchhausen. Dat boek heb jij eeglijk gewonnen;
+ziedaag, neem het van mij aan, en lees het met pleizieg.&raquo;</p>
+
+<p>Ook Cor nam onder dankbetuiging zijn prijs in bezit.</p>
+
+<p>&raquo;En nu heb ik hieg nog een fgaaie pogte-monnaie,&raquo;
+vervolgde mijnheer Denappel, &raquo;en ik beggijp, dat je
+nieuwsgiegig zijt, aan wien ik die zal geven. Dit voogwegp
+is geen pgijs, vgiendjes, die doog dezen of genen
+gewonnen is, neen, &mdash; &rsquo;t is een cadeau, dat ik geef, aan
+wien ik wil. En nu geef ik haag aan Bob de Wild,
+omdat die agme jongen z bijzondeg moede gewogden
+is dezen middag, dat hij op het laatst lang zoo hagd
+niet meeg kon loopen als in het eegst. &rsquo;t Is dus uit
+medelijden, dat hij dit geschenk van mij kgijgt.&raquo;</p>
+
+<p>Hij reikte de porte-monnaie aan Bob over en knipoogde
+bijna onmerkbaar tegen hem. Ik zag het en
+begreep nu zeer goed, dat hij opgemerkt had, hoe Bob
+met voordacht Jan den prijs had laten winnen, wat hij
+zeker eene mooie daad van Bob vond.</p>
+
+<p>Bob bedankte hartelijk voor het mooie geschenk en
+was er zeer blijde mede. Hij deed de beugels open en
+dicht, en zeide tegen ons:</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is eene beste, hoor haar maar eens flink dichtknippen.&raquo;
+En haar Tines bij het oor houdende zeide hij:
+&raquo;Luister maar, Tines, je kunt het best hooren.&raquo;</p>
+
+<p>Tines luisterde, maar hoorde niets. Wel voelde hij<span class="pagenum"><a name="Page_180" id="Page_180">[180]</a></span>
+plotseling eene hevige pijn in zijn oorlelletje, en dat was
+geen wonder, want Bob had zijn cadeau er zoo dicht
+bijgehouden, dat het vel er tusschen geknipt zat. O, o,
+wat schreeuwde Tines benauwd, en met de porte-monnaie
+aan het oor, sprong hij als een wilde door den tuin rond.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was een dwaas gezicht, waarover wij verbazend veel
+pret hadden. Bob stond te schudden van het lachen, en
+ik geloof zelfs op dit oogenblik nog, dat de ondeugd het
+er om gedaan had.</p>
+
+<p>Mijnheer Denappel verloste Tines van het pijnlijke
+oorbelletje en gaf het Bob terug, daarbij dreigend den
+vinger tegen hem opstekende.</p>
+
+<p>Wij bleven nu nog prettig een paar uren in den tuin
+spelen, en vertrokken pas toen het al donker begon te
+worden. Ons luid: Lang zal hij leven! Hoezee! Hoezee!
+ter eere van mijnheer Denappel, weerklonk over het
+geheele dorp.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was een heerlijke middag geweest.</p>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_181" id="Page_181">[181]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Elfde Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Van een klein bakkertje en een grooten wagen. Hoe wij<br />
+eene wandeling door het bosch maakten en Burts ontmoetten.<br />
+Onze vlucht en de gevolgen daarvan.<br />
+Pieter komt tot de ontdekking, dat het in<br />
+het bosch spookt.</p>
+
+
+<p>&rsquo;t Zal een dag of drie later geweest zijn, toen wij met
+ons vieren, Bob en zijn neef Pieter, Karel Holm en ik,
+eene wandeling maakten door het dorp. Pieter zou den
+volgenden dag weer met zijne Mama naar Amsterdam
+terug keeren. Ik zeg, dat wij eene wandeling maakten,
+maar dat is eigenlijk niet geheel juist, want we stonden
+heel dikwijls stil, b.v. als Bob zich verbeeldde, een grooten
+visch aan de oppervlakte van het water te zien zwemmen,
+of als Karel dacht, in het kreupelhout langs den
+weg een egel te zien, of als wij een meikever meenden
+te hooren brommen en vruchteloos naar het onschuldige
+diertje uitzagen, met het vaste voornemen, om hem te
+vangen, als ons dat mogelijk was. Soms ook zaten wij<span class="pagenum"><a name="Page_182" id="Page_182">[182]</a></span>
+vertrouwelijk aan den kant der beek, en staarden naar
+de kabbelende golfjes en luisterden naar het suizelen
+van het riet, of maakten kleine scheepjes van de bladen
+daarvan, die wij op het water lieten drijven.</p>
+
+<p>Opeens begon Bob te lachen, zonder dat wij de reden
+daarvan konden bevroeden.</p>
+
+<p>&raquo;Waar heb jij zoo&rsquo;n pret over, Bob?&raquo; vroeg ik.</p>
+
+<p>&raquo;Ach,&raquo; zei hij, &raquo;zie je ginds dien grooten broodwagen
+wel, daar bij het huis van Wobbe?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja wel,&raquo; zei Karel, &raquo;maar het grappige daarvan zie
+ik nog niet in.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, ik ook niet,&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>&raquo;Dat wil ik wel gelooven,&raquo; hernam Bob. &raquo;Nu moet
+je straks eens kijken, als de bakker terugkomt. Dat
+mannetje is zoo klein als de wagen groot is, en als hij
+nu brood uit dien wagen moet krijgen, gaat hij op de
+ijzeren trede staan, die je daar ziet, en duikt bijna
+geheel in zijne kar weg.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En is dat nu zoo grappig?&raquo; vroeg ik.</p>
+
+<p>&raquo;Kijk,&raquo; zei Bob, &raquo;daar komt hij weer. Flap! Het deksel
+doet hij open, en wip &mdash; nu staat hij op de trede.
+Ha-ha, daar gaat hij weer voorover, den wagen in. Zie
+je nu wel, hoe grappig! Hij verliest bijna zijn evenwicht.
+Je zoudt zeggen, wat moet zoo&rsquo;n klein manneke nu met
+zoo&rsquo;n grooten wagen doen? Als hij een klein beetje hulp
+krijgt, wipt hij voorover op zijne bollen en stoeten.
+Ha-ha-ha!&raquo;</p>
+
+<p>Nu, &rsquo;t was inderdaad wel grappig te zien, hoe het
+kleine bakkertje zijne brooden uit den wagen opdiepte.<span class="pagenum"><a name="Page_183" id="Page_183">[183]</a></span>
+Maar bijzonder sterk interesseerde de zaak ons toch niet.
+Alleen Bob vond het verbazend grappig.</p>
+
+<p>&raquo;Zeg jongens,&raquo; riep hij ons toe, &raquo;ik kan het heusch
+niet laten, hoor. Ik moet hem een handje helpen!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Om eene duikeling in de wagen te maken?&raquo; vroeg
+Karel, wien het plan ook wel min of meer toelachte.</p>
+
+<p>&raquo;Natuurlijk!&raquo; zei Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Ik zou het je afraden,&raquo; zei Pieter. &raquo;Ik acht het eene
+gevaarlijke onderneming.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Gevaarlijk is ze nooit, want als ik het deksel dicht
+doe, kan hij er nooit meer uit!&raquo; zei Bob. &raquo;Dan is het
+Hugo de Groot in de boekenkist! Ik ga, jongens, die
+grap moet ik hebben.&raquo;</p>
+
+<p>Wij stonden op, om te zien, hoe het zou afloopen.</p>
+
+<p>Bob ging regelrecht op den wagen af. De bakker was
+weer bij een huis aangegaan, om zijne waar te verkoopen,
+maar weldra kwam hij terug.</p>
+
+<p>Ja, daar ging het deksel weer open en stapte hij op
+de trede. Een oogenblik later verdween zijn bovenlijf
+in de kar. Zie, hij moest zelfs op de teenen gaan staan,
+om in alle hoeken te kunnen komen.</p>
+
+<p>Dit oogenblik had Bob afgewacht. Vlug als de wind
+gaf hij den braven man een duwtje &mdash; en, o heden, wat
+was het een bespottelijk gezicht &mdash; daar duikelde de
+bakker voorover in zijn wagen. In het volgende oogenblik
+was het deksel dicht.</p>
+
+<p>Och, och, wat moest die Bob geweldig lachen! Een
+paar vrouwtjes, die het tooneeltje van achter hare ramen,
+waar zij kousen zaten te stoppen, hadden aangezien,<span class="pagenum"><a name="Page_184" id="Page_184">[184]</a></span>
+kwamen verontwaardigd naar buiten snellen. Wij vonden
+het ook wel grappig &mdash; maar toch zouden wij ons nog
+wel eens bedacht hebben, eer wij het gedaan hadden.</p>
+
+<p>Bob zette het op een loopen, zooals van zelf spreekt.
+Hij behoefde niet bang te wezen, dat de bakker
+niet uit zijne gevangenis verlost zou worden, want
+het gebeurde midden in het dorp, zoodat verscheidene
+menschen het hadden gezien. Bovendien steeg er zulk
+een jammerlijk gehuil uit den wagen op, dat men het
+wel hooren moest.</p>
+
+<p>&raquo;Wel, wel, wat een portale jongen!&raquo; zei een van de
+vrouwtjes, die naar buiten gekomen waren. &raquo;Je zoudt
+zeggen, waar haalt de jongen de portaligheid vandaan?&raquo;</p>
+
+<p>Zij zette hare handen in de zijden en schudde bedenkelijk
+met het hoofd.</p>
+
+<p>&raquo;Ja buurvrouw,&raquo; was het antwoord, &raquo;dat mag je zeggen,
+m&rsquo;n lieve mensch. Wil je wel gelooven, dat ik er beduusd
+van ben? De schrik zit me nog door me heele lijf, zoowaar
+als ik hier voor je sta.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Hoor me dien man eens aangaan!&raquo; zei weer de eerste,
+zonder evenwel eene hand uit te steken, om hem te helpen.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is eene schande, dat zeg ik maar, en die jongen groeit
+op voor galg en rad. Help maar eens kijken!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is zeker wilde Bob wel weer geweest?&raquo; vroeg de
+andere.</p>
+
+<p>&raquo;Help! Help!&raquo; klonk het onophoudelijk uit den wagen,
+uit welke noodkreten wij duidelijk konden opmaken, dat
+het den kleinen bakker volstrekt niet beviel in zijn Luilekkerland.<span class="pagenum"><a name="Page_185" id="Page_185">[185]</a></span></p>
+
+<p>Op dit oogenblik kwam Bob zoo brutaal mogelijk terugloopen.
+De aardigheid scheen hem lang genoeg geduurd
+te hebben, want met eene behendige beweging maakte
+hij het deksel los en lichtte het een weinig op. Op hetzelfde
+oogenblik verscheen het verschrikte hoofd van den
+bakker boven den rand, daarna zijn bovenlijf &mdash; en nu
+zette Bob het voor de tweede maal op een loopen, zoo
+snel als hij kon. Hij vloog langs ons heen.</p>
+
+<p>&raquo;Komt jongens!&raquo; riep hij ons toe. &raquo;Loopen, hoor,
+want als hij je krijgt, zal het je niet bevallen.&raquo;</p>
+
+<p>Nu, wij waren doodonschuldig aan de geheele zaak, dat
+kan niemand ontkennen, maar toen wij zagen, welke booze
+blikken de bakker op ons wierp en hoe hij naar zijne
+zweep zocht, vonden wij het geraden, ook het hazenpad
+te kiezen. Wij volgden daarom Bob meer overhaast dan
+eervol en hadden hem weldra ingehaald.</p>
+
+<p>Het laatste huis van het dorp hadden wij spoedig achter
+ons en zonder een bepaald plan te hebben sloegen wij
+een smal pad in, dat naar het bosch van Baron van den
+Kasteele voerde. Dat de bakker ons niet meer vervolgde,
+hadden wij al sedert lang opgemerkt. Wij vertraagden
+dus onzen gang en liepen doelloos verder.</p>
+
+<p>Zoo kwamen wij aan den ingang van het bosch, waar
+op een bordje, dat aan een hoogen iep was getimmerd,
+de woorden &raquo;Verboden Toegang&raquo; te lezen stonden.</p>
+
+<p>&raquo;Willen wij er ingaan?&raquo; vroeg Karel. &raquo;&rsquo;t Ziet er daar
+zoo echt prettig uit.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Mij goed!&raquo; zeiden Bob en ik.</p>
+
+<p>&raquo;Maar er staat &raquo;Verboden Toegang!&raquo; op dat bordje,&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_186" id="Page_186">[186]</a></span>
+zei Pieter, op de waarschuwende woorden wijzende.
+&raquo;Zouden we er geen kwaad mede kunnen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Och kom, wees wijzer,&raquo; zei Bob. &raquo;Dat bordje doelt
+alleen op stroopers, die hier wel eens komen. Wij gaan
+er geen kwaad doen.&raquo;</p>
+
+<p>Pieter keek zijn neef Bob met een wantrouwigen blik
+aan. Blijkbaar was hij daarvan niet erg zeker.</p>
+
+<p>&raquo;Kom, Pieter, niet zeuren,&raquo; zei Karel. &raquo;Als we den
+boschwachter tegen komen, waarvan wij natuurlijk niet
+veel gevaar loopen, omdat het bosch zoo groot is, zullen
+wij er ons zonder murmereeren weer uit laten jagen, dat
+is alles. Dan heeft de goede man alle redenen tot tevredenheid
+en kan hij niet anders getuigen, dan dat wij brave
+jongens zijn.&raquo;</p>
+
+<p>Die woorden van Karel kwamen ons zeer juist voor,
+en ook Pieter scheen er door overtuigd te zijn, want na
+enige weifeling volgde hij ons het bosch in.</p>
+
+<p>Wat was het daar heerlijk. De boomen verhieven
+hunne zacht wuivende kruinen hoog in de lucht en wij
+baadden ons als het ware in de geur van het jonge groen,
+dat ons omgaf. Wat stak dat lichte voorjaarsgroen prachtig
+af tegen den donkeren achtergrond van de sparren en
+dennen, die daar in grooten getale werden gevonden. Wij
+hoorden de nachtegalen slaan en de ooievaars klepperen.
+O, &rsquo;t was er verrukkelijk!</p>
+
+<p>Manmoedig stapten wij in het bosch voort, doch &mdash; al
+hielden wij ons zeer heldhaftig en al riepen wij Pieter
+om &rsquo;t hardst toe, dat hij gerust me kon gaan en geen
+vrees behoefde te koesteren, toch waren wij zelf ook niet<span class="pagenum"><a name="Page_187" id="Page_187">[187]</a></span>
+geheel op ons gemak, want de Baron was een lastig man,
+en zijn boschwachter, die Burts heette, was zelfs algemeen
+gevreesd.</p>
+
+<p>Al spoedig begon het terrein heuvelachtig te worden,
+zoodat wij berg-op, berg-af gingen. Nu eens zaten wij
+op den top van een hooge duin, vanwaar wij een prachtig
+gezicht hadden op de omgeving, dan weer lagen wij te
+rusten in eene vallei, die aan alle zijden door heuvels
+ingesloten was. In een van die vallein vonden wij een
+pas gegraven kuil, die zoo diep was, dat het water er
+wel ruim een meter hoog in stond. Over den kuil lag
+eene plank.</p>
+
+<p>&raquo;Wat zou dat zijn? Waartoe zou de Baron dien kuil
+gegraven hebben?&raquo; vroeg Bob, die midden op de plank
+stond en met een langen tak van een boom peilde, hoe
+diep het gat wel zou zijn.</p>
+
+<p>&raquo;Ik weet het niet,&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>&raquo;Ik geloof, dat de Baron eene waterleiding wil aanleggen
+naar zijne villa,&raquo; zei Karel. &raquo;Het zou best kunnen
+zijn, dat die hier gemaakt wordt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Wel mogelijk,&raquo; zei Bob. &raquo;Pas op, Karel, niet zoo
+dringen, want als ik van de plank val, ben ik doornat.&raquo;</p>
+
+<p>Maar Karel hield niet op, en nu begonnen die twee eene
+stoeipartij, waaraan wij weldra allen mededen. Wij waren
+evenwel zoo verstandig de plank te verlaten, want niemand
+van ons had lust een nat pak te halen. Al stoeiende
+werden wij hoe langer, hoe wilder. Wij zaten elkander
+na tegen de hoogten op en lieten ons dan weer van
+boven-af neerrollen, wat wij buitengewoon vermakelijk<span class="pagenum"><a name="Page_188" id="Page_188">[188]</a></span>
+vonden. Soms renden wij, zoo hard wij loopen konden,
+van de hoogte af naar omlaag, de plank over en dan
+weer tegen den tegenoverliggenden heuvel op, zoodat
+wij zwoegden van inspanning. Wij vermaakten ons
+kostelijk en waren weldra zoowel den baron als zijn
+boschwachter vergeten.</p>
+
+<p>Kwaad deden wij niet, althans in het eerst niet, maar
+dat zou veranderen. Bob kon nooit ergens afblijven, en
+zoo ook nu niet. Toen wij eenige keeren in vollen draf
+over de plank gegaan waren, begon Bob de plank van
+den kuil te trekken en sleepte haar tegen de helling op.
+Daar zette hij haar op het einde en liet haar balanceeren.
+Het is te begrijpen, dat zij telkens omviel en
+dan met geweld tegen den grond terecht kwam. Dat
+spelletje werd zoo dikwijls herhaald, tot wij een hevig
+gekraak hoorden, waardoor het ons allen duidelijk werd,
+dat zij gebroken was.</p>
+
+<p>&raquo;Stuk!&raquo; zei Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, stuk, Bobbertje!&raquo; zei Karel op leuken toon. &raquo;Daar
+heb je eer van.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Laten we vluchten,&raquo; zei Pieter in grooten angst.
+&raquo;Als de baron komt en ziet, wat we gedaan hebben,
+zal het nog slecht met ons afloopen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Niet zoo bang wezen, Pieter,&raquo; zei Bob. &raquo;Zeg jongens,
+die plank is niet stuk, kijkt maar.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Hij is niet in twee stukken gevallen, dat is waar,&raquo;
+zei ik. &raquo;Maar toch is ze stuk, Bob. Je kunt het duidelijk
+zien.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dat kan ik niet ontkennen. Nu, gedane zaken<span class="pagenum"><a name="Page_189" id="Page_189">[189]</a></span>
+nemen geen keer, en met den besten wil is het mij niet
+mogelijk, deze plank weer heel te maken. Toe Dorus,
+help mij eens, door het andere einde op te nemen. Dan
+leggen wij haar weer netjes over den kuil en niemand
+kan zien, dat zij stuk is.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En als er nu iemand komt en er over loopt?&raquo; vroeg
+Karel.</p>
+
+<p>&raquo;Dan breekt de plank en krijgt hij een nat pak,&raquo; zei
+Bob. &raquo;Dat lijdt geen twijfel.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar dat is een leelijke streek,&raquo; zei Karel. &raquo;Je moet
+dat niet doen, Bob, &mdash; ik heb het liever niet.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar wat dan?&raquo; vroeg Bob. &raquo;Wij kunnen de plank
+toch niet hier laten liggen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik weet er wat op,&raquo; zei Pieter. &raquo;Hier heb ik een
+stukje krijt. Laten wij er aan de beide einden opschrijven
+dat ze stuk is. Wanneer dan iemand komt om er over
+te loopen, wordt hij gewaarschuwd.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Als het ten minste niet gaat regenen,&raquo; meende Karel.
+&raquo;Maar je hebt gelijk, Pieter, &mdash; laten wij het er
+duidelijk opschrijven.&raquo;</p>
+
+<p>Bob nam nu het stukje krijt, en schreef aan elk einde
+met duidelijke letters:</p>
+
+<p>&raquo;Deze plank is gebroken.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zie zoo,&raquo; zei hij vol zelfvoldoening over zijne daad,
+&raquo;dat is duidelijk, dunkt me. Wie er nu toch nog over
+loopt, moet er zelf de gevolgen maar van dragen. Toe
+Dorus, help eens even een handje.&raquo;</p>
+
+<p>Wij droegen de plank nu naar beneden en legden haar
+weer precies, zooals we haar gevonden hadden.<span class="pagenum"><a name="Page_190" id="Page_190">[190]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Willen we nu verder gaan?&raquo; vroeg Pieter, die zich in
+het bosch nog in het geheel niet op zijn gemak gevoelde.</p>
+
+<p>Wij vonden zijn voorstel goed, en klommen over den
+heuvel. Daarna kwamen wij weer in eene vallei, die rondom
+diep was uitgespit en klommen aan den anderen kant tegen
+eene zeer steile helling op, z steil, dat wij ons aan het
+kreupelhout moesten ophijschen om er tegen op te komen.</p>
+
+<p>En nauwelijks was Bob met zijn hoofd boven den top,
+of hij fluisterde ons toe, dat wij geen gedruisch moesten
+maken, en heel zacht naar boven klimmen.</p>
+
+<p>&raquo;Daar zijn konijnen aan het spelen,&raquo; zei hij zacht.</p>
+
+<p>Wij bereikten nu ook de hoogte, die zoo smal was,
+dat wij ons moesten vasthouden, om niet achteruit naar
+beneden te glijden.</p>
+
+<p>&raquo;Wat zijn ze vlug, he? Kijk die dingen eens springen!&raquo;</p>
+
+<p>&rsquo;t Was inderdaad een aardig gezicht, die diertjes zoo
+geheel in vrijheid te zien huppelen en spelen. Er waren
+er zeker wel twintig.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is hier het konijnenland,&raquo; zei Karel. &raquo;Kijk, die
+groote, daar ginds achter de struiken, is zeker de koning.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En die heuvel is hunne stad,&raquo; zei Bob. &raquo;Zie je die
+holen daar wel? Dat zijn de poorten, die toegang tot
+de stad verleenen. &rsquo;t Is toch wel grappig, zulk eene
+konijnen-kolonie.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik wou, dat ik een geweer had,&raquo; zei Pieter. &raquo;Wat
+zou ik ze raken!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Jij?&raquo; zei Bob lachend. &raquo;Misschien schoot je ons wel
+dood en jezelven er bij, maar een konijn raakte je niet,
+zou ik durven voorspellen.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_191" id="Page_191">[191]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Jij ook niet,&raquo; zei Pieter boos. &raquo;Jij kunt evenmin
+schieten als ik.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Had ik maar pijl en boog bij me,&raquo; zei Karel. &raquo;Dan
+zou ik het toch eens probeeren. Een geweer maakt te
+veel leven. Het zou onze tegenwoordigheid verraden;
+maar met pijlen konden we het wagen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zouden we geen boog kunnen maken?&raquo; vroeg Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Niet doen, Bob, niet doen!&raquo; zei Pieter. &raquo;Laten we
+nu verder gaan. &rsquo;t Wordt hoog tijd.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nog eventjes,&raquo; zei Bob. &raquo;We zitten hier nog zoo
+prettig.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zitten?&raquo; vroeg Karel. &raquo;Hangen zou beter gezegd
+zijn, want ik word moe van het vasthouden. Kijk, daar
+komen nog meer konijnen uit de holen. Hoe komen er
+zooveel bij elkaar, zou je zeggen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is geen wonder, dat hier wel eens stroopers komen,&raquo;
+merkte ik op. &raquo;Zij kunnen hier altoos op eene goede
+vangst rekenen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Hoe vangen zij die dieren?&raquo; vroeg Pieter.</p>
+
+<p>&raquo;Ze graven de holen uit en kruipen er in, zoover ze
+kunnen. Dan grijpen zij ze met de handen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En die ontsnappen langs nevengangen komen in de
+stroppen terecht, waarmede de uitgangen afgezet zijn,&raquo;
+vulde Karel aan. &raquo;&rsquo;t Moet wel een aardig werkje zijn,
+dunkt me.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Aardig wel, maar gevaarlijk, want als de heuvel
+instort, wordt de strooper onder het zand bedolven en
+moet sterven.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ook kan hij gesnapt worden door Burts, den boschwachter,<span class="pagenum"><a name="Page_192" id="Page_192">[192]</a></span>
+zei Bob. &raquo;En dat is ook niet bijzonder prettig,
+want dan is gevangenisstraf het einde.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Pang!&raquo; klonk plotseling een zwaar schot in onze onmiddellijke
+nabijheid. &raquo;Pang!&raquo; daar viel een tweede schot.</p>
+
+<p>Een geweldige schrik overviel ons, want wij waren er in
+het geheel niet op voorbereid. Drie van ons, Bob, Karel
+en ik sprongen van schrik overeind en stonden plotseling
+in de onmiddellijke nabijheid van den gevreesden Burts.
+Maar de vierde, onze waarde Pieter-neef, was van den schrik
+als het ware verlamd. Hij had geen kracht meer om zich
+aan de struiken vast te houden en onder het slaken van
+een akeligen kreet rolde hij hals over kop naar beneden.</p>
+
+<p>&raquo;Ha-ha, knaapjes!&raquo; bulderde de boschwachter ons toe.
+&raquo;Daar heb je jezelven leelijk verraden. Was maar stil
+blijven zitten, dan had ik je stellig niet opgemerkt, maar
+nu ben je in mijne macht. Hoe heet je?&raquo;</p>
+
+<p>Burts haalde een boekje uit zijn zak te voorschijn, om
+onze namen op te schrijven.</p>
+
+<p>&raquo;Hoe heet je?&raquo; vroeg hij op gestrengen toon, en hij
+keek Bob strak in de oogen. Wat zag die man er barsch uit.
+Zijne knevels schenen mij toe om te krullen van boosheid.</p>
+
+<p>&raquo;Hoor je me niet? Hoe heet je?&raquo; herhaalde hij zoo
+barsch mogelijk.</p>
+
+<p>&raquo;Vluchten, jongens!&raquo;</p>
+
+<p>Dat was het eenige antwoord, hetwelk aan Bobs mond
+ontsnapte. En hij voegde de daad bij het woord. Met
+eene vlugge beweging liet hij zich naar beneden rollen,
+waar hij dicht bij Pieter-neef terecht kwam, die nog
+kermend van ontsteltenis in het zand lag te spartelen.<span class="pagenum"><a name="Page_193" id="Page_193">[193]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Wat is er?&raquo; vroeg Bob, die nooit een makker in den
+steek liet, en haastig bij hem neerknielde.</p>
+
+<p>&raquo;O, ik ben getroffen,&raquo; steunde Pieter.</p>
+
+<p>&raquo;Waar? &mdash; Zeg, Pieter, &mdash; waar?&raquo; vroeg Bob angstig.</p>
+
+<p>&raquo;Is hij weg, Bob?&raquo; vroeg Pieter, schuw om zich heen
+ziende.</p>
+
+<p>&raquo;Neen, &mdash; maar jij moet maken, dat je wegkomt!&raquo;
+antwoordde Bob. &raquo;Zeg Pieter, &mdash; wr ben je getroffen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat weet ik niet, &mdash; o dat weet ik niet!&raquo; jammerde
+Piet.</p>
+
+<p>&raquo;Dan is het ook niet waar! Vooruit, vlucht, daar komt
+de boschwachter aan! Vooruit, Pieter, gauw?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;De boschwachter? O &mdash; O!&raquo; steunde Pieter, overeind
+krabbelende. &raquo;Waar &mdash; waar is hij, Bob?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Loopen!&raquo; zei Bob. &raquo;Als een haas! Ik zal hem wel
+een oogenblik ophouden! Maar haast je!&raquo;</p>
+
+<p>Pieter begon nu te begrijpen, dat het ernst was, en
+dat was trouwens te zien ook, want de boschwachter
+verscheen nu boven op den heuvel. Eerst had hij Karel
+en mij een oogenblik achtervolgd, maar toen hij bemerkte,
+dat wij hem te vlug waren, keerde hij terug en trachtte
+Bob in zijne macht te krijgen.</p>
+
+<p>Pieter klom aan de andere zijde tegen de helling op
+en verdween uit het gezicht. Bob vreesde echter, dat
+Burts hem spoedig achterhalen zou, want Pieter was
+niet erg bij de hand in dergelijke zaken. Hij besloot
+daarom, den boschwachter eenigen tijd op te houden,
+ten einde zijn neef en ook ons gelegenheid te geven,
+een goed heenkomen te zoeken.<span class="pagenum"><a name="Page_194" id="Page_194">[194]</a></span></p>
+
+<p>Hij bleef dus in de vallei rondloopen, tot Burts hem
+vrij dicht genaderd was. Nu moest zijne bekende vlugheid
+hem redden.</p>
+
+<p>&raquo;Ha, deugniet, daar heb ik je nu!&raquo; hoorde hij Burts zeggen.</p>
+
+<p>&raquo;Mis, man, nog niet,&raquo; dacht Bob, maar hij zeide niets.
+Als een haas zoo vlug klauterde hij tegen de hoogte op.
+Hij raakte bijna den grond niet aan. Maar Burts was
+vlugger, dan hij dacht, zoodat hij duidelijk merkte, dat
+deze hem begon in te halen.</p>
+
+<p>&raquo;Krijgen zl ik je!&raquo; hoorde hij hem zeggen.</p>
+
+<p>Nu had Bob den top bereikt, en hij bemerkte, dat
+hij thans de vallei weer genaderd was, waar de nieuwe
+waterleiding moest komen.</p>
+
+<p>Als een bal liet hij zich naar beneden rollen, en hij
+had het geen oogenblik later moeten doen, want reeds
+strekte Burts de hand uit, om hem bij de beenen te
+grijpen. Nu ontsnapte Bob hem.</p>
+
+<p>Deze liep op den put toe, die midden in de vallei
+lag, met het voornemen, de plank over te loopen en
+aan den overkant weer omhoog te klauteren. Dat de
+plank stuk was, herinnerde hij zich al niet meer, en
+juist wilde hij er den voet op zetten, toen hem de met
+krijt geschreven letters in het oog vielen.</p>
+
+<p>&raquo;O ja, omloopen!&raquo; mompelde Bob. Hij hoorde Burts
+met groote schreden naderen, maar durfde zich geen
+oogenblik tijd gunnen, om eens achter zich te kijken.</p>
+
+<p>&raquo;Nu ontsnap je mij niet meer, kleine schelm!&raquo; hoorde
+hij zijn vervolger roepen, en deze voorspelling stemde
+onzen Bob verre van aangenaam.</p>
+
+<div class="figcenter1">
+<img src="images/ill04.jpg" width="400" height="550" alt="Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak.... (pag.&nbsp;195)." title="" />
+<br /><span class="caption1">Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak.... (pag.&nbsp;195).</span>
+</div><p><span class="pagenum"><a name="Page_195" id="Page_195">[195]</a></span></p>
+
+<p>Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak achter zich,
+welk gekraak gevolgd werd door een geweldigen plons,
+als van iemand, die in het water viel. En plotseling
+ging Bob een licht op. Ongetwijfeld was Burts, om hem
+den pas af te snijden, op de plank gestapt, niet wetende,
+dat deze gebroken was. En nu moest zonder twijfel de
+lange Burts er doorgezakt en in den kuil gevallen zijn.
+Bob hoorde, hoe er in het water geplast werd, en hoe
+de boschwachter pogingen deed, om tegen den hoogen
+kant op te springen.</p>
+
+<p>Nu durfde Bob wel een oogenblik stilstaan, en omkijken.
+Ja waarlijk, daar zag hij het hoofd van den vertoornden
+boschwachter boven den rand van den put uitkomen, en
+hij zag ook, hoe diens beide handen zich aan den rand
+vastklemden en hoe hij poogde, er uit te springen. Wel
+een paar malen mislukte hem dit en zakte de man, die hoe
+langer hoe toorniger werd, tot aan zijn middel in het
+water terug.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was zoo&rsquo;n koddig gezicht, dat Bob het uitschaterde
+van de pret. En dat lachen maakte Burts nog boozer.
+Hij spande al zijne krachten in, sprong nogmaals omhoog
+en ja, nu gelukte het hem, zich op den kant te werken.
+O, o, wat droop het water hem uit de kleren! Bob kon
+niet tot bedaren komen van het lachen.</p>
+
+<p>Maar nu kwam Burts met groote schreden op hem
+af; het was den man aan te zien, dat zijne woede geen
+grenzen kende.</p>
+
+<p>&raquo;Nu wordt het mijne beurt!&raquo; riep hij Bob met beide
+vuisten dreigend toe. Maar Bob wachtte hem niet af.<span class="pagenum"><a name="Page_196" id="Page_196">[196]</a></span>
+Vlug als eene kat klauterde hij omhoog en was weldra
+verdwenen. En Burts klauterde hem wel na, maar och,
+doornat als hij was, viel dat werkje hem erg moeilijk,
+en toen hij, eindelijk op de hoogte gekomen, van Bob
+geen spoor meer kon ontdekken, gaf hij de vervolging
+geheel en al op. Hij keerde naar huis terug, om droge
+kleren te gaan aantrekken.</p>
+
+<p>En Bob verliet zoo spoedig mogelijk het bosch langs
+denzelfden weg, dien hij het ingekomen was. Aan den
+uitgang werd hij aangenaam verrast, door daar Karel en
+mij te vinden. Wij zaten daar al enkele minuten op hem
+en Pieter te wachten.</p>
+
+<p>Wel, wel, wat moesten wij lachen, toen Bob ons vertelde,
+wat er met Burts gebeurd was. &rsquo;t Is misschien
+wel niet mooi van ons, maar wij verheugden ons toch
+buitengewoon in de poets, die hem gespeeld was. &rsquo;t Was
+dan ook een akelige man, van wien niemand hield.</p>
+
+<p>&raquo;En nu is hij doornat naar huis gegaan, denk ik,&raquo; zoo
+besloot Bob, grinnekend van pret, zijn relaas. &raquo;Neen
+jongens, &rsquo;t zou me wat waard geweest zijn, als jelui het
+had kunnen zien, want het was een eenig schouwspel.
+Ik zal het mijn leven lang niet vergeten. Maar apropos,
+waar is Pieter-neef?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Die is er nog niet,&raquo; zei ik. &raquo;Wij dachten, dat hij gelijk
+met jou zou komen. Heb-je hem niet gezien?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, die malle jongen lag aan den voet van den
+heuvel te jammeren, dat hij getroffen was door die schoten
+van Burts, en dat werd bijna mijn ongeluk. Want ik
+heb hem gezegd, dat hij het totaal mis had en zoo snel<span class="pagenum"><a name="Page_197" id="Page_197">[197]</a></span>
+mogelijk beenen moest maken, om uit de handen van
+Burts te blijven. Maar dat alles hield mij zoo lang op,
+dat ik zelf bijna het kind van de rekening werd. Waar
+zou hij nu blijven?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Vermoedelijk in het bosch,&raquo; zei Karel leuk. &raquo;Hij
+zal wel komen, maak je maar niet ongerust. Kom een
+poosje op je gemak bij ons zitten, en laten wij geduldig
+afwachten. Misschien is hij wel hier of daar
+weggekropen.&raquo;</p>
+
+<p>Bob deed het en nu bleven wij eenige minuten wachten,
+maar Pieter-neef bleef onzichtbaar. Wij begonnen ons
+eindelijk een beetje ongerust te maken, want de avond
+begon te vallen en de zon zou weldra ondergaan. Dat
+laatste juist was het, wat wij vreesden, want dan zou
+het in het bosch al spoedig zeer donker worden, zoodat
+het iemand als Pieter moeilijk zou vallen, den rechten
+weg te vinden om er uit te komen.</p>
+
+<p>&raquo;Wil ik jelui eens wat zeggen?&raquo; zei Bob eindelijk. &raquo;Ik
+geloof, dat Pieter-neef verdwaald is.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat zou erger zijn,&raquo; vond Karel.</p>
+
+<p>&raquo;Het ergste, wat hem overkomen kon,&raquo; meende ik.</p>
+
+<p>&raquo;Als het waar is, wat ik vermoed, zal hij doodsangsten
+uitstaan, vrees ik,&raquo; hernam Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Ongetwijfeld!&raquo; zei Karel. &raquo;Het loopt hem hier in &rsquo;t
+bosch ook in het geheel niet me. Ik denk, dat hij van
+middag zijn pleizier wel op kan.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; hij treft het slecht. Maar zeg, wij kunnen hem
+niet aan zijn lot overlaten, niet waar?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, dat gaat niet!&raquo; stemde Karel toe.<span class="pagenum"><a name="Page_198" id="Page_198">[198]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Natuurlijk niet!&raquo; zei ik. &raquo;Wij moeten hem trachten
+op te sporen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan,&raquo; zei Bob.
+&raquo;&rsquo;t Bosch is heel groot en er zijn een tal van paden en
+lanen in. Wie weet, hoe ver hij in zijn angst al afgedwaald
+is.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Laten we gaan,&raquo; stelde ik voor. &raquo;We moeten langer
+geen tijd verliezen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En Burts dan?&raquo; vroeg Karel.</p>
+
+<p>&raquo;Burts zal van avond wel thuis blijven. Hij gaat bepaald
+vroeg naar bed, want na een bad is men altijd
+slaperig,&raquo; zei Bob. &raquo;Ga je mede?&raquo;</p>
+
+<p>Wij sprongen op en volgden Bob ten tweeden male
+het bosch in.</p>
+
+<p>&raquo;Zou het niet noodig zijn, dat wij ieder een verschillenden
+kant uitgingen?&raquo; vroeg ik. &raquo;Dan hebben wij veel
+meer kans, om hem spoedig te vinden.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Laten wij eerst eenigen tijd bij elkander blijven, want
+als wij scheiden, kunnen wij elkander ook niet meer terug
+vinden,&raquo; zei Karel.</p>
+
+<p>&raquo;Zou ik hem durven roepen?&raquo; vroeg Bob. &raquo;Of zou dat
+met het oog op Burts gevaarlijk zijn?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is het zeker,&raquo; zei ik. &raquo;Hoe harder je roept, hoe
+meer kans om gesnapt te worden.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nog niet roepen,&raquo; vond Karel. &raquo;Dat kunnen we wel
+doen, als het geheel donker is, maar nu is het nog te
+gevaarlijk. Wat wordt het al duister hier in het bosch,
+vindt-je niet?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Over een half uur is het geheel donker,&raquo; zei Bob.<span class="pagenum"><a name="Page_199" id="Page_199">[199]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is te hopen, dat wij hem voor dien tijd gevonden
+hebben.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is eene mooie geschiedenis,&raquo; zei ik, wel een beetje
+onrustig, nu het zoo laat werd, eer ik thuis kon zijn.
+Want het was een vaste regel bij ons, dat wij vr donker
+binnen moesten zijn. Pa hield daar streng de hand aan.</p>
+
+<p>Wij brachten nog ruim een half uur zoekende door,
+zonder evenwel eenig spoor van Pieter te ontdekken.</p>
+
+<p>Het werd thans hoog tijd om naar huis terug te keeren,
+waar men zeker al ongerust over ons lange uitblijven
+begon te worden. Maar daar stond tegenover, dat het
+hoogst onaangenaam voor ons was, zonder Pieter naar
+huis te moeten gaan.</p>
+
+<p>Bob was daartoe dan ook in het geheel niet te bewegen.</p>
+
+<p>&raquo;Ik blijf hier,&raquo; zei hij op zijn gewonen beslisten toon.
+&raquo;Ga gij beiden maar naar huis terug en zeg aan Pa, wat
+er gebeurd is. Vraag hem, eenige menschen te zenden,
+om mij bij het zoeken te helpen. Of weet je iets beters?&raquo;</p>
+
+<p>Neen, dat wisten wij niet, maar om op deze wijze
+terug te keeren, vonden wij ook onaangenaam.</p>
+
+<p>&raquo;Laten wij eerst eens boven op een heuvel gaan staan
+en zoo hard roepen als we kunnen,&raquo; zei Karel. &raquo;Of de
+boschwachter ons hoort of niet, is mij thans geheel onverschillig.
+Wij kunnen Pieter niet aan zijn lot overlaten.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Je hebt gelijk,&raquo; zei Bob. &raquo;Laten we gaan.&raquo;</p>
+
+<p>Wij beklommen den top van eene hooge duin en verhieven
+in koor onze stemmen. &rsquo;t Was gelukkig zeer stil
+in de natuur, zoodat men ons ver in den omtrek moest
+kunnen hooren.<span class="pagenum"><a name="Page_200" id="Page_200">[200]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Pieter! &mdash; Hallo! &mdash; Hallo! &mdash; Pieter!&raquo; weerklonk
+het uit drie monden tegelijk, en onze stemmen klonken
+ons daar van dien top des heuvels en in de stille duisternis
+van den vallenden nacht geheimzinnig in de ooren. De
+vogels in de takken der boomen schrikten er van wakker
+en vluchtten ijlings heen. Nachtuilen deden hun gekras
+hooren en sommigen van hen lachten op eene allerakeligste
+manier, precies als menschen, maar op een
+vreemden toon. Ik moet eerlijk bekennen, dat mij bij
+het hooren daarvan eene rilling door de leden voer.</p>
+
+<p>Nogmaals lieten wij ons krachtig geroep hooren. Daarna
+bleven wij stil staan, om te luisteren. Hoe hoopten wij,
+dat eenig antwoord onze gehoorvliezen zou doen trillen.</p>
+
+<p>Doch wij luisterden tevergeefs.</p>
+
+<p>&raquo;Nog eens roepen, jongens,&raquo; zei Bob. &raquo;Den moed nog
+niet opgeven.&raquo;</p>
+
+<p>Weer klonk ons roepen door de nachtelijke stilte, en
+weer luisterden wij, of wij iets mochten vernemen.</p>
+
+<p>Opeens zei Bob:</p>
+
+<p>&raquo;Luister, jongens, ik hoor iets!&raquo;</p>
+
+<p>Wij luisterden.</p>
+
+<p>&raquo;Hoor, &mdash; daar is het weer!&raquo; fluisterde Bob ons toe.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, &mdash; ik hoor het ook,&raquo; zei ik. &raquo;Dat moet Pieter
+zijn. &rsquo;t Komt van dien kant.&raquo;</p>
+
+<p>Bij die woorden wees ik naar den uitgang van het bosch.</p>
+
+<p>&raquo;Laten we hem tegemoet loopen,&raquo; zei Karel, &raquo;en dan
+straks nog eens roepen. Dan hooren we hem misschien
+reeds beter.&raquo;</p>
+
+<p>Dat deden we, en na enkele minuten geloopen te hebben<span class="pagenum"><a name="Page_201" id="Page_201">[201]</a></span>
+beklommen wij opnieuw een heuvel en lieten weer ons
+geroep hooren.</p>
+
+<p>&raquo;Pieter! &mdash; Hallo! &mdash; Hallo! &mdash; Pieter!&raquo;</p>
+
+<p>Wij schreeuwden met bijna bovenmenschelijke kracht,
+en luisterden daarna, of we Pieters antwoord hoorden.</p>
+
+<p>Ja, daar vernamen wij het reeds vrij duidelijk. Ongetwijfeld
+waren wij elkander tegemoet geloopen. Dat
+gaf moed!</p>
+
+<p>&raquo;Voorwaarts, jongens, we bewegen ons in de goede
+richting!&raquo; riep Bob ons opgetogen toe. &raquo;&rsquo;t Is toch wel
+aardig, h, zoo&rsquo;n nachtelijk tochtje door een bosch. &rsquo;t Is
+zoo geheimzinnig!&raquo;</p>
+
+<p>Met moed gingen wij thans verder, steeds roepende,
+om Pieter de gelegenheid te geven, ons tegemoet te komen.</p>
+
+<p>Nu werd zijn geluid voortdurend duidelijker, en eindelijk &mdash; ha,
+daar vonden wij hem. O, wat zag hij bleek
+van den doorgestanen angst. Hij beefde over zijn geheele
+lichaam.</p>
+
+<p>&raquo;Goddank! Goddank!&raquo; fluisterde hij ons toe. &raquo;O, wat ben
+ik blij, dat jelui me niet aan mijn lot hebt overgelaten.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu dadelijk naar huis!&raquo; zei ik. &raquo;Er zal toch al wat
+voor me opzitten, als ik thuis kom.&raquo;</p>
+
+<p>Met vluggen pas zochten wij den uitgang van het
+bosch op en weldra hadden wij het dorp bereikt.</p>
+
+<p>Pieter begon meer en meer tot zichzelven te komen,
+maar wij merkten toch duidelijk, dat hij een vreeselijken
+angst had uitgestaan.</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Was verschrikkelijk, daar in het bosch,&raquo; zeide hij
+zacht en met eene huivering, &raquo;en wat was het er donker,<span class="pagenum"><a name="Page_202" id="Page_202">[202]</a></span>
+griezelig donker. En het spookt er ook, want telkens
+hoorde ik menschen, die mij op eene allerakeligste wijze
+uitlachten. O, als ik dat geluid weer hoorde, was het of
+ik door den grond heenging van schrik. Ik ga nooit, nooit
+weer met jelui mede, als je weer naar het bosch gaat.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Och, &mdash; dat waren uilen!&raquo; zei Bob. &raquo;Wees wijzer,
+jongen!&raquo;</p>
+
+<p>Wij waren nu de brug genaderd, waar onze wegen
+scheidden. Met een haastigen groet begaven wij ons ieder
+naar onze woning, waar Pa mij alles behalve vriendelijk
+ontving. Wel knikte hij goedkeurend, toen ik vertelde,
+dat wij niet zonder Pieter naar huis wilden terugkeeren,
+maar hij zeide gestreng:</p>
+
+<p>&raquo;Wat moest je in dat bosch doen? Je weet immers,
+dat de toegang daar verboden is? Als de boschwachter
+jelui opgepakt en achter slot en grendel gezet had, zou
+je naar behooren gestraft geweest zijn.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Och,&raquo; zei Moe, die een goed woordje voor mij wilde
+doen: &raquo;&rsquo;t Komt alles van dien wilden Bob. Dat is ook in
+het geheel geen goed kameraad voor hem. Ga naar
+bed, Dorus!&raquo;</p>
+
+<p>Ik ging, maar toch was ik het niet geheel met Moe
+eens wat Bob betrof.</p>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_203" id="Page_203">[203]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Twaalfde Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Het vertrek van Pieter, en hoe wij hem met ons drien<br />
+een cadeautje en een gedicht stuurden. Hoe Mevrouw<br />
+van Koorde en haar dienstmeisje op de vlucht<br />
+werden gejaagd en Pieter het verloren<br />
+terrein heroverde.</p>
+
+
+<p>Den volgenden morgen al vroeg kwam Pieter bij ons,
+om afscheid te nemen. Bob vergezelde hem en vertelde
+mij, dat Pieters Mama wel zeer ongerust was geweest,
+maar dat zij toch geen straf hadden ontvangen.</p>
+
+<p>Ik ging met hen mede terug, want het werd spoedig
+schooltijd en dan dienden Bob en ik present te zijn. Bij
+het afscheid nemen zei Pieter:</p>
+
+<p>&raquo;Dus je denkt er om, Bob, mij eenige meikevers te
+zenden? Je zult me daar een groot genoegen mede doen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Je kunt er vast op rekenen.&raquo;</p>
+
+<p>Wij gingen nog even naar binnen, om ook Mevrouw
+van Koorde goede reis te wenschen.</p>
+
+<p>&raquo;Dag Robert,&raquo; zei ze, hem op de beide wangen kussende.<span class="pagenum"><a name="Page_204" id="Page_204">[204]</a></span>
+&raquo;Kom je nu ook eens bij ons in Amsterdam
+logeeren? Maar daar zijn geen bosschen en losloopende
+beren, hoor neefje.&raquo;</p>
+
+<p>Bob lachte eens.</p>
+
+<p>&raquo;Ik wil heel graag, Tante,&raquo; zeide hij. &raquo;Mag ik dan
+komen als het vacantie is? Ik stel me daar heel wat
+jool van voor.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Jool?&raquo; herhaalde Tante. &raquo;Pret moet je zeggen, Robert,
+dat is veel fatsoenlijker. Dag Dorus, adieu!&raquo;</p>
+
+<p>Bob en ik begaven ons nu regelrecht naar school, want
+het werd hoog tijd. Maar wij kwamen toch nog vroeg
+genoeg. Op het schoolplein spraken wij nog even met
+Jan van der Vliet, die er zeer treurig uitzag.</p>
+
+<p>&raquo;Is er slecht nieuws?&raquo; vroegen wij hem.</p>
+
+<p>&raquo;Zeer slecht, &mdash; &rsquo;t kon niet slechter,&raquo; zei Jan met een
+diepen zucht. &raquo;We hebben vanmorgen een brief ontvangen,
+waarin Vader en Moeder beiden gedagvaard worden, om
+voor de rechtbank te verschijnen. &rsquo;t Is verschrikkelijk!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is het,&raquo; zei Bob, &raquo;maar Jan, zij kunnen toch
+immers nog vrijgesproken worden?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Kunnen, ja, dat is waar, &mdash; maar dat zal niet gebeuren,
+jongens. Zij hebben den schijn tegen zich, en uit de dagvaarding
+blijkt, dat de Officier van Justitie hen voor
+schuldig houdt. De kans op vrijspraak is zeer gering.&raquo;</p>
+
+<p>Op dit oogenblik ging de schoolbel en moesten wij naar
+binnen. Maar wij zagen al spoedig, dat er iets bijzonders
+aan de hand was, want de hoofdonderwijzer was nog
+niet aanwezig en meester de Jong, die altijd in een
+ander lokaal les gaf, stond voor onze klasse. Nu gebeurde<span class="pagenum"><a name="Page_205" id="Page_205">[205]</a></span>
+het hoogst zelden, dat de hoofdonderwijzer afwezig was,
+maar die enkele keeren waren voor ons feestdagen.
+Meester de Jong zal het echter wel geen prettige dagen
+gevonden hebben, want wij konden hem dan geducht plagen.</p>
+
+<p>Wij hadden nog maar pas op onze banken plaats
+genomen, of de hoofdonderwijzer trad binnen. Het was
+echter duidelijk aan zijne kleeding te zien, dat hij uitging.
+Hij was zelfs geheel in het zwart gekleed, alsof
+hij naar eene begrafenis moest.</p>
+
+<p>&raquo;Dorus, kom eens even hier,&raquo; riep hij me toe.</p>
+
+<p>Hij nam mij mede naar een hoek van het lokaal en
+zeide: &raquo;Dorus, ik moet voor enkele dagen op reis. Er
+is eene zuster van mij overleden. Wil jij nu Zondag
+het orgel voor mij bespelen in de kerk.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zeker, meester, met genoegen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dank je, Dorus. En kan ik er op aan, dat er niets
+onbehoorlijks zal geschieden.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja meester, daar kan u op aan.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En dat je geen jongens me zult nemen naar het
+orgel?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik beloof het u, meester.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Uitstekend. Ik twijfel niet, of het zal wel goed gaan.
+Je speelt maar bedaard en rustig, hoor Dorus, en laat
+je niet in de war brengen. Trek ook vooral niet te veel
+registers uit.&raquo;</p>
+
+<p>Even later vertrok de meester, na den onderwijzer de
+hand te hebben gegeven en een groet tot ons allen te
+hebben gericht. En nog geen kwartier later moest Bob
+al schoolblijven.<span class="pagenum"><a name="Page_206" id="Page_206">[206]</a></span></p>
+
+<p>Het ligt evenwel niet in mijne bedoeling, te vertellen
+hoe wij dien schooldag passeerden. Genoeg zij het te
+weten, dat Bob zoowel &rsquo;s morgens als om vier uur na
+moest blijven, en geen klein poosje, dat beloof ik je.
+Ik ben er zeker van, dat meester de Jong blij was, toen
+de schooluren voorbij waren, en ik moet zeggen, dat dit
+voor ons geen groote eer was. Want meester de Jong
+was een doodgoed man, die ons veel te zacht behandelde.
+Als hij wat strenger voor ons geweest was, zouden wij
+het hem lang zoo lastig niet gemaakt hebben.</p>
+
+<p>&raquo;Wat zullen we gaan doen?&raquo; vroeg Karel Holm, toen
+Bob, hij en ik &rsquo;s avonds bij elkander waren.</p>
+
+<p>&raquo;Meikevers voor Pieter-neef vangen?&raquo; vroeg Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Dat is goed. Er vliegen er nog in overvloed. Hoeveel
+moet hij er hebben?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Een twintig is genoeg,&raquo; zei Bob, &raquo;maar ik zou het leuk
+vinden, als wij er hem een paar honderd konden sturen. O,
+o, wat zou ik er graag bij willen zijn, als hij die ontvangt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Doen?&raquo; vroeg Karel Holm, en zelf het antwoord
+gevende, liet hij er op volgen: &raquo;Ja, &mdash; doen.&raquo;</p>
+
+<p>Wij gingen met eene leege sigarenkist naar den tuin
+van den notaris, wapenden ons met ragebollen en dergelijke
+werktuigen en begonnen onze jachtpartij, wat we
+in het geheel niet onaardig vonden. En hoe meer kevertjes
+we vingen, hoe grooter onze lust werd.</p>
+
+<p>Eindelijk was onze kist vol; er zaten niet minder dan
+driehonderd gevangenen in.</p>
+
+<p>&raquo;Morgen gaat de looper,&raquo; zei Bob. &raquo;Dan zullen we
+Pieter zijn cadeautje sturen.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_207" id="Page_207">[207]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Maar hoe?&raquo; zei Bob. &raquo;In dat kistje gaan ze spoedig
+dood.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is waar. Weet je wat, in een mandje dan.
+Wij hebben wel een mandje, dat daarvoor heel geschikt
+is, in het schuurtje staan. Dan kunnen ze onmogelijk
+doodgaan door gebrek aan lucht. En zeg, jongens, nu
+moesten we er een gedichtje bij kunnen doen. Wat zou
+dat leuk wezen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat kan wel,&raquo; zei Karel. &raquo;We kunnen toch met ons
+drien wel een versje maken. Zoo bijzonder mooi behoeft
+het ook niet te wezen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Goed! Afgesproken! Eerst zullen we de kevers in de
+mand doen, en dan het gedicht fabriceeren. Laten we gaan.&raquo;</p>
+
+<p>Ha, wat gonsden en bromden die beestjes, toen we ze
+uit de kist in de mand deden. &rsquo;t Was goed, dat er geen
+jongejuffrouw bij ons was, want zij zou het zeker buitengewoon
+griezelig gevonden hebben, al die torren!</p>
+
+<p>Nu namen we een dichten doek en bonden dien er
+zorgvuldig omheen, zoodat er geen enkele ontsnappen kon.</p>
+
+<p>&raquo;Mooi zoo,&raquo; zei Bob met een tevreden knikje, &raquo;dat
+zaakje is in orde. Nu ons gedicht nog, en dan brengen
+wij ze naar den looper. Kom maar me, dan gaan we
+naar de speelkamer.&raquo;</p>
+
+<p>Zoo gezegd, zoo gedaan.</p>
+
+<p>Bob nam een vel papier en een potlood en ging tusschen
+ons aan de tafel zitten.</p>
+
+<p>&raquo;Begin nu maar, jongens,&raquo; zei hij. &raquo;Ik ben klaar.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Begin nu maar?&raquo; herhaalde Karel lachend. &raquo;Alsof dat
+zoo gemakkelijk is? Ik weet geen begin.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_208" id="Page_208">[208]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Ik ook niet!&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>&raquo;Dat is flauw,&raquo; zei Bob. &raquo;Eerst zeg je, dat je het
+best kunt doen, en nu het er op aankomt, trek je je
+terug.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu, hier heb ik al vast n regel,&raquo; zei Karel. &raquo;Schrijf
+maar op, Bobbertje, en mopper niet zoo.&raquo;</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;Zie Pieter, wat ik zenden zal!&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>&raquo;Dat is een beste regel!&raquo; riep Bob opgetogen uit. &raquo;Zie
+je wel; dat je het wel kunt? &rsquo;t Kon niet beter. Nu den
+tweeden regel; toe Dorus, jou beurt.&raquo;</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;Driehonderd roovers in getal!&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>zei ik. &raquo;Dat rijmt immers?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Prachtig, Dorus, prachtig! Driehonderd roovers in
+getal, dat komt er uitstekend bij. &rsquo;t Zijn ook echte roovers.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nu jij een regel, Bob! Ieder op de beurt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja,&raquo; zei Bob, &raquo;je kunt ze niet uit je mouw schudden.
+Ik weet geen regel.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;&rsquo;t Is anders gemakkelijk genoeg, want jij behoeft
+nergens op te rijmen,&raquo; zei ik.</p>
+
+<p>&raquo;Daar heb je gelijk aan; nu, dan weet ik er wel een.
+Luister maar:</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;&rsquo;t Geschenk is wel niet heel veel waard.&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>&raquo;Is die goed?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Heel goed,&raquo; zei Karel peinzende om een rijmwoord
+op &raquo;waard&raquo; te vinden.</p>
+
+<p>&raquo;Waard &mdash; wat rijmt daar zoo al op?&raquo; vroeg hij. &raquo;O
+ja, waard, paard, staart, taart, haard, baard, aard, gaard,
+er zijn rijmwoorden genoeg. Ha, ik weet er al een:<span class="pagenum"><a name="Page_209" id="Page_209">[209]</a></span></p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;&rsquo;t Is een geschenk uit onzen gaard.&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>Dat rijmt goed, h?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Heel goed,&raquo; zei Bob schrijvende. &raquo;Gaat maar door,
+jongens, &rsquo;t gaat best. Jou beurt, Dorus.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik ben klaar,&raquo; zei ik. &raquo;Luister maar:</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;Zij vliegen vroolijk in het rond.&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>&raquo;Dat is waar,&raquo; zei Karel. &raquo;En dan kan dus volgen:</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;Of kruipen langzaam op den grond,&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>want dat doen ze ook dikwijls.&raquo;</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;En brommen haast den heelen nacht,&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>vervolgde Karel, die het weer gemakkelijk had, daar hij
+geen rijmwoord behoefde te zoeken.</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;Zeg Pieter, had je dat gedacht?&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>zei ik, want deze regel schoot mij opeens te binnen.</p>
+
+<p>&raquo;Dat zijn nu al twee coupletten, en alle goede dingen
+bestaan in drien, dus nu het laatste nog. &rsquo;t Is mijne
+beurt, niet waar?&raquo; zei Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Ja, jou beurt,&raquo; zei Karel.</p>
+
+<p>&raquo;Wist ik nu nog maar wat,&raquo; vervolgde Bob. &raquo;Wacht,
+laat mij eens even bedenken. Misschien komt het wel.&raquo;</p>
+
+<p>En na een oogenblik toevens vervolgde hij:</p>
+
+<p>&raquo;Ha, ik ben klaar. Luister:</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;Wel neefje, ben je nu tevre?&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>&raquo;Goed gedaan, Bob. Nu moet ik weer. Wat rijmt er
+zoo al op vre? Wacht: wee, me, zee, thee, dat zijn er
+wel al genoeg. In orde, hoor.</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;En valt het aantal je niet me?&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>&raquo;Goed zoo!&raquo; zei Bob, die elken regel opschreef. &raquo;Nu<span class="pagenum"><a name="Page_210" id="Page_210">[210]</a></span>
+nog twee regeltjes en we zijn klaar. Jou beurt, Dorus.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja wel, je hebt goed praten. Ik weet heusch niet
+meer op &rsquo;t oogenblik. Jelui moet me helpen denken.
+Wacht, ik weet er al een:</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;Me dunkt, je hebt nu overvloed.&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>&raquo;Nu jij weer, Bobbertje, den laatsten regel.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dat komt mooi uit, Dorus, met dat woord overvloed,
+want dat rijmt op gegroet. De laatste regel kan
+dus zijn:</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;Ontvang ten slotte onzen groet.&rdquo;<br /></span>
+</div></div></div>
+
+<p>Is dat niet een prachtig slot? Wacht, nu zal ik het
+in het net overschrijven en het jelui eens voorlezen.&raquo;</p>
+
+<p>Bob deed het, en las:</p>
+
+<div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i14">Waarde Pieter!<br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0">&bdquo;Zie Pieter, wat ik zenden zal:<br /></span>
+<span class="i0">Driehonderd roovers in getal.<br /></span>
+<span class="i0">&rsquo;t Geschenk is wel niet heel veel waard,<br /></span>
+<span class="i0">&rsquo;t Is een cadeau uit onzen gaard.<br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0">Zij vliegen vroolijk in het rond,<br /></span>
+<span class="i0">Of kruipen langzaam op den grond,<br /></span>
+<span class="i0">En brommen haast den heelen nacht.<br /></span>
+<span class="i0">Zeg Pieter, had-je dat gedacht?<br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0">Wel neefje, ben je nu tevre?<br /></span>
+<span class="i0">En valt het aantal je niet me?<br /></span>
+<span class="i0">Me dunkt, je hebt nu overvloed.<br /></span>
+<span class="i0">Ontvang ten slotte onzen groet.&rdquo;<br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i14 smcap">Karel Holm.<br /></span>
+<span class="i14 smcap">Dorus Volmaar.<br /></span>
+<span class="i14 smcap">Bob de Wild.<br /></span>
+<span class="pagenum"><a name="Page_211" id="Page_211">[211]</a></span>
+</div></div></div>
+
+<p>&raquo;Wat is dat best gegaan, h?&raquo; vervolgde Bob, die
+het vers in eene enveloppe deed en deze dichtplakte.
+&raquo;Dichten schijnt me toch niet erg moeilijk toe. Me
+dunkt, als we het wat meer deden, zouden we het spoedig
+tot eene groote hoogte brengen. Ik vind dit gedicht
+althans uitmuntend geslaagd. En jelui?&raquo;</p>
+
+<p>Nu, wij waren dat volkomen met hem eens. Wij
+bonden de enveloppe, met de proeve onzer kunst, met
+een touwtje aan de beide ooren van de mand vast,
+zoodat het adres netjes bovenop kwam te liggen, en
+brachten ons geschenk gezamenlijk naar den looper.
+Deze bekeek het adres, en las overluid:</p>
+
+<p class="center">&raquo;Jongeheer Pieter van Koorde,<br />
+<span class="lft2">Keizersgracht No. 234</span><br />
+<span class="lft3">Amsterdam.&raquo;</span><br /></p>
+
+<p>&raquo;In orde Bob,&raquo; zei hij. &raquo;Dat adres is mij bekend; ik
+heb er voor je Pa al meer dan eens wat moeten bestellen.
+Is het franco?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;De geadresseerde zal de vracht betalen,&raquo; zei Bob
+deftig, en na gegroet te hebben gingen wij het dorp in.</p>
+
+<p>Weinig konden wij op dat oogenblik vermoeden, dat
+diezelfde meikevertjes in Amsterdam zooveel moeite en
+ontsteltenis zouden veroorzaken, zooals wij later hoorden,
+dat zij gedaan hadden.</p>
+
+<p>Want toen de looper het mandje met zijn levenden
+inhoud in de beste orde aan het opgegeven adres had
+afgeleverd, was Pieter-neef niet thuis, omdat het onder
+schooltijd was. De meid bracht het dus bij Mevrouw Van
+Koorde, die de boven-voorkamer als woonkamer gebruikte.<span class="pagenum"><a name="Page_212" id="Page_212">[212]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Binnen,&raquo; zei Mevrouw, toen Mientje had aangetikt.</p>
+
+<p>&raquo;Mevrouw, hier is een mandje van den looper. &rsquo;t Kost
+een dubbeltje vracht, Mevrouw.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O, &mdash; ziehier het geld. Zet het mandje maar hier op
+de tafel.&raquo;</p>
+
+<p>Mientje gehoorzaamde.</p>
+
+<p>&raquo;Zeker van mijn broeder,&raquo; zei Mevrouw. &raquo;Wat kan
+hij mij te sturen hebben? Maar neen, &mdash; ik ben abuis.
+&rsquo;t Is voor Pieter, zie ik. Daar staat duidelijk: Jongeheer
+Pieter van Koorde. Jammer, dat hij naar school is. Wat
+kan daar toch inzitten?&raquo;</p>
+
+<p>Mevrouw tilde het mandje eens op en vond, dat het
+erg licht was.</p>
+
+<p>&raquo;En een brief in de enveloppe,&raquo; zeide ze, na deze met
+de vingers betast te hebben. &raquo;Ik ben nieuwsgierig, wat
+hem gezonden kan worden. Weet je wat? Ik kon best
+het mandje openen en eens zien, wat het bevat. Den
+brief moet Pieter zelf maar openmaken. Dat is wl zoo
+aardig voor hem. Wel, ik moet zeggen, dat de mand
+goed dichtgemaakt is, &mdash; heel zorgvuldig zelfs. Ik zal
+het touwtje maar losknippen.&raquo;</p>
+
+<p>Zij ging naar hare werkmand en kwam met de schaar
+terug.</p>
+
+<p>&raquo;Knip-knip!&raquo; ging het en het touwtje viel aan stukken
+op de tafel. Mevrouw nam den doek en lichtte dien op.</p>
+
+<p>Genadige hemel! Wie beschrijft haar schrik bij het
+zien van die honderden wriemelende, gonzende en brommende
+meikevers! Van ontsteltenis gaf zij een hevigen
+gil en vlug ijlde zij naar het schelkoord, waaraan zij<span class="pagenum"><a name="Page_213" id="Page_213">[213]</a></span>
+zenuwachtig begon te rukken. Zonder ophouden, met
+den blik stijf op de noodlottige mand gericht, bleef zij
+doorschellen.</p>
+
+<p>De beestjes, die nu de vrijheid zoo onverwacht terug
+gekregen hadden, begonnen daar dadelijk gebruik van te
+maken, door tegen de mand op te klauteren en over
+den rand te gaan loopen. Zij spreidden af en toe de
+vleugeltjes uit met het vaste voornemen, straks het
+luchtruim in te snellen. Sommige begonnen zelfs al te
+vliegen, en het was een gegons en gebrom, dat Mevrouw
+Van Koorde het bijna op hare zenuwen kreeg van angst.
+Zij durfde geen voet naderbij komen en deed niets dan
+schellen.</p>
+
+<p>Nu ging de deur open en trad Mientje, ook al verschrikt
+door het bellen, haastig binnen.</p>
+
+<p>&raquo;O, Mevrouw, wat is er?&raquo; vroeg zij angstig. &raquo;Is er
+brand, Mevrouw?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, neen, nog erger! Toe Mientje, spoedig, neem
+die mand en breng haar dadelijk weg &mdash; naar buiten.
+Dadelijk, asjeblief.&raquo;</p>
+
+<p>Nu was Mientje gewoon, de bevelen harer meesteres
+stipt uit te voeren; zij liep dus naar het mandje, op welks
+ongewonen inhoud zij in het geheel niet verdacht was,
+en greep het bij de ooren. Maar op hetzelfde oogenblik
+begonnen een paar meikevers tegen hare bloote armen
+op te kruipen, zoodat zij thans de beestjes wel moest
+opmerken. Doodsbleek van schrik uitte zij een hevigen
+angstkreet en liet plotseling de mand met alles, wat
+daarin was, op den grond vallen. Zelf vluchtte zij tot<span class="pagenum"><a name="Page_214" id="Page_214">[214]</a></span>
+in den versten hoek van de kamer, waar zij in stomme
+verbazing de gevolgen van hare daad stond aan te staren.</p>
+
+<div class="figcenter1">
+<img src="images/ill05.jpg" width="400" height="543" alt=".... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den
+grond vallen. (pag.&nbsp;213)." title="" />
+<br /><span class="caption">.... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den
+grond vallen. (pag.&nbsp;213).</span>
+</div>
+
+<p>De meikevers, door den schok verschrikt, spreidden thans
+de vleugels uit en begonnen, gonzende en brommende,
+door de kamer te vliegen, tot ontzetting van de beide
+vrouwen, die het niet durfden wagen, hunne hoeken te
+verlaten.</p>
+
+<p>Wat maakten die diertjes, die vruchteloos zochten naar
+een groen blaadje, want zij hadden gedurende de reis
+geduchten honger gekregen, eene ongewone drukte in die
+deftige kamer! Er was weldra geen plaatsje meer, waar
+geen kever te vinden was.</p>
+
+<p>&raquo;O mevrouw, die afschuwelijke torren!&raquo; riep Mientje,
+die beefde als een espenblad.</p>
+
+<p>Mevrouw stond met beide armen te zwaaien, om zich
+de ongenoode gasten van het lijf te houden, want zelfs
+op de linten van hare muts schenen zij het gemunt te
+hebben. Wel drie hadden zich daar een plaatsje weten
+te veroveren, en zaten er gezellig de vleugeltjes uit te
+spreiden en weer dicht te slaan. En liep er haar op den
+schouder en vier kropen tegen haar boezelaar op.</p>
+
+<p>&raquo;Domme meid! &mdash; Ga weg, afschuwelijk dier! &mdash; Hoe
+kon je nu zoo dom &mdash; koest, beest, koest, &mdash; zijn, om
+die mand, &mdash; sss &mdash; sss; &mdash; te laten vallen!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O mevrouw, &mdash; ga weg &mdash; ga weg, &mdash; bah, wat
+afschuwelijke dieren! &mdash; kijk eens, ze kruipen tegen den
+spiegel op &mdash; o foei, hu, er zit er een in mijn hals, &mdash; en
+tegen de lamp &mdash; en o, mevrouw, de gordijnen &mdash; ksss,
+ksss &mdash; zitten vol! &rsquo;t Is afschuwelijk.&raquo;<span class="pagenum"><a name="Page_215" id="Page_215">[215]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Mientje, hier houd ik het niet langer uit &mdash; o foei,
+ze zitten me op mijn hoofd, en ah bah, daar kruipt er
+een in mijn mouw. Mientje, hu, hu, haal dat beest er
+uit! &mdash; Haal het er uit, zeg ik!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik durf niet, &mdash; dat durf ik niet!&raquo;</p>
+
+<p>En op een draf, met haar boezelaar over het hoofd,
+nam Mientje, schreiende van schrik, de vlucht, de kamer
+uit en naar beneden.</p>
+
+<p>Een oogenblik daarna werd zij gevolgd door Mevrouw,
+die echter zoo verstandig was, de deur achter zich dicht
+te trekken.</p>
+
+<p>Daar stonden ze, bleek van ontsteltenis, zonder te
+weten, wat zij moesten doen, om van deze meikeverplaag
+verlost te worden.</p>
+
+<p>Maar ook hier waren zij niet vrij, want in de vlucht
+hadden zij er enkele medegenomen, die op hare kleeren
+zaten.</p>
+
+<p>&raquo;O Mientje, &mdash; wat voel ik daar in mijn hals?&raquo; riep
+Mevrouw huiverend uit, nu zij daar een eigenaardig gekriewel
+opmerkte, &mdash; &raquo;wat voel ik daar, Mientje!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;O Mevrouw, dat is er weer een! Maar ik haal er
+hem niet af, Mevrouw, &mdash; voor duizend gulden niet! &mdash; Hu,
+wat een akelige beesten!&raquo;</p>
+
+<p>Met eene weergaloos vlugge beweging streek Mevrouw
+nu zelf met hare hand langs den hals, en in hetzelfde
+oogenblik verhief zich het kevertje vroolijk gonzend
+omhoog, regelrecht op Mientje af. Deze wist niet waar
+ze zich bergen zou, en liep wel twintigmaal om de tafel
+heen.<span class="pagenum"><a name="Page_216" id="Page_216">[216]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Mientje, ga den kruier halen! Hij moet al die beesten
+vangen. Hoe komt die nare Robert er toe, om die torren
+naar ons te zenden? Maar wacht, ik zal hem een brief
+schrijven, die hem niet bevallen zal, dien stouten bengel.
+Mientje, spoedig, zeg dat de kruier direct moet komen!&raquo;</p>
+
+<p>Maar dat was niet noodig, want op dit oogenblik werd
+er gescheld.</p>
+
+<p>&raquo;Ha, dat zal Pieter zijn,&raquo; riep Mevrouw verheugd uit.
+&raquo;Hij zal ons misschien wel van die beesten kunnen verlossen.&raquo;</p>
+
+<p>Inderdaad, zij had goed geraden; het was Pieter, en
+deze was niet weinig uit zijn humeur toen hij hoorde,
+wat er gebeurd was.</p>
+
+<p>&raquo;Maar Mama,&raquo; riep hij teleurgesteld uit, &raquo;dat zijn geen
+torren, het zijn meikevers, die Bob mij gestuurd heeft,
+omdat ik hem dat verzocht had. En nu zijn ze alle
+weg!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Weg?&raquo; herhaalde zijne Mama. &raquo;Weg? De hemel
+gave, dat het waar was. Weg? De voorkamer boven
+zit vol; er is geen plaatsje te zoeken, waar niet van die
+beesten zitten. Ik zag er zelfs een in de melkkan vallen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En in den suikerpot, Mevrouw,&raquo; zei Mientje, &raquo;daar
+zaten er ook in! Hu, ik ga niet me, hoor jongeheer,
+voor geen geld! Ik moet er niets, niemendal van hebben.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Dat is ook niet noodig!&raquo; bromde Pieter. &raquo;Geef mij
+den langen stoffer maar, dan zal ik ze wel vangen. En
+Mama, heeft u geen kistje voor me? Een sigarenkistje,
+of zoo iets?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Waarvoor?&raquo; vroeg Mevrouw. &raquo;Toch niet, hoop ik,<span class="pagenum"><a name="Page_217" id="Page_217">[217]</a></span>
+om er die akelige beesten in te doen? Ik wil het volstrekt
+niet hebben, Pieter, volstrekt niet, heb je mij goed verstaan?
+Schuif de ramen open en jaag ze naar buiten.
+Ik wil die beesten onder mijne oogen niet meer hebben.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar Mama, Bob heeft ze toch voor mij gestuurd?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zeker, dat heeft hij en ze hebben mij nog een dubbeltje
+aan den looper gekost ook. Doch dat verandert
+aan de zaak niets, Pieter. Gooi die beesten het raam
+uit! En nu geen woord meer, asjeblief!&raquo;</p>
+
+<p>Pieter begreep, dat het zijne mama ernst was, en met
+tranen in de oogen ging hij, gewapend met een langen
+stoffer, naar boven, om de ontsnapte diertjes te vangen.</p>
+
+<p>Toch moest hij lachen, toen hij zag, hoe de geheele
+kamer als het ware met meikevers bevolkt was. Geen
+plekje zag hij, of er was een meikever. &rsquo;t Was zulk een
+bespottelijk gezicht, dat hij het uitschaterde van het lachen.
+De deur had hij achter zich gesloten en hij hoorde, hoe
+zijne Mama en Mientje daar achter stonden te wachten
+op het oogenblik, dat de kamer weer vrij zou zijn.</p>
+
+<p>Eerst las Pieter op zijn gemak het gedicht van zijne
+drie vrienden, stak het na de lezing in zijn zak, en ging
+daarna op de jacht. De ramen had hij open geschoven,
+en weldra zag hij, hoe de gejaagde kevers bij drommen
+naar buiten vlogen. Het was nog lang geen gemakkelijk
+werkje, om ze naar buiten te krijgen, want telkens, als
+hij dacht, dat hij nu eindelijk den laatsten had gehad,
+kwamen er uit de plooien van de gordijnen weer
+andere te voorschijn. Ja, zelfs vele dagen daarna werd
+Mevrouw telkens nog opgeschrikt door de onverwachte<span class="pagenum"><a name="Page_218" id="Page_218">[218]</a></span>
+verschijning van een meikever, die haar onmiddellijk de
+vlucht deed nemen naar Mientje, maar deze was niet te
+bewegen, om hem te vangen.</p>
+
+<p>Nog jaren daarna kon Mevrouw haar neef Bob niet
+ontmoeten, of zij begon telkens weer over die meikevers
+te spreken en dan kon zij geen woorden genoeg
+vinden, om haar schrik en ontsteltenis te beschrijven.</p>
+
+<p>Maar Pieter was, tot zijne innige spijt, slecht van
+zijne meikevers afgekomen.</p>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_219" id="Page_219">[219]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Dertiende Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Hoe ik mijne betrekking als organist vervulde en wat<br />
+Bob in den toren vond. Hoe in het eene huis<br />
+vreugde en in het andere droefheid kon<br />
+heerschen om eenzelfde gebeurtenis.</p>
+
+
+<p>&rsquo;t Werd Zondagmorgen. Ik was al vroeg wakker,
+want de enkele malen, dat ik voor den meester het orgel
+moest bespelen als er dienst was, sliep ik nooit bijzonder
+rustig. De wetenschap, dat ik als organist moest optreden,
+stemde mij altoos min of meer zenuwachtig en deed mij
+ook nu vroeg ontwaken.</p>
+
+<p>Spijt behoefde ik daar echter niet over te gevoelen,
+want het was bijzonder prachtig wer. De dauw lag als
+een luchtig gaas over het veld en deed blad en twijg
+schitteren in de gulden ochtendstralen van de zon. Een
+heerlijke geur vervulde de lucht en ik vond het verrukkelijk,
+langzaam rond te wandelen door onzen tuin, waar
+de glinsterende dauwdroppels wel diamanten schenen.
+De vogels sjilpten zoo vroolijk op het dak, de hanen<span class="pagenum"><a name="Page_220" id="Page_220">[220]</a></span>
+kraaiden elkander zoo gezellig hun morgengroet toe, het zonnetje
+scheen zoo heerlijk. &rsquo;t Was een genot, buiten te zijn.</p>
+
+<p>&rsquo;t Werd langzamerhand drukker en levendiger om mij
+heen. De huizen werden meer en meer geopend, als om
+te bewijzen, dat de bewoners waren opgestaan, en hier
+en daar klonk uit de mij omringende tuinen een lied of
+een vroolijke lach. De hanen werden kalmer, het zonnetje
+rees langzaam hooger en verdreef met hare stralenbundels
+den dauw, die niet dan onwillig scheen op te trekken, de
+vogels fladderden van boom tot boom, en de bijtjes bewogen
+zich al gonzende van de eene bloem naar de andere.</p>
+
+<p>Hoor, daar was de melkboer reeds. Van huis tot huis
+kon ik hem volgen, want overal opende hij de achterdeur
+en riep: &raquo;Mel-lek!&raquo; En de laatste lettergreep rekte hij
+wel tweemaal zoo lang uit als noodig was.</p>
+
+<p>Nu waren ook mijne broertjes en zusjes ontwaakt. Ik
+hoorde hun gesnap en gebabbel zelfs in den tuin, dien
+zij weldra onder vroolijk gejuich binnenstormden.</p>
+
+<p>&raquo;Je moet komen ontbijten, Dorus!&raquo; klonk het mij toe.
+&raquo;Moe heeft het gezegd.&raquo;</p>
+
+<p>Nu, dat bericht behoefde niet herhaald te worden, want
+eene flinke boterham was mij nooit onwelkom. En toen
+het ontbijt afgeloopen was, ging ik weer in den tuin om
+het eerste gelui af te wachten. Bij ons werd er altoos
+tweemaal geluid, den eersten keer om halfnegen, en den
+tweeden keer een uur later, als de kerk aanging.</p>
+
+<p>Hoe meer het uur van aanvang naderde, des te minder
+begon ik mij op mijn gemak te gevoelen. Niet, omdat
+ik bang was, dat ik het er niet goed zou afbrengen,<span class="pagenum"><a name="Page_221" id="Page_221">[221]</a></span>
+o neen, in het geheel niet, want ik speelde toen de psalmen
+en de gezangen al vrij vast. Ik weet zelf niet, waarom
+ik er altoos zoo tegen opzag; ik denk, dat het gevoel
+van verantwoordelijkheid mij drukte.</p>
+
+<p>Eindelijk drongen de klokketonen tot mij door. Dat
+gelui stemde mij altoos, zoo jong als ik was, min of meer
+ernstig, en wanneer het de doodsklok was, die geluid
+werd, huiverde ik zelfs dikwijls.</p>
+
+<p>Een kwartiertje later nam ik mijne muziekboeken uit
+het kastje en zei tegen Pa en Moe, dat ik vast vooruitging,
+om alles in gereedheid te brengen.</p>
+
+<p>&raquo;Hoor eens, Dorus,&raquo; zei Pa, &raquo;geen grappen maken
+daarboven, hoor, en geen jongens menemen. Zorg er
+voor, dat niemand merkt, dat de meester er niet is.
+Laat alles ordelijk en naar behooren gaan.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja Pa!&raquo; was mijn antwoord, en toen ging ik.</p>
+
+<p>&raquo;Zorg, dat ik mij niet over je behoef te schamen!&raquo;
+riep Pa mij nog na.</p>
+
+<p>Onderweg kwam ik Bob tegen.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo Dorus,&raquo; zei hij, &raquo;ga je naar de kerk?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, ik ga naar de kerk.&raquo;</p>
+
+<p>Dat ik dien morgen als organist moest optreden, verzweeg
+ik hem, want dan wist ik zeker, dat hij ook boven
+zou komen. Maar Bobje wist het al. Hij vervolgde:</p>
+
+<p>&raquo;Ik kom ook, Dorus. De meester is er immers niet?&raquo;</p>
+
+<p>Ik had veel lust om te zeggen, dat de meester er wl
+zou zijn, maar van liegen en veinzen had ik een onoverwinnelijken
+afkeer, dus zeide ik het niet.</p>
+
+<p>&raquo;Ik ben van morgen organist, Bob,&raquo; zei ik op beslisten<span class="pagenum"><a name="Page_222" id="Page_222">[222]</a></span>
+toon, &raquo;en de meester komt niet! Ik heb eerst den meester
+en nu nog mijn Pa moeten beloven, dat ik geen jongens
+zou menemen, en ik doe het niet ook. Als je komt,
+zal ik den koster verzoeken, je te verwijderen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Erg vriendelijk van je, Dorus,&raquo; zei Bob knorrig, &raquo;erg
+vriendschappelijk, dat moet ik zeggen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Waarom ga je niet beneden zitten? Daar heb je
+immers eene plaats?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, maar ik zit veel liever boven. Daar kan ik nog
+eens heen en weer loopen, weet je, en dat kan ik in de
+kerk niet doen. Dus mag ik niet?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Neen, je moogt niet. Ik heb het beloofd en die belofte
+zal ik houden. Je doet ook altijd zulke dwaze dingen.
+Maar nu moet ik gaan, of ik ben niet op tijd gereed.
+Tot van middag!&raquo;</p>
+
+<p>Bob scheen echter boos, want hij ging zonder groeten
+verder. Nu, dat hinderde niet. Hij was wel eens meer
+boos, maar dat ging vanzelf weer over. Hij zou mijne
+weigering ook nu wel spoedig vergeten zijn.</p>
+
+<p>Ik had nu de kerk bereikt en ging naar boven, waar
+de koster de sleutels van het orgel al had neergelegd.
+Eenige minuten later kwam hij mij het orgelbriefje
+brengen, waarop te lezen stond, welke liederen er dien
+morgen gezongen zouden worden.</p>
+
+<p>Uit dat briefje bleek mij, dat alles zou zijn, zooals
+gewoonlijk. Er stond althans niets bijzonders op vermeld,
+en er zou ook nu, volgens den gewonen gang van zaken,
+viermaal gezongen worden. Dat de melodin niet bijzonder
+moeilijk waren, zag ik al met een enkelen oogopslag,<span class="pagenum"><a name="Page_223" id="Page_223">[223]</a></span>
+want het waren alle bekende gezangen, die dikwijls
+opgegeven werden.</p>
+
+<p>Toen alles gereed stond, kwam Potman, de orgeltrapper
+boven. Potman was een oude sukkel, die door de diakonie
+onderhouden werd en er nog een duitje bijverdiende met
+orgeltrappen.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo Dorus,&raquo; zei hij, &raquo;moet jij van morgen spelen?
+Komt de meester niet?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;De meester is uit,&raquo; zei ik, &raquo;en nu moet ik spelen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, zoo, nu, dat is je toevertrouwd. Er zal wel veel
+volk ter kerk komen, denk ik, want het is prachtig
+wer. Kom, ik zal maar gaan zitten.&raquo;</p>
+
+<p>Potman ging naar de andere zijde van het orgel, waar
+zijn stoel stond, en nauwelijks was hij weggegaan, of
+Jan van der Vliet kwam binnen. Die had eene vaste
+plaats bij ons, en als de meester zeide, dat er geen jongens
+boven mochten komen, was Jan daarvan stilzwijgend
+uitgezonderd. Trouwens, Jan zou ook geen dwaze dingen
+gaan doen, zooals Bob. Als deze boven zat, wierp hij
+altoos propjes papier naar beneden, die dan op de hoofden
+der menschen terecht kwamen, of hij maakte grappen
+tegen de jongens, die op de galerijen zaten, want gij
+moet weten, dat het eene groote kerk was met twee
+galerijen, die op dezelfde hoogte van het orgel waren
+aangebracht. Wanneer de collectanten van de eene galerij
+naar de andere moesten gaan, kwamen zij altoos onze
+afdeeling over en namen dan meteen onze giften in
+ontvangst.</p>
+
+<p>&raquo;Morgen Dorus!&raquo; zei Jan.<span class="pagenum"><a name="Page_224" id="Page_224">[224]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Morgen Jan!&raquo; was mijn antwoord, en ik zag, dat zijn
+gelaat droevig stond. Hij schoof de gordijntjes een weinig
+ter zijde, zoodat hij in de kerk kon zien, en staarde op
+de bank, waar &rsquo;s Zondags altoos zijne ouders zaten, want
+zij waren trouwe kerkgangers. Hunne plaatsen bleven
+nu evenwel ledig, en toen ik Jan aanzag, ontdekte ik
+tranen in zijne oogen. Onze blikken ontmoetten elkander,
+en wij schenen daarin elkanders gedachten te kunnen lezen.</p>
+
+<p>&raquo;Ze durven niet. Ze schamen zich!&raquo; fluisterde hij mij
+toe, en zijn mond plooide zich zenuwachtig. Ik zag, dat
+hij moeite deed, om niet te schreien.</p>
+
+<p>Ik antwoordde niets, want ik wist niet, wat ik zeggen
+moest. Hoe kon ik den armen jongen troosten, nu
+morgen de rechtbank wellicht het schuldig over hen zou
+uitspreken? Hoe kon ik hem troosten, nu binnen korten
+tijd de gevangenisdeur wellicht achter hen zou worden
+gesloten en Jan alleen met zijn zusje in de armelijke
+woning achterbleef?</p>
+
+<p>Neen, ik kon hem niet troosten, want iedereen zeide,
+dat zij wel veroordeeld zouden worden.</p>
+
+<p>&raquo;En dan toch onschuldig?&raquo; dacht ik, terwijl ik Jan vol
+medelijden aanzag. &raquo;Maar &mdash; dat zou verschrikkelijk zijn.&raquo;</p>
+
+<p>Op dit oogenblik begon de koster voor de tweede maal
+te luiden, en werd het drukker in de kerk.</p>
+
+<p>Daar kwam dokter Doreman binnen, die bijna nooit
+verzuimde, maar ook bijna nooit tot aan het einde van
+den dienst bleef, omdat hij gewoonlijk midden onder de
+preek bij een patient geroepen werd, want hij had een
+verbazend drukke praktijk.<span class="pagenum"><a name="Page_225" id="Page_225">[225]</a></span></p>
+
+<p>En daar kwam notaris de Wild binnen, met zijne vrouw.
+Of Bob ook meegekomen was? Hoe ik ook keek, ik
+ontdekte hem nergens. Misschien was hij nog boos op me?</p>
+
+<p>De drukte beneden werd nog grooter, want het was
+nu half tien. En de meeste menschen komen precies op
+tijd of te laat.</p>
+
+<p>Nu kwam ook de voorzanger in de kerk. Ik zag hem
+weldra plaats nemen voor zijn lessenaar en opzoeken,
+wat er gezongen moest worden. Het luiden hield op, de
+voorzanger kuchte, trok zijn das recht, hoewel deze
+volstrekt niet scheef zat, en daar begon hij, zacht en
+onduidelijk:</p>
+
+<p>&raquo;De gemeente gelieve te zingen&nbsp;&mdash;&raquo; maar nu verhief
+zijne stem zich, zooals de man dat gewoon was te doen,
+plotseling wel eene quinte hooger, en klonk het helder
+en duidelijk, zoodat iedereen hem kon verstaan: &raquo;van
+den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.&raquo; Hij
+zei altoos veers en nooit vers; waarom hij dat deed,
+weet ik niet.</p>
+
+<p>&raquo;Ik herzeg: van den twee en veertigsten psalm, het
+eerste veers.&raquo; En nu begon hij op een galmenden toon,
+dien niemand mooi vond, het opgegeven vers voor te
+lezen. Ik zat gereed om te gaan spelen, dat spreekt
+vanzelf, en de orgeltrapper was evenzoo op zijne post.
+Jan stond achter mij, om te zien wat ik deed. Zoodra
+de voorzanger geindigd had, speelde ik mijn preludium,
+wat heel goed ging, trok daarna eenige registers uit en
+speelde het koraal, waarmede de gemeente instemde.
+Jan, die anders altoos uit volle borst mezong, scheen<span class="pagenum"><a name="Page_226" id="Page_226">[226]</a></span>
+nu geen zingenslust te hebben, althans hij deed niet
+mede, en het scheen mij toe, dat hij zuchtte.</p>
+
+<p>Eerst beefde ik wel een beetje, toen ik begon te spelen,
+maar dat bedaarde spoedig en ik gevoelde mij verder goed op
+mijn gemak. Het ging dan ook tot het einde toe zeer goed.</p>
+
+<p>Nu las de voorzanger een gedeelte uit den bijbel voor,
+en toen nam de dominee, die onder het zingen den kansel
+beklommen had, het woord.</p>
+
+<p>Spoedig werd het tweede gezang opgegeven. Ik speelde
+het zoo goed, dat ik er niet aan twijfelde, of er zouden
+maar weinig menschen zijn, die opmerkten, dat de gewone
+organist niet tegenwoordig was. Dat stemde mij recht
+prettig.</p>
+
+<p>Midden onder het gezang evenwel verdween plotseling
+al mijne vreugde, want de deur werd geopend, en zonder
+eenig gedruisch te maken trad Bob binnen. Dat vond ik
+flauw van hem. Hij wist, dat zijne tegenwoordigheid bij
+het orgel in het geheel niet gewenscht, ja, zelfs verboden
+was, en nu kwam hij toch. Wat moest nu de meester
+wel van mij denken, als hij het hoorde? En wat zou Pa
+zeggen, als ik thuis kwam? Want deze zou het ongetwijfeld
+wel te weten komen. En bovendien, welke dwaze
+dingen zou Bob misschien weer gaan uithalen, &mdash; want
+dat deed hij immers altijd?</p>
+
+<p>Toch kon ik er niets aan veranderen. Hij was er nu
+eenmaal, en hoe moest ik hem tot heengaan bewegen?
+O ja, ik kon naar beneden gaan en den koster waarschuwen,
+maar dan zagen alle menschen mij; wat zou
+dat dus eene opschudding veroorzaken. Neen, ik kon er<span class="pagenum"><a name="Page_227" id="Page_227">[227]</a></span>
+niets aan doen, en dat wist Bob wel. Juist daarom had
+hij zoo lang gewacht.</p>
+
+<p>Hij kwam doodbedaard achter mij staan en keek naar
+mijn spel. Maar plotseling stak hij de hand uit, om ook
+een of twee toetsen neer te drukken, wat afschuwelijk
+geklonken zou hebben. Ik schrikte er van.</p>
+
+<p>&raquo;Niet doen! &mdash; Niet doen!&raquo; riep ik hem haastig toe,
+en gelukkig was Bob zoo vriendelijk, dezen keer mijn
+zin eens te doen. Lachend trok hij zijne hand terug.
+Maar nu begon hij met zijn voet op het pedaal te drukken,
+wat mij duidelijk werd, daar de bas plotseling door
+eene onbekende oorzaak vreeselijk valsch begon te klinken.
+Ik onderzocht dadelijk, of ik mij ook vergist en
+een verkeerden toets neergedrukt kon hebben, maar dat
+was niet zoo. Mijn spel was goed. Toen ontdekte ik,
+dat Bob het deed, en weer fluisterde ik hem toe:</p>
+
+<p>&raquo;Laat het dan toch, Bob. Je maakt me in de war!&raquo;</p>
+
+<p>Wat was ik blij, toen ook het tweede gezang ten einde
+was. Ik maakte alles gereed voor het derde en wendde
+mij daarna tot Bob, die doodbedaard op een stoel was
+gaan zitten.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo,&raquo; zei ik zacht, maar daarom niet minder boos,
+&raquo;ben je daar toch?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zooals je ziet,&raquo; zei Bob. &raquo;En ik ga niet weg ook,
+al kijk je me nog zoo nijdig aan.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik vind het leelijk van je, Bob &mdash; erg leelijk!&raquo; zei
+ik weer. &raquo;Als ik den koster roep, word je dadelijk
+weggestuurd.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, dat weet ik wel, maar je haalt hem niet, Dorus.<span class="pagenum"><a name="Page_228" id="Page_228">[228]</a></span>
+Doch wees nu maar bedaard, &mdash; ik beloof je, dat ik in
+het geheel geen kwaad zal doen en stil zal blijven zitten.
+Is het nu goed?&raquo;</p>
+
+<p>Hij lachte mij vriendelijk toe, terwijl hij dat zeide.
+De oolijkerd wist wel, dat hij gelijk had. Ik draaide
+mij boos van hem af en ging voor mijne muziek zitten,
+om die nog eens door te zien.</p>
+
+<p>Inderdaad hield Bob zich eenigen tijd zeer bedaard,
+zoodat ik volstrekt geen reden had, om ontevreden over
+hem te wezen. Toch deed ik nog net, of ik erg boos
+op hem was en bleef met mijn rug naar hem toezitten.
+Want ik wilde mij volstrekt niet met hem bemoeien,
+daar ik wist, dat hij direct de geheele hand zou nemen,
+als ik hem maar een vinger toestak. Ik wilde hem in
+het geheel niet aanmoedigen.</p>
+
+<p>Na een klein kwartier echter begon de stoel, waarop
+hij plaats genomen had, verdachte geluiden voort te
+brengen en telkens geducht te kraken, wat mij het
+duidelijke bewijs was, dat Bob onmogelijk langer stil
+kon zitten.</p>
+
+<p>&raquo;Nu zal het lieve leventje beginnen,&raquo; dacht ik, doch
+ik bleef op mijne muziek turen en verwaardigde hem
+met geen blik.</p>
+
+<p>Het gekraak werd evenwel telkens erger, zoodat ik
+wel omkijken moest, en nu zag ik Bobje boven op de
+leuning zitten met zijne voeten op de zitting, en hij
+maakte allerlei leelijke grimassen tegen den ouden Potman,
+die hem heel boos zat aan te kijken.</p>
+
+<p>&raquo;Bob, wees toch stil!&raquo; gebood ik, want ik twijfelde<span class="pagenum"><a name="Page_229" id="Page_229">[229]</a></span>
+niet, of men zou beneden in de kerk het leven kunnen
+hooren, dat hij maakte.</p>
+
+<p>&raquo;Houd je kalm, Dorus,&raquo; zei Bob. &raquo;Kijk dien ouden
+Potman eens boos wezen! Ik geloof, dat hij me wel zou
+willen opeten.&raquo;</p>
+
+<p>En weer begon hij grimassen te maken en op de
+leuning heen en weer te schommelen, zoodat de stoel er
+van kraakte.</p>
+
+<p>&raquo;Bob, houd nu op en ga heen. Toe, asjeblief, Bob!&raquo;</p>
+
+<p>Nu mijn dreigen niet hielp, begon ik hem te smeeken,
+want ik twijfelde niet langer, of hij zou me in groote
+ongelegenheid brengen. &raquo;Aanstonds breekt de stoel nog,&raquo;
+zei ik er waarschuwend bij. En nauwelijks had ik die
+woorden uitgesproken, of krak, krak! daar brak de leuning
+middendoor en viel Bob met een slag op den grond.
+Het bloed steeg mij naar het hoofd van den schrik en
+ik keek snel naar beneden, of de menschen in de kerk
+het hadden gehoord. Ja, een enkele zag even naar boven,
+maar daar het orgel boven de groote vestibule stond,
+had men er daar minder van gehoord, dan ik vreesde.</p>
+
+<p>Toch had het gebeurde een gevolg, waarover ik mij
+zeer verheugde, want Bob had in allerijl het hazenpad
+gekozen; zeker vreesde hij, dat de koster naar boven zou
+komen.</p>
+
+<p>Nu werd het zoo rustig boven als ik maar wenschen
+kon, want Jan van der Vliet zat doodbedaard op een
+stoel achter mij te luisteren naar de preek van den
+dominee, hetgeen ik nu ook ging doen. Want tot nog
+toe had mijn vriend Bob mijne aandacht daar totaal van<span class="pagenum"><a name="Page_230" id="Page_230">[230]</a></span>
+afgeleid. En de oude Potman ging, als gewoonlijk, zijn
+slaapje doen. Bob was nog geen drie minuten weg, of
+de oude man zat al te knikkebollen.</p>
+
+<p>Het duurde echter maar kort, of ik hoorde iemand
+met groot gedruisch de trap afklimmen, die naar den
+toren voerde. Dat moest Bob wezen, het kon niet anders.
+Zeker was hij weer naar het uilennest wezen kijken.
+Maar hoe kwam hij er nu toch toe, om zoo hard naar
+beneden te komen stormen? Hij wist toch, dat er kerk
+was? Of wilde hij mij met voordacht in ongelegenheid
+brengen? Dat vond ik slecht van hem.</p>
+
+<p>Daar werd de deur driftig opengeworpen en kwam
+Bob met niet weinig gedruisch binnenstappen. Zijn gelaat
+was hoogrood gekleurd en hij maakte ontzaglijk veel
+leven. Blijkbaar was hij zoowel den dominee als alle
+kerkgangers vergeten.</p>
+
+<p>&raquo;Ssst! Ssst!&raquo; fluisterde ik hem toe, met mijn vingers
+tegen den mond.</p>
+
+<p>&raquo;Jan, ga mee! Dorus, jij ook!&raquo; zei hij gejaagd. &raquo;Ik
+heb het geld gevonden van den diefstal, &mdash; al het geld!&raquo;</p>
+
+<p>In een oogwenk stonden wij naast hem, en Jan werd
+doodsbleek.</p>
+
+<p>&raquo;Het geld! &mdash; Van den diefstal?&raquo; stamelde hij. &raquo;Spot
+er niet mede, Bob, want dat zou laag en laf wezen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik spot niet! Gerust niet! Gaat maar mede. &rsquo;t Ligt
+boven in den toren, onder het uilennest, je weet wel,
+dat nest, dat we onlangs hebben gevonden. Komt, dan
+zal ik het je wijzen!&raquo;</p>
+
+<p>Bob ging ons voor, en zonder meer aan het orgel te<span class="pagenum"><a name="Page_231" id="Page_231">[231]</a></span>
+denken volgde ik hem. Dat ook Jan naar boven ging,
+behoeft niet te worden gezegd.</p>
+
+<p>Halverwege de trap dacht ik echter aan het derde
+gezang, dat nu volgen moest, maar naar mijne berekening
+was het daarvoor nog te vroeg. Ik zou toch spoedig
+weer naar beneden komen, maar eerst moest ik dat
+geld eens zien.</p>
+
+<p>Vlug klommen wij de trap op. Wij gingen de klok
+voorbij, die regelmatig tikte, en hadden weldra het nest
+bereikt.</p>
+
+<p>&raquo;Kijk, &mdash; hier onder!&raquo; zei Bob. &raquo;Zie je wel, dat de
+eieren er nog precies zoo liggen als toen? De vogels
+zijn ongetwijfeld gestoord door den dief, want zie maar,
+hier ligt het geld!&raquo;</p>
+
+<p>Bob lichtte nu het nest op, en waarlijk, &mdash; daar lag
+het gestolene; een briefje van zestig gulden, een van
+veertig, en zeven gouden tientjes. Alleen de drie gouden
+tientjes, die bij Van der Vliet onder de deur door geschoven
+waren, ontbraken er aan. En bovendien lagen
+daar nog eenige honderden postzegels van verschillende
+waarde, zoodat wij niet behoefden te twijfelen, of dit het
+geld van den diefstal was.</p>
+
+<p>Jan schreide en lachte tegelijk. De goede jongen was
+geheel in de war.</p>
+
+<p>&raquo;Daar is het! Daar is het!&raquo; juichte hij. &raquo;Nu zal de
+onschuld van mijne ouders aan het licht komen. O Bob,
+dat heb ik aan jou te danken!&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Maar wat moeten we nu doen?&raquo; vroeg Bob.</p>
+
+<p>&raquo;Alles precies laten liggen, zooals het ligt, en dadelijk<span class="pagenum"><a name="Page_232" id="Page_232">[232]</a></span>
+den burgemeester gaan waarschuwen,&raquo; zei ik. &raquo;En spreek
+er tegen niemand......&raquo;</p>
+
+<p>Maar eensklaps bestierven de woorden mij op de lippen,
+want &mdash; daar klonk mij plotseling gezang in de ooren.
+Eerst begreep ik niet, wat er gebeurde, maar weldra ging
+mij een licht op. &rsquo;t Was kerkgezang &mdash; en dat nog wel zonder
+orgelbegeleiding. Door de verrassing van het gebeurde,
+had ik het orgel vergeten, en nu &mdash; was het te laat!</p>
+
+<p>Van schrik kon ik niet spreken, en met open mond
+staarde ik mijne beide vrienden aan.</p>
+
+<p>&raquo;Mooi zoo, Dorus!&raquo; zei Bob. &raquo;Dat ziet er pleizierig
+voor je uit. &rsquo;t Is zeker het derde gezang?&raquo;</p>
+
+<p>Ik knikte toestemmend en kreeg de tranen in de oogen,
+tranen van spijt en berouw. Zonder een oogenblik langer
+te dralen ijlde ik naar beneden, naar het orgel, &mdash; maar
+wat kon ik er doen? De menschen zongen reeds onder
+leiding van den voorzanger, en ik kon onmogelijk zoo
+maar invallen. Potman keek mij aan en schudde bedenkelijk
+met het hoofd. Hij vond mij zeker erg slecht.</p>
+
+<p>En ik &mdash; schreide tranen van verdriet.</p>
+
+<p>Nu werd de deur geopend en trad Pa binnen. Hij had
+de kerk onder het zingen verlaten, en kwam kijken, wat
+er gebeurd was.</p>
+
+<p>Zijn gelaat stond zeer ernstig.</p>
+
+<p>&raquo;Waarom speel-je niet, Dorus?&raquo; vroeg hij.</p>
+
+<p>Vol schaamte hield ik mijne oogen op den grond gericht,
+maar ik antwoordde niet.</p>
+
+<p>&raquo;Waarom speel je niet, Dorus?&raquo; herhaalde Pa zacht,
+maar dringend.<span class="pagenum"><a name="Page_233" id="Page_233">[233]</a></span></p>
+
+<p>&raquo;Ik was er niet, Pa.&raquo;</p>
+
+<p>Ik zag, dat mijn antwoord Pa bedroefde.</p>
+
+<p>&raquo;Dat spijt me van je, Dorus!&raquo; zei hij zacht. &raquo;Dat spijt
+me meer, dan je wellicht vermoedt. Ik vertrouwde je
+zoo geheel, Dorus.&raquo;</p>
+
+<p>Ach, wat speet het mij, Pa zoo teleurgesteld te
+hebben.</p>
+
+<p>&raquo;Waar was je dan?&raquo; vroeg hij even later.</p>
+
+<p>&raquo;Pa, ik was in den toren. Bob......&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Bob? Ik had je immers verboden, jongens mede te
+nemen? Dorus, &mdash; Dorus! Wat val je me tegen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ik heb hem niet meegenomen, Pa!&raquo; zei ik schreiende.
+&raquo;Hij is zelfs gekomen ondanks mijn verbod. En ik kon
+hem niet weg krijgen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En wat moest je in den toren doen? Het was je
+plicht hier te blijven. &rsquo;t Is niet alleen stout van je geweest,
+maar ook dom, erg dom, Dorus.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ach Pa, u weet alles niet. Bob was in den toren
+gegaan, en daar heeft hij al het geld gevonden en de
+postzegels, die bij mijnheer Valk gestolen zijn. En toen
+hij ons dat kwam zeggen, zijn Jan en ik met hem naar
+boven geklommen, om het te zien. En Pa, toen &mdash; toen
+was ik het derde gezang vergeten, &mdash; ik dacht er in het
+geheel niet meer aan, totdat ik opeens hoorde zingen.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Het geld gevonden en de postzegels?&raquo; zei Pa, die een
+en al verbazing was. &raquo;Dat zeg je immers?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, Pa.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;En waar zijn die jongens nu?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Nog in den toren, Pa. Toe, ga er als het u belieft<span class="pagenum"><a name="Page_234" id="Page_234">[234]</a></span>
+dadelijk heen, want zij weten niet, wat zij er mede moeten
+doen.&raquo;</p>
+
+<p>Ik deed de deur voor Pa open en meende hem voor
+te gaan. Maar Pa zeide:</p>
+
+<p>&raquo;Jij blijft hier op je post, &mdash; begrepen, Dorus?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja, Pa.&raquo;</p>
+
+<p>Beschaamd keerde ik naar mijn klavier terug, dat ik
+zoo schandelijk verlaten had. Het gezang was nu geindigd,
+en ik zocht de muziek gereed voor het laatste
+zingen. De dominee begon aan het tweede gedeelte van
+zijne predikatie.</p>
+
+<p>Wat had ik een flater begaan! En wat zou ook de
+meester boos op mij zijn. Eerst moest ik daar onophoudelijk
+over denken, doch al spoedig gingen mijne gedachten
+zich bezig houden met hetgeen in den toren gevonden
+was, en ik bedacht, hoe heerlijk dat moest zijn voor Van
+der Vliet en zijne vrouw, wier onschuld nu zoo duidelijk
+aan het licht gekomen was. Want het was niet aan te
+nemen, dat zij dat geld daar zouden hebben verstopt. Zij
+kwamen immers nooit in den toren?</p>
+
+<p>Maar wie kon dan de dader geweest zijn? Vruchteloos
+spande ik mij in, om het antwoord op die vraag te vinden.
+Tot mij opeens in de gedachten schoot, dat dit niemand
+anders kon zijn dan Arie de Zwaan, de neef van den
+koster, bij wien al eenmaal huiszoeking was gedaan.</p>
+
+<p>Ik hoorde, hoe iemand de trap afkwam. De deur
+ging open en Bobs gelaat verscheen om den hoek.</p>
+
+<p>&raquo;Wees maar niet bang, Dorus, &rsquo;t zal best voor je afloopen,
+hoor. Nu dat geld hier gevonden is, zullen de menschen<span class="pagenum"><a name="Page_235" id="Page_235">[235]</a></span>
+over het orgel bijna niet denken. En je Pa is niets boos.
+Dag! Ik ga den burgemeester halen. Je Pa heeft het
+mij bevolen.&raquo;</p>
+
+<p>En weg was hij. Ja, hij had gelijk. Nu dat geld ontdekt
+was, zou mijne domme daad spoedig op den achtergrond
+gedrongen zijn. Maar dat nam niet weg, dat ik toch
+het vertrouwen van mijne ouders en den onderwijzer
+ernstig moest hebben geschokt, en dat deed mij veel verdriet.
+Van de preek hoorde ik dien morgen weinig of
+niets, want mijne gedachten kon ik er onmogelijk bijhouden.
+Ik hoorde bijna niet eens, dat de dominee amen zeide.</p>
+
+<p>Eindelijk werd de slotzang opgegeven.</p>
+
+<p>Ik speelde dien zoo goed ik kon, om mijne fout zooveel
+mogelijk te herstellen, en terwijl de menschen de kerk
+verlieten, gaf ik mijn mooiste stuk ten beste.</p>
+
+<p>Juist op dat oogenblik kwam Bob terug in gezelschap
+van den burgemeester en van Tip, die heel gewichtig
+keken en met groote schreden door eene zijdeur de kerk
+binnenstapten. O, wat waren de kerkgangers nieuwsgierig
+naar hetgeen zij daar gingen doen, maar niemand werd
+daarbinnen toegelaten. Dat ik naar boven in plaats van
+naar huis gegaan was, spreekt vanzelf.</p>
+
+<p>Zoodra de burgemeester bij het uilennest aangekomen
+was, moest Bob alles vertellen, wat er gebeurd was. En
+hij was tot mijne vreugde zoo eerlijk, om zelfs te zeggen,
+dat hij tegen mijn zin bij het orgel gekomen was en
+daar een stoel had gebroken; dat hij daarna de vlucht
+had genomen, uit vrees, dat de koster komen zou om
+hem weg te jagen, en naar boven geklommen was, om<span class="pagenum"><a name="Page_236" id="Page_236">[236]</a></span>
+nog eens naar het uilennest te kijken, dat wij daar voor
+eenigen tijd ontdekt hadden.</p>
+
+<p>&raquo;Is dat alles waar?&raquo; vroeg de burgemeester.</p>
+
+<p>&raquo;Ja mijnheer, volkomen waar!&raquo; stemden wij toe.</p>
+
+<p>Pa gaf mij stilzwijgend eene hand, ten bewijze, dat
+hij mijne fout vergaf.</p>
+
+<p>Maar Bob zag het, en hij zeide tegen Pa:</p>
+
+<p>&raquo;Ja mijnheer, Dorus heeft in het geheel geen schuld,
+want hij had mij verboden te komen. Maar toen ik
+zag,&raquo; aldus vervolgde hij tot den burgemeester, &raquo;dat de
+vogels weggegaan waren, zeker omdat zij door iemand
+waren opgejaagd, kreeg ik lust, om het nest eens van
+onderen te bekijken en daar ontdekte ik dat geld en
+de zegels. Arie de Zwaan heeft dat alles daar zeker
+verstopt.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Stil jongen,&raquo; zei de burgemeester. &raquo;Ik vraag je geen
+namen, want daar weet je immers niets van?&raquo;</p>
+
+<p>Maar ik zag, dat hij knipoogde tegen Pa, en dat die
+beide heeren een bijna onzichtbaar glimlachje niet bedwingen
+konden.</p>
+
+<p>&raquo;Hoe wist je, dat de vogels gestoord waren in het
+broeien?&raquo; vroeg de burgemeester.</p>
+
+<p>&raquo;Omdat ik voelde, dat de eieren koud waren, mijnheer,&raquo;
+antwoordde Bob. &raquo;Arie de Zwaan &mdash; o, ik bedoel, de
+dief is hier zeker dikwijls geweest, want anders zouden
+de uilen niet zoo bang geworden zijn, dat zij de eieren
+in den steek lieten.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Zoo, &mdash; hm, ja, dat kan wel zijn. Nu, ik heb alles
+hier gezien en zal er proces-verbaal van opmaken. Jelui<span class="pagenum"><a name="Page_237" id="Page_237">[237]</a></span>
+moet van middag om n uur bij me op het raadhuis
+komen, alle drie, goed begrepen?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Ja burgemeester.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Je kunt nu gaan, maar vergeet het niet, hoor: om
+n uur. Het gevondene zal ik menemen.&raquo;</p>
+
+<p>Wij verlieten den toren en gingen in druk gesprek
+huiswaarts. Toen wij voorbij de kosterswoning kwamen,
+zagen wij, hoe Arie de Zwaan, die zeker den burgemeester
+en den veldwachter voorbij en in den toren had zien
+gaan, onrustig voor het huis heen en weer liep. Zoodra
+hij ons zag, vroeg hij:</p>
+
+<p>&raquo;Wat is er in den toren te doen, jongens?&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Daar heb je den dief, geloof dat gerust,&raquo; fluisterde
+Bob ons toe. &raquo;Wat ziet hij bleek!&raquo;</p>
+
+<p>En luid antwoordde hij:</p>
+
+<p>&raquo;In den toren? Op dit oogenblik niets.&raquo;</p>
+
+<p>Dat was volkomen waar, want wij zagen den burgemeester,
+Pa en Tip juist naar buiten komen.</p>
+
+<p>De burgemeester gaf Pa de hand en begaf zich, door
+den veldwachter gevolgd, regelrecht naar de kosterswoning,
+waar Arie hen in zenuwachtige spanning afwachtte.
+Dat hij zenuwachtig was, konden wij best aan zijne
+gejaagde bewegingen zien.</p>
+
+<p>De koster en diens vrouw kwamen juist uit hun huis,
+toen de burgemeester Arie genaderd was. Wij zagen,
+hoe hij hem de hand op den schouder legde, en wij
+hoorden hem zeggen: &raquo;In naam der wet, Arie de Zwaan,
+neem ik u gevangen.&raquo;</p>
+
+<p>Verschrikkelijk, wat vonden wij dat pijnlijk. Wij zagen<span class="pagenum"><a name="Page_238" id="Page_238">[238]</a></span>
+hoe Arie&rsquo;s tante haar gelaat met de handen bedekte en
+in tranen uitbarstte.</p>
+
+<p>&raquo;Komt, jongens,&raquo; zei Pa zacht, want die was ons nu
+genaderd, &raquo;komt, laten we naar huis gaan. Dat is een
+treurig schouwspel, niet waar?&raquo;</p>
+
+<p>Zonder spreken vervolgden wij onzen weg. Maar Jan
+ijlde ons vooruit, om zijne ouders de blijde boodschap
+te brengen. Wat zal in de eenvoudige woning groote
+vreugde hebben geheerscht!</p>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_239" id="Page_239">[239]</a></span></p>
+
+<p class="str">&nbsp;</p>
+
+<h2>Veertiende Hoofdstuk.</h2>
+<hr class="l3"/>
+<p class="ot">Besluit.</p>
+
+
+<p>Het geheele dorp was dien dag verder in rep en roer,
+over hetgeen er gebeurd was. Er werd bijna over niets
+anders gesproken dan over Bobs vondst en de gevolgen
+daarvan. Dat die vooral voor de Van der Vliets hoogst
+gewichtig waren, is gemakkelijk te begrijpen.</p>
+
+<p>En wat bracht de gevangenneming van Arie de Zwaan
+eene geweldige opschudding teweeg. Overal zag men de
+menschen voor de ramen of op de straat verschijnen,
+toen hij tusschen den burgemeester en den veldwachter
+naar het raadhuis werd gevoerd, waar hij voorloopig in
+het gevangenhok werd opgesloten. Met neergeslagen
+oogen liep hij tusschen zijne bewakers voort, ongeboeid,
+dat is waar, maar toch scherp bewaakt.</p>
+
+<p>&rsquo;s Middags maakte Kees van der Vliet met zijne vrouw
+eene wandeling door het dorp. Hun gelaat straalde van
+vreugde, en zij liepen met het hoofd fier omhoog. Ieder
+die hen tegenkwam, maakte een praatje met hen, en<span class="pagenum"><a name="Page_240" id="Page_240">[240]</a></span>
+allen fliciteerden hen met de gunstige wending, die de
+zaak genomen had.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was grappig te hooren, hoe de menschen zeiden,
+dat zij altoos wel aan hun onschuld hadden geloofd, en
+die vroeger het meeste van hen te zeggen hadden gehad,
+waren nu de eersten, die het tegenovergestelde betuigden.</p>
+
+<p>Arie de Zwaan ontkende tegenover den burgemeester
+met groote beslistheid, dat hij den diefstal had gepleegd,
+en wat de burgemeester ook deed, hij bleef halsstarrig
+bij die verklaring.</p>
+
+<p>&rsquo;s Middags om twee uur, nadat wij op het raadhuis
+waren geweest, waar de burgemeester ons het proces-verbaal
+had voorgelezen, werd Arie de Zwaan per rijtuig
+en onder strenge bewaking naar Haarlem gevoerd, waar
+hij in de gevangenis werd opgesloten. En toen hij den
+volgenden dag voor den Officier van Justitie werd gebracht
+legde hij eene volledige bekentenis af. Ja, hij had &rsquo;s nachts
+het raam weten open te schuiven en al het aanwezige
+geld gestolen, en om de verdenking van zich af te
+werpen, had hij de drie gouden tientjes bij Van der
+Vliet onder de deur doorgeschoven, daar hij gezien had,
+dat deze met zijne vrouw dien dag bij den Directeur
+hadden gewerkt.</p>
+
+<p>De rechtbank veroordeelde hem tot eene langdurige
+gevangenisstraf. Zijn oom en tante, de koster en diens
+vrouw, waren zeer bedroefd over het slechte gedrag van
+hun neef. Toen hij later uit de gevangenis terugkeerde,
+hebben zij hem voortgeholpen om naar Amerika te emigreeren.
+Hier wisten zij geen raad meer met hem.<span class="pagenum"><a name="Page_241" id="Page_241">[241]</a></span></p>
+
+<p>Over de slechte wijze, waarop ik mijne taak als organist
+had waargenomen, werd zeer weinig gesproken.
+Bob had het goed geraden: door het vinden van het
+geld werd over mijne afwezigheid op dat gedenkwaardige
+oogenblik niet meer gedacht. Zelfs de meester liet er
+niets van blijken, toen hij teruggekeerd was, en later
+heeft hij mij nog meer dan eens verzocht, als hij weer eens
+van huis moest, zijne betrekking voor hem waar te
+nemen. Daaruit kon ik tot mijne groote vreugde opmaken,
+dat hij mij zijn vertrouwen niet onwaardig keurde.</p>
+
+<p>Maar Bob ging nooit weer met mij mede.</p>
+
+<p>Dat kon hij ook niet, want korten tijd daarna heeft
+hij tot onze groote spijt het dorp verlaten. De reden
+daarvan was, dat zijne Moe ernstig ziek werd, zoodat
+men voor het behoud van haar leven vreesde. Dokter
+Doreman deed alles, wat in zijn vermogen was om haar
+beter te maken, doch zijne pogingen waren vruchteloos.
+Eindelijk werd er besloten, een professor te raadplegen.
+Deze kwam en raadde na een ernstig onderzoek aan,
+naar eene andere woonplaats te verhuizen, liefst naar
+een hoog gelegen dorp in Gelderland. Hij twijfelde niet,
+of daar zou zij hare verloren gezondheid terugvinden.</p>
+
+<p>Och, wat was Bob in dien tijd stil en bedaard, want
+hij had zijne Moe innig lief. Wij zagen hem bijna niet
+meer op de straat en van spelen met ons was geen
+sprake. Hij was altoos thuis, waar hij de geliefde zieke
+met de teederste zorgen omringde.</p>
+
+<p>Zijn Pa besloot, den raad van den professor op te
+volgen. Hij kon er echter niet toe besluiten, de lieve<span class="pagenum"><a name="Page_242" id="Page_242">[242]</a></span>
+patiente alleen naar het vreemde oord te laten gaan.
+Daarom nam hij zijn ontslag als notaris en vestigde zich
+metterwoon te Oosterbeek.</p>
+
+<p>Het speet ons meer, dan ik zeggen kan, dat Bob ons
+ging verlaten. Hij had nog geen vol jaar bij ons op
+het dorp gewoond, maar toch hielden wij allen innig
+veel van hem. Dat bleek het duidelijkst bij zijn vertrek.
+Sommige jongens stortten er zelfs tranen om.</p>
+
+<p>Maar Karel Holm en mij speet het &rsquo;t meest van allen,
+want wij hadden het meest met hem omgegaan.</p>
+
+<p>&raquo;Dag Bob,&raquo; zeiden we bij het afscheid nemen, en onze
+oogen waren vochtig, evenals de zijne: &raquo;Het ga je goed,
+j. &rsquo;t Spijt me, dat je heengaat.&raquo;</p>
+
+<p>&raquo;Mij niet minder; dag Dorus! dag Karel! Maar &rsquo;t is
+om Moe, weet je. Als ik haar maar behouden mag.&raquo;</p>
+
+<p>En hij mocht haar behouden; de professor had het goed
+ingezien. Van het oogenblik af, dat zij de Geldersche
+lucht inademde, begon zij te herstellen, en nog geen
+drie maanden daarna schreef Bob ons, dat zij volkomen
+beter was en hare krachten bijna geheel had teruggekregen.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&raquo;En jongens,&raquo; zoo eindigde hij zijn brief, &raquo;in de
+volgende zomervacantie mag je beiden hier komen
+logeeren, zeggen Pa en Moe. Vindt je dat niet
+heerlijk? Ik kan je niet zeggen, hoe blij ik ben.
+Zeg jongens, dan zullen wij nog eens echt pret
+maken.</p>
+
+<p>
+<span class="rght1">Adieu!</span><br />
+<span class="rght2">Je vriend</span><br />
+<span class="rght3">BOB.&raquo;</span><br />
+</p>
+</div>
+<hr class="l1"/>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_243" id="Page_243">[243]</a></span></p>
+
+
+<p class="center"><b>KAPITEIN MARRYAT&rsquo;s Jongensboeken.</b></p>
+
+<p class="str2">&nbsp;</p>
+
+<p class="center f14"><b>De Gellustreerde Werken van KAPITEIN MARRYAT.</b></p>
+
+<p class="center"><b>De meest aanbevolen, meest boeiende en fraaiste
+boeken voor onze Jongens.</b></p>
+
+<p class="center">KAPITEIN MARRYAT is de Jongens-auteur bij uitnemendheid.</p>
+
+<p class="str3">&nbsp;</p>
+
+<div class="blockquot">
+<p><cite>Het Handelsblad</cite> zegt:</p>
+
+<p class="f9">&bdquo;met gejuich worden zijne boeken steeds begroet. Slechts bewondering,
+geen critiek wordt zijn deel.&rdquo;</p>
+
+<p><cite>Het Vaderland</cite> zegt:</p>
+
+<p class="f9">&bdquo;<span class="smcap">Marryat</span> veroudert niet en blijft steeds even aantrekkelijk.&rdquo;</p>
+
+<p><cite>De Portefeuille</cite> noemt deze boeken:</p>
+
+<p class="f9">Gezonde en zeer gewilde jongenslectuur. <span class="smcap">Marryat</span> was een onderhoudend
+verteller, die nooit iets aanstootelijks schreef, maar voortdurend
+wist te boeien.</p>
+</div>
+
+<p>De werken van KAPITEIN MARRYAT zijn verschenen in
+2 uitgaven.</p>
+
+<p>A. De <b>groote gellustreerde uitgave met twaalf platen</b>,
+geteekend door <span class="smcap">Johan Braakensiek</span> en <span class="smcap">Jos. Scheidel</span>. Hierin
+zijn nog voorhanden:</p>
+
+<p><b>De zoon van den Strooper</b> &mdash; <b>Snarley Yow</b> &mdash; <b>Frank
+Mildmay</b> &mdash; <b>Onder de Hottentotten</b> &mdash; <b>Stuurman Flink</b> &mdash; <b>Rattlin
+de Zeeman</b> &mdash; <b>Japhet de Vondeling</b> &mdash; <b>Het Spookschip</b> &mdash; <b>Jack
+Rustig</b>.</p>
+
+<p class="center f9">Prijs in gellustreerd omslag &fnof;&nbsp;1.50, gebonden &fnof;&nbsp;1.90.</p>
+
+<hr class="l3"/>
+<p>B. De <b>goedkoope gellustreerde uitgave</b>. Elk deel in
+groot formaat hiervan is versierd met 8 platen en bevat ruim 350
+bladzijden druks. &mdash; Verschenen zijn:</p>
+
+<p><b>Pieter Simpel</b> &mdash; <b>Het Koningskind</b> &mdash; <b>Arme Jaap</b> &mdash; <b>Jacob
+Eerlijk</b> &mdash; <b>De Kinderen van het Woud</b> &mdash; <b>De Landverhuizers
+van Canada</b> &mdash; <b>De Zwerver</b> &mdash; <b>De Kaper uit
+de vorige eeuw</b> en <b>Percival Keene</b>.</p>
+
+<p class="f9">Prijs van ieder deel in een door <span class="smcap">Johan Braakensiek</span> geteekend
+omslag &fnof;&nbsp;0.90, prachtig gebonden &fnof;&nbsp;1.25.</p>
+<hr class="l2"/>
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_244" id="Page_244">[244]</a></span></p>
+
+<p class="center f14"><b>Gellustreerde Werken van MARK TWAIN.</b></p>
+<p class="str2">&nbsp;</p>
+
+<p class="center"><span class="f12">De Lotgevallen van Tom Sawyer,</span><br />
+<span class="f9">6e herziene druk met platen van <span class="smcap">Johan Braakensiek</span>.</span></p>
+<hr class="l3"/>
+<p class="center"><span class="f12">De Lotgevallen van Huckleberry Finn</span><br />
+<span class="f9">(TOM SAWYER&rsquo;S MAKKER).</span><br />
+<span class="f9">2e druk met ruim 50 illustratin.</span></p>
+<hr class="l3"/>
+<p class="center"><span class="f12">De Reisavonturen van Tom Sawyer,</span><br />
+<span class="f9">met 30 fraaie platen.</span></p>
+<hr class="l3"/>
+<p class="center"><span class="f12">Prins en Bedelknaap.</span><br />
+<span class="f8">2e druk met ruim 50 illustratin.</span></p>
+
+<div class="blockquot">
+<p><cite>Het Handelsblad</cite> zegt:</p>
+
+<p class="f9">De boeken van <span class="smcap">Mark Twain</span> wemelen van leuke zetten, die ook
+ouderen met plezier kunnen lezen.</p>
+</div>
+
+<p>De prijs van bovenstaande vier werken van MARK TWAIN is
+ingenaaid &fnof;&nbsp;1.50, geb. &fnof;&nbsp;1.90 per deel.</p>
+
+<p class="str3">&nbsp;</p>
+
+<p class="center f14"><b>Jongensboeken van G. A. Henty,</b></p>
+
+<p class="center">vertaald door <b>H. Th. CHAPPUIS</b>.</p>
+
+<p class="center f9"><b>Goedkoope gellustreerde uitgave.</b></p>
+
+<p class="center"><b>Als Nihilist naar Siberi, Roodhuiden en Grensroovers,
+Cowboys en Goudzoekers.</b></p>
+
+<p>Alle gellustreerd. <span class="rght">Prijs ingen. &fnof;&nbsp;0.90, geb. &fnof;&nbsp;1.25.</span></p>
+
+<hr class="l3"/>
+
+<p class="center f11"><b>Historische Werken van C. Joh. Kieviet.</b></p>
+
+<div class="center">
+<table border="0" cellpadding="4" cellspacing="0" summary="Historische werken van C. Joh. Kieviet">
+<tr><td class="col2">FULCO DE MINSTREEL.</td>
+<td class="col2">IN WOELIGE DAGEN.</td></tr>
+<tr><td class="col1">Een verhaal uit den tijd van<br />
+Graaf <span class="smcap">Jan I</span>.</td>
+<td class="col1">Een verhaal uit de jaren<br />
+1345-1351.</td></tr>
+<tr><td class="col3">Met platen van <span class="smcap">Joh. Braakensiek</span>.</td>
+<td class="col3">Met platen van <span class="smcap">L. R. W. Wenckebach</span>.</td></tr>
+<tr><td class="col3">Prijs in gell. omsl. &fnof; 1.50,</td>
+<td class="col3">Prijs in gell. omsl. &fnof; 1.50,</td></tr>
+<tr><td class="col3">in prachtband &fnof; 1.90.</td>
+<td class="col3">in prachtband &fnof; 1.90.</td></tr>
+</table></div>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<div class="figcenter">
+<img src="images/rug.jpg" width="90" height="600" alt="Rugzijde" title="" />
+</div>
+<div class="figcenter">
+<img src="images/achter.jpg" width="430" height="600" alt="Achterkant kaft" title="" />
+</div>
+
+<div class="tnote">
+<p><b>Opmerkingen van de bewerker:</b></p>
+
+<p>Duidelijke drukfouten zijn gecorrigeerd, zoals b.v. &ldquo;me&rdquo;
+i.p.v. &ldquo;me&rdquo;, en &ldquo;stellen&rdquo; i.p.v. &ldquo;stelten&rdquo;.</p>
+
+<p>Geneste dubbele aanhalingstekens zijn gestandaardiseerd tot &bdquo;...&rdquo;,
+waar dat nodig was voor de duidelijkheid.</p>
+
+<p>Overigens is de originele spelling en interpunctie ongewijzigd
+overgenomen, ook ongebruikelijke woordvormen en inconsequent gebruik
+van trema&rsquo;s en accenten.</p>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Wilde Bob, by Cornelis Johannes Kieviet
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WILDE BOB ***
+
+***** This file should be named 37789-h.htm or 37789-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/7/7/8/37789/
+
+Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/37789-h/images/achter.jpg b/37789-h/images/achter.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f82a4d0
--- /dev/null
+++ b/37789-h/images/achter.jpg
Binary files differ
diff --git a/37789-h/images/cover.jpg b/37789-h/images/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b08d6e2
--- /dev/null
+++ b/37789-h/images/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/37789-h/images/ill01.jpg b/37789-h/images/ill01.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9046cc7
--- /dev/null
+++ b/37789-h/images/ill01.jpg
Binary files differ
diff --git a/37789-h/images/ill02.jpg b/37789-h/images/ill02.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f9bea47
--- /dev/null
+++ b/37789-h/images/ill02.jpg
Binary files differ
diff --git a/37789-h/images/ill03.jpg b/37789-h/images/ill03.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f6759a4
--- /dev/null
+++ b/37789-h/images/ill03.jpg
Binary files differ
diff --git a/37789-h/images/ill04.jpg b/37789-h/images/ill04.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d274c53
--- /dev/null
+++ b/37789-h/images/ill04.jpg
Binary files differ
diff --git a/37789-h/images/ill05.jpg b/37789-h/images/ill05.jpg
new file mode 100644
index 0000000..7f2f2bb
--- /dev/null
+++ b/37789-h/images/ill05.jpg
Binary files differ
diff --git a/37789-h/images/rug.jpg b/37789-h/images/rug.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f2687ee
--- /dev/null
+++ b/37789-h/images/rug.jpg
Binary files differ
diff --git a/37789-h/images/streepje.gif b/37789-h/images/streepje.gif
new file mode 100644
index 0000000..402d13a
--- /dev/null
+++ b/37789-h/images/streepje.gif
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..872700e
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #37789 (https://www.gutenberg.org/ebooks/37789)